Integraal Prostitutiebeleid Gemeente Wijchen 1. Inleiding Op 26 oktober j.l. heeft de Eerste Kamer het wetsontwerp “Wijziging algemeen bordeelverbod” goedgekeurd. In oktober 2000 zal deze wet in werking treden. Het algemene verbod op de exploitatie van prostitutie wordt dan vervangen door een beperkt verbod op bepaalde vormen van exploitatie (mensenhandel, onvrijwillige prostitutie en prostitutie door minderjarigen). Het is gewenst om vormen van exploitatie van prostitutie waarin meerderjarige prostituees werkzaam zijn niet langer te verbieden, om beter in staat te zijn prostitutie en de prostitutiebranche in goede banen te leiden, zo gezond, veilig en transparant mogelijk te maken en te ontdoen van criminele randverschijnselen. Daarnaast zullen onaanvaardbare vormen van exploitatie van prostitutie krachtig bestreden moeten worden. Met de wetswijziging wordt een einde gemaakt aan de historisch gegroeide gedoogsituatie ten aanzien van de exploitatie van prostitutie. Wanneer de nieuwe wetgeving van kracht wordt, zal het exploiteren van prostitutie, binnen de aangegeven grenzen, een legale wijze van beroepsuitoefening en inkomensverwerving worden. In de gemeente Wijchen bestond nauwelijks beleid met betrekking tot prostitutie. De wens is te komen tot een integraal prostitutiebeleid. Dit is gebaseerd op een aantal factoren. Enerzijds maakt de opheffing van het bordeelverbod het de gemeente mogelijk om vrijwel alle vormen van prostitutie te reguleren. De wetswijziging maakt het de gemeente overigens niet mogelijk om prostitutie te verbieden. Anderzijds is een integraal prostitutiebeleid nodig om de randverschijnselen rondom prostitutie (overlast en criminaliteit) te kunnen beheersen. Daar komt bij dat met dit beleid bereikt kan worden dat de positie van prostituees verbeterd wordt. In verband met de gemeentegrensoverschrijdende werking van prostitutie heeft de beleidsafstemming op regionaal niveau plaatsgevonden. Leeswijzer Het integrale prostitutiebeleid voor de gemeente Wijchen is opgebouwd aan de hand van een aantal onderwerpen: regulering, gezondheidszorg en hulpverlening en handhaving. Over elk van deze onderwerpen is uitgebreid gesproken met alle partners in het beleid. Dit heeft geleid tot het opstellen van een viertal deelnota’s: Regulering: APV-aanpassing, toelichting en Nadere Regels; Regulering: Ruimtelijk vestigingsbeleid gemeente Wijchen; Gezondheidszorg en hulpverlening; Handhaving Prostitutiebeleid Regio Gelderland-Zuid. De samenhang tussen deze onderwerpen en de belangrijkste items uit de verschillende deelnota’s zijn weergegeven in deze algemene, overkoepelende nota. Deze “koepelnota” geeft dus de kern van het Integrale Prostitutiebeleid van de gemeente Wijchen weer. De achtergronden en uitgebreidere motivering van verschillende voorstellen zijn in de deelnota’s terug te vinden. 2. Aard en omvang van de prostitutie in Wijchen Vrijwel alle vormen van prostitutie komen in de regio voor. Ten behoeve van de regionale afstemming van beleid is door de politie en de GGD recent een regionale inventarisatie verricht. Gegevens van de Kamer van Koophandel zijn naast deze inventarisatie gelegd. Dit gaf onderstaand resultaat. Aangezien de exploitatie van prostitutie op dit moment nog illegaal is, gaat het hier om een voorlopige en niet volledige inventarisatie. Locatie→ ↓Soort prostitutie Stad Nijmegen Tweestromenland De Waarden Wijchen Beuningen Buren Tiel Maasdriel Straatprostitutie Concentratie Nieuwe Marktstraat dagelijks ca 8 prostituees - - - - - Raamprostitutie Concentratie Nieuwe Markt ca 20 ramen - - - - - Clubs/ Privehuizen 7, verspreid 8 (kleine) 1 - 5, vnl centrum 2 Escortbedrijven 7, verspreid - - 2 - - Erotische massage 3, verspreid - - - - - Seksbioscoop 2, centrum - - - - - Raam- en straatprostitutie Ten aanzien van raam- en straatprostitutie kan worden opgemerkt dat in de startnotitie, welke is behandeld in het districtsoverleg van 23 februari 2000 als uitgangspunt is geformuleerd dat, gelet op een groot aantal argumenten, deze verschijningsvormen niet zullen worden toegestaan in het district Tweestomenland. Ook het district De Waarden heeft voor deze vormen van prostitutie een verbodsbepaling in het beleid opgenomen. Verslaafde prostituees Vanuit het perspectief van de gezondheidszorg en de hulpverlening vormen de verslaafde prostituees een aparte doelgroep. Deze groep vormt, mede door het verslaafd zijn, een groter risico voor de volksgezondheid. De verslavingsproblematiek kan niet los worden gezien van de algehele gezondheidstoestand en psycho-sociale situatie van de prostituees. De GGD en De Grift hebben door middel van geregelde contactlegging een vertrouwensrelatie met de prostituees opgebouwd. Zij bieden deze prostituees een medisch spreekuur en maatschappelijke zorg. Voor een effectievere hulpverlening is meer continuïteit in het zorg- en hulpaanbod noodzakelijk. Hiervoor is een uitbreiding van de capaciteit/inzet van de hulpverlening voorwaarde. Migrantenprostituees / illegaliteit in de prostitutie Uit landelijk onderzoek is bekend dat in de Nederlandse prostitutiebranche een groot aantal buitenlandse prostituees werkzaam is. Een aanzienlijk deel daarvan werkt illegaal, dat wil zeggen zonder geldige verblijfstitel. Een van de doelstellingen van de wetswijziging is het aantal illegale prostituees terug te dringen. De problematiek rond deze illegale prostituees is complex. Enerzijds is daar de vreemdelingenwetgeving die regels stelt ten aanzien van verrichten van arbeid door mensen die geen verblijfsvergunning hebben of in de procedure voor een verblijfsvergunning zitten. Zij mogen geen arbeid verrichten. Inmiddels is duidelijk dat prostitutie als arbeid gezien wordt, maar geen arbeid is op grond waarvan een tewerkstellingsvergunning verkregen kan worden (“dient geen wezenlijk Nederlands belang”). Anderzijds is daar het landelijk beleid ten aanzien van bestrijden van illegaliteit in de prostitutie. Een van de doelstellingen van dit beleid is het voorkomen van het verder ondergronds gaan van illegale prostituees, waardoor hun positie en omstandigheden alleen maar verslechteren. In het driehoeksoverleg tussen burgemeester, Openbaar Ministerie en politie, waarin de handhaving van het prostitutiebeleid onderwerp van afstemming is, zal daarom steeds weer gezocht moeten worden naar een benadering die recht doet aan zowel de strekking van de wet als aan humanitaire overwegingen. Toekomstige ontwikkelingen De opheffing van het bordeelverbod kan voor de prostitutie in gemeenten verschillende gevolgen hebben. Enerzijds kan het een toename betekenen van het aantal prostituees dat zich als zelfstandig ondernemer vestigt en anderzijds kan het een toename betekenen van het aantal samenwerkingsverbanden op het gebied van prostitutie. Hierbij moet gedacht worden aan het opzetten van gezamenlijke seksbedrijven. Daarnaast bestaat het risico van verschillende ongewenste gevolgen zoals een vlucht in moeilijk te reguleren vormen van prostitutie zoals straatprostitutie, escortprostitutie en thuisprostitutie, het verder ondergronds gaan van niet toegestane vormen van exploitatie (illegalen) en schijnvertoningen (zogenaamd zelfstandig werken, schijnhuwelijken etc.). Hoe de prostitutiebranche in Wijchen en de regio zich zal ontwikkelen is nauwelijks te voorspellen. In het reguleringsbeleid wordt daarom uitgegaan van het gegeven dat de huidige omvang van prostitutie in Wijchen kennelijk aan de vraag naar deze vorm van dienstverlening voldoet. Daarom wordt als uitgangspunt van de regulering gekozen voor consolidatie van de huidige omvang van prostitutie gekoppeld aan een maximumstelstel voor de toegestane verschijningsvormen per gemeente. 3. Doelstellingen Een van de achterliggende gedachten van de wetswijziging is om de wet in overeenstemming te brengen met de praktijk. Prostitutie is een maatschappelijk verschijnsel, een gegeven, dat vraagt om een realistische benadering. Door de opheffing van het bordeelverbod kan de overheid de exploitatie van vrijwillige prostitutie beter reguleren en hierop sturen. Het beleid van de gemeente zal zich moeten gaan richten op het beheersen, sturen en saneren van de prostitutiebranche. Hierbij zullen de doelstellingen van de opheffing van het bordeelverbod steeds voor ogen moeten worden gehouden: Het beheersen en reguleren van de exploitatie van prostitutie; Het verbeteren van de bestrijding van exploitatie van onvrijwillige prostitutie; Het beschermen van minderjarigen tegen seksueel misbruik; Het beschermen van de positie van prostituees; Het ontvlechten van prostitutie en criminele randverschijnselen; Het terugdringen van de omvang van prostitutie door illegalen (personen zonder geldige verblijfstitel). Een deel van deze doelstellingen kan gerealiseerd worden met het inrichten van een vergunningstelsel. Met behulp van vergunningen kan overlast worden voorkomen en beperkt, kan de positie van prostituees worden verbeterd, kan aandacht worden geschonken aan de bescherming van de gezondheid van de prostituee en de bescherming van de volksgezondheid en kan de criminaliteit in de prostitutie worden tegengegaan. Een verdere regulering vindt plaats in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) en Nadere Regels voor seksinrichtingen en escortbedrijven. Daarnaast is en wordt ruimtelijk beleid ontwikkeld, waarin de vestiging van prostitutiebedrijven wordt gereguleerd. Overlast, woon- en leefklimaat Bepaalde vormen van prostitutie veroorzaken als maatschappelijk verschijnsel overlast voor de omgeving. Bij overlast kan gedacht worden aan verkeer- en parkeeroverlast, geluidsoverlast, vervuiling, ongewenste confrontatie met (openlijke) vormen van prostitutie. Prostitutie kan ook gevolgen hebben voor het woon- en leefklimaat van de buurt. Stigmatisering van de straat of buurt, de angst voor en bedreiging die uit kan gaan van de prostitutiewereld en de subjectieve gevoelens van onveiligheid die door allerlei neveneffecten van prostitutie worden opgeroepen, zijn hier voorbeelden van. Hiervan is overigens voor de bestaande prostitutie in Wijchen niets gebleken. Toch zijn dit factoren waarmee bij de inrichting en uitvoering van het prostitutiebeleid rekening dient worden gehouden. 4. Projectstructuur en regionale afstemming Prostitutie is een thema dat niet los te zien is van de wisselwerking tussen Wijchen en de omliggende gemeenten in de regio. Alom wordt de voorkeur uitgesproken om beleidsafstemming te laten plaatsvinden op regionaal niveau. De belangrijkste argumenten daarvoor zijn: Regionaal afgestemde regelgeving vergemakkelijkt het toezicht en de handhaving. Mensenhandel en prostitutie hebben een bovenlokaal karakter. Harmonisatie van vergunningsvoorwaarden en met name het bestuurlijk handhavingsbeleid is van belang om ongewenste verschuivingeffecten tegen te gaan. Ontwikkelen van beleid kan efficiënter plaatsvinden door samen te werken, in plaats van het door 19 gemeenten van de politieregio Gelderland-Zuid afzonderlijk te laten ontwikkelen. Het weren van bepaalde vormen van prostitutie in bepaalde gemeenten is uitsluitend mogelijk in nadrukkelijk overleg met elkaar. [1] Ten behoeve van de ambtelijke voorbereiding en het opstellen van een integraal prostitutiebeleid is een projectstructuur in het leven geroepen, waarbinnen de belangrijkste partners in het prostitutiebeleid een plaats hebben gekregen. De projectstructuur ziet er als volgt uit: Portefeuillehouder: de burgemeester van Nijmegen. De portefeuillehouder brengt het definitieve concept voor integraal prostitutiebeleid in de besluitvorming; Werkgroepen: samenstelling afhankelijk van het uit te werken item. Deelname vanuit de verschillende, bij prostitutie betrokken, organisaties en gemeenten (regiobreed). De werkgroepen ontwikkelen beleidsvoorstellen op basis van vastgestelde kaders. De overige gemeenten in de regio hebben aansluiting gezocht bij deze projectstructuur. De projectleider van Nijmegen geeft sturing aan het werk van de werkgroepen. Daarnaast werken de gemeenten rond Nijmegen (Tweestromenland) respectievelijk Tiel (de Waarden) nadrukkelijk samen onder coördinatie van afzonderlijke ambtelijke projectleiders. Afstemming vindt plaats door middel van periodiek overleg tussen de projectleiders. Besluitvorming vindt plaats in de afzonderlijke gemeenteraden van de regio. Door de intensieve afstemming en brede participatie zal het ontwikkelde beleid zoveel mogelijk uniform worden gebracht in de diverse gemeenteraden. Besluitvorming over het handhavingsbeleid (deelnota handhaving) vindt plaats in de districtsoverleggen c.q. het regionaal college, omdat daarvoor afstemming met politie en justitie vereist is. In de projectstructuur is sprake van samenhang tussen de werkgroepen: bijvoorbeeld in de werkgroep gezondheid wordt de noodzaak van nadere regelgeving gesondeerd. Dit wordt vertaald in vergunningsvoorwaarden in de werkgroep regulering, waarna toetsing op handhaafbaarheid en uitvoering in de werkgroep handhaving plaatsvindt. 5. Prostitutiebeleid Het prostitutiebeleid van de gemeente Wijchen is aan de hand van verschillende onderdelen opgebouwd. De eerste 2 onderdelen betreffen de regulering. Deelnota 1 bestaat uit de voorgestelde wijziging van de APV, een toelichting hierop en Nadere Regels (door het college van B&W vast te stellen). In deelnota 2 van het integrale prostitutiebeleid wordt nader ingegaan op de achtergronden en keuzes in het ruimtelijk vestigingsbeleid voor prostitutie in Wijchen. Vervolgens wordt in deelnota 3 beschreven hoe de gezondheidszorg en hulpverlening voor prostituees er na de opheffing van het bordeelverbod uit gaat zien. Tot slot worden in deelnota 4 de gemaakte afspraken tussen de handhavingspartners ten aanzien van de handhaving van het prostitutiebeleid toegelicht. Hieronder worden de belangrijkste punten uit de verschillende deelnota’s weergegeven. 