← Nederland

Nota Bodembeheer 2016-2026 (Maassluis)

Kort samengevat

Deze nota bodembeheer stelt een geactualiseerd beleid vast voor het duurzaam en efficiënt beheren en gebruiken van de bodem in de gemeenten Maassluis en Vlaardingen, met name gericht op het hergebruik van grond en baggerspecie. Het vervangt eerdere versies van de bodemfunctieklassenkaart, bodemkwaliteitskaart en nota bodembeheer.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst
Obsah (4)§ 2§ 4§ 6§ 7

lege besluit: De Herziene Nota Bodembeheer 2016-2016 vast te stellen conform het gestelde in het advies; Dat de aangepaste bodemfunctieklassenkaart, de geactualiseerde bodemkwaliteitskaart en deze not

§ 2.1.1 van bijlage 2).

Als dit niet het geval is, gaat het niet om het nuttig hergebruiken van grond en wordt de grond als afvalstof gezien. Een voorbeeld hiervan is het creëren van overhoogte op een geluidswal zonder dat dit voor de geluidswering noodzakelijk is. Voor het ontgraven en tijdelijk opslaan van grond in het kader van gevallen van ernstige bodemverontreiniging geldt de Wet bodembescherming. Naar verwachting treedt de Omgevingswet in 2022 inwerking en vervalt de Wet bodembescherming. Diverse onderwerpen uit de Wet bodembescherming komen in het Besluit activiteiten leefomgeving aan de orde. Ook moeten bepaalde onderwerpen worden opgenomen in het Omgevingsplan en/of de Omgevingsverordening. Voor het verspreiden van baggerspecie over aangrenzende percelen geldt een bijzonder kader met acceptatieplicht voor de aangelanden op basis van de Waterwet en de Keur van waterschappen. Voor het inrichten van een weilanddepot voor baggerspecie moet in de gemeente een omgevingsvergunning (vroeger aanlegvergunning) worden aangevraagd (artikel 2.1 lid 1 onder b van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht). Afhankelijk van de locatie is ook een ontheffing noodzakelijk van het daar geldende bestemmingsplan. Het in deze nota geformuleerde beleid heeft geen betrekking op toepassingen van grond in een oppervlaktewaterlichaam tenzij het om een demping van een oppervlaktewaterlichaam gaat waardoor feitelijk een landbodem ontstaat. Of het gaat om het opvullen met grond van de ruimte achter een (nieuw) geplaatste beschoeiing. In die situatie worden nadere afspraken gemaakt tussen de waterkwaliteitsbeheerder (Rijkswaterstaat -rijkswateren- of het Hoogheemraadschap van Delfland -overige wateren-) en de gemeente. Grondverzet bij bodemsanering Een bodemsanering moet worden uitgevoerd als er sprake is van een spoedeisend geval van ernstige bodemverontreiniging of als bodemkwaliteit op de locatie niet voldoet aan de bodemkwaliteit die hoort bij de toegekende functie. Bij een bodemsanering wordt sterk verontreinigde grond ontgraven en eventueel de saneringsput opgevuld met grond. Ook kan een bodemsanering plaatsvinden door het aanbrengen van een isolatielaag, een ophooglaag of een leeflaag met grond. Afhankelijk van het type bodemsanering kan de bodemfunctieklassenkaart of de bodemkwaliteitskaart worden gebruikt om de terugsaneerwaarde(n) te bepalen (

§ 4.13.1).

Het aanvullen van een saneringsput of het aanbrengen van een isolatielaag, ophooglaag of leeflaag als sanerende maatregel is in het kader van het Besluit een nuttige toepassing. Afhankelijk van de ligging van de saneringslocatie gelden hierbij de toepassingseisen die in deze nota bodembeheer zijn geformuleerd (

hoofdstuk 4). Grens landbodem-waterbodem De definitie van de grens tussen landbodem en waterbodem is aangegeven in artikel 1 van de Waterwet: “Oppervlaktewaterlichaam: 'samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen, alsmede de bijbehorende waterbodem, oevers en voor zover uitdrukkelijk aangewezen krachtens deze wet, drogere oevergebieden, alsmede flora en fauna'.” Ter plaatse van de waterbodems is de waterkwaliteitsbeheerder het bevoegd gezag. Binnen de gemeenten Maassluis en Vlaardingen zijn dat Rijkswaterstaat (rijkswateren) en het Hoogheemraadschap van Delfland (overige wateren). Bij de rijkswateren vallen de zogenoemde ‘drogere oevergebieden’, zoals gedefinieerd in de Waterregeling[8], onder het bevoegd gezag van de betreffende gemeente. De ligging van het beheergebied van Rijkswaterstaat en de drogere oevergebieden zijn inzichtelijk gemaakt op de website van Rijkswaterstaat: https://www.helpdeskwater.nl/onderwerpen/wetgeving-beleid/waterwet/kaarten/kaart-waterregeling/ of https://geoservices.rijkswaterstaat.nl/portaal/. Ter plaatse van de overige wateren in het beheergebied van het Hoogheemraadschap van Delfland is de Keur Delfland[9] van toepassing. De Keur is alleen van toepassing op waterstaatswerken. Dat wil zeggen oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken en op de daarlangs gelegen beschermingszones (

figuur 1.1). De ligging van deze gebieden is weergegeven in de leggerkaarten die beschikbaar zijn bij het Hoogheemraadschap (www.hhdelfland.nl). Figuur 1.1. Schematische dwarsdoorsnede van een oppervlaktewaterlichaam en bijbehorende beschermingszones (zonder natte ecologische zone of waterberging). Het gebruik van de bodemkwaliteitskaart bij bodemverontreinigende activiteiten en bij omgevingsvergunningsaanvragen Eén van de doelen van de Omgevingswet is dat de bodemkwaliteitskaart voor meer doelen dan het toepassen/hergebruik van grond wordt ingezet. De gemeenten Maassluis en Vlaardingen willen de bodemkwaliteitskaart onder voorwaarden gaan gebruiken Bij de interpretatie van eindsituatie-onderzoeken bij bodemverontreinigende activiteiten als geen nulsituatie-onderzoek is uitgevoerd (

§ 4.16).

Als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de grond bij omgevingsvergunningsaanvragen (activiteit bouwen en activiteit ruimtelijke planvorming;

hoofdstuk 8). 1.4 Geldigheid Deze nota bodembeheer wordt door de gemeenten vastgesteld voor een periode van maximaal 10 jaar. De bodemkwaliteitskaart wordt maximaal 5 jaar na de bestuurlijke vaststelling, in 2021, geëvalueerd (

artikel 4.3.5 van de Regeling). Voor een bodemfunctieklassenkaart geldt geen wettelijke houdbaarheidstermijn. Een bodemkwaliteitskaart moet elke 5 jaar opnieuw worden vastgesteld, ongeacht of er aanpassingen zijn. Met de bodemkwaliteitskaart wordt ook de bodemfunctieklassenkaart geëvalueerd. Als de bodemfunctieklassenkaart moet worden aangepast, moet deze ook weer opnieuw bestuurlijk worden vastgesteld. Op basis van de evaluatie van de bodemfunctieklassenkaart en de bodemkwaliteitskaart wordt vastgesteld of aanpassing van deze nota noodzakelijk is of dat de nota in de huidige vorm nog een volgende 5 jaar kan worden gebruikt. Alleen als het gebiedsspecifieke beleid (artikel 44 van het Besluit) moet worden aangepast, moet ook de nota opnieuw door elke gemeenteraad bestuurlijk worden vastgesteld. 1.5Verantwoordelijkheid De verantwoordelijkheid voor naleving van de regels bij het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond ligt in eerste instantie bij de initiatiefnemer. Maar ook een ieder die op een bepaald moment in enig opzicht macht uitoefent over (een deel van) de toepassing kan worden aangesproken; bijvoorbeeld een eigenaar, erfpachter, huurder of bruiklener. De initiatiefnemer voor de grondtoepassing, of een hiertoe gemachtigd persoon (ontdoener van de grond of tussenpersoon zoals een aannemer of adviesbureau), is dan ook verplicht om het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond te melden. In § 7.2.2 is een aantal situaties beschreven waarbij het toepassen van grond niet gemeld hoeft te worden. De verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer voor het ontgraven, het tijdelijk opslaan en/of het toepassen van grond en daarna een ieder die macht uitoefent op de toepassingslocatie ligt verankerd in de wettelijke zorgplicht: Algemene zorgplicht in het kader van de Wet milieubeheer[10] (artikel 1.1.a): achterwege laten van handelingen, die nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaken. Zorgplicht uit de Wet bodembescherming (artikel 13): een ieder die handelingen verricht, die kunnen leiden tot bodemverontreiniging, is verplicht preventieve en zo nodig herstellende maatregelen te treffen. Zorgplicht voor handelingen inzake afvalstoffen. Met afvalstoffen wordt gedoeld op bijlage 1 van EU-richtlijn afvalstoffen van

  1. In de Wet milieubeheer wordt hierop ingegaan in de artikelen 10.1 en 10.
  2. Bij bodemsanering gaat het dan om verontreinigd puin, sintels, teerresten et cetera. Zorgplicht uit het Besluit (artikel 7): een ieder die bouwstoffen, grond of baggerspecie toepast die kunnen leiden tot bodemverontreiniging, voorkomt die gevolgen of beperkt die voor zover voorkomen niet mogelijk is en voor zover van hem kan worden gevergd. De zorgplicht wordt in de Omgevingswet overgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving. Als achteraf blijkt dat foutief is gehandeld, kan geen beroep worden gedaan op de gedane melding voor het Besluit bodemkwaliteit of het eventueel uitblijven van een reactie van het bevoegd gezag binnen een bepaalde termijn. Ook na toepassing mag het bevoegd gezag Besluit bodemkwaliteit nog optreden tegen overtredingen van de regelgeving als blijkt dat niet de juiste gegevens zijn verstrekt of sprake is van het toepassen van grond/bagger van een onjuiste kwaliteit. 1.6Aansprakelijkheid De bodemfunctieklassenkaart, de bodemkwaliteitskaart en de nota bodembeheer zijn met grote zorgvuldigheid opgesteld. De bodemkwaliteitskaart biedt geen harde garanties voor de kwaliteit van een partij grond. De kaart doet alleen een uitspraak over welke kwaliteit in het algemeen verwacht mag worden. De kwaliteit van een individuele partij kan daarvan afwijken. De eindverantwoordelijkheid voor de toepassing van grond blijft bij de initiatiefnemer en daarna een ieder die macht uitoefent op de toepassingslocatie. Als twijfel bestaat over de kwaliteit van de grond, wordt geadviseerd een onderzoek te laten uitvoeren. 1.7Deze nota in relatie tot de Omgevingswet Naar verwachting treedt in 2022 de Omgevingswet en diverse (aanvullings-) wetten, besluiten en Algemene maatregelen van bestuur inwerking. De huidige wet- en regelgeving voor bodemsanering en het nuttig toepassen van grond en gerijpte baggerspecie komt daarmee te vervallen en worden in de Omgevingswet, de bijbehorende (aanvullings-)wetten en besluiten en Algemene maatregelen van bestuur geregeld. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet valt deze nota bodembeheer én de bodemkwaliteitskaart van rechtswege via het overgangsrecht direct in het tijdelijke deel van het Omgevingsplan. Het in deze nota bodembeheer geformuleerde gebiedsspecifieke beleid wordt hiermee na de inwerkingtreding van de Omgevingswet voortgezet. Deze nota bodembeheer kan als bouwsteen dienen voor het Omgevingsplan of Programma. Een nieuw op te stellen Omgevingsplan met het oog op de bodem, krijgt een breder spectrum dan alleen bodemsanering en hergebruik van grond. Er wordt aangesloten op de gemeentelijke Omgevingsvisie. Onderwerpen zoals de aanpak van bodemverontreiniging, activiteiten in het grondwater, eventuele diffuse bodembelasting met lood, verzilting, bodemdaling, bodemafdekking (wateroverlast en hittestress), opslag van gas in de ondergrond, bodemenergie (geothermie) en/of warmte-koude opslag in de ondergrond, asbestdaken en gerelateerde bodemverontreiniging en het overgangsrecht voor de Wet bodembescherming kunnen aan de orde komen. Het verdient de aanbeveling om het hergebruik van grond terug te laten komen in een nieuw Omgevingsplan, met het oog op de bodem. Met de Omgevingswet wijzigt ook het normenkader. Er komen zogenaamde ‘Voorkeurswaarden’ en ‘Maximale waarden’. De ‘Voorkeurswaarde’ (voor een bepaald bodemgebruik) is gelijk aan de huidige normen uit de Regeling voor ‘Achtergrondwaarde (AW2000)’, ‘Wonen’ en ‘Industrie’. De ‘Maximale waarde’ is gelijk aan de huidige waarden die voor het spoedcriterium van de Wet bodembescherming worden gebruikt. Tussen de ‘Voorkeurswaarde’ en ‘Maximale waarde’ hebben gemeenten de ruimte om eigen beleid te maken (

figuur 1.2). Dit moet worden onderbouwd door de betreffende gemeente. Figuur 1.2 Normenkader bodem in de omgevingswet De huidige Interventiewaarden van de Wet bodembescherming worden in de Omgevingswet opgenomen in bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving. Als gegraven gaat worden met een omvang meer dan 25 m3, en de interventiewaarde wordt overschreden, wordt het net zoals nu verplicht een geschiktheidstoets uit te voeren voor het huidige/beoogde bodemgebruik. De gemeenten krijgen de mogelijkheid om gebiedsspecifiek beleid te maken: om de interventiewaarde, ‘triggerwaarde’, voor de verplichte geschiktheidstoets hoger of lager te stellen (

artikel 5.89j Besluit kwaliteit leefomgeving), bijvoorbeeld voor gebieden waar sprake is van een diffuus verspreide sterke verontreiniging; om verhoogde terugsaneerwaarden te formuleren (net zoals de Lokale Maximale Waarden binnen het Besluit). Bij werkzaamheden in de grond met gehalten boven de interventiewaarden, blijft de kwaliteitsborging in het bodembeheer[11] gelden; de zogenaamde ‘Kwalibo’; bijvoorbeeld dat werkzaamheden onder erkenning en volgens beoordelingsrichtlijnen moeten worden uitgevoerd (

artikel 2.1 van de Regeling). Opgesteld gemeentelijk beleid (verhoogde ‘triggerwaarden’) heeft daar geen invloed op. Binnen de Omgevingswet blijft een bodemkwaliteitskaart gelden als erkend bewijsmiddel bij grondverzet. De bodemkwaliteitskaart kan ook gebruikt worden bij het Activiteitenbesluit (bodembedreigende activiteiten binnen de Omgevingswet) of bij de vrijstelling van bodemonderzoek voor omgevingsvergunningen. Bij nog niet gesaneerde en beheerde grondwaterverontreinigingen wordt de regelgeving in de Omgevingswet als volgt: Op een natuurlijk moment (bijvoorbeeld (her)ontwikkelingsprojecten of tijdens graafwerk) moet door de initiatiefnemer de bron van de grondwaterverontreiniging worden gesaneerd. Afhankelijk van de urgentie en het gebruik van de boven- en ondergrond (bijvoorbeeld drinkwaterwinning) neemt de overheid initiatieven om de pluim van de grondwaterverontreiniging aan te pakken. In de Omgevingswet is het een doelstelling dat informatie over milieuwet- en regelgeving makkelijker en digitaal wordt ontsloten. De mogelijkheden voor het toepassen van grond en gerijpte baggerspecie, worden door de gemeenten digitaal gepresenteerd op de gemeentelijke websites en interactief inzichtelijk gemaakt op een website die voor iedereen te raadplegen is: https://dcmr-bbkweb.lievense.com/. Hiermee wordt al vooruitgelopen op één van de doelstellingen van de Omgevingswet die naar verwachting in 2022 inwerking treedt. De kaarten van deze nota bodembeheer zijn ook raadpleegbaar op de website van het Bodemloket http://www.bodemloket.nl/kaart, een initiatief van gemeenten, provincies en het Rijk. 1.8Leeswijzer In hoofdstuk 2 is ingegaan op de vastgestelde (stedelijke) bodemkwaliteit in de gemeenten Maassluis en Vlaardingen. In hoofdstuk 3 is een toelichting gegeven op de maatschappelijke opgave over het toepassen van grond in de gemeenten. Het gemeentelijke beleid voor de toepassing van grond is in hoofdstuk 4 nader uitgewerkt. Het toepassen van grond met de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel komt in hoofdstuk 5 aan de orde. Hoofdstuk 6 gaat in op de onderzoeksinspanning die moet worden verricht voorafgaand aan het toepassen van grond. De te volgen procedures rondom het toepassen van grond zijn beschreven in hoofdstuk

