← Nederland

Projectbesluit dijkversterking Buggenum (Waterschap Limburg)

Kort samengevat

Dit Projectbesluit regelt de versterking van de primaire dijk bij Buggenum, die niet voldoet aan de wettelijke waterveiligheidsnormen. Het beschrijft hoe de dijk wordt versterkt, welke effecten worden verwacht en welke maatregelen worden genomen om negatieve gevolgen te beperken.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

/akn/nl/act/waterschap/2025/CVDR739170 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/ws0665/2024/Regelingf51f26866e3044c69579c319f594ae17 /join/id/stop/work_019 2025-05-12 2025-05-12 /akn/nl/act/waterschap/2025/CVDR739170/nld@2025-06-03 /join/id/proces/ws0665/2024/procedure837b43e084644c72a6344448726f8c1b 2025-06-03 2025-06-04 2025-06-03 2025-06-04 2025-06-03 2025-06-04 /akn/nl/act/ws0665/2024/Regelingf51f26866e3044c69579c319f594ae17/nld@2025-05-08;07432622 /akn/nl/act/ws0665/2024/Regelingf51f26866e3044c69579c319f594ae17 /akn/nl/act/ws0665/2024/Regelingf51f26866e3044c69579c319f594ae17/nld@2025-05-08;07432622 /join/id/stop/work_019 1 Ontwerp projectbesluit dijkversterking Buggenum 1 Inleiding 1.1 Aanleiding dijkversterkingsprogramma en doel Projectbesluit Omgevingswet Waterschap Limburg (WSL) is verantwoordelijk voor de veiligheid, het onderhoud en het beheer van de primaire waterkeringen in haar gebied. Een primaire waterkering is een dijk of andersoortige waterkering die het achterliggende gebied beschermt tegen hoge waterstanden in grote wateren, zoals meren, rivieren en de zee. In de Waterwet, thans opgenomen in de Omgevingswet, staan normen, richtlijnen en regels over de hoogte, sterkte en bekleding van deze dijken. De waterkeringen moeten hieraan voldoen. Alle primaire keringen in Nederland worden elke 6 tot 12 jaar getoetst. De beoordeling wordt uitgevoerd aan de hand van het Wettelijk Beoordelingsinstrumentarium 2017 (WBI2017). Uit de beoordeling volgt dan welke dijktrajecten wel en niet voldoen aan de wettelijke norm. In 2050 moeten alle primaire keringen in Nederland voldoen aan deze norm. De keringen die niet voldoen aan de norm, worden voor versterking aangemeld bij het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP). Het HWBP is een alliantie van Rijkswaterstaat en de 21 waterschappen, die samenwerken aan versterking van de dijken. Daarnaast treft het waterschap voorzieningen om de veiligheid tot aan de versterking te garanderen, bijvoorbeeld door het bijstellen van calamiteitenplannen en het intensiveren van beheer en onderhoud. De primaire dijk bij Buggenum, onderdeel van dijktraject 75-1, gelegen in het beheergebied van Waterschap Limburg, voldoet niet aan de wettelijke waterveiligheidsnormen en dient te worden versterkt. Op grond van artikel 5.44, eerste lid en artikel 5.46, tweede lid van de Omgevingswet dient voor de aanleg, verlegging of versterking van primaire waterkeringen een Projectbesluit te worden opgesteld. Het Projectbesluit is een instrument voor waterschappen, provincies en het Rijk. Het doel van het Projectbesluit is het mogelijk maken van complexe projecten met een publiek belang. Hiervoor worden de processtappen doorlopen zoals beschreven in paragraaf 1.2. 1.2 Planproces dijkversterking: aanpak Het HWBP werkt aan de hand van een systematiek die ontleend is aan de werkwijze uit het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT). Dit betekent dat de volgende fasen doorlopen worden: de voorverkenning, de verkenning, de planuitwerking en de realisatie. Momenteel bevindt het project dijkverbetering Buggenum zich aan het einde van de planuitwerkingsfase. Het proces van dijkversterking delen we op in drie verschillende fasen (zie figuur 1.1): Voorverkenningsfase: • Bepalen van de opgave. Verkenningsfase: • Inventariseren • Start (veld)onderzoeken • Samenstellen en onderzoeken alternatieven • Vaststellen voorkeursalternatief. Planuitwerkingsfase: • Uitwerken voorkeursalternatief • Opstellen Projectbesluit Omgevingswet Procedure, zienswijze • Start grondverwerving • Start aanbesteding aannemer. Realisatiefase: • Uitvoering van de werken. Figuur 1.1 Projectfasen De voorverkenning is gericht op het bepalen van de opgaven van een dijkversterkingsproject. Bij de start van de verkenningsfase zijn mogelijke oplossingsrichtingen bepaald en geselecteerd. De verkenningsfase richt zich op het – samen met betrokken stakeholders – verkennen van de mogelijke oplossingsrichtingen en eindigt met de keuze van een voorkeursalternatief (VKA). Het VKA is de bestuurlijke voorkeur voor het tracé en het type waterkering. Dit VKA is opgenomen in de Nota Voorkeursalternatief en ter vaststelling aan het Dagelijks Bestuur van het Waterschap Limburg voorgelegd. Op 8 januari 2019 is de nota VKA Buggenum vastgesteld (zie bijlage VIII-A Nota Voorkeursalternatief). In de planuitwerkingsfase worden het voorkeursalternatief en eventuele restpunten verder uitgewerkt en gedetailleerd. Het uiteindelijke ruimtebeslag (hoogte en breedte) kan afwijken van het vastgestelde voorkeursalternatief. In bijlage IIIbij dit projectbesluit is de III Tabel afweging restpunten en optimalisaties opgenomen, waarin de restpunten in het ontwerp die na vaststelling van het VKA nog openstonden zijn afgewogen. Het uiteindelijke ingepaste voorkeursalternatief (het referentieontwerp) wordt vastgelegd in het Projectbesluit. Het Projectbesluit is door het Dagelijks Bestuur van het waterschap vastgesteld en ter visie gelegd, met gelegenheid om zienswijzen in te dienen. Na verwerking van de zienswijzen in het definitieve Projectbesluit is dit door het Dagelijks Bestuur van het waterschap vastgesteld en ter goedkeuring aan Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg voorgelegd. Na goedkeuring wordt het Projectbesluit ter inzage gelegd en is er gelegenheid om beroep in te stellen. Parallel aan de voorbereiding van het Projectbesluit heeft de voorbereiding van de realisatie plaatsgevonden. Het referentieontwerp is op onderdelen, voor de uitvoering, nader uitgewerkt. Een nadere uitwerking dient te passen binnen het ruimtebeslag dat is vastgelegd op het Overzicht dijkvakken en de dwarsprofielen bij dit Projectbesluit Omgevingswet. Nadat het Projectbesluit van kracht is, start de uitvoering van de werkzaamheden, conform het vastgestelde Projectbesluit. Gekoppeld aan het Projectbesluit is voor dijktraject Buggenum een mer-beoordelingsprocedure doorlopen. Zoals nader beschreven in paragraaf 9.2, is in de mer-beoordelingsnotitie in beeld gebracht of, en zo ja welke milieueffecten er kunnen optreden en of dit kan leiden tot aanzienlijke milieueffecten. Het II Besluit Mer-beoordeling is opgenomen in bijlage II bij dit Projectbesluit. In de onderstaande paragraaf 1.3 wordt het Projectbesluit Omgevingswet nader toegelicht. 1.3 Ontwerp Projectbesluit Omgevingswet 1.3.1 Aanleiding en doel Dijktraject Buggenum is één van de dijktrajecten die versterkt dienen te worden in het hoogwaterbeschermingsprogramma door Waterschap Limburg. Het huidige dijktraject betreft een dijk, bestaande uit een groene dijk, of een combinatie van damwand en dijk. De kering is 1.300 meter lang en afgekeurd op de vereiste hoogte over het gehele traject. De hoogteopgave is zodanig dat de kering op faalmechanismen overloop, overslag en piping opnieuw wordt ontworpen. Voor deze kering is een signaleringswaarde van 1/300e (overstromingskans per jaar) van kracht, met een bijbehorende ondergrens van 1/100e (Ministerie van Infrastructuur en Milieu, 2016). De opgave voor dit dijktraject is een benodigde kruinhoogte (ontwerphoogte) van NAP + 22,4– 22,8 meter (bij zichtjaar 2075), afhankelijk van de dijksectie en de keuze tussen dijk of constructie. De hoogte van de huidige keringen liggen rond de NAP + 20,5 meter. De hoogteopgave is daarmee circa 2 meter. De kering moet bovendien op een nieuw punt aansluiten op hoger gelegen grond. Om de dijkversterking te mogen uitvoeren moet een aantal wettelijke procedures worden doorlopen. De belangrijkste hiervan is de vaststelling van het Projectbesluit Omgevingswet. Het Projectbesluit is een besluit van het waterschap en legt vast op welke wijze de kering wordt versterkt, welke effecten worden verwacht, welke maatregelen worden genomen om negatieve gevolgen zoveel mogelijk te beperken en welke inpassingsmaatregelen worden genomen. Met dit Projectbesluit wordt het maximale, permanente ruimtebeslag van de dijkversterkingsmaatregel inclusief de daarbij integraal ontworpen inpassingsmaatregelen vastgelegd. Dit ruimtebeslag is vastgelegd op het Overzicht dijkvakken. Naast het permanente ruimtebeslag is tijdelijk ruimtebeslag nodig ten behoeve van de uitvoeringswerkzaamheden. Van het tijdelijk ruimtebeslag is een reële inschatting gemaakt. Deze inschatting vormde het vertrekpunt bij de grondverwerving om hier het tijdelijke gebruik van te regelen met de grondeigenaren en/of gebruikers. Tevens is dit tijdelijk ruimtebeslag gebruikt als basis voor de effectbeoordeling, onder andere in voorliggend Projectbesluit en in de mer-beoordeling. Dit tijdelijke ruimtebeslag is definitief vastgesteld op basis van de uitvoeringswijze van de aannemer. Ten behoeve van de nieuwe waterkering zijn eveneens nieuwe werkingsgebieden vastgesteld die deels buiten het permanente ruimtebeslag vallen. De gewijzigde kernzone en beschermingszones zijn vastgelegd in het Besluit wijziging werkingsgebieden Waterschapsverordening Limburg. Dit besluit is parallel met het Projectbesluit opgesteld en in procedure gebracht en is nader toegelicht in hoofdstuk 8 van dit Projectbesluit. 1.3.2 Wettelijke grondslag Bij de aanleg of wijziging van waterstaatswerken door de beheerder dient op basis van artikel 5.44, eerste lid en artikel 5.46, tweede lid van de Omgevingswet een Projectbesluit te worden vastgesteld. Omdat het gaat om een primaire waterkering wordt het Projectbesluit voorbereid met toepassing van de projectprocedure, zoals vastgelegd in afdeling 5.2 van de Omgevingswet. Op basis van deze procedure wordt de vergunningverlening en de ter inzagelegging van de benodigde (ontwerp) besluiten gecoördineerd door Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg. Bevoegd bestuursorgaan voor het vaststellen van het Projectbesluit is het Dagelijks bestuur van Waterschap Limburg. Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg dienen het Projectbesluit vervolgens goed te keuren. Nadat het Ontwerp Projectbesluit ter inzage is gelegd, de ingediende zienswijzen zijn behandeld, de Nota van Antwoord is geformuleerd en aanpassingen vanuit de zienswijzen en ambtshalve wijzigingen zijn doorgevoerd, is het definitieve projectbesluit vastgesteld door het Dagelijks Bestuur van het waterschap. Het definitieve Projectbesluit is ter goedkeuring voorgelegd aan de Gedeputeerde Staten van Limburg. Na goedkeuring door Gedeputeerde Staten is het goedkeuringsbesluit en projectbesluit bekend gemaakt. Er kan beroep worden ingesteld tegen beide besluiten. 1.4 Leeswijzer In de hoofdstukken 1 t/m 5 wordt de grondslag voor het Projectbesluit uitgelegd en wordt inzicht geboden in de beweegredenen en overwegingen die hebben geleid tot dit besluit. Er volgt een gedetailleerde beschrijving van de beoogde werkzaamheden en uitvoerbaarheid binnen het Projectbesluit. Hierin worden onder andere het project zelf, het projectgebied en plangebied, meekoppelkansen en de technische randvoorwaarden en uitgangspunten behandeld. Daarnaast wordt ingegaan op grondverwerving en eventuele onteigening. Hoofdstuk 6 t/m 10 richten zich op de verantwoording van het Projectbesluit. Behandeld worden de randvoorwaarden uit wet- en regelgeving en beleidskaders. De relatie tussen het Projectbesluit en het omgevingsplan wordt uitgelegd. Tevens wordt ingegaan op de te treffen maatregelen om het project uit te voeren, inclusief maatregelen tijdens de bouw- en aanlegfase en de aspecten van beheer en onderhoud. Daarnaast wordt besproken in welke gevallen het Projectbesluit tevens als omgevingsvergunning geldt, en wordt een toelichting gegeven op de benodigde uitvoeringsbesluiten. Tot slot wordt ingegaan op het samenwerkingsproces met de bevoegd gezagen en het participatieproces dat met de omgeving is doorlopen. 2 Dijkversterkingsmaatregel 2.1 Inleiding De dijkversterkingsmaatregel Buggenum maakt onderdeel uit van het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP). Waterschap Limburg kent een primaire doelstelling (het versterken van de huidige kering; hoogwaterveiligheid) en een secundaire doelstelling (het versterken van de gebiedskwaliteiten; ruimtelijke kwaliteit). Beide doelstellingen worden hieronder toegelicht. Vervolgens wordt het plangebied van de dijkversterkingsmaatregel nader toegelicht. Ten slotte worden de doelstellingen van het Waterschap Limburg concreet gemaakt voor de dijkversterkingsmaatregel Buggenum. De dijk bij Buggenum voldoet niet aan de wettelijke waterveiligheidsnormen en dient te worden versterkt. Sinds 1 januari 2017 is er een nieuwe landelijke waterveiligheidsnorm; de zogeheten overstromingsnorm. Voor het dijktraject Buggenum betekent dit dat het ontwerp van de nieuwe keringen gebaseerd dient te worden op een ondergrenswaarde van 1/100 per jaar [zie 12.1]. Bij de periodieke wettelijke beoordeling van de dijktrajecten wordt traject Buggenum getoetst op een signaleringswaarde van 1/300e (overstromingskans per jaar)[zie 12.2]. De dijk is afgekeurd op verschillende faalmechanismen, te weten: a. Overloop en overslag: bij hoogwater kan er water over de dijk slaan; b. Piping: als gevolg van de hoge waterdruk kunnen zandlagen onder de dijk uitspoelen en zo de fundering van de dijk aantasten; c. Bekleding: door erosie van gras en/of bekleding kan de dijk falen; d. Micro-instabiliteit: bij langdurig hoogwater kan de dijk zijn stevigheid verliezen doordat water door de dijk stroomt en aan de binnenkant naar buiten komen. De bekleding van de dijk (klei of gras) wordt dan omhoog gedrukt en er ontstaan scheuren en verzakkingen. e. Kunstwerken: een drietal kunstwerken voldoen niet op het faalmechanisme betrouwbaarheid sluiten. Dit betreft een overstortleiding, doorlaatmiddel voor de Ziep en coupure ter plaatse van de Dorpsstraat. De coupure ter plaatse van de Dorpsstraat vervalt in de nieuwe situatie. Verschillende dijkvakken zijn afgekeurd op verschillende faalmechanismen. Tabel 2.1 geeft aan op welke faalmechanismen de dijkvakken zijn afgekeurd. Bij elk faalmechanisme horen andere versterkingsvormen die toegepast worden. Tabel 2.1: Faalmechanisme waar dijkvakken Buggenum op zijn afgekeurd

