Uitvoerings- en handhavingsstrategie 2024-2027Datum: juni 2024 Versie: definitief 1.Inleiding Voor u ligt de Uitvoerings- en handhavingsstrategie 2024-2027 (U&H Strategie). Dit is de opvolger van het VTH Beleid 2019-2022. Met deze strategie geven we invulling aan de wettelijke plicht die we hebben vanuit het Omgevingsbesluit. In deze strategie staat beschreven hoe wij de komende jaren omgaan met onze taken op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH- taken) binnen de omgeving waar mensen wonen, werken en recreëren. Naast het invullen van de wettelijke verplichtingen die we hebben, is het doel van het plan om een bijdrage te leveren aan het realiseren van de visie die VTH heeft: “Wij dragen bij aan een leefbare stad waarin inwoners en Bedrijven zonder al te veel gedoe hun zaken kunnen regelen en waarin iedereen zich houdt aan de regels.” Dit doen we door risico’s in kaart te brengen, prioriteiten te stellen en doelstellingen te formuleren op de geprioriteerde thema’s. Door deze strategie geven wij op uniforme en transparante wijze inzicht in de beleidskeuzes die we maken, de organisatiewijze en de uitvoering van de VTH-taken. De strategie kent voor een groot deel een uitvoerend karakter omdat de wetgever ons opdraagt hier beleid voor vast te stellen. De strategische keuzes zitten voornamelijk in het vaststellen van de prioriteiten. 2.Afbakening en positionering Dit plan heeft betrekking op een breed scala aan VTH-taken binnen het omgevingsrecht. Samengevat gaat het over taken die betrekking hebben op: bouwen, ruimtelijke ordening, monumenten, brandveilig gebruik, openbare ruimte (APV en floA), alcohol, coffeeshops en ondermijning. De volledige lijst met landelijke en lokale wet- en regelgeving waar dit beleidsplan betrekking op heeft is te vinden in bijlage 1. Relatie met andere beleidsnota’s Er zijn 2 andere belangrijke beleidsnota’s die zich tot dit beleidsplan verhouden 1.Integraal Veiligheids Programma (IVP) Dit programma ziet hoofdzakelijk op een uitwerking van de beleidskeuzes op het gebied van sociale veiligheid. Dit staat in verbinding met fysieke veiligheid waar dit beleidsplan op ziet. In de uitvoering is vaak sprake van overlap. Ook leveren vergunningverleners, toezichthouders en handhavers vaak direct een bijdrage aan het realiseren van de doelstellingen uit het IVP. De doelstellingen en prioriteiten uit het nieuwe IVP worden daarom waar van belang ook meegenomen in deze strategie en in het Uitvoeringsprogramma dat hieruit volgt. 2.Preventie- en Handhavingsplan Alcohol Dit plan geeft inzicht in de wijze waarop wij invulling geven aan alcoholpreventie en handhaving van de Alcoholwet. Bij de uitvoering van het plan wordt aansluiting gezocht bij deze strategie en het VTH Uitvoeringsprogramma. 3.Leeswijzer Deze strategie is opgebouwd uit een beknopte kern en een bijlagenboek. In de kern, welke nu voor u ligt, komen de volgende onderwerpen aan de orde: Visie op kwaliteit en plaats binnen de beleidscyclus Ontwikkelingen Visie op VTH Risico’s en prioriteiten Doelstellingen en indicatoren Uitvoeringsstrategie Er wordt steeds verwezen naar bijlagen, welke integraal onderdeel uitmaken van deze strategie en waar een nadere uitwerking van de kern is te vinden. 4.De beleidscyclus De U&H Strategie is het belangrijkste document in de VTH beleidscyclus. Deze cyclus staat hieronder afgebeeld in de big-8. De strategie vormt het strategisch beleidskader. De in deze strategie gestelde prioriteiten en doelstellingen worden in het Uitvoeringsprogramma VTH, het operationeel beleidskader, doorvertaald. In de begroting worden de financiële middelen geregeld. Na degelijke voorbereiding vindt de uitvoering plaats. De gestelde doelen worden gemonitord en na een jaarverslag volgt een bijstelling van het Uitvoeringsprogramma voor het volgende jaar. De U&H Startegie wordt eens per vier jaar opgesteld. De provincie controleert als interbestuurlijk toezichthouder of wij de big-8 naar behoren doorlopen en uitvoeren. 5.Visie op kwaliteit De raad heeft de “Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving Omgevingsrecht gemeente Amersfoort 2017” vastgesteld. In deze verordening staat aangegeven dat de kwaliteitscriteria, welke landelijk gezien worden als het instrument om de kwaliteit van de uitvoering van de VTH-taken te meten, gelden voor de taken die door de Regionale Uitvoeringsdienst (RUD Utrecht) uit worden gevoerd. Deze verordening zal opnieuw worden vastgesteld in 2024 waarbij de kwalteitscriteria ook van toepassing zullen zijn op de taken die de gemeente Amersfoort in eigen huis uitvoert. Waar niet voldaan kan worden aan de criteria of waar dit toch niet wenselijk blijkt, zal aan worden gegeven waarom niet. Hier geldt het zogenoemde ‘comply or explain’. Of we passen de kwaliteitscriteria toe, of we leggen jaarlijks uit waarom we dat niet doen. De kwaliteitscriteria zijn geen doel op zich, maar een waardevol middel om een zo hoog mogelijke kwaliteit van uitvoering te realiseren. In de Uitvoeringsprogramma’s binnen deze beleidsperiode zal steeds aan worden gegeven welke activiteiten moeten worden ondernomen om aan de criteria te voldoen. 6.Beleidsevaluatie In bovenstaande weergave van de Big-8 gaat de evaluatie van het beleid vooraf aan het opstellen van een nieuwe strategie. In bijlage 2 is deze beleidsevaluatie opgenomen. Uit de beleidsevaluatie komen op elk aspect aanbevelingen, zoals ten aanzien van de risicoanalyse, doelstellingen en strategieën. 7.Ontwikkelingen Het omgevingsrecht is continu in ontwikkeling. Het is dan ook onmogelijk om hier alle ontwikkelingen te schetsen die gedurende deze beleidsperiode een rol zullen spelen. We volstaan met het benoemen van de belangrijkste ontwikkelingen en de richting die we daarin zoeken. In de Uitvoeringsprogramma’s worden activiteiten opgenomen om in te spelen op de op dat moment relevante ontwikkelingen. Werken met de Omgevingswet Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Deze wet beoogt om te komen tot één afgestemd instrumentarium voor de integrale aanpak van nieuwe initiatieven en de duurzame ontwikkeling voor gezonde en veilige fysieke leefomgeving. De wet zorgt op de inhoud voor een verschuiving van vergunningverlening naar advisering aan inwoners en ondernemers aan de voorkant en/of toezicht en handhaving aan de achterkant. De afgelopen beleidsperiode heeft de gemeente Amersfoort zich voorbereid op de invoering van de wet o.m. door de processen aan te passen, een backoffice applicatie in te richten, medewerkers op te leiden en een nieuw Omgevingsplan op te stellen. Ook zijn we in de aanloop naar de Omgevingswet al gaan werken volgens de principes van die wet. Zo is de Omgevingstafel geïntroduceerd en is er een nieuwe Gemeentelijke Adviescommissie Omgevingskwaliteit geïntroduceerd. De proof of the pudding is ook in deze in de tasting en dus zullen we de komende jaren de processen, werkwijzen en strategie onder de Omgevingswet blijven evalueren en aanpassen. Energietransitie De energietransitie die landelijk is ingezet zal gevolgen hebben voor met name de activiteit bouwen onder de Omgevingswet. De toetsing van vergunningaanvragen zal veranderen. Voor de energieklabelplicht voor kantoorgebouwen gaan we een project draaien om dit af te dwingen. Toezicht op basis van data Als overheden beschikken we over steeds meer data in verschillende databases welke nuttige informatie op kunnen leveren voor gericht toezicht. Met inachtneming van de juridische kaders (AVG) zullen we onderzoeken hoe we slim en efficiënt gebruik kunnen maken van deze data. Werken met de Wkb Per 1 januari 2024 is de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen in werking getreden. Hier hebben we ons de afgelopen beleidsperiode op voorbereid door het aanpassen van de werkprocessen, de backofficieapplicatie in te richten en de mederwerkers op te leiden. Het zal leiden tot een ander aanbod van werk en de wijze waarop we dit uitvoeren. Toezicht op bestaande gebouwen Mede onder invloed van de Omgevingswet en wet Private kwaliteitsborging bestaat de kans dat er een verschuiving plaats zal vinden van vergunningverlening naar toezicht. De bestaande gebouwenvoorraad veroudert en (thematisch) toezicht op deze voorraad zal vorm worden gegeven. 8.Missie en visie Op de afbeelding rechts staan de missie, visie en de leidende principes van VTH van de gemeente Amersfoort weergegeven. Deze is tot stand gekomen door een jarenlange ontwikkeling en ervaring in het werkveld. De elementen uit de visie zullen tot uitdrukking worden gebracht in een aantal concrete doelstellingen. In het Uitvoeringsprogramma VTH in geven we aan welke activiteiten we ondernemen om de visie zo goed mogelijk te realiseren. 9.Omgevingsanalyse In bijlage 3 staat een uitgebreide probleemanalyse opgenomen. De probleemanalyse bestaat uit een omgevingsanalyse en een risicoanalyse. In de omgevingsanalyse duiden wij wat voor soort gemeente Amersfoort is en welke uitdagingen we op het gebied van VTH verwachten de komende beleidsperiode. We kijken hierbij naar de sociaal geografische factoren en het aanbod van VTH-taken in het afgelopen jaar. De risicoanalyse is aangepast op basis van de bevindingen uit de beleidsevaluatie en het veranderende wettelijk kader. De uitkomsten van de analyse zijn besproken met de gemeenteraad die aanvullend prioriteiten heeft gesteld. 10.Risicoanalyse In bijlage 4 Risicomatrix gemeente Amersfoort’ is de volledige uitkomst van de risicoanalyse te vinden die voor Toezicht en Handhaving op is gesteld. Voor Vergunningverlening wordt er niet gewerkt met een risicoanalyse. Voor bouwen wordt de aangepaste landelijke toetsmatrix (zie bijlage 5) en een daaraan gekoppeld toezichtsprotocol gebruikt. Deze laatste wordt deze beleidsperiode ingevoerd. Voor de overige vergunningen toetsen we volledig aan alle daarvoor geldende toetsingskaders (zie bijlage 6 Vergunningenstrategie). De activiteiten die een hoge of een zeer hoge risicoscore hadden zijn geprioriteerd in deze beleidsperiode. Deze activiteiten zijn aangevuld met de bestuurlijke prioriteiten van zowel het college als de raad. Om deze bestuurlijke prioriteiten op te halen is voorafgaand aan de vaststelling van dit plan een Peiling gehouden in de Amersfoortse raad. Gezamenlijk vormen zij de “Meerjaren-prioriteiten” voor deze beleidsperiode. 11.Meerjaren-prioriteiten VTH 2024-2027 Openbare orde, leefbaarheid en APV Evenementen, horecanacht en alcohol Aanpak jeugdoverlast Sociale veiligheid en ondermijning Parkeren, verkeersovertredingen, geslotenverklaringen Huishoudelijk afval/ milieu Geluidshinder Vuurwerk Houtstook Groen en ecologie Omgevingsrecht Omgevingsvergunningen GK 2 en 3, slopen en asbest Omgevingsvergunningen GK 1 Brandveiligheid en constructieve veiligheid bestaande bouw en brandveiligheid stallen Mutatiedetectie Groen en ecologie Airco's en warmtepompen Erfgoed Alle bovenstaande thema's worden in het jaarlijkse VTH Uitvoeringsprogramma van ceoncrete doelstellingen en activiteiten voorzien. 12.Relatie risico’s, prioriteiten, doelstellingen en activiteiten Uit de VTH-visie en de vereisten uit de kwaliteitscriteria volgen een aantal algemene en kwaliteitsdoelstellingen. Deze doelen hebben een looptijd van 4 jaar. Aan de geprioriteerde thema's die op de vorige pagina zijn benoemd, koppelen we jaarlijks in het Uitvoeringsprogramma doelstellingen en activiteiten. Aan het eind van elk jaar wordt gekeken of deze doelstellingen zijn behaald en welke thema's in het Uitvoeringsprogramma van het daaropvolgende jaar worden opgenomen. Landelijke prioriteiten We pakken de landelijke prioriteiten in Amersfoort doorgaans op via het “Provinciale Milieu Overleg” (PMO). Naast de overheden (gemeenten, provincie, waterschappen, Uitvoeringsdiensten, politie, Openbaar Ministerie), landelijke inspectiediensten (NVWA, RWS, Belastingdienst, SZW, ILT) en de Veiligheidsregio, nemen ook een aantal beherende instanties (Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, Utrechts Landschap) en belangenorganisaties, zoals Utrechts Particulier Grondbezit deel aan het overleg. Voor alle landelijke prioriteiten (bijlage 13) geldt dat ze verwerkt zijn in regionale U&H Strategie of geprioriteerd zijn in deze strategie. 13.Gevolgen werkwijze prioriteitstelling Prioriteiten stellen we niet voor niets. We kunnen niet voor elke activiteit een doelstelling opstellen. Voor de geprioriteerde thema's doen we dit wel. In de nalevingsstrategie (zie bijlage 7) staat uitvoerig beschreven wat per beleidsterrein (“Bouwen en Ruimtelijke Ordening”, “APV”, “Evenementen” en “Alcoholwet", "Horeca", "Wet op de kansspelen" en "Coffeeshops”) de gestelde prioriteiten betekenen voor de mate van toezicht, de afhandeling van meldingen en de afhandeling van handhavingsverzoeken. Vereenvoudigd werken de prioriteiten als volgt door: Mate van toezicht Meldingen Handhavings- verzoeken Laag Geen Geen actie Afwijzen indien geen bijzondere omstandigheden Midden Incidenteel Actie bij specifiek meldingenpatroon Onderzoek en besluit Hoog Steekproefsgewijs Onderzoek en afhandeling Onderzoek en besluit Zeer Hoog Systematisch Onderzoek en afhandeling Onderzoek en besluit Per situatie zal wel een inschatting gemaakt worden in hoeverre direct handelen, ondanks een lage prioriteit, toch gewenst is. Zeker als de veiligheid in het geding is zal er direct gehandeld worden. Daarnaast krijgt iedereen altijd een terugkoppeling wat er met de melding wordt gedaan, of gedaan is. 14.Doelstellingen We maken onderscheid in 3 typen doelstellingen: Algemene doelstellingen: Doelstellingen voor VTH die we meten op outcome aangevuld met de doelstellingen per domein, veelal gemeten op output. Deze doelstelling gelden voor 4 jaar. Kwaliteitsdoelstellingen: Deze doelstellingen komen voort uit het Besluit omgevingsrecht (Bor), de kwaliteitscriteria de VTH-visie. Er zijn een aantal onderwerpen waar vanuit de Bor en de kwaliteitscriteria verplicht doelstellingen over moeten worden opgenomen. Daarnaast formuleren we aantal doelstellingen op basis van de VTH-visie die we hebben om deze visie ook te realiseren. Deze doelstellingen gelden voor 4 jaar. Prioriteitsdoelstellingen: Voor alle geprioriteerde thema's die in het Uitvoeringsprogramma zijn opgenomen, wordt tenminste één doelstelling opgenomen. Deze doelstellingen worden ook van activiteiten voorzien. Deze doelstellingen en activiteiten staan dus niet in deze strategie. 