/akn/nl/act/gemeente/2026/CVDR757205 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/gm0855/2026/Regelingfb65bd817377468e9824282224a76fa2 /join/id/stop/work_019 2026-02-16 2026-02-16 /akn/nl/act/gemeente/2026/CVDR757205/nld@2026-02-10 /join/id/proces/gm0855/2025/procedure4156a2effddf44dbac70e80774ab9753 2026-02-10 2026-02-10 /akn/nl/act/gm0855/2026/Regelingfb65bd817377468e9824282224a76fa2/nld@2026-02-13;08043034 /akn/nl/act/gm0855/2026/Regelingfb65bd817377468e9824282224a76fa2 /akn/nl/act/gm0855/2026/Regelingfb65bd817377468e9824282224a76fa2/nld@2026-02-13;08043034 /join/id/stop/work_019 1 Omgevingsprogramma Omgevingskwaliteit met beleidsregels 1 Aanleiding 1.1 Waarom een omgevingsprogramma omgevingskwaliteit Het streven naar een goede omgevingskwaliteit is naast gezondheid en veiligheid één van de maatschappelijke doelstellingen van de Omgevingswet die op 1 januari 2024 in werking is getreden. De gemeente Tilburg werkt al sinds 2012 met een brede omgevingscommissie, die aan de hand van de Welstandsnota 2017 (actualisatie 2020) het college integraal adviseert op omgevingskwaliteit. Dit kwaliteitsbeleid is met de Nota Omgevingskwaliteit en dit omgevingsprogramma omgevingskwaliteit geactualiseerd en in lijn gebracht met de Omgevingswet. Actualisering is nodig omdat ons grondgebied uitgebreid is en onze ruimtelijke opgave in rap tempo verandert, zowel in aantal als in complexiteit. De sterke groei van de stad met ruim 35.000 woningen met bijbehorende voorzieningen en werkgelegenheid, de mobiliteitsopgave en de energietransitie gaat grotendeels plaats vinden binnen de bestaande stad en de dorpen. Dit vraagt om slimme en kwalitatief hoogwaardige (ontwerp)oplossingen, waarmee optimaal ruimtegebruik en versterking van de leefomgeving bereikt wordt. Met dit omgevingsprogramma omgevingskwaliteit brengen we samenhang en organisatie in ons kwaliteitsbeleid. Het omgevingsprogramma kan op verschillende manieren gebruikt worden: als bron van informatie en inspiratie voor initiatiefnemers, belanghebbenden en de gemeente; voor de begeleiding van een initiatief waarbij de gemeente het omgevingsprogramma als uitgangspunt neemt en initiatiefnemers stimuleert om de kwaliteitsambities na te streven; als beoordelingskader bij vergunningplichtige activiteiten en voor handhaving bij bestaande situaties (excessen). ‘Van achteraf toetsen naar vooraf sturen op kwaliteitsambitie’ Het omgevingsprogramma omgevingskwaliteit regelt niet alleen de toetsing achteraf bij de vergunningverlening, maar biedt al veel eerder in het ontwerpproces goede uitgangspunten en kaders voor initiatiefnemers, opdrachtgevers en ontwerpers. Door op tijd in het proces een inhoudelijk goed gesprek te voeren over omgevingskwaliteit kan deze brede ambitie in ontwikkelingen en initiatieven vroegtijdig meegenomen worden. Dit komt de snelheid van ontwikkeltrajecten ten goede. Kwaliteitsteams vervullen hierin naast de ambtelijke organisatie een sleutelrol, zoals bewezen in de ontwikkeling van de Piushaven en de Spoorzone. Het omgevingsprogramma is uitvoeringsgericht en bij uitstek geschikt om een brug te slaan tussen de omgevingsvisie (ambities in hoofdlijnen) en het omgevingsplan (concrete regelgeving). 1.2 Wat is omgevingskwaliteit Zorg voor een goede omgevingskwaliteit betekent aandacht voor het samengaan van aspecten met betrekking tot ruimtelijk erfgoed, de kwaliteit van natuur en landschap, de stedenbouwkundige kwaliteit, de architectonische kwaliteit van bouwwerken en de inrichting van de openbare ruimte. Daarbij wordt ook gestreefd naar samenhang in kwaliteit op verschillende ruimtelijke schaalniveaus: stad, structuur, gebieden, typologie, openbare ruimte en gebouwen. Dit omgevingsprogramma is een beleidsinstrument uit het vastgestelde Uitvoeringsplan Omgevingskwaliteit. Met het Uitvoeringsplan wordt kwaliteit vooropgezet in de uitvoering en daarnaast wordt een voorbeeldige ontwerp- en bouwcultuur stimuleert. Deze ambitie wordt in dit omgevingsprogramma verder uitgewerkt. Daarbij is er rekening mee gehouden dat een goede omgevingskwaliteit geen objectief gegeven is. Omgevingskwaliteit gaat over de waardering die mensen hebben voor bepaalde kenmerken van hun leefomgeving. Die waardering wordt altijd vanuit vakmanschap en expertise besproken en afgewogen. Samen maken we de stad en de dorpen tot een aantrekkelijke leefomgeving die meerwaarde creëert en waar we trots op zijn. ‘Samen werken aan een genereus Tilburg’ De gemeente Tilburg is ervan overtuigd dat een goede omgevingskwaliteit voortkomt uit een genereuze grondhouding. Maar wat betekent genereus in dit verband? Bij het genereus werken aan de stad, de dorpen en het buitengebied gaat het om het toevoegen van waarden. Die kunnen zowel ruimtelijk als maatschappelijk van aard zijn. Maar het belangrijkste is de erkenning dat een plek pas genereus is wanneer er rekening wordt gehouden met verschillende en wederzijdse belangen, dromen en verlangens van mensen. De stad, samen met de dorpen, moet hier een vervlechting van zijn. Dat maakt een plek gelaagd, gevarieerd én interessant. (uit publicatie “Kwaliteit Voorop! Samen werken aan een genereus Tilburg", 2025) Omgevingskwaliteit wordt bepaald door de waardering voor: kenmerken die samenhangen met de herkomstwaarde, die de geschiedenis van een gebied herkenbaar houden. Het kan gaan om plekken met historische betekenis, zoals monumenten, maar het kan ook een persoonlijk verhaal zijn bij een bepaalde plek; kenmerken die samenhangen met de belevingswaarde, zoals het groen, het uiterlijk van de bebouwing, de geborgenheid, de afwisseling of juist de rust; kenmerken die samenhangen met het gebruikswaarde van een gebied, zoals de verschillende functies, de bereikbaarheid en de toegankelijkheid; kenmerken die samenhangen met de mogelijkheden voor de toekomstwaarde, zoals kansen voor groei, duurzaamheid, robuustheid en waardevastheid. In Tilburg hebben we deze waarden uitgewerkt onder het motto 'Samen werken aan een genereus Tilburg’ en drie fundamenten (zie uitgangspunten). 1.3 Wie gaat over omgevingskwaliteit Een goede omgevingskwaliteit bereiken we in samenwerking met onze inwoners, initiatiefnemers en partners. Bij het werken aan de ruimtelijke opgaven vormt dit omgevingsprogramma een concreet en inhoudelijk kader om het gesprek te kunnen voeren over kwaliteit op verschillende schaalniveaus, zowel binnen de gemeentelijke organisatie als daarbuiten. Het omgevingsprogramma creëert concrete afwegingsruimte om tot een goede omgevingskwaliteit te komen, rekening houdend met andere ambities die ook in de ruimtelijke opgaven landen. Als gemeente nemen we de verantwoordelijkheid om sturing te geven aan het publieke belang van omgevingskwaliteit. Dat betekent dat we zorgdragen voor een goed proces waarbij omgevingskwaliteit een evenredige rol krijgt bij de planvorming. Wij voeren daarbij de regie, die zwaarder zal zijn naarmate de ingreep en de specifieke kwaliteiten van het gebied daarom vragen. In dit omgevingsprogramma is uitgewerkt welke rol wij als gemeente hebben, welke mate van kwaliteitssturing wordt gevoerd en welke processen daarbij horen. 2 Opgaven 2.1 Ruimtelijk weefsel van Tilburg 2.1.1 Inleiding Elk gebied heeft zijn eigen geschiedenis, gebruikers, functies, uitstraling en ontwikkeling en daarmee ook een eigen omgevingskwaliteit. Daarom werken we met een gebiedsgerichte aanpak, afgestemd op de kwaliteiten en opgaven in het gebied. Het doel is om hiermee een goede omgevingskwaliteit bij ruimtelijke ontwikkelingen te borgen en te stimuleren. Waarbij het vooral gaat om een samenhangend ruimtelijk weefsel van Tilburg. Als basis om te komen tot gebiedsgericht kwaliteitsbeleid en kwaliteitskaders wordt het ruimtelijk weefsel als vertrekpunt genomen. Dit is opgebouwd uit structuren, gebieden en plekken welke samen de identiteit van de gemeente Tilburg vormen. Aan de hand van een aantal thema's is het ruimtelijk weefsel in beeld gebracht om zo inzicht te geven in het rijke palet van kwaliteiten dat de gemeente Tilburg typeert. Deze thema's zijn: Geomorfologie Ruimtelijk erfgoed Stadsontwikkeling Werklandschappen Groenblauwe leefomgeving Karakter van de hoofdstructuur Betekenis en beleving Per thema volgt in dit onderdeel een compacte uitwerking met een omschrijving van de waarden en kwaliteiten, de opgaven en de ambitie ten aanzien van omgevingskwaliteit. Bijlage II bevat een verdiepende analyse van het ruimtelijk weefsel. Sommige onderdelen uit het ruimtelijk weefsel zijn op het thema omgevingskwaliteit al verder uitgewerkt in thematisch beleid of in gebiedsgerichte visies. Andere thema's zijn nog minder ver of vragen om actualisering van bestaand beleid. De analyse van het ruimtelijk weefsel vormt een vertrekpunt voor het maken van gebiedsgerichte kwaliteitskaders, en vormt daarnaast een breed beoordelingskader voor nieuwe initiatieven en ontwikkelingen. 2.1.2 Geomorfologie De geomorfologische ondergrond is letterlijk de basis voor de ruimtelijke ontwikkeling van Tilburg, Berkel-Enschot, Udenhout en Biezemortel. Beekdalen vormden natuurlijke watersystemen en op dekzandgronden ontstond de eerste bebouwing. Op sommige plekken is de bodemsamenstelling nog goed zichtbaar, bijvoorbeeld waar oude beekdalen meanderen in het (stedelijk) landschap. De ambitie is om ruimtelijke ontwikkelingen te sturen op basis van het principe ‘bodem- en watersturend’, waarbij kennis over de ondergrond wordt ingezet voor oplossingen rond klimaatadaptatie (zoals wateroverlast), energietransitie (zoals geothermie) en voor keuzes in woningbouwlocaties en gebiedsinrichting. Dit geldt voor ontwikkelingen buiten en binnen de stad en de dorpen. Dit verhoogt de herkomst-, belevings-, gebruiks- en toekomstwaarde van de openbare ruimte. Naast bodem- en watersturende ontwerpprincipes kan archeologisch onderzoek inspiratie bieden voor locatie-specifieke ontwerpoplossingen die het verhaal en de ontstaansgeschiedenis van een plek zichtbaar en beleefbaar maken. Onze bodem draagt zo letterlijk en figuurlijk de ruimtelijke ontwikkelingen in Tilburg en versterkt de lokale identiteit en het verhaal van Tilburg. Zie bijlage 2 voor meer informatie op dit thema. Geomorfologie | Stad en dorpen tussen beekdalen op hoge koppen 2.1.3 Ruimtelijk erfgoed Ruimtelijk erfgoed vormt een wezenlijk onderdeel van de identiteit van Tilburg en de omliggende dorpen. Het gaat om monumenten, cultuurlandschappen, historische structuren en waardevolle bebouwing die het ruimtelijk weefsel van stad en dorpen blijvend kenmerken. De kracht van dit erfgoed ligt niet alleen in de formeel beschermde objecten en gebieden, maar ook in de grote diversiteit aan onbeschermde kwaliteiten die bijdragen aan herkenbaarheid, continuïteit en lokale identiteit. De ambitie is om ruimtelijk erfgoed niet uitsluitend te conserveren, maar als identiteitsdrager actief in te zetten bij ruimtelijke ontwikkelingen. Dat doen we door erfgoed onderdeel uit te laten maken van het dagelijks leven en mee te laten bewegen met nieuwe functies. Dat vraagt om een zorgvuldige afweging bij transformaties en gebiedsontwikkelingen, waarbij erfgoedkwaliteiten richtinggevend zijn. Hiervoor maken we gebiedsbiografieën en transformatiekaders, waarbij erfgoed ingezet wordt als basis en inspiratiebron bij nieuwe ontwikkelingen. Kwaliteitssturing richt zich bij ruimtelijk erfgoed op behoud, beheer én doorontwikkeling van het erfgoed, waarbij recht wordt gedaan aan herkomstwaarde, maar ook aan belevings-, gebruiks- en toekomstwaarde. Zo blijft erfgoed niet alleen zichtbaar, maar draagt het actief bij aan een genereus, betekenisvol en toekomstbestendig Tilburg. Zie bijlage 3 voor meer informatie op dit thema. Basiskaart (steden)bouwkundig erfgoed 2.1.4 Stadsontwikkeling 2.1.4.1 Inleiding Aan de hand van de ontwikkeling van de stad en de dorpen is er een onderverdeling gemaakt in gebieden die op de schaal van de stad onderscheidend zijn in hun stedenbouwkundige ontwikkeling en typologie. Deze gebieden worden hieronder beknopt benoemd aan de hand van de opgaven en kwaliteitsambities die de gebieden typeren. Bijlage 4 bevat meer informatie over de ontwikkeling van de stad en dorpen en de opgaven en ambities per deelgebied. Stadsontwikkeling | Stedenbouwkundige typologieën 2.1.4.2 Hoogstedelijke gebieden In de Update Stedelijke Ontwikkelingsstrategie Wonen 2021 is de opgave voor het bouwen van ruim 25.000 woningen opgenomen. Grotendeels in de bestaande stad en dorpen. Uit deze woningbouwopgave volgt ook de toenemende vraag naar bijbehorende maatschappelijke voorzieningen, werklocaties, infrastructuur en groenvoorzieningen. In de Omgevingsvisie 2050 worden specifieke gebieden onderscheiden die een hoogstedelijk karakter krijgen en een regionale (bovenlokale) opgave kennen. Deze gebieden zijn in de kaart stadsontwikkeling zichtbaar gemaakt als de ‘hoogstedelijke gebieden’. Hier landen een aantal grote verdichtingsopgaven, zoals de Spoorzone, Piushaven, Stappegoor en het Kenniskwartier, die zorgen voor een nieuw type stedelijkheid welke we in Tilburg nog niet kennen. We hebben hierbij de ambitie om een hoogwaardige stedelijke kwaliteit toe te voegen aan de bestaande stad. Deze kwaliteit onderscheid zich door in te zetten op het verweven van functies, de inzet van meervoudig ruimtegebruik en activering van plinten, interactie en levendigheid in de openbare ruimte, de inzet van gedeelde voorzieningen, een hoge bebouwingsdichtheid en een goede ontsluiting via het openbaar vervoer. Bij de ruimtelijke verdichtingsopgaven die landen buiten deze hoogstedelijke gebieden hebben we de ambitie om aan het bestaande weefsel verschillende lagen van nieuwe kwaliteiten en passende voorzieningen toe te voegen en zo het bestaande weefsel te versterken. Dit geldt zowel voor de stad als voor de dorpen. Deze nieuwe lagen mogen herkenbaar en afleesbaar zijn. Dit vraagt om zorgvuldigheid en goed ontwerpend onderzoek om per locatie tot de juiste passende oplossing te komen. De identiteit van de bestaande omgeving is hierbij het vertrekpunt. Nieuwe waarden en kwaliteiten worden toegevoegd en maken de leefomgeving toekomstbestendig. Daarnaast zijn er nog een aantal bijzondere stedenbouwkundige typologieën met regionale functies in de kaart opgenomen. Dit zijn de twee grote ziekenhuislocaties, de universiteit, de hogescholen, sportlocaties en bijzondere zorglocaties zoals Huize Assisië, Vincentius en Amarant. Zie bijlage 4 voor meer informatie op dit thema. 2.1.4.3 Vooroorlogse stad Binnen de ringbanen ligt het grootste gedeelte van de Oude Stad, die grotendeels vooroorlogs is en is gegroeid vanuit het historische netwerk van linten, pleinen en herdgangen. Bij ontwikkelingen in de Oude Stad is het belangrijk om de groei van de stad en de historische structuur herkenbaar te houden en waar mogelijk te versterken. Daarnaast is het voor een leefbare binnenstad van groot belang dat de samenhang tussen de verschillende grote ontwikkelingen in het centrum, zoals de Piushaven, Koningswei en het Louis Bouwmeesterplein goed met elkaar en de bestaande omgeving verweven worden, zowel ruimtelijk als qua programma. Een groot deel van deze opgave landt in de openbare ruimte. Daarbij heeft de gemeente de ambitie om voetgangers en fietsers meer ruimte te geven en ligt er een grote opgave op het vlak van hittestress en vergroening. 2.1.4.4 Naoorlogse stad Na de aanleg van de ringbanen is de Oude Stad met typische naoorlogse stempelstructuren richting de contouren van de ringbanen gegroeid en zijn er in de jaren 50-60-70 grote uitbreidingswijken gerealiseerd; Tilburg Noord, Tilburg West en Groenewoud. In algemene zin hebben deze wijken een sterke hoofdstructuur met veel kwaliteit in de openbare ruimte met ruime groenvoorzieningen. Bij ruimtelijke verdichtingsopgaven is het belangrijk om deze groene kwaliteit goed te (re)activeren en programmeren. Daarnaast biedt verdichting, woningsplitsing en optoppen van bestaande bebouwing in deze wijken kansen voor een diverser woningaanbod, het behouden en verbeteren van maatschappelijke voorzieningen en bevorderen van de sociale cohesie. Dit kan door verschillende vormen van ontmoeting te stimuleren en faciliteren. 2.1.4.5 Woonerf/ -hof In de jaren 70 en 80 zijn er nieuwe stedenbouwkundige typologieën in de stad geïntroduceerd, namelijk de woonerven Zorgvlied West en een gedeelte van de huidige wijk Groenewoud. Deze wijken kennen een eigen maat en schaal binnen de context van de stad. De ambitie is om de samenhang en kwaliteit van de erven en hoven te behouden en te versterken. Waar mogelijk is verdichting, woningsplitsing en optoppen van bestaande bebouwing wenselijk. 2.1.4.6 Bloemkoolwijk Woonwijk de Blaak is in de jaren ‘80 als een bijzondere vorm van het woonerf, namelijk binnen een zogenaamde ‘bloemkool’ structuur, ontworpen en ontwikkeld. De wijk heeft een sterke relatie met het buitengebied en in de wijk zijn veel water- en groenpartijen opgenomen. De ambitie is om de samenhang binnen de wijk, de relatie met natuurgebied De Blaak en de kwaliteit van het groene karakter in de wijk te behouden en te versterken. Waar mogelijk is verdichting, woningsplitsing en optoppen van bestaande bebouwing wenselijk. 2.1.4.7 Dorpen De drie dorpen Berkel-Enschot, Udenhout en Biezenmortel zijn organisch gegroeid en tot de jaren '90 steeds met kleinschalige bebouwing uitgebreid. De dorpen hebben elk hun eigen unieke karakter. De dorpse bebouwing bestaat hoofdzakelijk uit een fijne korrel van tweekappers, vrijstaande huizen en soms korte rijwoningen. Sinds de jaren ‘90 zijn er enkele grotere uitbreidingen aan de dorpen toegevoegd. Bij het vaststellen van het Koersdocument Oostflank