  1. Hoofdstuk 8 gaat in op het vrijstellingsbeleid voor het uitvoeren van bodemonderzoek bij omgevingsvergunningsaanvragen (activiteit bouwen en activiteit ruimtelijke planvorming). Deze nota wordt afgesloten met een hoofdstuk over enkele mandateringen van bevoegdheden door de gemeenteraden naar de colleges van burgemeester en wethouders en een overzicht van de in de teksten aangegeven bronvermeldingen. De in deze nota gebruikte begrippen zijn in bijlage 1 uiteengezet. In bijlage 2 is ingegaan op de Wet- en regelgeving bij het ontgraven, het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond. In de bijlagen 3 is een beschrijving gegevens hoe de bodemkwaliteitskaart is gemaakt en zijn de resultaten daarvan weergegeven. De statistische onderbouwing van de ontgravingskaarten is in de bijlagen 4 opgenomen. De mogelijkheden voor het toepassen van grond binnen de gemeenten Maassluis en Vlaardingen, zonder dat bodemonderzoek uitgevoerd hoeft te worden, zijn weergegeven in een grondstromenmatrix dat in bijlage 5 is opgenomen. In bijlage 6 is de onderbouwing gegeven van de normen waaraan de gemeente haar bodemkwaliteit toetst. Tenslotte is in bijlage 7 het vragenformulier voor historische gegevens van de toe te passen grond opgenomen dat kan worden gebruikt als bewijsmiddel voor de toe te passen grond, tezamen met de ontgravings- en toepassingskaarten. Op de kaartbijlagen 1 en 2 zijn respectievelijk de bodemfunctieklassenkaart en een kaart met de ligging van de bodemkwaliteitszones weergegeven. Op de kaartbijlagen 3 zijn de te verwachten ontgravingskwaliteit weergegeven. De toepassingseisen voor grond in de gemeente zijn weergegeven op de kaartbijlagen
  2. 2De te verwachten bodemkwaliteit in de gemeenten In de bodemkwaliteitskaart van de gemeenten Maassluis en Vlaardingen (

voor de technische onderbouwing bijlage 3A) zijn op basis van bodemtype, gebruikshistorie en bodemkwaliteit in totaal 17 bodemkwaliteitszones in de bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 1,0 meter diepte, 16 bodemkwaliteitszones in de bodemlaag vanaf 1,0 meter tot en met 2,0 meter diepte onderscheiden en 2 bodemkwaliteitszones voor PFAS-verbindingen (bodemlagen 0-1,0 m-mv en 1,0-1,5 m-mv,

de kaartbijlagen 2A, 2B en 2C). Binnen een bodemkwaliteitszone wordt dezelfde gebiedseigen bodemkwaliteit aangetroffen. Hierbij is rekening gehouden dat de bovenste meter van de bodem doorgaans meer belast is met verontreinigende stoffen dan de onderliggende bodemlaag. De kaart is opgesteld volgens de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten[12] en de afspraken die met de gemeenten en de DCMR zijn gemaakt. De bodemkwaliteitskaart is vastgesteld voor de stoffen arseen, barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, molybdeen, lood, nikkel, zink, minerale olie en de stofgroepen polychloorbifenylen (PCB) en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK). Voor de bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 1,5 meter diepte is de bodemkwaliteitskaart ook voor PFAS-verbindingen 1 Het betreft 30 PFAS-verbindingen die zijn opgenomen in de advieslijst van Bodem+ d.d. 12 juli 2019:https://www.bodemplus.nl/publish/pages/164708/1907012-pfas_-_advieslijst_tbv_tijdelijk_handelingskader_v4.pdf. PFAS-verbindingen worden gebruikt in blusschuim of om producten water- en/of vetafstotend te maken en zijn verwerkt in een scala van producten (tefalpannen, kleding, verf, cosmetica, zonnebrand). vastgesteld. Op basis van bekende PFAS-gegevens in de gemeenten nemen de gehalten aan PFAS-verbindingen af in de diepere bodemlagen. Gezien dit gegeven is het de verwachting dat de bodemlaag dieper dan 1,5 meter van een vergelijkbare of betere kwaliteit is als de bodemlaag 1,0-1,5 m-mv. De algemene stedelijke bodemkwaliteit van een bodemkwaliteitszone is gebaseerd op de 80-percentielwaarden2 80% van de analyseresultaten ligt beneden deze waarde. van de voornoemde stoffen De gemeenten Maasluis en Vlaardingen hebben besloten om bij het karakteriseren van de bodemkwaliteitszones uit te gaan van het bodembeleid van de gemeente Rotterdam[13] (

bijlage 1 onder het kopje 'Bodemkwaliteitsklasse'). Daardoor maken de gemeenten Maassluis en Vlaardingen gebruik van het gebiedsspecifieke kader van het Besluit (

ook § 4.3). Naast Rotterdam hanteren de gemeenten Lansingerland, Nissewaard en Schiedam dat beleid ook. In § 4.3 wordt hier nader op ingegaan. In het stedelijk gebied van de regio Rijnmond komt barium vaak verhoogd voor. Daarom is barium meegenomen bij de karakterisering van de algemene stedelijke bodemkwaliteit. In tabel 2.1 is per bodemkwaliteitszone de verwachte ontgravingsklasse en de toepassingseisen per voorkomende bodemfunctie weergeven. Omdat in één bodemkwaliteitszone meerdere bodemfuncties kunnen voorkomen, kunnen ook meerdere toepassingseisen voorkomen (

ook § 3.8.4 van bijlage 3A). Uit tabel 2.1 blijkt dat in 10 bodemkwaliteitszone de ontgraven grond niet mag worden teruggeplaatst in dezelfde bodemkwaliteitszone of in een deel van de bodemkwaliteitszone afhankelijk van de bodemfunctie van de betreffende locatie. De volgende locaties en gebieden zijn uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart: Locaties met, of die verdacht zijn voor, een sterke bodemverontreiniging, inclusief locaties waar vanwege (bedrijfs)activiteiten PFAS-verbindingen in verhoogde gehalten in de bodem kunnen voorkomen (PFAS producerende3 Zoals bijvoorbeeld productie van o.a. PFOS, PFOA, telomeren en andere PFAS-verbindingen. en verwerkende bedrijven4 Zoals bijvoorbeeld productie en verwerking van teflon, galvanische industrie, textielindustrie, papier(verwerkende) industrie, lak- en verfindustrie, fabricage van cosmetica. , inzet blusschuim5 Brand blussen, brandweeroefenplaatsen (gemeenten), brandpreventie voorzieningen (industrie) met schuimblusinstallaties, militaire brandweeroefenplaatsen en vliegvelden, brandweeroefenplaatsen op vliegvelden (burgerluchtvaart). en secundaire bronnen6 Zoals bijvoorbeeld stortplaatsen, waterzuiveringsinstallaties, afvalverbrandingsinstallaties, ijzerinzamelbedrijven (inzamelen brandblussers), gebruik bestrijdingsmiddelen. ). Locaties die in het Kadaster zijn geregistreerd met een aantekening Wet bodembescherming (de locaties met een beschikking “Ernstig”). De volgende gebieden in de gemeente Maassluis: Noord Nieuwlandse Polder Zuid (NNPZ). Noordelijk Industrieterrein. Park. Sterrebos. Steendijkpolder (bodemlaag vanaf 1,0 meter tot en met 2,0 meter diepte). De bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld. De waterbodems die in beheer zijn van de betreffende waterkwaliteitsbeheerder: Rijkswaterstaat of het Hoogheemraadschap van Delfland; met uitzondering van de drogere oevergebieden zoals gedefinieerd in de Waterregeling[8]. Ook het grondwater is uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart. Tabel 2.1: Bodemkwaliteitszone per bodemlaag met verwachte ontgravingsklasse en de toepassingseisen per voorkomende bodemfunctie Bodem-kwaliteits-zone Bodemlaag Verwachte ontgravings-klasse Toepassingseis bij bodemfunctie Industrie Toepassingseis bij bodemfunctie Wonen Toepassingseis bij bodemfunctie Landbouw Toepassingseis bij bodemfunctie Natuur Gemeente Maassluis Kern, 1e Fase Bodemlaag 0-1 m-mv Industrie # Industrie @@ Wonen* @@ Nvt. Nvt. Bodemlaag 1-2m-mv Industrie ## Industrie @@ Wonen* @@ Nvt. Nvt. 2e Fase inrichting Bodemlaag 0-1 m-mv Industrie # Industrie @@ Wonen* @@ Nvt. Nvt. Bodemlaag 1-2m-mv Wonen ## Wonen @@ Wonen @@ Nvt. Nvt. 3e Fase bebouwing Bodemlaag 0-1 m-mv Wonen # Nvt. Wonen @@ Nvt. Natuur* @ Bodemlaag 1-2m-mv Landbouw ## Nvt. Landbouw @ Nvt. Natuur* @ Balkon Bodemlaag 0-1 m-mv Landbouw # Nvt. Landbouw @ Nvt. Nvt. Bodemlaag 1-2m-mv Landbouw ## Nvt. Landbouw @ Nvt. Nvt. Industrie Stationsbuurt Bodemlaag 0-1 m-mv Industrie # Industrie @@ Wonen* @@ Nvt. Nvt. Bodemlaag 1-2m-mv Industrie ## Industrie @@ Wonen* @@ Nvt. Nvt. Kapelpolder Bodemlaag 0-1 m-mv Industrie # Industrie @@ Nvt. Nvt. Nvt. Bodemlaag 1-2m-mv Industrie ## Industrie @@ Nvt. Nvt. Nvt. Landelijk gebied Bodemlaag 0-1 m-mv Landbouw # Nvt. Landbouw @ Landbouw @ Nvt. Bodemlaag 1-2m-mv Landbouw ## Nvt. Landbouw @ Landbouw @ Nvt. Steendijk-polder Bodemlaag 0-1 m-mv Industrie # Nvt. Wonen* @@ Nvt. Nvt. Bodemlaag 1-2m-mv Niet gezoneerd $ ## Neem contact op met de DCMR Vervolg tabel 2.1: Bodemkwaliteitszone per bodemlaag met verwachte ontgravingsklasse en de toepassingseisen per voorkomende bodemfunctie Bodem-kwaliteits-zone Bodemlaag Verwachte ontgravings-klasse Toepassingseis bij bodemfunctie Industrie Toepassingseis bij bodemfunctie Wonen Toepassingseis bij bodemfunctie Landbouw Toepassingseis bij bodemfunctie Natuur Gemeente Maassluis Zuidelijk industrie-gebied Bodemlaag 0-1 m-mv Wonen # Wonen @@ Wonen @@ Nvt. Nvt. Bodemlaag 1-2m-mv Industrie ## Industrie @@ Wonen @@ Nvt. Nvt. Gemeente Vlaardingen 1e Ring Bodemlaag 0-1 m-mv Wonen # Nvt. Wonen @@ Nvt. Nvt. Bodemlaag 1-2m-mv Landbouw ## Nvt. Landbouw @ Nvt. Nvt. 2e Ring Bodemlaag 0-1 m-mv Landbouw # Nvt. Wonen @@ (

§ 4.4.3 nota bodembeheer) Landbouw @ Nvt.

Bodemlaag 1-2m-mv Landbouw ## Nvt. Landbouw @ Nvt. Alkeet- en Holypolder Bodemlaag 0-1 m-mv Landbouw # Nvt. Nvt. Landbouw @ Nvt. Bodemlaag 1-2m-mv Landbouw ## Nvt. Nvt. Landbouw @ Nvt. Bebouwing en weilanden Bodemlaag 0-1 m-mv Wonen # Nvt. Nvt. Landbouw* @ Nvt. Bodemlaag 1-2m-mv Landbouw ## Nvt. Nvt. Landbouw @ Nvt. Centrum Bodemlaag 0-1 m-mv Industrie # Nvt. Wonen* @@ Nvt. Nvt. Bodemlaag 1-2m-mv Landbouw ## Nvt. Landbouw* @ Nvt. Nvt. Industrie na 1945 Bodemlaag 0-1 m-mv Industrie # Industrie @@ Nvt. Nvt. Nvt. Bodemlaag 1-2m-mv Industrie ## Industrie @@ Nvt. Nvt. Nvt. Rivierzone Bodemlaag 0-1 m-mv Industrie # Industrie @@ Wonen @@ Nvt. Nvt. Bodemlaag 1-2m-mv Landbouw ## Landbouw @ Landbouw @ Nvt. Nvt. Vergulde Hand West Bodemlaag 0-1 m-mv Landbouw # Industrie @@ (

§ 4.4.4 nota bodembeheer) Nvt.

Nvt. Nvt. Bodemlaag 1-2m-mv Landbouw ## Industrie @@ (

§ 4.4.4 nota bodembeheer) Nvt.