14.1Algemene en kwaliteitsdoelstellingen In de tweejaarlijkse monitor veiligheid en leefbaarheid daalt de score van ervaren overlast (1.8) en stijgt het rapportcijfer over de leefbaarheid van de buurt (7.4). Het aantal grote bouwincidenten is 0. Een groot bouwincident is een incident met een (gedeeltelijke) instorting van een pand met slachtoffers. Alle aanvragen voor de technische bouwactiviteit worden getoetst volgens toetsprotocol. Buitenplanse omgevingsplanactiviteiten worden binnen 5 jaar verwerkt in het Omgevingsplan. Alle aanvragen worden getoetst aan het Omgevingsplan. Alle aangevraagde vergunningen APV, floA, alcohol, en evenementen worden getoetst aan geldende beleidskaders. Het nalevingspercentage voor de activiteit bouwen verbetert. Bouwtoezicht wordt gehouden volgens een toezichtsprotocol. Alle handhaving geschiedt volgens de LHSO en het vastgestelde sanctiebeleid. Nalevingspercentage aan het Omgevingsplan van vergunde activiteiten verbetert. De kwaliteit van de dienstverlening (vergunningverlening Ow) wordt beoordeeld met ten minste een 7 (aansluitend bij het dienstverleningsconcept). Het percentage gehonoreerde bezwaren en beroepen is niet meer dan 10% (Opa bouwen en technische bouwactiviteit). Bij alle buitenplanse omgevingsplanactiviteiten is duidelijk op welke grond deze is genomen. 80% van de meldingen handhaving openbare ruimte worden binnen 2 dagen opgepakt en binnen 14 dagen ‘afgehandeld tenzij’. Jaarlijks wordt er voor ten minste 1 type overtreding een protocol ontwikkeld om preventie te bevorderen. De benodigde financiële middelen worden in de begroting geborgd. Medewerkers worden opgeleid volgens de kwaliteitscriteria d.m.v. een opleidingsplan. VTH wordt beter betrokken bij de vooroverleggen. Er vindt een jaarlijkse procesevaluatie plaats op ten minste 1 werkproces. Alle Wkb meldingen worden getoetst op volledigheid. 15.Monitoring Het Omgevingsbesluit stelt dat gemeenten moeten monitoren of de doelstellingen worden bereikt. Bij de hereiking van de U&H Strategie worden de doelstellingen geëvalueerd en getoetst op doelbereiking. Voor de prioriteitsdoelstellingen uit het Uitvoeringsprogramma gebeurt dit jaarlijks. 16.Vergunningenstrategie Onder 14 is vastgelegd welke doelen we willen bereiken. In de uitvoeringsstrategieën wordt bepaald hoe we dit gaan doen. In “bijlage 6 Vergunningenstrategie” wordt beschreven welke basiswerkwijzen worden gehanteerd bij de verschillende vergunningen en meldingen die we kennen. Uitgangspunt daarbij is dat dat burgers en bedrijven verantwoordelijk zijn voor het indienen van goede en volledige aanvragen. De aanvraag vormt immers de basis voor de te beoordelen vergunning. Bij de taakuitvoering worden de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het zorgvuldigheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel nageleefd. Per activiteit wordt beschreven wat het beoordelingskader is en welke toetsen worden uitgevoerd. 17.Nalevingsstrategie De nalevingsstrategie bestaat uit de preventiestrategie, de toezichtstrategie, de sanctiestrategie en de gedoogstrategie. Deze strategieën zijn volledig uitgewerkt in “bijlage 7 Nalevingsstrategie”. De preventiestrategie beschrijft welke middelen worden ingezet om overtredingen van wet- en regelgeving te voorkomen. Hierbij speelt communicatie een cruciale rol. De toezichtstrategie beschrijft op welke wijze invulling wordt gegeven aan onze toezichtstaak. En met welke intensiteit het toezicht binnen deze thema’s en taken wordt uitgevoerd. Als overtredingen worden geconstateerd, zijn we in beginsel verplicht hiertegen handhavend op te treden. Hiertoe staan een aantal sanctiemiddelen ter beschikking. De handhavingsstrategie bepaalt welke sanctiemiddelen, wanneer en tegen welke overtredingen worden ingezet. De handhavingsstrategie wordt ook wel sanctiestrategie genoemd. Door middel van deze U&H Strategie wordt de “Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingswet” (LHSO) vastgesteld die ook op is genomen in bijlage 8. Tenslotte wordt in de gedoogstrategie beschreven in welke bijzondere situaties en onder welke voorwaarden wij van handhavend optreden afzien. 18.Bijlagen Om deze strategie kort en overzichtelijk te houden is er voor gekozen om veel beschrijvende delen op te nemen als bijlage. Deze bijlagen maken integraal onderdeel uit van deze strategie. Bijlage 1 Overzicht wettelijke kaders Bijlage 2 Beleidsevaluatie VTH Beleidsplan 2018-2022 Bijlage 3 Probleemanalyse en risicoanalyse Bijlage 4 Risicomatrix VTH Amersfoort Bijlage 5 Toetsprotocol BBL 2024 Risicomatrix VTH Bijlage 6 Vergunningenstrategie Amersfoort Bijlage 7 Nalevingsstrategie Bijlage 8 Landelijke handhavingsstrategie Omgevingsrecht Bijlage 9 Sanctiebeleid horeca Amersfoort Bijlage 10 Samenwerkingspartners en samenwerkingsafspraken Bijlage 11 Richtlijn dwangsommen en begunstigingstermijnen Bijlage 12 Beleidsregel intrekken omgevingsvergunning onder Omgevingswet Bijlage 13 Landelijke risicothema’s VTH Bijlage1Overzicht wettelijke kaders De U&H Strategie gaat over (de uitvoering van) de VTH-taken waarvoor wij het bevoegd gezag zijn. Concreet zijn dit de volgende landelijke en gemeentelijke kaders: Landelijke wet- en regelgeving Lokale regelgeving Omgevingswet Algemene Plaatselijke Verordening (APV) Omgevingsbesluit Marktverordening Regeling omgevingsrecht Erfgoedverordening Woningwet Winkeltijdenverordening Besluit bouwwerken leefomgeving Afvalstoffenverordening Besluit kwaliteit leefomgeving Huisvestingsverordening Erfgoedwet Verordening fysieke leefomgeving Amersfoort Alcoholwet Wet op de kansspelen Winkeltijdenwet Wet kwaliteitsborging voor het bouwen Zondagswet Deze Strategie is niet van toepassing op de taken die voortvloeien uit de sociale en financiële wet- en regelgeving waarvoor de gemeente het bevoegd gezag is of wordt. Zoals: de Wet werk en bijstand (Wwb); Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo); Leerplichtwet (Lpw); Wet kinderopvang (Wko); Wet onroerende zaken (Woz); Bijlage2Beleidsevaluatie VTH Beleidsplan 2018-2022 Evaluatie VTH Beleid 2019 – 2022 1.Inleiding In het VTH Beleidsplan 20219 – 2022 (hierna VTH Beleidsplan) staat beschreven hoe wij voor die periode omgaan met onze taken op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH-taken) binnen de omgeving waar mensen wonen, werken en recreëren. Dit gebeurde op basis van een missie en visie, een omgevingsanalyse inclusief risicoanalyse, prioriteiten en hieruit voortvloeiende beleidsdoelstellingen. Daarnaast zijn ook alle strategieën beschreven met daarin de wijze waarop wij ons werk uitvoeren. Het VTH Beleidsplan omvatte al onze taken voor vergunningverlening, toezicht en handhaving op het gebied van het omgevingsrecht, de Algemene Plaatselijke Verordening (APV), de Drank- en Horecawet (DHW), overige bijzondere wetten. Daarmee hebben wij in dit beleidsplan meer vastgelegd dan alleen op grond van het omgevingsrecht vereist is. In deze evaluatie blikken we terug op de voorgaande beleidsperiode. Deze periode liep vanaf 2019 tot en met 2023 omdat het beleid met een jaar verlengd is. 1.1 Doel evaluatie Het doel van deze evaluatie is het benoemen van de aanbevelingen voor de volgende beleidsperiode op de diverse onderdelen van de nieuwe U&H Strategie. In deze evaluatie zullen we aangeven hoe we de aanbevelingen willen verwerken. 2.Missie en visie De missie en de visie zoals beschreven in het VTH Beleidsplan vormden de basis voor de wijze waarop binnen VTH de werkzaamheden zijn uitgevoerd. Ondanks dat de missie en de visie niet bij elke collega even bekend zal zijn vormden met name visie en de leidende principes wel het uitgangspunt bij het uitvoeren van de taken. Bij het opstellen van missie en visie was al voorgesorteerd op het werken onder de Omgevingswet, welke uiteindelijk pas is ingevoerd in 2024. De missie en de visie voldoen dus ook nog voor de U&H Strategie in de volgende beleidsperiode. Aanbeveling 1: Gebruik de missie, visie en leidende principes ongewijzigd voor de U&H Strategie. Aanbeveling 2: Betrek de missie, visie en leidende principes bij het opstellen van het nieuwe O&O plan voor de afdeling VTH. 3.Ontwikkelingen De geschetste ontwikkelingen hebben grotendeels plaatsgevonden, zij het in een gematigder tempo dan verwacht. De Omgevingswet is, samen met de Wet kwaliteitsborging (Wkb), pas 1 januari 2024 ingevoerd. In het VTH Beleidsplan werd hier qua werkwijze al op voorgesorteerd (meedenken vooraf, vooraf betrokken worden bij initiatieven etc.). Deze werkwijzen zullen in de U&H strategie verder worden uitgewerkt in aangepaste strategieën. De energietransitie is nog in volle gang. We zien met name dat de regelgeving die samenhangt met de energietransitie een grotere rol krijgen in het toetsen van vergunningaanvragen en het toezien op het naleven van aangescherpte normen. Dit zal de komende jaren doorgaan en zich verbreden tot circulaire economie. Toezicht op basis van data is met name bij de milieuactiviteiten doorgevoerd. Voor bouwen en RO en het publieke domein kan dit nog verder ontwikkeld worden. Toezicht op bestaande bouw richt zich nog voornamelijk op het brandveilig gebruiken van bouwwerken. De verschuiving van toezicht op nieuwbouw naar bestaande bouw heef zich nog niet voltrokken door de latere inwerkingtreding van de Omgevingswet. Het verbod op asbestdaken is er niet gekomen en is ook geen speerpunt geworden. Aanbeveling 3: Onderzoek welke nieuwe ontwikkelingen van invloed zijn op het VTH-werkveld en gebruik deze voor de U&H Strategie. 4.Omgevingsanalyse De Omgevingsanalyse blijft grotendeels onveranderd aangezien het de Omgeving grotendeels onveranderd is. Het zijn met name de ontwikkelingen in de fysieke ruimte en de beleidsontwikkelingen vanuit het Rijk en de gemeente zelf die invloed hebben op het werk van VTH. Deze ontwikkelingen zullen in de nieuwe omgevingsanalyse worden opgenomen en betrokken worden bij de prioriteitstelling. Aanbeveling 4: Pas de omgevingsanalyse aan de meest recente ontwikkelingen aan, zowel fysiek als beleidsmatig. 5.Risicoanalyse De risicoanalyse heeft, tezamen met de probleemanalyse, als basis gefungeerd voor de prioriteitstelling en de geformuleerde doelstellingen. Hiermee heeft de risicoanalyse zijn doel gediend. Ook de gekozen systematiek van ‘risico = kans x effect’ is effectief gebleken. Voor een hernieuwde risicoanalyse kan wel beter gekozen worden voor een aangepaste indeling van de risicocategorieën. `De categorieën ‘bestuurlijk imago’ en ‘financieel economisch’ voegden te weinig toe. De risicoanalyse moe opnieuw gescoord worden en aangepast worden aan de laatste inzichten zowel qua kans als effect. Met name vanuit de circa 10.000 meldingen die we jaarlijks krijgen, gecombineerd met de ervaringen van de toezichthouders, kan de kans op een overtreding accurater worden vastgesteld. Gezien het toegenomen bestuurlijke belang van natuur, ecologie en duurzaamheid kan er gekozen worden om deze risico’s apart te clusteren. Dit vergroot in inzichtelijkheid voor zowel raad als college bij het stellen van prioriteiten. Tenslotte is gebleken dat bij het beoordelen of er aan de hand van een handhavingsverzoek handhavend zal worden opgetreden, de omschrijving van de overtredingen bij ‘bouwen en RO’ niet specifiek genoeg waren. Dit moet worden aangepast. Uiteraard zullen wijzigingen in wetgeving en beleid tot aanpassingen van de risicoanalyse moeten leiden. Aanbeveling 5: Scoor de risicoanalyse opnieuw qua ‘risico = kans x effect’ Aanbeveling 6: Pas de categorieën van de risicoanalyse aan, aan het toegenomen belang van natuur, ecologie en duurzaamheid en hecht minder waarde een bestuurlijk imago en financieel economisch. Aanbeveling 7: Omschrijf de activiteiten dusdanig specifiek dat ze gebruikt kunnen worden bij het besluiten op een handhavingsverzoek. 6.Doelstellingen In het Beleidsplan VTH heeft de probleemanalyse geleid tot een prioriteitstelling welke werd vertaald in de doelstellingen. In het uitvoeringsprogramma leidt dit vervolgens tot activiteiten. In het Beleidsplan VTH stonden 3 soorten doelstellingen opgenomen: Algemene doelstellingen, Kwaliteitsdoelstellingen en Prioriteitsdoelstellingen. In de Uitvoeringsprogramma’s vanaf 2019 is de voortgang op de doelstellingen gemeten en is aangegeven of een doelstelling (
- al)bereikt was en of deze aanpassing behoefde. In de praktijk is gebleken dat er te veel doelstellingen waren opgenomen in het Beleidsplan VTH om goed op te kunnen sturen. Door minder en gerichter doelstellingen op te nemen is betere sturing mogelijk waarin focus wordt aangebracht. Prioriteitsdoelstellingen horen niet in de U&H Strategie maar in het Uitvoeringsprogramma, voorzien van activiteiten. Voor de algemene en de kwaliteitsdoelstellingen geldt dat er minder opgenomen moeten worden en van activiteiten moeten worden voorzien in het O&O plan. Daarnaast moeten de doelen aansluiten bij de doelstellingen zoals die zijn benoemd in de P&C cyclus van de gemeente Amersfoort. Aanbeveling 8: Neem de prioriteitsdoelstellingen op in het Uitvoeringsprogramma en verantwoord hier jaarlijks op. Aanbeveling 9: Neem minder algemene en kwaliteitsdoelstellingen op en voorzie deze van activiteiten in het O&O plan. Aanbeveling 10: Zorg er voor dat de doelstellingen aansluiten op de doelstellingen uit de P&C cyclus van de gemeente Amersfoort. Doelbereiking De prioriteitsdoelstellingen worden in het gecombineerde VTH Uitvoeringsprogramma en Jaarverslag geëvalueerd en aangepast op basis van de nieuwe prioriteitsstelling. Onderstaand het overzicht van algemene en prioriteitsdoelstellingen uit het Beleidsplan VTH: Onderwerp Doelstelling Voortgang 2024 Advies 2024 VTH algemeen In de tweejaarlijkse monitor veiligheid en leefbaarheid daalt de score van ervaren overlast (1.8) en stijgt het rapportcijfer over de leefbaarheid van de buurt (7.4). 2021: 7.4 (leefbaarheid, overlast: 2.0) Behouden Het aantal grote bouwincidenten is 0. Een groot bouwincident is een incident met een (gedeeltelijke) instorting van een pand met slachtoffers. Behouden VTH stelt jaarlijks een intern jaarplan op waarin acties worden geformuleerd om de kwaliteit van de uitvoering van de VTH-taken te verhogen en om in te spelen op landelijke en lokale ontwikkelingen. Vervalt omdat deze acties zijn geborgd in een intern verbeterteam Vervallen Onderwerp Doelstelling Voortgang 2024 Advies 2024 Vergunning verlening VV bouw 100% van de aanvragen voor de activiteit bouwen worden getoetst volgens toetsprotocol. Wordt ingevoerd bij nieuwe applicatie 2024 Behouden VV RO Alle bestemmingsplannen zijn actueel (verantwoordelijkheid bij afdeling Stadsontwikkeling). Alle aanvragen worden getoetst aan het bestemmingsplan. Aanpassen aan omgevingswet VV milieu Alle vergunningen worden bij wetswijzigingen binnen een jaar geactualiseerd; Omgevingsvergunningen activiteit milieu worden binnen de wettelijke termijn afgehandeld; Vervallen. Staat in regionale U&H Strategie VV APV, D&H, Evenementen Alle aangevraagde vergunningen worden 100% getoetst aan geldende beleidskaders (zie p. 8 voor overzicht) Behouden Toezicht en handhaving T&HH bouw Nalevingspercentage voor de activiteit bouwen verbetert. Toezicht gehouden volgens het iTP. 100% van de handhaving volgens de LHS**. Nog niet meetbaar. Door uitstel Wkb en OW. Behouden T&HH RO Nalevingspercentage aan het bestemmingsplan van vergunde activiteiten is 100%. 