← Nederland

Verordening fysieke leefomgeving gemeente Epe 2026 (Epe)

Kort gezegd

Deze verordening van de gemeente Epe bundelt regels over de fysieke leefomgeving die niet in het tijdelijke Omgevingsplan zijn opgenomen, met als doel een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit te waarborgen.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Verordening fysieke leefomgeving gemeente Epe 2026 De raad van de gemeente Epe; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van Epe d.d. 4 november 2025, zaaknr. 1316492; gelet op: artikel 149 van de Gemeentewet; artikel 3.16 van de Erfgoedwet; artikel 5.4 van de Telecommunicatiewet; artikel 35 van de Wet op de lijkbezorging; artikelen 10.23, 10.24 tweede lid, 10.25 en 10.26 van de Wet milieubeheer en de Omgevingswet, de 4 AMvB’s en de daarbij behorende besluiten en regelingen. Overwegende dat: de Omgevingswet in werking is getreden op 1 januari 2024; niet alle gemeentelijke regels die toezien op de fysieke leefomgeving en na de inwerkingtreding van de Omgevingswet worden opgenomen in het tijdelijke Omgevingsplan; de gemeente op 1 januari 2024 conform de Omgevingswet dient te werken; gelet op de gemeentelijke praktijk het wenselijk is de regels, die toezien op de fysieke leefomgeving in diverse gemeentelijke verordeningen in één verordening bijeen te brengen; b e s l u i t: vast te stellen de Verordening fysieke leefomgeving gemeente Epe 2026; Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1.1Begripsbepalingen Bijlage 1 bij deze verordening bevat begripsbepalingen voor de toepassing van deze verordening en de daarop berustende bepalingen. Artikel1.2Toepassingsbereik Deze verordening geeft regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving die vallen onder de reikwijdte van de Omgevingswet en die niet worden opgenomen in het tijdelijke Omgevingsplan. Artikel1.3Doel van de verordening 1.Het doel van deze verordening is het samenbrengen van regels over de fysieke leefomgeving vanuit diverse gemeentelijke verordeningen en andere gemeentelijke regelingen in één verordening. 2.Binnen het toepassingsbereik van deze verordening is het doel van de regels: een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en een doelmatig beheer en gebruik van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Hoofdstuk2Algemene regels voor de instandhouding, bescherming, onderhoud en beheer fysieke leefomgeving Artikel2.1Doel van de regels Het doel van dit hoofdstuk is om algemene regels te geven voor de instandhouding, het behoud en de bescherming van de fysieke leefomgeving. Iedereen dient bij zijn activiteiten voldoende zorg voor de fysieke leefomgeving in acht te nemen en toe te staan dat maatregelen getroffen worden om de fysieke leefomgeving te beschermen en te behouden. Artikel2.2Algemene zorgplicht voor de fysieke leefomgeving Eenieder draagt voldoende zorg voor de fysieke leefomgeving. Artikel2.3(Specifieke) zorgplicht bij activiteit met nadelige gevolgen 1.Eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving is verplicht: alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden gevraagd. 2.Eenieder die schade toebrengt aan de fysieke leefomgeving is verplicht dit te melden bij het bevoegd gezag. Artikel2.4(Specifieke) zorgplicht voor toestand object op openbare plaats Degene die een object heeft geplaatst op een openbare plaats, houdt het in goede staat en ruimt het op zodra de activiteit waarvoor het geplaatst is wordt gestaakt. Artikel2.5(Specifieke) zorgplicht voor toestand onroerend cultureel erfgoed 1.Het is verboden gemeentelijk onroerend cultureel erfgoed te beschadigen of te vernielen. 2.De eigenaar en huurder van een gemeentelijk monument zijn verplicht het onderhoud te verrichten dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is. 3.Degene die een activiteit verricht aan of bij een gemeentelijk onroerend cultureel erfgoed is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevraagd om beschadiging te voorkomen. Artikel2.6(Specifieke) zorgplicht voor toestand van sloten en wateren De eigenaar van een perceel draagt er voldoende zorg voor dat de sloten en andere wateren op het perceel geen gevaar, nadeel voor de gezondheid of hinder oplevert voor derden. Artikel2.7(Specifieke) zorgplicht voor toestand niet openbare riolen en putten buiten gebouwen De eigenaar van een gebouw draagt voldoende zorg voor de niet openbare riolen en putten buiten gebouwen. Deze mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor derden. Artikel2.8(Specifieke) zorgplicht voorkomen van de verspreiding van moeilijk te bestrijden planten (Vervallen) Artikel2.9(Specifieke) zorgplicht voorkomen en verwijderen zwerfafval in de openbare ruimte 1.Eenieder heeft de zorgplicht om zwerfafval te voorkomen. 2.Bij het achterlaten van afval in de openbare ruimte wordt gebruik gemaakt van de daarvoor bestemde afvalbakken of andere daarvoor bestemde inzamelvoorzieningen. 3.Reclamedrukwerk, promotiemateriaal, gratis producten en de verpakkingen daarvan, die ondanks het verbod in het eerste lid in de openbare ruimte is achtergelaten, worden onmiddellijk opgeruimd door degene die het onder het publiek verspreidde. 4.Het is verboden om andere afvalstoffen dan straatafval achter te laten in daartoe van gemeentewege of anderszins geplaatste of voorgeschreven bakken, manden of soortgelijke voorwerpen. Artikel2.10(Specifieke) zorgplicht voorkomen en verwijderen zwerfafval rondom verkooppunten 1.De verkoper van eet- of drinkwaren die ter plaatse kunnen worden genuttigd, draagt zorg voor afvalbakken of andere inzamelmiddelen voor het afval. 2.De inzamelmiddelen zijn beschikbaar voor klanten en worden tijdig geleegd. 3.(Vervallen) 4.Degene die de openbare gelegenheid drijft is verplicht zorg te dragen dat dagelijks, uiterlijk een uur na sluiting van de openbare gelegenheid, doch in ieder geval terstond op de eerste aanzegging van een ambtenaar belast met het toezicht op de naleving van dit artikel, in de nabijheid van de openbare gelegenheid achtergebleven afval, voor zover kennelijk uit of van de openbare gelegenheid afkomstig, wordt opgeruimd. Artikel2.11(Specifieke) zorgplicht voor (telecom)kabels en leidingen 1.De netbeheerder is verplicht zorg te dragen voor een goede staat en onderhoud van kabels en leidingen. 2.De telecomaanbieder is verplicht zorg te dragen voor een goede staat en onderhoud van telecomkabels. Artikel2.12Algemeen verbod oplaten van ballonnen (Vervallen) Artikel2.13Verbod houtopstanden of objecten onder hoogspanningslijn 1.Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen opgaande houtopstanden of objecten die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben. 2.Het verbod is niet van toepassing op objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn. 3.Het college kan ontheffing verlenen van dit verbod indien de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat. Over de mogelijkheid voor ontheffing wordt overleg gevoerd met de netbeheerder. 4.Dit artikel is niet van toepassing voor zover in dit onderwerp is voorzien in het tijdelijke Omgevingsplan. Artikel2.14Verbod dumpen stoffen of voorwerpen 1.Het is verboden afvalstoffen op een voor het publiek waarneembare plaats in de open lucht en buiten een instelling, gebouw of openbare gelegenheid als bedoeld in het Besluit activiteiten leefomgeving op te slaan of opgeslagen te hebben, anders dan door het in overeenstemming met de artikelen 5.30 tot en met 5.37 van deze verordening aanbieden, achterlaten of overdragen van huishoudelijke afvalstoffen. 2.Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op: het aanbieden, overdragen of achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen in overeenstemming met deze verordening; het maken van compost van huishoudelijk groente-, fruit- of tuinafval op het perceel waar dit is ontstaan; het voor korte tijd plaatsen van afvalstoffen of voorwerpen op de weg tijdens het laden, lossen of vervoeren van afvalstoffen; activiteiten die vallen onder een vergunning van een instelling of openbare gelegenheid; voor zover in het onderwerp wordt voorzien door de Aanvullingswet bodem, de Omgevingswet, het Aanvullingsbesluit bodem of deze verordening. 3.Als de overtreder van dit artikel onbekend is, wordt de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen of voorwerpen kunnen worden herleid, geacht te hebben gehandeld in strijd met dit artikel. Artikel2.15Verbod verontreinigen van de weg 1.Het is verboden een weg, bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994, te verontreinigen of het milieu nadelig te beïnvloeden door afvalstoffen, stoffen of voorwerpen te laden, te lossen of te vervoeren of andere werkzaamheden te verrichten. 2.Degene die in strijd met het eerste lid de weg verontreinigt of het milieu nadelig beïnvloedt of diens opdrachtgever zorgt terstond na de beëindiging van de werkzaamheden van die dag voor het reinigen van de weg, of zoveel eerder als nodig is om de veiligheid van het verkeer of de bescherming van het wegdek te verzekeren. Artikel2.16Verbod opslaan afval in de openlucht (Vervallen) Artikel2.17Verbod plaatsen van autowrakken en onderdelen in de openbare ruimte 1.Het is verboden een autowrak of onderdelen van auto’s in de openbare ruimte te plaatsen. 2.Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door deze verordening of het Besluit beheer autowrakken. Artikel2.18Meldplicht bij brand of broei Eenieder die brand of broei ontdekt of deze vermoed, is verplicht dit onmiddellijk aan de brandweer te melden. Artikel2.19Gedoogplicht voorzieningen voor verkeer, verlichting, nummering en naamgeving 1.De eigenaar of een andere rechthebbende op een bouwwerk of een perceel is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk of op dat perceel door het college objecten, borden of voorzieningen voor het verkeer, openbare verlichting, huisnummering, wijk-, buurt- of straatnaamgeving worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2.De rechthebbende draagt er zorg voor dat de objecten, borden of voorzieningen niet in de werking belemmerd worden en vanaf de openbare weg duidelijk zichtbaar blijven. 3.Het eerste lid is niet van toepassing voor zover in het onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900 en de Omgevingswet. Hoofdstuk3Proces, procedure en adviescommissie Artikel3.1Omgevingswet en de verhouding tot de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 1.Als volgens de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht niet het college maar een ander bestuursorgaan het bevoegd gezag is voor het nemen van een besluit, wordt voor ‘het college’ gelezen ‘het bevoegd gezag’. In de Omgevingswet wordt het bevoegde gezag met naam en toenaam genoemd. 2.De artikelen 3.2 tot en met 3.5 van deze verordening zijn niet van toepassing voor zover in het onderwerp wordt voorzien door de Omgevingswet of de op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur. Artikel3.2(Beslis)termijnen Een aanvraag voor een beschikking of een melding en de daarbij behorende gegevens en documenten worden ingediend bij het college of via de vastgestelde indieningsprocedure en het daarvoor bestemde digitale formulier op de website van de gemeente Epe. Artikel3.3Voorschriften en beperkingen Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Artikel3.4Algemene weigeringsgronden 1.Het college weigert een vergunning of ontheffing in ieder geval: indien de te vergunnen activiteit in strijd is met het bepaalde in deze verordening of een andere wettelijke regelgeving; in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (verder Wet Bibob). 2.Het college kan een vergunning of ontheffing in ieder geval weigeren indien: dat naar hun oordeel nodig is in het belang van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving of de bescherming van het milieu; dat naar hun oordeel nodig is met het oog op het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften; niet wordt voldaan aan bij of krachtens deze verordening gestelde vereisten om voor de vergunning of ontheffing in aanmerking te komen; de aanvraag te kort voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor redelijkerwijs een behoorlijke behandeling en beoordeling van de aanvraag niet mogelijk is. Artikel3.5Algemene wijzigings- en intrekkingsgronden 1.Het college kan de vergunning of ontheffing in ieder geval wijzigen of intrekken indien: de vergunning of ontheffing ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend; veranderde omstandigheden, feiten of inzichten met betrekking tot de activiteit waarvoor de vergunning of ontheffing is verleend, zich tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van die activiteit verzetten; de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nageleefd; de voor de houder van de vergunning of ontheffing geldende algemene regels niet zijn of worden nageleefd; van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn of bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; aannemelijk is dat de werkelijke situatie afwijkt van de vergunde situatie; de vergunninghouder dit verzoekt. 2.Het college kan de vergunning of ontheffing in ieder geval intrekken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob. Artikel3.6Gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit (Vervallen) Artikel3.7Gemeentelijk erfgoedregister 1.Het college houdt een door eenieder te raadplegen gemeentelijk erfgoedregister bij van krachtens deze verordening aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed inclusief de locaties waaraan krachtens artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet in het Omgevingsplan de functie cultureel erfgoed is toebedeeld. 