Deze regeling actualiseert het beleid voor grondverzet in de gemeenten Den Helder, Hollands Kroon en Schagen, met een focus op het hergebruik van grond en baggerspecie, inclusief die met PFAS-verbindingen. Het doel is om meer grondstromen mogelijk te maken en zo duurzaamheid te bevorderen.
✓ Het vaststellen van strengere eisen bij het toepassen van grond op onverharde kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuinen (
✓ Het verruimen van de toepassingseisen van grond op aangewezen gebieden met de bodemfunctie ‘Industrie’ (
✓ Het verruimen van de toepassingseisen van grond in schone gebieden met de bodemfuncties ‘Industrie’ en ‘Wonen’ (
✓ Het verruimen van de regels voor het toepassen van grond uit en ter plaatse van onverharde wegbermen van aangewezen wegen (
✓ Het onder voorwaarden verruimen van de toepassingseisen van grond uit de zones ‘‘B1./T1./O1. Binnenstad en Fort Erfprins (gemeente Den Helder)’ in dezelfde zone in dezelfde zone (
✓ Het verruimen van de toepassingseisen van grond van en op (voormalige) bollenteeltpercelen (
✓ Het onder voorwaarden verruimen van de regels voor het toepassen van grond voor een betere bovenafdichting van voormalige stortplaatsen (
✓ Het onder voorwaarden verruimen van de regels voor het toepassen van grond in regionale waterkeringen (
✓ Het verruimen van de regels bij het tijdelijk opslaan van grond (
✓ Het vaststellen van strengere eisen bij het toepassen van grond met bijmenging van bodemvreemd materiaal waaronder steenachtige materialen en plastic (
✓ Het vaststellen van strengere eisen bij het toepassen van grond op gevoelig bodemgebruik dat in opdracht van de gemeenten Drechterland, Enkhuizen, Hoorn, Koggenland, Medemblik, Opmeer en Stede Broec wordt uitgevoerd (
✓ Het stellen van (strengere) regels bij het hergebruik van PFAS-houdende grond en verspreiden van PFAS-houdende onderhoudsbaggerspecie (
✓ Het vaststellen van strengere eisen bij het toepassen van grond uit de zones 'B1./T1./O1. Binnenstad en Fort Erfprins (gemeente Den Helder)’ buiten deze zones (
✓ Het stellen van strengere eisen bij het toepassen van grond in het duingebied (gemeenten Den Helder en Schagen;
✓ Het stellen van strengere eisen bij het toepassen van grond in de “Oostpolder” (gemeente Hollands Kroon;
✓ Het verruimen van de regels bij de tijdelijke uitname van grond bij graafwerkzaamheden bij ondergrondse infrastructuur én groenvoorzieningen (
✓ Het verruimen van de regels voor het toepassen van grond uit de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld (
✓ Het vaststellen van strengere eisen voor grond van uit gebieden waar de gemeenten de bodemkwaliteitskaart niet hebben geaccepteerd als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de toe te passen grond, als deze wordt toegepast in gebieden waarvoor de gemeenten zelf strenger beleid heeft vastgesteld dan de landelijke regelgeving (
✓ Het stellen van regels bij het toepassen van grond van gebieden waarvan de gemeenten de bodemkwaliteitskaart niet hebben geaccepteerd als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de toe te passen grond (
✓ Het verruimen van de regels bij grondstromen met kleine partijen grond (
✓ Het stellen van regels bij het toepassen van grond in grootschalige bodemtoepassingen (
✓ Het stellen van regels bij het toepassen van grond uit een tijdelijke opslag (
✓ Het stellen van regels bij terugsaneerwaarden en hergebruik van grond op te saneren en gesaneerde locaties (
✓ Het toepassen van grond uit of in gebieden die zijn uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart en grond uit een oude categorie-1 werk (
✓ Het stellen van regels bij de geldigheidsduur van een uitgevoerd onderzoek (
✓ Het stellen van regels bij een specifiek uitgevoerd onderzoek of een partijkeuring en het gebruik van de ontgravingskaart (
✓ Het stellen van regels bij een uitgevoerd onderzoek en het gebruik van de toepassingskaart (
✓ Het stellen van regels bij een uitgevoerd bodemonderzoek volgens de NEN 5740 en het gebruik van de ontgravingskaart (
✓ Grondverzet ter plaatse van beschermde gebieden (
✓ Het stellen van regels bij het werken met verontreinigde grond (
✓ Het stellen van (strengere) regels bij het verspreiden van (PFAS-houdende) onderhoudsbaggerspecie (
✓ Het innemen van een standpunt hoe om te gaan met nieuw onderkende verontreinigingsbronnen (
✓ Het voorkomen van verspreiding van plaagsoorten (flora, zoals de Japanse duizendknoop en de reuzenberenklauw;
✓ Het stellen van regels voor de onderzoeksinspanning voorafgaand aan het grondverzet (
hoofdstuk 6). ✓ Het verruimen van de regels voor het melden van grond die voorafgaand aan de toepassing tijdelijk wordt opgeslagen (
✓ Het verruimen van de regels bij repeterende vrachten en omvangrijke grondtoepassingen (
✓ Het verruimen van de regels bij grondtransport met de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel (
✓ Beoogd effect Met het vaststellen van dit geactualiseerde grondstromenbeleid wordt gefaciliteerd dat: de gemeenten Den Helder, Hollands Kroon en Schagen duurzaam grondstromenbeleid in uitvoering brengen en voortzetten dat praktisch uitvoerbaar, milieuhygiënisch verantwoord en transparant is; meer grondstromen kunnen plaatsvinden zonder dat voorafgaand de kwaliteit van de grond moet worden onderzocht. Voor de gemeenten en derden kunnen besparingen worden gerealiseerd in uitvoeringstijd en -kosten; meer toepassingslocaties beschikbaar komen om vrijkomende grond duurzaam te hergebruiken; het gebruik en de aankoop van primaire én secundaire bouwstoffen (bijvoorbeeld zand uit zandwinputten of grond van een grondbank) wordt verminderd; de druk op het wegennet, de uitstoot van uitlaatgassen en fijnstof en het gebruik van energie wordt verminderd (grond hoeft minder ver te worden getransporteerd, geen extra productie door grondverwerker). Mandateren bevoegdheden (voortzetting tot nu toe gevoerde beleid) Het geactualiseerde gebiedsspecifiek grondstromenbeleid en eventuele toekomstige wijzigingen op dit gebiedsspecifiek beleid moeten, conform artikel 44 van het Besluit bodemkwaliteit10Besluit bodemkwaliteit, publicatie Staatscourant 3 december 2007., worden vastgesteld door de Gemeenteraden van Den Helder, Hollands Kroon en Schagen. Om praktische redenen worden besluiten met een uitvoerend karakter gemandateerd aan het college van burgemeester en wethouders. Het betreft besluiten voor: wijzigingen van de bodemfunctieklassenkaart; het toevoegen van aanvullende gegevens aan de bodemkwaliteitskaart die geen invloed hebben op het gebiedsspecifieke grondstromenbeleid; het onder voorwaarden accepteren van een bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de toe te passen grond; het opnieuw bestuurlijk vaststellen van een gewijzigde bodemfunctieklassenkaart en/of bodemkwaliteitskaart onder voorwaarde dat de wijzigingen geen invloed hebben op het in deze nota geformuleerde gebiedsspecifieke grondstromenbeleid. Elk college rapporteert aan haar Raad als zij van deze gemandateerde bevoegdheden gebruik heeft gemaakt. In de laatste wijziging van het Besluit bodemkwaliteit, in verband met de versnelling van de totstandkomingsprocedure voor het vaststellen van gebiedsspecifiek beleid voor PFAS-verbindingen, is tot 1 januari 2021 geregeld dat: Gebiedsspecifiek beleid dat betrekking heeft op PFAS-verbindingen kan ook worden vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders in plaats van de gemeenteraad. Met de wijziging van het Besluit bodemkwaliteit mogen gemeenten de reguliere procedure voor inspraak vooraf (Algemene wet bestuursrecht, Afdeling 3.4, Art. 3:10) vervangen door bezwaar achteraf. Burgemeester en wethouders stellen het besluit niet eerder vast dan een week nadat de kennisgeving is gedaan. Zo wordt de gemeenteraad actief in kennis gesteld van het voornemen van burgemeester en wethouders om een dergelijk besluit te nemen. De kennisgeving wordt openbaar bekendgemaakt, zodat ook naar buiten toe duidelijk is wie de bevoegdheid tot het vaststellen van besluiten inzake gebiedsspecifiek beleid zal gaan uitoefenen. Financiën Het geactualiseerde grondstromenbeleid heeft voor de gemeenten Den Helder, Hollands Kroon en Schagen geen nadelige financiële gevolgen. Met het beleid kunnen voor de gemeenten en derden besparingen worden gerealiseerd bij: onderzoekskosten voor de toe te passen grond en de ontvangende bodem en bij het toepassen van grond en baggerspecie; transport-, reinigings- en/of stortkosten van vrijkomende grond; aanschafkosten voor de toe te passen primaire bouwstoffen (zand uit zandwinputten) en secundaire grondstoffen (bijvoorbeeld grond van een grondbank). Communicatie De mogelijkheden voor het toepassen van grond en gerijpte baggerspecie, worden door de gemeenten digitaal gepresenteerd op de gemeentelijke websites en interactief inzichtelijk gemaakt op een website die voor iedereen te raadplegen is: https://odnhn-bbkweb.lievense.com/. Hiermee wordt al vooruitgelopen op één van de doelstellingen van de Omgevingswet die naar verwachting in 2022 inwerking treedt. De kaarten van deze nota bodembeheer zijn ook raadpleegbaar op de website van het Bodemloket: http://www.bodemloket.nl/kaart, een initiatief van gemeenten, provincies en het Rijk. 1Inleiding 1.1Aanleiding en doelstelling De gemeenten Den Helder, Hollands Kroon en Schagen (
figuur 1.1 en, als niet specifiek benoemd, hierna aangeduid als ‘de gemeenten’) hebben de in 2017 opgestelde bodemkwaliteitskaart11Bodemkwaliteitskaart en bodemfunctieklassenkaart gemeenten Den Helder, Hollands Kroon en Schagen, documentcode: 16M1158.RAP001, LievenseCSO Milieu B.V., 4 juli
