Deze nota bodembeheer en bodemkwaliteitskaart van de Regio Achterhoek stelt regels en richtlijnen vast voor het duurzaam en efficiënt hergebruik van grond en baggerspecie, en verankert het bodembeleid in de deelnemende gemeenten. Het doel is om grondstromen soepeler te laten verlopen, milieuvriendelijker te werken en administratieve en financiële lasten te verminderen.
.4) √ Het accepteren van de bodemkwaliteitskaarten van de regio’s Twente en Arnhem en de gezamenlijke bodemkwaliteitskaart van de gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst als bewijsmiddel bij het toepassen van grond (
.4) √ Het verruimen van regels voor het hergebruik van grond in en uit geasfalteerde gemeentelijke wegen in het buitengebied (incl. bermen;
.5.2) √ Het verruimen van regels voor het hergebruik van grond in aangewezen gebieden met de bodemfunctieklasse ‘Industrie’ (
.5.3) √ Het verruimen van regels voor het hergebruik van grond in aangewezen gebieden met de bodemfunctieklasse ‘Wonen’ in de gemeente Aalten (
.5.4) √ Het stellen van regels en eisen voor het hergebruik van nature arseenhoudende grond (
.5.5) √ Het stellen van (strengere) regels bij het toepassen van grond in het plangebied Noorderhaven-Spoorzone in Zutphen (
.5.6) √ Het stellen van regels bij het hergebruik van grond op het noordelijk industrieterrein De Mars in Zutphen (§ 2.5.7) √ Het verruimen van regels bij het toepassen van grond in de bodemkwaliteitszone ‘Gebieden met diffuus verhoogde gehalte bestrijdingsmiddelen’ (
.5.8) √ Het stellen van strengere regels voor het hergebruik van grond uit de bodemkwaliteitszone ‘Gebieden met diffuus verhoogde gehalte bestrijdingsmiddelen’ (
.5.8) √ Het stellen van strengere eisen bij het toepassen van grond op onverharde kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuin(complex) en (
.5.9) √ Het onder voorwaarden verruimen van regels bij het toepassen van grond voor een betere bovenafdichting van oude stortplaatsen (
.5.10) √ Het stellen van strengere regels voor het toepassen van PFAS-houdende grond in gebieden met de toepassingseis kwaliteitsklasse ‘Wonen’ of ‘Industrie’ (
.5.11) √ Het stellen van strengere regels bij het toepassen van grond met bijmenging van bodemvreemd materiaal, waaronder onbewerkt hout, steenachtige materialen en plastic (
.6) √ Het stellen van regels bij het toepassen van grond met asbestverdacht/-houdend materiaal op gevoelig bodemgebruik dat in opdracht van de gemeente wordt uitgevoerd (
.7) √ Het verruimen van de regels voor het toepassen van grond uit de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld (
.8) √ Het stellen van strengere eisen voor grond uit gebieden waarvan de gemeenten de bodemkwaliteitskaart hebben geaccepteerd als bewijsmiddel bij grondverzet (
.9) √ Het stellen van strengere eisen voor grond uit gebieden waarvan de gemeenten de bodemkwaliteitskaart niet heeft geaccepteerd als bewijsmiddel bij grondverzet (
.9) √ Het verruimen van de regels bij de tijdelijke uitname van grond bij graafwerkzaamheden (
.10) √ Het gebruik van de bodemkwaliteitskaart bij bodembedreigende activiteiten (bij de interpretatie van een eindsituatie-onderzoek als geen nulsituatie-onderzoek beschikbaar is;
.11) √ Het toepassen van grond uit een oude categorie-1 werk (
.12) √ Het voorkomen van verspreiding van plaagsoorten (flora, zoals de Japanse duizendknoop en de reuzenberenklauw;
.13) √ De geldigheidsduur van een uitgevoerd onderzoek (
.14) √ Het gebruik van de ontgravings- en toepassingskaart als al een kwaliteitsonderzoek is uitgevoerd (
.15) √ Het stellen van regels voor het opstellen van een grondstromenplan bij projecten (
.17) √ Het verruimen van de regels voor meldplicht bij het tijdelijk opslaan van grond voorafgaand aan de definitieve toepassing (
Met het vaststellen van het bodembeleid wordt gefaciliteerd dat: de gemeenten haar milieuvriendelijk grondstromenbeleid, dat praktisch uitvoerbaar, milieuhygiënisch verantwoord en transparant is, optimaliseren; meer grondstromen kunnen plaatsvinden zonder dat voorafgaand de kwaliteit van de grond moet worden onderzocht. Voor de gemeenten en derden kunnen besparingen worden gerealiseerd in uitvoeringstijd en -kosten; meer toepassingslocaties beschikbaar komen om vrijkomende grond milieuvriendelijk te hergebruiken; het gebruik en de aankoop van primaire én secundaire bouwstoffen (bijvoorbeeld zand uit zandwinputten of grond van een grondbank) wordt verminderd; de druk op het wegennet, de uitstoot van uitlaatgassen en fijnstof en het gebruik van energie wordt verminderd (grond hoeft minder ver te worden getransporteerd, geen extra productie door grondverwerker). FinanciënHet grondstromenbeleid heeft voor de gemeenten geen nadelige financiële gevolgen. Met het beleid kunnen voor de gemeenten en derden besparingen worden gerealiseerd bij: onderzoekskosten voor de toe te passen grond en de ontvangende bodem en bij het toepassen van grond en baggerspecie; transport-, reinigings- en/of stortkosten van vrijkomende grond; aanschafkosten voor de toe te passen primaire grondstoffen (zand uit zandwinputten) en secundaire grondstoffen (bijvoorbeeld grond van een grondbank). CommunicatieDe mogelijkheden voor het toepassen van grond en baggerspecie, worden door de gemeenten digitaal gepresenteerd op de gemeentelijke websites en die van de Omgevingsdienst Achterhoek Hiermee wordt al vooruitgelopen op één van de doelstellingen van de Omgevingswet die naar verwachting in 2022 in werking treedt.De kaarten van deze nota bodembeheer zijn ook raadpleegbaar op de website van het Bodemloket: http://www.bodemloket.nl/kaart, een initiatief van gemeenten, provincies en het Rijk. 1Inleiding In de teksten zijn blauw gekleurde literatuurverwijzingen opgenomen. Deze zijn opgenomen bij de bronvermeldingen op de bladzijden 45 t/m 47 van deze nota bodembeheer. 1.1Algemeen De nota bodembeheer voor de regio Achterhoek is een gemeenschappelijke nota van de gemeenten Aalten, Berkelland, Bronckhorst, Doetinchem, Lochem, Montferland, Oost Gelre, Oude IJsselstreek, Winterswijk en Zutphen (hierna aangeduid als ‘de gemeenten’). In deze nota bodembeheer staat welke mogelijkheden er zijn voor het toepassen en hergebruiken van grond en baggerspecie. De nota bodembeheer geeft regels en richtlijnen voor iedereen die bij het voorbereiden van projecten of het uitvoeren van bodemwerken rekening moet houden met de kwaliteit van de bodem. Deze nota bodembeheer is bedoeld voor professionele partijen. Deze nota bodembeheer heeft 2 doelen: Het stellen van regels voor duurzaam en efficiënt hergebruik van vrijkomende grond in de regio. De Omgevingswet die naar verwachting in 2022 inwerking treedt, richt zich op het duurzaam en efficiënt beheren en gebruiken van de bodem en de ondergrond. Met deze nota bodembeheer wordt hierop ingespeeld. Door niet meer per gemeente naar de bodem te kijken, maar in de grotere regio, vinden grondstromen soepeler en dus efficiënter hun weg. Dit levert bijkomstige voordelen op: minder transport (winst voor milieu), bijdragen aan de circulaire economie en verbeteren van de omgevingskwaliteit. Verder zullen de administratieve en de financiële lasten voor burgers, bedrijfsleven en overheid verminderen. Het beleidsmatig verankeren van bodembeleid. Het beleidsmatig verankeren van het bodembeleid komt erop neer dat voor de activiteiten grondverzet en bodemsanering zo eenduidig mogelijk wordt beoordeeld. Dit maakt het beleid helder voor burgers en bedrijven in de regio en voor bedrijven die binnen de regio werkzaamheden in de bodem uitvoeren. Voordat werkzaamheden of maatregelen op of aan de bodem worden uitgevoerd, is een milieuhygiënische verklaring nodig. Een milieuhygiënische verklaring is een bewijsmiddel dat de kwaliteit van de grond aantoont. 1.2Formuleren duurzaam en efficiënt grondstromenbeleid Om deze doelen te realiseren hebben de gemeenten een nieuwe bodemfunctieklassenkaart[1], een nieuwe bodemkwaliteitskaart[1] en deze nota bodembeheer opgesteld. Met de nieuwe bodemfunctieklassenkaart, de nieuwe bodemkwaliteitskaart en deze nota bodembeheer worden de eerder bestuurlijk vastgestelde bodemkwaliteitskaarten en nota’s bodembeheer[2] vervangen. Bij allerlei graafwerkzaamheden en bewerkingen van de (water)bodem komt grond en baggerspecie vrij. De regelgeving voor het tijdelijk opslaan en het hergebruik of toepassen van grond en baggerspecie valt onder het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit[3] [4] (hierna aangeduid als 'het Besluit' en 'de Regeling'). Het grondstromenbeleid moet praktisch uitvoerbaar, milieuhygiënisch verantwoord en transparant zijn. Hiermee wordt vorm gegeven aan het milieuvriendelijk en verantwoord hergebruik, toepassing en tijdelijke opslag van grond en baggerspecie in de gemeenten. Er zijn vier motieven voor het duurzaam en verantwoord grondstromenbeleid: Een ‘standstill’ voor de bodemkwaliteit op het niveau van het bodembeheergebied (