2.Het gemeentelijk erfgoedregister bevat: gegevens over de inschrijving en ter identificatie van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed; gegevens over door het college van de minister ontvangen afschriften van de inschrijving van een rijksmonument in het rijksmonumentenregister als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, van de Erfgoedwet en instructies als bedoeld in artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet betreffende een locatie met de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht; gegevens over door het college van gedeputeerde staten ontvangen instructies als bedoeld in artikel 2.33, eerste lid, van de Omgevingswet betreffende een locatie met de functie-aanduiding provinciaal monument, provinciaal archeologisch monument of provinciaal beschermd stads- of dorpsgezicht. Artikel3.8Nadere regels en aanwijzingsbesluiten Het college kan ter uitvoering van deze verordening aanwijzingsbesluiten en nadere regels vaststellen. Hoofdstuk4Aanwijzing van gemeentelijk monument, gemeentelijk archeologisch monument, beschermd stads- of dorpsgezicht Artikel4.1Definities In dit hoofdstuk van deze verordening en de daarop berustende voorschriften wordt, tenzij anders is bepaald, verstaan onder: gemeentelijk beschermd cultuurgoed: cultuurgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet dat als zodanig is aangewezen op grond van artikel 4.3, eerste lid, van deze verordening; gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht: stads- of dorpsgezicht als bedoeld in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet dat als zodanig is aangewezen op grond van artikel 4.18 van deze verordening; gemeentelijk beschermde verzameling: verzameling als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet die als zodanig is aangewezen op grond van artikel 4.3, tweede lid, van deze verordening; gemeentelijk monument: monument of archeologisch monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister; minister: minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; omgevingsvergunning: vergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet voor een activiteit met betrekking tot een gemeentelijk monument of een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht. Artikel4.2Doel van de regels in dit hoofdstuk 1.Het doel van de regels in dit hoofdstuk van deze verordening is het behouden en beschermen van onroerend cultureel erfgoed dat van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis of van uitzonderlijke schoonheid is en dat onvervangbaar is. 2.Door de aanwijzing als gemeentelijk monument, archeologisch monument of beschermd stads- of dorpsgezicht krijgt het betreffende erfgoed een beschermde status. 3.Dit artikel heeft als juridische grondslag artikel 3.16 van de Erfgoedwet. Artikel4.3Aanwijzing als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling 1.Het college kan besluiten een cultuurgoed dat van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis of uitzonderlijke schoonheid is en dat als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit en dat in eigendom is van de gemeente of dat aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd aan te wijzen als gemeentelijk beschermd cultuurgoed. 2.Het college kan besluiten een verzameling van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis, die als geheel of door een of meer van de cultuurgoederen die een wezenlijk onderdeel van de verzameling zijn, als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit en die in eigendom van de gemeente is of die aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd aan te wijzen als gemeentelijk beschermde verzameling. 3.Voor de aanwijzing van een cultuurgoed dat of een verzameling die aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd is toestemming van de eigenaar vereist. 4.Over het voornemen van een aanwijzing, bedoeld in het eerste of tweede lid, alsmede over de vervreemding van een gemeentelijk beschermd cultuurgoed of een gemeentelijk beschermde verzameling of over het afstand doen van de zorg daarvoor vraagt het college advies aan een commissie als bedoeld in artikel 4.18 van de Erfgoedwet en als bedoeld in de Verordening op de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit. 5.Dit artikel is niet van toepassing op: door de minister beschermde cultuurgoederen en beschermde verzamelingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet en cultureel erfgoed dat is aangewezen op grond van een provinciale Erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet 6.Het college verwerkt de aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel4.4Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling 1.Het college kan een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 4.3, eerste of tweede lid van deze verordening, wijzigen of intrekken. 2.Artikel 4.3, vierde lid, van deze verordening, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het gemeentelijk beschermd cultuurgoed of de gemeentelijk beschermde verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 3.Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het gemeentelijk beschermd cultuurgoed of de gemeentelijk beschermde verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als: door de minister beschermd cultuurgoed of beschermde verzameling als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet of beschermd cultureel erfgoed op grond van een provinciale Erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet. 4.Het college verwerkt de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel4.5Aanwijzing als gemeentelijk monument 1.Het college kan besluiten een monument of archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk monument. 2.Dit artikel is niet van toepassing op: rijksmonumenten en monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van een provinciale Erfgoedverordening als bedoeld in 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet of een Omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet. Artikel4.6Voornemen tot aanwijzing 1.Een voornemen om toepassing te geven aan artikel 4.5, eerste lid, van de verordening, wordt door het college schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 2.Voordat een kerkelijk monument wordt aangewezen, voert het college overleg over het voornemen met de eigenaar. Artikel4.7Voorbescherming 1.De bescherming van de artikelen 4.13 tot en met 4.16, van deze verordening, is van overeenkomstige toepassing op het monument of archeologisch monument ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, van deze verordening, is bekendgemaakt. 2.De voorbescherming, bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel4.8Advies gemeentelijke adviescommissie 1.Het college vraagt over het voornemen om toepassing te geven aan artikel 4.5, eerste lid, van deze verordening, advies aan de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit, zoals bedoeld in artikel 17.9 van de Omgevingswet en de Verordening op de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit. 2.De gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit betrekt in ieder geval de leden die deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg bij het advies. Artikel4.9Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit 1.Op een aanvraag om aanwijzing dient te worden besloten binnen 26 weken na ontvangst van de aanvraag. 2.De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijke monument, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijke monument. Artikel4.10Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving 1.De aanwijzing wordt schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 2.Het college verwerkt de aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel4.11Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument 1.In een spoedeisend geval kan het college een monument of archeologisch monument aanwijzen als voorlopig gemeentelijk monument. In afwijking van artikel 4.8, van deze verordening, wordt in dat geval aan de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit advies gevraagd over de vastgestelde aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument. 2.Een aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument vervalt na 26 weken of zoveel eerder als het college een besluit heeft genomen over de aanwijzing, bedoeld in artikel 4.5, eerste lid, van deze verordening. 3.De artikelen 4.13 tot en met 4.16, van deze verordening, zijn van overeenkomstige toepassing vanaf het moment dat zakelijk gerechtigden schriftelijk in kennis worden gesteld van het besluit van het college tot aanwijzing van het monument of archeologisch monument als voorlopig gemeentelijk monument. Artikel 4.10 van deze verordening is van overeenkomstige toepassing op deze aanwijzing. Artikel4.12Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument 1.Het college kan ten aanzien van gemeentelijke monumenten en voorlopige gemeentelijke monumenten wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister. 2.Als de wijziging ziet op het schrappen uit het register zijn de artikelen 4.5 tot en met 4.11, van deze verordening, van overeenkomstige toepassing, tenzij het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 3.Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet of een Omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet. 4.Het vervallen van de aanwijzing wordt onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel4.13Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of daaraan onderhoudt te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is. Artikel4.14Omgevingsvergunning gemeentelijk monument 1.Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een gemeentelijk monument: te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen of te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op: de uitvoering van normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt; alleen inpandige veranderingen van een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft; het binnen een monument dat als begraafplaats in gebruik is met inachtneming van de monumentale waarden: plaatsen van grafmonumenten, met inbegrip van het tijdelijk verwijderen daarvan en het bijwerken van het opschrift; doen van begravingen of as bijzettingen of ruimen van graven waarvan het grafmonument niet is beschermd als gemeentelijk monument. 3.Het college kan in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. Deze regels kunnen mede inhouden een vrijstelling van het verbod, bedoeld in het eerste lid, of een plicht tot het melden van handelingen bedoeld in het tweede lid. Artikel4.15Intrekken van de omgevingsvergunning (Vervallen) Artikel4.16Weigeringsgronden 1.De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. 2.Een omgevingsvergunning voor een kerkelijk monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet wordt niet verleend zonder overeenstemming met de eigenaar. Artikel4.17Advies omgevingsvergunning rijksmonument (Vervallen) Artikel4.18Aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht 1.De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, stads- of dorpsgezichten aanwijzen als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht. 2.Het college zendt het voorstel voor advies aan de adviescommissie, bedoeld in artikel 4.8, eerste lid, van deze verordening. Artikel 4.8, tweede en derde lid, van deze verordening, zijn van overeenkomstige toepassing. 3.De gemeenteraad beslist binnen 26 weken na verzending van het voorstel, bedoeld in het tweede lid. 4.Een aangewezen gemeentelijk stads- of dorpsgezicht wordt onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. 5.De gemeenteraad stelt ter bescherming van een op grond van het eerste lid aangewezen gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht een Omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet vast. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- of dorpsgezicht kan hiertoe een termijn worden gesteld. 6.Bij het besluit tot aanwijzing van een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht wordt bepaald of en in hoeverre het tijdelijke Omgevingsplan als beschermend in de zin van het vorige lid kan worden aangemerkt. 7.Dit artikel is niet van toepassing op een beschermd stads- of dorpsgezicht dat via instructies de functie-aanduiding rijksbeschermd of provinciaal beschermd stads- of dorpsgezicht heeft, of dat is aangewezen op grond van artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 of een provinciale verordening als bedoeld in het voormalige artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Artikel4.19Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht 1.De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 4.18, eerste lid, van deze verordening, wijzigen of intrekken. 2.Artikel 4.18, tweede en derde lid, van deze verordening, zijn hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het stads- of dorpsgezicht waarop aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 3.Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het stads- of dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als beschermd stads- of dorpsgezicht op grond van een instructie als bedoeld in artikel 2.33, eerste lid, of artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet. 4.Het college verwerkt de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel4.20Verbodsbepaling en aanvraag omgevingsvergunning 1.Het is in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te slopen. 