Algemene plaatselijke verordening (APV) Zaanstad 2013Algemene plaatselijke verordening (APV) Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel0Opschriften (
(12)weken. Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet indien degene aan wie de verblijfsontzegging is bekendgemaakt zich bevindt in een openbaar vervoermiddel, tenzij in de verblijfsontzegging uitdrukkelijk anders is bepaald. De burgemeester stelt nadere regels omtrent de toepassing van dit artikel, de omstandigheden die kunnen leiden tot een verblijfsontzegging en de duur ervan. Artikel 2:79 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lid in ieder geval opleggen bij ernstige en herhaaldelijke: geluid- of geurhinder; hinder van dieren; hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn; overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf; intimidatie van derden vanuit een woning of een erf. Hoofdstuk3Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d. Afdeling1Begripsbepalingen Artikel3:1Begripsbepalingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; Prostitue(e): degene, man of vrouw, die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar; escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend; sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd; exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert, dan wel exploiteren en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen; beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent, dan wel uitoefenen in een seksinrichting of escortbedrijf; bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van: de exploitant; de beheerder; de prostitue(e); het overige personeel dat in de seksinrichting werkzaam is; toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6.2 van deze verordening; andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is. Artikel3:2Bevoegd bestuursorgaan In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college of, voorzover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester. Artikel3:3Nadere regels Met het oog op de in artikel 3:13 genoemde belangen, kan het college over de uitoefening van de bevoegdheden zoals genoemd in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen. Afdeling2Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels e.d. Artikel3:4Seksinrichtingen 1.Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan. 2.In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld: de persoonsgegevens van de exploitant; de persoonsgegevens van de beheerder; en de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf. 3.Het college kan een formulier vaststellen dat gebruikt moet worden voor het indienen van een aanvraag om vergunning. (
- z)4.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel3:5Gedragseisen exploitant en beheerder 1.De exploitant en de beheerder: staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij; zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt. 2.Naast de gestelde eisen in het eerste lid, zijn de exploitant en de beheerder niet: met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld; binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in Nederland,inclusief de drie openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint-Eustatius, Aruba, Curacao en Sint Maarten dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten; binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van 500 euro of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen; de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249, 252, 250a (oud), 273a, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht; de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994; de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de kansspelen; de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. 3.Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk gesteld: vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid, onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan 375 euro bedraagt; een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf. 4.De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt: bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning; bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning. 5.De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of escortbedrijf die voor ten minste een maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem terzake geen verwijt treft. Artikel3:6Sluitingstijden 1.Het is verboden in een seksinrichting bezoekers toe te laten tussen 03.00 uur en 7.00. Het is verboden in een seksinrichting bezoekers te laten verblijven tussen 05.00 uur en 7.00 uur. 2.Het bevoegd bestuursorgaan kan door middel van een voorschrift als bedoeld in artikel 1:4 voor een afzonderlijke seksinrichting andere sluitingstijden vaststellen. 3.Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel 3.7, eerste lid, gesloten dient te zijn. 4.Het in het eerste tot en met derde lid bepaalde geldt niet voorzover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften. Artikel3:7Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluiting 1.Met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan: tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3:6, eerste of tweede lid, geldende sluitingsuren vaststellen; van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen. 2.Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het eerste lid bedoelde besluit bekend overeenkomstig artikel 3:42, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht. Artikel3:8Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder 1.Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de op de vergunning vermelde exploitant of beheerder als bedoeld in artikel 3:4, tweede lid onder a of b, in de seksinrichting aanwezig is. 2.De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat in de seksinrichting: geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie; en geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde. Artikel3:9Straatprostitutie 1.Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, passanten te bewegen gebruik te maken van de diensten van een prostitue(e), uit te nodigen dan wel aan te lokken: op of aan andere dan door het college aangewezen wegen of gebieden; gedurende andere dan door het college vastgestelde tijden. 2.Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen. 3.Met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen kan door politieambtenaren aan personen die zich bevinden op de wegen of gebieden en gedurende de tijden bedoeld in het eerste lid, het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen. 4.De burgemeester kan met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen personen aan wie ten minste eenmaal een bevel is gegeven als bedoeld in het derde lid bij besluit verbieden zich gedurende bepaalde termijn, anders dan in een openbaar middel van vervoer, te bevinden op of aan de wegen en op de tijden bedoeld in het eerste lid, onder b. 5.De burgemeester beperkt het in het vierde lid genoemde verbod indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is. 6.Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd verbod als bedoeld in het vierde lid. Artikel3:10Sekswinkels Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een sekswinkel te exploiteren in door het college in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of delen van de gemeente. Artikel3:11Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen e.d. 1.Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen: indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt; anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde regels. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet. Afdeling3Beslistermijn; weigeringsgronden Artikel3:12Beslistermijn 1.In afwijking van het bepaalde in artikel 1:2, eerste lid, beslist het bevoegd bestuursorgaan op de aanvraag om vergunning bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is. 2.Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf weken verdagen. Artikel3:13Weigeringsgronden 1.De vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, wordt geweigerd indien: de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3:5 gestelde eisen; de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan, voorbereidingsbesluit stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening; er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde. 2.In afwijking van artikel 1:8 kan de vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, dan wel de aanwijzing of vaststelling bedoeld in artikel 3:9, eerste lid, worden geweigerd in het belang van: de openbare orde; het voorkomen of beperken van overlast; het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat; de veiligheid van personen of goederen; de verkeersvrijheid of -veiligheid; de gezondheid of zedelijkheid; de arbeidsomstandigheden van de prostitue(e). Afdeling4Beëindiging exploitatie; wijziging beheer Artikel3:14Beëindiging exploitatie 1.De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3:4 op de vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd. 2.Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan. Artikel3:15Wijziging beheer 1.Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3:1, onder g, het beheer in de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan. 2.Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3:13, eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige toepassing. 3.In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft ingediend, totdat over de aanvraag is besloten. Hoofdstuk4Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente Afdeling1Geluidhinder en verlichting Artikel4:1aBegripsbepalingen Vervallen (opgenomen in de Verordening Fysieke Leefomgeving) Artikel4:1bHoreca-, sport- en recreatie-inrichtingen (