Beperking van het gebruik en aankoop van primaire en secundaire grondstoffen (aanvoer en gebruik van zand uit zandwinputten of grond van een grondbank). Kostenbesparing (minder onderzoekskosten bij grondverzet en verwerkingskosten bij vrijkomende grond). Minder grondtransportbewegingen en energiebesparing (minder druk op het wegennet, minder uitstoot van fijnstof en CO2 en minder grondverwerking). Deze nota bodembeheer geeft aan hoe vrijgekomen grond en baggerspecie (hierna tezamen aangeduid als 'grond') op en in de landbodem van de gemeenten kan en mag worden opgeslagen (tijdelijk), hergebruikt of toegepast. De bodemfunctieklassen- en bodemkwaliteitskaart zijn de instrumenten bij de uitvoering van het duurzame en efficiënte grondstromenbeleid. Op de bodemfunctieklassenkaart zijn de functies ‘Wonen’ en ‘Industrie’ weergegeven. Ook is overig landgebruik zoals landbouw, natuur en oppervlaktewater op de kaart weergegeven. De bodemkwaliteitskaart geeft voor de gemeenten de te verwachten chemische bodemkwaliteit aan van voor bodemverontreiniging niet-verdachte locaties voor de bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 2 meter diepte. De gemeenten hebben binnen de mogelijkheden van het Besluit, gebiedsspecifiek beleid opgesteld. Bij het gebiedsspecifieke beleid is een afweging gemaakt tussen enerzijds de risico’s voor bodemverontreiniging en behoud van de bestaande bodemkwaliteit en anderzijds de mogelijkheden voor hergebruik of toepassing van grond binnen de gemeenten. De kaarten en de nota bodembeheer zijn niet afzonderlijk van elkaar te gebruiken. 1.3Beleidsmatige verankering van het bodembeleid Bij bodembeleidsonderdelen zoals het hergebruik van grond, bodemsanering en activiteiten zoals bouwen en ruimtelijke planvorming wordt, zoveel als mogelijk binnen de wet- en regelgeving gestreefd naar één uniform ambitieniveau en eenzelfde bodemkwaliteitsdoelstelling. Een dergelijk beleid is helder en eenduidig. In de voorgaande jaren hebben gemeenten al bodembeleid in uitvoering gehad dat ingaat op de voornoemde bodembeleidsonderdelen. Hierbij is zoveel als mogelijk binnen de wet- en regelgeving één uniform ambitieniveau en eenzelfde bodemkwaliteitsdoelstelling nagestreefd. Een dergelijk beleid is helder en eenduidig voor de burgers en bedrijven. De provincie Gelderland heeft met de Beleidsnota “De Gelderse wegwijzer door bodemland”[5] als Gelders bevoegde gezag Wet bodembescherming[6] (samen met de gemeenten Arnhem en Nijmegen) een praktische handleiding gegeven voor de uitvoering van bodemtaken en toetsingskader voor de uitvoering van onderzoek, sanering en nazorg binnen Gelderland. De Gelderse wegwijzer is een voortzetting van het in 2003 ingezette en in 2008 geactualiseerde beleid. De wegwijzer bevat tevens een aantal beleidsregels in het kader van de Algemene wet bestuursrecht[7] (Awb), artikel 4:81. Ten slotte is in deze nota bodembeheer aansluiting gezocht met andere beleidsterreinen: het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit en het Activiteitenbesluit[8]. Vanwege andere wet- en regelgeving kunnen bij grondverzet (ontgraven en toepassen van grond) nog aanvullende voorwaarden worden gesteld. In de volgende hoofdstukken en paragrafen wordt het beleid in deze nota bodembeheer, waar nodig, nader toegelicht. 1.4Afbakening nota bodembeheer 1.4.1Bevoegd gezag In de meeste situaties is bij het hergebruik/toepassen van grond op of in de landbodem, de activiteit bouwen en de activiteit ruimtelijke planvorming de gemeente voor haar eigen grondgebied het bevoegd gezag. Binnen inrichtingen die onder het Activiteitenbesluit vallen, is hiervoor de vergunningverlenende instantie het bevoegd gezag. Voor toepassingen op of in de waterbodem en in een oppervlaktewaterlichaam is de waterkwaliteitsbeheerder bevoegd gezag. Voor de rijkswateren is dat Rijkswaterstaat en voor de overige wateren zijn dat het Waterschap Vallei en Veluwe (De Hoven in Zutphen) en het Waterschap Rijn en IJssel (overig gebied in de regio Achterhoek). Voor de gemeenten wordt bij besluiten die het watersysteem raken, maar waar de gemeente het bevoegd gezag is, per situatie de bodemproblematiek afgestemd met het bevoegd gezag Waterwet[9], de waterbeheerder. Alleen op deze manier wordt bereikt dat de eisen die de gemeente stelt, aansluiten op de wensen/eisen die de waterbeheerder heeft ten aanzien van het watersysteem. 1.4.2Reikwijdte Deze nota bodembeheer, het bodembeleid, heeft betrekking op het toepassen en het tijdelijk opslaan van grond op of in de landbodem op het grondgebied van de gemeenten Aalten, Berkelland, Bronckhorst, Doetinchem, Lochem, Montferland, Oost Gelre, Oude IJsselstreek, Winterswijk en Zutphen (hoofdstuk 2). Beoordelingen op grond van het in deze nota geformuleerde bodembeleid vinden plaats bij nieuwe ontwikkelingen (dynamische situaties, zoals grondverzet, bouwen en/of bestemmingswijzigingen). Op locaties waar geen ontwikkelingen plaatsvinden (statische situaties) is het bodembeleid niet van toepassing. Toepassen en het tijdelijk opslaan van grond op of in de landbodemVoor alle toepassingen van grond geldt dat deze functioneel, nuttig, moeten zijn (
Als dat niet zo is, wordt de grond niet nuttig hergebruikt en wordt de grond als afvalstof gezien. Dit geldt óók voor schone grond. Een voorbeeld hiervan is het creëren van overhoogte op een geluidswal zonder dat dit vanwege geluidswering noodzakelijk is. Voor het ontgraven en tijdelijk opslaan van grond in het kader van gevallen van ernstige bodemverontreiniging geldt de Wet bodembescherming. Naar verwachting treedt de Omgevingswet in 2022 in werking en vervalt de Wet bodembescherming. Diverse onderwerpen uit de Wet bodembescherming komen in het Besluit activiteiten leefomgeving aan de orde. Ook moeten bepaalde onderwerpen worden opgenomen in het Omgevingsplan en/of de Omgevingsverordening. Het in deze nota geformuleerde grondstromenbeleid heeft geen betrekking op toepassingen van grond in een oppervlaktewaterlichaam tenzij het om een demping van een oppervlaktewaterlichaam gaat waardoor feitelijk een landbodem ontstaat. In die situatie worden nadere afspraken gemaakt tussen de betreffende gemeente en de waterkwaliteitsbeheerder. Grens landbodem-waterbodemDe definitie van de grens tussen landbodem en waterbodem is aangegeven in artikel 1 van de Waterwet: “Oppervlaktewaterlichaam: 'samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen, alsmede de bijbehorende waterbodem, oevers en voor zover uitdrukkelijk aangewezen krachtens deze wet, drogere oevergebieden, alsmede flora en fauna'.” Ter plaatse van de waterbodems is de waterkwaliteitsbeheerder het bevoegd gezag. Voor de rijkswateren is dat Rijkswaterstaat en voor de overige wateren zijn dat het Waterschap Vallei en Veluwe (De Hoven in Zutphen) en het Waterschap Rijn en IJssel (overig gebied in de regio Achterhoek). Bij de rijkswateren vallen de zogenoemde ‘drogere oevergebieden’, zoals gedefinieerd in de Waterregeling[10], onder het bevoegd gezag van de betreffende gemeente. De ligging van het beheergebied van Rijkswaterstaat en de drogere oevergebieden zijn inzichtelijk gemaakt op de website van Rijkswaterstaat: https://www.helpdeskwater.nl/onderwerpen/wetgeving-beleid/waterwet/kaarten/kaart-waterregeling/ of https://geoservices.rijkswaterstaat.nl/portaal/. Ter plaatse van de overige wateren in het beheergebied zijn de ‘Keur’ van het Waterschap Vallei en Veluwe (De Hoven in Zutphen) en het Waterschap Rijn en IJssel (overig gebied in de regio Achterhoek) van toepassing. De gebieden die onder ‘de Keur’ vallen zijn inzichtelijk gemaakt op de ‘Legger’. De legger is op de volgende websites inzichtelijk gemaakt: Waterschap Vallei en Veluwe (De Hoven in Zutphen): https://www.vallei-veluwe.nl/actueel/actuele-thema/legger-watersysteem/. Waterschap Rijn en IJssel (overig gebied in de regio Achterhoek): https://www.wrij.nl/thema/kennis-informatie/legger/. In de praktijk is de binnendijkse begrenzing tussen water- en landbodem niet altijd even duidelijk. Afgesproken is om voor de begrenzing de volgende richtlijnen aan te houden: Het snijpunt van het hellend vlak van het talud en het horizontale vlak van de omliggende landbodem. (Bij waterkeringen): het snijpunt van het buitentalud van de waterkering met de kruin van de waterkering. (Bij kade of keermuur): de bovenkant van de kademuur of keermuur met de watergang. Voor situaties waar de overgang onduidelijk is, zal overleg plaatsvinden tussen het waterschap en de gemeente. Retentievoorzieningen maken onderdeel uit van het watersysteem. Noodoverlopen en inundatiegebieden zijn echter gericht op landgebruik en vallen dus onder het bevoegd gezag van de gemeente. Gebruik bodemkwaliteitskaart bij bodemsaneringenEen bodemsanering moet worden uitgevoerd als er sprake is van een spoedeisend geval van ernstige bodemverontreiniging of, als de bodemkwaliteit op de locatie niet voldoet aan de bodemkwaliteit die hoort bij de toegekende functie. Nadat de Omgevingswet inwerking is getreden, wordt de bodem alleen gesaneerd als de bodemkwaliteit op de locatie niet voldoet aan de bodemkwaliteit die hoort bij de toegekende functie, tenzij sprake is van het overgangsrecht voor de Wet bodembescherming binnen de Omgevingswet (beschikking ernst én spoed, ingediend (deel)saneringsplan, ingediende BUS-melding). In sommige situaties zijn er raakvlakken tussen saneren en het toepassen of hergebruiken van grond. Dit geldt voor de terugsaneerwaarden en de kwaliteitseisen van de grond voor het aanvullend van de saneringsput of het aanbrengen van een ophooglaag/leeflaag in het kader van de sanering. Hier kunnen de Lokale Maximale Waarden of de bodemfunctieklassenkaart een rol spelen. Het gebruik van de bodemkwaliteitskaart bij bodemverontreinigende activiteiten en bij omgevingsvergunningsaanvragenEén van de doelen van de Omgevingswet is dat de bodemkwaliteitskaart voor meer doelen dan het toepassen/hergebruik van grond wordt ingezet. De gemeenten willen de bodemkwaliteitskaart onder voorwaarden gaan gebruiken bij de interpretatie van eindsituatie- onderzoeken bij bodemverontreinigende activiteiten als geen nulsituatie-onderzoek is uitgevoerd (
1.5Geldigheid Deze nota bodembeheer wordt door de gemeenten Aalten, Berkelland, Bronckhorst, Doetinchem, Lochem, Montferland, Oost Gelre, Oude IJsselstreek, Winterswijk en Zutphen vastgesteld voor een periode van maximaal 10 jaar. Voor een bodemfunctieklassenkaart geldt geen wettelijke houdbaarheidstermijn. De bodemkwaliteitskaart worden maximaal 5 jaar na de bestuurlijke vaststelling van deze nota geëvalueerd (
artikel 4.3.5 van de Regeling). Een bodemkwaliteitskaart moet elke 5 jaar opnieuw worden vastgesteld, ongeacht of er aanpassingen zijn. Met de bodemkwaliteitskaart wordt ook de bodemfunctieklassenkaart geëvalueerd. Als de bodemfunctieklassenkaart moet worden aangepast, moet deze ook weer opnieuw bestuurlijk worden vastgesteld. Op basis van de evaluatie van de bodemfunctieklassenkaart en de bodemkwaliteitskaart wordt vastgesteld of aanpassing van deze nota noodzakelijk is of dat de nota in de huidige vorm nog een volgende 5 jaar kan worden gebruikt. Alleen als het gebiedsspecifieke beleid (artikel 44 van het Besluit) moet worden aangepast, moet ook de nota opnieuw door de gemeenteraad bestuurlijk worden vastgesteld. 1.6Verantwoordelijkheid De verantwoordelijkheid voor naleving van de regels bij het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond ligt in eerste instantie bij de initiatiefnemer. Maar ook een ieder die op een bepaald moment in enig opzicht macht uitoefent over (een deel van) de toepassing kan worden aangesproken; bijvoorbeeld een perceeleigenaar, erfpachter, huurder of bruiklener. De initiatiefnemer voor de grondtoepassing, of een hiertoe gemachtigd persoon (ontdoener van de grond of tussenpersoon zoals een aannemer of adviesbureau), is dan ook verplicht om het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond te melden. De verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer voor het ontgraven, het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond en daarna een ieder die macht uitoefent op de toepassingslocatie ligt verankerd in de wettelijke zorgplicht: Algemene zorgplicht in het kader van de Wet milieubeheer[11] (artikel 1.1.a): achterwege laten van handelingen, die nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaken. Zorgplicht uit de Wet bodembescherming (artikel 13): een ieder die handelingen verricht die kunnen leiden tot bodemverontreiniging, is verplicht preventieve en zo nodig herstellende maatregelen te treffen. Zorgplicht voor handelingen inzake afvalstoffen. Met afvalstoffen wordt gedoeld op bijlage 1 van EU-richtlijn afvalstoffen van
