← Nederland

Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Rijswijk (Rijswijk)

Kort samengevat

Deze verordening regelt diverse aspecten van de fysieke leefomgeving in de gemeente Rijswijk, met een focus op het inrichten van markten en het verlenen van standplaatsvergunningen. Het doel is om de openbare ruimte en economische activiteiten binnen de gemeente te ordenen.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente RijswijkDe gemeenteraad; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 7 november 2023, gelet op artikel 10.23, 10.24, tweede lid, 10.25 en 10.26 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit bouwwerken leefomgeving, het Besluit kwaliteit leefomgeving, artikel 147, eerste lid, 149, 154, 156, 160 en 229 van de Gemeentewet, artikel 2a van de Wegenverkeerswet 1994, artikel 1 van de Belemmeringenwet Privaatrecht, artikel 5.2 en 5.4 van de Telecommunicatiewet, artikel 6 van de Wet basisregistraties adressen en gebouwen, artikel 14.2 en 14.3 van het Omgevingsbesluit, artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, 5.3, 5.4, 5.5, 4.4, tweede lid, 5.18, 5.20, 5.21, 16.55, tweede lid, 16.64, 16.65, 16.68 en §16.5.3 van de Omgevingswet en afdeling 8.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving; BESLUIT: vast te stellen de volgende verordening: Verordening Fysieke Leefomgeving Rijswijk 2024 Hoofdstuk1.Inleidende regels Artikel1.1.1Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: Aanbieder: De aanbieder van een openbaar elektronisch communicatienetwerk als bedoeld in de Telecommunicatiewet. Andere inzamelaars: De krachtens artikel 2, tweede lid, van de Afvalstoffenverordening voor de gemeente Rijswijk 2021 aangewezen personen en instanties, belast met het afzonderlijk inzamelen van categorieën huishoudelijke afvalstoffen. Adres: Dat wat daaronder wordt verstaan in de Wet basisregistratie adressen en gebouwen. Afgebakend terrein: Artikelengroepen of branches: Een terrein met een kunstmatige of natuurlijke afbakening, waarop zich geen verblijfsobjecten bevinden en dat betreedbaar en afsluitbaar is. De door burgemeesters en wethouders vastgestelde goederen die op de markt worden aangeboden. Bedrijfsafvalstoffen: Afvalstoffen, met uitzondering van gevaarlijke afvalstoffen en nog niet ingezamelde of afgegeven huishoudelijke afvalstoffen. Belanghebbendenplaats: Een parkeerplaats die a. is aangeduid met bord E9 uit bijlage 1 van het RVV 1990, of b. gelegen is binnen een zone aangeduid met bord E9 uit bijlage 1 van het RVV 1990 met het opschrift zone, voor zover deze plaats niet is uitgezonderd. Bevoegd gezag: Bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet. Beperkingen-gebiedactiviteit: Hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet. Bouwwerk: Hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet. Bromfiets: Hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994. College: Het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk. Complex: Geheel van bij elkaar horende gebouwen. Convenant: Het tussen de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de Koninklijke TPG Post BV gesloten Kader Convenant en Nader Convenant inzake postcodes. Dagplaats: De standplaats2 die per marktdag ter beschikking wordt gesteld aan een vergunninghouder, omdat deze niet als vaste standplaats is toegewezen dan wel ingenomen. Dunning: Kappen als verzorgingsmaatregel ter bevordering van de groei van een houtopstand. Gebouw: Gevoelige gebouwen: Hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving. Hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Handelsreclame: Houder van een inrichting: Iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen. Degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft. Houtopstand: Hakhout, een houtwal of een of meer bomen. Huishoudelijke afvalstoffen: Inrichting: Huishoudelijke afvalstoffen als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Instemmingsbesluit: Besluit van het college als bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, onder b, van de Telecommunicatiewet. Inzameldienst: De krachtens artikel 2, tweede lid, van de Afvalstoffenverordening voor de gemeente Rijswijk 2021, aangewezen inzameldienst, belast met de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen. Inzamelen: De activiteiten gericht op het ophalen of innemen van afvalstoffen die binnen de gemeente ter inzameling worden aangeboden en het feitelijk ophalen en innemen daarvan. Kabels en leidingen: Eén of meer kabels of leidingen, daaronder in ieder geval begrepen telecomkabels alsmede lege buizen, ondergrondse en bovengrondse ondersteuningswerken en beschermingswerken, bestemd voor transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, van energie of van informatie. Kampeermiddel: Een niet-grondgebonden onderkomen of voertuig, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. Ligplaats: Dat wat daaronder wordt verstaan in de Wet basisregistratie adressen en gebouwen. Markt: De door het college ingestelde warenmarkt. Marktcommissie: De commissie die het college adviseert inzake marktaangelegenheden. Marktmeester: De persoon die als zodanig is aangewezen door het college. Motorvoertuigen: Hetgeen daaronder wordt verstaan in het RVV 1990 met inbegrip van brommobielen, zoals bedoeld in artikel 1 onder ia van het RVV 1990; met uitzondering van motorfiets zoals bedoeld in artikel 1 van het RVV 1990 en de geldigheid van het kenteken van het motorvoertuig niet door de Rijksdienst Wegverkeer is geschorst. NEN: Norm die door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut is uitgegeven. Netbeheerder: Degene die als natuurlijk persoon handelende in de uitoefening van een beroep of bedrijf dan wel als rechtspersoon een net beheert. Onder netbeheerder wordt tevens verstaan een aanbieder. Nummeraanduiding: Door het college als zodanig toegekende aanduiding van een verblijfsobject, een standplaats, een ligplaats en een afgebakend terrein dat bestaat uit een of meer Arabische cijfers, al dan niet met toevoeging van een letter- en/of cijfercombinatie. Object: Een bouwwerk, gebouw, complex, afgebakend terrein, ligplaats of standplaats. Omgevingsvergunning voor het bouwen: Onversterkte muziek: Vergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld inde bijlage, onder A, bij de Omgevingswet. Muziek die niet elektronisch is versterkt. Openbaar elektronisch communicatienetwerk: Netwerk als bedoeld in artikel 1.1, onder h, van de Telecommunicatiewet. Openbaar water: Wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn. Openbare gronden: Openbare gronden zoals bedoeld in artikel 1.1, onder a, van de Telecommunicatiewet. Openbare plaats: Hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties. Openbare ruimte: Dat wat daaronder wordt verstaan in de Wet basisregistratie adressen en gebouwen. Pand: Dat wat daaronder wordt verstaan in de Wet basisregistratie adressen en gebouwen. Parkeerapparatuur: Parkeerautomaten, centrale computer en hetgeen naar maatschappelijke opvatting overigens onder parkeerapparatuur wordt verstaan. Parkeerapparatuurplaats: Een parkeerplaats ten aanzien waarvan het parkeren geregeld wordt door parkeerapparatuur. Parkeren: Het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een motorvoertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden. Rechthebbende: Selectiecommissie: Selectieprocedure: Degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht. De commissie die het college adviseert inzake de selectieprocedure. Procedure waarbij de toewijzing van een vrijkomende vaste standplaats2 op de markt plaatsvindt. Standplaats1: Vanaf een vaste locatie te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen of aanbieden van diensten, gebruikmakend van fysieke middelen zoals een kraam, een wagen of een tafel. Standplaats2: De ruimte die voor de duur van de markt beschikbaar is voor houders van een marktvergunning. Telecomkabel: Een kabel als bedoeld in artikel 1.1, onder z, van de Telecommunicatiewet. Ter inzameling aanbieden: De wijze van overdragen van afvalstoffen aan een inzamelende persoon of instantie, inclusief het achterlaten van afvalstoffen in daartoe door of vanwege de inzamelende persoon of instantie geplaatste inzamelmiddelen of -voorzieningen of op een daartoe aangewezen plaats. Vaste-standplaatsvergunning: Vergunning voor een standplaats2 voor de duur van 15 jaar voor het op de markt bedrijven van handel. Vellen: Venten: Rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben. Het drijven van handel uit een klein voertuig, waarbij niet langer wordt stilgestaan dan voor het bedienen van de klanten nodig is. Verblijfsobject: Dat wat daaronder wordt verstaan in de Wet basisregistratie adressen en gebouwen. Vergunninghouder: De natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie een vergunning is verleend. Voertuig: Hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens, en rolstoelen. Weg: Hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994. Werkzaamheden van niet ingrijpende aard: Categorieën van werkzaamheden waarvoor geen instemmingsbesluit of vergunning noodzakelijk is, maar waarbij kan worden volstaan met een melding. Wijk- en buurtindeling: Een indeling van de gemeente in wijken en buurten conform de eisen die het CBS aan deze indeling verbindt. Woonplaats: Dat wat daaronder wordt verstaan in de Wet basisregistratie adressen en gebouwen. Artikel 1.1.2 Verhouding tot het omgevingsplan Regels over activiteiten in de fysieke leefomgeving bij of krachtens de hoofdstukken 2 tot en met 8 gelden niet voor activiteiten waarover regels zijn gesteld in de afdelingen 4.1, 5.1 en 5.2 van het Omgevingsplan gemeente Rijswijk, voor zover de oogmerken van de regels in deze verordening overeenkomen met de oogmerken van de regels van de afdelingen 4.1, 5.1 en 5.2 van dat omgevingsplan. Hoofdstuk2.Economie 2.1Markt Afdeling1. Algemene bepalingen Artikel2.1.1Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 1. Het is verboden zonder vergunning van burgemeesters en wethouders een standplaats1 in te nemen of te hebben. 2. Burgemeesters en wethouders weigert de vergunning indien sprake is van strijd met het omgevingsplan. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 9.1.7 kan de vergunning worden geweigerd als: de standplaats1 hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang. 4. Burgemeester en wethouders kunnen een vergunning voor standplaats1 verlenen voor de duur van 15 jaar en voor de op de vergunning vermelde standplaats. Artikel2.1.2Toestemming rechthebbende Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van burgemeesters en wethouders standplaats1 wordt of is ingenomen. Artikel2.1.3Afbakeningsbepalingen 1.Artikel 2.1.1, eerste lid, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet. 2.De weigeringsgrond van artikel 2.1.1, derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken. Artikel2.1.4Inrichtingsplan van de warenmarkt 1.Burgemeester en wethouders stellen een inrichtingsplan voor de markt in Bogaard Stadscentrum en de markt in Oud Rijswijk vast, met daarin in ieder geval: De dagen en uren waarop de markt wordt gehouden; Een kaart van de markt; De verdeelprocedure die zij toepassen bij de verlening van vaste-standplaatsvergunningen. 2.Op de kaart van de markt zijn aangegeven: De grenzen van de markt; De standplaatsen2 die worden toegewezen als vaste standplaats. 3.Op de kaart van de markt kunnen zijn aangegeven: De standplaatsen die bij voorrang zijn bestemd voor een of meer branches of artikelgroepen; Het maximumaantal vaste-standplaatsvergunningen dat voor een of meer branches of artikelgroepen of combinaties daarvan kan worden afgegeven; De dagplaatsen; 4.Burgemeesters en wethouders kunnen op grond van dringende redenen, in afwijking van het bepaalde in het inrichtingsplan, bepalen dat de markt tijdelijk zal plaatsvinden: op een andere dag; op een andere tijd; op een andere plaats. 5.Burgemeesters en wethouders zijn bevoegd te bepalen dat de markt tijdelijk zal plaatsvinden op een andere dag indien de in het eerste lid bedoelde dag samenvalt met een van de in artikel 2, eerste lid, onder b, van de Winkeltijdenwet genoemde feestdagen. Artikel2.1.5Vergunningplicht 1.Het is verboden op een markt een standplaats2 in te nemen zonder vaste-standplaatsvergunning. 2.Burgemeester en wethouders verlenen alleen een vergunning aan een handelingsbekwame natuurlijke persoon die gerechtigd is in Nederland arbeid te verrichten. Artikel2.1.6Selectiecommissie Burgemeester en wethouders stellen een selectiecommissie in voor het adviseren van burgemeester en wethouders over het bepaalde in artikel 2.1.12. Artikel2.1.7Voorschriften en beperkingen 1.Burgemeester en wethouders kunnen voorschriften en beperkingen verbinden aan een vergunning voor standplaats1 en voor een vaste-standplaatsvergunning. 