- z)Vervallen Artikel4:2Aanwijzing collectieve festiviteiten (
- z)Vervallen (opgenomen in artikel 5.40 Verordening Fysieke Leefomgeving) Artikel4:3Kennisgeving incidentele festiviteiten (
- z)Vervallen (opgenomen in artikel 5.41 Verordening Fysieke Leefomgeving) Artikel4:4Verboden incidentele festiviteiten (vervallen) Artikel4:5Onversterkte muziek (
- z)Vervallen (opgenomen in artikel 5:42 van de Verordening Fysieke Leefomgeving) Artikel4:6Overige geluidhinder Vervallen (opgenomen in artikel 5.43 van de Verordening Fysieke Leefomgeving) Artikel4:6aMosquito 1.In dit artikel wordt onder een mosquito verstaan: een apparaat dat een slechts voor jongeren hoorbare, hinderlijke hoge pieptoon produceert. 2.In afwijking van het bepaalde in artikel 4:6 kan de burgemeester in het belang van de openbare orde besluiten op een openbare plaats een mosquito aan te brengen bij gebleken ernstige overlast door jongeren op die plaats. 3.De aanwezigheid van een mosquito wordt duidelijk kenbaar gemaakt op de plaats waar deze is aangebracht. 4.Een mosquito is alleen in werking op die tijdstippen dat overlast redelijkerwijs valt te verwachten. 5.Een mosquito wordt aangebracht voor een periode van ten hoogste 3 maanden. De burgemeester kan die periode telkens met een periode van ten hoogste 3 maanden verlengen. Afdeling2Bodem-, weg- en milieuverontreiniging Artikel4:7Ongeadresseerde reclame (
- z)Het is verboden ongeadresseerde reclame te bezorgen of te doen bezorgen bij een bewoner of een gebruiker van een gebouw, een woonschip of een woonwagen, indien deze overeenkomstig door het college vast te stellen regels schriftelijk kenbaar maakt die reclame niet te willen. Artikel4:8Natuurlijke behoefte doen Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen. Artikel4:9Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen Vervallen (opgenomen in artikel 2.6 van de Verordening Fysieke Leefomgeving) Artikel4:9aOplaten van ballonnen (
- z)Vervallen (opgenomen in artikel 2.10 van de Verordening Fysieke Leefomgeving) Afdeling3Het bewaren van houtopstanden Artikel4:10Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: houtopstand: hakhout, een houtwal of één of meer bomen; hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen en periodiek teruggezet worden; houtwal: lijnvormige beplanting op ee nkunstmatige aarden verhoging; boom: een houtig opgaand gewas met een stamdiameter van minimaal 10 centimeter op 130 centimeter hoogte boven het maaiveld. Bij meerstammigheid wordt de dikste stam gemeten; bomenlijst: een door het college vastgestelde lijst van particuliere waardevolle bomen; vellen: het kappen, rooien, verplanten, de eerste keer knotten of kandela(be)ren of het snoeien van meer dan 20% van de boom (zowel bovengronds als ondergronds), waarbij de dood, ernstige beschadiging of ontsiering tot gevolg kan zijn; dunnen: een beheersmaatregel, waarbij een deel van de houtopstand gekapt wordt om te zorgen dat het resterende deel beter kan groeien; herplantplan: plan waaruit blijkt dat de te vellen houtopstand vervangen wordt door een gelijkwaardige houtopstand; gebiedenkaart: een door het college vastgestelde kaart met daarop aangewezen ‘gebieden’. Artikel4:11Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag de houtopstanden te vellen of te doen vellen, die staan vermeld op de 'bomenlijst', of voorkomen op de 'gebiedenkaart' of zich bevinden op een openbare plaats. Het college kan zelfstandig of op verzoek van een belanghebbende, gebieden en houtopstanden aanwijzen en deze opnemen op de ‘bomenlijst’ of op de ‘gebiedenkaart’. In afwijking van artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd op grond van: de natuurwaarde van de houtopstand; de landschappelijke waarde van de houtopstand; de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon; de beeldbepalende waarde van de houtopstand; de cultuurhistorische waarde van de houtopstand; de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand. In afwijking op het in het eerste lid genoemde verbod is een meldplicht van toepassing op: het kappen of rooien van bomen vanwege acuut gevaar i.v.m. instabiliteit; of besmettelijke ziekte; of dunning in houtopstanden; of dode bomen. Meldingen als bedoeld in lid 4 sub c en d, moeten minimaal 4 weken voorafgaand aan de velling gemeld worden. Het bevoegd gezag kan aan de vergunning de voorwaarde verbinden dat pas gebruik mag worden gemaakt van de vergunning indien de daarmee samenhangende vergunning (bijvoorbeeld voor bouw, sloop, uitweg of aanleg) is verleend en de bezwaartermijn, c.q. beroepstermijn van de samenhangende vergunning verstreken is zonder dat de samenhangende vergunning is geschorst. Artikel4:11aBestrijding iepziekte Wanneer op een perceel één of meer iepen staan die naar het oordeel van het college gevaar opleveren voor verspreiding van de iepziekte of voor vermeerdering van iepenspintkevers, is de eigenaar, als hij daartoe door het college is aangeschreven, verplicht binnen de bij de aanschrijving vast te stellen termijn: indien de iepen in de grond staan, deze te vellen; en de iepen te ontschorsen en de schors te vernietigen; of de niet ontschorste iepen of delen daarvan te vernietigen of zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen. Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren. Dit verbod is niet van toepassing op; geheel ontschorst iepenhout; iepenhout met een doorsnede kleiner dan 4 cm; vervoer van iepenhout door een erkend iepenaannemer. Het college kan ontheffing verlenen van het onder lid 2 gestelde verbod. Artikel4:12Herplant-/instandhoudingsplicht Bij het indienen van een aanvraag voor het vellen van een houtopstand, dient tevens een herplantplan ingediend te worden. Aan de vergunning kan de verplichting worden opgelegd om geheel of gedeeltelijke te herplanten, al dan niet volgens het ingediende herplantplan. Het bevoegd gezag kan aan de herplantplicht als bedoeld in lid 2, een redelijke termijn verbinden waarbinnen eventuele niet aangeslagen herplant moet worden vervangen en op welke wijze. Wanneer niet (volledig) kan worden voldaan aan de herplantplicht kan het bevoegd gezag hiervan afwijken en in plaats daarvan in de omgevingsvergunning opnemen dat een finaniële bijdrage wordt gestort. Wanneer een houtopstand, waarop het verbod tot vellen of een meldplicht van toepassing is, zonder vergunning van het bevoegde gezag is geveld, of op andere wijze verloren is gegaan, dan kan het bevoegd gezag aan de eigenaar van de grond of aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herbeplanten volgens de aanwijzingen van het bevoegd gezag en binnen een door het bevoegd gezag te stellen termijn. Afdeling4Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast Artikel4:13Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz. 1.Het is verboden op een door het college aangewezen plaats buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht en buiten de weg gelegen in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen. 2.Het is verboden op een door het college aangewezen plaats een bepaald voorwerp of bepaalde stof op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben. 3.Het college kan bij de aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid nadere regels stellen. 4.Het in dit artikel bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet ruimtelijke ordening of de Landschapsverordening Noord-Holland 2010. Artikel4:14Stankoverlast door gebruik van meststoffen (vervallen) Artikel4:15Verbod ontsierende, hinderlijke of gevaarlijke reclame (
- z)1.In dit artikel wordt onder reclame verstaan: het aanprijzen van of de aandacht vestigen op diensten, goederen, activiteiten, doelstellingen of namen. 2.Het is verboden op of aan een roerende of een onroerende zaak reclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding , indien daardoor: het verkeer in gevaar wordt gebracht; ernstige hinder ontstaat voor de omgeving; het stadsbeeld ernstig wordt ontsierd, of afbreuk wordt gedaan aan de kwaliteit van de openbare ruimte. 3.Het college kan nadere regels stellen voor reclame in bepaalde gebieden en aangeven wanneer reclame niet toelaatbaar is, omdat deze naar het oordeel van het college ernstig ontsierend is voor het stadsbeeld of afbreuk doet aan de kwaliteit van de openbare ruimte. Artikel4:16Vergunningplicht lichtreclame (vervallen) Afdeling5Kamperen buiten kampeerterreinen Artikel4:17Begripsbepaling In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: Een onderkomen of voertuig waarvoor geen bouwvergunning in de zin van artikel 2.1, eerste lid, onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. Artikel4:18Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 1.Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan is bestemd of mede bestemd. 2.Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein. 3.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid. 4.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van: de bescherming van natuur en landschap; de bescherming van een stadsgezicht. 5.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel4:19Aanwijzing kampeerplaatsen 1.Het verbod van artikel 4:18, eerste lid, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 2.Het college kan daarbij nadere regels stellen in het belang van de gronden, genoemd in artikel 4:18, vierde lid. Hoofdstuk5Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente Afdeling1Parkeerexcessen Artikel5:1Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder a l, van het reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990) met uitzondering van kleine wagens zoals: kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen. Aanhangwagens en scootmobielen vallen uitdrukkelijk onder de begripsbepaling voertuigen; parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1, onder ac, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990). Artikel5:2Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d. 1.Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan: het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling. 2.Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon. 3.Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze voertuigen; de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken. 4.Het college kan ontheffing van het verbod verlenen. 5.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel5:3Te koop aanbieden van voertuigen 1.Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen. 2. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen. 3.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel5:4Defecte voertuigen (vervallen) Artikel5:5Overlastgevende voertuigen (
- z)1.Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op of aan de weg te parkeren. 2.Het is verboden een voertuig dat niet is voorzien van een voor het rijden met een zodanig voertuig geldig wettelijk verplicht kenteken, op de openbare weg te parkeren. 3.Het is verboden om een voertuig, dat bestemd is voor andere dan verkeersdoeleinden, te parkeren of geparkeerd te hebben op de openbare weg voor een tijdsduur langer dan 2 maanden. 4.Het verbod in lid 1 geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. 5.Het verbod in lid 3 geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5:6. Artikel5:6Kampeermiddelen e.a. 1.Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente; op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod. 3.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Provinciaal wegenreglement of de Landschapsverordening Noord-Holland 2010. 4.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel5:7Parkeren van reclamevoertuigen 1.Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken. 2.Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. 3.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel5:8Parkeren van grote voertuigen 1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte. 3.Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur. 4.Het verbod in het tweede lid is voorts niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden. 5.Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen. 6.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel5:9Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen 1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. 2.Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is. Artikel5:10Parkeren anders dan op de rijbaan Het is verboden een voertuig te parkeren op een door het college aangewezen, niet tot de rijbaan behorend weggedeelte, zoals (gras-)bermen. Het verbod is niet van toepassing op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam. Artikel5:11Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen 1.Het is verboden met een voertuig te rijden door of deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook. 2.Dit verbod is niet van toepassing: op de weg; op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of vanwege de overheid; op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd. 3.Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. 4.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel5:11aAantasting van groenvoorziening door vaartuigen (
- z)Het is verboden een vaartuig te doen liggen of te laten liggen in een park, plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook in de periode van 1 april tot 1 oktober. Artikel5:12Overlast van fiets of bromfiets (
- z)1.Het is verboden om in door het college aangewezen gebieden fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan, waar dat verbod is in het belang van het uiterlijke aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare ruimte of gezondheid. 2.Het is verboden om in door het college aangewezen openbare (brom) fietsstallingsgebieden een (brom)fiets langer dan vier weken onafgebroken te stallen, waar dat verbod is in het belang van het beheer van de openbare ruimte. 3.Het is verboden om een (brom)fiets te parkeren of geparkeerd te hebben in door het college in het belang van het beheer van de openbare ruimte aangewezen openbare (brom)fietsstallingsgebieden, voor een tijdsduur langer dan bij dat besluit is aangegeven. 4.Het is verboden op of aan een openbare plaats een fiets, een bromfiets of een gelijksoortig voertuig te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel of muur van een gebouw dan wel in de ingang van een gebouw, indien: dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van één of meer gebruikers van dat gebouw, of; daardoor die ingang versperd wordt; daardoor de doorgang voor invaliden en minder validen versperd wordt. 5.Het is verboden een fiets, een bromfiets of een gelijksoortig voertuig op zodanige wijze op een voetpad, trottoir of openbare weg te plaatsen of te laten staan, dat de doorgang daardoor wordt belemmerd. 6.Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, evenement, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein. Afdeling2Collecteren Artikel5:13Inzameling van geld of goederen (