(2024)is de bouwopgave vanuit de Update Stedelijke Ontwikkelingsstrategie Wonen voor de dorpen vastgelegd. Belangrijke thema's hierbij zijn toekomstbestendig en betaalbare huisvesting voor starters en het stimuleren van doorstroming op de woningmarkt door meer diversiteit in het woningaanbod aan te brengen. Het toevoegen van woningen gebeurt enerzijds door dorps te verdichten en anderzijds door nieuwe dorpsranden te ontwikkelen die kansen bieden voor nieuwe vormen van wonen (nieuwe dorpse woontypologieën) en die daarnaast de aanhechting van de dorpen op het omliggende landschap versterken. Met het toevoegen van woningen in de dorpen is er meer draagvlak voor voorzieningen en wordt de leefbaarheid vergroot. 2.1.4.8 VINEX (Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra) In de afgelopen decennia is de woonwijk Reeshof ontwikkeld, een van de eerste bodem- en watergestuurde gebiedsontwikkelingen in Nederland. De wijk is door de jaren heen steeds verder gegroeid en wordt gekenmerkt doordat de wijk volledig zelfvoorzienend is en daarmee als een zelfstandig stadsdeel functioneert. Binnen de wijk liggen verschillende buurten, die als een eenheid ontworpen zijn. Het behouden en versterken van (de bereikbaarheid van) goede voorzieningen is daarom belangrijk. Binnen de Reeshof verandert door de tijd heen de bevolkingssamenstelling. Mede daardoor veranderen de behoeftes aan maatschappelijke voorzieningen en ontstaan er vraagstukken omtrent de mogelijkheden tot het aanbrengen van een grotere diversiteit aan woonvormen door bijvoorbeeld verdichting, woningsplitsing en het optoppen van bestaande bebouwing. 2.1.4.9 Hedendaags Aan de zuidkant van Tilburg en tegen de dorpen zijn vanaf de jaren ‘90 nieuwe woongebieden ontwikkeld. Dit zijn deels transformaties van bestaande complexen, zoals het Cenakel, deels doorontwikkelingen, zoals het nieuwe dorpshart in Berkel-Enschot, deels nieuwe uitbreidingen, zoals bij de Mortel in Udenhout. Deze hedendaagse uitbreidingslocaties zijn veelal projectmatig tot stand gekomen en hebben een samenhangende stedenbouwkundige structuur en een eigen architectonische uitstraling. Incidenteel komen er ook gebieden voor waar ruimte is gegeven voor individuele invulling van kavels met (half)vrijstaande woningbouw. Kleine nieuwe ontwikkelingen binnen deze gebieden sluiten aan op de kwaliteiten van de omgeving. Dit zijn vooral woningaanpassingen en –uitbreidingen. 2.1.4.10 Bedrijventerreinen/ werklocaties De bedrijventerreinen en werklocaties zijn apart uitgelicht en beschreven in onderdeel werklandschappen '2.1.5' aan de hand van het Programma Revitalisering Bedrijventerreinen. 2.1.5 Werklandschappen In Tilburg is er een grote diversiteit aan verschillende soorten werklandschappen. Er zijn gemengde en meer grootschalige bedrijventerreinen, maar ook diverse kleinschalige en binnenstedelijke werkgebieden. Ook de agrarische productielandschappen, ziekenhuislocaties, de Kennisas en het centrum zijn op het niveau van de gemeente belangrijke werklocaties. Samen vertellen ze het verhaal en de economische ontwikkeling van de werkstad Tilburg. Werklandschappen Vanuit het Programma Revitalisering Bedrijventerreinen worden samen met het bedrijfsleven toekomstbeelden en kansrijke ontwikkellocaties geformuleerd. Deze komen voort uit gebiedsgerichte, ontwerpende onderzoeken en gebiedsagenda's. Een aantrekkelijke werkomgeving is een steeds belangrijker wordende vestigingsfactor voor bedrijven. De ruimtelijke kwaliteit van bedrijventerreinen heeft daarom in de afgelopen jaren steeds meer aandacht gekregen. Daarnaast is de beschikbare ontwikkelruimte schaars en hebben we de ambitie om de werklandschappen toekomstbestendig door te ontwikkelen. De dynamiek binnen deze werkgebieden vraagt om sturing op de ruimtelijke opgaven. Daarnaast hebben we de ambitie om in te zetten op een goede omgevingskwaliteit. Vanuit de programmatische revitaliseringsaanpak wordt gewerkt aan een gebiedsgericht kwaliteitskader voor bedrijventerreinen. Dit beschrijft de ambities en uitgangspunten voor een goede omgevingskwaliteit op bedrijventerreinen en bevat regulerende en stimulerende criteria waar de omgevingscommissie bij omgevingsvergunningen aan toetst. Deze criteria bieden ondernemers en hun adviseurs houvast. Zie bijlage 5 voor meer informatie op dit thema. 2.1.6 Groenblauw netwerk Tilburg ligt ingebed in een divers landschap met waardevolle natuursystemen zoals De Brand en de Leemkuilen, die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Brabant en Natura2000. In de stad en de dorpen is sprake van een fijnmazig groen/blauw netwerk. Rondom de stad liggen drie grote landschapsparken – Stadsbos 013, Landschapspark Pauwels en Moerenburg-Koningshoeven. Het gehele groen/blauwe netwerk draagt wezenlijk bij aan omgevingskwaliteit: het vormt een belangrijke basis voor een gezonde, klimaatbestendige en aantrekkelijke leefomgeving. De aanwezigheid van groen en water vergroot de belevingswaarde, biedt verkoeling, bevordert sport en ontmoeting, versterkt biodiversiteit en verbindt de stad ruimtelijk en ecologisch met haar omgeving. De ambitie is om bij ruimtelijke ontwikkelingen dit netwerk te behouden, te versterken en optimaal te benutten als contramal voor de verdichting van de bestaande woon-werk gebieden. Dit betekent werken aan robuuste verbindingen, zachte overgangen tussen stad/dorp en landschap en een sterke verweving van groen en water tot diep in de wijken. In het Programma 013 Parken zijn deze verbindingen aangeduid als de waterlijn, de boslijn en de cultuurlijn. Ook de beekdalen vervullen een sleutelrol als ecologische en recreatieve dragers. Zie bijlage 6 voor meer informatie op dit thema. Groenblauw netwerk | Totaalbeeld met identiteitsdragers programma 013 parken Identiteitsdragers Programma 013 parken 2.1.7 Karakter hoofdinfrastructuur Naast het belang van een klimaatrobuuste, groene en biodiverse leefomgeving wordt de beleving en het gebruik van de openbare ruimte sterk bepaald door de manier waarop de (hoofd)infrastructuur wordt ingepast in zijn omgeving. De ringbanen, het spoor, het kanaal en de snelwegen vormen lange lijnen door bebouwd en onbebouwd gebied en zijn daarmee zeer beeldbepalende structuren in het ruimtelijk weefsel. Ze zorgen voor verbinding tussen de verschillende woon-, werk- en buitengebieden, maar werpen daarnaast ook fysieke barrières op. De wijkontsluitingswegen en historische linten verzorgen een fijnmazige verbinding tussen deze lange lijnen. Karakter hoofdinfrastructuur | Lange belevingslijnen en duidelijke entrees De belevingswaarde van de verschillende elementen uit de hoofdinfrastructuur is heel divers en wordt gekenmerkt door uiteenlopende kwaliteiten; van landschappelijke oevers, tot versteende stadsstraten. De manier waarop onze (hoofd)infrastructuur wordt ingebed in het landschap en de dorpse en stedelijke omgevingen is sterk bepalend voor de identiteit van wijken en gebieden. Het is onze ambitie om bij onze mobiliteitsopgave de beleving- en gebruikswaarde te vergroten en in samenhang te ontwerpen. De hoofdinfrastructuur bevat belangrijke identiteitsdragers. We koesteren de bestaande kwaliteiten van de oude, lommerrijke lanen, de ecologische verbindingszones gekoppeld aan het spoor en het kanaal, de groene parkways en zorgen voor toegankelijke en uitnodigende verbindingen, knooppunten en entreemomenten naar de stad, de dorpen en de wijken. De verbindende continuïteit van deze structuren speelt een belangrijke rol, mede door de inrichting en herkenbaarheid. Zie bijlage 7 voor meer informatie op dit thema. 2.1.8 Betekenis en beleving Naast fysieke kwaliteiten kent Tilburg een laag van immateriële waarden: ervaringen, verhalen en herinneringen die verbonden zijn met specifieke plekken. Ook deze laag geeft de stad, dorpen en plekken betekenis en identiteit. Het gaat om een collectieve waardering, niet altijd zichtbaar, maar sterk bepalend voor hoe bewoners en bezoekers de omgeving ervaren. Het gevoel van thuiskomen, veiligheid of maatschappelijke verbondenheid maakt deze plekken tot smaakmakers van de stad. Ontwerp van bijzondere gebouwen (‘archipunctuur’) en van bijzondere elementen in de openbare ruimte kan daarop aanhaken en de plek verbijzonderen. Bij het ontwikkelen van gebiedsbiografieën worden immateriële waarden ook in beeld gebracht en kunnen zo meegenomen worden bij gebieds- en planontwikkelingen. In relatie tot omgevingskwaliteit vormt deze laag een essentiële aanvulling op de fysieke structuren. Waar landschap, erfgoed en stedelijke ontwikkeling de ruimtelijke basis leggen, voegt betekenis en beleving de zachte waarden toe die boven projecten uitstijgen. Zij inspireren, agenderen nieuwe kansen en maken duidelijk welke plekken bijdragen aan identiteit, verbondenheid en leefkwaliteit. De ambitie is om deze waarden actief te verankeren in ruimtelijke ontwikkeling. Dat vraagt om participatie, waarbij bewoners en gebruikers hun verhalen en betekenissen toevoegen. Bijvoorbeeld met een interactieve kaart of bij het opstellen van gebiedsvisies. Zo ontstaat een breed gedragen beeld van collectieve waarden dat richting kan geven aan functies, planontwikkeling en ontwerp. Zie bijlage 8 voor meer informatie op dit thema. 2.2 Gebiedsgericht kwaliteitskader 2.2.1 Inleiding Het ruimtelijk weefsel op gemeentelijk niveau vormt een basis om te sturen op de gewenste kwaliteit bij ruimtelijke ontwikkelingen. We streven hierbij naar aansluiting op en versterking van dit weefsel. Voor de afzonderlijke gebieden zijn de ruimtelijke opgaven vastgelegd in gebiedsperspectieven, -programma's, -visies of koersdocumenten. Om hierbij goed te kunnen sturen op de gewenste omgevingskwaliteit is verdieping van de kennis van het ruimtelijk weefsel nodig in de vorm van gebiedsgerichte kwaliteitskaders. In een gebiedsgericht kwaliteitskader worden de karakteristieken en kwaliteiten van een gebied benoemd, waarbij de relatie wordt gelegd met de meer opgavegerichte gebiedsperspectieven/-programma’s. Het vormt een inspiratie- en toetsingsdocument en verbindt de schaal van de stad met die van de concrete projecten. Het bouwt voort op het gemeentelijk ruimtelijk weefsel en biedt ruimte om specifieke thema’s (zoals verdichting of toekomstbestendig bouwen) gebiedsgericht en concreet uit te werken. Het kwaliteitskader kan voortkomen uit een gebiedsbiografie die de identiteit van een gebied beschrijft. Op projectniveau is vaak een aanvullend beoordelingskader nodig, bijvoorbeeld in de vorm van een beeldkwaliteitsplan. Dit heeft een ontwikkelgericht karakter en bevat ambities en criteria voor gebouwen en de openbare ruimte. Het helpt gebiedsambities op projectniveau verder uit te werken zonder het ontwerp al vast te leggen. Een beeldkwaliteitsplan is vooral geschikt voor grotere of gefaseerde ontwikkelingen met meerdere partijen. De gemeenteraad stelt zowel gebiedsgerichte kwaliteitskaders als beeldkwaliteitsplannen vast als beleidsregel, als aanvulling op het omgevingsprogramma omgevingskwaliteit. Zo ontstaat een consistent stelsel van instrumenten dat richting geeft aan de gewenste omgevingskwaliteit op verschillende schaalniveaus. De volgende kwaliteitskaders/ beeldkwaliteitsplannen zijn van toepassing binnen Gemeente Tilburg: Kwaliteitskader Enschotsebaan : Stedenbouwkundigplan Enschot Zuid & Beeldkwaliteitsplan Overhoek Enschotsebaan Kwaliteitskader Spoorzone : Koersdocument Spoorzone Kwaliteitskader Nieuwe Warande : Inspiratieboek Nieuwe Warande Kwaliteitskader Piushaven : Stedenbouwkundige visie
(2018), Stedenbouwkundige structuur en beeldkwaliteit Fabriekskwartier
(2023)en Regiedocument Residentie