(2024)Dijkvak Faalmechanisme waar dijkvak op is afgekeurd Dijkvak 1 Overloop en overslag, piping [12.3] Dijkvak 2 Overloop en overslag Dijkvak 3 Piping, overloop en overslag Dijkvak 4 Piping, overloop en overslag Dijkvak 5 Piping, overloop en overslag, bekleding Dijkvak 6 Piping, overloop en overslag, micro-instabiliteit Dijkvak 7 Piping [12.4] Figuur 2.0 Faalmechanismen 2.2 Doelstellingen HWBP 2.2.1 Primaire doelstelling versterkingsopgave Hoogwaterbescherming is voor een laaggelegen land als Nederland essentieel. Om te voorkomen dat het achterland in Nederland overstroomt, zijn dijken aangelegd. Deze dijken liggen langs de kust en langs de grote rivieren. Eén van deze grote rivieren is de Maas. In 1993 en 1995 vonden er overstromingen plaats in het stroomgebied van de Maas. Om nieuwe overstromingen te voorkomen, zijn in 1995 en 1996 onder de noodwet keringen aangelegd op verschillende plekken langs de Maas. De veronderstelling was dat dit deels tijdelijke maatregelen waren in afwachting van rivierverruiming. Vrijwel alle toen aangelegde keringen bleken echter blijvend nodig te zijn. In 2005 hebben de keringen langs de Maas de wettelijke status “primaire waterkeringen” gekregen. In 2010 zijn de keringen in Limburg getoetst en voor een groot deel afgekeurd. De afgekeurde Limburgse keringen zijn ingebracht bij het landelijke Hoogwaterbeschermingsprogramma. In de Bestuursovereenkomst Waterveiligheid Maas (november 2011) zijn afspraken gemaakt tussen het Rijk, Provincie Limburg en Waterschap Limburg over (onder meer) de dijkversterkingen. Overeengekomen is om de primaire (water)keringen in het Maasdal een beschermingsniveau op basis van een overschrijdingskans van 1/250e per jaar te geven, door de resterende (nog niet versterkte) waterkeringen te verbeteren (het sluitstuk van de Maasbeveiliging). Op 1 januari 2017 is de Waterwet gewijzigd. Er zijn nieuwe wettelijke normen voor hoogwaterveiligheid in werking getreden. Voor ieder dijktraject bestaan de wettelijke normen uit twee delen, beide uitgedrukt in een overstromingskans per jaar. Ten eerste de ondergrens, de overstromingskans per jaar waarop het dijktraject gedurende de gehele levensduur ten minste berekend moet zijn. Daarnaast de signaleringswaarde, de overstromingskans per jaar die de beheerder het sein geeft dat de waterkering op termijn versterkt moet worden. Voor dijktraject Buggenum betreft dit een ondergrens van 1/100e per jaar en een signaleringswaarde van 1/300e (overstromingskans per jaar). Na dijkversterking dient de waterkering gedurende de gehele levensduur in ieder geval veiliger te zijn dan de ondergrenswaarde. Bij het ontwerpen van de kering wordt rekening gehouden met toekomstige ontwikkelingen, zoals klimaatverandering en bodemdaling, zodat de kering ook in de toekomst voldoende bescherming biedt. Voor oplossingen met grond (dijklichaam) wordt standaard ontworpen op de omstandigheden die over 50 jaar kunnen optreden (zichtjaar 2075). Voor constructieve oplossingen (zoals een damwand) wordt ontworpen op de omstandigheden die kunnen optreden gedurende de gehele levensduur van deze constructie. Hiervoor wordt een periode van 100 jaar aangehouden (zichtjaar 2125). Het doel van het project dijkversterking Buggenum is om een sobere, doelmatige, en waterveilige dijkversterking te realiseren die voldoet aan de normen van de Omgevingswet en aansluit op de financiële kaders van de subsidieregeling HWBP, met een ambitie om de tot nu toe duurzaamste dijkversterking van Nederland te realiseren. Daarbij streven we naar een optimale samenwerking met zowel de markt als de lokale gemeenschap. Het doel is om te komen tot een beheerbaar, duurzaam ontwerp met ruimtelijke kwaliteit en draagvlak bij de betrokkenen, waarbij uitvoeringsrisico's geminimaliseerd worden. 2.2.2 Secundaire doelstelling: ruimtelijke kwaliteit We passen de dijk zo goed mogelijk in, in het bestaande landschap. Hiertoe passen we de vijf leidende principes uit het document ‘Ruimtelijke kwaliteit Noordelijke Maasvallei’ toe. Concreet betekent dit dat het dijktracé waar mogelijk bestaande landschappelijke structuren volgt met een vloeiende lijn door het landschap. Het aantal (scherpe) knikpunten wordt zoveel mogelijk beperkt. We richten de dijk en versterkingsmaatregelen in op multifunctioneel ruimtegebruik. We hebben hierbij aandacht voor de verbinding tussen het dorp Buggenum en de Maas. Waar het kan benutten we kansen voor recreatief medegebruik. In paragraaf 4.4 van dit Projectbesluit wordt nader ingegaan op de ruimtelijke kwaliteit. 2.3 Het plangebied 2.3.1 Het plangebied Het plangebied van de dijkversterking bevindt zich binnen het grondgebied van de gemeente Leudal. De woonkern die gelegen is in het plangebied is Buggenum. De belangrijkste landschappelijke dragers van dit gebied zijn de Maas en lateraalkanaal Linne-Buggenum. Ten zuiden van Buggenum splitst de Maas zich in het lateraalkanaal Linne-Buggenum en de rivierloop van de Maas. Langs een deel van de dijkversterking ligt een voormalig koelwaterkanaal. Hier is ook een afmeervoorziening aanwezig. Op dit moment kent het dijktraject van Buggenum ongeveer 1,3 kilometer dijk (blauwe lijnen in figuur 2.1). De dijk is een primaire waterkering die aan de noordwestzijde van de Maas ligt. De dijkversterking betreft 3,1 kilometer, op het grootste deel van dit traject is nu nog geen primaire waterkering aanwezig. De huidige primaire kering in het deel Haanweg maakt geen onderdeel uit van dit projectbesluit. Het deel Haanweg heeft na uitvoering van de dijkversterking gelet op de aansluiting op hoge grond geen functie meer en verliest zijn status als primaire kering/hoge grond. De scope van het dijktraject Buggenum bestaat uit het versterken en aansluiten van de dijk op de ‘hoge grond’. Figuur 2.1 Huidige situatie dijk Buggenum Het bestaande dijktraject bestaat afwisselend uit een groene dijk en een combinatie van damwand en dijk met een coupure ter hoogte van de Dorpsstraat. De uitdagingen van het project omvatten onder andere het streven naar een dijktracé rekening houdend met behoud van winterbed, rivierkundige effecten (waterstanddaling, dwarsstroming, nautische effecten en erosie), ecologie en een sober en doelmatig ontwerp. Voor de dijkversterking is gewerkt op basis van de principes van grondgestuurd ontwerpen. Hiermee wordt toepassing van zo veel mogelijk gebiedseigen grond mogelijk gemaakt, met als ambitie de dijkversterking zo veel mogelijk circulair uit te voeren. Het plangebied kan op basis van landschappelijke kenmerken worden opgedeeld in drie deelgebieden. De deelgebieden zijn: a. Deelgebied 1: Agrarisch gebied b. Deelgebied 2: Maascontact met het dorp c. Deelgebied 3: Spoordijk De deelgebieden zelf zijn verder ingedeeld in dijkvakken. Deze dijkvakken zijn gekozen op basis van technische ontwerpprincipes. Het dijktraject is opgedeeld in 7 dijkvakken (zie figuur 2.2 en Overzicht dijkvakken). Figuur 2.2 Plangebied dijkversterking Buggenum met deelgebieden en dijkvakken 2.3.2 Deelgebied 1: Agrarisch gebied (dijkvak 1 tot met 4) Deelgebied 1 ligt in agrarisch gebied. In dit deelgebied moet de aansluiting op hoge grond worden gerealiseerd. De huidige primaire kering ligt op de Groeneweg (dijkpaal 75.044) over een lengte van circa 80 meter een verholen waterkering, dit deel is niet zichtbaar in het landschap. De huidige kering heeft een niveau van circa NAP+20,5 meter. Dit deelgebied bestaat uit Dijkvak 1, Dijkvak 2, Dijkvak 3 en Dijkvak 4. 2.3.3 Deelgebied 2: Maascontact met het dorp (dijkvak 5 en 6) De huidige kering loopt direct ten zuiden langs de Dorpsstraat en ligt tegen de weg aan (zie figuur 2.1) en loopt langs het koelwaterkanaal tot aan de spoordijk. Dijkvak 5 bestaat uit een combinatie van een damwand en een smalle steile dijk. De damwand is onverankerd. De kering buigt af richting de hoge gronden ten hoogte van de coupure in de Dorpsstraat (zie figuur 2.1). De huidige kering heeft een kruinniveau van NAP+20,5 meter. Daar waar de kering in de Dorpsstraat overgaat van dijkvak 5 naar 6 wordt het Kop van het End genoemd. De huidige kering in Dijkvak 6 loopt vanaf Kop van het End langs het koelwaterkanaal van de voormalige Nuon Centrale tot aan de spoordijk. Het koelwaterkanaal loopt langs Dijkvak 6. Hier zijn aanlegplaatsen gelegen. De kering bestaat hier uit een dijk met kruinniveau van NAP+20,5 meter, waarbij de teen van de kering bestaat uit betonnen elementen waarmee het koelwaterkanaal gemaakt is. Het koelwaterkanaal vervult sinds de ontmanteling van de Maascentrale niet meer haar oorspronkelijke functie. 2.3.4 Deelgebied 3: Spoordijk (dijkvak 7) In dijkvak 7 loopt de kering langs de spoordijk in het Buggenummerbroek tot aan de Berikstraat (zie figuur 2.2). 3 Voorkeursalternatief 3.1 Inleiding Dit hoofdstuk beschrijft het ingepaste voorkeursalternatief van 8 januari 2019 (ingepaste VKA; referentieontwerp) dat bestaat uit het ontwerp van de nieuwe waterkering en de inpassingsmaatregelen die bij het ontwerp horen. Allereerst wordt het ingepaste VKA beschreven; het ontwerp wordt per deelgebied en dijkvak toegelicht. Daarna wordt het ingepaste VKA op hoofdlijnen samengevat. In bijlage III Tabel afweging restpunten en optimalisaties zijn de restpunten uit het VKA en de ontwerp-optimalisaties van het VKA naar het uiteindelijke definitieve ontwerp (DO) opgenomen. Het uiteindelijke gekozen definitieve ontwerp (DO) is opgenomen in hoofdstuk 4. De figuren die zijn opgenomen dienen ter verduidelijking van de tekst en hebben een indicatief karakter, ook als het gaat om maten die in de figuren zijn vermeld. 3.2 Beschrijving ingepast voorkeursalternatief 3.2.1 Ingepast voorkeursalternatief Het voorkeursalternatief (referentieontwerp van 8 januari 2019) van het dijktraject Buggenum is tot stand gekomen in overleg met de omgeving. Diverse alternatieven zijn uitgewerkt. Het uiteindelijk vastgestelde VKA bestaat uit de combinatie van de alternatieven 1A, 2A1-a of 2B-b, 3A en 4B (zie figuur 3.1). Het referentieontwerp VKA bevat een groene kering met een kruinhoogte (ontwerphoogte) variërend over het dijktraject van NAP + 22,0 m (Dijkvak 1), NAP +22,4 m (Dijkvak 2 tot en met dijkvak 4) tot en met NAP +22,4 m (Dijkvak 5, Dijkvak 6 en Dijkvak 7) . Daarbij wordt een talud van 1:3 toegepast om beheer en onderhoud van het dijklichaam mogelijk te maken. De ontwerpkeuzen zijn vastgelegd in de VIII-A Nota Voorkeursalternatief en Effectnota (https://www.waterschaplimburg.nl/publish/pages/4696/bijlage_1_effectnota_dt75_buggenum_2.pdf), de afweging op hoofdlijnen is in deze paragraaf opgenomen. Figuur 3.1 Voorkeursalternatief dijkversterking Buggenum In het Definitief Ontwerp (DO) is een andere volgorde van dijkgebieden en dijkvakken aangehouden (zie figuur 2.2). In onderstaande omschrijving is de volgorde van het DO-ontwerp aangehouden, zodat deze gemakkelijker met het VKA te vergelijken is. Deelgebied 1 omvat in het DO-ontwerp de Dijkvak 1, Dijkvak 2, Dijkvak 3 en Dijkvak 4 (in het VKA alternatief 4B en 3A), deelgebied 2 omvat Dijkvak 5 en Dijkvak 6 (in het VKA 2A1-a of 2B-b en 1A) en deelgebied 3 omvat dijkvak 7 (in het VKA geen alternatief maar onderdeel van dijkvak 6). Onderstaande tabel geeft dit weer. Tabel 3.1: aanduiding deelgebieden en dijkvakken in VKA- en DO-ontwerp Deelgebied VKA-ontwerp DO-ontwerp Deelgebied 1 VKA alternatief 4B en 3A Dijkvakken 1 t/m 4 Deelgebied 2 VKA alternatief 2A1-a of 2B-b en 1A Dijkvakken 5 en 6 Deelgebied 3 VKA geen alternatief maar onderdeel van dijkvak 6 Dijkvak 7 In het VKA bleven nog enkele restpunten over voor nadere uitwerking van het ontwerp in de planuitwerkingsfase. In de III Tabel afweging restpunten en optimalisaties zijn de restpunten uit het VKA afgewogen en de optimalisatie van het VKA ontwerp van de dijkvakken beschreven. 3.2.2 Deelgebied 1: Agrarisch gebied 3.2.2.1 Dijkvak 1: Aansluiting op hoge grond Deelgebied 1 bevat Dijkvak 1, Dijkvak 2, Dijkvak 3 en Dijkvak 4 (in het VKA alternatief 4B en 3A) en omvat deels een nieuwe kering alsook het volgen van de ligging van de bestaande kering. In het deelgebied 1 - Dijkvak 1 ligt de kering ter plaatse van de Arixweg. De kering loopt tot aan de laatste bebouwing en sluit dan via de kortste (noordelijke) route aan op de hoge grond. De kering bestaat uit een (nieuwe) groene dijk van beperkte hoogte van NAP + 22,0 m. Er is geen maatregel ten behoeve van piping noodzakelijk. Een principe dwarsdoorsnede is in het VKA niet opgenomen, maar komt overeen met die van Dijkvak 2 (zie figuur 3.2). Afweging op hoofdlijnen Het voorkeursalternatief betreft een nieuwe waterkering in grond ten behoeve van de aansluiting op de hoge gronden. Hierbij is de afweging gemaakt om aanvullend 10 woningen te beschermen. Alternatieve aansluitingen zijn technisch moeilijk inpasbaar en kennen forse effecten op het ruimtebeslag van tuinen van aanwonenden als er aansluiting op de hoge grond was gezocht richting de Haanweg. Het VKA is goed in de omgeving in te passen op een toekomstbestendige en kostenefficiënte manier. In de III Tabel afweging restpunten en optimalisaties zijn de restpunten uit het VKA afgewogen en de optimalisatie van het VKA ontwerp van Dijkvak 1 beschreven. 3.2.2.2 Dijkvak 2 (VKA 4B): Tracé Arixweg (binnendijks halen van alle bebouwing) In het deelgebied 1 - Dijkvak 2 volgt een nieuwe kering de Arixweg tot aan de laatste bebouwing aan de Arixweg (Arixweg 18) en sluit na de bebouwing via de kortste (noordelijke) route aan op de hoge grond. De kering bestaat uit een (nieuwe) groene dijk van beperkte hoogte. De dijk wordt aangelegd met een aanleghoogte van circa NAP+ 22,4 m (zie figuur 3.2), de ophoging ten opzichte van de Arixweg is daarmee circa 0,9 meter. Er is geen maatregel ten behoeve van piping noodzakelijk. De parallel lopende asbestcement waterleiding dient eventueel vervangen te worden in verband met de toegenomen gronddruk op de leiding door het dijklichaam. Figuur 3.2 Indicatieve dwarsdoorsnede dijkvak 2 (VKA 4B) Afweging op hoofdlijnen Het voorkeursalternatief betreft een nieuwe waterkering in grond ten behoeve van de aansluiting op de hoge gronden. Bij het vaststellen van het VKA is de afweging gemaakt om aanvullend 10 woningen te beschermen. Alternatieve aansluitingen zijn technisch moeilijk inpasbaar en kennen forse effecten op het ruimtebeslag van tuinen van aanwonenden als er aansluiting op de hoge grond was gezocht richting de Haanweg. Het VKA is goed in de omgeving in te passen op een toekomstbestendige en kostenefficiënte manier. In de III Tabel afweging restpunten en optimalisaties zijn de restpunten uit het VKA afgewogen en de optimalisatie van het VKA ontwerp van Dijkvak 2 beschreven. 