← Nederland

Algemene Plaatselijke Verordening (Zwolle)

In het kort

Deze verordening regelt diverse aspecten van de openbare orde en veiligheid in de gemeente Zwolle, met een focus op het gebruik van de openbare weg en wateren. Het stelt regels vast voor vergunningen, ontheffingen en gedrag in de openbare ruimte.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

Algemene Plaatselijke Verordening Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen In deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan onder: Weg: de weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder b van de Wegenverkeerswet 1994; alsmede de daaraan liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen de al dan niet met enige beperking voor het publiek toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen en andere natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor vaartuigen; de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen, welke uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte toegang geven en niet afsluitbaar zijn; andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen; de afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn afgesloten. Openbaar water: alle wateren die al dan niet met enige beperking voor het publiek bevaarbaar of anderszins toegankelijk zijn. Bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan gedeputeerde staten de grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 27, tweede lid, van de Wegenwet. Rechthebbende: een ieder die over enige zaak enige zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht. Voertuigen: alle voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder a en onder a1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van: treinen en trams; kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen. Vaartuigen: alle vaartuigen, daaronder mede verstaan drijvende werktuigen, alsmede woonschepen, recreatievaartuigen, glijboten en ponten. Woonschepen: schepen uitsluitend of hoofdzakelijk als woning gebezigd of tot woning bestemd. Recreatievaartuigen ieder vaartuig dat, geheel of gedeeltelijk, voor recreatie gebruikt wordt, of gebruikt kan worden. Kleine vaartuigen zonder mechanische voortbeweging, zoals roeiboten en kano’s uitgezonderd Bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. Gebouw: elk bouwwerk dat een voor personen toegankelijke overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. Handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen. Artikel 1.2 Beslissingstermijn 1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is. 2. Het bevoegde bestuursorgaan kan zijn beslissing verdagen. Artikel 1.3 Te late indiening aanvraag 1. Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing minder dan vier weken voor het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft wordt ingediend, kan het bevoegde bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen. 2. Voor bepaalde, door het bevoegde bestuursorgaan aan te wijzen vergunningen of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden verlengd tot ten hoogste tien weken. Artikel 1.4 Voorschriften en beperkingen 1. Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2. Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Artikel 1.5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Artikel 1.6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd: indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt; indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een dergelijke termijn, binnen een redelijke termijn; indien de houder of zijn rechtsverkrijgende dit verzoekt. Artikel 1.7 Termijnen Een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. Artikel 1.8 Weigeringsgronden De vergunning of ontheffing kan door het daartoe bevoegde gezag worden geweigerd in het belang van: de openbare orde; de openbare veiligheid; de volksgezondheid; de bescherming van het milieu. Hoofdstuk 2 Openbare orde Afdeling 1 Orde en veiligheid op de weg Paragraaf 1 Bestrijding van ongeregeldheden Artikel 2.1.1.1 Samenscholing en ongeregeldheden 1. Het is verboden op de weg zich samen met anderen te begeven naar of al dan niet samen met anderen deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden. 2. Een ieder, die op de weg aanwezig is bij enig voorval, waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis, waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. 3. Het is verboden zich te begeven of te bevinden op terreinen, wegen of weggedeelten, wanneer deze door of vanwege het bevoegd gezag in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van wanordelijkheden zijn afgezet. 4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod. 5. Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. Artikel 2.1.1.2 Verwijderingsbevel 1. Een ieder is verplicht op een daartoe strekkend bevel, schriftelijk gegeven door de burgemeester in het belang van de openbare orde, zich te verwijderen en zich verwijderd te houden, uit een door de burgemeester aangewezen gebied, gedurende de tijd in het bevel genoemd. 2. Een bevel als bedoeld in het eerste lid is slechts geldig gedurende een in het bevel genoemde periode van ten hoogste 8 dagen. 3. De burgemeester beperkt het in het eerste lid genoemde verbod, indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkenen noodzakelijk is. Artikel 2.1.1.3 Verbod om voorwerpen mee te voeren Het is verboden om voorwerpen mee te voeren waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze bedoeld zijn om de orde te verstoren. Artikel 2.1.1.4 Verbod vernielen en beschadigen Het is verboden om tezamen met anderen gebouwen, verkeersmeubilair en straatmeubilair te vernielen of te beschadigen. Artikel 2.1.1.5 Verplichte route voetbalsupporters 1. Al degenen die behoren tot de supportersaanhang van een bezoekende betaald voetbalclub en dat door bijvoorbeeld kleding, uitrusting, gedragingen of anderszins kenbaar maken en in het bezit zijn van een geldig toegangsbewijs voor de te bezoeken wedstrijd zijn verplicht in omstandigheden als bedoeld in artikel 175 van de Gemeentewet om hun weg naar het stadion te vervolgen zodra ze de gemeente bereiken. 2. Al degenen die behoren tot de supportersaanhang van een bezoekende betaald voetbalclub en dat door bijvoorbeeld kleding, uitrusting, gedragingen of anderszins kenbaar maken zijn verplicht in omstandigheden als bedoeld in artikel 175 van de Gemeentewet om direct na afloop van de wedstrijd te vertrekken uit de gemeente. 3. Al degenen die behoren tot de supportersaanhang van een bezoekende betaald voetbalclub en dat door bijvoorbeeld kleding, uitrusting, gedragingen of anderszins kenbaar maken en niet in het bezit zijn van een geldig toegangsbewijs voor de wedstrijd alsmede op een of andere wijze de openbare orde verstoren of dreigen te verstoren dan wel racistisch gedrag vertonen of racistische uitlatingen doen zijn verplicht zich in omstandigheden als bedoeld in artikel 175 van de Gemeentewet op eerste aanzegging van de politie buiten de gemeentegrenzen te begeven in de door de politie aan te geven route en richting, behalve indien zij woonachtig zijn in Zwolle. Paragraaf 2 Betogingen Artikel 2.1.2 Kennisgeving betogingen en samenkomsten op openbare plaatsen Hij die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 96 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester. De kennisgeving bevat: naam en adres van degene die de betoging houdt; het doel van de betoging; de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en beëindiging; de plaats en, voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging; maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. Hij die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving geacht te zijn gedaan op de eerst volgende werkdag om 08.00 uur. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid genoemde termijn verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen. Paragraaf 3 Verspreiden van gedrukte stukken Artikel 2.1.3.1 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen 1. Het is verboden gedrukte of geschreven stukken of afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden, aan te bevelen of bekend te maken op of aan door het college aangewezen wegen of gedeelten daarvan. 2. Het college kande werking van het in het eerste lid gestelde verbod beperken tot aan te duiden dagen en uren. 3. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van de in het eerste lid bedoelde gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen. 4. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Paragraaf 4 Vertoningen e.d. op de weg Artikel 2.1.4.1 Feest, muziek en wedstrijd e.d. (Vervallen) Artikel 2.1.4.1A Straat en buurtbarbecue (Vervallen) Artikel 2.1.4.2 Dienstverlening (Vervallen) Artikel 2.1.4.3 Straatartiest 1. Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatmuzikant, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op of aan door de burgemeester aangewezen wegen of gedeelten daarvan. 2. De burgemeester kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. 3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod. Paragraaf 5 Bruikbaarheid van de weg Artikel 2.1.5.1 Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als: Het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; Van het beoogde gebruik niet tenminste 3 werkdagen voorafgaand aan het gebruik melding is gedaan aan het college op een door het college vastgesteld meldingsformulier. Het verbod van het eerste lid geldt niet voor: evenementen als bedoeld in artikel 2.2.1; standplaatsen als bedoeld in artikel 5.2.3.1; terrassen als bedoeld in artikel 2.3.1.2. vijfde lid; uitstallingen, verwijsborden en reclameobjecten die in overeenstemming met de ‘Beleidsregel reclame’ zijn geplaatst’; vlaggen, wimpels of vlaggenstokken, voor zover zij geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt; voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijs kortstondig op de weg gebracht worden in verband met het laden en lossen ervan, mits geen schade wordt toegebracht aan de weg, het geen gevaar of belemmering vormt, en de voorwerpen of stoffen onmiddellijk na beëindiging van het laden en lossen , in elk geval voor zonsondergang, van de weg verwijderd worden en de weg hiervan gereinigd is; voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard, voor zover deze geen schade toebrengen aan de weg of geen gevaar of belemmering vormen voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Woningwet, de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet of het Provinciaal wegenreglement. Artikel 2.1.5.2 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1. Het is verboden zonder vergunning van het collegeeen weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat, alsmede alle niet-openbare ontsluitingswegen van gebouwen. 3. Het verbod geldt niet voor het Rijk, de provincie, de gemeente of het waterschap bij het uitvoeren van zijn/haar publiekrechtelijke taak 4. Het verbod geldt voorts niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het Provinciaal wegenreglement, de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening. Artikel 2.1.5.3 Maken en veranderen van een uitweg 1. Het is verboden een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg: indien degene die voornemens is een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg daarvan niet van tevoren melding heeft gedaan aan het college, onder indiening van een situatieschets van de gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie; indien het college het maken of veranderen van de uitweg heeft verboden. 