Nota Omgevingskwaliteit Hollands KroonVoorwoord Onze leefomgeving verandert. Dat biedt kansen zolang we blijven inzetten op kwaliteit. In Hollands Kroon willen we ruimte geven aan nieuwe ideeën, maar wel met respect voor wat onze gemeente uniek maakt. We willen duidelijk maken waar we voor staan. Wat vinden we belangrijk? Hoe zorgen we dat nieuwe plannen passen bij de plek? En hoe houden we samen onze dorpen, landschappen en straten aantrekkelijk en leefbaar? De oude Welstandsnota richtte zich vooral op individuele gebouwen en architectuur. Daarmee werd onvoldoende houvast geboden voor een bredere, integrale benadering van de leefomgeving. Met de komst van de Omgevingswet in 2024 is een bredere aanpak nodig: niet alleen architectuur, maar ook landschap, ecologie, stedenbouw, erfgoed en cultuurhistorie spelen mee. Alles hangt samen. De nieuwe Nota Omgevingskwaliteit sluit aan op onze Omgevingsvisie en vormt straks de basis voor het omgevingsplan. We zetten in op een aantal onderdelen die belangrijk zijn voor een goede ruimtelijke kwaliteit. Behoud en versterking van waarde: We leggen nadruk op het behouden van gebouwen, dorpen en landschappen die ons gebied bijzonder maken. Kwaliteit en samenhang: Nieuwe ontwikkelingen worden kwalitatief beter en sluiten meer aan bij hun omgeving. Landschappelijke inpassing: Er is veel meer aandacht voor de relatie met het landschap en hoe gebouwen en functies daarin passen. Verbeteren wat kan: Naast behouden wat waardevol is, proberen we datgene wat nu minder fraai is mooier en passender te maken. Deze nota helpt hierbij. Met heldere regels, inspiratie en ruimte voor gesprek. Want kwaliteit ontstaat niet alleen op papier, maar vooral door samen te kijken, te praten en te doen. Of je nu bewoner bent, ondernemer of initiatiefnemer: denk mee, doe mee en bouw mee aan een Hollands Kroon waar we trots op zijn. Via participatieavonden en gesprekken hebben we waardevolle input gekregen van inwoners en ondernemers. Deze inbreng is verwerkt in de nota die voorligt. Laten we samen zorgen voor een fijne leefomgeving voor nu maar ook voor generaties na ons. Mark Versteeg Wethouder Samenvatting De Nota Omgevingskwaliteit is het beleidsdocument waarin we vastleggen hoe wij als gemeente Hollands Kroon omgaan met de kwaliteit van de leefomgeving bij ruimtelijke initiatieven. Het vormt een uitwerking van de ambities uit de Omgevingsvisie en bouwt voort op bestaand kwaliteitsbeleid. Het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit is een belangrijk doel van de Omgevingswet en draagt bij aan een leefbare woonomgeving, recreatieve aantrekkelijkheid en een duurzaam vestigingsklimaat voor bedrijven. We willen de historie en het karakter van een gebied herkenbaar houden, zodat onze gemeente haar eigen identiteit houdt. Tegelijk willen we ook ruimte bieden voor dynamiek, voor benutten en ontwikkelen van nieuwe waarden. De nota ondersteunt dit op drie manieren: als bron van informatie en inspiratie; voor de begeleiding van een initiatief, om initiatiefnemers te stimuleren; als beoordelingskader bij vergunningplichtige activiteiten en voor handhaving bij excessen. Om te kunnen sturen op omgevingskwaliteit zijn in deze nota Algemene Principes opgenomen. Dit zijn de basisregels waar we allemaal rekening mee houden bij een ruimtelijke ingreep: de initiatiefnemer, de bewoners, en ook de gemeente. Deze regels gelden in de hele gemeente. Voor grote of bijzondere ontwikkelingen of voor bepaalde thema’s kunnen deeluitwerkingen of beeldkwaliteitsplannen worden opgesteld als uitwerking van deze nota. De mate van gemeentelijke betrokkenheid hangt af van de impact en locatie van een initiatief. Als het gaat om een ontwikkeling in bijzondere gebieden, bij bijzondere gebouwen of bij monumenten is de rol van de gemeente actiever. Bij kleinschalige ontwikkelingen binnen een bestaand woongebied zal die rol minder groot zijn. Daarnaast richt de nota zich op het belang van proceskwaliteit: kwaliteit ontstaat niet alleen door het stellen van doelen en regels, maar vooral door samen het gesprek aan te gaan. Vroegtijdig overleg helpt om plannen kwalitatief te verbeteren. Tot slot is er aandacht voor een gebiedsgerichte benadering, om recht te doen aan de landschappelijke diversiteit en de eigen identiteit van kernen en linten in onze gemeente. Elk gebied krijgt specifieke doelen mee die passen bij de lokale identiteit en landschappelijke kenmerken. Dit helpt om gericht te sturen op kwaliteit. 1.Inleiding We willen een waardevolle en aantrekkelijke omgeving creëren waar mensen graag wonen, ondernemers zich willen vestigen en bezoekers kunnen genieten. Gemeente Hollands Kroon is een samenstelling van verschillende gebieden met een geheel eigen identiteit. Het is belangrijk om deze identiteiten en streekeigen kenmerken te behouden en te versterken. Wat van waarde is willen we behouden en nieuwe ontwikkelingen moeten passen in de kwaliteitsambities zoals gesteld in de Omgevingsvisie Hollands Kroon. Deze Nota Omgevingskwaliteit geeft uitwerking aan deze kwaliteitsambities en bouwt voort op bestaand kwaliteitsbeleid. 1.1Waarom een Nota Omgevingskwaliteit Het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit is één van de maatschappelijke doelstellingen van de nieuwe Omgevingswet. Met deze Nota Omgevingskwaliteit brengen we samenhang in ons kwaliteitsbeleid. De nota kan op verschillende manieren gebruikt worden: als bron van informatie en inspiratie voor initiatiefnemers, belanghebbenden en de gemeente; voor de begeleiding van een initiatief waarbij medewerkers en adviseurs van de gemeente de kwaliteitsdoelen als uitgangspunt nemen en zij initiatiefnemers stimuleren om de kwaliteitsdoelen na te streven; als beoordelingskader bij vergunningplichtige activiteiten en voor handhaving bij bestaande situaties (excessen). 1.2Wat is omgevingskwaliteit Zorg voor een goede omgevingskwaliteit betekent aandacht voor cultureel erfgoed, de kwaliteit van natuur(schoon) en landschap, de stedenbouwkundige kwaliteit, de architectonische kwaliteit van bouwwerken en de inrichting van de openbare ruimte. Belangrijk daarbij is de samenhang tussen deze aspecten. Bij een plan voor een nieuwe woning speelt ook de samenhang met de openbarre ruimte mee. Of bij omvangrijke ontwikkelingen gaan de inpassing in het landschap, de stedenbouwkundige opzet, de inrichting van de openbare ruimte en bebouwing hand in hand. Daarbij is er rekening mee gehouden dat goede omgevingskwaliteit geen vaststaand (objectief) gegeven is. Omgevingskwaliteit gaat over de waardering die mensen hebben voor bepaalde kenmerken van hun leefomgeving. Die waardering is afhankelijk van de persoon, de plaats en de tijd. Mensen kunnen waardering hebben voor: kenmerken die samenhangen met de herkomst, die de geschiedenis van een gebied herkenbaar houden. Het kan gaan om plekken met historische betekenis, zoals monumenten, maar het kan ook een persoonlijk verhaal zijn bij een bepaalde plek; kenmerken die samenhangen met de beleving, zoals het groen, het uiterlijk van de bebouwing, de geborgenheid, de afwisseling of juist de rust; kenmerken die samenhangen met het gebruik van een gebied, zoals de verschillende functies (bijvoorbeeld wonen, werken of recreëren), de bereikbaarheid, de toegankelijkheid; kenmerken die van belang zijn voor de omgevingskwaliteit in de toekomst, zoals duurzaamheid, robuustheid, waardevastheid en kansen voor ontwikkeling. 1.3Wie gaat over omgevingskwaliteit Als gemeente zijn we niet alleen verplicht, maar nemen we ook graag de verantwoordelijkheid om waar nodig de regie te voeren over het publieke belang van omgevingskwaliteit. Dat betekent dat we zorgdragen voor een goed proces waarbij omgevingskwaliteit een evenredige rol krijgt bij de planvorming. Wij voeren daarbij de regie, die zwaarder zal zijn naarmate de ingreep groter is en de specifieke kwaliteiten van het gebied daarom vragen. In hoofdstuk 3 is uitgewerkt welke rol wij als gemeente hebben en welke processen daarbij horen. 1.4Welke ambities hebben we We willen de historie en het karakter van een gebied herkenbaar houden, zodat het gebied zich blijft onderscheiden van andere gebieden. Tegelijk willen we ook ruimte bieden voor dynamiek, voor benutten en ontwikkelen. Dit zal leiden tot veranderingen in een gebied, waarbij er nieuwe kwaliteiten kunnen ontstaan. In de (concept) omgevingsvisie zijn drie ambities omschreven De omgeving is de basis voor het welzijn van onze inwoner Agrarische hoofdstad van de toekomst Hollands Kroon is écht te beleven De drie ambities verwoorden samen een breed en integraal beeld van goede omgevingskwaliteit. Samen vormen ze een visie waarin de fysieke leefomgeving gezond en leefbaar is voor mensen, ruimte biedt voor duurzame ontwikkeling en een plek is om te genieten, te ontdekken en trots op te zijn. Dit vraagt om goede ideeën, ontwerpen en samenwerking, mensen die de opgave en de omgeving met ‘ontwerpkracht’ benaderen en creativiteit en kennis combineren met een analyse van maatschappelijke vraagstukken én met ideeën en wensen van belanghebbenden. Publieke en private partijen hebben volgens de Omgevingswet een gedeelde zorgplicht voor goede omgevingskwaliteit. Want daarmee behouden en versterken we de aantrekkelijkheid van ons woon-, werk- en leefklimaat. 1.5Leeswijzer De nota bestaat uit zeven hoofdstukken: Hoofdstuk 1 heeft betrekking op de aanleiding en het doel van deze nota. Hoofdstuk 2 omvat het kader met basisregels voor nieuwe initiatieven en plannen. Het is een set met regels die als leidraad dienen voor elk initiatief. Hoofdstuk 3 gaat over de sturing vanuit de gemeente en het procesverloop. De impact van een ingreep en de locatie bepalen welke kwaliteitsadvisering plaatsvindt. Hoofdstuk 4 vormt het gebiedsgerichte beleid met korte beschrijving, bijbehorende kernkarakteristieken, kwaliteitsdoelen en criteria per gebied. Dit hoofdstuk dient om te kunnen sturen op doelen, initiatieven te begeleiden en ter onderbouwing van adviezen. Hoofdstuk 5 gaat over de thematische criteria; per thema zoals monumenten, stolp- en Wieringerboerderijen en kleine windturbines zijn criteria opgenomen. Hoofdstuk 6 betreft de kleine criteria, waarin we heel concreet voorschriften voor een aantal (veel voorkomende) kleine, eenvoudige bouwwerken omschrijven, zodat de plantoetser het plan ambtelijk kan afdoen. Hoofdstuk 7 bevat de excessenregeling, mocht een bestaand bouwwerk niet in ernstige mate in strijd zijn met de criteria. Ook wordt ingegaan op de mogelijkheden om af te wijken van de gestelde beleidsregels in deze nota. We zien kansen voor omgevingskwaliteit als er geïnvesteerd wordt in de omgeving. De omgevingskwaliteit neemt toe als: een ruimtelijke verandering aansluit bij de kenmerken van het gebied en de ruimtelijke samenhang vergroot; een verandering een bijdrage levert aan het gemeenschappelijke belang en de vastgestelde ambities voor dat gebied; de herkomstwaarde, belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde invulling krijgen en een balans daartussen wordt bereikt; tijdig ontwerpers zijn ingeschakeld en het toevoegen van kwaliteit centraal staat in het ontwerpproces; bewoners en andere betrokkenen zo vroeg mogelijk worden geconsulteerd over wat zij in hun omgeving als kwaliteit ervaren. 2.Algemene principes De gemeente erkent dat we allemaal – inwoners, bedrijven, overheid – verantwoordelijk zijn voor een goede omgevingskwaliteit. De basis voor deze zorgplicht ligt in de Algemene principes. Hiermee geven we aan op welke manier we omgaan met onze gedeelde fysieke leefomgeving. De Algemene principes gelden voor de gemeente, maar ook voor private partijen en ontwerpers. Ze gelden altijd: voor alle (grotere) initiatieven, projecten en beleidsuitwerkingen. Ze garanderen dat bestaande gebiedskwaliteiten worden gerespecteerd en bieden ruimte voor het toevoegen van nieuwe kwaliteiten. De Algemene principes hebben betrekking op het ontwerp en ontwikkelproces, maar ook op gedragingen en rollen van de overheid, private partijen, inwoners en ondernemers. Ze gaan uit van draagvlak en respect voor de bestaande kwaliteiten en identiteit zonder vernieuwing te belemmeren. Zo dragen ze bij aan ‘een evenwichtige toedeling’ van functies aan locaties. Kwaliteit is een gedeelde verantwoordelijkheid We zien goede omgevingskwaliteit als een gedeelde verantwoordelijkheid van overheid, inwoners en ondernemers. Van initiatiefnemers vragen we goed opdrachtgeverschap en de inzet van ontwerpkracht. Van omwonenden vragen we betrokkenheid en inbreng van gebiedskennis. Als gemeente zetten we ons in voor samenhangend beleid, snelle processen en transparante besluitvorming. Er is samenhang tussen herkomst-, toekomst-, gebruiks- en belevingswaarde De leefomgeving wordt op verschillende manieren gewaardeerd. We streven naar samenhang tussen de herkomstwaarde (identiteit en erfgoed), de toekomstwaarde (duurzaam en robuust), de gebruikswaarde (het functioneren, de toegankelijkheid en de sociale inclusiviteit) en de belevingswaarde (schoonheid en thuis voelen). Daarbij gaat het om zowel ruimtelijke inrichting, sociale veiligheid en goed beheer. In plan- en ontwerpprocessen moet worden gezocht naar synergie van deze waarden. In hoofdstuk 3 gaan we hier verder op in. Opvallen mag alleen in positieve zin Ons uitgangspunt is dat ingrepen passen in hun omgeving of die verbeteren. Maar het betekent niet dat afwijken van de omgeving of toevoegen van nieuwe kwaliteiten niet mogelijk zijn. Een nieuwe kwaliteit mag opvallen en plekken accentueren. Uit de motivering moet blijken of het een positieve bijdrage levert aan de omgeving, structuur of identiteit/eigenheid van de plek. We hanteren daarbij de volgende stelregel: Het is redelijk dat er hogere eisen worden gesteld aan de kwaliteit van de ingreep naarmate een ingreep zich sterker van zijn omgeving onderscheidt. We stellen eisen aan participatie, het programma, het ontwerp, de beoordeling en de besluitvorming. Een verandering dient meerdere belangen We streven naar meervoudig ruimtegebruik. Een ruimtelijke verandering in onze gemeente dient in beginsel altijd meerdere belangen. Zie hiervoor ook het inspiratiekader brede welvaart, zoals benoemd in de Omgevingsvisie. We vragen daarom van iedereen inzet om te zorgen voor meerwaarde van private en publieke initiatieven en investeringen. Wie bijvoorbeeld infrastructuur aanpakt, neemt daarbij direct waterberging of energiewinning mee indien mogelijk. Een goed ontwerp lost ogenschijnlijk conflicterende belangen of ruimteclaims op. Kiezen voor toekomstbestendigheid We streven naar een aantrekkelijke, gezonde en duurzame leefomgeving. Kwaliteit die begint vanuit het creëren van eeuwigheidswaarde. Duurzaamheid in relatie tot omgevingskwaliteit gaat om het denken op de lange termijn én de koppeling en samenhang met andere belangen. Alle (grotere) ruimtelijke opgaven en ingrepen moeten daarom positief bijdragen aan de energietransitie, klimaatadaptatie, natuurinclusiviteit of biodiversiteit. Duurzaamheid moet altijd gezien worden