de kaartbijlage N2). Hierbij is rekening gehouden dat de bovenste halve meter van de bodem doorgaans meer belast is met verontreinigende stoffen dan de onderliggende bodemlagen. De bodemkwaliteitskaart is opgesteld volgens de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten[12]. De bodemkwaliteitskaart is voor de bodemlaag tot en met 2 meter diepte vastgesteld voor de stoffen arseen, barium1Zie ook bijlage 1 met de Begrippen onder het kopje ‘Barium’., cadmium, kobalt, koper, kwik, molybdeen, lood, nikkel, zink, minerale olie en de stofgroepen polychloorbifenylen2Zie ook bijlage 1 met de Begrippen onder het kopje ‘PCB’. (PCB) en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK). Voor de bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 1,0 meter diepte is de bodemkwaliteitskaart ook voor PFAS-verbindingen3Poly- en perfluoralkylverbindingen, PFAS, zijn stoffen die sinds de jaren ’70 grootschalig zijn toegepast in blusschuim of om producten water- en/of vetafstotend te maken. Het betreft 30 PFAS-verbindingen die zijn opgenomen in de advieslijst van Bodem+ d.d. 12 juli 2019:https://www.bodemplus.nl/publish/pages/164708/1907012-pfas_-_advieslijst_tbv_tijdelijk_handelingskader_v4.pdf. opgesteld. De bodemlaag dieper dan 1 meter beneden het maaiveld is niet verdacht voor verhoogde gehalten aan PFAS-verbindingen. Voor de tussenlaag (0,5-1,0 m-
de bijlage 3A en 3B (kolom ‘80P’). De kleuren in tabel 2.1 komen overeen met de gebruikte kleuren op de bodemfunctieklassen, ontgravings- en toepassingskaart (respectievelijk de kaartbijlagen N1, N3 en N4). Door het opstellen van gebiedsspecifiek beleid kan er meer licht verontreinigde grond nuttig worden hergebruikt. Dit gebiedsspecifieke beleid is in § 2.5 beschreven. Tabel 2.1 Toepassingseisen (generiek kader van het besluit) per combinatie voorkomende bodemfunctie en verwachte ontgravingsklasse voor de onderscheiden bodemkwaliteitszonesBodemkwaliteitszone Voor komende bodemfunctie(
2.2Maatschappelijke opgave De gemeenten verwachten de komende 5 tot 10 jaar dat continu grond (tijdelijk) wordt ontgraven, opgeslagen en toegepast. Een voorbeeld hiervan is het regulier onderhoud aan weg(berm)en, rioleringen, kabels, leidingen, groenvoorzieningen en (vervangende) nieuwbouwprojecten. Uit de bodemkwaliteitskaart van de gemeenten blijkt dat het nuttig hergebruik van licht verontreinigde grond uit de gemeenten van de regio Achterhoek beperkt is (
Hierdoor kan veel ontgraven grond niet worden hergebruikt en moet vervolgens worden afgevoerd naar een erkende verwerker. Ook moet dan grond van elders worden aangekocht en aangevoerd die wel voldoet aan de toepassingseisen; bijvoorbeeld zand uit zandwinputten of grond van een grondbank. De gemeenten willen invulling geven aan een duurzamer en kosten effectiever grondstromenbeleid. Grond vrijkomend uit het ene project willen de gemeenten kunnen hergebruiken in het andere project. Werk met werk maken. Er zijn dan minder onderzoekskosten bij grondverzet en verwerkingskosten bij vrijkomende grond nodig. Er hoeft minder grond te worden aangekocht en ook de transportafstanden worden gereduceerd. De druk op het wegennet en de uitstoot van schadelijke stoffen, zoals fijnstof en CO2 en het gebruik van energie nemen af. Het gebiedsspecifieke en regionale grondstromenbeleid bij de toepassingen van grond is nuttig en milieuhygiënisch verantwoord en brengt bij het huidige en het beoogde bodemgebruik geen onacceptabele risico’s met zich mee. Het gebiedsspecifieke en regionale grondstromenbeleid is in de volgende paragrafen onderbouwd en beschreven. 2.3Kwaliteitsdoelstelling en beslisdiagram bij hergebruik van grond Bij het nuttig toepassen van grond hanteren de gemeenten het ‘standstill’ principe op het niveau van het bodembeheergebied (
Het ‘standstill’ principe betekent dat de bodemkwaliteit binnen het bodembeheergebied gelijk moet blijven en op termijn verbetert. Op het niveau van bodembeheergebied is een vermindering van de kwaliteit alleen toelaatbaar: met grond uit de gemeenten van de regio Achterhoek, vrijgekomen bij grondverzet binnen het vastgestelde bodembeheergebied (
.4); als de vastgestelde Lokale Maximale Waarden (
.5) niet worden overschreden; als elders in het bodembeheergebied een verbetering van de bodemkwaliteit wordt gerealiseerd. De Lokale Maximale Waarden voldoen aan de landelijke definitie voor ‘duurzaam geschikt voor het beoogde gebruik’. Er treden met de plaatselijke vermindering van de kwaliteit geen risico’s op voor het (toekomstig) bodemgebruik. Op gebiedsniveau wordt als volgt invulling gegeven aan het ‘standstill’ principe: Daar waar de grond wordt ontgraven treedt een lokale verbetering op van de bodemkwaliteit. In gebieden waar een strengere toepassingseis geldt dan de kwaliteit van de ontvangende bodem, wordt een verbetering gerealiseerd. Voor grond van buiten het bodembeheergebied (
.4) gelden andere voorwaarden (
Naast het gebiedsspecifieke grondstromenbeleid is in dit hoofdstuk ook algemeen beleid voor het hergebruik en toepassen van grond en het gebruik van de bodemkwaliteitskaart uitgewerkt. Hieronder is een beslisdiagram voor het toepassen van grond opgenomen. 2.4Uitbreiding van het bodembeheergebied en acceptatie bodemkwaliteitskaarten bij toepassen van grond Het generieke kader van het Besluit gaat uit van het ‘eigen’ gemeentelijke grondgebied als bodembeheergebied voor het te voeren beleid bij het toepassen en het tijdelijk opslaan van grond. Om grondverzet tussen gemeenten mogelijk te maken en de bodemkwaliteitskaart van andere gemeenten te gebruiken als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de toe te passen grond, moet het (generieke) gemeentelijke bodembeheergebied worden uitgebreid. Deze uitbreiding valt volgens het Besluit in het gebiedsspecifieke kader. Met deze nota bodembeheer accepteren de gemeenten Aalten, Berkelland, Bronckhorst, Doetinchem, Lochem, Montferland, Oost Gelre, Oude IJsselstreek, Winterswijk en Zutphen elkaars bodemkwaliteitskaart. Het bodembeheergebied wordt hiermee vastgesteld als zijnde de grondgebieden van de gemeenten Aalten, Berkelland, Bronckhorst, Doetinchem, Lochem, Montferland, Oost Gelre, Oude IJsselstreek, Winterswijk en Zutphen. De bodemkwaliteitskaarten van deze gemeenten mogen gebruikt worden als bewijsmiddel van de chemische kwaliteit van de toe te passen, te hergebruiken grond. De volgende bodemkwaliteitskaarten worden door de gemeenten geaccepteerd als bewijsmiddel bij het toepassen van schone grond: Bodemkwaliteitskaart regio Twente[14]. Bodemkwaliteitskaart regio Arnhem[15]. Bodemkwaliteitskaart gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst[16]. 2.5Vaststellen Lokale Maximale Waarden 2.5.1Inleiding De mogelijkheden voor hergebruik van grond uit de gemeenten van de regio Achterhoek (
.4) met de ontgravingskwaliteitsklassen ‘Industrie’ en ‘Wonen’ worden vergroot door gebiedsspecifiek beleid op te stellen. Het Besluit bodemkwaliteit staat toe dat in relatief schone gebieden, gebiedseigen grond mag worden toegepast met bijvoorbeeld de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ of ‘Wonen’. Voor deze gebieden worden zogenaamde Lokale Maximale Waarden vastgesteld. Met het gebiedsspecifieke beleid wordt voorkomen dat de gemeenten en derden onnodig hoge kosten moeten maken voor de afvoer van grond met de kwaliteitsklassen ‘Industrie’ en ‘Wonen’. Het generieke kader van het Besluit staat deze verslechtering niet toe. Alleen met gebiedsspecifiek beleid mag lokale verslechtering plaatsvinden. In de hierna volgende paragrafen worden de verschillende Lokale Maximale Waarden gedefinieerd. Ten slotte zijn strengere Lokale Maximale Waarden vastgesteld voor het toepassen van grond op terreinen met een gevoelig bodemgebruik. De in de hierna volgende paragrafen vastgestelde Lokale Maximale Waarden gelden niet voor grond van buiten het bodembeheergebied én van gebieden waarvan de bodemkwaliteitskaart niet is geaccepteerd als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de toe te passen grond (
ook § 2.4 en § 2.9). Uitzondering hierop vormen de Lokale Maximale Waarden die strenger zijn vastgesteld dan het generieke beleid van het Besluit: Toepassen van grond in het noordelijk industrieterrein De Mars (§ 2.5.7). Toepassen grond op onverharde kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuin(complex)en (§ 2.5.9). 2.5.2Lokale Maximale Waarden kwaliteitsklasse Industrie én toepassen grond ter plaatse van én hergebruik grond uit geasfalteerde gemeentelijke wegen in het buitengebied incl. bermen (bodemlaag 0-2 m-
