Deze verordening van de gemeente Deventer regelt de fysieke leefomgeving, met een focus op de regels voor ambulante handel, zoals standplaatsen op markten. Het doel is om regels voor de fysieke leefomgeving samen te voegen in één verordening, vooruitlopend op de Omgevingswet.
.3 en Afdeling 2.4 neemt het college bij het nemen van besluiten omtrent het verlenen van standplaatsvergunningen voor een markt het geldende inrichtingsplan in acht. Afdeling2.2 Inrichtingsplan markt Artikel2.2.1Inrichtingsplan 1.Het college stelt voor elke markt een inrichtingsplan vast. 2.Het inrichtingsplan bevat in elk geval: een aanduiding van de dagen en de uren waarop, en eventueel de periode waarin de markt wordt gehouden (markttijd) en een aanduiding van de omstandigheden waaronder de markt wordt afgelast; een kaart van de markt; een lijst met artikelgroepen of branches, bevattende de maximum aantallen standplaatsvergunningen die voor één of meer branches of artikelgroepen of combinaties daarvan kunnen worden afgegeven; welk type vergunning kan worden verstrekt. 3.Op de kaart van de markt zijn aangegeven: de grenzen van de markt; de plattegrond en opstelling van de markt; de plaatsen of gebieden die bestemd zijn voor standplaatsvergunning; de plaatsen of gebieden die bij voorrang zijn bestemd voor één of meer branches of artikelgroepen; de plaatsen of gebieden die bij voorrang zijn bestemd voor standwerkers; de plaatsen die bestemd zijn als seizoensplaats. 4.Het inrichtingsplan bevat marktspecifieke nadere eisen op uitvoeringsniveau zoals over luidsprekers, meet- en weegwerktuigen, elektriciteit, gasinstallaties, bakken en braden en afvoer van verbrandingsgassen en dampen. Artikel2.2.2Mandaatverboden 1.De bevoegdheid tot het vaststellen van inrichtingsplannen kan niet worden gemandateerd. 2.De bevoegdheid tot het wijzigen van inrichtingsplannen kan niet aan de marktmeester worden gemandateerd. Afdeling2.3 Vaste standplaatsvergunningen en seizoensplaatsvergunningen Artikel2.3.1Selectiestelsel 1.Voor de toekenning van een vaste standplaatsvergunning wordt het selectiestelsel gehanteerd. 2.Het college maakt ten minste een keer per jaar en zoveel vaker als gewenst bekend dat voor de markt één of meer vaste standplaatsvergunningen kunnen worden verleend, voor welke branche of artikelgroep dit geldt en dat gegadigden voor een vergunning binnen een daartoe gestelde termijn daarvoor een aanvraag kunnen indienen. Indien een aanvraag buiten de daarvoor gestelde termijn binnenkomt, wordt de aanvraag meegenomen bij de reacties op de eerstvolgende bekendmaking. 3.De bekendmaking geschiedt door openbare kennisgeving in de vakbladen en op de websites van de markt en de gemeente. 4.Het college legt de aanvragen om advies voor aan een selectiecommissie van drie personen, bestaande uit een marktmeester en twee afgevaardigden van de marktondernemers. De afvaardiging van de marktondernemers wordt per selectieronde via loting uit een pool van gekozen marktondernemers vastgesteld. De pool van tien marktondernemers (zowel CVAH-leden als niet CVAH-leden) wordt een keer per jaar gekozen tijdens een standplaatshoudersvergadering. 5.Bij de beoordeling van de aanvragen kent het college punten toe aan de hand van de volgende aspecten: het assortiment van de gegadigde vormt een gewenste toevoeging aan het marktassortiment; de uitstraling van de uitstalling; het marktverleden van de gegadigde (ook in andere gemeenten); bij de gegadigde is sprake van maatschappelijk verantwoord ondernemen; het aantal jaren dat de aanvrager in loondienst is (minimaal twee jaar) of functioneert als (mede-) eigenaar (minimaal twee jaar) bij een vergunninghouder die op grond van Artikel 2.3.5 zijn vergunning wil overschrijven; de mate waarin de marktondernemer klanten trekt. Per aspect worden maximaal 20 punten toegekend. Aanvragers komen in aanmerking in de volgorde van het aantal toegekende punten. Indien in totaal niet meer dan 60 punten worden toegekend wordt de aanvraag niet verder behandeld. Als meerdere aanvragers hetzelfde aantal punten toegekend hebben gekregen wordt de uitslag volgens loting vastgesteld. 6.De beslistermijn als bedoeld in Artikel 9.2.1 vangt in afwijking van dat artikel aan op de dag na het verlopen van de termijn bedoeld in het tweede lid, waarbinnen aanvragen voor vaste standplaatsvergunningen kunnen worden ingediend. 7.
.1.4 blijven het vierde en vijfde lid buiten toepassing indien er slechts één aanvraag binnenkomt. 8.Indien er geen gegadigde is voor een vrijgekomen standplaats kan de vaste vergunninghouder van een aangrenzende vaste standplaats, die te kennen heeft gegeven uitbreiding van zijn standplaats te willen, in aanmerking komen voor toewijzing. Artikel2.3.2Inhoud vaste standplaatsvergunning Een vaste standplaatsvergunning vermeldt in ieder geval: de naam en voornamen, de geboortedatum en -plaats, het adres en de woonplaats van vergunninghouder dan wel, in geval van een rechtspersoon, van de persoon die hem vertegenwoordigt; een duidelijke omschrijving van de toegewezen vaste standplaats met vermelding van het nummer en de afmetingen daarvan; de kraam of andere materialen die de vergunninghouder bij het innemen van de standplaats mag gebruiken; het soort artikelen dat de vergunninghouder mag verhandelen of de branche waartoe de vergunninghouder behoort; de datum waarop aan de vergunninghouder voor het eerst vergunning is verleend; welke kook-, bak- en verwarmingsapparaten zijn toegestaan. Artikel2.3.3Persoonlijk innemen standplaats; vervanging 1.De houder van een vaste standplaatsvergunning kan de hem toegewezen standplaats laten innemen door een vervanger. Een aanvraag hiertoe vermeldt de verwachte duur van zijn afwezigheid en de naam van de beoogde vervanger. Tevens wordt een kopie van een geldig legitimatiebewijs van de vervanger overgelegd. 2.De vervanger treedt op namens de vergunninghouder. De rechten – behalve die tot vervanging ingevolge het vorige lid – en verplichtingen die bij of krachtens dit hoofdstuk gelden voor de vergunninghouder, zijn van overeenkomstige toepassing op de vervanger. 3.De vergunninghouder en de aangewezen vervanger ontvangen een schriftelijke bevestiging van de vervanging. 4.Het college kan een vervanger weigeren op de gronden genoemd in Artikel 2.1.4, eerste, tweede en derde lid. Artikel2.3.4Geldingsduur vaste standplaatsvergunning Een vaste standplaatsvergunning geldt voor een termijn van maximaal vijf jaar. Artikel2.3.5Overschrijven vaste standplaatsvergunning 1.Wanneer de vergunninghouder niet langer zelf van de vergunning gebruikt wenst te maken is het selectiestel van Artikel 2.3.1 van toepassing, behoudens het gestelde in het tweede lid. 2.Is de houder van een vaste standplaatsvergunning overleden of onder curatele gesteld, dan kan het college op aanvraag van zijn erven of zijn curator de vergunning overschrijven op naam van zijn echtgenoot, geregistreerde partner of zijn kind, of op een persoon die aantoonbaar twee jaar of langer de houder heeft bijgestaan. De aanvraag tot overschrijving wordt binnen twee maanden na het overlijden of de onder curatelestelling ingediend. 3.Het college kan van het vorenstaande afwijken voor zover de toepassing daarvan voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de bepalingen te dienen doelen. 4.De aanvraag tot overschrijving wordt geweigerd als niet wordt voldaan aan de uit dit artikel voortvloeiende eisen of aan de eisen waaraan een houder van een vaste standplaatsvergunning volgens Hoofdstuk 2 moet voldoen. 5.Als de nieuwe vergunninghouder reeds over een vaste standplaatsvergunning voor de betrokken markt beschikt, wordt deze ingetrokken. Artikel2.3.6Intrekken en vervallen vaste standplaatsvergunning 1.
