Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Groesbeek 2015De raad van de gemeente Gemeente Groesbeek; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 24 februari 2015; gezien het gevoerde op overeenstemming gerichte overleg met de vertegenwoordigers van de bevoegde gezagsorganen; gelet op artikel 149 van de Gemeentewet, artikel 102 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 100 van de Wet op de expertisecentra en artikel 76m van de Wet op het voortgezet onderwijs; b e s l u i t : Vast te stellen: de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Groesbeek 2015, inclusief de toelichting en de volgende bijlagen: Bijlage I Criteria voor beoordeling van aangevraagde voorzieningen met toelichting Bijlage II Criteria voor opstelling en toetsing van leerlingenprognoses met toelichting Bijlage III Criteria voor oppervlakte en indeling met toelichting Bijlage IV Financiële normering met toelichting Bijlage V Criteria voor de urgentie van de aangevraagde voorzieningen met toelichting In te trekken: de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Groesbeek 2008, inclusief toelichting en de bijlagen I t/m V; de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Ubbergen 2011, inclusief toelichting en de bijlagen I t/m V; de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Millingen aan de Rijn 2003, inclusief toelichting en de bijlagen I t/mV; Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Groesbeek 2015 Hoofdstuk1.Algemene bepalingen Artikel1.Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: aanvraag: verzoek om het bekostigen van een voorziening of om het bekostigen van een voorbereidingskrediet; aanvrager: het bevoegd gezag dat een aanvraag indient; advies Onderwijsraad: advies van de Onderwijsraad als bedoeld in artikel 95, negende lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 93, negende lid, van de Wet op de expertisecentra of artikel 76f, negende lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs; bevoegd gezag: bevoegd gezag van een volgens de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra of de Wet op het voortgezet onderwijs bekostigde openbare of bijzondere school die geheel of gedeeltelijk gehuisvest is in een gebouw dat zich bevindt op het grondgebied van de gemeente; lokaal bewegingsonderwijs: ruimte die geschikt is voor het bewegingsonderwijs, of een bad voor watergewenning of bewegingstherapie; minister: minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; nevenvestiging: deel van een school dat door de minister op grond van artikel 85 van de Wet op het primair onderwijs, de artikelen 76a of 76b van de Wet op de expertisecentra of artikel 16, tweede en derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs voor bekostiging in aanmerking is gebracht; overzicht: overzicht als bedoeld in artikel 96 Wet op het Primair onderwijs, artikel 94 Wet op de expertisecentra en artikel 76g van de Wet op het voortgezet onderwijs; permanent gebouw: ruimte die door de keuze van het ontwerp en de aard van de constructie en materialen ten minste 60 jaar als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan functioneren; programma: programma als bedoeld in artikel 95 Wet op het primair onderwijs, artikel 93 Wet op de expertisecentra en artikel 76f van de Wet op het voortgezet onderwijs; school: school voor basisonderwijs: basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs; school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs: school voor speciaal onderwijs, school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, of school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra, een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 8 van de Wet op de expertisecentra en een school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra; school voor voortgezet onderwijs: school of scholengemeenschap voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, voor voorbereidend beroepsonderwijs en voor praktijkonderwijs als bedoeld in de artikelen 1, 2 en 5 van de Wet op het voortgezet onderwijs; tijdelijk gebouw: al dan niet verplaatsbare ruimte die door de keuze van het ontwerp en de aard van de constructie en materialen minstens 15 jaar als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan functioneren; tijdelijke nevenvestiging: een tijdelijke nevenvestiging als bedoeld in artikel 16, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs; verhuur: gebruik van een onderwijsgebouw door derden, niet zijnde onderwijsgebruik of gebruik voor culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden; voor blijvend gebruik bestemde voorziening: voorziening die volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld in bijlage II minimaal 15 jaar noodzakelijk is; voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening: voorziening die volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld in bijlage II maximaal 15 jaar noodzakelijk is; voorziening: voorzieningen in de huisvesting als bedoeld in artikel
- Artikel2.Omschrijving voorzieningen in de huisvesting Bij het toepassen van deze verordening worden de volgende voorzieningen onderscheiden: voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen, bestaande uit: nieuwbouw voor een school die voor het eerst door het rijk voor bekostiging in aanmerking is gebracht, of nieuwbouw om een gebouw waarin een school is gehuisvest geheel of gedeeltelijk te vervangen, al dan niet op dezelfde locatie; uitbreiding van een gebouw waarin een school is gehuisvest; het geheel of gedeeltelijk in gebruik nemen van een bestaand gebouw voor het huisvesten van een school; verplaatsing van een of meer bestaande tijdelijke gebouwen voor het huisvesten van een school; terrein voor zover nodig voor het realiseren van een voorziening als bedoeld in 1° tot en met 4°; inrichting met onderwijsleerpakket of met leer- en hulpmiddelen voor zover deze nog niet eerder door het rijk of de gemeente is bekostigd; inrichting met meubilair voor zover dit nog niet eerder door het rijk of de gemeente is bekostigd; medegebruik van een ruimte voor het onderwijs in een gebouw dat al bij een andere school in gebruik is of van een lokaal bewegingsonderwijs en een bad voor watergewenning of bewegingstherapie; herstel van constructiefouten bestaande uit schade aan een gebouw veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf, evenals uit kosten gemoeid met het voorkomen van nog niet zichtbare materiële schade onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten, uitvoeringsfouten of wanprestatie; herstel en vervanging in verband met schade aan gebouw, onderwijsleerpakket, leer- en hulpmiddelen of meubilair ingeval van bijzondere omstandigheden; huur van een sportterrein, dat niet in eigendom is van een bevoegd gezag, voor een school voor voortgezet onderwijs voor het onderwijs in lichamelijke oefening. Artikel3.Voorbereidingskrediet Voor voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1° en 2° kan een aanvraag voor het bekostigen van de kosten voor het opstellen van een aanbestedingsgereed bouwplan worden ingediend. Artikel4.Vaststellen vergoeding voorzieningen 1.Voor voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1° en 2° en 6° tot en met 8°, wordt de vergoeding vastgesteld overeenkomstig de in bijlage IV opgenomen normbedragen. 2.Voor andere voorzieningen dan bedoeld in het eerste lid wordt de vergoeding vastgesteld op de feitelijke kosten. 3.De vergoeding voor een voorbereidingskrediet als bedoeld in artikel 3 wordt vastgesteld op 8 procent van het geraamde investeringsbedrag. Artikel5.Informatieverstrekking Het bevoegd gezag verstrekt aan het college de gegevens die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van het bepaalde in deze verordening. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een door het college vastgesteld formulier. Hoofdstuk2.Programma en overzicht Paragraaf2.1Aanvragen programma Artikel6.Indienen aanvraag 1.Een aanvraag om opname van een voorziening op het programma wordt door het bevoegd gezag bij het college ingediend en moet uiterlijk 1 februari van het jaar waarin het betreffende programma wordt vastgesteld, zijn ontvangen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een door het college vastgesteld formulier. 2.Aanvragen die na deze datum worden ontvangen neemt het college niet in behandeling. Artikel7.Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet behandelen onvolledige aanvraag 1.Een aanvraag vermeldt in ieder geval: de naam en het adres van de aanvrager; de dagtekening; de naam van de school en, als dit van toepassing is, het gebouw waarvoor de voorziening is bestemd; de voorziening die wordt aangevraagd; de onderbouwing van de noodzaak en de omvang van de gewenste voorziening, bestaande uit: een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de school voor basisonderwijs, de speciale school voor basisonderwijs, de school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs of de school voor voortgezet onderwijs, als het betreft een aanvraag voor een voorziening als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder de voorwaarde dat de prognose overeenkomstig bijlage II is vastgesteld, tenzij door het college, al dan niet in samenwerking met de bevoegde gezagsorganen van een school voor basisonderwijs, een actuele prognose is opgesteld, welke door het bevoegd gezag wordt onderschreven; als de aanvraag betrekking heeft op het geheel of gedeeltelijk bekostigen van vervangende nieuwbouw van een gebouw als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1°, of herstel van een constructiefout als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, een bouwkundige rapportage die voldoet aan de eisen NEN 2767, zodat de noodzaak van de gevraagde voorziening kan worden vastgesteld; als de aanvraag betrekking heeft op het bekostigen van een voorziening waarvoor de vergoeding wordt vastgesteld op de feitelijke kosten, een begroting van de noodzakelijke kosten voor het bekostigen van de voorziening of, als de aanvraag betrekking heeft op het bekostigen van een voorbereidingskrediet als bedoeld in artikel 3, een kostenbegroting. de geplande aanvangsdatum van uitvoering van de voorziening, en als het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1° tot en met 5°, de aanduiding van de gewenste plaats waar de voorziening moet worden gerealiseerd. 2.Het college stelt de aanvrager voor 15 februari schriftelijk op de hoogte als gegevens als bedoeld in het eerste of tweede lid ontbreken. De aanvrager heeft tot 15 maart (de hersteldatum) de gelegenheid de ontbrekende gegevens aan te vullen. Als dit niet gebeurt, neemt het college de aanvraag niet in behandeling. 3.Als een door het college in behandeling genomen aanvraag mede is gebaseerd op het aantal leerlingen van de betrokken school op 1 oktober van het jaar waarin het programma wordt vastgesteld, is de aanvrager verplicht dat aantal voor 15 oktober te registeren in de Basisregistratie Onderwijs bij de Dienst Uitvoering Onderwijs. Heeft aanvrager de registratie niet binnen de gestelde termijn gerealiseerd, dan deelt het college dit schriftelijk mede aan de aanvrager en heeft de aanvrager de gelegenheid dit alsnog te doen binnen drie dagen na de datum van ontvangst van de mededeling. Als de registratie niet alsnog binnen drie dagen is verstrekt, neemt het college de aanvraag niet in behandeling. Artikel8.Opgave ingediende aanvragen Het college verstrekt aan de bevoegde gezagsorganen voor15 meieen opgave van de aanvragen die overeenkomstig artikel 6 zijn ingediend en geeft daarbij aan welke niet in behandeling worden genomen. Paragraaf2.2Overleg voorafgaand aan vaststellen programma en overzicht Artikel9.Toelichting aanvraag; overleg over ingediende begroting 1.Het college of een aanvrager kan verzoeken een aanvraag nader toe te lichten. Dit overleg vindt plaats binnen2 maanden na de hersteldatum, bedoeld in artikel 7, tweede lid. 2.Het college treedt in overleg met de aanvrager als de aanvraag betrekking heeft op een voorziening waarvoor de vergoeding wordt vastgesteld op de feitelijke kosten en het college van oordeel is dat de door de aanvrager overgelegde kostenbegroting moet worden aangepast. 3.Het college vermeldt in het voorstel tot het vaststellen van het bekostigingsplafond, het programma en het overzicht, bedoeld in paragraaf 2.3: de hoogte van het geraamde bedrag, waarvan voor de aangevraagde voorziening wordt uitgegaan, en als dit van toepassing is, de redenen waarom in het overleg geen overeenstemming is bereikt over de hoogte van het geraamde bedrag. Artikel10.Overleg programma en overzicht; advies Onderwijsraad 1.Voordat het college het programma en het overzicht vaststelt, worden de bevoegde gezagsorganen in een overleg in de gelegenheid gesteld hun zienswijze over de voorgenomen inhoud van dat voorstel naar voren te brengen. 2.Dit overleg vindt plaatst uiterlijk 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop het vast te stellen programma betrekking heeft. De bevoegde gezagsorganen worden ten minste 2 weken voor de door het college vastgestelde datum schriftelijk in kennis gesteld van het tijdstip van het overleg en de voorgenomen inhoud van het voorstel. 3.De bevoegde gezagsorganen die niet deelnemen aan het overleg kunnen voor het overleg hun zienswijzen schriftelijk kenbaar maken aan het college. Het college stelt de deelnemers aan het overleg van deze zienswijzen in kennis. 4.Het college maakt een verslag van de in het overleg door de bevoegde gezagsorganen naar voren gebrachte zienswijzen. De overeenkomstig het vorige lid ingediende zienswijzen en de reactie van het college hierop worden opgenomen in het verslag. Het verslag wordt binnen een maand na het overleg toegezonden aan alle bevoegde gezagsorganen. 5.Een bevoegd gezag en het college kunnen de Onderwijsraad verzoeken een advies uit te brengen over het conceptprogramma. Het verzoek bevat een schriftelijk gemotiveerde omschrijving van de onderwerpen waarover advies wordt verwacht. Het advies dient betrekking te hebben op de relatie tussen de voorgenomen inhoud van het programma en de vrijheid van richting en inrichting. Het verzoek en de daarover naar voren gebrachte zienswijzen worden opgenomen in het verslag, bedoeld in het vierde lid. 6.Het college is belast met het indienen van een verzoek om advies bij de Onderwijsraad. Het college zorgt ervoor dat de Onderwijsraad alle stukken ontvangt die nodig zijn voor het beoordelen van het verzoek, waaronder het verslag, bedoeld in het vierde lid. 7.Een afschrift van het door de Onderwijsraad uitgebrachte advies wordt zo spoedig mogelijk door het college toegezonden aan de bevoegde gezagsorganen. Als het advies zou leiden tot één of meer inhoudelijke bijstellingen van de voorgenomen inhoud van het programma worden de bevoegde gezagsorganen door het college bij het toezenden van het afschrift van het advies uitgenodigd voor een nader overleg. In alle andere gevallen beoordeelt het college of nader bestuurlijk overleg over het advies van de Onderwijsraad noodzakelijk is. Het college geeft dit aan bij het toezenden van het afschrift van het advies. 8.Nader overleg als bedoeld in het vorige lid vindt plaats binnen 2 weken nadat het advies van de Onderwijsraad aan de bevoegde gezagsorganen is gezonden. Het college maakt van dit overleg een verslag en voegt dit toe aan het verslag, bedoeld in het vierde lid. Paragraaf 2.3 Vaststellen bekostigingsplafond, programma en overzicht Artikel11.Tijdstip vaststellen bekostigingsplafond, programma en overzicht 1.Het college stelt het bekostigingsplafond vast voor de vergoeding van de aangevraagde voorzieningen. Hierbij kan onderscheid gemaakt worden naar onderwijssoort of per voorziening. 