- z)1.Het is verboden een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden. 2.Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan: het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd. 3.Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor een inzameling die in besloten kring gehouden wordt. 4.Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor instellingen die zijn vermeld op het landelijke collecterooster van het Centraal Bureau Fondsenwerving (CBF) en die geld of goederen inzamelen in de aan hen door het CBF toegewezen periode; 5.Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor verenigingen en stichtingen, mits de inzameling van geld of goederen: plaats vindt buiten de periodes die door het CBF zijn toegewezen aan gecertificeerde instellingen, vooraf bij de gemeente wordt gemeld, niet plaats vindt in een week waarvoor een andere vereniging of stichting in dat gebied een inzameling bij de gemeente heeft gemeld. 6.Verenigingen en stichtingen als bedoeld in het vijfde lid dienen binnen 1 maand na afloop hun opbrengst te melden bij de gemeente. Afdeling3Venten Artikel5:14Begripsbepaling 1.In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis; 2.Onder venten wordt niet verstaan: het aan huis afleveren van goederen door of vanwege degene die dit doet ter exploitatie van zijn winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet; het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet of op snuffelmarkten als bedoeld in artikel 2:24 lid 2 onder f; het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 5:17. Artikel5:15Ventverbod 1.Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid,de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 2.Het is verboden te venten op zondagen en maandag t/m zaterdag tussen 22.00 u. en 06.00 uur. 3.Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet. 4. Het verbod als bedoeld in het tweede lid is niet van toepassing op het te koop aanbieden van voor directe consumptie geschikte etenswaren en alcoholvrije dranken. (
- z)5. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het tweede lid. (
- z)6.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel5:16Vrijheid van meningsuiting (vervallen) Afdeling4Standplaatsen Artikel5:17Begripsbepaling 1.In deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel. 2.Onder standplaats wordt niet verstaan: een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet; een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24. 3.Tijdelijke standplaatsvergunning: er is sprake van een tijdelijke/incidentele vergunning voor een standplaats als deze wordt ingenomen voor maximaal drie maanden. Verlenging van deze termijn is niet mogelijk. (
- z)4.Vaste standplaatsvergunning: er is sprake van een vergunning voor een vaste standplaats als deze wordt ingenomen voor een periode langer dan 3 maanden. Artikel5:18Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 1.Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. 2.Het college kan een vaste standplaatsvergunning weigeren wegens strijd met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. 3.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd: [vervallen]; (
- z)indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt. indien een aanvraag voor een tijdelijke standplaats betrekking heeft op een periode die later ingaat dan 90 dagen na de ontvangstdatum van de aanvraag. 4.Op de aanvraag en de vergunning uit het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Artikel5:19Toestemming rechthebbende (vervallen) Artikel5:20Afbakeningsbepalingen [vervallen] Artikel5:21Aanhoudingsplicht (gereserveerd) Afdeling5Snuffelmarkten (
- z)Artikel5:22Begripsbepaling (vervallen) Artikel5:23Organiseren van een snuffelmarkt (vervallen) Afdeling6Openbaar water Paragraaf1Algemene bepalingen Artikel5:24Voorwerpen op, in of boven openbaar water (
- z)1.Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden zonder vergunning van het college een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben. 2.Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard. 3.Het is verboden op, in of boven openbaar water voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water. 4.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken,. de Waterverordening Noord-Holland, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening van toepassing is. 5.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing Artikel5:25Het innemen van een ligplaats (