Als dat niet zo is, wordt de grond niet nuttig hergebruikt en wordt de grond als afvalstof gezien. Een voorbeeld hiervan is het creëren van overhoogte op een geluidswal zonder dat dit voor de geluidswering noodzakelijk is. Voor het ontgraven en tijdelijk opslaan van grond in het kader van gevallen van ernstige bodemverontreiniging geldt de Wet bodembescherming. Naar verwachting treedt de Omgevingswet in 2022 inwerking en vervalt de Wet bodembescherming. Diverse onderwerpen uit de Wet bodembescherming komen in het Besluit activiteiten leefomgeving aan de orde. Ook moeten bepaalde onderwerpen worden opgenomen in het Omgevingsplan en/of de Omgevingsverordening. Voor het verspreiden van baggerspecie over aangrenzende percelen geldt een bijzonder kader met acceptatieplicht voor de aangelanden op basis van de Waterwet en de Keur van waterschappen. Voor het inrichten van een weilanddepot voor baggerspecie moet in de gemeenten een omgevingsvergunning (vroeger aanlegvergunning) worden aangevraagd (artikel 2.1 lid 1 onder b van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht). Afhankelijk van de locatie is ook een ontheffing noodzakelijk van het daar geldende bestemmingsplan. Het in deze nota geformuleerde grondstromenbeleid heeft geen betrekking op toepassingen van grond in een oppervlaktewaterlichaam tenzij het om een demping van een oppervlaktewaterlichaam gaat waardoor feitelijk een landbodem ontstaat. In die 1.2.3Grens landbodem-waterbodem De definitie van de grens tussen landbodem en waterbodem is aangegeven in artikel 1 van de Waterwet: “Oppervlaktewaterlichaam: 'samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen, alsmede de bijbehorende waterbodem, oevers en voor zover uitdrukkelijk aangewezen krachtens deze wet, drogere oevergebieden, alsmede flora en fauna'.” Ter plaatse van de waterbodems is de waterkwaliteitsbeheerder het bevoegd gezag. Binnen de gemeenten zijn dat Rijkswaterstaat (rijkswateren), het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (overige wateren) en eventueel de gemeente als hierover afspraken zijn gemaakt. Bij de rijkswateren vallen de zogenoemde ‘drogere oevergebieden’, zoals gedefinieerd in de Waterregeling, onder het bevoegd gezag van de betreffende gemeente. De ligging van het beheergebied van Rijkswaterstaat en de drogere oevergebieden zijn inzichtelijk gemaakt op de website van Rijkswaterstaat: https://www.helpdeskwater.nl/onderwerpen/wetgeving- beleid/waterwet/kaarten/kaart-waterregeling/ of https://geoservices.rijkswaterstaat.nl/portaal/. Ter plaatse van de overige wateren in het beheergebied van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier is de Keur Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier25Keur Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier 2016, registratienummer 14.40389, 21 september 2016. van toepassing, of gemeentelijke beleid als afspraken zijn gemaakt dat de gemeente bevoegd gezag is. De Keur is alleen van toepassing op waterstaatswerken. Dat wil zeggen oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken en op de daarlangs gelegen beschermingszones. De ligging van deze gebieden is weergegeven in de leggerkaarten die beschikbaar zijn bij het Hoogheemraadschap (https://www.hhnk.nl/). In aanvulling op de definitie van de grens tussen landbodem en waterbodem wordt in deze nota de definitie van 'oever' nauwkeurig omschreven. Hierbij wordt aangesloten bij de Beleidsnotitie Besluit bodemkwaliteit26Beleidsnotitie Besluit bodemkwaliteit, projectnummer 4716977, TAUW, 6 februari 2012. die in opdracht van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier is opgesteld. Op basis hiervan is de grens tussen landbodem en waterbodem aangegeven in de figuren 1.2, 1.3 en 1.4. Voor het plaatsen van een beschoeiing moet conform de Waterwet een vergunning worden aangevraagd bij het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Het opvullen met grond van de ruimte achter de beschoeiing valt onder het Besluit. In die situatie worden nadere afspraken gemaakt tussen het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier en de betreffende gemeente. Figuur 1.2. Visuele beoordeling insteek van de oever als afbakening van het oppervlaktewaterlichaam. Figuur 1.3. De buitenkruinlijn van een waterkering als afbakening van het oppervlaktewaterlichaam. Figuur 1.4. Afbakening waterbeheergebied bij beschoeide oevers die niet zijn vastgelegd in de legger. 1.3Geldigheid Deze nota bodembeheer wordt door de gemeenten vastgesteld voor een periode van maximaal 10 jaar. De bodemkwaliteitskaart wordt maximaal 5 jaar na de bestuurlijke vaststelling van deze nota geëvalueerd (
artikel 4.3.5 van de Regeling). Voor een bodemfunctieklassenkaart geldt geen wettelijke houdbaarheidstermijn. Een bodemkwaliteitskaart moet elke 5 jaar opnieuw worden vastgesteld, ongeacht of er aanpassingen zijn. Met de bodemkwaliteitskaart wordt ook de bodemfunctieklassenkaart geëvalueerd. Als de bodemfunctieklassenkaart moet worden aangepast, moet deze ook weer opnieuw bestuurlijk worden vastgesteld. Op basis van de evaluatie van de bodemfunctieklassenkaart en de bodemkwaliteitskaart wordt vastgesteld of aanpassing van deze nota noodzakelijk is of dat de nota in de huidige vorm nog een volgende 5 jaar kan worden gebruikt. Alleen als het gebiedsspecifieke beleid (artikel 44 van het Besluit) moet worden aangepast, moet ook de nota opnieuw door elke gemeenteraad bestuurlijk worden vastgesteld. In de laatste wijziging van het Besluit bodemkwaliteit27Publicatie Staatsblad 491, 17 december 2019., in verband met de versnelling van de totstandkomingsprocedure voor het vaststellen van gebiedsspecifiek beleid voor PFAS- verbindingen, is tot 1 januari 2021 geregeld dat: Gebiedsspecifiek beleid dat betrekking heeft op PFAS-verbindingen kan ook worden vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders in plaats van de gemeenteraad. Met de wijziging van het Besluit bodemkwaliteit mogen gemeenten de reguliere procedure voor inspraak vooraf (Algemene wet bestuursrecht, Afdeling 3.4, Art. 3:10) vervangen door bezwaar achteraf. Burgemeester en wethouders stellen het besluit niet eerder vast dan een week nadat de kennisgeving is gedaan. Zo wordt de gemeenteraad actief in kennis gesteld van het voornemen van burgemeester en wethouders om een dergelijk besluit te nemen. De kennisgeving wordt openbaar bekendgemaakt, zodat ook naar buiten toe duidelijk is wie de bevoegdheid tot het vaststellen van besluiten inzake gebiedsspecifiek beleid zal gaan uitoefenen. 1.4Verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid 1.4.1Verantwoordelijkheid De verantwoordelijkheid voor naleving van de regels bij het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond ligt in eerste instantie bij de initiatiefnemer. Maar ook een ieder die op een bepaald moment in enig opzicht macht uitoefent over (een deel van) de toepassing kan worden aangesproken; bijvoorbeeld een eigenaar, erfpachter, huurder of bruiklener. De initiatiefnemer voor de grondtoepassing, of een hiertoe gemachtigd persoon (ontdoener van de grond of tussenpersoon zoals een aannemer of adviesbureau), is dan ook verplicht om het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond te melden. In § 7.2.2 is een aantal situaties beschreven waarbij het toepassen van grond niet gemeld hoeft te worden. De verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer voor het ontgraven, het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond en daarna een ieder die macht uitoefent op de toepassingslocatie ligt verankerd in de wettelijke zorgplicht: Algemene zorgplicht in het kader van de Wet milieubeheer28Wet milieubeheer, publicatie Staatsblad, nummer 443, 1980 en latere wijzigingen. (artikel 1.1.a): achterwege laten van handelingen, die nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaken. Zorgplicht uit de Wet bodembescherming (artikel 13): een ieder die handelingen verricht, die kunnen leiden tot bodemverontreiniging, is verplicht preventieve en zo nodig herstellende maatregelen te treffen. Zorgplicht voor handelingen inzake afvalstoffen. Met afvalstoffen wordt gedoeld op bijlage 1 van EU-richtlijn afvalstoffen van
artikel 5.89j Besluit kwaliteit leefomgeving), bijvoorbeeld voor gebieden waar sprake is van een diffuus verspreide sterke verontreiniging; om verhoogde terugsaneerwaarden te formuleren (net zoals de Lokale Maximale Waarden binnen het Besluit). Bij werkzaamheden in de grond met gehalten boven de interventiewaarden, blijft de kwaliteitsborging in het bodembeheer29Vanaf 1 oktober 2006 is de wettelijke regeling, die bekend staat als Kwalibo (KWALIteitsborging in het BOdembeheer), gefaseerd inwerking getreden. Het doel van de regeling is zowel de kwaliteit van de uitvoering als de integriteit van de bodemintermediairs te verbeteren. De Kwalibo-regeling bevat verplichtingen voor bodemintermediairs, bestuursorganen en opdrachtgevers/eigenaren. De regels zijn opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit en de Regeling bodemkwaliteit. 30Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer, publicatie Staatsblad nr. 434, 28 september 2006, en latere wijzigingen. gelden; de zogenaamde ‘Kwalibo’; bijvoorbeeld dat werkzaamheden onder erkenning en volgens beoordelingsrichtlijnen moeten worden uitgevoerd (
artikel 2.1 van de Regeling). Opgesteld gemeentelijk/regionaal beleid (verhoogde ‘triggerwaarden’) heeft daar geen invloed op. Binnen de Omgevingswet blijft een bodemkwaliteitskaart gelden als erkend bewijsmiddel bij grondverzet. De bodemkwaliteitskaarten kunnen ook gebruikt worden bij het Activiteitenbesluit of bij de vrijstelling van bodemonderzoek voor omgevingsvergunningen. Bij nog niet gesaneerde en beheerde grondwaterverontreinigingen wordt de regelgeving in de Omgevingswet als volgt: Op een natuurlijk moment (bijvoorbeeld (her)ontwikkelingsprojecten of tijdens graafwerk) moet door de initiatiefnemer de bron van de grondwaterverontreiniging worden gesaneerd. Afhankelijk van de urgentie en het gebruik van de boven- en ondergrond (bijvoorbeeld drinkwaterwinning) neemt de overheid initiatieven om de pluim van de grondwaterverontreiniging aan te pakken. In de Omgevingswet is het een doelstelling dat informatie over milieuwet- en regelgeving makkelijker en digitaal wordt ontsloten. De mogelijkheden voor het toepassen van grond en gerijpte baggerspecie, worden door de gemeenten digitaal gepresenteerd op de gemeentelijke websites en interactief inzichtelijk gemaakt op een website die voor iedereen te raadplegen is: https://odnhn-bbkweb.lievense.com/. Hiermee wordt al vooruitgelopen op één van de doelstellingen van de Omgevingswet die naar verwachting in 2022 inwerking treedt. De kaarten van deze nota bodembeheer zijn ook raadpleegbaar op de website van het Bodemloket http://www.bodemloket.nl/kaart, een initiatief van gemeenten, provincies en het Rijk. 1.6Leeswijzer In hoofdstuk 2 is ingegaan op de te verwachten bodemkwaliteit in de gemeenten waarna in hoofdstuk 3 een toelichting is gegeven op de maatschappelijke opgave over het toepassen van grond in de gemeenten. Het beleid voor de toepassing van grond is in hoofdstuk 4 nader uitgewerkt. Het toepassen van grond met de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel komt in hoofdstuk 5 aan de orde. Hoofdstuk 6 gaat in op de onderzoeksinspanning die moet worden verricht voorafgaand aan het ontgraven en toepassen van grond. De te volgen procedures rondom het toepassen van grond zijn hoofdstuk 7 