100% van de handhaving volgens de LHS**. Nog niet meetbaar door uitstel Wkb en OW Nog niet meetbaar Behouden T&HH milieu 100% van de milieuhandhaving volgens de LHS Signalen van inwoners over bedrijven zonder vergunning of melding voor de activiteit milieu worden altijd opgepakt; Halfjaarlijks toetsen op actualiteit van het Uitvoeringsprogramma van de RUD en bijsturen indien wenselijk/noodzakelijk. Vervallen. Milieu is geregeld in regionale U&H strategie T&HH APV, D&H, Evenementen Nalevingspercentage D&H (para) commerciële instellingen is 90%. Nalevingspercentage D&H instellingen (horeca, slijterijen, supermarkten) is 95%. Nalevingspercentage B en C evenementen tijdens de schouw 90%. Nalevingspercentage B en C evenementen tijdens het evenement is 90%. 100% van de handhaving D&H volgens sanctiebeleid D&H (Horeca (APV), D&H-wet, Wet op de Kansspelen en Coffeeshops). Deze zaken zijn te moeilijk te meten. De doelstellingen vervallen. Vervallen Vervallen Vervallen Vervallen Behouden Onderwerp Doelstelling Voortgang 2024 Advies 2024 Kwaliteit van de dienstverlening De kwaliteit van de dienstverlening (vergunningverlening Wabo) wordt beoordeeld met ten minste een 7 (aansluitend bij het dienstverleningsconcept). Nog niet gemeten. Volgt bij aanpassing van het beleid. Behouden Kwaliteit van de producten Het percentage gehonoreerde bezwaren en beroepen is niet meer dan 10% (wabo bouwen). Gedaald van 28,2 % à 19,6 % Verbetering t.o.v. vorig jaar. Behouden Tijdigheid van de geleverde producten Maximaal 0.3 % van de vergunningaanvragen met een fatale termijn wordt van rechtswege verleend. Het is 0.43%. 8 vergunningen op 1444 aanvragen. Allen kleine verbouwingen. Vervallen. Geeb fatale termijn meer onder de OW De gronden op basis waarvan een afwijkingsbesluit is genomen Bij 100% van de afwijkingsbesluiten is duidelijk op welke grond deze is genomen. Behouden Leesbaarheid Brieven worden op taalni2eau b1 geschreven Doel afgerond Vervallen Direct zaken afhandelen Meldingen openbare ruimte worden binnen 2 dagen opgepakt en binnen 14 dagen ‘afgehandeld tenzij’. Indien afhandeling binnen 14 dagen niet mogelijk is wordt er een tussenmelding gestuurd. Behouden Preventie Er worden een aantal protocollen ontwikkeld om preventie te bevorderen. Voorbeeld: houtrook, dakkapellen, rookmelders Behouden Financiële gezondheid De benodigde financiële middelen worden in de begroting geborgd. Behouden Excellent werkgeverschap Medewerkers worden opgeleid volgens de kwaliteitscriteria dmv het opleidingsplan. Veel geïnvesteerd in Ow en Wkb Behouden Vooraf betrokken worden bij initiatieven VTH wordt beter betrokken bij de vooroverleggen (serviceformules) Werken met de Omgevingstafel, nieuw formulier op de website Behouden Slimmer digitaal werken Het Intergraal Toetsingsprotocol (iTP) met bijbehorende hardware wordt ingevoerd We ontwikkelen zelf een protocol door de invoering van Centric voor de Leefomgeving (CLO). Aanpassen aan eigen protocol Excellent in kernprocessen Er vindt een jaarlijkse procesevaluatie plaats op ten minste 1 werkproces Vrijwel alle CLO processen zijn herontworpen. Behouden Aanbeveling 11: Behoud de doelstellingen die bij de evaluatie nog als waardevol zijn beoordeeld en laat de overige doelstellingen vervallen. Aanbeveling 12: Voeg voor zowel de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen als de Omgevingswet in de U&H Strategie tenminste 1 doelstelling toe. 7.Monitoring Jaarlijks zijn de doelstelling uit het VTH Beleidsplan gemonitord op de voortgang op basis van indicatoren. De doelstellingen zijn zo smart mogelijk geformuleerd. Toch bleek het niet voor elke doelstelling haalbaar om de voortgang te monitoren. Voor zover deze monitoring niet mogelijk kan worden gemaakt is bij de doelstellingen ook aangeven om deze te laten vervallen in de U&H strategie. In een U&H Strategie is de mate van naleving, zowel spontaan als na een controle, de belangrijkste indicator voor de effectiviteit van de VTH-keten. Uit de applicatie waar nu mee gewerkt onder de Omgevingswet en de Wkb moet de mate van naleving dan ook beter naar voren komen. Aanbeveling 13: Neem voor elke doelstelling 1 meetbare indicator op die iets zegt over doelbereiking. Aanbeveling 14: Richt de backoffice applicatie zo in dat er binnen elke domein meer gezegd kan worden over spontaan naleefgedrag en naleefgedrag na controle. 8.Strategieën In het VTH Beleidsplan staan zowel de vergunningenstrategie als de naleefstrategie beschreven. De strategieën geven richting aan de wijze waarop de werkzaamheden worden uitgevoerd. De strategieën waren accuraat en de werkzaamheden zijn de afgelopen jaren conform de strategieën uitgevoerd. De strategieën waren vrijwel volledig en misten slechts enkele onderdelen: een leidraad voor dwangsommen en begunstigingstermijnen en aanscherpingen op handhaving van de eigen organisatie en andere bevoegde gezagen. Dit moet worden toegevoegd in de nieuwe strategieën. De inwerkingtreding van de Wkb en de Ow vereisen daarnaast dat de strategieën volledig worden herzien. Aanbeveling 15: Stel de leidraad voor dwangsombedragen en begunstigingstermijnen vast. Aanbeveling 16: Beschrijf uitvoeriger hoe er gehandeld wordt overtreding van de eigen organisatie of door andere bevoegde gezagen. Aanbeveling 17: Herschrijf de strategieën als gevolg van de Wkb en de Ow. 9.Samenwerking De samenwerkingsafspraken zoals die in het VTH Beleid staan omschreven zijn nagekomen en geïntensiveerd. Als gevolg van de aanloop naar de invoering van de Omgevingswet en de Wkb zijn de banden met de RUD Utrecht, Waterschap Vallei en Veluwe en de Provincie Utrecht verder aangehaald wat geleid tot concreet uitgewerkte samenwerkingsafspraken. Los van de Omgevingswet en Wkb is er een handhavingsarrangement getekend met Openbaar Ministerie en Politie. Ook zijn er samenwerkingsafspraken gemaakt over boa-inzet met de gemeenten Utrecht, Leusden en Soest. Bijlage3Probleemanalyse en risicoanalyse Probleemanalyse Beschrijving van de stad Amersfoort is een stad en gemeente in het oosten van de Nederlandse provincie Utrecht. De gemeente telt 152.481 inwoners. Het is in bevolkingsaantal de tweede stad van de provincie Utrecht en de vijftiende van Nederland. Amersfoort is een groeistad en vervult economisch een regiofunctie met een sterk gegroeid bedrijfsleven, heeft een van de grootste spoorwegknooppunten van Nederland. Amersfoort ligt op een vlakke plaats in de vallei van de Eem aan de meest noordoostelijke rand van de Utrechtse Heuvelrug en ten zuiden van het hoger gelegen gebied Hoogland. De stad heeft een middeleeuwse kern met grachten en wallen. Vanaf 1870 breidde de stad zich sterk uit door de komst van de spoorwegen en een aantal kazernes. In 1980 kreeg de stad Groeistad-status, mede waardoor enkele omliggende gemeenten geheel of gedeeltelijk werden geannexeerd. Zoals Hoogland, Leusden (deels), Stoutenburg Noord, Nijkerk (deels), Hoevelaken (deels) en Bunschoten (deels). Er kwamen grote nieuwe woonwijken, zoals Vathorst en Schothorst-Noord, beiden met een eigen station en Zielhorst, Kattenbroek en Nieuwland. Deze versterkten in niet geringe mate de centrumfunctie van de oude stad, waar veel winkels en horeca zijn. Er kwamen ook aanzienlijke bedrijfs- en kantoorterreinen. De aanleg van de A28 (Utrecht-Zwolle) oostelijk van Amersfoort betekende een verdere impuls voor de groei. Waar de A28 de A1 snijdt, ontstond het Knooppunt Hoevelaken. De ambitie van Amersfoort voor de komende jaren is om 1000 woningen per jaar te bouwen. Het gebied ‘Bovenduist’ in Vathorst zal worden bebouwd. Verder zijn en komen er veel inbreidingsprojecten door middel van transformatie, verdichting en ‘optoppen’. Amersfoort zal voorlopig nog blijven groeien, hoewel Amersfoort de grenzen van zijn uitbreidingsmogelijkheden bijna heeft bereikt. Amersfoort kent vele stadsparken. Het grootste park is Park Schothorst, dat ten noorden van het centrum ligt. Het park is rijk aan vele soorten natuur. Ook het iets kleinere Park Randenbroek ten zuiden van het centrum kent vele soorten natuur. In Amersfoort zijn twee grondwaterbeschermingsgebieden. Amersfoort heeft één groter theater, de Flint, tevens congrescentrum, enkele kleinere plus twee bioscoopcentra met meerdere zalen en een poppodium (Fluor). De horeca is sinds de jaren zeventig flink ontwikkeld met de pleinen de Hof en het Lieve Vrouwekerkhof als zwaartepunt. Er zijn een aantal jaarlijks terugkerende muziek- en theaterfestivals, zoals Dias Latinos, een Jazz- en bluesfestival en Into the woods. Daarnaast vindt Proef Amersfoort (vanaf 1996), een culinair evenement, elk jaar plaats op de Hof. Ook het Eemplein en de Prodentfabriek zijn uitgaanscentra, met onder meer een (Pathé)bioscoop (8 zalen), muziekschool, bibliotheek en horecagelegenheden. Amersfoort is een belangrijk spoorwegknooppunt, door de centrale ligging en door de kruising van de lijnen Amsterdam-Deventer en Zwolle-Utrecht. In 1904 werd de Wagenwerkplaats geopend, waar goederenwagons werden hersteld. De werkplaats is tot 2000 in gebruik geweest. Het spoorwegemplacement ter plaatse is nog altijd een van de grootste in Nederland. Nabij het station ligt het redelijk nieuwe opstelterrein voor reizigerstreinen Bokkeduinen. De oude opstelsporen worden gebruikt voor goederenvervoer, zodat de beide vervoersstromen gescheiden kunnen blijven. Amersfoort is een regiegemeente. Dit houdt in dat de gemeente de regie houdt en de uitvoering wordt belegd bij organisaties die hiervoor zijn opgericht. Voor Vergunningverlening, Toezicht en handhaving is dit terug te zien in het feit dat alle VTH taken voor milieu bij de RUD Utrecht zijn ondergebracht. Dit betreft Wet milieubeheer en Wet bodembeschermingstaken, asbesttaken en een scala een milieu adviestaken. Bouwen De aandacht voor het aspect bouwen is in Amersfoort uitdagend en breed. In de historische binnenstad vergen de gemeentelijke en rijksmonumenten aandacht. Inpassing van de horeca is een mooie uitdaging. Herontwikkeling van kantoorlocaties en gedateerde bedrijfsterreinen is een ander vlak waar aandacht naar uitgaat. Transformatie van kantoren naar wonen en transformatie van industrie naar evenementenlocaties en gemengde functies zoals winkels en wonen komt ook voor. In Amersfoort is zowel aandacht voor seriematige nieuwbouw van woningen, utiliteitsbouw als verbouwing en renovatie van de bestaande woningvoorraad en monumenten. Voor de komende beleidsperiode spelen vooral de recent (deels) ingevoerde invoering van de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen en de grote nadruk op duurzaamheids- en natuuraspecten vergunningverlening, toezicht en handhaving. Ten aanzien van de karakteristieken van de stad zoals hierboven beschreven zullen deze per wijk vertaald worden in locatie specifieke omstandigheden die meegeven worden aan kwaliteitsborgers voor het opstellen van een risicobeoordeling en een borgingsplan. Asbest In samenwerking met de RUD Utrecht wordt de vergunningverlening, toezicht en handhaving, de asbesttaken, uitgevoerd. Dit gaat in goed overleg omdat de gemeente voor monumenten en grote, veiligheid gerelateerde sloop de sloopvergunningen verleend en omdat bij gecombineerde aanvragen voor bouwen en sloop een goede samenwerking noodzakelijk is. Het aantal aanvragen voor bouwen en aanverwante Omgevingswet activiteiten in de afgelopen jaren redelijk stabiel gebleven. Dat geldt ook voor de leges die daaraan gekoppeld zijn. Handhaving openbare ruimte De handhavingsorganisatie voor de openbare ruimte is de afgelopen jaren verder geprofessionaliseerd. We beschikken over 28 BOA’s die toezicht houden op de openbare ruimte. Door de verschillende wijken die Amersfoort kent, met ieder zijn eigen vorm van problematiek, zijn de BOA’s ook ingedeeld naar wijk. Elke wijk kent zijn eigen BOA en elke BOA kent zijn eigen wijk. Verder worden de BOA’s ingezet om de veiligheid en de leefbaarheid te garanderen op een keur aan onderwerpen die spelen in de stad. Denk aan toezicht op de sociale veiligheid, jeugd, horeca, honden, afval etc. De afgelopen jaren zien we het aantal meldingen handhaving openbare ruimte met zo’n 10% per jaar toenemen. Door de groei van de stad, maar ook door de verdichting van functies en bewoning op dezelfde oppervlakte., kan de leefbaarheid onder druk staan. Beschrijving van de ontwikkelingen in de stad Er is een aantal Amersfoort specifieke ontwikkelingen te benoemen die de komende jaren van invloed zijn op de VTH-werkzaamheden en de keuzes die we daarin als Amersfoort moeten maken. BOA organisatie De verschuiving van het uitvoeren van taken op het gebied van leefbaarheid van de politie naar de gemeentelijke handhaving is een landelijke trend die ook in Amersfoort verder zichtbaar wordt. De BOA capaciteit zal verder onder druk komen door een toename van taken en een toename van leefbaarheidsissues als gevolg van groei van de stad en verdichting van functies en wonen. Transformaties We zien een aanzienlijk aantal gebouwen die van ruimtelijke functie veranderen van publieks- of bedrijfsmatige functies naar woningen. Deze transformaties zijn constructief-technisch ingewikkelde situaties waar veel verschillende brandveiligheidsaspecten aandacht vragen van de gemeentelijke toezichthouders. Omgevingswet en Wkb Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Deze wet beoogt om te komen tot één afgestemd instrumentarium voor de integrale aanpak van nieuwe initiatieven en de duurzame ontwikkeling voor gezonde en veilige fysieke leefomgeving. De wet zorgt op de inhoud voor een verschuiving van vergunningverlening naar advisering aan inwoners en ondernemers aan de voorkant en/of toezicht en handhaving aan de achterkant. De afgelopen beleidsperiode heeft de gemeente Amersfoort zich voorbereid op de invoering van de wet o.m. door de processen aan te passen, een backoffice applicatie in te richten, medewerkers op te leiden en een nieuw Omgevingsplan op te stellen. Ook zijn we in de aanloop naar de Omgevingswet al gaan werken volgens de principes van die wet. Zo is de Omgevingstafel geïntroduceerd en is er een nieuwe Gemeentelijke Adviescommissie Omgevingskwaliteit geïntroduceerd. De proof of the pudding is ook in deze in de tasting en dus zullen we de komende jaren de processen, werkwijzen en strategie onder de Omgevingswet blijven evalueren en aanpassen. Ook is per 1 januari 2024 is de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (deels) in werking getreden. Hier hebben we ons de afgelopen beleidsperiode op voorbereid door het aanpassen van de werkprocessen, de backoffice-applicatie in te richten en de medewerkers op te leiden. Het zal leiden tot een ander aanbod van werk en de wijze waarop we dit uitvoeren. Energietransitie De energietransitie die landelijk is ingezet zal gevolgen hebben voor met name de activiteit bouwen onder de Omgevingswet. De toetsing van vergunningaanvragen zal veranderen. Voor de energielabelplicht voor kantoorgebouwen is handhaving ingezet. De komende beleidsperiode zullen ook gebouwen met andere functies onder de labelplicht gaan vallen. Toezicht op basis van data Als overheden beschikken we over steeds meer data in verschillende databases welke nuttige informatie op kunnen leveren voor gericht toezicht. Met inachtneming van de juridische kaders (AVG) zullen we onderzoeken hoe we slim