2. Het college verbiedt het maken of veranderen van de uitweg: indien daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht; indien dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; indien het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; indien er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen. 3. De uitweg kan worden veranderd of aangelegd indien het college niet binnen vier weken na ontvangst van de melding heeft beslist dat de gewenste uitweg wordt verboden. De feitelijke verandering of aanleg van de uitweg dient plaats te vinden door de gemeente Zwolle. 4. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of het Provinciaal wegenreglement. Paragraaf 6 Veiligheid van de weg Artikel 2.1.6.1 Veroorzaken van gladheid 1. Het is verboden bij vorst of dreigende vorst water op de weg te werpen, uit te storten of te laten lopen. 2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerpwordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 4e van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel 2.1.6.2 Winkelwagentjes 1. De rechthebbende op een bedrijf die winkelwagentjes ter beschikking stelt, mede ten behoeve van het vervoer van winkelwaren over de weg, is verplicht deze te voorzien van de naam van het bedrijf of van een ander herkenningsteken en de in de omgeving van dat bedrijf door het publiek op of langs de weg achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen of te doen verwijderen. 2. Het in het eerst lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Artikel 2.1.6.3 Uitzichtbelemmerende beplanting of voorwerp (Vervallen) Artikel 2.1.6.4 Openen straatkolken e.d. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of enigerlei andere afsluiting, die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken. Artikel 2.1.6.5 Kelderingangen, koekoeken e.d. 1. Kelderingangen, koekoeken, indiepingen en andere lager dan de aangrenzende weg gelegen betreedbare delen van een bouwwerk mogen geen gevaar voor de veiligheid van de weggebruikers opleveren. 2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerpwordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 1e of 3e, van het Wetboek van Strafrecht. Artikel 2.1.6.6 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp 1. Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of (brom)fietsers bestemde deel van de weg op enigerlei wijze prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2,2 meter boven dat gedeelte van de weg. 2. Het verbod geldt niet t.a.v. prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,25 m uit de uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte delen van een afscheiding zijn aangebracht. 3. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. 4. Het verbod in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerpwordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel 2.1.6.6a Wapenverbod 1. Het is verboden op door het college aangewezen wegen en daaraan gelegen voor het publiek toegankelijke gebouwen en terreinen, messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, openlijk bij zich te dragen. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor wapens behorende tot de categorieën I, II, III en IV Wet Wapens en munitie en voorzover door het bij zich dragen van deze voorwerpen de openbare orde of veiligheid niet in gevaar komt of kan komen. Artikel 2.1.6.7 Vallende voorwerpen (Vervallen) Artikel 2.1.6.8. Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de aanwijzingen van het college, voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2. Het college maakt van tevoren aan de rechthebbende zijn besluit bekend over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van een voorwerp, bord of voorziening als bedoeld in het eerste lid. 3. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet of de Belemmeringenwet Privaatrecht. Artikel 2.1.6.9 Veiligheid op het ijs 1. Het is verboden: voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen; bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten, te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren. 2. het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale vaarwegenverordening Afdeling 2 Toezicht op evenementen Artikel 2.2.1 Begripsomschrijving 1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: bioscoopvoorstellingen; markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h Gemeentewet en artikel 5.2.4 van deze verordening; kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; activiteiten als bedoeld in de artikelen 2.1.4.2 en 2.3.2.1 van deze verordening; een betaald voetbalwedstrijd als bedoeld in artikel 2.2.3. 2. Onder evenement wordt mede verstaan: een herdenkingsplechtigheid; een braderie; een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2.1.2.2, op de weg; een feest, muziek of wedstrijd op of aan de weg. Artikel 2.2.2 Evenement 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2. Het verbod van het eerste lid geldt niet voor eendaagse evenementen, indien en voor zover: het evenement een barbecue of straatfeest in de open lucht betreft; het aantal bezoekers niet meer bedraagt dan 100 personen; het evenement niet plaatsvindt op de rijbaan, fiets-, bromfiets- of parkeergelegenheid of anderszins een belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten. 3. Er dient een aanwijsbare organisator te zijn die de burgemeester ten minste 10 werkdagen voorafgaand aan het evenement in kennis stelt met een door de burgemeester vastgesteld meldingsformulier. 4. Het verbod van het eerste lid geldt voorts niet voor een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg, voor zover in het geregeld onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel 2.2.3 Betaald voetbalwedstrijden 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: betaald voetbalwedstrijd: een voetbalwedstrijd waarbij tenminste één betaald voetbalorganisatie is betrokken. organisator: de betaald voetbalorganisatie F.C. Zwolle, indien het betreft een voetbalwedstrijd waarbij het eerste elftal van de betaald voetbalorganisatie F.C. Zwolle als thuisspelende ploeg betrokken is, uitgezonderd wedstrijden buiten enig competitieverband tegen een amateur voetbalorganisatie; de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond, indien het betreft een voetbalwedstrijd tussen voetbalorganisaties afkomstig buiten de gemeente Zwolle, waarbij ten minste één betaald voetbalorganisatie is betrokken en indien het betreft een A-interland; degene die buiten de gevallen, genoemd onder a en b een voetbalwedstrijd organiseert, waarbij ten minste één betaald voetbalorganisatie is betrokken. 2. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een betaald voetbalwedstrijd te organiseren. 3. De aanvraag voor een vergunning geschiedt middels een door de burgemeester vastgesteld formulier en kan meerdere wedstrijden betreffen. 4. De burgemeester kan, met betrekking tot een betaald voetbalwedstrijd, aan de organisator voorschriften opleggen in het belang van de openbare orde en veiligheid. 5. De vergunning kan worden geweigerd indien de vrees bestaat dat het doen spelen van de wedstrijd ernstige verstoring van de openbare orde oplevert. Artikel 2.2.3a Evenementen 1. Het is verboden bij evenementen onnodig op te dringen, door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden of wanordelijkheden te veroorzaken. 2. Het is verboden bij evenementen messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, op een zodanige wijze mee te voeren dat de openbare orde of veiligheid in gevaar komt of kan komen. 3. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor wapens die behoren tot categorie I, II, III en IV Wet wapens en munitie. 4. Eenieder is verplicht bij evenementen alle aanwijzingen van ambtenaren van politie en brandweer in het belang van openbare orde of veiligheid terstond en stipt op te volgen. Artikel 2.2.4 Ordeverstoring Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. Afdeling 3 Toezicht op openbare inrichtingen Paragraaf 1 Toezicht op horecabedrijven Artikel 2.3.1.1 Begripsomschrijvingen 1. Onder horecabedrijf wordt in deze paragraaf verstaan: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies worden verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt. Onder horecabedrijf worden in ieder geval verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis. 2. Onder horecabedrijf als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan een bij dit bedrijf behorend terras en de andere aanhorigheden. 3. Een terras in de zin van deze paragraaf is een buiten de besloten ruimte van de inrichting liggend deel van het horecabedrijf waar zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken en/ of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid en/ of verstrekt. 4. Onder houder wordt in deze paragraaf verstaan: degene die een horecabedrijf exploiteert op grond van het bepaalde in artikel 2.3.1.2 of artikel 2.3.1.3. 5. Deze paragraaf verstaat niet onder bezoekers: de gezinsleden van de houder, alsmede diens elders wonende bloed- en aanverwanten, in de rechte lijn onbeperkt, in de zijlijn tot en met de derde graad; de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht; de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is. Artikel 2.3.1.2 Exploitatie horecabedrijf 1. Het is verboden een horecabedrijf te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 weigert de burgemeester de vergunning indien de vestiging of exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan. 3. Het eerste lid geldt niet voor een horecabedrijf in een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voorzover de horeca een nevenactiviteit is van de winkelactiviteit. Voor zowel de winkel als het horecabedrijf gelden de sluitingstijden van de Winkeltijdenwet. 4. Voorts geldt het eerste lid niet voor: een horecabedrijf in zorginstellingen; een horecabedrijf in musea; een horecabedrijf in clubhuizen; een horecabedrijf in stationsrestauraties; een horecabedrijf in ziekenhuizen; een horecabedrijf in vrijwilligersorganisaties; een horecabedrijf in scholengemeenschappen. 5. De burgemeester weigert de vergunning als bedoeld in het eerste lid indien de aanvrager geen verklaring omtrent gedrag overlegt die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven. Artikel 2.3.1.3 Opheffing vergunningplicht (Vervallen) Artikel 2.3.1.4 Sluitingsuur 1. Het is de houder van een horecabedrijf verboden dit voor bezoekers open te hebben en aldaar bezoekers toe te laten tussen 02.00 uur en 08.00 uur. 2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid is het de houder van een coffeeshop verboden dit voor bezoekers open te hebben en aldaar bezoekers toe te laten tussen 01.00 uur en 08.00 uur. 3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan in de vergunning op grond van artikel 2.3.1.2 worden bepaald dat in een horecabedrijf met een nader gedefinieerde categorie een afwijkend sluitingsuur geldt. 4. Het is de houder van een bij een horecabedrijf behorend terras verboden op het terras dranken en/of etenswaren te verstrekken of aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 01.00 uur en 09.00 uur. 5. De burgemeester kan door middel van een vergunningvoorschrift voor een afzonderlijk horecabedrijf of voor een daartoe behorend terras een ander sluitingsuur of andere sluitingsuren vaststellen. 6. De burgemeester kan voor door hem aan het begin van het kalenderjaar ingevolge artikel 4.1.2 aan te wijzen collectieve festiviteiten een algemene ontheffing verlenen van de krachtens het eerste lid geldende sluitingstijden 7. De burgemeester kan, als naar zijn oordeel sprake is van een bijzondere omstandigheid, algemene ontheffing verlenen van de krachtens het eerste lid geldende sluitingstijden voor een bepaald gebied en/of voor één of meer bepaalde inrichtingen. 