2.De vergunninghouder is verplicht de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen na te leven. Artikel2.1.8Marktcommissie Burgemeester en wethouders kunnen een marktcommissie instellen. Artikel2.1.9Mandaatverboden 1.De bevoegdheid tot het vaststellen of wijzigen van een inrichtingsplan wordt niet gemandateerd. 2.De bevoegdheid tot het verlenen of intrekken van een vergunning voor standplaats1 en voor een vaste-standplaatsvergunning wordt niet gemandateerd aan de marktmeester of een andere toezichthouder. Artikel2.1.10Nadere regels Burgemeester en wethouders kunnen op grond van deze verordening in een marktreglement nadere regels stellen betreffende het bepaalde in deze verordening, voor zover die bevoegdheid niet reeds voortvloeit uit artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet. Afdeling2. Verdeelprocedures beschikbare vaste-standplaatsvergunningen Artikel2.1.11Verlenging na afroep 1.Bij het beschikbaar komen van een vaste-standplaatsvergunning vanwege het einde van de vergunningsduur kunnen burgemeester en wethouders de procedure van verlenging na afroep toepassen, als voldoende aannemelijk is dat er naast de betreffende vergunninghouder geen andere gegadigden voor deze vergunning zijn. 2.Bij de verlenging na afroep maken burgemeester en wethouders acht weken voor het einde van de duur van de vaste-standplaatsvergunning door een openbare kennisgeving in ieder geval in het Gemeenteblad bekend dat deze vergunning beschikbaar komt voor de duur van 15 jaar. De bekendmaking kan daarnaast ook geschieden via een advertentie in een weekblad, een advertentie in een vakblad en/of een website. 3.Bij deze openbare kennisgeving worden gegadigden uitgenodigd om hun belangstelling voor de vaste-standplaatsvergunning binnen vier weken na de kennisgeving kenbaar te maken op de door burgemeester en wethouders aangegeven wijze. 4.Als binnen de gestelde termijn alleen de betreffende vergunninghouder belangstelling kenbaar heeft gemaakt en is voldaan aan het bij of krachtens deze verordening bepaalde, verlengen burgemeester en wethouders zijn vaste-standplaatsvergunning met de in het tweede lid genoemde duur. 5.Als binnen de gestelde termijn naast de betreffende vergunninghouder ook een of meer andere gegadigden belangstelling kenbaar hebben gemaakt, wordt de vergunning niet verlengd. In dat geval passen burgemeester en wethouders de in het inrichtingsplan vastgelegde procedure van artikel 2.1.12 toe, met uitzondering van het tweede lid van deze artikelen. 6.In het in het vijfde lid bedoelde geval stellen burgemeester en wethouders de gegadigden ervan in kennis dat de procedure van artikel 2.1.12 wordt toegepast en dat zij vóór de door burgemeester en wethouders genoemde datum een aanvraag kunnen indienen. Artikel2.1.12Verdeling vaste-standplaatsvergunning via selectie 1.Bij het beschikbaar komen van een vaste-standplaatsvergunning kunnen burgemeester en wethouders deze verdelen via selectie. 7.Bij de verdeling via selectie maken burgemeester en wethouders door een openbare kennisgeving in ieder geval in het Gemeenteblad bekend dat de vaste-standplaatsvergunning voor de duur van 15 jaar beschikbaar komt, voor welke branche of artikelgroep deze vergunning verleend wordt, om welke plaats en branche het gaat, welke faciliteiten aanwezig zijn en dat gegadigden vóór de in de kennisgeving genoemde datum een aanvraag kunnen indienen. De bekendmaking kan daarnaast ook geschieden via een advertentie in een weekblad, een advertentie in een vakblad en/of een website. 2.Als een aanvraag vóór de indieningsdatum is ingediend maar onvolledig is, krijgt de aanvrager een termijn van twee weken om zijn aanvraag aan te vullen. 3.Uitsluitend volledige aanvragen die tijdig zijn ingediend en waarbij is voldaan aan het bij of krachtens deze verordening bepaalde, komen voor beoordeling als bedoeld in het vijfde lid in aanmerking. 4.Bij de beoordeling van de aanvragen kennen burgemeester en wethouders punten toe aan de hand van de volgende criteria en tot het daarbij vermelde maximumaantal: De sollicitatiebrief en de motivering van de aanvraag: maximaal 10 punten; De mate waarin het gevoerde assortiment aanvullend is ten opzichte van het op de warenmarkt reeds aanwe¬zige aanbod: maximaal 10 punten; Netheid, onderhoudsniveau en uitstraling van de kraam: maximaal 10 punten; Presentatie en klantvriendelijkheid: maximaal 10 punten; Aantoonbare ervaring van de ondernemer in de ambulante handel (eerdere standplaatsvergunning en/of diploma’s/certificaten van opleidingen): maximaal 10 punten; Maatschappelijke betrokkenheid (bijv. fairtrade producten, afvalscheiding, recycling, erkend leerbedrijf, ondersteuning goede doelen): maximaal 10 punten; De verkoop van streekproducten die vervaardigd zijn in Rijswijk of directe omgeving: maximaal 10 punten; Geen antecedenten bij andere gemeenten of marktorganisatoren: maximaal 10 punten; De kandidaat-vergunninghouder met het hoogste aantal punten of, bij een gelijk aantal punten, de kandidaat-vergunninghouders, wordt of worden in de gelegenheid gesteld twee keer de leeggekomen standplaats in te nemen; maximaal 10 punten. 5.Burgemeester en wethouders verlenen de vaste-standplaatsvergunning aan de gegadigde met het op basis van de beoordeling hoogste aantal punten. 6.Als meer gegadigden hetzelfde aantal punten krijgen toegekend, vindt de verdeling van de vergunning tussen hen plaats via loting door middel van een trekking, waarvoor zij worden uitgenodigd en in aanwezigheid van een door burgemeester en wethouders aangewezen vertegenwoordiger van de gemeente. Afdeling3. Vaste-standplaatsvergunning Artikel2.1.14Algemene bepalingen vaste-standplaatsvergunning 1.Burgemeester en wethouders kunnen een vaste-standplaatsvergunning verlenen voor de duur van 15 jaar en voor de op de vergunning vermelde standplaats. 2.Burgemeester en wethouders kunnen in bijzondere gevallen tijdelijk een andere standplaats aanwijzen. 3.Een vaste-standplaatsvergunning is niet overdraagbaar. 4.De vergunninghouder kan zich laten bijstaan door een of meer personen. Artikel2.1.15Overschrijven vaste-standplaatsvergunning 1.Als de vergunninghouder niet langer zelf van de vaste-standplaatsvergunning wil gebruikmaken, overleden is of onder curatele gesteld is, kunnen burgemeester en wethouders op aanvraag van de vergunninghouder, zijn erven of curator de vergunning overschrijven op naam van zijn echtgenoot, geregistreerde partner of andere persoon met wie hij duurzaam samenwoont of samenwoonde, of zijn kind. Als de over te schrijven vergunning is verleend met inachtneming van de verdeelprocedure van artikel 2.1.12, kan overschrijving alleen gebeuren als in dezelfde mate wordt voldaan aan de criteria, genoemd in artikel 2.1.12, vijfde lid. Als de over te schrijven vergunning is verleend voor een branche of artikelgroep, kan overschrijving alleen gebeuren voor die branche of artikelgroep. 2.Als de in het eerste lid bedoelde overschrijving niet kan worden gedaan, kunnen burgemeester en wethouders de vaste-standplaatsvergunning op aanvraag van de vergunninghouder, zijn erven of curator overschrijven op naam van een medewerker van de vergunninghouder of een mede-eigenaar van diens bedrijf als deze ten minste 3 maanden in loondienst heeft gewerkt bij de vergunninghouder of heeft gefunctioneerd als mede-eigenaar. Als de over te schrijven vergunning is verleend met inachtneming van de verdeelprocedure van artikel 2.1.12, kan overschrijving alleen gebeuren als in dezelfde mate wordt voldaan aan de criteria genoemd in artikel 2.1.12, vijfde lid. Als de over te schrijven vergunning is verleend voor een branche of artikelgroep, kan overschrijving alleen gebeuren voor die branche of artikelgroep. 3.De overschrijving van de vaste-standplaatsvergunning geldt voor de resterende vergunningsduur. Na het einde van de duur van de vergunning komt deze beschikbaar voor verdeling volgens de in het inrichtingsplan vastgelegde verdeelprocedure van artikel 2.1.12. 4.In geval van overlijden of ondercuratelestelling van de vergunninghouder wordt de aanvraag tot overschrijving binnen twee maanden nadien ingediend. 5.Burgemeester en wethouders wijzen de aanvraag tot overschrijving af als niet wordt voldaan aan het bij of krachtens deze verordening bepaalde. 6.Als de nieuwe vergunninghouder al over een vaste-standplaatsvergunning voor de betrokken markt beschikt, kunnen burgemeester en wethouders deze intrekken. Artikel2.1.16Intrekking en vervallen vaste-standplaatsvergunning 1.Burgemeester en wethouders trekken de vaste-standplaatsvergunning in: op schriftelijke aanvraag van de vergunninghouder; of twee maanden na diens overlijden of ondercuratelestelling, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.15 een aanvraag tot overschrijving is ingediend. 2.Burgemeester en wethouders kunnen de vaste-standplaatsvergunning intrekken als: de vergunninghouder ter verkrijging van de vergunning onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt; de vergunninghouder, degene die hem vervangt of een persoon die hem bijstaat zich op de markt schuldig heeft gemaakt aan wangedrag of bedrog of het bij of krachtens deze verordening bepaalde heeft overtreden; van de vergunning gedurende ten minste twee maanden geen gebruik is gemaakt; de vergunninghouder niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet dat wordt geheven op grond van de geldende marktgeldverordening; de aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen niet zijn of worden nageleefd. 3.Als de in het tweede lid bedoelde intrekking voor bepaalde tijd is, kunnen burgemeester en wethouders bepalen dat de op de vaste-standplaatsvergunning vermelde vaste standplaats tijdelijk vervalt. 4.Als de vergunninghouder of zijn rechtmatige vervanger de standplaats niet uiterlijk om 9.00 uur inneemt, vervalt de vaste-standplaatsvergunning voor de rest van de dag. Artikel2.1.17Persoonlijk innemen vaste standplaats; vervanging 1.De vergunninghouder neemt de op de vaste-standplaatsvergunning vermelde standplaats persoonlijk in. 2.Aan de vergunninghouder die zijn standplaats niet persoonlijk wenst in te nemen en zich laat vertegenwoordigen, kunnen burgemeesters en wethouders toestemming geven zich te laten vervangen door een met name genoemd persoon. 3.Ter verkrijging van toestemming om zich te laten vervangen dient de vergunninghouder een aanvraag in waaruit blijkt door wie de vergunninghouder wordt vervangen. De vervanger is iemand die ten minste 3 maanden als mede-eigenaar in de onderneming staat ingeschreven, of een medewerker in loondienst die ten minste 3 maanden op de loonlijst van de onderneming staat. 4.De vervanger treedt op namens de vergunninghouder en handelt namens de vergunninghouder. Het bij of krachtens bepaalde in de Verordening Fysieke Leefomgeving is van overeenkomstige toepassing op de vervanger. Alle handelingen van de vervanger op de markt worden aan de vergunninghouder toegerekend. De vergunninghouder blijft, ook bij een vervanger, altijd verantwoordelijk voor het gebruik van de standplaats. 5.In geval van vakantie of bijzondere omstandigheden kunnen burgemeester en wethouders erin toestemmen dat een vervanger de standplaats inneemt. Een aanvraag om toestemming vermeldt de reden en verwachte duur van de afwezigheid van de vergunninghouder en de naam van de beoogde vervanger. Artikel2.1.18Plaatsverandering na beschikbaar komen vaste standplaats 1.Als een vaste standplaats beschikbaar komt voor het einde van de duur van de vaste-standplaatsvergunning, kunnen burgemeester en wethouders deze standplaats voor de resterende vergunningsduur toewijzen aan een houder van een vaste-standplaatsvergunning op de betrokken markt. De toewijzing gebeurt op aanvraag. 2.Als meerdere aanvragen zijn ingediend voor plaatsverandering, wijzen burgemeester en wethouders de vaste standplaats toe via loting. 3.De plaatsverandering wordt alleen toegewezen wanneer deze technisch en fysiek passend is. 4.Als de beschikbaar gekomen vaste standplaats op grond van het inrichtingsplan bij voorrang is bestemd voor een of meer branches of artikelgroepen, kunnen burgemeester en wethouders deze standplaats alleen toewijzen aan een vergunninghouder die tot die branche behoort of die handelt in die artikelgroep. Afdeling4. Dagplaatsvergunning Artikel2.1.19Dagplaatsvergunning 1.Burgemeester en wethouders kunnen een dagplaatsvergunning verlenen voor de duur van een dag, voor de op de vergunning vermelde en op de kaart van de markt als zodanig aangegeven dagplaats of voor het innemen van een vaste standplaats, wanneer die niet is ingenomen door de houder van de vaste-standplaatsvergunning of zijn rechtmatige vervanger. 