- z)1.Het college wijst gedeelten van openbaar water aan waar het is toegestaan met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen. 2.Het is verboden om in openbaar water in de gemeente Zaanstad met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen anders dan op krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water. 3.Het college kan aan het met een vaartuig innemen of hebben van een ligplaats dan wel aan het beschikbaar stellen van een ligplaats voor een vaartuig op openbare wateren welke krachtens het eerste lid zijn aangewezen: nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne, de ordening van de haven (waaronder het aanzien van de gemeente); beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen; beperkingen stellen aan de duur van een verblijf met een vaartuig ter plaatse van een ligplaats. Artikel5:25aPleisterplaatsen (
- z)1.Het college kan gedeelten van openbaar water aanwijzen waar het alleen met pleziervaartuigen is toegestaan om een ligplaats in te nemen voor de duur van maximaal drie maal vierentwintig uur. 2.Nadat met een pleziervaartuig een ligplaats is ingenomen voor de duur van maximaal 3x 24 uur is het, behoudens toestemming van het college, verboden om aansluitend voor dezelfde duur gebruik te maken van een andere pleisterplaats, indien dit ligplaatsnemen gebeurt voor meer dan drie opeenvolgende keren. 3.Het bepaalde in artikel 1.7 is niet van toepassing op het innemen van een ligplaats met een pleziervaartuig ter plaatse van een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van openbaar water. Artikel5:26Aanwijzingen ligplaats 1.Onverminderd het krachtens het eerste lid van artikel 5.25 en het krachtens artikel 5.25 a bepaalde kan het college aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente. 2.De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of vanwege het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen. Artikel5:27Verbod innemen ligplaats Het is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar te stellen in strijd met het krachtens de artikelen 5.25, 5.25a en 5.26, tweede lid bepaalde. Artikel5:28Beschadigingen van waterstaatswerken 1.Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde vaarten, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen. 2.Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Waterverordening Noord-Holland. Artikel5:29Reddingsmiddelen Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken. Artikel5:30Veiligheid op het water (vervallen) Artikel5:30aBrug klimmen en springen in openbaar water (
- z)1.Het is verboden op bruggen en andere kunstwerken in beheer, eigendom of bedieningsverantwoordelijkheid van het college te klimmen of hiervan af te springen in openbaar water. 2.Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement en de Wet beheer rijkswaterstaatswerken. 3.Het college kan plaatsen aanwijzen waar dit verbod niet van toepassing is. Artikel5:31Overlast aan vaartuigen 1.Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden. 2.Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken. Paragraaf2Bijzondere bepalingen met betrekking tot scheepvaart en havens (
- z)Artikel5:32Werkingssfeer (
- z)Het in deze paragraaf bepaalde is, met uitzondering van artikel 5.33 niet van toepassing op het Noordzeekanaal, alsmede in die gevallen waarin het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Waterverordening Noord-Holland van toepassing is. Artikel5:33Het nakomen van aanwijzingen (
- z)1.Havenbeambten kunnen aanwijzingen geven in het belang van de ordening en de veiligheid in de haven, in het bijzonder ter regeling van het scheepvaartverkeer en het nemen van ligplaats en ter voorkoming van gevaar, schade of hinder. 2.Degene tot wie een aanwijzing is gericht, is gehouden de aanwijzing onmiddellijk op te volgen. Artikel5:34Rondvaart- en verhuurbedrijf (
- z)1.Het is verboden zonder vergunning van het college: een bedrijf tot het per vaartuig vervoeren van passagiers te exploiteren, indien een punt van afvaart binnen de gemeente is gelegen; in openbaar water een bedrijf tot het verhuren van vaartuigen te exploiteren. 2.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel5:35Veren (
- z)1.Onverminderd het bepaalde in de Verenwet ten aanzien van overzetveren is het zonder vergunning van het college verboden een al dan niet openbaar middel tot vervoer van personen te water, bestemd om de geregelde verbinding tussen bepaalde punten binnen de gemeente te onderhouden in werking te brengen of te houden. 2.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel5:36Het besturen van vaartuigen onder invloed van alcoholhoudende dranken en/of andere stoffen (
- z)(vervallen) Artikel5:37Het gebruiken van vaartuigen als opslagplaats of bedrijfsruimte (