de kaartbijlagen N5): Gemeente AaltenBedrijventerrein Station Zuid in Aalten. Voormalige vuilstort Ringweg/Koningsweg in Aalten. Voormalige vuilstort Brüggenhütte in Dinxperlo (ten oosten van de RWZI aan de Anholtseweg). Gemeente ZutphenNoordwestelijk deel bedrijventerrein De Mars (voormalige stortplaats Fort de Pol) in Zutphen. Gemeente WinterswijkVèèneslat Zuid in Winterwijk. Alle gemeentenTer plaatse van (nieuw aan te leggen) gebieden met extensief bodemgebruik (bijvoorbeeld - toekomstige- industrie- en bedrijfsterreinen, of onder verharde wegen. De voorwaarden om gebruik te maken van deze Lokale Maximale Waarde in de gemeente zijn: Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de toepassingslocatie is gelegen, neemt hierover een formeel besluit. De betreffende toepassingslocatie wordt met voldoende detailniveau op kaart aangegeven en voor de toekomstige actualisatie van de bodemkwaliteitskaart doorgegeven aan de Omgevingsdienst Achterhoek. De beslissing wordt vastgelegd in het gemeentelijke bodeminformatiesysteem. NB. Ter plaatse van bedrijfswoningen in de aangegeven gebieden mag alleen grond worden toegepast die voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Wonen’. De kwaliteitsklasse ‘Industrie’ is gelijk aan de generieke Maximale Waarde van het bodemgebruik in deze gebieden (Industrie). Tezamen met de toepassingseis ter plaatse van bedrijfswoningen treden er hierdoor bij het huidige bodemgebruik geen risico's op. De Lokale Maximale Waarde voor de volgende aangewezen gebieden is voor de bodemlaag 0-2 m-mv vastgesteld op de kwaliteitsklasse ‘Industrie’: Gemeente Aalten Bedrijventerrein Station Zuid in Aalten. Voormalige vuilstort Ringweg/Koningsweg in Aalten. Voormalige vuilstort Brüggenhütte in Dinxperlo (ten oosten van de RWZI aan de Anhotseweg). Gemeente Zutphen Noordwestelijk deel bedrijventerrein De Mars (voormalige stortplaats Fort de Pol) in Zutphen. Gemeente Winterswijk Vèèneslat Zuid in Winterwijk. Alle gemeenten Ter plaatse van (nieuw aan te leggen) gebieden met extensief bodemgebruik (bijvoorbeeld -toekomstige- industrie- en bedrijfsterreinen, of onder verharde wegen. De voorwaarden om gebruik te maken van deze Lokale Maximale Waarde in de gemeente zijn: Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de toepassingslocatie is gelegen, neemt hierover een formeel besluit. De betreffende toepassingslocatie wordt met voldoende detailniveau op kaart aangegeven en voor de toekomstige actualisatie van de bodemkwaliteitskaart doorgegeven aan de Omgevingsdienst Achterhoek. NB. Ter plaatse van bedrijfswoningen in de aangegeven gebieden mag alleen grond worden toegepast die voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Wonen’. 2.5.4Lokale Maximale Waarden kwaliteitsklasse Wonen (gemeente Aalten; bodemlaag 0-2 m-mv) Om de nu relatief beperkte hergebruiksmogelijkheden van grond met de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ te vergroten, staat de gemeente Aalten toe dat in aangewezen gebieden met de bodemfunctie ‘Wonen’ of ‘Industrie’, grond die voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ mag worden toegepast (
de kaartbijlagen N5): Gemeente AaltenLocatie Kraaienboom ten zuiden van de Ringweg in het noordoosten van Aalten. Plan Bekendijk aan de Roelvinkstraat in Bredevoort. Locatie voormalig Slachthuis Dinex / gemeentewerf aan de Beggelderdijk in Dinxperlo. De kwaliteitsklasse ‘Wonen’ is gelijk aan de generieke Maximale Waarde van het bodemgebruik in deze gebieden (Wonen of Industrie). Hierdoor treden er bij het huidige bodemgebruik geen risico's op. De Lokale Maximale Waarde kwaliteitsklasse ‘Wonen’ is voor de bodemlaag 0-2 m-mv vastgesteld voor de volgende gebieden met de bodemfunctie ‘Wonen’ of ‘Industrie’: Gemeente Aalten Locatie Kraaienboom ten zuiden van de Ringweg in het noordoosten van Aalten. Plan Bekendijk aan de Roelvinkstraat in Bredevoort. Locatie voormalig Slachthuis Dinex / gemeentewerf aan de Beggelderdijk in Dinxperlo. 2.5.5Lokale Maximale Waarden hergebruik van nature arseenhoudende grond (bodemlaag 0-2 m-
de website www.topotijdreis.nl) is vastgesteld dat in de bovengrond licht verhoogde gehalten van bestrijdingsmiddelen voor komen. Deze verhoogde gehalten zorgen ervoor dat de grond in de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ valt. Dit heeft te maken dat bij een aantal individuele bestrijdingsmiddelen de maximale waarde voor de functie Wonen gelijk is gesteld aan de Achtergrondwaarde (AW2000, Landbouw/natuur). Voor het duurzame bodemgebruik in deze bodemkwaliteitszone zijn de risico's van mens en milieu van belang. Uit een risicobeoordeling van een vergelijkbare situatie in de regio Zuidoost- Utrecht8Nota bodembeheer, grondstromenbeleid regio Zuidoost-Utrecht, Milieudienst Zuidoost-Utrecht, oktober 2011. is gebleken dat de toetsingsnorm voor eventuele risico's voor mens en milieu bij bestrijdingsmiddelen de interventiewaarden zijn. Zo lang in de grond de gehalten van bestrijdingsmiddelen de interventiewaarden niet overschrijden, en de eventuele voedselprodukten voldoen aan de Warenwet, zijn er geen risico's. Op de ‘gebieden met diffuus verhoogde gehalten bestrijdingsmiddelen’ zijn de maximaal gemeten waarden van bestrijdingsmiddelen ruim onder de interventiewaarden vastgesteld (factor 2 tot 2.297). De maximale waarden voor Industrie van bestrijdingsmiddelen liggen een factor 1 tot 40 lager dan de interventiewaarden. De gemeenten willen de nu beperkte toepassingsmogelijkheden van grond met de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ (alleen als gevolg van bestrijdingsmiddelen) uit de bodemkwaliteitszone ‘Gebieden met diffuus verhoogde gehalten bestrijdingsmiddelen’ vergroten. Vanwege het ontbreken van risico’s voor mens en milieu staan de gemeenten toe dat in de bodemkwaliteitszone ‘Gebieden met diffuus verhoogde gehalten bestrijdingsmiddelen’ grond met de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ (alleen als gevolg van bestrijdingsmiddelen) mag worden toegepast. Uitwerking gebiedsspecifiek beleid: toepassen grond uit de bodemkwaliteitszone ‘Gebieden met diffuus verhoogde gehalten bestrijdingsmiddelen’ in de bodemkwaliteitszone ‘Gebieden met diffuus verhoogde gehalten bestrijdingsmiddelen’De uitwerking van het gebiedsspecifiek beleid in de bodemkwaliteitszone ‘Gebieden met diffuus verhoogde gehalten bestrijdingsmiddelen’ is als volgt: Als het voornemen bestaat om vrijkomende grond uit de bovengrond van de bodemkwaliteitszone ‘Gebieden met diffuus verhoogde gehalten bestrijdingsmiddelen’ weer in de bodemkwaliteitszone ‘Gebieden met diffuus verhoogde gehalten bestrijdingsmiddelen’ te hergebruiken, moet voorafgaand aan het ontgraven altijd een indicatief onderzoek worden uitgevoerd volgens een passende strategie uit de NEN 5740[17]. Afhankelijk van de onderzoeksresultaten mag de grond als volgt worden toegepast: Kwaliteitsklasse Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde-AW2000): de grond mag overal worden toegepast. Kwaliteitsklasse Wonen: de grond mag worden toegepast in gebieden waar de toepassingseis de kwaliteitsklasse Wonen is (
de kaartbijlagen N5). Kwaliteitsklasse Industrie: de grond mag worden toegepast in gebieden waar de toepassingseis de kwaliteitsklasse Industrie is (
de kaartbijlagen N5). de grond mag worden toegepast in de bodemkwaliteitszone ‘Gebieden met diffuus verhoogde gehalten bestrijdingsmiddelen’ met de bodemfunctie ‘Landbouw/natuur’ of ‘Industrie’ als alle stoffen voldoen aan de kwaliteitsklasse Landbouw/natuur met uitzondering van organochloorbestrijdingsmiddelen, die mogen voldoen aan de kwaliteitsklasse ‘Industrie’. Kwaliteitsklasse Niet toepasbaar: de grond moet worden afgevoerd naar een erkende verwerker. De initiatiefnemer van het grondverzet moet met een historisch onderzoek aantonen dat de ontgravings- én toepassingslocatie onderdeel uitmaken van de bodemkwaliteitszone ‘Gebieden met diffuus verhoogde gehalten bestrijdingsmiddelen’. De Lokale Maximale Waarde in de bodemkwaliteitszone ‘Gebieden met diffuus verhoogde gehalten bestrijdingsmiddelen’ is voor de bodemlaag 0-2 m-mv vastgesteld op de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ (alleen als gevolg van bestrijdingsmiddelen). Vrijkomende grond uit de bodemkwaliteitszone ‘Gebieden met diffuus verhoogde gehalten bestrijdingsmiddelen’ moet altijd indicatief worden onderzocht volgens een passende strategie uit de NEN 5740. Afhankelijk van de onderzoeksresultaten mag de grond in de bodemkwaliteitszone ‘Gebieden met diffuus verhoogde gehalten bestrijdingsmiddelen’ worden toegepast. De initiatiefnemer van het grondverzet moet met een historisch onderzoek aantonen dat de ontgravings- én toepassingslocatie onderdeel uitmaken van de bodemkwaliteitszone ‘Gebieden met diffuus verhoogde gehalten bestrijdingsmiddelen’. 2.5.9Lokale Maximale Waarden toepassen grond op onverharde kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuin(complex)en (bodemlaag 0-2 m-mv) In sommige gebieden is het toegestaan om grond met de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ toe te passen. De gemeenten stellen daarentegen bij onverharde kinderspeelplaatsen9Hieronder wordt verstaan: openbare kinderspeelplaatsen, speelplaatsen bij scholen, speelplaatsen bij (particuliere) kinderopvanginstellingen., en moes-/volkstuin(complex)en strengere eisen als daar grond wordt toegepast. Dit om bij het (toekomstig) bodemgebruik eventuele risico’s uit te sluiten. Binnen de gemeenten moet de grond die wordt toegepast op bestaande onverharde kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuin(complex)en, bijvoorbeeld bij herinrichting of renovatiewerkzaamheden, voldoen aan de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde – AW2000)’. De nieuw aan te leggen onverharde kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuin(complex)en moeten worden voorzien van een minimaal 1,0 meter dikke deklaag waarvan de kwaliteit voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde – AW2000)’. De kwaliteit van de toe te passen grond die voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde – AW2000)’ moet worden aangetoond met een partijkeuring. Ook gelden nog eisen ten aanzien van bijmenging van bodemvreemd materiaal en asbest (
De Lokale Maximale Waarde voor kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuin(complex)en, bijvoorbeeld bij herinrichting of renovatiewerkzaamheden, is voor de bodemlaag 0-2 m-mv vastgesteld op de kwaliteitsklasse ‘Achtergrondwaarde – AW2000’. De nieuw aan te leggen kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuin(complex)en moeten zijn voorzien van een minimaal 1,0 meter dikke deklaag waarvan de kwaliteit voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Achtergrondwaarde – AW2000’’. Ook gelden nog eisen ten aanzien van bijmenging van bodemvreemd materiaal en asbest (