2.De omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd als naar het oordeel van het college niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. 3.Artikel 4.16 van deze verordening is van overeenkomstige toepassing. 4.Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen ingevolge een verplichting als bedoeld in de artikelen 13, of 13b van de Woningwet of ingevolge een verplichting zoals gesteld in een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 3.5 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Artikel4.21Vangnet archeologie 1.Het is verboden om in een archeologisch monument, een zone met archeologische waarde of een zone met archeologische verwachting, de bodem te verstoren. 2.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing wanneer: het een verstoring betreft van een archeologisch monument, een zone met archeologische waarde of een zone met archeologische verwachting die is aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleidskaart en het verrichten van de activiteiten niet strijdig zijn met de daarvoor geldende vrijstellingsgrenzen; in het geldend tijdelijke Omgevingsplan bepalingen zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg; voor de activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet is verleend en in de omgevingsvergunning voorschriften zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg; het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een verstoring van een archeologisch monument, een zone met archeologische waarde of een zone met archeologische verwachting als aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleidskaart, dan wel bij het ontbreken daarvan, de gemeentelijke archeologische waarden- en verwachtingenkaart; een rapport is overlegd waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat: het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd; de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad of in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn. Hoofdstuk5Regels voor activiteiten Afdeling5.1 Omgevingsvergunning voor het bouwen Artikel5.1Doel van de regels over bodem en bodemsanering 1.Het doel van de regels in deze afdeling is om de kwaliteit van de bodem te beschermen, verontreiniging tegen te gaan en de kwaliteit van de bodem waar mogelijk te verbeteren. Dit draagt bij aan een veilige en gezonde fysieke leefomgeving voor mens, dier en plant. 2.Het doel van de artikelen 5.3 en 5.4 van deze verordening is het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem als bedoeld in het Besluit bouwwerken leefomgeving. 3.Deze afdeling is niet van toepassing als in het onderwerp is voorzien door de Omgevingswet en de op grond van die wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur. Artikel5.2Toepassingsbereik Dit hoofdstuk is van toepassing op degene die de betrokken activiteit verricht of laat verrichten, tenzij anders is bepaald. Afdeling5.2 Bodem Artikel5.3Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem 1.Het is verboden een bouwwerk te bouwen op een bodem die zodanig verontreinigd is dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers als: daarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven; dat het bouwwerk de grond raakt en voor dat bouwen een omgevingsvergunning vereist is; het bestaande rechtmatige gebruik van het bouwwerk wijzigt en voor dat bouwen een omgevingsvergunning vereist is. 2.Het verbod is niet van toepassing als het college aan de omgevingsvergunning voor het bouwen van het betrokken bouwwerk voorschriften en beperkingen verbindt waarmee naar hun oordeel uit het bodemonderzoeksrapport of uit het goedgekeurde bodemsaneringsplan, als bedoeld in de Aanvullingswet bodem blijkt dat daarmee de bodem geschikt kan worden gemaakt voor het bouwen van een bouwwerk. Artikel5.4Bodemonderzoek 1.Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in het Besluit bouwwerken leefomgeving: de resultaten van een recent milieu hygiënisch bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740, vigerende uitgave, in overeenstemming met de van toepassing zijnde onderzoekstrategie; indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of -stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707, vigerende uitgave. 2.De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport geldt niet indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit bouwwerken leefomgeving, het Besluit kwaliteit leefomgeving en het Omgevingsbesluit. 3.Het college staat toe een geheel of gedeeltelijke afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport, indien bij het college reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn. 4.Het college kan gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in de Omgevingswet, of de op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur, indien uit het in NEN 5725, vigerende uitgave, bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740, vigerende uitgave, niet rechtvaardigen. 5.Het bodemonderzoek wordt uitgevoerd voorafgaand aan eventuele sloop van gebouwen. Indien het bodemonderzoek pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt, maar voordat met de bouw wordt begonnen. Artikel5.5Aanwijsbevoegdheid Interferentiegebieden Het college is bevoegd interferentiegebieden aan te wijzen en vast te stellen. Ook is het college bevoegd de grenzen van een interferentiegebied te wijzigen en opnieuw vast te stellen. Dit ter voorkoming van interferentie tussen gesloten of open bodemenergiesystemen onderling of anderszins ter bevordering van een doelmatig gebruik van bodemenergie. Afdeling5.3 Ondergrondse infrastructuur Artikel5.6Toepasselijkheid kabels en leidingen 1.Deze afdeling is van toepassing op werkzaamheden die door of namens een netbeheerder plaatsvinden binnen de gemeente Epe. 2.Het bepaalde in deze afdeling geldt niet voor zover hierin reeds is voorzien in de Telecommunicatiewet of privaatrechtelijke overeenkomsten. Artikel5.7Nadere regels 1.Het college kan ter uitvoering van deze afdeling nadere regels vaststellen. 2.Deze nadere regels hebben in ieder geval betrekking op: openbare orde en veiligheid; het tijdstip, de plaats en de wijze van uitvoering van werkzaamheden; het bevorderen van het medegebruik van voorzieningen; ondergrondse ordening, planning en coördinatie van werkzaamheden; nadeelcompensatie in geval van het nemen van maatregelen ten aanzien van kabels en leidingen; de te verstrekken gegevens alsmede over de wijze waarop die moeten worden verstrekt; de verrekening van herstel-, beheer- en degeneratiekosten; het al dan niet toestaan van de aanleg van een netwerk dat niet valt onder het begrip openbaar netwerk. Artikel5.8Instemmingsvereiste 1.Het is verboden werkzaamheden te verrichten zonder of in afwijking van een door het college genomen instemmingsbesluit. 2.Voor het verrichten van spoedeisende werkzaamheden of werkzaamheden van niet ingrijpende aard is geen instemmingsbesluit, als bedoeld in het eerste lid, noodzakelijk, maar kan worden volstaan met een door het college goedgekeurde melding. De raad is bevoegd om redenen van veiligheid delen van het grondgebied aan te wijzen waarvoor het voorgaande niet van toepassing is: de werkzaamheden moeten binnen een jaar na de datum waarop het instemmingsbesluit onherroepelijk is geworden zijn voltooid; de werkzaamheden van niet ingrijpende aard moeten binnen het in de goedgekeurde melding bepaalde tijdvak zijn voltooid; het in het eerste lid opgenomen verbod is niet van toepassing op werkzaamheden van de gemeente; behoudens in geval van spoedeisende werkzaamheden zijn bij weersomstandigheden, waarbij de uitvoering van de werkzaamheden tot overlast of gevaar voor de bewoners en/of schade voor de gemeente kan leiden, is het college bevoegd een breekverbod in te stellen. De vaststelling dat er sprake is van deze weersomstandigheden is een bevoegdheid van het college. 3.Tijdens de door de gemeente vergunde evenementen geldt altijd een breekverbod. De termijnen zoals bedoeld in artikel 5.9, derde en vierde lid, van deze verordening worden automatisch verlengd met de periode van het breekverbod. Uiterlijk een dag voor beëindiging van het breekverbod, zal het college de betrokken uitvoerende partij(

  1. en)hierover informeren. Artikel5.9Aanvragen en melden 1.Voor het uitvoeren van de werkzaamheden dient een instemmingsbesluit bij het college te worden aangevraagd. 2.In verband met de voorgenomen werkzaamheden kan vooroverleg plaatsvinden met het college om de aanvraag, als bedoeld in het eerste lid, voor te bereiden. 3.Als de werkzaamheden ook betrekking hebben op openbare gronden van een andere gedoogplichtige of grondeigenaar dan de gemeente en/of als er een aanvraag voor een vergunning al dan niet bij een ander bestuursorgaan op grond van een andere wet is ingediend, dan stelt de aanvrager het college hiervan op de hoogte. 4.Werkzaamheden van niet ingrijpende aard of de aanvang van werkzaamheden moet(
  2. en)twee werkdagen voorafgaand aan de aanvang van de werkzaamheden gemeld worden bij het college. 5.Spoedeisende werkzaamheden moeten voorafgaand aan de aanvang van de werkzaamheden gemeld worden bij het college of bij een daartoe door hen gemachtigd ambtenaar. Als een melding vooraf niet mogelijk is, moet de melding uiterlijk binnen een werkdag na de aanvang van de uitvoering gemotiveerd worden gedaan. Artikel5.10Gegevensverstrekking 1.Voor het aanvragen van een instemmingsbesluit dient gebruik te worden gemaakt van daartoe door het college vastgestelde (digitale) formulieren en/of registratiesysteem. 2.Bij een aanvraag voor een instemmingsbesluit dienen de volgende gegevens te worden verstrekt: naam-, adres- en woonplaatsgegevens van de netbeheerder; als het een aanvraag betreft voor het verrichten van werkzaamheden voor of namens een netbeheerder de naam-, adres- en woonplaatsgegevens van de gemachtigde en een schriftelijke machtiging bij de eerste aanvraag van enig kalenderjaar; een opgave van het aantal, de soort, de aard en het beoogde gebruik van de kabels en/of leidingen; vereiste vergunning(en), ontheffing(
  3. en)of toestemming(
  4. en)op grond van overige wetgeving, alsmede informatie over de afstemming met andere gedoogplichtigen, grondeigenaren en/of beheerders van openbare gronden; een digitale tekening (PDF- en/of DWG-formaat) met BGT-ondergrond legenda en eenduidige en volledige maatvoering (RD-coördinaten) met daarop aangegeven: een opgave van het gewenste tracé; een opgave van de tijdelijke en permanente voorzieningen; een opgave van de te plaatsen bovengrondse voorzieningen. overtuigende gegevens en inzicht omtrent de uitvoerbaarheid van de voorgenomen werkzaamheden waaruit blijkt: dat binnen de beschikbare ruimte aangelegd wordt; dat de bereikbaarheid van de overige kabels en/of leidingen blijft gewaarborgd; dat de vereisten voor het passeren van groenvoorzieningen gewaarborgd blijven. de tracélengte en de lengte en breedte van de te graven sleuf, alsmede de aard van de sleufbedekking die wordt opengebroken; de voorgenomen datum van aanvang en beëindiging van de werkzaamheden; een opgave van het aantal kabels en/of leidingen dat direct in gebruik wordt genomen en het aantal kabels en/of leidingen dat niet direct in gebruik wordt genomen; indien de gemeente de coördinaten van de zich in het tracé bevindende (monumentale) bomen aanlevert, dan moet de netbeheerder deze (inclusief de kroonprojectie) op de instemmingstekening weergeven. 3.Voor een melding, als bedoeld in artikel 5.9, vierde en vijfde lid, van deze verordening, dient gebruik te worden gemaakt van het door het college vastgestelde (digitale) formulieren en/of registratiesysteem. De volgende gegevens moeten daarbij in ieder geval worden verstrekt: naam-, adres- en woonplaatsgegevens van de netbeheerder; als het een melding betreft voor het verrichten van werkzaamheden voor of namens een netbeheerder de naam-, adres- en woonplaatsgegevens van de gemachtigde en een schriftelijke machtiging bij de eerste aanvraag van enig kalenderjaar; de uitvoerende partij, het adres van de graaflocatie(s), inclusief een situatieschets; de lengte en breedte van de sleuf of montagegat(en), alsmede de aard van de sleufbedekking die wordt opengebroken; de datum van aanvang en beëindiging van de werkzaamheden; 4.In geval van spoedeisende werkzaamheden moeten tevens worden verstrekt: de aanduiding van de spoedeisende aard van de werkzaamheden; de omschrijving van de werkzaamheden die zijn uitgevoerd. Artikel5.11Voorschriften bij instemmingsbesluit 1.Het college kan in het instemmingsbesluit voorschriften opnemen in het belang van: de openbare orde; veiligheid, waaronder mede verstaan wordt de verkeersveiligheid; het voorkomen of beperken van overlast, waaronder mede verstaan wordt het afstemmen met andere werkzaamheden, een goede doorstroming van het verkeer en de bescherming van groenvoorzieningen en van het uiterlijke aanzien van de omgeving; de bereikbaarheid van gronden of gebouwen, waaronder mede verstaan wordt het veilig en doelmatig gebruik, beheer, en onderhoud van openbare gronden en gebouwen en het belang van evenementen; de ondergrondse ordening, waaronder mede verstaan wordt het beschermen van reeds in de grond aanwezige werken en eventuele in de grond aanwezige objecten. 