.3.1 trekt het college een vaste standplaatsvergunning in: na twee maanden na het overlijden of de ondercuratelestelling van de vergunninghouder, tenzij een aanvraag tot overschrijving overeenkomstig Artikel 2.3.5, tweede lid, is ingediend en nog niet onherroepelijk is afgewezen; bij een uitgesproken faillissement van de vergunninghouder. 2.
.3.1 kan het college een vaste standplaatsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd intrekken: indien de vergunninghouder, degene die hem vervangt of vertegenwoordigt of een persoon die hem bijstaat zich op de markt schuldig heeft gemaakt aan wangedrag of bedrog of een bij of krachtens deze verordening gestelde bepaling heeft overtreden; indien de vergunninghouder of zijn vervanger zijn standplaats niet ten minste tien maal per dertien weken heeft ingenomen. Dit met inachtneming van Artikel 2.6.3; indien de vergunninghouder niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet dat wordt geheven op grond van artikel 228 van de Gemeentewet; indien de vergunninghouder of zijn vervanger of vertegenwoordiger de marktmeester belemmert in het uitoefenen van zijn functie dan wel de door de marktmeester gegeven aanwijzingen niet opvolgt. 3. Als de vergunninghouder of zijn overeenkomstig Artikel 2.3.3 aangewezen vervanger zijn standplaats niet uiterlijk bij aanvang van de markt heeft ingenomen, vervalt de vergunning voor de rest van de dag. Artikel2.3.7Mandaatverbod De bevoegdheid tot het verlenen of het intrekken van een vaste standplaatsvergunning kan niet aan de marktmeester worden gemandateerd. Artikel2.3.8Seizoensplaatsvergunning Afdeling 2.3 is van overeenkomstige toepassing op seizoensplaatsvergunningen, met dien verstande dat de termijn bedoeld in Artikel 2.3.4 maximaal zes maanden bedraagt. Afdeling2.4 Dagplaatsvergunningen en standwerkvergunningen Artikel2.4.1Dagplaatsvergunning 1.Een dagplaatsvergunning kan worden verleend voor het innemen van een standplaats op plaatsen die niet zijn of worden ingenomen door de houder van een vaste standplaatsvergunning of op andere vrije plaatsen. De vergunning vermeldt het artikel waarvoor zij geldt. 2.Dagplaatsvergunningen worden uitsluitend verleend voor de Centrumwarenmarkt (Brink) en de jaarmarkten. 3.
.1.4 komen voor een dagplaatsvergunning in aanmerking degenen die niet zijn uitgesloten omdat zij gedurende een of meer van de voorafgaande vier marktdagen: zich op een markt schuldig hebben gemaakt aan wangedrag of aan bedrog of een bij of krachtens deze verordening gestelde bepaling hebben overtreden; de marktmeester hebben belemmerd in het uitoefenen van zijn functie dan wel de door de marktmeester gegeven aanwijzingen niet hebben opgevolgd; niet tijdig het verschuldigde marktgeld hebben voldaan dat wordt geheven op grondslag van artikel 228 van de Gemeentewet.