2.Het programma en het overzicht worden vastgesteld op uiterlijk 31 december voorafgaande aan het jaar waarop het programma betrekking heeft. Artikel12.Bekendmaken besluiten vaststellen bekostigingsplafond, programma en overzicht 1.De besluiten tot het vaststellen van het bekostigingsplafond, het programma en het overzicht worden door het college binnen 2 weken na de datum waarop het besluit is genomen bekend gemaakt door het toezenden of uitreiken van het besluit aan de aanvragers. Gelijktijdig stelt het college de overige bevoegde gezagsorganen schriftelijk in kennis van de genomen besluiten. 2.De besluiten worden gelijktijdig met de bekendmaking ter inzage gelegd. Paragraaf2.4Uitvoeren programma Artikel13.Overleg wijze van uitvoering 1.Binnen vier weken nadat het programma is vastgesteld treedt het college in overleg met de aanvrager over de wijze waarop de op het programma geplaatste voorziening wordt uitgevoerd. In dit overleg wordt alle informatie verstrekt die nodig is voor het uitvoeren van de voorziening en worden, voor zover van toepassing, afspraken gemaakt over: het bouwheerschap, bedoeld in artikel 103 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 101 van de Wet op de expertisecentra en artikel 76n van de Wet op het voortgezet onderwijs; het tijdstip waarop het bouwplan en de begroting door de aanvrager worden ingediend; als dit van toepassing is, een andere wijze waarop de toegekende voorziening wordt uitgevoerd, met inachtneming van het beschikbaar te stellen bedrag; de wijze waarop het college het bouwplan en de begroting toetst, en of het naar het oordeel van het college noodzakelijk is bij het toetsen van het bouwplan en de begroting rekening te houden met feiten en omstandigheden die gewijzigd zijn ten opzichte van het moment waarop het programma is vastgesteld, waardoor het eerder genomen besluit kan worden herzien; de controle op en het afleggen van verantwoording over het besteden van de beschikbaar te stellen middelen; de wijze waarop de aanbesteding plaatsvindt; de mogelijkheid om vooruitlopend op het aanvragen van het totale investeringskrediet een bedrag aan te vragen voor de kosten van voorbereiding van het bouwplan tot 8 procent van het geraamde investeringsbedrag. 2.De inhoud van de afspraken of het feit dat het overleg niet tot overeenstemming heeft geleid legt het college schriftelijk vast in een verslag. De aanvrager ontvangt het verslag binnen 4 weken na het overleg. Als de aanvrager niet binnen 2 weken nadat het verslag is ontvangen schriftelijk reageert, wordt, afhankelijk van de inhoud van het vastgestelde verslag, geacht overeenstemming of geen overeenstemming te zijn bereikt. 3.Bij het toepassen van artikel 14, tweede lid, neemt het college binnen 4 weken nadat overeenstemming is bereikt een beslissing over het tijdstip waarop de bekostiging aanvangt. Het bepaalde in artikel 15 is daarbij van overeenkomstige toepassing. 4.Als in het overleg geen overeenstemming is bereikt, deelt het college dit binnen 4 weken nadat het verslag is vastgesteld schriftelijk mede aan de aanvrager en vermeldt gelijktijdig dat het bekostigen van de uitvoering van de voorziening wordt opgeschort. Artikel14.Instemmen bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang bekostiging; toetsen wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en omstandigheden; overleggen offertes 1.Nadat overeenstemming als bedoeld in artikel 13, tweede lid, is bereikt dient het bevoegd gezag het bouwplan en, als de voorziening wordt bekostigd op basis van de feitelijke kosten, de bijbehorende begroting in bij het college. Het bevoegd gezag houdt daarbij rekening met de hierover gemaakte afspraken, bedoeld in artikel 13, eerste lid. Gelijktijdig vermeldt het bevoegd gezag het tijdstip waarop de bekostiging kan starten. Het college moet instemmen met het bouwplan en de begroting voordat een bouwopdracht wordt verleend. 2.Het college beslist binnen 6 weken nadat de stukken zijn ontvangen over de bouwplannen, de desbetreffende begroting en het tijdstip waarop de bekostiging start. Het college kan, onder mededeling daarvan aan de aanvrager, deze termijn verlengen met 3 weken. Als niet binnen de gestelde termijn is besloten, wordt geacht instemming te zijn verleend met de bouwplannen en de begroting en start de bekostiging op het door de aanvrager aangegeven tijdstip. Het college stelt de aanvrager binnen 2 weken na de datum van de beslissing over het bouwplan, de desbetreffende begroting en het tijdstip waarop de bekostiging start respectievelijk na de datum waarop de instemming geacht wordt te zijn verleend hiervan schriftelijk in kennis. 3.De vergoeding op basis van de feitelijke kosten wordt vastgesteld op basis van de economisch meest voordelige inschrijving. Artikel15.Aanvang bekostiging Het college kan bij de beslissing over het tijdstip waarop de bekostiging start bepalen dat de gelden in termijnen betaald worden. Het betalen van de gelden vindt telkens plaats op een zodanig tijdstip dat de aanvrager kan voldoen aan de financiële verplichtingen die voortkomen uit het realiseren van de op het programma geplaatste voorziening. Artikel16.Vervallen aanspraak op bekostiging 1.Voor 1 oktober van het jaar waarop het programma betrekking heeft geeft de aanvrager een bouwopdracht of sluit hij een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst af. Hiervan zendt hij voor 15 oktober een afschrift aan het college. De aanspraak op bekostiging vervalt als niet aan deze verplichtingen wordt voldaan. 2.De in het eerste lid bedoelde: bouwopdrachten en overeenkomsten zijn onherroepelijk; bouwopdrachten vermelden de aanvangsdatum van het werk en de termijn, uitgedrukt in het aantal werkbare dagen, waarbinnen het werk wordt opgeleverd; huur- of erfpachtovereenkomsten vermelden de datum van inwerkingtreding, alsmede de duur van de overeenkomst; koopovereenkomsten vermelden de datum van aankoop. 3.De aanspraak op bekostiging vervalt niet als het overschrijden van de in het eerste lid bedoelde termijn veroorzaakt wordt door: bijzondere omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen, en de aanvrager voor 1 september een schriftelijk gemotiveerd verzoek tot het verlengen van de termijn heeft ingediend bij het college. 4.Het college beslist voor15 september op een verzoek tot het verlengen van de termijn. Bij inwilliging van het verzoek wordt in het besluit aangegeven tot welke datum de termijn wordt verlengd. Hoofdstuk3Aanvragen met een spoedeisend karakter Paragraaf 3.1 Aanvraag Artikel 17 Indienen aanvraag Een aanvraag tot het bekostigen van een voorziening die gelet op de voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden, wordt binnen 2 weken na het ontstaan van de calamiteit ingediend bij het college. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een door het college vastgesteld formulier. Artikel18.Inhoud aanvraag 1.Een aanvraag als bedoeld in artikel 17 vermeldt naast de gegevens genoemd in artikel 7, eerste lid, de omstandigheden waarom de voorziening spoedeisend wordt geacht. 2.Het college stelt de aanvrager binnen 2 weken na de datum waarop de aanvraag is ingediend schriftelijk op de hoogte als gegevens als bedoeld in het eerste lid ontbreken. De aanvrager heeft vervolgens 2 weken om de ontbrekende gegevens aan te vullen. Als dit niet gebeurt, neemt het college de aanvraag niet in behandeling. Paragraaf 3.2 Beoordelen aanvraag; uitvoeren besluit Artikel
- Tijdstip beslissing 1.Het college beslist binnen 4 weken nadat de aanvraag is ontvangen of, binnen 4 weken nadat de aanvullende gegevens zijn verstrekt of hadden moeten zijn verstrekt. 2.Als een beschikking niet binnen de gestelde termijn kan worden gegeven, deelt het college dit aan de aanvrager schriftelijk mede en noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien. 3.Het college stelt de aanvrager binnen 2 weken na de datum van de beslissing schriftelijk van de beslissing in kennis. Artikel20.Uitvoeren beslissing 1.Na het bekendmaken van een beslissing als bedoeld in artikel 19 eerste lid waarbij een vergoeding is toegewezen, treedt het college zo spoedig mogelijk in overleg met de aanvrager over de wijze waarop de voorziening wordt uitgevoerd. Het bepaalde in de artikelen 13, 14, 15 en 16 tweede tot en met vierde lid, is daarbij van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats van de termijn, bedoeld in artikel 14, tweede lid, eerste volzin, een termijn van 3 weken geldt. 2.Binnen drie maanden na bekendmaking van een beslissing als bedoeld in het eerste lid geeft de aanvrager een bouwopdracht of sluit hij een koop-, huur-, of erfpachtovereenkomst af. Hiervan zendt hij binnen een termijn van twee weken een afschrift aan het college. De aanspraak op bekostiging vervalt als niet aan deze verplichtingen wordt voldaan. Hoofdstuk4.Medegebruik en verhuur Paragraaf4.1Medegebruik voor onderwijs of educatie Artikel21.Aanduiden omstandigheden Het college kan overgaan tot het vorderen van een gedeelte van een voor een school bestemd gebouw of terrein als: door medegebruik aan de behoefte aan huisvesting kan worden voorzien van een school waarbij overeenkomstig bijlage III, deel C, een aanvullende ruimtebehoefte is vastgesteld en het bevoegd gezag van die school een aanvraag als bedoeld in de artikelen 6 of 17 heeft ingediend; sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij een andere school of een instelling als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, vastgesteld aan de hand van de voor die school of instelling gangbare berekeningswijze; leegstand is vastgesteld in een lesgebouw van een school; leegstand is vastgesteld in een lokaal bewegingsonderwijs van een school, of een sportveld van een school voor voortgezet onderwijs niet volledig wordt benut, wat blijkt uit het lesrooster van de school of scholen die dat sportveld voor het onderwijs gebruiken. Artikel22.Omschrijving leegstand 1.Er is sprake van leegstand in een schoolgebouw als overeenkomstig bijlage III, deel C, is vastgesteld dat de vastgestelde wcvapaciteit van hewt gebouw groter is dan de vastgestelde ruimtebehoefte. 2.Er is sprake van leegstand in een lokaal bewegingsonderwijs als: het lokaal wordt gebruikt door een of meer scholen voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, en de som van het aantal klokuren gebruik dat door het college is vastgesteld minder is dan 40 klokuren; het lokaal wordt gebruikt door een of meer scholen voor voortgezet onderwijs en uit de overeenkomstig bijlage III, deel B, vastgestelde ruimtebehoefte blijkt dat het lokaal minder dan 40 lesuren wordt gebruikt, tenzij het bevoegd gezag op basis van het lesrooster of de lesroosters voor het lopende of eerstkomende schooljaar aantoont dat dit niet het geval is; het lokaal wordt gebruikt door een of meer scholen voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs, en de som van de berekeningswijzen, bedoeld onder a en b, minder is dan 40 klokuren. Artikel23.Nalaten vorderen Het college vordert geen medegebruik als het bevoegd gezag de leegstand van het gebouw waarin het beoogde medegebruik moet plaatsvinden, in gebruik heeft gegeven aan een andere school of scholen voor het onderwijs aan die school of scholen, tenzij dat gebruik kan plaatsvinden in de voor die scholen al beschikbare huisvestingscapaciteit. Artikel24.Overleg en mededeling 1.Voordat het college overgaat tot vorderen in het kader van een aanvraag als bedoeld in artikel 6 overlegt het daarover met de betrokken bevoegde gezagsorganen tijdens het overleg als bedoeld in artikel
- 2.Voordat het college overgaat tot vorderen in het kader van een aanvraag als bedoeld in artikel 17, overlegt het daarover zo spoedig mogelijk met de betrokken bevoegde gezagsorganen. 3.Binnen 4 weken nadat het programma is vastgesteld of binnen 1 week na het overleg, bedoeld in het vorige lid, deelt het college het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt schriftelijk mede dat gevorderd wordt. 4.De schriftelijke mededeling van het college bevat in ieder geval: de naam van de school en het bevoegd gezag waarvoor wordt gevorderd; een aanduiding van het aantal leerlingen waarvoor gevorderd wordt of, als het betreft het bewegingsonderwijsonderwijs, het aantal klokuren dat gevorderd wordt; het gebouw waarop de vordering betrekking heeft; het aantal vierkante meters bruto vloeroppervlakte dat gevorderd wordt; de periode waarvoor gevorderd wordt, en de ingangsdatum van het medegebruik. Artikel25.Vergoeding De betrokken bevoegde gezagsorganen stellen in onderling overleg de vergoeding voor het medegebruik vast. Hierbij wordt als uitgangspunt genomen dat de vergoeding kostendekkend dient te zijn. Als geen overeenstemming wordt bereikt stellen partijen in onderling overleg vast welke handelswijze wordt gevolgd. Paragraaf4.2Medegebruik voor culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden Artikel26.Overleg en mededeling 1.Voordat het college overgaat tot vorderen overlegt het college met het bevoegd gezag. 2.In het overleg komt in iedergeval aan de orde: voor welke activiteit of activiteiten gevorderd wordt; of die activiteit of activiteiten zich verdragen met het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school; of maatregelen noodzakelijk zijn om te voorkomen dat het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school hinder van het medegebruik ondervindt; wat naar oordeel van het college en het bevoegd gezag een redelijke vergoeding voor het medegebruik is; de datum waarop het medegebruik redelijkerwijs aanvang kan nemen. 3.Binnen 4 weken na het overleg deelt het college het bevoegd gezag waarvan medegebruik gevorderd wordt schriftelijk mede dat gevorderd wordt. Als het overleg heeft geleid tot afspraken, worden ook deze opgenomen in de schriftelijke mededeling. Als het overleg niet tot volledige overeenstemming heeft geleid, dan bevat de mededeling de beslissing van het college over de punten waarover geen overeenstemming was bereikt. Paragraaf4.3Verhuur Artikel27.Verzoek toestemming college 1.Het bevoegd gezag verzoekt het college schriftelijk om toestemming als bedoeld in artikel 108, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 106, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra of artikel 76s, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs voordat een huurovereenkomst wordt gesloten. 2.Het verzoek bevat een aanduiding van de huurder en van de bestemming van de te verhuren ruimte. 3.Het college kan aan de toestemming de voorwaarde verbinden dat voor de verhuur een huur is verschuldigd. Hoofdstuk5.Einde gebruik gebouwen en terreinen Artikel28.Staat van onderhoud 1.Als het bevoegd gezag aan het college schriftelijk meldt dat een gebouw of terrein niet meer nodig is voor het huisvesten van een school stelt het college vast of er mogelijk sprake is van achterstallig onderhoud aan het gebouw of terrein. 2.Als het college vaststelt dat er sprake is van achterstallig onderhoud wordt voordat de eigendomsoverdracht plaatsvindt een staat van onderhoud opgemaakt. 3.De staat van onderhoud wordt na overleg met het bevoegd gezag opgemaakt in opdracht van het college. 4.Over de staat van onderhoud wordt overleg gevoerd met het bevoegd gezag. 