2.De voorschriften, zoals genoemd in het eerste lid, kunnen slechts betrekking hebben op: het tijdstip, de plaats en wijze van uitvoering van werkzaamheden; het bevorderen van medegebruik van voorzieningen die door derden of de gemeente tegen marktconforme kosten ter beschikking worden gesteld; afstemming met betrekking tot overige in de grond aanwezige werken. 3.De belanghebbenden ter plaatse van de uit te voeren werkzaamheden moeten schriftelijk worden geïnformeerd over aanvang, duur, aard en plaats van de werkzaamheden. 4.Het is verplicht na het einde van de werkzaamheden de grond, eventuele verhardingen en groenvoorzieningen terug te brengen in de oude staat, tenzij het college vooraf heeft aangegeven hier (gedeeltelijk) zelf zorg voor te willen dragen. Artikel5.12(Mede)gebruik van voorzieningen 1.Op verzoek van het college wordt bij de werkzaamheden zoveel mogelijk (mede)gebruik gemaakt van bestaande, hetzij door overige netbeheerders dan wel door of in opdracht van het college aangelegde, voorzieningen voor zover dit technisch en economisch haalbaar is en medegebruik geen belemmering vormt voor de veiligheid, toegankelijkheid en leveringszekerheid. 2.Indien de voorziening in eigendom is van de gemeente dan is voor het medegebruik schriftelijk toestemming van de gemeente vereist. 3.In het vooroverleg als bedoeld in artikel 5.9, tweede lid, van deze verordening, wordt medebepaald of en, zo ja, langs welke delen van het tracé gebruik kan worden gemaakt van bestaande voorzieningen als bedoeld in het eerste lid. Artikel5.13 Termijnen 1.De beslissing op een aanvraag voor een instemmingsbesluit wordt genomen uiterlijk acht weken na de dag van ontvangst van de aanvraag. 2.Indien een instemmingsbesluit niet binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn kan worden genomen, deelt het college dit aan de aanvrager mede en noemen daarbij een zo kort mogelijke termijn waarbinnen het instemmingsbesluit wel genomen kan worden. 3.De goedkeuring op een melding voor werkzaamheden van niet ingrijpende aard wordt genomen binnen twee werkdagen. 4.De goedkeuring op een melding voor spoedeisende werkzaamheden volgt uiterlijk twee werkdagen nadat de melding is gedaan. Artikel5.14Het nemen van maatregelen en nadeelcompensatie 1.De netbeheerder is verplicht op verzoek van het college over te gaan tot het nemen van maatregelen, waaronder het verplaatsen, ten aanzien van kabels en/of leidingen ten dienste van zijn netwerk. 2.Eventuele nadeelcompensatie in verband met het bepaalde in het eerste lid wordt verleend op basis van een publiekrechtelijke regeling. 3.Het college en de netbeheerder zullen bij het nemen van maatregelen, waaronder het verplaatsen, ten aanzien van kabels en/of leidingen elkaars schade zo veel mogelijk beperken. Artikel5.15Overleg 1.Het college organiseert periodiek een overleg, waarvoor in elk geval de bij de gemeente bekende netbeheerders en andere betrokken partijen of belanghebbenden worden uitgenodigd. 2.In dit overleg worden de plannen van de gemeente en van de diverse netbeheerders en andere betrokken partijen of belanghebbenden besproken en afgestemd in het kader van de bepalingen van deze verordening. 3.Het college stemt af met de betrokken netbeheerders indien gronden verkocht worden waar (mogelijk) kabels en leidingen in liggen. Artikel5.16Niet openbaar netwerk 1.Deze afdeling houdt geen gedoogplicht in voor de gemeente met betrekking tot een netwerk dat niet valt onder het begrip openbaar netwerk. 2.Bij werkzaamheden aan een netwerk dat niet valt onder het begrip openbaar netwerk, is het bepaalde in deze afdeling van overeenkomstige toepassing. Artikel5.17Informatieplicht 1.De netbeheerder stelt het college onverwijld en schriftelijk in kennis van het in of uit gebruik nemen van een kabel en/of leiding. Dit geldt ook als een kabel en/of leiding niet langer ten dienste staat van een netwerk in of op openbare gronden. Het college kan hiervoor een overzicht van alle (niet) in gebruik zijnde kabels en/of leidingen verlangen. 2.De netbeheerder stelt het college in kennis van het feit dat het eigendom, de exploitatie of het beheer van de kabel of leiding verandert. Artikel5.18Toezicht en handhaving 1.Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de bij besluit van het college aangewezen personen. 2.Indien het college vaststelt dat de verplichtingen van deze verordening niet zijn nagekomen, kan het college besluiten handhavend op te treden dan wel legalisatie achteraf van de ontstane situatie verlangen met inachtneming van de bepalingen zoals vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht. Indien blijkt dat de uitgevoerde werkzaamheden zijn gemeld maar dat hiervoor een instemmingsbesluit is vereist, is dit artikel van overeenkomstige toepassing. 3.Onverminderd het bepaalde in het tweede lid en hun overige wettelijke bevoegdheden is het college bevoegd, met kennisgeving vooraf aan de netbeheerder, het instemmingsbesluit in te trekken of de werkzaamheden stil te leggen indien: er wordt gewerkt in afwijking van de voorschriften van het instemmingsbesluit; het instemmingsbesluit is verleend ten gevolge van onjuiste of onvolledige gegevens; het instemmingsbesluit in strijd met enig wettelijk voorschrift is verleend; er wordt gewerkt in afwijking van de nadere regels; er wordt gewerkt in strijd met het geldende breekverbod. Artikel5.19Aanleggen, in stand houden, opruimen van kabels of leidingen 1.Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het college kabels of leidingen in of op openbare gronden aan te leggen, te verplaatsen, te verwijderen en in stand te houden. 2.In afwijking van het eerste lid kan voor kleine werkzaamheden worden volstaan met een melding aan het college. 3.Het college kan gebieden aanwijzen waarbinnen niet volstaan kan worden met een melding maar altijd een vergunningplicht geldt. 4.Het in het eerste lid opgenomen verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Omgevingsverordening Gelderland. Artikel5.20Voorschriften en beperkingen bij vergunning en melding 1.Het college kan aan de vergunning of melding voorschriften en beperkingen verbinden in het belang van: de openbare orde; de veiligheid, waaronder de verkeersveiligheid of een goede doorstroming van het verkeer; het voorkomen of beperken van overlast; de bereikbaarheid, veiligheid, bruikbaarheid, onderhoud en beheer van gronden en gebouwen; de ondergrondse ordening en de bescherming van in de grond aanwezige werken; de bescherming van archeologische vondsten en van groenvoorzieningen, bomen en beplantingen of het uiterlijk aanzien van de fysieke leefomgeving. 2.De werkzaamheden moeten zijn voltooid binnen zes maanden na aanvang, tenzij in de vergunning anders is bepaald. Artikel5.21Weigeringsgronden bij vergunning en melding Het college kan de vergunning of melding weigeren in het belang van: de openbare orde; de veiligheid, waaronder de verkeerveiligheid of een goede doorstroming van het verkeer; het voorkomen of beperken van overlast; de bereikbaarheid, veiligheid, bruikbaarheid, onderhoud en beheer van gronden en gebouwen; de ondergrondse ordening en de bescherming van reeds in de grond aanwezige werken; de bescherming van archeologische vondsten en van groenvoorzieningen, bomen en beplantingen of het uiterlijk aanzien van de fysieke leefomgeving. Artikel5.22Wijziging en intrekking bij vergunning en melding 1.Het college kan de vergunning in aanvulling op de in artikel 3.5 van deze verordening genoemde gronden wijzigen of intrekken, indien: de netbeheerder niet binnen zes maanden na het onherroepelijk worden van de vergunning, of de in de vergunning opgenomen termijn, met de werkzaamheden is begonnen; de werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van zes maanden stilliggen; de netbeheerder de leiding definitief buiten gebruik heeft gesteld; dit naar het oordeel van het college redelijkerwijs nodig is vanwege de rechtmatige uitoefening van hun publiekrechtelijke bevoegdheid of taak. 2.Aan de wijziging of intrekking van de vergunning kan de verplichting worden verbonden om de betreffende kabels of leidingen aan te passen of deze te verwijderen. 3.Een vergunning geldt voor een specifieke kabel of leiding en is overdraagbaar, tenzij in de vergunning anders is bepaald. Het college kan de vergunning op schriftelijk verzoek van de houder op naam stellen van een andere netbeheerder. Afdeling5.4 Aansluiten op gemeentelijke riolering Artikel5.23Doel van de regels in deze afdeling Het doel van de regels in deze afdeling is het behouden en beschermen van de gemeentelijke voorziening voor het beheer van afvalwater en regenwater en daarmee het beschermen van bodem en water. Dit draagt bij aan een veilige en gezonde fysieke leefomgeving voor mens, dier en plant. Artikel5.24Aanleggen rioolaansluiting De gemeente legt de rioolaansluiting aan tot de perceelgrens. Het aanleggen van de rioolaansluiting en het herstel van de openbare ruimte gebeurt op kosten van de eigenaar of een andere rechthebbende op het perceel. Artikel5.25Eigendom rioolaansluiting 1.De grens tussen het gemeentelijke eigendom en het particuliere eigendom van een rioolaansluiting ligt ter plaatse van het ontstoppingsstuk in die rioolaansluiting. 2.Als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een rioolwaterpomp is vereist ligt de grens, in afwijking van het eerste lid, ter plaatse van de uitmonding van de rioolwaterpomp. 3.Bij afwezigheid van een ontstoppingsstuk en rioolwaterpomp ligt de grens in de rioolaansluiting op een afstand van 0,5 m buiten de perceelgrens. Artikel5.26Kosten rioolaansluitingen Het college stelt jaarlijks nieuwe belastingtarieven vast voor rioolaansluiting. Artikel5.27Verwijderen septic tanks De eigenaar of andere rechthebbende op het perceel dat wordt aangesloten op de gemeentelijke riolering verwijdert op eigen kosten de aanwezige septic tank. Artikel5.27aAfkoppelplicht voor drukriolering 1.Onmiddellijk met de inwerkingtreding van deze verordening is het verboden een hemelwaterafvoerleiding en/of vrijkomend grondwater bij drainage, pompen of andere vormen van onttrekkingen, aan te sluiten of aangesloten te houden op het drukriool. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod heeft geen betrekking op inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet en op de openbare weg. Afdeling5.5 Afvalstoffen Artikel5.28Definities In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: Wet: Omgevingswet en de Wet milieubeheer; Besluit: Besluit activiteiten leefomgeving; inzamelen: de activiteiten gericht op het ophalen of innemen van afvalstoffen die binnen de gemeente ter inzameling worden aangeboden en het feitelijk ophalen en innemen daarvan; ter inzameling aanbieden: de wijze van overdragen van afvalstoffen aan een inzamelende persoon of instantie, inclusief het achterlaten van afvalstoffen in daartoe door of vanwege de inzamelende persoon of instantie geplaatste inzamelmiddelen of -voorzieningen of op een daartoe aangewezen plaats; inzamelmiddel: een voor de inzameling van afvalstoffen bestemd hulp- of bewaarmiddel, bijvoorbeeld een minicontainer of een pmd-zak, ten behoeve van één huishouden; inzamelvoorziening: een voor de inzameling van afvalstoffen bestemd(
  5. e)bewaarmiddel of -plaats, bijvoorbeeld een (ondergrondse) verzamelcontainer, wijkcontainer of inzamelplaats, ten behoeve van meerdere huishoudens; inzameldienst: de krachtens artikel 5.30, eerste lid, van deze verordening, aangewezen inzameldienst, belast met de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen; andere inzamelaars: de krachtens artikel 5.31, eerste lid, onder a, van deze verordening, aangewezen personen en instanties, belast met het afzonderlijk inzamelen van categorieën huishoudelijke afvalstoffen; gebruiker van een perceel: degene die in de gemeente feitelijk gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge artikel 10.21 en artikel 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt; (Vervallen) inzamelplaats: een daartoe op grond van artikel 5.32, van deze verordening, aangewezen plaats; Artikel5.29Doelstelling De toepassing van deze afdeling is gericht op de bescherming van het milieu, met inbegrip van een doelmatig beheer van afval- en grondstoffen. Artikel5.30Aanwijzing van de inzameldienst 1.Het college wijst Circulus B.V. gevestigd te Apeldoorn aan als inzameldienst die belast is met de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen. 2.Aan de aanwijzing kunnen voorschriften worden verbonden en beperkingen worden gesteld. 3.Het college kan nadere regels stellen over de wijze waarop de inzameldienst huishoudelijke afvalstoffen inzamelt. Artikel5.31Regulering van andere inzamelaars 1.Het is anderen dan de inzameldienst verboden huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen, tenzij de inzamelaar: daartoe is aangewezen door het college; bij nadere regels van het college van het verbod is vrijgesteld of verplicht is tot inname, bedoeld in de Omgevingswet of op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur. 2.Op de aanwijzing van een inzamelaar, bedoeld in het eerste lid, onder a, is artikel 5.30, tweede en derde lid, van deze verordening, van overeenkomstige toepassing. Artikel5.32Aanwijzing van inzamelplaats Het college draagt zorg voor ten minste één daartoe ter beschikking gestelde plaats binnen de gemeente waar in voldoende mate gelegenheid wordt geboden om huishoudelijke afvalstoffen, met inbegrip van grof huishoudelijk afval, achter te laten. Artikel5.33Algemene verboden Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen: ter inzameling aan te bieden aan een ander dan de inzameldienst of een inzamelaar als bedoeld in artikel 5.31, eerste lid, onder a, van deze verordening; over te dragen aan een ander dan een inzamelaar als bedoeld in artikel 5.31, eerste lid, onder a, van deze verordening; achter te laten op een andere plaats dan de inzamelplaats, bedoeld in artikel 5.32, van deze verordening. Artikel5.34Gescheiden afvalinzameling 1.Het college stelt regels over de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen die afzonderlijk door de inzameldienst worden ingezameld, over de frequentie van de inzameling van elk van deze bestanddelen en over de locaties van deze inzameling bij of nabij elk perceel. 