.2.2 kan de vergunning worden geweigerd: indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van een vergunning voor het hebben van een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt. Artikel2.5.2Toestemming rechthebbende Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college als bedoeld in Artikel 2.1.1 een standplaats wordt of is ingenomen. Artikel2.5.3Foodtrucks Het college kan voorzien in een van Hoofdstuk 2 afwijkende regeling voor foodtruckstandplaatsen. Artikel2.5.4Afbakeningsbepaling 1.Het verbod van Artikel 2.1.1, geldt ten aanzien van individuele standplaatsen niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement. 2.De weigeringgrond van Artikel 2.5.1, tweede lid, onder a, geldt niet voor bouwwerken. Afdeling2.6 Algemene bepalingen ten aanzien van standplaatsen Artikel2.6.1Bijstand De houder van een vaste standplaatsvergunning of van een dagplaatsvergunning of standwerkvergunning kan zich doen bijstaan door een of meer andere personen. Artikel2.6.2Markttijden 1.Het is een houder van een standplaatsvergunning op een markt verboden meer dan 3 uur voor de aanvang en meer dan 2 uur na afloop van de markt ruimte in te nemen of te doen innemen op het marktterrein met een voertuig, met goederen of anderszins, of goederen aan- of af te voeren of te laten aan- of afvoeren. 2.Een vergunninghouder neemt zijn standplaats in tot de sluitingstijd van de markt. 3.Het college kan op aanvraag van de vergunninghouder ontheffing verlenen van het bepaalde in het tweede lid. 4.Het college kan nadere eisen stellen aan de tijden van inneming van een standplaats op een markt en aan de aan- en afvoer van goederen. Artikel2.6.3Afwezigheid wegens ziekte, vakantie of bijzondere omstandigheden 1.De houder van een vaste standplaatsvergunning die wegens ziekte, vakantie of bijzondere omstandigheden verhinderd is zijn vaste standplaats in te nemen en geen vervanger heeft aangesteld, deelt dit schriftelijk mee aan het college. Bij vakantie geeft de houder aan hoe lang zijn afwezigheid duurt. De mededeling wordt uiterlijk 24 uur voor de betreffende marktdag gedaan. 2.Plotselinge verhindering wordt zo spoedig mogelijk aan de marktmeester gemeld. 3.Naar aanleiding van de mededeling of de melding als bedoeld in de voorafgaande leden ontvangt de houder een schriftelijke bevestiging, waarin met inachtneming van het bepaalde in het vierde lid tevens ontheffing wordt verleend van de verplichting tot inname van de standplaats. 4.De ontheffing van de verplichting tot inname van de standplaats geldt in geval van ziekte en/of bijzondere omstandigheden voor maximaal een half jaar, te rekenen vanaf de dag van ziekmelding of vanaf het ontstaan van de bijzondere omstandigheden en in geval van vakantie voor maximaal 6 weken per jaar. 5.Het college kan in bijzondere omstandigheden afwijken van het bepaalde in dit artikel. Artikel2.6.4Verontreiniging 1.Een vergunninghouder is verplicht er voor te zorgen dat zijn standplaats en de onmiddellijke omgeving daarvan gedurende de markttijden dan wel gedurende het innemen van de standplaats schoon wordt gehouden en een goed verzorgd aanzien biedt, een en ander ter beoordeling van de toezichthouder. 2.Een vergunninghouder is verplicht afval, waaronder verpakkingsmateriaal, dat tijdens de door hem uitgeoefende verkoop op zijn standplaats vrij komt, zodanig te bewaren dat het marktterrein dan wel de omgeving van de standplaats daardoor niet wordt verontreinigd en het afval niet door onbevoegden kan worden meegenomen. Hij voert het afval onmiddellijk na afloop van de markt of na afloop van het innemen van de standplaats af, of laat het afvoeren. 3.Een vergunninghouder is verplicht de door hem ingenomen standplaats en de naaste omgeving daarvan na afloop van de markt of na afloop van het innemen van de standplaats veegschoon en vetvrij achter te laten. 4.Het college kan nadere eisen stellen aan het vrijgekomen afval, de hygiëne en reiniging van een standplaats. Artikel2.6.5Informatieplicht Degene die een standplaats inneemt is op eerste verzoek van de toezichthouder verplicht aan te tonen dat hij daartoe gerechtigd is. Artikel2.6.6Nadere eisen Het college kan aan het gebruik van de standplaats nadere eisen stellen. Artikel2.6.7Onmiddellijke verwijdering Het college kan een vergunninghouder of iemand die hem bijstaat, vertegenwoordigt of vervangt gelasten zich onmiddellijk van de markt te verwijderen als deze zich op de markt schuldig heeft gemaakt aan wangedrag of aan bedrog of een bij of krachtens Hoofdstuk 2 gestelde bepaling heeft overtreden. Hoofdstuk3Bodem Afdeling3.1. Omgevingsvergunning voor het bouwen Artikel3.1.1Status Het bepaalde in Afdeling 3.1 wordt mede aangemerkt als Bouwverordening in de zin van artikel 8 van de Woningwet. Artikel3.1.2Bodemonderzoek 1.Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit: de resultaten van een recent en actueel milieuhygiënisch bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740; Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707. 2.De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht geldt niet indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit omgevingsrecht, bijlage II, artikelen 2 en 3. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit omgevingsrecht, bijlage II, artikelen 2 en 3. 3.Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht toe, indien voor toepassing van Artikel 3.1.3 bij het college reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn. 4.Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht toestaan voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn, als bedoeld in artikel 2.24 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het Besluit omgevingsrecht, indien uit het in NEN 5725 bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740 niet rechtvaardigen. 5.Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen. Artikel3.1.3Verbod op bouwen op verontreinigde grond Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd voor zover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk: waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven; voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist, met uitzondering van bouwwerken die naar aard en omvang gelijk zijn aan een bouwwerk waarvoor op grond van artikel 2.1, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een dergelijke vergunning niet is vereist, en dat de grond raakt, of ten aanzien waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd. Artikel3.1.4Voorwaarden omgevingsvergunning In afwijking van het bepaalde in Artikel 3.1.3 en
artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht, kan het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen, in het geval zij op grond van het in het de Regeling omgevingsrecht bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig artikel 39, tweede lid, Wbb goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, Wbb van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt. Artikel3.1.5Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in Afdeling 3.1 wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd. Afdeling3.2 Bodembescherming Artikel3.2.1Inhoud saneringsplan 1.Aanvullend op de eisen gesteld in artikel 39, eerste lid, Wbb worden in het saneringsplan de volgende gegevens vermeld: het adres, de kadastrale aanduiding en de ligging van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt; een kadastrale kaart, waarop door middel van de interventiewaardencontour voor grond het geval van verontreiniging is aangegeven; de huidige en toekomstige bestemming van het perceel in het kader van de Wet ruimtelijke ordening; de naam en het adres van de eigenaar dan wel van degene die een beperkt recht heeft op het grondgebied zoals bedoeld onder a en de feitelijk gebruikers hiervan voor zover het een grondverontreiniging betreft; de naam en het adres van degene in wiens opdracht de sanering, nazorg of handeling ten gevolge waarvan de verontreiniging wordt verminderd of verplaatst zal plaatsvinden; indien van toepassing een machtigingsformulier waaruit de bevoegdheid blijkt om namens de opdrachtgever een aanvraag te doen; het tijdsschema van het verloop van de sanering, waarbij in ieder geval de datum van aanvang van de sanering wordt vermeld; in het geval van een gefaseerde sanering: de voorgenomen fasering en het verzoek om een besluit te nemen op grond van artikel 38, derde lid, Wbb; in het geval van een deelsanering: een tekening of beschrijving waaruit blijkt welk deel er gesaneerd zal worden en het verzoek om een besluit te nemen op grond van artikel 40, tweede lid, Wbb; een beschrijving van de veiligheids- en arbeidshygiënische aspecten; een beschrijving van de te treffen hydrologische voorzieningen met de voorzienbare eindresultaten en effecten daarvan op de omgeving; een beschrijving van de maatregelen die overlast en/of schade als gevolg van de sanering voorkomen of zoveel mogelijk beperken; gegevens over de kwaliteit van de te gebruiken aanvulgrond; een beschrijving van de te hanteren protocollen en richtlijnen voor (uit)keuring en monstername en eventueel de uitvoering; gegevens over de bestemming van overige verontreinigde stoffen die naast de verontreinigde grond vrijkomen bij de sanering; indien verontreinigde grond zal worden afgegraven een indicatie van de hoeveelheid af te graven grond indien verontreinigd grondwater onttrokken wordt een indicatie van de te verwachten hoeveelheid grondwater; een motivering indien de grond of het grondwater niet geheel gereinigd wordt. 2.Onverminderd de eisen gesteld in het eerste lid leidt het ontbreken van enkele of meerdere van bovenstaande gegevens niet automatisch tot niet-ontvankelijkheid als de gegevens niet noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het ingediende saneringsplan. Artikel3.2.2Melding start, diepste punt en feitelijke sanering 1.Degene die op grond van artikel 39, tweede lid, Wbb toestemming heeft verkregen om conform saneringsplan te saneren, stelt tenminste vijf werkdagen voor de feitelijke aanvang van de sanering het college hiervan in kennis via het meldingsformulier start bodemsanering. 2.Degene die saneert meldt schriftelijk tenminste 24 uur van tevoren het bereiken van de einddiepte bij een ontgraving. 3.Degene die heeft gesaneerd doet uiterlijk vijf werkdagen na beëindiging van de saneringswerkzaamheden schriftelijk mededeling bij het college van de datum waarop de werkzaamheden zijn beëindigd middels het meldingsformulier einde sanering. Artikel3.2.3Melding wijzigingen saneringsplan 1.Iedere afwijking van het saneringsplan wordt aan het college gemeld. 2.In aanvulling op artikel 39, vierde lid, Wbb wordt onder een wijziging van het saneringsplan een wijziging verstaan die gevolgen heeft voor de saneringsdoelstelling of die de belangen van derden schaadt of kan schaden. 3.Bij de melding worden de volgende gegevens verstrekt: naam en adres van de feitelijk saneerder; de locatie van de sanering; de motivering van de afwijking van het saneringsplan; de consequenties van de wijzigingen voor het te behalen saneringsdoel; de eventuele consequenties voor de nazorg en/of gebruiksbeperkingen. Artikel3.2.4Het saneringsverslag 1.Degene die de bodem heeft gesaneerd, dan wel een fase van de sanering heeft uitgevoerd, dient daarvan binnen 13 weken na beëindiging van de saneringswerkzaamheden bij het college een verslag in. 2.Het verslag wordt vergezeld van een verzoek om in te stemmen met de resultaten van de uitgevoerde sanering. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van het meldingsformulier saneringsverslag. Het verslag dient in aanvulling op artikel 39c, eerste lid, Wbb de volgende gegevens te bevatten: Algemeen het adres, de kadastrale aanduiding en de ligging van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevond; naam en adres van de opdrachtgever, directievoerder, aannemer en milieukundig begeleider. Grondsanering de start en einddatum van de periode waarop het verslag betrekking heeft en waarbinnen de grondsanering uitgevoerd is; een overzicht van de hoeveelheid vrijgekomen grond (uitgedrukt in kilogrammen en m³) en de bestemming daarvan, inclusief de wijze van verwerking en afvalstroomnummers; een overzicht van de hoeveelheden overig vrijgekomen saneringsafval (zoals eventueel vrijkomende verontreinigde klinkers en aangetroffen ondergrondse tanks) en hun bestemmingen; de afmeting van de ontgravingen; de inrichting van eventuele gronddepots; een beschrijving van de tijdens de uitvoering aangetroffen afwijkingen en wijzigingen ten opzichte van de in het saneringsplan beschreven situatie; een beschrijving van het eventueel aangelegde onttrekkingssysteem voor een nog uit te voeren grondwatersanering. Grondwatersanering/ bodemluchtonttrekking de start en einddatum van de periode waarop het verslag betrekking heeft en waarbinnen de grondwatersanering uitgevoerd is; de wijze van injecteren, onttrekken en zuiveren van water en lucht bij in- situ technieken (bijvoorbeeld filterstelling, debieten en vrachten verontreiniging) en/ of andere media; een beschrijving van de tijdens de uitvoering aangetroffen afwijkingen en wijzigingen ten opzichte van de in het saneringsplan beschreven situatie of prognose. Bemonstering bij grondsanering een bespreking van analyseresultaten van de controlemonsters en de consequenties daarvan; een bespreking van analyseresultaten van de depotmonsters, de monsters van de afgevoerde grond en de consequenties daarvan; een bespreking van de analyseresultaten van de effluentmonsters (bouwputbemaling) in relatie tot de verleende vergunning(en); de certificaten van kwaliteitsgegevens van de aanvulgrond/zand en steenachtige bouwmaterialen. Bemonstering bij grondwatersanering een bespreking van de analyseresultaten van de influentmonsters voor het volgen van het verloop van de sanering; een bespreking van de analyseresultaten van de effluentmonsters in relatie tot de verleende vergunning(en); een bespreking van de analyseresultaten van de monsters uit peilbuizen. Bijlagen bij het saneringsverslag een locatiekaart; een locatiekaart; een begrenzing van het te saneren perceel m.b.v. een kadastraal uittreksel; een kaart met de locatie van bemaling en lozingspunten tijdens de grondsanering; een overzicht van de verrichtte grondwateronttrekking (met o.m. de debieten en de totaal onttrokken hoeveelheid grondwater); de grondbalans; een afvoerbewijs van alle vrijgekomen afvalstromen (grond en overige stromen zoals puin), onder vermelding van de afvalstroomnummers en bestemming; de analysecertificaten en -resultaten van grond- en grondwatermonsters en toetsing. een ontgravingskaart met daarop: de ontgravingsgrenzen (diepten en de locatie van de genomen grondmonsters van de putwand en –bodem); de ontgravingsvoorzieningen (damwanden etc.); de ligging van tijdelijke voorzieningen, inclusief depots; een kaart met daarop: de aard en omvang van de restverontreinigingen in grond en grondwater; een kadastrale kaart van de restverontreiniging(en); de plaats van toepassing van herschikt/hergebruikte grond; een grondwateronttrekkingskaart met daarop: de ligging van de voorzieningen (zoals drains en pompen); de locatie van het onttrekkingssysteem en de peilbuizen met filterstelling; een kaart met aangebrachte voorzieningen voor eventueel aanvullende saneringsmaatregelen. 3.