2.Voor een dagplaatsvergunning komen in aanmerking de gegadigden die op de marktdag vóór de aanvang van de markttijd bij de marktmeester een toewijsbare aanvraag om een dagplaatsvergunning hebben ingediend, mits zij voldoen aan het geldend branche- of artikelgroepvereiste. 3.Een dagplaatsvergunning is niet overdraagbaar en de vergunninghouder kan zich niet laten vervangen. 4.De vergunninghouder kan zich laten bijstaan door een of meer personen. Artikel2.1.20Verdeling beschikbare dagplaatsvergunningen 1.Burgemeester en wethouders verdelen de beschikbare dagplaatsvergunningen op volgorde van ontvangst van de toewijsbare aanvragen, mits de beschikbare dagplaats technisch en fysiek passend is en de branchemaxima niet worden overschreden. 2.Aanvragers die een nog niet op de markt verkrijgbaar artikel of artikelgroep wensen te verkopen, hebben voorrang bij de verdeling. Artikel2.1.21Weigering dagplaatsverguning 1.Burgemeester en wethouders weigeren een dagplaatsvergunning als de aanvrager op een of meer van de voorafgaande vier marktdagen: zich op de markt schuldig heeft gemaakt aan wangedrag of bedrog of het bij of krachtens deze verordening bepaalde heeft overtreden; of niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld heeft voldaan dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet. 2.Burgemeester en wethouders kunnen een dagplaatsvergunning weigeren wanneer de aanvrager eerder een vaste-standplaatsvergunning had die niet langer dan twee jaar geleden is ingetrokken. Afdeling5. Algemene bepalingen voor vergunninghouders Artikel2.1.22Toonplicht vergunning of toestemming Degene die een standplaats inneemt of wil innemen is op eerste verzoek van een toezichthouder verplicht aan te tonen dat hij daartoe gerechtigd is. Artikel2.1.23Markttijden in acht nemen 1.Het is verboden meer dan drie-en-een-half (3,5) uur voor de aanvang en meer dan twee-en-een-half (2,5) uur na afloop van de markt op welke wijze dan ook ruimte in te (doen) nemen op het marktterrein, of goederen aan of af te (laten) voeren. 2.De vergunninghouder neemt zijn standplaats in voor aanvang van de markt en tot de sluitingstijd van de markt, behoudens door burgemeester en wethouders verleende ontheffing. 3.Burgemeester en wethouders kunnen aan de ontheffing voorschriften en beperkingen verbinden ter bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de ontheffing is vereist. De houder van de ontheffing is verplicht de aan de ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen na te leven. Artikel2.1.24Marktterrein schoonhouden 1.De vergunninghouder is verplicht afval, waaronder verpakkingsmateriaal, dat op zijn standplaats vrijkomt tijdens de door hem bedreven handel zodanig te bewaren dat het marktterrein daardoor niet wordt verontreinigd en het afval niet door onbevoegden kan worden verwijderd. De vergunninghouder voert het afval onmiddellijk na afloop van de markt af, of laat het afvoeren. 2.De vergunninghouder is verplicht de door hem ingenomen standplaats en de naaste omgeving daarvan na afloop van de markt veegschoon achter te laten. Afdeling6. Handhaving Artikel2.1.25Naleven van aanwijzingen in het kader van openbare orde en veiligheid In het kader van openbare orde en veiligheid zijn vergunninghouders verplicht zich te houden aan: Aanwijzingen van de hulpdiensten; Aanwijzingen van de marktmeester met betrekking tot weersomstandigheden waaronder exploitatie voor eigen risico van de vergunninghouder is; Aanwijzingen van de marktmeester bij wangedrag. Artikel2.1.26Uitsluiting dagplaatshouder Burgemeesters en wethouders kunnen een vergunninghouder van de toewijzing van een dagplaats uitsluiten voor ten hoogste vier marktdagen, indien deze: het bepaalde bij of krachtens deze verordening overtreedt; zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat wordt geheven op grond van de de Verordening Marktgeld Gemeente Rijswijk 2023. Artikel2.1.27Onmiddellijke verwijdering Burgemeester en wethouders kunnen een vergunninghouder of degene die hem bijstaat of vervangt gelasten zich onmiddellijk van de markt te verwijderen als deze zich op de markt schuldig heeft gemaakt aan wangedrag of bedrog of het bij of krachtens deze verordening bepaalde heeft overtreden. Afdeling7. Overgangsbepaling Artikel2.1.28Overgangsbepaling Vergunningen verleend krachtens het bepaalde in hoofdstuk 2 van de Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Rijswijk 2022 vóór het van kracht worden van deze verordening blijven – voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken – nog gedurende een halfjaar na de inwerkingtreding van deze verordening van kracht. Hoofdstuk3.Bodem en milieu 3.1Afvalstoffen Afdeling1. Zwerfafval Artikel3.1.1Voorkomen van diffuse milieuverontreiniging 1. Het is verboden buiten een daarvoor door het college bestemde plaats en buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, een afvalstof, stof of voorwerp op of in de bodem te brengen, te storten, te houden, achter te laten of anderszins te plaatsen. 2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. 3. Het verbod is niet van toepassing op: het overeenkomstig deze verordening ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen; het thuis composteren van groente -, fruit- en tuinafval; voor zover de (afval)stoffen tijdelijk op de weg geraken of worden gebracht als onvermijdelijk gevolg van het laden, lossen of vervoeren van afvalstoffen dan wel het verrichten van andere werkzaamheden op of aan de weg. 4. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover de Wet bodembescherming of het Besluit bodemkwaliteit voorziet in de beoogde bescherming van het milieu. Artikel3.1.2Afvalbakken in inrichtingen voor het verbruiken van eet- en drinkwaren 1.De houder of beheerder van een inrichting waar eet- of drinkwaren worden verkocht die ter plaatse kunnen worden genuttigd, is verplicht: een afvalbak, -mand of soortgelijk voorwerp in of nabij de inrichting op een duidelijk zichtbare plaats aanwezig te hebben, waarin het publiek afval kan achterlaten; zorg te dragen dat deze afvalbak, -mand of soortgelijk voorwerp van een zodanige constructie is dat het afval daarin deugdelijk geborgen blijft en dat die afvalbak, -mand of voorwerp steeds tijdig wordt geledigd; zorg te dragen dat dagelijks, uiterlijk een uur na sluiting van de inrichting, doch in ieder geval terstond op eerste aanzegging van een ambtenaar, belast met de toezicht op de naleving van dit artikel, in de nabijheid van de inrichting achtergebleven afval, voor zover kennelijk uit of van die inrichting afkomstig, wordt opgeruimd. Artikel3.1.3Zwerfafval bij vervoeren, laden en lossen of overige werkzaamheden 1.Het is verboden afvalstoffen, stoffen of voorwerpen zodanig te laden, te lossen of te vervoeren of andere werkzaamheden te verrichten dat de weg wordt verontreinigd of het milieu nadelig kan worden beïnvloed. 2.Indien bij het laden of lossen of vervoeren van afvalstoffen, stoffen of voorwerpen deze weg wordt verontreinigd of het milieu nadelig wordt beïnvloed, is degene die genoemde werkzaamheden verricht alsmede diens opdrachtgever verplicht deze weg te reinigen of te laten reinigen: direct na het ontstaan van de verontreiniging, indien de verontreiniging gevaar voor de veiligheid van het verkeer of beschadiging van het wegdek oplevert; direct na beëindiging van de werkzaamheden, indien de verontreiniging geen gevaar voor de veiligheid van het verkeer of beschadiging van het wegdek oplevert; indien de werkzaamheden langer dan een dag duren, elke dag direct na beëindiging van de werkzaamheden. 3.2Opslag Artikel3.2.1Verbod opslag van afvalstoffen 1.Het is verboden afvalstoffen op voor het publiek zichtbare plaats in de open lucht en buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, op te slaan of opgeslagen te hebben. 2.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. 3.Het verbod is niet van toepassing op het overdragen of ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen aan de inzameldienst, andere inzamelaars of de personen of instanties die in het kader van producentenverantwoordelijkheid bij algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling een inzamelplicht hebben voor categorieën van huishoudelijke afvalstoffen. Artikel3.2.2Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke 1.Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; kampeermiddelen als bedoeld in artikel 1.1.1 of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen. 2.Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen. 3.Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening. 3.3Wrakken Artikel 3.3.1 Afgifte autowrakken afkomstig uit een huishouden 1.Het is de eigenaar of kentekenhouder verboden zich te ontdoen van een autowrak, dat afkomstig is van een huishouden, anders dan door afgifte aan inrichtingen, genoemd in artikel 6 van het Besluit Beheer Autowrakken. Artikel3.3.2Voertuigwrakken 1.Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te plaatsen of te hebben. 2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of het Besluit activiteiten leefomgeving. 3.4Bouw Afdeling1. De aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen Artikel3.4.1Bodemonderzoek 1.Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 5.7a en 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving bestaat uit: de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740 in overeenstemming met het onderzoeksprotocol. vervallen. Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707. 2.De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 5.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt niet indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 3.Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport bedoeld in artikel 5.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving, indien voor toepassing van artikel 3.4.2 bij het bevoegd gezag reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn. 4.Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 5.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving toestaan voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn, als bedoeld paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, indien uit het in NEN 5725 bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740 niet rechtvaardigen. 5.Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen. Afdeling2. Het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond Artikel3.4.2Verbod tot bouwen op verontreinigde grond Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd voor zover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk: waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven; voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist; en dat de grond raakt, of waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd. Artikel3.4.3Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen In afwijking van het bepaalde in artikel 3.4.2 en onverminderd het bepaalde in artikel 5.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving, kan het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen, in het geval zij op grond van het in het Besluit activiteiten leefomgeving bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het saneringsplan overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt. Afdeling3. Overige administratieve bepalingen Artikel3.4.4Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en de vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere voorschriften, waarnaar in deze verordening - of in de bij deze verordening behorende bijlagen - wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm of praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd. Hoofdstuk4.Natuur en recreatie 4.1Natuur en groen Artikel4.1.1Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden 1.Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de houtopstanden te vellen of te doen vellen. 2.Het verbod geldt niet voor: houtopstanden met een diameter kleiner dan 15 cm op een hoogte gemeten van 1.30 meter; houtopstanden gelegen in een voortuin kleiner dan 20m2 en een achtertuin tot 50m2; (schub)coniferen, zoals de Chameacyparis, Cupressocyparis leylandii en Thuja; houtopstanden die bij wijze van dunning moeten worden geveld; dode houtopstanden; houtopstanden die een onmiddellijk dreigend gevaar voor de omgeving vormen (noodkap); houtopstanden met een besmettelijke (boom)ziekte. 