5.Als uit de staat van onderhoud blijkt dat sprake is van achterstallig onderhoud wordt in het overleg vastgesteld welk deel hiervan voor rekening van het bevoegd gezag komt en of het bevoegd gezag opdracht verstrekt voor het uitvoeren van de werkzaamheden, of dat het bevoegd gezag een in overleg vast te stellen bedrag aan het college betaalt. Als geen overeenstemming wordt bereikt, stellen partijen vast welke handelwijze verder gevolgd wordt. 6.Het opmaken van een staat van onderhoud blijft achterwege als dit naar het oordeel van het college niet nodig is. Hoofdstuk6.Gebruik lokaal beweginsonderwijs door (speciaal) basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs Artikel29.Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit, inroosteren en gebruik 1.Het college stelt jaarlijks voor 15 december voorlopig vast het aantal klokuren bewegingsonderwijs waarop een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs, een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of een school voor voortgezet speciaal onderwijs in het daaropvolgende schooljaar aanspraak maakt. 2.Grondslag voor het berekenen van het aantal klokuren is het aantal leerlingen dat op 1 oktober van het lopende schooljaar op de school staat ingeschreven. 3.Op basis van het aantal klokuren stelt het college voor 31 december een rooster op voor het gebruik van de lokalen bewegingsonderwijs, waarbij het college rekening houdt met de volgende uitgangspunten: de afstanden in relatie tot de omvang van het onderwijsgebruik van een lokaal bewegingsonderwijs, bedoeld in bijlage I, deel B; een school waarvan het bevoegd gezag eigenaar is van het lokaal bewegingsonderwijs wordt voor de school als eerste ingeroosterd voor het lokaal bewegingsonderwijs, en het bewegingsonderwijs van een school wordt zoveel mogelijk ingeroosterd in één lokaal bewegingsonderwijs. 4.Het college stelt het bevoegd gezag, nadat het rooster voorlopig is vastgesteld, voor 15 januari in kennis van het rooster. Hierbij worden per school de volgende gegevens vermeld: het aantal klokuren waarvoor de school wordt ingeroosterd; het lokaal bewegingsonderwijs dat voor het bewegingsonderwijs is toegewezen, en de lestijden gedurende welke het onderwijsgebruik plaatsvindt. 5.De bevoegde gezagsorganen kunnen tot 1 maart reageren op het voorstel. 6.Op verzoek van de bevoegde gezagsorganen kan het college een overleg over het voorstel plannen. Dit overleg vindt plaats voor 15 februari. In het overleg kunnen de vertegenwoordigers van de bevoegde gezagsorganen reageren op het voorstel. 7.Het college stelt het rooster voor 15 maart definitief vast en houdt hierbij rekening met de reacties van de bevoegde gezagsorganen. 8.Het bevoegd gezag kan het college verzoeken meer klokuren in te roosteren dan het aantal klokuren dat door het college is vastgesteld. 9.Het college neemt een verzoek als bedoeld in het vorige lid uitsluitend in behandleing als daarvoor nog capaciteit beschikbaar is. Het aantal klokuren dat door het college extra wordt ingeroosterd komt voor rekening van het bevoegd gezag van de school. Hoofdstuk7.Slotbepalingen Artikel30.Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet voorziet In gevallen die de uitvoering van deze verordening betreffen en waarin deze verordening niet voorziet beslist het college. Artikel31.Indexering Het college stelt jaarlijks de in het kader van deze verordening gehanteerde normbedragen voor de vergoeding van voorzieningen bij op basis van de in bijlage IV opgenomen systematiek van prijsbijstelling. Artikel32.Intrekken oude verordening De volgende verordeningen worden ingetokken met ingang van de dag waarop de onderhavige verordening in werking treedt: Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Groesbeek 2008 Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Ubbergen 2011 Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Millingen aan de Rijn
- Artikel33.Inwerkingtreding en citeertitel 1.Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking. 2.Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Groesbeek
- Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Gemeente Groesbeek op 26 maart 2015.De raadsgriffier,J.A.M. van WorkumDe voorzitter, H.W.C.G. KeereweerBijlageI - Beoordelingscriteria noodzaak aangevraagde voorzieningen Deel A - Lesgebouwen De voorzieningen genoemd onder A.2 (vervangende bouw), A.3.1 (uitbreiding met één of meer leslokalen) en A.3.2 (uitbreiding met een speellokaal) worden niet noodzakelijk geacht voor dislocaties met een permanente bouwaard. Slechts in bijzondere omstandigheden kan dit, na overleg met het bevoegd gezag en ter beoordeling van het college plaatsvinden. A.1 Nieuwbouw Noodzaak van nieuwbouw is aanwezig als: de minister de desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt; de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of kunnen worden verwacht en: als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat deze leerlingen gedurende ten minste 15 jaar kunnen worden verwacht, of als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat deze leerlingen gedurende ten minste 4 jaar kunnen worden verwacht, en geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken is als passende huisvesting voor de school, en het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren. A.2 Vervangende bouw De noodzaak van vervangende bouw is aanwezig als: op grond van een overeenkomstig NEN 2767 opgestelde bouwkundige rapportage wordt vastgesteld dat onderhoud en aanpassen niet zal leiden tot de gewenste levensduurverlenging van tenminste 20 jaar; dit het gevolg is van een herschikkingsoperatie; dit het gevolg is van ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening en: als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat dit aantal leerlingen gedurende ten minste 15 jaar aanwezig zijn of kunnen worden verwacht, of als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat dit aantal leerlingen gedurende ten minste 4 jaar aanwezig zijn of kunnen worden verwacht, en geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken is als passende huisvesting voor de school, en het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren. A.3 Uitbreiding A.3.1 Uitbreiding schoolgebouw De noodzaak van het uitbreiden van een schoolgebouw is aanwezig als: de overeenkomstig bijlage III, deel A, vastgestelde capaciteit van een schoolgebouw van een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal of voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs kleiner is dan de overeenkomstig bijlage III, deel B, vastgestelde ruimtebehoefte en het verschil tussen de capaciteit en de ruimtebehoefte voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, of een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs of een voortgezet onderwijs, gelijk of groter is dan de drempelwaarde, bedoeld in bijlage III, deel C, en daarnaast: als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat dit aantal leerlingen gedurende minstens vijftien jaar kunnen worden verwacht, als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat dit aantal leerlingen gedurende minstens vier jaar aanwezig zijn of kunnen worden verwacht, of de prognose op basis van de laatste teldatum voor het indienen van de aanvraag aantoont dat het aantal leerlingen dat aanwezig is niet voor ten hoogste vier jaar binnen het gebouw of de gebouwen kunnen worden gehuisvest, en geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken is als passende huisvesting voor de school, en het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren. A.3.2 Uitbreiding met een speellokaal De noodzaak van het uitbreiden met een speellokaal is aanwezig als: tot een school voor speciaal basisonderwijs minstens twaalf kinderen jonger dan zes jaar of tot een school of afdeling van een school voor speciaal onderwijs kinderen jonger dan zes jaar worden toegelaten; de school volgens een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat de school minstens vijftien jaar zal blijven bestaan; in het schoolgebouw geen speellokaal aanwezig is; medegebruik van een speellokaal of lokaal bewegingsonderwijs binnen 300 meter hemelsbreed onmogelijk is, en het naar oordeel van het college onmogelijk is om tegen redelijke kosten inpandig een speellokaal te realiseren door gebruik te maken van een bestaand verschil tussen de overeenkomstig bijlage III, deel A, vastgestelde capaciteit en de overeenkomstig bijlage III, deel B, vastgestelde ruimtebehoefte. A.4 In gebruik nemen van een bestaand gebouw De noodzaak van het in gebruik nemen van een gebouw is aanwezig als: de minister de desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt of als het huidige gebouw moet worden vervangen of uitgebreid; de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of kunnen worden verwacht en: als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat deze leerlingen gedurende minstens vijftien jaar kunnen worden verwacht, of als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat deze leerlingen gedurende minstens vier jaar kunnen worden verwacht, en geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken is als passende huisvesting voor de school; het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren, en de kosten van het in gebruik nemen en aanpassen naar oordeel van het college in redelijke verhouding staan tot de kosten van vervangende bouw of uitbreiding. A.5 Verplaatsen tijdelijk gebouw De noodzaak van het verplaatsen van een tijdelijk gebouw is aanwezig als: er op basis van een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose een tijdelijke behoefte aan huisvesting voor minstens vier jaar is, waarin een beschikbaar leeg of leegkomend tijdelijk gebouw kan voorzien; geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken is als passende huisvesting voor de school; het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren, en de kosten van het verplaatsen naar oordeel van het college in redelijke verhouding staan tot de kosten van een nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal leerlingen en voor dezelfde tijdsduur. A.6 Terrein De noodzaak van het verwerven of uitbreiden van een terrein of een deel daarvan is aanwezig als het college heeft ingestemd met een voorziening als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1° tot en met 4°, en de oppervlakte van het bestaande terrein niet voldoende is om deze voorziening te realiseren. De oppervlakte van het terrein moet voldoen aan de minimumnormen, bedoeld in bijlage III, deel D. A.7 Eerste inrichting De noodzaak van de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair of leer- en hulpmiddelen ontstaat wanneer een voorziening wordt toegekend die uitbreiding van de totale huisvestingscapaciteit van de school tot gevolg heeft en deze niet voor 1 januari 2015 is bekostigd. De noodzaak van eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair van een speellokaal is aanwezig als een speciale school voor basisonderwijs of een speciale school wordt uitgebreid met een speellokaal. Bij fusie van scholen wordt uitsluitend uitbreiding van eerste aanschaf van onderwijsleerpakket, meubilair of leer- en hulpmiddelen toegekend als het aantal leerlingen na de fusie groter is dan het totaal aantal leerlingen van de afzonderlijk aan de fusie deelnemende scholen. A.8 Medegebruik De noodzaak van medegebruik van een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs of een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, of een school voortgezet onderwijs, is aanwezig als het verschil tussen de overeenkomstig bijlage III, deel A, vastgestelde capaciteit en de overeenkomstig bijlage III, deel B, vastgestelde ruimtebehoefte: gelijk of groter is dan de drempelwaarde, bedoeld in bijlage III, deel C, en een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat de overeenkomstig bijlage III, deel C, vastgestelde aanvullende ruimtebehoefte voor minimaal vier jaren noodzakelijk is. Bepalend bij het beoordelen van de beschikbaarheid van een gebouw of ruimte voor medegebruik is een afstand van ten hoogste 2 km, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg. Medegebruik blijft beperkt tot ten hoogste twee gebouwen. A.9 Herstel van constructiefouten De noodzaak van herstel van constructiefouten is aanwezig als een bouwkundige rapportage uitwijst dat het gaat om constructiefouten die hersteld moeten worden. A.10 Vervangen of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair en leer- en hulpmiddelen in geval van bijzondere omstandigheden De noodzaak van vervangen of herstel van een gebouw, onderwijsleerpakket of meubilair en leer- en hulpmiddelen als gevolg van schade daaraan, is aanwezig als door de opgetreden bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt gehinderd. Deel B - Voorzieningen voor lokalen bewegingsonderwijs B.1 Nieuwbouw, vervangende nieuwbouw, uitbreiding en ingebruikneming. De noodzaak van: nieuwbouw is aanwezig als de minister de desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt; vervangende nieuwbouw is aanwezig op grond van een overeenkomstig NEN 2767 opgestelde bouwkundige rapportage wordt vastgesteld dat onderhoud en aanpassen niet zal leiden tot de gewenste levensduurverlenging van 20 jaar of dit het gevolg is van een herschikkingsoperatie; uitbreiding van een lokaal bewegingsonderwijs is aanwezig als de oppervlakte van de zaal kleiner is dan 140 vierkante meters en het effectief gebruik van het lokaal daardoor belemmerd wordt, of het in gebruik nemen van een lokaal bewegingsonderwijs is aanwezig als: de minister de school voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt; het huidige gebouw overeenkomstig onderdeel b voor vervanging in aanmerking komt; of de kosten van het in gebruik nemen en aanpassen naar oordeel van het college in redelijke verhouding staan tot de kosten van vervangende bouw, en het onmogelijk is gebruik te maken van één of meer lokalen bewegingsonderwijs of van binnen een redelijke termijn beschikbaar komende lokalen bewegingsonderwijs voor: een school voor basisonderwijs of speciaal basisonderwijs, bij noodzakelijk gebruik van: ten minste 20 klokuren binnen 1 km, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg; ten minste 10 klokuren binnen 3,5 km, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg of ten minste 5 klokuren binnen 7,5 km, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg of een school voor speciaal onderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, bij noodzakelijk gebruik van: ten minste 10 groepen speciaal onderwijs binnen 1 km, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg; ten minste 10 groepen voortgezet speciaal onderwijs binnen 2 km, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg; ten minste 6 groepen speciaal onderwijs binnen 3,5 km, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg, of ten minste 3 groepen speciaal onderwijs binnen 7,5 km, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg, of een school voor voortgezet onderwijs binnen 2 km, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg en een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaar de groepen leerlingen waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is, aanwezig zijn of verwacht kunnen worden. B.2 Terrein De noodzaak van het verwerven of uitbreiden van een terrein of een deel daarvan is aanwezig als voor het realiseren van de nieuwbouw of de uitbreiding geen of onvoldoende terrein aanwezig is. B.3 Eerste inrichting De noodzaak van eerste inrichting bewegingsonderwijs is aanwezig als: nieuwbouw, uitbreiding of ingebruikneming bestaand lokaal bewegingsonderwijs voor de school