als integraal onderdeel van het ontwerp en exploitatie. Een ruimtelijk ontwerp begrijpt en verrijkt de geschiedenis De dorpen, buurtschappen en het landschap veranderen voortdurend. De gelaagdheid van het landschap en de dynamiek van de verschillende functies zijn onderdeel van de kwaliteit. Sommige veranderingen gaan geleidelijk, andere komen snel. Sommige veranderingen blijven, andere zijn vluchtig. Dat is vooraf niet altijd goed te doorzien. We willen dat veranderingen voortbouwen op onze kwaliteiten zoals de rechte lijnen van de polderstructuren. Vragen en opgaven moeten in hun onderlinge samenhang worden opgepakt op een manier waarbij de gebiedsidentiteit en gebiedskenmerken centraal staan. Dit zorgt voor een verbetering van de omgevingskwaliteit en maakt afwegingsprocessen en consequenties transparant. De ruimtelijke geschiedenis kan verrijkt worden met nieuwe ingrepen die logisch aansluiten. Belangrijke lijnen en bijzondere plekken worden beschermd Belangrijke lijnen, zoals polderlinten, lintdorpen, stuwwallen, vaarten, dijken, zichtlijnen en verbindingslijnen, vormen de ruimtelijke ruggengraat van onze gemeente. Daarnaast zijn er bijzondere plekken, zoals pleinen, brinken, bruggen, monumentale buurten of gebouwen. De belangrijke lijnen en bijzondere plekken zijn belangrijk voor onze identiteit. Dit betekent dat zorgvuldig moet worden omgegaan met de bijzondere, beeldbepalende plekken, gebouwen en structuren. Er lopen lange lijnen door landschappen, maar ook kleine doorkijkjes kenmerken gebieden. Daarom willen we de belangrijke lijnen versterken door de continuïteit en samenhang in de inrichting te bewaken. Toevoegen van bijzondere gebouwen of ruimten op bepaalde, nauwkeurig te selecteren plekken kunnen de structuur en de opzet van de wijken nog beter herkenbaar maken. De openbare ruimte heeft prioriteit De openbare ruimte wordt gevormd door groen en water, straten, tuinen, massa en volume van bouwwerken, gevels en daklandschap van gebouwen. Dit wordt ervaren als één geheel en in deze publiek toegankelijke ruimte ontmoeten mensen elkaar en is een gevoel van welkom van belang. Daarom geven we als gemeente prioriteit aan ontwerp en inrichting van de openbare ruimte. Van onszelf, initiatiefnemers en ontwerpers vragen we ontwerpkracht om de samenhang tussen openbare ruimte en privégebied en de relatie van een bouwplan met het dorpse- of landschappelijke ensemble vorm te geven. De mensen in de omgeving hebben een rol Omgevingskwaliteit heeft niet alleen een fysieke betekenis maar ook een sociale: het krijgt gestalte in dialoog met de mensen die de omgeving gebruiken. Door hun verhalen en kijk op een plek krijgt deze waarde en betekenis. Ons uitgangspunt is dat eigenaren, initiatiefnemers en ontwerpers in ieder geval de directe omwonenden betrekken bij ontwikkelingen en planvorming. De intensiteit van deze betrokkenheid hangt samen met de schaal, de uitstraling en ruimtelijke impact van de opgave. Nog mooier is het als de omgeving actief meedenkt/meedoet met nieuwe projecten. In dat geval kan gestreefd worden naar een aanpak van onderop: de ideeën komen van onderop en worden via een duidelijke regie gebundeld en tot realisatie gebracht. 3.Regieniveaus Kwaliteit ontstaat niet door ambities en regels alleen. Het is geen kwestie van het afvinken van de criteria. Kwaliteitsbeleid heeft vaak een ‘open’ karakter, bijvoorbeeld dat een ontwikkeling in de omgeving moet passen. Dat is iets anders dan te zeggen dat er over smaak niet valt te twisten of dat kwaliteit nu eenmaal subjectief is. Kwaliteit moet besproken worden en daar passen kwaliteitsdoelen en criteria bij. Dat maakt het mogelijk om samen met betrokkenen te zoeken naar de beste invulling. En om te zorgen dat men zich bij concrete initiatieven aan de afspraken houdt. Daarom maken we in de bestaande gemeentelijke processen, zoals het aanvragen van een vergunning, ruimte voor het ‘kwaliteitsgesprek’. Deskundige adviseurs spelen hierbij een belangrijke rol. In dit hoofdstuk beschrijven we hoe intensief de gemeente kan en wil zijn bij de zorg voor goede omgevingskwaliteit, hoe adviesprocessen zijn ingericht en de juridische borging. 3.1Welke regieniveaus Het regieniveau beschrijft hoe intensief de gemeente betrokken kan en wil zijn bij de zorg voor goede omgevingskwaliteit. In deze nota onderscheiden we drie regieniveaus: Niveau 1: Basis regieniveau Voor de gebieden met een basis regieniveau is het beleid gericht op het behouden of herstellen van omgevingskwaliteit en het bewaren van de kernkarakteristieken. Bij veranderingen of ontwikkelingen is de regie erop gericht dat een ingreep moet ‘passen’ in de omgeving om verrommeling te voorkomen. De rol van de gemeente is vooral faciliterend en controlerend. Dit betekent dat de houding van de gemeente meewerkend is, minder proactief sturend, maar controlerend. De verantwoordelijkheid ligt meer bij de initiatiefnemer zelf om voldoende kwaliteit en draagvlak voor het initiatief te creëren. Niveau 2: Bijzonder regieniveau In het bijzonder regieniveau geldt aanvullende aandacht voor het verbeteren van de aanwezige omgevingskwaliteit. Hier staat maatwerk centraal met extra aandacht voor omgevingskwaliteit. In dit gebied moet de ruimtelijke samenhang worden behouden, hersteld of zelfs worden versterkt. Eigentijdse invullingen zijn mogelijk binnen de aangegeven gebiedskwaliteiten en kaders. De rol van de gemeente is gericht op het sturen en begeleiden van initiatieven. Het publieke belang is groter, waardoor de gemeente een proactieve houding aanneemt en meedenkt welke kwaliteit passend is. Niveau 3: Beschermd regieniveau Het beschermd regieniveau geldt voor monumenten en het rijksbeschermd dorpsgezicht Kolhorn en het provinciaal beschermd dorpsgezicht Barsingerhorn. Het regieniveau is specifieker gericht op het behouden van de cultuurhistorische waarden. Het beschermd regieniveau betekent niet dat er niks mag, maar wel dat zorgvuldig wordt gekeken naar de aanwezige en gewenste kwaliteit. Daarvoor hebben we specifieke regels opgesteld om aan te geven hoe je met de bestaande cultuurhistorische en erfgoedwaarden moet omgaan. 3.2Hoe verloopt het adviesproces Wanneer een beoordeling van een initiatief plaatsvindt, is weergeven in onderstaand schema: Adviesrollen De gemeente kent verschillende adviesprocessen voor omgevingskwaliteit, waarbij verschillende adviseurs betrokken zijn. Adviseurs De gemeente kent ambtelijke adviseurs en onafhankelijke adviseurs. Ambtelijke adviseurs zijn onder andere de plantoetsers, specialisten (bijvoorbeeld op het gebied van cultuurhistorie) en de specialisten binnen de omgevingstafel of het bouwberaad. De omgevingstafel en het bouwberaad betreffen elk een overleg van verschillende ambtelijke specialisten. In bepaalde gevallen zal ook een advies nodig zijn van onafhankelijke adviseurs. Onafhankelijke adviseurs zijn de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit en eventuele supervisoren en kwaliteitsteams. De Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit (ARK) De Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit is verplicht onder de Omgevingswet. Het is de opvolger van de welstandscommissie en de monumentencommissie. Deze commissie is door de raad ingesteld als overkoepelende onafhankelijke adviescommissie en bestaat uit drie deskundigen. Van oudsher vraagt de gemeente de ARK om advies over de stedenbouwkundige invulling en de uiterlijke verschijningsvorm van gebouwen. Onder de Omgevingswet is de samenhang tussen de aspecten van omgevingskwaliteit van belang en met het oog hierop zal dit zich uitbreiden. In het algemeen zal het gaan om de samenhang tussen de openbare ruimte en plannen die worden ingediend. In de adviescommissie zitten experts die hierover kunnen adviseren. De commissieleden zijn deskundig op het gebied van cultuurhistorie, bouw- en architectuurhistorie, restauratiearchitectuur, landschap, stedenbouw, architectuur en duurzaam bouwen. De commissie kan zo nodig andere specialisten raadplegen. De commissie adviseert op verzoek over projecten (in alle stadia) en kan gevraagd en ongevraagd adviseren over beleid. De commissie kan op verzoek vooroverleg voeren met initiatiefnemers over een in te dienen vergunningaanvraag. De commissie kan leden of subcommissies mandateren om namens de commissie te adviseren. Supervisor en/of kwaliteitsteam Voor (projecten
- in)transformatiegebieden of gebieden met bijzonder regie of beschermd regie kan een beeldkwaliteitsplan worden opgesteld en een supervisor en/of kwaliteitsteam worden aangesteld. Een supervisor of kwaliteitsteam is intensief betrokken bij de landschappelijke, stedenbouwkundige en architectonische ontwikkeling van het betreffende gebied. Een supervisor of kwaliteitsteam adviseert initiatiefnemers en hun ontwerpers, de ambtelijke afdelingen en de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit. Adviesprocessen De gemeente ontwikkelt adviesprocessen voor omgevingskwaliteit. Hieronder beschrijven we de adviesprocessen bij vier routes. Deze routes zijn afhankelijk van of een initiatief past binnen de (planologische) regels van het bestemmingsplan of omgevingsplan of niet. Hoe het initiatief beoordeeld wordt is afhankelijk van het regieniveau. Route 1: vergunningvrij Als voor een omgevingsplanactiviteit geen vergunning nodig is, vindt er vooraf geen beoordeling en advisering plaats op omgevingskwaliteit zoals omschreven in deze nota. De gemeente kan bij een exces wel achteraf ingrijpen bij bestaande situaties die een groot negatief effect hebben op de omgevingskwaliteit. Daarvoor is een excessenregeling van toepassing, zie hoofdstuk 7. Als de gemeente opdrachtgever is voor de inrichting van de openbare ruimte, vergt dat geen vergunning, maar wel een gesprek met adviseurs. Route 2: passend in omgevingsplan of binnenplanse afwijking Deze initiatieven zijn vergunningplichtig, maar passen binnen de (planologische) beoordelingsregels van het omgevingsplan of vormen daarop slechts een ondergeschikte afwijking. Wat betreft omgevingskwaliteit kan het in deze route gaan om basis regie, bijzonder regie of beschermd regie. Het regieniveau volgt uit de Nota Omgevingskwaliteit. Bij basis regie geldt beoordelingsgericht advies (toetsing aan de kaders) door een ambtelijk specialist. Bij bijzonder regie of beschermd regie geldt een (vooroverleg over) beoordelingsgericht advies door de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit. Route 3: buitenplanse omgevingsplanactiviteit Het gaat uitsluitend om initiatieven met een buitenplanse afwijking van het omgevingsplan (BOPA), waarvoor de kaders van het plan nog uitgewerkt moeten worden en met veel impact op de omgeving. Wat betreft omgevingskwaliteit kan het in deze route gaan om basisregie, bijzonder of beschermd regie. Het regieniveau volgt uit de Nota Omgevingskwaliteit. De advisering wordt aangepast aan het regieniveau. Daarnaast gelden de regels voor het uiterlijk van bouwwerken. Bij basisregie geldt een beoordelingsgericht advies door ambtelijke specialist. Bij bijzonder regie of beschermd regie worden de gewenste adviseurs zo vroeg mogelijk betrokken. Op basis van het procesadvies van de coördinator kwaliteitsadvisering wordt in overleg met de proces- of projectmanager advies gevraagd over de doelen en het ontwerp aan de ambtelijk adviseurs en/of Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit. Als de vergunningaanvraag uiteindelijk wordt ingediend, geeft de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit het beoordelingsgerichte advies op basis van de Nota Omgevingskwaliteit en het adviesdossier. Dit is meestal niet anders dan het eerdere advies en is te zien als eindcontrole. Route 4: gebiedsontwikkelingen en woningbouwprojecten Deze route wordt gebruikt voor gebiedsontwikkelingen en grotere woningbouwprojecten, waarvoor de kaders nog niet duidelijk zijn. De gemeente wil de wensen en eisen voor deze gebieden het liefst zo vroeg mogelijk vaststellen, nog voordat ze met ontwikkelaars om de tafel gaat. Hierbij moet de gemeente vaststellen welke omgevingskwaliteit ze wil en moeten beoordelingskaders ontwikkeld worden. Preadvies Er wordt een mogelijkheid tot een preadvies gecreëerd en dit wordt opgenomen in de legesnota. Het is dan mogelijk voor initiatiefnemers om, voordat zij een aanvraag indienen, al een eerste beoordeling te ontvangen op het aspect omgevingskwaliteit. Bij basisregie geldt beoordelingsgericht advies (toetsing aan de kaders) door de ambtelijk specialist. Bij bijzonder regie of beschermd regie geldt (vooroverleg over) beoordelingsgericht advies door de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit. Vertegenwoordiger van de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit (ARK) aan Omgevingstafel Bij gebiedsontwikkelingen sluit een vertegenwoordiger van de ARK aan bij de Omgevingstafel. Deze vertegenwoordiging vindt plaats via een gemandateerd commissielid dat namens de commissie mag adviseren. In een mandaatbesluit wordt vastgelegd waarover het commissielid mag adviseren en hoe verantwoording aan de commissie plaatsvindt. Indien het commissielid twijfelt over de interpretatie van de commissie, moet hij of zij de commissie raadplegen. De commissie kan niet terugkomen op eerder door het commissielid gegeven adviezen. Het commissielid houdt het adviesdossier bij en zorgt dat dit toegankelijk is voor de commissie. 3.3Vereisten aan een beeldkwaliteitsplan De Nota Omgevingskwaliteit zal in de toekomst worden aangevuld met gebiedsgerichte of themagerichte uitwerkingen. Deze worden door de raad vastgesteld als aanvulling op deze nota. Gebiedsgerichte uitwerkingen zijn bijvoorbeeld deelvisies of beeldkwaliteitsplannen gericht op een grote ruimtelijke verandering of op het beschermen en ontwikkelen van de bestaande ruimtelijke identiteit van een gebied. Themagerichte uitwerkingen zijn bijvoorbeeld beleidsregels voor reclame-uitingen, de omgang met monumenten of met zonneakkers of verdichtingsopgaven. Door alle uitwerkingen vast te stellen als aanvulling op de Nota Omgevingskwaliteit, blijft de nota het centrale punt van het kwaliteitsbeleid en houden we overzicht. Bovendien krijgen de uitwerkingen hiermee een duidelijke (juridische) status. Wanneer een beeldkwaliteitsplan? Soms zal de gemeente zelf een uitwerking (laten) opstellen. Dit geldt vooral voor de themagerichte uitwerkingen. Gebiedsgerichte uitwerkingen zullen vaak worden opgesteld door de initiatiefnemers van projecten. Bij grotere ingrepen met veel betekenis, vraagt de gemeente aan initiatiefnemers om duidelijk te maken welke bijdrage het initiatief levert aan de omgevingskwaliteit. Daarom is een visie op omgevingskwaliteit een indieningsvereiste voor initiatieven en projecten met bijzonder of beschermd regie. In gevallen van grote impact moet de visie op omgevingskwaliteit uitgewerkt worden tot een beeldkwaliteitsplan. Het beeldkwaliteitsplan wordt gebruikt ter onderbouwing van de besluitvorming. De motiveringsplicht neemt toe naarmate de ingreep meer impact heeft. Daarom geldt in alle gevallen: de omvang en diepgang van het beeldkwaliteitsplan is afhankelijk van de aard en de impact van de ingreep. De gemeente bepaalt of er een beeldkwaliteitsplan nodig is en zo ja, van welke omvang. Een ingediend beeldkwaliteitsplan wordt beoordeeld op kwaliteit en aansluiting bij de Nota Omgevingskwaliteit door de Omgevingstafel en de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit. De inhoud van een beeldkwaliteitsplan Een beeldkwaliteitsplan wordt vastgesteld als uitwerking van de Nota Omgevingskwaliteit en moet aansluiten en voortborduren op de inhoud van deze nota. Daarom hanteren we het volgende format voor de inhoud van een beeldkwaliteitsplan: Samenvatting Leeswijzer Inleiding Beleidskaders Analyse huidige situatie Visie op de nieuwe situatie Principes en regels voor de uitvoering Aandachtspunten en vervolgstappen Bijlagen Zie voor de uitwerking van dit format bijlage 2. Als er een regel uit een beeldkwaliteitsplan conflicteert met de criteria uit hoofdstuk 4, 5 en 6 van deze nota, dan geldt in beginsel de regel uit het beeldkwaliteitsplan. 