artikel 39c, eerste lid, Wbb, kan het vermelden in het saneringsverslag van gegevens als bedoeld in het tweede lid achterwege blijven indien die gegevens niet noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het saneringsverslag. Artikel3.2.5Het nazorgplan 1.Degene die nazorgsmaatregelen uit gaat voeren, dient daarvan bij het college een nazorgplan in. 2.Het nazorgplan gaat vergezeld van een verzoek om in te stemmen met de invulling van de nazorg. 3.Het nazorgplan dient in aanvulling op artikel 39d, eerste lid, Wbb de volgende gegevens te bevatten: een beschrijving van de wijze waarop de restverontreiniging wordt beheerst (isolerende maatregelen/kadastrale registratie/monitoring/actieve nazorg); een omschrijving van de te treffen maatregelen in het kader van de nazorg (hydraulische scheidingen, drains etc.); een omschrijving van het te treffen onderhoud en de investeringen; indien er sprake is van isolerende voorzieningen hoort er bij de omschrijving bedoeld onder a: de wijze waarop de instandhouding van de isolerende voorzieningen wordt gewaarborgd en gecontroleerd de wijze waarop het betrokken grondgebied in verband met het isoleren van de verontreiniging wordt beheerd de verwachte ontwikkelingen in het ruimtegebruik. Indien er sprake is van actieve nazorg/monitoring van de restverontreiniging hoort er bij de omschrijving bedoeld onder a: een monitoringsplan met de bemonsteringsfrequentie, actiewaarden, ijkmomenten en verwachtte tijdsduur; een onderbouwing van het monitoringsplan middels een inschatting van de te verwachten mobiliteit/verspreiding; de plaats en filterstelling van de monitoringspeilbuizen. de actiewaarden indien verspreiding van de verontreiniging wordt vastgesteld; een beschrijving van het terugvalscenario. Artikel3.2.6Saneringen en nazorgmaatregelen uitgevoerd door het college Op saneringen en nazorgmaatregelen uitgevoerd door de gemeente is Afdeling 3.2 van toepassing. Hoofdstuk4Erfgoed Afdeling4.1 Bevoegdheden Artikel4.1.1De aanwijzing als gemeentelijk monument of gemeentelijk archeologisch monument 1.Het college kan een monument aanwijzen als gemeentelijk monument of als gemeentelijk archeologisch monument, vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde. 2.De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op grond van artikel 3.1 van de Erfgoedwet of op grond van een provinciale verordening. 3.Het college kan de aanwijzing bedoeld in het eerste lid wijzigen. 4.Het college kan de aanwijzing bedoeld in het eerste lid intrekken. Artikel4.1.2De aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht 1.Het college kan een stads- of dorpsgezicht aanwijzen als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht. 2.De aanwijzing kan geen stads- of dorpsgezicht betreffen dat is aangewezen op grond van artikel 35 van de Monumentenwet 1988 of op grond van een provinciale verordening. 3.Het college kan de aanwijzing bedoeld in het eerste lid wijzigen. 4.Het college kan de aanwijzing bedoeld in het eerste lid intrekken. Afdeling4.2 Procedures Artikel4.2.1Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op de besluiten bedoeld in Artikel 4.1.1, eerste, derde en vierde lid, en Artikel 4.1.2, eerste, derde en vierde lid. Artikel4.2.2Advisering door de adviesraad Monumenten 1.Voordat het college het besluit neemt, vraagt het college advies aan de adviesraad Monumenten. 2.Indien de adviesraad Monumenten niet tijdig adviseert, wordt de adviesraad Monumenten geacht geadviseerd te hebben. Artikel4.2.3Voorbescherming Wanneer het college voornemens is een aanwijzing te doen als bedoeld in Artikel 4.1.1, eerste lid, is Afdeling 4.3 van overeenkomstige toepassing vanaf het moment waarop het college op grond van artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht een belanghebbende in de gelegenheid heeft gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen, tot het moment waarop hetzij het besluit tot aanwijzing in werking is getreden, hetzij het voornemen is ingetrokken. Artikel4.2.4Kennisgeving zakelijk gerechtigden Van de besluiten bedoeld in Artikel 4.1.1 wordt kennis gegeven aan degenen die een zakelijk recht hebben op het monument. Artikel4.2.5Gemeentelijk erfgoedregister 1.Het besluit wordt verwerkt in het gemeentelijk erfgoedregister. 2.Het erfgoedregister vermeldt van gemeentelijke monumenten en gemeentelijke archeologische monumenten de plaatselijke aanduiding, de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving. 3.Het erfgoedregister vermeldt van beschermde gemeentelijke stads- en dorpsgezichten de plaatselijke aanduiding, de datum van aanwijzing, de gebiedsaanwijzing en een beschrijving van de daarin vervatte cultuurhistorische waarden. Afdeling4.3 Instandhouding gemeentelijke monumentale zaken en beschermde gemeentelijke stads- en dorpsgezichten Artikel4.3.1Verbod en vergunningplicht 1.Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is. 2.Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag of in strijd met bij zodanige vergunning gestelde voorschriften: een gemeentelijk monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; een gemeentelijk monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 3.Het verbod bedoeld in het tweede lid geldt niet indien het college nadere regels stelt met betrekking tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd. 4.Het verbod bedoeld in het tweede lid geldt niet ten aanzien van: gewoon onderhoud voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van dat bouwwerk niet wijzigen, en bij een tuin, park of andere aanleg, de aanleg niet wijzigt, of een activiteit die uitsluitend leidt tot inpandige veranderingen van een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft. 5.De vergunning kan slechts worden verleend indien het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing houdt het bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument. 6.Het bevoegd gezag verleent, met betrekking tot een monument met een religieuze bestemming, geen vergunning als bedoeld in het tweede lid, dan in overeenstemming met de eigenaar indien en voor zover het een vergunning betreft, waarbij wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het monument in het geding zijn. Artikel4.3.2Advisering door Planadviesraad 1.Voordat het college het besluit neemt bedoeld in Artikel 4.3.1, tweede lid, vraagt het college advies aan de Planadviesraad. 2.Indien de Planadviesraad niet tijdig adviseert, dan staat dit het nemen van het besluit niet in de weg. Artikel4.3.3Beschermend bestemmingsplan De gemeenteraad stelt, ter bescherming van een beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht, een bestemmingsplan vast als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening. Afdeling4.4 Instandhouding van archeologische terreinen Artikel4.4.1Verbod 1.Het is verboden om in een gemeentelijk archeologisch monument of een archeologisch beleidsgebied de bodem te verstoren, als in het bestemmingsplan niet is voorzien in een regeling van de bescherming van archeologische waarden en archeologische verwachtingswaarden. 2.Het verbod is niet van toepassing als: voor de activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is verleend; de activiteit geen strijd oplevert met het gemeentelijke archeologiebeleid; met vooronderzoek is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn. Artikel4.4.2Booronderzoek, opgraving en begeleiding 1.