Nvt. Nvt. Broekpolder Bodemlaag 0-1 m-mv Niet gezoneerd $ ## Industrie @@ (

§ 4

.4.5 nota bodembeheer) Wonen @@ (

§ 4.4.5 nota bodembeheer) Nvt.

Natuur @@ (

§ 4

.4.5 nota bodembeheer) Bodemlaag 1-2m-mv Overig Uitgesloten gebied7 De ontgravingskwaliteit voor PFAS-verbindingen geldt niet voor de locaties die vanwege (bedrijfs)activiteiten verdacht zijn voor verhoogde gehalten aan PFAS-verbindingen. - Niet gezoneerd $ #/## Neem contact op met de DCMR Oppervlakte-waterlichaam - Nvt. Neem contact op met de waterkwaliteitsbeheerder Nvt. Deze bodemfunctie komt niet voor in de bodemkwaliteitszone. * Grond uit het betreffende gebied mag niet worden toegepast in hetzelfde gebied (vanwege de strengere toepassingseis ten opzichte van de ontgravingskwaliteit). $Deze bodemkwaliteitszone is niet gezoneerd voor de stoffen arseen, barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, molybdeen, lood, nikkel, zink, minerale olie en de stofgroepen polychloorbifenylen (PCB) en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK). #De 80-percentielwaarde van PFOA en PFOS zijn lager dan de voorlopige landelijke achtergrondwaarden vastgesteld, maar PFOA boven de toepassingswaarden voor een aantal toepassingssituaties in oppervlaktewater. Dit leidt tot beperkingen voor een aantal toepassingssituaties in oppervlaktewater (neem hiervoor contact op met de waterkwaliteitsbeheerder) en mogelijk tot beperkingen bij het toepassen van grond in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden. ##De 80-percentielwaarden van de PFAS-verbindingen zijn lager dan de voorlopige landelijke achtergrondwaarden vastgesteld, maar voor een aantal PFAS-verbindingen boven de bepalingsgrens. Dit leidt mogelijk tot beperkingen bij het toepassen van grond in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden. @De gehalten aan PFAS-verbindingen moeten voldoen aan de landelijke achtergrondwaarden @@Het gehalte aan PFOA moet voldoen aan 7,0 μg/kg ds en de gehalten aan de andere PFAS-verbindingen moeten voldoen aan 3,0 μg/kg ds. 3Maatschappelijke opgave De gemeenten Maassluis en Vlaardingen verwachten de komende 5 tot 10 jaar dat continu grond (tijdelijk) wordt ontgraven, opgeslagen en toegepast. Voorbeelden hiervan zijn het regulier onderhoud aan weg(berm)en, rioleringen, kabels, leidingen, groenvoorzieningen en (vervangende) nieuwbouwprojecten. Uit de bodemkwaliteitskaart van de gemeenten blijkt dat het nuttig hergebruik van gebiedseigen licht verontreinigde grond (met de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ en ‘Industrie’) beperkt is (

hoofdstuk 2, tabel 2.1). Hierdoor kan veel ontgraven grond niet worden hergebruikt en moet vervolgens worden afgevoerd naar een erkend verwerker. Ook moet dan grond van elders worden aangekocht en aangevoerd die wel voldoet aan de toepassingseisen; bijvoorbeeld zand uit zandwinputten of grond van een grondbank. De gemeenten willen invulling geven aan een duurzamer en kosten effectiever bodembeheer. Grond vrijkomend uit het ene project willen de gemeenten kunnen hergebruiken in het andere project. Werk met werk maken. Er zijn dan minder onderzoeks- en grondverwerkingskosten nodig, er hoeft minder grond te worden aangekocht (bijvoorbeeld zand uit zandwinputten of grond van een grondbank) en ook de transportafstanden worden gereduceerd. De druk op het wegennet, de uitstoot van schadelijke stoffen zoals fijnstof en CO2 en het gebruik van energie nemen af. Het gebiedsspecifiek beleid van de gemeenten is nuttig en milieuhygiënisch verantwoord en brengt bij het huidige en het beoogde bodemgebruik geen risico’s met zich mee. Het gebiedsspecifiek beleid is in hoofdstuk 4 onderbouwd en beschreven. 4De uitwerking van het grondstromenbeleid 4.1Kwaliteitsdoelstelling bij hergebruik van grond Bij het nuttig toepassen van grond hanteren de gemeenten Maassluis en Vlaardingen het ‘standstill’ principe op gebiedsniveau (

§ 4.2).

Het ‘standstill’ principe betekent dat de bodemkwaliteit op gebiedsniveau gelijk moet blijven en op termijn verbetert. Op het niveau van bodembeheergebied is een vermindering van de kwaliteit alleen toelaatbaar: met gebiedseigen grond, vrijgekomen bij grondverzet binnen het vastgestelde bodembeheergebied (

§ 4

.2); als de gedefinieerde Lokale Maximale Waarden (

§ 4

.4) niet worden overschreden; als elders in het bodembeheergebied een verbetering van de bodemkwaliteit wordt gerealiseerd. De Lokale Maximale Waarden voldoen aan de landelijke definitie voor ‘duurzaam geschikt voor het beoogde gebruik’. Er treden met de plaatselijke vermindering van de kwaliteit geen risico’s op voor het (toekomstig) bodemgebruik. Op gebiedsniveau wordt als volgt invulling gegeven aan het ‘standstill’ principe: Daar waar de grond wordt ontgraven treedt een lokale verbetering op van de bodemkwaliteit. In gebieden waar een strengere toepassingseis geldt dan de kwaliteit van de ontvangende bodem, wordt een verbetering gerealiseerd. Voor grond van buiten het vastgestelde bodembeheergebied (

§ 4.2) gelden de generieke, landelijke (toepassings)eisen.

Als dit van toepassing is, is dat in deze nota aangegeven. Om knelpunten bij het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond in de praktijk op te lossen binnen de regels van het Besluit én om meer gebiedseigen licht verontreinigde grond (met de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ en ‘Industrie’) te kunnen hergebruiken, is gebiedsspecifiek beleid geformuleerd. Dit is in de hierna volgende paragrafen uitgewerkt. In eerste instantie zijn de beperkingen van het generiek beleid ten aanzien van hergebruik van grond aangegeven. Vervolgens is het gebiedsspecifiek beleid verder uitgewerkt. Dit beleid is er op gericht de beperkingen zo veel mogelijk weg te nemen binnen de kaders van wet- en regelgeving en beleid én voor zover risico’s voor het (toekomstig) bodemgebruik dit toelaten. Voor een aantal situaties is strenger beleid geformuleerd. Naast het gebiedsspecifiek beleid is ook algemeen beleid voor het hergebruik van grond en het gebruik van de bodemkwaliteitskaart in dit hoofdstuk uitgewerkt. 4.2Uitbreiding van het bodembeheergebied Het generieke kader van het Besluit gaat uit van het gemeentelijke grondgebied als bodembeheergebied. Om grondstromen tussen gemeenten mogelijk te maken en de bodemkwaliteitskaart van andere gemeenten te gebruiken als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de toe te passen grond, moet het (generieke) gemeentelijke bodembeheergebied worden uitgebreid. Deze uitbreiding valt volgens het Besluit in het gebiedsspecifieke kader. Met deze nota wordt het bodembeheergebied van de gemeente voor het grondstromenbeleid vastgesteld als zijnde het gemeentelijke grondgebied van de gemeenten Goeree-Overflakkee, Lansingerland, Maassluis, Nissewaard, Rotterdam, Schiedam en Vlaardingen. De geldige bodemkwaliteitskaarten van deze gemeenten mogen gebruikt worden als bewijsmiddel van de chemische (stedelijke) kwaliteit van de toe te passen, te hergebruiken grond. 4.3Toetsnormen classificering bodemkwaliteit De gemeenten Maassluis en Vlaardingen hanteren de toetsnormen die overeenkomen met die van de gemeenten Lansingerland, Nissewaard, Rotterdam en Schiedam (

tabel 4.1). Deze blijven de voorkeur krijgen boven de generieke toetsnormen van de centrale overheid. Bij het vaststellen van toetsnormen die de voornoemde gemeenten in de Rijnmondregio hanteren, zijn keuzes gemaakt in de mate waarin op lokaal niveau mens, plant en dier worden beschermt en in de mate waarin binnen het gemeentelijke grondgebied ruimte wordt gecreëerd voor grondverzet. Voor het afwegingskader, de gemaakte keuzes en de totstandkoming van de LMW wordt verwezen naar bijlage C van de hoofdnota van het Rotterdamse beleid[13] (

ook bijlage 6). Tabel 4.1: Toetsingsnormen (in mg/kg ds voor standaardbodem -lutum 25%, org.stof 10%-) Stof Maximale waarden Natuur (landelijke toetsingsnorm) Maximale waarden Landbouw (landelijke toetsingsnorm) Maximale waarden Wonen (landelijke toetsingsnorm) Maximale waarden Industrie (landelijke toetsingsnorm) Arseen 20 30

(20)40
(27)76 Barium* 190 (-) 280 (-) 550 (-) 920 Cadmium 0,60 1 (0,6) 3.7 (1,2) 13 (4,3) Kobalt 15 25
(15)50
(35)190 Koper 40 60
(40)100
(54)190 Kwik 0,15 2 (0,15) 4,8 (0,83) 4,8 Lood 50 200
(50)300
(210)530 Molybdeen 1,5 10 (1,5) 88 190 Nikkel 60
(35)60
(35)75
(39)100 Zink 140 200
(140)350
(200)720 Som PAK 1,5 5,5 (1,5) 11 (6,8) 40 Som PCB 0,02 0,1 (0,02) 0,25 (0,04) 0,5 Minerale olie 190 300
(190)500
(190)1.000
(500)* De norm voor barium geldt alleen voor die situaties waarbij duidelijk sprake is van antropogene bodemverontreiniging. Voor overige situaties is de norm voor barium tijdelijk buitenwerking gesteld. 4.4Definiëren Lokale Maximale Waarden 4.4.1 Inleiding In de gemeenten Maassluis en Vlaardingen zijn veel gebieden aanwezig waar gebiedseigen grond niet in hetzelfde gebied mag worden hergebruikt. De toepassingseisen zijn strenger dan de verwachte kwaliteit van de grond die hier vrijkomt. Hierdoor moeten de gemeenten én derden hoge kosten maken voor de afvoer en verwerkingskosten van deze grond en de aankoop van nieuwe grond. En dat terwijl het hergebruik van de af te voeren grond geen risico’s oplevert bij het duurzaam hergebruik. Het gebiedsspecifieke kader van het Besluit staat toe dat in relatief schone gebieden, gebiedseigen grond mag worden toegepast met de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ en/of ‘Wonen’. De kwaliteit van de grond moet dan voldoen aan de betreffende bodemfunctieklasse (

kaartbijlage 1). Voor deze gebieden worden zogenaamde Lokale Maximale Waarden vastgesteld. In het generieke kader is deze ruimere toepassingsmogelijkheden (Lokale Maximale Waarden) niet mogelijk. Alleen in het kader van gebiedsspecifiek beleid mogen Lokale Maximale Waarden worden vastgesteld. In de hierna volgende paragrafen worden de verschillende Lokale Maximale Waarden gedefinieerd. De in deze paragraaf vastgestelde Lokale Maximale Waarden gelden niet voor de grond van buiten het bodembeheergebied van de gemeenten Maassluis en Vlaardingen (

§ 4.2 en § 4.10).

Uitzondering hierop vormen de Lokale Maximale Waarden die strenger zijn vastgesteld dan het generieke beleid van het Besluit (

§ 4.4.2).

4.4.2 Lokale Maximale Waarden bodemkwaliteitszone toepassen grond op moes-/volkstuin(complex)en (>200 m²), schooltuinen en onverharde kinderspeelplaatsen In sommige gebieden is het toegestaan om grond met de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ toe te passen. De gemeenten Maassluis en Vlaardingen stellen daarentegen bij moes- /volkstuin(complex)en (>200 m²), schooltuinen en onverharde kinderspeelplaatsen8 Hieronder wordt verstaan: openbare kinderspeelplaatsen, speelplaatsen bij scholen, speelplaatsen bij (particuliere) kinderopvanginstellingen. strengere eisen als daar grond wordt toegepast. Dit om bij het (toekomstig) bodemgebruik eventuele risico’s uit te sluiten. Binnen de gemeente moet de grond die wordt toegepast op bestaande moes-/volkstuin(complex)en (>200 m²), schooltuinen en onverharde kinderspeelplaatsen, bijvoorbeeld bij herinrichting of renovatiewerkzaamheden, voldoen aan de kwaliteitsklasse ‘Natuur’. Met de kwaliteitsklasse ‘Natuur’ wordt voor lood voldaan aan het aanvullend advies van de GGD GHOR Nederland over lood in de bodem en gezondheid[15]. De nieuw aan te leggen moes-/volkstuin(complex)en (>200 m²), schooltuinen en onverharde kinderspeelplaatsen moeten worden voorzien van een minimaal 0,5 meter dikke deklaag waarvan de kwaliteit voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Natuur’. Met de kwaliteitsklasse ‘Natuur’ wordt voor lood voldaan aan het aanvullend advies van de GGD GHOR Nederland over lood in de bodem en gezondheid. De kwaliteit van de toe te passen grond die voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Natuur’ moet worden aangetoond met een partijkeuring (

§ 6.2.1).

Als de grond verdacht is voor verhoogde gehalten met asbest, wordt asbest ook in de partijkeuring meegenomen. Ook gelden nog eisen ten aanzien van bijmenging van bodemvreemd materiaal en asbest (

§ 4.5 en § 4.6).

De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingseisen (

§ 4.7.1, tabel 4.2, blz.

25/56). De Lokale Maximale Waarde voor bestaande moes-/volkstuin(complex)en (>200 m²), schooltuinen en onverharde kinderspeelplaatsen, bijvoorbeeld bij herinrichting of renovatiewerkzaamheden, is vastgesteld op de kwaliteitsklasse ‘Natuur’. De nieuw aan te leggen onverharde moes-/volkstuin(complex)en (>200 m²), schooltuinen en kinderspeelplaatsen moeten worden voorzien van een minimaal 0,5 meter dikke deklaag waarvan de kwaliteit voldoet aan de kwaliteitsklasse Natuur’. De kwaliteit moet zijn aangetoond met een partijkeuring (

§ 6.2.1).

Als de grond verdacht is voor verhoogde gehalten met asbest, wordt asbest ook in de partijkeuring meegenomen. Ook gelden eisen ten aanzien van bijmenging van bodemvreemd materiaal en asbest (

§ 4.5 en § 4.6).

De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingseisen (

§ 4.7.1, tabel 4.2, blz.