2.In ieder geval de volgende bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen worden afzonderlijk ingezameld: metaal; groente, fruit- en tuinafval; papier en karton; glas; textiel; kunststof verpakkingsmateriaal; dranken kartons; blikken verpakkingsmateriaal; elektrische of elektronische apparatuur; klein chemisch afval; bouw- en sloopafval; verduurzaamd hout; grof tuinafval; kadavers van kleine gezelschapsdieren; asbest en asbesthoudend afval; grof huishoudelijk afval; huishoudelijk restafval; autobanden (met of zonder velg); dakleer/bitumen; overige kunststoffen; matrassen; gips; piepschuim. 3.In het belang van een doelmatig afvalstoffenbeheer kan het college de aanwijzing van afzonderlijk in te zamelen bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen, bedoeld in het tweede lid, of fracties daarvan achterwege laten. Artikel5.35Gescheiden aanbieding 1.Het is verboden de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen, bedoeld in artikel 5.34, van deze verordening, anders dan afzonderlijk: ter inzameling aan te bieden; achter te laten op een inzamelplaats, als bedoeld in artikel 5.32 van deze verordening. 2.Het college kan nadere regels stellen. Deze regels kunnen voor categorieën van gevallen of personen een vrijstelling inhouden van het verbod, bedoeld in het eerste lid. Artikel5.36Tijdstip van aanbieding 1.Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan op de door het college daartoe bepaalde dag en tijden. Deze kunnen voor verschillende bestanddelen verschillend worden vastgesteld. 2.Indien het college voor categorieën huishoudelijke afvalstoffen een inzamelplaats als bedoeld in artikel 5.32 van deze verordening hebben aangewezen, dan is het verboden om afvalstoffen daar ter inzameling aan te bieden anders dan op de vastgestelde dagen en tijden. Artikel5.37Wijze en plaats van aanbieding 1.Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan in overeenstemming met het door het college te stellen regels over het gebruik van: inzamelmiddelen voor het aanbieden ter inzameling bij een perceel; inzamelvoorzieningen voor het aanbieden ter inzameling nabij een perceel. 2.Het is verboden om een inzamelmiddel na afloop van de bepaalde dag en tijden, bedoeld in artikel 5.36 van deze verordening, buiten een perceel te laten staan. 3.Het college kan nadere regels stellen voor categorieën van percelen. Deze regels kunnen een vrijstelling van het verbod inhouden. 4.Indien het college voor categorieën huishoudelijke afvalstoffen en inzamelplaats als bedoeld in artikel 5.32 van deze verordening heeft aangewezen dan kunnen regels worden gesteld omtrent de wijze waarop de categorieën huishoudelijke afvalstoffen daar ter inzameling worden aangeboden. Het is verboden om anders dan in overeenstemming met die regels huishoudelijke afvalstoffen daar ter inzameling aan te bieden. Artikel5.38Inzameling bedrijfsafvalstoffen door inzameldienst Het college kan bestanddelen van bedrijfsafvalstoffen aanwijzen die worden ingezameld door de inzameldienst die is aangewezen op grond van artikel 5.30 van deze verordening, in gevallen waarin de daarvoor door of namens het college vastgestelde tarieven zijn voldaan. Artikel5.39Aanbieden ter inzameling van bedrijfsafvalstoffen Het is verboden anders dan in overeenstemming met artikel 5.38 van deze verordening bedrijfsafvalstoffen ter inzameling door de inzameldienst aan te bieden of over te dragen, of bij een inzamelplaats als bedoeld in artikel 5.32 van deze verordening achter te laten. Artikel5.40Regeling van inzameling van bedrijfsafvalstoffen 1.Het is verboden bedrijfsafvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan in overeenstemming met de door het college te stellen regels over de dagen, tijden, wijzen en plaatsen van inzameling van de krachtens artikel 5.38 van deze verordening aangewezen bedrijfsafvalstoffen. 2.Het verbod geldt niet voor de krachtens artikel 5.38 van deze verordening aangewezen categorieën bedrijfsafvalstoffen: voor zover degene die gebruikt maakt van de inzameling door de inzameldienst voldoet aan de daarmee ontstane belastingplicht op grond van de gemeentelijke belastingverordening; voor scholen, die in het kader van educatie actief aan afvalscheiding willen doen en deelnemen aan het project Clean Wise uitsluitend voor zover het betreft de categorieën afvalstoffen PMD, GFT en papier. 3.Het college kan nadere regels stellen voor het aanbieden, overdragen of achterlaten van bedrijfsafvalstoffen. Deze regels kunnen mede worden vastgesteld voor anderen dan de inzameldienst. Deze regels kunnen een vrijstelling van het verbod, bedoeld in het tweede lid, inhouden. Artikel5.41Dumpingsverbod (Vervallen) Artikel5.42Zwerfafval in de openbare ruimte (Vervallen) Artikel5.42aOngeadresseerd drukwerk 1.In dit artikel wordt verstaan onder: huis-aan-huisblad: ongeadresseerd blad dat met een vaste frequentie gratis huis aan huis wordt verspreid in een geografisch beperkt gebied, waarvan tenminste 10% van de inhoud bestaat uit informatie over nieuws uit het eigen verspreidingsgebied, niet zijnde reclame; ongeadresseerd reclamedrukwerk: reclamedrukwerk of proefmonsters van producten die gratis huis aan huis wordt verspreid zonder vermelding van naam, adres of postbus en woonplaats van de ontvanger, niet zijnde 1) een huis-aan-huisblad of andere informatie over werkzaamheden of activiteiten in de buurt die voor de bewoners of gebruikers van een woning, bedrijf of woonschip in de buurt van belang zijn om te weten, of 2) drukwerk van vrijwilligers of niet-commerciële organisaties. 2.Een huis-aan-huisblad mag worden bezorgd bij een perceel, tenzij de bewoner of gebruiker expliciet kenbaar heeft gemaakt geen prijs te stellen op het ontvangen ervan. 3.Het is verboden ongeadresseerd reclamedrukwerk te bezorgen bij een perceel, tenzij de bewoner kenbaar heeft gemaakt prijs te stellen op het ontvangen ervan. Artikel5.43Zwerfafval rondom verkooppunten (Vervallen) Artikel5.44Afval en verontreiniging op de weg (Vervallen) Artikel5.45Geen opslag van afval in de open lucht (Vervallen) Artikel5.46Ontdoen van autowrakken Het is verboden zich te ontdoen van een autowrak dat afkomstig is van een perceel, anders dan door afgifte aan een gebouw, instelling of gelegenheid als bedoeld in artikel 6 van het Besluit beheer autowrakken. Artikel5.47Kadavers van gezelschapsdieren 1.Voor de toepassing van dit artikel wordt onder gezelschapsdier verstaan een dier dat de mens in of rond het huis houdt en verzorgt, niet zijnde hobby- of landbouwdier. 2.Het college wijst één of meer verzamelplaatsen aan waar kadavers van gezelschapsdieren worden ingezameld. 3.Van ingezamelde kadavers wordt aangifte gedaan bij Rendac Son B.V. De kadavers worden bewaard en overgedragen aan Rendac Son B.V. in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens artikel 3.1 van de Wet dieren. 4.Uiterlijk op de eerste werkdag die volgt op de dag waarop het gezelschapsdier dood is aangetroffen, geeft de houder van het kadaver dit af op een aangewezen verzamelplaats. 5.Tot het tijdstip van afgifte bewaart de houder het kadaver zodanig dat er geen vermenging is met ander materiaal. 6.Het vierde lid is niet van toepassing op het kadaver dat wordt begraven op een terrein dat ter beschikking staat van de houder van het kadaver of dat uiterlijk de eerste werkdag na overlijden wordt afgegeven aan een ondernemer die is erkend op grond van artikel 24, eerste lid, onder b, c of d, van de Verordening 1069/2009/EG. Artikel5.48Opslag voertuigen, vaartuigen, mest en afvalstoffen 1.Het is verboden op het door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een gebouw, instelling of openbare gelegenheid in de zin van de Omgevingswet of een op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: 2.onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; 3.bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; 4.kampeermiddelen als bedoeld in de artikelen 7.32 en 7.44 van deze verordening of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; 5.mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen. 6.Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen. 7.Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door of krachtens de Omgevingswet of een op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur. Artikel5.49Openen straatkolken Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken, af te dekken of onbereikbaar te maken. Artikel5.50Rookverbod in bossen en natuurterrein 1.Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan: 2.te roken gedurende een door het college aangewezen periode; 3.voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. 4.De verboden in het eerste lid zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3 van het Wetboek van Strafrecht. 5.De verboden zijn voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven. Artikel5.51Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1.De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2.Het bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Aanvullingswet grond, of de Omgevingswet of een op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur. Hoofdstuk6Omgevingshinder Afdeling6.1 Voorkomen of beperken geluidshinder en hinder door verlichting Artikel6.1Definities In deze afdeling wordt verstaan: collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal activiteiten is verbonden; gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in Omgevingswet of een op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur; gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Omgevingswet of een op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur; houder van een openbare gelegenheid: degene die als eigenaar, bedrijfsleider of anderszins een openbare gelegenheid drijft; incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal activiteiten; activiteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Omgevingswet of een op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur, met dien verstande dat de artikelen 6.4 tot en met 6.7 van deze verordening uitsluitend van toepassing zijn op activiteiten type A of type B als bedoeld in de Omgevingswet of een op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur; onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt. Artikel6.2Aanwijzing collectieve festiviteiten 1.De geluidsnormen als bedoeld in de Omgevingswet of een op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur en artikel 6.5 van deze verordening gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 2.Het college kan voorwaarden stellen aan de festiviteiten ter voorkoming of beperking van geluidhinder. 3.De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in de Omgevingswet of een op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 4.In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in één of meer kernen (Epe, Vaassen, Emst en Oene) van de gemeente Epe. 5.Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. 6.Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. 7.Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr, -LT veroorzaakt door de instelling of openbare gelegenheid bedraagt tot 01.00 uur niet meer dan 60 dB(A) en na 01.00 uur niet meer dan 40 dB(A) gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter. 8.Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr, -LT veroorzaakt door de instelling of openbare gelegenheid bedraagt tot 01.00 uur niet meer dan 45 dB(A)en na 01.00 uur niet meer dan 25 dB(A), gemeten binnen woningen. 9.Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LCr, -LCɛ veroorzaakt door de instelling of openbare gelegenheid, bedraagt tot 01.00 uur niet meer dan 70 dB(C) en na 01.00 uur niet meer dan 50 dB(C), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter. 10.Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LCr, -LCɛ veroorzaakt door de instelling of openbare gelegenheid bedraagt tot 01.00 uur niet meer dan 55 dB(C) en na 01.00 uur niet meer dan 35 dB(C), gemeten binnen woningen. 11.De geluidswaarde als bedoeld in lid 7, 7a, 8 en 8a is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten. 12.Op de dagen als bedoeld in het eerste lid, dient het ten gehore brengen van extra muziek, hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de Omgevingswet of een op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur en artikel 6.5 van deze verordening, uiterlijk om 00.00 uur beëindigt dan wel het tijdstip zoals opgenomen in de ontheffingsvoorschriften op grond van artikel 2:9, lid 5 van de Algemene plaatselijke verordening Epe 2026, te worden beëindigd. 