3.4Beleidscyclus en juridische borging Zoals past in de Omgevingswet zal de Nota Omgevingskwaliteit iedere vier jaar worden geëvalueerd en waar nodig herzien. De eerste periode na vaststelling zal korter zijn, ruim één jaar, omdat er dan veel ervaring in het werken met de nota wordt opgedaan. Voor vragen en het ‘dagelijks beheer’ van de Nota Omgevingskwaliteit wordt een ambtelijk coördinator aangewezen. Aan het eind van een beleidscyclus evalueert het college de nota, na advies van de ambtelijk coördinator. Deze raadpleegt hierover ook de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit. Bij de evaluatie wordt in ieder geval inzicht geboden in de volgende punten: Aantal aanvragen die onder de diverse regieniveaus vallen en de onderverdeling daarvan in de onderscheiden gebieden; Aantal aanvragen (per regieniveau en gebied) die ambtelijk getoetst zijn, de uitkomsten daarvan en de tijd die met deze toetsing is gemoeid (wat betekent dit voor de doorlooptijd van de aanvraag?); Aantal aanvragen (per regieniveau en gebied) die door de ARK zijn getoetst, de uitkomsten daarvan en de tijd die met deze toetsing is gemoeid (wat betekent dit voor de doorlooptijd van de aanvraag?); Aantal aanvragen (per regieniveau en gebied) waarvoor de toetsing meerdere keren moest plaatsvinden (zowel ambtelijk als door de ARK)? Hoeveel tijd is hiermee gemoeid en wat betekent dit voor de doorlooptijd van de aanvraag?; Aantal aanvragen (per regieniveau en gebied) waarvoor de toetsing aan de Nota heeft geleid tot een weigering van de vergunning (en of dit heeft geleid tot een bezwaarschift); Welke kosten hebben de initiatiefnemers moeten maken op basis van de vereiste toetsing op grond van de Nota Omgevingskwaliteit? Hoeveel extra ambtelijke capaciteit is met de uitvoering van de Nota Omgevingskwaliteit gemoeid (ten opzichte van 2025 en voorafgaande jaren)? Zijn de initiatiefnemers van mening dat hun plan door advies van de ARK beter is geworden? Andere opvallende punten/vermeldingswaardigheden. De evaluatie wordt aangeboden aan de gemeenteraad, die het beleid desgewenst aan kan laten passen. De Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit rapporteert aan de gemeenteraad elk jaar in haar jaarverslag hoe ze bij de advisering uitvoering heeft gegeven aan het beleid. De gemeente is continu in ontwikkeling. De gemeenteraad kan daarom ook tussentijds aanvullingen of aanpassingen voorstellen en vaststellen. Dit kan bijvoorbeeld zijn als er een nieuw beeldkwaliteitsplan is opgesteld, maar ook als kwaliteitsdoelen van de gebieden zijn veranderd. Bijvoorbeeld als er een nieuwe woonwijk is gerealiseerd in een gebied wat voorheen geen woongebied was. Bij de vaststelling van een ruimtelijke ontwikkeling zal dus in het besluit opgenomen worden dat automatisch ook de kaarten in de Nota Omgevingskwaliteit aangepast moeten worden waar nodig. Bij de vaststelling van beleidsstukken over omgevingskwaliteit moet in het besluit opgenomen worden dat deze onderdeel worden van de Nota Omgevingskwaliteit. 4.Gebiedsgericht beleid Typisch voor Hollands Kroon is grote verscheidenheid aan gebieden. Elk gebied heeft zijn eigen geschiedenis, gebruikers, functies, uitstraling en opgaven en daarmee ook een eigen omgevingskwaliteit. Daarom zijn de kwaliteiten van de afzonderlijke gebieden het uitgangspunt van de Nota. Voor alle gebieden zijn de kwaliteiten uitgewerkt en zijn daaraan kwaliteitsdoelen en vervolgens criteria gekoppeld. In dit hoofdstuk komen per gebied de kwaliteiten, kwaliteitsdoelen en criteria aan bod. De opbouw van dit hoofdstuk volgt een vaste en herkenbare structuur die per gebied wordt toegepast. Deze structuur wordt hieronder uitgelegd, en is ook weergegeven in het schema hieronder. Het gaat in Hollands Kroon om 8 gebieden: Wieringen Wieringermeer Wieringerwaard Anna Paulownapolder Noordelijk West-Friesland Waard- en Groetpolder en Waard-Nieuwlandpolder Amstelmeer, Oude Veer en zwinnen IJsselmeer en Waddenzee Van elk gebied is een algemene beschrijving opgesteld over de ontstaansgeschiedenis van het landschap en het huidige uiterlijk van het gebied. Daarna wordt de bebouwing in het buitengebied beschreven. Hierbij ligt de nadruk op de structuur en vormgeving van lintbebouwing en buurtschappen, maar het gaat ook over de relatie met het landschap. Aansluitend wordt per afzonderlijke kern een nadere toelichting gegeven. In deze kernbeschrijvingen komen de specifieke kenmerken en opbouw van de dorpen of woonkernen aan bod. Voor ieder gebied worden de kernkarakteristieken benoemd. De kernkarakteristieken komen voort uit de beschrijving van het gebied. Daarna worden de kwaliteitsdoelen beschreven. Deze doelen geven richting aan toekomstige ontwikkelingen en aan de beoordeling van plannen. De kernkarakteristieken en de kwaliteitsdoelen vormen samen de basis voor het formuleren van de criteria. De criteria zijn hiërarchisch onderverdeeld in gebiedstypen (van groot naar klein). De volgende volgorde wordt bij elk gebied aangehouden: Landschap/Ruimtelijke samenhang Bebouwing in het buitengebied Beschermde linten (linten met het beschermd regieniveau) Bijzondere kernen en linten (linten/kernen met het bijzonder regieniveau) Uitbreidingswijken Bedrijventerreinen Specifieke bedrijventerreinen of gebieden, waaronder ook havens Sport- en recreatieterreinen en -parken Niet bij elk gebied is elk gebiedstype van toepassing. In het schema op de volgende pagina is aangegeven welke gebiedstypen van toepassing zijn per gebied. Bij elk gebiedstype, met uitzondering van het gebiedstype Landschap/Ruimtelijke samenhang, worden de criteria gestructureerd aangeboden op drie ruimtelijke schaalniveaus. De schaalniveaus zijn: Het niveau van erf en ligging (de grootste schaal); Het niveau van de bebouwing zelf (de middelste schaal); Het niveau van de detaillering, de materiaalkeuze en het kleurgebruik van de bebouwing (de kleinste schaal). In één uitzonderingsgeval is een afwijkende structuur gehanteerd. Dit betreft het gebied Amstelmeer, Oude Veer en zwinnen. Voor dit gebied worden de criteria rechtstreeks per onderdeel benoemd, en dus niet eerst met gebiedstypen. 4.1Wieringen Wieringen bestaat uit een keileemlandschap. In de voorlaatste ijstijd heeft het ijs de bodem samengeperst tot keileem en hoogtes en laagtes gevormd. De hoog gelegen delen van Wieringen leenden zich van oudsher goed voor bewoning en de lager gelegen vlakten die soms nog wel eens overstroomden voor (gemeenschappelijke) weidegronden. Op de hoge delen en op de overgang naar de lage delen werden tuunwallen aangelegd, lage wallen van opgestapelde plaggen die als perceelsgrens functioneerden. Op Wieringen bestond een bijzonder watersysteem, bestaande uit walsloten en sjanen. Rond de hoge delen lagen walsloten om het regenwater te bergen, terwijl de sjanen het water radiaal van de hogere delen naar de walsloten voerden. Inmiddels zijn veel walsloten rechtgetrokken en veel sjanen gedempt. Eind jaren ’40 heeft het eiland een sterke groenstructuur gekregen met hagen, singels en laanbeplanting. Op Wieringen is veel struweelbeplanting aanwezig, vaak aan de rand van open gebieden. Dit vormt samen met enkele bomenrijen in de berm, tuunwallen en groene erven een gebiedseigen beplantingsbeeld. De basis van de beplanting bestaat uit inheemse bomen en struiken zoals iep, es en meidoorn. De hoger gelegen delen kennen een besloten karakter met (stevige) beplanting. De lage vlakten zijn open. Op de grens tussen de lagen vlakten en de zee werden de eerste dijken gebouwd, de bedijking tussen de zee en de hoge delen en hun kliffen volgden later. Waar de noordelijke dijk van Wieringen een hoge, strakke, rechte scheidslijn tussen land en zee vormt, heeft de – niet langer meer primair waterkerende – Wierdijk ten zuiden van het eiland een relatief laag en minder rechtlijnig profiel. Het eiland wordt grotendeels in de lengterichting doormidden gesneden door een afgegraven tracé voor een spoorlijn. Een deel van het oorspronkelijke spoortracé is nu de basis voor de autoweg N99. Op Wieringen zijn Hippolytushoef en Den Oever de grootste dorpen. Het voormalige eiland omvat verder de kleine dorpen Oosterland en Westerland en zestien buurtschappen waaronder De Haukes, Vatrop en Stroe. De dorpen zijn allen herkenbaar aan de lintbebouwing. Kenmerkend van de lintbebouwing is dat deze zich naar de dorpskernen toe verdicht. Bebouwing in het buitengebied Het merendeel van de bebouwing in het buitengebied behoort tot een van de zestien buurtschappen die Wieringen rijk is. Daarnaast komt op kleine schaal wat verspreid liggende bebouwing voor. De buurtschappen zijn alle gesitueerd langs een weg of rondom een kruispunt van wegen. Het merendeel van de buurtschappen bestaat niet meer dan enkele bij elkaar gegroepeerde agrarische bebouwing. Ook wel een stolpenzwerm genoemd. Stroe en De Haukes zijn wat omvangrijker. Het buurtschap Stroe bestaat uit lintbebouwing langs de Stroeërweg. Ten noorden van het dorp ligt een recreatiepark. De Haukes is ontstaan als klein wegdorp langs de Westerlanderdijk. In het buitengebied zijn de meest voorkomende vormen van agrarische bebouwing de Wieringer boerderij, Noord-Hollandse normaalstolpen en West-Friese stolpboerderijen en mengvormen daarvan. De Wieringer boerderij is een boerderijtype dat alleen op Wieringen voorkomt. De boerderij heeft een L-vormige opzet waarbij de schuur haaks op het woonhuis staat en de achtergevel zwart geteerd is. In het boerderijtype zijn invloeden uit verschillende regio’s waar te nemen. De kenmerkende gele stenen en ongeglazuurde rode golfpannen van het woonhuis komen uit Friesland, de opzet van het woongedeelte komt voort uit het Noord-Hollandse woonstalhuis en de opstelling van het vee komt overeen met de situatie op de andere Waddeneilanden. De Wieringerboerderijen komen alleen voor op de hogere delen van het eiland. Kenmerkend is dat de boerderijen niet georiënteerd zijn op de wegen; ten opzichte van de weg lagen de boerderijen schots en scheef. Belangrijker voor de locatiekeuze waren de verkaveling, de wens om de langgevel op het zuidwesten te zetten en de helling van het terrein. Hippolytushoef De Hippolytuskerk heeft een centrale hoger gelegen positie in de dorpskern. De kern van Hippolytushoef ligt aan het lint (Hoofdstraat-Nieuwstraat) rondom deze kerk. De agrarische oorsprong is hier nog afleesbaar, net zoals bij de historische molen De Onderneming, die aan de rand van het dorp ligt. Elders aan de hoofdstraat ligt nog een andere kerk: de Katholieke Kerk Hippolytushoef. Deze kerk is opgenomen in het lint. De linten zijn in de kern dichtbebouwd, met woningen, winkels en bedrijven. Doorzichten zijn beperkt. De bebouwing is overwegend individueel en afwisselend. De buurtschappen Belt en Elft zijn in de loop van de tijd opgenomen in Hippolytushoef. Vanaf de jaren ’60 breidde Hippolytushoef zich projectmatig uit met meerdere woonwijken. Ten noorden van de Beltstraat en Nieuwstraat ontstond een wijk met een haaks stratenpatroon, uniforme bebouwing van twee lagen met kap en een traditioneel materiaalgebruik, verrijkt met twee grote groenstroken. In het centrale deel van het dorp bevindt zich een wijk tussen de Nieuwstraat, Koningstraat en Slingerweg, met een deels rechtlijnig patroon en bebouwing uit de jaren ’50 tot ’70. Oostelijk van de Slingerweg ligt een wijk met uitbreidingen uit de jaren ’80 en ’90. De noordelijke delen hebben kronkelende straten, hofjes en royaal openbaar groen, terwijl het zuidelijke deel strakker van opzet is met minder groen. De bebouwing bestaat overwegend uit rijwoningen en twee-onder-een-kapwoningen met een kleinschalig karakter. Daarnaast zijn er verspreid over het dorp diverse kleine, recentere invullocaties gerealiseerd, waaronder een nieuwe wijk uit de jaren ’00. Hippolytushoef heeft een groot bedrijventerrein aan de westzijde van het dorp, genaamd Molenveld. Het bedrijventerrein kent enkele woningen die verspreid op het terrein staan en is aan de Rijksstraatwegzijde (N99) als zichtlocatie te benoemen. Den Oever Den Oever ligt aan het einde van het lint die in de lengterichting over het eiland loopt. Pas vanaf 1920 kwam Den oever als gevolg van de aanleg van de Zuiderzeewerken tot ontwikkeling. Tegelijk met de aanleg van de Afsluitdijk ontstond een omvangrijk complex van haven, sluizen en verdedigingswerken. De historische molen De Hoop, die prominent op de kruising van de Hofstraat en de Zwinstraat staat, is een van de overblijfselen van de periode van voor de Zuiderzeewerken. De dorpskern heeft zich rondom de dijk en de haven gevormd. De lintbebouwing is in de kern nog duidelijk herkenbaar. Buurtschap De Gest is in de loop van de tijd de westelijke grens van Den Oever geworden. De nieuwbouw van Den Oever dateert vooral uit de jaren ’60 met rijtjes woningen van twee lagen met een kap. De wijk tussen de Molgerdijk, Marterkrogt en de Noord Gesterweg komt uit de jaren ’80 en er is nog een wijk uit de jaren 2000. De haven van Den Oever is een bijzonder gebied vanwege de grote schaal en ruime variatie in functies. Het havengebied is onder te verdelen in een productiehaven en de kop van de Afsluitdijk. De kop van de Afsluitdijk bestaat uit een grote sluis en enkele gebouwen en woningen van Rijkswaterstaat die direct met deze sluisfunctie verbonden zijn. De verdedigingswerken, die gebouwd zijn tussen de Eerste en Tweede Wereldoorlog zijn rijksmonumenten. De bebouwing van de productiehaven is zeer divers van karakter en varieert van industriële laagbouw tot kantorenbouw van meerdere verdiepingen. Naast het havengebied liggen enkele bedrijventerreinen, waarvan een aantal door hun ligging langs de A7 en N99 een zichtlocatie betreffen. Oosterland Oosterland is ontstaan rondom een natuurlijke hoogte en kent voornamelijk landelijke bebouwing. Bijzonder is de rond 1925 ontwikkelde bebouwing van het MUZ-park (Maatschappelijk ter Uitvoering van de Zuiderzeewerken). Ten zuiden van Oosterland ligt een recreatiepark bestaande