de Erfgoedwet worden bij het verrichten van handelingen met betrekking tot het opsporen, onderzoeken of verwerven van cultureel erfgoed of onderdelen daarvan, waardoor verstoring van de bodem, of verstoring of gehele of gedeeltelijke verplaatsing of verwijdering van een archeologisch monument of cultureel erfgoed onder water optreedt, de volgende regels in acht genomen: het college stelt voor opgraving en begeleiding een programma van eisen vast, waarbij nadere regels worden gesteld ten aanzien van die handelingen. De nadere regels bevatten in ieder geval bepalingen met betrekking tot het toezicht op de feitelijke uitvoering van het programma van eisen; de archeologische uitvoerder legt, voorafgaand aan de handelingen bedoeld in de aanhef van dit artikel, een plan van aanpak ter goedkeuring over aan het college. 2.Tijdens het onderzoek neemt de archeologische uitvoerder de nadere regels en aanwijzingen door of namens het college in acht. 3.Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen over het verrichten van archeologisch onderzoek. Artikel4.4.3Advisering Bij de toepassing van Artikel 4.4.2 vraagt het college advies aan een ter zake deskundige. Afdeling4.5 Financiële bepalingen Artikel4.5.1Tegemoetkoming Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, kent het college hem op zijn aanvraag een naar billijkheid te bepalen tegemoetkoming toe, indien de schade in relatie staat tot: de weigering van het bevoegd gezag een vergunning als bedoeld in Artikel 4.3.1 te verlenen; de voorschriften door het bevoegd gezag verbonden aan een vergunning als bedoeld in Artikel 4.3.1; de door het college nader te stellen regels als bedoeld in Artikel 4.3.1, vierde lid; nadere regels en aanwijzingen als bedoeld in Artikel 4.4.2, tweede lid. Hoofdstuk5Houtopstanden Afdeling5.1Afdeling 5.1 Vellen van houtopstanden Artikel5.1.1Verbod en omgevingsvergunning 1.Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag: een houtopstand te vellen met een stamomtrek van 75 cm of meer, gemeten op 130 cm boven het maaiveld; een houtopstand te vellen die is aangelegd ter uitvoering van een herplant- en instandhoudingsplicht; een houtopstand te vellen die is aangelegd ter uitvoering van een overeenkomst met een bestuursorgaan of een publiekrechtelijke rechtspersoon. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor: een houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtens een aanschrijving van het college; iepen aangetast door de iepziekte; het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van regulier onderhoud; dunning in een aaneengesloten houtopstand met een oppervlakte van ten minste 100 m²; houtopstanden die aantoonbaar op bedrijfseconomische wijze worden geëxploiteerd; houtopstanden waarop de Wet natuurbescherming van toepassing is. Artikel5.1.2Criteria Vergunning voor het vellen van een houtopstand als bedoeld in Artikel 5.1.1, eerste lid, wordt geweigerd indien de belangen van verlening niet opwegen tegen de belangen van behoud van de houtopstand op basis van één of meer van de volgende waarden: natuur-, milieu- en ecologische waarden; landschappelijke waarden; beeldbepalende waarden; cultuurhistorische waarden; stads- en dorpsschoon; recreatie en leefbaarheid; leeftijd; verschijningsvorm; zeldzaamheid en dendrologie; beplantingsvorm/structuur; toekomstverwachting. Artikel5.1.3Advisering 1.Voordat het bevoegd gezag een besluit neemt omtrent een vergunning voor het vellen van houtopstanden als bedoeld in Artikel 5.1.1, eerste lid, aanhef en onder c, vraagt het bevoegd gezag advies aan het bestuursorgaan of de publiekrechtelijke rechtspersoon waarmee de betreffende overeenkomst gesloten is. 2.Als het bestuursorgaan of de publiekrechtelijke rechtspersoon niet tijdig adviseert, dan staat dit het nemen van het besluit niet in de weg. Artikel5.1.4Bijzondere vergunningvoorschriften 1.
.2.3 kan bij de vergunning bedoeld in Artikel 5.1.1, eerste lid, worden voorgeschreven dat binnen een door het bevoegd gezag te stellen termijn en overeenkomstig door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden herplant. 2.In het voorschrift wordt in ieder geval bepaald: hoeveel houtopstanden er moeten worden herplant; de soort en afmeting van de te herplanten houtopstanden; de locatie waarop moet worden herplant; binnen welke termijn moet worden herplant; binnen welke termijn na de herplant en op welke wijze niet aangeslagen herplant moet worden vervangen. 3.Als herplanting niet mogelijk is, kan bij de vergunning worden voorgeschreven dat een geldelijke bijdrage, maximaal gelijk aan de boomwaarde van de te vellen houtopstand, gestort moet worden in het gemeentelijke groencompensatiefonds. 4.Bij de vergunning kan worden voorgeschreven dat pas tot vellen van houtopstanden op en bij bouw- en aanlegwerken of een andere ruimtelijke herinrichting of reconstructie mag worden overgegaan als andere vergunningen of ruimtelijke besluiten onherroepelijk geworden zijn en de feitelijke en financiële voortgang van de werken voldoende gewaarborgd is. Artikel5.1.5Beperking geldigheidsduur In afwijking van het bepaalde in Artikel 9.2.5 vervalt de vergunning als bedoeld in Artikel 5.1.1, eerste lid, als daarvan niet binnen drie jaar na het onherroepelijk worden van de vergunning gebruik is gemaakt. Afdeling5.2 Instandhouding en herplant van houtopstanden Artikel5.2.1Instandhoudingsplicht 1.Als een houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is, door voorgenomen of in uitvoering zijnde bouw-, aanleg- of sloopwerkzaamheden in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het college aan de rechthebbende de verplichting opleggen om een Bomen Effect Analyse op te stellen en aan te bieden aan het college. 2.Als een houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is, vanwege zijn toestand in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het college aan de rechthebbende de verplichting opleggen om een Boomveiligheidscontrole op te stellen en aan te bieden aan het college. 3.Als de Bomen Effect Analyse of de Boomveiligheidscontrole daar aanleiding toe geeft, kan het college de rechthebbende de verplichting opleggen om overeenkomstig door hem te geven aanwijzingen binnen een door hem te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor de bedreiging wordt weggenomen. 4.Degene aan wie een verplichting als bedoeld in dit artikel is opgelegd, alsmede diens rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen. Artikel5.2.2Herplantplicht 1.Als een houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is, zonder vergunning van het bevoegd gezag is geveld, of op andere wijze teniet is gegaan, kan het college aan de rechthebbende, de verplichting opleggen te herplanten overeenkomstig door hem te geven aanwijzingen, binnen een door hem te stellen termijn. 2.In de beschikking als bedoeld in het eerste lid wordt in ieder geval bepaald: hoeveel houtopstanden er moeten worden herplant; de soort en afmeting van de te herplanten houtopstanden; de locatie waarop moet worden herplant; binnen welke termijn moet worden herplant; binnen welke termijn na de herplant en op welke wijze niet aangeslagen herplant moet worden vervangen. 