(2024)Kwaliteitskader Tradepark 58 : Verkaverlings- & beeldkwaliteitsplan bedrijventerrein Surfplas Kwaliteitskader Zorgcampus : Ontwikkelleidraad Zorgcampus Kwaliteitskader Smariuskade : Beeldkwaliteitsplan Smariuskade Kwaliteitskader Kolenvense Akkers : Beeldkwaliteitsplan De Kolenvense Akkers Kwaliteitskader Berk&Hout : Beeldkwaliteitsplan Berk&Hout Kwaliteitskader Koningsoord : Beeldkwaliteitsplan Koningsoord 2.2.2 Instrumenten per schaalniveau Het omgevingsprogramma omgevingskwaliteit werkt op drie niveaus: gemeente, gebied en project. Op elk niveau zijn instrumenten beschikbaar die samen één consistent stelsel vormen. Zo ontstaat een doorlopende lijn van visie tot uitvoering, waarmee sturing wordt gegeven op omgevingskwaliteit. Instrumenten per schaalniveau Gemeente Gebied Project Nota omgevingskwaliteit: Omvat het gemeentelijk kwaliteitsbeleid op basis van de ambities in de omgevingsvisie. Geeft kaders voor alle schaalniveaus, maar niet altijd concrete uitwerking op gebieds- of projectniveau. Wordt vastgesteld door de gemeenteraad. Gebiedsbiografie: Geeft inzicht in de ontwikkeling en context van een gebied en benoemt landschappelijke, stedenbouwkundige, architectonische en cultuurhistorische waarden. Dient als identiteits- en tijdsdrager met een analyse van bestaande kwaliteiten en tekortkomingen. Kan basis zijn of onderdeel uitmaken van een gebiedsgericht kwaliteitskader. Waar nodig leidt dit tot bescherming van waardevolle objecten, ensembles en structuren in het omgevingsplan. Gebiedsgericht kwaliteitskader: Verdiept het ruimtelijk weefsel naar gebiedsniveau en omvat beschrijvingen, richtlijnen en gebiedscriteria. Biedt ruimte voor thema’s als verdichting of toekomstbestendig bouwen. Het resultaat is een visie op de gebouwde en openbare ruimte, gekoppeld aan een beoordelingskader dat richting geeft aan ruimtelijke initiatieven. Wordt door de gemeenteraad vastgesteld als onderdeel van de Nota Omgevingskwaliteit. Beeldkwaliteitsplan: Aanvullend beoordelingskader op projectniveau, voortkomend uit ontwerpend onderzoek. Heeft een ontwikkelgericht karakter en helpt gebiedsambities op projectniveau verder uit te werken zonder het ontwerp al helemaal uit te denken. Bevat ambities en criteria voor gebouwen, stedenbouw en openbare ruimte. Wordt als beleidsregel vastgesteld door de gemeenteraad, als aanvulling op de Nota Omgevingskwaliteit. 3 Proces en participatie 3.1 Beleidsregels 3.1.1 Inleiding Het omgevingsprogramma wordt vastgesteld door het college als bedoeld in afdeling 3.2 van de Omgevingswet. Bij vaststelling van het omgevingsprogramma kan het college uitvoering geven aan het omgevingsprogramma en gebruik maken van de opgenomen beleidsregels in deel B. De definitie van een beleidsregel staat in artikel 1:3 lid 4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Titel 4.3 van de Awb geeft regels over beleidsregels, bijvoorbeeld wie beleidsregels mag vaststellen en wanneer je mag afwijken. De beleidsregels ten aanzien van het uiterlijk van bouwwerken in onderdeel 6 zijn door de gemeenteraad vastgesteld in de Nota Omgevingskwaliteit conform artikel 4.19 van de Omgevingswet. Hiermee wordt de verplichting van het voormalige artikel 12a van de Woningwet ten aanzien van opstellen van een welstandsnota inhoudelijk voortgezet. Het omgevingsprogramma en de beleidsregels zijn zelfbindend. Dit betekent dat het alleen bindend is voor het college. Een omgevingsprogramma kan inwoners en bedrijven stimuleren om die dingen te doen, die helpen om de doelstellingen te behalen. Beleidsregels hebben een andere werking dan het andere beleid in het omgevingsprogramma. Daarom zijn deze herkenbaar in deel B opgenomen. De beleidsregels in deel B worden gekoppeld aan regels in het omgevingsplan waardoor deze het afwegingskader vormen voor bepaalde activiteiten, zoals bouw-, monument- en aanlegactiviteiten. 3.1.2 MER-plicht Als een omgevingsprogramma een kader vormt voor projecten genoemd in Bijlage V Omgevingsbesluit en boven de drempelwaarde uitkomt, of als er bij de voorbereiding een passende beoordeling moet worden gemaakt, dan is er sprake van een plan-m.e.r.-plicht. Met het omgevingsprogramma omgevingskwaliteit wordt echter geen extra ontwikkelmogelijkheid geboden voor bouw- en inrichtingsprojecten en het omgevingsprogramma heeft geen directe gevolgen voor het milieu. Het stelt alleen extra voorwaarden aan de beoogde ontwikkelingen en plannen van gemeente en initiatiefnemers Derhalve is geen sprake van een mer-(beoordelings)plicht. 3.2 Uitwerking in het omgevingsplan 3.2.1 Inleiding Uiteindelijk zorgt het nieuwe omgevingsplan voor de juridische borging van de kwaliteitsbeoordeling en -advisering. Op dit moment werkt de gemeente met een tijdelijk omgevingsplan. De Roadmap Omgevingsplan
(2024)voorziet in een aanpak om voor eind 2031 te komen tot een volwaardig omgevingsplan. Hiervoor is een continu en een zich steeds herhalend proces van leren en bijstellen ingezet. Dat gebeurt langs verschillende parallel lopende sporen. Spoor 1: Nieuwe gebiedsontwikkelingen worden gelijk geregeld in nieuwe (deel)omgevingsplannen en BOPA's Spoor 2: Bestaande ruimtelijke regels (zoals bestemmingsplannen) worden gebiedsgericht ‘verhuisd’ naar het nieuwe omgevingsplan. Spoor 3: Nieuwe thema's die voor het heel Tilburg van toepassing zijn worden apart uitgewerkt en toegevoegd. Omgevingskwaliteit is zo'n nieuw thema en is nog niet geregeld in bestaande bestemmingsplannen. Er wordt daarom prioriteit gegeven aan dit onderwerp om als een van de eerste uitwerking op te nemen in het omgevingsplan. Dit betekent bijvoorbeeld uitwerking van zorgplichten en een beoordelingsgrondslag voor omgevingskwaliteit bij verschillende ingrepen in de fysieke leefomgeving, zoals bouw-, aanleg- of monumentenactiviteiten. Tevens wordt in het omgevingsplan door de gemeenteraad aangegeven wanneer het college van burgemeester en wethouders de Omgevingscommissie of andere adviseurs om advies moet vragen. Het is ook mogelijk dat onderdelen van dit omgevingsprogramma omgezet worden naar regels in het omgevingsplan. Hieronder wordt voor een aantal aspecten uitleg gegeven over de doorwerking naar het omgevingsplan. 3.2.2 Zorgplicht Iedereen moet voldoende zorg dragen voor de fysieke leefomgeving (artikel 1.6 Omgevingswet). Nadelige gevolgen van activiteiten moeten worden voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt en als dat niet kan moet de activiteit achterwege gelaten worden (artikel 1.7 Omgevingswet). Bovendien is het verboden een activiteit te verrichten of na te laten als daardoor aanzienlijke nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving ontstaan of dreigen te ontstaan (artikel 1.7a Omgevingswet). De gemeente kan deze zorgplicht handhaven door direct optreden door het opleggen van een maatwerkvoorschrift, mits het omgevingsplan deze mogelijkheid biedt. Onder de wetgeving van voor de Omgevingswet, de voormalige Woningwet, mocht een bestaand bouwwerk niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand. Onder de Omgevingswet is deze wettelijke bepaling overgeheveld naar het tijdelijke omgevingsplan in artikel 22.7 van de bruidsschat voor het omgevingsplan. In het nieuwe omgevingsplan kan deze excessenregeling in verder uitgewerkt worden als specifieke zorgplicht voor ontsiering van de omgeving. Deze vervangt dan de regeling voor repressief toezicht uit het tijdelijke omgevingsplan (bruidsschat). Dit kan als volgt worden verwoord: Eenieder die een bouwwerk in stand houdt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat een bouwwerk leidt tot ernstige ontsiering van de omgeving is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om deze ontsiering te voorkomen. Het college van burgemeester en wethouders kan met het oog op het belang, bedoeld in artikel [verwijzing naar oogmerk voor in stand houden bouwwerk] bij ernstige ontsiering een maatwerkvoorschrift [1] opleggen met het doel de ontsiering op te heffen. [2] Vanuit een bredere benadering van omgevingskwaliteit zoals bedoeld in dit omgevingsprogramma kan ook een algemene zorgplicht in het omgevingsplan worden opgenomen voor alle activiteiten. Dit kan als volgt worden verwoord: Eenieder die een situatie in de fysieke leefomgeving in stand houdt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die kan leiden tot aantasting van de bestaande omgevingskwaliteit beoordeeld naar de beoordelingsregels in het omgevingsplan en uitwerking in beleidsregels, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om deze aantasting te voorkomen. Het college van burgemeester en wethouders kan met het oog op het belang, bedoeld in artikel [verwijzing naar algemene doelen omgevingsplan] bij aantasting een maatwerkvoorschrift opleggen met het doel de aantasting op te heffen. Van aantasting is sprake als een situatie ernstig afbreuk doet aan de omgevingskwaliteit zoals bedoeld en verwoord in dit omgevingsprogramma en uitwerkingen daarvan. Bij het opstellen van het nieuwe omgevingsplan zal de precieze formulering van de zorgplicht uitgewerkt worden. [1] Een maatwerkvoorschrift is een specifiek voorschrift voor een activiteit voor individuele gevallen en staat in een apart maatwerkbesluit. Met een maatwerkvoorschrift kan het bevoegd gezag een concrete plicht opleggen om iets te doen of juist na te laten. Als niet tijdig aan het opgelegde maatwerkvoorschrift wordt voldaan kan handhavend worden opgetreden. Het maatwerkvoorschrift werkt dus als een uitwerking van de zorgplicht. [2] Het college neemt hierover een besluit. Over dat besluit kan bezwaar worden ingediend. 3.2.3 Algemene regels In het omgevingsplan kunnen algemene regels opgenomen die altijd gelden. Het streven van de Omgevingswet is om zoveel mogelijk via algemene regels, in plaats van via vergunningplichten te reguleren en onder andere daarmee zorg te dragen voor een snellere besluitvorming. Dit omgevingsprogramma omgevingskwaliteit maakt onderscheid in gebieden en beleidsniveaus. Dat kan gebruikt worden voor genuanceerd algemene regels op te stellen voor bepaalde activiteiten in het omgevingsplan. Bijvoorbeeld voor kleine bouwactiviteiten. Bij het opstellen van de algemene regels voor bouwactiviteiten kunnen de criteria uit onderdeel 6 overgeheveld worden naar het nieuwe omgevingsplan. Per beleidsniveau kan worden besloten of de criteria als algemene regel wordt opgenomen, of als beoordelingsregel gekoppeld aan een vergunningplicht. Zo kan voor gebieden waar de regie is gericht op ‘beschermen’ zoals bij beschermd erfgoed ook voor bepaalde kleine bouwplannen een vergunningplicht worden opgenomen, terwijl dat voor gebieden waar de regie is gericht op ‘basis’ als algemene regels wordt opgenomen. Dan is dus onder de gestelde voorwaarden geen vergunning nodig en kan de gemeente alleen handhavend optreden. 3.2.4 Vergunningplichten en beoordelingsregels Beoordelingsregels in het omgevingsplan zijn bedoeld voor vergunningsplichtige activiteiten. Ze kaderen de afweging om wel of geen omgevingsvergunning te verlenen. Beoordelingsregels kunnen gesloten of open zijn. Voor bepaalde kleine bouwplannen kunnen gesloten regels voldoende duidelijkheid bieden. Hierbij kan rekening worden gehouden met de criteria voor kleine bouwplannen zoals opgenomen in het onderdeel 6.6 beleidsregels: concrete criteria. Voor andere activiteiten zijn open beoordelingsregels mogelijk. Deze open regels kan een nadere interpretatie en afweging vragen in het licht van een concrete activiteit. Open regels in het omgevingsplan kunnen daarom uitgewerkt worden in een beleidsregel. Voor het uiterlijk van bouwwerken is dat zelfs verplicht (Artikel 4.19 Omgevingswet) als in het omgevingsplan regels worden opgenomen over het uiterlijk van bouwwerken. Onderdeel 6.4, 6.5, 6.6, en 6.7 van dit omgevingsprogramma vormen de beleidsregels voor bouwwerken, monumenten en inrichting van open ruimte. Het is dus belangrijk bij het opstellen van het omgevingsplan om rekening te houden met de beleidsregels en bij de omgevingsplanregels daarnaar te verwijzen. 3.2.5 Verplichte advisering door de omgevingscommissie In het omgevingsplan wordt aangegeven voor welke activiteiten advisering door de Omgevingscommissie en eventuele andere adviseurs verplicht is. Een en ander conform Artikel 16.15a Omgevingswet lid c. Op basis van dit omgevingsprogramma en de Reglement voor de Omgevingscommissie vraagt het college van burgemeester en wethouders advies aan de Omgevingscommissie, zijnde de gemeentelijke adviescommissie als bedoeld in Artikel 17.9 Omgevingswet en het Reglement op de Omgevingscommissie, over de volgende activiteiten: een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een monument (wettelijk verplicht). een gemeentelijke monumentenactiviteit een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op: een Rijks- en gemeentelijke beschermde stads- of dorpsgezicht; een (voorbeschermd) gemeentelijk monument; de omgeving van een beschermd rijks- of gemeentelijk monument; het bouwen van een bouwwerk; het aanbrengen van handelsreclame; het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde; (aanlegactiviteit) het stellen van maatwerkvoorschriften in verband met het uiterlijk en plaatsing van bouwwerken en de zorg voor cultureel erfgoed. Bij het opstellen van het nieuwe omgevingsplan zal de precieze formulering en opsomming met verwijzing naar de activiteiten uitgewerkt worden. Overigens kan het college van burgemeester en wethouders te allen tijde op eigen verzoek advies vragen aan de omgevingscommissie over andere activiteiten, met het oog op het bereiken en behouden van een goede omgevingskwaliteit. Dat kan ook gaan over het ontwikkelen van beleid inclusief omgevingsvisie en het omgevingsplan. Zie daarvoor ook het Reglement op de Omgevingscommissie. 3.3 Participatie van inwoners en belanghebbenden De afgelopen jaren is er volop met onze inwoners, maatschappelijke organisaties en bedrijven gesproken over ‘omgevingskwaliteit’, en wat we daaronder verstaan. Dat gesprek zetten we graag de komende jaren voort! In 2023 hebben we, aan de hand van een tweetal inspiratiesessies, het gesprek over omgevingskwaliteit met de samenleving opgestart. Samen met o.a. wijkraden, studenten, architecten, ontwikkelaars, en vertegenwoordigers van Toegankelijk Tilburg en Stadsbos013 hebben we gesproken over wat we onder omgevingskwaliteit verstaan en hoe we samen aan kwaliteit kunnen werken. In die gesprekken is de ‘ziel van de stad’ verder ontleed. Daarbij werden waarden als ‘duurzaamheid’, ‘inclusiviteit’ en ‘identiteit en historie’ veelvuldig genoemd door onze gesprekspartners. Ook gaven onze gesprekspartners aan dat we niet bang moeten zijn om ambitieus te zijn, en dat samenwerken en met elkaar meedenken randvoorwaardelijk is om te bouwen aan kwaliteit. Vervolgens hebben we op verschillende deelopgaven uit dit omgevingsprogramma (zoals het hoogbouwbeleid) stadsgesprekken en expertmeetings georganiseerd. Ook hebben we geput uit andere participatietrajecten (zoals Tilburg in 2050) en dit meegenomen in ons denken over ‘omgevingskwaliteit’. Op basis van al deze input hebben we de uitgangspunten voor dit omgevingsprogramma opgesteld en, in april 2025, in een stadsgesprek in de Boemel getoetst bij inwoners en belanghebbenden. In het stadsgesprek stond het ‘toevoegen van gemeenschappelijke waarde’ bij ruimtelijke ontwikkelingen centraal, bijvoorbeeld over de herkomstwaarde van een locatie: wat is het verleden van een plek? Of over welke functionaliteiten op een plaats aanwezig (moeten) zijn: de gebruikerswaarde. In het stadsgesprek werden die ‘waarden’ al een stuk concreter. Zo zoomden we met de aanwezigen in op het belang van meervoudig ruimtegebruik en het stapelen van functies, ruimte om te ontmoeten, de noodzaak aan bepaalde voorzieningen en de kansen die plinten daarvoor bieden. Ook deelden aanwezigen zorgen over de stadsontwikkeling, bijvoorbeeld ten aanzien van wat hoogbouw doet voor de leesbaarheid van de stad en voor het (vertrouwde) karakter van verschillende wijken en dorpen. Met de input uit het stadsgesprek hebben we de puntjes op de i gezet in dit omgevingsprogramma. Na vaststelling van dit omgevingsprogramma gaan we aan de slag met de volgende stap. We leggen de kwaliteitsregels vast in een omgevingsprogramma. Dit omgevingsprogramma – en de gesprekken die we ter voorbereiding op dit omgevingsprogramma met inwoners, maatschappelijke organisaties, en bedrijven hebben gevoerd – is hiervoor leidend. In dit onderdeel en in de bijlagen hebben we, in lijn met Omgevingsbesluit artikel 10.8, uitgelegd hoe we inwoners, maatschappelijke organisaties en bedrijven hebben betrokken in de voorbereiding op het omgevingsprogramma en wat daar de resultaten van zijn. Bovendien is dit omgevingsprogramma geen statisch document. We blijven in gesprek met inwoners, maatschappelijke organisaties, en blijven de het omgevingsprogramma aanscherpen en evalueren. Zo bouwen we samen aan ‘kwaliteit’. 