5.1 APV, Nadere regels en vergunningstelsel (Deelnota 1) De gemeente kan de exploitatie van prostitutie beheersen en reguleren door bedrijfsmatige vormen van prostitutie aan een vergunningplicht te onderwerpen. Deze verplichting is opgenomen in het voorstel van aanpassing van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). De voorgestelde wijziging van de APV bevat echter meerdere onderdelen: het verbod op straat- en raamprostitutie. een vergunningplicht voor seksinrichtingen en escortbedrijven: het is verboden om een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren zonder vergunning. Alle seksinrichtingen zijn vergunningplichtig. Het criterium voor het al dan niet vergunningplichtig zijn is gelegen in het bedrijfsmatig karakter van de activiteit die verricht wordt. Daarom zijn escortbedrijven, die niet onder de definitie van seksinrichting vallen, ook vergunningplichtig gesteld. Thuiswerkers zijn in principe niet vergunningplichtig, tenzij blijkt dat de thuiswerker bedrijfsmatig opereert. Dit kan bijvoorbeeld aan de hand van reclame-uitingen worden vastgesteld. Aan de vergunningverlening zijn verschillende voorwaarden verbonden, die in de APV en de Nadere Regels Seksinrichtingen en Escortbedrijven uitvoerig beschreven worden mogelijkheid tot het stellen van nadere regels: in de door het college van B&W vast te stellen nadere regels worden aanvullende vergunningsvoorwaarden gesteld aan de exploitatie van prostitutie. Deze regels strekken zich uit tot de voorwaarde van het hebben van een geschiktheidsverklaring, tot inrichtingseisen, tot brandveiligheidseisen en tot eisen ten aanzien van de bedrijfsvoering. Het opstellen van nadere regels heeft tot doel het beheersen en reguleren van de exploitatie van prostitutie en het beschermen en wellicht verbeteren van de positie van prostituees. Daarnaast bevorderen deze Nadere Regels de flexibiliteit van het beleid : er kan snel op veranderende omstandigheden worden ingespeeld. mogelijkheid tot het stellen van een maximum aan het aantal te verlenen vergunningen: in de voorgestelde wijziging van de APV wordt aan het college van B&W een mogelijkheid geboden om een maximum te stellen aan het aantal seksinrichtingen, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen twee besloten sexclubs en vier thuiswerkers/escortbureaus. De mogelijkheid tot het verlenen van ontheffing, in het geval van het bereiken van het plafond dat gesteld is aan het maximumstelsel, wordt hierin meegenomen. De deelnota gaat vergezeld van de uitgebreide toelichting op de model APV van de VNG. Waar voor Wijchen van dit model is afgeweken vindt een afzonderlijke toelichting plaats. 5.2 Ruimtelijk vestigingsbeleid (Deelnota 2) Per 1 oktober a.s. dient er een ruimtelijk vestigingsbeleid te zijn dat dient als toetsingskader voor vergunningsaanvragen. Uitgangspunt van het vestigingsbeleid is consolidatie van de vormen van prostitutie die nu al plaatsvinden op bepaalde plaatsen. De opheffing van het bordeelverbod heeft ook consequenties voor het ruimtelijk beleid. Op dit moment zijn alle seksinrichtingen nog illegaal omdat de exploitatie van prostitutie strafrechtelijk verboden is. Gelet op deze achtergrond is er in de huidige bestemmingsplannen ten aanzien van prostitutiebedrijven (seksinrichtingen) niets of nauwelijks iets geregeld. Door het ontbreken van duidelijkheid bestaat het risico dat het vestigen van een seksinrichting moet worden toegestaan op grond van een bestemmingsplan terwijl dat op die locatie juist niet gewenst is. Met een goede planologische regeling is dit te voorkomen. Daarbij kan dan tevens worden aangegeven onder welke voorwaarden en op welke locaties seksinrichtingen wel kunnen worden toegestaan en hoe met de bestaande situatie wordt omgegaan. Het beleid moet worden vertaald in een ‘paraplubestemmingsplan’ voor de gehele gemeente, met gebruiksvoorschriften, met vrijstellings- of wijzigingsbevoegdheden. Op deze wijze kan worden voorkomen dat panden met een andere bestemming gebruikt gaan worden voor prostitutiedoeleinden. De criteria kunnen dan worden opgenomen in de vrijstellings- of wijzigingsbepaling. Om te voorkomen dat bouwaanvragen moeten worden beoordeeld op basis van verouderde en niet op het nieuwe beleid toegespitste bestemmingsplannen, moet een paraplu-bestemmingsplan opgesteld worden. Dit proces zal worden opgestart met het nemen van een facet-voorbereidingsbesluit. Het ruimtelijk beleid kan niet los worden gezien van de regelgeving zoals vastgelegd in de Algemene Plaatselijke Verordening. Zij kunnen elkaar complementeren, maar ook los van elkaar consequenties hebben. Is er bijvoorbeeld eenmaal een gebiedsaanwijzing gedaan (op grond van de ruimtelijke vestigingscriteria), dan kan via de aanvraag om vergunning voor het exploiteren van een seksinrichting in een bepaald gebied eventueel afwijzend worden beslist in het belang van de openbare orde of in het belang van de woon- en leefomgeving ter plaatse (op grond van de APV). In het belang van de openbare orde kan het bijvoorbeeld raadzaam zijn een maximumbeleid te hanteren voor de gemeente ter bescherming van de woon- en leefomgeving van bepaalde delen van de gemeente. De uitgangspunten voor het ruimtelijk beleid zijn als volgt geformuleerd: voor zover mogelijk consolidatie van de vormen van prostitutie die nu al plaatsvinden op bepaalde plaatsen; het maximeren van bordelen, clubs en dergelijke in Wijchen, waarbij (regionaal) voldoende gelegenheid moet blijven bestaan voor vestiging van deze inrichtingen. m.b.t. overige vormen van prostitutie de mogelijkheid van uitsluiting door middel van het hanteren van de voorschriften c.q. bepalingen in het paraplubestemmingsplan. Aan de hand van deze uitgangspunten is vestigingsbeleid ontwikkeld. Dit beleid richt zich op twee uitingsvormen van prostitutie: beleid voor de bestaande besloten vormen van prostitutie; beleid voor nieuwe besloten vormen van prostitutie: vestigingscriteria. Voor de al bestaande besloten vormen van prostitutie wordt de volgende lijn gevolgd: eerst wordt aan de hand van de vestigingscriteria (zie hieronder) beoordeeld of de seksinrichting/escortbedrijf kan worden gelegaliseerd. Zo ja, dan zal dat planologisch worden geregeld middels herziening van het bestemmingsplan of vrijstelling. Zo niet, dan kan er geen medewerking worden verleend voor deze locatie. Voor de nieuwe besloten vormen van prostitutie zijn vestigingscriteria ontwikkeld. Deze worden in de deelnota uitvoerig beschreven. Kort weergegeven gaat het om de volgende criteria: past de vestiging binnen het (eventueel) vastgestelde maximum? past vestiging binnen ander vastgesteld beleid? sluit de vestiging aan bij het hoofdwegennet? leidt vestiging niet tot onevenredige aantasting van het karakter van de omgeving? vestiging bij voorkeur niet in woongebieden. afstandscriteria van 250 meter t.a.v. scholen, kerken en dergelijke. In het traject van vergunningverlening worden verschillende mogelijkheden geboden voor inspraak en het maken van bezwaar door belanghebbenden. 5.3 Gezondheidsbeleid en hulpverlening (Deelnota 3) De opheffing van het bordeelverbod en de noodzaak tot regulering is voor de GGD aanleiding om een aantal producten in een integraal pakket te beschrijven ten aanzien van de doelgroep prostitué(e)s en seksinrichtingen. Het gegeven dat één op de vijf seksueel overdraagbare aandoeningen (SOA) herleidbaar is tot een vorm van prostitutie geeft aan welk belang deze doelgroep heeft in het kader van de SOA-bestrijding. Het productenpakket in het kader van het prostitutiebeleid bestaat uit producten: technische hygiënezorg, SOA-preventie, SOA-screening en SOA-surveillance. Technische hygiëne zorg De GGD voert bij elke seksinrichting een keer per jaar een inspectie uit in opdracht van de gemeente aan de hand van hygiëne-eisen die vanuit een collectief belang aan de inrichting gesteld kunnen worden. SOA-preventie SOA-AIDS preventie waaronder minimaal eens, maar gestreefd wordt naar twee tot vier maal, per jaar voorlichting door middel van persoonlijke gesprekken met prostituees of groepsvoorlichting met ondersteuning van voorlichtingsmaterialen. Omdat prostitutie gepaard kan gaan met gebruik van verslavende middelen wordt in die gevallen samengewerkt met de verslavingszorginstelling De Grift. SOA-screening Vier keer per jaar aanbieden van geneeskundige screening op SOA aan prostituees. Er is een individueel doel om SOA-behandeling te realiseren en een collectief doel om verspreiding van SOA te beperken in de groep prostituanten en daarmee de algemene bevolking. SOA-surveillance Op basis van anonieme gegevens vanuit SOA-screening kan inzicht in het verloop van aan prostitutie gerelateerde SOA worden verkregen om daarmee inzicht te krijgen in het effect van maatregelen ter bestrijding van SOA. Vanuit de beschrijving van de verschillende producten zijn eisen voortgekomen waaraan seksinrichtingen moeten voldoen. Deze eisen zijn in de voorgestelde wijziging van de APV en de Nadere Regels Seksinrichtingen en Escortbedrijven opgenomen als vergunningsvoorwaarden. Naast het algemene, voor alle prostituees toegankelijke, aanbod van de GGD, wordt nog extra aandacht besteed aan de verslaafde prostituees op de tippelzone. Dit laatste ten behoeve van de gemeente Nijmegen, het Cirkelproject genaamd. 5.4 Handhavingsbeleid (Deelnota 4) Het sluitstuk van het prostitutiebeleid wordt gevormd door het handhavingsbeleid. Het reguleren van exploitatie van prostitutie kan alleen succesvol zijn als daar een effectief, efficiënt en consequent handhavingsbeleid aan gekoppeld is. In het handhavingsbeleid worden verschillende vormen van handhaving gecombineerd. Er wordt een tweesporenbeleid gevolgd, waarbij bestuurlijke en strafrechtelijke handhaving in gelijktijdige toepassing samengaan en elkaar aanvullen. Een gecombineerd gebruik van beide vormen van handhaving levert vaak goede resultaten op en is vaak effectiever. Hiertoe dienen heldere afspraken tussen de belangrijkste handhavende instanties (bestuur, Openbaar Ministerie en politie) gemaakt en vastgelegd te worden. In een lokaal handhavingsarrangement worden deze afspraken weergegeven. De politie is naast haar opsporingstaak binnen de prostitutie belast met een toezichthoudende en signalerende taak ten behoeve van het bevoegd gezag. Deze genoemde taken liggen bij de gebiedsgebonden functionarissen. Vanuit de gebiedsgebonden zorg zijn circa 10 functionarissen aangewezen, die samen met de regionaal projectleider prostitutie/mensenhandel (regionaal) deze taken uitvoeren. Zij zullen hiervoor speciaal op het gebied van prostitutie worden opgeleid. Wanneer er aanleiding toe is (vermoeden van misdrijf of overtreding, instellen van een strafrechtelijk onderzoek) wordt dit team aangevuld met materiedeskundigen en ontstaat een multidisciplinair team. Deze materiedeskundigen kunnen zowel politiediensten (Vreemdelingendienst, sectie Zware Criminaliteit, Zedenzorg), Openbaar Ministerie, gemeentelijke afdelingen (bijvoorbeeld Bouw- en Woningtoezicht) als andere instanties (bijvoorbeeld de Belastingdienst) betreffen. De coördinatie van de bestuurlijke handhaving is in handen van de burgemeester. Deze coördinatie zal zowel in de gezagsdriehoek vorm kunnen krijgen als in ad-hoc contacten. Op uitvoeringsniveau zal de coördinatie van de handhaving bij de afdeling Bestuurszaken liggen. De coördinatie van de operationele inzet (de daadwerkelijke controles) en de multidisciplinaire inzet wordt verricht door de projectleider Prostitutie/Mensenhandel van de politieregio Gelderland-Zuid. In het hierna volgende handhavingsarrangement prostitutiebeleid worden de afspraken die gemaakt zijn ten aanzien van te treffen maatregelen bij overtredingen (en mogelijk misdrijven) weergegeven. Daarbij is een onderscheid gemaakt in de drie belangrijkste categorieën van overtredingen, te weten exploitatie zonder vergunning; exploitatie in strijd met de vergunning en exploitatie in strijd met artikel 250a van het Wetboek van Strafrecht (oftewel mensenhandel) 1) exploitatie zonder vergunning Overtreding Politie/ Toezichthouder Gemeente Openbaar Ministerie Anderen Exploitatie past niet binnen het prostitutiebeleid (dus niet te legaliseren) Waarschuwen en proces-verbaal (