3.In afwijking van artikel 9.1.7 kan de vergunning worden geweigerd op grond van: de natuurwaarde van de houtopstand; de landschappelijke waarde van de houtopstand; de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon; de beeldbepalende waarde van de houtopstand; de cultuurhistorische waarde van de houtopstand; of de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand. 4.Het bevoegd gezag kan een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften. Artikel4.1.1aBescherming groenvoorzieningen Het is een voor publiek toegankelijk park of plantsoen of in bij de gemeente in onderhoud zijnde groenstroken, grasperken of bloembakken verboden enige schade toe te brengen aan een boom of een bloem- of heesterperk dan wel aldaar bloemen en/of planten te plukken. Artikel4.1.1bAfstand van de erfgrenslijn De afstand als bedoeld in artikel 5.42 van het Burgerlijk Wetboek wordt vastgesteld op 0,5 meter voor bomen en op nihil voor heesters en heggen. Artikel4.1.2Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen 1.Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook, of het daarin te doen of te laten staan. 2.Dit verbod is niet van toepassing op: de weg; voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam; voertuigen waarmee standplaats1 wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd. 3.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. Artikel4.1.2aCrossterreinen 1.Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets te crossen buiten wedstrijdverband, een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. 2.Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: het voorkomen of beperken van overlast; de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek. 3.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet, afdeling 3.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving, de Zondagswet of het Besluit geluidproduktie sportmotoren. Artikel4.1.2bBeperking verkeer in natuurgebieden 1.Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. 2.Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: het voorkomen of beperken van overlast; de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek. 3.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet, afdeling 3.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving, de Zondagswet of het Besluit geluidproductie sportmotoren. Artikel4.1.2cGebruik recreatiegebieden Het is verboden een voor recreatief gebruik beschikbaar terrein te gebruiken in strijd met de bepalingen geldend voor dat terrein door: het parkeren of aanwezig hebben van een voertuig of een vaartuig, anders dan tot doel van dagrecreatie; met geluid voortbrengende apparatuur overlast te veroorzaken; te graven of te spitten of doen graven of spitten buiten het strand, de zandhelling, speelkuilen of zandbakken gelegen gedeelten; anders dan in de aanwezige afvalbakken wegwerpen, neerleggen en/of achterlaten van afval, vuilnis, resten van levensmiddelen, papier, blikken, flessen of verpakkingsmateriaal; een afvalmand, -bak of soortgelijk voorwerp op andere wijze gebruiken dan tot het deponeren van klein afval; zich als eigenaar of houder van een hond zich met die hond in een vastgestelde periode bevinden buiten een aangewezen gebied waar het verblijf van de hond is toegestaan. 4.2Kampeerterreinen en -plaatsen Artikel4.2.1Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 1.Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd. 2.Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein. 3.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 4.Onverminderd het bepaalde in artikel 9.1.7 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van: natuur en landschap; of een stadsgezicht. Artikel4.2.2Aanwijzing kampeerplaatsen 1.Artikel 4.2.1, eerste lid, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 2.Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd in artikel 4.2.1, vierde lid. Hoofdstuk5.Parkeren en liggen 5.1Parkeren Artikel5.1.1Gebruik parkeerplaatsen 1.Het is verboden om enig voorwerp, niet zijnde een motorvoertuig, te plaatsen of te laten staan: op een parkeerapparatuurplaats; op een belanghebbendenplaats. 2.Het is verboden een fiets, een bromfiets of enig ander voorwerp op zodanige wijze tegen of bij parkeerapparatuur te plaatsen of te laten staan, dat daardoor een normaal gebruik daarvan wordt belemmerd of verhinderd. 3.Het college kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel. Artikel5.1.2Voertuigen van autobedrijf en dergelijke 1.Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan: het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; of het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling. 2.Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; of voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon. 3.Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze voertuigen; de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken. 4.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. Artikel5.1.3Te koop aanbieden van voertuigen 1.Het is op alle wegen binnen de gemeente verboden een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen. 2.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. Artikel5.1.4Defecte voertuigen Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren. Artikel5.1.5Kampeermiddelen en andere voertuigen 1.Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins wordt gebruikt: langer dan op drie achtereenvolgende dagen, zonder wezenlijke tijdsonderbreking, te plaatsen of te hebben op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente; op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2.Het college kan in uitzonderlijke gevallen ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a als uit beoordeling van een aanvraag blijkt dat: een camper ook wordt gebruikt als dagelijks vervoermiddel, een camper qua afmetingen niet afwijkt van een personenbusje en niet valt onder de bepalingen in artikel 5.1.7. Aan een ontheffing kunnen nadere voorschriften worden verbonden. 3.Het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening. Artikel5.1.6Reclamevoertuigen 1.Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken. 2.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. Artikel5.1.7Grote voertuigen 1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte. 3.Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen, zonder wezenlijke tijdsonderbreking, op de weg worden geplaatst of gehouden. 4.Het tweede lid is voorts niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur. 5.Het college kan, in uitzonderlijke gevallen, ontheffing verlenen van de verboden. Aan een ontheffing kunnen nadere voorschriften worden verbonden. Artikel5.1.8Uitzichtbelemmerende voertuigen 1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. 2.Het verbod is niet van toepassing gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is. 5.2Liggen Artikel5.2.5Ligplaats vaartuigen 1.Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water. 2.Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water: nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente; beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen. 3.Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit bouwwerken leefomgeving of het overige bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of het Binnenvaartpolitiereglement. 4.Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente. 5.De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen. Hoofdstuk6.(Ondergrondse) Infrastructuur 6.1Ondergrondse infrastructuur Afdeling1. Inleidende bepalingen Artikel6.1.1Toepasselijkheid 1.Deze verordening is van toepassing op werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding of opruiming van kabels of leidingen in of op openbare gronden. 2.Het college voert de regie over de efficiënte ordening van werkzaamheden in verband met kabels en leidingen zoals bedoeld in het eerste lid. Afdeling2. Instemmingsbesluit en vergunning Artikel6.1.2Vereiste van instemming of vergunning 1.Het is verboden om zonder of in afwijking van een door het college verleend instemmingsbesluit of verleende vergunning werkzaamheden uit te voeren in verband met de aanleg, instandhouding of opruiming van kabels of leidingen in of op openbare gronden. 2.In afwijking van het eerste lid kan voor werkzaamheden van niet ingrijpende aard worden volstaan met een melding aan het college. Het college stelt nadere regels vast ten aanzien van categorieën van werkzaamheden van niet ingrijpende aard en kan aan de uitvoering van deze werkzaamheden voorschriften en beperkingen verbinden als bedoeld in artikel 6.1.5. 3.Het college kan één of meer gebieden aanwijzen waarbinnen niet volstaan kan worden met een melding, maar altijd een instemmingsbesluit of vergunning moet worden aangevraagd. 4.Werkzaamheden ten gevolge van een ernstige belemmering of storing in de dienstverlening, waarvan uitstel redelijkerwijs niet mogelijk of niet gewenst is, dienen onverwijld te worden gemeld aan de burgemeester. Ingeval de openbare orde of gevaar dan wel de vrees voor het ontstaan van gevaar zich verzet tegen de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden kan de burgemeester besluiten dat de werkzaamheden op een ander dan het voorgenomen tijdstip plaatsvinden. Het college stelt nadere regels vast ten aanzien van de wijze van melding en uitvoering van deze werkzaamheden. 5.Het in het eerste lid opgenomen verbod is niet van toepassing op werkzaamheden van de gemeente bij de uitoefening van haar publiekrechtelijke taak. 6.Het in het eerste lid opgenomen verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het provinciale Omgevingsbeleid of de Waterschapskeur. Artikel6.1.3de aanvraag en de melding 1.Een aanvraag wordt ingediend bij het college. 2.De aanvrager levert op verzoek van het college de resultaten van het overleg tussen de aanvrager en de andere grondeigenaren of grondbeheerders aan, indien het college dit noodzakelijk acht voor de besluitvorming. 3.Een melding wordt minimaal vijf werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden aan het college gedaan. 4.Het college stelt nadere regels vast ten aanzien van de bij een aanvraag of melding te verstrekken gegevens en de wijze van verstrekking. Artikel6.1.4Beslistermijnen 1.Het college beslist op de aanvraag binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag. 2.Indien voor de aanleg, instandhouding of opruiming van kabels of leidingen zowel een aanvraag op grond van deze verordening als een aanvraag op grond van een andere wet is ingediend, al dan niet bij een ander bestuursorgaan, dan stelt de aanvrager het college hiervan op de hoogte. 3.Indien een beschikking niet binnen acht weken kan worden gegeven, deelt het college dit aan de aanvrager mede en noemt het daarbij een zo kort mogelijke termijn van ten hoogste zes weken waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien. 4.Op schriftelijk verzoek van de aanvrager stelt het college een aanvraag buiten behandeling. Artikel6.1.5Voorschriften, beperkingen en weigergronden 1.Het college kan aan een instemmingsbesluit of een vergunning voorschriften en beperkingen verbinden, dan wel een vergunning weigeren, in het belang van: de openbare orde; de veiligheid, waaronder mede verstaan wordt de verkeersveiligheid of een goede doorstroming van het verkeer; het voorkomen of beperken van overlast; de bereikbaarheid van gronden of gebouwen, waaronder mede verstaan wordt het veilig en doelmatig gebruik van openbare gronden en gebouwen, het doelmatig beheer en onderhoud en het belang van nader aan te geven lokale evenementen; de ondergrondse ordening, waaronder mede verstaan wordt de bescherming van reeds in de grond aanwezige werken; de bescherming van eventuele archeologische vondsten, van groenvoorzieningen, bomen en van beplantingen; het uiterlijk aanzien van de omgeving; 2.De werkzaamheden moeten zijn voltooid binnen zes maanden na aanvang, tenzij in het instemmingsbesluit of de vergunning anders is bepaald. 3.De aanvrager draagt er zorg voor dat de voorschriften die aan het instemmingsbesluit of de vergunning zijn verbonden worden nageleefd. 4.Het college stelt nadere regels vast ten aanzien van de wijze van uitvoering van werkzaamheden aan kabels of leidingen. Artikel6.1.6Wijziging en intrekking 1.Het college kan het instemmingsbesluit of de vergunning wijzigen of intrekken, indien: de netbeheerder niet binnen zes maanden na het onherroepelijk worden van het instemmingsbesluit of de vergunning, of de in het instemmingsbesluit of de vergunning opgenomen termijn, met de werkzaamheden als omschreven in het instemmingsbesluit of de vergunning is begonnen; de in het instemmingsbesluit of de vergunning benoemde werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van zes maanden stilliggen; het instemmingsbesluit of de vergunning is verleend op basis van onjuiste of onvolledige gegevens; de netbeheerder het bepaalde bij of krachtens deze verordening niet naleeft; na het verlenen van het instemmingsbesluit of de vergunning naar het oordeel van het college gegronde aanleiding bestaat te veronderstellen dat het van kracht blijven van het instemmingsbesluit of de vergunning onaanvaardbare schadelijke gevolgen heeft voor mens, natuur of milieu en hieraan door het stellen van nadere voorschriften en beperkingen aan het verleende instemmingsbesluit of de verleende vergunning niet kan worden tegemoetgekomen. 