← Nederland

Welstandsnota gemeente Rheden (Rheden)

Kort samengevat

Deze Welstandsnota van de gemeente Rheden bevat beleidsregels voor de uiterlijke verschijningsvorm van bouwwerken, met als doel de kwaliteit van de leefomgeving te waarborgen en te verbeteren. De nota is een actualisatie van eerdere regels, waarbij de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de leefomgeving gedeeld wordt door gemeente, ondernemers en inwoners.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Welstandsnota gemeente RhedenDe raad van de gemeente Rheden; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 04 april 2017; gelet op de artikelen 4:81, eerste lid, 4:83 en 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 12a, lid 1 van de Woningwet; overwegende: dat het gewenst is om beleidsregels vast te stellen over redelijke eisen van welstand; dat op basis van de geldende Inspraakverordening gemeente Rheden deze beleidsregels in concept voor een ieder ter inzage hebben gelegen; dat de inspraakreacties en de gemeentelijke beantwoording daarop zijn verwoord in het Eindverslag als bedoeld in de geldende Inspraakverordening gemeente Rheden, waaruit volgt of de spraakreacties inhoudelijk aanleiding hebben gegeven tot aanpassing van deze beleidsregels; b e s l u i t : vast te stellen: de beleidsregels Welstandsnota gemeente Rheden 1Inleiding De welstandsnota is in vele opzichten geen geheel nieuwe nota. Veel van de criteria zijn niet veranderd ten opzichte van de geactualiseerde welstandsnota van

  1. Maar het uitgangspunt van deze nota is aangepast met overtuiging, zoals ook blijkt uit de enquête, dat gemeente, ondernemers en inwoners gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor de kwaliteit van de leefomgeving. Daarom zijn in deze nota de toetsingsniveaus, ten opzichte van de welstandsnota 2012, aangepast. Er wordt ingezet op een hoog toetsingsniveau daar waar de structuurvisie “mijn dorp van morgen” aangeeft dat de verschijningsvorm van een bouwwerk en de wijze waarop dat is ingepast in de omgeving van groot algemeen belang is (bijvoorbeeld de ruimtelijke dragers en stedenbouwkundige en cultuurhistorisch waardevolle gebieden) en geeft deze nota daar waar het mogelijk is meer ruimte voor eigen verantwoordelijkheid van de ondernemer en inwoner om de verschijningsvorm van een bouwwerk vorm te geven Bij het opstellen van de welstandsnota 2012 is er zorgvuldig gekeken naar de mogelijkheden van welstandsvrije gebieden. Toen is geconcludeerd dat welstandstoetsing niet nodig is wanneer redelijkerwijs te verwachten is dat bouwwerken geen effect hebben op de woon, werk en leefkwaliteit. En zijn vrijstaande bijbehorende bouwwerken op achtererfgebieden met welstandsniveau 3 en niet hoger dan 5m welstandsvrij gemaakt. De evaluatie van de welstandsnota heeft geen aanleiding gegeven hier in de nieuwe welstandsnota van af te wijken. Wel is nogmaals kritisch gekeken naar de welstandsniveaus wat heeft kunnen leiden tot aanpassingen en meer welstandsvrije gebieden. Deze gebieden zijn uitgebreid tot zowel welstandniveau 2 als
  2. De op grond van de Erfgoedwet en Erfgoedverordening beschermde monumenten kennen nog steeds het hoogte toetsingsniveau. Naast deze monumenten zijn er ook panden die door een combinatie van situering, massa, vorm, gevelcompositie en kleur- en materiaalgebruik als beeldbepalend kunnen worden aangemerkt. Deze panden leveren door hun bijzondere beeldkwaliteit een extra bijdrage aan de identiteit en leefkwaliteit van het dorp en kennen daarom eveneens het hoogste toetsingsniveau. De gemeente is van mening dat een aantrekkelijke en goed verzorgde omgeving de kwaliteit van de dagelijkse leefomgeving verhoogt. Ook wordt met een goed verzorgde leefomgeving het vestigingsklimaat positief beïnvloed en dat draagt bij aan de waarde van het onroerend goed. De verschijningsvorm van een bouwwerk en de wijze waarop dat is ingepast in de omgeving is geen zaak van de eigenaar van het bouwwerk alleen; elke voorbijganger wordt ermee geconfronteerd, of hij nu wil of niet. Het welstandsbeleid is bedoeld om in alle openheid een bijdrage te leveren aan de schoonheid en de aantrekkelijkheid van Rheden. 