3.2.2.3 Dijkvak 3 en 4 (VKA 3A): Huidige dijk versterken Het huidige dijktraject van de dijk wordt gevolgd. De huidige kering is geen aaneengesloten traject in dit deelgebied maar enkel op een aantal plekken is er sprake van een aangewezen primaire waterkering. Binnen Dijkvak 3 is het deel Groeneweg in de huidige situatie aangewezen als primaire kering. Deze oplossing verbindt deze stukken in dit deelgebied. De huidige kering in Dijkvak 3 wordt opgehoogd en loopt ter plaatse van de Groeneweg. De ophoging van de dijk leidt ertoe dat het ruimtebeslag toeneemt. Er wordt een groene dijk aangelegd met horizontale pipingmaatregel van circa 20 meter breed (voorlandverbetering) in Dijkvak 3 en pipingscherm in Dijkvak 4. De dijk heeft een taludhelling van 1:3 (zie figuur 3.3). Ter plaatse van de Groeneweg is een rioolleiding gelegen waar maatregelen voor benodigd zijn. Deze maatregel kan bestaan uit het plaatsen van een vervangende waterkering (constructie) of het verleggen van de leiding. Naar verwachting wordt de leiding verlegd. De bestaande coupure kan worden opgeheven, hier moet dan wel ter plaatse van de coupure de weg worden opgehoogd. Vanaf de coupure in de Dorpsstraat volgt de kering in Dijkvak 4 weer de huidige ligging van de bestaande kering. Figuur 3.3 Indicatieve dwarsdoorsnede dijkvak 3 en 4 (VKA 3A) Afweging op hoofdlijnen Het voorkeursalternatief zorgt in dit deelgebied voor behoud van het winterbed. Bij de overige alternatieven is er sprake van een afname van stroomvoerend winterbed. Het VKA sluit aan op de aangewezen hoge grond. Daarnaast heeft het VKA vanuit ruimtelijke kwaliteit de voorkeur. In de III Tabel afweging restpunten en optimalisaties zijn de restpunten uit het VKA afgewogen en de optimalisatie van het VKA ontwerp van Dijkvak 3 en Dijkvak 4 beschreven. 3.2.3 Deelgebied 2: Maascontact met het dorp 3.2.3.1 Dijkvak 5 (VKA 2A1-a en 2B-b): Rivierwaarts ophogen met dempen koelwaterkanaal en afgraven langsdam Deelgebied 2 bevat Dijkvak 5 en Dijkvak 6 (in het VKA 2A1-a of 2B-b en 1A) en omvat deels een nieuwe kering alsook het volgen van de ligging van de bestaande kering. Voor Dijkvak 5 in deelgebied 2 zijn twee alternatieven in het VKA opgenomen, die in de ontwerpfase verder zijn geoptimaliseerd (zie hoofdstuk 4). Hierbij is rekening gehouden met zoveel mogelijk behoud rivierbed (alternatief 2A1-a), het optimaliseren van de ruimtelijke kwaliteit en het beperken van de kosten en/of risico’s in verband met de aanwezige rioolpersleiding (alternatief 2B-b). Aan het eind van Dijkvak 5 loopt de kering rivierwaarts over het koelwaterkanaal tot aan de coupure. De coupure komt te vervallen. De Dorpsstraat moet dan (gedeeltelijk) worden opgehoogd. Er zijn grofweg twee mogelijkheden waarop het voorkeursalternatief kan worden uitgevoerd: 1. Eén van de mogelijkheden is het ongeveer vanaf de binnenteen van de huidige kering rivierwaarts een dijk in grond te realiseren (alternatief 2A1-a, zie figuur 3.4). Hierdoor wordt het koelwaterkanaal ter plaatse van de huidige aanlegplaatsen gedempt. De langsdam wordt in dit alternatief afgegraven zodat de Maas direct tot aan de dorpsrand stroomt. Hierbij verdwijnt ook het koelwaterkanaal ter plaatse van Dijkvak 5. Het 1:3 buitentalud wordt doorgezet tot circa NAP +9 meter, het zomerbed van de Maas. Het talud wordt gedeeltelijk voorzien van een oeverbescherming met stortsteen. Vanwege de ligging van de rioolpersleiding onder de Dorpsstraat is een vervangende waterkering in de vorm van een constructie (damwand) benodigd. Dit alternatief levert vermeerderde gronddruk ter plaatse van de leiding op. Deze vervangende waterkering is noodzakelijk om de functionaliteit van de kering te garanderen bij het falen van deze rioolpersleiding. De huidige kering wordt verwijderd. De afmeervoorziening kan niet worden gehandhaafd en zal elders moeten worden gecompenseerd. 2. De tweede mogelijkheid (alternatief 2B-b, zie figuur 3.5) betreft tevens het rivierwaarts versterken van de huidige kering. Hierdoor wordt ook hier het koelwaterkanaal gedempt. De langsdam wordt (grotendeels) afgegraven. De kruin van de dijk is verder rivierwaarts gelegen vergeleken met alternatief 2A1-a. Hierdoor is in dit alternatief geen damwand nodig en wordt er geen extra druk geleverd op de rioolpersleiding dan in de huidige situatie. De helling van het talud is 1:3. De kering heeft een niveau van circa NAP+22,5 meter. De huidige kering wordt verwijderd. Figuur 3.4 Indicatieve dwarsdoorsnede dijkvak 5 (VKA alternatief 2A1-
  1. a)Figuur 3.5 Indicatieve dwarsdoorsnede dijkvak 5 (VKA alternatief 2B-
  2. b)Afweging op hoofdlijnen Bij deelgebied 2 bestond de wens vanuit de omgeving om de verbinding tussen Buggenum en de Maas te herstellen. Met het rivierwaarts verplaatsen van de kering en het afgraven van de langsdam komt het dorp weer direct aan de Maas te liggen. Realisatie van een groene kering betekent een robuuste, toekomstvaste oplossing voor de waterveiligheidsopgave. Hoewel versterking rivierwaarts plaatsvindt, resteren netto rivierkundige en nautische voordelen voor de Maas. Het VKA is duurder dan een constructieve oplossing ter plaatse van de huidige kering, maar een constructieve oplossing (afgevallen alternatief) is vanuit ruimtelijke kwaliteit zeer onwenselijk en leverde veel maatschappelijke weerstand op. Er zou een 2 meter hoge muur moeten worden gerealiseerd. Het dorp, dat nu al aan alle kanten begrensd is door de Maas, een spoorbrug en een bedrijventerrein, wordt hierdoor gevoelsmatig nog meer ingesloten. In het VKA kon de keuze voor een van de bovenstaande alternatieven nog niet gemaakt worden. Aandachtspunten voor nadere uitwerking van het VKA ontwerp in een definitief ontwerp zijn: Mogelijk aanvullende maatregel voor persrioolleiding door vermeerderde gronddruk bij alternatief 2A1-a; Keuze voor definitieve alternatief; (Gedeeltelijk) afgraven langsdam en de relatie met de dijk, rivierkundige effecten en de nautische aspecten. In de III Tabel afweging restpunten en optimalisaties zijn de restpunten uit het VKA afgewogen en de optimalisatie van het VKA ontwerp van Dijkvak 5 beschreven. 3.2.3.2 Dijkvak 6 (VKA A1): Huidige dijk versterken Vanwege de keuze om de dijk te verleggen in het rivierbed in Dijkvak 5 waar in de huidige situatie de aanlegplaatsen liggen, moeten de bestaande aanlegplaatsen een nieuwe locatie krijgen en dient een nieuwe doorgang richting de Maas te worden gecreëerd voor het koelwaterkanaal in Dijkvak 6. Voor de verplaatsing van de aanlegplaatsen is een nieuwe ligging voorgesteld in het koelwaterkanaal in Dijkvak 6, deze ligging is in figuur 3.1 opgenomen. In Dijkvak 6 komt de kering ter plaatse van de huidige kering te liggen (zie figuur 3.6). Er is hier al sprake van een dijk, de huidige waterkering wordt binnendijks versterkt. Hierbij is een pipingmaatregel noodzakelijk. In beginsel is eerst gekeken naar mogelijkheden voor een pipingberm. De benodigde breedte is 94 – 156 meter. Daarom wordt gebruik gemaakt van een pipingscherm. Er is sprake van een ophoging van circa 2 meter. De kering heeft een aanleghoogte van circa NAP+22,5 meter. In deelgebied 2 kan het koelwaterkanaal (grotendeels) intact blijven. Figuur 3.6 Indicatieve dwarsdoorsnede dijkvak 6 (VKA 1A) Afweging op hoofdlijnen Bij dit voorkeursalternatief wordt een pipingscherm toegepast, aangezien een pipingberm circa 150 meter lang zou moeten zijn en leidt tot hoge kosten en aanzienlijke milieueffecten. De andere alternatieven vervallen op grond van rivierkundige argumenten (rivierwaartse verplaatsing), weerstand vanuit de omgeving (doorsnijden recentelijk heringerichte Buggenummerbroek), effecten op het milieu en hoge kosten. Het VKA kent geen negatieve rivierkundige effecten (afname of toename van het winterbed) en kent de laagste kosten. In de III Tabel afweging restpunten en optimalisaties zijn de restpunten uit het VKA afgewogen en de optimalisatie van het VKA ontwerp van Dijkvak 6 beschreven. 3.2.4 Deelgebied 3: Spoordijk 3.2.4.1 Dijkvak 7: Aansluiting hoge grond Deelgebied 3 bevat het dijkvak 7 (in het VKA geen apart alternatief maar onderdeel van dijkvak 6) en omvat het volgen van de ligging van de bestaande spoordijk. Het VKA in dijkvak 7 loopt parallel noordelijk langs de spoordijk in het Buggenummerbroek. Voor de aansluiting op hoge grond komt er parallel aan de spoordijk een grondlichaam te liggen (zie figuur 3.1). De aansluiting op hoge grond wordt ter plaatse van de Berikstraat gemaakt. Afweging op hoofdlijnen De ruimte voor aansluiting naar hoge grond ter plaatse van de Berikstraat is beperkt. Hier kan gebruik worden gemaakt van een dijk of een constructie, waarbij de eerste goedkoper is. Mogelijk kan gebruik gemaakt worden van de spoordijk, waarmee zowel bij de aansluiting naar hoge grond als ook bij het verdere tracé langs de spoordijk ruimte bespaard kan worden. Ten zuiden van de spoordijk ligt het bedrijventerrein Zevenellen dat ontwikkeld wordt. Ten tijde van het vaststellen van het VKA is met de ontwikkelende partij OML verkend of de primaire kering direct zuidelijk van en parallel aan het spoor gerealiseerd kan worden. Met ProRail is afgestemd of de functies van spoordijk en waterkering gecombineerd kunnen worden. In de III Tabel afweging restpunten en optimalisaties zijn de restpunten uit het VKA afgewogen en de optimalisatie van het VKA ontwerp van dijkvak 7 beschreven. 3.3 Samenvatting ingepast VKA In deelgebied 1 (Dijkvak 1 en Dijkvak 2) ligt de kering ter plaatse van de Arixweg. De kering loopt tot aan de laatste bebouwing en sluit dan via de kortste (noordelijke) route aan op de hoge grond. De kering bestaat uit een (nieuwe) groene dijk van beperkte hoogte. Er is geen maatregel ten behoeve van piping noodzakelijk. In Dijkvak 3 en Dijkvak 4 wordt de huidige kering op de Groeneweg opgehoogd en loopt vervolgens verder over de Groeneweg. Waar nog geen kering aanwezig is, wordt een (nieuwe) groene dijk aangelegd met een pipingscherm of voorlandverbetering. In deelgebied 2 (Dijkvak 5 en Dijkvak 6) komt de kering ter plaatse van de huidige kering te liggen. Er is hier sprake van een dijk. Hierbij wordt een pipingmaatregel toegepast in de vorm van een pipingscherm of -berm. De kering wordt binnendijks versterkt. Het koelwaterkanaal kan (grotendeels) intact blijven. In deelgebied 3 (dijkvak 7) komt voor de aansluiting op hoge grond parallel aan de spoordijk een grondlichaam te liggen. De aansluiting op hoge grond wordt ter plaatse van de Berikstraat gemaakt. 3.4 Vaststelling VKA (voorkeursalternatief) Op 8 januari 2019 heeft het Dagelijks bestuur (DB) van het Waterschap Limburg het VKA vastgesteld [lit. 11.3]. Dit is gebeurd op basis van de door de bestuurlijke stuurgroep uitgesproken voorkeur voor de alternatieven 1A, 2Bb/2A1-a, 3A en 4B, die in de voorgaande paragrafen zijn toegelicht. Ter hoogte van het Buggenummerbroek is besloten tot alternatief 1A, waar zoveel mogelijk rekening is gehouden met de wensen van het dorp zonder dat er negatieve rivierkundige effecten optreden. Ter hoogte van het Maasfront wordt de kering rivierwaarts verlegd (alternatief2A1-a/2B-
  3. b)waarbij tegelijkertijd rivierkundige voordelen behaald worden, met name door het afgraven van de langsdam. Daarnaast krijgt Buggenum hierdoor meer ruimte en wordt de van oudsher aanwezige verbinding met de Maas hersteld. De aanlegsteigers dienen wel verplaatst te worden. In de planuitwerkingsfase wordt tussen de alternatieven 2A1-a en 2B-b het optimum gezocht op basis van o.a. rivierkundige effecten, ruimtelijke kwaliteit en kosten. Voor de aansluiting op hoge grond aan de noordzijde is besloten tot alternatief 3A en 4B, omdat die goed aansluit op het Maasfront en het enige alternatief is waarbij geen (substantieel) verlies optreedt van het bergend winterbed. Aan het besluit liggen de volgende overwegingen ten grondslag: Om te voldoen aan de toen nog Waterwet (nu Omgevingswet) moeten de dijken in Limburg, ook in Buggenum worden versterkt. Hiertoe moeten de dijken met een kerende hoogte van NAP +22,0m tot NAP +22,1m (ontwerphoogte) liggen; De hoge grond van NAP +22,0m ligt op ca. 1,5 km van de Maasoever, binnen gebied dat aangewezen is als bergend - en stroomvoerend winterbed. In dat gebied moeten nieuwe dijken worden aangelegd die leiden tot verlies aan bergend volume van het winterbed. Het verminderen van het winterbed (met ca. 10ha) past niet binnen de zorgplicht uit de Waterwet; Als onderdeel van het Rivierkundig Beoordelingskader [lit.11,17] is verlies aan bergend volume van het winterbed niet toegestaan. Het verlies aan bergend volume dient gecompenseerd te worden. Conform het Rivierkundig Beoordelingskader is obstakelverwijdering een geldige compensatiemaatregel; Ten gevolge daarvan is in het VKA voor dijkversterking Buggenum besloten tot afgraven van de langsdam, omdat deze dichter bij de rivier gelegen is, compenseert deze afgraving het verlies aan bergend volume ruimschoots; Het toepassen van gebiedseigen materiaal uit de langsdam in de nieuwe dijk, draagt bij aan kostenbesparing van de dijkversterking en een lagere uitstoot (MKI-waarde); Daarnaast is er grote meerwaarde voor de ruimtelijke kwaliteit, omdat het dorp Buggenum weer verbinding krijgt met de Maas. Definitieve vastlegging van de resultaten van de verkenningsfase per dijktraject heeft plaatsgevonden in de Nota Voorkeursalternatief [lit.11.1] en de Effectnota [lit.11.2]. 4 Ontwerp en ontwerpkeuzes 4.1 Inleiding Om aan de primaire en secundaire doelstellingen van het HWBP te kunnen voldoen worden verschillende uitgangspunten gehanteerd. In paragraaf 4.2 worden de ontwerpuitgangspunten van Waterschap Limburg voor een veilige dijk toegelicht. Deze uitgangspunten zijn gehanteerd voor dijkverbetering Buggenum. De uitgangspunten zijn geformuleerd en geoptimaliseerd om met de dijkversterking aan de gestelde primaire (zie paragraaf 2.2.1) en secundaire doelstellingen (zie paragraaf 2.2.2) van het waterschap te voldoen. Dit heeft geleid tot een ingepast VKA (paragraaf 3.1 t/m 3.4) en het uiteindelijke DO (paragraaf 4.5 en 4.6). Het ruimtebeslag van het ontwerp en de inpassingsmaatregelen zijn weergegeven op het Overzicht dijkvakken bij het Projectbesluit. De inpassingsmaatregelen die getroffen worden zijn beschreven in paragraaf 4.7. Door nadere uitwerking kan het uiteindelijke uitvoeringsontwerp (UO) op onderdelen van het beschreven referentieontwerp en DO ontwerp enigszins afwijken. In paragraaf 4.8 is hiertoe een flexibiliteitsbepaling opgenomen. Afwijkingen zijn alleen mogelijk als wordt voldaan aan de voorwaarden die in de flexibiliteitsbepaling zijn opgenomen. 