is goedgekeurd, en voor de desbetreffende groepen leerlingen van het basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs nog niet eerder bekostiging eerste inrichting bewegingsonderwijs is verstrekt of voor de desbetreffende leerlingen van het voortgezet onderwijs nog niet eerder bekostiging eerste inrichting bewegingsonderwijs is verstrekt. B.4 Huur van een sportterrein school voor voortgezet onderwijs De noodzaak van huur van een sportveld is aanwezig als het lesrooster buitensport vermeldt, het bevoegd gezag niet beschikt over een eigen sportveld en medegebruik van een sportveld van een ander bevoegd gezag onmogelijk is. B.5 Medegebruik De noodzaak van medegebruik is aanwezig als het door de gemeente vastgestelde aantal klokuren bewegingsonderwijs zodanig is dat daarvoor binnen de op dat moment in gebruik zijnde lokalen bewegingsonderwijs geen plaats is. B.6 Herstel constructiefouten De noodzaak van herstel van constructiefouten is aanwezig als een bouwkundige rapportage uitwijst dat het gaat om constructiefouten die hersteld moeten worden. B.7 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden De noodzaak van vervangen of herstel van een gebouw, onderwijsleerpakket of meubilair als gevolg van schade daaraan is aanwezig als door de opgetreden bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt gehinderd. BijlageII - Prognosecriteria A. Algemeen Een prognose van het aantal te verwachten leerlingen van een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs of voor voortgezet onderwijs wordt gemaakt voor een periode van minstens vijftien jaar, met als eerste jaar het jaar waarin de start van de bekostiging wordt gewenst (de prognoseperiode). De prognose omvat gegevens voor minstens een periode van zes jaar (de analyseperiode) met als laatste jaar het jaar dat voorafgaat aan het indienen van de aanvraag. De prognose is niet meer dan twee jaar oud. Als basis voor de prognose mag gebruik gemaakt worden van de omvang van de basisgeneratie voor het basisonderwijs zoals het meest recent berekend door het Centraal Bureau voor de Statistiek of het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Een prognose wordt schriftelijk aangeleverd en bevat in ieder geval de relevante gegevens en berekeningen over de analyse- en prognoseperiode, een beschrijving van de gebruikte programmatuur en een onderbouwing van de aannames waarop de prognose is gebaseerd. B. Voedingsgebied Het voedingsgebied van een school omvat het gebied waaruit het overgrote deel van de leerlingen afkomstig is of zal zijn. De prognose voor een basisschool bevat in ieder geval een beschrijving van het voedingsgebied op wijkniveau. Bij een speciale school voor basisonderwijs en een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs kan, als het voedingsgebied zich over de gemeentegrens uitstrekt, worden volstaan met een opsomming van de gemeenten die tot het voedingsgebied worden gerekend. Voor zover het voedingsgebied kleiner is dan de hele gemeente wordt beredeneerd aangegeven welke berekeningen op de basisgeneratie zijn toegepast. C. Prognose school voor basisonderwijs De prognose van een school voor basisonderwijs geeft per jaar inzicht in het te verwachten aantal leerlingen van de school of nevenvestiging waarbij rekening wordt gehouden met: het voedingsgebied; de bevolking in het voedingsgebied, verdeeld in relevante leeftijdsgroepen; de woningvoorraad en wijzigingen daarin, inclusief een eventuele wijziging van het voedingsgebied; veranderingen als gevolg van migratie, sterfte en geboorte in de leeftijdsgroepen, bedoeld onder b; veranderingen in de bevolking als gevolg van wijzigingen in de woningvoorraad; de verdeling van de leerlingen als gevolg van de belangstelling voor de basisschool, en het onderwijs dat wordt gegeven. D. Prognose speciale school voor basisonderwijs en school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs De prognose van een speciale school voor basisonderwijs en een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs moet inzicht geven in: het voedingsgebied; de plaats waar het onderwijs moet worden gegeven; de voorgestelde datum van ingang van bekostiging, en als het een school voor meervoudig gehandicapte kinderen betreft, de handicaps van de leerlingen waarvoor de school bestemd is. E. Prognose school voor voortgezet onderwijs De prognose van een school voor voortgezet onderwijs moet inzicht geven in: de gemeente van herkomst van de leerlingen het voedingsgebied; de verdeling van de leerlingen als gevolg van de belangstelling voor de basisschool; de basisgeneratie 4 tot en met 11 jaar + 30 procent van de 12 jarigen, en de plaats waar het onderwijs moet worden gegeven. Programma van eisen voor leerlingenprognoses 1 Deze tekst is (behoudens enkele redactionele wijzigingen) aan de gemeenten toegestuurd als bijlage bij ledenbrief 99/136, d.d. 23 augustus
- 1 Inleiding 2 Prognosticeren van leerlingenaantallen: algemene beschrijving van de systematiek 3 Eisen aan leerlingenprognoses PO en VO: beschrijving 4 Eisen aan leerlingenprognoses: begrippen, definities en formules 1 Inleiding In de VNG-modelverordening voorzieningen huisvesting onderwijs is vastgelegd dat schoolbesturen bij aanvragen van voorzieningen in de huisvesting in de meeste gevallen een prognose van de leerlingenaantallen dienen te overleggen. De leerlingprognose vormt voor de gemeente één van de criteria voor het beoordelen van de noodzaak van een voorziening. De leerlingprognose dient aan bepaalde eisen te voldoen. Om de kwaliteit van de leerlingprognose te waarborgen was in het verleden een aantal prognosemodellen in de VNG-modelverordening voorzieningen huisvesting onderwijs voorgeschreven. Voor het basisonderwijs was het prognosemodel ‘Probo II’ voorgeschreven, voor het (voortgezet) speciaal onderwijs het prognosemodel ‘Lasso 3.2’ en voor het voortgezet onderwijs het prognosemodel ‘huisvesting VO’. Van bovengenoemde prognosemodellen is in 1998 door een door de VNG samengestelde werkgroep ‘Prognoses’ vastgesteld dat zij (op onderdelen) zijn verouderd en dienen te worden aangepast dan wel vervangen. De werkgroep heeft daarop een reeks van kwaliteitseisen voor een vernieuwd prognosemodel geformuleerd. Deze eisen betreffen met name de systematiek van het prognosticeren. Tevens heeft de werkgroep enkele eisen gesteld met betrekking tot (te ontwikkelen) software voor het prognosticeren van leerlingenaantallen. De door de werkgroep geformuleerde eisen met betrekking tot de systematiek van het prognosticeren zijn vervolgens uitgewerkt tot op het niveau van de onderliggende begrippen, definities en rekenformules. Ook is een algemene beschrijving van de systematiek van het prognosticeren van leerlingenaantallen opgesteld. Bovengenoemde inspanningen hebben geleid tot het Programma van eisen leerlingenprognoses, als neergelegd in het document dat voor u ligt. In hoofdstuk 2 is de algemene beschrijving van de systematiek van het prognosticeren van leerlingenaantallen weergegeven. Hoofdstuk 3 (Eisen aan leerlingenprognoses: beschrijving) bevat een beschrijving van de eisen die aan het prognosticeren van leerlingenaantallen, en aan (te ontwikkelen) software, worden gesteld. In hoofdstuk 4 (Eisen aan leerlingenprognoses: begrippen, definities en formules) ten slotte zijn de eisen met betrekking tot de prognosesystematiek uitgeschreven tot op het niveau in van de te hanteren begrippen, definities en rekenformules. 2 Prognosticeren van leerlingenaantallen: algemene beschrijving van de systematiek 2.1 Inleiding De prognose speelt veelal een belangrijke rol bij het al dan niet toekennen van voorzieningen in de huisvesting. Daarom is in de wet vastgelegd dat de gemeentelijke verordening criteria voor prognoses bevat. In dit hoofdstuk wordt in algemene bewoordingen beschreven op welke wijze het prognosticeren van leerlingenaantallen dient plaats te vinden. Hiertoe worden in paragraaf 2 en 3 algemene vereisten beschreven. In paragraaf 4 tot en met 7 komen de specifieke aandachtspunten bij de verschillende onderwijssoorten aan de orde. 2.2 Algemeen De methode om een bevolkingsprognose te maken verschilt in principe niet per onderwijssoort: op basis van de verwachte bevolkingsomvang en -samenstelling in enig jaar wordt voor dat jaar met deelnamepercentages en belangstellingspercentages bepaald hoeveel leerlingen een school of enkele scholen van dezelfde richting kan verwachten. Het deelnamepercentage geeft de verhouding weer tussen het totaal aantal leerlingen op de scholen en de omvang van de basisgeneratie van het voedingsgebied. Het belangstellingspercentage is het aandeel dat een school of richting inneemt in het totaal van alle leerlingen op de scholen in het voedingsgebied. Per onderwijssoort verschilt wel welke leeftijdsgroepen van de kinderen tot de basisgeneratie worden gerekend. Voor het basisonderwijs bijvoorbeeld worden de 4- tot en met 11-jarigen voor 100% daarin meegeteld en de 12-jarigen voor 30%, terwijl voor het voortgezet onderwijs wordt uitgegaan van het gemiddelde van de 12- en 13-jarigen voor de bepaling van de basisgeneratie. Voor het kunnen berekenen van het verwachte aantal leerlingen van scholen in de komende 15 jaren is het noodzakelijk inzicht te hebben in de verwachte ontwikkeling van de bevolking in het voedingsgebied van de school of scholen over deze periode. Een voedingsgebied is het gebied waaruit minimaal 70% van de leerlingen afkomstig is. Voor de eerste jaren van de prognoseperiode gaat het om kinderen die geboren zijn en al dan niet op school zitten. Voor de latere jaren (voor het basisonderwijs vanaf het vijfde prognosejaar na het laatste jaar waarvoor de bevolkingsgegevens bekend zijn) kan niet worden volstaan met de aanwezige bevolking: ook de geborenen vanaf het uitgangsjaar gaan dan tot de basisgeneratie behoren. Het uitgangsjaar is het laatste jaar waarvoor de bevolkingsgegevens bekend zijn. De basisgeneratie zijn de kinderen in een bepaalde leeftijdsgroep. Als prognosetermijn wordt in bijlage II van de VNG-modelverordening voorzieningen huisvesting onderwijs 15 jaar aangehouden vanaf het gewenste jaar van realisatie. Incidenteel zijn er gemeenten die 20 jaar als prognosetermijn hanteren. Ook op deze termijn is een valide prognose te maken, zij het dat door de onzekerheid in de ontwikkelingen – met name welke woningbouw zal op langere termijn plaatsvinden – de te maken varianten een flinke spreiding in uitkomsten kunnen vertonen. Door incidentele wijzigingen in de regels (bijvoorbeeld voor het basisonderwijs de vereenvoudiging van de formatietoewijzing en groepsgrootteverkleining die enkele jaren omvatten) kan het handig zijn om in plaats van de prognoses voor 15 jaar prognoses te maken voor de periode tot en met 15 jaar na ingang van de regels. Indien de prognose niet voor 15 jaar wordt gemaakt maar voor een korte termijn, is er tevens een afwijkend prognosemodel mogelijk. De omvang van de schoolbevolking wordt daarbij bepaald door de doorstroom die binnen de school plaatsvindt vanuit de verschillende leerjaren naar één leerjaar hoger het volgende (school)jaar. Slechts voor de instroom in het eerste leerjaar worden dan via het aandeel leerlingen en kinderen van een bepaalde leeftijd bevolkingsgegevens gebruikt. De prognose mag in elk geval niet meer dan twee jaar oud zijn. Voor aanvragen die begin 2000 worden ingediend voor het huisvestingsprogramma van 2001 mag bijvoorbeeld geen prognose met uitgangsjaar 1-1-1998 worden gehanteerd (in de formules is t=0 uitgangsjaar; t = -1 is laatst bekende jaar waarover geborenen bekend zijn). De prognosemaker heeft in de hoofdstuk 3 en 4 beschreven systematiek veel keuzes te maken: het voedingsgebied samenstellen, de prognosesystematiek bepalen, deelnameen belangstellingspercentages en trends in de prognose vaststellen en al dan niet toepassen van clustering. Om een goede controle door de gemeente van de prognose mogelijk te maken, zal de prognosemaker de keuzes die zijn gemaakt, moeten weergeven en beargumenteren. Specifiek geldt dit voor het vaststellen van het voedingsgebied, de manier waarop met gemeenten waaruit incidenteel leerlingen komen, wordt omgegaan en natuurlijk de keuzes van de aannames. 2.3 Prognosegegevens De gegevens om aannames te kunnen doen over de bevolkingsontwikkeling zijn de gegevens over de stand (aanwezige bevolking in bepaalde leeftijden per 1 januari) en loop (in- en uitstroom: geboorte, migratie en sterfte) van de bevolking en – zeer belangrijk – de gegevens over de gerealiseerde woningvoorraad tijdens de analyseperiode. Voor de geboorte is het van belang een prognose te maken van de ontwikkeling van het aantal vrouwen in het voedingsgebied de komende 11 jaren en het aantal geborenen dat per jaar hieruit wordt verwacht. Hiervoor zijn gegevens nodig van het aantal kinderen dat wordt geboren bij een bepaalde leeftijdsgroep van de vrouwen. Lettend op de zeer lage sterftecijfers in Nederland onder kinderen en vrouwen tot 50 jaar zijn deze mede opgenomen in de mutatiefactoren die voor de migratie van leeftijdsgroepen in de analyseperiode worden berekend. De hoeveelheid woningen – naast de woningvoorraad in enig jaar – die in het voedingsgebied zijn gebouwd in het verleden en die mogelijk komende jaren worden gebouwd, zijn bepalend voor de migratie en daarmee voor de mutatiefactoren. Daarom wordt de woningbouw ook voor de totale analyse- en prognoseperiode als basisgegeven opgenomen. Om een actueel beeld te verkrijgen met de prognose is het noodzakelijk dat deze is gebaseerd op recente gegevens. De leerlinggegevens komen jaarlijks per 1 oktober beschikbaar als de scholen hun verplichte (reguliere) leerlingentelling uitvoeren. De bevolkingsgegevens worden steeds per 1 januari opgemaakt: het betreft dan gegevens over de stand en de loop van de bevolking. Het meest actueel kan worden gewerkt indien de prognose na 1 januari en voor 1 oktober wordt gemaakt. Voor de periode na 1 oktober en voor 1 januari geldt dat de leerlingentelling van 1 oktober dient om voor het eerste prognosejaar te controleren of de trends goed zijn verwerkt. In de op te stellen prognose kunnen in die periode de aannames zo worden aangepast dat de prognose zo goed mogelijk aansluit bij de leerlingentelling. (Voor het voortgezet onderwijs wordt voor het meest recente jaar in de prognose voor de basisgeneratie gebruikgemaakt van het gemiddelde van de 11- en 12-jarigen van 1 januari daaraan voorafgaand). Om aan gegevens te komen over de verwachte ontwikkeling van de bevolking in het voedingsgebied zijn twee methodes beschikbaar. Ten eerste kunnen bevolkinggegevens per leeftijd en per jaar worden overgenomen van bestaande, betrouwbare prognoses. Ten tweede kan de prognose van de bevolking zelf worden gemaakt. Het eerste is aan de orde (of kan aan de orde zijn), indien het gaat om scholen met grote voedingsgebieden die meer gemeenten omvatten of indien het gaat om gemeenten die – voor allerlei andere doeleinden – zelfs op binnen gemeentelijk niveau (buurt- of wijkniveau) een regelmatig geactualiseerde bevolkingsprognose bezitten. De gemeentelijke afdeling onderwijs of onderzoek en statistiek weet of dit van toepassing is en kan tevens een uitspraak doen over de betrouwbaarheid van deze bestaande prognoses. Voor voedingsgebieden die meer gemeente bevatten, hetgeen met name voorkomt bij speciale scholen voor basisonderwijs, bij het (voortgezet) speciaal onderwijs en bij het voortgezet onderwijs, kan gebruik worden gemaakt van de Primos-prognoses. Deze zijn per gemeente en