1.1 Draagvlak Vooraf aan het opstellen van deze actualisatie van de welstandnota 2012, is deze geëvalueerd om zo inzicht te krijgen in hoe deze wordt ervaren door de gebruikers en welke aanpassingen er op deze nota wenselijk zijn. Voor de evaluatie van de Welstandsnota 2012 is gebruik gemaakt van de oplegnotitie Welstandsbeleid 2012 gemeente Rheden en het zienswijzenverslag behorende bij raadsbesluit van 26 februari 2013 tot vaststelling van de welstandsnota. Daarnaast zijn gesprekken gevoerd met de (toenmalig)verantwoordelijk wethouder en inhoudelijke experts (rayonarchitect en zaakcoördinatoren, wabo-juristen). Zij zijn gevraagd naar hun ervaringen en praktijkvoorbeelden die hebben geleid tot discussie over fundamentele beleidskeuzes en hun wensen en behoeften. Belangengroepetingen en particuliere appellanten die hun zorg hadden uitgesproken via het zienswijzenverslag zijn schriftelijk gevraagd naar hun ervaringen. De bevindingen zijn meegenomen en vertaald naar aanbevelingen waar de Welstandsnota 2012 nog aanscherping/verbetering behoeft. De aanbevelingen zijn nu meegenomen in deze actualisatie. Tijdens de evaluatie is de raad middels een excursie meegenomen in het proces van de evaluatie. Naast de aspecten uit evaluatie van de vorige welstandsnota zijn de aanpassing gedaan vanuit een doorvertaling van de structuurvisie. Deze visies zijn interactief, met behulp van website, facebook, burgerpanels, gebiedsconferenties en gesprekken/ontmoetingen met bewoners, belangenverenigingen en ondernemers tot stand gekomen. Ook is bij de totstandkoming van deze nota het burgerpanel “Rheden Spreekt” middels een enquête geraadpleegd (zie bijlage factsheet). In deze enquête stond de vraag centraal of de gemeente Rheden het kan stellen met minder welstandscriteria zonder dat de kwaliteit van de bebouwde omgeving achteruit gaat. Daarnaast zijn er een aantal vragen gesteld waarmee de uitgangspunten bij de actualisatie van de welstandsnota op hun waarde kon worden getoetst en input kon worden gegeven om het uitgangspunt bij te sturen waar nodig. De enquête werd door veel van de respondenten gewaardeerd. Dit heeft geresulteerd in een hoge respons-rate en maakt dat de uitkomsten als statistisch betrouwbaar, nauwkeurig en representatief kan worden beschouwd. De resultaten van deze enquête zijn meegewogen bij het actualiseren van de welstandscriteria (regels) en de toetsingsniveaus. Concreet betekent dit dat: Toetsingsniveaus nogmaals kritisch bekeken zijn en aangepast. Een hoog toetsingsniveau (dus strengere criteria) op de plekken die belangrijk zijn voor en van grote invloed zijn op de leefbaarheid en uitstraling van de (woon)omgeving. Een laag toetsingsniveau (dus soepelere criteria) op plekken die weinig invloed hebben op de omgeving maar juist bijdragen aan het eigen wooncomfort. De panden die zijn aangedragen als beeldbepalend zijn meegewogen met de reeds gemaakte inventarisatie beeldbepalende panden. De criteria zijn op sommige aspecten concreter geformuleerd, om zo twijfel/willekeur bij de toetsing te voorkomen. 