4.2 Ontwerpuitgangspunten Waterschap Limburg werkt samen met het Rijk, provincie en gemeenten, aan veilige dijken in heel Limburg. Dat is nodig om iedereen die aan de Maas woont, werkt of recreëert ook in de toekomst zo veel mogelijk te beschermen tegen hoogwater. Waterschap Limburg kent een urgente en actuele opgave van meer dan 40 kilometer aan dijkversterkingen waaronder dijktraject Buggenum. Deze 40 kilometer is de resterende opgave (het sluitstuk van de Maasbeveiliging). Voor 2050 moet namelijk een groot deel van de resterende 140 kilometer waterkeringen in Limburg nog worden versterkt. Deze 140 kilometer is een nieuwe opgave voortkomend uit de nieuwe waterveiligheidsnormen. Veiligheid voorop dus. Tegelijkertijd wordt gezocht naar oplossingen die zo goed mogelijk passen bij de lokale omstandigheden. Waterschap Limburg luistert naar de omgeving, maar maakt ook keuzes om tot een veilig Maasdal te komen. Niet altijd makkelijk, wel noodzakelijk. De werkzaamheden die nodig zijn voor waterveiligheid vergen grote investeringen en hebben een aanzienlijke impact op de omgeving. Deze impact is het gevolg van het meerjarig proces van een dijkversterking, het benodigde ruimtebeslag, de lokale inpassing en de realisatiewerkzaamheden. Waterkeringen worden dan ook voor de lange termijn gebouwd: ervaring leert dat een optimale ontwerplevensduur voor een groene dijk zo’n 50 jaar is en voor een constructie 100 jaar. Waterschap Limburg anticipeert bij het ontwerpen van de waterkering dan ook op de onzekerheden die gedurende de levensduur van de kering kunnen optreden. Het waterschap hanteert de landelijk beschikbaar gestelde instrumenten, kennis en ervaring zoals onder meer opgenomen in het Ontwerpinstrumentarium (OI2014v4), landelijke leidraden en technische rapporten. De opbouw van de kering, de hoogte, het profiel, bekleding en constructieve elementen dienen tezamen de wettelijk vastgelegde hoogwaterveiligheid te bieden. Tegelijkertijd moet de kering niet onnodig “sterk” gebouwd worden: naast hogere investerings- en onderhoudskosten heeft een kering met grotere afmetingen meer impact op de omgeving. In dit Projectbesluit vindt dan ook een zorgvuldige afweging plaats van belangen, resulterend in een ontwerp van de waterkering. Zo maakt het waterschap keuzes bij het ontwerpen van de dijken. Het waterschap heeft hiervoor onder andere het “Afwegingskader type kering” (vastgesteld 11 maart 2020) opgesteld, waarop keuzes mede gestoeld zijn. Keuzes die uiteindelijk leiden tot de afmetingen van dijken. Bij het dijkontwerp rekent het waterschap met ontwerpuitgangspunten. Deze uitgangspunten zijn op 10 juli 2019 door het Algemeen Bestuur van het Waterschap Limburg vastgelegd in de “Nadere uitwerking beleidsuitgangspunten dijkversterkingsprojecten” (documentnummer 2019-D38310). Een aantal van deze ontwerpuitgangspunten bepaalt in belangrijke mate de afmetingen van een dijk. Sommige uitgangspunten staan vast. Zo moet de dijk voldoen aan de wettelijk vastgestelde veiligheidsnorm. Dat is een harde eis. Er is een aantal ontwerpuitgangspunten die voor alle dijktrajecten in het HWBP-programma hetzelfde zijn of op nationaal niveau worden vastgesteld. Denk aan keuze klimaatscenario en de rivierkundige situatie (waterstand waarmee gerekend wordt). Bij andere uitgangspunten is het, mits goed onderbouwd, mogelijk andere keuzes te maken dan de landelijk gebruikelijke uitgangpunten, en die afhangen van de lokale omstandigheden. Voorbeelden hiervan zijn het profiel en de faalkansbegroting. Ook beheeraspecten spelen een rol bij het ontwerp. De keuzes in de uitgangspunten staan niet op zichzelf. Elke keuze heeft namelijk voor- en nadelen die weer invloed hebben op andere afwegingen waar het waterschap rekening mee moet houden. In ieder geval wordt gekeken naar de beschermingsopgave, rivierkundige effecten, ruimtelijke kwaliteit, kosten, draagvlak, handelingsperspectief bij calamiteiten en beheer en onderhoud. Het waterschap kijkt zowel per project als naar het hele beheergebied van Waterschap Limburg. Alleen door al deze afwegingen mee te nemen, kunnen weloverwogen keuzes worden gemaakt. 4.3 (Geoptimaliseerde) ontwerpuitgangspunten primaire doelstelling: versterkingsopgave De (geoptimaliseerde) ontwerpuitgangspunten die voor Buggenum zijn gehanteerd, worden hieronder toegelicht. De techniek van de ontwerpuitgangspunten : de dijken die Waterschap Limburg aanlegt moeten, zoals hiervoor gesteld, voldoen aan de wettelijke overstromingsnorm. Dat is een eis die is vastgelegd in de Omgevingswet ten aanzien van de kans waarop een dijk faalt (overstroming). Voor Buggenum geldt een signaleringswaarde met een kans van 1/300e (overstromingskans per jaar) en een ondergrenswaarde van 1/100 per jaar. Daarnaast bepalen de volgende ontwerpuitgangspunten in belangrijke mate de afmetingen van een dijk: Rivierkundige situatie: hierbij gaat het over de waterstanden die je als uitgangspunt neemt. Het is gebruikelijk om het effect van toekomstige rivierverruimende maatregelen al mee te nemen in de berekening van de waterstanden. Dit vanuit de gedachte dat de maatregelen zorgen voor een lagere waterstand en dat bij lagere waterstanden de dijk minder hoog en/of breed hoeft te worden. Standaard worden die maatregelen meegenomen, die reeds gerealiseerd zijn of worden. In aanvulling daarop is afgesproken met het Rijk dat ook de maatregelen die in voorbereiding zijn meetellen. Het Rijk bepaalt welke maatregelen wel of niet meegenomen worden in de berekeningen. Zo moet er een ruimtelijk besluit zijn genomen en moet er zicht op financiering zijn. Klimaatscenario: we weten dat het klimaat verandert. De mate waarin en in welke hoedanigheid is onzeker. Daarom heeft het KNMI voor de toekomstige ontwikkeling van het klimaat verschillende scenario’s opgesteld om inzicht te krijgen in de bandbreedte van de gevolgen. Er zijn twee scenario’s beschikbaar voor het berekenen van de dijkhoogte, waarvan het zogenaamde W+-scenario gebruikelijk is. Het andere scenario, het G-scenario, leidt tot een minder hoge dijk, maar heeft als risico dat de dijk mogelijk minder lang voldoet aan de norm dan met een W+ scenario en daardoor eerder moet worden versterkt. Vanwege de impact die werkzaamheden aan de dijk hebben op de omgeving, de omvang van de totale versterkingsopgave en het financiële risico hanteert het Waterschap Limburg de landelijke standaard, het W+ klimaatscenario (onderbouwing is “redeneerlijn keuze klimaatscenario” met reviewbrief door KNMI en TU Delft). Zichtjaar/levensduur: uitgangspunt voor de ontwerpbasis [zie 12.5], zoals de dijkbreedte, van een groene dijk is een levensduur van 50 jaar met zichtjaar 2075 en voor een constructie geldt een levensduur van 100 jaar met zichtjaar 2125. Overslagdebiet: dit is het water dat tijdens extreem hoogwater over de dijk komt door golven op de Maas. De wind veroorzaakt deze golven. Bij het ontwerpuitgangspunt van het overslagdebiet (hoeveelheid water die over de dijk mag komen) is gekeken naar de gevolgen voor de kering, het beheer en onderhoud en het gebied achter de kering. Een hoger overslagdebiet zorgt voor een lagere dijk, maar ook voor hogere eisen aan het binnentalud en de hoeveelheid water die naar binnen stroomt (waterbezwaar). Waterschap Limburg gaat uit van een toelaatbaar overslagdebiet van 5 l/s/m, zodat de waterkering tot aan het moment van bezwijken te voet begaanbaar is en het binnendijkse waterbezwaar beheersbaar blijft. Deze waarde is gebaseerd op tabel 5 uit het ontwerpinstrumentarium (OI2014v4) en in overleg met het waterschap gekozen. Een nadere onderbouwing van deze keuze is terug te vinden in de Technische Uitgangspunten Notitie (TUN) [lit. 11.4]. Faalkansbegroting: er wordt gestart met de standaard faalkansverdeling vanuit het OI2014, (zie Tabel 1 in de technische uitgangspuntennotitie van 8 dec 23), omdat alle bezwijkmechanismen van toepassing kunnen zijn in dit normtraject. Op voorhand kan er niet één worden uitgesloten met bijvoorbeeld als reden dat het mechanisme fysiek niet op kan treden. Profiel: hierbij gaat het om de helling van het talud of de vorm van een constructie. Het profiel of de vorm van een dijk heeft effect op de golfoverslag en daarmee ook op de hoogte van de dijk. Gebruikelijk is vanuit het oogpunt van beheerbaarheid om voor een groene dijk een verhouding van 1 op 3 te hanteren en voor een constructie een verticale wand. Afhankelijk van andere overwegingen, zoals inpassing in het landschap, kan hiervan worden afgeweken. Bijvoorbeeld door een trapsgewijs talud aan te brengen of een minder steil talud. Het buitendijkse en binnendijkse talud, wordt als een standaard dijk 1 op 3 uitgevoerd. De aansluiting van nieuwe dijk met maaiveld in dijkvak 5 heeft in het VKA een talud van 1:10. Dit is vrij steil, daarom wordt deze helling naar een flauwer talud van 1:20 gebracht om de ruimtelijke inpassing van de dijk ten opzichte van de aangrenzende woningen te optimaliseren. 4.4 Ontwerpuitgangspunten secundaire doelstelling: ruimtelijke kwaliteit 4.4.1 Inleiding Naast de waterveiligheidsopgave bestaan er diverse kansen om door slim en integraal te ontwerpen de ruimtelijke kwaliteit te verbeteren. Hierbij kunnen mogelijk ook lokale gebiedskwaliteiten en initiatieven in de omgeving gekoppeld worden aan de dijkversterkingsopgave (de zogenaamde meekoppelkansen). In het ontwerp van de primaire waterkering is integraal gekeken naar deze onderwerpen. 4.4.2 Leidende principes voor het programma De technische versterkingsopgave van de dijktrajecten in Limburg resulteert in forse ruimtelijke ingrepen in het landschap. Om ruimtelijke kwaliteit integraal mee te kunnen nemen in het project zijn er leidende principes opgesteld in het document “Ruimtelijke kwaliteit Noordelijke Maasvallei - Visie & Leidende Principes” voor het HWBP en Waterschap Limburg [lit.11.5]. Deze leidende principes bieden handvatten voor kwalitatief goede, doelgerichte en duurzame inpassing van waterveiligheidsmaatregelen voor de korte en lange termijn. De 5 leidende principes zijn: a. Landschap leidend: de dijktracés sluiten zoveel mogelijk aan op het karakteristieke landschap van de Noordelijke Maasvallei en het dorpsfront van Buggenum wordt zoveel mogelijk versterkt; b. Vanzelfsprekende dijken: het onderliggende landschap is leidend voor ligging en het profiel van de dijk, waarbij overgangen tussen dijkvakken en profielen op landschappelijk logische plekken liggen; c. Contact met de Maas: bestaande en nieuwe routes en publieke pleisterplaatsen langs de Maas krijgen een heldere relatie met de Maas; d. Welkom op de dijk: recreatief medegebruik van de dijk is uitgangspunt daar waar dit tot een verrijking voor de toeristische routestructuur of belevingswaarde leidt; e. Motor en fundament voor ontwikkeling: de dijkversterking is zoveel mogelijk een katalysator voor natuur- en landschapsontwikkeling, beekherstel of herstel van ‘fouten’ uit het verleden. 4.4.3 Kansen ruimtelijke kwaliteit voor Buggenum Het ontstaan van het dorp Buggenum aan de voormalige bocht in de Maas verklaart de karakteristieke ruimtelijke structuur van het dorp en de directe ruimtelijke relatie die het dorp van oorsprong heeft met de Maas. Deze relatie is na het droogvallen van deze rivierbocht minder direct geworden, maar is intact gebleven. Dit door het zicht over het open Buggenummerbroek, als drooggevallen rivierbocht, vanaf de aanliggende Dorpsstraat die aan één zijde bebouwd is gebleven met oriëntatie op de Maas. De Kop van het End had tot de aanleg van het koelwaterkanaal nog een directe ligging aan de Maas, hier was ook een kleine veerstoep die Buggenum verbond met de overzijde van de Maas. Er lag aan de achterkant van de Dorpsstraat een netwerk van hoogwaterpaden, waarover mensen in het verleden de woningen konden bereiken wanneer bij hoogwater de Dorpsstraat was ondergelopen. De sterke ruimtelijke relatie tussen het dorp en de Maas is in de loop van de eeuwen steeds verder verslechterd. Zo is het Buggenummerbroek steeds meer versnipperd geraakt door de komst van de spoordijk ten behoeve van de spoorverbinding tussen Eindhoven en Roermond, en later met het gegraven koelwaterkanaal dwars door het Buggenummerbroek. Langs dit koelwaterkanaal is later in de 1995 een dijk gelegd, waardoor de barrière van het koelwaterkanaal tussen het noordelijk deel en het zuidelijk deel van het Buggenummerbroek nog meer is versterkt. Het Kop van het End als historisch contactpunt is daardoor ook afgesneden van de Maas. De belangrijkste ruimtelijke kwaliteitsopgaven voor Buggenum bestaat uit het herstellen van de ruimtelijke relatie tussen het dorp en de Maas. Dit wordt mogelijk gemaakt door de verwijdering van het langs de Dorpsstraat gelegen koelwaterkanaal en de langsdam. De langsdam is in de huidige situatie dé plek waar met name de dorpsbewoners contact met de Maas maken. Deze situatie zal dus zorgvuldig moeten worden teruggebracht. Verdere opgaven betreffen het realiseren van een logisch ligging en verloop van het dijktracé, een uniform dijkprofiel en een clustering van op en aan de dijk aan te brengen elementen zoals rust- en uitkijkpunten, dijkovergangen, duikers, loswallen en aanlegplaatsen. Door het deels verleggen van het huidige dijktracé en het opruimen van de langsdam kan er meer ruimte worden gecreëerd, waardoor met name het Kop van het End weer aan de Maas ligt. Dit kan bereikt worden door de dijkversterkingsopgave te combineren met een verdere ruimtelijke ontwikkeling van het Buggenummerbroek en Kop van het End. Belangrijke uitgangspunten vanuit ruimtelijke kwaliteit daarvoor zijn het behoud van de openheid, verblijfskwaliteit en toegankelijkheid van het Buggenummerbroek, en de herinrichting van het Kop van het End waarbij een groene dijk toegepast wordt. 4.4.4 Ontwerpopgaven en -eisen vanuit ruimtelijke kwaliteit De leidende principes vanuit ruimtelijke kwaliteit die van toepassing zijn in Buggenum, zijn nader uitgewerkt in ontwerpopgaven en -eisen (zie bijlage IV Inrichtingsplan). De hiervoor beschreven ontwerpprincipes en andere opgaven zijn als volgt vertaald in concrete ontwerpopgaven: Zorg voor continuïteit en hiërarchie in de hoofdrichting van de dijk met haar taluds. Dwarsrichtingen zoals dijk op – en overgangen dienen te worden vormgeven als secundaire structuren. Dijk op- en overgangen dienen vloeiend, vanzelfsprekend en compact te worden vormgegeven. Zorg voor goede aansluiting van beheerpaden. Afritten van beheerpaden dienen zoveel mogelijk gecombineerd te worden met hoge grond of afritten van andere infrastructuur. Zorg voor logische overgangen van verschillende dijkprofielen en -materialen, gecombineerd met een goed functionerende infrastructuur. Profilering en materiaalgebruik moet aansluiten bij herkenbare routing, functie en gebruik, zoals fietspaden, herkenbaar rondje Ohéstraat, nieuwe haven, Kop van het End. Technische elementen als pomplocaties en duikers dienen integraal onderdeel uit te maken van het ontwerp. Compensatie en mitigatieopgave (zoals natuur en rivierkundig) dient te worden bepaald en integraal onderdeel uit te maken van het plan. Deze kunnen als volgt concreet worden vertaald in eisen die aan de vormgeving van de dijk en de daaraan toegevoegde elementen kunnen worden gesteld: Het dijktracé dient een logische lijn te volgen die zoveel mogelijk aansluit bij het onderliggende landschap, bestaande uit de Maasoever, het koelwaterkanaal, rivierterrassen en geulrestanten, en ‘soepel’ om tegen hoogwater te beschermen objecten zoals woon- bedrijfsbebouwing heen wordt ‘gedrapeerd’. Het dijklichaam krijgt een uniform profiel met een kruinbreedte van 4,5 meter en zowel binnen- als buitendijkse taluds met een helling van 1:3. Knikken en andere onderbrekingen in de taluds (ten behoeve van dijkovergangen en beheerpaden) dienen tot een minimum gereduceerd te worden. Op en aan de dijk aan te brengen elementen zoals rust- en uitkijkpunten, dijkovergangen, duikers, loswallen en aanlegplaatsen dienen zoveel mogelijk geclusterd te worden en in samenhang ontworpen te worden. In het definitieve ontwerp (DO) zijn de ontwerpopgaven en -eisen aan de hand van bovenstaande leidende principes uitgewerkt. Hierbij is steeds een balans gezocht tussen collectieve (regionale) en individuele (lokale) belangen. In overleg met terreineigenaren en dorpsbewoners is voortbouwend op het voorlopige dijkontwerp gezocht naar maatwerkoplossingen die beide belangen verenigen. Dit heeft ertoe geleid dat zowel het dijktracé (in dijkvakken 1 en 4) als de locatie en de inpassingen van de dijkovergangen zijn aangepast. Ook is zowel vanuit de opgave om een uniform dijkprofiel met een groene kruin te realiseren als vanuit wensen van aanwonenden gekozen voor het minimaliseren van fiets- en landbouwverkeer op de dijk. Het wandelen op de dijk is gezoneerd, waardoor de delen waar de dijk dicht langs de woonbebouwing ligt zoveel mogelijk worden ontzien in verband met privacy van aanwonenden. Hiertoe zijn niet alleen (deels in dijkovergangen geïntegreerde) hekken voorzien, maar is vooral het wandelen onderaan de dijk (zowel binnen- als buitendijks) zo aantrekkelijk mogelijk gemaakt. Het DO-ontwerp wordt hierna per dijkvak nader toegelicht. 