2.Het college kan de vergunning wijzigen of intrekken, indien: de netbeheerder de leiding definitief buiten gebruik heeft gesteld; dit naar het oordeel van het college redelijkerwijs nodig is vanwege de rechtmatige uitoefening van zijn publiekrechtelijke bevoegdheid of taak. 3.Het college gaat niet over tot intrekking of wijziging van het instemmingsbesluit of de vergunning dan nadat het college de houder van het instemmingsbesluit of de vergunning heeft gehoord. 4.Aan het besluit tot wijziging of intrekking van de vergunning kan de verplichting worden verbonden om de betreffende kabels of leidingen aan te passen of deze te verwijderen. 5.Het college trekt het instemmingsbesluit of de vergunning in indien de houder schriftelijk aan het college verklaart geen gebruik meer daarvan te willen maken. 6.Een instemmingsbesluit of een vergunning geldt voor een specifieke kabel of leiding en is overdraagbaar, tenzij in de vergunning of het instemmingsbesluit anders is bepaald. Het college kan het instemmingsbesluit of de vergunning op schriftelijk verzoek van de houder op naam stellen van een andere netbeheerder. Afdeling3. Overige bepalingen Artikel6.1.7Medegebruik van voorzieningen 1.Een aanbieder is verplicht om bij de aanleg van telecomkabels in openbare gronden zoveel mogelijk medegebruik te maken van bestaande, hetzij door andere aanbieders dan wel door of in opdracht van het college aangelegde voorzieningen, zoals mantelbuizen, kabelgoten, of kabel- en leidingentunnels. 2.Het eerste lid vindt geen toepassing indien de aanbieder aannemelijk kan maken dat medegebruik op technische of economische gronden niet haalbaar is. 3.Indien het gekozen tracé niet kan worden uitgevoerd, dient de aanbieder een alternatief tracé te kiezen. Ook kan het college een alternatief tracé aanwijzen. Artikel6.1.8Verplichtingen netbeheerder 1.Indien de eigendom, de exploitatie, het beheer of het gebruik van kabels of leidingen wijzigt, stelt de netbeheerder het college onverwijld schriftelijk van deze wijziging in kennis. 2.De netbeheerder levert op verzoek van het college informatie over een kabel of leiding. Artikel6.1.9Zorgplicht netbeheerder De netbeheerder is verplicht zorg te dragen voor een goede staat van onderhoud van kabels en leidingen. Artikel6.1.10Verontreiniging, gevaar en hinder 1.De netbeheerder is verplicht verontreiniging, gevaar of hinder, dan wel storingen waarbij verontreiniging, gevaar of hinder kunnen optreden, onmiddellijk te melden aan het college en alle maatregelen te treffen teneinde verdere verontreiniging, schade of hinder te voorkomen. 2.Het college kan de netbeheerder opdragen een milieutechnisch onderzoek dan wel een onderzoek naar mogelijk gevaar of hinder uit te voeren, indien een redelijk vermoeden bestaat van verontreiniging, gevaar of hinder, ontstaan bij de aanleg of de exploitatie van kabels en leidingen. 3.Het college kan bij gebleken of ernstige dreiging van verontreiniging, gevaar of hinder in of nabij het tracé van kabels en leidingen opschorting gelasten van de aanleg of de exploitatie van de betreffende kabels en leidingen. Artikel6.1.11Overleg en afstemming tijdens planvorming 1.De gemeente initieert en faciliteert nader overleg tussen alle betrokken partijen over alle projecten in openbare gronden. Dit overleg vindt periodiek, doch tenminste eenmaal per jaar plaats. 2.Het college initieert in de planfase van een door of vanwege de gemeente uit te voeren project overleg met de desbetreffende netbeheerder(

  1. s)ten einde de gevolgen van dat project voor de ligging en het onderhoud van kabels en leidingen te analyseren. De gemeente doet per bedoeld project een voorstel ten aanzien van het aantal overleggen en de regelmaat daarvan. 3.Op initiatief van het college wisselen alle betrokken partijen voorafgaand aan de start van een werk dat gevolgen heeft voor de ondergrondse infrastructuur de noodzakelijke informatie met elkaar uit. Artikel6.1.12Nadeelcompensatie 1.Het college kent een netbeheerder, niet zijnde aanbieder, die schade lijdt of zal lijden als gevolg van een besluit van het college als bedoeld in artikel 6.1.6, eerste lid, onder e, of artikel 6.1.6, tweede lid, onder b, dan wel als gevolg van de rechtmatige uitoefening door het college van zijn publiekrechtelijke bevoegdheid of taak, op verzoek een vergoeding toe, voor zover de schade redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en voor zover de vergoeding niet of niet voldoende anderszins is verzekerd. 2.Het college stelt een nadeelcompensatieregeling vast over de uitoefening van de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid. Artikel6.1.13Herstraat- en degeneratiekosten 1.Indien door de netbeheerder werkzaamheden aan kabels of leidingen in of op openbare gronden worden uitgevoerd, brengt het college de kosten voor herstel, beheer, onderhoud en degeneratie van openbare gronden die het rechtstreekse gevolg zijn van de uitgevoerde werkzaamheden bij de netbeheerder in rekening. 2.Het uitgangspunt bij het herstel van gronden is dat de grond wordt teruggebracht in de oude staat. 3.Het college stelt nadere regels vast over de uitoefening van de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid. 6.2Infrastructuur Artikel6.2.1(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1.Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2.De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, als de activiteiten zijn verboden bij het omgevingsplan. 3.Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. 4.Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet. Artikel6.2.2Maken of veranderen van een uitweg 1.Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg; 2.In afwijking van het bepaalde in artikel 9.1.7 wordt de vergunning slechts geweigerd: ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg; als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen; of als op het perceel ten dienste waarvan de vergunning wordt aangevraagd, parkeren op grond van het vigerende omgevingsplan niet is toegestaan. 3.Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening. Hoofdstuk7.Bouwwerken en bouwkwaliteit 7.1Naamgeving en nummering Artikel7.1.1Naamgeving van woonplaatsen en openbare ruimte 1.Burgemeester en wethouders stellen de grens en de naam van een of meer woonplaatsen vast en kunnen deze in wijken en buurten verdelen conform de eisen die het Centraal Bureau voor de Statistiek aan deze indeling verbindt. 2.Burgemeester en wethouders kennen per woonplaats namen toe aan delen van de openbare ruimte en zo nodig aan gemeentelijke gebouwen en bouwwerken. 3.Onder vaststellen, verdelen en toekennen als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt tevens begrepen het wijzigen en intrekken daarvan. Artikel7.1.2Nummering van objecten 1.Burgemeester en wethouders stellen de lig- en standplaatsen vast. 2.Burgemeester en wethouders kennen nummeraanduidingen toe aan verblijfsobjecten, lig- en standplaatsen. 3.Zij bepalen de afbakening van panden, verblijfsobjecten, lig- en standplaatsen. 4.Onder vaststellen, toekennen en bepalen als bedoeld in het eerste tot en met derde lid wordt tevens begrepen het wijzigen en intrekken daarvan. Artikel7.1.3Aanbrengen aanduiding 1.De door burgemeester en wethouders aan de openbare ruimte of een gedeelte daarvan toegekende namen, bedoeld in artikel 7.1.1, worden door of in opdracht van de gemeente blijvend zichtbaar en in voldoende aantallen ter plaatse aangebracht. 2.De door burgemeester en wethouders aan een object toegekende nummers, bedoeld in artikel 7.1.2, tweede en vierde lid, worden daaraan op doeltreffende wijze aangebracht. 3.Het is eenieder die daartoe niet bevoegd is verboden namen aan de openbare ruimte of delen daarvan, dan wel nummers aan een pand of verblijfsobject, lig- of standplaats, toe te kennen door deze op zichtbare wijze aan te brengen. Artikel7.1.4Gedoogplicht naamaanduiding 1.Als burgemeester en wethouders het nodig oordelen dat de door hen toegekende aanduidingen, bedoeld in artikel 7.1.1, tweede lid, aan een bouwwerk, gebouw, muur, paal, schutting of een andere soort terreinafscheiding worden aangebracht, draagt de rechthebbende er zorg voor dat de hier bedoelde aanduidingen vanwege of op verzoek en overeenkomstig de aanwijzingen van burgemeester en wethouders worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2.Als burgemeester en wethouders het nodig oordelen een naamaanduiding, waarop de vervallen naam is doorgehaald, gedurende ten hoogste een jaar naast de naamaanduiding met de nieuwe naam te handhaven laat de rechthebbende dit toe. 3.De rechthebbende draagt er zorg voor dat de in het eerste en tweede lid bedoelde aanduidingen vanaf de openbare weg duidelijk leesbaar blijven. Artikel7.1.5Aanbrengplicht nummeraanduiding 1.Tenzij burgemeester en wethouders anders hebben besloten, draagt de rechthebbende van een object er zorg voor dat de nummers, bedoeld in artikel 7.1.2, tweede lid, worden aangebracht overeenkomstig het krachtens artikel 7.1.6 bepaalde. 2.De rechthebbende draagt er zorg voor dat de nummers binnen 4 weken na kennisgeving van het besluit van burgemeester en wethouders zijn aangebracht. 3.Als een verblijfsobject, lig- of standplaats nog niet gereed is gekomen, wordt het nummer binnen 4 weken na het gereedkomen daarvan aangebracht. 4.Als burgemeester en wethouders het nodig oordelen een nummeraanduiding, waarop het vervallen nummer is doorgehaald, gedurende ten hoogste een jaar naast de nummeraanduiding met het nieuwe nummer te handhaven laat de rechthebbende dit toe of geeft de rechthebbende daaraan uitvoering. 5.Burgemeester en wethouders kunnen de in het tweede en derde lid genoemde termijnen verlengen. Artikel7.1.6Nadere regels 1.Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen over het proces en de wijze van: naamgeving en begrenzing van woonplaatsen, wijken, buurten en bouwblokken; naamgeving en begrenzing van de openbare ruimte; nummering van verblijfsobjecten, lig- en standplaatsen; opmaak van formulieren, besluiten en verklaringen. 2.De nadere regels zijn niet strijdig met het Convenant inzake postcodes. 7.2Plakken en kladden Artikel7.2.1Plakken en kladden 1.Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden. 2.Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; met kalk, teer of een kleur- of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen. 3.Het verbod, bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing voor zover gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift. 4.De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht deze aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven. 5.Het college wijst aanplakborden aan voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. 6.Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame. 7.Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan. Hoofdstuk8.Veiligheid 8.1Veiligheid op of aan de weg of openbare plaats Artikel8.1.1Voorwerpen op of aan de weg of openbare plaats 1.Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik: gevaar oplevert of kan opleveren voor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of de bescherming van het milieu; schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; of hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; hinder of overlast oplevert of kan opleveren voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak. 2.Onverminderd het bepaalde in het eerste lid is het verboden op de weg of een weggedeelte containers te plaatsen of te hebben als deze worden gebruikt voor een ander doel dan voor de tijdelijke opslag van puin of bouwmaterialen tijden een verbouwing of de tijdelijke opslag van waren in het kader van de uitoefening van detailhandel. 3.Onverminderd het bepaalde in het tweede lid moeten containers, die op de openbare weg zijn geplaatst, zijn voorzien van een markering, die voldoet aan de volgende eisen: op ieder zijvlak en op het kopstuk moet aan de buitenzijde een duidelijk zichtbare markering aanwezig zijn; de markeringen moeten vast, dat wil zeggen niet verwijderbaar, zijn bevestigd; de markeringen dienen uit retro-reflecterend materiaal te bestaan, in de kleuren rood of rood wit. 4.Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen voor terrassen, uitstallingen, reclameborden, hijs- en hefwerktuigen en bouwplaatsinrichtingen in het openbaar gebied. 5.Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid. 6.Het verbod is niet van toepassing op: evenementen als bedoeld in artikel 2:24 van de Algemene Plaatselijke Verordening voor Rijswijk 2024; standplaatsen1 als bedoeld in artikel 1.1.1; overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend. 7.Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. 8.2Veiligheid bij openbaar water Artikel8.2.1Voorwerpen op, in of boven openbaar water 1.Het is verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, als dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water. 2.Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding aan het college. 3.De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp. 4.Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet. Artikel8.2.2Beschadigen van waterstaatswerken 1.Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen die bij de gemeente in beheer zijn. 2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement of de provinciale omgevingsverordening. 3.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. Artikel8.2.3Reddingsmiddelen Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken. Artikel8.2.4Veiligheid op het water 1.Het is aan een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat de vrijheid van het verkeer te water zonder noodzaak wordt gehinderd of de veiligheid op dat water in gevaar wordt gebracht of redelijkerwijs is aan te nemen dat de veiligheid op dat water in gevaar kan worden gebracht. 2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of de provinciale vaarwegenverordening. Artikel8.2.5Bescherming waterbodem en magneetvissen 1.Het is verboden in of bij openbaar water te baggeren, te dreggen, of te steken in de waterbodem, alsmede te vissen naar voorwerpen en/of stoffen met behulp van magneten of enige techniek met vergelijkbare werking. 2.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 8.3Geluid Artikel8.3.1Aanwijzing collectieve festiviteiten 1.De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet en artikel 4:5 van de Algemene Plaatselijke Verordening voor Rijswijk 2024 gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 2.De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 3.In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer van de door het college aan te wijzen delen van de gemeente. 4.Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. 5.Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het college een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. 6.Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 60 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter. 7.De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten. 8.Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, en artikel 4:5 van de Algemene Plaatselijke Verordening voor Rijswijk 2024 uiterlijk om 0.00 uur beëindigd. Artikel8.3.2Melding incidentele festiviteiten 1.Het is een inrichting toegestaan op maximaal 12 dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, en artikel 4:5 van de Algemene Plaatselijke Verordening voor Rijswijk 2024, niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college. 2.Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 12 dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college. 3.De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van de festiviteit waarvoor de kennisgeving wordt gedaan. 4.De melding is gedaan wanneer deze volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is gedaan. 5.De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. 6.Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting bedraagt niet meer dan 60 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter. 7.De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten. 8.Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, en artikel 4:5 van de Algemene Plaatselijke Verordening voor Rijswijk 2024, uiterlijk om 0.00 uur beëindigd. 9.De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, geldt voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte. 10.Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen. Hoofdstuk9.Algemene bepalingen voor vergunningen Artikel9.1.1Toepasselijkheid 1.Dit hoofdstuk is van toepassing voor zover andere van toepassing zijnde wet- of regelgeving of specifieke regels in deze verordening niet anders bepalen. 2.In de Omgevingswet zal niet langer worden voorzien in de mogelijkheid van een positieve beschikking bij niet tijdig beslissen (lex silencio positivo, ‘lsp’). Dat betekent dat wanneer het bevoegd gezag niet binnen de beslistermijn op een aanvraag om omgevingsvergunning beslist, er geen omgevingsvergunning van rechtswege meer zal worden verleend. De aanvrager zal na inwerkingtreding van de Omgevingswet alleen nog gebruik kunnen maken van de regeling dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen om een stilzittend bestuursorgaan tot besluitvorming te bewegen. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet langer van toepassing op de artikelen 4.1.1, 5.1.5, 5.1.6, 5.1.7, 6.2.1, 8.1.1 en 8.2.5. Artikel9.1.2Beslistermijn 1.Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2.Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste zes weken verdagen. 3.Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning. Artikel9.1.3Voorschriften en beperkingen 1.Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2.Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. 3.Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning. Artikel9.1.4Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing 1.De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning. Artikel9.1.5Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing 1.De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of de houder dit verzoekt. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning. Artikel9.1.6Termijnen 1.De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 2.De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft. Artikel9.1.7Weigeringsgronden 1.Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: de openbare orde; de openbare veiligheid; de volksgezondheid; de bescherming van het milieu. 2.Een vergunning of ontheffing kan voorts worden geweigerd indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat ter verkrijging daarvan in de aanvraag onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt dan wel indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke situatie niet in overeenstemming zal zijn met hetgeen in de aanvraag is vermeld. 3.Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. Hoofdstuk10.Toezicht Artikel10.1.1Toezichthouders 1.Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening of delen daarvan zijn belast de door het college aangewezen personen. Hierbij geldt het volgende: Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 3.1.1, 3.1.2, 3.2.1 en 3.3.1 zijn belast de krachtens artikel 18.6, eerste lid, Omgevingswet door het college aangewezen personen. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.1.4 t/m 2.1.28 zijn belast de marktmeester en de bij besluit van het college aangewezen personen. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de artikelen 2.1.1 t/m 2.1.3, 3.2.2, 3.3.2, 4.1.1 t/m 4.2.2, 5.1.2 t/m 5.2.5, 6.2.1, 6.2.2, 7.2.1, 8.1.1 t/m 8.3.2 en 9.1.2 t/m 9.1.7 bepaalde zijn belast de bij besluit van het college dan wel de burgemeester aan te wijzen personen. Onverminderd het in lid c gestelde, zijn de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 141, onder b, van het Wetboek van Strafvordering, eveneens belast met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens de artikelen 2.1.1 t/m 2.1.3, 3.2.2, 3.3.2, 4.1.1 t/m 4.2.2, 5.1.2 t/m 5.2.5, 6.2.1, 6.2.2, 7.2.1, 8.1.1 t/m 8.3.2 en 9.1.2 t/m 9.1.7 gegeven voorschriften. Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. Hoofdstuk11.Strafbepalingen Artikel11.1.1Strafbepaling Bij overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde en van de voorschriften en beperkingen die zijn verbonden aan de op grond van deze verordening verleende vergunningen of ontheffingen, geldt het volgende: Een gedraging in strijd met de artikelen 3.1.1, 3.1.2, 3.2.1 en 3.3.1 is een strafbaar feit in de zin van artikel 1a, onder 3, Wet op de economische delicten. Overtreding van het bij of krachtens de artikelen 2.1.1 t/m 2.1.3, 3.2.2, 3.3.2, 4.1.1 t/m 4.2.2, 5.1.2 t/m 5.2.5, 6.2.1, 6.2.2, 7.2.1, 8.1.1 t/m 8.3.2, of 9.1.2 t/m 9.1.7 bepaalde, de op grond van artikel 9.1.3 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen, alsmede het niet opvolgen van een bevel van een politieambtenaar wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. In afwijking van het tweede lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 4.1.1, 6.2.1, 6.2.2, eerste lid, of 8.1.1 als sprake is van een omgevingsvergunningplichtige activiteit. Overtreding van de artikelen 6.1.2, eerste, tweede en vierde lid, 6.1.5, derde lid, of 6.1.9 wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van de tweede categorie. Overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.1.4 t/m 2.1.28 wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of hechtenis van ten hoogste drie maanden en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. Overtreding van artikel 7.1.3, tweede en derde lid, artikel 7.1.4 en artikel 7.1.5, eerste tot en met vierde lid, wordt gestraft met een geldboete van de eerste categorie. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze artikelen zijn belast hen die door burgemeester en wethouders met de zorg voor de naleving van deze verordening zijn belast en de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering genoemde opsporingsambtenaren. Hoofdstuk12.Overgangs- en slotbepalingen Artikel12.1.1Reikwijdte Bepalingen uit deze verordening blijven buiten toepassing voor zover zij in strijd zijn met hogere wet- en regelgeving. Artikel12.1.2Hardheidsclausule Burgemeester en wethouders hebben de bevoegdheid op grond van afweging van de te behartigen belangen en met in acht name van de redelijkheid en billijkheid in incidentele en uitzonderlijke gevallen af te wijken van de bepalingen van deze verordening. Artikel12.1.3Inwerkingtreding nieuwe verordening en intrekking oude verordeningen en regels 1.Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2024. 2.Op de dag bedoeld in het eerste lid worden ingetrokken: Algemene plaatselijke verordening voor Rijswijk 2021 Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Rijswijk 2021 Artikel12.1.4Overgangsrecht 1.Besluiten, genomen krachtens de Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Rijswijk 2021, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening. 2.Besluiten, genomen krachtens de Algemene plaatselijke verordening voor Rijswijk 2021, die golden op het moment van inwerkingtreding van de Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Rijswijk in 2021 en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening. 3.De Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Rijswijk 2021 wordt ingetrokken met ingang van de in 12.1.3 genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 4.Besluiten, met inbegrip van de uitvoeringsvoorschriften, genomen krachtens de verordeningen bedoeld in artikel 12.1.3, tweede lid, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige bevoegdheden kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening. 5.Aanvragen voor vergunningen waarop op het moment van inwerkingtreding van deze verordening nog geen beslissing is genomen, worden afgehandeld op grond van deze verordening. 6.In afwijking van het eerste lid geldt voor de besluiten genomen krachtens hoofdstuk 2 van de Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Rijswijk 2021 het bepaalde in artikel 2.1.28. Artikel12.1.5Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Rijswijk 2024. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 14 december 2023, De voorzitter, De griffier,Toelichting Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Rijswijk 2024 Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven, worden hieronder nader toegelicht. Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen De begrippen spreken voor zich. Hoofdstuk 2 Markt Algemeen De bevoegdheid tot het instellen, veranderen of afschaffen van een markt is aan burgemeester en wethouders toegekend. Zie hiervoor artikel 160, eerste lid, onder g van de Gemeentewet. Daarnaast is de raad op grond van artikel 149 van de Gemeentewet bevoegd om een marktverordening vast te stellen. Het vaststellen van een marktverordening zal samengaan met een besluit van burgemeester en wethouders tot het instellen van een markt. Het doel van deze verordening is drieledig. Ten eerste worden de kaders gecreëerd om markten zodanig te organiseren dat de gemeentelijke algemene belangen beschermd worden en dat de markten aantrekkelijk zijn voor zowel consumenten als marktkooplieden. Ten tweede heeft deze verordening tot doel dit op een overzichtelijke, duidelijke manier te regelen, zonder overbodige regels en met zo min mogelijk administratieve lasten. Tot slot is de verordening ook gericht op het voldoen aan de eisen die voortvloeien uit de Europese Dienstenrichtlijn (2006/123/EG) en de Dienstenwet. Zie verder ook de toelichting bij paragraaf 2. Op grond van artikel 160, eerste lid, onder g, van de Gemeentewet kunnen burgemeester en wethouders jaarmarkten of gewone marktdagen instellen (en veranderen of afschaffen). Deze Marktverordening is van toepassing op dergelijke van gemeentewege ingestelde markten, voor zover het warenmarkten zijn en deze met enige regelmaat (regulier) plaatsvinden. De regulering van andere ambulante handel dan waarop deze verordening van toepassing is, is te vinden in de Algemene Plaatselijke Verordening voor Rijswijk 2024. Hierin zijn regels voor evenementen, waaronder ook braderieën vallen, opgenomen. Verder bevat deze APV bepalingen over snuffelmarkten en het innemen van standplaatsen, niet zijnde standplaatsen op markten. Uit de in de APV opgenomen bepalingen blijkt steeds dat deze niet van toepassing zijn op de markten die door burgemeester en wethouders op grond van artikel 160, eerste lid, onder g, van de Gemeentewet zijn ingesteld. Artikelsgewijs Artikel 2.1.1 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden Met betrekking tot standplaats1 kent de VFL drie artikelen. Deze artikelen spreken in principe voor zich. Een standplaats1 wordt in ieder geval geweigerd indien er sprake is van strijd met het omgevingsplan. De overige weigeringsgronden zoals beschreven in het derde lid wordt een belangenafweging gemaakt. In het vierde lid wordt de vergunningsduur bepaald. Deze vergunning geldt namelijk, vanwege de beperkte beschikbaarheid van de openbare ruimte voor de markthandel, als een schaarse vergunning in de zin van de Dienstenrichtlijn. Of er daadwerkelijk meer aanvragers zijn dan vergunningen is voor de kwalificatie als schaarse vergunning niet van belang. Schaarse vergunningen worden voor bepaalde tijd verleend. De achterliggende gedachte daarbij is dat de vergunning na verloop van tijd weer beschikbaar moet komen voor (her)verdeling. Niet alleen de zittende ondernemers, maar ook potentiële andere gegadigden moeten immers de kans krijgen om een standplaats1 in te nemen. Bij het bepalen van de duur van de vergunning is de zogenaamde terugverdientijd (en een redelijke vergoeding van geïnvesteerd kapitaal) van belang. De looptijd van de vergunning hoort niet korter te zijn dan deze terugverdientijd, omdat anders de vergunninghouders het risico lopen hun investeringen niet te kunnen terugverdienen. De looptijd van de vergunning hoort ook niet langer te zijn dan de terugverdientijd, omdat anders de potentiële gegadigden onnodig lang worden afgehouden van de toegang tot standplaats1. Het is aan het gemeentebestuur om gemotiveerd en onderbouwd vast te stellen wat de looptijd van de vergunning moet zijn. Zie hiervoor de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 21 juli 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1588), waarin de Afdeling onder meer heeft overwogen dat bij het bepalen van de looptijd (“passende beperkte duur”) van een beleidsmatig schaarse vergunning de terugverdientijd van noodzakelijke investeringen als factor moet worden meegenomen. Uit deze uitspraak volgt verder dat de zogenaamde afschrijvingstermijn niet per afzonderlijke vergunning of vergunninghouder mag worden bepaald, omdat dit tot willekeur leidt en niet verenigbaar is met de vereiste rechtszekerheid voor de vergunninghouders en eventuele gegadigden voor de vergunningen. Volgens de Afdeling kan per branche worden vastgesteld binnen welke termijn de bedoelde afschrijvingen redelijkerwijs kunnen worden gedaan. Uit de besluitvorming moet blijken dat het gemeentebestuur rekening heeft gehouden met de terugverdientijd. Er is gekozen voor een vergunning duur van 15 jaar. Met 15 jaar bieden we zekerheid dat de vergunninghouder zijn investering kan terugverdienen. Daarnaast is deze periode gelijk aan de periode die is vastgesteld voor de vaste-standplaatsvergunningen. Daardoor zijn er gelijke kansen voor vergunninghouders die willen gebruikmaken van de standplaats1 en vergunninghouders die hun standplaats willen innemen op de warenmarkt. Artikel 2.1.2 Toestemming rechthebbende Door middel van dit artikel wordt een extra controle op de vergunningplicht ingevoerd. De rechthebbende van een perceel moet erop toezien dat de standplaats1-houder op zijn perceel een vergunning heeft. Artikel 2.1.3 Afbakeningsbepalingen Door middel van deze bepaling wordt voorkomen dat strijd ontstaat met de Omgevingswet. Artikel 2.1.4 Inrichtingsplan van de warenmarkt Eerste en tweede lid Dit artikel schrijft voor dat burgemeester en wethouders per markt een inrichtingsplan vaststellen en daarin opnemen wat voor de markt in ieder geval geregeld moet en mag worden. Zo wordt in het inrichtingsplan aangegeven wat de markttijd is en blijkt uit de kaart van de markt, die onderdeel is van het inrichtingsplan, waar de grenzen van het marktterrein liggen. Ook wijzen burgemeester en wethouders de vaste standplaatsen aan. Verder maken zij met het inrichtingsplan duidelijk welke verdeelprocedure zij zullen toepassen bij het verlenen van vaste-standplaatsvergunningen. In het inrichtingsplan wordt ook verwezen naar de verdeelprocedure die wordt gebruikt. Dat gaat om de verlening na afroep en/of de verdeling van vaste-standplaatsvergunning via selectie. Zie hiervoor de artikelen 2.1.11 en 2.1.12. Daarnaast kunnen burgemeester en wethouders in het inrichtingsplan vastleggen dat zij, in de gevallen die zich daarvoor lenen, de verlengingsprocedure in gang zullen zetten. Derde lid Verder kunnen burgemeester en wethouders de dagplaatsen expliciet aanwijzen en bepalen dat een maximumaantal vaste-standplaatsvergunningen wordt afgegeven voor een of meer branches of artikelgroepen (of combinaties daarvan). Dat gebeurt met het oog op de beperkte ruimte voor de warenmarkt en het belang van een goede spreiding op de markt. Daarnaast wordt gehandeld conform de Dienstenrichtlijn. Artikel 2.1.5 Vergunningplicht Eerste lid In het eerste lid wordt verboden om zonder marktvergunning een standplaats in te nemen en wordt de bevoegdheid om deze vergunning te verlenen toegekend (geattribueerd) aan burgemeester en wethouders. De nadere regeling van de verschillende marktvergunningen gebeurt vervolgens in de paragrafen 2 tot en met 4. Tweede lid Een vergunning wordt alleen verleend aan een natuurlijke persoon die in Nederland arbeid mag verrichten en die ook handelingsbekwaam is in de zin van het burgerlijk recht. Artikel 2.1.6 Selectiecommissie Om een eerlijke en transparante procedure te garanderen, wordt speciaal voor de warenmarkt een selectiecommissie ingesteld. Deze selectiecommissie bestaat uit verschillende personen die allemaal op hun eigen wijze kennis hebben over of participeren aan de markt. Artikel 2.1.7 Voorschriften en beperkingen Aan een marktvergunning mogen uitsluitend voorschriften en beperkingen worden verbonden die de belangen beschermen in verband waarmee de vergunning is vereist. Deze bepaling maakt dat mogelijk. Daarnaast is duidelijk wat de status van de voorschriften en beperkingen is: de vergunninghouder is gehouden deze na te leven. De voorschriften en beperkingen zijn niet vrijblijvend van aard. Artikel 2.1.8 Marktcommissie Voor de warenmarkt is het belangrijk een marktcommissie te hebben om te kunnen beslissen over interne aangelegenheden. Dit geeft de vaste-standplaatshouders de mogelijkheid om mee te denken over de inrichting van de markt. Doorgaans komt de marktcommissie eenmaal per jaar bijeen. Ook wordt de marktcommissie betrokken bij wijzigingen in de regelgeving. Zij mag gevraagd en ongevraagd advies geven over zaken met betrekking tot de warenmarkt. De samenstelling van de marktcommissie is opgenomen in het Marktreglement. Artikel 2.1.9 Mandaatverboden Het vaststellen van een inrichtingsplan is voorbehouden aan burgemeester en wethouders. Ook de bevoegdheid voor het verlenen en intrekken van vergunningen kan niet worden gemandateerd aan de marktmeester of een andere toezichthouder. Met deze bepaling wordt een duidelijke functiescheiding beoogd. Artikel 2.1.10 Nadere regels In artikel 2.1.10 wordt het mogelijk gemaakt voor burgemeester en wethouders om nadere regels te stellen. Dit doen zij in ieder geval in de Marktverordening. Paragraaf 2. Verdeelprocedures beschikbare marktvergunningen Marktvergunningen zijn, gegeven de omstandigheid dat er een bepaald vergunningenplafond is, schaarse vergunningen zoals bedoeld in de Dienstenrichtlijn. Die kwalificatie brengt onder meer met zich mee dat deze vergunningen niet voor onbepaalde tijd kunnen worden verleend en dat de verdeling van de vergunningen moet voldoen aan de eisen van kenbaarheid en transparantie. Potentiële gegadigden moeten op gelijke voet kunnen meedingen naar de beschikbare vergunningen. Vooraf moet duidelijk zijn wat de looptijd van een vergunning is, op welke manier vergunningen worden verdeeld en welke (inhoudelijke) criteria daarbij worden gebruikt. Gegadigden kunnen dan hun vergunningaanvraag hierop afstemmen. Artikel 2.1.11 Verlenging na afroep De mogelijkheid van verlenging na afroep is optioneel. Burgemeester en wethouders zijn niet verplicht om de mogelijkheid van verlenging na afroep toe te passen. Wanneer zij hiervoor kiezen, is het vanwege de kenbaarheid en de transparantie belangrijk om dit in het inrichtingsplan op te nemen. Zo krijgen potentiële gegadigden vooraf duidelijkheid door middel van het inrichtingsplan. Als de looptijd van een vaste-standplaatsvergunning eindigt, moet de vergunning in principe opnieuw worden uitgegeven, en aan de hand van de vastgestelde verdeelprocedure. Echter, in de situatie waarin het waarschijnlijk is dat alleen de zittende vergunninghouder belangstelling heeft voor de betreffende vaste-standplaatsvergunning, kan het starten van een verdeelprocedure te belastend of omslachtig zijn. In dat geval kunnen burgemeester en wethouders de procedure van verlenging na afroep starten. Kort gezegd komt deze procedure erop neer dat nadat is vastgesteld dat er behalve de zittende vergunninghouder geen andere gegadigden voor de vergunning zijn, deze vergunning kan worden verlengd. Eerste lid De verlengingsprocedure kan alleen worden gehanteerd bij het beschikbaar komen van de vergunning doordat het einde van de looptijd van de vergunning wordt bereikt. Daarnaast moet het ook voldoende aannemelijk zijn dat alleen de zittende vergunninghouder belangstelling heeft voor deze vergunning. Burgemeester en wethouders moeten dus aan de hand van objectieve feiten kunnen onderbouwen dat er waarschijnlijk geen andere gegadigden zullen zijn. Tweede tot en met vierde lid Het tweede lid bepaalt dat openbaar moet worden aangekondigd (afroep) dat de vaste-standplaatsvergunning beschikbaar komt. Dat is om er zeker van te zijn dat er niet toch méér belangstelling voor de vergunning is. Als die afroep voldoende duidelijk is geweest en alleen de zittende vergunninghouder zich binnen de in het derde lid gestelde termijn meldt, dan kan zijn vergunning worden verlengd op grond van het vierde lid. De vergunning hoeft dan niet opnieuw door middel van de verdeelprocedure te worden uitgegeven. Er is immers maar één gegadigde voor de vergunning. De verlenging van de vergunning is uiteraard voor de looptijd die in de openbare kennisgeving was gemeld. Vijfde en zesde lid Het vijfde en zesde lid regelen wat er moet gebeuren als na het doen van de afroep onverhoopt blijkt dat er ook andere gegadigden zijn. In dat geval is verlenging van de vergunning voor de zittende vergunninghouder niet mogelijk en moet alsnog de verdeelprocedure worden toegepast. De openbare kennisgeving hoeft dan niet te worden gedaan omdat deze feitelijk al heeft plaatsgevonden, namelijk door het doen van de afroep. Wel moet aan de gegadigden die hun belangstelling kenbaar hebben gemaakt (inclusief de zittende vergunninghouder) worden gemeld dat de verdeelprocedure wordt toegepast. Ook moeten de gegadigden een termijn krijgen waarbinnen zij hun aanvraag kunnen (en moeten) indienen. De zittende vergunninghouder die in aanmerking wil komen voor de vergunning, kan uiteraard op dezelfde voet als de andere gegadigden meedingen naar de vergunning. Artikel 2.1.12 Verdeling vaste-standplaatsvergunning via selectie Eerste lid Bij het beschikbaar komen van een vaste-standplaatsvergunning, om welke reden dan ook, kunnen burgemeester en wethouders deze verdelen aan de hand van een selectieprocedure. Tweede lid Burgemeester en wethouders maken door een openbare kennisgeving bekend dat de vaste-standplaatsvergunning beschikbaar komt en melden daarbij ook wat de looptijd van de vergunning is. Uit de openbare kennisgeving moet verder duidelijk worden voor welke branche of artikelgroep de vergunning wordt verleend en vóór welke datum de gegadigden hun aanvraag moeten indienen. Derde lid Op grond van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt degene die tijdig een onvolledige aanvraag indient een termijn gegund om de aanvraag aan te vullen. Deze termijn wordt voor alle onvolledige aanvragen gelijkgetrokken, omdat het belangrijk is om een zoveel mogelijk gelijk speelveld te realiseren. Vierde lid Een aanvraag moet tijdig en volledig zijn en moet ook overigens voldoen aan hetgeen bij of krachtens deze verordening is bepaald om in behandeling te worden genomen en inhoudelijk te worden beoordeeld. Een aanvraag die niet aan de eisen voldoet, wordt buiten behandeling gesteld of afgewezen. Vijfde lid De inhoudelijke beoordeling van de aanvragen gebeurt op grond van het vijfde lid door het toekennen van punten en het uitvoeren van een vergelijkende toets. De in het vijfde lid opgesomde selectiecriteria zijn ingegeven door verschillende algemene belangen. Zo is de samenstelling van het marktassortiment (onder