beschreven. In hoofdstuk 8 is ingegaan op de controle en de handhaving van grondstromen. Deze nota wordt afgesloten met een hoofdstuk over enkele mandateringen van bevoegdheden door de gemeenteraden naar de betreffende colleges van burgemeester en wethouders. De in deze nota gebruikte begrippen zijn in bijlage 1 uiteengezet. In bijlage 2 is ingegaan op de Wet- en regelgeving bij het ontgraven, het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond. In de bijlagen 3 is de statistische onderbouwing van de ontgravingskaarten opgenomen. De mogelijkheden voor het toepassen van grond binnen de gemeenten, zonder dat bodemonderzoek uitgevoerd hoeft te worden, zijn weergegeven in een grondstromenmatrix dat in bijlage 4 is opgenomen. De onderbouwing van het gebiedsspecifieke beleid in het bodembeheergebied van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier dat wordt gevoerd ter plaatse van de onverharde wegbermen en de regionale waterkeringen is beargumenteerd in de bijlagen 5 en 6. Op de kaartbijlagen 1 en 2 zijn respectievelijk de bodemfunctieklassenkaart en een kaart met de ligging van de bodemkwaliteitszones weergegeven. Op de kaartbijlagen 3 zijn de te verwachten ontgravingsklassen weergegeven. De toepassingseisen voor grond in de gemeenten zijn voor het generieke en gebiedsspecifieke kader opgenomen in respectievelijk de kaartbijlagen 4 en 5. De beschermingsgebieden (het Natuurnetwerk Nederland (NNN) -voormalige EHS- en Natura2000 gebieden, aardkundige waarden, archeologie en cultuurhistorie zijn weergegeven in de kaartbijlage 6 t/m 8. De ligging van de regionale waterkeringen en wegen (inclusief de onverharde wegbermen) die in het beheer zijn van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier zijn weergegeven in kaartbijlagen 9. 2Te verwachten bodemkwaliteit in de gemeenten Als gevolg van de gebruikshistorie, de ontwikkeling van de wijken, en de belasting door emissies van bedrijven en voertuigen, kan de bodem diffuus belast zijn met verontreinigende stoffen. In het algemeen geldt: hoe langer een gebied door mensen in gebruik is, des te meer een gebied belast is. In verband hiermee heeft een indeling plaatsgevonden op basis van bodemgebruik en historie. Ook de vastgestelde bodemkwaliteit heeft hierbij een rol gespeeld. Bij het opstellen van de bodemkwaliteitskaart31Bodemkwaliteitskaart en bodemfunctieklassenkaart gemeenten Den Helder, Hollands Kroon en Schagen, documentcode:16M1158.RAP001, Lievense Milieu B.V. | WSP, november 2020. zijn de gemeentelijke grondgebieden van Den Helder, Hollands Kroon en Schagen op basis van de bovengenoemde criteria in negen bodemkwaliteitszones verdeeld. Binnen een bodemkwaliteitszone wordt dezelfde gebiedseigen chemische bodemkwaliteit verwacht (
tabel 2.1 en de kaartbijlage 2A en 2B). Hierbij is rekening gehouden dat de bovenste halve meter van de bodem doorgaans meer belast is met verontreinigende stoffen dan de onderliggende bodemlaag. Omdat aan zone ‘B
n de gemeenten deze afwijking op de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten niet als een bezwaar. Voor de bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 1,0 meter diepte is de bodemkwaliteitskaart ook voor PFAS-verbindingen33Poly- en perfluoralkylverbindingen, PFAS, zijn stoffen die al decennia worden gebruikt in industriële en andere processen en in vele producten. Ze worden toegepast in allerlei alledaagse toepassingen zoals verf, blusschuim, pannen, kleding en cosmetica. Kenmerkend voor deze stoffen is dat ze persistent, mobiel en nauwelijks biologisch afbreekbaar zijn. Bovendien is van verschillende PFAS-verbindingen aangetoond dat ze toxisch zijn., PFOA34PFOA: perfluoroctaanzuur; gebruikt in vochtafwerende producten. en PFOS35PFOA: perfluoroctaanzuur; gebruikt in vochtafwerende producten. vastgesteld. Voor de PFAS-verbindingen is conform het Model Beleid toepassen PFAS houdende grond36Model Beleid toepassen PFAS-houdende grond, opgesteld in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, kenmerk: 1248710-044 C04, TAUW, 10 januari 2020. is de systematiek van de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten gevolgd voor het uitbreiden van een bodemkwaliteitskaart met de stoffen kobalt, molybdeen en PCB. Op basis van bekende PFAS-gegevens in de gemeenten nemen de gehalten aan PFAS-verbindingen af in de diepere bodemlagen. Gezien dit gegeven én de gemeten gehalten in de tussenlaag, is het de verwachting dat de bodemlaag dieper dan 1,0 meter niet verdacht is voor verhoogde gehalten aan PFAS-verbindingen. Tabel 2.1: Onderscheiden bodemkwaliteitszones Bodemkwaliteitszone Bovengrond (bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 0,5 meter diepte) 1) B1. Binnenstad en Fort Erfprins (Den Helder) B1. Binnenstad en Fort Erfprins (Den Helder) B2. Oostoever en civiel havengebied (Den Helder) B3. Nieuw haventerrein (Den Helder) B4. Nieuw Den Helder, de Schooten, Boatex, Huisduinen (Den Helder), Historische bebouwing (Hollands Kroon en Schagen) B5. Overige woongebieden / recentere bebouwing en bedrijven + buitengebied (Den Helder, Hollands Kroon en Schagen) B6. (Voormalige) bollenteeltpercelen (0 - 0,3 m-
hoofdstuk 2, tabel 2.2). Hierdoor kan veel ontgraven grond niet worden hergebruikt en moet vervolgens worden afgevoerd naar een erkend verwerker. Ook moet dan grond van elders worden aangekocht en aangevoerd die wel voldoet aan de toepassingseisen; bijvoorbeeld zand uit zandwinputten of grond van een grondbank. De gemeenten willen invulling geven aan een duurzamer en goedkoper grondstromenbeleid. Grond vrijkomend uit het ene project willen de gemeenten kunnen hergebruiken in het andere project. Werk met werk maken. Er zijn dan minder onderzoeks- en grondverwerkingskosten nodig, er hoeft minder grond te worden aangekocht en ook de transportafstanden worden gereduceerd. De druk op het wegennet en de uitstoot van schadelijke stoffen zoals fijnstof en CO2 en het gebruik van energie nemen af. Het gebiedsspecifiek grondstromenbeleid bij de toepassingen van grond is nuttig en milieuhygiënisch verantwoord en brengt bij het huidige en het beoogde bodemgebruik geen risico’s met zich mee. Het gebiedsspecifiek grondstromenbeleid is in hoofdstuk 4 onderbouwd en beschreven. 4De uitwerking van het grondstromenbeleid 4.1Kwaliteitsdoelstelling bij hergebruik van grond Bij het nuttig toepassen van grond hanteren de gemeenten het ‘standstill’ principe op gebiedsniveau (
Het ‘standstill’ principe betekent dat de bodemkwaliteit op gebiedsniveau gelijk moet blijven en op termijn verbetert. Binnen de gemeenten is een vermindering van de kwaliteit alleen toelaatbaar: met gebiedseigen grond, vrijgekomen bij grondverzet binnen het vastgestelde gebied (
.2); als de vastgestelde Lokale Maximale Waarden (
.3) niet worden overschreden; als elders in het gebied een verbetering van de bodemkwaliteit wordt gerealiseerd. De Lokale Maximale Waarden voldoen aan de landelijke definitie voor ‘duurzaam geschikt voor het beoogde gebruik’. Er treden met de plaatselijke vermindering van de kwaliteit geen risico’s op voor het (toekomstig) bodemgebruik. Op gebiedsniveau wordt als volgt invulling gegeven aan het ‘standstill’ principe: Daar waar de grond wordt ontgraven treedt een lokale verbetering op van de bodemkwaliteit. In gebieden waar een strengere toepassingseis geldt dan de kwaliteit van de ontvangende bodem, wordt een verbetering gerealiseerd. Voor grond van buiten de gebieden waarvan de bodemkwaliteitskaart is geaccepteerd (
Als dit van toepassing is, is dat in deze nota aangegeven. Om knelpunten bij het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond in de praktijk op te lossen binnen de regels van het Besluit, is het gebiedsspecifieke grondstromenbeleid geactualiseerd. Dit is in de hierna volgende paragrafen uitgewerkt. In eerste instantie zijn de beperkingen van het generiek beleid ten aanzien van hergebruik van grond aangegeven. Vervolgens is het beleid verder uitgewerkt. Dit beleid is er op gericht de beperkingen zo veel mogelijk weg te nemen binnen de kaders van wet- en regelgeving en beleid én voor zover het (toekomstig) bodemgebruik dit toelaat; er mogen geen risico’s bij het (toekomstige) bodemgebruik ontstaan. Voor een aantal situaties is strenger beleid geformuleerd. Naast het gebiedsspecifiek grondstromenbeleid is in dit hoofdstuk ook algemeen beleid voor het hergebruik van grond en het gebruik van de bodemkwaliteitskaart uitgewerkt. 4.2Acceptatie bodemkwaliteitskaart andere gemeente als erkend bewijsmiddel kwaliteit grond Het generieke kader van het Besluit gaat uit van het ‘eigen’ gemeentelijke grondgebied als bodembeheergebied voor het te voeren beleid bij het toepassen en tijdelijk opslaan van grond. Om grondstromen tussen gemeenten mogelijk te maken en de bodemkwaliteitskaart van andere gemeenten te gebruiken als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de toe te passen grond, moet het (generieke) gemeentelijke bodembeheergebied worden uitgebreid. Deze uitbreiding valt volgens het Besluit in het gebiedsspecifieke kader. Met deze nota wordt het bodembeheergebied van de gemeenten Den Helder, Hollands Kroon en Schagen voor het grondstromenbeleid vastgesteld als zijnde het gemeentelijke grondgebied van alle gemeenten die onderdeel uitmaken van het het werkgebied van de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord (hierna aangeduid als ‘OD NHN’). De gemeenten accepteren de bodemkwaliteitskaarten van de gemeenten Langedijk44Bodemfunctieklassenkaart en bodemkwaliteitskaart gemeente Langedijk, documentcode SOB006891.RAP001, Lievense Milieu B.V., oktober
.2) met de ontgravingskwaliteitsklassen ‘Industrie’ en ‘Wonen’ worden vergroot door gebiedsspecifiek grondstromenbeleid op te stellen. Het beleid staat toe dat in relatief schone gebieden, gebiedseigen grond mag worden toegepast met bijvoorbeeld de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ of ‘Wonen’. Voor deze gebieden worden zogenaamde Lokale Maximale Waarden vastgesteld. Met het gebiedsspecifieke beleid wordt voorkomen dat de gemeenten Den Helder, Hollands Kroon en Schagen en derden onnodig hoge kosten moeten maken voor de afvoer van grond met de kwaliteitsklassen ‘Industrie’ en ‘Wonen’. Het generieke kader van het Besluit staat deze verslechtering niet toe. Alleen met gebiedsspecifiek beleid mag lokale verslechtering plaatsvinden. In de hierna volgende paragrafen worden de verschillende Lokale Maximale Waarden gedefinieerd. Ten slotte zijn strengere Lokale Maximale Waarden vastgesteld voor het toepassen van grond op terreinen met een gevoelig bodemgebruik. De in de hierna volgende paragrafen vastgestelde Lokale Maximale Waarden gelden niet voor grond van buiten het bodembeheergebied én van gebieden waarvan de bodemkwaliteitskaart niet is geaccepteerd als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de toe te passen grond (