13.Bij het ten gehore brengen van muziek blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen en goederen. Artikel6.3Aanwijzing incidentele festiviteiten 1.Het is in een instelling of openbare gelegenheid toegestaan op maximaal 6 dagen of dagdelen incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden, waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de Omgevingswet of een op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur en artikel 6.5 van deze verordening niet van toepassing zijn, mits de houder van de instelling of openbare gelegenheid ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan melding heeft gedaan. 2.Het is in een instelling of openbare gelegenheid toegestaan om tijdens maximaal 12 dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten, waarbij het gestelde in de Omgevingswet of een op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur niet van toepassing is, mits de houder van de instelling of openbare gelegenheid tenminste 2 weken voor de aanvraag van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan bij het college. 3.De melding is gedaan wanneer het daartoe verstrekte formulier, volledig en naar waarheid is ingevulde en tijdig is ingeleverd op de plaats vermeld op het formulier. 4.De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. 5.Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de instelling of openbare gelegenheid bedraagt niet meer dan 75 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter. 6.De geluidsnorm als bedoeld in het vijfde lid is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten. 7.Op de dagen bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek – hoger dan de geluidsnormen, bedoeld in de Omgevingswet of een op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur en artikel 6.5 van deze verordening om 23.30 uur beëindigd. 8.De geluidsnorm, bedoeld in het vijfde lid, geldt voor het bebouwde gedeelte van de activiteit en niet voor de buitenruimte. 9.Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen en goederen. Artikel6.4Geluidsplafond Het college kan nadere regels stellen ter voorkoming of beperking van geluidshinder bij collectieve- of incidentele festiviteiten. Artikel6.5Het ten gehore brengen van onversterkte muziek 1.Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek als bedoeld in de Omgevingswet of een op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur binnen gebouwen, instellingen en openbare gelegenheden is de onder e. opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat: de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden als de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen; de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij geluidsgevoelige terreinen op de grens van het terrein; de waarden in in- en aanpandige geluidsgevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten als bedoeld in de Omgevingswet of een op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur. bij het bepalen van de geluidsniveaus als vermeld in onderstaande tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast. LAmax -LT 7.00 - 19.00 uur 19.00 - 23.00 uur 23.00 - 7.00 uur LAr, -LT op de gevel van gevoelige gebouwen 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A) LAr, -LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A) LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A) LCr -LTɛ 7.00 - 19.00 uur 19.00 - 23.00 uur 23.00 - 7.00 uur LCr, -LTɛ op de gevel van gevoelige gebouwen 60 dB(C) 55 dB(C) 50 dB(C) LCr, -LC in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 45 dB(C) 40 dB(C) 35 dB(C) LAcmax op de gevel van gevoelige gebouwen 80 dB(C) 75 dB(C) B(C) 2.Voor de duur van 3 uur is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een gebouw, instelling of openbare gelegenheid gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid. 3.Als versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is de Omgevingswet of een op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur van toepassing. 4.Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in de artikelen 6.2 en 6.3 van deze verordening. Artikel6.6Geluidhinder door geluidsapparaat, machine of handelingen in de openlucht 1.Het is verboden in de openlucht een geluidsapparaat, of machine in werking te hebben of handelingen te verrichten die voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder veroorzaken. 2.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3.Onverkort het gestelde in dit artikel of in de ontheffing, wordt bij het uitvoeren van bouw- of sloopwerkzaamheden gebruik gemaakt van de beste beschikbare stille technieken. 4.Het verbod is niet van toepassing op wegonderhoud of onderhoud aan spoorwegen onder de voorwaarden dat: deze werkzaamheden niet langer dan vijf dagen duren; de omwonenden tijdig op de hoogte zijn gebracht van de mogelijke geluidhinder; de geluidimmissie op de gevel van het dichtstbijzijnde geluidsgevoelige gebouw tussen 19.00 uur en 07.00 uur niet meer bedraagt dan 75 Lar, LT in dB(A). 5.Het verbod is niet van toepassing op instellingen of openbare gelegenheden, die daarvoor een vergunning hebben. 6.Het verbod is niet van toepassing op de bedrijfsmatige bouw- of sloopwerkzaamheden. 7.Het verbod is niet van toepassing voor zover in het onderwerp wordt voorzien door het Besluit activiteiten leefomgeving, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, de Omgevingswet of een op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur, of bij een besluit waar specifieke regels zijn gesteld over de maximaal toegestane geluidsbelasting. Artikel6.7Geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen Het is verboden zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te gedragen, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder ontstaat. Artikel6.8Geluidhinder door dieren Degene die de zorg heeft voor een dier, voorkomt dat dit voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder veroorzaakt. Artikel6.9Geluidhinder door vrachtauto’s 1.Het is verboden een vrachtauto als bedoeld in artikel 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 op zodanige wijze te laden of te lossen dat daarvoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid. Artikel6.10Routering 1.Het is verboden met een vrachtauto als bedoeld in artikel 6.9 van deze verordening, waarvan het ledig gewicht vermeerderd met het laadvermogen meer bedraagt dan 3.500 kilogram of die met inbegrip van de lading een lengte heeft van meer dan zes meter of een hoogte van meer dan twee meter, tussen 23.00 uur en 07.00 uur op een andere dan door het college aangewezen weg te rijden. 2.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid. Artikel6.11Overige geluidhinder 1.Het is verboden op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid. 3.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet of een op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Omgevingsverordening Gelderland. Afdeling6.2 Lichthinder (Gereserveerd) Afdeling6.3 Vuur(werk) Artikel6.12Definitie (Vervallen) Artikel6.13Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen (Vervallen) Artikel6.14Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling (Vervallen) Artikel6.15Verbod carbidschieten (Vervallen) Artikel6.16Verbod afvalstoffen te verbranden buiten gebouwen, instellingen of openbare gelegenheden of anderszins vuur te stoken (Vervallen) Afdeling6.4 Ontsiering en stankoverlast Artikel6.17Plakken en kladden (Vervallen) Artikel6.18Vervoer plakgereedschap (Vervallen) Artikel6.19Houden van hinderlijke of schadelijke dieren 1.Het is verboden op door het college ter voorkoming of beëindiging van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een milieubelastende activiteit in de zin van de Omgevingswet of een op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren: aanwezig te hebben; aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels; aanwezig te hebben in een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven. 2.Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een plaats die krachtens het eerste lid is aangewezen, ontheffing verlenen van een of meer verboden in het eerste lid. Artikel6.20Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame 1.Het is verboden om op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor er ernstige hinder ontstaat voor de omgeving of waardoor het verkeer in gevaar komt. 2.Het verbod is niet van toepassing op onverlichte: opschriften, aankondigingen en afbeeldingen in het inwendig gedeelte van een onroerende zaak, die niet kennelijk gericht zijn op zichtbaarheid vanaf de weg; opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken, daartoe aangewezen door de overheid; opschriften en aankondigingen op of aan onroerende zaken dienstbaar aan openbaar vervoer, indien deze zijn aangebracht ten dienste van dat vervoer. 3.Het college kan nadere regels stellen voor het plaatsen van reclame-uitingen. Artikel6.21Natuurlijke behoefte doen (Vervallen) Artikel6.22Zwartwildraster Het is verboden in het zwartwildraster aanwezige hekken en poorten in geopende stand te houden indien dit niet ten behoeve van de doorgang van personen of voertuigen plaatsvindt. Artikel6.23Loslopend vee De rechthebbende op vee dat zich bevindt in een aan een weg liggend weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken. Artikel6.24Bedelarij (Vervallen) Artikel6.25Verspreiden van geschreven of gedrukte stukken of afbeelding (Vervallen) Hoofdstuk7Buitenruimte Afdeling7.1 Wegen Artikel7.1Voorwerpen op of aan een openbare plaats 1.Het is verboden zonder, of in afwijking van, een vergunning van het college objecten te plaatsen op of aan een openbare weg of een weggedeelte daarvan. 2.Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de openbare plaats of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegenheid onroerende zaken; indien de veiligheid of doorgang van verkeer of hulpdiensten wordt belemmerd. indien de minimale vrije doorgang op openbare plaatsen, voor wat betreft de gedeelten voor voetgangers en rolstoelgebruikers, kleiner is dan 1 meter breed en waarbij de vrij te houden hoogte minder dan 2,20 meter is. 3.Het verbod is niet van toepassing op: evenementen als bedoeld in artikel 2:24 van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Epe 2026; stand- en marktplaatsen als bedoeld in afdeling 7.5 van deze verordening; gevallen waarin het gebruik van de openbare plaats uitdrukkelijk is toegestaan op grond van een wettelijke regeling; in het onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 of de Omgevingsverordening Gelderland. 4.Geen vergunning is vereist voor het tijdelijk plaatsen van onder andere bouwmaterialen zoals bouwketen, steigers, containers als ook aankondigingsborden, spandoeken en spanframes, mits: de objecten binnen maximaal 4 uur wordt verwijderd; er geen gevaar voor de bruikbaarheid van de weg wordt veroorzaakt; de objecten geen overlast veroorzaakt voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak; bouwmaterialen alleen worden geplaatst op of nabij de locatie waar de werkzaamheden plaatsvinden; bouwmaterialen op de openbare weg voldoen aan de door het CROW uitgebrachte “richtlijnen voor het markeren van onverlichte obstakels”; de objecten geen belemmering vormen voor beheer en onderhoud van de weg; de objecten niet in het centrum van Epe en Vaassen en centrumring Epe plaatsvinden; er 3 weken voorafgaand melding wordt gedaan aan het college. 5.Het college kan nadere regels stellen voor categorieën van objecten, zoals uitstallingen, reclameborden, plantenbanken, banken, terrassen en laadpalen. Het verbod is niet van toepassing wanneer wordt voldaan aan de gestelde nadere regels. 6.Het college is bevoegd om in strijd met dit artikel geplaatste objecten te (doen) verwijderen. Indien objecten gevaar opleveren voor de veiligheid, kunnen deze zonder voorafgaande waarschuwing worden verwijderd. Artikel7.1aAanvraag vergunning 1.Voor het plaatsen van bouwobjecten (zoals een steiger, keet, container of hoogwerker) is een vergunning nodig of dient een melding te worden gemaakt. Een vergunning is in ieder geval nodig indien: de bouwobjecten langer dan 4 uur staan, of; u de bouwobjecten plaatst op: een parkeerplaats in het centrum; een gehandicaptenparkeerplaats; een fietspad; binnen 5 meter van een kruispunt; in een groenstrook, of; er minder dan 4 meter op de rijbaan overblijft, of; er minder dan 1 meter op het voetpad overblijft. In de overige gevallen volstaat een melding. 2.Voor het aanvragen van een vergunning dient gebruik te worden gemaakt van daartoe door het college vastgestelde (digitale) formulieren en/of registratiesystemen. 3.Bij een aanvraag voor een vergunning dienen de volgende gegevens te worden verstrekt: een situatietekening die is gemaakt op een duidelijke plattegrond waarop gebouwen, straten, bomen en voetpaden zijn aangegeven en die de volgende punten bevat: de exacte locatie van de te plaatsen objecten; de afmetingen van de objecten; de afmetingen van het afgezette werkgebied; de afmetingen van de overgebleven openbare ruimte; alle bomen, de plek van de objecten en de maatregelen die u neemt om de bomen te beschermen; als u een kraan plaatst: de draaicirkel en de locatie van de stempels; als u een steiger plaatst: de locatie van de eventuele steunen/stabilisatoren. indien u een straat geheel of gedeeltelijk afsluit, er minder dan 4 meter vrije doorgang op de rijbaan overblijft of er minder dan 1 meter op een voetpad overblijft: een verkeersplan dat de volgende punten bevat: de objecten die u wilt plaatsen; alle verkeersmaatregelen, zoals afzethekken en verkeersborden; zo nodig de locatie van omleidingsborden, inclusief tekst op deze borden; zo nodig inzet van verkeersregelaars, het aantal en de locatie; zo nodig andere veiligheidsmaatregelen; en dat voldoet aan CROW publicatie 96b ‘Werk in uitvoering’. zo nodig foto’s om de aanvraag duidelijker te maken. Artikel7.2Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp 1.Het is verboden om zonder omgevingsvergunning beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat weggebruikers het vrije uitzicht wordt belemmerd of dat er op een andere wijze voor weggebruikers hinder of gevaar ontstaat. 