2.5.10Lokale Maximale Waarden betere bovenafdichting oude stortplaatsen (uitgezonderd stortplaatsen met gevoelig bodemgebruik) Op de grondgebieden van de gemeenten bevinden zich een aantal voormalige stortplaatsen. De bovenafdichting van een deel van deze stortplaatsen is of wordt in de toekomst mogelijk onvoldoende. Het toepassen van grond “als bovenafdichting voor een stortplaats met het oog op het voorkomen van nadelige gevolgen voor mens, plant of dier als gevolg van contact met het onderliggende materiaal” wordt binnen het Besluit als een nuttige toepassing gezien (artikel 35 onderdeel d). De toe te passen grond moet voldoen aan het (toekomstige) bodemgebruik. De gemeenten willen de mogelijkheden voor het nuttig toepassen van vrijgekomen grond met de kwaliteitsklassen ‘Wonen’ en ‘Industrie’ vergroten door deze toe te passen op stortplaatsen waar de bovenafdichting onvoldoende is. Omdat de stortplaatsen in het buitengebied en in woongebieden zijn gelegen, voldoet de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ of ‘Industrie’ niet altijd aan de toepassingseis ter plaatse (in de regel ‘Wonen’ of ‘Achtergrondwaarden - AW2000’). Daarom stellen de gemeenten voor het toepassen van grond voor een betere bovenafdichting van oude stortplaatsen (uitgezonderd stortplaatsen waarop gevoelig bodemgebruik10Hieronder wordt verstaan: wonen met tuin, onverharde recreatiegebieden en kinderspeelplaatsen (zoals bijvoorbeeld openbare kinderspeelplaatsen, speelplaatsen bij scholen, speelplaatsen bij -particuliere- kinderopvanginstellingen), intensief gebruikt openbaar groen (zoals bijvoorbeeld parken en plantsoenen, moes- en volkstuincomplexen. plaatsvindt) onder de volgende voorwaarden Lokale Maximale Waarden vast: Alleen voor oude stortplaatsen waarvan de bovenafdichting onvoldoende is, mag grond met maximaal de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ of ‘Industrie’ worden gebruikt ter verbetering (het voldoende op dikte brengen) van de bovenafdichting. Grond met de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ of ‘Industrie’ mag worden gebruikt alleen in combinatie met het aanbrengen van een minimaal 0,5 meter dikke afdeklaag. De kwaliteit van de afdeklaag moet voldoen aan de gemeentelijke toepassingseis voor hergebruik van grond van het gebied waarin de stortplaats ligt. De Lokale Maximale Waarde voor een betere bovenafdichting van oude stortplaatsen is vastgesteld op de kwaliteitsklasse ‘Industrie’. Onder voorwaarde dat daarboven een minimaal 0,5 meter dikke afdeklaag wordt aangebracht. De kwaliteit van de afdeklaag moet voldoen aan de gemeentelijke toepassingseis van het gebied waarin de stortplaats ligt. 2.5.11Toepassen van PFAS-houdende grond bij de toepassingseis kwaliteitsklasse ‘Wonen’ of ‘Industrie’ Definiëren toepassingswaarden PFAS-verbindingen in de grondUit onderzoeken is gebleken dat in de bodem van de gemeenten over het algemeen zeer licht verhoogde gehalten aan PFAS-verbindingen voorkomen. Om deze reden stellen de gemeenten de regel dat in de toe te passen grond geen gehalten aan PFAS-verbindingen hoger dan de landelijke achtergrondwaarden mag bevatten is, voor gebieden met de toepassingseis kwaliteitsklasse ‘Wonen’ op basis van andere stoffen. Voor de gebieden waar de toepassingseis kwaliteitsklasse ‘Industrie’ geldt, op basis van de andere stoffen, zijn de PFAS- toepassingsnormen van toepassing uit het tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS- houdende grond en baggerspecie[18]. In het tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS- houdende grond en baggerspecie zijn ook de landelijke achtergrondwaarden zijn momenteel opgenomen. De landelijke achtergrondwaarden voor PFAS-verbindingen worden naar verwachting in 2021 in de Regeling bodemkwaliteit opgenomen. De Regeling bodemkwaliteit blijft na inwerkingtreding van de Omgevingswet van kracht. Voor het toepassen van PFAS-houdende grond in waterwin- en grondwaterbeschermings- gebieden volgen de gemeenten de eisen die volgen uit de provinciale milieuverordening[19]. De toepassingswaarden voor het toepassen van PFAS-houdende grond is, voor gebieden met de toepassingseis kwaliteitsklasse ‘Wonen’ op basis van andere stoffen, vastgesteld op de landelijke achtergrondwaarden. Voor de gebieden waar de toepassingseis kwaliteitsklasse ‘Industrie’ geldt, op basis van de andere stoffen, zijn de PFAS-toepassingsnormen van toepassing uit het tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie. Toekomstige bijstelling van de voorlopige landelijke achtergrondwaarden en (toepassings)waarden voor PFAS-houdende grondTot en met 2020 wordt er nog veel onderzoek gedaan naar PFAS-verbindingen (bijvoorbeeld naar mobiliteit, uitloging, bioaccumulatie en gedrag in grondwater) en worden er landelijk veel meetgegevens door het RIVM verzameld. Op basis van deze onderzoeken en meetgegevens worden interventiewaarden gedefinieerd en worden mogelijk de voorlopige landelijke achtergrondwaarden en toepassingswaarden voor PFAS-verbindingen aangepast. Als interventiewaarden worden gedefinieerd, volgen de gemeenten de landelijke normen. Als de voorlopige landelijke achtergrondwaarden en/of toepassingswaarden voor PFAS- houdende grond worden gewijzigd, evalueren de gemeenten deze met de in deze nota bodembeheer gedefinieerde Lokale Maximale Waarden en regionale toepassingswaarden voor hergebruik van PFAS-houdende grond. Indien van toepassing worden de regionale toepassingswaarden gewijzigd en bestuurlijk vastgesteld. 2.6Toepassen grond met bodemvreemd materiaal (steenachtige materialen, onbewerkt hout, plastic, piepschuim etc.) Het Besluit stelt dat een partij grond maximaal 20 gewichtsprocent bodemvreemd materiaal mag bevatten. In de bodem van de gemeenten wordt lang niet altijd 20 gewichtsprocent bodemvreemde materiaal aangetroffen. Ook gaat de omschrijving ‘gewichtspercentage’ niet op voor lichte bodemvreemde materialen zoals plastic of piepschuim. Daarom hanteren de gemeenten het volgende beleid voor bijmenging van bodemvreemd materiaal: Bij het aanleveren van historische gegevens voorafgaand aan het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond moet aandacht besteed worden aan het voor komen van bodemvreemd materiaal (onbewerkt hout en steenachtige materialen zoals puin, bakstenen, cement, beton) in de grond. Tijdens de grondwerkzaamheden moet een visuele controle plaatsvinden of de grond mogelijk verontreinigd is met bodemvreemde bijmengingen. De gemeenten stellen een maximale bijmenging van bodemvreemd materiaal vast van maximaal 10 gewichtsprocent voor onbewerkt hout en steenachtige materialen bijvoorbeeld puin, bakstenen, cement, beton. Om het milieu minder met andere bodemvreemde materialen zoals plastics en piepschuim te belasten mag de toe te passen grond slechts een ‘sporadische’ (maximaal 0,1 volumeprocent) bijmenging aan andere bodemvreemde materialen bevatten. Hierbij wordt aangesloten op de Regeling. Bij twijfel of grenssituaties beslist de betreffende gemeente of de Omgevingsdienst Achterhoek (Toezicht en handhaving voor de gemeenten). Als er geen sprake is van sterk verontreinigde grond, is het toegestaan om door civiel- technisch zeven het percentage bodemvreemd materiaal terug te brengen naar de toegestane percentages. Het civiel-technisch zeven wordt niet als een tussentijdse bewerking beschouwd (
de Nota van Toelichting Besluit bodemkwaliteit artikel 36, derde lid). Het uitgezeefde bodemvreemd materiaal moet worden getransporteerd naar een erkende verwerker. Is het bodemvreemd materiaal niet uit te zeven, bijvoorbeeld bij kolengruis, dan moet een alternatieve toepassingslocatie voor de grond worden gezocht. Als tijdens de grondwerkzaamheden asbestverdacht materiaal (asbest(golf)plaat, bouw- en sloopafval, gemengd puin, betonpuin en metselpuin) wordt waargenomen, moeten de werkzaamheden direct gestaakt worden (Arbeidsomstandighedenwet en -besluit)[20], moet het spoor van de Wet bodembescherming worden gevolgd en een verkennend asbestonderzoek worden uitgevoerd. Ook moet contact worden opgenomen met de Omgevingsdienst Achterhoek. Dit geldt ook voor overige bijmengingen en afwijkingen zoals kleur en geur die redelijkerwijs op een bodemverontreiniging kunnen wijzen met bijvoorbeeld minerale olie of met vluchtige stoffen. Als in de toe te passen grond meer dan het toegestane percentage bodemvreemd materiaal aan bijmenging wordt vastgesteld, of er wordt asbest of een andere niet verwachte mogelijke bodemverontreiniging aangetroffen, dan moet dit direct worden gemeld aan de Omgevingsdienst Achterhoek en moet het werk (tijdelijk) worden gestaakt. In de toe te passen grond mag maximaal 10 gewichtsprocent met onbewerkt hout en steenachtige materialen bevatten én een ‘sporadische’ bijmenging (maximaal 0,1 volumeprocent) aan lichte materialen zoals plastics en piepschuim. 2.7Toepassen van grond met asbestverdacht/-houdend materiaal Voor grond geldt als generieke toepassingseis dat deze maximaal 100 mg/kg droge stof (ds) aan -gewogen- asbest mag bevatten en de concentratie aan respirabele vezels mag niet groter zijn dan 10 mg/kg ds (gewogen). Dit betreft een gewogen gehalte, zijnde het gehalte serpentijnasbest plus tienmaal het gehalte amfiboolasbest. De gemeenten in de regio Achterhoek stellen hieraan strengere eisen om te voorkomen dat de toegepaste grond in het kader van de Wet bodembescherming in een later stadium alsnog nader onderzocht moet worden. In de gemeente mag grond met asbestverdachte materialen maximaal 50 mg/kg ds (gewogen) asbest bevatten en de concentratie aan respirabele vezels mag niet groter zijn dan 10 mg/kg ds (gewogen). Uitzondering op deze regel is dat in de toe te passen grond op onverharde kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuin(complex)en zintuiglijk en analytisch geen asbest mag bevatten. Burgers of bedrijven worden geadviseerd het beleid van de gemeente te volgen. Als burgers/bedrijven dit niet willen geldt het volgende: Als asbest(golf)plaat en/of ander asbestverdacht materiaal (zoals bouw- en sloopafval, gemengd puin, betonpuin en metselpuin) wordt aangetroffen in de toe te passen grond, moet altijd een asbestonderzoek conform de laatste versie van de NEN 5707[21] of NEN 5897[22] plaatsvinden (de nieuwste stand der techniek) waarmee het gehalte van asbest wordt vastgesteld. In bijlage 1 is nader ingegaan op puin, asbestverdachtheid en asbestonderzoek. Voor grondverzet in gebieden waar gebouwen met asbestdaken aanwezig zijn wordt voor de wijze van het uit te voeren bodemonderzoek verwezen naar de handreiking asbest en bodem[23] die is opgesteld in opdracht van het Gelders Ondergrond Overleg. Als de maximale waarde voor asbest wordt overschreden (100 mg/kg ds gewogen), is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging en moet dit worden gemeld bij het bevoegd gezag Wet bodembescherming. Dit geldt óók als de maximale waarde voor asbest niet wordt overschreden, maar meer dan 10 mg/kg ds (gewogen) aan respirabele vezels wordt gemeten. Dit betreft een gewogen gehalte, zijnde het gehalte serpentijnasbest plus tienmaal het gehalte amfiboolasbest. Als de zorgplicht van toepassing is (asbestverontreiniging ontstaan vanaf 1993) moet direct gesaneerd worden. Is de zorgplicht niet van toepassing, dan moet met een risicobeoordeling worden vastgesteld of er sprake is van onaanvaardbare risico’s (