1.2 Relatie met beleid 1.2.1 De structuurvisie Om de kwaliteiten in ruimtelijke zin te continueren en daar waar deze nog te wensen overlaat te kunnen verbeteren heeft de gemeente Rheden structuurvisies opgesteld. Hierin wordt een stip op de horizon gezet ten aanzien de gewenste ruimtelijke kwaliteit van de dorpen en het landelijk gebied. De ruimtelijke identiteit van elk het dorp wordt hierin geduid. Deze ruimtelijke visie moet onder andere vertaald worden in het uitvoerende beleid van de gemeente. Op die manier kan er gewerkt worden aan het ruimtelijke beeld dat ons voor ogen staat. Deze vertaling gebeurt in verschillende documenten waaronder het bestemmingsplan en de welstandnota. Deze twee laatste vormen samen het juridische kader waaraan de omgevingvergunning wordt getoetst ten aanzien van de ruimtelijke aanpassing van de gebouwde omgeving. 1.2.2 Bestemmingsplan De voorschriften van het bestemmingsplan gaan in op de plaatsing, maatvoering en functie van bebouwing. De concrete welstandscriteria liggen in het verlengde van het bestemmingsplan en zijn overwegend architectonisch van aard (de verschijningsvorm). Ze zijn voornamelijk gericht op het realiseren van evenwichtige verhoudingen tussen volumes c.q. elementen en een verzorgd en samenhangend bebouwings- en straatbeeld. 1.2.3 Beeldkwaliteitplannen Bij nieuwe ontwikkelingen die een ingrijpende wijziging van de ruimtelijke structuur tot gevolg hebben is het welstandsbeleid in de nota vaak niet toereikend. Daarom wordt dan in eerste instantie een projectgebonden beeldkwaliteitplan op- en vastgesteld. een beeldkwaliteitplan gaat verder dan alleen de criteria voor de bebouwing, het doet ook uitspraken over onder andere aspecten die van invloed zijn om de inrichting van onder andere de openbare ruimte en de groenvoorziening. Een beeldkwaliteitplan heeft daarmee een meer ontwikkelingsgericht karakter dan de meer op beheer van bebouwings- en contextgerichte welstandsnota. De criteria in de beeldkwaliteitplannen gericht op de verschijningsvorm van de gebouwde omgeving moeten als vervanging voor de criteria in de welstandsnota worden beschouwd voor de duur van het project. Een beeldkwaliteitsplan wordt dan ook vastgesteld als zijnde welstandsbeleid. In hoofdstuk 4 van deze nota is een actuele lijst met de geldende beeldkwaliteitplannen opgenomen. Deze lijst wordt 1x per jaar geactualiseerd. Wanneer de ruimtelijke ontwikkeling in de beheerfase is beland, zullen de beeldkwaliteitscriteria ten aanzien van de bebouwing worden opgenomen in de welstandsnota. 1.2.4 Erfgoednota/Beeldbepalende panden In het kader van de Erfgoednota die gelijktijdig met deze nota wordt geactualiseerd, is uitvoering gegeven aan het beleidsprogramma van het college waarin is opgenomen dat ‘karakteristieke panden worden gekoesterd’. Deze beeldbepalende panden leveren door hun bijzondere beeldkwaliteit een extra bijdrage aan de identiteit en leefkwaliteit van het dorp. Als basis voor het de lijst met beeldbepalende panden is de groslijst gebruikt die ooit is opgesteld ten behoeve van het opstellen van de monumentenlijst. Deze groslijst is aangevuld met tips van inwoners die via de zogeheten Erfgoedwensen konden worden aangeleverd via Facebook, Twitter, kaarten, Welstandsenquête en tijdens de Open Monumentendagen. De panden die destijds net te laag scoorden voor de monumentenlijst of nu door inwoners zijn aangedragen, zijn getoetst aan de hand van de volgende criteria: situering, massa, vorm, gevelcompositie en kleur- en materiaalgebruik. Dit heeft geleid tot een selectie van panden die door een positieve score op meerdere criteria als beeldbepalend moeten worden aangemerkt. 