4.5 Het ontwerp 4.5.1 Inleiding Op het Overzicht dijkvakken is het uiteindelijke DO-ontwerp weergegeven (zie ook figuur 4.1). Figuur 4.1: DO-ontwerp voor dijkversterking Buggenum 4.5.2 Deelgebied 1 Agrarisch gebied: dijkvak 1 t/m 4 In deeltraject 1 (Dijkvak 1, Dijkvak 2, Dijkvak 3 en Dijkvak 4) ligt in de huidige situatie nog geen dijk, behalve in een deel van de Groeneweg in Dijkvak 3. De nieuw aan te leggen dijk in dijkvak 1 (Ontwerp dijkvak 1), loopt ten noorden van het perceel van Arixweg 18 over de landbouwpercelen om aan te sluiten op de noordelijke hoge grond bij de Spitwitweg. Er wordt in Ontwerp dijkvak 1 een binnendijkse kleikist aangebracht als pipingmaatregel. De dijk loopt in Ontwerp dijkvak 2 over de oostelijk gelegen landbouwpercelen langs de Arixweg en in Ontwerp dijkvak 3 over de noordelijk gelegen landbouwpercelen langs de Groeneweg. Het eigendom van de gronden waarop de dijk komt te liggen wijzigt. Dit gaat van de particuliere en gemeentelijke eigenaren naar het eigendom van Waterschap Limburg. Alle percelen blijven bereikbaar door middel van dijkovergangen of een kavelpad (Ontwerp dijkvak 2). De achtergelegen dorpskern is na de aanleg van de dijk, beschermd tegen hoogwater volgens de nieuwe wettelijke veiligheidsnorm. Binnen Ontwerp dijkvak 3 is een deel van de Groeneweg in de huidige situatie aangewezen als primaire kering. De huidige kering wordt opgehoogd en loopt aan de noordelijke kant langs de Groeneweg. Er wordt een groene dijk aangelegd met een binnendijkse kleikist. Het dijktracé is in de overgang van Ontwerp dijkvak 3 en Ontwerp dijkvak 4 schuin over de Groeneweg gelegd, zodat de bestaande verbinding tussen de Groeneweg en de Groezeweg hersteld wordt. Dit ontwerp houdt er rekening mee dat de dijkovergang buiten de verstoringscontour van de dassenburcht ligt. In Ontwerp dijkvak 4 wordt ook een groene dijk aangelegd met binnendijkse kleikist. Vanaf de te verwijderen coupure volgt de kering in Ontwerp dijkvak 4 weer de huidige ligging van de bestaande kering over de Dorpsstraat. 4.5.3 Deelgebied 2 Maascontact met het dorp: dijkvak 5 en 6 In deeltraject 2 (Dijkvak 5 en Dijkvak 6) ligt de huidige dijk langs de Dorpsstraat en loopt door over de Ohéstraat. Bij de Dorpsstraat (Ontwerp dijkvak 5) wordt de langsdam naast het oude koelwaterkanaal afgegraven. De vrijgekomen materialen worden waar mogelijk gebruikt om de nieuwe dijk en de ophogingen van de bestaande dijk mee te realiseren. De nieuwe dijk bij de Dorpsstraat komt verder richting de Maas te liggen en wordt met 2 meter verhoogd ten opzichte van de huidige dijk. De insteek van de dijk (teen) komt op de locatie van de huidige dijk te liggen. En de dijk loopt vanaf hier tot in het koelwaterkanaal. Dit kanaal wordt dus ter plaatse gedempt. Als pipingmaatregel wordt een klei-inkassing aan de buitendijkse zijde toegepast. Om dwarsstroming op de Maas ten gevolge van de verwijderde langsdam te voorkomen, wordt de draaikom bij de ingang van het koelwaterkanaal deels opgevuld met vrijgekomen (laagwaardig) materiaal uit de langsdam. Hiermee wordt een glooiende waterbodem gecreëerd, waarmee de dwarsstroming afneemt. Wat tevens bijdraagt aan de vergroting van de lengte van ecologisch relevant areaal voor de Kaderrichtlijn Water (zie ook paragraaf 7.3.4). De huidige afmeervoorziening in het koelwaterkanaal wordt verplaatst naar Dijkvak 6, ter plaatse van de nu tijdelijke aanwezige loskade voor de botenkraan. Dit ter compensatie, omdat de afmeervoorziening niet op de huidige plek kan blijven liggen. Het definitief maken van de loswal wordt als meekoppelkans in dit project meegenomen (zie paragraaf 4.9). In Dijkvak 6 loopt de te versterken dijk aan de buitenzijde van het Buggenummerbroek. Het tracé volgt hier de huidige kering die loopt vanaf Kop van het End (waar de kering aansluit op de Dorpsstraat) langs het koelwaterkanaal van de voormalige Nuon Centrale tot aan de spoordijk. Tussen de Dorpsstraat en de toerit aan de Ohéstraat is geen pipingopgave meer, behalve ter plaatse van de kruising van de overstortleiding. Hier wordt aan beide zijden van de leiding een pipingscherm aangebracht. Tussen de Ohéstraat en het spoor is wel een pipingopgave. Deze wordt opgelost met een pipingscherm tussen de toerit aan de Ohéstraat en de beheertoerit aan de binnenzijde. Het hiervoor toepassen/hergebruiken van de vrijkomende damwand uit de bestaande nooddijk in Dijkvak 5 wordt gezien als een kans. In het zuidelijk deel van Dijkvak 6, tussen de beheertoerit aan het spoor, waar pipingmaatregelen niet maakbaar zijn, is gekozen voor een achterlandverbetering waarbij een pipingberm/ophoging van het achterland wordt toegepast. Dit omdat het ongewenst is vanwege omgevingsbeïnvloeding van het spoor een damwand aan te brengen. De afwatering en ruimtelijke kwaliteit van het gebied wordt verbeterd. 4.5.4 Deelgebied 3 Spoordijk: dijkvak 7 In deelgebied 3 (dijkvak 7) is de dijkversterkingsopgave vervallen, doordat is aangetoond dat de spoordijk Roermond – Eindhoven fungeert als hoge grond en de waterveiligheid gedurende 50 jaar voldoende borgt. Hiervoor wordt een bestaande dassentunnel tussen het OML-terrein en Buggenummerbroek afgesloten, omdat deze ervoor zorgt dat de hoge grond “lek” is. Het heeft de voorkeur om ter plaatse van de dassentunnel een grondwalletje van ca 30 cm hoog aan te leggen op een hoogte van NAP +22m. De dassen kunnen op deze wijze nog wel gebruik maken van de tunnel. In de paragrafen hierna zijn de ontwerpkeuzes ten opzichte van het referentieontwerp (VKA) per dijkvak nader toegelicht aan de hand van de ontwerpprincipes. De uitgebreide onderbouwing van het ontwerp is terug te vinden in de Ontwerpnota definitief ontwerp (bijlage VIII-B Nota Ontwerp). 4.6 Ontwerpkeuzes per dijkvak 4.6.1 Ontwerpkeuzes per dijkvak 4.6.1.1 Inleiding/ Ontwerpfilosofie Aan het ontwerp van de dijkverbetering liggen keuzes ten grondslag. In deze paragraaf worden eerst de ontwerpfilosofie en ontwerpuitgangspunten toegelicht, waarna een toelichting van de ontwerpkeuzes per dijkvak wordt gegeven. Er is een drietal leidende principes bepalend voor de ontwerpkeuzes. Deze principes zijn circulariteit, sober en doelmatig en ruimtelijke inpassing. 1. Circulariteit: Waterschap Limburg heeft de ambitie om dijkverbetering Buggenum het meest circulaire dijkversterkingsproject van Nederland te maken. Hiervoor wordt zo veel mogelijk circulair gewerkt met hergebruik van vrijkomende materialen uit het gebied zelf. Voor de dijkversterking is gewerkt op basis van het principe van grondgestuurd ontwerpen. Hiermee wordt toepassing van zo veel mogelijk gebiedseigen grond mogelijk gemaakt. De nieuwe kleibekleding voor het gehele dijktraject bestaat uit schrale klei. Dit type klei komt van nature veel voor in de omgeving van het project. In combinatie met een gesloten biodiverse grasbekleding biedt de schrale kleibekleding voldoende sterkte. Uit het ecogeochemisch onderzoek is gebleken dat de huidige toplaag van de langsdam zonder extra bemesting grotendeels hergebruikt kan worden in het substraat voor de nieuwe dijkbekleding. 2. Sober en doelmatig: Waterschap Limburg werkt binnen de kaders van sober en doelmatig. Sober betekent dat primair de dijkversterkingsmaatregelen met als zichtjaar 2075 worden uitgevoerd die nodig zijn voor de versterkingsopgave. Daarnaast worden inpassingsmaatregelen uitgevoerd waarbij de huidige functionaliteiten wordt teruggebracht. Nieuwe functionaliteiten betreffen meekoppelkansen. De financiering hiervoor wordt geborgd bij derden. Doelmatig betekent dat integrale ontwerpafwegingen worden gemaakt op prestaties, kosten en risico’s; 3. Ruimtelijke inpassing: Waterschap Limburg past de dijk samenhangend als een nieuw maar vanzelfsprekend element in het landschap in. Hiertoe worden de vijf leidende principes uit het document ‘Ruimtelijke kwaliteit Noordelijke Maasvallei’ toegepast. Concreet betekent dit dat het dijktracé zo veel mogelijk bestaande landschappelijke structuren volgt met een vloeiende lijn door het landschap. Het aantal (scherpe) knikpunten wordt zoveel mogelijk beperkt. De dijk en versterkingsmaatregelen worden zo veel mogelijk ingericht op multifunctioneel ruimtegebruik. Hierbij is aandacht voor de verbinding tussen het dorp Buggenum en de Maas. Waar mogelijk worden kansen voor recreatief medegebruik benut. In de toelichting van de ontwerpkeuzes in het DO (bijlage VIII-B Nota Ontwerp) en het IV Inrichtingsplan wordt weergegeven welk leidend principe heeft geleid tot de betreffende ontwerpkeuze. 4.6.1.2 (Geoptimaliseerde) ontwerpuitgangspunten Algemene ontwerpuitgangspunten die zijn aangepast op basis van nadere inzichten zijn: Voor het faalmechanisme overloop en overslag (GEKB) is een herbeschouwing van de versterkingsopgave gedaan met de meest recente afvoerstatistiek in het rekenprogramma Hydra-NL, v.2.8.2. Hierin zijn rivierverruimingen bovenstrooms in Limburg en Wallonië meegenomen in de hydraulische randvoorwaarden. Dit resulteert voor Ontwerp dijkvak 5 en Dijkvak 6 in een lagere kruinhoogte. In dijkvak 7 is de versterkingsopgave vervallen, doordat het spoor technisch fungeert als hoge grond. Voor de faalmechanismen stabiliteit binnen- en buitenwaarts is aangetoond dat er geen versterkingsopgave is. Voor (steen)bekleding is het uitgangspunt dat de huidige steenbestorting wordt teruggebracht. Voor het faalmechanisme piping en heave (STPH) was er een versterkingsopgave voor Dijkvak 1, Dijkvak 3, Dijkvak 4, Dijkvak 5 en Dijkvak 6. In het DO is de versterkingsopgave voor Ontwerp dijkvak 1, Ontwerp dijkvak 3 en Ontwerp dijkvak 4 geoptimaliseerd d.m.v. Mseep berekeningen uit te voeren op het deelmechanisme heave. Hierdoor wordt het mogelijk de pipingmaatregel in Ontwerp dijkvak 4 uit te voeren middels een kleikist. In Dijkvak 6 is de dimensionering van de pipingmaatregelen berekend op basis van het deelmechanisme opbarsten en het nader grondonderzoek. Uit de berekening blijkt dat 250m tussen Dorpsstraat en Ohéstraat in Dijkvak 6 blijkt te voldoen aan het faalmechanisme piping op basis van de dikte van de deklaag. Alleen het gedeelte ter plaatse van de toekomstige kruising met de overstortleiding voldoet niet op piping, hier moet 20 meter aan beide zijden van de overstortleiding een pipingscherm worden gerealiseerd. In Dijkvak 6 liggen twee waterkerende kunstwerken, namelijk de overstortleiding van het bergbezinkbassin en het doorlaatwerk (uitwateringsduiker) voor de Ziep. Voor deze kunstwerken is er een veiligheidsopgave op basis van de faalmechanismen betrouwbaarheid sluiten en piping. Door verleggen en verbreden van de dijk is handhaven op de huidige locatie niet meer mogelijk. De overstortleiding en doorlaatwerk voor de Ziep worden op een nieuwe locatie gerealiseerd. De locatie van het doorlaatwerk voor de Ziep wordt gesitueerd naast een loswal voor boten (meekoppelkans). De afmeervoorzieningen worden verplaatst naar de nieuwe locatie in het koelwaterkanaal. Uit inspectie is gebleken dat de drijvende steigers niet hergebruikt kunnen worden. In de nadere planuitwerking is gebleken dat het afgraven van de langsdam een meer circulaire dijkversterking mogelijk maakt omdat er naar verwachting ca. 110.000 m3 herbruikbaar materiaal vrij komt. Dit maakt de oplossing voor de het Hoogwaterbeschermingsprogramma doelmatig. Hierdoor is er sprake van een aanzienlijke kostenbesparing door vermeden kosten voor aankoop van materiaal voor de dijkversterking, tegenover een relatieve kleinere kostenpost voor compenserende maatregelen voor verplaatsen aanlegplaatsen, maatregelen dwarsstroming en compensatie KRW. De benodigde KRW-compensatie vormt de kans om in samenhang met de beoogde KRW-maatregel Bouxweerd (van Rijkswaterstaat) in samenhang een meer hoogwaardige ecotoop te ontwikkelen met meerwaarde voor de aquatische ecologie. 4.6.2 Deelgebied 1 Agrarisch gebied: dijkvak 1 4.6.2.1 Het ontwerp Het Ontwerp dijkvak 1 betreft, net als het VKA, een nieuwe waterkering in grond ten behoeve van de aansluiting op de hoge gronden (zie figuur 4.2). Het ontwerp is goed in de omgeving in te passen op een toekomstbestendige en kostenefficiënte manier. Het ontwerp biedt aanvullende bescherming aan achterliggende woningen. De kruinhoogte komt op NAP +22,2 m (aanleghoogte) en de taludhellingen zijn 1:3 (zie figuur 4.3). 