bijlage 3 van de Circulaire bodemsanering[24]). Als in grond die is verontreinigd met asbest (≤100 mg/kg ds -gewogen- én ≤10 mg/kg ds - gewogen- aan respirabele vezels) en méér dan de voornoemde percentages bodemvreemd materiaal is vastgesteld (
.6), én het asbest is alleen gerelateerd aan het bodemvreemde materiaal, dan mag het met asbest verontreinigde bodemvreemde materiaal op een daartoe passende wijze uit de grond gezeefd worden. Dit tussentijdse (civiel-technische) zeven wordt niet als een bewerking gezien (
de Nota van Toelichting Besluit bodemkwaliteit artikel 36, derde lid). Bij een eerstvolgende wijziging van de Wet milieubeheer wordt het eenvoudiger om met asbest verontreinigde grond bij een asbestdak zonder goed functionerende dakgoot/regenwaterafvoer te verwijderen. Het gecertificeerde asbestverwijderingsbedrijf mag dan onder vermelding in het Landelijke AsbestVolgSysteem (LAVS) bij de verwijdering van het asbestdak óók de met asbest verontreinigde toplaag verwijderen. Toe te passen grond mag maximaal 50 mg/kg droge stof (ds) aan -gewogen- asbest en maximaal 10 mg/kg ds (gewogen) aan respirabele vezels bevatten. Uitzondering op deze regel is dat in de toe te passen grond op onverharde kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuin(complex)en zintuiglijk en analytisch geen asbest mag bevatten. 2.8Toepassen van grond uit de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld Zoals in de bodemkwaliteitskaart van de gemeenten is aangegeven, maakt de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld geen onderdeel uit van de bodemkwaliteitskaart. Grond uit deze bodemlaag (bijvoorbeeld bij ondertunneling, diepe riolering, parkeergarages en kelders) die elders nuttig wordt toegepast, moet voorafgaand aan de toepassing worden gekeurd. Afhankelijk van de keuringsresultaten mag de grond worden toegepast. Dit leidt tot extra kosten en uitvoeringstijd. Omdat het de verwachting is dat de kwaliteit van de bodemlaag dieper dan 2 meter niet afwijkt van de kwaliteit van de bodemlaag die hierboven ligt (vanaf 1,0 meter tot en met 2 meter diepte), wordt dit niet doelmatig geacht. De gemeenten verruimen de regels voor het toepassen van grond uit de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld. Dit betekent dat grond vrijkomend uit deze bodemlaag op dezelfde wijze beoordeeld mag worden als de bovenliggende bodemlaag (1,0 meter diepte tot en met 2 meter diepte) (
kaartbijlage N3C). Voorwaarden hierbij zijn: De locatie is niet verdacht voor bodemverontreiniging. De grond is afkomstig van een ongeroerde bodemlaag. De grond is zintuiglijk niet verontreinigd. De grond uit de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld is niet verdacht voor verhoogde gehalten aan PFAS-verbindingen. De vrijkomende en zintuiglijk niet verontreinigde grond niet- verdachte locaties uit de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld mag op dezelfde wijze beoordeeld worden als de bovenliggende bodemlaag van 1,0 meter diepte tot en met 2 meter diepte. Voorwaarden hierbij zijn: De locatie is niet verdacht voor bodemverontreiniging. De grond is afkomstig van een ongeroerde bodemlaag. De grond is zintuiglijk niet verontreinigd. De grond uit de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld is niet verdacht voor verhoogde gehalten aan PFAS- verbindingen. 2.9Toepassen van grond afkomstig van gebieden van buiten de gemeenten in de regio Achterhoek Voor het toepassen van grond van buiten de gemeenten in de regio Achterhoek gelden de volgende toepassingseisen en -voorwaarden Grond met een geaccepteerde bodemkwaliteitskaart als erkend bewijsmiddel, in combinatie met een uitgevoerd historisch onderzoek, moet voldoen aan de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur’. Grond met een partijkeuring als erkend bewijsmiddel moet voldoen aan de generieke toepassingseisen (
de kaartbijlagen N4). Grond uit Duitsland moet ook voorzien zijn van een partijkeuring. Voor deze grond geldt bovendien de Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen[25] (EVOA). Op de website van de Inspectie Leefomgeving en transport (https://www.ilent.nl/onderwerpen/afvaltransport-evoa) wordt ingegaan of een kennisgeving (vergunningsaanvraag) gedaan moet worden. Als een vergunning aangevraagd moet worden, blijkt uit de EVOA-beschikking op de aanvraag of de grond mag worden toegepast. Pas dan mag de grond naar Nederland worden getransporteerd en toegepast. Te allen tijde geldt dat de gehalten aan PFAS-verbindingen moet zijn aangetoond en dat deze de landelijke achtergrondwaarden niet overschrijden. 2.10Tijdelijke uitname van grond bij graafwerkzaamheden Bij aanleg, vervang- en reparatiewerkzaamheden van ondergrondse infrastructuur zoals kabels, leidingen en graafwerkzaamheden bij groenvoorzieningen, wordt grond ontgraven en weer toegepast (tijdelijke uitname van grond). In het Besluit is onder voorwaarden tijdelijke uitname van grond op een voor bodemverontreiniging niet-verdachte locatie (volgend uit de aangeleverde historische gegevens) toegestaan zonder dat een kwaliteitsbepaling is uitgevoerd, een functietoets is gedaan en een melding is verricht. De voorwaarden hierbij zijn dat: er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging; er geen tussentijdse bewerking11Het tussentijds civiel-technisch zeven (cosmetisch zeven) wordt niet als tussentijdse bewerking beschouwd (
de Nota van Toelichting Besluit bodemkwaliteit artikel 36, derde lid). plaatsvindt; de grond onder dezelfde condities12Ontgraven bovengrond, tussenlaag en ondergrond worden weer teruggeplaatst in dezelfde bodemlaag (rekening houdend met de grondwaterspiegel). Hierdoor verandert de bodem qua samenstelling en emissie niet. op of nabij de herkomstlocatie13Op en nabij geeft enige speelruimte. Met het oog op de controleerbaarheid moet de grond of baggerspecie wel in hetzelfde werk worden teruggebracht, maar hoeft niet precies op dezelfde plaats te worden teruggebracht. Enkel voorbeelden:– het in het kader van de (spoor)wegenbouw of -reconstructie wegnemen van bermgrond voorafgaand aan (spoor)wegverbreding en het opnieuw terugbrengen als bermgrond in de nieuwe berm (zelfde soort toepassing: berm wordt berm, maar niet op de exact zelfde plaats);– bij het verplaatsen van een sloot wordt de grond die vrijkomt uit de nieuw te graven sloot gebruikt om de bestaande sloot mee te vullen (bodem wordt weer bodem). weer wordt toegepast; ondergrond wordt weer ondergrond en bovengrond wordt weer bovengrond. Met deze laatste voorwaarde is het zogenaamde ‘over-de-kop-werken’ (de bovengrond, de tussenlaag en de ondergrond worden niet gescheiden ontgraven) bij graafwerkzaamheden niet mogelijk. Dit is niet wenselijk omdat bij veel graafwerkzaamheden er geen tot (zeer) weinig ruimte op en in de nabije omgeving van de graaflocatie aanwezig is om de bovengrond, de tussenlaag en de ondergrond gescheiden tijdelijk op te slaan. Ook is de grond in de meeste situaties, bijvoorbeeld bij de aanleg en reparatie van de ondergrondse infrastructuur, al eerder 'over-de-kop' gegaan. De gemeenten verruimen daarom de regels voor tijdelijke uitname van grond bij aanleg, vervang- en reparatiewerkzaamheden van ondergrondse infrastructuur zoals kabels, leidingen én bij graafwerkzaamheden voor groenvoorzieningen als volgt: Bij tijdelijke uitname van grond bij graafwerkzaamheden hoeft de grond niet gescheiden te worden ontgraven. De grond mag worden geroerd en op of nabij dezelfde herkomstlocatie worden teruggeplaatst. De eerste 2 voornoemde voorwaarden blijven overigens gelden. In 2020 is een richtlijn opgesteld voor risico gestuurd werken bij tijdelijk uitplaatsen (zonder afvoer van grond) met betrekking tot asbest in puinhoudende bodem[26]. De gemeenten adviseren deze richtlijn aan te houden zodat onderzoekstijd en -geld naar asbest in de bodem kan worden bespaard. Voor tijdelijke uitname van grond bestaat regelgeving omtrent het doen van onderzoek en melding. Bij tijdelijke uitname van grond op niet verdachte locaties én waar nog geen bodemonderzoek is uitgevoerd, kan conform de CROW 400[27] de veiligheidsklasse worden bepaald met behulp van de bodemkwaliteitskaart; op basis van minimaal de 80-percentielwaarde (of een hogere percentielwaarde) van de bodemkwaliteitszone(s) waarin de graafwerkzaamheden plaatsvinden. Bij tijdelijke uitname bij aanleg, vervang- en reparatiewerkzaamheden van ondergrondse infrastructuur zoals kabels, leidingen én bij graafwerkzaamheden voor graafwerkzaamheden op voor bodemverontreiniging niet-verdachte locaties, hoeft de grond niet gescheiden te worden ontgraven. De grond mag worden geroerd en op of nabij dezelfde herkomstlocatie worden teruggeplaatst. 