  2. b)niet alleen van belang voor (consument-)bezoekers, maar ook voor de ondernemers zelf. De uitstallingen zijn van invloed op het aanzien van de markt, zodat de kwaliteit van de uitstraling van die uitstallingen een aspect is dat wordt meegewogen in de puntentoekenning (onder d). Onder de kwaliteit van de uitstalling kan mede worden begrepen de presentatie van de standplaats en van het assortiment. Voor consumenten is het verder van belang dat de ondernemers voldoende ervaring hebben met en kennis van de waren die zij verkopen (onder e). Met maatschappelijk verantwoord ondernemen (onder
  3. f)wordt onder meer gedoeld op duurzaam ondernemen, of het aandacht hebben voor het productieproces van de waren en de arbeidsomstandigheden in dat productieproces. Consumentvriendelijk ondernemen (onder
  4. d)in het algemeen is eveneens een wegingsfactor. Hieronder kan mede worden begrepen het bieden van verschillende betaalmogelijkheden, de mogelijkheid van bezorging van producten en de mogelijkheid van retourneren of ruilen van producten. De sollicitatiebrief, de controle van antecedenten en het tweemaal innemen van standplaatsen (onder a, h en
  5. i)geven een goed beeld over de ondernemer en de match met de markt. In het kader van duurzaamheid krijgen lokale producten voorrang (onder g). Zesde lid De aanvraag met het op basis van de beoordeling hoogste aantal punten wordt toegekend, de aanvragen met een lager aantal punten afgewezen. Als er meer vergunningen tegelijk beschikbaar zijn gekomen, kunnen er ook meer aanvragen worden toegewezen, maar natuurlijk nog steeds op volgorde van puntental. Als het totaal aan beschikbare vergunningen is verdeeld, worden de overgebleven aanvragen (met de laagste punten) afgewezen. Door de verdeelprocedure uit te werken in de verordening en in het inrichtingsplan vast te leggen dat deze wordt gehanteerd door burgemeester en wethouders, kunnen potentiële gegadigden weten welke selectiecriteria gelden en kunnen zij hun aanvraag daarop afstemmen. Op deze manier wordt een onpartijdige en transparante selectieprocedure toegepast. Zevende lid Het zevende lid tenslotte bevat een regeling voor de situatie waarin meer gegadigden hetzelfde aantal punten krijgen toegekend, terwijl er voor hen maar een vergunning beschikbaar is. In dat geval wordt deze vergunning onder hen verloot, waarbij de vergunning wordt verleend op basis van de rangschikking die volgt uit de trekking. Paragraaf 3. Vaste-standplaatsvergunning De vaste-standplaatsvergunningen bepalen voor een belangrijk deel hoe de markt is ingericht. Daarom is een paragraaf gewijd aan de vaste-standplaatsvergunning. Artikel 2.1.14 Algemene bepalingen vaste-standplaatsvergunning Eerste lid Dit artikel bevat de algemene bepalingen met betrekking tot de vaste-standplaatsvergunning. Deze vergunning geldt, vanwege de beperkte beschikbaarheid van de openbare ruimte voor de markthandel, als een schaarse vergunning in de zin van de Dienstenrichtlijn. Of er daadwerkelijk meer aanvragers zijn dan vergunningen is voor de kwalificatie als schaarse vergunning niet van belang. Schaarse vergunningen worden voor bepaalde tijd verleend. De achterliggende gedachte daarbij is dat de vergunning na verloop van tijd weer beschikbaar moet komen voor (her)verdeling. Niet alleen de zittende ondernemers, maar ook potentiële andere gegadigden moeten immers de kans krijgen om toe te treden tot de markt. Bij het bepalen van de duur van de vaste-standplaatsvergunning is de zogenaamde terugverdientijd (en een redelijke vergoeding van geïnvesteerd kapitaal) van belang. De looptijd van de vergunning hoort niet korter te zijn dan deze terugverdientijd, omdat anders de vergunninghouders het risico lopen hun investeringen niet te kunnen terugverdienen. De looptijd van de vergunning hoort ook niet langer te zijn dan de terugverdientijd, omdat anders de potentiële gegadigden onnodig lang worden afgehouden van de toegang tot de markt. Het is aan het gemeentebestuur om gemotiveerd en onderbouwd vast te stellen wat de looptijd van de vergunning moet zijn. Zie hiervoor de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 21 juli 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1588), waarin de Afdeling onder meer heeft overwogen dat bij het bepalen van de looptijd (“passende beperkte duur”) van een beleidsmatig schaarse vergunning de terugverdientijd van noodzakelijke investeringen als factor moet worden meegenomen. Uit deze uitspraak volgt verder dat de zogenaamde afschrijvingstermijn niet per afzonderlijke vergunning of vergunninghouder mag worden bepaald, omdat dit tot willekeur leidt en niet verenigbaar is met de vereiste rechtszekerheid voor de vergunninghouders en eventuele gegadigden voor de vergunningen. Volgens de Afdeling kan per branche worden vastgesteld binnen welke termijn de bedoelde afschrijvingen redelijkerwijs kunnen worden gedaan. Uit de besluitvorming moet blijken dat het gemeentebestuur rekening heeft gehouden met de terugverdientijd. Er is gekozen voor een vergunning duur van 15 jaar. Met 15 jaar bieden we zekerheid dat de vergunninghouder zijn investering kan terugverdienen. Op deze manier borgen we de hoge kwaliteit van onze warenmarkten. Bovendien houden we onze warenmarkten met deze vergunning duur aantrekkelijk voor nieuwkomers op de markt, die dan opnieuw bereid zijn fors te investeren. Dat biedt continuïteit van de hoge kwaliteit van de warenmarkt. Bovendien behouden de markten in de gemeente Rijswijk dan het gezonde ondernemersklimaat dat er nu ook heerst. In hechte, lokale gemeenschappen als die van Bogaard Stadscentrum en Oud Rijswijk wordt bovengemiddeld veel waarde gehecht aan het sociale contact met vertrouwde ondernemers op de markt. Een wat langere vergunningsduur dan het SEO-rapport (9 tot 12 jaar) adviseert, past hierbij. Tweede lid Op de vergunning staat vermeld welke vaste standplaats door de vergunninghouder ingenomen mag (en moet) worden. Op grond van het tweede lid kunnen burgemeester en wethouders in bijzondere gevallen tijdelijk een andere standplaats aanwijzen. Daarbij kan worden gedacht aan extreme weersomstandigheden, noodzakelijke reconstructiewerkzaamheden of bepaalde evenementen. Derde lid De vaste-standplaatsvergunning is uitdrukkelijk niet overdraagbaar, alleen al niet omdat dit niet verenigbaar is met het vereiste om potentiële gegadigden gelijke kansen te bieden om toe te treden tot de markt. Vierde lid In de praktijk laat de vergunninghouder zich vaak bijstaan door een of meer personen. Dit is ook vastgelegd in de verordening om nadrukkelijk aan te geven dat dit is toegestaan. Artikel 2.1.15 Overschrijven vaste-standplaatsvergunning Eerste en vierde lid Als de vergunninghouder de vergunning niet meer zelf wil gebruiken, kan hij burgemeester en wethouders vragen om de vaste-standplaatsvergunning in te trekken. Intrekking van de vergunning gebeurt ook na het overlijden of onder curatele stellen van de vergunninghouder. Een alternatief is dat de vergunning (op aanvraag) wordt overgeschreven op naam van een ander. Dit artikel regelt dat dit onder omstandigheden kan en op wiens naam de vergunning dan mag worden overgeschreven. Als de vergunninghouder is overleden of onder curatele gesteld, moet de aanvraag om overschrijving worden gedaan binnen twee maanden na het overlijden of de ondercuratelestelling. Tweede en derde lid In dit artikel is verder voor de duidelijkheid vastgelegd dat als de vergunning is verworven via een selectieprocedure de overschrijving ervan alleen kan gebeuren als in dezelfde mate wordt voldaan aan de criteria op grond waarvan de vergunning eerder was verleend. Ook overigens geldt dat alle aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen onverkort van toepassing blijven. De overschrijving geldt alleen voor de resterende looptijd van de betreffende vergunning en de overgeschreven vergunning kan niet worden verlengd. Na het einde van de looptijd moet de vergunning volgens de toepasselijke verdeelprocedure opnieuw worden uitgegeven. Vijfde en zesde lid Deze bepalingen zijn opgenomen om een dubbele vergunning, waardoor er onverhoopt sprake kan zijn van oneerlijke concurrentie, te voorkomen. Artikel 2.1.16 Intrekking en vervallen vaste-standplaatsvergunning Eerste lid Burgemeester en wethouders zijn gehouden de vaste-standplaatsvergunning in te trekken als de vergunninghouder daarom vraagt, of als hij is overleden of onder curatele gesteld. Dit is anders wanneer tijdig een aanvraag tot overschrijving is gedaan. Tweede en derde lid Op grond van het tweede lid zijn burgemeester en wethouders bevoegd, maar niet verplicht om de vergunning in te trekken als één van de daar genoemde situaties zich voordoet. Intrekking van de vergunning op grond van het tweede lid kan voor bepaalde of onbepaalde tijd zijn. Als de intrekking voor bepaalde tijd is, kan dat ook betekenen dat gedurende die tijd ook de op de vergunning vermelde vaste standplaats vervalt. Vierde lid De vaste-standplaatsvergunning vervalt tijdelijk als de vergunninghouder of zijn rechtmatige vervanger de standplaats niet (op tijd) heeft ingenomen. In dat geval vervalt de vergunning voor de rest van de dag en kan de betreffende vaste-standplaats worden uitgegeven als dagplaats. De houder van de vaste-standplaatsvergunning kan op die dag zijn standplaats niet alsnog innemen. Artikel 2.1.17 Persoonlijk innemen vaste standplaats; vervanging Eerste en tweede lid De vergunninghouder is verplicht om de op de vaste-standplaatsvergunning vermelde standplaats persoonlijk in te nemen. Als hij dat vanwege vakantie of bijzondere omstandigheden niet kan, kunnen burgemeester en wethouders erin toestemmen dat een vervanger de vaste standplaats inneemt. De vergunninghouder moet een aanvraag om toestemming indienen, met daarin de reden en de duur van zijn afwezigheid en de naam van de beoogde vervanger. Burgemeester en wethouders kunnen toestemming weigeren. Het spreekt voor zich dat de vervanger optreedt namens de vergunninghouder en evenzeer gebonden is aan alle verplichtingen die voor de vergunninghouder gelden. Artikel 2.1.18. Plaatsverandering na beschikbaar komen vaste standplaats Eerste lid Als op een markt, om welke reden ook, een vaste standplaats vrijkomt, dan kan deze worden toegewezen aan een zittende houder van een andere vaste-standplaatsvergunning op die markt. De toewijzing gebeurt door een wijziging van diens bestaande vergunning en op aanvraag, niet ambtshalve. De plaatsverandering is voor de resterende duur van de vaste-standplaatsvergunning die was gekoppeld aan de beschikbaar gekomen standplaats. Zittende vergunninghouders kunnen een aanspraak maken op een verandering van hun standplaats, omdat zij hebben bijgedragen aan de markt en daarmee aan het voorzieningenniveau. Tweede lid Als er meer vergunninghouders zijn die een aanvraag doen om plaatsverandering, dan wordt tussen hen geloot. Loting vindt plaats door middel van een trekking. Paragraaf 4. Dagplaatsvergunning Artikel 2.1.19 Dagplaatsvergunning Eerste lid Een dagplaatsvergunning kan langs twee wegen worden verleend, zo volgt uit het eerste lid. Als bepaalde standplaatsen zijn bedoeld als dagplaats en als zodanig zijn aangegeven op de kaart van de markt kunnen burgemeester en wethouders voor die standplaatsen dagplaatsvergunningen afgeven. Ook kan een dagplaatsvergunning worden verleend voor een vaste-standplaats die op de betreffende dag niet (op tijd) is ingenomen door de houder van de bijbehorende vaste-standplaatsvergunning of zijn rechtmatig

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.