uit recreatiewoningen met verdieping. Westerland Westerland is een oud lintdorp op de zuidelijke rand van een natuurlijke hoogte. De bebouwing heeft een overwegend agrarisch karakter en enkele voormalige visserswoningen. De bebouwing is traditioneel en bestaat overwegend uit één laag met een zadelkap, gevels van rood metselwerk, verticale vensters en daken met matte rode of antracietkleurige keramische dakpannen. Woningen hebben een venster in de zij-/kopgevel. Sommige woningen hebben een houten topgevel. De architectonische detaillering is zorgvuldig. Her en der zijn uitzonderingen die afwijken qua kappen (mansardekap of wolfseind) en kleuren (wit gekeimde gevels). In de hoek van de Westerlanderweg en de Poelweg ligt een kleine uitbreiding uit de jaren ’80 bestaand uit rijenwoningen, met kleine verspringingen tussen de blokken. Rond Westerland liggen diverse recreatieparken met een camping en recreatiewoningen. Kernkarakteristieken Glooiend landschap met als aardkundige waarden het bodemprofiel en reliëf. Afwisseling in openheid (in de lage onbeplante delen, de kogen) en beslotenheid (op de hoge beplante delen) met zichtlijnen en panorama’s vanaf de hoogten. Kenmerkend watersysteem van sjanen en walsloten. Tuunwallen (tuinwallen of woalkes) als perceelsscheidingen op de hoge delen en op de overgang naar de lage delen. Voormalige kliffen en zeedijken (waaronder de oude Wierdijk) die toegankelijk zijn voor fietsers en wandelaars. Een sterke groenstructuur van hagen, singels en laanbeplanting die geborgenheid en openheid biedt op basis van de bodem en bewoning, en de landschappelijke diversiteit op het voormalig eiland beleefbaar maakt. Smalle wegen met een groenstructuur met gesloten kroonprojectie. Afleesbare relatie tussen reliëf, haaks daarop georiënteerde (onregelmatige) verkaveling, kronkelende historische wegen en bewoningslinten. Tracé voor de spoorlijn dat het voormalig eiland doorsnijdt, onder en naast de N99. Herkenbaarheid van de van oudsher agrarische bewoning in zwermen of langs linten. De dichtbebouwde kernen in de dorpen waar de agrarische oorsprong nog afleesbaar is. Samenhangede stedenbouwkundige en architectonische opzet in de uitbreidingswijken. De recreatie is kleinschalig van karakter en ingepast in het landschap. Streekeigen Wieringer boerderijtype en mengvormen, met kenmerkend kleurgebruik en typische erven, vaak onderdeel van een stolpenzwerm. Kwaliteitsdoelen Optimaliseren van ruimtelijke samenhang, landschappelijke herkenbaarheid en cultuurhistorische betekenis. Benutten en waar mogelijk versterken van het toeristisch en recreatief potentieel van de Waddenkust. Instandhouden van aardkundige waarden (bodemprofiel en reliëf). Het reliëf is kwetsbaar voor ophogingen en afvlakkingen. Het verkavelingspatroon is karakteristiek vanwege de onregelmatigheid die samenhangt met het reliëf. Instandhouden van de stevige groenstructuren en het open houden van de gebieden die nu al een open karakter hebben (de kogen met weidevogelgebieden). Respecteren van de identiteit van de verschillende dorpen, door de verschillende kenmerkende karakteristieken per dorp in stand te houden en waar mogelijk te versterken. Beschermen en ontwikkelen van de ruimtelijke kwaliteit van en rondom historische boerderijen, schuren en monumenten ten aanzien van bebouwing en erfinrichting. Bij entreelocaties van kernen, linten en buurtschappen is de ruimtelijke kwaliteit hoog. Behoud van de doorzichten in de bewoningslinten. Op zichtlocaties vanaf de N99 en A7 hebben bedrijventerreinen een hoge kwaliteit en levert de bebouwing een positieve bijdrage aan het bebouwingsbeeld. Aanleggen van nieuw bos in het uitloopgebied van Hippolytushoef buiten weidevogelleefgebied. Het in stand houden van de kooibossen als cultureel en groen erfgoed. Criteria Landschap/Ruimtelijke samenhang Ruimtelijke samenhang tussen reliëf, verkaveling, bebouwing, grondgebruik en beplanting. Met de kenmerkende openheid van gebieden op het voormalige eiland wordt rekening gehouden. Voorkom aantasting van deze openheid. In de linten zijn ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk mits die niet leiden tot een te hoge mate van verdichting en zichtlijnen of vergezichten blijven behouden. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn toegestaan, mits het reliëf niet zichtbaar wordt opgehoogd of afgevlakt, en de zichtbaarheid van het reliëf niet vermindert. De aardkundige waarde van het bodemprofiel wordt in stand gehouden en de bodem mag tot een diepte van maximaal een diepte van 1m onder maaiveld worden beroerd. Bij ruimtelijke ontwikkelingen blijft de onregelmatigheid die samenhangt met het reliëf behouden (voorkom nivellering van deze kavelstructuur. De continuïteit van de groenstructuren, zoals bomenrijen en singels blijven behouden continuïteit. De kronkelende wegen houden hun loop. De onderlinge samenhang tussen de boerderijen, het erf en het landschap, wordt geborgd en waar mogelijk versterkt. De dijken blijven duidelijke groene structuren die als een herkenbaar en samenhangend geheel door het landschap lopen. De Wierdijk is provinciaal monument en heeft eigen beschermingsregels. De structuur en doorlopende groene oevers van bestaande sloten worden gekoesterd. Natuurlijke oevers zijn uitgangspunt; anders beschoeiingen maximaal 15 cm boven de waterlijn. Kleinschalige ontwikkelingen worden zorgvuldig in het landschap ingepast. Het gebiedseigen beplantingsbeeld, bestaande uit struweelbeplanting, enkele bomenrijen in de berm, tuunwallen en groene erven, wordt gekoesterd en versterkt. De basis van de beplanting bestaat uit inheemse bomen en struiken zoals iep, es en meidoorn, een aanvulling met andere soorten is wenselijk vanwege de ziektegevoeligheid van deze soorten. Bebouwing in het buitengebied Erf en ligging Het bouwwerk levert een positieve bijdrage aan de kwaliteit van de dorpse of landschappelijke ruimte. Het bouwwerk past in de karakteristiek van de bestaande omgeving. Gebouwen staan vrij met behoud van doorzichten op het landschap. Bijzondere functies zoals windmolens, transformatoren e.d. worden binnen het erfensemble geplaatst en kennen een zorgvuldige landschappelijke inpassing. De erfbeplanting in een singel rondom het erf wordt waar mogelijk versterkt, waarbij de aan de weg gelegen zijde van het perceel vrij dient te blijven van een dergelijke singel. Voor aanpassing en vernieuwing van erven wordt inspiratie gehaald uit historische kenmerken. De oorspronkelijke opzet, architectuur en uitstraling bieden houvast en inspiratie voor verdere ontwikkeling van het erf. Er is een heldere scheiding tussen voor- en achtererf. Herkenbaar onderscheid tussen hoofd- en bijgebouwen, dit vormt een samenhangend ensemble. De erfinpassing is robuust. De omvangrijke ontwikkelingen op het erf vragen om een evenredig grote erfinpassing die aansluit op de schaal en omvang van het bedrijf. Het erf draagt bij aan beleving van en verbinding met de omgeving. Het erf geeft ruimtelijk en functioneel invulling aan toekomstige maatschappelijke opgaven, zoals waterberging en biodiversiteit. Het wordt aangemoedigd om natuurwaarden te versterken door bijvoorbeeld de aanplant van een fruitboom, bomensingel of aanleg van een takkenril of het realiseren van een tuunwal als afbakening van het erf of naastgelegen perceel. Deze erfafscheiding is kenmerkend voor Wieringen. Bebouwing In stolpenzwermen zijn de boerderijen niet altijd op de weg gericht, maar hangt de oriëntatie van het gebouw samen met het reliëf en de verkaveling. Gebouwen hebben een eenvoudige hoofdvorm van één laag met zadeldak, mansardekap of piramidedak. In stolpenzwermen is de hoofdmassa van boerderijen niet altijd met de voorgevel op de straat georiënteerd, maar hangt de oriëntatie van het gebouw samen met het reliëf en de verkaveling. De massaopbouw is enkelvoudig (woning en bedrijfsgedeelte als geheel onder één dak) of kent een duidelijk onderscheid tussen representaties deel (woonhuis) en een bedrijfsgedeelte. Bijgebouwen hebben een eenvoudige hoofdvorm. Geen aan- of uitbouwen aan aan- of uitbouwen. Schaalvergroting door bijvoorbeeld samenvoeging of grote aanbouwen wordt voorkomen. Bijzondere functies, zoals windmolens, transformatoren, e.d., hebben een eenvoudige hoofdvorm. Detaillering, materiaal en kleurgebruik De detaillering is eenvoudig en verzorgd. Gevels zijn (bij voorkeur) in aardkleurige, gele, baksteen en/of hout (topgevels). Het dak van de boerderij is gelegd met gebakken (bij voorkeur geglazuurde zwarte antraciete) pannen en/of riet, en het dak van het voorhuis met gebakken (bij voorkeur matte rode) pannen. Het kleurgebruik is overwegend traditioneel. Agrarische gebouwen kunnen in moderne materialen, maar dienen in gedekte kleuren te worden gerealiseerd. Bijgebouwen zijn afgestemd op het hoofdgebouw in materiaal- en kleurgebruik. Kleinschalige en/of verspreid liggende bijzondere functies kunnen in moderne materialen en kennen een terughoudende detaillering. Zwart geteerde gepotdekselde gevels zijn kenmerkend voor het gebied. Hetzelfde geldt voor zwart geteerde weilandhekken. Deze kwaliteiten moeten worden gekoesterd. Bijzondere kernen en linten Erf en ligging Groene erfafscheidingen verdienen de voorkeur boven gebouwde. Het erf is zo beperkt mogelijk verhard, in ieder geval aan de representatieve zijde. Bebouwing Gebouwen richten zich op de belangrijkste weg. Hoofdmassa’s liggen in de rooilijnen. Bijgebouwen liggen zoveel mogelijk geclusterd achter of naast het hoofdgebouw. De hoofdmassa’s zijn met de voorgevel georiënteerd op de straat en worden in de bestaande rooilijn gebouwd. Voor zover binnen het lint nieuwbouw mogelijk is, wordt daarbij aangesloten op het aanliggende bebouwingsbeeld. De nokrichting is overwegend evenwijdig aan de weg en incidenteel haaks op de weg. De hoofdmassa bestaat uit één of twee bouwlagen met een dak, aansluitend bij de bebouwing uit directe omgeving. De bijgebouwen liggen bij voorkeur uit het zicht en zijn qua bouwhoogte ondergeschikt aan het hoofdgebouw. Aan- en uitbouwen zoals erkers en dakkapellen zijn ondergeschikt en bij voorkeur in een afgeleide architectuur. Winkel of horecapuien blijven beperkt tot de eerste bouwlaag, waarbij het gebouw verbonden blijft met de grond door middel van penanten. Woningen of gebouwen hebben een massa-opbouw die afgestemd is op de huidige of oorspronkelijke situatie (tenzij sprake is van verstorende bebouwing). Gevels hebben een traditionele indeling waarbij de gevelopeningen vooral een verticale gerichtheid hebben. Aanvullend of vervangend voor de bebouwing in centrum Hippolytushoef en centrum Den Oever Panden zijn afzonderlijk herkenbaar, er is sprake van smalle parcellering. Maximaal twee bouwlagen met kap, voorkeur één bouwlaag met kap. Brede panden zijn veelal een bouwlaag met kap, bij twee bouwlagen met kap bij voorkeur opbreken of onderverdelen van de eenheid. Gevels staan op de grond/borstwering onder kozijnen. Gevel en plint zijn in samenhang, per gevel een duidelijk architectonische verschijningsvorm voor gevel en plint. Bestaande details zichtbaar maken en waar mogelijk herstellen. Bedrijfskleuren zijn geen onderdeel van (de vaste onderdelen van) de gevels. Reclame is onderdeel van de gevelopening en/of bestaat uit losse letters. Detaillering, materiaal en kleur bebouwing Gevels zijn (bij voorkeur) in traditioneel metselwerk met rode of gele stenen en/of hout (topgevels) en de daken met gebakken (bij voorkeur rode of zwarte) pannen. Het kleurgebruik is overwegend traditioneel en is in samenhang met de omgeving. De detaillering is sober (niet overdadig) en fijn gedetailleerd. Bijgebouwen zijn afgestemd op het hoofdgebouw in materiaal- en kleurgebruik. Uitbreidingswijken Erf en ligging Groene tuin, beperk verharding. De erfafscheidingen voor de voorgevellijn maximaal 1 meter hoog, achter de voorgevellijn maximaal 2 meter hoog. Erfafscheidingen hebben een eenduidige consequente vormgeving en zijn bij voorkeur groen beplant en terughoudend in kleur. Bebouwing De bebouwing is met de voorgevel georiënteerd op de openbare weg. De bebouwing staat in de bestaande rooilijn. Er is sprake van overwegend enkelvoudige bebouwingsmassa’s, variërend van één tot twee bouwlagen met kap. De massaopbouw is per cluster of rij in onderlinge samenhang, maar kent bij vrijstaande bebouwing individuele kenmerken. Bijgebouwen zijn ondergeschikt. Aan- en uitbouwen zijn in een afgeleide architectuur en bij voorkeur mee ontworpen dan wel volgens het principe van een trendsetter. Detaillering, materiaal en kleur bebouwing Per cluster of rij is er sprake van een samenhang. Vrijstaande bebouwing kent eigen individuele detailleringen. Nieuwe ontwikkelingen dragen bij aan de kernkwaliteiten van Wieringen. Accenten kunnen modern zijn, maar dragen op een positieve wijze bij aan deze kernkwaliteiten. De detailleringen zijn overwegend eenvoudig maar verzorgd. Gevels zijn in principe in baksteen en dakbedekking met pannen, maar bij bijzondere bestaande situaties kan daar passend bij de situatie een uitzondering op gemaakt worden. Aan- en uitbouwen zijn qua materiaal verwant aan het hoofdgebouw. Bedrijventerreinen Erf en ligging De afstand tussen bebouwing en de omgeving is ruim, door: Voldoende afstand tussen de bebouwing en de ontsluitingswegen minimaal 5x de maximale toegestane bouwhoogte aan de voorzijde en minimaal 3x aan de achterzijde. Op zichtlocaties minimaal 8x de maximale bouwhoogte; Een rustig beeld aan de voorzijde; Kleine losse elementen en opslag niet te plaatsen tussen de bebouwing en de ontsluitingswegen. Openbare functies liggen aan de rand. Zo kan de weg aan de voor- of achterzijde benut worden voor beplanting, ondergrondse kabels en leidingen of voor watercompensatie in lijn met de verkavelingsstructuur en slotenpatronen. Om klimaatadaptatie te bevorderen en hittestress tegen te gaan wordt verharding van de terreininrichting zoveel mogelijk voorkomen. De erfgrens is groen en kent gebiedseigen beplanting. De representatieve zijde(