4 Doelen fysieke leefomgeving 4.1 Doel Het streven naar een goede omgevingskwaliteit is naast gezondheid en veiligheid één van de drie maatschappelijke doelstellingen van de nieuwe omgevingswet. Goede omgevingskwaliteit is ook één van de doelen van de Omgevingsvisie Tilburg 2050 (Omgevingsvisie deel A). Dit omgevingsprogramma vormt een uitwerking van de ambities zoals gesteld in deze omgevingsvisie en bouwt daarnaast voort op bestaand kwaliteitsbeleid. Het brengt inhoudelijke aspecten samen met hoe wij als gemeente samen met u die kwaliteitsambities gaan organiseren. Het omgevingsprogramma omgevingskwaliteit stuurt op verschillende schaalniveaus, van gemeentelijk tot gebieds- en projectgericht schaalniveau, en thema's op het realiseren van een goede omgevingskwaliteit. Het vormt een bron van informatie en inspiratie voor initiatiefnemers, belanghebbenden en de gemeente. Het Omgevingsprogramma Omgevingskwaliteit is voor de gemeente het uitgangspunt bij de begeleiding van een initiatief en stimuleert initiatiefnemers om de kwaliteitsambities na te streven en de juiste afwegingen te maken. Daarnaast is het Omgevingsprogramma Omgevingskwaliteit een beoordelingskader bij vergunningplichtige activiteiten en voor handhaving bij bestaande situaties (excessen). De komende jaren wordt, in samenspraak met de ontwikkeling van de beleidscyclus, een werkwijze voor de monitoring van dit omgevingsprogramma opgezet. Hierbij vindt een logische doorwerking van de monitoring plaats in de omgevingsvisie, het omgevingsplan en de uitvoering. Dit leidt ook tot een concretere uitwerking van het maatschappelijke doel voor 'het streven naar een goede omgevingskwaliteit' naarduidelijke doelen en een set indicatoren waarmee we deze kunnen monitoren en bijsturen. Dit maakt het omgevingsprogramma dynamisch. In onderdeel 5 is wel al een visie gegeven op de uitwerking van de maatschappelijke doelstelling van de Omgevingswet. 5 Uitgangspunten 5.1 Inleiding De ambitie van de gemeente Tilburg ten aanzien van omgevingskwaliteit zijn in fundamenten vertaalt en bevat een overzicht van het ruimtelijk weefsel met waarderingen, kwaliteiten en uitgangspunten. Deze vormen het vertrekpunt voor het maken van gebiedsgerichte kwaliteitskaders en geven daarmee richting bij gebiedsontwikkelingen en initiatieven, inspireren en informeren. Ook de manier van kwaliteitssturing hangt hiermee samen. In dit deel leggen we vanuit een genereuze grondhouding een stevige basis voor het uitwerken van de beoordelingskaders. 5.2 Kwaliteit voorop! 5.2.1 Omgevingskwaliteit in Tilburg Tilburg heeft een grote kwantitatieve opgave in de groei van de stad met ruim 25.000 woningen tot 2040 met bijbehorende voorzieningen en werkgelegenheid (Stedelijke Ontwikkelingsstrategie Wonen 2021). Deze opgaven landen grotendeels in de bestaande stadswijken en de dorpen. Daarbij stelt Tilburg zichzelf de ambitie en behoefte om kwaliteit voorop te zetten, zowel de kwaliteit van gebouwen als van de openbare ruimte. De groeiopgave biedt Tilburg veel kansen om kwalitatief hoogwaardige dorpse en stedelijke omgevingen te maken, die op enkele plekken zelfs hoogstedelijke vormen gaat krijgen; woon- en werkmilieus die we in Tilburg op dit moment nog niet kennen. Dat biedt ruimte voor vernieuwing en experiment. Daarnaast is het door de verdichting van onze bestaande woongebieden noodzakelijk om de opgaven integraal te benaderen en de kwaliteiten van het landschap als groene contramal te versterken en nog beter te verbinden met de stad en de dorpen. Tilburg kent in haar stedelijke ontwikkeling al lang een sterke bouw- en ontwerpcultuur, waarin identiteit, kwaliteit en vernieuwing altijd een rol hebben gespeeld. Met de snelle groei van de stad tijdens de industrialisatie van de textielindustrie eind 19e/begin 20e eeuw vormde het structuurplan van Rückert
(1917)de eerste grootschalige ruimtelijke sturing op de ontwikkeling van de stad met de aanzet voor de ontwikkeling van de ringbanen rond de oude stad. Na de tweede wereldoorlog ontstonden de eerste grootschalige uitbreidingswijken in Noord, West en Zuid en leidde het wegvallen van de industrie in de jaren 70 en 80 tot grote leegstand in het centrum en aan de linten. Het Structuurplan Oude Stad zette in op grootschalig stadsherstel dat ruimte maakte voor nieuwe stedelijke structuren. Er ontstond ruimte voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen in de directe nabijheid van het stadscentrum, wat kansen bood voor nieuwe voorzieningen, zoals de schouwburg, poppodium 013 en het Interpolis gebouw. Daarnaast zette Tilburg in op het realiseren van hoogwaardige architectonische accenten in de stad, landelijk aangeduid als ‘archipunctuur'. Met de ontwikkeling van onder andere de Piushaven en de Spoorzone is er het laatste decennium al veel ervaring opgedaan met het binnenstedelijk ontwikkelen van hoogwaardige en duurzame woon-werk omgevingen, die een nieuwe vorm van stedelijkheid en een nieuwe laag aan de identiteit van de bestaande stad toevoegen. Tilburg is een eigenzinnige stad, waar met lef, creativiteit en experiment aan de toekomst wordt gewerkt. Om de ambities voor omgevingskwaliteit in Tilburg bij toekomstige ontwikkelingen goed te kunnen duiden zijn in onderdeel 5.2.2 drie fundamenten voor een goede omgevingskwaliteit uitgewerkt. 5.2.2 Drie fundamenten voor goede omgevingskwaliteit 5.2.2.1 Inleiding Goede omgevingskwaliteit vraagt al vanaf het begin van het planproces een genereuze grondhouding waarbij elke ontwikkeling waarden toevoegt aan de stad, de dorpen of het buitengebied. Hierbij wordt gewerkt vanuit drie fundamenten: Voortbouwen op de identiteit van Tilburg – respect voor de gelaagde geschiedenis en herkenbare plekken, gecombineerd met ruimte voor vernieuwing. Plekken voor en van iedereen creëren – hoogwaardige, inclusieve en veilige openbare ruimte waarin ontmoeting, beleving en natuur samenkomen. De toekomst begint nu – keuzes van vandaag dragen bij aan duurzaamheid, flexibiliteit en toekomstbestendigheid. Met deze drie fundamenten sturen we op herkomst-, belevings-, gebruiks- en toekomstwaarden. Afhankelijk van de plek, opgave en betrokkenen kunnen deze waarden verschillend worden ingevuld. De verschillende waarden in relatie tot de drie fundamenten zijn in een schema (interne verwijzing naar schema 6.2.2.4.) uitgewerkt naar Tilburgse waarden. 5.2.2.2 Voortbouwen op de identiteit van Tilburg De identiteit van Tilburg is veelzijdig en gelaagd. Elke plek, wijk of gebied kent zijn eigen ontwikkeling en draagt daarmee bij aan deze rijke diversiteit. Dit resulteert in een schat aan betekenissen, gevormd door verhalen, mensen, gebruik, architectuur, stedenbouw, landschap en geschiedenis. Veranderingen zijn passend wanneer ze bijdragen aan deze gelaagde identiteit, waardoor een rijkgeschakeerd palet ontstaat dat voortdurend wordt aangevuld. Deze verschillende 'kleuren' maken plekken herkenbaar en vertrouwd, creëren verbondenheid en bieden aanknopingspunten voor een aantrekkelijk toekomstig woon- en vestigingsklimaat. Het respecteren en creatief voortbouwen op deze gelaagdheid is een belangrijke pijler van een genereus Tilburg. Het respect voor het bestaande en het verleden getuigt bovendien van goed rentmeesterschap; de aanwezige waarden worden behouden voor toekomstige generaties. In Tilburg hebben we hierin een lange traditie, waarbij op belangrijke plekken in de stad ook ruimte is voor eigenzinnige, hoogwaardige architectonische ingrepen. Deze ingrepen vormen speldenprikken in het stedelijke weefsel en hebben ongeacht hun soms kleine omvang toch een grote impact op hun omgeving. Landelijk wordt dit aangeduid als ‘archipunctuur’. Voorafgaand aan veranderingen of toevoegingen is het essentieel om kennis over de omgeving te verzamelen. Dit omvat zowel zichtbare waarden, zoals architectonische, stedenbouwkundige en landschappelijke kenmerken, als onzichtbare waarden, zoals verhalen, gewoontes en de beleving van mensen. 5.2.2.3 Plekken voor en van iedereen creëren Het weefsel van wijken, linten, straten, pleinen en groenstructuren vormt de basis voor een publieke en collectieve beleving. Dit weefsel creëert ruimte voor verbondenheid en interactie tussen mensen, planten en dieren, en biedt ook veilige plekken voor beschutting en individuele rust. Door publieke ruimten te waarderen en zorgvuldig te ontwikkelen, kunnen bestaande betekenissen behouden blijven en nieuwe functies worden toegevoegd. Een doordachte inrichting bevordert inclusiviteit, sociale veiligheid en cohesie. Het wordt zo een weefsel dat verbindt, maar ook voedt, prikkelt en nieuwsgierigheid oproept. Het uitgangspunt is een comfortabele, hoogwaardige en uitnodigende openbare ruimte die ruimte biedt aan een actieve, gezonde en natuurlijke leefomgeving. De menselijke maat is hierbij richtinggevend door in te spelen op wat je vanaf de straat ervaart en door de omvang, aard en vormgeving van gebouwen af te stemmen op het gebruik van de omliggende ruimte. Ook een zorgvuldig vormgegeven overgang tussen het gebouw en publieke ruimte speelt hierbij een belangrijke rol. 5.2.2.4 De toekomst begint nu Beslissingen en veranderingen vandaag hebben een directe invloed op de toekomst. Daarom is zorgvuldigheid en een vooruitziende blik bij veranderingen in de omgeving essentieel. Dit geldt niet alleen voor functionele aspecten, maar ook voor duurzaamheid op alle schaalniveaus. Toekomstbestendig bouwen gaat over duurzaam, circulair, energieneutraal en biobased bouwen, maar vraagt ook aandacht voor flexibiliteit en waardevastheid. Soms vragen ingesleten gewoontes en eenduidige ontwerpprincipes om verandering vanwege de complexiteit van meervoudige opgaven en belangen. Waar een park vroeger een groene ruimte voor ontspanning en spelen was, biedt het nu ook verkoeling voor inwoners en ruimte voor biodiversiteit. Het combineren van functies draagt bij aan een toekomstbestendige leefomgeving en verhoogt de leefkwaliteit op de lange termijn. Innovatieve oplossingen maken bestaande plekken interessant en veelzijdiger. Daken worden groen, gebouwen worden publieke ruimtes, en pleinen krijgen meervoudige functies, zoals ontmoetingsplekken en regenwateropvang. Hierdoor worden de stad, dorpen en het buitengebied veelzijdiger, intelligenter en meer gelaagd. Bovenal worden ze verrassender, aantrekkelijker en duurzamer. 5.2.2.5 Matrix fundamenten en waarden De verschillende waarden in relatie tot de drie fundamenten zijn in dit schema uitgewerkt. Deze zijn niet allesomvattend, maar geven wel aspecten die houvast bieden bij gesprekken over kwaliteit bij nieuwe ontwikkelingen en ingrepen in de openbare ruimte of bij gebouwen. Matrix fundamenten en waarden Voortbouwen op de identiteit Een plek voor en van iedereen creëren De toekomst begint nu Herkomstwaarde Gelaagde identiteit met een rijke diversiteit aan erfgoed Tilburgse geschiedenis als onderdeel van een uniek woon- en vestigingsklimaat Vertrouwde en herkenbare omgevingen Plekken met herinneringen en verhalen Ruimtelijk erfgoed als inspiratie Historische groen- en waterstructuren als basis voor biodiversiteit en klimaatadaptatie Duurzaamheid door behoud van erfgoed. Belevingswaarde Eigenheid en herkenbaarheid van plekken in Tilburg Aantrekkelijke, hoogwaardige uitstraling Inzet van kunst en cultuur Veilig en prettig gevoel; menselijke maat en ooghoogte Uitnodigende plint: gebouw-publieke ruimte zorgvuldig vormgeven Gevarieerde groene landschappen voor beleving Ruimtelijke samenhang op alle schaalniveaus Gebruikswaarde Continuïteit in gebruik; hergebruik en herbestemming van bestaand erfgoed Comfortabele, hoogwaardige en uitnodigende openbare ruimte Ruimte voor ontmoeting en spontane interactie Meervoudig ruimtegebruik: combineren van meerdere functies op een plek Gezonde, actieve leefomgevingen Interactie tussen mens en natuur Toekomstwaarde Met respect en creativiteit voortbouwen op het bestaande Gezamenlijke verantwoordelijkheid en eigenaarschap Levendige gemeenschappen Circulair, natuurinclusief, energiezuinig en –bewust ontwerpen en bouwen Klimaat- en toekomstbestendig 6 Maatregelen 6.1 Vormen van kwaliteitssturing 6.1.1 Inleiding Elk gebied verdient specifieke aandacht voor de aanwezige karakteristieken zodat bij ontwikkelingen de identiteit van het gebied en de gehele gemeente wordt versterkt. Tegelijkertijd moet er ruimte zijn voor ontwikkeling, vernieuwing en individuele (woon)wensen. Dat vraagt een genuanceerde sturing op kwaliteit die per gebied en afhankelijk van het initiatief kan verschillen. De basis hiervoor wordt gelegd met verschillende vormen van kwaliteitssturing; standaard, maatwerk, sturing bij grote ontwikkelingen en minimale sturing. De gemeente stuurt op de kwaliteit van de fysieke leefomgeving via regelgeving en processen voor kwaliteitsbeoordeling en -advisering. Bij elke ontwikkeling is de gemeente actief betrokken. De mate waarop kan verschillen. Dat hangt onder meer af van de opgave, de aanwezige kwaliteiten, het gebruik en de mate van openbaarheid, diversiteit en dynamiek van een gebied. Om hier richting aan te geven, onderscheiden we in dit omgevingsprogramma vier vormen van kwaliteitssturing. 6.1.2 Standaard Bij standaard kwaliteitssturing staat het behoud en versterken van een hoge kwaliteit voorop. De kwaliteit kan per gebied verschillen en wordt bepaald door de beleving van aanwezige karakteristieken, de aanwezige functies en het gebruik van de openbare ruimte. Elk gebied heeft een eigen karakter en uitstraling, herkenbaar aan de architectuur, stedenbouw en het landschap. Als er sprake is van een gaaf architectonisch of stedenbouwkundig totaalbeeld, is het doel deze kwaliteit minimaal te behouden. Bij veranderingen of nieuwe ontwikkelingen is de regie erop gericht dat ingrepen aansluiten bij de omgeving of daar een nieuwe kwaliteit aan toevoegen. Bijzondere architectonische experimenten die inzetten op een brede kwaliteitsimpuls kunnen een nieuwe dynamiek aan de bestaande gebieden toevoegen en zullen als maatwerk beoordeeld worden. 6.1.3 Maatwerk Het doel van sturen op maatwerk is om aanwezige cultuurhistorische, architectonische, stedenbouwkundige, landschappelijke kwaliteiten te versterken en verbeteren. Maatwerk en zorgvuldigheid staan centraal. Alle ingrepen moeten zorgvuldig uitgevoerd worden met respect voor de cultuurhistorische, architectonische, stedenbouwkundige, landschappelijke en/of natuurwaarden. Voor de ingreep is naast een goed ontwerp ook een beschrijving met motivering nodig, waaruit blijkt dat de ontwikkeling past in de context en de omgevingskwaliteit verbetert. Maatwerksturing is in ieder geval van toepassing bij beschermde erfgoed- en natuurgebieden. Daarnaast kunnen unieke situaties aanleiding geven voor maatwerk, bijvoorbeeld als sprake is van bijzondere landschappen, stedenbouw en/of architectuur (archipunctuur). Hiermee wordt ruimte geboden voor bijzondere experimenten die een positieve kwaliteitsimpuls geven. 6.1.4 Ontwikkel Het doel van op ontwikkelingen gerichte kwaliteitssturing is het veranderen en toevoegen van nieuwe kwaliteiten. Het gaat dan om hoogdynamische ontwikkelgebieden zoals het Kenniskwartier, Spoorzone en Piushaven. De omgevingsvisie van Tilburg geeft hieraan richting. Bij deze grotere ontwikkelingen is een eigen gebiedsaanpak noodzakelijk, omdat hier een nieuw soort gebied met een eigen aanpak ontstaat. Er zal altijd een nadere uitwerking nodig zijn met een gebiedsgericht kwaliteitsplan waar een stedenbouwkundig plan en de uitwerking van de openbare ruimte onderdeel van zijn. Gemeentelijke betrokkenheid is altijd vereist. Kleine projecten binnen ontwikkelgebieden kunnen afhankelijk van hun impact met maatwerk of standaard sturing beoordeeld worden. 