leeftijdsjaar beschikbaar voor de komende 22 jaar en worden tweejaarlijks opnieuw uitgebracht door TNO. Zelf de prognose van de bevolking maken, is noodzakelijk indien er geen (betrouwbare) bevolkingsprognose aanwezig is en indien het voedingsgebied afwijkt van de gebieden waarvoor wel bevolkingsprognoses voor handen zijn. Omdat bij het prognosticeren van de basisgeneratie veel bevolkingsgegevens nodig zijn, worden voedingsgebieden meestal gekozen overeenkomstig een bestaande (gemeentelijke) indeling als gemeente, kern, plaats, wijk of stemdistrict. Hierdoor zijn de bevolkingsgegevens makkelijk opvraagbaar. De gegevens nodig voor de prognose wijzigen zich soms: wijzigingen van gemeentegrenzen, fusies van scholen leiden ertoe dat de analysegegevens moeten worden aangepast. Uitgangspunt daarbij vormt dat in het uitgangsjaar van de analyseperiode wordt gedaan alsof de wijziging reeds heeft plaatsgevonden. Bij de samenvoeging van twee scholen bijvoorbeeld worden dus voor de jaren voor de fusie de leerlingenaantallen van beide scholen bij elkaar opgeteld alsof de fusie reeds heeft plaatsgevonden. Wel moet de prognosemaker bedacht zijn op verdere consequenties van de wijziging. Door een fusie kan bijvoorbeeld ook het voedingsgebied zijn gewijzigd. In de analyse van de belangstelling voor de school kan dit bijvoorbeeld blijken door een toegenomen belangstelling in de laatste paar jaar. Het is dan aan de prognosemaker de aanname goed te kiezen en inzichtelijk te maken. De verwachte bevolkingsomvang en -samenstelling, de belangstelling- en deelnamepercentages zijn elementen die per jaar moeten worden bepaald op basis van de bevolkingsontwikkeling en de gegevens over de gerealiseerde waarden in het verleden. De periode waarover de vaststaande (historische) gegevens worden betrokken bij het doen van de aannames voor de prognoseperiode heet de analyseperiode. Deze periode moet minimaal zo veel jaar omvatten als de lengte van de opleiding waarvoor de prognose wordt gemaakt (dus bijvoorbeeld voor een havo vijf jaar). Des te langer de analyseperiode, des te beter, mits de ontwikkelingen in de analyseperiode geen discontinuïteit vertonen. Een kortere periode kan, maar leidt waarschijnlijk tot een grotere onzekerheid in de aannames. Aanvullend op de genoemde aandachtspunten die voor prognose van alle onderwijssoorten gelden, worden onderstaand de aandachtspunten gegeven bij de prognosemodellen per onderwijssoort. 2.4 Basisonderwijs Voor het basisonderwijs is het meest gebruikte model de cohortprognose. De formules van dit model zoals weergegeven in hoofdstuk 4 beschrijven de gegevens die nodig zijn om analyses te maken en de samenhang in de gegevens voor het maken van de prognoses. Essentieel in de prognose is de woningbouw. Door in de analyseperiode de invloed van de woningbouw op de veranderingen in de omvang van de bevolkingsgroep uit te zuiveren, ontstaat een beeld wat de ontwikkeling van de desbetreffende bevolkingsgroep zou zijn als er geen toevoegingen of onttrekkingen aan de woningvoorraad waren geschied. In de prognoseperiode wordt vervolgens weer rekening gehouden met de geplande (en goedgekeurde) woningbouw. Omdat veelal de woningbouw niet over een periode van 15 jaar bekend is, kan rekening worden gehouden met een periode die minder lang is. Als er geen wijzigingen meer in de woningvoorraad optreden (behalve voor de eerste vijf jaar), wordt in een periode van vijf jaar lineair de mutatiefactor naar de waarde 1,0 gebracht. In geval dat de prognosetermijn wordt overschreden, wordt de interpolatie niet geheel volbracht. Als na de vijfjaarstermijn voor interpolatie nog prognosejaren resteren, dan wordt voor die jaren de mutatiefactor op 1,0 gesteld. Woningbouw is alles bepalend als het gebied waar de school of scholen worden gepland een nieuwbouwgebied is. Hier voorzien de prognosecriteria voor het basisonderwijs in een speciaal voor dit doel ontwikkeld prognosemodel ‘woningbouw nieuw’. Dan is geen vooruitberekening nodig van de aantallen vrouwen van bepaalde leeftijden en het aantal daaruit te verwachten geborenen. Het aantal kinderen in de basisgeneratie wordt afgeleid uit het aantal woningen dat per jaar gereed komt, het aandeel eengezinswoningen en het algemeen vruchtbaarheidscijfer in de gemeente waar de woningen worden gebouwd. Aan de basis van dit programmaonderdeel ligt de zogenaamde referentielijn. De referentielijn geeft aan hoeveel kinderen per 100 woningen verwacht worden naar leeftijd van de woning. De correctiefactoren voorzien in een ophoging van alle waarden als er veel eengezinswoningen (70% of meer) komen of als het vruchtbaarheidsniveau er hoog is (een Algemeen Vruchtbaarheidscijfer (AVC) van 60 per 1000 vrouwen in de leeftijd 15 tot en met 49 jaar of meer). Verlaging van de waarden in de referentielijn is aan de orde als er relatief weinig eengezinswoningen worden gebouwd (minder dan 55%) en als het gestandaardiseerde AVC kleiner is dan het Nederlands gemiddelde. De referentielijn is eind jaren tachtig ontworpen op grond van evaluatie van een groot aantal nieuwbouwwijken uit de jaren zestig en zeventig. Het is dus mogelijk dat de waarden op dit moment niet (geheel) voldoen. Beredeneerde afwijkingen van of vervanging door een andere referentielijn is dan ook mogelijk. Een bestaande wijk met daarin een basisschool waarbij aan die wijk een deel nieuwbouw wordt gerealiseerd (niet groot genoeg om een nieuwe school te stichten), is een voorbeeld van een voedingsgebied waarin de verandering zo groot is dat feitelijk sprake is van twee voedingsgebieden. Indien verschillende delen van het gehele gebied een duidelijk van elkaar afwijkende ontwikkeling en structuur hebben, is het van belang in de analyse en prognose elk van de onderscheiden delen te beschouwen als voedingsgebied en separaat door te rekenen. Indien er omgekeerd meer voedingsgebieden zijn, maar deze niet wezenlijk van elkaar verschillen (dus globaal dezelfde ontwikkeling qua bevolking en woningbouw kennen), kunnen deze voor de prognose worden samengenomen tot één voedingsgebied. Indien de gegevens van het voedingsgebied niet in voldoende mate voorhanden zijn of indien de gegevens over te kleine aantallen gaan, is het onmogelijk of moeilijk een valide cohortprognose te maken. In dat geval kan de verdeelmethode uitkomst bieden: op basis van een reeks waarnemingen (in de analyseperiode) over de verhouding tussen het voedingsgebied en het berekeningsgebied (een groter gebied waarvoor wel de gegevens voorhanden zijn) wordt vastgesteld welk verhoudingscijfer het meest kenmerkend is voor de ontwikkeling van de basisgeneratie in het voedingsgebied. Op basis van het verloop van dit kenmerkende cijfer voor het berekeningsgebied worden de waarden voor het voedingsgebied bepaald. Binnen Nederland zijn enkele richtingen in het (basis)onderwijs die hun leerlingen zeer sterk trekken uit één of enkele geloofsgemeenschappen. Voor deze scholen kan en mag op basis van gegevens uit de kerkelijke bevolking – wanneer deze gegevens te controleren zijn – een prognose worden gemaakt. Indien de gegevens niet controleerbaar zijn of de school leerlingen trekt van meer geloofsgemeenschappen kan rekening worden gehouden met de ontwikkeling van de leerlingenpopulatie door in de aanname voor het belangstellingspercentage uit te gaan van de verhouding onderbouw/bovenbouw of van de verhouding 0- tot en met 3-jarigen ten opzichte van het aantal 4- tot en met 7-jarigen. 2.5 Speciale scholen voor basisonderwijs Voor de speciale scholen voor basisonderwijs is een model ontwikkeld waarbij getrapt de prognose valt te maken. Vanuit de prognose voor de basisscholen in een samenwerkingsverband (waarbij voor elke gemeente waaruit basisscholen in het samenwerkingsverband zitten, fictief één basisschool wordt gevormd bestaande uit de gesommeerde aantallen leerlingen van de afzonderlijke basisscholen) wordt de prognose voor de speciale school voor basisonderwijs gemaakt. Per gemeente wordt daarbij een verwijzingspercentage geanalyseerd voor de afgelopen jaren en geprognosticeerd voor de komende jaren. Zo is per gemeente te bepalen welke trend de verwijzing kent en hoe de verhouding is ten opzichte van het gewenste verwijzingspercentage. Het grensverkeer – leerlingen van en naar andere scholen dan die in het eigen samenwerkingsverband– is in de prognose meegenomen door te werken met een opslagpercentage voor leerlingen van buiten het samenwerkingsverband. Het grensverkeer zal waarschijnlijk komende jaren veranderen qua karakter en omvang. Het is zaak in de prognose goed aandacht te besteden aan de assumpties voor het opslagpercentage. In de prognosesystematiek zijn geen formules opgenomen voor de kortetermijnprognose op basis van doorstroom. Dit is bewust gebeurd omdat bij de speciale scholen voor basisonderwijs de instroom vaak instabiel is (dat wil zeggen van jaar tot jaar sterk kan wisselen). Bovendien gaat het in veel gevallen om kleine getallen zodat toeval een grote rol kan spelen bij de prognose. 2.6 Scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs en praktijkscholen/afdelingen in het voortgezet onderwijs Voor de scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs is de bestaande systematiek van het prognoseprogramma Lasso gehandhaafd. Daarbij is wel voor de maker van de prognose de mogelijkheid ontstaan zelf de trend in de deelname te bepalen. Soms spelen bij deze scholen zaken mee die van invloed zijn op de prognose maar die niet direct uit de bevolkingsontwikkeling of bevolkingsgegevens zijn af te leiden. Het gaat hierbij om: internaten; wachtlijstleerlingen. ad a Internaten Vanuit internaten gaan leerlingen vaak naar één bepaalde school. De deelname aan de school vanuit het internaat hangt dan veel al af van de capaciteit van het internaat. Wijzigingen daarin zorgen ook voor wijzigingen in het aantal leerlingen. Indien de school naast leerlingen uit internaten ook leerlingen van elders heeft, dienen de internaatleerlingen niet te zijn opgenomen in de prognose naar herkomstgemeenten. ad b Wachtlijstleerlingen Wachtlijstleerlingen zijn leerlingen waarvoor – ofschoon de indicatie aangeeft dat zij geplaatst zouden moeten worden op de desbetreffende school voor (voortgezet) speciaal onderwijs – geen ruimte aanwezig is en die ook niet zijn toegelaten op een andere school voor (voortgezet) speciaal onderwijs. Afhankelijk van de gegevens uit de analyseperiode kan in de prognose een absolute opslag worden opgenomen of een relatieve. Belangrijk is dat op het moment dat de situatie zich wijzigt en de wachtlijst leegstroomt ook de opslag achterwege blijft. Voor de zelfstandige school voor praktijkonderwijs is onlangs een verandering in de indicatiestelling doorgevoerd. Dit leidt vanwege de trendbreuk tot onnauwkeurigheden. Het maken van een globale prognose door maximaal clustering toe te passen, dat wil zeggen herkomstgemeenten en leerlingen te sommeren, vormt nu één van de weinige methoden om een valide prognose te maken. Als de gegevens geen breuk meer laten zien en als de beschikbare gegevens een meer verfijnde prognoseberekening mogelijk maken, kan te zijner tijd van systematiek worden gewisseld. Voor regionale scholen, die in het (voortgezet) speciaal onderwijs in een aantal schoolsoorten voorkomen, is het handig te werken met grotere voedingsgebieden (regio’s of provincies). De hoeveelheid werk wordt dan wezenlijk minder en het resultaat is niet minder betrouwbaar. 2.7 Voortgezet onderwijs exclusief praktijkscholen/-afdelingen Voor het voortgezet onderwijs is gekozen aan te sluiten bij de systematiek zoals die door het ministerie wordt vereist voor het plan van scholen (en die door de besturenorganisaties al jaren wordt toegepast). Het gaat daarbij om de bepaling van de schoolbevolking op basis van het gemiddelde aantal 12- en 13-jarigen. In de vermenigvuldigingsfactor om de verhouding te bepalen tussen de schoolbevolking en het gemiddelde aantal 12- en 13jarigen in leerjaar 1 (de instroom) zit de belangrijkste demografische factor: de migratie. Als in de bepaling van de belangstellingspercentages per gemeente blijkt dat voor een aantal gemeenten deze onderling weinig van elkaar verschillen, kan clustering (sommeren van gemeenten waaruit niet jaarlijks leerlingen de school bezoeken) worden toegepast. Hiervoor wordt in de prognosesystematiek geen vast aantal of vast percentage genoemd. Voor de eerste zes jaar is tevens een model op basis van doorstroompercentages opgenomen, waarbij per leerjaar en onderwijssoort uitkomsten worden gegenereerd. Dit model kan per school per vestiging en per schooltype worden toegepast. Het is belangrijk daarbij nauwkeurig en consistent om te gaan met de gegevens, zodat voor de eerste jaren betrouwbare prognoses ontstaan. 3 Eisen aan leerlingenprognoses PO en VO: beschrijving 3.1 Inleiding Onderstaand zijn de eisen beschreven waaraan leerlingenprognoses dienen te voldoen. De beschrijving is opgesteld tegen de achtergrond van de prognoseprogrammatuur Probo, Lasso en ‘huisvesting VO’. De beschrijving in dit hoofdstuk heeft primair tot doel aan te geven hoe de vernieuwde prognosemodellen dienen af te wijken van de prognoseprogrammatuur Probo, Lasso en ‘huisvesting VO’. Volledig uitgeschreven begrippen, definities en formules komen in hoofdstuk 4 aan de orde. De eerste drie delen van dit hoofdstuk bevatten eisen van prognose-technische aard. Het laatste deel richt zich specifiek op prognoseprogrammatuur. Deel 1 Basisonderwijs a. Woningbouw a1 Bestaand Het is mogelijk gemaakt de woningbouw voor een zelf te kiezen periode (maximaal 15 jaar) in te voeren. Referentie is de door de gemeente opgegeven of op te geven woningbouw. Het terugbrengen van de mutatiefactoren naar 1,0 is in het nieuwe model gehandhaafd, zij het dat standaard de termijn om dit te doen op 5 jaar is gesteld. Handmatig blijven wijzigingen mogelijk. a