2.Het college kan nadere regels stellen ter voorkoming van hinder of gevaar ontstaat voor het wegverkeer door hinderlijke beplanting. Artikel7.3Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1.Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het college een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard en breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2.Het verbod is niet van toepassing indien de werkzaamheden zijn opgedragen door een bestuursorgaan of openbaar lichaam. 3.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Omgevingsverordening Gelderland of de Telecommunicatiewet. Artikel7.4Maken of veranderen van een uitweg 1.Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het college: een uitweg te maken naar de weg; van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg; verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg; het gebruik van een uitweg te veranderen. 2.De omgevingsvergunning kan worden geweigerd indien: hierdoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht; dit zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; hierdoor het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; sprake is van een tweede of volgende uitweg vanaf een perceel dat al via een uitweg is ontsloten, tenzij: bij agrarische bedrijven aannemelijk is gemaakt dat het perceel niet zodanig kan worden ingericht dat met één uitweg aan het principe ‘vuile uitweg – schone uitweg’ kan worden voldaan; of bij niet-agrarische bedrijven is aangetoond dat één uitweg een doelmatige en efficiënte bedrijfsvoering belemmert. 3.In afwijking van het tweede lid kan het college een omgevingsvergunning verlenen voor een tijdelijke uitweg, indien sprake is van een aantoonbare medische noodzaak. Deze uitweg mag worden gebruikt zolang die noodzaak aanwezig is. 4.Het verbod is niet van toepassing voor zover in het onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, en de Omgevingsverordening Gelderland. 5.Het college kan nadere regels stellen voor het maken en veranderen van een uitweg. Afdeling7.2 Openbaar water en waterstaatswerken Artikel7.5Voorwerpen op, in of boven openbaar water 1.Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, als dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water. 2.Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding aan het college. 3.De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp. 4.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Omgevingswet en op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur, de Omgevingsverordening Gelderland of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet. Artikel7.6Beschadigen van waterstaatswerken 1.Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen. 2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de Omgevingswet en de op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur of de Omgevingsverordening Gelderland. Artikel7.7Reddingsmiddelen Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebrachte voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken. Artikel7.8Veiligheid op het water 1.Het is aan eenieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden. 2.Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Omgevingsverordening Gelderland. 3.Het is verboden aan eenieder die zich met een vaartuig, niet zijnde een niet gemotoriseerde rubberboot, in het openbaar water ophoudt, zich te bevinden in het door rechthebbende aangewezen zwemwater. Artikel7.9Overlast van vaartuigen (Vervallen) Afdeling7.3 Het behouden van houtopstanden Artikel7.10Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: bebouwingscontour houtkap: de contour rondom het stedelijk gebied waarvoor de specifieke regels uit artikel 7.10a, tweede lid, gelden. De ligging en begrenzing van de bebouwingscontour houtkap zijn vastgelegd op de bomenkaart die via de gemeentelijke website raadpleegbaar is. houtopstand: een of meerdere bomen, een houtwal, een houtsingel of hakhout; hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen; noodkap: het vellen van een houtopstand in verband met een spoedeisend belang voor de openbare orde of een direct gevaar voor personen of goederen; vellen: kappen en rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben. Artikel7.10aOmgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden 1.Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag de volgende houtopstanden buiten de bebouwingscontour houtkap te vellen of te doen vellen: houtwallen, houtsingels en hakhoutbosjes; overige houtopstanden met een diameter > 20 cm en snelgroeiende soorten met een diameter > 30 cm, gemeten op 1,30 m hoogte, tenzij deze houtopstanden een zelfstandige eenheid vormen en een grotere oppervlakte beslaan dan 10 are; bomen die geplant zijn in het kader van een herplantplicht. 2.Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag de volgende houtopstanden binnen de bebouwingscontour houtkap te vellen of te doen vellen: beschermde particuliere bomen die zijn opgenomen in de bomenlijst, zoals aangegeven op de bomenkaart die via de gemeentelijke website raadpleegbaar is; bomen in bosrijke wijken en boomrijke percelen in Epe en Vaassen, zoals aangegeven op de bomenkaart die via de gemeentelijke website raadpleegbaar is. bomen die geplant zijn in het kader van een herplantplicht. 3.Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag houtopstanden op recreatieterreinen te vellen of te doen vellen. 4.De vergunning kan worden geweigerd op grond van: de natuurwaarde van de houtopstand; de landschappelijke waarde van de houtopstand; de waarde van de houtopstand voor stads- of dorpsschoon; de beeldbepalende waarde van de houtopstand; de cultuurhistorische waarde van de houtopstand; de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand. 5.Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing als het college toestemming verleent voor noodkap. 6.Het college is bevoegd om de bomenlijst te wijzigen en vast te stellen. Artikel7.10bAcuut gevaar, spoedeisend belang (Vervallen) Artikel7.10c(Bijzondere) voorschriften 1.Het college kan aan de omgevingsvergunning het voorschrift verbinden dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het bevoegd gezag gegeven aanwijzingen moet worden herplant. 2.De in het eerste lid gestelde plicht tot herplant kan ook worden verbonden aan noodkap als bedoeld in artikel 7.10a lid 4 van deze verordening. 3.Onder de in het eerste lid bedoelde aanwijzing behoort in ieder geval de verplichting dat niet aangeslagen herplant moet worden vervangen. 4.Het college kan aan de omgevingsvergunning voorschriften verbinden over het werken rondom de te handhaven houtopstanden. Artikel7.10dHerplant- en instandhoudingsplicht 1.Indien een, op grond van artikel 7.10a van deze verordening, beschermde houtopstand zonder vergunning van het college is geveld, dan wel op ernstige wijze is beschadigd waardoor deze in het voortbestaan wordt bedreigd kan het bevoegd gezag de verplichting tot herplant opleggen. 2.Deze herplant moet uitgevoerd worden overeenkomstig de door hen te geven specificaties en aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn. Deze verplichting wordt opgelegd aan: de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de beschermde houtopstand bevond dan wel aan; degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is. 3.Onder de in eerste lid bedoelde aanwijzing behoort in ieder geval de verplichting dat niet aangeslagen herplant moet worden vervangen. Artikel7.11Bestrijding van boomziekten 1.Indien zich op een terrein één of meer houtopstanden bevinden die naar het oordeel van het college gevaar opleveren van verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van de ziekteverspreiders zoals bacteriën, schimmels en insecten, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het college is aangeschreven, verplicht binnen de bij de aanschrijving vast te stellen termijn: houtopstand(
  6. en)te vellen of te doen vellen; conform richtlijnen van het college de gevelde houtopstand direct zodanig te behandelen dat verspreiding van de boomziekte wordt voorkomen. 2.Het is verboden gevelde houtopstand(
  7. en)of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren, indien het een boomsoort betreft die de desbetreffende boomziekte kan verspreiden. Indien er voor de betreffende boomziekte landelijke erkende protocollen zijn opgesteld moet volgens dit protocol worden gehandeld. 3.Het college kan ontheffing verlenen van het onder het tweede lid gestelde verbod. 4.Het niet voldoen aan de in het eerste lid bedoelde aanschrijving biedt een basis voor de toepassing van bestuursdwang, waarbij de noodzakelijke werkzaamheden, voor risico en rekening van de aangeschrevene, door of namens het bevoegd gezag kunnen worden verricht. Artikel7.11aBescherming publieke houtopstand 1.Het is verboden om houtopstanden, die publiek eigendom zijn: te beschadigen, te bekladden of te beplakken; daaraan snoeiwerk te verrichten, behoudens door het college opgedragen boomverzorgende taken. 2.Het is verboden om één of meer voorwerpen in of aan een publieke houtopstand aan te brengen of anderszins te bevestigen, behoudens een ontheffing van het college. Artikel7.11bAfstand bomen tot de erfgrens De afstand als bedoeld in artikel 5:42, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek wordt vastgesteld op 0 meter voor bomen, indien het bomen betreft: binnen de bosrijke wijken in Epe en Vaassen, zoals aangegeven op de bomenkaart die via de gemeentelijke website raadpleegbaar is. Binnen locaties die in het omgevingsplan zijn aangeduid als ‘Bos’ of ‘Bos – Bostuin’, dan wel locaties waarvoor in het omgevingsplan regels gelden die inhoudelijk overeenkomen met die voor ‘Bos’ of ‘Bos – Bostuin’. Artikel7.11cToezicht 1.Met het toezicht op de naleving van het bepaalde in de artikelen 7.10a en 7.10d van deze verordening zijn belast de medewerkers van de afdeling Vergunningen, Toezicht & Handhaving. 2.Voorts is het bepaalde in artikel 9.2 van deze verordening van toepassing. Afdeling7.4 Evenementen (Gereserveerd) Afdeling7.5 Markten en standplaatsen op de markt Artikel7.12Inrichting van de markt en de branche-indeling 1.Het college bepaalt ten aanzien van de markt: het aantal standplaatsen; de afmetingen van de standplaatsen; de opstelling en indeling van de markt; welke standplaatsen worden toegewezen als vaste standplaats en als standwerkersplaats. 2.Het college kan voor de markt vaststellen: een lijst met artikelengroepen of branches; een maximumaantal standplaatsen per branche. Artikel7.13Nadere regels Het college kan nadere regels stellen betreffende het bepaalde in deze verordening over markten welke overeenkomstig de bepalingen van de Gemeentewet door het college zijn of worden vastgesteld. Artikel7.14Standplaatsvergunning Het is verboden een standplaats op een markt in te nemen zonder vergunning van het college. Artikel7.15Vereisten Voor de toewijzing van een standplaats komt uitsluitend in aanmerking een handelingsbekwaam natuurlijk persoon die de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt en een aanvraag voor een vergunning heeft ingediend bij het college. Artikel7.16Intrekking vaste standplaatsvergunning 1.Het college trekt een vaste standplaatsvergunning in: op schriftelijk verzoek van de vergunninghouder; bij overlijden van de vergunninghouder, tenzij op grond van artikel 7 van het marktreglement van de gemeente Epe de vergunning wordt overgeschreven. 2.Het college kan een vaste standplaatsvergunning intrekken: indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt; indien de vergunninghouder niet meer voldoet aan de in artikel 7.15 van deze verordening genoemde vereisten. 3.Indien degene op wie een vergunning ingevolge artikel 7 van het marktreglement van de gemeente Epe is overgeschreven, al vergunning heeft voor een andere vaste standplaats op dezelfde markt, wordt laatstgenoemde vergunning ingetrokken. Artikel7.17Intrekking en schorsing vaste standplaatsvergunning Onverminderd het bepaalde in artikel 7.16 van deze verordening kan het college een vergunning voor een vaste standplaats, al dan niet voorwaardelijk, intrekken, dan wel telkens voor ten hoogste vier achtereenvolgende marktdagen schorsen, indien de vergunninghouder of een persoon die hem bijstaat: het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de voorschriften van de vergunning overtreedt; zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet. Artikel7.18Uitsluiting dagplaatshouder of standwerker Het college kan een vergunninghouder van een dagplaats of een standwerkersplaats van de toewijzing van een dagplaats of een standwerkersplaats uitsluiten voor ten hoogste vier marktdagen, indien deze: het bepaalde bij of krachtens deze verordening overtreedt; zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet. Artikel7.19Onmiddellijke verwijdering Onverminderd het bepaalde in artikel 125 van de Gemeentewet kan het college een vergunninghouder gelasten zich onmiddellijk van de markt te verwijderen indien hij: overtreedt; zich op de markt schuldig maakt aan wangedrag of bedrog het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de voorschriften van de vergunning. Artikel7.20Toezicht markt Met het toezicht op de naleving van het bepaalde van de artikelen over de markt zijn belast de marktmeester en de bij besluit van het college aangewezen personen. Artikel7.21Voorschriften en beperkingen 1.Het college kan voorschriften en beperkingen verbinden aan markt- en standplaatsvergunningen, ter bescherming van de belangen in verband waarmee de markt- en standplaatsvergunning is vereist. 