8. Het in het eerste tot en met het zevende lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften. Artikel 2.3.1.5 Afwijking sluitingsuur; tijdelijke sluiting 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, voor één of meer horecabedrijven, tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2.3.1.4 geldende sluitingsuren vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen. 2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b van de Opiumwet. Artikel 2.3.1.6 Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf Het is bezoekers van een horecabedrijf verboden gedurende de tijd dat dit bedrijf krachtens artikel 2.3.1.4 of ingevolge een op grond van artikel 2.3.1.5 genomen besluit gesloten dient te zijn, zich daarin of aldaar te bevinden. Artikel 2.3.1.7 Ordeverstoring Het is verboden in een horecabedrijf de orde te verstoren. Artikel 2.3.1.7.a "zwarte lijst" 1. Het is de houder van een inrichting, als bedoeld in artikel 2.3.1.1, eerste lid, verboden in die inrichting toe te laten of te laten verblijven niet tot zijn gezin behorende personen, die naar het oordeel van de burgemeester misbruik van alcoholhoudende drank plegen te maken en wier namen als zodanig schriftelijk door de burgemeester aan die houder zijn opgegeven. 2. Het is aan een persoon, wiens naam ingevolge het bepaalde in het eerste lid door de burgemeester aan de houders van inrichtingen, als bedoeld in artikel 2.3.1.1, eerste lid, is opgegeven, verboden zich in een dergelijke inrichting te bevinden nadat hij schriftelijk door de burgemeester van dit verbod in kennis is gesteld 3. Het verbod in het tweede lid geldt voor een bepaalde periode, welke niet langer is dan één jaar. Artikel 2.3.1.8 Toegang ambtenaren van politie en toezichthouders De houder van een horecabedrijf is verplicht ervoor te zorgen dat ambtenaren van politie en toezichthouders vanaf de weg onmiddellijk en onbelemmerd toegang hebben tot zijn bedrijf gedurende de tijd dat het bedrijf voor bezoekers geopend is; dan wel gedurende de tijd dat het bedrijf gesloten dient te zijn en indien die ambtenaren van politie hun vermoeden uiten dat daarin of aldaar bezoekers aanwezig zijn Artikel 2.3.1.9 Het college als bevoegd bestuursorgaan Indien een horecabedrijf als bedoeld in artikel 2.3.1.1 geen inrichting is in de zin van artikel 174 Gemeentewet treedt niet de burgemeester maar het college op als bevoegd bestuursorgaan ten behoeve van de artikelen 2.3.1.2 tot en met 2.3.1.5. Paragraaf 1A Beperking verstrekking alcoholhoudende dranken Artikel 2.3.1A.1 Beperking verstrekking alcoholhoudende dranken 1. Het is verboden, anders dan om niet, sterke drank voor gebruik ter plaatse te verstrekken in een inrichting: die uitsluitend of in hoofdzaak voor het geven van onderwijs wordt gebruikt; die of waarvan een onderdeel uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij jeugdorganisaties of -instellingen; die of waarvan een onderdeel uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij sportorganisaties of -instellingen; die gelegen is op een kampeer- of caravanterrein; waarin of in een onderdeel waarvan uitsluitend of in hoofdzaak geringe eetwaren, zoals belegde broodjes, patates-frites en kroketten, worden verkocht; die of waarvan een onderdeel in gebruik is als wachtruimte voor passagiers van een openbaarvervoersbedrijf. 2. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid bedoelde verbod. Paragraaf 2 Toezicht op speelgelegenheden Artikel 2.3.2.1 Speelgelegenheden 1. Dit artikel verstaat onder speelgelegenheid: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. 2. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op: speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder c, van de Wet op de Kansspelen vergunning is verleend; speelgelegenheden waarvoor de minister van Justitie of de Kamer van Koophandel bevoegd is vergunning te verlenen; speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de Kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de handeling als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet op de kansspelen te verrichten. 3. De burgemeester weigert de vergunning: indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare weg op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; Indien de exploitatie van een speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan. Artikel 2.3.2.2 Speelautomaten 1. In dit artikel wordt verstaan onder: Wet: de Wet op de kansspelen speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder a, van de Wet; kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c, van de Wet; hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet; laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de Wet. 2. In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten toegestaan, waarvan maximaal twee kansspelautomaten. 3. In laagdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten toegestaan, met dien verstande dat kansspelautomaten in het geheel niet zijn toegestaan. 4. De vergunning voor een speelautomaat wordt verleend voor ten hoogste één jaar en eindigt in elk geval op 31 december. Afdeling 4 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid Artikel 2.4.1 Betreden gesloten woning of lokaal 1. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. 2. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden. 3. Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is. 4. De burgemeester is bevoegd van de in het eerste en tweede lid bedoelde verboden ontheffing te verlenen. Artikel 2.4.2 Plakken en kladden Het is verboden de weg of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is te bekrassen of te bekladden. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op de weg of op dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is: een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding, aan te plakken en te doen aanplakken of op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; met kalk, krijt, teer of een kleur- of verfstof enige afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen. Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift. Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, welke geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen. De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan Een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven. Artikel 2.4.3 Vervoer plakgereedschap e.d. 1. Het is verboden tussen 22.00 uur en 06.00 uur op de weg of openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof of verfgereedschap. 2. Dit verbod is niet van toepassing, indien de in genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebezigd of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2.4.2. Artikel 2.4.4 Vervoer inbrekerswerktuigen 1. Het is verboden tussen 22.00 uur en 6.00 uur op de weg te vervoeren of bij zich te hebben lopers, valse sleutels, touwladders, lantaarns of enig ander gereedschap, voorwerp of middel, dat ertoe kan dienen zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen. 2. Het verbod is niet van toepassing indien de genoemdegereedschappen, voorwerpen of middelen niet bestemd of gebruikt zijn voor de in het eerste lid bedoelde handelingen. Artikel 2.4.5 Bedelen Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw om geld of andere zaken te bedelen. Artikel 2.4.5.a Verbod tot het spelen om geld Het is verboden op of aan de openbare weg met kaarten, dobbelstenen of andere voorwerpen om geld te spelen. Artikel 2.4.6 Hinderlijk gedrag op of aan de weg 1. Het is verboden: op of aan de weg te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair; zich op of aan de weg zodanig op te houden dat aan weggebruikers of aan bewoners van nabij de weg gelegen woningen onnodig overlast of hinder wordt veroorzaakt; 2. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel 2.4.7 Hinderlijk drankgebruik 1. Het is verboden op de weg, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. 2. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor: een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet. de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank- en Horecawet. Artikel 2.4.7a Verplichte route 1. Het is de door de burgemeester aangewezen groepen van personen verboden op door hem aangewezen tijdstippen van een door hem aangewezen route af te wijken. 2. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Artikel 2.4.8 Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen Het is verboden: zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden; zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen, die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van zo’n gebouw. Artikel 2.4.9 Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten Het is verboden zich zonder redelijk doel of op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen dan wel te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd. Artikel 2.4.10 Betreden van plantsoenen e.d. 1. Het is aan degenen die daartoe niet bevoegd is verboden zich te bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken of grasperken, buiten de daarin gelegen wegen of paden; 2. Het college kan ontheffing verlenen van dit verbod. Artikel 2.4.10a Slaapplaats op of aan de weg 1. Het is verboden tussen zonsondergang en zonsopgang de weg als slaapplaats te gebruiken en verder op of aan de weg een voertuig, caravan, keetwagen, magazijnwagen, tent of een soortgelijk of ander onderkomen als slaapplaats te gebruiken of daarin te overnachten dan wel gelegenheid daartoe te bieden. 2. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen en daaraan voorschriften verbinden in het belang van: de openbare orde het voorkomen of beperken van overlast de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen de zedelijkheid of de gezondheid de bescherming van natuur en landschap de bescherming van het aanzien van de gemeente. 3. Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod van het eerste lid niet geldt. 4. Het college kan daarbij nadere regels stellen in het belang van: de openbare orde het voorkomen of beperken van overlast de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen de zedelijkheid of de gezondheid de bescherming van natuur en landschap de bescherming van het aanzien van de gemeente. Artikel 2.4.11 Neerzetten van fietsen e.d. Het is verboden op of aan de weg een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek, indien: dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek; daardoor die ingang versperd wordt. Artikel 2.4.12 Overlast van fiets of bromfiets op evenemententerrein e.d. Het is verboden op de door de burgemeester aangewezen uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een terrein waar een evenement, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt welke publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan bezoekers van het terrein. Artikel 2.4.13 Bespieden van personen 1. Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon dan wel van een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon dan wel een zich in dit gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindende persoon, te bespieden. 2. Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander optisch instrument een zich in een gebouw, woonwagen of woonschip bevindende persoon te bespieden. Artikel 2.4.14 Loslopende honden 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten l open: binnen de bebouwde kom op de weg zonder dat die hond aangelijnd is, met uitzondering van de plaatsen die het college plaatsen heeft aangewezen en ter plaatse middels bebording is aangeduid dat loslopen geoorloofd is. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats. 2. Het verbod geldt niet voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond laat begeleiden en de hond als zodanig aantoonbaar gekwalificeerd is of indien een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond. Artikel 2.4.15 Verontreiniging door honden 1. De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet: op een gedeelte van de weg dat is bestemd of mede is bestemd voor het verkeer van voetgangers; op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide. Op een andere door het college aangewezen plaats. 2. Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod van het eerste lid, onder a, niet geldt. 3. De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde gebod wordt opgeheven, indien de eigenaar of houder van de hond er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd. Artikel 2.4.16 Gevaarlijke honden Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen op of aan de weg of op het terrein van een ander: anders dan kort aangelijnd, nadat het college aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat zij die hond gevaarlijk of hinderlijk achten en zij een aanlijngebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt; anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf, nadat het college de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat zij die hond gevaarlijk of hinderlijk achten en zij een aanlijn- en muilkorfgebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt. In het eerste lid wordt verstaan onder: muilkorf: een muilkorf als bedoeld in artikel 1, onder d, van de Regeling agressieve dieren; kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan 1,50 meter. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Regeling agressieve dieren. Artikel 2.4.17 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren Het college is bevoegd buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer gedeelten van de gemeente of bepaalde plaatsen aan te wijzen waar het ter voorkoming of opheffing van overlast of van schade aan de openbare gezondheid verboden is daarbij aangeduide dieren: aanwezig te hebben; dan wel aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen ter voorkoming of opheffing van overlast of van schade aan de openbare gezondheid gestelde regels; dan wel aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven of mede is aangegeven. Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen plaats een daarbij aangeduid dier of daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels, dan wel aanwezig te hebben tot een groter aantal dan door het college is aangegeven. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de gemeente ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod. Artikel 2.4.18 Loslopend vee De rechthebbende op vee, dat zich bevindt in een aan een weg liggend weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken. Afdeling 5 Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen Artikel 2.5.1 Begripsomschrijvingen In deze afdeling wordt verstaan onder: handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht verkoopregister: het aantekening houden van het verkopen of op andere wijze overdragen van alle gebruikte en ongeregelde goederen door de handelaar. Artikel 2.5.2 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register en daarin vermeldt hij onverwijld: het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed; de datum van verkoop of overdracht van het goed; een omschrijving van het goed, daaronder begrepen voor zover dat mogelijk is soort, merk en nummer van het goed; de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen. De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen van deze verplichting. Artikel 2.5.3 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 ter, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: wanneer hij overeenkomstig het bepaalde in artikel 437 ter, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de burgemeester of de door deze aangewezen ambtenaar er schriftelijk van in kennis stelt dat hij van het opkopen een beroep of gewoonte maakt, daarbij tevens schriftelijk opgave te doen van zijn woonadres en van het volledig adres van elke lokaliteit door hem ten behoeve van zijn onderneming in gebruik genomen; de onder a bedoelde functionaris onder aanbieding van zijn register(

  1. s)onverwijld doch in ieder geval binnen drie dagen, schriftelijk in kennis te stellen van een verandering van zijn woonadres, zomede van het adres of de adressen van een bij hem ten behoeve van zijn onderneming in gebruik zijnde lokaliteit; aan de hoofdingang van de lokaliteit waar de onderneming is gevestigd een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar voorkomen; indien hij in de gelegenheid is enig goed te verkrijgen waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat het van misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan, hiervan onverwijld kennis te geven aan de onder a bedoelde functionaris; zijn administratie op eerste aanvraag ter inzage te geven aan de burgemeester of een daartoe door de burgemeester aangewezen ambtenaar; wanneer hij heeft opgehouden van het opkopen een beroep of gewoonte te maken, onderscheidenlijk het beroep van handelaar niet langer uitoefent, de onder a bedoelde functionaris hiervan onverwijld doch in ieder geval binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen. Artikel 2.5.4 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen Het is de handelaar of een voor hem handelend persoon verboden enig door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen dat het onder zijn berusting is, over te dragen of daarin enige wijziging aan te brengen tenzij deze wijziging van geen invloed is op de herkenbaarheid van het goed. Artikel 2.5.5 Handel in horecabedrijf 1. Het is de houder van een horecabedrijf verboden toe te laten dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor openbare verkopingen en veilingen. 3. In dit artikel wordt verstaan onder: horecabedrijf: het bedrijf als bedoeld in artikel 2.3.1.1, eerste en tweede lid; houder: de houder als bedoeld in artikel 2.3.1.1, vierde lid. Afdeling 6 Vuurwerk Artikel 2.6.1 Begripsomschrijving In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is. Artikel 2.6.2 Consumentenvuurwerk Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van het college van de gemeente waar het bedrijf is of zal worden gevestigd. Artikel 2.6.3 Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling 1. Het is verboden consumentenvuurwerk te bezigen op een door het college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats. 2. Het is verboden consumentenvuurwerk op of aan de weg of op een voor publiek toegankelijke plaats te bezigen indien zulks gevaar, schade of overlast kan veroorzaken. 3. De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. 4. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Artikel 2.6.4. Carbid Het is verboden op of aan de weg of op een voor het publiek toegankelijk terrein met gebruikmaking van carbidgas, een ander soort gas of (vloei)stof een busdeksel, blikdeksel of ander projectiel af te schieten. Het verbod, als bedoeld in het vorige lid, geldt niet in de periode tussen 31 december na 10.00 en 1 januari 02:00 uur binnen door het college aangewezen gebieden voor zover; het schieten gebeurt door personen ouder dan 16 jaar en; een bal als weg te schieten projectiel wordt gebruikt Het is verboden om een vat, bus, fles, of een ander voorwerp dat er kennelijk toe dient om carbidgas, een ander soort gas of (vloei)stof tot ontploffing te brengen op de weg te vervoeren of voorhanden te hebben op andere tijden dan in de periode tussen 31 december na 10.00 uur en 1 januari voor 02.00 uur. Afdeling 7 Drugsoverlast Artikel 2.7.1 Drugshandel op straat Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. Artikel 2.7.2 Verzameling van personen in verband met drugs Het is verboden op of aan wegen, die door de burgemeester zijn aangewezen in het geval de openbare orde in verband met het openlijk gebruik van en/of de handel in middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet dit naar zijn oordeel noodzakelijk maakt, aan een verzameling van meer dan vier personen deel te nemen. Artikel 2.7.3 Openlijk drugsgebruik Het is verboden op de weg, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe verrichten. Artikel 2.7.4 Weggooien van spuiten en dergelijke Het is verboden om injectiespuiten of onderdelen daarvan zoals naalden, reservoirs, zuigers en dergelijk of daarop gelijkende voorwerpen op of aan de weg dan wel in afvalbakken achter te laten met het kennelijke doel om afstand van het voorwerp te doen. Afdeling 8 Veiligheidsrisicogebieden Artikel 2.8.1 Veiligheidsrisicogebieden De burgemeester kan indien omstandigheden als bedoeld in artikel 175 Gemeentewet zich voordoen overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied. Afdeling 9 Bestuurlijke ophouding Artikel 2.9.1 Bestuurlijke ophouding De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze personen het bepaalde in de volgende artikelen groepsgewijs niet naleven: artikel 2.1.1.1 (samenscholingsverbod) artikel 2.1.1.2 (verwijderingsbevel) artikel 2.1.1.3 (verbod om voorwerpen mee te voeren ) artikel 2.1.1.4 (verbod vernielen en beschadigen ) artikel 2.1.1.5 (verplichte route voetbalsupporters) artikel 2.1.2.5 (opdracht tot beëindiging van een manifestatie) artikel 2.1.5.1 (voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg) artikel 2.1.5.2 (aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg) artikel 2.1.6.4 (openen straatkolken en dergelijke) artikel 2.1.6.6 (gevaarlijk of hinderlijk voorwerp) artikel 2.1.6.6a (wapenverbod) artikel 2.2.3a (evenementen) artikel 2.4.6 (hinderlijk gedrag op of aan de weg) artikel 2.4.7 (hinderlijk drankgebruik) artikel 2.4.7a (verplichte route) artikel 2.4.8 (hinderlijk gedrag in of bij gebouwen) artikel 2.4.9 (gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten) artikel 2.6.3 (bezigen van vuurwerk) artikel 5.4.1 (verbod om vuur te stoken) Afdeling 10 Cameratoezicht op openbare plaatsen Artikel 2.10.1 Cameratoezicht op openbare plaatsen 1. De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats. 2. De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid eveneens ten aanzien van andere voor een ieder toegankelijke plaatsen: - Stadion - Stadhuis - Stadskantoor - Parkeerplaatsen - Winkelcentra Hoofdstuk 3 Prostitutie Afdeling 1 Begripsomschrijvingen Artikel 3.1.1 Begripsomschrijvingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; prostitué(e): degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een om-vang alsof zij bedrijfsmatig is, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotischpornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting worden in elk geval verstaan: een prostitutie-bedrijf, waaronder begrepen een erotische-massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, seks-theater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar; escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersonen die bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is, prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend; exploitant: de natuurlijke of rechtspersoon die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert; beheerder: de natuurlijke persoon die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent in een seksinrichting of escortbedrijf; bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van: de exploitant; de beheerder; de prostitué(e); het personeel dat in de inrichting werkzaam is; toezichthouders als bedoeld in artikel 6.2 andere personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is. Artikel 3.1.2 Bevoegd bestuursorgaan In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester. Afdeling 2 Seksinrichtingen, straatprostitutie en dergelijke Artikel 3.2.1 Seksinrichtingen 1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan een seksinrichting of een escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen. 2. Vergunning kan worden verleend voor maximaal tien seksinrichtingen en escortbedrijven. 3. De vergunning bedoeld in het eerste lid kan uitsluitend verleend worden voor: het gebied binnen de stadsgrachten, zoals aangegeven op bijgaande kaart; het gebied buiten de bebouwde kom; een aantal uitvalswegen binnen de bebouwde kom, zoals aangegeven op bijgaande kaart. 4. In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld: door welke perso(o)n(