6.1.5 Minimaal Het doel van minimale kwaliteitssturing is het tegengaan van ernstige verstoring van de omgevingskwaliteit. De gemeente grijpt alleen in als er sprake is van een exces (onderdeel 6.7.4). De initiatiefnemer voorkomt een exces als de ingreep in overeenstemming is met de criteria en rekening wordt gehouden met de karakteristieken van de omgeving. Een minimale kwaliteitssturing is van toepassing bij de voormalige welstandsvrije gebieden in de Nieuwe Warande (Minimale kwaliteitssturing Nieuwe Warande) en voor een aantal situaties op het achtererfgebied. In de volgende situaties zal vooraf geen beoordeling plaatsvinden (mits passend in het omgevingsplan): veranderen van een bestaand gebouw aan de achterkant: waarbij het hoofdgebouw geen achter- of zijgevel heeft gericht naar het openbaar toegankelijk gebied; tot maximaal het hoogste punt van het gebouw, waarbij de bestaande nok intact blijft; bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied waarbij het hoofdgebouw geen achter- of zijgevel heeft gericht naar het openbaar toegankelijk gebied; tot maximaal 5.00 meter hoog; veranderingen aan gebouwen en andere bouwwerken waarbij het uiterlijk niet wijzigt. Bovenstaande geldt niet voor beschermde ruimtelijk erfgoed. Dan wordt altijd vooraf beoordeeld of een ingreep voldoet aan criteria. 6.2 Mate van impact Naast de vormen van kwaliteitssturing is ook de impact van het initiatief bepalend. De schaal en betekenis van een ruimtelijke ingreep bepaalt mede de mate van aandacht en zorgvuldigheid die vereist is. Kleinere private initiatieven worden primair beoordeeld op hun effect op het gebouw en/ of de directe omgeving en op de impact bezien vanuit de publieke ruimte. Maar als er sprake is van een ingreep met een grotere ruimtelijke of maatschappelijke betekenis zal de lat hoger liggen. In dat geval wordt ook gekeken naar de samenhang en meerwaarde die een initiatief biedt voor de omgeving en de stad. Het publieke belang staat daarbij voorop, boven individuele wensen of programmatische voorkeuren. Er is onderscheid te maken in verschillende maten van impact: Weinig impact: opname in de omgeving Dit gaat om kleinere ingrepen en ontwikkelingen die, wanneer goed ontworpen, weinig invloed hebben op de omgeving. Denk aan kleine bouwwerken of inrichtingsplannen. Een ingreep wijzigt de structuur en de typologie van het gebied nagenoeg niet. Beperkte impact: inpassing in de omgeving Hierbij gaat het om ingrepen en ontwikkelingen die een kleine wijziging in de ruimtelijke structuur of typologie van het gebied met zich meebrengen. Als zo’n ontwikkeling de bestaande identiteit en context van het gebied respecteert, blijven de ruimtelijke karakteristieken nagenoeg gelijk. De impact is daardoor beperkt. Grote impact: verandering van de omgeving In deze gevallen gaat het om ingrepen die grootschalig zijn ontwikkelingen en die de ruimtelijke structuur of typologie structureel veranderen. Veelal gericht op ingrepen die een transformatie met nieuwe kwaliteiten beogen. De ontwikkeling heeft daarmee invloed op de identiteit van het hele gebied. Schema vormen van kwaliteitssturing versus mate van impact Standaard Maatwerk Ontwikkel Minimaal Weinig impact Gericht op ingrepen die zich eenvoudig laten opnemen in de omgeving. Ingrepen die vallen onder concrete criteria (verwijzing) zoals ondergeschikte uitbreidingen aan de voorzijde van bestaande panden zoals een dakkapel of een erker. Ondergeschikte herinrichting van en aanpassingen in de openbare ruimte, zoals plaatsen van straatmeubilair, -verlichting, -reclames e.d. Ondergeschikte ingrepen in, bij, of aan bestaande panden bij beschermd erfgoed en in beschermde natuurgebieden, zoals een uitbouw aan een monument. Ondergeschikte ingrepen met bijzondere (architectonische) kwaliteit. Niet van toepassing Normaal onderhoud Ondergeschikte uitbreidingen aan de achterzijde van bestaande panden. Beperkte impact Gericht op ingrepen die de aanwezige kwaliteit kunnen versterken of verbeteren. Nieuwbouw, herstructurering en renovatie passend binnen de kaders van het omgevingsplan, maar ook dit omgevingsprogramma. Kleinschalige herinrichting van de openbare ruimte en plaatsen van kleinere bouwwerken zoals nutsvoorzieningen in de openbare ruimte. Nieuwbouw, herstructurering en renovatie NIET passend binnen de kaders van het omgevingsplan, maar WEL binnen de kaders van dit omgevingsprogramma. Ingrepen met een bijzondere (architectonische) kwaliteit (archipunctuur). Grotere wijzigingen aan een monument of beeldbepalend pand (bijvoorbeeld aan de linten) Kleinschalige herinrichting van openbare ruimte in beschermde stads- en dorpsgezichten, de linten en beschermde natuurgebieden. Plaatsen van reclamezuilen en reclame aan gevels in beschermde stads- en dorpsgezichten en aan of nabij monumenten. Nieuwbouw en herstructurering passend binnen de vastgestelde kwaliteitskaders van een gebiedsontwikkeling. Niet van toepassing Grote impact Gericht op ingrepen die grootschalig zijn en een verandering met nieuwe kwaliteiten beogen. Niet van toepassing Nieuwbouw van grootschalige publieke functies zoals een school of een ziekenhuis. Grootschalige nieuwbouw en herstructurering in beschermde stads- en dorpsgezichten. Plaatsen van windmolens, zonneweides, reclamemasten etc. in het landschap en langs hoofdwegen. Grootschalige nieuwbouw en herstructurering waarvoor een nieuw stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitsplan nodig is. Aanleg of grootschalige herinrichting van de openbare ruimte op gebiedsniveau. Niet van toepassing 6.3 Relatie met andere kwaliteitsinstrumenten 6.3.1 Inleiding In onderdeel 8 zijn de rollen en processen rondom kwaliteitsadvisering beschreven. Voor een juiste en consistente advisering zijn er in het Uitvoeringsplan Omgevingskwaliteit verschillende instrumenten en producten opgenomen die bijdragen aan het realiseren van kwaliteit en het ontwikkelen van een sterke ontwerp- en bouwcultuur. Een goede kwaliteitsadvisering zorgt samen met deze instrumenten voor een samenhangend kwaliteitsstelsel. In dit onderdeel zijn de instrumenten kort toegelicht. 6.3.2 Gebiedsgerichte kwaliteitssturing 6.3.2.1 Gebiedsgerichte kwaliteitskaders Samen met partners uit de stad wordt in de verschillende gebieden in Tilburg gewerkt aan gebiedsperspectieven en - visies. In deze gebiedsperspectieven worden uitspraken gedaan over programmatische en sociale opgaven in de gebieden. Daarnaast bevatten de gebiedsperspectieven een agendering voor de ruimtelijke opgaven die in het gebied gaan landen. Het gebiedsperspectief stelt echter geen kwaliteitsambitie vast. Hiervoor kunnen gebiedsgerichte kwaliteitskaders worden opgesteld. Binnen dit kwaliteitskader vindt een verdieping plaats ten opzichte van het ruimtelijke weefsel, dat in onderdeel 2.1 van dit omgevingsprogramma is opgenomen. Vanuit de analyse en waardering van bestaande kwaliteiten worden kwaliteitsambities en uitgangspunten op gebiedsniveau vastgesteld. Hiermee ontstaat er een eenduidig vertrekpunt voor alle ontwikkelingen en initiatieven, groot en klein, binnen dit gebied. Het gebiedsgerichte kwaliteitskader zorgt voor samenhang en overzicht tussen alle verschillende projecten, die in verschillende fases zitten en over meerdere schaalniveaus verdeeld zijn. Door het gebiedsgerichte kwaliteitskader uit te werken aan de hand van het ruimtelijke systeem in dit omgevingsprogramma is er ook automatisch een inhoudelijke koppeling naar het schaalniveau van de stad. De gebiedsgerichte kwaliteitskaders zijn ontwikkelgericht en worden door de raad vastgesteld als aanvulling op dit omgevingsprogramma. 6.3.2.2 Beeldkwaliteitsplan Op een kleiner schaalniveau binnen een gebied geeft een beeldkwaliteitsplan nog concreter invulling aan de kwaliteitsambitie. Dit is wenselijk bij grotere ontwikkelingen waar nog geen gebiedsgericht kwaliteitskader aanwezig is of wanneer dit kader aangevuld moet worden met specifieke kwaliteitsambities op de betreffende locatie. Dit betreft vaak locaties waar grote ruimtelijke veranderingen optreden of waar bestaande ruimtelijke identiteiten beschermd en doorontwikkeld worden. Door beeldkwaliteitsplannen vast te stellen als aanvulling op het omgevingsprogramma omgevingskwaliteit, blijft het omgevingsprogramma het centrale beleidskader voor het kwaliteitsbeleid. Bovendien krijgen de beeldkwaliteitsplannen hiermee een duidelijke (juridische) status. 6.3.2.3 Wie maakt een beeldkwaliteitsplan Een beeldkwaliteitsplan wordt vaak opgesteld door de initiatiefnemer van een project. Bij grotere ingrepen met veel betekenis, vraagt de gemeente aan initiatiefnemers om duidelijk te maken welke bijdrage het initiatief levert aan de omgevingskwaliteit. Daarom is een visie op omgevingskwaliteit een indieningsvereiste voor initiatieven en projecten. In gevallen van grote impact moet de visie op omgevingskwaliteit uitgewerkt worden tot een beeldkwaliteitsplan. Het beeldkwaliteitsplan wordt gebruikt ter onderbouwing van de besluitvorming. De motiveringsplicht neemt toe naarmate de ingreep meer impact heeft. Daarom geldt in alle gevallen: de omvang en diepgang van het beeldkwaliteitsplan is afhankelijk van de aard en de impact van de ingreep. 6.3.3 Stadsatelier Het Stadsatelier is een ontwerpatelier voor de stad en de dorpen, waar ontwerpend onderzoek kan worden gedaan naar gebieds- en themagerichte vraagstukken. Het Stadsatelier biedt een veilige en vrije ontwerp- en denkruimte, waarin gebieden, opgaven en mogelijke oplossingen in onderlinge samenhang kunnen worden verkend en waar het gesprek gevoerd kan worden over opgaven van vandaag en de toekomst. Het Stadsatelier speelt daarmee een belangrijke rol binnen het beoogde integrale kwaliteitsbeleid van de gemeente. Dit instrument biedt namelijk de mogelijkheid om al in een vroeg stadium van ontwikkelingen te kunnen sturen op kwaliteit in brede zin. Het stadsatelier wordt geïnitieerd en georganiseerd door de gemeente. 6.3.4 Ontwerpend onderzoek Binnen het kwaliteitsstelsel van de gemeente wordt ontwerpend onderzoek ingezet als een instrument om complexe, meerduidige opgaven te onderzoeken. Dit doen we onder meer in het stadsatelier. Het maken van ontwerpen wordt hierbij als middel ingezet om gezamenlijk opgaven te onderzoeken en te definiëren, mogelijke toekomsten te verkennen en te verbeelden, en belanghebbenden met elkaar te verbinden rond een gedeeld doel. Een multidisciplinaire aanpak is hierbij uitgangspunt. Door het samenbrengen van verschillende disciplines en expertises kunnen nieuwe verbanden en mogelijke oplossingen ontstaan. 6.3.5 Ontwerpersselecties 6.3.5.1 Inleiding De ontwerpersselectie speelt een belangrijke rol binnen het beoogde integrale kwaliteitsbeleid van de gemeente. Dit instrument biedt de mogelijkheid om al in een vroeg stadium van projecten en ontwikkelingen te kunnen sturen op kwaliteit, door de juiste expertise en ontwerpkracht te betrekken bij opgaven. Door die koppeling goed te organiseren, te zorgen voor een transparant proces en dat goed te begeleiden kan maximale meerwaarde worden gecreëerd met een kwalitatief hoogwaardig eindresultaat. 6.3.5.2 Leidraad Ontwerpersselecties De Tilburgse leidraad voor ontwerpersselecties geeft richting en houvast aan opdrachtgevers bij het organiseren van ontwerpersselecties. Het biedt de gemeente een hulpmiddel om haar opdrachtgeverschap zorgvuldig en consistent tot uitvoering te brengen. En het biedt een kader om eenduidig, transparant en op kwaliteit gericht beleid ten aanzien van ontwerpersselecties te voeren. Bovendien vormt de leidraad ook een belangrijk instrument om een gezonde en voorbeeldstellende ontwerp- en bouwcultuur te bevorderen in Tilburg. Transparantie en openheid in ontwerpselecties dragen bij aan een cultuur van betrokkenheid en toewijding en een gezond klimaat waarin opdrachtgevers en ontwerpers elkaar uitdagen en scherp houden. 6.3.5.3 Open Oproep De leidraad voor ontwerpersselecties biedt een kader waarmee alle gemeentelijke ontwerpopdrachten - van stedenbouwkundige studies tot het ontwerp van een publiek beeldbepalend gebouw - op een eenduidige, transparante en op kwaliteit gerichte wijze aanbesteed kunnen worden. Geïnspireerd op de Open Oproep en de Pilootprojecten van de Vlaams Bouwmeester verkent de gemeente daarnaast hoe door middel van open uitvragen ontwerpkracht kan worden georganiseerd voor impactvolle projecten en vraagstukken, om zo maatschappelijke ambities en vernieuwing aan te jagen. 6.3.6 Stimuleren van talent Binnen het kwaliteitsstelsel wordt gestreefd naar een ontwerpveld waarin ruimte is voor vernieuwing, verscheidenheid en talentontwikkeling en waarin rekening wordt gehouden met een diversiteit aan ontwerpers. Actief wordt ruimte geboden aan jonge, opkomende, talentvolle ontwerpers. Dit bevordert een meer representatief en toekomstgericht opdrachtgeverschap en een voorbeeldstellende ontwerp- en bouwcultuur. Ruimte voor talent is er onder meer in ontwerpersselecties. Zo schrijft de Leidraad Ontwerpersselecties voor om in onderhandse aanbestedingen bewust kansen te bieden aan talent. Daarnaast worden openbare aanbestedingen breed toegankelijk opgezet. Te strikte eisen worden vermeden die kleine of opkomende talentvolle ontwerpers kunnen uitsluiten. Bij ontwerpend onderzoek wordt nadrukkelijk ook jong talent betrokken. Dit geeft een frisse blik en nieuwe perspectieven op complexe ruimtelijke vraagstukken. Zo krijgt talentontwikkeling een prominente rol in het stadsatelier, bijvoorbeeld in de vorm van samenwerkingen met onderwijsinstellingen, en wordt ontwerptalent ingezet bij ontwerpend onderzoek. Hierbij wordt ook voorbij de landsgrenzen gekeken, zoals in de samenwerking met Europan. Daarnaast wordt jong talent uit de regio actief benaderd, bijvoorbeeld door Archiprix genomineerden hun afstudeerplannen te laten presenteren aan de gemeente. 6.4 Beleidsregels: de basis 6.4.1 Inleiding In de Omgevingswet wordt ons allemaal (inwoners, bedrijven en overheid) de plicht opgelegd om te zorgen voor een goede omgevingskwaliteit. De basis voor deze zorgplicht ligt in dit omgevingsprogramma bij de beleidsregels die in dit deel uitgewerkt zijn. Deze beleidsregels bestaan uit 13 basisregels en criteria voor ruimtelijk erfgoed, bouwwerken, de inrichting van de openbare ruimte en thematische criteria. De beleidsregels geven duidelijke kaders en concrete uitwerkingen aan de hand waarvan initiatieven en vergunningaanvragen beoordeeld worden. 6.4.2 De 013 regels Genereus als grondhouding De gemeente Tilburg is ervan overtuigd dat een goede omgevingskwaliteit voortkomt uit een genereuze grondhouding. Bij het genereus werken aan de stad, de dorpen en het buitengebied gaat het om het toevoegen van waarden. Die kunnen zowel ruimtelijk als maatschappelijk van aard zijn. De waarden die we gebruiken om omgevingskwaliteit te definiëren gaan over herkomstwaarde, belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde (zie ook onderdeel 5.2.2). Als uitwerking hiervan zijn 13 basisregels opgesteld die altijd gelden, ongeacht de omvang of locatie van een ingreep. Ze ondersteunen zowel de beginfase van een opgave bij programmatische en ontwerpkeuzes, als bestuurlijke afwegingen bij de beoordeling van initiatieven.