- pv)c.q. rapport opmaken t.b.v. Openbaar Ministerie resp. gemeente. 1e constatering: schriftelijke waarschuwing; 2e constatering: sluiting voor onbepaalde tijd. 1e constatering: pv en vervolgen op grond van de APV. Afhankelijk van de feitelijke situatie evt. inschakeling van bijv. de Arbeidsinspectie, of de Belastingdienst Exploitatie past binnen het prostitutiebeleid Waarschuwen en rapport c.q. pv opmaken t.b.v. gemeente en het Openbaar Ministerie. 1e constatering: schriftelijke waarschuwing met vermelding van de termijn waarbinnen de vergunning moet worden aangevraagd; 2e constatering: sluiting voor onbepaalde tijd. Na 1e constatering: vervolging o.g.v. de APV. Afhankelijk van de feitelijke situatie evt. Inschakeling van bijv. de Arbeidsinspectie, of de Belastingdienst 2 ) exploitatie in strijd met vergunning Overtreding Politie/ Toezichthouder Gemeente Openbaar Ministerie Anderen Handelen in strijd met gedragseisen Pv opmaken tbv gemeente en OM Intrekking vergunning Zie onder 3) - Overschrijden sluitingsuur Waarschuwen en rapport opmaken tbv gemeente. Bij tweede constatering ook pv t.b.v. OM. 1e constatering: schriftelijke waarschuwing; 2e constatering: opleggen van beperkte openingstijden; 3e constatering: tijdelijke sluiting of intrekking Na 2e constatering: vervolging ogv de APV. Afhankelijk van de feitelijke situatie (bijv. te lange arbeidstijden) evt. inschakeling van de Arbeidsinspectie Ontbreken van toezicht door de exploitant Waarschuwen en rapport opmaken tbv gemeente. Bij 1e constatering pv tbv OM. 1e constatering: schriftelijke waarschuwing; 2e constatering: tijdelijke sluiting of intrekking; 3e constatering: sluiting voor onbepaalde tijd of intrekking Na 1e constatering pv en vervolgen. Afhankelijk van de feitelijke situatie evt. inschakeling van de Arbeidsinspectie, of de Belastingdienst Schijnbeheer Waarschuwen en volledig pv tbv gemeente en OM. 1e constatering: schriftelijke waarschuwing; 2e constatering: tijdelijke sluiting of intrekking; 3e constatering: sluiting voor onbepaalde tijd of intrekking. 1e constatering pv en vervolgen. Afhankelijk van de feitelijke situatie evt. Inschakeling van bijv. De Belastingdienst Wijzigen van de inrichting zonder voorafgaande toestemming (bijv. In afwijking van de geschiktheids-verklaring) Waarschuwen en rapport opmaken t.b.v. gemeente. Bij tweede constatering ook pv tbv OM. 1e constatering: schriftelijke waarschuwing met vermelding van de termijn waarbinnen de vergunning moet worden aangevraagd; 2e constatering: tijdelijke sluiting, of opleggen van een dwangsom; 3e constatering: sluiting voor onbepaalde tijd Na 2e constatering vervolging o.g.v. de APV. Afhankelijk van de feitelijke situatie evt. Inschakeling van bijv. De Arbeidsinspectie, of de Belastingdienst Gebruik van de inrichting in strijd met de vergunningsvoor-waarden of nadere regels Waarschuwen en rapport opmaken tbv gemeente. Bij 2e constatering ook tbv OM pv. 1e constatering: schriftelijke waarschuwing; 2e constatering: tijdelijke sluiting/intrekking/ dwangsom; 3e constatering: sluiting voor onbepaalde tijd of intrekking Na 2e constatering vervolging ogv de APV. Afhankelijk van de feitelijke situatie evt. inschakeling van bijv. de Arbeidsinspectie of de Belastingdienst Overlast voor de omgeving Waarschuwen en rapport opmaken tbv gemeente. Bij 2e constatering ook tbv OM pv. 1e constatering; schriftelijke waarschuwing; 2e constatering: tijdelijke sluiting of intrekking; 3e constatering: sluiting voor onbepaalde tijd/intrekking Na 2e constatering pv en vervolgen. - Opmerkingen bij dit schema: De politie moet in het proces-verbaal eventueel aangeven of de overtreding vaker heeft plaatsgevonden. Eventueel de rapporten van eerdere bevindingen bij het proces-verbaal voegen. Het stappenplan bevat principe-afspraken tussen de diverse organisaties in de vorm van een beleidslijn. Afwijking is altijd mogelijk op grond van omstandigheden van het concrete geval. Bestuur en justitie streven naar afstemming maar hebben in deze uiteraard een zelfstandige bevoegdheid. 3) exploitatie in strijd met artikel 250a van het Wetboek van Strafrecht Bij de exploitatie van prostitutie kan sprake zijn van strafbare feiten. Bijzondere aandacht gaat daarbij uit naar mensenhandel (artikel 250a Sr.), maar ook naar andere regelgeving die in dit verband van toepassing kan zijn. Indien van dergelijke strafbare feiten sprake is, dan ligt de verantwoordelijkheid voor de opsporing en vervolging ervan volgens de gangbare procedures bij het Openbaar Ministerie. Van belang daarbij is dat het Openbaar Ministerie de gemeente over het verloop en de uitkomsten van die procedure informeert, zodat ook tijdig de nodige bestuurlijke maatregelen getroffen kunnen worden, bijvoorbeeld de sluiting van de inrichting. 6. Financiële consequenties De uitvoering van het prostitutiebeleid zal overwegend binnen bestaand beleid worden gefinancierd. Uitzondering hierop betreffen de extra inspanningen van de GGD ten behoeve van de Technische Hygiënezorg en de kosten die met vergunningverlening gepaard gaan. De extra kosten die gemaakt worden door de GGD bij de uitvoering van technisch hygiënische controles worden rechtstreeks bij de exploitanten van seksinrichtingen in rekening gebracht. De kosten van de vergunningverlening worden middels leges gecompenseerd. 7. Overgangsbeleid/-termijnen Ten aanzien van het exploiteren van seksinrichtingen of escortbedrijven, die al geruime tijd bestaan en al die tijd min of meer gedoogd zijn, geldt een overgangsbeleid. Exploitanten van seksinrichtingen die reeds gevestigd zijn èn die zich vóór 1 oktober 2000 bij burgemeester en wethouders schriftelijk aangemeld hebben, mogen tot maximaal een jaar na in werking treden van de APV zonder vergunning exploiteren. Het is voor hen wel zaak zo spoedig mogelijk een vergunning aan te vragen zodat na die termijn exploitatie, maar dan met vergunning, kan worden voortgezet. Deze overgangstermijn staat omschreven in artikel 3.5.1. van de voorgestelde wijziging van de APV. Als aanvullende voorwaarde geldt wel dat de gemeente gedurende dat jaar de exploitant kan aanschrijven tot het treffen van voorzieningen met het oog op de belangen die genoemd staan in artikel 3.3.2, tweede lid. Deelnota 1 Regulering: APV-aanpassing, toelichting en Nadere Regels Hoofdstuk 3 SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, STRAATPROSTITUTIE E.D. Afdeling 1 Begripsomschrijvingen en nadere regels Artikel 3.1.1 Begripsomschrijvingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting wordt in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar. Onder een seksinrichting wordt een raamprostitutiebedrijf niet begrepen; escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend; sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht; raamprostitutiebedrijf: een seksinrichting met één of meer ramen van waarachter de prostituee tracht de aandacht van passanten op zich te vestigen; straatprostitutie: het door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze passanten tot prostitutie bewegen, uitnodigen dan wel aanlokken; exploitant: de natuurlijke persoon of personen, of rechtspersoon of rechtspersonen, die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert of exploiteren en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen; beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent of uitoefenen in een seksinrichting of escortbedrijf; bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van: de exploitant; de beheerder; de prostituee; het personeel dat in de inrichting werkzaam is; toezichthouders als bedoeld in artikel 6.1a; andere personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is. Artikel 3.1.2 Bevoegd bestuursorgaan In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college van burgemeester en wethouders of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester. Artikel 3.1.3 Nadere regels Met het oog op de in artikel 3.3.2, tweede lid genoemde belangen, kan het college van burgemeester en wethouders over de uitoefening van de bevoegdheden in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen. Afdeling 2 Seksinrichtingen, raam- en straatprostitutie, sekswinkels en dergelijke Artikel 3.2.1 Seksinrichtingen en escortbedrijven Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan. Het bevoegd bestuursorgaan kan een maximum stellen aan het aantal te verlenen vergunningen. Het maximum is gesteld op 2 besloten seksinrichtingen en 4 escortbureaus. Van het gestelde maximum als bedoeld in lid 2 kan het bevoegd bestuursorgaan ontheffing verlenen. Bij de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval overgelegd, respectievelijk vermeld: de persoonsgegevens van de exploitant; de persoonsgegevens van de beheerder; het aantal werkzame prostituees; de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf; de plaatselijke en kadastrale ligging van de inrichting door middel van een situatietekening met een schaal van tenminste 1:1000; een plattegrond van de seksinrichting door middel van een tekening met een schaal van tenminste 1:100; een bewijs van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimte bestemd voor de seksinrichting. Artikel 3.2.2 Gedragseisen exploitant en beheerder De exploitant en de beheerder: staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij; zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en hebben de leeftijd van éénentwintig jaar bereikt. Naast de gestelde eisen in het eerste lid, zijn de exploitant en de beheerder niet: met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld; binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten; binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van duizend gulden of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen; de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 197a, 240b, 242 tot en met 249, 250a, 252, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quater of 453 van het Wetboek van strafrecht; de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 jº artikel 8 of jº artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994; de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de kansspelen; de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk gesteld: vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan zevenhonderd vijftig gulden bedraagt; een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf. De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt: bij de weigering van een vergunning gerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning; bij de intrekking van een vergunning gerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning. De exploitant - indien een rechtspersoon: de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke perso(o)n(
- en)- of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van een inrichting die voor ten minste één maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning als bedoeld in artikel 3.2.1 is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem terzake geen verwijt treft. Artikel 3.2.3 Sluitingstijden Het bevoegd orgaan kan door middel van voorschriften als bedoeld in artikel 1.4 voor een afzonderlijke seksinrichting sluitingstijden vaststellen. Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven gedurende de op grond van lid 1 opgelegde sluitingstijden. Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het eerste lid, dan wel krachtens artikel 3.2.4 eerste lid, gesloten dient te zijn. Het in het eerste, tweede en derde lid bepaalde geldt niet voor zover de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften van toepassing zijn. Artikel 3.2.4 Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluiting Met het oog op de in artikel 3.3.2, tweede lid genoemde belangen of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan: tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3.2.3, eerste lid, geldende sluitingsuren vaststellen; van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen. Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het eerste lid bedoelde besluit bekend overeenkomstig artikel 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 3.2.5 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de ingevolge artikel 3.2.1 op de vergunning vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig is. De exploitant en de beheerder zijn verplicht er voortdurend op toe te zien dat in de seksinrichting: geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten als genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie; geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde. Artikel 3.2.6 Verbod van raam- en straatprostitutie Het is verboden een raamprostitutiebedrijf te exploiteren, dan wel in een voor publiek toegankelijke ruimte voorzien van een of meer vitrines door handelingen, houding, woord, gebaar of op een andere wijze passanten tot prostitutie te bewegen, uit te nodigen dan wel aan te lokken. Het is verboden, op of aan de weg of op een andere voor het publiek toegankelijke plaats, door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te nodigen dan wel aan te lokken. Met het oog op de naleving van het in het eerste of tweede lid gestelde verbod, kan door een ambtenaar van politie het bevel worden gegeven zich onmiddellijk, eventueel in een bepaalde richting, te verwijderen. Artikel 3.2.7 Sekswinkels Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een sekswinkel te exploiteren in door het college van burgemeester en wethouders in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of delen van de gemeente. Artikel 3.2.8 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen: indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt; anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde regels. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de Grondwet. Afdeling 3 Nadere regels: Beslissingstermijn; weigeringgronden. Artikel 3.3.1 Beslissingstermijn 1 Het bevoegd bestuursorgaan neemt het besluit op de aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag is ontvangen. 2 Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf weken verdagen. Artikel 3.3.2 Weigeringsgronden De vergunning als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, wordt geweigerd indien: de exploitant - indien een rechtspersoon: de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke perso(o)n(