- Referentielijn Voor de referentielijnen in ‘woningbouw nieuw’ is geconstateerd dat het wenselijk is dat de referentiegetallen hernieuwd worden vastgesteld/geijkt. Bij afwezigheid van een herijkte referentielijn is – bij gebrek aan beter – de huidige lijn inclusief de verfijningen daarop, opgenomen in het model. b. Vrouwen Voor de vrouwen is overgegaan tot een éénjaarsysteem vanuit het laatste analysejaar. c. Aansluiting tussen de kortetermijnprognose en de langetermijnprognose Om de aansluiting tussen de kortetermijnprognose en de langetermijnprognose beter tot zijn recht te laten komen, wordt in de cohortberekening voor de kortetermijnprognose ook rekening gehouden met de woningbouw (zowel in de analyse als in de te maken prognose). Voor de kortetermijnprognose zijn er meer keuzemogelijkheden voor de toekomstige deelname gewenst (stapsgewijs naar de belangstelling van de vierjarigen brengen). d. Verdeelmethode In de verdeelmethode moet niet op basis van één waarneming een constante verhouding tussen berekeningsgebied en het gebied waarvoor de prognose wordt gemaakt, worden gekozen. Diverse keuzes kunnen hier (als de methode gehandhaafd blijft) worden gekozen. e. Keuzes van aannames Meer keuzemogelijkheden voor deelname- en belangstellingspercentages zijn nodig in het leerlingendeel ten opzichte van het Probo. Ook de keuze voor een extrapolatie conform de opgenomen berekeningswijze in het Lasso. f. De prognoses voor speciale scholen voor basisonderwijs Voor de speciale scholen voor basisonderwijs is een prognosesystematiek voorgeschreven die het mogelijk maakt ontwikkelingen bij de samenwerkingsverbanden en ontwikkelingen in de verwijzingen ook zichtbaar te maken. In de nieuwe systematiek is de volgorde: prognose basisgeneratie (waar mogelijk met Primos) per gemeente; bepaling aandeel van de basisscholen in het samenwerkingsverband in de desbetreffende gemeente; verwijzing vanuit de basisscholen naar de speciale scholen voor basisonderwijs met daaruit volgend de prognose voor de speciale scholen voor basisonderwijs. Het ‘grensverkeer’ tussen de samenwerkingsverbanden kan daarbij in eerste instantie op nul worden gesteld, maar moet wel in beeld worden gebracht en via een opslag (of opslagpercentage, positief of negatief) worden betrokken bij de prognose voor de speciale scholen voor basisonderwijs. N.B. Probleem bij het grensverkeer is dat dit sterk kan wisselen en dat de omvang – althans nu nog – mede afhangt van het al dan niet compleet zijn van het onderwijsaanbod. De prognosesystematiek als recept Maak met de basisgeneraties per gemeente en de belangstellingspercentages van de geclusterde basisscholen van het samenwerkingsverband per gemeente prognoses van de leerlingenaantallen van de basisscholen (van het betreffende samenwerkingsverband). N.B. Alle scholen binnen een gemeente die van hetzelfde samenwerkingsverband deel uitmaken, worden geclusterd tot één fictieve basisschool. Bepaal op grond van te verzamelen of verzamelde informatie het percentage verwijzingen vanuit de geclusterde basisscholen van het samenwerkingsverband per gemeente naar de speciale school of scholen voor basisonderwijs. In beginsel zal verwijzing binnen het samenwerkingsverband plaatsvinden. Leerlingen afkomstig uit het basisonderwijs kunnen zitten op speciale scholen voor basisonderwijs die buiten het samenwerkingsverband valt waarin de basisschool participeert. Hier zijn twee oplossingen voor:
(1)verwijzing naar alle speciale scholen voor basisonderwijs verzamelen en bijhouden of
(2)de tijdelijk nog buiten het samenwerkingsverband naar school gaande leerlingen meerekenen in de verwijzing naar de dichtstbijzijnde speciale school voor basisonderwijs binnen het samenwerkingsverband waar de opvang mogelijk is. N.B. Per basisschool stappen 1 en 2 uitvoeren leidt tot hele kleine aantallen verwijzingen en daarmee tot schijnnauwkeurigheid. Bepaal de prognose van de speciale school voor basisonderwijs (door al dan niet met gewijzigde percentages van de verwijzing) de vermenigvuldiging te maken van het leerlingenaantal van de basisschool met de verwijzingspercentages. Ook voor de kortetermijnprognose wordt deze systematiek gevolgd. Indien het samenwerkingsverband beleid voert op het aantal verwijzingen naar de speciale scholen voor basisonderwijs binnen het samenwerkingsverband, dan kan dit als volgt in de prognose worden verwerkt. Aan de hand van het voorgenomen beleid worden de verwijzingspercentages bijgesteld. Indien de verwijzing toeneemt/mag toenemen, voldoet de systematiek in de regels 1 tot en met
- Indien er in het (voorgenomen) beleid met een verminderende verwijzing rekening wordt gehouden, vallen er leerlingen van de speciale school voor basisonderwijs vrij. De vrijgevallen leerlingen worden naar rato van de vermindering van het verwijzingspercentage toebedeeld aan de toeleverende basisscholen. De oorspronkelijke leerlingenaantallen van de basisschool worden opgehoogd met extra te verwachten leerlingen als gevolg van de verminder(en)de stroom richting speciale school voor basisonderwijs. Deel 2 Voortgezet onderwijs De systematiek van het huidige model ‘huisvesting VO’ is gehandhaafd. De systematiek is als volgt: Op basis van de herkomst van de leerlingen in leerjaar 1 over een reeks van jaren wordt een voedingsgebied (gemeenten of wijken) vastgesteld. Voor de korte en lange termijn wordt de instroom bepaald met de gegevens over de leerlingen uit de verschillende gebieden in leerjaar
- Het belangstellingspercentage per gebied wordt gevormd door de verhouding leerlingen in leerjaar 1 uit het desbetreffende gebied en het gemiddeld aantal 12- en 13 jarigen in hetzelfde gebied. De leerlingen uit een gemeente of wijk waaruit slechts incidenteel leerlingen naar de school gaan, worden door middel van een opslagpercentage gepresenteerd. Voor de kortetermijnprognose wordt door analyse van doorstroomfactoren in de analyseperiode bepaald welke waarden deze waarschijnlijk zullen hebben in de prognoseperiode. De lengte van de prognose door middel van doorstroom wordt op maximaal zes jaar gesteld. Voor de langetermijnprognose wordt door sommatie van het aantal leerlingen uit de verschillende gemeenten en vermenigvuldiging daarvan met een vermenigvuldigingsfactor (samengesteld uit de verhouding totale schoolbevolking en instroom in het eerste leerjaar over een aantal jaren), de schoolbevolking in de prognoseperiode berekend. De vermenigvuldigingsfactor wordt bepaald op basis van het voortschrijdend gemiddelde over de afgelopen vier, vijf of zes jaar (afhankelijk van de lengte van de opleiding). Afwijkende keuze van de vermenigvuldigingsfactor is mogelijk bij het optreden van een duidelijke trend. Deel 3 (Voortgezet) speciaal onderwijs Vooralsnog blijft de systematiek van het Lasso-model gehandhaafd. De Lasso-systematiek is op het niveau van definities en formules uitgeschreven in hoofdstuk
- Wetswijzigingen (WPO, WEC, WVO - herschikking vso/vbo/mavo -) leiden ertoe dat Lasso op termijn een aantal functionaliteiten mist of gaat missen. De Lasso-systematiek moet op den duur niet worden gehandhaafd. De nieuwe structuur voor de delen van het (voortgezet) speciaal onderwijs geeft aanleiding tot het onderbrengen van de Lassofunctionaliteiten bij enerzijds de prognosesystematiek voor de speciale scholen voor basisonderwijs en anderzijds de scholen voor voortgezet onderwijs. Over de regionale expertisecentra is op dit moment nog geen duidelijke uitspraak te doen, omdat de regelgeving nog niet definitief is. Deel 4 Software-ontwikkeling Puntsgewijs zijn de (summiere) eisen die aan prognoseprogrammatuur worden gesteld: er moet sprake zijn van zelfstandig onder Windows draaiende software en geen applicatie van een ander programma; de software moet ruime mogelijkheden hebben tot het gebruiken of inlezen van databanken van derden (deze kunnen zeer omvangrijk zijn); het combineren van databanken van scholen en voedingsgebieden moet mogelijk zijn; goede afdrukmogelijkheden zijn een absolute voorwaarde; de software moet beschikbaar zijn of komen in een netwerkversie; in verband met fusies zou het mogelijk moeten zijn databanken school bij elkaar op te tellen. Integratie tot één prognoseprogramma voor alle onderwijssoorten kan als er een zelfstandig bruikbaar en niet te complex model ontstaat. Daarbij moet er een maximaal flexibel geheel ontstaan, waarbij automatische invoer van gegevens mogelijk is en veel eigen aanname’s op een eenvoudige wijze kunnen worden gegenereerd. 3.4 Eisen aan leerlingenprognoses: begrippen, definities en formules Deel A Prognosemodel basisonderwijs Aa. Begrippen en definities Basisgeneratie Het aantal kinderen van 4 tot en met 11 en 30% van de 12jarigen per 1 januari. Basisgeneratie onderbouw Het aantal kinderen van 4 tot en met 7 jaar per 1 januari. Belangstellingspercentage De verhouding tussen het aantal leerlingen op één school en het totaalaantal leerlingen van alle scholen in een voedingsgebied. Cohort Een (leeftijds)groep in de bevolking die één of meer gemeenschappelijke kenmerken heeft. Bijvoorbeeld: alle vrouwen geboren in
- Deelnamepercentage De verhouding tussen het totaalaantal leerlingen op alle scholen in een voedingsgebied en de basisgeneratie van dat voedingsgebied. Doorstroomfactor Het relatieve verschil tussen de omvang van een leeftijdsgroep leerlingen in een bepaald jaar en de omvang van een leeftijdsgroep lager een jaar eerder. Gecorrigeerde mutatiefactor bevolkingsgroep Het relatieve verschil in omvang van de bevolkingsgroep in een bepaald cohort op twee verschillende tijdstippen, waarbij de invloed van wijzigingen in de woningvoorraad zijn geëlimineerd. Dit verschil is het resultaat van vestiging en vertrek, niet veroorzaakt door woningbouw, en sterfte (en voor de 0-jarigen ook geboorte) in de desbetreffende periode. Gemeente Het gebied van een zelfstandige gemeente, zoals omschreven in de Gemeentewet. Gestandaardiseerd AVC Het AVC gestandaardiseerd naar de leeftijdsopbouw van de vrouwen 15 - 49 jaar in Nederland. Door standaardisatie van het AVC is het mogelijk de vruchtbaarheidsniveaus van verschillende gebieden met elkaar en met de Nederlandse situatie te vergelijken. GWB Gemiddelde Woning Bezetting, gemiddeld aantal inwoners per woning, te berekenen door alle inwoners te delen door het totaalaantal woningen (per 1 januari). (GWB-basisgeneratie Het aantal kinderen van 4 tot en met 11 en 30% van de 12jarigen per 100 woningen per 1 januari.) (GWB-vrouwen Het aantal vrouwen van 15 tot en met 49 jaar per 100 woningen per 1 januari.) Kern De aaneengesloten bebouwing die samen een dorps- of stadsgemeenschap vormt. LVC Leeftijdsspecifiek Vruchtbaarheids Cijfer, het aantal geboorten in een bepaald jaar uit 1000 vrouwen in een bepaald vijfjaarscohort tussen 15 en 49 jaar. Bij elk 5-jaarscohort vrouwen in de leeftijd 15 tot en met 49 jaar hoort een LVC: vrouwen 15-19 jaar: LVC 15-19 vrouwen 20-24 jaar: LVC 20-24 vrouwen 25-29 jaar: LVC 25-29 vrouwen 30-34 jaar: LVC 30-34 vrouwen 35-39 jaar: LVC 35-39 vrouwen 40-44 jaar: LVC 40-44 vrouwen 45-49 jaar: LVC 45-
- Migratie Het verschil tussen het aantal personen van een bepaalde leeftijdsgroep dat zich in een bepaalde periode in het voedingsgebied vestigt en het aantal personen in die leeftijd dat uit het voedingsgebied vertrekt. Mutatiefactor bevolking Het relatieve verschil in omvang van de bevolking in een bepaald cohort op twee verschillende tijdstippen. Dit verschil is het resultaat van vestiging, vertrek en sterfte (en voor de 0jarigen ook geboorte) in de betreffende periode, rekening houdend met de verandering in woningvoorraad. Mutatiefactor woningvoorraad Het relatieve verschil in omvang van de woningvoorraad op twee verschillende tijdstippen. Dit verschil is het resultaat van nieuwbouw, renovatie en/ of sloop. Nieuw De prognose van het aantal leerlingen van scholen met als voedingsgebied een nieuwbouwgebied. De basisgeneratie wordt vooruit berekend met de woningvoorraadmethode voor nieuwbouwgebieden. Primos Door T.N.O. ontwikkelde raming voor een samenhangende bevolkingsprognose op gemeentelijk niveau in totaal overeenkomend met de middenvariant van de CBSbevolkingsprognose. Prognoseperiode De periode waarover de prognose gemaakt dient te worden. Voor blijvende voorzieningen ten minste 15 jaar vanaf het jaar waarvoor de voorziening wordt gewenst en voor tijdelijke voorzieningen minimaal voor de duur waarvoor deze noodzakelijk zijn. N.B. Voor de prognoses voor stichting, verplaatsing, omzetting en uitbreiding met een richting is in de wet op het primair onderwijs een termijn van maximaal 20 jaar opgenomen. Prognoseproces Het geheel van activiteiten als gegevensverzameling, gegevensverwerking en berekeningen dat noodzakelijk is om tot een prognose-resultaat te komen. Prognosemodel Een model dat een prognoseproces beschrijft dat in een bepaald geval toegepast dient te worden volgens de bij dat model behorende standaarden en leidt tot een vooruit berekende basisgeneratie voor een bepaald voedingsgebied. Opslagpercentage De verhouding tussen het aantal kinderen of leerlingen waarvoor niet met de formules uit de beschrijving een vooruitberekening wordt gemaakt en het aantal kinderen resp. leerlingen waarvoor de formules wel worden gebruikt. Referentie LVC Leeftijdsspecifieke vruchtbaarheid van een referentiegebied. Dit referentiegebied zal veelal de gemeente zijn. Schoolbevolking De som van het aantal leerlingen op een bepaald moment op een bepaalde school. Schoolscore: De verhouding tussen liet aantal gewogen leerlingen op een basis-school en het werkelijk aantal leerlingen op die basisschool. Streek: De vooruit berekening van het aantal leerlingen op één school op basis van met de cohortmethode of Primos geprognosticeerde basisgeneraties welke voortkomen uit subvoedingsgebieden (gemeenten of wijken) met gebruikmaking van de herkomstgegevens van de leerlingen. Uitgangsjaar Bij liet opstellen van een prognose dient het laatste jaar van de analyse als uitgangspunt voor de prognose. Voedingsgebied Het gebied waaruit minimaal 70% van de leerlingen van de school afkomstig zijn. Het voedingsgebied wordt vastgesteld door de prognoseopsteller. Ab. Formules De cohortmethode Formules voor de ontwikkeling van de verschillende cohorten Formule a1: Mutatiefactor bevolking per eenjaarscohort waarin: B bevolking (kinderen, vrouwen) M mutatiefactor bevolking t t tijdstip i leeftijdscohort i (eenjaarscohort) cohorten kinderen i = -1 tot en met i = 11 vrouwen i = 0 tot en met i = 48 analyseperiode: t = -9 →-8 tot en met t = -1 → 0 N.B. i = -1 bij de kinderen stelt de overgang van het aantal geborenen in het voorgaande jaar (t-1) naar het aantal 0-jarigen per 1 januari daaraanvolgend voor. Formule a2: Analyse mutatie woningvoorraad in eenjaarsperioden waarin: W woningvoorraad Mw mutatiefactor woningvoorraad t tijdstip analyseperiode: t = -9 →-8 tot en met t = -1 → 0 Formule a3: Gecorrigeerde mutatiefactor bevolking per eenjaarscohort waarin: M mutatiefactor bevolking (kinderen, vrouwen) Mc gecorrigeerde mutatiefactor bevolking Mw mutatiefactor woningvoorraad t tijdstip t i leeftijdscohort i (eenjaarscohort) cohorten: kinderen: i = -1 tot en met i = 11 vrouwen: i = 0 tot en met i = 48 periode: t = -9 → -8 tot en met t = -1→ 0 Formule a4: Prognose mutatiefactor woningvoorraad per eenjaarsperiode waarin: Mw mutatiefactor woningvoorraad W woningvoorraad t tijdstip t max. periode: t = 0 tot en met t = 15 Formule a5: (terug gecorrigeerde) Mutatiefactor bevolking per eenjaarscohort gedurende de periode dat de woningvoorraad zich wijzigt waarin: M mutatiefactor bevolking (kinderen, vrouwen) Mc gecorrigeerde mutatiefactor bevolking Mw mutatiefactor woningvoorraad t leeftijdscohort i (eenjaarscohort) cohorten: kinderen: i = -1 tot en met i = 11 vrouwen: i = -1 tot en met i = 48 max. periode: t = 0 1 tot en met t = 14 → 15 N.B. Formule a5 ook gebruiken gedurende de eerste vijf jaar als in de prognoseperiode de woningvoorraad zich niet meer wijzigt! Formule a6: (geïnterpoleerde) Mutatiefactoren bevolking per eenjaarscohort voor (zo nodig) de 5 jaren volgend op het laatste jaar dat de woningvoorraad zich wijzigt waarin: Ml mutatiefactor bevolking in het laatste jaar van wijziging van de woningvoorraad t tijdstip t in de periode t = l + 1 t = l +5 i leeftijdscohort i (eenjaarscohort) a a = 1 als t = l + 1 a = 2 als t = l + 2 a = 3 als t = l + 3 a = 4 als t = l + 4 a = 5 als t = l + 5 cohorten: kinderen: i = -1 tot en met i = 11 vrouwen: i = -1 tot en met i = 48 max. periode: 5 jaren aantal mutatiefactoren: 5 per cohort Formule a7: Mutatiefactoren bevolking per eenjaarscohort voor (zo nodig) de jaren volgend op het vijfde jaar nadat de woningvoorraad zich voor het laatst wijzigt waarin: M mutatiefactor bevolking t tijdstip t i leeftijdscohort i (eenjaarscohort) cohorten kinderen: i = -1 tot en met i = 11 vrouwen: i = -1 tot en met i = 48 Formule a8: Prognose bevolking per eenjaarscohort waarin: B bevolking i leeftijdscohort i (eenjaarscohort) M mutatiefactor bevolking t tijdstip t cohorten: kinderen: i = 0 tot en met i = 11 vrouwen: i = 0 tot en met i = 48 periode: t = 0 → 1 tot en met t = 14→ 152 Zie hoofdstuk 2, p.