1.2.5 Wettelijke basis voor welstandstoezicht Met welstandstoezicht beschikt de gemeente als regisseur over een belangrijk wettelijk sturingsinstrument met betrekking tot de beeldkwaliteit van de bebouwde omgeving. Bij iedere aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt beoordeeld of het betreffende bouwwerk niet in strijd is met ‘redelijke eisen van welstand’. Hiertoe adviseert een onafhankelijke commissie (de Welstandscommissie) aan het college van burgemeester en wethouders. Sinds 2004 werkt de gemeente met een welstandsnota, waarin de criteria zijn opgenomen waaraan bouwplannen worden getoetst. Dit biedt houvast voor zowel aanvragers, de directe omgeving, de Welstandscommissie als de gemeente bij het ontwerp van en advisering over bouwplannen. De welstandsnota is niet bedoeld als dictaat. Enerzijds wordt rechtszekerheid en voorspelbaarheid geboden, maar anderzijds is er ruimte voor dialoog en afwijking van de spelregels, indien blijkt dat er betere alternatieven zijn. Kwaliteit ontstaat door dialoog en overleg. De wettelijke basis voor de uitvoering van welstandstoezicht ligt in de Wabo (art. 2.10), de Woningwet (art. 12 e.v.) In artikel 12a, lid 1 van de Woningwet wordt gesteld dat de gemeenteraad een welstandsnota vaststelt. Deze nota moet beleidsregels hebben waarin in ieder geval de criteria zijn opgenomen die het bevoegd gezag toepast bij de beoordeling of het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk waarop de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft, voldoet. Bij de beoordeling wordt beoordeeld of het bouwwerk, zowel op zichzelf beschouwd, als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand. De invulling van het begrip ‘redelijk’ is afhankelijk van de ambitie van de gemeente en de ruimtelijke kenmerken van gebieden en objecten. 1.3 Werkwijze Welstandsnota 1.3.1 Opbouw nota De welstandsnota is opgebouwd uit een vijftal hoofdstukken. Te weten: Hoofdstuk 1 Inleiding Hoofdstuk 2 Afwijken van beleid Dit hoofdstuk bestaat uit algemene welstandscriteria. Dat zijn criteria die fungeren als achtervang wanneer de reguliere toetsingscriteria onvoldoende houvast bieden. En uit excessencriteria. Dit zijn criteria waarbij de gemeente de mogelijkheid heeft om repressief in te grijpen indien een bouwwerk in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand. Hoofdstuk 3 Toetsingscriteria per gebied De kern van de nota bestaat uit veertien sets gebiedscriteria. Elke set heeft betrekking op meerdere kenmerken of geografisch te onderscheiden gebieden. Ze geven de essentie van de opgave aan waar deze betrekking hebben op de schaalniveaus stedenbouw, openbare ruimte, architectuur en detaillering. Naast de gebiedscriteria zijn er voor de meest voorkomende kleine bouwwerken (bijvoorbeeld bijbehorende bouwwerken, dakkapellen etc., als bedoelt in het Besluit Omgevingsrecht) algemene criteria opgesteld welke hier en daar zijn aangevuld voor specifieke gebieden. De toetsingscriteria voor rijksbeschermde dorpsgezichten, rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten vloeien voort uit de redengevende beschrijvingen en zijn in deze nota buiten beschouwing gelaten. De toetsingscriteria voor de beeldbepalende panden zijn als bijlage gevoegd bij de Erfgoednota. Hoofdstuk 4 Overzicht actuele beeldkwaliteitplannen Een overzicht van de actuele beeldkwaliteitplannen die in de gemeente van toepassing zijn. Hoofdstuk 5 Gebiedsbeschrijvingen. In dit hoofdstuk worden de ruimtelijke kwaliteiten en karakteristieken van de kernen beschreven. Deze beschrijvingen helpen bij de onderbouwing van de toetscriteria. Bijlagen 1.3.2 Welstandsniveaus Aan de welstandsgebieden zijn toetsingsniveaus gekoppeld, variërend