- en)- of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3.2.2 gestelde eisen; de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een in procedure zijnd plan, stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening; er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf personen werkzaam (zullen) zijn in strijd met artikel 250a van het Wetboek van Strafrecht, of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde; de aanvrager niet door het overleggen van een door het college van burgemeester en wethouders afgegeven geschiktheidsverklaring kan aantonen dat het bedoelde pand voldoet aan de ex artikel 3.1.3. gestelde nadere regels; het maximale aantal af te geven vergunningen voor seksinrichtingen of escortbedrijven is verleend. De vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid kan worden geweigerd: in het belang van de openbare orde; in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; in het belang van het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat; in het belang van de veiligheid van personen of goederen; in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid; in het belang van de gezondheid of zedelijkheid; in het belang van de arbeidsomstandigheden van de prostituee. Afdeling 4 Beëindiging exploitatie; wijziging beheer Artikel 3.4.1 Beëindiging exploitatie De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3.2.1 op de vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd. Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan. Artikel 3.4.2 Wijziging beheer Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3.2.1, derde lid, onder b, het beheer in de seksinrichting feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan. Het beheer kan slechts worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3.3.2, eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige toepassing. In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft ingediend, totdat over de aanvraag is besloten. Afdeling 5 Overgangsbepaling Artikel 3.5.1 Overgangsbepaling Op het exploiteren van seksinrichtingen of escortbedrijven, die reeds gevestigd zijn èn zich vóór 1 oktober 2000 bij burgemeester en wethouders schriftelijk aangemeld hebben, is het gestelde in artikel 3.2.1, eerste lid, niet van toepassing: gedurende 52 weken na het in werking treden daarvan; na afloop van de onder a gestelde termijn, indien de exploitant binnen deze termijn een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, heeft ingediend, totdat op die aanvraag door het bevoegd bestuursorgaan een besluit is genomen. Gedurende de periode bedoeld in het eerste lid, sub a, kan het bevoegd bestuursorgaan met het oog op de in artikel 3.3.2, tweede lid, genoemde belangen de exploitant aanschrijven tot het treffen van in die aanschrijving vermelde voorzieningen. Algemene toelichting Hoofdstuk 3 APV Voor een groot gedeelte wordt de modelverordening van de VNG gevolgd en kan voor een inhoudelijke toelichting dan ook grotendeels verwezen worden naar de bijgevoegde artikelsgewijze toelichting van de VNG op haar model. In enkele artikelen wordt gekozen voor afwijkende bepalingen en waar nodig wordt hieronder een motivering gegeven hiervoor. Artikel 3.1.2 Bevoegd bestuursorgaan De artikelen 162 en 174 van de Gemeentewet maken deze bevoegdheids-afbakening noodzakelijk. Volgens artikel 162 is het college belast met de uitvoering van raadsbesluiten, inclusief verordeningen, maar artikel 174 belast de burgemeester met het toezicht op openbare samenkomsten en vermakelijkheden, alsmede op de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij horende erven èn met de uitvoering van verordeningen die daarop betrekking hebben. Op grond hiervan zal derhalve in veel gevallen de burgemeester het bevoegde bestuursorgaan zijn. Gelet op het begrip ”gebouw” in artikel 174 zal het college bevoegd zijn als het gaat om vaartuigen en voertuigen. Ook het formele aanwijzen van escortbedrijven valt onder de bevoegdheid van het college. Verder is de aard van de inrichting steeds bepalend voor de bevoegdheidsvraag. Artikel 3.2.1 Seksinrichtingen en escortbedrijven Lid 2. Het bevoegd orgaan kan een maximum aantal vergunningen vaststellen. Een dergelijk maximum kan per categorie worden vastgesteld. Artikel 3.2.3. Sluitingstijden Per inrichting of categorie inrichting kunnen openingstijden vastgesteld worden en opgenomen in de vergunning. Artikel 3.2.2 Gedragseisen exploitant en beheerder In lid 5 wordt in afwijking van het VNG-model gesproken over inrichting. Dit is meeromvattend dan seksinrichting en kan dus ook reguliere horeca-inrichtingen betreffen. Artikel 3.2.6 Verbod van raam- en straatprostitutie Dit artikel komt geheel tegemoet aan de regionale wensen, c.q. uitgangspunten. Artikel 3.2.8 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch- pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke Lid 1 sub b spreekt over de mogelijkheid regels te stellen. Vooralsnog lijkt het stellen van dergelijke algemene regels niet nodig en kan volstaan worden met de mogelijkheid van incidentele bekendmaking uit lid 1 sub a. Artikel 3.3.2. Weigeringsgronden De overschrijding van een eventueel in te stellen maximumaantal wordt uitdrukkelijk als imperatieve weigeringsgrond genoemd. Zoals de VNG ook uitdrukkelijk vermeldt in haar toelichting zijn de in lid 2 genoemde belangen niet alleen de basis voor het weigeren van de vergunning, maar ook voor wijziging of intrekking van de vergunning. De intrekking en wijziging worden niet genoemd in hoofdstuk 3, want zijn al geregeld in het algemene deel van de APV en wel in artikel 1.6. Tevens zijn deze belangen de basis voor vergunningvoorschriften, nadere regels en beleidsregels. Artikelsgewijze toelichting hoofdstuk 3 APV (modelverordening VNG) Paragraaf 1 Begripsomschrijvingen Artikel 3.1.1 Begripsomschrijvingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar; escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend; sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd; exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert of exploiteren en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen; beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent in een seksinrichting of escortbedrijf; bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van: de exploitant; de beheerder; de prostituee; het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is; toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6.1a; andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is. Prostitutie en prostituee(onder a en
- b)Deze omschrijving van het begrip 'prostitutie' is afgeleid van de definitie in artikel 250a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Om onder andere taalkundige redenen zijn de termen ‘derde’ en ‘betaling’ uit de definitie in het Wetboek van Strafrecht in deze definitie vervangen door respectievelijk ‘ander’ en ‘vergoeding’. Seksinrichting (onder
- c)Het begrip ‘seksinrichting’ is het centrale begrip voor deze verordening. Seksinrichtingen zijn er in verschillende varianten. Daarom is in deze definitie bewust gekozen voor een algemene omschrijving. Die omschrijving sluit aan bij het spraakgebruik en in diverse rechterlijke uitspraken gehanteerde definities (zie onder andere: Pres. Rb Amsterdam 24 januari 1997; Awb 96/12338 GEMWT; niet gepubliceerd). 'Seksinrichting' als hier omschreven zijn inrichtingen waarin op bedrijfsmatige wijze seksuele diensten worden verleend, dan wel waarin deze diensten in een zodanige omvang en met een zodanige frequentie worden aangeboden dat die als bedrijfsmatig kunnen worden aangemerkt. Deze constructie (alsof het bedrijfsmatig was) komt ook voor in de Wet milieubeheer. In de definitie is gekozen voor de term ‘besloten ruimte’, omdat dit meer omvat dan het begrip ‘gebouw’. Onder besloten ruimte wordt ook begrepen een vaar- of een voertuig. Het bijvoeglijk naamwoord ‘besloten’ duidt erop dat de ruimte zich niet in de open lucht bevindt. Het moet dus gaan om een overdekt en geheel of gedeeltelijk door wanden omsloten ruimte, die al dan niet met enige beperking voor het publiek toegankelijk is. Veel voorkomende vormen van seksinrichtingen zijn in deze omschrijving uitdrukkelijk genoemd. Dit om discussie te voorkomen over de vraag of dit type inrichting als seksinrichting dient te worden aangemerkt. Dit zijn: (raam)prostitutiebedrijven, erotische-massagesalons, seksbioscopen, seksautomatenhallen, sekstheaters of parenclubs. Sommige van deze begrippen behoeven wellicht nadere toelichting. Onder een prostitutiebedrijf worden niet alleen bordelen en clubs begrepen, maar ook andere ruimten waarin prostitutie plaatsvindt, zoals zogenaamde prostitutiehotels die speciaal aan prostituees voor korte tijd kamers verhuren. Onder raamprostitutiebedrijf dient te worden verstaan een inrichting met één of meer ramen van waarachter de prostituee tracht de aandacht van passanten op zich te vestigen. Een seksbioscoop is een inrichting waarin hoofdzakelijk vertoningen van erotisch-pornografische aard worden gegeven door middel van audiovisuele apparatuur. Dit is in afwijking van een seksautomatenhal, waarin dergelijke vertoningen van erotisch-pornografische aard worden gegeven door middel van automaten en van een sekstheater, waarin deze vertoningen anders dan door middel van audiovisuele apparatuur of automaten - met andere woorden ‘live’ - worden gepresenteerd. Voor zowel de seksbioscoop, de seksautomatenhal als het sekstheater geldt dat daarin hoofdzakelijk voorstellingen van erotisch-pornografische aard worden gegeven. Een café bijvoorbeeld, waarin incidenteel een striptease-optreden plaatsvindt, dient derhalve niet als ‘sekstheater’ te worden aangemerkt. Zo'n optreden moet echter worden beschouwd als een evenement (een ‘voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak’), waarvoor volgens artikel 2.2.2 vergunning van de burgemeester vereist is. Escortbedrijf (onder
- d)Een escortbedrijf is een bedrijf dat - meestal telefonisch - bemiddelt tussen klanten en prostituees. De prostituee bezoekt de klant of gaat met de klant naar een andere plaats. Een escortbedrijf is geen inrichting. Het kan een kantoortje zijn, maar ook een telefooncentrale, of zelfs een website op Internet. De plaats van de bedrijfsruimte is bepalend voor de vergunningplicht. Een escortbedrijf biedt de services actief aan door middel van advertenties en andere reclame-uitingen. Uiteraard kan er ook sprake zijn van een combinatie van een seksinrichting en een escortservice. Sekswinkel (onder
- e)De omschrijving van het begrip 'sekswinkel' is ontleend aan de Winkeltijdenwet. Ook in deze begripsomschrijving is bepaald dat hoofdzakelijk van verkoop van goederen in casu van erotisch-pornografische aard sprake moet zijn. Zonder die aanduiding zouden immers vele tijdschriftenwinkels als sekswinkel moeten worden aangemerkt. Op de openingstijden van sekswinkels is het regime van de Winkeltijdenwet van toepassing. Een sekswinkel is geen 'seksinrichting' als hierboven om-schreven; de exploitatie ervan is niet onderworpen aan de vergunningplicht van artikel 3.2.1, eerste lid. De vestiging van sekswinkels zal doorgaans afdoende kunnen worden gereguleerd langs de weg van het bestemmingsplan. Indien dat in aanvulling daarop (in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving) raadzaam wordt geacht, kan worden overwogen de exploitatie van sekswinkels te verbieden in aangewezen gebieden of delen van de gemeente en daartoe artikel 3.2.7 op te nemen. Indien wordt afgezien van het opnemen van artikel 3.2.7 kan onderdeel e in artikel 3.1.1 achterwege worden gelaten en komt de titel van afdeling 2 ‘Seksinrichtingen, straat-prostitutie en dergelijke’ te luiden. Bezoeker (onder
- h)Het behoeft geen betoog dat, tegen de achtergrond van de bij of krachtens de artikelen 3.2.3 of 3.2.4 vastgestelde sluitingsuren, niet alle in de in-richting aanwezige personen als 'bezoeker' moeten worden aangemerkt. Van het begrip 'bezoeker' zijn behalve de exploitant(en), de beheerder(s), de prostituees en de personeelsleden van de exploitant, tevens toezichthouders en opsporingsambtenaren uitgezonderd, alsmede andere personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is (hierbij valt te denken aan personen die de inrichting moeten kunnen betreden voor het leveren van goederen, of voor het uitvoeren van reparatie- of onderhoudswerkzaamheden). Artikel 3.1.2 Bevoegd bestuursorgaan In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college van burgemeester en wethouders of, voorzover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester. De artikelen 162 en 174 van de Gemeentewet maken deze bevoegdheidsafbakening noodzakelijk. Volgens artikel 162 is het college van burgemeester en wethouders belast met de uitvoering van raadsbesluiten (waaronder autonome verordeningen als deze) tenzij bij of krachtens de wet de burgemeester daarmee is belast. Dit laatste doet zich hier voor: artikel 174 belast de burgemeester namelijk met ‘het toezicht op de openbare samenkomsten en vermakelijkheden, alsmede op de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven’ (eerste lid) en met ‘de uitvoering van verordeningen voorzover deze betrekking hebben op het in het eerste lid bedoelde toezicht’ (derde lid). In veruit de meeste gevallen dient de burgemeester derhalve te worden aangemerkt als het bevoegde bestuursorgaan. Zijn bevoegdheid betreft namelijk de voor het publiek openstaande gebouwen en de openbare samenkomsten en vermakelijkheden. In de definitie van seksinrichtingen is echter het ruimere begrip ‘ruimte’ opgenomen. Dat betekent dat het college bevoegd is als het gaat om met name de vaar- en voertuigen. Ook is het college bevoegd als het gaat om escortbedrijven. Het gebruik van de openbare weg, waarbij in dit verband met name gedacht moet worden aan de aanwijzing van tippelzones, is een bevoegdheid van het college. Om deze afbakening - waar aan de orde - niet steeds opnieuw volledig te moeten weergeven, is in hoofdstuk 3 het begrip 'bevoegd bestuursorgaan' gehanteerd en is dat in artikel 3.1.2 eenmalig gedefinieerd. Van de specifieke aard van de seksinrichting is afhankelijk wie in een concreet geval bevoegd is: het college of de burgemeester. Aangezien van onbevoegd genomen besluiten vernietiging in de rede ligt, moet deze vraag met zorgvuldigheid worden beantwoord. Op grond van artikel 168, eerste lid, van de Gemeentewet kan het college één of meer van zijn bevoegdheden opdragen aan één of meer van zijn leden. Het gaat hierbij om mandaat: de opgedragen bevoegdheid wordt uitgeoefend uit naam en onder verantwoordelijkheid van het college (tweede lid), dat daarover bovendien aanwijzingen