  2. en)de seksinrichting of het escortbedrijf zal worden geëxploiteerd; door welke perso(o)n(
  3. en)de seksinrichting of het escortbedrijf zal worden beheerd; de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf; de plaatselijke en kadastrale ligging van de inrichting door middel van een situatietekening met een schaal van tenminste 1:1000; bewijs van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimte bestemd voor de seksinrichting. Artikel 3.2.2 Gedragseisen exploitant en beheerder De exploitant - indien een rechtspersoon: de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon op grond van de statuten bevoegde natuurlijke perso(o)n(
  4. en)- en de beheerder: staat niet onder curatele en is niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij; is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en heeft de leeftijd van éénentwintig jaar bereikt. Naast de gestelde eisen in het eerste lid, is de exploitant - indien een rechtspersoon: de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke perso(o)n(
  5. en)- en de beheerder niet: met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld; binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten; binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 500,00 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen; de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249, 250a(oud), 273f, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quarter en 453 van het Wetboek van strafrecht; de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6j° artikel 8 of j° artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994; de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de Kansspelen; de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk gesteld: vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375,00 bedraagt; een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf. De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt: bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning; bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning. De exploitant - indien een rechtspersoon: de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke perso(o)n(
  6. en)- of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of escortbedrijf die voor ten minste één maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning als bedoeld in artikel 3.2.1 is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem terzake geen verwijt treft. Artikel 3.2.3 Sluitingsuur 1. Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 03.00 uur en 06.00 uur. 2. In afwijking van het eerste lid kan het bevoegd bestuursorgaan door middel van een vergunningvoorschrift voor een afzonderlijke seksinrichting andere sluitingsuren vaststellen. 3. Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die inrichting krachtens het eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel 3.2.4, gesloten dient te zijn. 4. Het in het eerste, tweede en derde lid bepaalde geldt niet voor zover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien de op de Wet Milieubeheer gebaseerde voorschriften. Artikel 3.2.4 Tijdelijke afwijking sluitingsuur; (tijdelijke) sluiting 1. Met het oog op de in artikel 3.3.2, tweede lid, genoemde belangen of in het geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan: tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3.2.3, eerste of tweede lid, geldende sluitingsuren vaststellen; van een afzonderlijke seksinrichting tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen. 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het eerste lid bedoelde besluit openbaar bekend overeenkomstig artikel 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 3.2.5 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de ingevolge artikel 3.2.1 op de vergunning vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig is. De exploitant en de beheerder zijn verplicht er voortdurend op toe te zien dat in de inrichting: geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten als genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie; geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde. Artikel 3.2.6 Raam- en straatprostitutie 1. Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te nodigen dan wel aan te lokken. 2. Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen. Artikel 3.2.7 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch- pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke 1. Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen: indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt; anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde regels. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbare van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de Grondwet. Afdeling 3 Beslissingstermijn; weigeringsgronden; nadere regels Artikel 3.3.1 Beslissingstermijn 1. Het bevoegd bestuursorgaan neemt het besluit op de aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is. 2. Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf weken verdagen. Artikel 3.3.2 Weigeringsgronden 1. De vergunning als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste en vierde lid, wordt geweigerd indien: de exploitant - indien een rechtspersoon: de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke perso(o)n(
  7. en)- of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3.2.2 gestelde eisen; de vestiging of de exploitatie van de inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening; er aanwijzingen zijn dat in de inrichting personen werkzaam (zullen) zijn in strijd met artikel 273a van het Wetboek van Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde; het maximaal af te geven aantal vergunningen als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste en vierde lid voor seksinrichtingen of escortbedrijven is verleend; de vergunning aangevraagd is voor de exploitatie van een raamprostitutiebedrijf. 2. De vergunning als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste en vierde lid, kan worden geweigerd: in het belang van de openbare orde; in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; in het belang van het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat; in het belang van de veiligheid van personen of goederen; in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid; in het belang van de gezondheid of zedelijkheid; in het belang van de arbeidsomstandigheden van de prostitué(e). Artikel 3.3.3 Nadere regels Met het oog op de in artikel 3.3.2 genoemde belangen, kan het college over de uitoefening van de bevoegdheden in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen. Afdeling 4 Beëindiging exploitatie; wijziging beheer Artikel 3.4.1 Beëindiging exploitatie 1. De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3.2.1, vijfde lid, onder a, op de vergunning vermelde exploitant de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd. 2. Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan. 3. De rechtsopvolger van de exploitant die binnen een week nadat overeenkomstig het tweede lid kennisgeving is gedaan een aanvraag om vergunning heeft ingediend als bedoeld in artikel 3.2.1, mag de exploitatie van de inrichting voortzetten met inachtneming van de aan de vervallen vergunning verbonden voorschriften en beperkingen, totdat over de aanvraag om vergunning is besloten. Artikel 3.4.2 Wijziging beheer 1. Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3.2.1, vijfde lid, onder b, het beheer in de seksinrichting feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan. 2. Het beheer kan slechts worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3.3.2, eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige toepassing. 3. In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft ingediend, totdat over de aanvraag is besloten. Hoofdstuk 4 Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente Afdeling 1 Geluidhinder en lichthinder Artikel 4.1.1 Begripsomschrijvingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder Besluit: het Besluit horeca-, sport en recreatie-inrichtingen milieubeheer; Inrichting: een inrichting als bedoeld in het Besluit; Houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; Collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; Incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen; Binnenstad: het gebied omsloten door de buitenste stadsgrachten (Stadsgracht, Schuttevaerhaven, Achtergracht). Artikel 4.1.2 Aanwijzing collectieve festiviteiten 1. De voorschriften 1.1.1, 1.1.5, 1.1.7 en 1.1.8 van de bijlage onder B van het Besluit gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 2. Het voorschrift 1.5.1 van de bijlage onder B van het Besluit geldt niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in het gebied binnenstad binnen de (buitenste) grachtenring. 4. Het college maakt de aanwijzing tenminste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. 5. Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. Artikel 4.1.3 Kennisgeving incidentele festiviteiten 1. Het is een inrichting toegestaan maximaal 4 incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de voorschriften 1.1.1, 1.1.5, 1.1.7 en 1.1.8 uit de bijlage onder B van het Besluit niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. 2. Het is een inrichting toegestaan maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij het voorschrift 1.5.1 uit de bijlage onder B van het Besluit niet van toepassing is mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college van in kennis heeft gesteld. 3. Het college stelt een formulier vast voor het doen van de kennisgeving als bedoeld in het eerste en tweede lid. 4. De kennisgeving wordt geacht eerst dan te zijn gedaan wanneer het in het derde lid bedoelde formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. 5. De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. Artikel 4.1.4 Verboden incidentele festiviteiten Het is verboden een incidentele festiviteit te organiseren, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen indien de burgemeester het organiseren van een incidentele festiviteit verboden heeft wanneer naar zijn oordeel de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting en/of openbare orde op ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed. Artikel 4.1.5 Overige geluidhinder 1. Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. 3. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Wegenverkeerswet 1994, de Zondagswet, het Wetboek van Strafrecht, de Luchtvaartwet, het Reglement verkeerstekens en verkeersregels 1990 of het Vuurwerkbesluit. Artikel 4.1.6 (Geluid)hinder in de openlucht 1. Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer in de openlucht een geluidsapparaat, een (recreatie) toestel of een (bouw)machine in werking te hebben op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder wordt veroorzaakt. 2. Het college kan van het in het eerste lid bepaalde ontheffing verlenen. 3. Het college kan terreinen of wateren aanwijzen, waar het verbod, vervat in het eerste lid, niet van toepassing is op het in werking hebben van bepaalde in de aanwijzing aangewezen categorieën van geluidsapparaten, (recreatie)toestellen of (bouw)machines, voor zover wordt voldaan aan de door het college vast te stellen voorschriften ter voorkoming of beperking van (geluid)hinder. 