- s)kent een rustig beeld, door: Langs de voor- en achterzijde over de hele lengte een samenhangende groene zone met gebiedseigen soorten te hanteren. De groene zone is aan de voorzijde of zichtlocatie is minimaal 1 à 1,5 meter hoog – zodat de gebouwen zichtbaar zijn en kleine elementen op maaiveld uit het zicht ontnomen worden – en mag sierwaarde hebben; variatie in soorten. Het heeft de voorkeur om ook aan de achterzijde kleine losse elementen en opslag uit het zicht te nemen en daar de beplanting van 5 meter hoog te hanteren; Kleine losse elementen en opslag niet te plaatsen aan de voorzijde, de zichtlocatie of door deze uit het zicht te ontnemen. Parkeren kan ingepast worden met een laag groen of haag van 1 à 1,5 meter hoog; Als de gevels van de gebouwen onderling sterk verschillen in vorm en kleur, kan een bomenrij zorgen voor een rustig beeld van de bovenrand van de bedrijventerreinen; De bomen en beplanting sluiten aan bij de kenmerkende groenelementen van de omgeving. Er wordt meerwaarde voor natuur en biodiversiteit gecreëerd door zachte en gelede overgangen en variatie in de beplantingssoorten. De plaatsing van de bebouwing hangt samen met de richting en oriëntatie van het landschap: De entree is geplaatst aan de ontsluitingsweg en de bebouwing is georiënteerd op de ontsluitingsweg; Wegen en watergangen sluiten aan op de richting en ordening van de verkavelingsstructuur en het slotenpatroon; De overige bebouwing is evenwijdig of haaks op de richting als de verkavelingsstructuur en of het slotenpatroon georiënteerd. Bebouwing Gebouwen met de voorgevel en representatieve functies richten op de belangrijkste weg. Bedrijfsgebouwen liggen achter de voorgevelrooilijn van bedrijfswoningen. Opslag zoveel mogelijk achter op het terrein en op zichtlocaties niet in het zicht. Bebouwing heeft een eenvoudige hoofdvorm; op een punt met een stedenbouwkundige aanleiding kan een accent worden gemaakt. Zo min mogelijk dichte gevels aan de straat. Geen uitbouwen aan uitbouwen. Op zichtlocaties en langs de grenzen van het bedrijventerrein kennen gebouwen een samengestelde massaopbouw, waarbij de representatieve delen sterker worden geaccentueerd. Detaillering, materiaal en kleurgebruik bebouwing Grote vlakken bestaan uit materialen met een structuur zoals baksteen of houten betimmering. Ontwerpaandacht voor alle details. Accenten en geledingen ten behoeve van het onderscheiden van functies zijn wenselijk. Veranderingen en aanbouwen in stijl en afwerking zorgvuldig afstemmen op het hoofdvolume en vormgeven als zelfstandig element. Op zichtlocaties en langs de grenzen van het bedrijventerrein wordt een meer representatieve geleding en detaillering vereist. Gevels van bedrijfswoningen kennen een evenwichtige compositie. Het kleurgebruik is terughoudend (met name op de zichtlocaties en langs de randen); accentkleuren zijn niet toegestaan. Haven Erf en ligging De hoofdmassa heeft een representatieve zijde en de verharding is waar mogelijk beperkt. Parkeren gebeurt achter of naast de representatieve zijde van het hoofdgebouw. De erfafscheidingen zijn beperkt. Bebouwing Gebouwen met de voorgevel en representatieve functies richten op de haven en naar voorkeur op twee zijden, waarbij één gericht is op de weg/dijk en één op de haven. Gebouwen hebben door hun ligging een duidelijke relatie met de dijk en de haven. Opslag zoveel mogelijk achter op het terrein en op zichtlocaties niet in het zicht. Bebouwing heeft een eenvoudige hoofdvorm; op een punt met een stedenbouwkundige aanleiding kan een accent worden gemaakt. Zo min mogelijk dichte gevels aan de straat. Geen uitbouwen aan uitbouwen. Op zichtlocatie en langs de randen van de haven mogen de representatieve delen van de gebouwen sterker worden geaccentueerd. Detaillering, materiaal en kleurgebruik bebouwing Op zichtlocaties en langs de randen van de haven wordt een meer representatieve geleding en detaillering vereist. Grote vlakken bestaan uit materialen met een structuur zoals baksteen, houten betimmering. Ontwerpaandacht voor alle details van de bebouwing, maar ook van op het erf staande elementen zoals trappen en hekken. Accenten en geledingen ten behoeve van het onderscheiden van functies binnen de haven zijn wenselijk. Veranderingen en aanbouwen in stijl en afwerking zorgvuldig afstemmen op het hoofdvolume en vormgeven als zelfstandig element. Gevels van bedrijfswoningen kennen een evenwichtige compositie. Het kleurgebruik is terughoudend (met name op de zichtlocaties en langs de randen); accentkleuren zijn niet toegestaan. Sport en recreatieterreinen Ligging in de omgeving De overgang tussen bebouwing en het landschap is harmonieus, bebouwing is ondergeschikt aan het landschap. De inrichting sluit aan bij het open en groene karakter van het omliggende landschap Buitenruimte zichtbaar vanaf het openbare gebied is zorgvuldig ingericht. In de jachthaven blijft de visuele openheid van het gebied behouden. Uitzichten op het water blijven behouden of worden versterkt. Bebouwing Gebouwen hebben een eenvoudige hoofdvorm. Gebouwen bestaan uit een onderbouw van één laag met bij voorkeur een zadeldak. Bijgebouwen zijn ondergeschikt en maken deel uit van de totale compositie van het gebouw of complex. Aan- en uitbouwen zijn ondergeschikt vormgegeven en afgestemd op het hoofdgebouw. De recreatiewoningen staan vrij op het maaiveld. In de jachthaven zijn steigers, voorzieningen en eventuele bebouwing functioneel, kleinschalig en landschappelijk ingepast. Verharding en bouwwerken zijn uitsluitend ondersteunend aan de havenfunctie. Detaillering, materiaal en kleurgebruik bebouwing Materialen en kleuren aanpassen aan de direct aangrenzende gebouwen, percelen, of objecten. Gevels zijn van baksteen of hout. Grote vlakken bestaan uit materialen met een structuur zoals baksteen of houten betimmering. Kleuren zijn terughoudend en aangepast aan de landschappelijke omgeving. Detaillering is eenvoudig en verzorgd. In jachthavens wordt gekozen voor materialen en kleuren die passen in de natuurlijke omgeving. 4.2Wieringermeer In 1930 viel de Wieringermeerpolder droog. Daarmee is deze polder de jongste droogmakerij binnen de gemeente Hollands Kroon. Toch zijn er in de droogmakerij sporen gevonden die verder teruggaan in de tijd. De Wieringermeerpolder is net als de andere polders primair opgezet als agrarisch productielandschap. Ondanks de nadruk op de functie van productielandschap was er in het ontwerp ook veel aandacht voor landschappelijke kwaliteit en dat werd al vroeg in het ontwerpproces meegenomen. Anders dan in de andere polders in Hollands Kroon is hier een driehoekige webstructuur ontwikkeld, met een zorgvuldige compositie van vaarten, linten, regelmatig verspreid liggende erven en enkele kernen, liggend aan vaarten. In de polder is een uitgebreid hiërarchisch stelsel van waterwegen gevormd dat zorg draagt voor de afwatering via gemaal Lely bij Medemblik en Leemans bij Den Oever. De hoofdvaarten lopen allemaal in de richting van de gemalen, met uitzondering van het Waard- en Groetkanaal in het westen. Tussen de vaarten ligt een stelsel van tochten die afwateren op de vaarten. Ze liggen vrijwel altijd loodrecht op of lopen parallel aan de vaarten en wegen. Loodrecht op de tochten liggen tenslotte de kavelsloten. Het verkavelingsplan is niet ontworpen vanuit een middenlijn naar de randen toe, zoals gebruikelijk was, maar vanuit de randen naar het centrum toe. Hierdoor zijn restkavels aan de randen vermeden en ontstond een driehoekig centrum met restkavels. De Wieringermeer werd bij aanvang ingericht als vaarpolder, maar door het opkomende wegvervoer werd veel aandacht besteed aan goede wegen. Het landschap weerspiegelt deze revolutionaire wijziging van vervoer; de Wieringermeer werd zowel een vaar- als rijpolder. Alleen ten zuidwesten van de polder is bij planvorming nog wel duidelijk uitgegaan van vervoer over water. Daarvoor werden aanmerkelijk grotere kavels gecreëerd. Dit leidde tot de stichting van vrij grote bedrijven in dat gedeelte van de polder. Rond het centrale hoofddorp Middenmeer werden verschillende dorpen getekend op de ontwerptafel. Uiteindelijk zijn drie dorpen gerealiseerd: elk op een plek waar kanalen en wegen elkaar kruisen. De kanalen vormen telkens een rand van het dorp. Het bedrijventerrein ligt langs het kanaal. Elk dorp heeft een eigen karakter in overeenstemming met de plaats en functie binnen de polder. Slootdorp werd door ontwerper Granpré Molière getypeerd als een ‘landbouwersdorp in de vlakte’. Middenmeer was door haar ligging aan een kruising van (water)wegen voorbestemd het zakelijk centrum te worden. Voor Wieringerwerf, het bestuurlijk centrum, werd een meer voornaam karakter nagestreefd. De ligging nabij De Terp draagt hieraan bij, maar ook de bouw van het Domeinenkantoor, het gemeentehuis, de brandweerkazerne en later een middelbare school. Wieringerwerf en Middenmeer zijn de grootste dorpen en hebben min of meer een gelijke opzet met een doorgaande verkeersweg waar andere wegen op aansluiten, parallelwegen met huizen, brinken (open ruimten), representatieve bouwwerken en een grotere variatie in bebouwing/bouwhoogte. De dorpscentra van Wieringerwerf, Middenmeer en Slootdorp zijn in de jaren ’30 gerealiseerd. De bebouwingskarakteristiek is voor de afzonderlijke kernen grotendeels hetzelfde en gebaseerd op het gedachtegoed van Granpré Molière. Granpré Molière streefde naar concentrische groei, waarbij het centrum ook in de toekomst zijn centrale positie zou behouden. Daarom werd het centrum ingericht door (niet té) ruime spreiding van de beeldbepalende gebouwen en terreinen, zoals de kerk(
- en)aan de brink, de scholen ver van de hoofdweg en de begraafplaats aan de rand van het dorp. Kenmerkend voor de Wieringermeer is dat er in elke kern drie scholen en drie kerkgebouwen gepland werden. Het ontwerp van de dorpscentra is geïnspireerd op een brinkdorp: een centrale groene ruimte waaromheen de bebouwing ligt. Aan de ene zijde van de hoofdbrink zijn de voorzieningen en winkels gerealiseerd in een overwegend dichte bebouwingswand. Aan de andere zijde verrezen de wat ‘rijkere’ huizen in een iets opener bebouwingsstructuur, waarbij de woningen voor het overgrote deel in dezelfde rooilijn werden gebouwd. In dorpskernen zijn meerdere bijzondere gebouwen (zoals een kerk, school of overheidsgebouw) gerealiseerd op een stedenbouwkundig markante plaats. De winkelpanden aan de brinken en de huizen van notabelen zijn overwegend in twee bouwlagen met een kap gerealiseerd. De bijgebouwen liggen achter de woningen en zijn daaraan ondergeschikt. Vanaf de brink zijn deze bijgebouwen nauwelijks zichtbaar vanwege de dichte bebouwingsstructuur. Aan de straten lag strook- en blokbebouwing. De huizen bestonden uit één bouwlaag met kapverdieping en de noklijn ligt evenwijdig aan de weg. De zadeldaken met royale dakkapellen waren gedekt met rode Hollandse pannen en de gevels waren van geelrode baksteen. Dit alles was in een eenvoudige traditionele architectuur uitgevoerd. De winkels aan de hoofdbrink bestonden uit twee bouwlagen met kapverdieping, evenals de pastorieën en de huizen van notabelen. Na de inundatie van 1945 werden de huizen op dezelfde fundamenten weer opgebouwd, met dit verschil dat er nu in twee bouwlagen met een kap werd gebouwd. De dakkapellen werden meer bescheiden van omvang of verdwenen zelfs helemaal. De woningnood van de jaren vijftig was er de oorzaak van dat deze woningen, via kleine aanpassingen tot duplexwoningen werden omgebouwd. Ook afwijkend van het oorspronkelijke plan is de realisatie van villabouw aan de oostkant van de Brugstraat in Middenmeer en aan de zuidkant van de Granpré Molièrestraat in Wieringerwerf. Na 1960 zijn vrijwel alle duplexwoningen weer tot ééngezinswoningen terug gerenoveerd. Ook kwamen in de jaren ’60 en jaren ’70 een aantal uitbreidingswijken tot stand in Wieringerwerf, Middenmeer, Slootdorp en Kreileroord. Deze wijken worden gekenmerkt door blokken rijenwoningen hoofdzakelijk in twee bouwlagen met kap. Afgezien van de dorpen ligt alle bebouwing (voornamelijk boerderijen met opvallende oranje daken) verspreid, waarbij de situering op regelmatige afstand van elkaar zeer kenmerkend is. Bospercelen en beplanting langs wegen, waterlopen, dijken, op erven en om dorpen spelen een belangrijke rol bij de beleving van het gebied. Door deze beplanting wordt de eindeloze vrijheid van het landschap teruggebracht tot voor het menselijk oog nog taxeerbare afmetingen. Aan het noordelijkste puntje van Wieringermeer is aan het IJsselmeer een jachthaven gesitueerd. Naast aanlegsteigers en gebouwen voor jachthavenvoorzieningen, zijn op een eilandje een aantal recreatiewoningen gebouwd. Het betreft een aantal vrijstaande recreatiewoningen in twee bouwlagen met een vrij flauwe kap. De woningen zijn typologisch verwant, maar onderscheiden zich in grootte, plaatsing en kleurgebruik. De lichte kleur van de gevels schikt zich heel goed in het kleurenspectrum van de schepen in de haven, waarin de kleur wit domineert. De recreatiewoningen zijn in een duidelijke rij gebouwd. Aan de zuidoostzijde van het gebied is een horecavoorziening gebouwd, die qua hoofdvorm afwijkt van de recreatiewoningen. Een andere locatie waar recreatiewoningen te vinden zijn is bij de Afsluitdijk, aan de Sluismeester A. de Visserstraat. Deze recreatiewoningen bestaan uit één bouwlaag met een plat dak. De muren zijn gemaakt met metselwerk met rode baksteen, en aan de voorzijde met plaatwerk zoals trespa. De huizen zijn onderling sterk variërend op het gebied van kleur en erfafbakening. Halverwege de IJsselmeerdijk, ten noordoosten van Kreileroord ligt werkhaven Oude Zeug. De werkhaven, vernoemd naar een zandplaat in de voormalige Zuiderzee, werd gebruikt voor de aanvoer van materialen voor de drooglegging en is één van de drie punten van waaruit men begon met de aanleg van de dijk rondom de Wieringermeer. Bebouwing in het buitengebied Het buitengebied van de gemeente Wieringermeer kent een duidelijke lineaire structuur. De infrastructuur (water en wegen), in de meeste gevallen vesterkt door beplanting, benadrukt deze rechtlijnigheid in het landschap. Net als de lijnopstellingen van de windturbines. De bebouwing (voornamelijk boerderijen) is zeer gelijkmatig verdeeld over het buitengebied en wordt geaccentueerd door een singel van opgaande beplanting. De onderlinge afstand is per wegzijde vrijwel gelijk. De verkaveling is van grote betekenis voor de inrichting en vormgeving van de verschillende gebieden. Wanneer de kavels groter zijn, zijn ook de boerderijen groter en andersom. Onder andere landschapsarchitect Bijhouwer heeft zich ingespannen deze landschappelijke kwaliteit te realiseren. Ten zuiden van Middenmeer is een gedeelte van de polder ingericht naar de inzichten van Mansholt, die uitging van zeer grote kavels en een primaire ontsluiting over het water. De bebouwing is planmatig ontwikkeld met op de assen van de polder eerst ontginningsschuren en daarna seriematige toevoeging van de zo specifieke Wieringermeerboerderijen. Gedurende de ontwikkelingsperiode en na de inundatie ontstonden er circa 20 Wieringermeerboerderijtypen. Sinds de jaren ’80 en ’90 zijn bij veel boerderijen wijzigingen aangebracht. Opvallend in het gehele buitengebied is de nieuwbouw van bedrijfsbebouwing die geheel los staat van de authentieke bedrijfsgebouwen en in de meeste gevallen qua architectuur geen overeenkomst vertoont met die authentieke bebouwing, maar ook afwijkt qua schaal en volume. Het betreft in de meeste gevallen koel- en opslagloodsen voor akkerbouwproducten en veestallen. Naast agrarische bebouwing en de daaraan gerelateerde woonbebouwing komt in het buitengebied andere prominente bebouwing voor. Voorbeelden daarvan zijn het Lely-gemaal en het Dijkmagazijn. Wieringerwerf Wieringerwerf is ontworpen als het bestuurlijk poldercentrum. Meer dan in Middenmeer zijn de brinken in Wieringerwerf ingezet als beeldbepalende elementen. Ze fungeren als gebruiksruimte (Terpstraat) of benadrukken een belangrijk openbaar bouwwerk (voormalig Domeinenkantoor, gemeentehuis). In het centrum is enige nieuwbouw tot stand gekomen, maar aan de westzijde van de Terpstraat is een bijzonder gave bebouwingsrand aanwezig. Hier staan uniforme dubbele woningen in twee bouwlagen met kap die een tegelstelling vormen met het gemêleerde ensemble van winkelpanden aan de oostzijde van de Terpstraat. De woningen vormen een waardevolle weerspiegeling van het gedachtegoed van Granpré Molière die de individuele woning haar waardigheid trachtte te geven door een reductie tot haar essentie. De inrichting met parkeerplaatsen en plaatsing van prominent straatmeubilair doen afbreuk aan de voorname groene routes door het dorp. De Terp draagt bij aan het karakter van Wieringerwerf als hoofddorp en is naast vluchtplaats ontworpen als centraal uitkijkpunt over de polder. Dit concept is verwaterd door bebouwing tegen de terp en het aanplanten met bomen. Wieringerwerf kent een zorgvuldige enscenering van straten. Vrijwel elke straat heeft een visueel begin, midden en eind. Dit is aan de hand van stedenbouwkundige maatregelen aangegeven en of architectonisch opgelost: terugspringend bouwblok, afwijking van het ritme op de koppen, verbijzonderde hoeken d.m.v. erkers of uitbouwen. Voor de uitbreidingen werd weinig rekening gehouden met de oorspronkelijke verkavelingsstructuur. Aan de oostzijde van het dorpscentrum is tussen de Ir. Gr. Molièrestraat en de Brinkweg en ten noorden van de Brinkweg een aantal straten met uniforme blokken woningen gerealiseerd. De straten zijn in de meeste gevallen evenwijdig aan de Terpstraat gelegen. Ten noorden van de Brinkweg is de uniformiteit groter dan ten zuiden daarvan, waar verschillende blokken woningen elkaar afwisselen. De nokrichting van de woningen is evenwijdig aan de weg en het materiaalgebruik is traditioneel. Aan- en uitbouwen aan de voorzijde van de woningen komen nauwelijks voor. Wanneer bijvoorbeeld dakkapellen voorkomen aan de voorzijde, dan zijn deze mee ontworpen met het woonblok. Aan de Ir. Gr. Molièrestraat kwamen eveneens woningen en de kerk in stijl van de Delftse School. Het stratenpatroon in de wijken ten oosten van de Ir Ovingstraat en de Dorsmolen is veel minder rechtlijnig. De projectmatige ontwikkeling van dit gebied is typerend voor de wijken die in de jaren ’80 en ’90 zijn ontstaan. Veel hofjes en kronkelige wegen die aan weerszijden zijn bebouwd met verschillende typen rijenwoningen of geschakelde woningen. De vormgeving van de bebouwing is minder traditioneel, maar in de meeste gevallen één of twee bouwlagen met een kap. Incidenteel komt ook hogere bebouwing voor, zoals aan de Vogelzwin. Woningen met een aanbouw aan de voorgevel, zoals een entree komen veelvuldig voor, evenals dakkapellen aan de voorzijde van de woningen. Incidenteel komt binnen deze gebieden individuele bebouwing voor, maar deze heeft niet de overhand. Met name aan de Vliestroom, Slenk, Galjoen, Fregat en Jol zijn vrijstaande woningen gesitueerd die een individuele uitstraling hebben. In de jaren ’90 en ‘00 gaat de uitbreiding van Wieringerwerf (Oosterterp) door. Typische kenmerken voor deze periode zoals diversiteit in uiterlijk van woningen per straat en groen in de straten en openbare ruimte zijn ook in deze wijk te vinden. De ontwikkelingen van de laatste twee decennia vinden plaats binnen de grenzen van de dorpen, het zijn vaak stroken individuele bebouwing aan de randen van het dorp of aan belangrijke doorgaande wegen. De architectuur van deze woningen is modern. De woningen zijn over het algemeen in een duidelijke voorgevelrooilijn gebouwd. Op het oude bedrijventerrein, dat met de kern is ontwikkeld, is weinig aandacht besteed aan de ruimtelijke kwaliteit. De bebouwing op deze terreinen wordt gedomineerd door bedrijfsloodsen in overwegend gedekte kleuren. Op sommige plaatsen, zoals aan de Havenweg en op het bedrijventerrein Schelphorst in Wieringerwerf wordt gewoond in los van de bedrijfsgebouwen gesitueerde woningen, ofwel in de bedrijfsgebouwen geïntegreerde bedrijfswoningen. Het minder oude bedrijventerrein De Stek is op basis van duidelijke kwaliteitseisen tot stand gebracht. Zo heeft de bebouwing aan de entree en langs hoofdwegen een architectonisch representatief voorkomen gekregen. In sommige gevallen is er een losstaand kantoorgebouw voor de bedrijfshal(len) geplaatst, waardoor het geheel representatief in de ruimte is geplaatst. De kleuren van de gebouwen zijn modern en veelal licht, terwijl de kantoorgebouwen in de meeste gevallen een duidelijk accent geven. Even ten noorden van het bedrijventerrein De Stek is een klein gebied ontwikkeld voor bedrijvigheid. Op de hoek van de Oosterterpweg en de Dorsmolen is op een stedenbouwkundig markante plaats een architectonisch gedurfd gebouw gerealiseerd. De overige bebouwing in dit gebied minder markant, maar wel degelijk representatief aan de voorzijde. Hier en daar zijn bedrijfswoningen gebouwd. Middenmeer Het stratenpatroon van Middenmeer is grotendeels afgeleid van het verkavelingspatroon ter plekke, waarbij de brink en de begraafplaats de schakelpunten vormen tussen verschillende verkavelingsrichtingen. De brink (Brugstraat) vormt de duidelijke (sociale) kern van het dorp. Met aan de westelijke zijde voorzieningen en aan de oostelijke zijde meer variatie in woningbouw. In het noordwestelijke gedeelte van Middenmeer is in de jaren ’50 en ’60 een wijk gerealiseerd waarbij bijzondere aandacht is besteed aan de architectuur. Dit komt tot uitdrukking in een veelheid aan architectonische accenten in en aan de gevel (verbijzondering van de entree, raamindelingen, gootlijsten, mee-ontworpen dakkapellen, smeedijzeren accenten op erkers en dakkappelen en schoorstenen, plinten e.d.). Bovendien zijn diverse woningtypen toegepast. Het gebied is kenmerkend voor de wederopbouwperiode en vormt als het ware een schakel tussen de traditionalistische architectuur van de Delftse School en de latere bouwstroom-architectuur. Ook in andere delen van Wieringermeer komt dit voor, maar dit gebied is het meest representatief en vormt een duidelijke eenheid binnen de dorpsstructuur van Middenmeer. Tussen deze wijk en de Brugstraat ligt een bijzondere begraafplaats, ontworpen door landschapsarchitect Bijhouwer. Het is een bijzonder park vanwege het beplantingsplan en de diverse boomtypen die hier staan. De projectmatige uitbreidingswijken in Middenmeer zijn in de ’60 en ’70er jaren gerealiseerd. Het stratenpatroon is rechtlijnig, hetgeen wordt benadrukt door de bebouwing in blokken rijenwoningen. De blokken zijn evenwijdig aan de weg gelegen. Hier en daar is een straatzijde (zoals aan de Dr. Lovinkstraat) bebouwd met dubbele woningen, min of meer in dezelfde bouwstijl als de rijenwoningen. Aan de Elzenhof zijn geschakelde platte woningen gebouwd. Ook komt individuele bebouwing voor, zoals aan de Beukenlaan, waar woningen in onderlinge samenhang qua bouwmassa, nokrichting en situering ten opzichte van de weg zijn gerealiseerd. In de jaren ’70 en jaren ‘80 breidt Middenmeer (deel Kroonwaard) uit. Deze uitbreiding bestaat uit vrijstaande huizen, twee-onder-een-kap-huizen en rijtjeshuizen. In de jaren ’90 en ‘00 gaat de uitbreiding van Middenmeer (Schelpenhoek en meest zuidelijke deel van Middenmeer) door. Typische kenmerken voor deze periode zoals diversiteit in uiterlijk van woningen per straat en groen in de straten en openbare ruimte zijn ook in deze wijken te vinden. De meest recente ontwikkelingen, uit de laatste twee decennia, vinden plaats binnen de grenzen van het dorp. Aan de noordzijde is in belangrijke mate projectmatig en modern gebouwd in clusters van gelijke woningen. Aan de zuidzijde was de bouw individueler van aard en de architectuur van de woningen vrij traditioneel in één bouwlaag met kap. Het kleurgebruik van de woningen is vrij licht. In Middenmeer is in de jaren ’00 een bedrijventerrein ontwikkeld aan de westzijde van de Wieringerwerfvaart. Het terrein is royaler van opzet als het oude bedrijventerrein dat met tegelijk met de ontwikkeling van het dorp tot stand kwam. De bebouwing bestaat voornamelijk uit bedrijfsloodsen in een overwegend lichte kleurstelling. Het oude terrein maakt evenwel deel uit van een herinrichting en heeft een meer representatief karakter gekregen, mede gelet op de ontsluiting van de nieuwbouw. Kreileroord Vrijwel het gehele dorpsgebied van Kreileroord bestaat uit projectmatige uitbreidingswijken. Langs de Korenstraat en de daaraan parallel gelegen straten zijn blokken woningen gerealiseerd van eenvoudige architectuur. Hier en daar zijn aan- en uitbouwen gerealiseerd, zoals dakopbouwen, luifels boven de voordeur en garages aan hoekwoningen. Aan het doodlopende gedeelte van de Tuinbouwstraat is een aantal woonwagens gesitueerd. Aan de Korenhof is een aantal vrijstaande woningen gebouwd. Slootdorp Ten oosten van de Brink en de Koningin Wilhelminaweg is voornamelijk projectmatige bebouwing tot stand gekomen. Langs de Langeweg is een groot aantal blokken rijenwoningen gesitueerd, evenwijdig aan de weg en van eenvoudige architectuur. Hier en daar zijn luifels boven de voordeur aangebracht. De woningen aan de Kerkstraat zijn, in tegenstelling tot die aan de Langeweg in één bouwlaag met kap. De dakkapellen aan de voorzijde zijn hier mee-ontworpen met de woningen. In de jaren ’90 en ‘00 krijgt Slootdorp een kleine uitbreiding, ten noorden van het dorp, met een diversiteit in uiterlijk van woningen per straat en groen in de straten en openbare ruimte. De bouwstijl is vrij traditioneel in één of twee bouwlagen met een zadeldak en de nokrichting van de woningen staat haaks op de weg. Kernkarakteristieken Wieringermeer Geometrische driehoekige webstructuur met vaarten als hoofdassen en bewoningskernen op de kruispunten. Beplanting langs rechtlijnige wegen en vaarten, bij de dorpen (dorpsbossen) en op de erven. Productiebos Robbenoordbos (op arme grond), Sluitgatbos, Dijkgatbos en Dijkgatsweide. Ritmiek van erven met erfbeplanting en boerderijen met opvallende oranje daken in open ruimte. Subtiele hoogteverschillen door oude kreekruggen in het noordwesten van de polder. Een van de meest open landschappen van Noord-Holland, al is dat in een deel van de polder door ruimtelijke ontwikkelingen langs de A7 verdwenen. De dijken omringen de droogmakerij en bieden weidse vergezichten. De dijk langs het Waardkanaal en Amstelkanaal staat in stevige beplanting. De IJsselmeerdijk is recht en kaal, maar wordt onderbroken door wielen (diepe poelen als gevolg van de dijkdoorbraak). Vluchtheuvels als toevluchtsoorden bij overstromingen in de droogmakerij, waaronder De Terp. Bebouwing is planmatig ontwikkeld met op de assen van de polder eerst ontginningsschuren en daarna seriematige toevoeging van de zo specifieke Wieringermeerboerderijen. Gedurende de ontwikkelingsperiode en na de inundatie ontstonden er circa 20 Wieringermeerboerderijtypen. Kenmerkende groenstructuren langs wegen, vaarten, dijken, erven en om de dorpen. De dorpscentra worden bepaald door prominente, royale brinkachtige ruimten. De brinken zijn veelal groen, vaak begrensd met bomen en strakke bebouwingswanden aan weerszijden. De dorpen kennen van oudsher voornamelijk strook- en blokbebouwing. De huizen bestaan uit twee bouwlagen met kapverdieping en de noklijn evenwijdig aan de weg. Elk dorp heeft van oudsher een bedrijventerrein langs de vaart. In de jaren ’60 en jaren ’70 een aantal uitbreidingswijken tot stand in Wieringerwerf, Middenmeer, Slootdorp en Kreileroord. Deze wijken worden ook gekenmerkt door blokken rijenwoningen, hoofdzakelijk in twee bouwlagen met kap. Stedenbouwkundige accenten worden door hun ligging en vormgeving vaak gevormd door bijzondere functies, zoals kerken en schoolgebouwen. De dorpscentra zijn ontworpen met oog op toekomstige uitbreidingen door de beeldbepalende gebouwen en terreinen te spreiden, zoals de kerk(
- en)aan de brink, de scholen ver van de hoofdweg en de begraafplaats aan de rand van het dorp. Afgezien van de dorpen ligt alle bebouwing (voornamelijk boerderijen met opvallende oranje daken) verspreid, waarbij de situering op regelmatige afstand van elkaar zeer kenmerkend is. Kwaliteitsdoelen Wieringermeer Respecteren en beheren en waar mogelijk versterken van de aanwezige omgevingskwaliteit. Beheer en waar mogelijk versterken van de kenmerkende groenstructuren. Beschermen van het buitengebied als een samenhangend, aantrekkelijk en open landschap. Beheer en handhaven en waar mogelijk versterken van de bijzondere architectonische en stedenbouwkundige kwaliteiten van de bebouwing uit de jaren ’40 en ’50. Clusteren van grootschalige ontwikkelingen. Versterken van de recreatieve routes (wandelen, fietsen en varen) tussen de dorpen. Voorkomen dat de omgevingskwaliteit onder druk komt te staan door vermarkting met als voorbeeld (lichtgevende) reclame. Uitbreiden en van fiets-, wandel- en vaarroutenetwerk door het agrarisch landschap. die de recreatiegebieden met elkaar verbinden en/of ervoor zorgen dat het agrarische landschap beleefd kan worden. De omgevingskwaliteit van de bedrijventerreinen langs de A7 versterken. Bos op plekken waar dit aansluit op dorpen (dorpsbossen) of op bestaande waardevolle gebieden met opgaande beplanting. Versterken van de groenblauwe dooradering in de Wieringermeer. Rechtlijnige grootschalige verkavelingsstructuur behouden. Criteria Landschap/Ruimtelijke samenhang De structuur en doorlopende groene oevers van bestaande sloten wordt gekoesterd. Geef waar mogelijk de voorkeur aan natuurlijke oevers; beschoeiingen zijn passend als ze maximaal 15 cm boven de waterlijn uitsteken. Met de kenmerkende openheid van het gebied wordt rekening gehouden, door buiten de regelmatige gesitueerde oorspronkelijke erven geen of zo min mogelijk nieuwe erven te ontwikkelen. De groenstructuren, zoals bomenrijen en singels houden hun continuïteit of worden in geval van ontwikkelingen zoveel mogelijk hersteld. De onderlinge ritmische samenhang tussen de boerderijen, het erf en het landschap, wordt geborgd en waar mogelijk versterkt. Dijken blijven duidelijke groene structuren die als een herkenbaar en samenhangend geheel door het landschap lopen en de polder begrenzen. Kleinschalige ontwikkelingen worden zorgvuldig in het landschap ingepast. In de Wieringermeer is vanaf de aanleg veel beplanting langs wegen en vaarten aangelegd. Hierdoor is een grootschalig groen netwerk ontstaan dat past bij de maat en schaal van het landschap. Dat moet gekoesterd worden. Gebiedseigen beplanting bestaat uit inheemse soorten met grote bomen als populier, esdoorn, iep en linde en verschillende inheemse struiken. De inheemse basis kan worden aangevuld met soorten en cultivars die betere tegen ziektes en klimaatverandering kunnen. Bebouwing in het buitengebied Erf en ligging Gebouwen passen in de ritmiek van het landschappelijke patroon en bij de landschappelijke lijnen. Gebouwen staan vrij met behoud van doorzichten op het landschap. Bijzondere functies zoals windmolens, transformatoren e.d. worden binnen het erfensemble