van welstandsvrij, soepel (niveau 3), regulier (niveau 2) tot bijzonder (niveau 1). Deze toetsingsniveaus geven aan op welke deelaspecten het bouwplan wordt getoetst. Afhankelijk de plek en het soort bouwwerk kan dit zijn op hoofdlijnen (hoofdaspecten) tot heel gedetailleerd (deel- en detailaspecten). Welstandsvrij zijn kleine bouwwerken bij woningen en bedrijven binnen de bebouwde kom, op achtererven niet grenzend aan en/of zichtbaar vanaf het openbaar gebied tot een hoogte van 5m waarop welstandniveau 2 en 3 van toepassing is. Hier kan alleen repressief (achteraf) worden getoetst wanneer het vermoeden bestaat dat het plan in ernstige mate afwijkt van redelijke eisen van welstand. Bij niveau 3 (soepel) geldt dat ondernemers en inwoners zelf voor het grootste deel verantwoordelijk zijn voor de ruimtelijke kwaliteit van hun woonomgeving. Dit betekent dat zij zelf bewust keuzes moeten maken over onder andere de invulling van detailaspecten zoals materiaalgebruik, kleurstelling, detaillering, vormgeving etc. Hier kijkt de welstand alleen mee op hoofdlijnen (hoofd- en deelaspecten) ten aanzien van de gevelcompositie en de massa/vorm van de bebouwing waar het gaat de voorerven en de achter-/zijerven grenzend en/of zichtbaar vanaf het openbaar gebied . De gedachte hierbij is dat sommige gebieden (vooral naoorlogse woonwijken en bedrijventerreinen) meer variatie kunnen verdragen dan andere, meer kwetsbare gebieden. Uitgangspunt blijft dat de bouwwerken moeten passen in hun omgeving en dat de basiskwaliteit zoals in deze nota beschreven in stand moet blijven. Niveau 2 (regulier) is van toepassing op stedenbouwkundig en/of cultuurhistorisch waardevolle gebieden en de ruimtelijke dragers (de belangrijkste wegen in het dorp) zoals aangegeven in de structuurvisie. Hier wordt er voor zo ver het gaat om de voorerven en de achter-/zijerven grenzend en/of zichtbaar vanaf het openbaar gebied getoetst op alle aspecten ten aanzien van gevel, bouwmassa, ligging, materialen, kleuren en detaillering. Het hoogste niveau 1 (bijzonder) geldt voor beeldbepalende panden of ensembles, monumenten, beschermde dorpsgezichten en buitenplaatsen. Hier worden alle erven en bijbehorende bouwwerken getoetst op gevel, bouwmassa, ligging, materialen, kleuren en detaillering. Voor nieuwe ontwikkelingen geldt altijd niveau 1, tenzij bij vaststelling van de nieuwe ontwikkeling anders wordt besloten. Er zal dan niet worden getoetst aan de welstandsnota, maar het opgestelde beeldkwaliteitplan of algemene welstandscriteria. Welstands- niveaus Beoordelingsaspecten Waar op van toepassing Verantwoordelijkheid Welstandsvrij Achter- en zijerven niet grenzend en/of zichtbaar vanaf het openbare gebied en niet hoger dan 5 m - Gebieden die meer variatie kunnen verdragen Ondernemers/ Inwoners (welstandscommissie bij mogelijk exces) Niveau 3 Soepel Voor-, achter- en zijerven grenzend en/of zichtbaar vanaf het openbaar gebied Hoofdaspecten: - Bebouwing/ omgeving - Massa/ vorm Deelaspecten: - Gevelcompositie - Gebieden die meer variatie kunnen verdragen Ondernemers/ Inwoners Rayonarchitect/ welstandcommissie (gemeente) Niveau 2 Regulier Voorerven en achter-, zijerven grenzend en/of zichtbaar vanaf het openbaar gebied Hoofdaspecten: - Bebouwing/ omgeving - Massa/ vorm Deelaspecten: - Gevelcompositie Detailaspecten: - Materiaalgebruik - Kleurgebruik - Detaillering - Stedenbouwkundig en/of cultuurhistorisch waardevolle gebieden - Ruimtelijke dragers Ondernemers/ Inwoners Rayonarchitect/ Welstandscommissie (gemeente) Niveau 1 Bijzonder Voor-, achter- en zijerven Hoofdaspecten: - Bebouwing/ omgeving - Massa/ vorm Deelaspecten: - Gevelcompositie