kan geven (derde lid). Om de uitvoering van het gemeentelijk prostitutiebeleid zo veel mogelijk te stroomlijnen, zou het college zijn bevoegdheid terzake kunnen mandateren aan de burgemeester. Dit doet er niet aan af dat goed moet worden bezien, of een concreet te nemen besluit een besluit van de burgemeester zelf of van het college is. Jurisprudentie Bij artikel 221 van de Gemeentewet (oud), de 'voorganger' van artikel 174, was nog de vraag: is ten aanzien van voor publiek openstaande gebouwen de burgemeester exclusief bevoegd, of kan - bij verordening - ook het college van burgemeester en wethouders bevoegd worden verklaard? In het derde lid van artikel 174 is deze vraag beantwoord ten gunste van de burgemeester, hetgeen sinds ArRS 2 februari 1989 (Gst. 1989, 4) eensluidende Kroon-, HR- en ArRs-jurisprudentie is. Blijkens ArRS 27 augustus 1993 (NJB 1993, 40, p. 493-494; JG 94.0053) moet een raamprostitutiebedrijf worden beschouwd als een voor publiek openstaand gebouw als bedoeld in artikel 174, eerste lid, van de Gemeentewet, ten aan-zien waarvan mitsdien de burgemeester exclusief bevoegdheid is. Artikel 3.1.3 Nadere regels Met het oog op de in artikel 3.3.2 genoemde belangen, kan het college van burgemeester en wethouders over de uitoefening de bevoegdheden in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen. Vergunningsvoorschriften die voor de exploitatie van alle (of bepaalde categorieën van) seksinrichtingen zouden moeten gelden, kunnen krachtens dit artikel door het college worden vastgesteld als algemeen verbindende voorschriften. Artikel 3.1.3 ziet dus op delegatie van regelgevende bevoegdheid als bedoeld in artikel 156, eerste lid, van de Gemeentewet. Vanzelfsprekend zijn de regels over de bekendmaking van algemeen verbindende voorschriften hierbij van overeenkomstige toepassing. Ook kan het bevoegde bestuursorgaan zelf (nogmaals: meestal de burgemeester) over zijn bevoegdheid beleidsregels vaststellen als bedoeld in artikel 4:81 van de Awb. Evenals algemeen verbindende voorschriften nopen beleidsregels het bevoegd bestuursorgaan eveneens tot het volgen van een vaste gedragslijn bij het toepassen van de desbetreffende bevoegdheid, zij het niet onder alle omstandigheden: gelet op artikel 4:84 van de Awb moet het bevoegd bestuursorgaan namelijk handelen overeenkomstig de beleidsregel ‘tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen’. Indien het wenselijk wordt geacht om een bevoegdheid als regel op een bepaalde wijze toe te passen, maar in bijzondere gevallen anders te kunnen besluiten, ligt het dus in de rede daarover geen 'nadere regel' maar een beleidsregel vast te stellen. Paragraaf 2 Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en dergelijke Artikel 3.2.1 Seksinrichtingen Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan. In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld: de persoonsgegevens van de exploitant; de persoonsgegevens van de beheerder; en de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf. Eerste lid Zoals uiteengezet in de algemene toelichting onder 2, is er hier voor ge-kozen de exploitatie van seksinrichtingen en escortbedrijven te reguleren door middel van de vergunningfiguur. Uit het eerste lid vloeit een voor de hele gemeente geldende vergunningplicht voort. Het wijzigen van de seksinrichting valt eveneens onder de vergunningplicht. Met het wijzigen wordt bedoeld een wijziging van welke aard dan ook. Hierbij kan worden gedacht aan bijvoorbeeld verandering van bouwkundige aard, het aantal exploitanten, de wijze van exploitatie of de naam van één of meer exploitanten. Dit is om te voorkomen dat de vergunning uit de pas loopt met de feitelijke situatie. Het is ook mogelijk om een gedifferentieerd vergunningstelsel vast te stellen, indien de lokale omstandigheden het wenselijk maken dat seksinrichtingen (alle, of bepaalde soorten) geografisch worden geconcentreerd. De mogelijkheid om - met vergunning - een seksinrichting te exploiteren, bestaat dan uitsluitend in daartoe aangewezen gebieden of delen van de gemeente en is voor het overige verboden. Zo'n beleid wordt veelal ingegeven door het belang van de openbare orde of van de woon- en leefomgeving: het concentreren van seksinrichtingen in bepaalde gebieden kan bijvoorbeeld gewenst zijn, om daarop met voldoende intensiteit toezicht te kunnen uitoefenen of om deze inrichtingen te weren uit woonwijken of andere gebieden die vanuit een oogpunt van woon- en leefomgeving 'gevoelig' zijn. Behalve ten aanzien van seksinrichtingen in het algemeen, kan een dergelijk beleid vanzelfsprekend ook worden gevoerd ten aanzien van een of meer vormen daarvan. Als grondslag voor een (algemeen) concentratiebeleid, zou artikel 3.2.1 als volgt kunnen luiden: Artikel 3.2.1 Seksinrichtingen Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan een seksinrichting te exploiteren of te wijzigen in door het college van burgemeester en wethouders aangewezen gebieden of delen van de gemeente. Het is verboden een seksinrichting te exploiteren in andere gebieden of delen van de gemeente dan de in het eerste lid bedoelde. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag een escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen. In de aanvraag om en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld: de persoonsgegevens van de exploitant; de persoonsgegevens van de beheerder; en de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf. Ook kan, om de exploitatie van seksinrichtingen te reguleren vanuit het belang van openbare orde of van het woon- en leefklimaat, ervoor worden gekozen het aantal vergunningen dat kan worden verleend aan een maximum te binden. Zo'n maximumbeleid kan 'zelfstandig' worden toegepast, maar kan ook worden gehanteerd ter ondersteuning van genoemd concentratiebeleid: denkbaar is immers dat een maximumbeleid een waardevolle bijdrage kan leveren bij de bescherming van de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gebieden die zijn aangewezen voor het exploiteren van seksinrichtingen. Indien de plaatselijke omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan een maximumbeleid worden toegesneden op de uiteenlopende vormen van seksinrichtingen. Zo kan in een gemeente met het oog op de bescherming van de openbare orde en het woon- en leefklimaat beleid worden gevoerd waarin de vestiging van raamprostitutiebedrijven slechts in zeer beperkte mate, of zelfs in het geheel niet wordt toegestaan. In een vergunningvoorschrift ten behoeve van een prostitutiebedrijf kan uiteraard ook het aantal werkzame prostituees worden gemaximeerd, waardoor de splitsing van ramen en/of werkruimten - in het verleden kwam dit met name voor bij raamprostitutie - kan worden voorkomen (ArRS 29 augustus 1989; Gst. 6901, 6 en JG 90.0003). Zie verder de toelichting bij artikel 3.3.2, tweede lid, onder a. Vanzelfsprekend is het mogelijk exploitatievergunningen te verlenen voor een bepaalde duur, bijvoorbeeld 2 jaar, zodat periodiek het functioneren van inrichting(
- en)en/of het gemeentelijk beleid terzake kan worden geëvalueerd. In deze bepaling is ervoor gekozen om escortbedrijven aan dezelfde vergunningplicht als seksinrichtingen te onderwerpen. Hierdoor wordt een eenduidige systematiek gehanteerd. De vergunning zal echter veel minder omvattend (kunnen) zijn, omdat de activiteiten van een escortbedrijf nu eenmaal niet in een inrichting plaatsvinden. De toetsing van de vergunningaanvraag zal zich derhalve veelal beperken tot de toetsing van de antecedenten van de exploitant en beheerder. Tegen die achtergrond is het denkbaar dat gemeenten voor escortbedrijven geen vergunningplicht, maar een meldingsplicht instellen. Jurisprudentie Voorzover zij betrekking heeft op seksbioscopen, komt de vergunningplicht niet in strijd met de Wet op de filmvertoningen. Dat kan worden afgeleid uit de conclusie van A.G. Remmelink voor HR 18 september 1978 (NJ 1979/85) en uit ArRS 18 september 1981 (Gst. 6718, 2). Blijkens wnd. Vz ArRS 8 juli 1981 (Gst. 6688, 5) is zij evenmin strijdig met artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrij-heden. Tweede lid De ruime strekking van de in het eerste lid genoemde vergunningplicht laat vanzelfsprekend onverlet, dat het bevoegd bestuursorgaan zich aan de hand van een ingediende vergunningaanvraag een oordeel moet (kunnen) vormen over alle rechtstreeks bij het te nemen besluit betrokken belangen (artikel 3:4 van de Awb). Indiening en inontvangstname van een aanvraag staan dus nadrukkelijk in het teken van het vergaren van alle kennis over relevante feiten en betrokken belangen, die nodig is om tot een zorgvuldige afweging te kunnen komen. In het tweede lid is bepaald dat in de aanvraag ten minste moet zijn vermeld wat de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf is en wie de exploitant en de beheerder zijn. Voor de beoordeling van de vergunningaanvraag en voor de ingevolge artikel 1.4 op te leggen vergunningsvoorschriften of beperkingen is de aard van de seksinrichting relevant. Het is van belang te weten of het bijvoorbeeld om een prostitutiebedrijf of een sekstheater gaat of om een combinatie van beide. De vraag of vergunning kan worden verleend voor raamprostitutiebedrijven, wordt in de meeste gevallen strenger beoordeeld dan een andere seksinrichting. Raamprostitutiebedrijven hebben doorgaans een beduidend sterkere (nadelige) invloed op de openbare ruimte dan bijvoorbeeld clubs. Denkbaar is dat het bevoegd bestuursorgaan op een bepaalde locatie een prostitutiebedrijf toelaatbaar acht maar, ter bescherming van de woon- en leefomgeving of ter voorkoming van (verkeers)overlast, een raamprostitutiebedrijf niet of slechts in beperkte mate. In dat geval moet het bevoegd bestuursorgaan zich er bij beoordeling van de aanvraag van bewust (kunnen) zijn dat aan een te verlenen vergunning het voorschrift dient te worden verbonden dat het ter plaatse te exploiteren prostitutiebedrijf niet van zogenaamde vitrines of ramen respectievelijk slechts van een bepaald aantal vitrines mag zijn voorzien. Door wie de inrichting zal worden geëxploiteerd en beheerd is relevant, omdat deze personen niet van slecht levensgedrag mogen zijn en dienen te voldoen aan de eisen van zedelijk gedrag, zoals gesteld in artikel 3.2.2. De vergunningverlening is bovendien persoonsgebonden en niet overdraagbaar. Dit blijkt uit artikel 1.5. Blijkens artikel 4:5, eerste lid, van de Awb kan het niet-overleggen van de in het tweede lid genoemde gegevens voor het bevoegd bestuursorgaan aanleiding zijn om - mits gelegenheid tot aanvulling is geboden - de aanvraag niet te behandelen. Het kan van meer gegevens wenselijk zijn om ze te kunnen hanteren als behandelingsvereiste als hier bedoeld; daartoe kan het tweede lid worden uitgebreid. Bij wijze van voorbeeld van een meer uitgebreid tweede lid, volgt hier de volgende alternatieve tekst: In de aanvraag om en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld: de persoonsgegevens van de exploitant; de persoonsgegevens van de beheerder; het aantal werkzame prostituees; de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf; de plaatselijke en kadastrale ligging van de seksinrichting door middel van een situatietekening met een schaal van tenminste 1:1000; de plattegrond van de seksinrichting door middel van een tekening met een schaal van tenminste 1:100; bewijs van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; en bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimte bestemd voor de seksinrichting. Ook kan - door het bevoegd bestuursorgaan - een nadere regel (als bedoeld in artikel 3.1.3) worden vastgesteld. Overwogen kan worden om, al dan niet per type seksinrichting, een aanvraagformulier vast te stellen als bedoeld in artikel 4:4 van de Awb. Artikel 3.2.2 Gedragseisen exploitant en beheerder 1 De exploitant en de beheerder: staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij; zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en hebben de leeftijd van éénentwintig jaar bereikt. 