4.6.2.2 Ruimtelijke inrichting In Ontwerp dijkvak 1 maakt de dijk de aansluiting met de hoge grond. Om het aantal dijkovergangen te minimaliseren is ervoor gekozen de aansluiting daar te maken waar de Spirwitweg op kruinhoogte komt. De dijk start dus naast de Spirwitweg, waardoor hier geen dijkovergang nodig is en beheervoertuigen direct vanaf de Spirwitweg de dijkkruin op kunnen rijden. Richting het zuidoosten komt de dijk als het ware geleidelijk uit het maaiveld naar boven en koerst deze in een rechte lijn af op de dijkovergang met de Arixweg. Hier wordt de knik in de dijk als het ware onder de bestaande verharde weg geschoven. Ook de Holpotterweg wordt gepasseerd met een lage dijkovergang (zie bijlage IV Inrichtingsplan). Figuur 4.2 Ontwerp dijkvak 1 Figuur 4.3 Principe dwarsdoorsnede dijkvak 1 4.6.2.3 De ontwerpkeuzes De volgende ontwerpkeuzes zijn gemaakt bij Ontwerp dijkvak 1 (zie figuur 4.4): De as van de dijk is ten opzichte van het voorkeursalternatief (VKA) met ca. 30 meter in noordelijke richting verschoven in overleg met de grondeigenaren. Dit waarborgt de toegang tot de loods aan Arixweg 18 voor landbouwverkeer uit de richting van Neer en Buggenum. De dijkovergang ter plaatse van de Holpotterweg is landschappelijk geoptimaliseerd, zodat het kruisingsvlak en de dijk tussen de Arixweg in één rechte lijn komen liggen. Het verschuiven van de dijk heeft als voordeel dat de aansluiting met hoge grond bij de Spirwitweg beter ingepast is. Deze wordt namelijk niet meer gekruist, waardoor een overgang niet meer noodzakelijk is. Deze variant is akkoord voor de grondeigenaren. Het is ook een goedkopere variant dan het voorkeursalternatief en daarmee in lijn met sober en doelmatig. De vormgeving van de oprit van de Arixweg is zodanig dat het talud van de overgang aaneengesloten is met de dijk en er geen kiel ontstaat. Ook is rekening gehouden met de eisen vanuit beheer (bochtstraal van de teen is 10 meter). Het verplaatsen van de dijk zorgt voor minder grondverzet voor de aanleg ten opzichte van het VKA. De dijk wordt weliswaar iets langer, maar komt ook op hogere grond te liggen. De dijk komt ter plaatse van de Arixweg heel beperkt in het winterbed liggen. Na vaststelling van het VKA is geconstateerd dat er een pipingopgave is in Dijkvak 1. Door het verplaatsen van de waterkering wijzigt ook de pipingopgave licht; het verval wordt namelijk kleiner, omdat de gronden aan de binnendijkse zijde hoger zijn gelegen. Ter plaatse van de overgang naar de hoge grond aan de Spirwitweg is er geen pipingopgave. Achterloopsheid kan hier dus ook worden uitgesloten. De maximale lengte voor een verticale pipingmaatregel is zodanig klein, dat volstaan kan worden met een kleikist ter plaatse van de binnenteen. Het aanbrengen van een kleikist brengt lagere kosten voor aanleg en grondverwerving met zich mee t.o.v. een voorlandverbetering. Figuur 4.4 Ontwerpkeuzes dijkvak 1 4.6.3 Deelgebied 1 Agrarisch gebied: dijkvak 2 4.6.3.1 Het ontwerp Het Ontwerp dijkvak 2 betreft, net als het VKA, een nieuwe waterkering in grond ten behoeve van de aansluiting op de hoge gronden (zie figuur 4.5). Het ontwerp is goed in de omgeving in te passen op een toekomstbestendige en kostenefficiënte manier. Het ontwerp biedt aanvullende bescherming aan achterliggende woningen. De kruinhoogte komt op NAP +22,2 m (aanleghoogte) en de taludhellingen zijn 1:3 (zie figuur 4.6). Figuur 4.5 Ontwerp dijkvak 2 Figuur 4.6 Principe dwarsdoorsnede dijkvak 2 Figuur 4.7 Ontwerpkeuzes dijkvak 2 4.6.3.2 Ruimtelijke inrichting Ontwerp dijkvak 2 volgt de oostzijde van de Arixweg tot aan de kruising met de Groeneweg. De lage dijk wordt zo dicht mogelijk tegen de weg gepositioneerd. Oostelijk van de dijk is een kavelpad voorzien, waarmee de buitendijks gelegen percelen vanaf de dijkovergang met de Arixweg worden ontsloten. Aanvullend is in het verlengde van de Poelakkerweg een lage dijkovergang voorzien, aangevuld met een daaraan gespiegelde dijkovergang voor kavels van een andere terreineigenaar. Onderaan deze dijkovergang en op de dijkovergang met de Arixweg worden hekken geplaatst om het wandelen en fietsen op de kruin van dit dicht langs woonbebouwing lopende dijkvak te ontmoedigen (zie IV Inrichtingsplan). 4.6.3.3 De ontwerpkeuzes De volgende ontwerpkeuzes zijn gemaakt bij Ontwerp dijkvak 2 (zie figuur 4.7): In Ontwerp dijkvak 2 komt de dijk tussen bedrijfsgebouwen aan de Arixweg en landbouwpercelen te liggen. In de huidige situatie is het voor perceeleigenaren aan de westzijde van de Arixweg mogelijk om vanaf elk punt hun landbouwpercelen aan de oostzijde van de Arixweg te betreden. Dit is door de aanleg van de dijk niet meer mogelijk. Door de aanleg van de dijk wordt deze functionaliteit weggenomen, omdat alle bestaande gelijkvloerse perceeltoegangen vervallen. De functionaliteit van toegang tot de landbouwpercelen wordt hersteld door de aanleg van een buitendijks kavelpad als inpassingsmaatregel bij de dijkovergang van de Arixweg. Het kavelpad is toegankelijk vanaf de Arixweg. Dit kavelpad bestaat uit betongranulaat en wordt 3,5 m breed en ligt 2 meter vanaf de buitenteen. Hier ligt de klei-inkassing die vrij moet blijven van insporing door landbouwvoertuigen. Het kavelpad is hiermee vanuit de richting Neer bereikbaar. Bij de Poelakkerweg wordt een tweede dijkovergang gerealiseerd. Deze dijkovergang ligt in een logische landschappelijke lijn met de Poelakkerweg. Om de opgang naar de dijk te ontmoedigen in verband met privacy van de bewoners, worden aan beide zijden van de Arixweg toegangspoorten geplaatst. Ter plaatse van de binnendijkse zijde van de dijkovergangen aan de Arixweg komen toegangspoorten voor de landeigenaren. 4.6.4 Deelgebied 1 Agrarisch gebied: dijkvak 3 4.6.4.1 Het ontwerp Binnen Dijkvak 3 is het deel Groeneweg in de huidige situatie aangewezen als primaire kering. De huidige kering in Dijkvak 3 wordt verlegd en loopt verder op de landbouwpercelen langs de Groeneweg (zie figuur 4.8). Er wordt een groene dijk aangelegd met een kleikist (in plaats van een voorlandverbetering of pipingscherm zoals opgenomen in het VKA). De kruinhoogte komt op NAP +22,2 m (aanleghoogte) en de taludhellingen zijn 1:3 (zie figuur 4.9). Figuur 4.8 Ontwerp dijkvak 3 Figuur 4.9 Principe dwarsdoorsnede dijkvak 3 4.6.4.2 Ruimtelijke inrichting Bij de kruising van de Arixweg en de Groeneweg maakt de dijk een knik naar het oosten en volgt deze de noordzijde van de Groeneweg. De dijk wordt hier langzaamaan iets hoger, met name daar waar deze twee oude geulrelicten kruist. Net als bij de Arixweg wordt bij de dijkovergang van de naar het noorden afbuigende Wijnaardenweg het dijklichaam onder het tracé van de verharde weg geschoven. Om de realisatie van de dijk en de dijkovergang op deze plek mogelijk te maken moet een karakteristieke boom worden gerooid. De nieuwe boom wordt in de nabijheid van de dijkovergang geplant. Zie hiervoor figuur 4.10. Op de dijkovergang is een zitelement voorzien, dat uitzicht biedt op het Buggenumse veld. Verder naar het oosten is tevens een dijkovergang voor landbouwverkeer voorzien. Deze ontsluit de meer oostelijk gelegen agrarische percelen. Ook hier is het dijklichaam weer onder het tracé van de Groeneweg geschoven, die in zijn loop over dijk wordt voorzien van halfverharding. De verharde weg wordt geheel binnendijks aangesloten op de Dorpsstraat, waardoor hier geen dijkovergangen nodig zijn en de bestaande coupure vervalt (zie bijlage IV Inrichtingsplan). 4.6.4.3 De ontwerpkeuzes Figuur 4.10 Ontwerpkeuzes dijkvak 3 De volgende ontwerpkeuzes zijn gemaakt bij Ontwerp dijkvak 3 (zie figuur 4.10): Ten opzichte van het voorkeursalternatief (VKA) is de splitsing Groeneweg - Wijnaardenweg versoberd. In het VKA was er een aanvullende verbinding tussen de Groeneweg en de Wijnaardenweg, komend vanuit oostelijke richting (Dorpsstraat). Omdat deze verbinding een aanvullende functionaliteit biedt ten opzichte van de huidige situatie, is deze niet subsidiabel. Vanwege het aanvullende ruimtebeslag is deze toerit daarom vervallen. De bochtstraal van de aansluiting tussen Groeneweg naar de Wijnaardenweg wordt gehandhaafd, waarmee de huidige functionaliteit wordt behouden. De markante boom op de huidige kruising van de Groeneweg wordt gerooid. Hiervoor in de plaats komt een nieuwe boom aan de buitendijkse kant van de Wijnaardenweg (10 m uit de dijkteen). Het bankje wordt op deze nieuwe locatie bij de boom geplaatst. Het dijktracé is in de overgang van Ontwerp dijkvak 3 en Ontwerp dijkvak 4 (in tegenstelling tot de haakse hoek in het VKA) schuin over de Groeneweg gelegd, zodat de bestaande verbinding tussen de Groeneweg en de Groezeweg hersteld wordt. Dit ontwerp houdt er rekening mee dat de dijkovergang buiten de verstoringscontour van de dassenburcht ligt. Voor faalmechanismen piping en heave (STPH) was er een versterkingsopgave in Dijkvak 3. Er wordt een kleikist aangelegd in plaats van een pipingscherm of voorlandverbetering (zoals opgenomen in het VKA). Een kleikist brengt lagere kosten en een kleiner ruimtebeslag met zich mee. 4.6.5 Deelgebied 1 Agrarisch gebied: dijkvak 4 4.6.5.1 Het ontwerp In Dijkvak 4 wordt een nieuwe groene dijk aangelegd met een kleikist (i.p.v. een pipingscherm zoals opgenomen in het VKA) buiten de verstoringscontour van de dassenburcht aan de Groeneweg. Vanaf de coupure in de Dorpsstraat volgt de kering in Ontwerp dijkvak 4 weer de huidige ligging van de bestaande kering (zie figuur 4.11). De kruinhoogte komt op NAP +22,2 m (aanleghoogte) en de taludhellingen zijn 1:3 (figuur 4.12). 4.6.5.2 Ruimtelijke inrichting Vanaf het knikpunt tussen Ontwerp dijkvak 3 en Ontwerp dijkvak 4 begint de dijk zich sterker boven het maaiveld te verheffen. De dijk doorkruist hier een aantal agrarische percelen. Het dijktracé is zo gekozen dat er binnendijks een zo goed mogelijk bruikbaar stuk land overblijft om het gebruik als boomkwekerij voort te zetten en dat de dijk buiten de verstoringscontour van de buitendijks gelegen bewoonde kunstburcht voor dassen komt te liggen. Het deel van deze percelen dat buitendijks komt te liggen kan mogelijk een meer extensief agrarische of natuurlijk karakter krijgen, hetgeen zou leiden tot een logische positie van de dijk als scheidlijn tussen natuur en landbouw (zie bijlage IV Inrichtingsplan). De oever van de Maas wordt geoptimaliseerd om dwarsstroming tegen te gaan en hoogwaardige ecotopen te realiseren voor de compensatie voor de Kaderrichtlijn Water. Dit wordt bereikt door in lijn met steenbestorting van Ontwerp dijkvak 5 circa anderhalve meter boven het stuwpeil van de Maas een vooroever met openingen aan te leggen die deze kom afschermt van de (stroming van
  4. de)Maas (zie figuur 4.13). In het tussen de huidige oever en deze dam liggende gebied ontstaat zo een meer natuurlijke oever, hetgeen als habitat een wezenlijke toevoeging is voor de ecologie van dit deel van de Maas. De dam wordt middels twee bruggen aan te sluiten op het buitendijkse wandelpad van Ontwerp dijkvak 5. Hierdoor ontstaat een interessant ommetje, dat wandelaars stimuleert om niet op, maar onderlangs de dijk te gaan lopen. Vanaf het knikpunt met Ontwerp dijkvak 5 wordt een dijkovergang voor fietsers en landbouwverkeer gerealiseerd. Deze sluit de binnendijks gelegen Dorpsstraat aan op de buitendijks gelegen Groezeweg. Tevens wordt in het verlengde van de Dorpsstraat richting de buitendijks gelegen laan met lindes aan weerszijden middels een trap een dijkovergang voor voetgangers gerealiseerd. Zowel deze trap als de hieronder beschreven trap tegenover café het Veerhuis worden voorzien van een hek om het tussen beide trappen gelegen deel van de dijk minder toegankelijk te maken voor wandelaars en fietsers. Figuur 4.11 Ontwerp dijkvak 4 Figuur 4.12 Principe dwarsdoorsnede dijkvak 4 Figuur 4.13 Principe dwarsdoorsnede kom 4.6.5.3 De Ontwerpkeuzes Figuur 4.14 Ontwerpkeuzes dijkvak 4 De volgende ontwerpkeuzes zijn gemaakt bij Dijkvak 4 (zie figuur 4.14): Het dijktracé is ten opzichte van het VKA buitenwaarts verschoven waardoor de agrarische percelen binnendijks blijven en om te zorgen dat de bedrijfsvoering van de boomgaard voortgezet kan worden. Het tracé komt buiten de verstoringscontour van de dassenburcht (kunstburcht) aan de Groeneweg te liggen en wordt daarmee vergunbaar. Ook worden scherpe knikken in het dijktracé zoals opgenomen in het VKA voorkomen. In Ontwerp dijkvak 4 worden maatregelen tegen graafschade van dassen gerealiseerd. Hierbij is de lengte van de maatregel tegen graafschade beperkt tot het deel van de dijk waar het risico op graafschade het grootst is. Dit is ter plaatse van de hoofdburcht, waar de begroeiing gehandhaafd blijft. In Buggenum ontstaat de voor dijkversterkingen unieke situatie dat een habitat met rust- en verblijfplaatsen van dassen doorkruist wordt door een dijkversterking. De hoofdburcht blijft buitendijks liggen, maar de bijburcht komt binnendijks te liggen. De dijkversterking introduceert hier dus een nieuw risico, dat middels voorzieningen tegen graafschade beheerst wordt. De bestaande wegverbinding Dorpsstraat - Groeneweg voor auto- en fietsverkeer wordt hersteld door aanleg van een wegverbinding aan de binnenzijde van de dijk. Ten behoeve van de ontwatering van de agrarische percelen wordt een molgoot en infiltratievoorziening opgenomen waar tussen de Groeneweg en Dorpsstraat een doorgaande wegverbinding wordt aangelegd. De bestaande verbinding tussen de Dorpsstraat en de Groezeweg voor fiets- en landbouwverkeer wordt hersteld. De Dorpsstraat met lindes wordt hierdoor logisch ingepast. De oorspronkelijke wegverbinding tussen de Dorpsstraat en Dorpsstraat met lindes wordt hersteld met een dijktrap, die alleen toegankelijk is voor voetgangers. De dijkovergangen lopen op in een helling van 1:15. De dijkovergangen Dorpsstraat en Groeneweg naar Groezeweg voor fiets- en landbouwverkeer worden hersteld, zie ook Ontwerp dijkvak 3. Op basis van diverse keukentafelgesprekken en ontwerpateliers met bewoners is de dijkovergang voor landbouw en fietsverkeer van de Dorpsstraat naar de Groezeweg ten gevolge van verkeersveiligheid op de Dorpsstraat en de Groeneweg verplaatst. De dijkovergang is verplaatst van Dijkvak 5 naar Dijkvak 4 vanwege het kruisend verkeer vanuit de uitritten van percelen. Deze dijkovergang wordt uitgevoerd in asfalt. Binnendijks wordt een nieuwe wegverbinding in asfalt aangelegd tussen de Groeneweg en de Dorpsstraat. Aanleg van deze weg is doelmatig ten opzichte van het handhaven van de bestaande langere route voor het autoverkeer met twee dijkovergangen. De nieuwe verbindingsweg komt na realisatie in eigendom en beheer bij de gemeente Leudal. Voor faalmechanismen piping en heave (STPH) was er een versterkingsopgave voor Dijkvak 4. In het DO is de versterkingsopgave geoptimaliseerd op basis van nieuwe berekeningen. Hierdoor is het mogelijk de pipingmaatregel in Ontwerp dijkvak 4 uit te voeren middels een kleikist in plaats van een pipingscherm (zoals opgenomen in het VKA). Ongewenste dwarsdoorstroming wordt voorkomen met het opvullen van de kom, het aanleggen van een hogere vooroever (langsdam) en het verflauwen van de oever benedenstrooms van de kom (tot aan de WBL-leiding) (zie Rivierkundige - en KRW-maatregelen in paragraaf 7.2 en 7.3.4). De langsdam wordt aan beide zijden met bruggen verbonden aan het aan de dijkteen en huidig talud. Er wordt een aansluiting gemaakt op het wandelpad naar de Groezeweg om een wandelrondje mogelijk te maken. Hierbij worden bestaande bomen zo veel mogelijk behouden. 4.6.6 Deelgebied 2 Maascontact met het dorp: dijkvak 5 4.6.6.1 Het ontwerp In Dijkvak 5 ligt de huidige dijk over de Dorpsstraat. De nieuwe dijk bij de Dorpsstraat komt verder richting de Maas te liggen en wordt met 2 meter verhoogd ten opzichte van de huidige dijk. De insteek van de dijk (teen) komt op de locatie van de huidige dijk te liggen. En de dijk loopt vanaf hier tot in het koelwaterkanaal. Dit kanaal wordt dus ter plaatse gedempt (zie figuur 4.15 en principe dwarsdoorsnedes in figuur 4.16 en 4.17). In de nieuwe situatie wordt het dijkvak voorzien van een groene waterkering met oeverbescherming. De kruinhoogte komt op NAP +22,3 m (aanleghoogte) en de taludhellingen van de dijk zijn 1:3 en de aansluiting van het achterland 1:10. Figuur 4.15 Ontwerp dijkvak 5 Figuur 4.16 Principe dwarsdoorsnede DP5a dijkvak 5 Figuur 4.17 Principe dwarsdoorsnede DP5b dijkvak 5 (legenda: zie figuur hierboven) 4.6.6.2 Ruimtelijke inrichting Langs de Dorpsstraat wordt de dijk feitelijk in het koelwaterkanaal gelegd, waarbij de huidige langsdam wordt verwijderd. Binnendijks ontstaat hierdoor tussen de Dorpsstraat en de teen van de dijk een brede strook die onder een flauwe helling vanaf de Dorpsstraat oploopt naar de teen van de dijk. Hierdoor komt de dijk niet alleen verder van de Dorpsstraat en de daar tegenover liggende huizen te liggen, maar lijkt de dijk door het geringere hoogteverschil tussen teen en kruin ook lager. Als afscheiding tussen de Dorpsstraat en deze groenstrook is een heg voorzien. De groenstrook zelf wordt ingezaaid met gras en er worden enkele lage bomen (maximaal 5 meter hoogte) geplaatst (zie bijlage IV Inrichtingsplan). Tegenover café Het Veerhuis wordt middels de trap een dijkovergang voor voetgangers gerealiseerd. Deze verbindt de binnendijks gelegen Dorpsstraat en groenstrook met het buitendijkse wandelpad. Dit wandelpad wordt aangelegd op het beheerpad, dat op de overgang van de steenbekleding naar het grastalud is gelegen. Op en onderaan de dijk zijn zitelementen voorzien. Deze zijn in samenspraak met de omgeving ontworpen met elementen uit de kademuur op de langsdam en spelen een belangrijke rol in het herstellen van het contact tussen het dorp (met name haar bewoners) en de Maas. In dit zitelement krijgt ook de gedenksteen op de langsdam een plaats. In figuur 4.18 is het ruimtelijke principe van Ontwerp dijkvak 5 weergegeven. In de kern bestaat dit uit het terugbrengen van huidige functies. Figuur 4.18 Ruimtelijk principe dijkvak 5 4.6.6.3 De ontwerpkeuzes De volgende ontwerpkeuzes zijn gemaakt bij Ontwerp dijkvak 5 (zie figuur 4.19): In het VKA waren nog 2 alternatieven (2A1-a en 2B-