Detailaspecten: - Materiaalgebruik - Kleurgebruik - Detaillering - Beeldbepalende bebouwing - Monumenten - Beschermde dorpsgezichten - Buitenplaatsen - Nieuwbouw Ondernemers / Inwoners Welstandscommissie (gemeente) Tabel Schematisch weergave welstandsniveaus 1.3.3 Raadplegen nota De welstandsnota lijkt een lijvig en mogelijk ingewikkeld stuk om te lezen, maar de nota hoeft niet in zijn geheel gelezen te worden. Om de toetsingscriteria voor een bouwplan in te zien kunnen de volgende stappen worden gevolgd. Bepaal op de Welstandsniveau kaart het toetsingsniveau. (Voor beeldbepalende pandende geldt altijd niveau 1, zie bijlage voor de overzichtslijst.) Bepaal met bovenstaande tabel de toetsingsaspecten. Bepaal op de Welstandsgebiedenkaart de toetsingscriteria Lees in hoofdstuk 3 de toetsingscriteria behorende bij het juiste welstandsgebied. Heeft u een vermoeden dat uw pand een gemeentelijk of rijksmonument is, neem dan contact met de gemeente op,

(026)49 76 911. Samen met u kijken we wat de mogelijkheden zijn. of Ga naar www.welstandsnotas.nl/rheden. Via deze website kan gericht op adres of welstandsgebied worden gezocht. Waarna de relevante informatie wordt getoond. 1.4 Werkwijze welstandsadvisering De kern van welstandszorg ligt in het feit dat bouwen een handeling is die de leef- en werkomgeving beïnvloedt. Het particuliere belang kruist daarbij vrijwel altijd het algemene of maatschappelijke belang. Elke burger mag van de overheid verwachten dat zij een zorgvuldige afweging van belangen maakt bij het verlenen van vergunningen. Zoals ook is vastgelegd in één van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in de Algemene wet bestuursrecht. Het is in het algemeen belang dat onze leef- en werkomgeving een verzorgd en samenhangend karakter vertoont. Vandaar dat de welstandsadvisering zich niet kan beperken tot de verschijningsvorm van het bouwwerk op zich, maar ook de relatie van dat bouwwerk met zijn omgeving dient te onderzoeken. De invloed van gebouwen op de omgeving is namelijk vrijwel altijd van lange duur. Het is daarom ook belangrijk een inschatting te maken van de te verwachten ontwikkelingen van de omgeving. Ook de samenhang van verschillende bouwplannen onderling moet kunnen worden beoordeeld. Deze plannen vormen immers elkaars toekomstige omgeving. Het welstandstoezicht vindt plaats in het openbaar. Dit past bij een samenleving die vraagt om zoveel mogelijk rechtszekerheid en openheid rondom het welstandstoezicht. Wanneer men in een vroeg stadium bekend is met de eisen die gesteld worden aan een bouwplan is men veelal bereid hiermee rekening te houden. Veel onduidelijkheden over de wijze van toetsen worden weggenomen als vooraf helder wordt gemaakt welke kaders bij het welstandsoordeel een rol spelen. De kaders voor toetsing worden door het gemeentebestuur in deze welstandsnota vastgelegd. 1.4.1 Welstandscommissie De welstandsadvisering voor de gemeente Rheden wordt uitgevoerd door het Gelders Genootschap. Het advies van de Welstandscommissie is volgens de Woningwet gericht op het uiterlijk én op de plaatsing van het bouwwerk. De commissie kijkt in de eerste plaats naar de invloed van het bouwwerk op de beeldkwaliteit van de omgeving, rekening houdend met verwachte ontwikkelingen. Tevens adviseert de commissie over de kwaliteit van het bouwwerk op zichzelf. De adviseur ruimtelijke kwaliteit (rayonarchitect) speelt als voorpost van de Welstandscommissie een belangrijke rol. Iedere week bezoekt hij/zij de gemeente. Tijdens het overleg worden de meeste bouwplannen afgehandeld en vindt overleg plaats met planindieners, beleidsambtenaren en het gemeentebestuur. Alleen de meer complexe plannen, grootschalige ontwikkelingen en stedenbouwkundige plannen, worden voorgelegd aan de uitgebreide Welstandscommissie. Deze vergaderingen zijn openbaar. 