2 Naast de gestelde eisen in het eerste lid, zijn de exploitant en de beheerder niet: met toepassing van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld; binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten; binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van duizend gulden of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen; de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249, 250a, 252, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht; de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 jº artikel 8 of jº artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994; de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de kansspelen; de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk gesteld: vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan zevenhonderd vijftig gulden bedraagt; een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf. De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt: bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning; bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning. De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of escortbedrijf die voor ten minste één maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem terzake geen verwijt treft. De opheffing van het algemeen bordeelverbod is onder meer gericht op het 'decriminaliseren' van de niet langer strafbare vormen van (exploitatie van) prostitutie. Daarom is het, ook volgens de wetgever, van belang dat bij de besluitvorming over een aanvraag om vergunning voor het exploiteren van een seksinrichting rekening gehouden kan worden met de antecedenten van de daarbij betrokken personen: de exploitant en de beheerder(s). Daartoe is op 9 augustus 1999 het Besluit inlichtingen justitiële documentatie (Stb. 1999, 353) gewijzigd. Het onderdeel van het gewijzigde besluit dat samenhangt met de opheffing van het algemeen bordeelverbod, treedt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip in werking. Als gevolg van deze wijziging kunnen aan het orgaan dat bevoegd is (meestal de burgemeester) vergunningen als bedoeld in dit hoofdstuk af te geven, gegevens uit de justitiële documentatieregisters worden verstrekt over personen die als exploitant of beheerder zijn vermeld in een aanvraag. In artikel 3.2.2 wordt zo veel mogelijk dezelfde terminologie gehanteerd en worden nagenoeg dezelfde eisen gesteld als in artikel 5 van de Drank- en Horecawet en het daarop gebaseerde Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet. Dit heeft als voordeel dat voor seksinrichtingen waarvoor tevens een vergunning krachtens de Drank- en Horecawet is vereist één antecedentenonderzoek kan worden verricht. Belangrijker nog dan dit procedurele argument is het feit dat inhoudelijk min of meer dezelfde belangen wegen bij de antecedentenbeoordeling. In aanvulling op het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horeca zijn in deze bepaling zedendelicten en mishandeling uit het Wetboek van Strafrecht en overtredingen van de Vreemdelingenwet en de Wav opgenomen. De toevoeging van bepalingen over misdrijven tegen de zeden en mishandeling dienen ter bescherming van de prostituees. De relevantie van de opname van de Vreemdelingenwet en de Wav is gelegen in de bestrijding van de mensenhandel. Net als in de Drank- en Horecawet kan de aanduiding ‘in enig opzicht slecht levensgedrag’ in het eerste lid onder b. méér omvatten dan hetgeen gesteld is in de navolgende leden. Anders gezegd: lid 2 tot en met 5 geven aan wanneer in elk geval sprake is van ‘in enig opzicht slecht levensgedrag’. Dat het niet als een limitatieve opsomming dient te worden opgevat blijkt uit het gebruik van het woord ‘naast’ aan het begin van het tweede lid. Bij de beoordeling van deze zedelijkheidseisen, de verkregen gegevens uit de justitiële documentatie en de toetsing ervan aan het besluit, kan worden aangesloten bij de daarover reeds bestaande jurisprudentie. Artikel 3.2.3 Sluitingsuur Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven: op maandag tot en met vrijdag tussen ... en ... uur; op zaterdag en zondag tussen ... en ... uur. Het bevoegd orgaan kan door middel van een voorschrift als bedoeld in artikel 1.4 voor een afzonderlijke seksinrichting andere sluitingstijden vaststellen. Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel 3.2.4, eerste lid, gesloten dient te zijn. Het in het eerste, tweede en derde lid bepaalde geldt niet voorzover de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften van toepassing zijn. Eerste lid De in het eerste lid opgenomen sluitingsbepaling is gegrond op artikel 149 van de Gemeentewet. De raad kan verplichte sluitingstijden voor openbare (waaronder seks)inrichtingen vaststellen ter bescherming van de openbare orde of de woon- en leefomgeving, ter voorkoming of beperking van overlast en dergelijke. Deze bevoegdheid houdt evenzeer in dat een afwijkende sluitingsplicht kan worden vastgesteld voor de zondag. Sommigen concluderen uit artikel 7 van de Zondagswet dat de gemeenteraad niet bevoegd is een speciaal voor de zondag geldende sluitingsregeling vast te stellen. Volgens HR 22 juli 1960 (AB 1961, blz. 15) belet dit artikel de raad echter niet om voor de zondag een afwijkende regeling te treffen voor het sluitingsuur van openbare inrichtingen als deze, mits de grond voor de afwijking van de voor de andere dagen geldende regeling niet is gelegen in het bijzondere karakter van de zondag. Volgens de Hoge Raad beoogt de Zondagswet naar haar strekking niet de gemeentelijke wetgever te beperken in zijn bevoegdheid om ter afwering van verstoring van de openbare orde voorzieningen te treffen. De in het eerste lid opgenomen sluitingsbepaling maakt onderscheid tussen werkdagen en het weekeinde. Uiteraard kan worden gekozen voor een ander (of geen) onderscheid, zoals ook - door aanpassing van het eerste lid, of in de vorm van een nadere regel als bedoeld in artikel 3.1.3 - voor verschillende typen seksinrichtingen een verschillend sluitingstijdenregime kan worden vastgesteld. De hier opgenomen sluitingsurenregeling (want van toepassing op het begrip 'seksinrichting') heeft geen betrekking op sekswinkels. Zoals vermeld in de toelichting bij artikel 3.1.1, onder e, is op sekswinkels het regime van de Winkeltijdenwet van toepassing. Tweede lid Het bevoegd orgaan kan door middel van een voorschrift als bedoeld in artikel 1.4 voor één of meer afzonderlijke seksinrichtingen andere sluitingstijden vaststellen. Volgens het tweede lid kan daartoe een voorschrift worden verbonden aan de vergunning die aan de exploitant van de betrokken inrichting(
- en)zal worden verleend. Zo'n vergunningvoorschrift is er een als bedoeld in artikel 1.4 en moet mitsdien strekken ter bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning vereist is. Over de uitoefening van deze bevoegdheid kan het bevoegd bestuursorgaan desgewenst beleidsregels vaststellen als bedoeld in artikel 4:81, eerste lid, van de Awb. Daarin kan bijvoorbeeld worden vastgelegd dat, bij het beantwoorden van de vraag of voor een afzonderlijke inrichting bij vergunningvoorschrift afwijkende sluitingstijden zullen worden vastgesteld, per categorie seksinrichting als regel een bepaald beleid wordt gehanteerd. Van het voor die categorie geldende beleid kan het bevoegd bestuursorgaan in een concreet geval (gemotiveerd) afwijken, indien het dat noodzakelijk acht in het belang van bijvoorbeeld de openbare orde, de woon- en leefomgeving en dergelijke. Derde lid Anders dan de sluitingsbepalingen van het eerste en tweede lid, richt het derde lid zich tot de bezoeker van een seksinrichting. Indien een bezoeker met toestemming van de exploitant of beheerder in de inrichting aanwezig is gedurende de tijd dat deze gesloten dient te zijn, handelt hij in strijd met het derde lid. Indien een bezoeker echter zonder toestemming van de exploitant of beheerder in de inrichting aanwezig is en zich niet op diens eerste vordering verwijdert, handelt hij in strijd met artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht (lokaalvredebreuk). Laatstgenoemde bepaling staat aan het opnemen van het derde lid niet in de weg: artikel 138 ziet toe op de bescherming van de aan de eigendom verbonden rechten; het derde lid van artikel 3.2.3 strekt tot handhaving van een publiekrechtelijke regeling. Vierde lid Een seksinrichting als bedoeld in artikel 3.1.1 kan vergunningplichtig zijn op grond van de Wet milieubeheer of vallen onder het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (Stb. 1998, 322). Aan een krachtens de Wet milieubeheer te verlenen vergunning kunnen eveneens voorschriften worden verbonden ter voorkoming van de indirecte gevolgen van de inrichting. De sluitingsbepalingen van de APV gelden daarom niet voorzover de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften van toepassing zijn. De Wet milieubeheer beoogt een uitputtende regeling te geven ter voorkoming of beperking van gevaar, schade of hinder die voortvloeit uit het in werking zijn van krachtens de Wet milieubeheer aangewezen inrichtingen. De raad is niet bevoegd die regeling bij verordening aan te vullen indien daarmee wordt beoogd dezelfde belangen te beschermen, en kan dus niet via de APV - aanvullend - gevaar, schade of hinder tegengaan die wordt veroorzaakt door een krachtens de Wet milieubeheer vergunningplichtige inrichting. Jurisprudentie Blijkens Vz AgRS 24 januari 1985 (WO RvS 1985, nr. G9) kan aan de Hinderwetvergunning een sluitingsuur worden verbonden ter voorkoming van hinder voor de omgeving, bijvoorbeeld door komende en gaande bezoekers. Hierop is nader ingegaan in AgRS 8 februari 1991 (AB/kort 16 maart 1991, 281), waarin is vermeld dat bij verlening van een hinderwetvergunning aan een inrichting waarbij van de bezoekers hinder te duchten is, een voorschrift betreffende het sluitingsuur ter voorkoming of beperking van die (geluid)hinder niet kan worden gemist, en dat een hinderwetvergunning waarin zo'n voorschrift ontbreekt zich niet verdraagt met artikel 17 van de Hinderwet. Blijkens de Kroon-jurisprudentie mag daarbij slechts rekening worden ge-houden met 'normale' hinder in de nabije omgeving van de inrichting. Alleen die overlast is volgens de Kroon te beschouwen als hinder in de zin van de Hinderwet (thans: de Wet milieubeheer), een van de belangen die deze wet beoogt te beschermen. Excessieve hinder door gedrag van bezoekers en overlast die zich afspeelt een of meer straten van de inrichting vandaan, vallen volgens de Kroon niet onder de wetsterm 'hinder'. Aan een gemeentelijke verordening die een algemene sluitingsuurregeling bevat ter voorkoming of beperking van excessieve en verder verwijderde overlast, ligt dan een ander motief ten grondslag dan aan de Wet milieubeheer. Dit gaat op voor artikel 3.2.3, dat niet is toegespitst op de specifieke situatie in en rond seksinrichtingen, maar dat zich richt op de nadelige invloed van de aanwezigheid van zulke inrichtingen als zodanig op de openbare orde en de woon- en leefomgeving ter plaatse (daartoe ArRS 31 december 1986, AB 1987/326). Artikel 3.2.4 Tijdelijke afwijking sluitingsuur; (tijdelijke) sluiting Met het oog op de in artikel 3.3.2, tweede lid, genoemde belangen of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan: tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3.2.3, eerste of tweede lid, geldende sluitingsuren vaststellen; van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen. Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het eerste lid bedoelde besluit openbaar bekend overeenkomstig artikel 3:42 Algemene wet bestuursrecht. Eerste lid Ten opzichte van artikel 3.2.3 (bij of krachtens welke bepaling kan worden voorgeschreven wat voor seksinrichtingen het 'reguliere' sluitingstijden-regime
- is)biedt artikel 3.2.4 de mogelijkheid om daarvan al dan niet tijdelijk af te wijken. Volgens het eerste lid kan die afwijking inhouden dat: voor (een of meer) inrichtingen al dan niet tijdelijk andere sluitingstijden worden vastgesteld dan de bij of krachtens artikel 3.2.3 gestelde; of van (een of meer) inrichtingen al dan niet tijdelijk de - algehele of gedeeltelijke - sluiting wordt bevolen. Aan zo'n tijdelijke afwijking moeten een of meer van de in artikel 3.3.2, tweede lid, genoemde belangen ten grondslag liggen, of er moet sprake zijn van strijdigheid met het bepaalde in dit hoofdstuk. Het bevoegd bestuursorgaan kan daartoe overgaan indien het dat noodzakelijk acht in het belang van de openbare orde, de woon- en leefomgeving, de voorkoming of beperking van overlast en dergelijke. De bevoegdheid tot het tijdelijk vaststellen van andere sluitingsuren (als bedoeld in het eerste lid, onder
- a)kan zich uitstrekken tot alle in de gemeente gevestigde seksinrichtingen en onderscheidt zich daarin van de bevoegdheid genoemd in artikel 3.2.3, tweede lid, die individueel gericht is. Tijdelijke sluiting (als bedoeld in het eerste lid, onder
- b)kan daar-entegen slechts van afzonderlijke inrichtingen worden bevolen. In het eerste lid, aanhef en onder b, is het bevoegd bestuursorgaan een expliciete sluitingsbevoegdheid gegeven. Deze bevoegdheid is te onderscheiden van de bevoegdheid tot aanzegging van bestuursdwang als bedoeld in artikel 5:21 van de Awb die door artikel 3.2.4 onverlet wordt gelaten. Met toepassing van bestuursdwang wordt kort gezegd beoogd een onrechtmatige situatie weer in overeenstemming te (doen) brengen met het recht. De in het eerste lid, onder b, opgenomen sluitingsbevoegdheid moet daarentegen veel meer worden gezien als een (bestuursrechtelijke) sanctie op inbreuken op het in dit hoofdstuk bepaalde. Indien nodig kan de naleving van een krachtens het eerste lid, onder b, gegeven sluitingsbevel worden afgedwongen door toepassing van bestuursdwang. Om een opeenstapeling van bestuursrechtelijke procedures te voorkomen, verdient het aanbeveling te bezien of met het sluitingsbevel tevens (preventief) bestuursdwang kan worden aangezegd. Daarvoor is wel vereist dat er een klaarblijkelijke dreiging bestaat dat de desbetreffende overtreding daadwerkelijk zal plaatsvinden en dat er schade dreigt. De sluitingsbevoegdheid is in de praktijk meermalen toegepast in gevallen waarin openbare inrichtingen het decor vormden voor allerlei vormen van criminaliteit. Ook prostitutiebedrijven zijn daarvoor in het verleden een aantrekkelijke plaats gebleken. Het betrof daarbij doorgaans delicten als het bezitten of verhandelen van verdovende middelen of vuurwapens, het tewerkstellen van jongeren of van illegalen, heling en dergelijke. Feiten als deze zijn strafbaar gesteld in het Wetboek van Strafrecht, de Opiumwet en de Wet wapens en munitie. Het naar aanleiding daarvan toepassen van de sluitingsbevoegdheid als hier bedoeld, is niet in strijd met deze formeel-wettelijke regelingen omdat daaraan een afwijkend oogmerk ten grondslag ligt. Veel van de gedragingen als hier bedoeld spelen zich weliswaar af in de inrichting, maar hebben tevens een uitstraling op de openbare orde en de woon- en leefomgeving buiten de inrichting. Voor toepassing van de sluitingsbevoegdheid is wel vereist dat de hier bedoelde overtredingen een meer dan incidenteel karakter hebben. Tweede lid Een besluit op grond van het eerste lid (zowel onder a als b), richt zich doorgaans tot een of meer belanghebbenden - de betrokken exploitant(