2.11Gebruik van de bodemkwaliteitskaarten bij bodemverontreinigende activiteiten Onder het ActiviteitenbesluitVolgens het Activiteitenbesluit moet een bedrijf met bodemverontreinigende activiteiten een nulsituatie-onderzoek uitvoeren. Als het betreffende bedrijf haar activiteiten staakt, moet een eindsituatie-onderzoek worden uitgevoerd. De resultaten van het eindsituatie-onderzoek worden vergeleken met die van het nulsituatie-onderzoek. Op deze manier kan worden nagegaan of de plaatsgevonden bedrijfsactiviteiten tot een verslechtering van de bodemkwaliteit hebben geleid. Het komt wel eens voor dat de nulsituatie in het verleden niet is vastgelegd. Volgens het Activiteitenbesluit moeten in die situatie de resultaten van het eindsituatie-onderzoek voldoen aan de maximale waarden van de klasse Achtergrondwaarde (AW2000). De gemeenten staan het echter toe dat bij het niet aanwezig zijn van een nulsituatie-onderzoek voor een activiteit dat in het verleden is gestart, de bodemkwaliteitskaarten mogen worden gebruikt bij de interpretatie van de resultaten van het eindsituatie-onderzoek. In sommige gebieden kan met de bodemkwaliteitskaart worden aangetoond dat het verwijderen van een verontreiniging tot aan de Achtergrondwaarde (AW2000) niet realistisch is. Een bepaalde stof kan namelijk diffuus verhoogd voorkomen in een gebied. Het eindsituatieonderzoek kan dan worden getoetst aan de gemiddelden van de bodemkwaliteitszone waarin de locatie is gelegen, of aan de Achtergrondwaarde (AW2000) als het gemiddelde van een stof lager dan de Achtergrondwaarde (AW2000) is vastgesteld. De bodemkwaliteitskaart zelf mag nooit in de plaats van een nul- of eindsituatie-onderzoek worden gebruikt. Onder de OmgevingswetBij de inwerkingtreding van de Omgevingswet is voor bodembedreigende activiteiten in het Besluit activiteiten leefomgeving, in tegenstelling tot het Activiteitenbesluit, geen nulsituatie- onderzoek meer verplicht. Dit nulsituatie-onderzoek bij de start van een activiteit is geen milieubeschermende maatregel, maar een grondslag voor een eindsituatie-onderzoek. Hiermee kan het bevoegd gezag toetsen of door de bodembedreigende activiteit verontreiniging heeft plaatsgevonden. Als de gemeente heeft voorgeschreven dat een nulsituatie-onderzoek verplicht is, dan moet dit worden uitgevoerd. Ook kan op vrijwillige basis een nulsituatie-onderzoek worden uitgevoerd, ter ondersteuning van het (later uit te voeren) eindsituatie-onderzoek. Het eindsituatie-onderzoek is verplicht. Dit eindsituatie-onderzoek hangt samen met de beëindiging van de activiteit. Per activiteit wordt aangegeven of bij beëindiging een eindsituatie- onderzoek nodig is. Als er geen nulsituatie-onderzoek is uitgevoerd, wordt het eindonderzoek getoetst aan de bodemkwaliteitskaart. Voor activiteiten waarop de Europese Richtlijn industriële emissies het milieubeschermingsbeginsel van "Integrated Pollution Prevention and Control" (IPPC) toepast, blijft volgens de Europese Richtlijn industriële emissies (art. 22) het nulsituatie-onderzoek wel verplicht. Het bevoegd gezag moet deze opnemen in de omgevingsvergunning. De bodemkwaliteitskaart zelf mag nooit in de plaats van een nul- of eindsituatie-onderzoek worden gebruikt. 2.12Toepassen grond uit een oude categorie-1 werk Grond uit een oude categorie-1 werk (volgens het voormalige Bouwstoffenbesluit) die elders nuttig wordt toegepast moet altijd worden gekeurd. Op basis van de keuringsresultaten worden de hergebruiksmogelijkheden van de grond bepaald. 2.13Voorkomen verspreiden plaagsoorten (flora) bij grondverzet Bij het toepassen van grond speelt naast de chemische kwaliteit van de grond sinds enige tijd ook de verspreiding van zogenaamde plaagsoorten (flora) een steeds belangrijke rol. Een voorbeeld hiervan is de Japanse duizendknoop of de reuzenberenklauw. Deze uitheemse planten brengt door de groei van haar wortels schade toe in het stedelijk gebied (aan infrastructuur, oevers, waterkeringen en funderingen), maar verdrukt ook onze inheemse flora. De reuzenberenklauw vormt ook een risico voor de volksgezondheid; aanraking van het waterachtige plantensap kan leiden tot brandwonden en in de ogen tot blindheid. Om deze redenen willen de gemeenten de verspreiding van deze plaagsoorten, bijvoorbeeld door grondverzet en het toepassen van grond, voorkomen. De gemeenten stellen dat bij graafwerkzaamheden, het (tijdelijk) opslaan van grond en toepassen van grond aandacht moet worden besteed aan het (eventueel) voor komen van plaagsoorten (flora). Dit kan bijvoorbeeld door tijdens de terreininspectie voorafgaand aan het grondverzet hier aandacht aan te besteden. Er is een landelijk protocol omgaan met Aziatische duizendknopen[28] opgesteld. Hierin is onder andere ingegaan op het herkennen van de duizendknoop, het voorkomen van verspreiding en het omgaan met de duizendknoop in diverse situaties. Ook bestaat er voor (graaf)werkzaamheden een beslisboom die is opgenomen op de website ‘Bestrijding duizendknoop’: https://bestrijdingduizendknoop.nl/. Als een plaagsoort (flora) ter plaatse van graafwerkzaamheden en het tijdelijk opslaan van grond aanwezig is, kunnen mogelijk aanvullende maatregelen worden genomen. Hiervoor moet contact op worden genomen met de betreffende gemeente. Als een plaagsoort (flora) in de toe te passen grond aanwezig is, of mogelijk aanwezig kan zijn, is het niet toegestaan de grond te hergebruiken/toe te passen. De grond moet op een gepaste wijze, waardoor geen verwaaiing van de grond kan plaatsvinden, worden getransporteerd naar een erkende verwerker van invasieve exoten. Een lijst van dit soort verwerkers is opgenomen op de website van Branche Vereniging Organische Reststoffen: https://bvor.nl/invasieve-exoten/. 2.14De geldigheidsduur van een eventueel uitgevoerd onderzoek en gebruik van de ontgravings- en toepassingskaart bij een al onderzochte locatie De toe te passen grond en/of de ontvangende bodem kan al eerder zijn onderzocht. De NEN 5740 of en het BRL 1000 – protocol 1001[29] stellen geen voorwaarden aan de actualiteit van onderzoeksgegevens. De gemeenten beschouwen de onderzoeksresultaten als een momentopname en zijn daarom niet ‘onbeperkt houdbaar’. Bij een al uitgevoerd onderzoek moet de initiatiefnemer aan de Omgevingsdienst Achterhoek (namens de gemeenten) aannemelijk maken dat de onderzoeksgegevens hun actualiteitswaarde hebben behouden. Hierbij moet ten minste in ogenschouw zijn genomen: of de gehanteerde strategie van monstername of analysemethodes voldoende inzicht geven in de algemene bodemkwaliteit; of de onderzoekslocatie na uitvoering van het laatste volledige onderzoek niet intensiever is gebruikt en geen grondverzet of herinrichting heeft ondergaan; qua gebruik of inrichting de onderzoekslocatie nog hetzelfde is; in hoeverre er tussentijds op de onderzoekslocatie activiteiten zijn uitgevoerd die de bodemkwaliteit hebben kunnen beïnvloeden; dat de relatie tussen de partijkeuring en de tijdelijk opgeslagen grond kan worden aangetoond als deze tussentijds is verplaatst. Bij twijfel kan de Omgevingsdienst Achterhoek (Toezicht en Handhaving van de gemeenten) ter verificatie om een terreininspectie vragen en beslist of het bewijsmiddel gebruikt mag worden. 2.15Gebruik van de ontgravings- en toepassingskaart als al een onderzoek is uitgevoerd 2.15.1Uitgevoerde partijkeuring en gebruik ontgravingskaart De mogelijkheid bestaat dat op een locatie van ontgraving al een partijkeuring (BRL 1000 – protocol 1001) of een gelijkwaardig onderzoek van de NEN 574014Alleen van de volgende onderzoeksstrategieën kan gebruik worden gemaakt: TOETS-S, TOETS-S-GR en KEU-I-HE. is uitgevoerd. Als het onderzoek voldoet aan de vereisten voor een bewijsmiddel uit het Besluit en representatief is voor de meest recente (terrein)situatie, dan moet dit onderzoek worden gebruikt als bewijsmiddel. Zo’n onderzoek geeft een beter beeld van de ontgravingskwaliteit van de grond dan de bodemkwaliteitskaart. Het onderzoek is leidend boven de ontgravingskaarten van de bodemkwaliteitskaart. 2.15.2Uitgevoerd onderzoek en gebruik toepassingskaart Uit een al uitgevoerd onderzoek kan blijken dat de kwaliteit van de ontvangende bodem slechter of juist beter is dan de toepassingseis van de bodemkwaliteitszone waarin de locatie is gelegen. In die situatie geldt de toepassingseis zoals deze is weergegeven op de toepassingskaarten, ongeacht de vastgestelde bodemkwaliteitsklasse en mogelijk gevolgen voor de toepassingseis. 2.15.3Uitgevoerd verkennend onderzoek en gebruik ontgravingskaart Op de ontgravingslocatie kan al een verkennend bodemonderzoek zijn uitgevoerd, bijvoorbeeld ter plaatse van een voor bodemverontreiniging verdachte locatie. Een verkennend bodemonderzoek is volgens het Besluit bodemkwaliteit geen erkend bewijsmiddel. De gemeenten vinden het niet redelijk dat, na het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek, een aanvullende partijkeuring moet plaatsvinden. Als het bodemonderzoek nog representatief is voor de meest recente (terrein)situatie én het maximaal vastgestelde (gestandaardiseerde) gehalten van de stoffen voldoen aan kwaliteitsklasse van de betreffende bodemkwaliteitszone (
de kaartbijlagen N3), er geen aanvullende partijkeuring hoeft te worden uitgevoerd. De ontgravingskaart mag dan worden gebruikt als bewijsmiddel voor de elders toe te passen grond. Het bodemonderzoek wordt hierbij als aanvullend ‘bewijsmiddel’ gebruikt. Als niet wordt voldaan aan de kwaliteitsklasse van de betreffende bodemkwaliteitszone (
de kaartbijlagen N3), dan wordt de ontgraven grond als afwijkend gezien en moet een partijkeuring worden uitgevoerd om de bodemkwaliteit te bepalen. Als één of meerdere gehalten de interventiewaarde overschrijdt, moet contact worden opgenomen met de Omgevingsdienst Achterhoek. 2.16Totaaloverzicht gemeentelijk beleid In tabel 2.5 is een totaaloverzicht gegeven van de bodemkwaliteitszones, bodemfunctieklassen, verwachte ontgravingsklassen, toepassingsklassen conform het gemeentelijke en gebiedsspecifieke beleid van de gemeenten in de regio Achterhoek. Op basis van het Besluit en de Regeling en de vastgestelde Lokale Maximale Waarden (§ 2.5) is bepaald tussen welke zones voorafgaand aan de grondstroom al dan niet de chemische kwaliteit van de grond moet worden onderzocht. Bijlage 4 geeft de mogelijkheden van grondstromen binnen en tussen zones weer (grondstromenmatrix). Hierbij moet worden opgemerkt dat deze matrix alleen geldt voor grondstromen tussen locaties die onderdeel uitmaken van de bodemkwaliteitskaart. De mogelijkheden voor vrij grondverzet is weergegeven in een grondstromenmatrix (
bijlage 4). Tabel 2.5 Totaaloverzicht bodemkwaliteitszones, verwachte ontgravingsklassen, toepassingseisen bij voorkomende functies conform het in deze nota bodembeheer geformuleerde beleidBodemkwaliteitszone Voor komende bodemfunctie(
Toe te passen van nature arseenhoudende grond moet voldoen aan de Lokale Maximale Waarden (
tabel 2.2 in § 2.5.5). Ter plaatse aangewezen gebieden mag grond met de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ worden toegepast (