- Ga uit van de bestaande kwaliteiten Er is nooit sprake van een ‘tabula rasa’, oftewel een leeg canvas. Elke plek heeft zijn eigen geschiedenis met materiële en immateriële identiteitsdragers op verschillende schaalniveaus. Door kennis hiervan te nemen en dit als vertrekpunt te nemen bij de planontwikkeling borduurt de ontwikkeling voort op de geschiedenis, de identiteit en het karakter van het gebied of de plek. Benut de kansen om de identiteit te behouden, te versterken en kwaliteiten hieraan toe te voegen.
- Kijk over de grenzen van het plangebied heen naar een breder studiegebied Bij het onderzoeken van de kwaliteiten en mogelijke ontwikkelkansen op een locatie biedt analyse van de plek vanuit verschillende schaalniveaus – de locatie, de wijk, het gebied - nieuwe inzichten. Op een hoger schaalniveau worden andere kwaliteiten en kansen zichtbaar en veranderd het perspectief op de opgave. Dit leidt vaak tot nieuwe inzichten, die helpen bij het streven naar een ruimtelijke samenhang. Daarnaast komen er andere oplossingen of verdiepende thema's voor de ontwikkeling van de specifieke plek in beeld. Daarom is het van belang om naast het plangebied ook een studiegebied te definiëren.
- Houd rekening met het laadvermogen van de plek of een gebouw Een te grote programmatische druk kan het bestaande karakter en de identiteit van een gebied of een specifiek gebouw onevenredig aantasten. Maak keuzes daarom proportioneel en zorgvuldig: zoek naar optimalisatie in plaats van maximalisatie. Zo ontstaat het juiste programma op de juiste plek en wordt waarde toegevoegd aan de omgeving. De context van de plek en/of het gebouw vormt de basis voor het juiste programma op de juiste plek en voegt zo waarde toe aan de directe omgeving.
- Sloop niet; ga uit van hergebruik of transformatie Vanuit het oogpunt van identiteit zijn de kwaliteit en betekenis van een gebouw, gebied of structuren bepalend voor de keuze voor behoud/transformatie. Sloop is niet vanzelfsprekend, ook vanuit het oogpunt van duurzaamheid. Wanneer sloop toch onvermijdelijk blijkt, is circulariteit het uitgangspunt, ligt hergebruik van materialen voor de hand en moet minimaal gelijkwaardige kwaliteit worden teruggebracht. Ook de inrichting en het gebruik van de openbare ruimte spelen hierin een belangrijke rol. Bestaande groenstructuren, routes, pleinen en andere ruimtelijke dragers bepalen vaak onzichtbaar maar krachtig de identiteit en samenhang van een gebied. Ook deze kwaliteiten verdienen erkenning en zorgvuldige inpassing bij iedere ontwikkeling, in plaats van te worden verwijderd.
- Mensen maken het verhaal Zonder mensen wordt een gebouw en publieke ruimte niet geleefd en beleefd. De bestaande verhalen van mensen versterken de identiteit en geven betekenis aan plekken en gebouwen. Geef aan op welke wijze het plan of de ontwikkeling voortborduurt op deze belevingswaarde. Geef bestaande verhalen een plek in nieuwe ontwikkelingen. Hierbij zijn gebiedsbiografieën ondersteunend.
- Ontwerp vanuit de beleving van de stad op ooghoogte Gebouwen en de inrichting van de openbare ruimte worden als prettig ervaren als er ontworpen wordt met aandacht voor de beleving van de gebruikers. Een belangrijk thema hierbij is de stad op ooghoogte. Door goed rekening te houden met wat je vanaf de straat ervaart, en met welke snelheid mensen zich door de ruimte bewegen draagt het ontwerp bij aan een prettige leefomgeving. De grootte, positionering en architectuur van gebouwen spelen hierbij een belangrijke rol, maar ook de inrichting van een veilige en toegankelijke openbare ruimte, sociale voorzieningen zoals ontmoetingsplekken en ogen op straat dragen hieraan bij.
- Ontwerp aan levendige gemeenschappen Door niet alleen woningen te ontwikkelen, maar te ontwerpen aan levendige gemeenschappen worden bestaande buurten verrijkt. Bijzondere woonvormen, collectief particulier opdrachtgeverschap, maar ook ontmoetingsruimte voor (kleine) gemeenschappen en collectieve voorzieningen dragen bij aan saamhorigheid, herkenbaarheid en een prettig leefklimaat. Creëer waar mogelijk ruimte voor ontmoeting. Zie trottoirs niet alleen als verkeersruimte, maar richt ze ook in als verblijfsruimte. Dit kan door ze breder te maken met zitgelegenheid of aansluitend groen. Ook in het gebouwontwerp kan hierop worden ingespeeld met bijvoorbeeld een ontmoetingsruimte bij de entree van collectieve woongebouwen en een ruime maat van interne verkeersruimten zoals galerijen met verblijfsruimte. Ook details maken daarbij het verschil: bredere vensterbanken, ruime portalen en ramen die contact met de straat stimuleren dragen bij aan levendigheid en sociale interactie.
- Integraal ontwerpen aan een comfortabele, hoogwaardige en uitnodigende openbare ruimte is het vertrekpunt voor een goede planontwikkeling In de openbare ruimte komen veel opgaven samen, zoals de mobiliteitstransitie, energietransitie en de klimaatopgaven. Daarnaast is de openbare ruimte de plek waar spontane en onverwachte ontmoetingen plaatsvinden tussen bewoners, bezoekers en andere gebruikers. Een plek die ruimte geeft om actief bezig te zijn, te ontspannen en elkaar te ontmoeten. Kwaliteit in de openbare ruimte ontstaat als er integraal naar de verschillende opgaves en ontwerpoplossingen wordt gekeken, waarbij het collectieve gebruik en de belevingswaarde goed ingebed is. Wat in gebouwen niet opgelost kan worden, mag niet worden afgewenteld op de openbare ruimte. Los dit zoveel mogelijk binnen de enveloppe van het gebouw op. Alleen als dat niet kan, licht dit goed toe en motiveer je keuze.
- Ontwerp actief aan de overgang tussen het (private) gebouw en (publieke) openbare ruimte, deze verdient liefdevolle aandacht en zorgvuldigheid Een goede overgang tussen het gebouw, privé en openbare ruimte is van groot belang voor het realiseren van een aantrekkelijke leefomgeving. Met verblijfs- en ontmoetingsruimtes in de plint van een gebouw ontstaat er levendigheid en sociale controle. Ondersteunende functies zoals bergingen en parkeerruimten worden dusdanig ingepast dat deze geen afbreuk doen aan de beleving van een actieve, levendige plint. Dat geldt ook voor bijvoorbeeld collectieve afvalcontainers in de openbare ruimte. De begane grondlaag van een gebouw is uitnodigend en biedt ruimte aan diverse, zowel gebouwgebonden als stedelijke, functies. Een aantrekkelijke buitenruimte rondom het gebouw nodigt uit tot verblijven en draagt ook bij aan een goede overgang tussen private en openbare ruimte. Bijvoorbeeld met aantrekkelijke entrees en voortuinen met mee ontworpen lage (groene) erfafscheidingen.
- Vertrekpunt is meervoudig ruimtegebruik en de gemixte stad als bijdrage aan een toekomstbestendige leefkwaliteit Met de veelheid aan veranderende opgaven biedt de mogelijkheid van meervoudig ruimtegebruik perspectief. Door het combineren van voorzieningen, multifunctionele plekken in de openbare ruimte en adaptieve gebouwen waarin functies gemengd kunnen worden ontstaat er flexibiliteit en aanpasbaar vermogen. Naast de woonopgave is er ook ruimte nodig voor werken, recreëren, groen en water. Dit kan bijvoorbeeld door het combineren van zoveel mogelijk functies zoals groene daken of collectieve daktuinen. Maar ook in de publieke ruimte door (parkeer)voorzieningen te combineren met ruimte voor waterberging, groen en spelen (spons- en speelstraten). Meervoudig ruimtegebruik kan toegepast worden op verschillende schaalniveaus, ook op het niveau van een enkel gebouw.
- Een verandering draagt altijd bij aan een duurzame ontwikkeling Draag bij aan het duurzaam ontwikkelen van onze leefomgeving door duurzame ingrepen integraal mee te nemen in het gebouwontwerp en/of het ontwerp van de openbare ruimte. Oplossingen voor hittestress en het creëren van koelte en waterberging, hergebruik van materialen en het toepassen van natuurlijke materialen draagt bij aan het duurzaam ontwikkelen van een plek. Het is belangrijk om daarnaast in het ontwerp rekening te houden met het aanpassingsvermogen van een gebouw en de omgeving.
- Klimaatbestendig en toekomstbestendig ontwerpen vormen het uitgangspunt voor een gezonde leefomgeving Bij het realiseren van een gezonde leefomgeving is klimaat- en toekomstbestendig ontwerpen onmisbaar. Goed ingerichte, toegankelijke en groene plekken nodigen uit om buiten te bewegen en te verblijven. Zorg in het ontwerp voor een goede, uitnodigende verbinding tussen gebouwen en openbare ruimte. Ook zicht op kwalitatief hoogwaardig groen, mogelijkheid tot ontmoeting en het bouwen met natuurlijke materialen draagt bij aan de gebruiks- en belevingswaarde. Met een inrichting die door een aangenaam en gevarieerd microklimaat ook een bijdrage levert aan een actieve, gezonde natuurrijke leefomgeving, en uiteraard ten goede komt aan klimaatadaptatie.