geplaatst en kennen een zorgvuldige landschappelijke inpassing. De erfbeplanting in een singel rondom het erf wordt waar mogelijk versterkt, waarbij de aan de weg gelegen zijde van het perceel vrij dient te blijven van een dergelijke singel. In de Wieringermeer zijn de erven groot. Hier past bij uitstek een robuuste randbeplanting van formaat die de zijkanten en achterzijde omringt. Op het verdere erf zijn veel mogelijkheden om natuurwaarden te versterken. Denk aan de aanplant van een boomgaard, bloemrijke heesters en kruiden of aanleg van een poel. Voor aanpassing en vernieuwing van erven wordt inspiratie gehaald uit historische kenmerken. De oorspronkelijke opzet, architectuur en uitstraling bieden houvast en inspiratie voor verdere ontwikkeling van het erf. De heldere scheiding tussen voor- en achtererf wordt aangehouden. Op erven is een herkenbaar onderscheid tussen hoofd- en bijgebouwen, dit vormt een samenhangend ensemble. De erfinpassing is robuust. De omvangrijke ontwikkelingen op het erf vragen om een evenredig grote erfinpassing die aansluit op de schaal en omvang van het bedrijf. Het erf draagt bij aan beleving en verbinding met de omgeving. Het erf geeft ruimtelijk en functioneel invulling aan toekomstige maatschappelijke opgaven. Bebouwing In het straatbeeld wordt er gestreefd naar samenhangende variatie, niet naar een verzameling van contrasten. Ieder gebouw aan het lint is uniek, maar toont tegelijkertijd een nauwe samenhang met de andere bebouwing. De samenhang wordt bereikt in bouwvorm, kleur en schaal. Gebouwen hebben een eenvoudige hoofdvorm van één laag met zadeldak, mansardekap of piramidedak. De massaopbouw is enkelvoudig (woning en bedrijfsgedeelte onder één dak) of kent een duidelijk onderscheid tussen het representatieve deel (woonhuis) en een bedrijfsgedeelte. Bijgebouwen hebben een eenvoudige vorm. Geen aan- of uitbouwen aan aan- of uitbouwen. Zijgevels hebben vensters, dus geen blinde zijgevels. Schaalvergroting door bijvoorbeeld samenvoeging of grote aanbouwen wordt voorkomen. Bijzondere functies hebben een eenvoudige hoofdvorm. Detaillering, materiaal en kleurgebruik De detaillering is eenvoudig en verzorgd. Gevels zijn (bij voorkeur) rode baksteen en/of hout (topgevels) en de daken met gebakken (bij voorkeur matte, rode) pannen. Het kleurgebruik is overwegend traditioneel, passend bij het kleurpalet in de directe omgeving. Agrarische gebouwen kunnen in moderne materialen en er worden gedekte kleuren toegepast. Bijgebouwen zijn afgestemd op het hoofdgebouw in materiaal- en kleurgebruik. Bijzondere kernen en linten Erf en ligging Gebouwen richten op de belangrijkste weg. Hoofdmassa’s in de rooilijnen bouwen. Bijgebouwen liggen zoveel mogelijk geclusterd achter of naast het hoofdgebouw. Groene erfafscheidingen verdienen de voorkeur boven gebouwde. Bebouwing De hoofdmassa’s zijn met de voorgevel georiënteerd op de straat en worden in de bestaande rooilijn gebouwd. De nokrichting is overwegend evenwijdig aan de weg en incidenteel haaks op de weg. De hoofdmassa bestaat uit één of twee bouwlagen met een zadeldak. De bijgebouwen liggen bij voorkeur achter het hoofdgebouw en uit het zicht en zijn qua bouwhoogte ondergeschikt aan het hoofdgebouw. Aan- en uitbouwen zoals erkers en dakkapellen zijn ondergeschikt en bij voorkeur in een afgeleide architectuur. Gevels hebben een traditionele indeling waarbij de gevelopeningen vooral een verticale gerichtheid hebben. Detaillering, materiaal en kleurgebruik bebouwing Gevels zijn in traditioneel roodbruin metselwerk. De detaillering is sober en fijn gedetailleerd. Bijgebouwen zijn afgestemd op het hoofdgebouw in materiaal- en kleurgebruik. Het kleurgebruik is overwegend traditioneel en is in samenhang met de omgeving. Het hebben van een open en uitnodigende uitstraling bij gevels die zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte heeft de duidelijke voorkeur. Rolluiken passen niet binnen dit beeld en worden bij voorkeur niet toegepast aan deze gevels. Uitbreidingswijken Erf en ligging De hoofdmassa heeft een representatieve zijde aan de belangrijkste weg en een groene (voor-)tuin, beperk verharding. De erfafscheidingen aan de representatieve zijde zijn beperkt (voor de voorgevellijn maximaal 1 meter hoog, achter de voorgevellijn maximaal 2 meter hoog, eenduidige vormgeving en terughoudend in kleur). Groene erfafscheidingen krijgen de voorkeur boven gebouwde erfafscheidingen. Overwegend per cluster samenhang qua positie van de voorgevel dan wel per cluster een vrijere ligging op de kavel. Bebouwing In het straatbeeld wordt er gestreefd naar samenhangende variatie, niet naar een verzameling van contrasten. Ieder gebouw aan het lint is uniek, maar toont tegelijkertijd een nauwe samenhang met de andere bebouwing. De samenhang wordt bereikt in bouwvorm, kleur en schaal. De bebouwing is met de voorgevel georiënteerd op de openbare weg, dan wel naar de groene openbare ruimte. De bebouwing staat in de bestaande rooilijn. Er is sprake van overwegend enkelvoudige bebouwingsmassa’s, variërend van één tot twee bouwlagen met een eenduidige kap. Hoger is vooral uitzondering. De massaopbouw is per cluster of rij in onderlinge samenhang. Bijgebouwen zijn ondergeschikt en in een afgeleide architectuur. Aan- en uitbouwen zijn in een afgeleide architectuur en bij voorkeur mee-ontworpen dan wel volgens het principe van een trendsetter. Detaillering, materiaal en kleurgebruik bebouwing Per cluster/rij is er een duidelijke samenhang. Voor projectmatige bouw is dat in een sterk onderlinge verwantschap terwijl bij clusters van individuele bouwwerken er een grotere differentiatie mogelijk is. Nieuwe invullingen kunnen modern, mits ze respect tonen voor de bestaande en omliggende kwaliteiten. De detailleringen zijn overwegend eenvoudig maar verzorgd. De kozijnen, goten, dak- en gootlijsten e.d. in de jaren ’50 en ’60 zijn sober maar zorgvuldig gedetailleerd. Bij verbouw de bestaande detaillering aan de zichtzijde behouden of respecteren. Bij de projectmatige individuele bouw is de vormgeving van de gevels sterk individueel en sober getailleerd, en zijn gevelindelingen per cluster verwant met ruimte voor onderlinge verschillen in detaillering. Gevels in baksteen en/of hout, dan wel toepassingen conform de bestaande bijzondere situatie. Dakbedekking met pannen, dan wel toepassingen conform de bestaande bijzondere situatie. In de jaren ’50 en ’60 en ’70 wijken is de dakbedekking met gebakken pannen en het kleurgebruik traditioneel. Aan- en uitbouwen en bijgebouwen zijn qua materiaal verwant aan het hoofdgebouw. Per cluster/rij is samenhang in kleurgebruik. Voor individuele woningen is differentiatie mogelijk. Het hebben van een open en uitnodigende uitstraling bij gevels die zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte heeft de duidelijke voorkeur. Rolluiken passen niet binnen dit beeld en worden bij voorkeur niet toegepast aan deze gevels. Bedrijventerreinen incl. Oude Zeug Erf en ligging De afstand tussen bebouwing en de omgeving is ruim, door: Voldoende afstand tussen de bebouwing en de ontsluitingswegen minimaal 5x de maximale toegestane bouwhoogte aan de voorzijde en minimaal 3x aan de achterzijde. Op zichtlocaties minimaal 8x de maximale bouwhoogte; Een rustig beeld aan de voorzijde; Kleine losse elementen en opslag niet te plaatsen tussen de bebouwing en de ontsluitingswegen. Openbare functies liggen aan de rand. Zo kan de weg aan de voor- of achterzijde benut worden voor beplanting, ondergrondse kabels en leidingen of voor watercompensatie in lijn met de verkavelingsstructuur en slotenpatronen. Om klimaatadaptatie te bevorderen en hittestress tegen te gaan wordt verharding van de terreininrichting zoveel mogelijk voorkomen. De erfgrens is groen en kent gebiedseigen beplanting. De representatieve zijde(
- s)kent een rustig beeld, door: Langs de voor- en achterzijde over de hele lengte een samenhangende groene zone met gebiedseigen soorten te hanteren. De groene zone is aan de voorzijde of zichtlocatie minimaal 1 à 1,5 meter hoog – zodat de gebouwen zichtbaar zijn en kleine elementen op maaiveld uit het zicht ontnomen worden – en mag sierwaarde hebben; variatie in soorten. Het heeft de voorkeur om ook aan de achterzijde kleine losse elementen en opslag uit het zicht te nemen en daar de beplanting van 5 meter hoog te hanteren; Kleine losse elementen en opslag niet te plaatsen aan de voorzijde, de zichtlocatie of door deze uit het zicht te ontnemen. Parkeren kan tussen de volumes in of ingepast worden met een laag groen of haag van 1 à 1,5 meter hoog. Als de gevels van de gebouwen onderling sterk verschillen in vorm en kleur, kan een bomenrij zorgen voor een rustig beeld van de bovenrand van de bedrijventerreinen. De bomen en beplanting sluiten aan bij de kenmerkende groenelementen van de omgeving. Er wordt meerwaarde voor natuur en biodiversiteit gecreëerd door zachte en gelede overgangen en variatie in de inheemse beplantingssoorten. De plaatsing van de bebouwing hangt samen met de richting en oriëntatie van het landschap: De entree is geplaatst aan de ontsluitingsweg en de bebouwing is georiënteerd op de ontsluitingsweg; Wegen en watergangen sluiten aan op de richting en ordening van de verkavelingsstructuur en het slotenpatroon; De overige bebouwing is evenwijdig of haaks op de richting van de verkavelingsstructuur en of het slotenpatroon georiënteerd. Om klimaatadaptatie te bevorderen en hittestress tegen te gaan wordt verharding van de terreininrichting zoveel mogelijk voorkomen. Bebouwing Gebouwen met de voorgevel en representatieve functies richten op de belangrijkste weg. Bedrijfsgebouwen liggen achter de voorgevelrooilijn van bedrijfswoningen. Opslag zoveel mogelijk achter op het terrein en op zichtlocaties niet in het zicht. Bebouwing heeft een eenvoudige hoofdvorm; op een punt met een stedenbouwkundige aanleiding kan een accent worden gemaakt. Zo min mogelijk dichte gevels aan de straat. Geen uitbouwen aan uitbouwen. Op zichtlocaties en langs de grenzen van het bedrijventerrein kennen gebouwen een samengestelde massaopbouw, waarbij de representatieve delen sterker worden geaccentueerd. Detaillering, materiaal en kleurgebruik bebouwing Grote vlakken bestaan uit materialen met een structuur zoals baksteen, houten betimmering of gevouwen staalplaat. Ontwerpaandacht voor alle details. Accenten en geledingen ten behoeve van het onderscheiden van functies zijn wenselijk. Veranderingen en aanbouwen in stijl en afwerking zorgvuldig afstemmen op het hoofdvolume en vormgeven als zelfstandig element. Op zichtlocaties en langs de grenzen van het bedrijventerrein wordt een meer representatieve geleding en detaillering vereist. Gevels van bedrijfswoningen kennen een evenwichtige compositie. Het kleurgebruik is terughoudend (met name op de zichtlocaties en langs de randen); accentkleuren zijn niet toegestaan. Bedrijventerrein Agriport Ligging in omgeving Ontwikkelingen voegen zich naar (en versterken waar mogelijk) de functionele en ruimtelijke structuur, maat en ordeningsprincipes van het landschap van de Wieringermeer. Polderlijnen als vaarten, wegen (ook de A7) en tochten blijven behouden en ingezet in het ontwerp. Zones langs de polderlijnen worden open gehouden; leeg gelaten of met invulling van functies die de zone niet verdichten. De overgang tussen het landschappelijk raamwerk en bebouwing is geleidelijk en vloeiend en draagt bij aan beleving, herkenning en betekenis voor inwoners en passanten. Het terrein wordt beschouwd als een aanvullende gebruikslaag in het productielandschap van de polder en maakt daar onderdeel van uit. De lengterichting van de kavel wordt als basis genomen. Rechte, vaste rooilijnen. Lange samenhangende gevels. Lijnelementen langs de randen. Bebouwing heeft een functionele en ingetogen uitstraling. Bebouwing Bouwwerken zijn gepositioneerd met voldoende afstand tot de A7 en andere openbare ruimte. Bouwwerken kennen samenhang in uitstraling, schaal en materialisering. Het samenhangend totaalbeeld kent consistente opbouw van massa’s, materialisatie en relatie tot het landschap. Verlichting is functioneel en terughoudend. Detaillering, materiaal en kleurgebruik Gevels aan de snelwegzijde vormen een rustig en geordend beeld. Terughoudend kleur- en materiaalgebruik en details in gevels. Maak zichtbaar wat ‘binnen’ in gebouwen gebeurd. Sport en recreatieterreinen Ligging in omgeving De overgang tussen bebouwing en het landschap is harmonieus, bebouwing is ondergeschikt aan het landschap. De inrichting sluit aan bij het open en groene karakter van het omliggende landschap. Buitenruimte zichtbaar vanaf het openbare gebied is zorgvuldig. De inrichting van de haven sluit aan bij het open en groene en blauwe karakter van het omliggende landschap. In de jachthaven blijft de visuele openheid van het gebied behouden. Uitzichten op het water blijven behouden of worden versterkt. Bebouwing Gebouwen hebben een eenvoudige hoofdvorm. Gebouwen bestaan uit een onderbouw van één laag met bij voorkeur een of zadeldak. Bijbehorende bouwwerken zijn ondergeschikt en maken deel uit van de totale compositie van het gebouw of complex. Aan- en uitbouwen zijn ondergeschikt vormgegeven en afgestemd op het hoofdgebouw. De recreatiewoningen staan vrij op het maaiveld. In de jachthaven zijn steigers, voorzieningen en eventuele bebouwing functioneel, kleinschalig en landschappelijk ingepast. Verharding en bouwwerken zijn uitsluitend ondersteunend aan de havenfunctie. Detaillering, materiaal en kleurgebruik bebouwing Materialen en kleuren aanpassen aan de belendingen. Gevels zijn van baksteen of hout. Grote vlakken bestaan uit materialen met een structuur zoals baksteen of houten betimmering. Kleuren zijn terughoudend en aangepast aan de landschappelijke omgeving. Detaillering is eenvoudig en verzorgd. Aan- en uitbouwen zijn qua materiaal en kleurgebruik afgestemd op het hoofdgebouw. In jachthavens wordt gekozen voor materialen en kleuren die passen in de natuurlijke omgeving. 4.3Wieringerwaard Begin zeventiende eeuw werd een hoog opgeslibd deel van het Waddengebied, dat aan het oude land van West-Friesland lag, bedijkt. De Zijpe was enkele jaren daarvoor definitief drooggevallen