In sommige situaties is eerst een formeel besluit van het college van burgemeester en wethouders nodig. Ter plaatse van aangewezen gebieden in de gemeente Aalten mag grond met de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ worden toegepast (
Vrijkomende grond uit deze bodemkwaliteitszone mag voldoen aan de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ of beter. Toe te passen grond van buiten deze bodemkwaliteitszone moet voldoen aan de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur’. De toepassingseis sluit geldt voor locaties die worden herontwikkeld op het noordelijk industrieterrein De Mars en sluiten aan op de toekomstige functie van de locatie: Industrie, Wonen of Overig (
De gemeenten staan toe dat grond uit de zone ‘Gebieden met diffuus verhoogde gehalten aan bestrijdingsmiddelen (bodemlaag 0-0,5 m-mv)’ alleen na uitvoeren van een indicatief bodemonderzoek en afhankelijk van de onderzoeksresultaten en toetsing aan de Lokale Maximale Waarden weer in deze zone mag worden hergebruikt (
Ter plaatse van de geasfalteerde wegen in het buitengebied (incl. bermen) mag grond met de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ of beter worden toegepast (
De kwaliteitsklasse ‘Achtergrondwaarde – AW2000’ moet worden aangetoond met een partijkeuring (
Ook gelden eisen ten aanzien van bijmenging van bodemvreemd materiaal en asbestverdachte materialen (
Op oudere stortplaatsen mag voor een betere bovenafdichting grond worden gebruikt met de kwaliteitsklasse ‘Industrie’. Voorwaarden bij deze Lokale Maximale Waarden zijn dat deze alleen mogen worden gebruikt in combinatie met een 0,5 meter dikke afdeklaag. De kwaliteit van de afdeklaag moet voldoen aan de gemeentelijke toepassingseis voor hergebruik van grond van het gebied waarin de stortplaats ligt. (
2.17Opstellen grondstromenplan bij projecten 2.17.1Grootschalige bodemtoepassing Bij grootschalige bodemtoepassingen moet, conform artikel 64 van het Besluit, een (grondstromen) beheerplan worden ingediend. In het beheerplan wordt minimaal opgenomen: Aan- en/of inleiding. Wettelijk kader en onderbouwing dat aan artikelen 5/35 van het Besluit (nuttige/functionele en ruimtelijk gewenste toepassing) wordt voldaan. Een technische onderbouwing waarmee wordt aangetoond dat wordt voldaan aan artikel 63 van het Besluit; de “technische” aspecten van de grootschalige bodemtoepassing (opbouw van de toepassing / deklaag / herkenbaarheid / kwaliteit grond / etc.). Uitvoeringsaspecten (betrokkenen / periode / meldingsregime / kwaliteitsverklaringen / registratie / oplevering / beheerder). Beheer / nazorg (in stand houden van toepassing én leeflaag / eventueel risico dat de grootschalige bodemtoepassing niet wordt afgerond en wie dan verantwoordelijk is / eventueel een monitoringsporgramma). Het plan kan voorzien worden met enkele bijlagen (bijvoorbeeld de ligging / opbouw van de grootschalige bodemtoepassing / verwachte ontgravingskwaliteit -boven- en ondergrond- in het ontgravingsgebied). Door het tijdig in beeld brengen van de grondstromen en de afstemming met het bevoegde gezag kunnen knelpunten vooraf worden gesignaleerd en kan stagnatie tijdens de uitvoering worden voorkomen. Het grondstromenplan met de melding van het toepassen van grond worden ingediend bij het centrale meldpunt van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Hierdoor wordt de administratieve last verminderd. 2.17.2Andere projecten met grootschalig grondverzet Bij de uitvoering van projecten met grootschalig grondverzet, bijvoorbeeld infrastructurele werken, bouw- en woonrijp maken en natuurontwikkeling, wordt geadviseerd om een grondstromenplan op te stellen. Dit plan moet dan worden ingediend bij de gemeente (als deze initiatiefnemer is van het project) of de Omgevingsdienst Achterhoek. In een grondstomenplan voor grootschalig grondverzet wordt minimaal opgenomen: Aan- en/of inleiding. Wettelijk kader en onderbouwing dat aan artikelen 5/35 van het Besluit (nuttige/functionele en ruimtelijk gewenste toepassing) wordt voldaan. Een technische onderbouwing waarmee wordt aangetoond dat wordt voldaan aan artikel 63 van het Besluit; de “technische” aspecten van het grootschalige grondverzet (opbouw van de toepassing / eventuele deklaag / herkenbaarheid / kwaliteit grond / etc.). Uitvoeringsaspecten (betrokkenen / periode / meldingsregime / kwaliteitsverklaringen / registratie / oplevering / beheerder). Beheer / nazorg (in stand houden van toepassing en eventuele leeflaag / eventueel risico dat het grootschalig grondverzet niet wordt afgerond en wie dan verantwoordelijk is / eventueel een monitoringsporgramma). Het plan kan voorzien worden met enkele bijlagen (bijvoorbeeld de ligging / opbouw van de toepassing / verwachte ontgravingskwaliteit -boven- en ondergrond- in het ontgravingsgebied). Door het tijdig in beeld brengen van de grondstromen en de afstemming met het bevoegde gezag kunnen knelpunten vooraf worden gesignaleerd en kan stagnatie tijdens de uitvoering worden voorkomen. Ook kunnen op basis van het grondstromenplan afspraken worden gemaakt over het indienen van meldingen Besluit bodemkwaliteit. Hierdoor kan de administratieve last worden verminderd. 2.18Melden tijdelijke opslag voorafgaand een de definitieve toepassing Als grond voorafgaand aan de toepassing tijdelijk wordt opgeslagen dan zijn in principe 2 meldingen bij het centrale meldpunt bodemkwaliteit van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat noodzakelijk. Om deze administratie lasten te verminderen, verruimen de gemeenten de eisen voor het melden van tijdelijke opslag van grond waarvan de toepassingslocatie bekend is als volgt: Als bekend is waar de grond, die tijdelijk wordt opgeslagen, wordt toegepast, hoeft voorafgaand aan de tijdelijke opslag alleen de melding voor de toepassing van deze grond te worden gedaan. Bij de melding moet wel de locatie en duur van de tijdelijke opslag worden vermeld. De kwaliteit van de grond die tijdelijk wordt opgeslagen, moet voldoen aan de vastgestelde bodemkwaliteitsklasse dan wel de vastgestelde Lokale Maximale Waarden ter plaatse. Als bekend is waar de grond, die tijdelijk is opgeslagen, wordt toegepast, hoeft voorafgaand aan de tijdelijke opslag alleen de melding voor de toepassing van deze grond te worden gedaan. Bij de melding moet wel de locatie en duur van de tijdelijke opslag worden vermeld. De kwaliteit van de grond die tijdelijk wordt opgeslagen moet voldoen aan de vastgestelde bodemkwaliteitsklasse dan wel de vastgestelde Lokale Maximale Waarden ter plaatse. Bronvermelding Bodemfunctieklassenkaart en bodemkwaliteitskaart regio Achterhoek, documentnummer: SOB011398.RAP001, Lievense Milieu B.V.|WSP, 15 december 2020 Gemeenten Aalten, Berkelland, Bronckhorst, Doetinchem, Montferland, Oost Gelre, Oude IJsselstreek en Winterswijk: Bodemkwaliteitskaart regio Achterhoek, projectcode: 11K054, CSO Adviesbureau voor Milieu-Onderzoek B.V., 24 oktober 2011. Nota bodembeheer, Gemeenten Aalten, Berkelland, Bronckhorst, Doetinchem, Montferland, Oost Gelre, Oude IJsselstreek en Winterswijk, dossier AC0831, Vakberaad Bodem Achterhoek, november 2011. Gemeente Lochem en Zutphen: Bodemkwaliteitskaart Regio Stedendriehoek, projectcode EP91-1, Witteveen+Bos, 16 juni 2010. Aanvulling op de gemeentelijke bodemkwaliteitskaart (gemeenten Lochem en Zutphen), projectcode: 101453, Witteveen+Bos, mei 2017. Nota bodembeheer voor Epe, Apeldoorn, Voorst, Brummen, Zutphen en Lochem, projectnummer: B08B0337, MWH B.V., 20 januari 2011. Besluit bodemkwaliteit, publicatie Staatsblad nr. 469, 3 december 2007. Regeling bodemkwaliteit, publicatie Staatscourant nr. 247, 21 december 2007 en latere wijzigingen. Beleidsnota De Gelderse wegwijzer door bodemland, Bodem, uitvoering en toetsing, gemeente Arnhem / gemeente Nijmegen / provincie Gelderland, 2012. Wet bodembescherming, publicatie Staatsblad, nummer 404, 1986 en latere wijzigingen. Algemene wet bestuursrecht, publicatie Staatsblad 693, 23 december 1993. Activiteitenbesluit, publicatie Staatsblad, nummer 415, 2007 en latere wijzigingen. Waterwet, publicatie Staatsblad, nummer 489, 24 november en latere wijzigingen. Waterregeling, publicatie Staatscourant nr. 19353, 17 december 2009, inclusief update 1 januari 2014. Wet milieubeheer, publicatie Staatsblad, nummer 443, 1980 en latere wijzigingen. Richtlijn bodemkwaliteitskaarten, Ministerie van VROM, Ministerie van Verkeer en Waterstaat, 3 september 2007 en later wijzigingen. Bronswijk et al.
http://geldernet.omgevingsdienst.nl of
ook: https://www.expertisebodemenondergrond.nl/upload/documents/platformtoezichtbodembeheer/28november2017/Gelderse%20Handreiking%20Asbestonderzoek.pdf). Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013, publicatie Staatscourant, nr. 16675, 27 juni
onderstaand). Voor de bodemkwaliteitskaart van de gemeenten is het basispakket van toepassing. De toetsingsmethodiek voor het bepalen van de bodemkwaliteitsklasse ‘Wonen’ is minder streng dan de toetsingsmethodiek voor het bepalen van de ontgravingsklasse (
het kopje ‘Ontgravingskaart’ in deze bijlage). Met de minder strenge toets wordt voorkomen dat de bodemkwaliteit van een gebied op basis van één stof wordt ingedeeld in de bodemkwaliteitsklasse Industrie. Dit zou in de praktijk de ongewenste situatie kunnen opleveren dat ook voor alle overige stoffen minder strenge regels gelden en de concentraties kunnen toenemen tot de maximale waarden voor de functie Industrie. Hierdoor verslechtert de kwaliteit van het gebied. Tabel B2.1 Staffel toegestane aantal overschrijdingenAantal gemeten stoffen Aantal toegestane overschrijdingen 1-6 0 Basispakket (7-15) 2 16 – 26 3 27 – 36 4 37 – 48 5 Klasse Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde – AW2000): Alle gehalten voldoen aan de Achtergrondwaarden (AW2000), met uitzondering van een aantal overschrijdingen,
staffel tabel B2.1. De overschrijding mag maximaal twee maal de norm voor de klassegrens Achtergrondwaarden (AW2000) bedragen. De overschrijding is lager dan de norm voor klassegrens Wonen (exclusief nikkel,
tabel B2.2 bij 'Toetsingswaarden Besluit bodemkwaliteit'). Klasse Wonen: Alle gehalten voldoen aan de klass
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.