en efficiënt gebruik kunnen maken van deze data. Daarnaast streven we naar het gebruik van data en managementinformatie in de aansturing van de collega’s. Onderzocht zal worden of er business balance scorecard kan komen met alle relevante informatie. Risicoanalyse In de Risicoanalyse in bijlage 4 is de volledige uitkomst van de risicoanalyse te vinden die voor Toezicht en Handhaving op is gesteld. Voor Vergunningverlening wordt er niet gewerkt met een risicoanalyse. Voor bouwen wordt de aangepaste landelijke toetsmatrix (zie bijlage 5) en een daaraan gekoppeld toezichtsprotocol gebruikt. Deze laatste wordt deze beleidsperiode ingevoerd. Voor de overige vergunningen toetsen we volledig aan alle daarvoor geldende toetsingskaders (zie bijlage 6 Vergunningenstrategie). De activiteiten die een hoge of een zeer hoge risicoscore hadden zijn geprioriteerd in deze beleidsperiode. Deze activiteiten zijn aangevuld met de bestuurlijke prioriteiten van zowel het college als de raad. Om deze bestuurlijke prioriteiten op te halen is voorafgaand aan de vaststelling van dit plan een Peiling gehouden in de Amersfoortse raad. Gezamenlijk vormen zij de “Meerjaren-prioriteiten” voor deze beleidsperiode. Systematiek Vrijwel alle activiteiten die we binnen VTH kennen zijn in de risocomatrix meegenomen en verdeeld over 3 categorieën: ‘Bouwen en RO’, ‘Publiek domein’ en ‘Natuur, biodiversiteit en duurzaamheid’. Voor alle activiteiten is het effect gescoord op: Constructieve- en brandveiligheid Duurzaamheid Ruimtelijke kwaliteit/ erfgoed Natuur en biodiversiteit Volksgezondheid Hierbij zijn het financiële effect en het bestuurlijke afbreukrisico niet meegenomen. Deze zijn eerder het gevolg van een hoge score op de hierboven genoemde aspecten. Het totale effect levert een score op welke vertaald is in een prioriteit: Laag Gemiddeld Hoog Zeer Hoog Met deze prioriteit pakken we dan meldingen en verzoeken op die op deze activiteiten worden gedaan. Om te bepalen op welke activiteiten we preventief toezicht inzetten is in een tweede tabblad ook de overtredingskans meegenomen. De combinatie van het effect en de overtredingskans levert de toezichtsprioriteit op. Op die activiteiten die (zeer) hoog scoren organiseren we preventief toezicht. Denk hierbij aan constructieve veiligheid, grote evenementen, schenken van alcohol aan minderjarigen en parkeren. Bijlage4Risicomatrix VTH Amersfoort Bijlage5Toetsprotocol BBL 2024 Risicomatrix VTH Bijlage6Vergunningenstrategie Amersfoort Eerder in deze U&H strategie hebben we vastgelegd welke doelen we willen bereiken. In de uitvoeringsstrategieën bepalen we hoe we dit gaan doen. In deze bijlage beschrijven we de strategie die we hanteren bij het behandelen van vergunningaanvragen en meldingen. In “bijlage 7 Nalevingsstrategie” worden de strategieën ten aanzien van toezicht en handhaving beschreven. 1.Scope In deze strategie wordt onder vergunningverlening verstaan: Het toetsen en afhandelen (verlenen, weigeren, buiten behandeling stellen, intrekken of wijzigen) van vergunningsaanvragen, meldingen, principeverzoeken, vooroverleg en overige vragen; Het informeren over vergunningsvrije activiteiten; Interne- en externe afstemming, advisering over de aanvraag (vooroverleg) en communicatie; Het verzorgen van klantcontacten die betrekken hebben op de aanvragen of die betrekking hebben op informatie in algemene zin betreffende de fysieke leefomgeving. 2.Uitgangspunt De gemeente heeft de taak om de verschillende belangen vanuit de verschillende disciplines te coördineren. We werken met casemanagement per gebied, bij elke aanvraag wordt een casemanager van desbetreffende gebied toegewezen. De klant beschikt hierdoor over één vast aanspreekpunt. Het risico dat bij vergunningverlening tegenstrijdige voorschriften worden gesteld wordt hiermee sterk verminderd. De casemanager krijgt vanuit de betrokken disciplines adviezen aangereikt, vertaalt deze in een voor de aanvrager begrijpelijke vorm, en ziet toe op het integrale karakter van de omgevingsvergunning. Uitgangspunt bij vergunningverlening is dat burgers en bedrijven verantwoordelijk zijn voor het indienen van goede en volledige aanvragen. De aanvraag vormt immers de basis voor de te verlenen vergunning. Met de komst van de Omgevingswet zijn activiteiten niet meer onlosmakelijk met elkaar verbonden. Dit zorgt ervoor dat aanvrager activiteiten los van elkaar kan aanvragen en de gemeente losse vergunningen kan verlenen (bijv. ruimtelijk en technisch). De gemeente houdt zich hierbij aan de informatieplicht en zal de aanvrager wijzen op alle benodigde activiteiten voor de werkzaamheid die uitgevoerd wordt. De gemeente houdt zich bij de taakuitvoering aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het zorgvuldigheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. 3.Basiswerkwijze voor vergunningverlening en afhandeling van meldingen In dit hoofdstuk komt naar voren wat ons hoofdproces is voor aanvragen en meldingen. Vervolgens wordt ingegaan op bepalingen die we in de processen tegen kunnen komen, zoals de doorlooptijden, ontvankelijkheidstoets, samenwerking in de regio, de Wkb, locatie specifieke risico’s, vergunningsvrij bouwen en participatie. Hoofdproces Ons hoofdproces voor het besluiten op een vergunningaanvraag en het beoordelen van een melding volgt de wettelijke procedure zoals vastgelegd in de Omgevingswet en bijbehorende regelgeving (o.a. Bruidsschat; Bbl en Bkl). Hierin staan de te controleren indieningsvereisten stuk voor stuk benoemd. De basiswerkwijze voor het verlenen van een omgevingsvergunning is vastgelegd in zaaksysteem Centric Leefomgeving (CLO), waarbij de processtappen worden doorlopen en wordt aangegeven wie waarvoor verantwoordelijk is. Het gaat hier om de processtappen op hoofdlijnen. De gemeente specifieke werkwijze en keuzes zijn vastgelegd in werkafspraken en -processen. De gemeente verzorgt de volgende taken van iedere aanvraag en melding: Inboeken, registreren en eventueel digitaliseren van de aanvraag; Het versturen van een ontvangstbevestiging; Registeren aanvraag in CLO; Controleren bevoegd gezag; Controleren benodigde activiteiten en procedure; Toetsen op ontvankelijkheid; Controleren meervoudige of enkelvoudige aanvraag; Publiceren ingekomen aanvraag en (concept)beschikkingen; Overzicht bewaken over lopende procedures, de voortgang en termijnen; (Vak)inhoudelijke toets aan alle relevante beoordelingskaders (indieningsvereisten, Bruidsschat, Bbl en Bkl); Advies vragen aan interne- en externe adviseurs; Aanspreekpunt voor de aanvrager en informeren aanvrager; Opstellen (concept)beschikking; Doorlopen van CLO; Verzenden beschikking Publicatie van de beschikking Archiveren beschikkingen (analoog en digitaal). Mogelijk bezwaar, beroep en hoger beroep, eventueel gecombineerd met een voorlopige voorziening. Correspondentie, beschikkingen, adviezen en vergunningvoorschriften voor de toestemmingen die onder de Omgevingswet vallen zijn deels gestandaardiseerd in CLO. Deze worden waar nodig aangepast aan de betreffende situatie. Doorlooptijden Voor het behandelen van een aanvraag omgevingsvergunning geldt een bepaalde termijn waarbinnen wij een besluit moeten nemen. Sinds de Omgevingswet in werking is getreden kunnen we 3 termijnen onderscheiden: Reguliere procedure (8 weken, eenmalig te verlengen met 6 weken) Reguliere procedure waarbij advies met instemming is benodigd (12 weken, eenmalig te verlengen met 6 weken) Uitgebreide procedure (6 maanden, eenmalig te verlengen met 6 weken) Procedure waarbij meerdere activiteiten zijn aangevraagd (langste termijn van ieder van de activiteiten) Meldingen (niet-zijnde bouwmeldingen en gereedmeldingen) hebben geen uiterlijke termijn en op meldingen volgt geen besluit. Bij de behandeling van de melding wordt inhoudelijk getoetst én beoordeeld of aanvullende onderzoeken noodzakelijk zijn. Na beoordeling ontvangt de melder een bevestigingsbrief. De bouwmelding moet 4 weken voorafgaand aan de bouw worden ingediend, de gemeente heeft 4 weken de tijd om een reactie te geven. De gereedmelding moet 2 weken voor ingebruikname worden ingediend, de gemeente heeft 2 weken de tijd om een reactie te geven. Gegevens en bescheiden We verrichten een volledige ontvankelijkheidstoets bij alle vergunningsaanvragen. Als richtlijn geldt dat binnen één week na ontvangst van de aanvraag schriftelijk om aanvullende gegevens wordt verzocht. Als de gevraagde stukken niet, niet op tijd of niet volledig worden aangeleverd wordt de aanvraag buiten behandeling gelaten. Een buiten behandelingstelling is een besluit waartegen bezwaar en beroep kan worden ingesteld. Bij een melding wordt de melder erop gewezen dat er gegevens en/of bescheiden ontbreken en de activiteit niet kan worden uitgevoerd. Pas als er een nieuwe, volledige melding wordt gedaan kan de activiteit worden uitgevoerd. Bibob toets Indien, voor zover dit uit de aanvraag kan worden opgemaakt, met de verlening van een vergunning het gevaar bestaat dat daarmee strafbare feiten gepleegd zullen worden of dat uit strafbare feiten verkregen geld benut zal worden, wordt door onze gemeente in het voortraject of na ontvangst van de aanvraag een Bibob toets uitgevoerd. De situaties waarbij een Bibob-toets wordt uitgevoerd, zijn vastgelegd in het Bibob-beleid. Samenwerking in de Regio Bij de behandeling van vergunningaanvragen werkt de gemeente Amersfoort samen met diverse ketenpartners. Met een aantal ketenpartners zijn afspraken gemaakt. In een aantal gevallen heeft de gemeente advies met instemming nodig van de Provincie of de Regionale Uitvoeringsdienst Utrecht (RUD). Voor de kwaliteit van de specialistische bouwplantoetsing v.w.b. bouwakoestiek kunnen de casemanagers advies vragen aan de vakafdeling of bij een specialistisch bureau. De knip In de Omgevingswet wordt voor een bouwactiviteit, de bouwtechnische en ruimtelijke beoordeling uit elkaar gehaald en gesplitst in twee los van elkaar staande activiteiten: De (technische) bouwactiviteit en de omgevingsplanactiviteit. Dit wordt “de knip” genoemd. Met deze knip zal “het bouwen van een bouwwerk” moeten worden getoetst aan twee verschillende soorten regels. Enerzijds aan de bouwtechnische regels uit het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (BBL) en anderzijds aan de regels die de gemeente heeft opgenomen in het omgevingsplan. Wanneer je aan welke regels toetst is verder in deze strategie uiteengezet. Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) Gelijktijdig met de Omgevingswet is de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) in werking getreden. De Wkb geldt voorlopig alleen voor het nieuw bouwen van eenvoudige bouwwerken die vallen onder gevolgklasse 1 (beperkte gevolgen), zoals bijvoorbeeld eengezinswoningen en kleinere bedrijfspanden. Bouwwerken die vallen onder de Wkb worden door de gemeente niet meer preventief (door middel van een vergunning) getoetst aan de bouwtechnische voorschriften uit het BBL. In plaats daarvan moet de initiatiefnemer een onafhankelijke Kwaliteitsborger inschakelen. Bij gevolgklasse 2 en 3 en bij een verbouwing wordt getoetst op gelijke wijze als vóór de invoering van de Omgevingswet. De locatie specifieke risico’s Onder de WKb toetst een onafhankelijke kwaliteitsborger de bouwplannen. De kwaliteitsborger moet actief nagaan of er bijzondere lokale omstandigheden zijn en hier rekening mee houden. De gemeente deelt deze specifieke risico’s actief op de website of met de initiatiefnemer zodat er tijdig rekening mee gehouden kan worden. Hieronder is een lijstje opgenomen met de locatie specifieke risico’s die wij nu in beeld hebben. Dit kan per gebied verschillen, de komende beleidsperiode werken we de risico’s verder uit in bijvoorbeeld het Omgevingsplan Kleilagen in de ondergrond die heien van prefab palen bemoeilijkt of voorboren noodzakelijk maakt; Watervoerende lagen (bijvoorbeeld “eemstroom”) in de ondergrond die mogelijk een risico vormen bij grondgevormde funderingspalen; Resten van funderingen of andere materialen in de bodem die mogelijk van invloed zijn op de funderingswijze; Specifieke funderingsconstructies van belendingen die van invloed zijn op de fundering van een te bouwen bouwwerk; De windbelasting op een bouwwerk als gevolg van bouwwerken in de omgeving; Hoogtes en peilmaten; NGE (niet gesprongen explosieven) aandachtsgebieden zijn aangegeven op kaart; Bij bouwwerkzaamheden nabij een monument of een bouwvallig gebouw of een gebouw dat slecht gefundeerd is moeten vooraf extra maatregelen die het risico op het ontstaan van schade door trillingen verkleinen; Draagkracht van de bodem; Asbest in bodem of nabije omgeving; Bouwen langs een spoorlijn. De kwaliteitsborger is verplicht: De bijzondere lokale omstandigheden mee te nemen in de risicobeoordeling van de bouwactiviteit In het borgingsplan aan te geven welke maatregelen naar aanleiding van de bijzondere lokale omstandigheden worden getroffen Bij de verklaring aan te geven wat het resultaat was van de maatregelen die zijn genomen om de lokale risico’s te voorkomen of te beperken. Later in de strategie wordt uitgewerkt wanneer en hoe deze risico’s worden verwerkt en getoetst. Vergunningsvrije bouwwerken De gemeente bepaalt in het omgevingsplan welke activiteiten omgevingsvergunningsvrij zijn. Daarnaast zorgen de Omgevingswet en de Wkb voor wijzigingen ten aanzien van het aantal vergunningsvrije bouwactiviteiten. Ook hier moet worden gekeken naar de knip tussen bouwtechnische en ruimtelijke toets. Bij beide activiteiten is een aantal activiteiten vrijgesteld van de vergunningplicht. Een vergunningsvrije bouwactiviteit betekent niet dat de overige technische voorschriften uit het BBL niet van toepassing zijn. De initiatiefnemer, de aannemer of ontwikkelaar moet daar bij de bouw dus nog wel degelijk aan voldoen. Bij geconstateerde strijdigheden houdt de gemeente hier ook de bevoegdheid om handhavend op te treden bij overtreding van deze wettelijke voorschriften uit het BBL. Intrekken van een vergunning Artikel 5.40, lid 2, onder b Omgevingswet bepaalt dat als gedurende één jaar of een in de vergunning bepaalde langere termijn geen activiteiten zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning het bevoegd gezag een omgevingsvergunning kan intrekken. De gemeente Amersfoort heeft een beleidsregel ‘intrekken omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen’ waarin is vastgelegd hoe we omgaan met het intrekken van een omgevingsvergunning. Participatie De omgeving vroeg bij een project betrekken vergroot het draagvlak en voorkomt vaak bezwaren in een later stadium. Daarom is het voor een initiatiefnemer vaak verstandig om aan participatie te doen. Participatie betekent: meningen inwinnen over het voorgenomen initiatief. De initiatiefnemer moet bij het aanvragen van elke omgevingsvergunning aangeven of hij aan participatie heeft gedaan en wat de resultaten zijn. Dit is een aanvraagvereiste. De wijze van participatie is vormvrij. De gemeente Amersfoort heeft een participatiebeleid