- Wees creatief en innovatief vanuit de bestaande context Het vraagt maatwerk en vindingrijkheid om tot nieuwe inzichten en ontwerpen te komen die oplossingen bieden voor een langere tijd. Het verleden kan ook verrassende oplossingen bieden voor de opgaven van nu. Daarnaast kan de inzet van kunst en cultuur zorgen voor een nieuwe blik op de opgave en het ontwerp daarmee verrijken. Onalledaagse, eigentijdse architectuur, nieuwe woonvormen en woonwerkvormen, de ontwikkeling van de deeleconomie, er zijn veel aanleidingen om tot creatieve en innovatieve ruimtelijke ontwikkelingen te komen. Zet daarom in op het experiment en op vernieuwing en betrek geïnteresseerde bewoners en gebruikers daarbij. 6.4.3 Werken met de basisregels De basisregels vormen een belangrijk onderdeel van de bestuurlijke afweging om wel of niet mee te werken aan een initiatief. Initiatiefnemers dienen daarom hun plan te onderbouwen aan de hand van de basisregels. Deze worden vooraf gedeeld en besproken tijdens de intake en verdere planuitwerking. De mate van onderbouwing is proportioneel: een dakopbouw vraagt om een lichtere onderbouwing dan een grootschalige gebiedsontwikkeling. Initiatiefnemers kunnen de volgende acties oppakken om aan te tonen in welke mate rekening is gehouden met de basisregels. Vanuit een genereuze grondhouding begint een planontwikkeling altijd met de volgende drie kernvragen: Wat is het verhaal van de plek? Wat doe je met dat verhaal? Wat voeg je toe aan de omgeving en de stad? De antwoorden bieden inzicht over de meerwaarde die het plan kan gaan bieden ten aanzien van de gemeentelijke ambities en beleidsdoelstellingen. Daarnaast helpen de volgende handelingen om het toepassen van de basisregels concreet te maken: Verken de identiteit van de plek: onderzoek de historische context en laat zien hoe deze is meegenomen in de planvorming (historische analyse). Analyseer het bredere studiegebied: maak inzichtelijk hoe de ontwikkeling zich verhoudt tot de directe omgeving en bovenliggende structuren (ruimtelijke analyse). Sloop niet: zet in op/onderzoek transformatie en hergebruik, motiveer waarom sloop noodzakelijk is. Bij sloop; beargumenteer en onderbouw waarom hergebruik van (delen van het) gebouw en materialen geen optie is. Onderbouw programmatische keuzes: laat de plek en omgeving leidend zijn voor het programma en ontwerp. Voorkom overbelasting van een gebied of gebouw. Maak een 3D massastudie: laat zien hoe nieuwe bouwmassa’s en -vormen zich verhouden tot de private en openbare ruimten. Maak 3D visualisaties: visualiseer de beleving hoe het plan wordt ervaren vanaf de openbare ruimte, met nadruk op ooghoogte en de menselijke maat. Geef aan hoe plinten en entrees bijdragen aan levendigheid en verblijfskwaliteit van de omgeving. Onderzoek meervoudig ruimtegebruik: maak inzichtelijk hoe functies worden gecombineerd en hoe flexibiliteit voor toekomstige veranderingen is ingebouwd. Meervoudig ruimtegebruik moet herkomst-/gebruiks-/belevings-/ toekomstwaarde toevoegen. Ontwerp voor leefgemeenschappen: beschrijf en visualiseer hoe het plan bijdraagt aan ontmoeting, sociale samenhang en een aantrekkelijke openbare ruimte. Veranker duurzaamheid en klimaatadaptatie: motiveer vanuit de duurzaamheidsambities van de gemeente de keuzes voor energie, water, groen en materiaalgebruik. Ontwerpkeuzes hebben invloed op het realiseren van deze beleidsambities. Denk hierbij aan de oriëntatie van gebouwen in hun stedenbouwkundige setting, de hoofdvorm en het architectonisch concept en uitwerking hiervan. Betrek de omgeving: leg vast hoe bewoners en andere betrokkenen zijn geraadpleegd en hoe hun inbreng is verwerkt Zet in op creativiteit en innovatie: selecteer een passende ontwerper voor de opgave die ook durft te onderzoeken, experimenteren en vernieuwen. Laat zien hoe je tot de keuze van de ontwerper bent gekomen. 6.5 Beleidsregels: algemene criteria 6.5.1 Inleiding Dit onderdeel bevat de algemene criteria voor ruimtelijk erfgoed, bouwwerken en de inrichting van de openbare ruimte. De 13 regels uit onderdeel 6.4.2 vormen hiervoor de basis. De algemene criteria zijn altijd van toepassing en worden gebruikt voor de beoordeling van plannen. Naast de opgenomen criteria in dit omgevingsprogramma zijn er per gebied of thema aanvullende deeluitwerkingen van toepassing, zoals het hoogbouwbeleid, gebiedsgerichte kwaliteitskaders en beeldkwaliteitsplannen. De deeluitwerkingen zijn reeds vastgesteld of nog in ontwikkeling. Nieuwe thematische of gebiedsuitwerkingen worden apart vastgesteld als bijlage of uitgewerkt als onderdeel van dit omgevingsprogramma (zie ook onderdeel 6.3.2). Wanneer er sprake is van een deeluitwerking zoals een beeldkwaliteitsplan zijn de criteria uit dit omgevingsprogramma van toepassing wanneer een deeluitwerking hierover geen uitspraak doet. 6.5.2 Ruimtelijk erfgoed Het ruimtelijk erfgoed van stad, dorp en landschap vertelt een verhaal. De aanwezigheid van (historische) bebouwing en structuren in zijn stedenbouwkundige of landschappelijke context vergroot de identiteit van een plek of gebied. Monumenten en andere cultuurhistorisch waardevolle bouwwerken en openbare ruimte verdienen daarom altijd maatwerk en zorgvuldige omgang gebaseerd op de historische karakteristieken. Het waarderen van zowel beschermde als onbeschermde kwaliteiten van bebouwing en structuren is belangrijk om ook het erfgoed van de toekomst in beeld te brengen. Daarom hebben we ook oog voor ons naoorlogs erfgoed. Zo ontstaat er een accentverschuiving van alleen beschermd erfgoed, naar inzichten in waardevol erfgoed in de bestaande stad. Dit is een belangrijke stap om kwaliteit in brede zin te (h)erkennen, te behouden en/of te verhogen. Zo wordt een bijdrage geleverd aan ons doel om de omgevingskwaliteit te borgen en te verhogen. Het beoordelingskader voor de omgang met het ruimtelijk erfgoed heeft betrekking op ingrepen: aan, op of bij beschermde monumenten inclusief de cultuurhistorisch waardevolle objecten met een aanduiding ‘waarde cultuurhistorie’ of vergelijkbare aanduiding in het omgevingsplan; in beschermde stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; aan op of bij waardevolle gebieden, structuren en gebouwen zoals aangegeven op de basiskaart (steden-)bouwkundig erfgoed. Monumenten Onder monument wordt verstaan een onroerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed (begripsbepaling Omgevingswet verwijst naar begripsbepaling in artikel 1.1 van de Erfgoedwet). Dit zijn gemeentelijke, provinciale of rijksmonumenten of monumenten met een andere beschermingsvorm, bijvoorbeeld cultuurhistorisch waardevolle objecten of karakteristieke panden. Er kan sprake zijn van gebouwde en aangelegde (groene) monumenten. Bij een wijziging dient altijd rekening te worden gehouden met de karakteristieke ruimtelijke structuur, die samenhangt met de historische ontwikkeling en met de architectonische, stedenbouwkundige en/of landschappelijke kwaliteit. Maak een analyse van het gebied of het gebouw (binnen zijn context) en zorg voor een goede historische onderbouwde relatie van het gebouw met de omgeving en omgekeerd. Bij grotere gebiedsontwikkelingen kan op basis van de Omgevingswet nader onderzoek in de vorm van een gebiedsbiografie met transformatiekader nodig zijn. Het uitgangspunt is dat het ruimtelijke erfgoed voor de toekomst behouden blijft en waar mogelijk versterkt wordt. Wat de reden van ingrijpen ook is, de basis moet zijn om alleen te doen wat nodig is voor het voortbestaan van het monument of andere beschermd erfgoed, en dit op een zorgvuldige manier te doen. De cultuur- en bouwhistorische kwaliteiten en de geschiedenis van de omgeving en het gebouw vormen altijd het startpunt voor programma en ontwerp. De criteria geven inzicht in hoe er wordt gekeken naar de omgang met het erfgoed op verschillende schaalniveaus. Daarnaast is het beoordelingskader voor het uiterlijk en plaatsing van bouwwerken van toepassing (zie onderdeel 6.5.3). Bij eventuele conflicten zijn de hierna volgende criteria voor de beoordeling leidend. Iedere wijziging vraagt om zorgvuldigheid en maatwerk: Bij de beoordeling van de plannen zal worden gekeken of de waardevolle aspecten van het erfgoed voldoende worden onderkend en gerespecteerd. De beschermde monumenten en beschermde stads- of dorpsgezichten zijn beschreven in een ‘registeromschrijving’. Dat is de officiële beschrijving van een object of gebied. Deze beschrijving alleen, geeft niet altijd voldoende informatie over de erfgoedwaarden om een verantwoord plan (bouwplan en/of functiewijziging) te kunnen maken. Zo nodig moet door de initiatiefnemer een aanvullend (onafhankelijk uitgevoerd) bouwkundige inspectie en/of bouwhistorisch onderzoek worden aangeleverd. Restauratie wordt (afhankelijk van de aard en omvang) voorafgegaan door een restauratievisie met daaropvolgend een restauratieplan, conform de richtlijnen van de ERM. Behoud de bestaande karakteristieken en kwaliteiten: Bij beoordeling vormt het behoud van het bijzondere karakter van het bouwwerk en de waardevolle elementen (exterieur en interieur) die het bevat, het uitgangspunt. Zorg ervoor dat ze door de beoogde verandering niet aangetast worden of verloren gaan. Het komt voor dat een monument niet meer gebruikt kan worden voor zijn oorspronkelijke functie. Dan is het vinden van een passende herbestemming een goede oplossing. Niet alle monumenten zijn geschikt voor alle vormen van gebruik. Bij veranderingen zal steeds gezocht moeten worden naar een goede balans tussen de erfgoedwaarden en de eisen van een nieuwe functie. De nieuwe functie moet in het gebouw passen. Respecteer de directe omgeving van een monument: De stedenbouwkundige en landschappelijke structuur heeft invloed op de manier waarop monumenten van oudsher zijn gelegen. De situering van een gebouw, het bodemtype, de zichtlijnen, de opbouw van de stad of het landschap eromheen zeggen iets over het karakter en uitstraling van het monument. Omgekeerd hebben monumenten ook effect gehad op de omgeving. Denk aan tuinen, toegangswegen en -poorten en andere elementen ten behoeve van het bouwwerk. Bij ingrepen is het daarom belangrijk dat het geheel niet wordt verstoord. Een ingreep of ontwikkeling respecteert zoveel als mogelijk de historische omgeving van het gebouw. Respecteer waardevol groen erfgoed en openbare ruimte Bij de beoordeling van beschermde openbare ruimte en groene monumenten zoals historisch gegroeide landschappelijke of stedenbouwkundig patronen, begraafplaatsen, bomenrijen, straten, parken en pleinen wordt gekeken of de ingreep de aanwezige erfgoedwaarde en de historische context respecteert. Daaronder vallen ook de gebouwen, straatmeubilair en andere inrichtingselementen. Bij beheer en nieuwe ontwikkelingen is het belangrijk om een integrale visie te hanteren waarin naast de beleving ook de gebruiks- en toekomstwaarde centraal staat. Bijvoorbeeld door historische gelaagdheid en uitstraling te respecteren en oorspronkelijke materialen en plantsoorten te gebruiken, terwijl ook rekening wordt gehouden met het gewenste functioneel gebruik en klimaatuitdagingen. Deskundigheid op gebied van cultuurhistorie bij ingrepen, onderhoud en beheer zijn daarbij onmisbaar. Behoud de ensemblewerking van een complex: Een deel van de monumenten zijn onderdeel van een complex of maken onderdeel uit van een bijzondere stedenbouwkundige context. Individuele wijzigingen aan een pand mogen de samenhang van het complex niet verstoren. Collectieve oplossingen zorgen ervoor dat het ensemblebeeld beter behouden blijft. Houd de oorspronkelijke hoofdvorm, opbouw en indeling afleesbaar: Bij de beoordeling wordt gekeken of de oorspronkelijke hoofdvorm, opbouw en indeling van het monument behouden blijven. De bouwkundige structuur – het casco, bestaande uit funderingen, muren, vloer- en dakconstructies, trappen en rookkanalen – en de schil van het gebouw bepalen de hoofdvorm. De ruimtelijke structuur (indeling) is typerend voor het type en de functie van het monument. Behoud van zowel de bouwkundige structuur als de ruimtelijke opbouw is van belang voor de cultuurhistorische waarde. Noodzakelijke aanpassingen en uitbreidingen dienen bij voorkeur aan de achterzijde te worden gerealiseerd en altijd ondergeschikt te blijven aan het hoofdvolume, waarbij vorm, hoogte, uitstraling en materiaalgebruik zorgvuldig worden afgestemd op het bestaande gebouw. Maak de ingrepen reversibel, duurzaam en van hoge kwaliteit: Uitgangspunt bij ingrepen is dat deze reversibel, duurzaam en van hoge kwaliteit zijn. Reversibel betekent dat ingrepen bij voorkeur terug te draaien moeten zijn: ze tasten de bouwhistorische waarde daarmee niet wezenlijk aan en kunnen desgewenst zonder schade worden verwijderd. Niet alleen op zicht, maar ook op constructie. (Her)gebruik kenmerkende detailleringen, materialen en interieurafwerking: Bij de beoordeling gaan we uit van het gebruik van historische materialen en behoud van de oorspronkelijke constructie, afwerking, details en interieurelementen. (Her)gebruik van historisch materiaal heeft de voorkeur. Als dat niet beschikbaar is gebruik dan een passend alternatief. Dat betekent bijvoorbeeld dat kunststof kozijnen niet zomaar toegestaan zijn. Een ander essentieel aspect waar bij de beoordeling naar gekeken wordt is de bouwwijze en het technisch vakmanschap: hoe de constructie in elkaar steekt, en hoe details en afwerking zijn uitgevoerd. De mate van oorspronkelijkheid is daarbij leidend. Geef aandacht aan oorspronkelijke karakteristieke kleurstellingen: Voor schilderwerk van kozijnen en wanden is het uitgangspunt om de oorspronkelijke kleuren van het monument of ander cultuurhistorisch waardevol object te behouden of te herstellen. Indien er een kleur wordt toegepast die afwijkt van de huidige kleur moet door de initiatiefnemer een aanvullend cultuurhistorisch kleurenonderzoek worden aangeleverd. Als door een kleurhistorisch onderzoek geen oorspronkelijke kleuren meer kunnen worden aangetoond, of als overwogen wordt andere kleuren dan de oorspronkelijke kleuren te gebruiken, dan zal bij de beoordeling gekeken worden of de nieuwe kleuren passen bij het historische straatbeeld. Verduurzaam met respect voor de aanwezige waarden: Verduurzaming is een kans om een monument of andere cultuurhistorisch waardevolle bouwwerken toekomstbestendig te maken. Energiebesparende en binnenklimaat verbeterende ingrepen zijn veelal ingrijpend. Uitgangspunt is dat voorzieningen ten behoeve van verduurzaming met uiterste zorg en respect voor de cultuurhistorische waarde en bouwfysische kenmerken worden vormgegeven. Voor verduurzamingsmaatregelen geldt dat er (afhankelijk van de aard en omvang) een onafhankelijk DuMO-onderzoek moet worden overlegd. Hierin zijn de specifieke uitdagingen met betrekking tot het zorgvuldig verduurzamen op alle schaalniveaus en in samenhang in beeld gebracht. Behalve esthetische aspecten van verduurzaming is er dan ook aandacht voor het bouwfysische maatwerk dat vaak nodig is. 6.5.3 Bouwwerken Voor alle bouwplannen is een beoordelingskader van toepassing met betrekking tot het uiterlijk en plaatsing van bouwwerken; de architectonische verschijningsvorm. De algemene criteria hebben zowel betrekking op verbouw- als op nieuwbouwplannen. Bij de beoordeling van een bouwwerk zal worden gelet op de volgende aspecten: omgeving, hoofdvorm, architectuur, duurzaamheid, detaillering, materiaal, kleur en textuur. Daarbij blijft in redelijkheid sprake van een beperkte mate van interpretatie en afwegingsruimte. Omgeving Het bouwwerk staat niet op zichzelf, maar gaat een relatie aan met het karakter (sfeer, identiteit) van de bestaande omgeving; de openbare ruimte, het landschap dan wel de stedenbouwkundige context en de aanwezige architectuur. Het bouwwerk levert een positieve bijdrage aan de kwaliteit van de openbare (stedelijke of landschappelijke) ruimte. Daarbij kunnen hogere eisen worden gesteld naarmate de (toekomstige) betekenis van het bouwwerk of van de omgeving groter is. Samenhang tussen stedelijke structuur, gebouwvorm en verschillende functies zorgt voor een solide, aantrekkelijke en kwalitatieve omgeving. Het bouwwerk reageert op en maakt verbinding met de omgeving en creëert ruimtes die meer zijn dan een opeenvolging van losse elementen. Er is hierbij aandacht voor de schaal en maat. Ruimtelijke criteria die gelden voor een goede stad op ooghoogte zijn een royale verdiepingshoogte, zorgvuldige detaillering, hoogwaardige uitstraling en duidelijk herkenbare entrees die zorgen voor interactie tussen het gebouw en de straat. De plint van het gebouw aan de openbare weg voegt zich naar de hoogwaardige sfeer van de openbare ruimte of verbeterd en versterkt de beleving van de openbare ruimte. Er is sprake van