ook § 4.2 en § 4.12). Uitzondering hierop vormen de Lokale Maximale Waarden die strenger zijn vastgesteld dan het generieke beleid van het Besluit (
.3.2 voor het toepassen van grond in op onverharde kinderspeelplaatsen) en voor het verspreiden van onderhoudsbaggerspecie over het aangrenzende perceel (
4.3.2Lokale Maximale Waarden toepassen grond op onverharde kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuinen (alle gemeenten, bodemlaag 0,0-0,5 m-mv; LMW1) In sommige gebieden is het toegestaan om grond met de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ toe te passen. De gemeenten stellen daarentegen bij onverharde kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuinen strengere eisen als daar grond wordt toegepast. Dit om bij het (toekomstig) bodemgebruik eventuele risico’s uit te sluiten. Binnen de gemeenten moet de grond die wordt toegepast op bestaande onverharde kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuinen voldoen aan de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde – AW2000)’. Dit geldt voor de bodemlaag 0,0-0,5 m-mv. De nieuw aan te leggen onverharde speelplaatsen en moes-/volkstuinen moeten zijn voorzien van een minimaal 0,5 meter dikke deklaag waarvan de kwaliteit voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde – AW2000)’. De kwaliteit van de toe te passen grond die voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde – AW2000)’ moet worden aangetoond met een partijkeuring (
De partijkeuring moet worden aangevuld met een onderzoek op asbest (historische gegevens, zintuiglijk en analytisch). Ook gelden nog eisen ten aanzien van bijmenging van bodemvreemd materiaal en asbest (
De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingswaarden (
40/84). De Lokale Maximale Waarde voor bestaande onverharde kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuinen is voor de bodemlaag 0,0-0,5 m-mv vastgesteld op de kwaliteitsklasse ‘Achtergrondwaarde (AW2000)’ (LMW1). De nieuw aan te leggen onverharde kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuinen moeten zijn voorzien van een minimaal 0,5 meter dikke deklaag waarvan de kwaliteit voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Achtergrondwaarden (AW2000)’ (LMW1). Ook gelden eisen ten aanzien van bijmenging van bodemvreemd materiaal en asbest (
De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingswaarden (
40/84). 4.3.3Lokale Maximale Waarden toepassen grond op aangewezen terreinen (alle gemeenten, bodemlaag 0,0-2,0 m-mv; LMW2) Om de nu beperkte toepassingsmogelijkheden van grond met de kwaliteitsklassen ‘Wonen’ en ‘Industrie’ te vergroten, staan de gemeenten toe dat in de hieronder aangewezen terreinen met de bodemfunctie ‘Industrie’, en waar niet gewoond mag worden, grond met maximaal de kwaliteitsklassen ‘Wonen’ en ‘Industrie’ mag worden toegepast (
kaartbijlage 5A en 5B): Kooypunt en Vliegveld De Kooy (uitgezonderd Buurtschap De Kooy; gemeente Den Helder). Oostoever en civiel havengebied, met uitzondering van oostelijke dam Balgzandkanaal, de Balgzandpolder en noordwestelijk deel civiel havengebied (gemeente Den Helder). Nieuwe Haventerrein (gemeente Den Helder). De Kooyhaven (gemeente Hollands Kroon). Bedrijfsterrein FrieslandCampina in Lutjewinkel (gemeente Hollands Kroon). Bedrijfsterrein Havenweg, De Strip, in Den Oever (gemeente Hollands Kroon). Het Waterpark in Kreileroord (gemeente Hollands Kroon). Industrieterrein Afvalzorg-HVC (gemeente Hollands Kroon). Bedrijfsterrein Jeweldijk in Callantsoog (gemeente Schagen). Bedrijfsterrein De Banne in Dirkshorn (gemeente Schagen). Bedrijfsterrein Lagedijk in Schagen (gemeente Schagen). Bedrijfsterrein Witte Paal in Schagen (gemeente Schagen). Bedrijfsterrein De Trambaan in Schagerbrug (gemeente Schagen). Bedrijfsterrein De Dijken in Tuitjenhorn (gemeente Schagen). Bedrijfsterrein De Huisweid in Warmenhuizen (gemeente Schagen). Oudevaart in Warmenhuizen (gemeente Schagen). Bedrijfsterrein De Groet in Waarland (gemeente Schagen). Bedrijfsterrein Kolksluis in ‘t Zand (gemeente Schagen). De kwaliteitsklassen ‘Industrie’ en ‘Wonen’ zijn gelijk aan of beter dan de generieke Maximale Waarde van het bodemgebruik in deze gebieden (Industrie). Hierdoor treden er bij het huidige bodemgebruik geen risico's op. De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingswaarden (
40/84). Bij het toepassen van en werken met verontreinigde grond moet de veiligheidsklasse conform de CROW publicatie 40050CROW publicatie 400 'Werken in en met verontreinigde bodem', december 2017. door de veiligheidskundige van de grondroerder worden bepaald (
ook § 4.18). De Lokale Maximale Waarde voor de hieronder aangewezen terreinen met de bodemfunctie ‘Industrie’, en waar niet gewoond mag worden, is voor de bodemlaag 0,0-2,0 m-mv vastgesteld op de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ (LMW2): Kooypunt en Vliegveld De Kooy (uitgezonderd Buurtschap De Kooy; gemeente Den Helder). Oostoever en civiel havengebied, met uitzondering van oostelijke dam Balgzandkanaal, de Balgzandpolder en noordwestelijk deel civiel havengebied (gemeente Den Helder). Nieuwe Haventerrein (gemeente Den Helder). De Kooyhaven (gemeente Hollands Kroon). Bedrijfsterrein FrieslandCampina in Lutjewinkel (gemeente Hollands Kroon). Bedrijfsterrein Havenweg, De Strip, in Den Oever (gemeente Hollands Kroon). Het Waterpark in Kreileroord (gemeente Hollands Kroon). Industrieterrein Afvalzorg-HVC (gemeente Hollands Kroon). Bedrijfsterrein Jeweldijk in Callantsoog (gemeente Schagen). Bedrijfsterrein De Banne in Dirkshorn (gemeente Schagen). Bedrijfsterrein Lagedijk in Schagen (gemeente Schagen). Bedrijfsterrein Witte Paal in Schagen (gemeente Schagen). Bedrijfsterrein De Trambaan in Schagerbrug (gemeente Schagen). Bedrijfsterrein De Dijken in Tuitjenhorn (gemeente Schagen). Bedrijfsterrein De Huisweid in Warmenhuizen (gemeente Schagen). Oudevaart in Warmenhuizen (gemeente Schagen). Bedrijfsterrein De Groet in Waarland (gemeente Schagen). Bedrijfsterrein Kolksluis in ‘t Zand (gemeente Schagen). De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingswaarden (
40/84). 4.3.4Lokale Maximale Waarden toepassen grond op schone gebieden met de bodemfuncties ‘Industrie’ en ‘Wonen’ (alle gemeenten, bodemlaag 0,0-2,0 m-mv; LMW3) Om de nu relatief beperkte toepassingsmogelijkheden van grond met de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ te vergroten, staan de gemeenten toe dat in de schone gebieden met de bodemfuncties ‘Industrie’ en ‘Wonen’, grond met maximaal de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ mag worden toegepast (
kaartbijlage 5A en 5B). De kwaliteitsklasse ‘Wonen’ is gelijk of beter aan de generieke Maximale Waarde van het bodemgebruik in deze gebieden (Wonen/Industrie). Hierdoor treden er bij het huidige bodemgebruik geen risico's op. De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingswaarden (
40/84). De Lokale Maximale Waarde voor schone gebieden met de bodemfuncties ‘Industrie’ en ‘Wonen’ is voor de bodemlaag 0,0-2,0 m-mv vastgesteld op de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ (LMW3). De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingswaarden (
40/84). 4.3.5Lokale Maximale Waarden toepassen van grond in zone ‘B7. Onverharde wegbermen asfaltwegen (0 - 0,3 m-mv; Hollands Kroon en Schagen)’ en grond uit en ter plaatse van onverharde (spoor)bermen met de bodemfunctieklasse ‘Industrie’ (alle gemeenten, bodemlaag 0,0-2,0 m-mv; LMW4) Inleiding Van onverharde (spoor)wegbermen is het bekend dat deze verontreinigd kunnen zijn als gevolg van: depositie uitlaatgassen (PAK, lood); afstromend regenwater (minerale olie, PAK en lood); funderingsmateriaal (zware metalen en PAK); toepassing van teerhoudend asfalt (PAK); uitloging vangrails (zink). slijtsel van bovenleidingen, stroomafnemers en slijtage van rails (cadmium, lood, koper, zink); toepassing van bestrijdingsmiddelen voor het vrijhouden van het spoor van onkruid. De onverharde (spoor)bermen die op de bodemfunctieklassenkaart zijn aangegeven met de functie ‘Industrie’;
kaartbijlage 1) zijn verdacht voor bodemverontreiniging en daarom uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart. Hierdoor bestaat er voor het toepassen van (spoor)wegbermgrond in (spoor)wegbermen die zijn uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart een dubbele onderzoeksinspanning. Van zowel de toe te passen grond als de ontvangende bodem moet met een onderzoek de kwaliteit worden vastgesteld. Omdat het bekend is dat onverharde (spoor)bermgrond van drukke (spoor)wegen belast wordt met verontreinigende stoffen, wordt het niet duurzaam geacht dat bij de (meeste) onverharde bermen wordt uitgegaan van het generieke toetsingskader van het Besluit. De gemeenten vinden het niet duurzaam dat eventueel toegepaste schonere grond als gevolg van het drukke (spoor)wegverkeer alsnog wordt verontreinigd. De gemeenten vinden het daarom aanvaardbaar om voor de onverharde (spoor)wegbermen die zijn aangegeven met de functie ‘Industrie’, Lokale Maximale Waarden vast te stellen zonder dat hierbij risico’s optreden. Voor alle onverharde (spoor)wegbermen in de gemeenten die op de bodemfunctieklassenkaart zijn aangegeven met de functie ‘Industrie’ (
kaartbijlage 1) en geen onderdeel uitmaken van de bodemkwaliteitszone ‘B7. Onverharde wegbermen asfaltwegen (0 - 0,3 m-mv; Hollands Kroon en Schagen)’, mogen juridisch gezien geen Lokale Maximale Waarden worden opgesteld. Voor deze gebieden is namelijk de kwaliteit van de ontvangende bodem niet bekend51Artikel 47 van het Besluit bodemkwaliteit schrijft voor dat voor het vaststellen van Lokaal Maximale Waarden een bodemkwaliteitskaart vereist is.. Maar om de nu beperkte toepassingsmogelijkheden van grond met de kwaliteitsklassen ‘Industrie’ en ‘Wonen’ te vergroten, worden de volgende Lokale Maximale Waarden vastgesteld. De gemeenten staan lokale verslechtering met gebiedseigen grond (