- en)- en moet aan hen worden bekendgemaakt overeenkomstig artikel 3:41 van de Awb. Nu het bezoekers verboden is in een seksinrichting te verblijven gedurende de tijd dat deze gesloten dient te zijn (artikel 3.2.3, derde lid), is in het tweede lid bepaald dat een krachtens het eerste lid genomen besluit, behalve aan de betrokken exploitant(en), ook openbaar wordt bekendgemaakt. Dat kan op de door 3:42 Awb voorgeschreven wijze geschieden. Het zichtbaar aanplakken van de geslotenverklaring op de inrichting zelf verdient aanbeveling. Jurisprudentie Op zichzelf ontleent de burgemeester reeds een sluitingsbevoegdheid aan artikel 174 van de Gemeentewet. De noot bij ArRS 15 juni 1984 (AB 1985/96) maakt duidelijk, waarom het gewenst kan zijn toch een sluitingsbepaling in de APV op te nemen: ‘De beschikking laat voorts zien dat de rechtstreeks uit artikel 221 Gemeentewet (oud) voortvloeiende taak tot daadwerkelijke handhaving van de openbare orde de actuele situatie tot onderwerp heeft en dat hier alleen het nemen van concrete maatregelen op korte tijd aan de orde is. Wil een verder vooruitziend besturen meteen op langere termijn concreet gestalte krijgen, dan dient de burgemeester te beschikken over de bevoegdheid tot uitvoering van gemeentelijke verordeningen of van andere wettelijke voorschriften. Bij het gebruik van zijn sluitingsbevoegdheid bezit de burgemeester een ruime beoordelings- en beslissingsvrijheid. Voor rechterlijke toetsing van het gebruik van die bevoegdheid bestaat derhalve slechts een beperkte marge. In een sluitingsbevel rechtstreeks gebaseerd op artikel 174 van de Gemeentewet dient altijd de termijn van de sluiting te zijn opgenomen. Blijkens Vz ArRS 26 augustus 1992 (AB 1993/104; JG 93.0116) en AbRS 5 juli 1996 (JG 96.0266) voldoet een sluitingsbevel zonder tijdsbepaling niet aan de aard en het doel van artikel 221 Gemeentewet (oud). Indien gesloten wordt op basis van dit artikel in de APV kan de sluiting niet alleen van langere duur zijn dan wanneer gesloten wordt op basis van artikel 174 Gemeentewet, maar lijkt in analogie met uitspraken ten aanzien van de sluiting van coffeeshops - onder omstandigheden - ook sluiting voor onbepaalde tijd mogelijk. Daarvan kan met name sprake zijn als de vestiging van de seksinrichting zonder meer in strijd is - en zal zijn - met het lokaal beleid. Zie ter vergelijk: AbRS 29 april 1997 (R03.93.4839; niet gepubliceerd) waarin de sluiting van een coffeeshop voor onbepaalde tijd in verband met de aanwezigheid van harddrugs geoorloofd wordt geacht, omdat het beleid inhoudt dat coffeeshops die zich daaraan schuldig maken definitief van de gedooglijst worden geschrapt. Een ander en beter voorbeeld is een seksinrichting die het in het lokaal beleid vastgestelde maximum aantal inrich-tingen overschrijdt en daarom niet voor vergunningverlening in aanmerking komt. Zo’n inrichting kan voor onbepaalde tijd worden gesloten. Zie ter vergelijk: Vz AbRS 5 september 1997; Gst. 7069, 4, waarin een coffeeshop voor onbepaalde tijd wordt gesloten wegens strijdigheid met het geldende nulbeleid. Een sluiting voor onbepaalde tijd staat de opheffing ervan op een later tijdstip niet in de weg. Artikel 3.2.5 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de ingevolge artikel 3.2.1 op de vergunning vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig is. De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat in de seksinrichting: geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie; en geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde. Eerste lid Om effectiever te kunnen op treden tegen schijnbeheer, is in het eerste lid niet slechts een gebod (een verplichting tot aanwezigheid), maar een verbod opgenomen. De aanwezigheid van de exploitant of beheerder is van belang in verband met het door hem uit te oefenen toezicht, zoals verwoord in het tweede lid. Tweede lid Dit artikel schept voor de exploitant(
- en)en de beheerder(
- s)een algemene verplichting tot het uitoefenen van toezicht ter handhaving van de orde in de inrichting. Daarbij zullen zij zich in ieder geval, maar niet uitsluitend, moeten richten op het voorkomen en tegengaan van onvrijwillige prostitutie, prostitutie door minderjarigen of illegalen, drugs- of wapenhandel, heling, geweldsdelicten en dergelijke. In de jurisprudentie is al eerder uitgemaakt dat de exploitant - uiteraard binnen redelijke grenzen - verantwoordelijk is voor de gang van zaken in de inrichting. Dat wordt door deze toezichtverplichting, die ook geldt voor de beheerder(s), nog eens onderstreept. Indien zich in de inrichting strafbare feiten voordoen, biedt dit artikel aanknopingspunten om daar in bestuursrechtelijke zin tegen op te treden. Afhankelijk van de omstandigheden en het gestelde in het handhavingsbeleid kan tot een tijdelijke beperking van de openingstijden, een tijdelijke sluiting of een (tijdelijke) intrekking van de vergunning worden besloten. Om in deze zin bestuursrechtelijk te kunnen optreden is niet vereist dat daaraan strafrechtelijke vervolging en/of veroordeling is voorafgegaan: vaststaan moet slechts dat geen of onvoldoende toezicht is uitgeoefend. Aan het toezicht dat van de exploitant of beheerder mag worden verwacht op de meerderjarigheid of legaliteit van in de inrichting werkzame prostituees zal gestalte kunnen worden gegeven door inzage te verlangen in hun identiteitspapieren. Waar het de onvrijwillige prostitutie en andere strafbare feiten betreft, zullen de exploitant of beheerder regelmatig toezicht moeten houden en zo nodig handelend moeten treden. Naarmate de exploitant aantoonbaar en actief huisregels toepast en een nauwkeurige registratie bijhoudt van de leeftijd en nationaliteit van de prostituees, vergemakkelijkt hij niet alleen het toezicht, maar zal hij ook beter in staat zijn om aannemelijk te maken dat door hem voldoende toezicht is uitgeoefend. In de vergunning kan de toezichtsverplichting als doelvoorschrift worden opgenomen, waarbij de exploitant zelf bepaalt hoe hij en de beheerder(
- s)er inhoud aan geven. Ook kunnen aan de vergunning middelvoorschriften worden verbonden, waardoor (gedeeltelijk) wordt voorgeschreven hoe de toezichtsplicht dient te worden ingevuld. Zo kan bijvoorbeeld worden bepaald dat verplicht bepaalde huisregels moeten worden gehanteerd; dat de exploitant of beheerder verplicht is om na te gaan of de prostituee over voor de verrichten van arbeid geldige verblijfspapieren beschikt en dat hiervan een interne registratie wordt bijgehouden. Een andere zinvol vergunningvoorschrift in dit verband, dat met name het toezicht door de toezichthouders kan vergemakkelijken, is bijvoorbeeld het expliciet in de vergunning opnemen van de verplichting van (vooral) de exploitant en beheerder(
- s)om alle medewerking te verlenen aan de toezichthouder, waaronder in elk geval de onmiddellijke en onbelemmerde toegang moet worden verstaan (artikel 5:20 Awb). Dit schept geen bevoegdheden of verplichtingen, maar duidelijkheid voor de vergunninghouder. Ook kan het nuttig zijn om in een vergunningvoorschrift op te nemen dat het verplicht is om een (afschrift van) de vergunning altijd in de inrichting aanwezig te hebben. Jurisprudentie Bepaalde strafbare feiten in de inrichting vormen een (ernstige) verstoring van de openbare orde. Als niet de overtreding van dit artikel, maar de ordeverstoring de grondslag vormt om bijvoorbeeld tot sluiting over te gaan, speelt de persoonlijke verwijtbaarheid van de exploitant in de beoordeling van de vraag of zich een situatie voordoet die tot sluiting noopt, in het geheel geen rol. Ook de omstandigheid dat de exploitant is vrijgesproken door de strafrechter doet dan niet ter zake (AbRS 30 juli 1996, AB 1996, 471). Tegen de sluiting van een seksclub wegens prostitutie door minderjarigen verweerde de exploitant zich door te wijzen op de inmiddels doorgevoerde gewijzigde bedrijfsvoering om te voorkomen dat minderjarigen in zijn inrichting werkzaam zouden zijn. Op basis van de verplicht over te leggen legitimatiebewijzen van de medewerksters werd door hem sindsdien een volledige lijst bijgehouden. De gemeente gaf ter zitting aan dat de sluiting zou worden opgeheven als er een bevredigende controleregeling werd getroffen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de gemeente het door de exploitant ingevoerde systeem terecht niet als een sluitende en betrouwbare controleregeling aangemerkt (ArRS 28 januari 1992, S03.92.0095). Artikel 3.2.6 Straatprostitutie Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te nodigen dan wel aan te lokken: op of aan andere dan door het college van burgemeester en wethouders aangewezen wegen of gebieden; gedurende andere dan door het college van burgemeester en wethouders vastgestelde tijden. Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen. Met het oog op de in artikel 3.3.2, tweede lid, genoemde belangen kan door politieambtenaren aan personen die zich bevinden op de wegen en tijden bedoeld in het eerste lid, het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen. De burgemeester kan met het oog op de in artikel 3.3.2, tweede lid, genoemde belangen personen aan wie ten minste eenmaal een bevel is gegeven als bedoeld in het derde lid bij besluit verbieden zich gedurende bepaalde termijn, anders dan in een openbaar middel van vervoer, te bevinden op of aan de wegen en op de tijden bedoeld in het eerste lid. De burgemeester beperkt het in het vierde lid genoemde verbod indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is. Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd verbod als bedoeld in het vierde lid. Eerste lid De wetswijziging tot opheffing van het bordeelverbod heeft geen gevolgen voor de straatprostitutie. Het is echter bij uitstek een vorm van prostitutie die nadere regulering behoeft. Dat is de laatste jaren gebleken, doordat in verschillende gemeenten - vanuit een oogpunt van handhaving met wisselend succes - zogenaamde gedoogzones zijn aangewezen. Aan de belangen die behoren tot hun 'huishouding' (genoemd in artikel 3.3.2) ontlenen gemeenten de bevoegdheid tot regulering, ook ten aanzien van straatprostitutie. Volgens het Landelijk Overleg Tippelprostitutie (dat zich bezighoudt met de hulpverleningprojecten voor straatprostituees) komt straatprostitutie in acht gemeenten in Nederland voor (Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Groningen, Arnhem, Nijmegen en Heerlen) en gaat het in totaal om vijf procent van de prostituees. Volgens het eerste lid is straatprostitutie verboden, tenzij het plaats-vindt op de wegen/gebieden en gedurende de tijden die het college daartoe heeft aangewezen. Bij aanwijzing als hier bedoeld zal rekening moeten worden gehouden met de belangen genoemd in artikel 3.3.2, tweede lid. Aan de hand van de omstandigheden ter plaatse zal moeten worden beoordeeld of tot aanwijzing van een tippelzone kan of moet worden besloten (bijvoorbeeld in het belang van de woon- en leefomgeving of de openbare orde in andere delen van de gemeente) of juist niet (bijvoorbeeld in het belang van de woon- en leefomgeving of de openbare orde in het gebied waarvan de tippelzone onderdeel zou uitmaken). Over de vraag of deze afweging er ook op neer kan komen dat er in het geheel geen tippellocatie wordt aangewezen verschillen de meningen. De Rechtbank Maastricht oordeelde een dergelijk algeheel verbod in strijd met de vrijheid van arbeidskeuze (zie hierna onder jurisprudentie). Bedacht moet echter worden dat het daar de opheffing van een reeds getroffen voorziening betreft. Vooralsnog dient te worden aangenomen dat gemeenten waar tot op heden in het geheel niet wordt getippeld, dit in het belang van de openbare orde en het woon- en leefklimaat ook moeten kunnen voorkomen. In dat geval zou voor dit artikel volstaan kunnen worden met de aanhef van lid 1 en het bepaalde in lid 2. In beleidsmatige zin dient deze keuze uiteraard wel zo goed mogelijk te worden onderbouwd. Tweede lid Het tweede lid heeft betrekking op straatprostitutie buiten de daartoe aangewezen gebieden en tijden en geeft - ter handhaving van het verbod daarop - politieambtenaren de bevoegdheid een bevel tot onmiddellijke verwijdering te geven. De plicht om aan zo'n bevel onmiddellijk gevolg te geven vloeit voort uit artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht, evenals de sanctie op niet-naleving. Derde lid Het derde en vierde lid hebben betrekking op straatprostitutie binnen de daartoe aangewezen gebieden en tijden. Krachtens het in lid 3 gestelde kan, bijvoorbeeld in het belang van de openbare orde en veiligheid of de voorkoming of beperking van overlast ter plaatse, door politieambtenaren een bevel tot onmiddellijke verwijdering worden gegeven aan prostituees, maar ook aan andere aldaar aanwezige personen. De plicht om aan zo'n bevel onmiddellijk gevolg te geven vloeit voort uit artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht, evenals de sanctie op niet-naleving. Vierde lid Als het mondeling bevel tot verwijdering als bedoeld in lid 3 geen soelaas blijkt te bieden, kan naar het middel van de schriftelijke verblijfsontzegging in het vierde lid worden gegrepen. Een verblijfsontzegging behelst een verbod om zich na aanzegging door of vanwege de burgemeester te bevinden - in casu - op de wegen en gedurende de tijden als bedoeld in het eerste lid, voor zover in de aanzegging genoemd. Uit een verblijfsontzegging vloeit een sterke beperking van de bewegingsvrijheid voort, zoals die onder meer wordt gewaarborgd door artikel 12 van het Internationaal Verdrag inzake de Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR). Deze moet daarom met de grootst mogelijke zorgvuldigheid worden opgelegd. De maatregel moet noodzakelijk zijn, moet proportioneel zijn (in verhouding tot de veroorzaakte ordeverstoring) en er moet worden voldaan aan het subsidiariteitsbeginsel, dat erop neerkomt dat niet met een minder ingrijpend middel zou kunnen worden volstaan. Uit de jurisprudentie over verblijfsontzeggingen