(1597). In 1610 viel de Wieringerwaard droog en kon de voormalige waddenbodem in cultuur worden genomen. De polder werd geometrisch ingedeeld, met rechte wegen, vaarten, percelen en bewoningslinten. Dat maakt de Wieringerwaard een typische droogmakerij, maar de rechte lijnen kregen enige grandeur. De belangrijkste assen van de polder, de Noord Zijper/Sluizerweg en de Barsingerweg kregen een dubbele weg gecombineerd met een vaart, beplanting en herenboerderijen. Dit gaf de polder een chique karakter. De Wieringerwaardpolder wordt aan de noord- west- en zuidkant visueel begrensd door dijken. Aan de oostkant loopt de polder over in de Waardpolder. Dit deel van de polder lag voor de inpoldering van de Waardpolder en de Wieringermeerpolder nog aan zee. Die historie is bij Nieuwesluis nog goed terug te lezen. De bebouwing aan wester-zijde van de dijk aanzienlijk ouder dan oost-zijde. En de Pishoek is overgebleven als driehoek waar 3 polders samenkomen. De Noordwesterdijk vormt samen met de Noorderdijk de grens met de Anna Paulownapolder. De dijk beschermde in eerste instantie de polder tegen de Zuiderzee, en is parallel aan de verkaveling aangelegd. De waterkerende functie is vervallen bij de inpoldering van de Anna Paulowna polder. De met enkel gras begroeide dijk ligt nog steeds als herkenbaar element in het landschap. De dijk grenst niet aan een ringvaart of een kanaal, en er ook ligt er geen weg op of aan. Aan de zuidkant grenst de Wieringerwaard aan de Westfriese omringdijk. Deze dijk is een stuk ouder dan de meeste dijken die ten noorden ervan liggen en heeft dus een veel grilliger verloop dan bijvoorbeeld de Noordwesterdijk. Op de met gras begroeide Westfriese omringdijk ligt een weg, en aan de beide zijdes aan de voet liggen verspreide erven. Deze erven hebben soms opgaande beplanting, die de dijk een afwisselend beeld geeft. De Slikkerdijk verbindt aan de westkant van de Wieringerwaard de Noordwesterdijk en de Westfriese omringdijk. De dijk loopt vanaf de Noordwesterdijk langs de Grote Sloot, tot dit kanaal naar het westen ‘afslaat’. Daarna grenst de dijk verder niet aan een ringvaart of kanaal. De dijk is met enkel gras begroeid en heeft een weg. Tot de knik van het kanaal loopt deze weg op de dijk, daarna ligt de weg aan de voet. Ook aan de voet liggen enkele erven. De Wieringerwaardpolder is een vrij grootschalig gebied en vertoont een karakteristiek ontsluitingspatroon, dat georiënteerd is op een systeem van volslagen vierkanten. In het midden zijn de blokken binnen de wegen ongeveer 1800 bij 1800 meter. Voor de randen geldt ongeveer de halve afstand, afhankelijk van de restmaten en onregelmatigheden van de randen. De hoofdtochten in het gebied hebben een karakteristiek profiel waarbij aan beide zijden van de tocht een ontsluitingsweg loopt. De andere wegen hebben wegsloten aan weerszijden en een hoofdtocht op halve afstand tussen de weg. Wegsloten zijn plaatselijk gedempt nu een zeer intensief slootsysteem door een betere bemaling niet meer nodig is. De kavelmaat varieert tegenwoordig van klein tot groot, door het dempen van sloten. De assen (polderlijnen) met water en laanbeplantingen zijn karakteristiek voor de Wieringerwaard. De erven liggen hier onregelmatig aan verspreid, waardoor delen van de bewoningslinten in het open landschap liggen en andere delen een meer dorpse uitstraling hebben. Elke as heeft een eigen karakter. Restanten van voormalige buitenplaatsen en royaal opgezette erven met watercarrés dragen sterk bij aan het groene kleinschalige karakter van de assen. De verkaveling is van origine georiënteerd op de (geknikte) wegen en linten. Bebouwing in het buitengebied Toen de polder in 1610 werd drooggelegd werden de lange nieuwe polderwegen en waterlopen ingericht met enige grandeur. In de 19e eeuw verwierf de Wieringerwaard de bijnaam ‘Pauwenstad’, door de grote, prachtige boerderijen die werden gebouwd door de winsten in de handel van vlees, graan en melk. De boeren investeerden in de eigen polder door het bouwen van prachtige boerderijen. Wieringerwaard heeft drie bijzonder linten. Het grootste gebied bestaat uit de Noord- en Zuid Zijperweg en de Sluizerweg. Het gebied is overwegend een tweezijdig lint met een breed profiel, opgedeeld door de Sluizerweg en de vaart. Hierlangs liggen verspreid erven met veel groen en herenboerderijen. Bijzonder aan dit lint is de oudere bebouwing en de diversiteit in bebouwing. Bij de kruising met de Molenweg, ook wel bekend als Tweewegen, is het lint verdicht met ook kleinere woningen. De bebouwing bestaat tegenwoordig zowel uit kleine woningen als grote boerderijen, verdichte en ruime gebieden. Het lint aan de Molenweg is een eenzijdig lint met karakteristieke bebouwingen, met een bekroning in de vorm van de Watertoren. Het derde bijzonder lint is de Barsingerweg. Dit lint heeft net als de Noord en Zuid Zijperweg een tweezijdig lint met een vaart. De Barsingerweg is erg ruim opgezet, de kavels liggen vaak ver uit elkaar. De overige linten bestaan uit een enkele weg, met aan weerszijde bebouwing. De bebouwing staat ver uit elkaar, en heeft een agrarisch karakter. De linten hebben vergelijkbare architectuurkenmerken. Veel bebouwing bestaat uit één laag met daarop een kap. Veel voorkomende daken zijn het wolfsdak, zadeldak en schilddak, daarnaast komt de mansardekap ook af en toe voor. Dakpannen zijn vaak rood of antraciet. De panden zijn vaak gemetseld met rood baksteen, of wit gepleisterd. Geschilderde houten bekleding op de gevel komt ook voor, in de vorm van zowel de gevel als alleen de topgevel tussen het dak. Veel van de panden uit de rijke tijd van polder zijn ook heden ten dage te herkennen. Kenmerkend voor de Wieringerwaard zijn de stolpboerderijen en villa-/herenboerderijen die verspreid langs de lange polderlijnen liggen. De grote piramidevormige kappen schemeren tussen de bomen door boomkruinen. De erven bieden beslotenheid, groen, afwisseling, detail en vooral menselijke maat aan de polderlijnen. De boerderijen hebben hier vaak rijkelijke detaillering. De herenboerderijen zijn ook overblijfselen een agrarische bloeiperiode in de 19e eeuw. Het zijn fraai vormgegeven voorhuizen met daarachter de boerderij. De grotere huizen hebben vaak extra decoratieve elementen in het metselwerk van de (voor)gevel, bijvoorbeeld met accenten en/of andere steenkleuren. Ook rijk versierd houtsnijwerk in de windveer en makelaar van o.a. het voorhuis komt veel voor. De stolpboerderij van het Noord-Hollandse type komt vaak in deze polder voor. Bij het Noord-Hollandse type bevinden de dorsdeuren zich aan de achterkant, omdat de percelen van de agrariër meestal bij elkaar aan de achterkant van de boerderij lagen. In de hoofdopzet liggen de erven (meestal) met hun voorkant aan de assen, georiënteerd op de publieke infrastructuur. De erven bieden beslotenheid, groen, afwisseling, detail en menselijke maat aan de polder. Kenmerkend voor de erven die bij deze chique linten horen is de stevige, rijkelijke beplantingsstructuur, met boomgaarden, erfbosjes, bossingels, bomenlanen en hagen. Een deel van de erven wordt rondom begrensd door sloten, vrijwel alle erven hebben zijsloten. Typerend is de lengtesloot die vaak de scheiding vormt tussen de boomgaard en het woonerf. Deze smalle sloot zorgt voor afwatering van de boomgaard en dienst als veekering voor kleinvee in de boomgaard. De erven hebben een verfijnde detaillering met sierhekken, grindpaden en siertuinen bij de voorhuizen. Wieringerwaard (dorp) In de polder Wieringerwaard ligt één kern: het gelijknamige Wieringerwaard. Na de drooglegging van de polder in 1610 gingen de boeren zich hier vestigen. De eerste bebouwingsconcentratie is ontstaan nabij het kruispunt Molenweg/Zijperweg. Het betrof hier voornamelijk stolpboerderijen. Een verdere uitbreiding van het dorp vond plaats langs de Sluizerweg. Deze uitbreiding bestond voornamelijk uit kleine landarbeiderswoningen. Later zijn de gebieden tussen de boerderijen ook verder bebouwd met stedelijk aandoende panden als woonhuizen, notabelen woningen, enz. De structuur van het dorp is die van een lintdorp met aan weerszijden bebouwing. Ook aan de haaks op de Sluizerweg staande Molenweg bevindt zich aan twee zijden bebouwing. Het dorp Wieringerwaard heeft tot ver in de jaren ’50 Tweewegen geheten. De naam Wieringerwaard is dus van latere datum. Het dorp heeft in de periode 1850-1940 nauwelijks functieveranderingen ondergaan. Wieringerwaard is vanaf zijn ontstaan een agrarisch dorp geweest en is dat nog steeds. In de periode 1945-1975 krijgt het dorp een uitbreiding buiten het lint. Het is een typische wederopbouw structuur met de zogenaamde stempels, identieke doorzonwoningen en openbare ruimte inrichting. De huizen staan in rijtjes of per twee en bestaan uit één of twee bouwlagen met daarop een langskap. De muren zijn gemaakt met gele of rode baksteen, en de dakpannen zijn antraciet. In de openbare ruimte neemt de auto veel plek in om te parkeren, ook op straat. Het groen bestaat uit een aantal grasveldjes, soms met bomen aan de randen, die vaak met speelmogelijkheden ingericht zijn. In de periode daarna, de Post-65 periode, wordt er aan de westkant van de eerste uitbreiding een rijtje huizen toegevoegd en aan de noordkant komt een kleine uitbreiding. De huizen zijn per rijtje identiek maar de rijtjes onderling zijn meer gevarieerd dan die van voorgaande bouwperiode. De huizen bestaan uit één of twee lagen met een langskap of soms een mank dak (asymmetrisch dak). In de gevels zijn soms details van ander materiaal verwerkt, zoals hout of HPL panelen (?), welke vaak van origine in pasteltinten geverfd zijn. De openbare ruimte is vergelijkbaar met de vorige bouwperiode De periode 2005 tot nu brengt Wieringerwaard een grote uitbreiding, aan de noordkant. De bouwtypologieën variëren tussen vrijstaande huizen, twee-onder-een-kaphuizen en doorzonwoningen. Al deze huizen bestaan uit twee lagen met een kap. Dat is meestal een dwars- of langskap of schilddak. De bouwtypologieën staan gesorteerd bij elkaar per zijde van de straat. Materiaalkeuze wisselt ook per rij. Bij de grotere uitbreidingen uit deze periode spelen groen en water vaak een belangrijke rol. Ook bij Wieringerwaard is dat het geval: water is een bepalende en opvallende factor in de buurt. De aangelegde watergang in deze buurt is gebaseerd op een zichtlijn georiënteerd op de kenmerkende watertoren van Wieringerwaard. Evenwijdig aan de uitbreiding van Wieringerwaard ligt een sportcomplex. Het gaat om een aantal sportvelden (o.a. voetbalvelden, Jeu de Boulesbaan, tennisvelden) en een zwembad. Om het complex heen staat een bijna volledig dichte rij met bomen en heesters die de velden afschermen. Ten oosten van dit sportcomplex ligt een klein, smal volkstuinencomplex. Dit terrein is ingedeeld in twee rijen met tuinen, met in het midden een strook voor kleine schuurtjes. Parallel aan de dijk aan de noordkant van de Molenweg ligt een recreatiepark met 85 recreatiechalets. Het zijn huisjes/stacaravans van allemaal één bouwlaag met een zeer plat zadeldak. Het uiterlijk van de huisjes verschilt onderling sterk (elke chalet is uniek), maar globaal gezien hebben veel van de chalets een witte muur en dak van een bitumenachtig materiaal. Kernkarakteristieken Wieringerwaard Geometrische indeling, met rechte wegen, waterlopen en verkaveling. Regelmatige strokenverkaveling aan geknikte lanen en linten. Assen met vaart en laanbeplanting, met een landelijke of juist dorpse uitstraling. Restanten van voormalige buitenplaatsen, royale erven met watercarrés en boomgaarden, stevige erfbeplantingen en rijk versierde boerderijen. Hiërarchie en samenhang in bewoning tussen de restanten van voormalige buitenplaatsen, grote pachtboerderijen en arbeiderswoningen. Langgerekte open ruimten en lange zichtlijnen tussen de bewoningslinten/assen. Verschillen in bewoning in de polder en langs de randen van de polder, zoals tussen de twee linten (binnen en buiten de Wieringerwaard) bij Nieuwesluis. Bebouwingslinten met originele bebouwing van voor 1900. Uitbreidingswijk met uitbreidingen uit verschillende perioden aan Wieringerwaard. Stolpboerderijen als onderdeel van stolpenstructuren. Kwaliteitsdoelen Wieringerwaard Beschermen en ontwikkelen van de polderassen als cultuurhistorisch en landschappelijk herkenbaar en beleefbaar raamwerk, met name met betrekking op de continuïteit van wegen, vaarten, beplanting en dijken, en het gevoel van ruimte, zichtlijnen en panorama’s. Beschermen van de randen van de polder. Ontwikkelingen mogen het aangezicht van de grenzen (dijken) niet schaden, maar er ondergeschikt aan zijn. Dit geldt ook voor de andere polders. Ontwerp weg en omgeving altijd in samenhang. Criteria Landschap/Ruimtelijke samenhang Behoud in de Wieringerwaard de grote openheid en de lange zichtlijnen tussen de linten. De ruimtelijke kwaliteit is gebaat bij het behouden en het zichtbaar/beleefbaar blijven van de huidige verkavelingsstructuur (inclusief sloten) bij (semi-)tijdelijke functies en opstellingen in het landschap, zoals voor zonne-energie. Zorg voor een ruime landschappelijke begrenzing van het terrein, die aansluit op het bestaande omringende landschap; vermijd hoge hekken in het landschap. Streef ernaar dat de opstelling kwaliteit toevoegt aan het bestaande landschap. Houd het verschil tussen de karakteristieke assen met water en laanbeplantingen en het open landschap in stand. Bebouwing in het buitengebied Erf en ligging De bebouwing dient met de naar de weg gekeerde zijde in een duidelijke rooilijn gebouwd te worden. De onderlinge afstand tussen bebouwing(sconcentraties) moet dusdanig zijn dat vrij zicht op het landschap gewaarborgd blijft. De (agrarische) bijgebouwen liggen achter of naast het hoofdgebouw, waarbij de onderlinge afstand beperkt blijft. De bebouwing moet zoveel mogelijk gegroepeerd worden. Bijzondere functies, zoals windmolens, gemalen, sluizen, bruggen, transformatorstations, etc kennen een zorgvuldige vormgeving en landschappelijk inpassing. Pas nieuwe ontwikkelingen zorgvuldig in. Plaats nieuwe stallen of schuren achter de stolpboerderijen. Behoud de doorzichten over het erf, naar achteren. Richt de erven zorgvuldig in. Met fijne grindpaden, gras, hagen, verfijnde hekwerken en een siertuin voor de boerderij. Pas de erven landschappelijk robuust in, met erfbosjes, royale boomgaarden, boomsingels en waterlopen. De erfplantingen kunnen een eigentijdse betekenis krijgen, bijvoorbeeld als voedselbos of theetuin. Het erf is het visitekaartje. Investeer in mooie erven en een aantrekkelijk landschap. Voor aanpassing en vernieuwing van erven wordt inspiratie gehaald uit historische kenmerken. De oorspronkelijke opzet, architectuur en uitstraling bieden houvast en inspiratie voor verdere ontwikkeling van het erf. De heldere scheiding tussen voor- en achtererf wordt aangehouden. Op erven is een herkenbaar onderscheid tussen hoofd- en bijgebouwen, dit vormt een samenhangend ensemble. Het erf draagt bij aan beleving en verbinding met de omgeving. Bebouwing De bebouwing bestaat in principe uit één hoofdvorm bestaande uit één bouwlaag met kap. De massaopbouw is enkelvoudig of kent een geleding in een representatief deel en een bedrijfsgedeelte, waarbij de onderlinge samenhang gewaarborgd blijft. Agrarische bedrijfsgebouwen hebben: een eenvoudige hoofdmassa met een rechthoekige plattegrond; bij een grote bebouwingsoppervlakte, een duidelijke geleding van bouwmassa’s; een hellende kapvorm (zadeldaken); uit- en aanbouwen die ondergeschikt zijn. Bijgebouwen zijn in massa en bouwhoogte ondergeschikt aan het hoofdgebouw; de architectuur is bij voorkeur afgeleid van het hoofdgebouw. Aan- en uitbouwen zijn ondergeschikt en in architectuur afgeleid van het hoofdgebouw. Bijzondere functies kennen een eenvoudige opbouw. Detaillering, materiaal en kleur bebou