3.Degene aan wie een verplichting als bedoeld in dit artikel is opgelegd, alsmede diens rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen. Afdeling5.3 Overige regels Artikel5.3.1Noodkap 1.Artikel 5.1.1, eerste lid, is niet van toepassing indien de burgemeester, op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening Deventer of een andere hem toekomende bevoegdheid, in verband met een spoedeisend belang voor de openbare orde of veiligheid het bevel heeft gegeven de houtopstand onmiddellijk te vellen. 2.Artikel 5.2.2 is van overeenkomstige toepassing op houtopstanden: waar Artikel 5.1.1 op van toepassing is, en die met toepassing van het vorige lid zijn geveld. Artikel5.3.2Bestrijding van bomenziekten 1.Indien zich op een terrein een houtopstand bevindt die naar het oordeel van het college gevaar oplevert voor verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van de ziekteverspreiders zoals insecten, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het college is aangeschreven, verplicht binnen de bij aanschrijving vast te stellen termijn: de houtopstand te vellen; conform richtlijnen van het college de gevelde houtopstand direct zodanig te behandelen dat verspreiding van de boomziekte wordt voorkomen. 2.Het is verboden zonder vergunning van het college gevelde houtopstanden of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren, indien het een boomsoort betreft die een boomziekte kan verspreiden. Artikel5.3.3Afstand tot de erfgrens De afstand als bedoeld in artikel 5:42, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek bedraagt 0,50 m voor bomen en nihil voor heggen en heesters. Hoofdstuk6Omgevingshinder Afdeling6.1 Geluidhinder Artikel6.1.1Aanwijzing collectieve festiviteiten 1.De geluidwaarden bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn niet van toepassing tijdens door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 2.Tijdens de festiviteit moeten ramen en deuren gesloten worden gehouden, behoudens het onmiddellijk doorlaten van personen en/of goederen. 3.De verlichtingsuren ten behoeve van sportbeoefening bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn niet van toepassing tijdens door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 4.In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en derde lid, kan het college, gespecificeerd naar de bedrijfstakken horeca, sport en overig, bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in één of meer van de volgende delen van de gemeente of zoals nader overeen te komen: de evenementenpleinen de Brink, Grote Kerkhof, Nieuwe Markt en de Welle; de binnenstad van Deventer exclusief de evenementenpleinen; de dorpskernen van Diepenveen, Schalkhaar, Bathmen, Okkenbroek en Lettele; de overige gedeelten van de gemeente. 5.Het college maakt de aanwijzingen ten minste vier weken voor het begin van de eerste collectieve festiviteit van een nieuw kalenderjaar bekend. 6.Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit aanwijzen. 7.De aanwijzing als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op een bijzondere inrichting. Artikel6.1.2Aanwijzing incidentele festiviteiten 1.Het is een inrichting toegestaan maximaal vier incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidwaarden bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college en de direct omwonenden daarvan schriftelijk in kennis heeft gesteld. 2.Tijdens de festiviteit moeten ramen en deuren gesloten worden gehouden, behoudens het onmiddellijk doorlaten van personen en/of goederen. 3.In afwijking van het gestelde bij lid 1 dient tijdens de nachtperiode vanaf 01.00 uur het geluidniveau van de festiviteit weer te voldoen aan de gangbare geluidwaarden van het Activiteitenbesluit milieubeheer. 4.Het is een inrichting toegestaan maximaal twaalf incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de verlichtingsuren bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college en de direct omwonenden daarvan schriftelijk in kennis heeft gesteld. 5.De kennisgeving als bedoeld in het eerste en vierde lid wordt geacht eerst dan te zijn gedaan wanneer het daarvoor vastgestelde formulier volledig en naar waarheid is ingevuld en tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. 6.De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. 7.Een bijzondere inrichting is het toegestaan om in afwijking van het eerste lid, maximaal twaalf incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidwaarden bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college en de omwonenden daarvan schriftelijk in kennis heeft gesteld. Artikel6.1.3Overige geluidhinder 1.Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het Activiteitenbesluit milieubeheer toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2.Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. 3.Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Provinciale Milieuverordening Overijssel. Afdeling6.2 Diverse hinder Artikel6.2.1Aanlichten van gebouwen en objecten 1.Het is binnen het als beschermd stadsgezicht aangewezen gebied verboden om toestellen of apparaten in werking te hebben met als doel het aanlichten van (delen van) gebouwen of objecten. 2.Het college kan van het in het eerste lid bepaalde ontheffing verlenen en daaraan nadere voorschriften verbinden ter bescherming van het milieu en de belangen als bedoeld in het derde lid. 3.Het college weigert de ontheffing indien: hetzij het toestel of apparaat zelf hetzij de aanlichting van het gebouw of object niet voldoet aan redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de eisen zoals gesteld in de welstandsnota; hetzij het toestel of apparaat zelf hetzij de aanlichting in verband met de voorkoming van lichthinder niet voldoet aan: de grenswaarde voor lichtemissie; de gemiddelde luminantie en de goede wijze van plaatsing (van onderaf dicht op de gevel), volgens de Algemene Richtlijn betreffende lichthinder' deel 3 aanstraling van gebouwen en objecten uit 2004 van de Nederlandse Stichting Voor Verlichtingskunde, Commissie lichthinder, een en ander