.2) met maximaal de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ (LMW4) toe in de onverharde (spoor)wegbermen van de spoorwegen, rijkswegen, provinciale wegen; door gemeenten aangewezen wegen*. Alle wegen die in beheer van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier zijn, zijn ook door de gemeenten aangewezen met de bodemfunctieklasse ‘Industrie’. Uit de argumentatie van het Hoogheemraadschap, die is opgenomen in bijlage 5, blijkt dat deze wegen een afwijkende kwaliteit hebben dan de omgeving. De Lokale Maximale Waarde voor de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ is gelijk aan de generieke Maximale Waarde van het bodemgebruik van deze onverharde (gemeentelijke) (spoor)wegbermen. Hierdoor treden er bij het bodemgebruik geen risico's op als grond met de kwaliteitsklasse 'Industrie' of ‘Wonen’ wordt toegepast. Met onverharde (spoor)wegbermen wordt bedoeld de strook grond naast de (klinker- en asfalt)weg of spoorweg. De strook omvat de bodemlaag tot maximaal 0,3 meter diepte, en heeft gerekend uit de wegverharding een maximale breedte van 10 meter. De onverharde wegberm wordt begrensd door (
ook figuur B1. in bijlage 1): de erfgrens of de meest afgelegen insteek van een droge bermsloot of de meest nabij gelegen insteek van een natte sloot of als voorgaande niet aanwezig zijn, de overgang naar andere begroeiing (houtopstanden zoals hagen, struiken, bosschages, bos). Voor wegbermen langs dijkwegen en voor wegbermen gelegen in het NatuurNetwerk Nederland (NNN, voormalig EHS) geldt voor beide zijden van het wegvak een strook van maximaal 2 meter. Dit in verband met de ecologische functie van de wegbermen. Buiten de aangegeven strook mag in de wegbermen alleen schone grond toegepast worden. De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingswaarden (
40/84). Bij het toepassen van en werken met verontreinigde grond moet de veiligheidsklasse conform de CROW publicatie 40052CROW publicatie 400 'Werken in en met verontreinigde bodem', december 2017. door de veiligheidskundige van de grondroerder worden bepaald (
ook § 4.18). De Lokale Maximale Waarde voor de onverharde bermen van rijkswegen, provinciale wegen, spoorwegen en de door de gemeenten aangewezen wegen met de bodemfunctieklasse ‘Industrie’ en/of onderdeel uitmaken van de bodemkwaliteitszone ‘B7. Onverharde wegbermen asfaltwegen (0 - 0,3 m-mv; Hollands Kroon en Schagen)’, is voor de bodemlaag 0,0-2,0 m-mv vastgesteld op de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ (LMW4). De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingswaarden (
40/84). Toepassen grond uit onverharde (spoor)bermen met de bodemfunctie ‘Industrie’; dit geldt niet voor bodemkwaliteitszone ‘B7. Onverharde wegbermen asfaltwegen (0 - 0,3 m- mv; Hollands Kroon en Schagen)’ Als het voornemen bestaat grond uit een onverharde (spoor)wegberm met de functie ‘Industrie’ (
kaartbijlage 1 en uitgesloten gebied op de ontgravingskaarten) toe te passen, gelden de volgende regels: Voorafgaand aan de toepassing in onverharde (spoor)wegbermen met de functieklasse‘Industrie’ moet een indicatief onderzoek worden uitgevoerd naar de kwaliteit van de toe te passen bermgrond (
De resultaten van het indicatieve onderzoek moeten worden getoetst volgens het Besluit en de Regeling zodat een kwaliteitsklasse kan worden bepaald. Afhankelijk van de keuringsresultaten kan de grond worden toegepast: Als de grond voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ of beter, dan mag de grond op of in de onverharde (spoor)wegbermen worden toegepast. Als één of meerdere gehalten in de grond de Maximale Waarden voor ‘Industrie’ overschrijden, maar de interventiewaarde wordt niet overschreden, dan moet de grond worden getransporteerd naar een erkend verwerker. De grond kan ook aanvullend worden gekeurd (
Als uit de partijkeuring blijkt dat de grond voldoet aan de Maximale Waarden voor ‘Industrie’, dan kan deze alsnog in de onverharde wegberm worden toegepast. Als één of meer gehalten in de grond de interventiewaarde van de Wet bodembescherming overschrijdt, mag de grond niet worden toegepast en moet het spoor van de Wet bodembescherming worden gevolgd. Door deze toetsregels wordt voorkomen dat gebiedseigen grond (
.2) met gehalten boven de vastgestelde Lokale Maximale Waarden toch in de gemeente wordt toegepast. Voorafgaand aan toepassing elders moet een partijkeuring worden uitgevoerd (
Afhankelijk van de keuringsresultaten kan de grond worden toegepast. Door het uitvoeren van indicatief onderzoek en het stellen van maximale waarden wordt voorkomen dat sterk verontreinigde grond opnieuw binnen de gemeenten Den Helder, Hollands Kroon en Schagen wordt toegepast. Voorafgaand aan de toepassing van grond uit onverharde (spoor)wegbermen met de bodemfunctieklasse ‘Industrie’ in de gemeente Den Helder in onverharde (spoor)wegbermen met de functieklasse ‘Industrie’, moet een indicatief onderzoek worden uitgevoerd naar de kwaliteit van de toe te passen bermgrond. Afhankelijk van de keuringsresultaten kan de grond worden toegepast. Dit geldt niet voor bodemkwaliteitszone B
ook § 6.2.1). Als er geen aanleidingen zijn voor een mogelijke verontreiniging door een bijzondere omstandigheid, mag de bodemkwaliteitskaart in combinatie met het uitgevoerde historisch onderzoek worden gebruikt als erkend bewijsmiddel voor de toe te passen grond. Als grond wordt toegepast in deze bodemkwaliteitszone gelden de hiervoor vastgestelde Lokale Maximale Waarde: de grond moet voldoen aan de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ (LMW4). Dus grond met de kwaliteitsklassen ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde – AW2000)’, ‘Wonen’ en ‘Industrie’ mogen in deze bodemkwaliteitszone worden toegepast. Overigens moet van de toepassingslocatie ook worden aangetoond dat deze niet is verontreinigd als gevolg van bijvoorbeeld een bijzondere omstandigheid (
ook § 6.2.1). De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingswaarden (
40/84). Bij het toepassen van en werken met verontreinigde grond moet de veiligheidsklasse conform de CROW publicatie 40053CROW publicatie 400 'Werken in en met verontreinigde bodem', december 2017. door de veiligheidskundige van de grondroerder worden bepaald (
ook § 4.18). 4.3.6Lokale Maximale Waarden hergebruik grond in zones ‘B1./T1./O
kaartbijlage 2A en 2B) hebben een relatief slechtere bodemkwaliteit dan de andere zones in de gemeenten. In de grond komen relatief vaak sterk verhoogde gehalten met lood voor die onderdeel vormen van de diffuse bodemkwaliteit. Ook is de vastgestelde ontgravingskwaliteit in deze zones slechter dan de toepassingseis die voor de grootste delen van de betreffende zones geldt. Er komt hier namelijk grond met kwaliteitsklasse ‘Industrie’ vrij, maar het grootste gedeelte van deze zones betreft bodemfunctie Wonen. Vrijkomende grond kan dus in het generieke beleid niet in de eigen zone worden hergebruikt. Daarnaast is uit een controle op eventuele onaanvaardbare risico’s voor mens en ecologie (
bijlage 5 van de bodemkwaliteitskaart54Bodemkwaliteitskaart en bodemfunctieklassenkaart gemeenten Den Helder, Hollands Kroon en Schagen, documentcode:16M1158.RAP001, Lievense Milieu B.V. | WSP, november 2020.) bij vrij grondverzet gebleken dat: alleen bij gevoelig bodemgebruik er mogelijk humane risico’s kunnen optreden (
tabel 4.1). afhankelijk van de Toxische Druk (een maat is om ecologische effecten te kwantificeren) kunnen ecologische risico’s optreden als op een groter oppervlak grond uit deze zones wordt toegepast. Tabel 4.1: Onaanvaardbare humane risico’s bij aangegeven bodemgebruik Bodemkwaliteitszone Onaanvaardbare risico’s bij bodemgebruik (bepalende stof) Bovengrond (bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 0,5 meter diepte) B
.2.1) grond uit de voornoemde zones onder voorwaarden weer in dezelfde zone mag worden toegepast. Deze voorwaarden zijn: De grond moet afkomstig zijn uit zones ‘B1./T1./O1Binnenstad en Fort Erfprins (Den Helder)’. De vrijkomende grond mag, afhankelijk van de onderzoeksresultaten, binnen de zones ‘B1./T1./O1Binnenstad en Fort Erfprins (Den Helder)’ alleen opnieuw worden toegepast onder verhardingen, in wegbermen en in extensief gebruikte groenstroken. De resultaten van het indicatieve bodemonderzoek worden getoetst aan de normen van de Regeling zodat kan worden vastgesteld of de te ontgraven grond voldoet aan de toepassingseis: Als blijkt dat de kwaliteit van de vrijkomende grond voldoet aan de generieke maximale waarden van de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ of beter, dan mag deze grond opnieuw in de zones ‘B1./T1./O1Binnenstad en Fort Erfprins (Den Helder)’ worden toegepast onder verhardingen, in wegbermen en in extensief gebruikte groenstroken (LMW5). Als het toepassingsoppervlak meer dan 5.000 m² is, dan moet de Toxische Druk worden vastgesteld. Is de Toxische Druk groter dan 65%, dan moet een andere bestemming voor de grond worden gezocht. Als de Maximale Waarden van de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ worden overschreden, dan moet voor de grond een andere bestemming te worden gevonden of getransporteerd naar een erkend verwerker. Als de Interventiewaarden worden overschreden, dan moet een saneringsplan of een BUS-melding worden opgesteld (spoor van de Wet bodembescherming). Door het uitvoeren van indicatief onderzoek en het stellen van maximale waarden en van een maximale toepassingsoppervlakte, wordt voorkomen dat sterk verontreinigde grond opnieuw binnen de zones ‘B1./T1./O1Binnenstad en Fort Erfprins (Den Helder)’ wordt toegepast, dan wel dat er acute ecologische risico’s ontstaan. De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingswaarden (
40/84). Bij het toepassen van en werken met verontreinigde grond moet de veiligheidsklasse conform de CROW publicatie 40055CROW publicatie 400 'Werken in en met verontreinigde bodem', december 2017. door de veiligheidskundige van de grondroerder worden bepaald (
ook § 4.18). De Lokale Maximale Waarde voor hergebruik van grond uit de zones ‘B1./T1./O1. Binnenstad en Fort Erfprins (Den Helder)’ (
kaartbijlage 2A en 2B) onder verhardingen, in wegbermen en in extensief gebruikte groenstroken is door de gemeente Den Helder voor de bodemlaag 0,0-2,0 m-mv vastgesteld op de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ (LMW5). Voorwaarde is dat de kwaliteit van de grond moet worden vastgesteld aan de hand van een indicatief onderzoek. Bij een toepassingsoppervlak > 5.000 m² moet de Toxische Druk worden vastgesteld. Is deze > 65%, dan moet een andere bestemming voor de grond worden gezocht. De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingswaarden (
40/84). 4.3.7Lokale Maximale Waarden en toepassen grond van en op (voormalige) bollenteeltpercelen (alle gemeenten, bodemlaag 0,0-0,5 m-mv; LMW6) Ter plaatse van (voormalige) bollenteeltpercelen is vastgesteld dat in de toplaag licht verhoogde gehalten van organochloorbestrijdingsmiddelen voor komen. Deze verhoogde gehalten zorgen ervoor dat de grond in de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ valt. Dit heeft te maken dat bij een aantal individuele organochloorbestrijdingsmiddelen de Maximale Waarde voor de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ gelijk is gesteld aan de ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde – AW2000)’. Voor het duurzame bodemgebruik op (voormalige) bollenteeltpercelen zijn vanwege de (toekomstige) wisselteelt, de risico's van mens en milieu van belang. Uit een risicobeoordeling van een vergelijkbare situatie in de regio Zuidoost-Utrecht56Nota bodembeheer, grondstromenbeleid regio Zuidoost-Utrecht, Milieudienst Zuidoost-Utrecht, oktober 2011. is gebleken dat de toetsingsnorm voor eventuele risico's voor mens en milieu bij organochloorbestrijdingsmiddelen de interventiewaarden zijn. Zo lang in de grond de gehalten van organochloorbestrijdingsmiddelen de interventiewaarden niet overschrijden, en de eventuele voedselprodukten voldoen aan de Warenwet, zijn er geen risico's. Op de (voormalige) bollenteeltpercelen zijn de maximaal gemeten waarden van organochloorbestrijdingsmiddelen ruim onder de interventiewaarden vastgesteld (factor 17 tot ruim 21.000). Ook worden de maximale waarden voor Industrie door de organochloorbestijdingsmiddelen niet overschreden, met uitzondering van de som van alle organochloorbestrijdingsmiddelen. De maximale waarden voor Industrie van organochloorbestrijdingsmiddelen liggen een factor 1 tot 40 lager dan de interventiewaarden. De gemeenten willen de nu beperkte toepassingsmogelijkheden van grond met de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ vanaf de (voormalige) bollenteeltpercelen vergroten. Vanwege het ontbreken van risico’s voor mens en milieu staan de gemeenten op de (voormalige) bollenteeltpercelen lokale verslechtering toe voor grond vanaf (voormalige) bollenteeltpercelen met de kwaliteitsklasse 'Industrie' die uitsluitend wordt veroorzaakt door organochloorbestrijdingsmiddelen (LMW6). De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingswaarden (
40/84). Bij het toepassen van en werken met verontreinigde grond moet de veiligheidsklasse conform de CROW publicatie 40057CROW publicatie 400 'Werken in en met verontreinigde bodem', december 2017. door de veiligheidskundige van de grondroerder worden bepaald (
ook § 4.18). De Lokale Maximale Waarde voor hergebruik van grond afkomstig van (voormalige) bollenteeltpercelen op (voormalig) bollenteeltpercelen is voor de bodemlaag 0,0-0,5 m-mv vastgesteld op de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ die uitsluitend wordt veroorzaakt door organochloorbestrijdingsmiddelen (LMW6). De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingswaarden (
40/84). Uitwerking gebiedsspecifiek beleid: toepassen grond van en op (voormalige) bollenteeltpercelen De uitwerking van het gebiedsspecifiek beleid op de (voormalige) bollenteeltpercelen is als volgt: de grond van de toplaag (vanaf het maaiveld tot en met 0,3 meter diepte) op de (voormalige) bollenteeltpercelen moet voorafgaand aan het ontgraven altijd worden onderzocht (
Afhankelijk van de onderzoeksresultaten mag de grond als volgt worden toegepast: Kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde-AW2000)’: de grond mag overal worden toegepast. Kwaliteitsklasse ‘Wonen’: de grond mag worden toegepast in gebieden waar de toepassingseis de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ of ‘Industrie’ is (
de kaartbijlage 4A en 4B). de grond mag worden toegepast op (voormalige) bollenteeltpercelen als alle stoffen voldoen aan de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarden - AW2000)’ met uitzondering van organochloorbestrijdingsmiddelen. Organochloorbestrijdingsmiddelen moeten voldoen aan de kwaliteitsklasse ‘Wonen’. Kwaliteitsklasse ‘ Industrie’: de grond mag worden toegepast in gebieden waar de toepassingseis de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ is (
de kaartbijlage 4A en 4B). de grond mag worden toegepast op (voormalige) bollenteeltpercelen als alle stoffen voldoen aan de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarden - AW2000)’ met uitzondering van organochloorbestrijdingsmiddelen. Organochloorbestrijdingsmiddelen moeten voldoen aan de kwaliteitsklasse ‘Industrie’. Kwaliteitsklasse ‘ Niet toepasbaar’: de grond moet worden afgevoerd naar een erkend verwerker. 4.3.8Lokale Maximale Waarden betere bovenafdichting oude stortplaatsen (alle gemeenten; LMW7) Op het grondgebied van de gemeenten is sprake van oude stortplaatsen58Zie hiervoor de website van de provincie Noord-Holland: https://maps.noord-holland.nl/.. De bovenafdichting van een aantal stortplaatsen is of wordt in de toekomst mogelijk onvoldoende. Het toepassen van grond “als bovenafdichting voor een stortplaats met het oog op het voorkomen van nadelige gevolgen voor mens, plant of dier als gevolg van contact met het onderliggende materiaal” wordt binnen het Besluit als een nuttige toepassing gezien (artikel 35 onderdeel c). De toe te passen grond moet voldoen aan het (toekomstige) bodemgebruik. De gemeenten willen de mogelijkheden voor het nuttig toepassen van vrijgekomen grond met de kwaliteitsklassen ‘Wonen’ en ‘Industrie’ vergroten door deze toe te passen op stortplaatsen waar de bovenafdichting onvoldoende is. Omdat de stortplaatsen in het buitengebied en in woongebieden zijn gelegen, voldoet de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ of ‘Industrie’ niet altijd aan de toepassingseis ter plaatse (in de regel ‘Wonen’ of ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarden - AW2000)’). Daarom stellen de gemeenten onder de volgende voorwaarden Lokale Maximale Waarden vast: alleen voor oude stortplaatsen waarvan de bovenafdichting onvoldoende is, mag grond met maximaal de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ of ‘Industrie’ worden gebruikt ter eenmalige verbetering (het voldoende op dikte brengen) van de bovenafdichting. Grond met de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ mag worden gebruikt alleen in combinatie met het aanbrengen van een minimaal 0,5 meter dikke afdeklaag (LMW7). De kwaliteit van de afdeklaag moet voldoen aan het (toekomstige) bodemgebruik. Als de stortplaats in een gebied ligt met de bodemfunctie Wonen of Industrie, dan moet de grond in de deklaag voldoen aan de kwaliteitsklasse Wonen of beter. Maar veelal is dat landbouw. Daarom worden de Lokale Maximale Waarden voor de afdeklaag afgestemd op de LAC2006-waarde59Overschrijding van de LAC2006-waarde houdt in dat de kans op problemen voor de agrarische functie niet verwaarloosbaar wordt geacht en dat nader onderzoek gewenst is om na te gaan of zich daadwerkelijk nadelige effecten voordoen. 60Onderbouwing LAC-2006 waarden en overzicht van bodem-plant relaties ten behoeve van de Risicotoolbox, een overzicht van gebruikte data en toegepaste methoden, Alterra-rapport 1442, OSSN 1566-7197, 2007.. Als de LAC2006-waarde hoger ligt dan de Maximale Waarde voor de kwaliteitsklasse ‘Wonen’, dan wordt deze laatste norm gehanteerd. Als de LAC2006-waarde lager ligt dan de AW2000, dan wordt de AW2000 gehanteerd. De Lokale Maximale Waarden voor de afdeklaag zijn in tabel 4.3 gespecificeerd (LMW7). De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingswaarden (
40/84). Bij het toepassen van en werken met verontreinigde grond moet de veiligheidsklasse conform de CROW publicatie 40061CROW publicatie 400 'Werken in en met verontreinigde bodem', december 2017. door de veiligheidskundige van de grondroerder worden bepaald (
ook § 4.18). De Lokale Maximale Waarde voor een betere bovenafdichting van oude stortplaatsen is vastgesteld op de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ (LMW7). Voorwaarden hierbij zijn: Nadat de bovenafdichting voldoet aan de gestelde eisen, vervalt de Lokale Maximale Waarde ‘Industrie’. In combinatie met de bovenafdichting moet een afdeklaag worden gerealiseerd van minimaal 0,5 meter dikte met een kwaliteit die voldoet aan de kwaliteitsklasse Wonen in gebieden met de bodemfunctie Wonen of Industrie. Voor gebieden die in gebruik zijn voor landbouw moet de kwaliteit voldoen aan de LAC2006-waarden dan wel de maximale waarden voor de functie ‘Wonen’ (
tabel 4.3). De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingswaarden (
40/84). Tabel 4.3: Specificatie Lokale Maximale Waarden voor de afdeklaag (minimaal 0,5 meter) op een verbeterde bovenafdichting van een voormalige stortplaats (gehalten in mg/kg ds bij standaard bodem: lutum 25% en organisch stof 10%) Stof Norm AW2000 Wonen LAC200662 Betreffen LAC2006-waarden voor “Beweid grasland”. LMW zand klei veen zand klei veen Barium - - - - Cadmium 0,6 1,2 1 2 2 1 1,2 1,2 Kobalt 15 35 - - - 35 Koper 40 54 3063Waarde voor beweid grasland./5062 3063/8064 Waarde voor veevoer op basis van norm in gewas. 