25/56). 4.4.3 Lokale Maximale Waarden bodemkwaliteitszone ‘2e Ring’ bodemlaag 0-2 m-mv (Vlaardingen) Om de nu relatief beperkte toepassingsmogelijkheden van grond met de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ te vergroten, staat de gemeente Vlaardingen toe dat in en op de relatief schone bodemkwaliteitszone ‘2e Ring’ (Vlaardingen; bodemlaag 0-2 m-mv), grond met maximaal de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ mag worden toegepast (

kaartbijlage 4A). De kwaliteitsklasse ‘Wonen’ is gelijk aan de vastgestelde Maximale Waarde van het bodemgebruik in deze gebieden (Wonen,

§ 4.3).

Hierdoor treden er bij het huidige bodemgebruik geen risico's op. De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingseisen (

§ 4.7.1, tabel 4.2, blz.

25/56). 4.4.4 Lokale Maximale Waarden bodemkwaliteitszone ‘Vergulde Hand West’ bodemlaag 0-2 m-mv (Vlaardingen) Om de nu relatief beperkte toepassingsmogelijkheden van grond met de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ en ‘Industrie’ te vergroten, staat de gemeente Vlaardingen toe dat in en op de relatief schone bodemkwaliteitszone ‘Vergulde Hand West’ (Vlaardingen; bodemlaag 0-2 m-mv), grond met maximaal de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ mag worden toegepast (

kaartbijlage 4A en 4B). De kwaliteitsklasse ‘Industrie’ is gelijk aan de vastgestelde Maximale Waarde van het bodemgebruik in dit gebied (Industrie,

§ 4.3 en kaartbijlage 1).

Hierdoor treden er bij het huidige en toekomstige bodemgebruik geen risico's op. De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingseisen (

§ 4.7.1, tabel 4.2, blz.

25/56). De Lokale Maximale Waarde voor de bodemkwaliteitszone ‘2e Ring’ bodemlaag 0-2 m-mv (Vlaardingen), is vastgesteld op de kwaliteitsklasse ‘Wonen’. De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingseisen (

§ 4.7.1, tabel 4.2, blz.

25/56). 4.4.5 Lokale Maximale Waarden ter plaatse van de Broekpolder bodemlaag 0-2 m-mv (Vlaardingen) Om de nu relatief beperkte toepassingsmogelijkheden van grond te vergroten, staat de gemeente Vlaardingen toe dat ter plaatse van de Broekpolder9 De Broekpolder is een locatie die in het Kadaster zijn geregistreerd met een aantekening Wet bodembescherming (een locatie met een beschikking “Ernstig”). onder voorwaarden mag worden toegepast. Op aangewezen gebieden mag de toe te passen grond in de bodemlaag 0-2 m-mv voldoen aan de ontgravingskwaliteitsklasse ‘Industrie’, ‘Wonen’ of ‘Natuur (

de kaartbijlagen 4). De gemeente stelt hierbij de onderstaande voorwaarden: Er moet goed gemotiveerd worden welke kwaliteitsklasse grond wordt toegepast als deze niet voldoet aan de kwaliteitsklasse dan ‘Natuur’ De werkzaamheden worden vastgelegd in een saneringsplan of in een plan van aanpak binnen het raamsaneringsplan. Aangetoond moet worden dat voor het saneringsplan een beschikking is genomen in het kader van de Wet bodembescherming. In het saneringsplan moet zijn opgenomen dat een grondstromenplan wordt opgesteld voor de meldingen in het kader van het Besluit (

ook § 7.6). De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingseisen (

§ 4.7.1, tabel 4.2, blz.

25/56). Op aangewezen gebieden in de Broekpolder mag de toe te passen grond in de bodemlaag 0-2 m-mv voldoen aan de ontgravingskwaliteitsklasse ‘Industrie’, ‘Wonen’ of ‘Natuur (

de kaartbijlagen 4). De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingseisen (

§ 4.7.1, tabel 4.2, blz.

25/56). 4.4.6 Lokale Maximale Waarden toepassen grond ter plaatse van en toepassen grond uit aangewezen onverharde (spoor)bermen met de bodemfunctieklasse ‘Industrie’ bodemlaag 0-2 m-mv Onderbouwing en definiëring Lokale Maximale Waarden Van onverharde (spoor)wegbermen is het bekend dat deze verontreinigd kunnen zijn als gevolg van: depositie uitlaatgassen (PAK, lood); afstromend regenwater (minerale olie, PAK en lood); funderingsmateriaal (zware metalen en PAK); toepassing van teerhoudend asfalt (PAK); uitloging vangrails (zink); slijtsel van bovenleidingen, stroomafnemers en slijtage van rails (cadmium, lood, koper, zink); toepassing van bestrijdingsmiddelen voor het vrijhouden van het spoor van onkruid. De onverharde (spoor)wegbermen in de gemeenten Maassluis en Vlaardingen die op de bodemfunctieklassenkaarten zijn aangegeven met de functie ‘Industrie’ (

kaartbijlage 1) zijn verdacht voor bodemverontreiniging en daarom uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart. Hierdoor bestaat er voor het toepassen van (spoor)wegbermgrond in (spoor)wegbermen een dubbele onderzoeksinspanning. Van zowel de toe te passen grond als de ontvangende bodem moet met een onderzoek de kwaliteit worden vastgesteld. Omdat het bekend is dat onverharde (spoor)bermgrond van drukke wegen belast wordt met verontreinigende stoffen, wordt het niet milieuvriendelijk geacht dat bij aangewezen onverharde (spoor)bermen wordt uitgegaan van het generieke kader van het Besluit waarbij de mogelijkheid bestaat dat alleen schone grond mag worden toegepast. De gemeenten vinden het niet duurzaam dat eventueel toegepaste schonere grond als gevolg van het drukke (spoor)wegverkeer alsnog wordt verontreinigd. De gemeenten vinden het daarom aanvaardbaar om voor de onverharde (spoor)wegbermen die zijn aangegeven met de functie ‘Industrie’, Lokale Maximale Waarden vast te stellen zonder dat hierbij risico’s optreden. Voor alle onverharde (spoor)wegbermen in de gemeenten die op de bodemfunctieklassenkaart zijn aangegeven met de functie ‘Industrie’ (

kaartbijlage 1) mogen juridisch gezien geen Lokale Maximale Waarden worden opgesteld. Voor deze gebieden is namelijk de kwaliteit van de ontvangende bodem niet bekend 10 Artikel 47 van het Besluit bodemkwaliteit schrijft voor dat voor het vaststellen van Lokaal Maximale Waarden een bodemkwaliteitskaart vereist is. . Maar om de nu beperkte toepassingsmogelijkheden van grond met de kwaliteitsklassen ‘Industrie’ en ‘Wonen’ te vergroten, worden de volgende Lokale Maximale Waarden vastgesteld. De gemeenten staan lokale verslechtering toe in de taluds en de onverharde (spoor)wegbermen die zijn aangewezen met de bodemfunctie ‘Industrie’ (

kaartbijlage 1) met gebiedseigen grond (

§ 4.2) die voldoet aan maximaal de kwaliteitsklasse ‘Industrie’.

De Lokale Maximale Waarde voor de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ is gelijk aan de Maximale Waarde van het bodemgebruik van deze aangewezen onverharde (spoor)wegbermen. Hierdoor treden er bij het bodemgebruik geen risico's op als grond met de kwaliteitsklasse 'Industrie', ‘Wonen’, ‘Landbouw’ of ‘Natuur’ wordt toegepast. De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde Lokale Maximale Waarden (

§ 4.7.1, tabel 4.2, blz.

25/56). Met onverharde (spoor)wegbermen wordt bedoeld de strook grond naast de (spoor)weg. De strook omvat de bodemlaag tot maximaal 1,0 meter diepte, en heeft gerekend vanaf de wegverharding een maximale breedte van 10 meter. De onverharde wegberm wordt begrensd door (

ook figuur B1. in bijlage 1): de erfgrens of de meest afgelegen insteek van een droge bermsloot of de meest nabij gelegen insteek van een natte sloot of als voorgaande niet aanwezig zijn, de overgang naar andere begroeiing (houtopstanden zoals hagen, struiken, bosschages, bos). Voor bermen langs dijkwegen en voor (spoor)wegbermen gelegen in het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voormalig EHS) geldt voor beide zijden van het wegvak een strook van maximaal 2 meter. Dit in verband met de ecologische functie van de wegbermen. Buiten de aangegeven strook mag in de wegbermen alleen schone grond toegepast worden. De Lokale Maximale Waarde voor taluds en de onverharde bermen van (spoor)wegen met de bodemfunctieklasse ‘Industrie’, is vastgesteld op de kwaliteitsklasse ‘Industrie’. De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde Toepassingseisen (

§ 4.7.1, tabel 4.2, blz.

25/56). Toepassen grond uit aangewezen onverharde (spoor)wegbermen met de bodemfunctie ‘Industrie’ Als het voornemen bestaat grond uit een (spoor)wegberm met de functie ‘Industrie’ (

kaartbijlage 1 en uitgesloten gebied op de ontgravingskaarten) toe te passen, gelden de volgende regels: Voorafgaand aan de toepassing in onverharde (spoor)wegbermen met de functieklasse ‘Industrie’ moet een indicatief onderzoek worden uitgevoerd naar de kwaliteit van de toe te passen (spoor)bermgrond (

§ 6.2.1).

De resultaten van het indicatieve onderzoek (maximaal vastgestelde gehalten) moeten worden getoetst aan de eisen van de kwaliteitsklasse ‘Industrie’. Afhankelijk van de keuringsresultaten kan de grond worden toegepast: Als de grond voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ of beter, dan mag de grond op of in de onverharde (spoor)wegbermen worden toegepast. Als één of meerdere gehalten in de grond de Maximale Waarden voor ‘Industrie’ overschrijden, maar de interventiewaarde wordt niet overschreden, dan moet de grond worden getransporteerd naar een erkend verwerker. De grond kan ook aanvullend worden gekeurd (

§ 6.2.1).

Afhankelijk van de resultaten van de partijkeuring kan de grond worden toegepast. Als één of meer gehalten in de grond de interventiewaarde van de Wet bodembescherming overschrijdt, mag de grond niet worden toegepast en moet het spoor van de Wet bodembescherming worden gevolgd. Voorafgaand aan toepassing elders moet een partijkeuring worden uitgevoerd (

§ 6.2.1).

Afhankelijk van de keuringsresultaten kan de grond worden toegepast. Door het uitvoeren van indicatief onderzoek en het stellen van toetsregels en maximale waarden wordt voorkomen dat sterk verontreinigde grond opnieuw binnen de gemeenten wordt toegepast. Voorafgaand aan de toepassing van grond uit onverharde (spoor)wegbermen met de bodemfunctieklasse ‘Industrie’ in onverharde (spoor)wegbermen met de functieklasse ‘Industrie’, moet een indicatief onderzoek worden uitgevoerd naar de kwaliteit van de toe te passen bermgrond. Afhankelijk van de onderzoeksresultaten kan de grond worden toegepast. 4.5Toepassen van grond met bodemvreemd materiaal (steenachtige materialen, plastic, piepschuim etc.) Het Besluit stelt dat een partij grond maximaal 20 gewichtsprocent bodemvreemd materiaal mag bevatten. Binnen de grondgebieden van de gemeenten Maassluis en Vlaardingen is het toepassen van grond met bijmengingen toegestaan mits: De bijmenging bevat niet meer dan 20 gewichtsprocent aan steenachtige materialen en organische materialen/meststoffen en bij zorgvuldig ontgraven niet is te voorkomen dat de grond of baggerspecie daarmee is vermengd (onnodig bodemvreemd materiaal zoals bijvoorbeeld stukken rioolbuis, trottoirbanden of stoeptegels): Steenachtige materialen in een grootte kleiner dan 63 mm, zoals resten van baksteen, cement of beton, schelpen, natuur- of breuksteen. Organische materialen/meststoffen, die van nature verworden tot humus, onbewerkt hout. De bijmenging bevat niet meer dan 2 gewichtsprocent aan steenachtige materialen en niet-organische materialen/meststoffen, dat doorgaans geen onderdeel uitmaakt van de bodem en voorafgaand aan het ontgraven of bewerken of toepassing van de grond of baggerspecie eenvoudig kan worden verwijderd (onnodig bodemvreemd materiaal): Steenachtige materialen in een grootte kleiner dan 63 mm, zoals koolassen, sintels of slakken. Andere bodemvreemde materialen zoals huishoudelijk/industrieel afval, ijzer, asfalt, verf, potscherven, keramische tegels. Kunstmatige meststoffen en restanten van verduurzaamd of geverfd hout. De bijmenging bevat niet meer dan 2 volumeprocent aan lichte bijmengingen, dat doorgaans geen onderdeel uitmaakt van de bodem en voorafgaand aan het ontgraven of bewerken of toepassing van de grond of baggerspecie eenvoudig kan worden verwijderd (onnodig bodemvreemd materiaal zoals plastic, piepschuim, blik e.d.) zodat sprake is van een sporadische bijmenging. Het bijgemengde bodemvreemde materiaal is niet-asbestverdacht. Het bodemvreemde materiaal heeft geen afwijkende kleur en/of geur. De initiatiefnemer is verantwoordelijk dat deze voorafgaand aan het grondverzet aandacht besteedt aan het voorkomen van bodemvreemd materiaal in de grond (

aanleveren van historische gegevens; § 6.1). De initiatiefnemer laat tijdens de grondwerkzaamheden zijn uitvoerder hierop visueel controleren. Het is niet toegestaan om (ongezeefd) grond toe te passen als die een bijmenging heeft van meer dan het hierboven toegestane percentage bodemvreemd materiaal. Uiteraard kan het voorkomen dat er een steenachtig materiaal voorkomt in een diameter groter dan 63 mm zoals een enkele baksteen. In die situatie, bij twijfel of grenssituaties beslist de DCMR of sprake is van te grote bijmenging. Het is toegestaan om door civiel technisch zeven het percentage bodemvreemd materiaal terug te brengen naar het toegestane percentage. Het civiel technisch zeven wordt niet als een tussentijdse bewerking beschouwd (