4. De weigeringsgrond als bedoeld in het derde lid, onder b, is niet van toepassing voor zover het Activiteitenbesluit milieubeheer in dat onderwerp voorziet. Artikel6.2.2Crossterreinen 1.Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onderdeel z, en een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onderdeel i van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. 2.Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen voor het gebruik van deze terreinen: in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek. 3.Voor de toepassing van het eerste lid wordt dat onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. 4.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het Besluit geluidproductie sportmotoren. Artikel6.2.3Eisen aan niet vergunningplichtige reclame Het is óók indien geen vergunning is vereist verboden door een opschrift, aankondiging of afbeelding, de veiligheid van het verkeer in gevaar te brengen of ernstige hinder voor het verkeer te veroorzaken. Artikel6.2.4Verstrooiing van as 1.Incidentele asverstrooiing is verboden op: verharde delen van de weg; gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen. 2.Het college kan voor een bepaalde tijd verbieden dat op andere plaatsen dan genoemd in het eerste lid asverstrooiing plaatsvindt. 3.Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorg draagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod uit het eerste lid, behoudens de gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen. 4.Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden. Hoofdstuk7Ondergrondse infrastructuur Afdeling7.1 Inleidende bepalingen Artikel7.1.1Toepasselijkheid Dit hoofdstuk is van toepassing op werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding of opruiming van kabels of leidingen in of op openbare gronden. Afdeling7.2 Instemmingsbesluit en vergunning Artikel7.2.1Vereiste van instemming of vergunning 1.Het is verboden om zonder of in afwijking van een door het college verleend instemmingsbesluit of verleende vergunning werkzaamheden uit te voeren in verband met de aanleg, instandhouding of opruiming van kabels of leidingen in of op openbare gronden. 2.In afwijking van het eerste lid kan voor werkzaamheden van niet ingrijpende aard worden volstaan met een melding aan het college. Het college stelt nadere regels vast ten aanzien van categorieën van werkzaamheden van niet ingrijpende aard. 3.Het college kan één of meer gebieden aanwijzen waarbinnen niet volstaan kan worden met een melding, maar altijd een instemmingsbesluit of vergunning moet worden aangevraagd. 4.Spoedeisende werkzaamheden dienen onverwijld te worden gemeld aan het college. Na ontvangst van de melding door het college kunnen, in afwijking van het eerste lid, de werkzaamheden plaatsvinden, tenzij de burgemeester, op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening Deventer of een andere hem toekomende bevoegdheid, in verband met de openbare orde of gevaar dan wel de vrees voor het ontstaan van gevaar de uitvoering van de werkzaamheden verbiedt. Het college stelt nadere regels vast ten aanzien van de wijze van melding en uitvoering van deze werkzaamheden. 5.Het in het eerste lid opgenomen verbod is niet van toepassing op werkzaamheden van de gemeente bij de uitoefening van haar publiekrechtelijke taak of op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de provinciale wegenverordening. Artikel7.2.2De aanvraag en de melding 1.Een aanvraag wordt ingediend bij het college. 2.Een melding wordt minimaal vijf werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden aan het college gedaan. 3.Het college stelt nadere regels vast ten aanzien van de bij een aanvraag of melding te verstrekken gegevens en de wijze van verstrekking. Artikel7.2.3De aanvraag, aanvullende bepalingen 1.Indien voor de aanleg, instandhouding of opruiming van kabels of leidingen zowel een aanvraag op grond van deze verordening als een aanvraag op grond van een andere wet is ingediend, al dan niet bij een ander bestuursorgaan, dan stelt de aanvrager het college hiervan op de hoogte. 2.Op schriftelijk verzoek van de aanvrager stelt het college een aanvraag buiten behandeling. Artikel7.2.4Voorschriften, beperkingen en weigeringsgronden 1.In afwijking van Artikel 9.2.2 en Artikel 9.2.3 kan het college aan een instemmingsbesluit, vergunning of melding voorschriften en beperkingen verbinden, dan wel een vergunning weigeren, in het belang van: de openbare orde; de veiligheid, waaronder mede verstaan wordt de verkeersveiligheid of een goede doorstroming van het verkeer; het voorkomen of beperken van overlast; de bereikbaarheid van gronden of gebouwen, waaronder mede verstaan wordt het veilig en doelmatig gebruik van openbare gronden en gebouwen, het doelmatig beheer en onderhoud en het belang van nader aan te geven lokale evenementen; de ondergrondse ordening, waaronder mede verstaan wordt de bescherming van reeds in de grond aanwezige werken; de bescherming van eventuele archeologische vondsten en van groenvoorzieningen, bomen en beplantingen; het uiterlijk aanzien van de omgeving; 2.De werkzaamheden moeten zijn voltooid binnen zes maanden na aanvang, tenzij in het instemmingsbesluit of de vergunning anders is bepaald. 3.De aanvrager draagt er zorg voor dat de voorschriften die aan het instemmingsbesluit of de vergunning zijn verbonden worden nageleefd. 4.Het college stelt nadere regels vast ten aanzien van de wijze van uitvoering van werkzaamheden aan kabels of leidingen. Artikel7.2.5Wijziging en intrekking 1.In afwijking van Artikel 9.3.1 kan college het instemmingsbesluit of de vergunning wijzigen of intrekken, indien: de netbeheerder niet binnen zes maanden na het onherroepelijk worden van het instemmingsbesluit of de vergunning, of de in het instemmingsbesluit of de vergunning opgenomen termijn, met de werkzaamheden als omschreven in het instemmingsbesluit of de vergunning is begonnen; de in het instemmingsbesluit of de vergunning benoemde werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van zes maanden stilliggen; het instemmingsbesluit of de vergunning is verleend op basis van onjuiste of onvolledige gegevens; de netbeheerder het bepaalde bij of krachtens deze verordening niet naleeft; 2.Het college kan de vergunning wijzigen of intrekken, indien: de netbeheerder de leiding definitief buiten gebruik heeft gesteld; dit naar het oordeel van het college redelijkerwijs nodig is vanwege de rechtmatige uitoefening van zijn publiekrechtelijke bevoegdheid of taak. 3.Het college gaat niet over tot intrekking of wijziging van het instemmingsbesluit of de vergunning dan nadat het college de houder van het instemmingsbesluit of de vergunning heeft gehoord. 4.Aan het besluit tot wijziging of intrekking van het instemmingsbesluit of de vergunning kan de verplichting worden verbonden om de betreffende kabels of leidingen aan te passen of deze te verwijderen. 5.Het college trekt het instemmingsbesluit of de vergunning in indien de houder schriftelijk aan het college verklaart geen gebruik meer daarvan te willen maken. 6.Een instemmingsbesluit of een vergunning geldt voor een specifieke kabel of leiding en is overdraagbaar, tenzij in de vergunning of het instemmingsbesluit anders is bepaald. Het college kan het instemmingsbesluit of de vergunning op schriftelijk verzoek van de houder op naam stellen van een andere netbeheerder. Afdeling7.3 Overleg, afstemming en overige verplichtingen Artikel7.3.1Overleg en afstemming tijdens planvorming 1.De gemeente initieert en faciliteert nader overleg tussen alle betrokken partijen over alle projecten in openbare gronden. Dit overleg vindt periodiek, doch tenminste eenmaal per jaar plaats. 2.Het college initieert in de planfase van een door of vanwege de gemeente uit te voeren project overleg met de desbetreffende netbeheerder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.