2.Degene aan wie een markt- of standplaatsvergunning is verleend is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen in acht te nemen. Artikel7.22Toestemming rechthebbende Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen. Afdeling7.6 Standplaatsen buiten de markt Artikel7.23Definitie 1.In deze afdeling wordt onder standplaats verstaan: het vanaf een vaste plaats op of aan de openbare weg en in de openbare ruimte gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden, gebruik makend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel. 2.Onder standplaats wordt niet verstaan: een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet; een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:4 van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Epe 2026. Artikel7.24Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 1.Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. 2.Het college weigert de vergunning wegens strijd met het tijdelijke Omgevingsplan. 3.Onverminderd het bepaalde in artikel 3.4 van deze verordening kan de vergunning worden geweigerd als: de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang. 4.Het college kan plaatsen aanwijzen en nadere regels stellen voor het innemen van een standplaats. Artikel7.25Toestemming rechthebbende Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen. Artikel7.26Afbakeningsbepalingen 1.Artikel 7.24, eerste lid, van deze verordening, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet of een op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Omgevingsverordening Gelderland. 2.De weigeringsgrond van artikel 7.24, derde lid, onder a van deze verordening, is niet van toepassing voor bouwwerken. Afdeling7.7 Begraafplaatsen Artikel7.27Grafkelder Het college kan aan de rechthebbende op een particulier graf vergunning verlenen tot het daarin voor eigen rekening doen aanbrengen van een grafkelder overeenkomstig de door het college te stellen voorwaarden. Artikel7.28Vergunning grafbedekking 1.Voor het plaatsen van grafbedekking waaronder een gedenkteken is een vergunning nodig van het college. 2.De rechthebbende van een particulier graf vraagt de vergunning voor het hebben van grafbedekking aan. 3.Het college kan nadere regels vaststellen over de aard en de afmetingen van de grafbedekking en de wijze van aanbrengen. 4.Het college kan de vergunning weigeren indien: niet voldaan wordt aan de vastgestelde nadere regels, genoemd in het derde lid; het gedenkteken afbreuk doet aan het aanzien van de begraafplaats; de duurzaamheid van de materialen onvoldoende is; de constructie van het gedenkteken ondeugdelijk is. 5.Voor de begraafplaatsen aan de Tongerenseweg te Epe en de Zwanenweg te Vaassen zijn in de Regels grafbedekkingen aanvullende eisen gesteld met betrekking tot de grafbedekking van opnieuw uit te geven graven. Artikel7.29Grafbeplanting 1.Niet-blijvende beplanting (seizoensaanplant) op een graf dat in een verwaarloosde staat verkeert maar ook sterk wortelende onkruiden kunnen door de medewerker begraafplaatsen worden verwijderd zonder dat er aanspraak kan worden gemaakt op schadevergoeding 2.Losse bloemen, planten, kransen en dergelijke worden, wanneer zij verwelkt zijn, door de medewerker begraafplaatsen verwijderd. Linten, siervazen en dergelijke voorwerpen worden gedurende dertien weken ter beschikking gehouden van de rechthebbende of, wanneer het een algemeen graf betreft, van de belanghebbende indien deze daartoe tevoren een aanvraag heeft ingediend bij de opdrachtgever. 3.De winterharde gewassen die op de graven worden geplant mogen bij volle wasdom de voor het graf beschikbare oppervlakte niet overschrijden en moeten door besnoeiing (door de rechthebbende) binnen de oppervlakte worden gehouden en daarbij dient rekening gehouden te worden met het volgende: de hoogte mag de maximale afmetingen van het grafmonument niet overschrijden; het grafmonument dient te allen tijde leesbaar te zijn; het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen is niet toegestaan. Artikel7.30Onderhoud gedenkteken en/of grafbedekking door rechthebbende 1.Het (doen) plaatsen, aanbrengen, herstellen, vernieuwen of verwijderen en het schoonhouden van het gedenkteken en/of grafbedekking geschiedt door, voor rekening en voor risico, van de rechthebbende. 2.De rechthebbende is verplicht het gedenkteken en/of grafbedekking behoorlijk te onderhouden of te herstellen. Schade als gevolg van brand, vandalisme, vorst, wateroverlast en andere van buiten komende oorzaken, of ontstaan door het weghalen en terugplaatsen van een gedenkteken ten behoeve van een bijzetting of opgraving en eventuele gevolgschade voor derden, is voor risico en rekening van de rechthebbende. 3.Het college kan de rechthebbende per aanschrijving verplichten een beschadiging aan het gedenkteken en/of de grafbedekking te herstellen binnen de door het college gestelde termijn, indien de beschadiging zodanig is dat deze naar het oordeel van het college het uiterlijk aanzien van de begraafplaats schaadt of gevaar oplevert voor derden. 4.Indien de rechthebbende nalaat het gedenkteken en/of grafbedekking behoorlijk te onderhouden of te herstellen, kan het college de hiervoor in aanmerking komende voorwerpen of zo nodig de gehele grafbedekking doen verwijderen. Het verwijderde blijft gedurende dertien weken ter beschikking van de rechthebbende en vervalt daarna aan de gemeente, zonder dat deze tot enige vergoeding verplicht is 5.De verwijdering vindt pas plaats nadat het college de rechthebbende door middel van een verklaring schriftelijk op de hoogte heeft gesteld van de toestand van het gedenkteken en/of grafbedekking. 6.Wanneer het adres van de rechthebbende of de gebruiker niet bekend is maakt het college de verklaring bij de ingang van de begraafplaats op het mededelingenbord bekend. Bij het graf wordt een verwijzing naar de mededeling aangebracht. Artikel7.31Verwijdering gedenkteken en/of grafbedekking na verstrijken van de termijn 1.Het gedenkteken en/of grafbedekking wordt na het verstrijken van de termijn van uitgifte van het graf, indien de grafrechten niet worden verlengd, door het college verwijderd. 2.Het voornemen tot verwijdering van het gedenkteken en/of grafbedekking maakt het college vooraf per brief aan de rechthebbende bekend. Wanneer het adres van de rechthebbende niet bekend is, maakt het college het voornemen tot verwijdering van het gedenkteken en/of grafbedekking gedurende een jaar voorafgaande aan het tijdstip waarop de grafbedekking zal worden verwijderd door middel van een bij het graf te plaatsen bordje en bij de ingang van de begraafplaats bekend. 3.Indien het gedenkteken en/of grafbedekking niet binnen dertien weken na de verwijdering is opgehaald, vervalt deze aan de gemeente, zonder dat de gemeente tot enige vergoeding verplicht is. Afdeling7.8 Kamperen Artikel7.32Begripsbepalingen In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. Artikel7.32aRecreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 1.Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het tijdelijke Omgevingsplan is bestemd of mede bestemd. 2.Het verbod geldt niet voor: het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein; het plaatsen van een camper of kampeerauto op een door het college aangewezen camper overnachtingsplaats voor maximaal 72 uur, mits het op die plaats aangegeven aantal niet wordt overschreden. 3.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid. 4.Onverminderd het bepaalde in artikel 3.4 van deze verordening kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van: natuur en landschap; een dorps- of stadsgezicht. Artikel7.33Slapen op openbare plaatsen Het is verboden een openbare plaats als slaapplaats te gebruiken of op een openbare plaats in een voertuig te overnachten. Artikel7.34Aanwijzing kampeerplaatsen 1.Het verbod van artikel 7.32, eerste lid, van deze verordening is niet van toepassing op de door het college aangewezen plaatsen. 2.Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd in artikel 7.32, vierde lid, van deze verordening. Artikel7.35Paddenstoelen en mossen 1.Het is verboden paddenstoelen en mossen, of delen daarvan: van hun groeiplaats te verwijderen; onder zich te hebben of te koop aan te bieden. 2.Het bepaalde in het eerste lid van dit artikel is van toepassing op: alle soorten paddenstoelen (Funghi); alle soorten veenmossen (Sphagnum); alle soorten niet op stenen groeiende korstmossen (Lichenes); kussentje mos (Leucobryum glaucum). 3.Het bepaalde in het eerste lid van dit artikel geldt niet, indien de in het eerste lid van dit artikel genoemde handelingen geschieden in het kader van werkzaamheden, die verband houden met normaal onderhoud en/of exploitatie van terreinen. Afdeling7.9 Crossen Artikel7.36Crossterreinen 1.Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd of buiten wedstrijdverband een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. 2.Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: het voorkomen of beperken van overlast; de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek. 3.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet of een op grond van deze wet vastgestelde algemene maatregelen van bestuur, de Zondagswet of het Besluit geluidsproductie sportmotoren. Artikel7.37Beperking verkeer in natuurgebieden 1.Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard. 2.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: het voorkomen van overlast; de bescherming van natuur- of milieuwaarden; de veiligheid van het publiek. 3.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden: ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten; die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen zoals bedoeld in het eerste lid; die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen zoals bedoeld in het eerste lid; voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen. 4.Het verbod in het eerste lid is voorts niet van toepassing: op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994; binnen de bij of krachtens de Omgevingsverordening Gelderland aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens deze verordeningen zijn aangewezen als ‘toestel’. 5.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Afdeling7.10 Honden en landbouwhuisdieren Artikel7.38Loslopende honden 1.Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats; op openbare plaatsen binnen de bebouwde kom op de weg als de hond niet is aangelijnd; buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats als de hond niet is aangelijnd; op de weg als die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen. 2.Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen. 3.Het eerste lid, aanhef en onder a tot en met c is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond: die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden; die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond. Artikel7.39Verontreiniging door honden en landbouwhuisdieren 1.Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is verplicht ervoor te zorgen dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet: op een gedeelte van de weg dat bestemd of mede bestemd is voor het verkeer van voetgangers; op een voor het publiek toegankelijke en als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak, speelweide of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen of op een door het college aangewezen plaats. Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden. 3.De eigenaar of houder van een landbouwhuisdier is verplicht ervoor te zorgen dat het landbouwhuisdier zich binnen de bebouwde kom niet van uitwerpselen ontdoet op trottoirs en met de borden G7, G11 en G12a of G13 van het Reglement Verkeerstekens en Verkeerregels 1990 als zodanig aangegeven voetpaden, fietspaden en fiets/bromfietspaden. 4.Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 5.De strafbaarheid wegens overtreding van de in het eerste lid gestelde gebod wordt opgeheven indien de eigenaar of houder van de hond of het landbouwhuisdier er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd. 6.De strafbaarheid wegens overtreding van het derde lid gestelde verbod wordt opgeheven indien de eigenaar of houder van het landbouwhuisdier er zorg voor draagt dat de uitwerpselen zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval binnen een termijn van drie uur worden verwijderd. 7.Degene die zich met een hond op een openbare plaats binnen de bebouwde kom bevindt, is verplicht een doeltreffend hulpmiddel bij zich te hebben dat geschikt is voor het verwijderen van de uitwerpselen. Het college kan in nadere regels vaststellen welke hulpmiddelen doeltreffend zijn. 8.Degene die zich met een hond op een openbare plaats binnen de bebouwde kom bevindt, is verplicht dit hulpmiddel op eerste vordering van een toezichthoudend ambtenaar te tonen. Afdeling7.11 Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente Artikel7.40Definities In deze

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.