1.4.2 Monumentenadvisering Wijzigingen van monumenten en op het daarbij behorende terrein worden aan een afzonderlijke integrale commissie voorgelegd, waarin zowel vertegenwoordigers vanuit de Welstandscommissie als vanuit de commissie cultuurhistorie zitting hebben. Dit geldt ook voor plannen in beschermde stads- en dorpsgezichten die een strengere kwaliteitstoets vergen dan plannen in reguliere gebieden. 2Afwijken van beleid Er zijn drie momenten waarop er afgeweken kan worden van het beleid: In het geval dat de welstandcriteria ontoereikend zijn. In het geval dat een (welstandsvrij) bouwwerk in grote mate afbreuk doet aan de ruimtelijke kwaliteit en van invloed is op de kwaliteit van de omgeving kan er gebruik gemaakt worden van de excessencriteria. Wanneer een bouwplan afwijkt van de welstandscriteria, maar door een bijzondere schoonheid een gewenste toevoeging aan de omgeving is. 2.1 Algemene welstandscriteria De algemene welstandscriteria fungeren als achtervang wanneer de reguliere toetsingscriteria onvoldoende houvast bieden. De criteria zijn gebaseerd op de notitie ‘Architectonische kwaliteit, een notitie over architectuurbeleid’, van Prof. ir. Tj. Dijkstra (1985, herzien en opnieuw uitgegeven in 2001). De Welstandscommissie kan het college van burgemeester en wethouders in zo’n geval gemotiveerd en schriftelijk adviseren om af te wijken en hiertoe gebruik te maken van algemene welstandscriteria. Het niveau van ‘redelijke eisen van welstand’ ligt hierbij uiteraard hoger. Relatie tussen vorm, gebruik en constructie Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat de verschijningsvorm een relatie heeft met het gebruik ervan en de wijze waarop het gemaakt is, terwijl de vormgeving daarnaast ook zijn eigen samenhang en logica heeft. Relatie tussen bouwwerk en omgeving Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de openbare (stedelijke of landschappelijke) ruimte. Daarbij worden hogere eisen gesteld naarmate de openbare betekenis van het bouwwerk of van de omgeving groter is. Betekenissen van vormen in sociaal-culturele context Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat verwijzingen en associaties zorgvuldig worden gebruikt en uitgewerkt, zodat er concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit. Evenwicht tussen helderheid en complexiteit Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat er structuur is aangebracht in het beeld, zonder dat de aantrekkingskracht door simpelheid verloren gaat. Schaal en maatverhoudingen Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een samenhangend stelsel van maatverhoudingen heeft dat beheerst wordt toegepast in ruimtes, volumes en vlakverdelingen. Materiaal, textuur, kleur en licht Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat materiaal, textuur, kleur en licht het karakter van het bouwwerk zelf ondersteunen en de ruimtelijke samenhang met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan duidelijk maken. 