  5. b)die verder onderzocht moesten worden in de planuitwerking. Er is gekozen om het rivierwaarts versterken van de huidige kering (alternatief 2B-b in VKA). Hierdoor wordt het koelwaterkanaal gedempt en de langsdam (grotendeels) afgegraven. Omdat de kruin van de dijk verder rivierwaarts is gelegen vergeleken met alternatief 2A1-a, is er geen damwand nodig en wordt er geen extra druk geleverd op de rioolpersleiding dan in de huidige situatie. De helling van het talud is 1:3. De kering heeft een niveau van circa NAP+22,3 meter (aanleghoogte). De huidige kering wordt verwijderd. De aansluiting van nieuwe dijk met maaiveld heeft in het VKA een talud van 1:10. Dit is vrij steil, daarom wordt deze helling naar een flauwer talud van 1:20 gebracht om de ruimtelijke inpassing van de dijk ten opzichte van de aangrenzende woningen te optimaliseren. De extra toerit van de Dorpsstraat naar de aanlegplaatsen vervalt, omdat er in de huidige situatie alleen een dijktrap tegenover het Veerhuis aanwezig is. Deze dijktrap wordt wel hersteld. Het bestaande bakstenen monument op de langsdam is voor het dorp Buggenum van grote cultuurhistorische en emotionele waarde. Dit wordt hersteld in de vorm van een zitelement aan de buitenzijde van de dijk ter plaatse van het Veerhuis. Pipingmaatregel betreft het realiseren van een kleibekleding met een breedte van 2 meter in de buitenteen bestaande uit stevige klei. In de overgang tussen steen- en grasbekleding op het buitentalud is de mogelijkheid om te wandelen. Binnen- en buitendijks worden de bestaande wandelvoorzieningen van de langsdam hersteld, middels een halfverhard pad aan de binnenzijde en op de platberm aan de buitenzijde. Aan de buitenzijde wordt het pad gecombineerd met de overgang tussen steen- en grasbekleding. Op de huidige langsdam staat een oude notenboom die door de omgeving als waardevol wordt gezien. Deze boom wordt gekapt. Herplant is op basis van de waterschapsverordening mogelijk op minimaal 8,5 meter uit de binnenteen van de dijk. De compensatieverplichting is opgenomen in de kapvergunning. Er is een meekoppelkans benoemd om het onderhoudspad op de kruin van de dijk tussen de Ohéstraat en de dijkovergang van de Dorpsstraat op te waarderen naar een befietsbaar pad of fietspad. Vanwege het ontbreken van draagvlak bij de aanwonenden is deze meekoppelkans niet meegenomen. Figuur 4.19 Ontwerpkeuzes dijkvak 5 In de III Tabel afweging restpunten en optimalisaties zijn de restpunten uit het VKA en de optimalisaties van het Ontwerp dijkvak 5 opgenomen. 4.6.7 Deelgebied 2 Maascontact met het dorp: dijkvak 6 4.6.7.1 Het ontwerp In Dijkvak 6 loopt de te versterken dijk aan de buitenzijde van Buggenummerbroek. Het tracé volgt hier de huidige kering die loopt vanaf Kop van het End (waar de kering aansluit op de Dorpsstraat) langs het koelwaterkanaal van de voormalige Nuon Centrale tot aan de spoordijk (zie figuur 4.20). De principe dwarsdoorsnedes zijn weergegeven in figuur 4.21 t/m 4.23. De kruinhoogte komt op NAP +22,3 m (aanleghoogte) en de taludhellingen variëren van 1:2,5 (bij de dijktrap) tot 1:3. Figuur 4.20 Ontwerp dijkvak 6 Figuur 4.21 Principe dwarsdoorsnede DP6a dijkvak 6 Figuur 4.22 Principe dwarsdoorsnede DP6b dijkvak 6 (legenda: zie figuur hierboven) Figuur 4.23 Principe dwarsdoorsnede DP6c dijkvak 6 (legenda: zie figuur hierboven) 4.6.7.2 Ruimtelijke inrichting De dijk wordt hier richting de binnenzijde versterkt, door de dijk op te hogen vanaf de buitenkruinlijn. De buitendijkse platberm wordt verlaagd, zodat de binnenteen en het binnendijkse inspectiepad één geheel vormt met Ontwerp dijkvak 5 (zie bijlage IV Inrichtingsplan). De in de huidige situatie in het koelwaterkanaal tussen de Dorpsstraat en de langsdam gelegen afmeervoorziening voor de recreatievaart (49 ligplaatsen) wordt verplaatst naar het tussen de Maas en het Buggenummerbroek gelegen deel van het koelwaterkanaal. Dit Dijkvak 6 voorziet in de huidige situatie ook in een tijdelijk vergunde demontabele opstelplaats voor een kraanwagen waarmee pleziervaartuigen in en uit het water getakeld kunnen worden. Deze opstelplaats wordt verplaatst naar de buitenteen van de dijk, bereikbaar middels een afrit vanaf de kruin van de dijk. De kraanwagen komt daarbij onderaan de dijk te staan en hijst twee keer per jaar (gedurende ca. 2 weken) jachten vanaf een op de kruin van de dijk staande trailer in en uit het water. Deze opstelplaats wordt niet publiekelijk toegankelijk voor gemotoriseerd verkeer. De afmeervoorziening en opstelplaats zijn als één geheel ontworpen. De afmeervoorziening voor de recreatievaart komt daarbij alleen aan de dijkzijde van het koelwaterkanaal te liggen. Langs de toerit naar de Ohéstraat wordt parkeren mogelijk gemaakt. De afmeervoorzieningen worden toegankelijk middels een tweetal buitendijks gelegen dijktrappen aan de kopse zijden. De in Dijkvak 5 gelegen drijfloopbrug wordt verplaatst direct bovenstrooms van de afmeervoorzieningen. Onder de waterlijn wordt dwars op het koelwaterkanaal een permeabele dam aangelegd bestaande uit betonblokken. Die zorgt ervoor dat de pleziervaartuigen bij de afmeervoorzieningen minder last hebben van deining voor recreatievaart en dient als compensatie voor de KRW. De blokken vormen hechtingssubstraat voor waterplanten en bieden schuilplaatsen voor vissen. Vanaf hier is het koelwaterkanaal niet meer nautisch toegankelijk en dient zoals rustplaats voor vissen. Tussen de toerit van de Ohéstraat en de beheertoerit aan de binnenzijde naar het Buggenummerbroek wordt aan de binnenzijde een pipingscherm gerealiseerd. In de oksel tussen Dijkvak 6 en de spoordijk wordt piping tegengegaan door ooit door kleiwinning ontstane lage delen van het Buggenummerbroek aan te helen. Hiermee wordt het oorspronkelijke reliëf hersteld en daarmee de landschappelijke kwaliteit van dit deel van het Buggenummerbroek versterkt. De dijk sluit aan op de noordzijde van het spoor, buiten het raster. De bestaande afrit van de Ohéstraat naar de Vogelkop wordt teruggebracht en aan de binnenzijde wordt een aansluiting gemaakt op de wandelpaden in het Buggenummerbroek. In figuur 4.24 is het ruimtelijke principe van Dijkvak 6 weergegeven. In de kern bestaat dit uit het terugbrengen van huidige functies. Figuur 4.24 Ruimtelijke principe dijkvak 6 4.6.7.3 De ontwerpkeuzes Figuur 4.25 Ontwerpkeuzes dijkvak 6 De volgende ontwerpkeuzes zijn gemaakt bij Dijkvak 6 (zie figuur 4.25): De bestaande aanlegplaatsen en drijvende voetbrug in het koelwaterkanaal worden verplaatst van Dijkvak 5 naar Dijkvak 6. De afmeervoorzieningen worden verplaatst naar de nieuwe locatie in het koelwaterkanaal. Het huidige aantal van 49 aanlegplaatsen wordt teruggebracht als inpassingsmaatregel. Uit inspectie is gebleken dat de huidige drijvende steigers en de drijvende brug niet hergebruikt kunnen worden. De meerpalen zijn niet herbruikbaar voor de aanlegplaatsen omdat het koelwaterkanaal op de nieuwe locatie dieper is, dus deze niet voldoende inklemming hebben in de ondergrond. Om de aanlegplaatsen bereikbaar te maken wordt een dijktrap aangelegd, als vervanging voor de bestaande toegang. De bestaande drijvende loopbrug wordt verplaatst naar de bovenstroomse zijde van de aanlegplaatsen om een wandelrondje over de Vogelkop te faciliteren. In Dijkvak 6 wordt een klein deel van de Ziep gedempt, namelijk waar de dijkophoging de watergang ‘Ziep’ doorsnijdt. Om de aansluiting van de Ziep met het doorlaatwerk te herstellen, wordt de Ziep verlegd en wordt de duiker hersteld. Ten gevolge van de dijkversterking wordt hier een deel van de watergang/wateroppervlak gedempt. Dit moet 1 op 1 (in termen van oppervlak) gecompenseerd worden. Dit wordt gerealiseerd door een nieuwe verbinding van de Ziep met het doorlaatwerk aan te leggen. De twee kunstwerken, de overstortleiding en het doorlaatwerk voor de Ziep, worden op een nieuwe locatie gerealiseerd. Het doorlaatwerk van de Ziep blijft ook in de nieuwe situatie deze functie vervullen. Dit betekent dat ook in de nieuwe situatie de waterstand in het Buggenummerbroek opgezet wordt, hetgeen een positieve bijdrage levert ten aanzien van de pipingopgave. Echter, vanwege het hoge verval blijven pipingmaatregelen noodzakelijk. Op dit moment wordt als noodmaatregel tegen piping de waterstand in het Buggenummerbroek tot opgezet via de inlaat van de Ziep. In de situatie na dijkversterking is met de terreineigenaar afgestemd dat de maximale waterstand in het Buggenummerbroek bij hoogwater dan NAP +16,70 m bedraagt. Deze waterstand ligt onder de toekomstige maaiveldhoogte. Tussen de Dorpsstraat en de toerit aan de Ohéstraat is geen pipingopgave meer. Tussen de Ohéstraat en het spoor is wel een pipingopgave. Deze wordt opgelost met een pipingscherm met een schermlengte van 6 meter tussen de toerit aan de Ohéstraat en de beheertoerit aan de binnenzijde. Het hiervoor toepassen/hergebruiken van de vrijkomende damwand uit de bestaande nooddijk in Dijkvak 5 wordt gezien als een kans. Voor het resterende gedeelte tussen de beheertoerit aan het spoor wordt een pipingberm/ophoging van het achterland toegepast. Dit omdat het ongewenst is vanwege omgevingsbeïnvloeding van het spoor een damwand aan te brengen, de afwatering en ruimtelijke kwaliteit van het gebied wordt verbeterd. Het hoger liggend deel achter de dijk wordt zo veel mogelijk in stand houden in verband met de ligging in de Groenblauwe mantel. In het dijkontwerp wordt het bestaande buitentalud van de dijk in Dijkvak 6 zo veel mogelijk in stand gehouden. De dijk wordt dus aan de binnenzijde opgehoogd. Aan de buitenzijde zit in de huidige situatie een hoge knik in het dijktalud. Door het talud in Dijkvak 6 aan de buitenzijde te herprofileren wordt de dijk hetzelfde vormgegeven als de dijk in Ontwerp dijkvak 5. Zo vormt de dijk aan het koelwaterkanaal een uniforme dijk aan het water. Het buitendijks inspectiepad komt lager te liggen dan in de huidige situatie. Dit is behoudens hoogwater met een terugkeertijd van circa 10 dagen per jaar toegankelijk voor beheer. Daarnaast is het geschikt als wandelpad en toegang tot de aanlegplaatsen. Het effect zuiging op aanlegplaatsen uit de Richtlijnen Vaarwegen [lit. 11.6] wordt gemitigeerd door aanleg van de permeabele dam bestaande uit rifblokken aan de kopse zijde van de aanlegplaatsen en de verplaatste loopbrug in Dijkvak 6 (zie ook paragraaf 7.2). Als compensatie is een loslocatie onderaan de dijk ingepast (zie paragraaf 4.9.3). 4.6.8 Deelgebied 3 Spoordijk: dijkvak 7 De dijkversterking binnen dijkvak 7 is ten opzichte van het VKA vervallen, doordat is aangetoond dat de spoordijk Roermond – Eindhoven fungeert als hoge grond die de waterveiligheid gedurende 50 jaar voldoende borgt. Wel wordt een bestaande dassentunnel tussen het OML-terrein en Buggenummerbroek afgesloten door een grondwal (van 30
  6. cm)aan te leggen, omdat de tunnel ervoor zorgt dat de hoge grond “lek” is. Het maaiveld rond de bestaande dassentunnel, halverwege de aansluiting met Dijkvak 6 en de Berikstraat (zie figuur 4.26), wordt met enkele decimeters opgehoogd, om te voorkomen dat hier bij extreme waterstanden water doorheen stroomt. Het passeren van de dassentunnel blijft mogelijk. Figuur 4.26 Ontwerp dijkvak 7 4.7 Inpassingsmaatregelen 4.7.1 Inpassingsmaatregelen Onderdeel van de versterkte dijk is een aantal inpassingsmaatregelen [lit.11.7 en 11 8]. Deze maatregelen dienen enerzijds om de functies die verweven zijn met de waterkering te herstellen, anderzijds om de nieuwe waterkering optimaal in de omgeving in te passen. In tabel 4.1 zijn de inpassingsmaatregelen opgenomen. Eisen die aan de maatregel gesteld worden, zijn in deze tabel opgenomen. Tabel 4.1 Inpassingsmaatregelen Dijkvak Inpassingsmaatregel Eisen 1 Verschuiven as van de dijk in noordelijke richting Behoud functionaliteit van de bestaande situatie (bedrijf en verkeer) Optimaliseren dijkovergang Holpotterweg (zodat het kruisingsvlak en de dijk tussen de Arixweg in één rechte lijn komen liggen) Ruimtelijke inpassing 2 Aanleg buitendijks kavelpad bij de dijkovergang van de Arixweg Behoud functionaliteit van de bestaande situatie (verkeer) en ruimtelijke inpassing Realiseren tweede dijkovergang bij de Poelakkerweg Behoud functionaliteit van de bestaande situatie (verkeer) en ruimtelijke inpassing 3 Dijkovergang Groeneweg - Groezeweg en van de Wijnaardenweg samenvoegen, zodat één overgang kan vervallen Behoud functionaliteit van de bestaande situatie (verkeer) en ruimtelijke inpassing Verlegging dijktracé in de overgang van dijkvak 3 naar 4 Behoud functionaliteit van de bestaande situatie (bedrijf en verkeer) en ruimtelijke inpassing 4 Dijktracé binnenwaarts verschuiven Behoud functionaliteit van de bestaande situatie (bedrijf en verkeer) en ruimtelijke inpassing Herstel bestaande wegverbinding Dorpsstraat - Groeneweg Behoud functionaliteit van de bestaande situatie (verkeer) en ruimtelijke inpassing Herstel bestaande verbinding tussen de Dorpsstraat en de Groezeweg Behoud functionaliteit van de bestaande situatie (verkeer) en ruimtelijke inpassing Herstel wegverbinding tussen de Dorpsstraat en Dorpsstraat met lindes met een dijktrap Behoud functionaliteit van de bestaande situatie (verkeer) en ruimtelijke inpassing 5 Herstel dijktrap Behoud functionaliteit van de bestaande situatie en ruimtelijke inpassing Herstel wandelvoorzieningen langsdam Behoud functionaliteit van de bestaande situatie en ruimtelijke inpassing 6 Verplaatsen aanlegplaatsen en drijvende voetbrug in het koelwaterkanaal van dijkvak 5 naar 6 Behoud functionaliteit van de bestaande situatie en ruimtelijke inpassing Verplaatsen afmeervoorzieningen naar nieuwe locatie in het koelwaterkanaal Behoud functionaliteit van de bestaande situatie en ruimtelijke inpassing Aanleg dijktrap als toegang aanlegplaatsen Behoud functionaliteit van de bestaande situatie Verplaatsen kunstwerken overstortleiding en doorlaatwerk voor de Ziep Behoud functionaliteit van de bestaande situatie Verlagen buitendijks inspectiepad Ten behoeve van beheer en onderhoud en behouden functionaliteit van de bestaande situatie als gevolg van verplaatsen aanlegplaatsen 4.7.2 Maatvoering De te versterken en nieuw aan te leggen dijken in Buggenum hebben een kruinbreedte van 4,5 meter en taluds met een helling van 1 op 3, met een klei-inkassing met een breedte van 2,5 meter aan binnen- en buitenzijde. De kruinhoogtes per dijkvak zijn in tabel 4.2 weergegeven. Dit zijn de hoogtes van het uiteindelijke ontwerp, en zijn anders dan de hoogtes in het VKA door optimalisaties of nadere inzichten. De aanleghoogte betreft de hoogte direct na oplevering van de dijkversterking. De ontwerphoogte is de hoogte aan het eind van de levensduur, in 2075. Op de locaties waar de kering in grond wordt uitgevoerd kan er sprake zijn van een overhoogte van maximaal 0,2 meter, tijdens realisatie en bij de oplevering (aanleghoogte). De overhoogte wordt aangebracht om het effect van klink en zetting te mitigeren. De aanleghoogte op deze locaties is daarmee beperkt hoger (maximaal 0,2 meter) dan de ontwerphoogte. De dijkversterking zal na realisatie worden opgenomen in de nieuwe legger. Hieruit zijn het gerealiseerde ruimtebeslag, de beperkingengebieden en kunstwerken af te lezen. Tabel 4.2 Aanleg en ontwerphoogtes per dijkvak (DO, 2024) Dijkvak Aanleghoogte [m NAP] Ontwerphoogte