de Nota van Toelichting Besluit bodemkwaliteit artikel 36, derde lid). Het uitgezeefde bodemvreemd materiaal wordt getransporteerd naar een erkend verwerker. Is het bodemvreemd materiaal niet uit te zeven, bijvoorbeeld bij kolengruis, dan moet een alternatieve toepassingslocatie voor de grond worden gezocht. Wordt tijdens de grondwerkzaamheden asbestverdacht materiaal waargenomen, dan worden de werkzaamheden door de uitvoerder gestaakt (Arbeidsomstandighedenwet en -besluit[16]) en meldt hij dit direct aan de DCMR. Veelal wordt dan het spoor van de Wet bodembescherming gevolgd en volgt een verkennend bodemonderzoek naar asbest in grond. Dit geldt ook voor overige bijmengingen en afwijkingen zoals kleur en geur die op een bodemverontreiniging wijzen. Wordt in de toe te passen grond meer dan het toegestane percentage bodemvreemd materiaal vastgesteld, of wordt asbest of een andere niet verwachte mogelijke bodemverontreiniging aangetroffen, dan wordt dit direct gemeld bij de toezichthouder (de DCMR). 4.6Toepassen van grond op bepaald bodemgebruik en met asbestverdacht/-houdend materiaal Voor grond geldt als generieke toepassingseis dat deze maximaal 100 mg/kg droge stof (ds) aan -gewogen- asbest mag bevatten en de concentratie aan respirabele vezels mag niet groter zijn dan 10 mg/kg ds (gewogen). Dit betreft een gewogen gehalte, zijnde het gehalte serpentijnasbest plus tienmaal het gehalte amfiboolasbest. Voor toepassingen van grond die in opdracht van de gemeenten Maassluis en Vlaardingen worden uitgevoerd, is het onder de volgende voorwaarden toegestaan licht met asbest verontreinigde grond toe te passen: Tot en met 50 mg/kg ds (gewogen) asbest mag worden toegepast in gebieden met de bodemfuncties ‘Natuur’, ‘Landbouw’ en ‘Wonen’ maar ook onverharde kinderspeelplaatsen, moes-/volkstuincomplexen en schooltuinen. Tot en met 100 mg/kg ds (gewogen) asbest mag worden toegepast in gebieden met de bodemfunctie ‘Industrie’. Burgers of bedrijven worden geadviseerd het beleid van de gemeente te volgen. Als burgers/bedrijven dit niet willen geldt het volgende: Als asbest(golf)plaat en/of ander asbestverdacht materiaal (zoals bouw- en sloopafval, gemengd puin, betonpuin en metselpuin) wordt aangetroffen in de toe te passen grond, moet altijd een asbestonderzoek conform de laatste versie van de NEN 5707[17] of NEN 5897[18] plaatsvinden (de nieuwste stand der techniek) waarmee het gehalte van asbest wordt vastgesteld. In bijlage 1 is nader ingegaan op puin, asbestverdachtheid en asbestonderzoek. Als de maximale waarde voor asbest wordt overschreden (100 mg/kg ds gewogen), is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging en moet dit worden gemeld bij het bevoegd gezag Wet bodembescherming: totdat de Omgevingswet inwerking treedt is dat de provincie Zuid-Holland. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet is de gemeente voor haar eigen grondgebied bevoegd gezag voor sanerende maatregelen. Uitzondering hierop vormen de (beschikte) spoedlocaties, de locaties die vallen onder het overgangsrecht van de Omgevingswet. Als de zorgplicht van toepassing is (asbestverontreiniging ontstaan vanaf 1993) moet direct gesaneerd worden. De zorgplicht wordt in de Omgevingswet overgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving. Is de zorgplicht niet van toepassing, dan moet met een risicobeoordeling worden vastgesteld of er sprake is van onaanvaardbare risico’s (

bijlage 3 van de Circulaire bodemsanering[19]). Als in grond die is verontreinigd met asbest (≤100 mg/kg ds -gewogen- én ≤10 mg/kg ds -gewogen- aan respirabele vezels) en méér dan de voornoemde percentages bodemvreemd materiaal is vastgesteld (

§ 4

.4), én het asbest is alleen gerelateerd aan het bodemvreemde materiaal, dan mag het met asbest verontreinigde bodemvreemde materiaal op een daartoe passende wijze uit de grond gezeefd worden. Dit tussentijdse (civiel-technische) zeven wordt niet als een bewerking gezien (

de Nota van Toelichting Besluit bodemkwaliteit artikel 36, derde lid). Bij een eerstvolgende wijziging van de Wet milieubeheer wordt het eenvoudiger om met asbest verontreinigde grond bij een asbestdak zonder goed functionerende dakgoot/regenwaterafvoer te verwijderen. Het gecertificeerde asbestverwijderingsbedrijf mag dan onder vermelding in het Landelijke AsbestVolgSysteem (LAVS) bij de verwijdering van het asbestdak óók de met asbest verontreinigde toplaag verwijderen. Voor toepassingen van grond die in opdracht van de gemeente Maassluis en Vlaardingen worden uitgevoerd, is het onder de volgende voorwaarden toegestaan licht met asbest verontreinigde grond toe te passen: Tot en met 50 mg/kg ds (gewogen) asbest mag worden toegepast in gebieden met de bodemfuncties ‘Natuur’, ‘Landbouw’ en ‘Wonen’ maar ook onverharde kinderspeelplaatsen, moes-/volkstuincomplexen en schooltuinen. Tot en met 100 mg/kg ds (gewogen) asbest mag worden toegepast in gebieden met de bodemfunctie ‘Industrie’. 4.7Toepassen van PFAS-houdende grond en verspreiden PFAS-houdende onderhoudsbaggerspecie 4.7.1 Definiëren toepassingswaarden PFAS-houdende grond en te verspreiden PFAS-houdende onderhoudsbaggerspecie Zoals uit onderzoeken is gebleken, wordt in de grond een variatie aan gehalten met PFAS-verbindingen vastgesteld. Ook op locatieniveau is vaak sprake van variatie in gehalten. Om beter invulling te geven aan de voorkomende variatie, worden door de gemeenten voor de bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 2,0 meter diepte toepassingswaarden voor PFAS-verbindingen in de grond van de gemeenten Maassluis en Vlaardingen gedefinieerd. Deze zijn gebaseerd op de mogelijkheden die het geactualiseerde tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie[20] biedt (

tabel 4.2). Gezien de vastgestelde licht verhoogde gehalten binnen de gemeenten, vinden de gemeenten de gedefinieerde toepassingseisen een voldoende kwaliteit om zonder risico’s grond met licht verhoogde gehalten aan PFAS-verbindingen in de gemeente toe te staan. Tabel 4.2: Toepassingswaarden PFAS-verbindingen in de grond Stof Toepassingswaarden PFAS-verbindingen (in µg/kg

  1. ds)Toepassen van grond in gebieden met de toepassingseis op basis van de overige stoffen 11 Barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, molybdeen, lood, nikkel, zink, minerale olie en de stofgroepen polychloorbifenylen (PCB) en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK).: ‘Wonen’ of ‘Industrie’ (boven grondwaterniveau 12 Voor gebieden met een hoge grondwaterstand geldt in plaats van ‘boven grondwaterniveau’: tot ten hoogste 1 meter onder het maaiveld. Als de grond als gevolg van zetting op termijn in de verzadigde zone terecht komt, wordt de grond geacht boven het grondwater te zijn toegepast.tot maximaal 2,0 m-
  2. mv)PFOA (som, lineair, vertakt) 7,00* PFOS (som, lineair, vertakt) 3,00* Elke andere PFAS-verbinding 3,00* Toepassen van grond in gebieden met de toepassingseis op basis van de overige stoffen: ‘Landbouw’ of ‘Natuur’ (boven grondwaterniveau tot maximaal 2,0 m-
  3. mv)PFOA (som, lineair, vertakt) 1,90** PFOS (som, lineair, vertakt) 1,40** Elke andere PFAS-verbinding 1,40** Toepassen grond onder grondwaterniveau 13 Voor gebieden met een hoge grondwaterstand geldt in plaats van ‘onder grondwaterniveau’: op een diepte van 1 meter en meer onder het maaiveld. Als de grond als gevolg van zetting op termijn in de verzadigde zone terecht komt, wordt de grond geacht boven het grondwater te zijn toegepast. en/of dieper dan 2,0 m-mv PFOA (som, lineair, vertakt) 1,90** PFOS (som, lineair, vertakt) 1,40** Elke andere PFAS-verbinding 1,40** Verspreiden onderhoudsbaggerspecie in het buitengebied PFOA (som, lineair, vertakt) 1,90** PFOS (som, lineair, vertakt) 1,40** Elke andere PFAS-verbinding 1,40** *Deze waarde is gebaseerd op de voorlopige landelijke toepassingswaarden voor PFAS-houdende grond en baggerspecie bij de bodemfunctieklassen ‘Wonen’ en ‘Industrie’. Op basis van de huidige inzichten is er bij de aangegeven waarden geen sprake van risico’s voor de gezondheid en overschrijding van effectniveaus voor het ecosysteem. **Deze waarde is gebaseerd op de voorlopige landelijke achtergrondwaarden voor PFAS-verbindingen. 4.7.2 Toekomstige bijstelling van de voorlopige landelijke achtergrondwaarden en (toepassings)waarden voor PFAS-houdende grond Tot en met 2021 wordt er nog veel onderzoek gedaan naar PFAS-verbindingen (bijvoorbeeld naar mobiliteit, uitloging, bioaccumulatie en gedrag in grondwater) en worden er landelijk veel meetgegevens door het RIVM verzameld. Op basis van deze onderzoeken en meetgegevens worden interventiewaarden gedefinieerd en worden mogelijk de voorlopige landelijke achtergrondwaarden en toepassingswaarden voor PFAS-verbindingen aangepast. Als interventiewaarden worden gedefinieerd, volgen de gemeenten de landelijke normen. Als de voorlopige landelijke achtergrondwaarden en/of toepassingswaarden voor PFAS-houdende grond worden aangepast, evalueren de gemeenten deze met de in deze nota bodembeheer gedefinieerde toepassingswaarden voor hergebruik van PFAS-houdende grond en het verspreiden van PFAS-houdende baggerspecie. Indien van toepassing worden de toepassingswaarden gewijzigd en zo nodig bestuurlijk vastgesteld. 4.8Tijdelijke uitname van grond bij graafwerkzaamheden bij ondergrondse infrastructuur en groenvoorzieningen Bij aanleg, vervang-, reparatiewerkzaamheden van ondergrondse infrastructuur zoals kabels, leidingen, rioleringen en graafwerkzaamheden bij groenvoorzieningen, wordt grond ontgraven en weer toegepast (tijdelijke uitname van grond). In het Besluit is tijdelijke uitname van grond op een niet-verdachte locatie (volgend uit de aangeleverde historische gegevens) toegestaan zonder dat een kwaliteitsbepaling is uitgevoerd, een functietoets is gedaan en een melding is verricht. De voorwaarden hierbij zijn dat: er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging; er geen tussentijdse bewerking 14 Het tussentijds civieltechnisch zeven (cosmetisch zeven) wordt niet als tussentijdse bewerking beschouwd (

Nota van Toelichting Besluit bodemkwaliteit artikel 36, derde lid). plaatsvindt; de grond onder dezelfde condities weer worden toegepast; de onderlaag 1-2 m-mv wordt weer onderlaag en de bovenlaag 0-1 m-mv wordt weer bovenlaag. Met deze laatste voorwaarde is het zogenaamde ‘over-de-kop-werken’ (de bovenlaag en de onderlaag worden niet gescheiden ontgraven) bij graafwerkzaamheden niet mogelijk. Dit is niet wenselijk omdat bij veel graafwerkzaamheden er geen tot (zeer) weinig ruimte op en in de nabije omgeving van de graaflocatie aanwezig is om de boven- en onderlaag gescheiden tijdelijk op te slaan. Ook is de grond in de meeste situaties, bijvoorbeeld bij de aanleg en reparatie van de ondergrondse infrastructuur, al eerder 'over-de-kop' gegaan. Vanwege de voornoemde knelpunten verruimen de gemeenten voor niet-verdachte locaties de regels voor graafwerkzaamheden bij de tijdelijke uitname van grond bij kabels, leidingen, rioleringen en graafwerkzaamheden bij groenvoorzieningen als volgt: Bij graafwerkzaamheden bij ondergrondse infrastructuur en bij groenvoorzieningen op onverdachte locaties, hoeven de bovenlaag (bodemlaag vanaf het maaiveld tot 1,0 meter diepte) en de onderlaag (bodemlaag vanaf 1,0 tot en met 2,0 meter diepte) niet gescheiden te worden ontgraven. De grond mag worden geroerd en hoeft niet in dezelfde bodemlagen te worden teruggeplaatst. In § 4.22 is aangegeven dat de bodemkwaliteitskaart niet kan worden gebruikt voor de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld. De gemeenten maken hierop een uitzondering voor graafwerkzaamheden bij tijdelijke uitname van grond bij ondergrondse infrastructuur en groenvoorzieningen: de zintuiglijk niet verontreinigde bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld mag op dezelfde wijze worden beoordeeld als de bovenliggende bodemlaag van 1,0 meter diepte tot en met 2 meter diepte. Als grond na ontgraving niet meer kan worden teruggeplaatst en niet gescheiden is ontgraven, kan deze elders nuttig worden hergebruikt met de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel van de chemische kwaliteit. Omdat de grond niet gescheiden is ontgraven, geldt de ‘minste’ kwaliteit van beide bodemlagen. In 2020 is een richtlijn opgesteld voor risico gestuurd werken bij tijdelijk uitplaatsen (zonder afvoer van grond) met betrekking tot asbest in puinhoudende bodem[21]. De gemeenten adviseren deze richtlijn aan te houden zodat onderzoekstijd en -geld naar asbest in de bodem kan worden bespaard. Voor tijdelijke uitname van grond, bestaat regelgeving omtrent het doen van onderzoek en melding. Hiervoor wordt verwezen naar § 6.1, § 7.1, § 7.2.1 en § 7.2.3. NB Bij tijdelijke uitname van grond op niet verdachte locaties én waar nog geen bodemonderzoek is uitgevoerd, kan conform de CROW 400[22] de veiligheidsklasse worden bepaald met behulp van de bodemkwaliteitskaart; op basis van minimaal de 80-percentielwaarde 15 80% van de analyseresultaten ligt beneden deze waarde. (of een hogere percentielwaarde) van de bodemkwaliteitszone(s) waarin de graafwerkzaamheden plaatsvinden. Bij ondergrondse infrastructuur en bij groenvoorzieningen op onverdachte locaties hoeven de bovengrond (bodemlaag vanaf het maaiveld toten met 1,0 meter diepte) en de ondergrond (bodemlaag vanaf 1,0 tot en met 2,0 meter diepte) niet gescheiden te worden ontgraven. De grond mag worden geroerd en hoeft niet in dezelfde bodemlagen te worden teruggeplaatst. De zintuiglijk niet verontreinigde bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld mag in op dezelfde wijze worden beoordeeld als de bovenliggende bodemlaag van 1,0 meter diepte tot en met 2 meter diepte. 4.9Toepassen van grond in een grootschalige toepassing De toepassing van grond in een grootschalige toepassing is beschreven in § 2.1.1 van bijlage 2. De initiatiefnemer van de grootschalige toepassing neemt in de planfase contact op met de DCMR. Per situatie worden de uitgangspunten voor grootschalige toepassingen in overleg tussen de initiatiefnemer en de DCMR vastgelegd. De gemeenten verplichten de initiatiefnemer om voor het werk een grondstromenplan op te stellen dat vooraf moet worden goedgekeurd door de DCMR. Het grondstromenplan moet worden gemeld bij het centrale meldpunt van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Afwijkingen van het grondstromenplan moeten direct aan de DCMR worden gemeld (

ook § 7.6). Afhankelijk van de beoordeling van de DCMR moet de initiatiefnemer aantonen dat de grond die wordt verwerkt in het lichaam van de grootschalige bodemtoepassing voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ én aan de emissietoetswaarden, die zijn opgenomen in bijlage B (tabel 1) van de Regeling. De vastgestelde Rotterdamse toetsingsnormen voor de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ zijn hier niet van toepassing (

ook § 3.1 van de samenvatting van het Rotterdamse beleid). Hierdoor wordt voorkomen dat er onaanvaardbare uitloging van stoffen naar de onderliggende bodemlaag kan plaatsvinden. Ook moet worden aangetoond dat de grond die wordt verwerkt in de leeflaag van de grootschalige bodemtoepassing voldoet aan de toepassingseisen van de locatie waar de grootschalige bodemtoepassing wordt gerealiseerd. De kwaliteit van de grond die in de leeflaag wordt toegepast moet voldoen aan de generieke toepassingseisen, of aan de vastgestelde Lokale Maximale Waarden (de gebiedsspecifieke toepassingseisen,

§ 4.4).