vastgesteld en de verdere uitwerking daarvan verwerkt in de participatiegids. Deze gids bevat handvatten voor initiatiefnemers, gemeente en belanghebbenden voor participatie rond ruimtelijke ontwikkelingen. Voor de meest complexe ontwikkelingen, waarbij het omgevingsplan gewijzigd wordt, heeft de gemeenteraad met deze gids een aantal vaste stappen voorgeschreven. In een aantal gevallen, zie figuur 1, is participatie verplicht voorafgaand aan de vergunningaanvraag. Het is een indieningsvereiste. Aanvrager dient een verslag aan te leveren waarin staat wie hij heeft betrokken, hoe hij dat heeft gedaan, wat hij heeft opgehaald, en hoe hij die opbrengst al dan niet heeft verwerkt in het uiteindelijke plan. De casemanager toetst dit op hoofdlijnen. Figuur 1: Tabel verplichte participatie 4.Beoordelingskader meldingen en vergunningen Zoals al eerder benoemd is de onlosmakelijkheid van activiteiten onder de Omgevingswet verdwenen. Dit betekent dat aanvrager er zelf voor kan kiezen om alle benodigde activiteiten in één vergunning aan te vragen, of alles los aan te vragen. De activiteiten zijn te onderscheiden in meldingen, omgevingsvergunningen en APV-activiteiten. Hieronder staan de meest voorkomende vergunnings- of meldingsplichtige activiteiten bij gemeente Amersfoort en het bijbehorende beoordelingskader. Meldingen (Asbest-)sloopmelding Het is verboden een bouwwerk of gedeelte daarvan te slopen als daarbij asbest wordt verwijderd of de hoeveelheid sloopafval naar redelijke inschatting meer dan 10 m3 bedraagt. Ten minste vier weken voor het begin van de sloopwerkzaamheden moet een melding bij het bevoegd gezag worden gedaan. Het behandelen van de melding gaat op hoofdlijnen als volgt: Ontvangst en registratie van de sloopmelding; Toetsing op volledigheid van gegevens en bescheiden. Hieronder valt ook een eventueel asbestinventarisatierapport; Beoordeling relevante wet- en regelgeving; De melder een bevestiging van acceptatie sturen. Gebruiksmelding (brandveiligheid) Een gebruiksmelding is verplicht bij een woonfunctie voor kamergewijze verhuur of een woonfunctie voor zorg. Voor een niet-woonfunctie is een gebruiksmelding alleen verplicht als het totaal aantal personen in het bouwwerk groter is dan het aantal personen genoemd in tabel 6.6 (artikel 6.6 BBL). De verplichting geldt voor structurele, maar ook voor incidentele gevallen. In een gebouw (of deel van een gebouw) met meerdere gebruiksfuncties moeten het aantal personen bij elkaar worden opgeteld. Vervolgens bepaalt de gebruiksfunctie met het laagste aangewezen aantal aanwezige personen of er een gebruiksmelding gedaan moet worden of niet. Meldingen brandveilig gebruik worden doorgestuurd naar, getoetst en afgehandeld door de Veiligheidsregio Utrecht op basis van de Dienstverleningsovereenkomst Risicobeheersing (pluspakket). Ook het toezicht op brandveilig gebruik wordt door de VRU uitgevoerd. Bouwmelding De categorie bouwwerken die onder de WKB vallen (gevolgklasse 1) zijn meldingsplichtig. Er hoeft in deze gevallen geen technische omgevingsvergunning aangevraagd te worden, een melding is voldoende. Deze melding moet worden gedaan minimaal vier weken voordat de initiatiefnemer wil starten met de bouw. De WKB is sinds kort in werking, wij hebben nog niet actief gewerkt met bouwmeldingen. Hierdoor weten wij niet hoe het in de praktijk zal werken. Hieronder benoemen wij onze beoogde werkwijze waarvan wij nu denken dat het zo gaat werken. De komende beleidsperiode zal hier meer vorm aan gegeven worden. Ontvankelijkheid De bouwmelding moet de volgende gegevens bevatten (artikel 2.18 Bbl): naam, adres en telefoonnummer van degene die het bouwwerk bouwt naam, adres en telefoonnummer van een gemachtigde (als die de melding indient) e-mailadres (als melding elektronisch plaatsvindt) van degene die het bouwwerk bouwt of gemachtigde dagtekening adres, kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit plaatsvindt beschrijving van de bouwactiviteit inclusief gebruiksfunctie van het bouwwerk wie de kwaliteitsborger is en met welk instrument voor kwaliteitsborging de kwaliteitsborger werkt risicobeoordeling borgingsplan In de risicobeoordeling en het borgingsplan moeten de locatie specifieke risico’s zijn meegenomen. Na bouwmelding naar hogere gevolgklasse Het kan zijn dat er na de bouwmelding geen sprake meer is van gevolgklasse 1. Bijvoorbeeld als tijdens het bouwen zodanige aanpassingen plaatsvinden aan het bouwwerk dat het onder een hogere gevolgklasse komt te vallen. In dat geval moet de bouw stoppen en moet de initiatiefnemer alsnog een omgevingsvergunning voor de technische bouwactiviteit aanvragen. Casemanager controleert bouwmelding op volledigheid De casemanager beoordeelt of de bouwmelding volledig is. Als dat zo is, dan mag de bouw zoals gepland na de termijn van 4 weken starten. Beoordeelt de casemanager binnen 4 weken dat de bouwmelding onvolledig is? Dan sturen we een reactie op de melding met daarin wat de ontbrekende stukken zijn en dat de aanvrager een geheel nieuwe volledige melding moet indienen. Na het indienen van de nieuwe melding gaat de termijn van 4 weken weer lopen. Er is geen publicatie van een bouwmelding in bijvoorbeeld dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen. Extra informatie Het bevoegd gezag kan om extra informatie vragen boven op de verplichte gegevens die bij een bouwmelding moeten zitten. Dat geldt voor bijzondere situaties waarin bepaalde specifieke risico's spelen die van invloed kunnen zijn op het voldoen van de bouwactiviteit aan de bouwtechnische regels van hoofdstuk 4 en 5 van het Bbl. Dat kan bijvoorbeeld aan de orde zijn bij locatie specifieke risico’s. Het bevoegd gezag kan dan voor specifieke bouwwerkzaamheden die daarmee samenhangen (inclusief de momenten waarop ze plaatsvinden) informatie opvragen (artikel 2.20 Bbl). Meekijken toezichthouder Als de casemanager niet zeker weet of de bouwmelding volledig is kan de toezichthouder op aanvraag meekijken met de casemanager. De casemanager stelt een gerichte adviesvraag waar de toezichthouder op kan reageren. Bouw- en sloopveiligheidsplan Het bouw- en sloopveiligheidsplan is geen indieningsvereiste bij de bouwmelding. Het is een los informatieverzoek in DSO. De casemanager controleert tijdens de bouwmelding of het bouw- en sloopveiligheidsplan erbij zit en of die al eerder is geaccordeerd. Is dit niet het geval en is het wel verplicht? Dan accepteren we de bouwmelding (bij volledigheid) en wijzen wij de initiatiefnemer erop dat het nog ingediend moet worden. Behandelen bouw- en sloopveiligheidsplan Zit het bouw- sloopveiligheidsplan er wel bij? Of wordt het los ingediend? Dan wordt het plan inhoudelijk getoetst door de casemanager. Er wordt, zo nodig, advies gevraagd aan de adviseur verkeer, afdeling Leefomgeving en constructie. Gereedmelding Vóór het in gebruik nemen van een bouwwerk moet eerst een gereedmelding naar ons worden opgestuurd. Dit moet ten minste 2 weken voor het in gebruik nemen van het bouwwerk. Met een gereedmelding controleert de toezichthouder bouw of de kwaliteitsborging is uitgevoerd volgens de regels. En dat het bouwwerk naar het oordeel van de kwaliteitsborger voldoet aan de bouwtechnische regels van het Bbl. Het is mogelijk om 1 gereedmelding te doen voor meerdere bouwwerken op hetzelfde terrein of op terreinen die met elkaar samenhangen. Ontvankelijkheid De gereedmelding bestaat uit: naam, adres en telefoonnummer van degene die de bouwmelding heeft gedaan adres, kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waar de bouwactiviteit is uitgevoerd dagtekening de verklaring van de kwaliteitsborger informatie (als die van belang
- is)die ingaat op de getroffen maatregelen in het borgingsplan om bouwtechnische risico's te voorkomen of te beperken aanduiding van de gebruiksfuncties, verblijfsgebieden, verblijfsruimten en de afmetingen en de bezetting van alle ruimten, inclusief totaaloppervlakten per gebruiksfunctie informatie waaruit blijkt dat het bouwwerk voldoet aan de regels over: bouwconstructie luchtverversing Energiezuinigheid Milieuprestatie informatie over brandveiligheid (dezelfde informatie als die nodig is bij een melding brandveilig gebruik in artikel 6.8, lid 1, onder d, onder 4° en 5° Bbl) informatie over toegepaste gelijkwaardige maatregelen. De onderdelen d t/m i vormen samen het 'dossier bevoegd gezag'. Beoordeling De verklaring van de kwaliteitsborger toetsen we inhoudelijk. Zit alles erbij en staan alle vinkjes op groen? Zijn er geen bijzondere mededelingen? Dan kunnen we instemmen met de verklaring. Het dossier bevoegd gezag (e-
- i)beoordelen we op volledigheid. Zitten alle stukken erbij? Dan melden we de aanvrager dat wij het aannemelijk vinden dat de melding volledig is. Is de melding niet volledig? Dan informeert de toezichthouder de initiatiefnemer hierover. De melding moet gezien worden als geen melding, we wijzen de melding af. Het bouwwerk mag niet in gebruik genomen worden. Deelopleveringen bij meerdere woningen onder gevolgklasse 1 Van deelopleveringen is sprake wanneer er meerdere woningen worden gebouwd onder gevolgklasse 1, waarbij het wenselijk is om een aantal woningen eerder op te leveren voordat het gehele project klaar is. Binnen de regelgeving is hier niets over geregeld. De gemeente Amersfoort werkt alleen mee met deelopleveringen wanneer de kwaliteitsborger of aannemer volledige deeldossiers en deelverklaringen per woning kan indienen. Lukt dat en voldoen de stukken? Dan kunnen we meewerken met de deelopleveringen en kunnen de woningen in gebruik genomen worden. Wil de kwaliteitsborger of aannemer geen deeldossiers en deelverklaringen opstellen? Dan krijgen ze geen akkoord voorafgaand, is er een verbod op ingebruikname en moet eerst alles afgebouwd worden voordat er woningen opgeleverd kunnen worden en mensen zich kunnen inschrijven. Omgevingsvergunningen Omgevingsvergunning Bouwactiviteit (technisch) Toetsing aan het BBL Alle aanvragen voor een omgevingsvergunning die betrekking hebben op een technische bouwactiviteit (gevolgklasse 2 en 3), worden getoetst aan het BBL. De bouwtechnische voorschriften uit het BBL zijn niet gedifferentieerd naar zwaarte. Bij de beoordeling van een dergelijke aanvraag moet voor bepaalde voorschriften worden bepaald of het aannemelijk is dat aan deze voorschriften wordt voldaan. Deze aannemelijkheidstoets biedt enige ruimte om te kunnen variëren in toets intensiteit. Het is voor (vrijwel) geen enkele gemeente mogelijk om alle voorschriften uit het BBL even uitputtend te toetsen. Bovendien vraagt niet elk gebouw/bouwwerk om dezelfde mate van toetsing. Bouwplannen lopen namelijk zeer uiteen. Het toetsen van vergunningsaanvragen aan de bouwtechnische voorschriften uit het BBL vindt risicogestuurd plaats. Hiervoor wordt het “Toetsprotocol BBL”, zie bijlage 5, gebruikt. In het protocol staat het niveau van toetsing en schrijven casemanagers op of het plan voldoet of niet. Hiermee is de kwaliteit en verantwoording geborgd, doordat: Bouwplannen eenduidig, consequent, transparant en adequaat worden getoetst. Hierdoor wordt de veiligheid van bouwwerken verhoogd en gewaarborgd, alsmede het gezond en veilig gebruik ervan; Keuzes en prioriteiten worden gemotiveerd en bestuurlijk vastgelegd; Naar inwoners en ondernemers herleidbaar kan worden aangegeven aan welke voorschriften uit het BBL hun aanvraag getoetst is en met welke intensiteit. Het toetsprotocol maakt per (hoofd)gebruiksfunctie van het BBL onderscheid in 4 toetsniveaus: Niveau 1: snel toetsen; Niveau 2: visueel toetsen; Niveau 3: representatief toetsen; Niveau 4: integraal toetsen. In figuur 2 is een definitie van de verschillende toetsniveaus aangegeven. De diepgang van de toets kan variëren van snel toetsen tot integraal toetsen. Elk volgend toetsniveau is een aanvulling op het vorige. Niveau Toetsniveau Definitie 1 Snel toetsen Dit is een feite een uitgangspuntentoets. Getoetst wordt of alle stukken er zijn en of ze beschikbaar zijn om de uitgangspunten van de aanvraag te kunnen beoordelen. De toets beperkt zich tot de aangeleverde stukken en is in feite een ontvankelijkheidstoets. Dit niveau is de minimale invulling die wordt toegepast wanneer de kans op risico’s en de gevolgen zeer gering zijn. 2 Visueel toetsen Zijn de uitgangspunten (maten) opgenomen. Kloppen de uitgangspunten en zijn de uitkomsten aannemelijk? Gecontroleerd wordt of de aangeleverde stukken ten aanzien van het betreffende aspect in de juiste vorm zijn en of het aannemelijk is dat daarmee aan de eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving voldaan wordt. 3 Representatief toetsen Controle van de maatgevende onderdelen. Nagegaan wordt of de uitgangspunten juist zijn en of deze aannemelijk zijn. Maatgevende berekeningen worden gecontroleerd dan wel nagerekend. 4 Integraal toetsen Deze aspecten worden volledig getoetst, ook in samenhang met andere aspecten. Nagegaan wordt of de uitgangspunten juist zijn en de uitkomsten worden gecontroleerd en nagerekend. Figuur 2: Definitie van de verschillende toetsniveaus Constructieve toetsing Alle aanvragen voor een omgevingsvergunning die betrekking hebben op een technische bouwactiviteit in gevolgklasse 2 en 3, worden door de interne constructeur getoetst aan de regels voor constructieve veiligheid (BBL) . De aanvragen voor een omgevingsvergunning in gevolgklasse 1 toetsen we als daar aanleiding toe is. De toetsing vindt risicogestuurd plaats volgens het “toetsprotocol BBL”, opgenomen in Bijlage 5. Brandveiligheid Alle aanvragen voor een omgevingsvergunning die betrekking hebben op een technische bouwactiviteit (gevolgklasse 2 en 3) worden door de VRU getoetst aan de regels voor brandveiligheid uit het BBL. De aanvragen voor een omgevingsvergunning in gevolgklasse 1 toetsen we als daar aanleiding toe is. De toetsing vindt risicogestuurd plaats volgens het landelijke toetsprotocol. De door de VRU opgestelde toetsingsrapportage wordt aan de gemeente voorgelegd. De gemeente behandelt de vergunningaanvraag verder. Bouwactiviteit omgevingsplan (OPA) Aan de andere kant van de knip bevindt zich de ruimtelijke beoordeling voor bouwwerken. We spreken over een OPA als in het omgevingsplan staat dat er een vergunningplicht is, onder welke voorwaarden we de activiteit kunnen toestaan en het (bouw)plan hieraan voldoet. We toetsen de aanvraag aan de ruimtelijke eisen van het Omgevingsplan en de welstandseisen uit de welstandsnota. Ruimtelijke toetsing In het Omgevingsplan worden ruimtelijke beleidskeuzes vertaald naar praktisch toepasbare voorschriften. De casemanager toetst aan de regels en legt het eventueel voor aan de Ruimtelijk adviseurs binnen afdeling Vergunningen, Toezicht en Handhaving (VTH). De Ruimtelijk adviseur kan ervoor kiezen om het plan te bespreken op de Kleine Omgevingstafel. Hier worden de aanvragen voor een OPA met nadere beoordelingsregels, aanlegactiviteiten, en slopen (op grond van het Omgevingsplan of binnen beschermd stadsgezicht) besproken. Verschillende disciplines geven integraal het advies en, in de meeste gevallen, kan er vervolgens door de casemanager een besluit worden genomen. Eventuele voorschriften worden in de vergunning opgenomen. Toetsing aan welstandseisen In de welstandsnota worden door het vastgestelde kader de ruimtelijke uitstraling en kwaliteit van de gemeente waar nodig gewaarborgd. Indien blijkt dat de aanvraag voldoet aan de ruimtelijke regels van het Omgevingsplan, dan wordt de aanvraag getoetst aan de redelijke eisen van welstand. Welstand is ook een belang dat al wordt meegenomen in de ruimtelijke afweging. Concreet houdt dit in dat het bouwplan moet voldoen aan de criteria die zijn opgenomen in de Welstandsnota. In Amersfoort is een beperkt aantal gebieden aangewezen als welstandsvrij en loopt er een pilot welstandsvrij over meerdere kleine gebieden over de stad. Om de redelijke eisen van welstand te beoordelen, legt de casemanager het bouwplan voor aan de Stadsbouwmeester. Plannen die vallen binnen rijksbeschermde of gemeentelijke stadsgezichten, of die anderszins een waarde bevatten die de gemeente wil beschermen, worden voorgelegd aan de subcommissie Erfgoed. Wanneer een grotere groep de plannen moet beoordelen omdat er sprake is van een grotere ruimtelijke ontwikkeling of het beoordelen van een beleidsnota, dan komt de Gemeentelijke Adviescommissie Omgevingskwaliteit (GAO) samen. Locatiespecifieke risico’s Als tijdens het beoordelen van de aanvraag, of in het voortraject, blijkt dat het plan valt in gevolgklasse 1, worden de locatie specifieke risico’s meegegeven aan de aanvrager. In de vergunning worden de locatie specifieke risico’s opgenomen als voorwaarde. Op deze manier is de kwaliteitsborger op tijd op de hoogte. De kwaliteitsborger is verplicht deze risico’s mee te nemen, ook in de bouwmelding. Deelopleveringen Gaat het om een groot nieuwbouwproject en verwacht de casemanager dat er gebruik gemaakt kan worden van deelopleveringen? Dan wordt de initiatiefnemer geattendeerd op de eerder genoemde voorwaarden waarbinnen dit kan. Op deze manier is initiatiefnemer tijdig op te hoogte en kan er nog voor verschillende opties gekozen worden. Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit (BOPA) Als de initiatiefnemer wil bouwen of een perceel wil gebruiken in strijd met de regels van het Omgevingsplan, dan kunnen we het bouwwerk of het gebruik in bepaalde gevallen toch toestaan door middel van de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Het verlenen van deze omgevingsvergunning is een bevoegdheid van het college die (in de meeste gevallen) is gemandateerd aan VTH. Om een omgevingsvergunning BOPA te kunnen verlenen, dient te worden onderbouwd dat de aanvraag voldoet aan het vereiste van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en daarnaast aan het vereiste van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (dit staat in het Bkl). Om dit te kunnen onderbouwen wordt het plan in eerste instantie besproken aan de Kleine Omgevingstafel. Hierin zijn de disciplines monumentenzorg, stedenbouw, verkeer, milieu, economie, wonen en planjuristen vertegenwoordigd en indien nodig kunnen hier andere disciplines aanschuiven. De meeste plannen kunnen aan de Kleine Omgevingstafel worden afgehandeld. De casemanager handelt vervolgens de aanvraag verder af. Complexe plannen Een klein deel van de plannen (dit zijn de grotere en meer complexe aanvragen), waarvoor meestal ook adviesrecht van de gemeenteraad en verplichte participatie geldt en waarvoor we meestal een uitgebreide procedure willen toepassen, wordt aan de Intaketafel besproken. Hier beoordelen we de wenselijkheid van het plan en of het plan verder moet worden behandeld aan de Omgevingstafel of als Project. Na instemming door de wethouder wordt het plan verder (met de initiatiefnemer) besproken aan de Omgevingstafel. Hier beoordelen we de haalbaarheid van het plan. Andere plannen worden verder door een projectleider opgepakt als Project, via de Portfolioraad. De procedure voor de omgevingsvergunning BOPA volgt in principe de reguliere procedure (8 weken + mogelijkheid verlenging 6 weken). In bepaalde situaties kan het bevoegde gezag de uitgebreide procedure van toepassing verklaren. Dit kan onder de volgende voorwaarden: Als onderbouwd kan worden dat er (mogelijk) aanzienlijke gevolgen zijn voor de fysieke leefomgeving Als aannemelijk kan worden gemaakt dat meerdere belanghebbenden hiertegen bedenkingen hebben De gemeente Amersfoort heeft dit uitgewerkt in de “Beleidsregel toepassing uitgebreide procedure op aanvraag omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit”. Aan de Kleine Omgevingstafel wordt bepaald of een plan in aanmerking komt voor de uitgebreide procedure. Dit is een besluit dat vervolgens wordt genomen ten tijde van het verlenen van de BOPA. In een aantal gevallen heeft de gemeenteraad adviesrecht. Dit zijn gevallen die vooraf zijn vastgelegd, zie de tabel in figuur 3. Dit zijn ook gevallen waarin participatie verplicht is en wordt getoetst als indieningsvereiste van de aanvraag. Figuur 3: Tabel adviesrecht gemeenteraad Locatiespecifieke risico’s Als tijdens het beoordelen van de aanvraag, of in het voortraject, blijkt dat het plan valt in gevolgklasse 1, worden de locatie specifieke risico’s meegegeven aan de aanvrager. In de vergunning worden de locatie specifieke risico’s opgenomen als voorwaarde. Op deze manier is de kwaliteitsborger op tijd op de hoogte. De kwaliteitsborger is verplicht deze risico’s mee te nemen in de bouwmelding. Deelopleveringen Gaat het om een groot nieuwbouwproject en verwacht de casemanager dat er gebruik gemaakt kan worden van deelopleveringen? Dan wordt de initiatiefnemer geattendeerd op de eerder genoemde voorwaarden waarbinnen dit kan. Op deze manier is initiatiefnemer tijdig op te hoogte en kan er nog voor verschillende opties gekozen worden. Sloopvergunning In onderstaande 3 gevallen is een sloopvergunning benodigd voor het slopen: Het bouwwerk is een monument; Het bouwwerk ligt in een beschermd stads- of dorpsgezicht; In het bestemmingsplan staat dat een omgevingsvergunning nodig is. De aanvraag sloopvergunning wordt getoetst aan de relevante wet- en regelgeving en op constructieve veiligheid van het gebouw zelf en de omliggende gebouwen. Indien er sprake is van een monument of beschermd stads- of dorpsgezicht wordt de aanvraag voorgelegd aan de subcommissie Erfgoed. Activiteit vellen houtopstand Van kappen kan sprake zijn als een boom of houtopstand geveld wordt of als er zeer drastisch wordt gesnoeid, bijvoorbeeld het verwijderen van de kroon uit een boom. In de Verordening Fysieke Leefomgeving Amersfoort (FLOA) is opgenomen dat het verboden is om zonder kapvergunning bomen te vellen. Een aanvraag wordt getoetst aan de indieningsvereisten (eigenaar perceel, vragen beantwoord, foto, situatietekening). De medewerker van de afdeling Leefomgeving (LO) beoordeelt de boom technisch en kijkt naar de kwaliteit van de boom. Afhankelijk van de beoordeling van de medewerker LO en de casemanager wordt een aanvraag besproken in het kapvergunningenoverleg. In dat overleg beoordeelt de Ruimtelijk adviseur, een landschapsarchitect en de een ecoloog de aanvraag. Een aanvullende flora- en faunatoets kan worden verlangd. Vervolgens kan een vergunning worden verleend of geweigerd. Het toetsingskader wordt gevormd door de bomenleidraad, vastgesteld door de gemeenteraad. Daarnaast kennen we de monumentale bomenlijst waar bomen op staan die in beginsel niet gekapt mogen worden. Aanlegvergunning In het omgevingsplan kan een verbod worden ingesteld dat binnen een gebied bepaalde “werken die geen bouwwerken zijn” of bepaalde werkzaamheden uit te voeren zonder vergunning niet is toegestaan. In de voorschriften van het omgevingsplan is dan aangegeven wanneer een aanlegvergunning nodig is. Voorbeelden zijn het aanleggen van wegen of paden, het graven van sloten of het ophogen of afgraven van grond. De aanvraag wordt 100% getoetst aan de bepalingen die zijn opgenomen in het Omgevingsplan. Rijksmonumentenactiviteit Voor het aanpassen van een pand dat een rijks-, provinciaal of gemeentelijk monument is, is, naast mogelijke andere vergunningen, een omgevingsvergunning met de activiteit “Rijksmonumentenactiviteit” nodig. De aanvraag vergt bijzondere aandacht om te voorkomen dat onomkeerbare schade wordt toegebracht aan gemeentelijk cultuurhistorisch erfgoed. Naast de gebruikelijke beoordeling van de aanvraag via de subcommissie Erfgoed ligt het voor de hand dat bij de toetsing van aanvragen voor een vergunning voor monumenten wordt aangesloten bij de toetsingsstrategie voor de Bouwactiviteit omgevingsplan (OPA). Immers, voor het merendeel van de veranderingen aan een monument is ook een OPA vereist. Door de intensiteit van toetsing en toezicht te vergroten als het een monument betreft kan een afdoende waarborg tegen vernietiging van monumentale waarden worden verkregen. Belangrijkste toetsingskader is de “Cultuurhistorische analyse beschermd stadsgezicht binnenstad Amersfoort” waarin het gros van de Amersfoortse monumenten gelegen zijn. In de binnenstad en Rijksbeschermde stadsgezichten staan de eisen waar aan getoetst wordt in de cultuurhistorische analyse en in “bestemmingsplan de Berg”. Dit ziet toe op de bescherming van een gebied. Voor specifieke monumenten geldt een redengevende omschrijving per monument. Hierin staat waarom iets een monument is en welke waarde beschermd moet worden. Alle Rijksmonumenten staan ook op monumentenregister.nl Vanuit de erfgoedverordening kan een bouwhistorisch onderzoek worden geëist. Als gemeente onderzoeken we eerst of dat wel een adequaat middel is. Milieu Voor de activiteit milieu is er een regionale U&H strategie waarin de strategie en het beoordelingskader is opgenomen. Reclame De beoordeling van aanvragen voor de activiteit reclame worden getoetst aan de welstandsnota en ter advisering voorgelegd aan de stadsbouwmeester. Inritten In het Omgevingsplan staat opgenomen dat je niet zonder melding een inrit mag realiseren. Eerst vindt er een volledigheidstoets plaats (gegevens aanvrager en tekening). Sommige aanvragen worden voor advies uitgezet aan de afdeling Stad en Ontwikkeling en mogelijk naar de afdeling Leefomgeving voor het doorkruisen van groen. Vervolgens wordt ingestemd met de melding op basis van voorwaarden (gemeente legt aan, geen draaiende delen naar buiten) of wordt de aanvraag geweigerd. Na acceptatie melding volgt nog een kostenberekening van de werkzaamheden voor het gedeelte van de inrit die in de openbare ruimte aangelegd wordt. Rioolaansluiting Er geldt in beginsel een verplichting voor ieder perceel om aangesloten te zijn op het riool. Hier moet een vergunning voor aan worden gevraagd. De aanvraag wordt getoetst op de aanwezige gegevens. Deze gegevens zijn nodig om de vergunning op te maken en een kostenplaatje te maken van het aansluiten op het riool. Voorwaarde bij het verlenen van de vergunningen is dat aanvrager de kosten voor het aansluiten van het riool voldoet. Bij de vergunning wordt verwezen naar de wet- en regelgeving van het gebruik van aansluiting (denk aan het niet afvoeren dierlijke vetten bijvoorbeeld). Flora- en Fauna-activiteit Sommige dieren en planten zijn internationaal strikt beschermd in de Europese Unie. Om deze soorten te beschermen is er bij bouwwerkzaamheden in veel gevallen een vergunning nodig voor de Flora- en Fauna-activiteit. De Provincie is bevoegd gezag. De gemeente Amersfoort heeft de ontheffing “Soortmanagementplan gebouwbewonende soorten” (SMP) gekregen van de Provincie. De ontheffing geldt voor een aantal diersoorten, te weten de huismus, gierzwaluw, huiszwaluw, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. Naast de gemeente kunnen ook particuliere woningeigenaren gebruikmaken van het SMP en de ontheffing. Als de gemeente een aanvraag voor een bouwactiviteit ontvangt, toetsen we de Flora- en Fauna van het betreffende gebied. Casemanager toetst of er een Flora- en Fauna vergunning benodigd is of dat het doorschrijven van de ontheffing SMP afdoende is. Indien er een Flora en fauna vergunningplicht is, vraagt casemanager advies (met instemming) aan de Provincie Utrecht. De gemeente verleend de vergunning vervolgens met de voorwaarden die de Provincie heeft gesteld. Indien het doorschrijven van de ontheffing afdoende is meldt de casemanager dit aan de aanvrager en wordt advies gevraagd aan de ecoloog binnen de gemeente Amersfoort. Vervolgens worden er voorschriften opgenomen in de vergunning. Toetsing bodem, bouwstoffen en grondstromen De provincie Utrecht is binnen onze gemeente bevoegd gezag in het kader van de Wet bodembescherming (nu opgenomen in de Omgevingswet). De gemeente is verantwoordelijk voor het beoordelen van meldingen voor het (opnieuw) toepassen van bouwstoffen, grond of baggerspecie. Op basis van de Dienstverleningsovereenkomst worden deze meldingen door de RUD getoetst aan de eisen van de regionale bodembeheersnota en bodemkwaliteitskaart Besluit Bodemkwaliteit. De kwaliteit van de bodem speelt een rol bij onder meer bouwplannen, herinrichting van stadsdelen, civieltechnische werken en het verlenen van milieuvergunningen. Bij deze activiteiten zijn diverse partijen betrokken. Al deze partijen (andere afdelingen binnen een gemeente maar ook aannemers, makelaars, projectontwikkelaars, etc.) hebben behoefte aan duidelijke regels voor het omgaan met de bodemkwaliteit en het toepassen van partijen grond en baggerspecie. Tevens willen de gemeenten hun bodemkwaliteit duurzaam beheren. Dat betekent onder meer dat hergebruik van vrijkomende grond efficiënt en verantwoord moet plaatsvinden. Het bodembeleid zoals beschreven in de beheersnota maakt het mogelijk om vrijkomende grond zoveel mogelijk in de regio te hergebruiken. Zowel de interne gemeentelijke uitvoeringsorganisatie als externe partijen hebben hier profijt van. Door het vaststellen van de locatiespecifieke risico’s zal de staat en de kwaliteit van de bodem mogelijk meer een rol gaan spelen. APV en Bijzondere Wetten Evenementenvergunning of markten Voor het organiseren van de meeste evenementen is een vergunning nodig. We maken een onderscheid in kleine (A), middelgrote (B) en grote (C) evenementen. Aanvragen voor evenementen worden getoetst aan het evenementenbeleid en het vigerende geluidbeleid. Indien evenementen plaatsvinden in tijdelijke bouwwerken, vindt de toetsing plaats aan het BBL volgens de niveaus in het toetsingsprotocol. Standplaatsvergunningen Voor het verkopen of leveren van diensten op of aan de openbare weg is een standplaatsvergunning nodig. Ook als de standplaats tijdelijk is. Horecavergunningen Voor het exploiteren van een horecabedrijf is een exploitatievergunning nodig. Deze verplichting geldt ook wanneer er geen alcoholhoudende dranken worden geschonken of verkocht. Als er in het horecabedrijf wél alcoholhoudende dranken worden geschonken of verkocht, dan is ook een Alcoholwetvergunning nodig. Alle ondernemers / stichtingen / verenigingen die een horecabedrijf overnemen of nieuw vestigen, moeten een exploitatievergunning aanvragen. Ook is er een nieuwe vergunning nodig als de rechtsvorm van het horecabedrijf verandert. De aanvraag exploitatievergunning wordt getoetst aan relevante horecawetgeving en de bouwtechnische eisen uit het BBL. Bijlage7Nalevingsstrategie 1.Inleiding De nalevingsstrategie is het verzamelbegrip dat voortvloeit uit de samenvoeging van de volgende beleidsstrategieën: Preventiestrategie; Toezichtstrategie; Handhavingsstrategie; Gedoogstrategie. Deze beleidsstrategieën worden allemaal uitgewerkt op basis van de visie en prioriteiten uit de U&H Strategie. 