4. De in het derde lid bedoelde voorschriften kunnen onder meer betreffen: het maximale geluidsniveau; de situering van geluidsbronnen; de frequentie en tijden van gebruik. Artikel 4.1.6a (Geluid)hinder door dieren Degene die buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer de zorg heeft voor een dier, moet voorkomen dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder veroorzaakt. Artikel 4.1.6b (Geluid)hinder door bromfietsen e.d. Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te gedragen, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder ontstaat. Artikel 4.1.6c (Geluid)hinder door vrachtauto's 1. Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer een vrachtauto als bedoeld in artikel 1, onder a, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens op zodanige wijze te laden of te lossen dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder wordt veroorzaakt. 2. Het college kan van het in het eerste lid bepaalde ontheffing verlenen. Afdeling 2 Bodem-, weg- en milieuverontreiniging Artikel 4.2.1 Natuurlijke behoefte doen Het is verboden binnen de bebouwde kom op of aan de weg zijn natuurlijke behoefte te doen buiten een daarvoor bestemde inrichting of plaats. Artikel 4.2.2 Toestand van sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen Sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen. Afdeling 3 Bescherming van flora en fauna (Vervallen) Afdeling 4 Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast Artikel 4.4.1 Opslag bromfietsen, motorvoertuigen, caravans, afvalstoffen, mest, ingekuilde landbouwproducten e.d. 1. Het college kan buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht, buiten de weg gelegen plaatsen aanwijzen waar het in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, verboden is een of meer van de volgende daarbij nader aangeduide, voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben, anders dan met inachtneming van de door hen gestelde regels: onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; caravans, kampeerwagens, boten, tenten en andere dergelijke, gewoonlijk voor recreatieve doeleinden gebezigde voorwerpen, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen; 2. In het eerste lid wordt onder weg verstaan, hetgeen daaronder verstaan wordt in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994. 3. Het is verboden op een door het college krachtens het eerste lid aangewezen plaats een door hen aangeduid voorwerp of stof: op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben; dan wel op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen gestelde regels. 4. Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Artikel 4.4.2 Verbod hinderlijke reclame of gevaarlijke reclame 1. Het is in de binnenstad verboden zonder vergunning van het college op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding. 2. De vergunningsplicht geldt niet voor handelsreclame die in overeenstemming is met de uitzonderingen als genoemd in de ‘Beleidsregel reclame’. 3. Het is buiten de binnenstad verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving. 4. Onverminderd het bepaalde in lid 1 en 3, dient het aanbrengen van handelsreclame op of aan een onroerende zaak in overeenstemming te zijn met de ´Beleidsregel reclame´. Artikel 4.4.3 Vergunningplicht lichtreclame Het is verboden zonder vergunning van het college op of aan een onroerende zaak verlichte handelsreclame te maken of te voeren die vanaf de weg zichtbaar is. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid worden geweigerd: indien de handelsreclame in strijd is met de ‘Beleidsregel reclame’; in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak. Artikel 4.4.4 Inrichtingseisen terrassen 1. In aanvulling op het bepaalde in artikel 2.3.1.2 is het verboden zonder vergunning van de burgemeester aan de openbare weg een of meer bij een horecabedrijf behorende terras te exploiteren. 2. De burgemeester kan de vergunning voor een of meer bij een horecabedrijf horende terras weigeren indien het beoogde gebruik hetzij op zich, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Hoofdstuk 5 Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente Afdeling 1 Parkeerexcessen Artikel 5.1.1 Begripsomschrijvingen In deze afdeling wordt verstaan onder: weg: de weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994. voertuigen: alle voertuigen met uitzondering van: treinen en trams; fietsen, bromfietsen; invalidenvoertuigen in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen, rolstoelen; parkeren: het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen. Artikel 5.1.2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d. 1. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een dezer voertuigen; dan wel de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken. 2. Onder verhuren als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan: het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling. 3. Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid worden niet gerekend: voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, zulks gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; voertuigen gebezigd voor persoonlijk gebruik van de in het eerste lid genoemde persoon. 4. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel 5.1.2a Te koop aanbieden van voertuigen 1. Het is verboden op door het college aangewezen wegen of weggedeelten een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen. 2. Het college kan van het in het eerste lid bedoelde verbod ontheffing verlenen. Artikel 5.1.3 Defecte voertuigen Het is verboden een voertuig waarmede als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op veertien achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren. Artikel 5.1.4 Voertuigwrakken 1. Het is verboden een voertuigwrak op de weg te plaatsen of te hebben. 2. Onder voertuigwrak wordt verstaan: een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert. 3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Artikel 5.1.5 Caravans e.d. 1. Het is verboden een woonwagen, kampeerwagen, kampeerauto, caravan, magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of ander dergelijk voertuig dat voor de recreatie dan wel anderszins uitsluitend of mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebezigd: langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te plaatsen of te hebben; op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar hun oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod. 3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Provinciaal wegenreglement of de Provinciale landschapsverordening. Artikel 5.1.6 Parkeren van reclamevoertuigen 1. Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken. 2. Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen. Artikel 5.1.7 Parkeren van grote voertuigen 1. Het is verboden een autoambulance of voertuig dat, met inbegrip van de lading een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,40 meter, alsook een oplegger of aanhangwagen, te parkeren binnen de bebouwde kom. 2. Het college kan plaatsen aanwijzen waar het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing is. 3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet Voor voertuigen als bedoeld in artikel 5.1.5 van deze verordening Op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 8.00 tot 18.00 uur. 4. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel 5.1.8 Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen 1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2.40 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is. Artikel 5.1.9 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen 1. Het is verboden een voertuig met stankverspreidende stoffen te parkeren daar, waar bewoners of gebruikers van nabijgelegen gebouwen of terreinen daarvan hinder of overlast kunnen ondervinden. 2. Dit verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Artikel 5.1.10 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen 1. Het is verboden met een voertuig, fiets of bromfiets te rijden door dan wel deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing: op wegen, zoals bedoeld in artikel 5.1.1, onder a; op voertuigen die nodig zijn en gebruikt worden ter uitvoering van werkzaamheden door of vanwege de overheid; op voertuigen, waarmede standplaats wordt of is ingenomen op terreinen welke mede of uitsluitend voor dit doel zijn bestemd. 3. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel 5.1.11 Overlast van fiets of bromfiets 1. Het college kan op de weg gelegen plaatsen aanwijzen waar het in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, dan wel ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, verboden is fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan. 2. Het college kan op de weg gelegen plaatsen aanwijzen waar het verboden is langer dan een door hen te bepalen periode gebruik te maken van voor het parkeren van fietsen of bromfietsen bestemde ruimten of plaatsen. 3. Het is verboden fietsen of bromfietsen, die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand verkeren op de weg te laten staan. Afdeling 2 Collecteren, venten, standplaatsen en snuffelmarkten Paragraaf 1 Collecteren Artikel 5.2.1 Inzameling van geld of goed 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden. 2. Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan: het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd. 3. Het verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring gehouden wordt. Paragraaf 2 Venten Artikel 5.2.2.1 Begripsomschrijving 1. In deze titel wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen op of aan de weg, aan huis dan wel op een andere voor het publiek toegankelijke en in de open lucht gelegen plaats, dan wel diensten aan te bieden. 2. Onder venten wordt niet verstaan: het aan huis afleveren van goederen door of vanwege degene die dit doet ter exploitatie van zijn winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet; het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen als bedoeld in het eerste lid op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet of op snuffelmarkten als bedoeld in artikel 5.2.4 van deze verordening; het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen als bedoeld in het eerste lid op een standplaats als bedoeld in artikel 5.2.3.1 van deze verordening. Artikel 5.2.2.2 Ventverbod 1. Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid in gevaar komt. 2. Het is verboden te venten op zondagen en op maandag tot en met zaterdag tussen 22.00 en 8.00 uur. 3. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van het Wegenverkeerswet. Paragraaf 3 Standplaatsen Artikel 5.2.3.1 Begripsomschrijving 1. In deze titel wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een vaste plaats op of aan de weg of op een andere voor het publiek toegankelijke en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen of het anderszins aanbieden van goederen of diensten, al dan niet gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel. 2. Onder standplaats wordt niet verstaan: vaste plaatsen op jaarmarkten of markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid onder h, van de Gemeentewet; vaste plaatsen op evenementen als bedoeld in artikel 2.2.1; vaste plaatsen op snuffelmarkten als bedoeld in artikel 5.2.4.1. Artikel 5.2.3.2 Standplaatsvergunning en weigeringgronden 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de vergunning worden geweigerd: indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan eisen van redelijke welstand; indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt. Artikel 5.2.3.3 Toestemming rechthebbende Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen. Artikel 5.2.3.4 Afbakeningsbepalingen 1. Het verbod van artikel 5.2.3.2, eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement. 