Als de gemiddelde waarden van een bodemkwaliteitszone voldoen aan de emissietoetswaarden, dan is het toegestaan dat de geaccepteerde bodemkwaliteitskaart (

§ 4

.2) gebruikt mag worden als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van grond die wordt toegepast in een grootschalige bodemtoepassing. Voorwaarden die hierbij gelden zijn: De grond is afkomstig van een gebied dat onderdeel uit maakt van de bodemkwaliteitskaarten (

voor de uitgesloten gebieden de rapportages van de bodemkwaliteitskaarten). De grond die wordt toegepast voldoet aan het maximaal percentage bodemvreemd materiaal zoals is omschreven in § 4.5 en het maximaal toegestane gehalten met asbest (

§ 4.6).

Toepassen PFAS-houdende grond De toepassingseisen voor PFAS-houdende grond die wordt verwerkt in de kern van de grootschalige bodemtoepassing boven grondwaterniveau 16 Voor gebieden met een hoge grondwaterstand geldt in plaats van ‘boven grondwaterniveau’: Tot ten hoogste 1 meter onder het maaiveld. Als de grond als gevolg van zetting op termijn in de verzadigde zone terecht komt, wordt de grond geacht boven het grondwater te zijn toegepast. voldoet aan de toepassingswaarden voor de bodemfunctieklassen ‘Wonen’ en ‘Industrie’, of een betere kwaliteit: PFOA: 7,0 µg/kg ds. Alle andere PFAS-verbindingen: 3,0 µg/kg ds. De toepassingseisen voor PFAS-houdende grond die wordt verwerkt in het lichaam van de grootschalige bodemtoepassing onder grondwaterniveau 17 Voor gebieden met een hoge grondwaterstand geldt in plaats van ‘onder grondwaterniveau’: Op een diepte van 1 meter en meer onder het maaiveld. Als de grond als gevolg van zetting op termijn in de verzadigde zone terecht komt, wordt de grond geacht boven het grondwater te zijn toegepast. moet voldoen aan de voorlopige landelijke achtergrondwaarden: PFOA: 1,9 µg/kg ds en de andere PFAS-verbindingen: 1,4 µg/kg ds. Oók moet worden aangetoond dat de PFAS-houdende grond die wordt verwerkt in de leeflaag van de grootschalige bodemtoepassing voldoet aan de toepassingseisen van de locatie waar de grootschalige bodemtoepassing wordt gerealiseerd. De kwaliteit van de PFAS-houdende grond die in de leeflaag wordt toegepast moet voor PFAS-verbindingen voldoen aan de gedefinieerde Lokale Maximale Waarden (

§ 4.7.1, tabel 4.2, blz.

25/56). 4.10Grond afkomstig van buiten het bodembeheergebied van de gemeenten Maassluis en Vlaardingen Grond van buiten het bodembeheergebied van de gemeenten Maassluis en Vlaardingen (

§ 4

.2) moet altijd zijn gekeurd (

§ 6

.2.1) en voldoen aan de toepassingseisen conform het generieke kader van het Besluit. Kaarten met de generieke toepassingseisen zijn in een apart document[23] opgenomen. De door de gemeenten Vlaardingen en Maassluis vastgestelde toepassingseisen gelden niet voor de grond van buiten het bodembeheergebied van de gemeenten (

§ 4.2).

Uitzondering hierop vormen de Lokale Maximale Waarden die strenger zijn vastgesteld dan het generieke beleid van het Besluit (

§ 4.4.2).

Ook gelden bij grondtoepassingen in opdracht van de gemeente, de aanvullende eisen voor asbest (

§ 4.5).

4.11Melden en onderzoeken kleine partijen grond (kleiner dan 50 m3) Het komt vaak voor dat er bij bijvoorbeeld loonwerkers of de gemeentelijke afdeling voor groenonderhoud kleine partijen grond vrijkomen. Bijvoorbeeld bij (groen-) onderhoudswerkzaamheden of het plaatsen van bomen. In principe moeten alle toepassingen van kleine partijen grond worden gemeld, behalve partijen schone grond en schone baggerspecie kleiner dan 50 m3. Ook particulieren zijn vrijgesteld van de meldplicht (

ook § 7.2.2). Het is echter niet redelijk om voor alle kleine partijen niet-schone grond een onderzoek (bijvoorbeeld een partijkeuring) te verlangen en bij toepassing deze te melden. De gemeenten verruimen de vrijstelling voor onderzoek en meldplicht voor een kleine partij grond. De vrijstelling is afhankelijk van de herkomst, de hoeveelheid en het bodemgebruik op de plaats van toepassing. In tabel 4.3 zijn de mogelijkheden voor kleine partijen weergegeven. Het heeft echter de voorkeur, dat kleine partijen vrijkomende grond worden verzameld tot maximaal 25 m3 (

artikel 4.3.2 van de Regeling), bijvoorbeeld in een hiervoor bestemde container. De samengevoegde partijtjes grond moeten vervolgens worden aangeboden aan een erkend bodemintermediair die is gecertificeerd en erkend voor de BRL 9335 protocol 9335-1[24]. Volgens paragraaf 6.1 van BRL 9335 – protocol 9335-1 kunnen partijen grond tot 100 ton worden ingenomen op basis van beperkte voorinformatie, dus ook grond die niet geanalyseerd is op PFAS-verbindingen. Individuele kleine partijen PFAS-houdende grond kunnen, afhankelijk van de acceptatiecriteria, ook bij erkende grondverwerkers (reiniger, grondbank) worden aangeboden. De bodemkwaliteitskaart kan worden gebruikt ter onderbouwing van de kwaliteit van de aangeboden grond. Net als met elke andere toepassing van grond moet altijd toestemming verkregen worden van de eigenaar van de ontvangende locatie. Hiermee wordt voorkomen dat er ongecontroleerde stort plaatsvindt in het openbaar gebied. Ook voor kleine partijen grond geldt dat altijd historisch onderzoek uitgevoerd moet worden om aan te tonen dat de grond afkomstig is van een voor bodemverontreiniging niet-verdachte locatie (

§ 6.1).

Tabel 4.3: Regels voor keuring en melding van kleine partijen grond. Grondstroom Van gebieden die waar de bodemkwaliteitskart niet van is geaccepteerd of geen bodemkwaliteitskaart is vastgesteld Van gebieden van de eigen en geaccepteerde bodemkwaliteitskaarten Schone grond Volgens grondstromenmatrix vrij grondverzet 18 Van vrij grondverzet is sprake als voorafgaand aan het ontgraven, het tijdelijk opslaan of het toepassen van grond de kwaliteit van de grond niet hoeft te worden vastgesteld. Volgens grondstromenmatrix geen vrij grondverzet18 Hoeveelheid ≤50 m3 >50 m3 ≤50 m3 >50 m3 ≤25m3 >25m3 Keuring? Nee Ja Nee, tenzij een bepaald bodemgebruik* Nee, tenzij een bepaald bodemgebruik* Nee, tenzij een bepaald bodemgebruik* Ja Melden? Nee, wel toestemming vragen aan eigenaar Ja,

§ 7

.2 Nee, wel toestemming vragen aan eigenaar Ja,

§ 7

.2 Ja,

§ 7.2 Beperking bij de toepassing?

Binnen de zone Afhankelijk van keurings-resultaten Bepalingen uit § 4.5 en § 4.6 en er mag geen sprake zijn van een voor bodemverontreiniging verdachte locatie * Als een partij kleiner is dan 25 m3 en de toepassingslocatie heeft of krijgt een bepaalde gevoelige bodemgebruik (moes- /volkstuin(complex)en (>200 m²), schooltuinen en onverharde kinderspeelplaatsen 19 Hieronder wordt verstaan: openbare kinderspeelplaatsen, speelplaatsen bij scholen, speelplaatsen bij (particuliere) kinderopvanginstellingen. ), dan kan de toepassing alleen plaatsvinden na een partijkeurig waaruit blijkt dat de kwaliteit van de grond voldoet aan de gestelde toepassingseis of Lokale Maximale Waarde (

§ 4.4.2).

4.12Toepassen van grond uit een tijdelijke opslag Het toepassen van grond uit een tijdelijke opslag moet in de meeste situaties voorafgegaan worden door een partijkeuring (

§ 6.2.1).

Een partijkeuring op de grond van een tijdelijke opslag is niet noodzakelijk, de bodemkwaliteitskaart mag als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de grond gebruikt worden, als wordt aangetoond dat de grond: afkomstig is van een voor bodemverontreiniging niet-verdachte locatie (volgend uit het vragenformulier met historische gegevens;

§ 6

.1); én afkomstig is uit een zone van het bodembeheergebied van de gemeenten Maassluis en Vlaardingen (

§ 4

.2); én niet tussentijds is bewerkt (bijvoorbeeld samengevoegd met andere partijen grond). Als aan één of meerdere voorwaarden niet kan worden voldaan, moet een partijkeuring worden uitgevoerd. Als al een partijkeuring is uitgevoerd, dan moet alleen aan de derde voorwaarde worden voldaan. Samenvoegen van partijen grond mag alleen onder erkenning van de BRL SIKB 9335[25] of de BRL SIKB 7500[26]. Splitsen van een partij grond is toegestaan, ook zonder erkenning. Het splitsen moet goed worden gedocumenteerd (

hiervoor artikel 4.3.1 Regeling bodemkwaliteit) door de initiatiefnemer. Minimaal moet de onderstaande informatie administratief worden vastgelegd: de relatie tussen de deelpartij en de oorspronkelijke partij, de persoon of instelling welke de splitsing heeft uitgevoerd, en de datum waarop de splitsing is uitgevoerd. Het beschikbare bewijsmiddel blijft geldig voor verschillende gesplitste deelpartijen. Als de grond wordt toegepast onder certificaat wordt gesplitst, moet rekening worden gehouden met het gestelde in § 6.9 van het BRL 9335 – protocol 9335-1. Als partijen herbruikbare grond illegaal zijn samengevoegd, dan moet een bedrijf dat is erkend voor het BRL 9335 – protocol 9335-1 worden ingeschakeld om de partij te legaliseren. In § 6.3.5 van het BRL 9335 – protocol 9335-1 is hiervoor een mogelijkheid beschreven. Dit document

t expliciet niet toe op het samenvoegen van niet herbruikbare (ernstig verontreinigde) grond met hergebruiksgrond (licht verontreinigd). In dat kader is onderdeel B7 van het Landelijk afvalbeheerplan (LAP3)[27] als uitwerking van Hoofdstuk 10 Wet milieubeheer van toepassing. 4.13Terugsaneerwaarden en hergebruik grond op locaties die in het Kadaster zijn geregistreerd met een aantekening Wet bodembescherming (locaties met een beschikking “Ernstig”) Op een saneringslocatie is de Wet bodembescherming bepalend. In sommige situaties zijn er raakvlakken tussen saneren en het toepassen of hergebruiken van grond. Dit geldt onder andere voor: De terugsaneerwaarde in relatie tot de bodemfunctieklasse (bij BUS-meldingen, BUS staat voor Besluit uniforme saneringen[28]). Het aanvullen van de ontgravingsput, het aanbrengen van een ophooglaag/leeflaag na sanering of het tijdelijk opslaan van grond. 4.13.1 Terugsaneerwaarden en hergebruik van grond De terugsaneerwaarden zijn in de Wet bodembescherming, het Besluit Uniforme Saneringen en de Regeling Uniforme Saneringen[29]) geregeld: Wet bodembescherming Circulaire artikel 4.1.2

  1. Bodemfunctie
  2. Gemotiveerd afwijken met behulp van een saneringsplan BUS/RUS RUS artikel 3.1.6 en 3.2.4
  3. Vastgestelde Lokale Maximale Waarden
  4. Bodemfunctie zoals is aangegeven op de bodemfunctieklassenkaart, de Achtergrondwaarden (AW2000) als geen bodemfunctieklassenkaart is vastgesteld
  5. Mobiele verontreiniging: kwaliteitsklasse Wonen Deze terugsaneerwaarden worden ook geadviseerd als op locaties sterk verontreinigde grond wordt ontgraven waar geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging (veroorzaakt voor 1 januari 1987); bijvoorbeeld als sprake is van 25 kuub of minder, sterk verontreinigde grond. Nieuwe bodemverontreinigingen (ontstaan vanaf 1 januari 1987) moeten volledig worden gesaneerd. Hiervoor is de gemeente bevoegd gezag. Het is mogelijk dat in uitzonderlijke gevallen de Lokale Maximale Waarden (

§ 4.3) niet toereikend zijn voor een sanering.