- z)1.Het is verboden zonder ontheffing van het college een in openbaar water liggend vaartuig als opslagplaats, bedrijfsruimte of voor handelsdoeleinden te gebruiken. 2.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel5:38Het breken van ijs (
- z)1.Het is verboden ijs in openbaar water te breken. 2.Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet voor: het losmaken van ijs rond vaartuigen; degene, die handelt in opdracht of met ontheffing van het college. Artikel5:39Het economisch opleggen van vaartuigen (
- z)1.Het is verboden zonder vergunning van het college een vaartuig langer dan twee maanden op te leggen. 2.Onder 'het opleggen van een vaartuig' wordt verstaan: het tijdelijk of permanent uit de vaart nemen van een vaartuig (economisch opleggen). 3.Een vergunning zoals bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd op grond van de weigeringsgronden van artikel 1:8 en de ordening van de haven (waaronder het aanzien van de gemeente). 4.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel5:40Baggeren (
- z)1.Het is, behalve aan de daarvoor door het college aangewezen personen, verboden zonder vergunning van het college in openbaar water te baggeren of naar levenloze voorwerpen te vissen of te zoeken. 2.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel5:41Het bouwen, herstellen, droogzetten en slopen van vaartuigen (
- z)1.Het is verboden om buiten het gebied waar de vigerende Regionale Havenverordening Noordzeekanaalgebied en het bijbehorende reglement van kracht zijn, zonder vergunning van het college in openbaar water vaartuigen te bouwen, te doen bouwen, te verbouwen of te doen verbouwen of daaraan herstellingen te verrichten of te doen verrichten. Dit verbod geldt niet voor het uitvoeren van noodreparaties. 2.Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet voor kleine reparaties, die worden verricht door of in opdracht van de gezagvoerder van een vaartuig dat ligt op een plaats als bedoeld in artikel 5.25. 3.Aan de gezagvoerder van een vaartuig kan het college de verplichting opleggen tot periodieke droogzetting van het vaartuig, zulks ten behoeve van een inspectie onder de waterlijn. 4.Het is verboden buiten het gebied waar de vigerende Regionale Havenverordening Noordzeekanaalgebied en het bijbehorende reglement van kracht zijn, drijvende vaartuigen te slopen of droog te zetten op andere dan door het college aangewezen plaatsen. 5.Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor openbaar water en/of ligplaatsen welk casu quo welke particulier eigendom is of zijn. 6.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel5:42Toegang tot openbare trappen en steigers (
- z)1.Het is zonder ontheffing van het college verboden de toegang tot de in of aan de kademuren of andere oevers gebouwde openbare trappen of steigers te belemmeren of daarvan gebruik te maken, anders dan voor het in- of ontschepen van personen en voor langere tijd dan hiervoor nodig is. 2.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel5:42aVeilige toegang (
- z)1.Een vergunning zoals bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd op grond van de weigeringsgronden van artikel 1:8 en de ordening van de haven (waaronder het aanzien van de gemeente). 2.In afwijking van het eerste lid, hoeft een vaartuig niet over een toegang te beschikken, indien: de feitelijke situatie dit onmogelijk maakt ten gevolge van laad – of loshandelingen; of het afmeren van korte duur is. Artikel5:43Bijzondere verplichtingen voor gezagvoerders van zeevaartuigen (
- z)(vervallen) Artikel5:43aVerhalen anders dan op eigen aanvraag (
- z)1.In artikel 5:43a en 5:43b wordt verstaan onder:
- a)Binnenschip: vaartuig dat is bestemd voor de vaart op de binnenwateren of op dienovereenkomstige buitenlandse wateren;
- b)Schip: elk vaartuig met inbegrip van een watervliegtuig, een draagvleugelboot, een luchtkussenvoertuig, een boorinstallatie, een werkeiland of soortgelijk object, een baggermolen, een drijvende kraan, een elevator, een ponton, een drijvend werktuig, een drijvend voorwerp of een drijvende inrichting;
- c)Zeeschip: schip dat wordt gebruikt voor de vaart ter zee of dat blijkens zijn constructie voor de vaart ter zee is bestemd en elk schip dat is voorzien van een document - afgegeven door het bevoegde gezag van het land waar het schip is ingeschreven - waaruit blijkt dat het geschikt is voor de vaart ter zee 2.De kapitein van een zeeschip, de schipper van een binnenschip of de rechthebbende op een ander soort schip of object te water is verplicht dit naar elders te verhalen indien dat naar het oordeel van het college in het belang van ordening, openbare orde, veiligheid of milieu noodzakelijk is. 3.Het college kan de in het tweede lid bedoelde schepen en objecten verhalen indien dit op grond van de in dat lid bedoelde belangen zonder uitstel dringend noodzakelijk is dan wel de kapitein, schipper of rechthebbende