blijkt dat de rechter de volgende factoren in zijn toetsing betrekt: staat de mate van overlast in verhouding tot de omvang van de maatregel (welk gebied en welke tijdstippen)? Zijn er op dit verbod individuele uitzonderingen noodzakelijk? En hoe lang geldt het verbod? De beantwoording van deze vragen is sterk casuïstisch. Het vijfde lid heeft betrekking op de eventueel noodzakelijke uitzonderingen op het verbod die in het concrete geval moeten worden gemaakt. Indien betrokkene zijn woon- of werkadres heeft in het betreffende gebied, dient dit in beginsel van het verbod te worden uitgezonderd. Jurisprudentie Uit HR 9 januari 1973 (NJ 1973/134), alsmede uit de conclusie van advocaat-generaal Remmelink voor HR 8 mei 1979 (NJ 1979/554) kan worden opgemaakt dat artikel 3.2.6 niet in strijd komt met artikel 239 van het Wetboek van Strafrecht (dat toeziet op de schennis van de eerbaarheid). Voor de bevoegdheid om in de APV tippelverboden op te nemen en tippelzones aan te wijzen (en in te richten), kan worden gewezen op HR 23 oktober 1990 (NJ 1991/542; Gst. 6926, 4): de APV-bepaling van de gemeente Groningen waarin het personen van wie redelijkerwijs kan worden aangenomen dat die zich aan prostitutie overgeven wordt verboden om post te vatten of zich heen en weer te bewegen op door burgemeester en wethouders aangewezen wegen of openbare plaatsen, werd door de HR niet in strijd geacht met artikel 12 IVBPR (vrijheid van beweging). Over een vergelijkbare APV-bepaling in Heerlen, waar burgemeester en wethouder de gehele gemeente hadden aangewezen voor de gelding van dit verbod, werd door de HR op 6 november 1990 (NJ 1991/218; Gst. 6918, 8) geoordeeld dat van strijdigheid met artikel 1 van de Grondwet evenmin sprake was. Het verbod treft weliswaar uitsluitend prostituees; dit gebeurt echter niet in verband met persoonskenmerken, maar vanwege hun activiteiten. Vz ArRS 27 september 1991 (BR 1992, p. 203): met betrekking tot de inrich-ting van een tippelzone hebben burgemeester en wethouders van Arnhem terecht besloten dat geen vrijstellingen ex artikel 17 en 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vereist zijn. Tippelen is niet in strijd met bestemming verkeersdoeleinden, de ‘afwerkschotten’, die uitsluitend ‘s avonds worden geplaatst, zijn dat evenmin. Het plaatsen van een zogeheten huiskamerbus is een vorm van parkeren. Pres. Rb Maastricht 25 augustus 1995 (KG 1996/46): de aanwijzing van een tippellocatie is een besluit van algemene strekking waartegen beroep bij de rechtbank mogelijk is. De president ziet geen aanleiding het besluit te schorsen. Pres. Rb Maastricht 3 juli 1997 (JB 1997, 206) en later ook de Rechtbank Maastricht 2 juni 1999 (reg.nrs. 98/387-389; niet gepubliceerd): de intrekking van de aanwijzing van de enige tippellocatie door burgemeester en wethouders van Heerlen is in strijd met het recht op bewegingsvrijheid (in casu is niet komen vast te staan dat er sprake is van ‘pressing social need’) en in strijd met het recht op vrije arbeidskeuze (artikel 19, derde lid van de Grondwet). Grondwettelijke rechten kunnen - anders dan verdragsrechtelijke - slechts worden beperkt bij of krachtens de wet in formele zin. Daar is in dit geval geen sprake van. Het bestreden besluit mist derhalve een rechtmatige grond. De annotator merkt op dat het tippelverbod slechts bepaalde handelingen verbiedt en dat het recht om te gaan en te staan onverlet laat, zodat van strijdigheid met het recht op vrijheid van beweging geen sprake kan zijn. Voor het recht van vrije arbeidskeuze volgt hij de president. ArRS 10 februari 1981 (AB 1981/446) en HR 7 februari 1984 (AB 1984/274) - indirect vervolgd door HR 11 juni 1985 (NJ 1986/41; AB 1986/106) - zien op de vraag wat de reikwijdte van (de bevoegdheid tot) het opleggen van een verblijfsontzegging is. Het vierde lid zoals hier opgenomen is daarmee in overeenstemming. Vz ArRS 31 juli 1989 (AB 1990/315) maakt duidelijk dat de bevoegdheid van de burgemeester niet te ruim kan worden gedelegeerd. Het toekennen van een beschikkingsmandaat is niet toegestaan. Artikel 3.2.7 Sekswinkels Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een seks-winkel te exploiteren in door het college van burgemeester en wethouders in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of delen van de gemeente. Zoals aangegeven in de toelichting bij artikel 3.1.1, onder e, is ervoor gekozen sekswinkels niet onder het begrip 'seksinrichting' (en daarmee de vergunningplicht) te brengen. Hieraan ligt de gedachte ten grondslag dat de vestiging van sekswinkels doorgaans afdoende zal kunnen worden gereguleerd langs de weg van het bestemmingsplan en dat het - ter bescherming van de openbare orde of de woon- en leefomgeving - niet nodig is deze bedrijven als regel aan voorafgaand toezicht te onderwerpen. Afhankelijk van de plaatselijke omstandigheden kan het (vanuit deze motieven) echter gewenst zijn wel in zekere mate te kunnen reguleren. In dat geval kan worden overwogen artikel 3.2.7 op te nemen, op grond waarvan gebieden of delen van de gemeente kunnen worden aangewezen waarin het in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving niet is toegestaan een sekswinkel te (doen) exploiteren. Indien wordt afgezien van het opnemen van artikel 3.2.7 kan onderdeel e in artikel 3.1.1 achterwege worden gelaten en komt de titel van afdeling 2 ‘Seksinrichtingen, straatprostitutie en dergelijke’ te luiden. Artikel 3.2.8 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen: indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt; anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde regels. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het ten-toonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de Grondwet. Dit artikel heeft een repressief karakter: het schept niet zonder meer een verbod, maar slechts voorzover het bevoegd bestuursorgaan daaromtrent nader heeft besloten. Hoewel denkbaar is dat deze bepaling in de praktijk vooral zal worden toegepast ten aanzien van sekswinkels, richt zij zich op het tentoonstellen en dergelijke als zodanig; zij kan dus bijvoorbeeld ook betrekking hebben op erotisch-pornografische foto's of afbeeldingen aangebracht aan sekstheaters, bedoeld om de aandacht van het publiek te vestigen op de daarin plaatsvindende voorstellingen. Zoals in het eerste lid is aangegeven, kan het bevoegd bestuursorgaan de regulering terzake gestalte geven door: aan de betrokken rechthebbende bekend te maken dat, door de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar wordt gebracht; (algemene) regels vast te stellen die in acht moeten worden genomen bij het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften en dergelijke als hier bedoeld. Zowel 'bekendmaking' als bedoeld onder a, als de vaststelling van 'regels' als bedoeld onder b, vormt een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb: in beide gevallen is er sprake van een besluit - dat zich richt tot een betrokken rechthebbende respectievelijk van algemene strekking is - met het (rechts)gevolg dat een verbod als genoemd in eerste lid, aanhef, van kracht wordt. Tegen zo'n besluit kan dan ook door belanghebbenden bezwaar worden aangetekend. Paragraaf 3 Beslissingstermijn; weigeringsgronden; nadere regels Artikel 3.3.1 Beslissingstermijn Het bevoegd bestuursorgaan neemt het besluit op de aanvraag om vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is. Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf weken verdagen. Volgens artikel 4:13, eerste lid, van de Awb moet een beschikking worden gegeven binnen de termijn die daarvoor bij wettelijk voorschrift is bepaald (of, bij gebreke daarvan, binnen een redelijke termijn). Dat wettelijk voorschrift is in casu artikel 1.2, eerste lid, waarin is bepaald dat het bevoegd bestuursorgaan op een aanvraag om vergunning of ontheffing moet beslissen binnen acht weken na de datum van ontvangst, welke beslissing voor ten hoogste acht weken kan worden verdaagd (tweede lid). De voorbereiding van een besluit op een aanvraag om vergunning voor het exploiteren van een seksinrichting kan complex van aard zijn. Indien een langere beslissingstermijn dan de in artikel 1.2 genoemde wenselijk wordt geacht, kan daartoe artikel 3.3.1 worden opgenomen (vanzelfsprekend is de daarin genoemde termijn van twaalf weken indicatief). In dat geval dient tevens het derde lid van artikel 1.2 als volgt te worden gewijzigd (!): Het bepaalde in het eerste en het tweede lid geldt niet voor de beslissing op een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid. De voorgeschreven beslissingstermijn (van artikel 1.2 of artikel 3.3.1) is een termijn van orde. Overschrijding ervan doet niet af aan de bevoegdheid te beslissen over een ingediende aanvraag, maar leidt wel tot een fictieve weigering waartegen door belanghebbenden bezwaar kan worden aangetekend (artikel 6:2, onder b, van de Awb). Opneming van artikel 3.3.1 ligt daarom in de rede indien moet worden aangenomen dat de in artikel 1.2 genoemde beslissingstermijn niet incidenteel maar als regel te kort zal zijn. Artikel 3.3.2 Weigeringsgronden De vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, wordt geweigerd indien: de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3.2.2 gestelde eisen; de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening; er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met artikel 250a van het Wetboek van Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde. De vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, dan wel de aanwijzing of vaststelling bedoeld in artikel 3.2.6, eerste lid, kan worden geweigerd: in het belang van de openbare orde; in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; in het belang van het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat; in het belang van de veiligheid van personen of goederen; in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid; in het belang van de gezondheid of zedelijkheid; in het belang van de arbeidsomstandigheden van de prostituee. De hier genoemde belangen vormen tezamen de 'huishouding', tot het regelen en besturen waarvan gemeenten bevoegd zijn. Ten onrechte zou de aanduiding 'weigeringsgronden' hierbij de indruk kunnen wekken dat genoemde belangen slechts zouden kunnen worden behartigd door geen vergunning te verlenen. Waar het om gaat is dat deze belangen de grondslag vormen voor de uitoefening van de bevoegdheden die het gemeentebestuur terzake toekomen. Die uit-oefening kan inhouden dat met betrekking tot (de exploitatie van) prostitutie op basis van de in dit artikel genoemde belangen: bij verordening algemeen verbindende voorschriften kunnen worden vastgesteld (zoals de in dit hoofdstuk opgenomen bepalingen); nadere regels kunnen worden vastgesteld (als bedoeld in artikel 3.1.3); beleidsregels kunnen worden vastgesteld (als bedoeld in artikel 4:81 van de Awb); vergunning kan worden verleend, onder vergunningsvoorschriften en beperkingen (als bedoeld in artikel 1.4); de vergunning kan worden gewijzigd of ingetrokken (als bedoeld in artikel 1.6) of vergunning kan worden geweigerd. De hier genoemde belangen moeten dus enerzijds worden beschouwd als de grondslag voor (en begrenzing van) het gemeentelijk beleid en anderzijds als handvatten om de (exploitatie van) prostitutie te reguleren, maximeren en beheersen. Om discussie over de bevoegdheid tot wijziging of intrekking van de vergunning te voorkomen, adviseren wij een vergunningsvoorschrift op te nemen dat niet mag worden gehandeld in strijd met het bepaalde in hoofdstuk 3 van de APV. Eerste lid, onder a: levensgedrag Zie voor toelichting hierop de toelichting onder artikel 3.2.2. Eerste lid, onder b: bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening Net zoals in de praktijk van de vergunningverlening op basis van afdeling 2.3, zal ook hier regelmatig voor kunnen komen dat er geen sprake is van een weigeringsgrond als bedoeld in het tweede lid, maar dat het geldende bestemmingsplan vestiging van een seksinrichting of escortbedrijf ter plaatse niet toelaat. Het is in dat geval lastig en onduidelijk als er vergunning wordt verleend, maar tegelijkertijd moet worden uitgelegd dat daar geen gebruik van kan worden gemaakt. Bij wijze van coördinatie is daarom strijdigheid met het bestemmingsplan, alsmede met een eventueel stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening als weigeringsgrond opgenomen. Blijkens AbRS 24 maart 1997 (AB 1997/201; JG 97.0165) is zulks aanvaardbaar omdat een dergelijke bepaling geen zelfstandige planologische regeling bevat. Weliswaar brengt het tweede lid mee dat de burgemeester in een beoordeling van het geldende bestemmingsplan treedt, maar dit laat de bevoegdheid van burgemeester en wethouders inzake de toepassing van het geldende bestemmingsplan onverlet. Van een doorkruising van de Woningwet of de Wet op de Ruimtelijke Ordening is geen sprake. Het lokale prostitutiebeleid zal behalve op basis van dit APV-hoofdstuk mede in belangrijke mate worden vormgegeven door gebruikmaking van de instrumenten van de Woningwet en de Wet op de ruimtelijke ordening. In dat kader wordt verwezen naar de VNG-ledenbrief d.d. 30 maart 1998 (Lbr. 98/48, AJZ/800989) alsmede het handboek Lokaal prostitutiebeleid (VNG uitgeverij, Den Haag, 1999). Eerste lid, onder c: minderjarig, onvrijwillig, illegaal Deze weigeringsgrond is feitelijk een bijzondere invulling van de vaker voorkomende weigeringsgrond, namelijk vrees voor ernstige verstoring van de openbare orde. Als er aanwijzingen zijn, bijvoorbeeld op basis van politierapportages, dat de voorgenomen exploitatie in strijd is met artikel 250a is vergunningverlening uitgesloten. Voorkomen moet worden dat de exploitant prostituees onder dwang arbeid laat verrichten, of mind