2.Preventiestrategie De preventiestrategie beschrijft welke middelen wij inzetten om overtredingen van wet- en regelgeving te voorkomen. Hierbij speelt communicatie een cruciale rol. In de preventiestrategie wordt ingegaan op de in te zetten communicatiemiddelen en op de wijze van informatievoorziening aan de samenleving over de uit te voeren VTH-taken. De preventiestrategie is een belangrijk onderdeel van het hele handhavingsproces, want als overtredingen kunnen worden voorkomen dan heeft dit de voorkeur boven het inzetten van toezicht en handhaving. ‘Preventie’ is dan ook onderdeel van de visie. Preventie is vaak niet (alleen) een taak van de afdeling VTH. VTH is vooral uitvoerend. Bij verandering in wet- en regelgeving of bij een veranderende werkwijze, is het dan ook vaak een andere afdeling die aan zet is om preventie vorm te geven. Het verplichte energielabel C bij kantoorpanden is hier een goed voorbeeld van. Vanaf 1 januari 2023 moeten alle kantoorpanden energielabel C hebben. De komende beleidsperiode gaan we hier ook op toezien en handhaven. Tot en met 2023 was er een projectgroep, getrokken vanuit een andere afdeling, aan de slag om pandeigenaren zoveel mogelijk te informeren over de verplichting om kantoorpanden te verduurzamen. VTH leverde daar een bijdrage aan. Communicatie Goede communicatie over de visie, het beleid, de uitvoering en de organisatie van de VTH- taken draagt bij aan draagvlak binnen de samenleving. Deze strategie, de bekendmaking en natuurlijk een transparante uitvoering ervan, zorgen ervoor dat de samenleving kennis kan nemen van hoe wordt omgegaan met de VTH-taken. Transparantie en duidelijkheid over de invulling en uitvoering van de VTH-taken leiden uiteindelijk tot een verbetering van de effecten van de geleverde inspanningen en daarmee een beter naleefgedrag. Communicatie en handhaving Communicatie versterkt, naast en voorafgaand aan de daadwerkelijke handhaving, de uitwerking van handhavingsacties. Als de uitwerking zichtbaar wordt gemaakt, heeft een uitgevoerde controle niet alleen een positieve invloed op het naleefgedrag van de gecontroleerde, maar ook op die van de niet-gecontroleerde. Gebeurt het zichtbaar maken niet (voldoende), dan gaat de effectversterkende werking hiervan snel verloren. In het uitvoeringsprogramma wordt uitgewerkt op welke wijze en op welke onderdelen wij actief communiceren over onze toezicht- en handhavingstaken. Dat kan verschillen per beleidsterrein (Omgevingswet, Alcoholwet, APV etc.). Communicatiemiddelen De in te zetten communicatiemiddelen zijn onder te verdelen in: Persoonlijke en centrale communicatie. Toezichthouders en handhavers zijn vaak in gesprek met burgers en bedrijven om de regels duidelijk te maken. Elke melding of klacht, bijvoorbeeld Openbare Ruimte, krijgt opvolging waardoor we in gesprek blijven met de samenleving. Inwoners kunnen (voor-)overleg aanvragen met een casemanager over bijvoorbeeld de vindbaarheid en interpretatie van aanvraagvereisten, gemeente specifieke bepalingen, slagingskans van plannen en te volgen procedures; Gedrukte media, zoals folders, dag- en weekbladen, brieven, brochures en flyers. Elke week worden stadsberichten, zoals nieuws van de Raad en wegwerkzaamheden, gepubliceerd in ‘De Stad Amersfoort’. De brieven die we in het kader van VTH sturen verbeteren we continu om de leesbaarheid en duidelijkheid te vergroten. Elektronische/sociale media, zoals de website, e-mail, ’X’, Facebook, Overheid.nl etc. De aanvragen en besluiten worden gepubliceerd op Overheid.nl. Meldingen kunnen bij de gemeente Amersfoort op verschillende manieren worden gedaan: amersfoort.nl, twitter, facebook, telefonisch en apps. Specifiek voor VTH is er informatie beschikbaar via amersfoort.nl. We werken continu aan verbetering van die informatie. Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO): Alle digitale informatie is op één plek te vinden. Via het Omgevingsloket kunnen burgers en bedrijven snel zien wat op een locatie mag en wat niet onder de Omgevingswet en voor welke activiteiten. Het een informatie- of meldingsplicht dan wel vergunningplicht bestaat. Via het Omgevingsloket kunnen initiatiefnemers een vergunningaanvraag of melding indienen in het DSO; Situaties Afhankelijk van de situatie wordt bepaald welk communicatiemiddel wordt ingezet. Hierbij is het van belang de volgende vragen te beantwoorden: Over welke doelgroep(
- en)hebben we het? Wie willen we bereiken? Hoe staat de doelgroep tegenover het onderwerp? Met welk communicatiemiddel is deze doelgroep het beste te bereiken? Hoe effectief en efficiënt wordt de doelgroep met dat middel bereikt en wat is de meerwaarde van het gekozen middel? In hoeverre is er over het betreffende onderwerp al eens gecommuniceerd en welk resultaat heeft dit gehad? Voorbeeld: gebiedsgerichte controle Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de aankondiging van een grote gebiedsgerichte controle op een bepaald(
- e)handhavingsthema/-taak, zoals bij parkeerproblematiek. Of de aankondiging van de start van een bepaald project. Maar ook het gericht verspreiden van flyers (in een bepaalde wijk) met informatie over een VTH-taak waarvan vanuit data duidelijk is geworden dat de taak (in een bepaalde wijk) extra aandacht behoeft. Voorwaarden voor succesvolle communicatie Communicatie staat niet op zichzelf. Communicatie als handhavingsinstrument is pas succesvol als in ieder geval aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: De visie, het beleid, de uitvoering en de organisatie van de VTH-taken moeten helder en duidelijk zijn en bekend zijn (gemaakt). Verleende vergunningen/meldingen, vrijstellingen/ontheffingen, bestemmingsplanvoorschriften, beleid etc. moeten voor burgers begrijpelijk, uitvoerbaar en handhaafbaar zijn. De VTH-taken moeten transparant en consequent worden uitgevoerd. Uitzonderingen worden slechts in bijzondere gevallen gemaakt. Van belang voor een succesvolle uitvoering van de VTH-taken, is dat de gehele gemeentelijke organisatie (bestuurlijk en ambtelijk) en haar samenwerkingspartners transparant werken. Interne- en externe communicatiemiddelen over VTH-taken dienen zo goed mogelijk beschikbaar te zijn voor de betrokken medewerkers. Bijvoorbeeld door het ter beschikking stellen van de juiste middelen hiervoor (smartphone’s, tablets etc.), het geven van trainingen, opleidingen en cursussen over het gebruik van communicatiemiddelen en het investeren in het verbeteren van de communicatieve vaardigheden van de betrokken medewerkers. Ook trainingen in mediation of omgaan met agressie voor betrokken medewerkers dragen hieraan bij; Het bestuur en de ambtelijke organisatie dienen gericht te zijn op het kwalitatief goed functioneren van de communicatie binnen en buiten de organisatie in al haar facetten. 3.Toezichtstrategie Onder toezicht vallen alle werkzaamheden die door of namens een bestuursorgaan worden verricht om te observeren en constateren of wet- en regelgeving wordt nageleefd. Het toezicht wordt uitgevoerd door daar toe aangestelde toezichthouders en boa’s. Van toezicht gaat een belangrijk preventief effect uit (zichtbaar, dichtbij en aanspreekbaar). Het doel van toezicht is risicobeheersing. Dat wil zeggen dat door middel van toezicht het naleven van de regels wordt verbeterd wat leidt tot een kleinere kans op het ontstaan van risico’s. De toezichtstrategie beschrijft op welke wijze wij invulling geven aan onze toezichtstaak en met welke intensiteit het toezicht binnen deze thema’s en taken wordt uitgevoerd. Hoofdvormen We onderscheiden twee hoofdvormen van toezicht: Preventief toezicht Repressief toezicht Deze twee hoofdvormen van toezicht houden we op diverse typen wet- en regelgeving. We onderscheiden hier vier categorieën: Omgevingswet en WKB (bouwen, slopen, monumenten, omgevingsplan, brandveiligheid, aanleggen, , kappen, inrit, reclame) Alcoholwet, Horeca (APV), Wet op de kansspelen en Coffeeshops (damoclesbeleid) Evenementen (APV) APV, FLOA + overig (voor zover niet in 1 t/m 3) Binnen elke vorm van toezicht geven we aan hoe het toezicht binnen elke van deze 4 categorieën is vormgegeven. 3.1 Preventief toezicht Onder preventief toezicht wordt verstaan: het toezicht dat structureel en continu wordt uitgevoerd om naleving van wet- en regelgeving vast te stellen en/of mogelijke overtredingen in beeld te krijgen, zonder dat hiertoe een directe aanleiding is. Het preventieve toezicht vindt programmatisch plaats. Dit betekent dat hiervoor capaciteit wordt opgenomen in het uitvoeringsprogramma, waarin het toezicht wordt ingepland en waarin de benodigde capaciteit hiervoor wordt bepaald. Of de benodigde capaciteit uiteindelijk ook kan worden ingezet is mede afhankelijk van beschikbaar personeel. Het preventieve toezicht kan hierbij worden onderverdeeld in twee verschillende vormen, namelijk: Vergunning- en meldinggebonden toezicht; Niet-vergunning/-meldinggebonden toezicht. 3.1.1. Vergunning- en meldinggebonden toezicht Omgevingswet en WKB Omgevingswet en WKB Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en WKB in werking getreden. Dit betekent voor toezicht dat er 2 soorten toezicht zijn: toezicht op vergunningen en toezicht op WKB bouwmeldingen en gereedmeldingen voor nieuwbouw in gevolgklasse 1. Beide typen toezicht vinden plaats tijdens de realisatiefase, de gebruiksfase of de sloopfase van een project/ inrichting/ activiteit. Uitgangspunt voor het vergunning-/meldinggebonden toezicht is dat het toezicht altijd programmatisch plaatsvindt. Dit betekent dat het aantal te programmeren controles wordt gebaseerd op het aantal verleende vergunningen/afgegeven meldingen van het afgelopen jaar. De frequentie en intensiteit van de controles wordt bepaald aan de hand van de prioriteit die aan de betreffende taak is toegekend. Toezicht vergunningen Voor het toezicht tijdens de realisatiefase/ sloopfase van vergunningen uit de Omgevingswet voeren we deze beleidsperiode het integraal Toezichtprotocol (iTP) in. Hierin staat per activiteit en per bouwwerk beschreven hoe vaak en op welke wijze we toezicht houden. Dit protocol is opgesteld op basis van een risicoanalyse. De mate van toezicht tijdens de gebruiksfase is afhankelijke van de prioriteitstelling. Realisatie- en sloopfase Gebruiksfase Laag iTP Geen Midden iTP Geen Hoog iTP Geen gestructureerde waarnemingen. Wel onderzoek bij constatering. Zeer hoog iTP Planmatig toezicht Vergunning-/melding gebonden toezicht Omgevingswet Toezicht bouwmeldingen WKB Er zijn onder de WKB 2 opties. Een gecombineerde Omgevingsplanactiviteit (OPA) bouwen en een bouwmelding. Een enkelvoudige bouwmelding, aangezien het bouwwerk onder gevolgklasse 1 valt. Bij de eerste variant schouwt de bouwinspecteur in beginsel het bouwwerk af zodat geconstateerd kan worden of het bouwwerk voldoet aan de in de (aangepaste) vergunning en melding gestelde voorwaarden. Aangezien de gemeente bevoegd gezag is voor de handhaving en verantwoordelijk is voor de veiligheid in de omgeving, controleren we in de transitieperiode ook steekproefsgewijs of het bouwwerk voldoet aan de constructieve veiligheid en brandveiligheidseisen voor zover zichtbaar. Na de transitieperiode wordt voor de laatstgenoemde eisen vertrouwd op de kwaliteitsborgers en wordt er niet meer ter plekke gecontroleerd. Indien wij alleen een bouwmelding krijgen gaan we in principe niet meer naar de bouw voor controle op BBL vereisten. We investeren hierbij zo nodig wel in het bekijken van borgingsplannen en risicobeoordelingen en in de startgesprekken met de aannemer en de kwaliteitsborger. We houden wel een inspectie indien daar aanleiding toe is. Toezicht milieu en brandveilig gebruik Voor de activiteiten milieu en brandveilig gebruik worden jaarlijks afspraken gemaakt met de RUD Utrecht en de VRU over de bezoekfrequentie van instellingen en inrichtingen. Deze zijn gebaseerd op een regionale risicoanalyse. Alcoholwet, Horeca (APV), Wet op de kansspelen (Wok) en Coffeeshops Toezicht binnen deze categorie vindt altijd plaats tijdens de gebruiksfase. Ongeacht de prioritering wordt er een jaarplanning gemaakt. Deze is vastgelegd in het uitvoeringsprogramma alcohol. De hoge prioriteiten worden hierbij vaker bezocht dan de lage prioriteiten. Bijna zonder uitzondering betreffen dit echter activiteiten met een hoge prioriteit. De jaarplanning voor controles bij coffeeshops wordt gemaakt in samenwerking met de politie. Gebruiksfase Laag Toezicht volgens jaarplanning Midden Toezicht volgens jaarplanning Hoog Toezicht volgens jaarplanning Zeer hoog Toezicht volgens jaarplanning Vergunning-/melding gebonden toezicht Alcoholwet, Horeca (APV), Wet op de kansspelen en Coffeeshops Voor evenementen is het onderscheid tussen realisatiefase en gebruiksfase wel van belang. De mate van toezicht is afhankelijk van de categorisering van het betreffende evenement. Bij een meldingsplichtig evenement is er nauwelijks tot geen toezicht. Bij een B en C evenement worden hulpdiensten uitgenodigd voor een afstemmingsoverleg, is er een schouw vooraf en een evaluatie achteraf. Voor een A evenement worden stukken ter kennisname naar de hulpdiensten gestuurd en is er niet altijd sprake van toezicht. Tot 12 dagen voor het evenement is de casemanager evenementen de regievoerder. Hierna is dat de evenementencoördinator vanuit de gemeente. Realisatie- en sloopfase Gebruiksfase Laag Volgens afspraak Volgens afspraak Midden Volgens afspraak Volgens afspraak Hoog Volgens afspraak Volgens afspraak Zeer hoog Volgens afspraak Volgens afspraak Vergunning-/melding gebonden toezicht Evenementen APV Het overige vergunning/ meldinggebonden toezicht op basis van de APV vindt minder frequent plaats, veelal als onderdeel van gebiedsgericht toezicht. De mate waarin dit per activiteit plaatsvindt staat uitgewerkt in het uitvoeringsprogramma. 