3062/8056 40/5063 40/54 40/54 Kwik 0,15 0,83 2 2 2 0,83 Lood 50 210 150 150 150 150 Molybdeen 1,5 88 - - - 88 Nikkel 35 39 15 50 60 35 39 39 Zink 140 200 150 660 720 150 200 200 PCB138 0,02 0,04 0,1/0,2 0,04 PCB153 0,02 0,04 0,1/0,2 0,04 PAK (som10) 1,5 6,8 3,4 3,4 4.3.9Lokale Maximale Waarden toepassen grond van Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier op regionale waterkeringen (alle gemeenten; LMW8) Onderbouwing Binnen het beheergebied van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier is een continue aanbod van baggerspecie. Bij het op diepte houden van de watergangen komt jaarlijks meer dan 1 miljoen kuub baggerspecie vrij. Dit op diepte houden gebeurt periodiek (eens per 5 tot 10 jaar) en wordt gedaan om het water uit de Noord-Hollandse polders adequaat af te voeren en/of de waterkwaliteit te verbeteren. Deze baggerspecie wordt, in voorkeursvolgorde: Direct nabij de watergang op de kant gezet (veelal landelijk gebied). In een weilanddepot verwerkt. Een weilanddepot ligt grenzend aan watergang, de baggerspecie moet “verspreidbaar” zijn conform waterbodemonderzoek. Een weilanddepot is alleen rendabel bij grote werken, na afloop moet het depot worden afgevlakt en ingezaaid. In een doorgangsdepot van het Hoogheemraadschap verwerkt. Dit betreft veelal baggerspecie die vanwege het ruimtegebrek niet op de kant kan worden gezet (gedacht kan worden aan baggerwerk nabij gebouwen of nabij gevoelig landgebruik). De baggerspecie die in eigen depots wordt gestort, mag maximaal kwaliteitsklasse ‘Industrie’ zijn. Afgevoerd naar een reiniger of stortlocatie (Nauerna). Dit gebeurt alleen met niet verspreidbare baggerspecie (niet verspreidbare baggerspecie voldoet tevens niet aan de kwaliteitsklasse ‘Industrie’). Zoals hiervoor genoemd, wordt maar een deel van de vrijkomende baggerspecie in doorgangsdepots verwerkt. Op jaarbasis gaat het hier om circa 100.000m3 bagger, die in de depots indroogt en rijpt tot ongeveer 40.000m3 grond. De naar doorgangsdepots afgevoerde baggerspecie is maximaal de kwaliteitsklasse ‘Industrie’, waardoor de baggerspecie tevens voldoet aan de verspreidingsnorm uit het Besluit. Wanneer er ruimte op de kant was geweest bij het baggerwerk, mocht de baggerspecie dus gewoon op de kant worden gezet. Vanwege het ruimtegebrek wordt de baggerspecie echter naar een depot afgevoerd, waar de baggerspecie onder erkenning wordt samengevoegd met, qua milieuhygiënische kwaliteit, gelijkwaardige partijen baggerspecie. Dus kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde – AW2000)’ bij ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde – AW2000)’, ‘Wonen’ bij ‘Wonen’ en ‘Industrie’ bij ‘Industrie’. Vervolgens wordt om het rijpingsproces te bevorderen de baggerspecie meerdere malen omgezet met een hydraulische kraan. De baggerspecie verwordt onder invloed van zon en wind tot grond. Deze grond wordt door middel van zeven over 30 millimeter ontdaan van eventuele bodemvreemde materialen, waarna de ontstane partij wordt gekeurd conform § 6.2.1. In bijlage 6 is door het Hoogheemraadschap beargumenteerd dat regionale waterkeringen onverdacht voor bodemverontreiniging lijken, maar dat gezien het historische gebruik en beheer, en onderbouwd met onderzoek, het zeer aannemelijk is dat in de regionale waterkeringen heterogeen verspreide verontreinigingen voor komen (kwaliteitsklasse Wonen tot soms saneringsgevallen). Daarom wordt het niet duurzaam geacht om op regionale waterkeringen waar verontreinigingen voor komen, alleen maar grond te mogen toepassen die voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde – AW2000)’. Ook mag op regionale waterkeringen in het beheer van het Hoogheemraadschap geen vee grazen, geen groenten worden gekweekt, en er mogen geen kinderen op spelen. Als gevolg hiervan is het risico op blootstelling aan grond met de toegepaste kwaliteit ‘Wonen’ en ‘Industrie’ in de regionale waterkering nihil. Ten slotte wordt opgemerkt dat het toepassen van grond “in ophogingen en waterbouwkundige constructies […] met het oog op hoogwaterbescherming, de doelstellingen van de Kaderrichtlijn water […]” binnen het Besluit als een nuttige toepassing wordt gezien (
artikel 35 onderdeel c van het Besluit). Gebiedsspecifiek beleid De gemeenten willen de mogelijkheden voor het nuttig toepassen van grond, verworden van baggerspecie uit het beheergebied van het Hoogheemraadschap, met de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ en 'Industrie' vergroten door toe te staan dat deze grond met de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ of ’Industrie’ (LMW8) mag worden gebruikt voor het op hoogte brengen van regionale waterkeringen. Voorwaarde is dat de kwaliteit blijkt uit een partijkeuring, en dat de laag opgebrachte grond wordt afgedekt met een teeltlaag van circa 30 centimeter dikte. Deze teeltlaag moet blijkens een partijkeuring minimaal van de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde – AW2000)’ zijn, of te zijn opgebouwd uit de huidige teeltlaag van de regionale waterkering. Op deze manier voldoet de regionale waterkering aan het toekomstige gebruik en kan een nuttige toepassing van grond van het Hoogheemraadschap worden bereikt bij zo laag mogelijke maatschappelijke kosten, zonder afbreuk te doen aan het milieu. De ligging van de regionale waterkeringen die in beheer zijn van het Hoogheemraadschap, is opgenomen in kaartbijlage 9. De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingswaarden (
40/84). Bij het toepassen van en werken met verontreinigde grond moet de veiligheidsklasse conform de CROW publicatie 40065CROW publicatie 400 'Werken in en met verontreinigde bodem', december 2017. door de veiligheidskundige van de grondroerder worden bepaald (
ook § 4.18). De Lokale Maximale Waarde voor het op hoogte brengen van regionale waterkeringen is, voor grond die is verworden uit baggerspecie uit het beheergebied van het Hoogheemraadschap, vastgesteld op de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ (LMW8). Voorwaarde hierbij is dat nadat de grond is opgebracht deze wordt afgedekt met een teeltlaag van minimaal 30 centimeter dikte. Deze teeltlaag moet blijkens een partijkeuring minimaal van de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde – AW2000)’’ zijn, of te zijn opgebouwd uit de huidige teeltlaag van de regionale waterkering. De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingswaarden (
40/84). 4.3.10Lokale Maximale Waarden tijdelijke opslag van grond uit het bodembeheergebied van de gemeenten Den Helder, Hollands Kroon en Schagen (alle gemeenten; LMW9) In het generieke kader van het Besluit moet bij de tijdelijke opslag van grond (langer dan 6 maanden en maximaal 3 jaar) de ontgravingskwaliteit van de grond gelijk of beter zijn dan de bodemkwaliteitsklasse van de (tijdelijk) ontvangende bodem (
respectievelijk de tabellen 3.7 en 3.6 van de rapportage van de bodemkwaliteitskaart66Bodemkwaliteitskaart en bodemfunctieklassenkaart gemeenten Den Helder, Hollands Kroon en Schagen, documentcode:16M1158.RAP001, Lievense Milieu B.V. | WSP, november 2020.). Deze voorwaarde past goed binnen de uitgangspunten van het landelijk geldende generieke toepassingskader, en dus wanneer de betreffende partij grond van een locatie afkomstig is van buiten het bodembeheergebied; de betreffende partij grond afkomstig is vanaf gebieden waarvan de gemeenten de bodemkwaliteitskaart niet hebben geaccepteerd als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de toe te passen grond; het baggerspecie betreft. In sommige bovengrondzones leidt dit met gebiedseigen grond tot knelpunten. In sommige gebieden kan zich bijvoorbeeld de situatie voordoen dat op een bepaalde locatie, waar de ontvangende bodem de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde – AW2000)’ heeft, wel partijen grond van de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ mag worden toegepast, maar dat dezelfde partij grond daar niet tijdelijk mag worden opgeslagen. Dat staat haaks op de definitie van tijdelijke opslag die in het Besluit is opgenomen: "De tijdelijke toepassing van grond/baggerspecie voorafgaand aan de definitieve nuttige toepassing." Daarom verruimen de gemeenten de regels voor de tijdelijke opslag van grond. Een partij grond uit het bodembeheergebied van de gemeenten (
.2) die volgens de gebiedsspecifieke toepassingseisen (
.3) op een bepaalde locatie mag worden toepast, mag ook, voorafgaand aan de definitieve toepassing, op deze toepassingslocatie tijdelijk worden opgeslagen (LMW9). De Lokale Maximale Waarde voor tijdelijke opslag van grond uit het bodembeheergebied van de gemeenten (
4.4Toepassen grond met bodemvreemd materiaal (puin, bakstenen, plastic, piepschuim etc.; alle gemeenten) Het Besluit stelt dat een partij grond maximaal 20 gewichtsprocent bodemvreemd materiaal mag bevatten. Omdat in de bodem van de gemeenten Den Helder, Hollands Kroon en Schagen lang niet altijd 20 gewichtsprocent bodemvreemde materiaal (
bijlage 1 bij het kopje ‘Bodemvreemd materiaal’) wordt aangetroffen en omdat de omschrijving ‘gewichtspercentage’ niet opgaat voor lichte bodemvreemde materialen zoals plastic of piepschuim, scherpen de gemeenten de generieke voorwaarde uit het Besluit aan. Concreet betekent dit het volgende: Bij het aanleveren van historische gegevens (
.1) voorafgaand aan het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond moet aandacht besteed worden aan het voor komen van bodemvreemd materiaal in de grond. Tijdens de grondwerkzaamheden moet een visuele controle plaatsvinden of de grond mogelijk verontreinigd is met bodemvreemde bijmengingen. De gemeenten stellen een maximale bijmenging van bodemvreemd materiaal vast van maximaal 10 gewichtsprocent voor bijvoorbeeld puin of bakstenen.Om het milieu minder met plastics te belasten mag in de toe te passen grond slechts een ‘sporadische’ bijmenging: niet meer dan 0,1 volumeprocent. Hierbij wordt aangesloten op de Regeling. De gemeenten stellen dezelfde eis voor andere lichte bodemvreemde materialen zoals piepschuim. Als er twijfel is kan een gemeente een onderzoek eisen waarbij het percentage bodemvreemd materiaal in de toe te passen grond en/of de ontvangende bodem wordt bepaald.Als er geen sprake is van sterk verontreinigde grond, is het toegestaan om door civiel technisch zeven het percentage bodemvreemd materiaal terug te brengen naar het toegestane percentage. Het civiel technisch zeven wordt niet al een tussentijdse bewerking beschouwd (