- Formule a9: Berekening gehele basisgeneratie waarin: Bg basisgeneratie K kinderen i leeftijdscohort i (eenjaarscohort) t tijdstip t periode: t = 1 tot en met t = 15 Formule a10: Berekening basisgeneratie onderbouw waarin: K kinderen i leeftijdscohort i (eenjaarscohort) t tijdstip t Bgo basisgeneratie onderbouw periode: t = 1 tot en met t = 15 Formules voor de bepaling van het aantal geborenen Formule a11: Leeftijdsspecifiek vruchtbaarheidscijfer waarin: LVC leeftijdsspecifiek vruchtbaarheidscijfer B bevolking G totaalaantal geborenen v deelbevolking vrouwen j leeftijdscohort j van de moeder (vijfjaarscohort) t tijdstip cohorten: j = 4 tot en met j = 10 d.w.z. 15 - 19, 20 -24, tot en met 45 - 49 jaar max. periode: t = -9 → -8 tot en met t = -1→ 0 Formule a12: Correctiefactor referentie LVC waarin: Clvc correctiefactor LVC Gtot. totaalaantal geborenen in jaar t in het analysegebied G Ref.lvc geborenen volgens referentie LVC t tijdstip max. periode: t = -9 → -1 Formule a13: Gecorrigeerde LVC waarin: LVC leeftijdsspecifiek vruchtbaarheidscijfer RefLVC referentie LVC t tijdstip j leeftijdscohort j cohorten: j = 4 tot en met j = 10 max. periode: t = -9 → -1 Formule a14: Prognose geborenen waarin: G totaalaantal geborenen LVC leeftijdsspecifiek vruchtbaarheidscijfer B bevolking v deelbevolking vrouwen t tijdstip j leeftijdscohort j cohorten: j = 4 tot en met j = 10 periode: t = 0 tot en met t =15 Woningvoorraadmethode voor nieuwbouwgebieden Formule a15: Prognose basisgeneratie per fase, ongecorrigeerd waarin: Bg basisgeneratie o ongecorrigeerd f fase t tijdstip t l leeftijd woningen op tijdstip t W woningen GWB-bg gemiddelde woningbezetting basisgeneratie o.b.v. referentielijn periode: t = -5 tot en met t = 23 en t = stabiel max. aantal fasen: 24 De waarden voor de gemiddelde woningbezetting basisgeneratie (de referentielijn) zijn weergegeven in bijlage
- N.B. De waarden voor de gemiddelde woningbezetting basisgeneratie in bijlage 1 zijn afkomstig uit de prognosesystematiek voor het basisonderwijs zoals deze vanaf 1990 gold. Er zijn aanwijzingen dat de referentielijn niet op alle punten in alle situaties goede uitkomsten genereert. Eventuele vervanging door de gemeente van de waarden in bijlage 1 door waarden gebaseerd op meer recente waarnemingen bij grote nieuwbouwwijken is dan ook mogelijk. Formule a16: Correcties op de prognose basisgeneratie per fase waarin: Bg basisgeneratie o ongecorrigeerd f fase t tijdstip t Cabc correctiefactor volgens a, b of c periode: t = -5 tot en met t = 23 en t = stabiel max. aantal fasen: 24 Voorwaarden a. Bij een percentage eengezinswoningen groter of gelijk aan 70% en het AVC groter dan of gelijk aan het Nederlands gemiddelde: Ca = 1,1 b. Bij een gestandaardiseerd AVC (15 - 49) van de gemeente groter dan 60, correctiefactor via de formule Cb = AVC-gem / 60 waarin AVC-gem gestandariseerd AVC 15 -49 van de gemeente c. Bij een percentage eengezinswoningen kleiner dan 55% en het gestandaardiseerde AVC kleiner dan het Nederlands gemiddelde: Cc = 0,
- Formule a17: Prognose basisgeneratie gecorrigeerd waarin: Bg basisgeneratie t tijdstip t f fase n aantal fasen periode: t = -5 tot en met t = 23 en t = stabiel max. aantal fasen: n = 24 Verdeelmethode Gebruik beperken tot gebieden waarvoor geen of onvoldoende gegevens beschikbaar zijn en tot gebieden waar de omvang van de basisgeneratie te beperkt is om met de cohortmethode een goede prognose te kunnen maken. Formule a18: Verhouding basisgeneratie prognose-/berekeningsgebied waarin: Bg Basisgeneratie t tijdstip t V verhoudingscijfer P prognosegebied B berekeningsgebied maximale periode: t = -9 tot en met t = 0 Formule a19: Verhouding basisgeneratie prognose- en berekeningsgebied waarin: Bg Basisgeneratie t tijdstip t V verhoudingscijfer per jaar a woningvoorraad of een ander toepasbaar verhoudingscijfer maximale periode: t = 1 tot en met t = 15 Formule a20: Prognose basisgeneratie waarin: Bg Basisgeneratie t tijdstip t V verhoudingscijfer P prognosegebied B berekeningsgebied maximale periode: t = 1 tot en met t = 15 De met bovenstaande methoden verkregen basisgeneraties worden gebruikt in één van de volgende delen (leerlingenprognose gebied of leerlingenprognose school) om de aantallen leerlingen van de basisschool of basisscholen te berekenen. Leerlingenprognose gebied Formule a21: Analyse deelnamepercentage waarin: D% deelnamepercentage per 1 oktober L leerlingenaantal s school n aantal scholen Bg basisgeneratie t tijdstip t analyseperiode: t = -9 → -8 tot en met t = -1 → 0 Formule a22: Analyse belangstellingspercentage school waarin: B% belangstellingspercentage L leerlingenaantal s school n aantal scholen t tijdstip t analyseperiode: t = -9 → -8 tot en met t = -1 → 0 Formule a23: Prognose totaalaantal leerlingen op alle scholen waarin: D% deelnamepercentage per 1 oktober L leerlingenaantal s school n aantal scholen Bg basisgeneratie t tijdstip t max. periode: t = 1 tot en met t = 15 Formule a24: Prognose totaalaantal leerlingen per school waarin: B% belangstellingspercentage L leerlingenaantal s school n aantal scholen t tijdstip t max. periode: t = 1 tot en met t = 15 Formule a25: Prognose aantal leerlingen onderbouw per school waarin: Lo aantal leerlingen onderbouw Ls aantal leerlingen school Bg basisgeneratie gebied Bg-o basisgeneratie onderbouw gebied t tijdstip t max. periode: t = 1 tot en met t = 15 Leerlingenprognose school Formule a26: Analyse belangstellingspercentage per 1 oktober waarin: B% belangstellingspercentage g gebied L leerlingenaantal t tijdstip t Bg basisgeneratie analyseperiode: t = -9 → -8 tot en met t = -1 → 0 Formule a27: Opslagpercentage voor leerlingen buiten het gebied waarin: O% opslagpercentage Lng leerlingen van buiten het herkomstgebied/de herkomstgebieden (als aangegeven door de prognose-opsteller) Lg de som van leerlingen binnen het gebied t tijdstip t analyseperiode: t = -9 → -8 tot en met t = -1 → 0 Formule a28: Prognose leerlingen per gebied waarin: B% belangstellingspercentage L leerlingenaantal t tijdstip t g gebied Bg basisgeneratie max. periode: t = 1 tot en met t = 15 Formule a29: Prognose leerlingen onderbouw per gebied waarin: B% belangstellingspercentage (school) L leerlingenaantal onderbouw (4- tot en met 7-jarigen) t tijdstip t g gebied Bgo basisgeneratie onderbouw max. periode: t = 1 tot en met t = 15 Formule a30: Prognose aantal leerlingen op de school waarin: O% opslagpercentage L leerlingenaantal t tijdstip t g gebied n aantal gebieden max. periode: t = 1 tot en met t = 15 Formule a31: Prognose aantal leerlingen onderbouw op de school waarin: O% opslagpercentage Lo leerlingenaantal onderbouw t tijdstip t g gebied n aantal gebieden max. periode: t = 1 tot en met t = 15 Leerlingenprognose voor de korte termijn A. Met gebruikmaken van doorstroomfactoren Formule a32: Analyse doorstroomfactor per 1 oktober waarin: Df doorstroomfactor per 1 oktober L leerlingen t tijdstip t i leeftijdsgroep i periode: t = -3 tot en met t = -1, zo mogelijk langer tot maximaal t = -10 tot en met t = -1 leeftijdsgroepen: i = 4 tot en met i = 11 Formule a33: Analyse deelnamepercentage 4-jarigen per 1 oktober waarin: D% deelnamepercentage per 1 oktober L leerlingen t tijdstip t 4 4-jarigen (i = 4) B bevolking max. periode: t = -3 tot en met t = 0, zo mogelijk langer tot maximaal t = -10 tot en met t = -1 Formule a34: Prognose 4-jarigen voedingsgebied (= formule 6 enkel voor 4-jarigen) waarin: B bevolking i leeftijdscohort i (eenjaarscohort) M mutatiefactor bevolking t tijdstip t max. periode: t = 1 tot en met t = 4 leeftijdsgroepen: i = 1 tot en met i = 4 Formule a35: Prognose leerlingen van 4 jaar op een school waarin: B bevolking L leerlingen D deelnamepercentage per 1 oktober t tijdstip t 4 4-jarigen max. periode: t = 1 tot en met t = 4 Formule a36: Prognose leerlingen waarin: Df doorstroomfactor per 1 oktober L leerlingen t tijdstip i leeftijdsgroep i max. periode: t = 0 tot en met t = 3 leeftijdsgroepen: i = 4 tot en met i = 11 Formule a37: Prognose leerlingen waarin: Ls totaalaantal leerlingen school t tijdstip max. periode: t = 0 tot en met t = 3 Formule a38: Prognose leerlingen onderbouw waarin: Lo leerlingen onderbouw t tijdstip max. periode: t = 0 tot en met t = 3 B. Met gebruikmaken van de cohortmethode Formule a1 tot en met a5 en a8 tot en met a10 toepassen met: t tijdstip i leeftijdscohort i analyse periode: t = 4 -3 tot en met t = -1 0, zo mogelijk langer tot maximaal t = -10 -9 tot en met t = -1 0 prognoseperiode: t = 0 1 tot en met t =3 4 cohorten i = 0 tot en met i = 11 Formule a39: Analyse deelnamepercentage waarin: Ds% deelnamepercentage school L leerlingenaantal Bg basisgeneratie t tijdstip t max. periode: t = -3 tot en met t = 0 Formule a40: Prognose totaal leerlingen waarin: Bg basisgeneratie L leerlingen Ds% deelnamepercentage school per 1 oktober t tijdstip max. periode: t = 1 tot en met t = 4 Formule a41: Prognose aantal leerlingen onderbouw waarin: Lo leerlingen onderbouw Bg-o basisgeneratie onderbouw Ds% deelnamepercentage school per 1 oktober t tijdstip max. periode: t = 1 tot en met t = 4 Formule a42: Prognose aantal leerlingen onderbouw bij toepassing gemiddelde van beide methodes voor de korte termijn waarin: Lo leerlingen onderbouw L geprognostiseerde leerlingenaantal Bg basisgeneratie voedingsgebied Bg-o basisgeneratie onderbouw t tijdstip max. periode: t = 1 tot en met t = 4 N.B. Bij de kortetermijnprognose de bij de gekozen methode passende formule voor de bepaling van het aantal leerlingen onderbouw toepassen. Dat wil zeggen formule a38 bij de methode met doorstroomfactoren, formule a41 bij de cohortmethode en formule a 42 indien het gemiddelde van beide methodes wordt gebruikt. Formule a43: Totaal gewogen leerlingen waarin: g leerlingengewicht L leerlingen Lg gewogen leerlingenaantal t tijdstip t Formule a44: Schoolscore waarin: Sc schoolscore L leerlingen Lg gewogen leerlingen t tijdstip t Formule a45: Prognose gewogen leerlingenaantal waarin: Sc schoolscore L leerlingen Lg gewogen leerlingen t tijdstip t periode: t = 1 tot en met t = 4 Formule a46: Prognose gecorrigeerde gewogen leerlingenaantallen waarin: L aantal niet-gewogen leerlingen Lg aantal gewogen leerlingen Lc gecorrigeerde aantal gewogen leerlingen t tijdstip t periode: periode: t = 1 tot en met t = 4 N.B. Indien het gecorrigeerde aantal gewogen leerlingen lager is dan het ongewogen leerlingenaantal (dit is zo bij een weging van 9% of minder), dan treedt het ongewogen leerlingenaantal in de plaats van het gecorrigeerde aantal gewogen leerlingen. Deel B Prognosemodel Speciale school voor basisonderwijs Ba. Begrippen en definities Doorstroomfactor Het relatieve verschil tussen de omvang van een leeftijdsgroep leerlingen in een bepaald jaar en de omvang van een leeftijdsgroep lager een jaar eerder. Grensverkeer Leerlingen onderwijs volgend aan een speciale school voor basisonderwijs van een samenwerkingsverband die afkomstig zijn van een ander samenwerkingsverband waarmee de speciale school voor basisonderwijs geen samenwerkingsverband vormt. Gemeente Het gebied van een zelfstandige gemeente, zoals omschreven in de Gemeentewet. Leerlingenpopulatie De som van het aantal leerlingen op een bepaald moment op een bepaalde school. Opslagpercentage Het relatieve verschil tussen het aantal leerlingen op de speciale school voor basisonderwijs van buiten het samenwerkingsverband en het aantal leerlingen op de speciale school voor basisonderwijs binnen het samenwerkingsverband. Primos Door T.N.O. ontwikkelde raming voor een samenhangende bevolkingsprognose op gemeentelijk niveau in totaal overeenkomend met de middenvariant van de CBSbevolkingsprognose. Prognoseperiode De periode waarover de prognose gemaakt dient te worden. Voor blijvende voorzieningen ten minste 15 jaar vanaf het te verwachten tijdstip van realisatie van de voorzieningen en voor tijdelijke voorzieningen minimaal voor de duur waarvoor deze noodzakelijk zijn. N.B. Voor de prognoses voor stichting, verplaatsing, omzetting en uitbreiding met een richting is in de wet op het primair onderwijs een termijn van 20 jaar opgenomen. Samenwerkingsverband Verzameling basisscholen inclusief één of meer speciale scholen voor basisonderwijs die een samenwerkingsovereenkomst hebben en