(2075)[m NAP] 1 22,2 22,0 2 22,2 22,0 3 22,2 22,0 4 22,2 22,0 5 22,3 22,1 6 22,3 22,1 7 22,0 (12.6) 22,0 In Dijkvak 1, Dijkvak 3, Dijkvak 4, Dijkvak 5 en Dijkvak 6 worden pipingmaatregelen getroffen. Deze bestaan voor Dijkvak 1, Dijkvak 3 en Dijkvak 4 uit een kleikist, Dijkvak 5 een klei-inkassing buitendijks en Dijkvak 6 een scherm (voorkeur hergebruik uit Dijkvak 5) en pipingberm. 4.8 Flexibiliteitsbepaling Binnen dit projectbesluit worden zowel de projectgrenzen als de benodigde werkruimte (voor o.a. bouwwegen) beschreven. Deze zijn vastgesteld binnen het ontwerpproces en op het Overzicht dijkvakken weergegeven. Waar mogelijk combineren we functies; zo doet het kavelpad in Ontwerp dijkvak 2 tijdens de werkzaamheden eerst dienst als werkstrook. Het ontwerp en de inpassingsmaatregelen zijn omgezet naar vlakken die zijn weergegeven op het Overzicht dijkvakken. Met de onderstaande flexibiliteitsbepaling wordt enige ruimte geboden van het Overzicht dijkvakken af te wijken. Bij afwijkingen kan het bijvoorbeeld gaan om optimalisaties van de aannemer die het werk uit gaat voeren. Afwijken is alleen mogelijk indien wordt voldaan aan de voorwaarden die in de flexibiliteitsbepaling zijn opgenomen. Bij de realisatie van de versterking mag worden afgeweken van het ontwerp mits:
  1. Het type gekozen oplossing (groene dijk of harde constructie), zoals beschreven in paragraaf 4.6, niet wijzigt;
  2. Het ontwerp blijft binnen het op het Overzicht dijkvakken aangegeven ruimtebeslag;
  3. Het ontwerp van de waterkering blijft binnen het op het Overzicht dijkvakken aangegeven ruimtebeslag waterstaatswerk;
  4. Het ontwerp blijft binnen de op de dwarsprofielen aangegeven aanleghoogten;
  5. De buitenkruinlijn van het ontwerp niet verder rivierwaarts komt te liggen dan de buitenkruinlijn aangegeven op het Overzicht dijkvakken;
  6. Inpassingsmaatregelen, voor zover deze aan de orde zijn, worden uitgevoerd binnen daarvoor op het Overzicht dijkvakken aangegeven maatregelvlakken;
  7. Voldaan wordt aan de in paragraaf 4.2 en 4.3 vermelde randvoorwaarden voor het ontwerp en aan de in paragraaf 4.7 vermelde eisen voor inpassingsmaatregelen;
  8. Effecten op de omgeving niet groter zijn dan de effecten die zijn beschreven in dit Projectbesluit met bijlagen en in de mer-aanmeldingsnotitie met bijlagen en geen sprake is van andere negatieve gevolgen voor de omgeving. 4.9 Meekoppelkansen 4.9.1 Inleiding De koppeling van projecten (van derden) aan de versterkingsopgave draagt bij aan de ruimtelijke kwaliteit van het gebied, creëert meer draagvlak, vermindert hinder voor de omgeving doordat projecten tegelijkertijd uitgevoerd kunnen worden en biedt kansen voor kostenverlaging. Deze mogelijke combinatie van projecten worden meekoppelkansen genoemd. In de planuitwerkingsfase zijn diverse wensen vanuit de omgeving meegenomen in het referentieontwerp, er is geen sprake van op zichzelf staande meekoppelkansen. Er zijn weliswaar enkele meekoppelkansen in beeld gebracht, maar die hebben veelal geen fysieke koppeling met de dijkversterking óf lopen qua planning niet parallel met de dijkversterking en zijn daarom niet in het project meegenomen. Er is een tweetal meekoppelkansen geïnventariseerd: Het realiseren van een befietsbaar pad tussen de Ohéstraat en Dorpsstraat met lindes (vervallen); Permanent maken van de loswal voor boten in Dijkvak 6; Aanvullend is tijdens het ontwerpproces de volgende meekoppelkans naar voren gekomen: Realiseren een zestal extra ligplaatsen voor de verhuur van boten van een recreatieondernemer. 4.9.2 Medegebruik op de kruin van de dijk Vanuit de gemeente is de wens ingebracht te kunnen wandelen en fietsen op de kruin van de dijk tussen de Ohéstraat en Dorpsstraat met lindes. In het ontwerpproces is deze meekoppelkans vervallen vanwege gebrek aan draagvlak. Besloten is wandelen en fietsen op de kruin van de dijk niet te faciliteren. Wel wordt het routenetwerk in stand gehouden. Bij de Dorpsstraat worden binnendijks wandelpaden aangelegd. Buitendijks kan er ook gewandeld worden om zo het contact met de Maas te herstellen. Aan de Arixweg kan de bestaande weg gebruikt worden zoals nu ook het geval is. Contact met de Maas speelt hier niet. 4.9.3 Loswal Ter plaatse van de huidige tijdelijk vergunde loswal wordt ter compensatie een permanente loswal gerealiseerd in het verlengde van de toerit van de Ohéstraat. Hiervoor is een loswal op de kruin van de dijk afgewogen tegen een loswal aan de teen van de dijk. Op basis van uitvoerings- en exploitatiekosten blijkt een loswal aan de teen van de dijk goedkoper is. Ontwerpdetails zijn opgenomen in de VIII-B Nota Ontwerp). 4.9.4 Afmeervoorzieningen Uit een inspectie van de bestaande afmeervoorzieningen in Dijkvak 5 blijkt dat de palen en vingerpieren niet herbruikbaar zijn, omdat de waterdiepte ter plaatse van de nieuwe locatie in Dijkvak 6 groter is. Ter plaatse van de nieuwe locatie van de afmeervoorzieningen moet ook een stroomvoorziening gerealiseerd worden. De locatie is namelijk verder van de Dorpskern van Buggenum gelegen en daarom gevoeliger voor diefstal en vandalisme. Bovendien moet verlichting zorgen voor veilige toegang in de schemering en het donker. De drijvende voetbrug wordt verplaatst naar de bovenstroomse zijde van de nieuwe recreatiehaven. De huidige lengte van de voetbrug volstaat voor de nieuwe locatie in Dijkvak
  9. 5 Uitvoering werk 5.1 Inleiding Dit hoofdstuk beschrijft de wijze waarop het werk gerealiseerd gaat worden. Ten tijde van de totstandkoming van dit Projectbesluit bereidt het waterschap de aanbesteding van het werk voor. De precieze wijze van uitvoering is daarom nog niet bekend. Dit hoofdstuk noemt de randvoorwaarden waarbinnen het werk wordt uitgevoerd en maakt inzichtelijk hoe mogelijke risico’s voor de veilige (voortgang van de) uitvoering worden beheerst. Vooruitlopend op de uitvoering is een Uitvoeringsplan Dijkversterking Buggenum [lit.11.9] opgesteld. In het Uitvoeringsplan is een uitgebreide beschrijving gegeven van de uitvoering. 5.2 Aanbesteding Voor dijkversterking Buggenum is gekozen om de markt bij zowel de planuitwerkingsfase als de realisatiefase te betrekken in een zogenoemde twee-fasen overeenkomst. Project Buggenum heeft een aantal kenmerken ten aanzien van ontwerp en realisatie die door de markt beter beheerst kunnen worden dan door de opdrachtgever. Het afgraven van de langsdam, het werken in de nabijheid van het spoor, het verplaatsen van de invaaropening van het voormalig koelwaterkanaal en het komen tot een evenwichtige grondbalans brengen risico’s met zich mee. Deze risico’s zijn te beheersen door een gedegen en transparante voorbereiding van de uitvoering. Het werken vanaf of in de directe nabijheid van het water bij het afgraven van de langsdam en het gelijktijdig realiseren van de nieuwe waterkering vergt specifieke uitvoeringskennis. Deze kennis is beschikbaar bij aannemers die het werk uit kunnen voeren. Daarom is gekozen voor een vroege marktbenadering om de aannemer al vroeg bij het uitwerken van het ontwerp te betrekken en als opdrachtnemer en opdrachtgever in één team het ontwerp voor het projectbesluit uit te werken. De aannemer krijgt daarmee de kans om vroegtijdig de uitvoering voor te bereiden. Tevens komen risico’s vroegtijdig in beeld waardoor maatregelen voor beheersing genomen kunnen worden. Ook kan op deze manier overleg met stakeholders zoals Rijkswaterstaat als vaarwegbeheerder eerder worden gevoerd. Zo kan het projectbesluit worden gebaseerd op een ontwerp dat haalbaar en maakbaar is en waarbij de uitvoeringsrisico’s geminimaliseerd zijn. 5.3 Globale planning, bouwfasering en ontsluiting 5.3.1 Planning De uitvoering van het project vindt plaats in 2025 tot
  10. De planning is dat Buggenum in 2027 hoogwaterveilig is op basis van de huidige normering. 5.3.2 Bouwfasering De fasering wordt bepaald aan de hand van verschillende factoren welke deels met de aannemer verder in kaart worden gebracht tijdens de uitvoeringsfase. Belangrijke zaken die daar meespelen zijn hoog- en laagwaterseizoen, grondverwerving, agrarische activiteiten, kwetsbare periodes ecologie, bouwlogistiek en laad- en loslocaties. Afhankelijk van externe invloeden, zoals weer en waterstand, kan zowel de tijdsplanning als de volgorde tijdens uitvoering veranderen. 5.3.3 Ontsluiting Gedurende het project dienen de projectlocatie en directe omgeving te allen tijde (veilig) bereikbaar te zijn voor alle verkeersfuncties (voetgangers, fietsers, (vracht)auto’s en vaarverkeer), dit kan eventueel met een tijdelijke alternatieve ontsluiting. Dit houdt zowel een goede doorstroming van het (bouw)verkeer alsook een goede bereikbaarheid van de projectlocatie in. De aannemer neemt verscheidene maatregelen om de doorstroming en bereikbaarheid te waarborgen en stemt hierover af met de betreffende (vaar)wegbeheerders. De maatregelen ten behoeve van bereikbaarheid worden uitgelicht in deze paragraaf. Aan de hand van de tot nu toe bekende globale werkvolgorde (hoofdfasering) is bepaald welke tijdelijke verkeersmaatregelen er wanneer worden getroffen en hoe de bouwlogistiek wordt vervuld. De bouwweg bevindt zich over het algemeen buitendijks en wordt gecombineerd met de werkstrook. In principe geldt dat het bouwverkeer buiten het wegverkeer om wordt geleid, behalve daar waar wegen elkaar kruisen. 5.4 Wijze van uitvoering 5.4.1 Technische uitvoering Alle dijkvakken zijn groene keringen. Deze worden op traditionele wijze opgebouwd. Er is wel onderscheid te maken in uitvoeringswijze. Dijkvak 6 is een binnendijkse uitbreiding op de bestaande dijk (de huidige dijk blijft dus gehandhaafd), waar Ontwerp dijkvak 1, Ontwerp dijkvak 2, Ontwerp dijkvak 3 en Ontwerp dijkvak 4 nieuwe dijken zijn. Een deel van de waterkeringen wordt voorzien van een kwelscherm, mogelijk bestaande uit een kleischerm en/of pipingscherm. Kleischermen worden uitgevoerd met sleufbekisting en met inzet van bemaling indien zich dit onder de grondwaterspiegel bevindt. Pipingschermen bestaande uit damwanden worden waar mogelijk door middel van een kraan met trilblok geplaatst. Ontwerp dijkvak 5 wordt “in den droge” aangelegd. Hierbij wordt het kanaal eerst afgedamd en leeggepompt. De langsdam blijft aan de buitenzijde zo lang mogelijk in stand gehouden om droog te kunnen werken. Bij Dijkvak 6 wordt de bestaande waterkering binnenwaarts versterkt. Dat betekent dat deze werkvolgorde net wat afwijkt van de overige dijkvakken van de groene kering. Omdat er meer raakvlakken zijn met hoogwater worden deze werkzaamheden in het laagwaterseizoen gepland en worden beheersmaatregelen in een noodplan beschreven. Hieruit komt voort dat de werkvakken minder groot zijn, omdat de hoogwaterveiligheid binnen 48 uur gewaarborgd moet kunnen worden. Daarnaast wordt de waterkering gefaseerd opgebouwd waarbij de waterkerende hoogte continu in stand gehouden blijft. 5.5 Beschikbare gronden 5.5.1 Eigendomssituatie De huidige waterkering is deels in eigendom van Waterschap Limburg. Na de versterking heeft de waterkering een groter ruimtebeslag, waardoor gronden moeten worden verkregen van andere grondeigenaren. Het waterschap is op basis van het ruimtebeslag van het voorlopig ontwerp gestart met het voeren van gesprekken met deze grondeigenaren hierover. Het minnelijke verwervingsproces is ingezet om het permanente ruimtebeslag en de benodigde werkstroken te verkrijgen. Geprobeerd is om in onderling overleg met de grondeigenaar overeenstemming te bereiken over de aankoop van de voor het project benodigde gronden. Mocht dit overleg niet tot overeenstemming leiden dan kan het waterschap overgaan tot het opleggen van een gedoogplicht of het onteigenen van gronden. De schade die de grondeigenaar als gevolg daarvan leidt komt voor vergoeding in aanmerking. Meer informatie over deze procedure is terug te vinden via onderstaande link: https://www.waterschaplimburg.nl/publish/pages/4674/a1-1xwl_grondverwerving_a1_final.pdf 5.5.2 Verwerving van gronden Het plangebied omvat circa 2 ha in eigendom van het waterschap. Circa 8 ha zijn in eigendom van andere instanties of personen, namelijk: overheden of particuliere grondeigenaren. Enkele percelen zijn in gebruik bij derden op basis van erfpacht of vruchtgebruik. Verwerving van gronden geschiedt conform de geldende Nota Grondbeleid 2022, vastgesteld door het Algemeen Bestuur van het waterschap. Uitgangspunt van het grondbeleid van Waterschap Limburg is dat de kernzone van de waterkering (kortweg: de eigenlijke waterkering) in eigendom wordt verkregen. Voor Buggenum betekent dit dat het waterschap in ieder geval de gronden waarop de groene dijk komt, wil aankopen. Indien minnelijk geen overeenstemming wordt bereikt met de grondeigenaar, wordt, indien de grondeigenaar hiermee akkoord gaat, een zakelijk recht gevestigd. Bij een zakelijk recht koopt het waterschap (particuliere) grond niet, maar kan het wel werkzaamheden uitvoeren ter versterking van de dijk. Deze uitgevoerde werkzaamheden kan men via het vestigen van een zakelijk recht beschermen, onderhouden en mogelijk aanpassen. Het zakelijk recht wordt

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.