zorgvuldige overgangen tussen openbaar en privégebied. Ook van bouwwerken die afwijken van hun omgeving mag worden verwacht dat ze zorgvuldig zijn ontworpen, een helder ontwerpidee hebben en de omgeving respecteren en zo de variatie van stedelijke ruimtes en gebouwtypen verrijken. Hoofdvorm Het bouwwerk past qua architectonisch concept, vorm, maat en schaal in de stedenbouwkundige structuur van de directe bebouwde omgeving en /of het landschap. De bouwmassa's zijn harmonieus van vorm, afmetingen en verhoudingen, ze vertonen een duidelijk samenhang en zijn helder gepositioneerd. De massaopbouw is in overeenstemming met de architectonische vorm, de plattegronden en de constructie van het gebouw. Er is balans tussen helderheid en complexiteit. Architectonische uitwerking De hoofdvorm en het gevelontwerp versterken elkaar en zijn passend binnen de architectonische opzet van het gebouw. Er is structuur en samenhang in het gevelbeeld met betrekking tot de vorm, afmetingen en verhoudingen van de gevelelementen. Het uiterlijk van het gebouw heeft een herkenbare relatie met het (oorspronkelijk) gebruik van het gebouw. Bij renovatie blijft de oorspronkelijke stijl, gevelopbouw en –indeling behouden. Het gebouw wordt alzijdig ontworpen. Overgang publiek-privaat Stedelijke functies bevinden zich vaak op het grensvlak van het publiek-private domein. Dit vraagt om een zorgvuldige overgang tussen gebouw en openbare ruimte. Bij halfopen of gesloten bouwblokken is de overgang publiek-privaat nadrukkelijk onderdeel van de ontwerpopgave. Een gebouw heeft een uitnodigende plint en bevat gebouwgebonden en stedelijke functies. Entrees zijn zorgvuldig ontworpen en stedenbouwkundig goed ingepast. Een goede overgang tussen gebouw en omgeving is essentieel voor de kwaliteit van de openbare ruimte. Er sprake is van een goed ontworpen overgang tussen gebouw en omgeving (bijvoorbeeld door middel van een overgangszone). De openheid van de plint en interactie met de stoep stimuleert ontmoeting. Eventuele erfafscheidingen zijn onderdeel van het ontwerp en de ruimtelijke impact van afval en logistiek is tot een minimum beperkt. Collectieve- en privébuitenruimte Balkons en terrassen worden mee-ontworpen in de architectonische opzet van het gebouw. Belevingswaarde en gebruikswaarde zijn op elkaar afgestemd. Galerijen/ gangen/ entreeruimtes bieden mogelijkheden voor ontmoeting en creëren een goede overgang tussen de privé en collectieve ruimte. Collectieve buitenruimtes zijn goed toegankelijk en bieden meerwaarde voor de doelgroep. De overgangszone is zacht, groen en zorgvuldig ontworpen. Duurzaamheid Duurzaamheid dient als ontwerpuitdaging te worden gehanteerd, zowel stedenbouwkundig en/of landschappelijk op gebiedsniveau als architectonisch op gebouwniveau. Bij individuele nieuwbouw van een woning, pand of complex kan duurzaamheid ook de basis zijn voor de algehele vormgeving en/of de gekozen hoofdvorm. In projecten wordt de ambitie aan de voorkant vastgelegd. Er is op verschillende niveaus nagedacht over duurzaamheid, waaronder bestendigheid, energie- en klimaatbeheer, (circulair) materiaalgebruik, afvalstromen, mobiliteit, ecologie en natuur etc. Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt het behouden en zo mogelijk vergroten van de biodiversiteit door middel van natuurinclusief bouwen en ontwerpen meegenomen in de plan- en realisatiefase (zie voor meer informatie o.a. de Beleidsnota biodiversiteit 2024, Puntensysteem voor natuur en groeninclusief bouwen 2021 en Klimaatscores nieuwbouwontwikkelingen
- Natuurinclusief, duurzaam en toekomstbestendig bouwen is van toepassing op alle gebouwen. Aan de voorkant van projecten wordt de omvang en de maatregelen besproken. Uitgangspunt is de toepassing van voorzieningen voor duurzaamheid zoals zonnecollectoren/ -panelen, groene daken en gevels, isolatiemaatregelen, mits deze passen binnen het architectonische concept van het gebouw of de stedenbouwkundige of landschappelijk context. Technische installaties voor duurzaamheid (zoals zonnepanelen of warmtepompen) zijn achter de voorgevellijn geplaatst of bij nieuwbouw integraal mee ontworpen. Installaties op het dak zijn aan het zicht onttrokken. Detaillering, materiaal, kleur en textuur Het bouwwerk is zo ontworpen dat sprake is van detailleringen die consequent zijn toegepast en die passen bij de (gekozen) architectuurstijl. Bij renovatie en verbouw zijn de aanwezige fijne en ambachtelijke onderdelen en kenmerkende ornamentiek als overstekken, dak- en gevellijsten en luiken behouden. Het bouwwerk is zo ontworpen dat textuur, materiaal- en kleurgebruik in harmonie zijn met het ontwerp en met de omgevingskarakteristiek ofwel vanuit een overtuigend architectonisch concept weloverwogen contrasterend zijn. Het materiaal is (technisch) goed toepasbaar voor de gekozen vormgeving en detaillering. Er is gebruik gemaakt van duurzame materialen die langdurig mooi blijven 6.5.4 (Semi-)openbare ruimte De inrichting van het openbaar gebied is bij uitstek een taak van de gemeente. Hierbij komen veel urgente maatschappelijke opgaven samen. Denk aan klimaatadaptatie, waterberging, de parkeeropgave, ontmoetingsruimte, speelruimte, etc. Daarnaast is de diversiteit aan omvang van plannen en karakteristieken van gebieden en structuren groot. Maatwerk vormt dan ook de basis bij de beoordeling van plannen in de openbare ruimte. Op verzoek van het college adviseert de Omgevingscommissie over plannen voor de inrichting van de openbare ruimte. De gemeente Tilburg wil een comfortabele en aantrekkelijke leefomgeving bieden. Comfortabel in de zin van toegankelijkheid en bruikbaarheid. Aantrekkelijk in de zin van dat het er prettig leven is en dat het er goed uitziet. Bij het inrichten van de openbare ruimte moet er een goede balans zijn tussen de verschillende functies en gebruikersgroepen. Onderstaand beoordelingskader is bedoeld om sturing en richting te geven bij het werken aan en beoordelen van een ingreep in de openbare ruimte. Ook bij gebiedsontwikkelingen is een goed ontwerp van de openbare ruimte van groot belang. Het uitgangspunt is dat de kwaliteit van de openbare ruimte verbeterd wordt en op niveau blijft. Dit vraagt om een situatie, waarin ontwerp, uitvoering en beheer goed op elkaar zijn afgestemd. Een integrale aanpak van ontwerpopgaven en een goede afstemming tussen de betrokken diensten en de gebruikers is hierbij noodzakelijk. De expertise van de omgevingscommissie kan ingezet worden bij het afwegen van ontwerpkeuzes en bij het formuleren van de ruimtelijke kaders. De commissie wordt om advies gevraagd op de grotere ingrepen in de (landschappelijke) structuren van de stad. Het gaat om ingrepen die er wezenlijk toe doen, zoals bijvoorbeeld de aanpak van de linten, herinrichting/ transformatie van parken en wegprofielen en bij gebiedsontwikkelingen. Bij grote gebiedsontwikkelingen wordt de expertise van een kwaliteitsteam ingezet om de ontwerpkeuzes vanuit een integraal oogpunt te begeleiden. Respecteer de context en betekenis binnen het ruimtelijk systeem van Tilburg Het is belangrijk om bij ruimtelijke ingrepen in de openbare ruimte door de verschillende schaalniveaus heen te kijken en in te zetten op samenhangende verbindingen binnen de openbare ruimte. Daarbij hoort ook de relatie met de bebouwing. Veranderingen in de openbare ruimte dienen altijd rekening te houden met de context de karakteristieke ruimtelijke structuur, die is gevormd door de historische ontwikkeling en die verbonden is met de aanwezige architectonische, stedenbouwkundige en landschappelijke kwaliteiten. Dit betekent het identificeren van het type ruimte en de positie ervan in de stad, binnen de stedenbouwkundige en typologische setting. Bestaande elementen zoals bomen, groenstructuren, cultuurhistorische kenmerken, zichtlijnen en aanwezige bebouwing vormen hierbij belangrijke aanknopingspunten. Het “Handboek Inrichting Openbare Ruimte Tilburg” (HIOR) biedt richtlijnen, zowel voor het ontwikkelen van een ruimtelijke of landschappelijke visie als voor het daadwerkelijk ontwerpen van de openbare ruimte. Beeldkwaliteitsplannen geven aanvullend richting aan de gewenste landschappelijke uitstraling en dragen zo bij aan een samenhangend en kwalitatief hoogwaardig ruimtelijk systeem. Stimuleer ontmoeting en menselijke maat Faciliteer ontmoeting tussen bewoners onderling en bezoekers met een uitnodigende en toegankelijke openbare ruimte. Collectiviteit, flexibiliteit en gebruikskwaliteit zijn hierbij van belang. Naast dat gebouwen goede privébuitenruimte bieden wordt er steeds vaker collectief gebruik van buitenruimtes gerealiseerd. Hiermee worden mogelijkheden voor ontmoeting en gemeenschappelijkheid gecreëerd. Aandacht voor sociale veiligheid en privacy is hierbij ook belangrijk. In de openbare ruimte is het daarnaast van belang dat het ontwerp inspeelt op de beleving en ervaring van de omgeving gezien vanuit de verschillende gebruikersgroepen en leeftijden die gebruik maken van het publieke domein. Er dient samenhang te zijn in schaal en menselijke maat. Houdt rekening met duurzaamheid, meervoudig ruimtegebruik, natuur en klimaat Ruimte is schaars. Meervoudig ruimtegebruik of dubbel grondgebruik wordt zo veel mogelijk toegepast. Tevens wordt in de advisering over bouwplannen en schetsontwerpen de groen- blauw component integraal meegenomen. Verdichten, vergroenen, verduurzamen en vernieuwen gaan hand in hand. Uiteindelijk gaat het om het maken van een inrichting die herkenbaar, aantrekkelijk en duurzaam is. Herkenbaarheid gaat over specifieke ruimtelijke identiteit en integrale functionaliteit (de verkeers- en verblijfsfunctie). Aantrekkelijkheid gaat over de leefbaarheid en de algehele uitstraling (relatie met vestigingsklimaat, woonsfeer en bijvoorbeeld toerisme). De belevingswaarde staat voorop. Eenheid, ‘rust’ en samenhang spelen belangrijke rollen in de uiteindelijke kwaliteit. Is er sprake van mooie materialen, een goede detaillering en een passende aankleding (groen, straatmeubilair of kunst)? Duurzaamheid gaat over de toekomstkansen van het ontwerp. Ook ecologie en biodiversiteit spelen hierin belangrijke rollen. Voor het overige gelden ook veel praktische aspecten; Verouderen materialen mooi? Is het ontwerp goed uitgevoerd, is het goed te onderhouden? Is het vandalismebestendig, klimaatbestendig etc. Faciliteer ruimte voor ‘schone‘ vormen van mobiliteit Mobiliteit staat in dienst van de gezonde leefomgeving en de ruimtelijke verdichting. Dit betekent dat we op zoek moeten naar een goede balans tussen voetganger, fietser, OV en auto. We zetten in op nieuwe schone vervoersmiddelen en duurzaam reisgedrag. Er gelden lagere autoparkeernormen voor nabijheid van OV-stations, extra fietsparkeerruimte en deelmobiliteit. Elk plan moet voorzien in beweeg- en parkeerruimte voor fietsen, voetgangers, auto’s, scooters, bakfietsen etc. en laadfaciliteiten hiervoor, en moet voldoen aan bijbehorende kwaliteitseisen. Logistieke voorzieningen worden inpandig ingepast, waarbij de bevoorrading vlot, veilig en schoon plaats kan vinden (bijvoorbeeld door inpandig laden & lossen, laad & los routes, restricties aan formaat/emissies voertuigen, etc.). Dit vindt niet plaats aan de meest publieke kant van een initiatief. STOMP principe, mobiliteitstransitie betekent duurzame mobiliteit vooropstellen Toegankelijkheid minder validen, minder draagkrachtigen, kinderen De verschillende doelgroepen bewegen veilig en op een aantrekkelijke manier door het gebied Energievoorzieningen worden in samenhang met de omgeving ontworpen en stand-alone oplossingen zijn niet wenselijk. Gekozen wordt voor inpandige voorzieningen of voorzieningen die landschappelijk ingebed zijn in de context. Deze voorzieningen zijn zoveel mogelijk aan het zicht onttrokken en groen aangekleed. Ruimte voor energie In het Beleidskader Energie
(2024)zijn ruimtelijke aspecten opgenomen waar rekening mee gehouden dient te worden bij gebieds- en planontwikkelingen: Bij de stedenbouwkundige opzet van de gebiedsontwikkeling wordt energievraag en -aanbod waar mogelijk ruimtelijk bij elkaar gepland en rekening gehouden met de benutting van de energiepotentie in het gebied. Dit geldt niet enkel voor gebiedsontwikkelingen maar is bijvoorbeeld ook van toepassing bij transformaties. De ruimtelijke inpassing van het energiesysteem (boven- en ondergronds) is onderdeel van de stedenbouwkundige en architectonische uitwerking van de ontwikkeling. Een optimale benutting van de energiepotentie in het gebied en meervoudig ruimtegebruik zijn hierbij het uitgangspunt. In straatprofielen met beperkte ruimte in de ondergrond worden kabels en leidingen zoveel mogelijk verticaal geordend. Bronnen voor gebouwgebonden bodemenergiesystemen, decentrale energiecentrales, trafo’s en andere onderdelen voor het energiesysteem worden bij nieuwbouw inpandig of op het private perceel ingepast. Hoogwaardig ontwerp wordt ingezet om weloverwogen doelen in de openbare ruimte te bereiken Insteek is dat alle functionele ingrepen op een zodanige wijze vormgegeven worden dat het de kwaliteit op die plek ondersteunt of versterkt. Een fraaie vormgeving kan ook ingezet worden om functies en gebruiksmogelijkheden te verhelderen of te accenturen. Op deze manier kan de gemeente aangeven hoe belangrijk een bepaalde plek in de stad is. Zo is de inrichting van de pleinen en het voetgangersgebied in het centrum altijd hoogwaardig. Maar ook buiten het centrum komen diverse plekken voor waar het inrichtingsniveau het belang van de locatie onderstreept: bijvoorbeeld bij parken, wijkcentra en bijzondere gebieden zoals bijvoorbeeld de cultuurhistorisch waardevolle dorpskernen. Het is van belang dat deze kwaliteit wordt onderstreept door de kwaliteit van de bebouwing en andersom. Bij omvangrijke particuliere complexen met een publieke betekenis zoals bijvoorbeeld het universiteitscomplex, Interpolis-Tivoli, de Muzentuin en museum De Pont moeten bebouwing en (semi)openbaar gebied in een samenhangende kwaliteit worden ontworpen. De kwaliteit van openbare ruimte valt en staat met een goed beheer. Het ontwerpen en inrichten van een ruimte op basis van een doordacht plan leidt in beginsel tot een verzorgde omgeving. Maar als het onderhoud van deze ruimte in gebreke blijft kan verval en verrommeling optreden. Bij een goed ontwerp wordt nagedacht over het beheer en onderhoud. Een goed ontwerp gaat daarom altijd gepaard met een beheerplan en bijbehorende financiën. Cultuurhistorisch waardevolle plekken en gebouwen verdienen extra aandacht om het verhaal van de plek te behouden of te versterken. Voor de bijzondere cultuurhistorisch waardevolle plekken en omgeving van monumenten dient met extra zorg rekening te worden gehouden met het behouden of versterken van het historische karakter. Een passende historische uitstraling heeft de voorkeur. De inrichting dient in ieder geval niet de zichtbaarheid van historische plek of gebouw zoals een monument te beperken. Zie ook de algemene criteria voor het ruimtelijk erfgoed in onderdeel 6.5.2. Kunst in de openbare ruimte In 2023 is de visie ‘Cultuur in het publieke domein – over het benutten van het maatschappelijk potentieel van kunst’ door de raad vastgesteld. In zijn meest compacte vorm stelt de visie: “in Tilburg draagt kunst bij aan het collectief eigenaarschap van een betekenisvolle publieke ruimte”. De publieke ruimte is in principe van iedereen. Waar iedereen een plaats heeft, en belangen. En waar we zeggenschap over hebben. Maar in de praktijk vermindert het publieke karakter steeds verder door de beperkingen die we ervaren. Kunst bevordert een persoonlijke relatie met een omgeving, en een gevoel van zeggenschap, of: eigenaarschap, daarover. Een ruimte is betekenisvol als mensen zich kunnen identificeren met een plek. Bijvoorbeeld doordat ze zich aangesproken voelen door het ‘verhaal’ dat deze biedt. Kunst kan hier een belangrijke rol spelen door haar zeggingskracht, meervoudigheid, gelaagdheid, en door die plek te verbijzonderen. Zo’n publieke ruimte, die van betekenis is, kent een betere verblijfskwaliteit, stimuleert interactie en nodigt je misschien uit om je te verhouden tot individuele of gemeenschappelijke thema’s. Het Tilburgs beleid beoogt betrokkenheid, verbondenheid en zeggenschap van de bewoners te versterken, is wijkgericht, kent kunst en cultuur een belangrijke rol toe bij stadsontwikkeling, en zoekt daarbij naar maatschappelijk draagvlak voor de kunst. Als het gaat om kunst in het kader van stads- of gebiedsontwikkeling is de onlangs opgerichte stichting SPOOR het eerste aanspreekpunt. SPOOR is Tilburgs onafhankelijk expertisecentrum voor kunst in het publieke domein en daarmee de organisatie die gestalte en invulling geeft aan gemeentelijk beleid op het gebied van kunst