de Nota van Toelichting Besluit bodemkwaliteit artikel 36, derde lid). Het uitgezeefde bodemvreemd materiaal moet worden getransporteerd naar een erkend verwerker. Is het bodemvreemd materiaal niet uit te zeven, bijvoorbeeld bij kolengruis, dan moet een alternatieve toepassingslocatie voor de grond worden gezocht. Als tijdens de grondwerkzaamheden asbestverdacht materiaal wordt waargenomen, moeten de werkzaamheden direct gestaakt worden (Arbo omstandighedenbesluit) en mag de grond niet zonder partijkeuring en afhankelijk van de keuringsresultaten toegepast worden (zorgplicht). Dit geldt ook voor overige bijmengingen en afwijkingen zoals kleur en geur die redelijkerwijs op een bodemverontreiniging kunnen wijzen. Als in de toe te passen grond meer dan het toegestane percentage bodemvreemd materiaal aan bijmenging wordt vastgesteld, of er wordt asbest of een andere niet verwachte mogelijke bodemverontreiniging aangetroffen, dan moet dit direct worden gemeld aan de OD NHN (Toezicht en Handhaving voor de gemeenten). Voor de gemeenten is dit een aanpassing van het tot nu toe gevoerde beleid. In de toe te passen grond mag maximaal 10 gewichtsprocent voor bijvoorbeeld puin bevatten én een ‘sporadische’ bijmenging (maximaal 0,1 volumeprocent) aan lichte materialen zoals plastics en piepschuim. 4.5Toepassen van grond ter plaatse van gevoelig bodemgebruik en met asbest verdacht materiaal (alle gemeenten) Voor grond geldt als generieke toepassingseis dat deze maximaal 100 mg/kg droge stof (ds) aan -gewogen- asbest mag bevatten. Dit betreft een gewogen gehalte, zijnde het gehalte serpentijnasbest plus tienmaal het gehalte amfiboolasbest. De gemeenten hanteren voor haar eigen projecten, waarbij grond wordt toegepast het volgende gemeentelijke beleid: Voor toepassingen van grond die in opdracht van de gemeente worden uitgevoerd, is het niet toegestaan zintuiglijk met asbest verontreinigde grond toe te passen. Als in opdracht van de gemeente grond wordt toegepast ter plaatse van gevoelig bodemgebruik is het niet toegestaan zintuiglijk én analytisch met asbest verontreinigde grond toe te passen. De gemeente hanteert hierbij de zogenaamde ‘nulnorm’ (0 mg/kg ds gewogen). De volgende gevoelige bodemgebruiken worden onderscheiden: wonen met tuin; onverharde recreatiegebieden en kinderspeelplaatsen; intensief gebruikt openbaar groen (zoals bijvoorbeeld parken en plantsoenen); moes-/volkstuinen. Burgers en bedrijven worden geadviseerd het beleid van de gemeente te volgen. Als burgers/bedrijven dit niet willen geldt het onderstaande: Als asbest(golf)plaat en/of ander asbestverdacht materiaal (zoals bouw- en sloopafval, gemengd puin, betonpuin en metselpuin) wordt aangetroffen in de toe te passen grond, moet altijd een asbestonderzoek conform de laatste versie van de NEN 570767NEN 5707 – Bodem: inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond. of NEN 589768NEN 5897 – Inspectie en monstername van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat. plaatsvinden (de nieuwste stand der techniek) waarmee het gehalte van asbest wordt vastgesteld. In bijlage 1 is nader ingegaan op puin, asbestverdachtheid en asbestonderzoek. Als de maximale waarde voor asbest wordt overschreden (100 mg/kg ds gewogen), is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging en moet dit worden gemeld bij het bevoegd gezag Wet bodembescherming: totdat de Omgevingswet inwerking treedt is dat voor de gemeentende provincie Noord-Holland. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet is de gemeente voor haar eigen grondgebied bevoegd gezag voor sanerende maatregelen. Uitzondering hierop vormen de (beschikte) spoedlocaties, de locaties die vallen onder het overgangsrecht van de Omgevingswet én complexe bedrijven. Voor deze locaties blijft de Provincie Noord Holland (voor de gemeenten) bevoegd gezag. Als de zorgplicht van toepassing is (asbestverontreiniging ontstaan vanaf 1993) moet direct gesaneerd worden. Is de zorgplicht niet van toepassing, dan moet met een risicobeoordeling worden vastgesteld of er sprake is van onaanvaardbare risico’s (
bijlage 3 van de Circulaire bodemsanering69Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013, publicatie Staatscourant, nr. 16675, 27 juni 2013.). De zorgplicht wordt in de Omgevingswet overgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving. Als in grond die is verontreinigd met asbest (≤100 mg/kg ds gewogen) en méér dan de voornoemde percentages bodemvreemd materiaal is vastgesteld (
.4), én het asbest is alleen gerelateerd aan het bodemvreemde materiaal, dan mag het met asbest verontreinigde bodemvreemde materiaal op een daartoe passende wijze uit de grond gezeefd worden. Dit tussentijdse (civiel technische) zeven wordt niet als een bewerking gezien (
de Nota van Toelichting Besluit bodemkwaliteit artikel 36, derde lid). Bij een eerstvolgende wijziging van de Wet milieubeheer wordt het eenvoudiger om met asbest verontreinigde grond bij een asbestdak zonder goed functionerende dakgoot/regenwaterafvoer te verwijderen. Het gecertificeerde asbestverwijderingsbedrijf mag dan onder vermelding in het Landelijke AsbestVolgSysteem (LAVS) bij de verwijdering van het asbestdak óók de met asbest verontreinigde toplaag verwijderen. Aandachtspunt is het voorkomen van asbest in de grond in de grove of fijne fractie. Als asbest in de fijne fractie voorkomt, is het ter beoordeling van de OD NHN of de grond na zeving nog aanvullend moet worden onderzocht. Toe te passen grond, in opdracht van de gemeenten op locaties met een gevoelig bodemgebruik mag zintuiglijk én analytisch geen asbest bevatten. Burgers en bedrijven worden geadviseerd het beleid van de gemeente te volgen. Als burgers/bedrijven dit niet willen geldt het onderstaande Toe te passen grond mag maximaal 100 mg/kg droge stof (ds) aan -gewogen- asbest en maximaal 10 mg/kg ds (gewogen) aan respirabele vezels bevatten. 4.6Toepassen PFAS-houdende grond en verspreiden PFAS-houdende onderhoudsbaggerspecie 4.6.1Definiëren toepassingswaarden PFAS-verbindingen in de grond en eisen aan te verspreiden PFAS-houdende onderhoudsbaggerspecie Zoals uit onderzoeken is gebleken, wordt in de grond een variatie aan gehalten met PFAS- verbindingen vastgesteld. Ook op locatieniveau is vaak sprake van variatie in gehalten. Om beter invulling te geven aan de voorkomende variatie, worden door de gemeenten voor de bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 2,0 meter diepte toepassingswaarden voor PFAS- verbindingen in de grond van de gemeenten gedefinieerd. Deze zijn gebaseerd op de mogelijkheden die het tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie70Tijdelijke handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie, kenmerk IENW/BSK-2019/131399; aangepast op 29 november 2019 en 2 juli 2020. biedt én de achtergrondwaarden die zijn opgenomen in de beleidsregel van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland71Beleidsregel van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland houdende regels omtrent de Beleidsregel PFAS Noord-Holland 2019, kenmerk: 1309449/1316340, 19 november 2019, inwerking getreden: 21 november 2019. (
tabel 4.4). Gezien de vastgestelde licht verhoogde gehalten binnen de gemeenten, vinden de gemeenten de gedefinieerde toepassingswaarden een voldoende kwaliteit om zonder risico’s grond met licht verhoogde gehalten aan PFAS-verbindingen in de gemeenten toe te staan. De toe te passen PFAS-houdende grond en te verspreiden PFAS-houdende onderhoudsbaggerspecie moet voldoen aan de toepassingswaarden uit tabel 4.4. De toepassingswaarden zijn gebaseerd op het tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie én de achtergrondwaarden uit de beleidsregel van de provincie Noord-Holland. Tabel 4.4: Toepassingseisen PFAS-verbindingen in de grond Stof Toepassingswaarden PFAS-verbindingen (in μg/kg
kaartbijlagen 2A en 2B) valt in de kwaliteitsklasse ‘Industrie’. Omdat relatief vaak sterk verhoogde gehalten met lood worden gemeten, stellen de gemeenten strenger beleid vast voor grond die uit deze zones elders op het grondgebied van de gemeenten, met de toepassingseis kwaliteitsklasse ‘Industrie’, wordt toegepast. Grond uit deze zones moet voorafgaand aan de beoogde toepassing worden gekeurd (
Afhankelijk van de keuringsresultaten mag de grond worden toegepast of moet worden getransporteerd naar een erkend verwerker. Voorafgaand aan het toepassen van grond uit de zones ‘B1./T1./O1. Binnenstad en Fort Erfprins (Den Helder)’ (
kaartbijlagen 2A en 2B) buiten deze zones, moet een partijkeuring worden uitgevoerd. 4.8Toepassen van grond in het duingebied (gemeenten Den Helder en Schagen) In het duingebied mag alleen duinzand worden toegepast. Civiele en infrastructurele werken zijn hiervan uitgezonderd. Reden hiervoor is het behoud van de aanwezige natuurwaarden. Het duingebied van de gemeenten Den Helder en Schagen maakt geen onderdeel uit van de bodemkwaliteitskaart. In het duingebied geldt hierdoor automatisch het generieke kader van het Besluit. Daarom moet in de gemeente Den Helder de ontvangende bodem ook worden onderzocht. Doordat in dit gebied geen bodemfuncties Wonen of Industrie voor komen, mag hier alleen grond worden toegepast die voldoet aan de ontgravingskwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde – AW2000)’. Verder vormt een beperkt gedeelte van de duinenrij de primaire waterkering, waardoor bij het ontgraven en toepassen van grond in dit gedeelte van de duinenrij een Watervergunning van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier vereist is. In het duingebied van de gemeente Den Helder en Schagen mag alleen duinzand worden toegepast. In het duingebied van de gemeente Den Helder geldt eveneens het generieke kader van het Besluit. 4.9Toepassen van grond in de “Oostpolder” (gemeente Hollands Kroon) In § 3.3 van het bestemmingsplan voor de “Oostpolder”75Bestemmingsplan Buitengebied 2006, paragraaf 3.3, gemeente Anna Paulowna. (blz. 46-47), een gebied dat voor het merendeel in gebruik is voor aardappelteelt en natuurgebieden, is aangegeven dat het opbrengen van zandgrond (lutumpercentage ≤ 8%) voor bollenteelt niet zonder meer is toegestaan. Uitsluitend een projectmatige ontwikkeling van permanente bollenteelt wordt onder voorwaarden toegestaan. Hiervoor moet contact worden opgenomen met de gemeente Hollands Kroon. In de Oostpolder in de gemeente Hollands Kroon mag niet zonder meer zandgrond (lutumpercentage ≤ 8%) worden toegepast. 4.10Tijdelijke uitname van grond bij graafwerkzaamheden bij ondergrondse infrastructuur en groenvoorzieningen (alle gemeenten) Bij aanleg, vervang-, reparatiewerkzaamheden van ondergrondse infrastructuur zoals kabels, leidingen, rioleringen en graafwerkzaamheden bij groenvoorzieningen, wordt grond ontgraven en weer toegepast (tijdelijke uitname van grond). In het Besluit is tijdelijke uitname van grond op een niet-verdachte locatie (volgend uit de aangeleverde historische gegevens) toegestaan zonder dat een kwaliteitsbepaling is uitgevoerd, een functietoets is gedaan en een melding is verricht. De voorwaarden hierbij zijn dat: er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging; er geen tussentijdse bewerking76Het tussentijds civieltechnisch zeven (cosmetisch zeven) wordt niet als tussentijdse bewerking beschouwd (
de Nota van Toelichting Besluit bodemkwaliteit artikel 36, derde lid). plaatsvindt; de grond onder dezelfde condities weer worden toegepast; ondergrond wordt weer ondergrond en bovengrond wordt weer bovengrond. Met deze laatste voorwaarde is het zogenaamde ‘over-de-kop-werken’ (de bovengrond en de ondergrond worden niet gescheiden ontgraven) bij graafwerkzaamheden niet mogelijk. Dit is niet wenselijk omdat bij veel graafwerkzaamheden er geen tot (zeer) weinig ruimte op en in de nabije omgeving van de graaflocatie aanwezig is om de boven- en ondergrond gescheiden tijdelijk op te slaan. Ook is de grond in de meeste situaties, bijvoorbeeld bij de aanleg en reparatie van de ondergrondse infrastructuur, al eerder 'over-de-kop' gegaan. Vanwege de voor
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.