Zo zou het kunnen zijn dat er voor een specifieke situatie de saneringskosten te hoog oplopen, terwijl verwacht wordt dat er op basis van locaties specifieke omstandigheden geen sprake is van een risico. In die situatie moet een saneringsplan worden opgesteld en de hierin gehanteerde terugsaneerwaarden op basis van een uitgebreid onderzoek naar risico’s (bijvoorbeeld een triadeonderzoek) worden onderbouwd. Het toepassen van grond om een saneringsdoelstelling te behalen valt onder het bevoegd gezag Wet bodembescherming. Voor de gemeenten Maassluis en Vlaardingen is dat de provincie Zuid-Holland. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet is de gemeente voor haar eigen grondgebied bevoegd gezag voor sanerende maatregelen. Uitzondering hierop vormen de (beschikte) spoedlocaties, de locaties die vallen onder het overgangsrecht van de Omgevingswet. Nadat het saneringsresultaat is behaald, mag op deze locatie grond worden toegepast mits het een nuttige toepassing betreft (

§ 2

.1.1 in bijlage 2) en voldoet aan de toepassingsvoorwaarden uit deze nota bodembeheer. Ook moet worden nagegaan of de toepassing niet in strijd is met opgelegde gebruiksbeperkingen en/of nazorgverplichtingen. Voor grond, afkomstig uit het bodembeheergebied van de gemeenten Maassluis en Vlaardingen (

§ 4

.2), gelden de gebiedsspecifieke toepassingseisen (

kaartbijlagen 4A en 4B). Voor grond van buiten het bodembeheergebied van de gemeenten Maassluis en Vlaardingen, gelden de generieke toepassingseisen die zijn opgenomen in een apart document[23]. Mogelijk zijn ook de aanvullende bepalingen uit § 4.5 en § 4.6 van toepassing. 4.13.2 Melden toepassen van grond op een saneringslocatie Het toepassen van grond moet worden gemeld bij het bevoegd gezag Besluit bodemkwaliteit (

§ 7.2.1).

Als de sanering wordt uitgevoerd conform artikel 39 van de Wet bodembescherming en een saneringsplan is opgesteld, moet het toepassen van de grond óók worden gemeld bij het bevoegd gezag Wet bodembescherming. Voor de gemeenten is dat de provincie Zuid-Holland,

ook de website: https://www.zuid-holland.nl/onderwerpen/ruimte/bodem-ondergrond/bodemsanering-beheer/ of het klikpad: start › onderwerpen › ruimte › bodem en ondergrond › bodemsanering en beheer. De Provincie Zuid-Holland die deze taken heeft gemandateerd aan de DCMR; 010-2468140, info@dcmr.nl). De dubbele meldingsplicht geldt niet voor BUS-saneringen (

artikel 36, lid 2 onder c van het Besluit). 4.14Bijzondere omstandigheden bij het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond 4.14.1 Van de bodemkwaliteitskaart uitgesloten locaties en gebieden In de gemeenten Maassluis en Vlaardingen zijn een aantal locaties en gebieden uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart. Deze locaties en gebieden zijn in hoofdstuk 2 gespecificeerd. Voor de gebieden die zijn uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart geldt het volgende: Het toepassen van grond van deze locaties of gebieden moet voorafgegaan worden door een partijkeuring (

§ 6.2.1).

Afhankelijk van de onderzoeksresultaten mag de grond als volgt worden toegepast: Als de grond voldoet aan de kwaliteitsklasse 'Industrie' of beter, dan mag de grond op worden toegepast op een locatie waar de vastgestelde kwaliteit voldoet aan de daar geldende toepassingseis. Als één of meerdere gehalten in de grond de Maximale Waarden voor 'Industrie' overschrijden, maar de interventiewaarde wordt niet overschreden, dan moet de grond worden getransporteerd naar een erkend verwerker. Als één of meer gehalten in de grond de interventiewaarde van de Wet bodembescherming overschrijdt, mag de grond niet worden toegepast en moet het spoor van de Wet bodembescherming worden gevolgd. De onderzoeksresultaten moeten worden gemeld aan de DCMR. Als grond op deze locaties of gebieden toegepast wordt, moet de ontvangende bodem onderzocht worden met een verkennend bodemonderzoek (

§ 6.2.2).

Alleen de ontvangende bodemlaag waarop de grond wordt toegepast moet worden onderzocht. Ongeacht de vastgestelde bodemkwaliteit gelden de toepassingseisen van het omliggende gebied (

§ 4.20).

4.14.2 Provinciaal beschermde gebieden Op het grondgebied van de gemeenten Maassluis en Vlaardingen liggen provinciale beschermingsgebieden. Voorbeelden hiervan zijn archeologie en cultuurhistorie enNatuurnetwerk Nederland (voormalige EHS). Voor een actueel beeld van de ligging van deze gebieden wordt verwezen naar de website van de provincie Zuid-Holland (www.zuid-holland.nl). De provincie kan hier aanvullende eisen stellen. Voorafgaand aan het ontgraven, het tijdelijk opslaan of het toepassen van grond moet zowel voor de ontgravingslocatie als op de toepassingslocatie worden nagegaan of er naar aanleiding van de ligging in één of meerdere beschermingsgebieden restricties zijn ten aanzien van de werkzaamheden. Bij grondwerkzaamheden binnen beschermingsgebieden wordt het provinciale beleid gevolgd. 4.15Verspreiden onderhoudsbaggerspecie (generiek kader Besluit bodemkwaliteit) 4.15.1 Verspreiden onderhoudsbaggerspecie in een oppervlaktelichaam Voor de gemeenten Maassluis en Vlaardingen is voor het verspreiden van onderhoudsbaggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam Rijkswaterstaat (rijkswateren) of het Hoogheemraadschap van Delfland (overige wateren) het bevoegd gezag. Hiervoor moet contact worden opgenomen met Rijkswaterstaat (https://www.rijkswaterstaat.nl) of het Hoogheemraadschap van Delfland (https://www.hhdelfland.nl/). 4.15.2 Verspreiden onderhoudsbaggerspecie op aangrenzend perceel In de Waterwet en de Keur van waterschappen is geregeld dat de aangrenzende percelen van watergangen een ontvangstplicht hebben. Voorafgaand aan het verspreiden van de onderhoudsbaggerspecie over het aangrenzend perceel moet de kwaliteit van de baggerspecie worden getoetst. Bij de normstelling van deze toets wordt rekening gehouden met de milieueffecten van meerdere stoffen tegelijk. De Maximale Waarden voor het verspreiden van onderhoudsbaggerspecie op aangrenzende percelen zijn opgenomen in tabel 2 uit bijlage B van de Regeling. De normstelling is geschematiseerd in figuur 4.

  1. In bijlage 1 onder het kopje ‘aangrenzend perceel’ is nader ingegaan op de definitie van ‘aangrenzend perceel’. Figuur 4.
  2. Normstelling voor verspreiding van baggerspecie over aangrenzende percelen. Voor het verspreiden van onderhoudsbaggerspecie over aangrenzende percelen gelden de volgende voorwaarden: Voor onderhoudsspecie waarvan de kwaliteit voldoet aan de Maximale Waarden voor verspreiden van baggerspecie over het aangrenzende perceel en de interventiewaarden droge bodem geldt de ontvangstplicht. De baggerspecie mag tot aan de perceelgrens worden verspreid. Er hoeft niet te worden getoetst aan de kwaliteit van de ontvangende bodem. De verspreiding over aangrenzende percelen hoeft niet te worden gemeld. Voor weilanddepots, een vorm van tijdelijke opslag van baggerspecie, gelden aanvullende eisen: De kwaliteit van de baggerspecie moet voldoen aan de Maximale waarden voor verspreiding over aangrenzende percelen. De tijdelijke opslag mag maximaal drie jaar duren. De tijdelijke opslag met de voorziene duur en eindbestemming wordt vijf dagen van tevoren gemeld. De tijdelijk opgeslagen baggerspecie moet vanaf het weilanddepot in een nuttige toepassing worden gebracht, waarbij verspreiding van baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam is uitgezonderd als nuttige toepassing. Verspreiden PFAS-houdende onderhoudsbaggerspecie op het aangrenzend perceel en tijdelijke opslag in weilanddepot Voor het verspreiden van baggerspecie uit watergangen op aangrenzende percelen of in een weilanddepot (artikel 35, onder f, Besluit) gelden dezelfde toepassingswaarden als voor andere vormen van toepassen van baggerspecie op de landbodem boven het grondwaterniveau (

§ 4.7.1, tabel 4.2, blz.

25/56). Ook dan komt het uitgangspunt van stand-still namelijk niet in het geding. Omdat de baggerspecie in een watergang daarin door afspoeling van grond van de aangrenzende terreinen is terechtgekomen, zal de baggerspecie over het algemeen dezelfde kwaliteit hebben als de landbodem waarop de baggerspecie wordt toegepast. Daarom is het bij al uitgevoerde onderzoeken niet altijd nodig om de kwaliteit van de baggerspecie te bepalen. Wel wordt aangeraden om bij nieuw uit te voeren waterbodemonderzoek een aantal representatieve metingen te doen om te controleren of er geen sprake is van onverwacht hoge waarden van PFAS in de baggerspecie. Dit kan duiden op een voor de watergang niet-representatieve verontreiniging als gevolg van een lokale bron (puntbron). Door het toepassen van baggerspecie waarin uitschieters van PFAS zijn aangetroffen, zal de bestaande bodemkwaliteit verslechteren. Deze lokaal sterker verontreinigde baggerspecie mag daarom niet worden toegepast. Voor onderzoeken naar de kwaliteit van baggerspecie die na 8 juli 2019 (de datum waarop het tijdelijk handelingskader van kracht werd) zijn uitgevoerd, is het wenselijk om ook op PFAS te analyseren. Dit is niet nodig als de waterbeheerder, in afstemming met de DCMR, heeft aangetoond dat de PFAS-gehalten in de baggerspecie in haar beheergebied ruimschoots aan de toepassingswaarden voldoen. Voor het toepassen van baggerspecie uit watergangen op de kant is het in het kader van de dubbele toets die normaal gesproken voor toepassen op de landbodem geldt, niet nodig om de bodemkwaliteit vast te stellen. Dit heeft geen toegevoegde waarde omdat de uitkomsten voor het mogen toepassen geen relevante informatie opleveren. Het uitgangspunt is namelijk dat de baggerspecie als afgespoelde grond weer op de landboden kan worden toegepast zonder dat dit tot verslechtering leidt. Het voorgaande komt overeen met de huidige praktijk bij het onderhoud van watergangen door waterschappen waarbij periodiek baggerspecie op de kant wordt gezet. Deze praktijk kan dus doorgang vinden. 4.16Gebruik van de bodemkwaliteitskaart bij bodemverontreinigende activiteiten Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet is voor bodembedreigende activiteiten in het Besluit activiteiten leefomgeving, in tegenstelling tot het Activiteitenbesluit, geen nulsituatie-onderzoek meer verplicht. Het nulsituatie-onderzoek bij de start van een activiteit is geen milieubeschermende maatregel, maar een grondslag voor een eindsituatie-onderzoek. Hiermee kan het bevoegd gezag toetsen of door de bodembedreigende activiteit verontreiniging heeft plaatsgevonden. Als de gemeente heeft voorgeschreven dat een nulsituatie-onderzoek verplicht is, dan moet dit worden uitgevoerd. Ook kan op vrijwillige basis een nulsituatie-onderzoek worden uitgevoerd, ter ondersteuning van het (later uit te voeren) eindsituatie-onderzoek. Het eindsituatie-onderzoek is verplicht. Het eindsituatie-onderzoek hangt samen met de beëindiging van de activiteit. Per activiteit wordt aangegeven of bij beëindiging een eindsituatie-onderzoek nodig is. Als er geen nulsituatie-onderzoek is uitgevoerd, wordt het eindonderzoek getoetst aan Als er geen nulsituatie-onderzoek is uitgevoerd, wordt het eindonderzoek getoetst aan de 80-percentielwaarde20 80% van de analyseresultaten ligt beneden deze waarde. van de betreffende bodemkwaliteitszone (

bijlage 4, kolom 80P). Voor activiteiten waarop de Europese Richtlijn industriële emissies het milieubeschermingsbeginsel van "Integrated Pollution Prevention and Control" (IPPC) van toepassing is, blijft volgens de Europese Richtlijn industriële emissies (art. 22) het nulsituatie-onderzoek wel verplicht. Het bevoegd gezag moet deze opnemen in de omgevingsvergunning. De bodemkwaliteitskaart(en) zelf mag nooit in de plaats van een nul- of eindsituatie-onderzoek worden gebruikt. 4.17Voorkomen verspreiden invasieve exoten (flora) bij grondverzet Bij het toepassen van grond speelt naast de chemische kwaliteit van de grond sinds enige tijd ook de verspreiding van zogenaamde invasieve exoten (flora) een steeds belangrijkere rol. Een voorbeeld hiervan is de Japanse duizendknoop of de reuzenberenklauw. De uitheemse Japanse duizendknoop brengt door de groei van haar wortels schade toe in het stedelijk gebied (aan infrastructuur, oevers, waterkeringen en funderingen), maar verdrukt ook onze inheemse flora. De reuzenberenklauw vormt ook een risico voor de volksgezondheid; aanraking van het waterachtige plantensap kan leiden tot brandwonden en in de ogen tot blindheid. Om deze redenen willen de gemeenten de verspreiding van deze invasieve exoten, bijvoorbeeld door grondverzet en het toepassen van grond, voorkomen. De gemeenten Maassluis en Vlaardingen stellen dat bij graafwerkzaamheden, het (tijdelijk) opslaan van grond en toepassen van grond aandacht moet worden besteed aan het (eventueel) voor komen van invasieve exoten (flora). Dit kan bijvoorbeeld door tijdens de terreininspectie voorafgaand aan het grondverzet hier aandacht aan te besteden. Er is een landelijk protocol omgaan met Aziatische duizendknopen[30] opgesteld. Hierin is onder andere ingegaan op het herkennen van de duizendknoop, het voorkomen van verspreiding en het omgaan met de duizendknoop in diverse situaties. Ook bestaat er voor (graaf)werkzaamheden een beslisboom die is opgenomen op de website ‘Bestrijding duizendknoop’: https://bestrijdingduizendknoop.nl/. Als een invasieve exoot (flora) ter plaatse van graafwerkzaamheden en het tijdelijk opslaan van grond aanwezig is, kunnen mogelijk aanvullende maatregelen worden genomen. Hiervoor moet contact op worden genomen met de betreffende gemeente. Als een invasieve exoot (flora) in de toe te passen grond aanwezig is, of mogelijk aanwezig kan zijn, is het niet toegestaan de grond te hergebruiken/toe te passen. De grond moet op een gepaste wijze, waardoor geen verwaaiing van de grond kan plaatsvinden, worden getransporteerd naar een erkende verwerker van invasieve exoten. Een lijst van dit soort verwerkers is opgenomen op de website van Branche Vereniging Organische Reststoffen: https://bvor.nl/invasieve-exoten/. 4.18Geldigheidsduur van een uitgevoerd onderzoek De toe te passen grond en/of de ontvangende bodem kan al eerder zijn onderzocht. De NEN 5740[31] of en het BRL 1000 – protocol 1001[32] stellen geen voorwaarden aan de actualiteit van onderzoeksgegevens. De gemeenten Maassluis en Vlaardingen beschouwen de onderzoeksresultaten als een momentopname en zijn daarom niet ‘onbeperkt houdbaar’. Bij een al uitgevoerd onderzoek moet de initiatiefnemer aan de DCMR (namens de gemeenten) aannemelijk maken dat de onderzoeksgegevens hun actualiteitswaarde hebben behouden. Hierbij moet ten minste in ogenschouw zijn genomen: of de gehanteerde strategie van monstername of analysemethodes voldoende inzicht geven in de algemene bodemkwaliteit; of de onderzoekslocatie na uitvoering van het laatste volledige onderzoek niet intensiever is gebruikt en geen grondverzet of herinrichting heeft ondergaan; qua gebruik of inrichting de onderzoekslocatie nog hetzelfde is; in hoeverre er tussentijds op de onderzoekslocatie activiteiten zijn uitgevoerd die de bodemkwaliteit hebben kunnen beïnvloeden. Stelt de DCMR (namens de gemeenten) vast dat de onderzoeksresultaten hun actualiteitswaarde hebben verloren, dan kan, met instemming van de DCMR, nog worden overwogen om de verouderde onderzoeksgegevens met een indicatief/beperkt onderzoek te verifiëren of aan te vullen. Een volledig nieuw onderzoek volgens de BRL 1000 – protocol 1001, de NEN 5740 of NEN 5707 is dan niet nodig. Bij twijfel beslist de DCMR of het bewijsmiddel gebruikt mag worden. 4.19Uitgevoerde partijkeuring of specifiek onderzoek van de NEN 5740 en gebruik ontgravingskaart De mogelijkheid bestaat dat op een locatie van ontgraving een partijkeuring (BRL 1000 – protocol 1001) of een specifiek onderzoek van de NEN 574021 Alleen van de volgende onderzoeksstrategieën kan gebruik worden gemaakt: TOETS-S, TOETS-S-GR en KEU-I-HE. is uitgevoerd. Als het onderzoek of de partijkeuring voldoet aan de vereisten voor een bewijsmiddel uit het Besluit (