waarvoor een centrale dienst is ingericht. Speciale school voor basisonderwijs Voormalige school voor speciaal onderwijs aan kinderen met leer- en opvoedingsmoelijkheden of moeilijk lerende kinderen, inclusief een eventueel daaraan verbonden afdeling voor in hun ontwikkeling bedreigde kleuters. Uitgangsjaar Bij het opstellen van een prognose dient het laatste jaar van de analyse als uitgangspunt voor de prognose. Verwijzingspercentage De verhouding tussen het totaalaantal leerlingen op de speciale school/scholen voor basisonderwijs en de som van leerlingen op de basisscholen in het samenwerkingsverband. Voedingsgebied Het gebied waaruit de leerlingen van de school afkomstig zijn. Het voedingsgebied wordt bepaald door het gebied van het samenwerkingsverband waarvoor de prognose wordt gemaakt. Bb. Formules Formules voor berekening van de gehele schoolbevolking van de speciale school of scholen voor basisonderwijs van een samenwerkingsverband Formule b1: Deelnamepercentage bassisscholen per gemeente binnen een samenwerkingsverband waarin: D% deelnamepercentage basisscholen onderwijs Sb schoolbevolking basisschool/-scholen (naar gemeente) binnen het samenwerkingsverband op 1 oktober B basisgeneratie (4 tot en met 11 jaar en 30% 12-jarigen) g gemeente t tijdstip minimale analyseperiode: t=-5 tot en met t = 0 Formule b2: Verwijzingspercentage van basisscholen per gemeente in het samenwerkingsverband naar speciale school/scholen voor basisonderwijs naar gemeente waarin: V% verwijzingspercentage uit basisonderwijs per gemeente naar speciale school/scholen voor basisonderwijs L leerlingen op speciale school/scholen voor basisonderwijs Sb schoolbevolking basisschool/-scholen binnen het samenwerkingsverband op 1 oktober g gemeente t tijdstip minimale analyseperiode: t=-5 tot en met t = 0 Formule b3: Opslagpercentage voor leerlingen van buiten het samenwerkingsverband naar speciale school/scholen voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband waarin: O% opslagpercentage (‘grensverkeer’) LN leerlingen (totaal) op speciale school/scholen voor basisonderwijs niet afkomstig van basisscholen in het samenwerkingsverband LT leerlingen (totaal) op speciale school/scholen voor basisonderwijs afkomstig van basisscholen in het samenwerkingsverband t tijdstip minimale analyseperiode: t=-5 tot en met t = 0 Formule b4: Prognose per gemeente van de kinderen op de basisscholen van het samenwerkingsverband waarin: Sb leerlingen op de basisscholen die deelnemen aan het samenwerkingsverband met de speciale school/scholen voor basisonderwijs B basisgeneratie uit Primos (4 tot en met 11 jaar en 30% 12-jarigen) B% belangstellingspercentage van de basisscholen die deelnemen aan het samenwerkingsverband met de speciale school/scholen voor basisonderwijs g gemeente t tijdstip prognoseperiode: t = 0 tot en met t = 153 Zie hoofdstuk 2, p.
- Formule b5: Prognose per gemeente van het aantal leerlingen op de speciale school/ scholen voor basisonderwijs binnen het samenwerkingsverband waarin: L leerlingen op speciale school/-scholen voor basisonderwijs afkomstig van basisscholen binnen het samenwerkingsverband V% verwijzingspercentage Sb schoolbevolking basisscholen g gemeente t tijdstip prognose-periode: t = 0 tot en met t = 15 Formule b6: Prognose aantal leerlingen op de speciale school/scholen voor basisonderwijs waarin: LT leerlingen (totaal) op speciale school/scholen voor basisonderwijs afkomstig van basisscholen in het samenwerkingsverbandleerlingen op speciale school/scholen voor basisonderwijs afkomstig van basisscholen binnen het samenwerkingsverband g gemeente t tijdstip prognose-periode: t = 0 tot en met t = 15 Formule b7: Opslag voor leerlingen van buiten het samenwerkingsverband waarin: LN aantal leerlingen niet afkomstig van basisscholen uit het samenwerkingsverband LT totaalaantal leerlingen afkomstig van basisscholen uit het samenwerkingsverband t tijdstip prognoseperiode: t = 0 tot en met t = 15 Formule b8: Totaalaantal leerlingen speciale school/scholen voor basisonderwijs waarin: Lsbo totaalaantal leerlingen van de speciale school/scholen voor basisonderwijs in een samenwerkingsverband LT totaal aantal leerlingen afkomstig van basisscholen uit het samenwerkingsverband LN aantal leerlingen niet afkomstig van basisscholen uit het samenwerkingsverband t tijdstip prognoseperiode: t = 0 tot en met t = 15 N.B.1 Voor speciale scholen voor basisonderwijs die hun leerlingen uit een deel van de gemeente verkrijgen, kan – mits de gegevens voorhanden zijn – worden gewerkt met kleinere gebieden dan gemeenten. Daar waar in de formules de codering g voorkomt, worden dan de cijfers voor stadsdelen of wijken gebruikt. Deel C Prognosemodel (voortgezet) speciaal onderwijs (exclusief speciale scholen voor basisonderwijs en inclusief praktijkscholen in het voortgezet onderwijs) Ca. Begrippen en definities Basisgeneratie Een aantal cohorten waarin de leeftijdsgroepen zijn vertegenwoordigd die voor de desbetreffende vorm van onderwijs relevant zijn. Voor SO-scholen wordt uitgegaan van een basisgeneratie waarbij de leeftijden vanaf 3 jaar tot 14 jaar zijn vertegenwoordigd. De 12- en 13-jarigen worden voor 50% in de basisgeneratie opgenomen, voor zeer moeilijk lerende kinderen worden de 3jarigen en de helft van de 4-jarigen buiten de basisgeneratie gelaten en voor zeer moeilijk opvoedbare kinderen worden de 3-, 4- en 5-jarigen en de helft van de 6-jarigen buiten de basisgeneratie gelaten. Voor VSO-scholen bestaat de basisgeneratie uit 50% van de 12- en 13-jarigen en 100% van de 14- tot en met 19-jarigen. Voor zelfstandige scholen voor praktijkonderwijs (SVO) bestaat de basisgeneratie uit 100% van 13- tot en met 18-jarigen. Cohort Een (leeftijds)groep in de bevolking die meer gemeenschappelijke kenmerken heeft. Bijvoorbeeld: alle vrouwen geboren in
- Clustering Het voor de bepaling van de toekomstige deelname samen berekenen van de trend door de deelname vanuit gemeenten die weinig (gemiddeld minder dan vijf) leerlingen leveren. Deelnamepercentage De verhouding tussen het aantal leerlingen op de school afkomstig uit een gemeente en de basisgeneratie van die gemeente. Gemeente Het gebied van een zelfstandige gemeente, zoals omschreven in de Gemeentewet. Internaat Residentiële instelling voor jongeren. N.B. Als kinderen direct vanuit een medisch kinderdagverblijf voor een belangrijk deel op één school worden geplaatst, dan kan het medisch kinderdagverblijf voor de prognose als internaat worden beschouwd. Primos Door T.N.O. ontwikkelde raming voor een samenhangende bevolkingsprognose op gemeentelijk niveau in totaal overeenkomend met de middenvariant van de CBSbevolkingsprognose. Prognoseperiode De periode waarover de prognose gemaakt dient te worden. Voor blijvende voorzieningen ten minste 15 jaar vanaf het gewenste jaar van realisatie van de voorzieningen en voor tijdelijke voorzieningen minimaal voor de duur waarvoor deze noodzakelijk zijn. N.B. Voor de prognoses voor stichting, verplaatsing, omzetting en uitbreiding met een richting is in de wet een termijn van 20 jaar opgenomen. Schoolbevolking De som van het aantal leerlingen op een bepaald moment op een bepaalde school. Uitgangsjaar Het laatste jaar van de analyseperiode. Voedingsgebied Het gebied waaruit de leerlingen van de school afkomstig zijn. Het voedingsgebied wordt vastgesteld door de herkomst naar gemeenten van de leerlingen op de school voor de vijf meest recente teldata te bepalen. Cb. Formules Formules voor berekening van de gehele schoolbevolking Formule c1: Deelnamepercentage aan de school voor (voortgezet) speciaal onderwijs waarin: D% deelnamepercentage L leerlingen in schooljaar t-1/t op 1 oktober B basisgeneratie* g gemeente(n) van herkomst (woongemeente) t tijdstip analyseperiode: t=-5 tot en met t = 0 * door Primos voor gemeentegrenswijzigingen bewerkte CBS-cijfers Formule c2: Deelname door leerlingen uit internaten waarin: D% deelnamepercentage L leerlingen in schooljaar t-1/t op 1 oktober B basisgeneratie (capaciteit) i internaat t tijdstip analyseperiode: t=-5 tot en met t = 0 Formule c3: Analyse wachtlijstleerlingen waarin: W% wachtlijstpercentage L leerlingen in schooljaar t-1/t op 1 oktober w wachtlijst (van potentiële leerlingen) g gemeente(n) van herkomst i internaat n1 aantal gemeenten waaruit leerlingen van de school komen n2 aantal internaten waaruit leerlingen van de school komen t tijdstip analyseperiode: t=-5 tot en met t = 0 Formule c4: Prognose leerlingen uit gemeenten waarin: LG alle leerlingen uit gemeenten in schooljaar t-1/t op 1 oktober B basisgeneratie* D% deelnamepercentage voor de prognoseperiode g gemeente(n) van herkomst (woongemeente) n aantal gemeenten van herkomst t tijdstip prognose-periode: t=1 tot en met t = 154 Zie hoofdstuk 2, p.
- * Primos-cijfers N.B. Bij clustering wordt per gemeente in de groep van gemeenten waarvoor de clustering is toegepast de deelname per afzonderlijke gemeente bepaald door de trend in de deelname van het cluster toe te passen op elke afzonderlijke gemeente. Formule c5: Prognose leerlingen uit internaten waarin: LI leerlingen uit internaten in schooljaar t-1/t op 1 oktober B basisgeneratie (verwachte capaciteit internaten) D% deelnamepercentage i internaten n aantal internaten t tijdstip prognoseperiode: t=1 tot en met t = 15 Formule c6: Prognose wachtlijstleerlingen waarin: Wp wachtlijstpercentage/ - aandeel5 Of er een constant percentage toegevoegd moet worden, hangt af van de reden van het bestaan van de wachtlijst. Indien de reden vervalt, behoort ook de bijtelling voor de wachtlijst te vervallen. LW wachtlijstleerlingen in schooljaar t-1/t op 1 oktober LG alle leerlingen uit gemeenten in schooljaar t-1/t op 1 oktober LI leerlingen uit internaten in schooljaar t-1/t op 1 oktober t tijdstip prognose-periode: t=1 tot en met t = 15 Formule c7: Totaalaantal leerlingen waarin: LW wachtlijstleerlingen op 1 oktober t-1 LG alle leerlingen uit gemeenten op 1 oktober t-1 LI leerlingen uit internaten op 1 oktober t-1 t tijdstip prognose-periode: t=1 tot en met t = 15 Deel D Prognosemodel voortgezet onderwijs (exclusief praktijkscholen in het voortgezet onderwijs) Da. Begrippen en definities Basisgeneratie Het gemiddelde aantal 12- en 13-jarigen. Deelnamepercentage Het aantal leerlingen in leerjaar 1 afgezet tegen de basisgeneratie. Doorstroomfactor De verhouding tussen de omvang van een leerjaar (totaal c.q. per onderwijssoort) en de omvang hiervan één schooljaar eerder en één leerjaar lager. Gemeente Het gebied van een zelfstandige gemeente, zoals omschreven in de Gemeentewet. Schoolbevolking Het totaalaantal leerlingen van een school of scholengemeenschap op de teldatum. Opslagpercentage Het aantal leerlingen in leerjaar 1 uit gemeenten, waaruit niet jaarlijks leerlingen de school bezoeken afgezet tegen het totaalaantal leerlingen in leerjaar 1 uit de overige gemeenten van het voedingsgebied. Primos Door T.N.O. ontwikkelde raming voor een samenhangende bevolkingsprognose op gemeentelijk niveau in totaal overeenkomend met de middenvariant van de CBSbevolkingsprognose. Prognoseperiode De periode waarover de prognose gemaakt dient te worden. Voor blijvende voorzieningen ten minste 15 jaar vanaf het jaar waarin de voorziening wordt gewenst en voor tijdelijke voorzieningen minimaal voor de duur waarvoor deze noodzakelijk zijn. School School voor voortgezet onderwijs, nevenvestiging voor voortgezet onderwijs of locatie voor voortgezet onderwijs. Uitgangsjaar Het jaar volgend op de laatst bekende teldatum. Vermenigvuldigingsfactor Het quotiënt van de totale schoolbevolking en het gemiddelde aantal leerlingen in leerjaar 1 over een aantal teldata (het aantal is gelijk aan de cursusduur en voor scholengemeenschappen gelijk aan de gemiddelde cursusduur met afronding naar boven bij een niet geheel getal). Voedingsgebied Het gebied waaruit de leerlingen van de school afkomstig zijn. Voor het voortgezet onderwijs vindt de leerlingtelling jaarlijks plaats per 1 oktober. In de prognose worden leerlinggegevens van die telling vergeleken met/ betrokken op de basisgeneratie van 1 januari daaropvolgend! Dus leerlingen in schooljaar t-1/t worden vergeleken met de basisgeneratie op 1 januari t. Bij het laatste schooljaar van de analyseperiode wordt, indien