2. De weigeringsgrond van artikel 5.2.3.2, tweede lid, onder a, geldt niet voor bouwwerken. Paragraaf 4 Snuffelmarkten Artikel 5.2.4.1 Begripsomschrijving 1. In deze titel wordt verstaan onder snuffelmarkt: een markt in een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf een standplaats. 2. Onder een snuffelmarkt wordt niet verstaan: een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet; een evenement als bedoeld in artikel 2.2.1. Artikel 5.2.4.2 Snuffelmarkt 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester: in of op een - al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijk gebouw of plaats een markt te organiseren of toe te laten, waar ter plaatse aanwezige goederen worden verhandeld; toe te laten, te bevorderen of er gelegenheid toe te geven, dat in of op een - al dan niet met enige beperking - voor publiek toegankelijk gebouw of plaats met een kraam, een tafel of enig ander dergelijk middel standplaats wordt of is ingenomen om goederen aan publiek aan te bieden, te verkopen of te verstrekken. 2. Het verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend geheel en voortdurend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid worden geweigerd in het belang van een krachtens de Gemeentewet ingestelde markt. Afdeling 3 Openbaar water Artikel 5.3.1 Voorwerpen op, in of boven openbaar water 1. Het is verboden op het openbaar water een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, als: dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water; van het beoogde gebruik niet tenminste 5 werkdagen voorafgaand aan het gebruik melding is gedaan aan het college. 2. De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp. 3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening. Artikel 5.3.2 Ligplaats vaartuigen, die geen woonschip als bedoeld in de Ligplaatsenverordening woonschepen zijn. Het is verboden met een recreatievaartuig ligplaats in te nemen op niet door het college aangewezen gedeelten van openbaar water. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken , de Provinciale vaarwegenverordening, of de Provinciale landschapsverordening. Artikel 5.3.3 Aanwijzingen ligplaats Onverminderd het krachtens het eerste lid van artikel 5.3.2 bepaalde kan het college aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente. De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of vanwege het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen. Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening of de Provinciale landschapsverordening. Artikel 5.3.4 Verbod innemen ligplaats Het is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar te stellen in strijd met het krachtens de artikelen 5.3.2, eerste lid en 5.3.3 bepaalde. Artikel 5.3.5 Beschadigen van waterstaatwerken en oevers Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde openbaar water, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Provinciale vaarwegenverordening. Artikel 5.3.6 Reddingsmiddelen Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel, dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken. Artikel 5.3.7 Veiligheid op het water Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Provinciale vaarwegenverordening. Artikel 5.3.8 Overlast aan vaartuigen Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken. Artikel 5.3.9 Overlast door snelle kleine vaartuigen In dit artikel wordt verstaan onder snelle kleine vaartuigen: een klein vaartuig dat bij gebruikmaking van zijn mechanische middelen tot voortbeweging, sneller kan varen dan 20 km per uur en gebouwd of ingericht is om door één of meer personen skiënd door of over het water te worden voortbewogen. Het is verboden zich met recreatieve doeleinden met snelle kleine vaartuigen op openbaar water voor te (laten) bewegen. Het is verboden zich met recreatieve doeleinden met snelle kleine vaartuigen op de IJssel binnen de grenzen van de gemeente Zwolle voor te (laten) bewegen. Het is verboden om aan de oevers van de IJssel snelle kleine vaartuigen aanwezig te hebben, te brengen of daarmee de IJssel op te gaan Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Scheepvaartverkeerswet of het Binnenvaartpolitiereglement. Afdeling 4 Verbod vuur te stoken Artikel 5.4.1 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. Het verbod geldt niet voor zover het betreft: verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden verbrand; vuur voor koken, bakken en braden, voor zover dat geen gevaar, overlast of hinder voor de omgeving oplevert. Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna. Het verbod geldt niet voorzover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening. Afdeling 5 Asverstrooiing Artikel 5.5.1 Begripsomschrijving In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing: het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de Lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(
  8. n)gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein. Artikel 5.5.2 Incidentele asverstrooiing 1. Incidentele asverstrooiing is verboden op: verharde delen van de weg; gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen; openbaar water binnen de bebouwde kom, aanlegplaatsen voor vaartuigen, recreatieplassen en ijsvlakten; voor het publiek toegankelijke pleinen en openbare plaatsen, speelweiden en speelplaatsen; openbare weg direct liggend bij de woonomgeving van derden; natuurterreinen en voedselarme bossen (Agnietenberg, Boschwijk, Bikkenarde, Eierbelten, Erfgenamenbos en Zandhove). 2. Het college kan een besluit nemen waarin voor een bepaalde termijn wordt verboden dat op andere plaatsen dan genoemd in het eerste lid asverstrooiing plaatsvindt. 3. Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid, met uitzondering van het gestelde in het eerste lid sub b. Artikel 5.5.3 Verbod incidentele asverstrooiing Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden. Hoofdstuk 6 Straf-, overgangs- en slotbepalingen Artikel 6.1 Strafbepaling Overtreding van het bij of krachtens enig artikel van deze verordening bepaalde en de op grond van artikel 1.4 gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. Artikel 6.2 Toezichthouders 1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening is belast de medewerker milieuhandhaving. 2. Tevens zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan wel de burgemeester aan te wijzen personen. Artikel 6.3 Binnentreden van woningen Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. Artikel 6.4 Inwerkingtreding 1. Deze verordening treedt in werking op 1 maart 2007. 2. Op het tijdstip als bedoeld in het eerste lid wordt ingetrokken: Algemene Plaatselijke Verordening Zwolle, vastgesteld op 17 april 2000, laatst gewijzigd 10 juli 2006; Drank- en Horecaverordening, vastgesteld op 27 oktober 2003; Speelautomatenverordening, vastgesteld op 17 mei 1993. Artikel 6.5. Overgangsbepaling 1. Vergunningen en ontheffingen, hoe ook genaamd, verleend krachtens verordeningen, genoemd in artikel 6.4, tweede lid, blijven, indien en voor zover het gebod waarop de vergunning of ontheffing betrekking heeft, ook vervat is in deze verordening, van kracht tot de termijn waarvoor zij werden verleend, is verstreken of totdat zij zijn vervallen of ingetrokken. 2. Voorschriften of beperkingen opgelegd krachtens verordeningen bedoeld in artikel 6.4, tweede lid, blijven indien en voor zover de bepalingen ingevolge welke deze voorschriften en beperkingen zijn opgelegd, ook zijn vervat in deze verordening van kracht tot de termijn waarvoor zij zijn opgelegd, is verstreken of totdat zij zijn vervallen of ingetrokken. 3. Vergunningen en ontheffingen bedoeld in het eerste lid en voorschriften en beperkingen bedoeld in het tweede lid, worden geacht vergunningen, ontheffingen en voorschriften en beperkingen in de zin van deze verordening te zijn. 4. Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om een vergunning of ontheffing hoe ook genaamd op grond van de verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede lid, is ingediend en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening nog niet op die aanvraag is beslist, wordt daarop de overeenkomstige bepaling van de onderhavige verordening toegepast. 5. De intrekking van de verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede lid, heeft geen gevolgen voor de geldigheid van op basis van die verordening genomen nadere regels en aanwijzingsbesluiten, indien en voor zover de rechtsgrond waarop de aanwijzingsbesluiten zijn gebaseerd ook vervat is in deze verordening en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken. Artikel 6.6. Toepassing paragraaf 4.1.3.3. Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beslissing bij niet tijdig beslissen) 1. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de artikelen 2.1.4.3 en 5.2.4.2. 2. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op de artikelen 2.2.2, 2.3.1.2 en 3.2.1. Artikel 6.7 Citeertitel Deze verordening kan worden aangehaald als Algemene Plaatselijke Verordening Zwolle 2007. Nota-toelichting TOELICHTING ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING ZWOLLE Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen en procedurevoorschriften Algemeen Ingevolge de APV kunnen er vergunningen en ontheffingen verleend worden. Aan deze vergunningen en ontheffingen kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Hierdoor kan een verfijning in de gewenste rechtstoestand worden aangebracht. De term "voorschrift" verdient de voorkeur boven de water verouderde term "voorwaarden", een woord dat te veel doet denken aan de opschortende en ontbindende voorwaarden uit het privaatrecht. Voorts wekt het gebruik van het woord "voorwaarden" ten onrechte de indruk, dat het gaat om condities waaraan moet zijn voldaan om op een vergunning of onthef­fing aanspraak te kunnen maken. In de literatuur en jurisprudentie wordt algemeen het standpunt gehuldigd dat de bevoegdheid tot het verbinden van voorschriften in beginsel aanwezig is in die gevallen waarin het al dan niet verlenen van die vergun­ning/ontheffing ter vrije beslissing staat van het beschikkende orgaan. Deze voorschriften mogen uitsluitend strekken ter bescherming van de belangen in verband waarmee het vereiste van vergunning/ontheffing is gesteld. Niet-nako­ming van voorschriften die aan een vergunning/ontheffing verbonden zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning/ontheffing of voor toepas­sing van andere administratieve sancties. Derhalve is het niet noodzakelijk een bepaling op te nemen waarin de bevoegdheid tot het verbinden van voor­schriften uitdrukkelijk geregeld wordt. Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen In dit artikel wordt een aantal begrippen dat in de verordening wordt gehan­teerd gedefinieerd Van een aantal specifieke begrippen, dat wil zeggen begrippen die op één bepaald onderdeel van deze verordening betrekking hebben, zijn in de desbetreffende afdeling of paragraaf definities opgeno­men. Zie met name de afdelingen: `geluidhinder', en `parkeerexcessen'. Deze definities kunnen afwijken van de in artikel 1.1 opgenomen definities. Zie de definitie van de definitie van `weg' in de afdeling `parkeerexcessen'. Ten aanzien van de in artikel 1.1 opgenomen definities kan het volgende worden opgemerkt. A Weg De meeste van de in deze verordening opgenomen bepalingen hebben betrekking op (verboden) gedragingen `op of aan de weg, alsmede de daaraan liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen’. Op het eerste gezicht lijkt het duidelijk wat met deze term wordt bedoeld. Bij nadere beschouwing rijst ten aanzien van nogal wat plaatsen de vraag of deze ook onder het begrip `weg' vallen. Daarnaast kan tot verwarring aanleiding geven het feit dat het begrip `(openbare) weg' ook in de Wegenwet en in de Wegenverkeerswet (WVW) voorkomt en daar een duidelijk omlijnde/afgebakende betekenis heeft. Het begrip `openbare weg' in de zin van de Wegenwet is voor een APV niet bruikbaar. Dit geldt minder voor het begrip `weg' in de WVW, maar dit is te beperkt. Er zijn namelijk vele plaatsen die geen verkeersfunctie hebben, maar die wel algemeen toegankelijk zijn voor het publiek dan wel zonder veel belemmeringen voor het publiek bereikbaar zijn. De in artikel 1.1 gegeven omschrijving is ruimer dan die van de Wegenwet en die van de wegenverkeerswetgeving. Op of aan de weg Verschillende bepalingen in deze verordening hebben betrekking op (verboden) gedragingen `op of aan de weg'. De term `aan de weg' duidt begripsmatig op een zekere nabijheid ten opzichte van de weg. Daaronder valt echter niet hetgeen zich binnenshuis bevindt of afspeelt. B Openbaar water Hier wordt het begrip `openbaar' gebruikt. Bij water heeft dit begrip, anders dan bij wegen (Wegenwet), geen juridische betekenis. Zie ook de toelichting op Boek 5 van het Burgerlijk wetboek. Een weg is ieder weg, dat voor enig gebruik open staat voor het publiek'. `Openbaar' is hier dus synoniem aan `feitelijk voor het publiek toegankelijk'. C Bebouwde kom De reikwijdte van een aantal artikelen in deze verordening is beperkt tot de bebouwde kom. Bij bepaalde artikelen is dit geschied, omdat het euvel dat de desbetreffen­de bepalingen beogen te voorkomen, zich buiten dat gebied niet of nauwelijks zal voordoen. Een aantal andere artikelen heeft slechts betrekking op gedragingen binnen de bebouwde kom, omdat deze gedragingen voor zover zij plaatsvinden buiten de bebouwde kom reeds bestreken worden door provinciale verordeningen. Door beperking van de reikwijdte van deze artikelen tot de bebouwde kom wordt de werkingssfeer van deze artikelen ten opzichte van de provinciale verordenin­gen afgebakend. D Rechthebbende Zoals uit de omschrijving duidelijk wordt, hebben wij hier te maken met de rechthebbende naar burgerlijk recht. E Voertuigen De omschrijving van `voertuigen' is ontleend aan artikel 1, onder a en onder a1, van het RVV: aanhangers, fietsen, bromfietsen, invalidenvoertuigen, motorvoertuigen en wagens met uitzondering van trams. F Vaartuigen Als voorbeelden van hier bedoelde vaartuigen kunnen worden genoemd: bagger­werktuigen, bokken, kranen en elevators. In het arrest van 4 maart 1980, NJ 1980, 35, heeft de Hoge Raad uitgemaakt dat een zeilplank een vaartuig is als bedoeld in artikel 2 van het Vaarreglement. I Bouwwerk Deze omschrijving is ontleend aan artikel 1 van de (Model-)bouwverordening. J Gebouw Deze omschrijving is ontleend aan artikel 1 van de (Model-)bouwverordening. K Handelsreclame In lid 4 van artikel 7 van de Grondwet wordt de handelsreclame (commerciële reclame) met zoveel woorden buiten de werking van dit artikel geplaatst. Dit is vooral van belang in verband met het bepaalde in lid 1, dat zich volgens constante jurisprudentie verzet tegen een vergunningsstelsel voor de ver­spreiding van gedrukte stukken e.d. Door deze uitzondering is het mogelijk bepaalde vormen van reclame beter te reguleren in het belang van onder andere landschapsschoon, recreatie, milieu­bescherming en volksgezondheid. Aan bijvoorbeeld een vergunningsstelsel voor handelsreclame staat het grondwetsartikel niet in de weg. Onder het begrip `reclame' dient te worden verstaan: iedere vorm van openba­re aanprijzing van goederen en diensten. Door dit te beperken tot `handelsreclame' heeft de in het vierde lid geformuleerde uitzondering slechts betrekking op reclame voor commerciële doeleinden in de ruime zin des woords en omvat zij elk aanbod van goederen en diensten maar is zij niet van toepas­sing op reclame voor ideële doeleinden. Bij handelsreclame staat dus een materiële doelstelling voorop. Uiteraard zal de grens tussen handelsreclame en reclame voor ideële doeleinden niet altijd even scherp zijn. Om enige duidelijkheid te verkrijgen in het onderscheid reclame/ handelsreclame levert artikel 1, lid 2, van de Mediawet een voorbeeld van de opvatting van de wetgever van datgene dat niet als handelsreclame hoeft te gelden in de zin van die wet. Artikel 1, lid 2, Mediawet: Onder reclameboodschappen en andere reclame-uitingen wordt niet verstaan het oproepen tot steun aan of het gunstig stemmen ten aanzien van instellingen met een wetenschappelijk, cultureel, geestelijk, godsdienstig, politiek of liefdadig karakter voor zover deze niet betrekking hebben op het kopen van een bepaald product of het gebruik maken van een bepaalde dienstverlening, die in de handel ver­krijgbaar is. Artikel 1.2 Beslissingstermijn Het vaststellen van een termijn waarbinnen op een aanvraag moet zijn be­slist, bevat een element van willekeurigheid. Het merendeel van de aanvragen kan ruimschoots binnen acht weken worden afgewerkt. De meer ingewikkelde aanvragen echter, zeker die waarvoor de adviezen van meerdere instanties moeten worden ingewonnen, vergen geruime tijd, soms meer dan acht weken. In dat geval kan ingevolge het tweede lid de beslissingster­mijn verlengd worden. Uitkomst kan deze mogelijkheid ook bieden, wanneer een verzoek om vergunning, gelet op het tijdstip van indiening, nog niet op zijn merites kan worden beoordeeld, bijvoorbeeld wanneer het een activiteit betreft die vele maanden later is gepland. Het uitgangspunt van artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht is dat in het wettelijk voorschrift de termijn aangegeven wordt waarbinnen de beschikking gegeven dient te worden. Op deze wijze kan worden nagegaan wat voor iedere situatie een goede beslistermijn is. Wel wordt door de formulering van artikel 4:13 tot uiting gebracht dat bij een termijnstelling in een bijzondere wet op het bestuur steeds de verplich­ting rust om binnen die termijn een beslissing te nemen (`de beschikking dient te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde ter­mijn'). Dergelijke termijnstellingen kunnen dus niet meer beschouwd worden als `termijnen van orde', die voor het bestuur geen verplichting zouden inhouden. De rechtsgevolgen die verbonden zijn aan het laten verstrijken van die termijn, treden dus steeds in na afloop van de door de bijzondere regelgever vastgestelde termijn. Ingevolge de Algemene wet bestuursrecht betreft het hier de bevoegdheid van de aanvrager om bezwaar te maken of beroep in te stellen. Artikel 6:2, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht stelt namelijk het niet reageren van een bestuursorgaan op een aanvraag voor bezwaar en beroep gelijk met een uitdrukkelijk besluit. Doordat het niet tijdig beslissen op een aanvraag voor de regeling van bezwaar en beroep wordt gelijkgesteld met een uitdrukkelijk besluit, kan in bezwaar en beroep ook de inhoud van het te nemen besluit aan de orde komen. Blijkt bijvoor­beeld tijdens een procedure voor een rechter welk besluit genomen had moeten worden, dan behoeft deze niet te volstaan met de uitspraak dat het bestuur niet tijdig heeft beslist, maar kon hij ook een oordeel geven over de inhoud van het besluit. Los van de mogelijkheid om tegen het niet tijdig reageren van het bestuursorgaan bezwaar te maken of beroep in te stellen blijft het bestuursorgaan in beginsel verplicht alsnog een besluit op de aanvraag te nemen (artikel 6:20 Algemene wet bestuursrecht). Artikel 1.3 Te late indiening aanvraag Hoewel het publiek zoveel mogelijk service moet worden geboden, zijn de mogelijkheden van het ambtelijk apparaat niet onbeperkt. In de praktijk gebeurt het nog wel eens dat burgers met de aanvraag om een vergunning tot het laatste moment wachten. Als algemene richtlijn wordt daarom een termijn van vier weken aangehouden. Veel verzoeken kunnen overigens binnen deze termijn worden afgewikkeld. De bewoordingen van het onderhavige artikel (`kan') laten uitkomen, dat het indienen van verzoeken binnen die termijn bepaald niet tot een niet-ontvankelijkverklaring behoeft te leiden. Anderzijds zijn er ook soorten vergunningen waarvoor de termijn van vier weken niet toereikend is. Met het oog daarop is in het tweede lid de moge­lijkheid geschapen om de termijn van vier weken te verlengen tot maximaal tien weken. Artikel 1.4 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De beantwoording van de vraag of een vergunning (of ontheffing) overgaat op een rechtsopvolger, hangt af van het persoonlijk of zakelijk karakter van die vergunning (of ontheffing). Persoonlijk wordt de vergunning genoemd, indien de mogelijkheid van verkrij­ging uitsluitend of in hoge mate afhangt van de persoon van de vergunningaanvrager (diens persoonlijke kwaliteiten, zoals het bezit van een diploma, bewijs van onbesproken levensgedrag etc.). De persoonlijke vergunning is in beginsel niet overdraagbaar, tenzij de regeling krachtens welke de vergun­ning is verleend hiertoe de mogelijkheid biedt. Zakelijk daarentegen is de vergunning die afhangt van en gebonden is aan het object waarop zij betrekking heeft en waarbij de persoonlijke kwaliteiten van de aanvrager geen rol spelen. Anders gezegd: de zakelijke vergunning is niet gebonden aan de persoon, maar aan de hoedanigheid van eigenaar of anderszins zakelijk gerechtigde tot een ongebouwd of gebouwd onroerend goed. Het kan ook een andere hoedanigheid zijn, bijvoorbeeld die van gebruiker of ondernemer. De zakelijke vergunning gaat in beginsel over krachtens rechtsopvolging onder algemene of bijzondere titel op de opvolger in diens hoedanigheid van eigenaar, zakelijk gerechtigde, ondernemer etc. De mate waarin de persoonlijke kwaliteiten van de aanvrager een rol spelen, verschilt sterk; er is een scala van die vergunningen welke zodanig aan de persoon zijn gebonden dat elke overgang is uitgesloten, tot die, bij welke de persoon van de gerechtigde voor het bestuur van ondergeschikte betekenis is en waar overgang in ruime mate is toegelaten. Persoonlijke werking zal men voorts eerder aanwezig moeten achten bij de ont­heffing dan bij de vergunning. Indien in een regeling de ontheffingsfiguur gebruikt is, geeft dit aan dat het de bedoeling van de wetgever is geweest slechts voor bijzondere gevallen de mogelijkheid te creëren een uitzondering te maken op de algemene regel. Zou een ontheffing bij rechtsopvolging zonder meer `mee overgaan' op de rechtsopvolger, dan zou daarmee aan de ontheffingsmogelijkheid het karakter van uitzonderingsbepaling ontnomen worden. Een voorbeeld van een persoonsgebonden vergunning is de vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet. Dit hangt samen met de omstandigheid dat ingevolge deze wet voor het verkrij­gen van een vergunning moet worden voldaan aan eisen van kredietwaardigheid, handelskennis, vakbekwaamheid, leeftijd en moraliteit. Als een persoonlijke vergunning kunnen ook de standplaatsvergunning en de ventvergunning worden beschouwd. Dit hangt samen zowel met het - persoonlij­ke - karakter van de ambulante handel als met de omstandigheid dat het aantal aanvragen om vergunning het aantal te verlenen vergunningen veelal verre overtreft, hetgeen het bestuur noodzaakt een restrictief beleid te voeren. Het zou onredelijk zijn als een standplaats- of ventvergunning zonder meer kan worden overgedragen aan een andere terwijl een groot aantal aanvragers op de wachtlijst staat. Indien in de verordening of in de vergunning is bepaald dat deze vergunning persoonsgebonden is, terwijl deze vergunning toch vooral verband houdt met de aard van het object waarop zij betrekking heeft, zal deze vergunning weliswaar niet automatisch overgaan op de rechtsopvolger doch aan hem in vele gevallen ook niet licht geweigerd kunnen worden. De vergunning dient dan echter wel door de rechtsopvolger opnieuw aangevraagd te worden. Artikel 1.5 Intrekking of weigering van vergunning of ontheffing In dit artikel worden de gronden genoemd waarop een vergunning/ontheffing kan worden ingetrokken respectievelijk waarop de daaraan v

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.