§ 6

.2.1) en representatief is voor de meest recente (terrein)situatie, dan moet dit onderzoek worden gebruikt als bewijsmiddel. Zo’n onderzoek geeft een beter beeld van de grondkwaliteit dan de bodemkwaliteitskaart. Het onderzoek is leidend boven de ontgravingskaarten van de bodemkwaliteitskaart. 4.20Uitgevoerd onderzoek en gebruik toepassingskaart Uit een uitgevoerd onderzoek volgens de NEN 5740 of een partijkeuring (BRL 1000 – protocol 1001) kan blijken dat de kwaliteit van de ontvangende bodem waarin de locatie is gelegen slechter of juist beter is dan de bodemkwaliteitsklasse zoals die voor de bodemkwaliteitszone is vastgesteld. In die situatie geldt de toepassingseis zoals deze is weergegeven op de toepassingskaarten, ongeacht de vastgestelde bodemkwaliteitsklasse en mogelijk gevolgen voor de toepassingseis. 4.21Uitgevoerd NEN 5740 onderzoek en gebruik ontgravingskaart Als op de ontgravingslocatie al een bodemonderzoek volgens de NEN 5740 is uitgevoerd maar geen specifieke onderzoeksstrategie (

§ 4

.19), bijvoorbeeld ter plaatse van een voor bodemverontreiniging verdachte locatie, geldt het volgende: Binnen een bodemkwaliteitszone is altijd sprake van een variatie in aangetroffen gehalten. Ook op locatieniveau is vaak sprake van variatie in gehalten. De gemeenten vinden het niet redelijk dat voor deze locaties, na het uitvoeren van een bodemonderzoek conform de NEN 5740, een aanvullende partijkeuring moet plaatsvinden. De gemeenten Maassluis en Vlaardingen staan het daarom toe dat, als het bodemonderzoek nog representatief is voor de meest recente (terrein)situatie én de gehalten van de stoffen voldoen aan de 80-percentielwaarde22 80% van de analyseresultaten ligt beneden deze waarde. De benoemde percentielwaarden worden aangeduid als de gebiedseigen kwaliteit. Als de betreffende percentielwaarden lager dan de maximale waarden voor de kwaliteitsklasse ‘Natuur’ is gelegen, wordt de maximale waarden voor de kwaliteitsklasse ‘Natuur’ als lokale achtergrondwaarde gehanteerd. van de betreffende bodemkwaliteitszone (

bijlage 4, kolom 80P), er geen aanvullende partijkeuring hoeft te worden uitgevoerd. De ontgravingskaart mag dan worden gebruikt als bewijsmiddel voor de elders toe te passen grond. Het bodemonderzoek wordt hierbij als aanvullend ‘bewijsmiddel’ gebruikt. Als één van de parameters in het bodemonderzoek van de mengmonsters of individueel geanalyseerde monsters hoger is dan de 80-percentielwaarde van de betreffende bodemkwaliteitszone, dan wordt de ontgraven grond als afwijkend gezien en moet een partijkeuring worden uitgevoerd om de bodemkwaliteit te bepalen. Als één of meerdere gehalten de interventiewaarde overschrijdt, moet contact worden opgenomen met de DCMR. 4.22Toepassen grond uit de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden maaiveld Zoals in hoofdstuk 2 is aangegeven, maakt de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld geen onderdeel uit van de bodemkwaliteitskaart. Grond uit deze bodemlaag die elders nuttig wordt toegepast, moet voorafgaand aan de toepassing worden gekeurd. Afhankelijk van de keuringsresultaten mag de grond worden toegepast (

§ 6.2.1).

De grond moet vanwege opkwellend brak grondwater aanvullend op chloride worden onderzocht (

§ 4.23).

4.23Toepassen chloride-houdende grond en baggerspecie op en in de landbodem (bodemlaag 0-2 m-mv) Gezien de ligging van het bodembeheergebied aan de Noordzee, het Haringvliet, het Grevelingenmeer, de Maasmond en opkwellend brak grondwater is de vrijkomende grond die wordt toegepast soms belast met zout, waaronder chloriden. De vrijkomende grond dieper dan 2 meter beneden het maaiveld en afkomstig uit gemeenten rondom deze wateren moet vanwege opkwellend brak grondwater aanvullend op chloride worden onderzocht. Chloriden komen van nature voor in de bodem, verspreiden zich makkelijk in de bodem en zijn nauwelijks giftig voor mens en dier. Te veel chloride in de bodem heeft nadelige invloeden op planten en gewassen23 Met name: sier-/fruitbomen, bolgewassen, snij-/sierbloemen, groenten. (onder meer verminderde groei en sterfte van (delen van) de plant of gewas). Om de bodem ter plaatse van (toekomstige) gewasteelt te beschermen voor een te hoog gehalte aan chloride stellen de gemeenten een maximaal gehalten vast voor verschillende bodemgebruikstypen (

tabel 4.4). Deze chloridegehalten zijn gebaseerd op een eerder opgestelde notitie van de DCMR24 Notitie Onderbouwing normering Bbk/Rbk voor chloride in grond (Nota ABB, bijlage C), DCMR, 22 april 2010. . Tabel 4.4: Maximale gehalten chloride in toe te passen grond/baggerspecie bij verschillende bodemgebruikstypen Bodemgebruikstype Maximaal gehalte aan chloride (in mg/kg ds) Natuur, Landbouw en Wonen Industrie met zoutgevoelige bomen in groenzones 200 Industrie zonder zoutgevoelige bomen in groenzones Graslanden waar (melk)vee graast en/of gras wordt geoogst als veevoer 500 4.24Nieuw onderkende verontreinigingsbronnen Door de jaren heen worden er nieuwe verontreinigingsbronnen en bijbehorende stoffen “ontdekt”. Bijvoorbeeld medicijnresiduen die na menselijke of dierlijke inname (via lozingen) in grond en grondwater terecht kunnen komen, nieuwe bestrijdingsmiddelen die minder afbreekbaar zijn dan werd verwacht, et cetera. De beleidsontwikkelingen hierover worden gevolgd en zo nodig leiden die tot bijstelling van het in deze nota bodembeheer geformuleerde grondstromenbeleid. 4.25Mogelijkheden toepassen grond zonder voorafgaand kwaliteitsonderzoek Op basis van het Besluit en de Regeling en de gehanteerde Rotterdamse toetsingsnormen (hoofdstuk 2 en § 4.3) is bepaald tussen welke zones voorafgaand aan de grondstroom al dan niet de kwaliteit van de grond moet worden onderzocht. Bijlage 5 geeft de mogelijkheden van grondstromen binnen en tussen zones weer (grondstromenmatrix). Hierbij moet worden opgemerkt dat deze matrix alleen geldt voor grondstromen tussen locaties die onderdeel uitmaken van de bodemkwaliteitskaart. Vanwege de verschillende bodemfuncties in een aantal bodemkwaliteitszones, verschillen ook de toepassingseisen (

ook bijlage 1, kopje ‘Toepassingskaart’). Om te beoordelen of een grondtoepassing is toegestaan, wordt de ontgravingskwaliteit van de toe te passen grond vergeleken met de toepassingseis die is vastgesteld voor de ontvangende bodem. Als de kwaliteit van de toe te passen grond vergelijkbaar of beter is dan de toepassingseis, dan kan de grond worden toegepast (

ook bijlage 1, kopje ‘Toetsing toepassen grond’). Dus grond met de ontgravingskwaliteit ‘Wonen’ mag worden toegepast op locaties met de toepassingseis ‘Wonen’ of ‘Industrie’. Grond met de ontgravingskwaliteit ‘Industrie’ mag alleen worden toegepast op locaties met de toepassingseis ‘Industrie’ (

ook hoofdstuk 5). 5.Het toepassen van grond met de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel De bodemkwaliteitskaart mag alleen worden gebruikt bij grondstromen tussen voor locaties die onderdeel uitmaken van de bodemkwaliteitskaart. Dit geldt zowel voor de ontgravings- als de toepassingslocatie. Hiermee wordt voorkomen dat sterk verontreinigde grond wordt afgegraven en elders (ongewenst) wordt toegepast en/of dat een eventuele sterke grondverontreiniging illegaal wordt afgedekt. Een tweede basisprincipe is dat grond nuttig toegepast moet worden (

ook § 2.1.1 van bijlage 2). Het is niet toegestaan om zich van grond te ontdoen als deze niet naar een erkend verwerker wordt getransporteerd. Vanaf het moment van ontgraven tot aan het moment van verwerking wordt de grond als afvalstof gezien. Als aan deze basisprincipes is voldaan, werkt de bodemkwaliteitskaart als volgt: De ontgraven grond uit gebieden met een kwaliteit vallend in de ontgravingskwaliteitsklasse ‘Industrie’ (rood op de ontgravingskaarten van kaartbijlagen 3) mag zonder partijkeuring worden toegepast in gebieden waarvan de toepassingseis de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ is (rood op de toepassingskaart van de kaartbijlagen 4). De ontgraven grond uit gebieden met een kwaliteit vallend in de ontgravingskwaliteitsklasse ‘Wonen’ (licht bruin/oranje op de ontgravingskaarten van de kaartbijlagen 3) mag zonder partijkeuring worden toegepast in gebieden waarvan de toepassingseis de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ of ‘Industrie’ is (respectievelijk licht bruin/oranje en rood op de toepassingskaart van de kaartbijlagen 4). De ontgraven grond uit gebieden met een kwaliteit vallend in de ontgravingskwaliteitsklasse ‘Landbouw’ (geel op de ontgravingskaarten van de kaartbijlagen 3) mag zonder partijkeuring worden toegepast in gebieden waarvan de toepassingseis de kwaliteitsklasse ‘Landbouw’, ‘Wonen’ of ‘Industrie’ is (respectievelijk geel, licht bruin/oranje en rood op de toepassingskaart van de kaartbijlagen 4). Als de toe te passen grond is gekeurd volgens de gestelde eisen van het Besluit, is de in de partijkeuring vastgestelde kwaliteit leidend (

§ 4.18 en § 4.19).

Als uit een onderzoek blijkt dat de kwaliteit van de ontvangende bodem beter of slechter is dan de bodemkwaliteitsklasse zoals die voor de bodemkwaliteitszone is vastgesteld, waarin de locatie is gelegen, geldt (ongeacht de vastgestelde bodemkwaliteitsklasse en mogelijke gevolgen voor de toepassingseis) de toepassingseis zoals deze is weergegeven op de toepassingskaarten (

§ 4.18 en § 4.20).

Als uit een bodemonderzoek blijkt dat de gehalten voldoen aan de 80-percentielwaarden25 80% van de analyseresultaten ligt beneden deze waarde. De benoemde percentielwaarden worden aangeduid als de gebiedseigen kwaliteit. Als de betreffende percentielwaarden lager dan de maximale waarden voor de kwaliteitsklasse ‘Natuur’ is gelegen, wordt de maximale waarden voor de kwaliteitsklasse ‘Natuur’ als lokale achtergrondwaarde gehanteerd. van de betreffende bodemkwaliteitszone (

bijlage 4), mag de bodemkwaliteitskaart met het bodemonderzoek als aanvullend bewijsmiddel worden gebruikt voor de grond die elders nuttig wordt toegepast (

§ 4.18 en § 4.21).

Grond van binnen het bodembeheergebied van de gemeenten Maassluis en Vlaardingen (

§ 4

.2) moet voldoen aan de gebiedsspecifieke toepassingseisen (

de kaartbijlagen 4 en § 4.4) én de gedefinieerde toepassingseisen voor PFAS-verbindingen (

§ 4.7.1, tabel 4.2, blz.

25/56). Grond van buiten het bodembeheergebied van de gemeenten Maassluis en Vlaardingen (

§ 4

.2), moet voldoen aan de generieke toepassingseisen (kaarten met de generieke toepassingseisen zijn in een apart document[23] opgenomen) én de landelijke achtergrondwaarden voor PFAS-verbindingen (

§ 4.7.1, tabel 4.2, blz.

25/56). Uitzondering hierop zijn de moes- en volkstuin(complex)en (>200 m²), schooltuinen en onverharde kinderspeelplaatsen waar voor zware metalen, PCB, PAK en minerale olie strengere Lokale Maximale Waarden ten opzichte van de generieke toepassingseis van het Besluit gelden. In deze gebieden gelden voor toe te passen grond altijd de vastgestelde (strengere) Lokale Maximale Waarden (

§ 4.4.2).

6Onderzoeksinspanning voorafgaand aan het grondverzet 6.1Historisch onderzoek Voorafgaand aan graafwerkzaamheden of het ontgraven en toepassen van grond moet altijd een historisch onderzoek worden uitgevoerd om vast te stellen of de werkzaamheden gaan plaatsvinden op voor bodemverontreiniging niet-verdachte locaties en/of locaties onderdeel uitmaken van een geldige bodemkwaliteitskaart. Bij graafwerkzaamheden en het tijdelijk opslaan van grond (langer dan 6 maanden en maximaal 3 jaar) moet dit vanwege de Wet bodembescherming, het Besluit bodemkwaliteit, Arbeidsomstandighedenwet en -besluit en het werken in en met verontreinigde grond. Voor de ontgraving

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.