3.1.2 Niet-vergunning-/meldinggebonden toezicht Het preventieve toezicht op niet-vergunning-/meldinggebonden taken vergt een andere aanpak aangezien het (veelal) vooraf niet duidelijk is waar, wanneer en in welke vorm mogelijke overtredingen zich kunnen voordoen. Het gaat hier om toezicht op vergunningvrije activiteiten en illegale activiteiten (vergunningplichtige activiteiten die uitgevoerd worden zonder de benodigde vergunning). Het gebruiken van vastgelegde, verzamelde en geanalyseerde data gaat bij het bepalen van de inzet op het preventieve niet-vergunning/meldinggebonden toezicht in de toekomst ook een steeds grotere rol spelen. Toezichtsprioriteit Laag Geen Gemiddeld Incidenteel Hoog Steekproefsgewijs Zeer hoog Systematisch Preventief niet-vergunning/-meldinggebonden toezicht vindt als volgt plaats: Programmatisch toezicht Programmatisch toezicht betekent het op vooraf bepaalde (geplande) wijze en in een vooraf bepaalde frequentie houden van toezicht op taken die in de tijd voortduren. Gebiedsgericht toezicht Gebiedsgericht toezicht betekent het binnen vast omgrensde (deel-)gebieden binnen de gemeente Amersfoort in een vooraf bepaalde frequentie houden van toezicht. In het licht van gebiedsgericht werken is de afdeling VTH ingericht naar gebied. Binnen deze teams komen meerdere disciplines samen en wordt beter interdisciplinair met elkaar samengewerkt. Zo is er meer sprake van signaaltoezicht voor een ander vakgebied, integrale controles en kennisoverdracht tussen de diverse collega’s. Projectmatig toezicht Projectmatig toezicht betekent het houden van toezicht op één of meerdere vooraf bepaalde thema’s/ taken die eenmalig of binnen een kort tijdsbestek plaatsvinden. Omgevingswet Elke bouwinspecteur heeft zijn eigen wijk binnen de geografisch ingedeelde teams. Zo is er al sprake van een vorm van gebiedsgericht toezicht. Binnen deze vorm van toezicht is er op gebied van de Omgevingswet voornamelijk sprake van projectmatig toezicht naar aanleiding van een landelijke prioriteit of een incident. Tot slot worden er jaarlijks foto's gemaakt van Amersfoort en vergeleken met voorgaande jaren. Illegale bouwwerken worden er op deze manier uitgefilterd, de zogeheten mutatiedetectie. Alcoholwet, Horeca (APV), Wet op de kansspelen en Coffeeshops Binnen deze categorie vindt vrijwel uitsluitend vergunning-/ meldinggebonden toezicht plaats. Wel kan het zo zijn dat de wijkboa’s bij gebiedsgerichte controles overtredingen of illegale activiteiten waarnemen. Ook voeren we toezicht uit op illegale horecabedrijven. Bijvoorbeeld horecabedrijven die zijn gestart zonder vergunning. Op illegaal gokken wordt gecontroleerd, met name gokken via gokzuilen. Tenslotte kennen we toezicht op het gebruik van alcohol in de openbare ruimte. Evenementen Ook binnen evenementen vindt uitsluitend vergunning-/ meldinggebonden toezicht plaats. Wel kan het zo zijn dat de wijkboa’s bij gebiedsgerichte controles een evenement constateren dat vergunning- of meldingsplichtig is. Daarnaast houden we preventief digitaal toezicht waarbij we via social media in de gaten houden of er evenementen gaande zijn die meldings- of vergunningsplichtig zijn. APV De handhavers (BOA’
- s)zitten ook in de geografische teams. Daarnaast kent elke wijk binnen Amersfoort zijn eigen wijkBOA’s. Er is dus sprake van continu gebiedsgericht toezicht. Daarnaast vindt er op diverse thema’s programmatisch toezicht plaats en is er regelmatig projectmatig toezicht. Denk aan het toezicht op het gebruik van vuurwerk in december en januari, toezicht op honden, fietsen in voetgangersgebied, het digitaal opkopersregister en illegale prostitutie. 3.2 Repressief toezicht Onder repressief toezicht wordt verstaan: toezicht dat plaatsvindt op basis van klachten/meldingen en verzoeken om handhaving, alsmede hercontroles naar aanleiding van opgelegde sancties. 3.2.1 Klachten/ meldingen In het kader van deze strategie is slechts sprake van een klacht/melding, als de melding betrekking heeft op één van de VTH-taken, bijvoorbeeld een melding over illegale bouw door de buren. Klachten/meldingen kunnen op verschillende manieren bij ons binnenkomen. Telefonisch, rechtstreeks bij een ambtenaar, via het KCC en/of schriftelijk via een brief of digitaal via de gemeentelijke website, e-mail, facebook, ‘X’ en apps. Verschil tussen klachten/meldingen en verzoeken om handhaving Bij de beoordeling van een schriftelijke klacht/ melding wordt eerst vastgesteld of de betreffende klacht/ melding niet moet worden opgevat als een verzoek om handhaving. Er bestaat namelijk een verschil tussen de behandeling en afhandeling van een klacht/melding en een verzoek om handhaving. Bij een verzoek om handhaving is er een beginstelplicht tot handhaven, bij klachten/meldingen niet. Bestaat er onduidelijkheid over de aard van de schriftelijke klacht/melding, dan wordt altijd contact gezocht met de klager/ melder om vastgesteld te krijgen hoe de klacht/ melding dient te worden opgevat en hoe de klacht/ melding vervolgens dient te worden afgehandeld. Een telefonische klacht/ melding en/of een klacht/ melding via de e-mail is nooit een formeel verzoek om handhaving (behalve als het gescande getekende brief betreft). Als blijkt dat de betreffende klacht/ melding geen verzoek om handhaving inhoudt, ontvangt de klager/ melder een (schriftelijke) reactie met daarin aangegeven hoe verder met de klacht/ melding wordt omgegaan. Uitgangspunt: redelijke termijn Eén van de uitgangspunten voor de afhandeling van klachten/ meldingen is dat deze altijd binnen een redelijke termijn worden behandeld. De klager/ melder krijgt altijd binnen een redelijke termijn uitsluitsel over hoe wij met de klacht/ melding omgaan. Uitgangspunt: onveilige situaties Verder geldt als uitgangspunt dat klachten/ meldingen over mogelijke onveilige of gevaarlijke situaties altijd direct in behandeling worden genomen. Dit betekent dat degene die de klacht/ melding in behandeling neemt een goede inschatting dient te maken van de aard en de ernst van de situatie waarop de klacht/ melding betrekking heeft. Anonieme klachten/meldingen Als klachten/ meldingen anoniem worden gedaan, is het lastig voor ons om terug te koppelen aan de klager/melder. Bij anonieme klachten/meldingen wordt daarom onderscheid gemaakt tussen twee categorieën anonieme klachten/meldingen, te weten: Anonieme klachten/ meldingen waarbij de klager/ melder bij de gemeente bekend is, maar waarbij de klager/ melder voor degene waarover geklaagd wordt anoniem wil blijven. Anonieme klachten/ meldingen waarbij de klager/ melder bij de gemeente onbekend is. Ad. 1 Anonieme klachten/ meldingen waarbij de klager/ melder bij de gemeente bekend is, maar waarbij de klager melder voor degene waarover geklaagd wordt anoniem wil blijven. Uitgangspunt voor de afhandeling van deze categorie anonieme klachten/meldingen is dat deze op eenzelfde wijze worden behandeld als gewone klachten/ meldingen, waarbij de gewenste anonimiteit van de melder zoveel mogelijk wordt gerespecteerd. Wij kunnen in deze situatie: de gewenste anonimiteit niet garanderen; niet actief naar buiten treden; desgevraagd minimale informatie verstrekken. Ad. 2 Anonieme klachten/ meldingen waarbij de klager/ melder bij de gemeente onbekend is. Het uitgangspunt voor deze categorie klachten/ meldingen is dat deze klachten/ meldingen niet in behandeling worden genomen, tenzij er naar inschatting van degene die de klacht/ melding in behandeling neemt mogelijk sprake is van een onveilige of gevaarlijke situatie. Proces klachtenafhandeling Het proces van klachtenafhandeling ziet er in zijn algemeenheid als volgt uit: De klacht/melding wordt in behandeling genomen door de medewerkers van het klantencontactcentrum (KCC) of komt binnen via een van de andere meldpunten. De klacht wordt – indien die gaat over een VTH-taak - vervolgens door een toezichthouder (boa of bouwinspecteur afhankelijk van het onderwerp) in behandeling genomen. De toezichthouder ziet ter plekke of en in hoeverre de klacht/melding gegrond is. Vervolgens maakt de toezichthouder een controlerapport op en overlegt eventueel uitkomsten hiervan intern met zijn collega en/of zijn leidinggevende. Tenslotte wordt de uitkomst van de behandeling van de melding teruggekoppeld aan de klager/melder. Prioriteit in relatie tot de afhandeling van klachten/ meldingen Bij de afhandeling van alle klachten/ meldingen wordt gekeken naar de prioriteit van de betreffende activiteit. Het is daarom van belang dat bij binnenkomst van de klacht/ melding meteen een goed beeld ontstaat van klacht/ melding en de activiteit waarop de klacht/ melding betrekking heeft, zodat de prioriteit juist kan worden bepaald. In onderstaande tabel staat per domein aangegeven hoe we met klachten en meldingen omgaan uitgesplitst over de diverse prioriteiten. Prioriteit melding/ verzoek Meldingen Handhavingsverzoeken Laag Geen actie Afwijzen indien geen bijzondere omstandigheden Gemiddeld Actie bij een specifiek meldingenpatroon Onderzoek en besluit Hoog Onderzoek en afhandeling Onderzoek en besluit Zeer hoog Onderzoek en afhandeling Onderzoek en besluit Meerdere klachten/meldingen over dezelfde handhavingstaak kunnen aanleiding geven af te wijken van bovenstaande. Dit geldt ook voor klachten/meldingen van meerdere verschillende klagers/melders over dezelfde situatie. Bijzondere klachten/meldingen Uiteraard wordt, afhankelijk van het belang en de spoedeisendheid van de klacht/ melding, ingeschat of een directe behandeling en afhandeling van de klacht/melding noodzakelijk is. Het is voorstelbaar dat in bepaalde gevallen wordt afgeweken van de prioriteit die aan de betreffende taak is toegekend. Uiteraard worden dergelijke bijzondere klachten/ meldingen waarbij sprake lijkt te zijn van direct gevaar en/of een onveilige situatie altijd direct behandeld. 3.2.2 Verzoeken om handhaving Om als een verzoek om handhaving te worden behandeld, dient een verzoek te voldoen aan de vereisten voor een aanvraag. Volgens artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder een aanvraag verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen. Daarnaast schrijven artikelen 4:1 en 4:2 Awb voor dat een aanvraag schriftelijk dient te geschieden en dat een aanvraag moet worden ondertekend en tenminste de volgende inhoud bevat: De naam en het adres van de aanvrager De dagtekening Een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd De aanvrager zorgt verder voor gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij/zij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Telefonisch/e-mail Aangezien een verzoek om handhaving ondertekend dient te worden, kan het verzoek niet telefonisch en/of via de e-mail worden gedaan (tenzij het een gescande getekende brief betreft) Dit betekent dat dergelijke verzoeken in dat geval als klacht/ melding in behandeling worden genomen. Als een verzoek om handhaving wel voldoet aan de vereisten, wordt deze als zodanig in behandeling genomen. Het uitgangspunt voor de afhandeling van verzoeken om handhaving is dat deze altijd binnen de wettelijke termijn dienen te worden afgehandeld, ongeacht de prioriteit die aan het betreffende taakonderdeel is gegeven. Deze wettelijke termijn is gesteld op maximaal 8 weken, met daarbij de mogelijkheid voor ons om deze termijn (eenmalig) te verlengen met een redelijke termijn. Indien niet binnen deze termijn wordt besloten, kunnen wij dwangsommen verbeuren vanwege het niet tijdig nemen van een besluit, als de aanvrager deze mogelijkheid inroept. Besluit op het verzoek om handhaving Op alle verzoeken om handhaving dient een besluit te worden genomen. Dit besluit kan tweeledig zijn, namelijk: Een besluit tot afwijzing van het verzoek; Een besluit tot het opleggen van een last onder dwangsom/ bestuursdwang aan overtreder. Ad. 1 Besluit tot afwijzing van het verzoek Als een verzoek om handhaving wordt afgewezen, wordt dit besluit formeel kenbaar gemaakt aan de verzoeker. Het afwijzingsbesluit dient net als alle overige besluiten te voldoen aan de vereisten van de Awb. Tegen dit besluit kan bezwaar en (hoger) beroep worden aangetekend. Reden voor afwijzing Redenen voor afwijzing van het verzoek om handhaving kunnen zijn: Na controle en juridische toetsing blijkt dat er geen sprake is van een overtreding. Na controle en juridische toetsing blijkt dat er wel sprake is van een overtreding, maar dat er daarbij sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan van handhaving kan worden afgezien (bijvoorbeeld in het geval van concreet zicht op legalisatie). De activiteit waar het verzoek om handhaving betrekking op heeft, heeft op dat moment een lage prioriteit. Daarnaast worden er geen bijzondere omstandigheden gezien om alsnog handhavend op te treden. Ad. 2 Besluit tot het opleggen van een last onder dwangsom/bestuursdwang aan overtreder. Als na controle en juridische toetsing blijkt dat er sprake is van een overtreding, waarbij er geen bijzondere omstandigheden bekend zijn op grond waarvan van handhaving kan worden afgezien, dient op het verzoek om handhaving altijd een handhavingsbesluit te volgen. Dit betekent dat er een bestuursrechtelijk sanctiemiddel dient te worden opgelegd aan de overtreder. Jurisprudentie Uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) volgt namelijk ‘een beginselplicht tot handhaving’ bij overtredingen en zeker als derden hierom formeel verzoeken. Het is daarom van belang dat bij de afhandeling van verzoeken om handhaving zorgvuldig en tijdig te werk wordt gegaan. Een onzorgvuldig en/of een niet tijdig genomen besluit op een verzoek levert vaak bezwaar op. Of de verbeuring van een dwangsom vanwege het niet tijdig nemen van het besluit. Twee aspecten in de besluitvorming die wij wensen te voorkomen. Zienswijze overtreder Om ervoor te zorgen dat de overtreder niet ineens geconfronteerd wordt met een handhavingsbesluit, wordt de overtreder eerst in de gelegenheid gesteld om zijn/haar zienswijze te geven. Pas als de overtreding en alle omstandigheden en belangen goed in beeld zijn gebracht, volgt het definitieve handhavingsbesluit. Prioritering Uit recente jurisprudentie is gebleken dat een prioriteitstelling ook van invloed kan zijn op het al dan niet besluiten tot een afwijzing van het verzoek. Als de activiteit als laag geprioriteerd is, mag een gemeente met een belangenafweging besluiten om het verzoek af te wijzen. Dit betekent niet dat de gemeente er nooit meer iets aan hoeft te doen, maar op dat moment kunnen we als gemeente stellen dat het momenteel niet geprioriteerd is en dat de belangen afwegende handhaving op dit moment niet noodzakelijk is. 4.Handhavingsstrategie Als het uitvoeren van toezicht met een corrigerende insteek niet leidt tot beëindiging van de overtreding, is de gemeente in beginsel verplicht om hiertegen op te treden. Professionele handhaving kenmerkt zich onder andere door een consequente uitvoering. Handhaving kan met zowel bestuursrechtelijke als strafrechtelijke instrumenten plaatsvinden. De handhavingssancties zijn gebaseerd op de beschrijvingen in hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ten aanzien van de handhavingsinstrumenten verandert er in de basis niet heel veel onder de Omgevingswet. Wel zijn verwijzingen naar de grondslag veranderd naar de artikelen in de Omgevingswet. Wat wel is veranderd is de handhaving in het kader van de WKB. Aangezien deze werkwijze afwijkt van de verdere handhavingsstrategie, hebben we hier een apart hoofdstuk voor gemaakt. Daarmee komt in deze strategie het volgende aan de orde: De scope van de handhavingsstrategie Landelijke Handha