2.2 Excessencriteria De gemeente heeft de mogelijkheid om repressief in te grijpen indien een bouwwerk (zowel vergunningplichtig als vergunningvrij) in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand (Woningwet art. 12, lid 1). Van excessen is sprake bij buitensporigheden in het uiterlijk die ook voor niet-deskundigen evident zijn. De excessenregeling is niet bedoeld om de plaatsing van het bouwwerk tegen te gaan. Op grond van artikel 12, 12a en 13a Woningwet kunnen burgemeester en wethouders de eigenaar aanschrijven om de strijdige situatie ongedaan te maken. In geval van een exces moet het college kunnen verwijzen naar specifieke criteria in de welstandsnota. In de volgende gevallen kan sprake zijn van een exces: het visueel of fysiek afsluiten van een bouwwerk voor zijn omgeving; het ontkennen of vernietigen van architectonische bijzonderheden bij aanpassing van een bouwwerk; armoedig materiaalgebruik bij erfafscheidingen, Vrijstaande bijbehorende bouwwerken en overkappingen die zichtbaar zijn vanuit de openbare ruimte. Voorbeelden van armoedig materiaal zijn rietmatten, bedden- spiralen, oude deuren, golfplaten of zeildoek; armoedig materiaalgebruik bij gevelbetimmeringen die zichtbaar zijn vanuit de openbare ruimte. Voorbeelden van armoedig materiaal zijn kunststof schroten en industriële beplating; verloedering door achterstallig onderhoud; verstoring van ritme in gevelwand door gedeeltelijke afbraak, instorting, verwaarlozing of verandering van een bouwwerk; toepassen van felle of contrasterende kleuren mits daarvoor geen redelijke aanleiding is; een te grove inbreuk op wat in de omgeving gebruikelijk is; het plaatsen van bouwketen en/ of zeecontainers anders dan functioneel voor bouw-, onderhouds-, of sloopactiviteit en geplaatst op of in onmiddellijke nabijheid van het terrein waar de activiteit plaatsvindt. 2.3 Hardheidsclausule Burgemeester en wethouders kunnen, eventueel op advies van de Welstandscommissie, gemotiveerd afwijken van de welstandscriteria. In die gevallen moet verwezen worden naar de algemene welstandscriteria zoals in deze welstandsnota opgenomen. Deze afwijkingsbevoegdheid is gebaseerd op art. 4:84 Awb. Daarin staat dat burgemeester en wethouders moeten handelen volgens opgestelde beleidsregels tenzij dat voor belanghebbenden gevolgen zou hebben die onevenredig zijn in verhouding tot het doel van de beleidsregels. 3Toetsingscriteria per gebied De bebouwde omgeving van Rheden bestaat uit verschillende woon- en werkgebieden zoals historische dorpscentra, 20e-eeuwse woonwijken en bedrijventerreinen. Al deze verschillende gebieden zijn te onderscheiden, doordat ze in zichzelf samenhangend zijn en daarbij kenmerkende stedenbouwkundige en architectonische eigenschappen vertonen. De te onderscheiden gebieden en structuren komen veelal in meerdere dorpen van de gemeente voor en vormen dan ook de bouwstenen van de gebouwde omgeving van Rheden. Dit hoofdstuk vormt de kern van de welstandsnota. In totaal zijn dertien sets gebiedscriteria opgesteld, behorend bij de onderscheiden welstandsgebieden. Daarnaast zijn criteria opgesteld voor vijf onderscheiden thema’s in het landelijk gebied. 3.1 Historische gebieden H1 Historisch dorpsgebied / historische dorpse bebouwinglinten 3.2 Woongebieden W1 Parkachtig woongebied W2 Tuindorpen en tuinwijken W3 Traditionele woningbouw in blokverkaveling W4 Het nieuwe bouwen W5 Forumbeweging W6 Thematische inbreidingen W7 Individuele woningbouw W8 Woonwagenterreinen W9 Landelijk woongebied 3.3 Instituten / maatschappelijke doeleinden T1 Hoogbouw T2 Winkelcentrum T3 Instituten / maatschappelijke doeleinden 3.4 Bedrijventerreinen B1 Bedrijventerreinen 3.5 Landelijk gebied G1 Parken, groengebieden en sportcomplexen G2 Buitenplaatsen en landgoederen G3 Boerenerven in het agrarische landelijk gebied G4 Natuurgebieden (bebouwing in het bos) G5 Recreatieparken en vakantiewoningen Een welstandsgebied kan betrekking hebben op meerdere kernen of geografisch te onderscheiden gebieden. Voor de grote(re), complexe(
  1. re)bouwopgaven geven gebiedscriteria aan in welke mate en op welke aspecten samenhang gewenst is. Het gaat om criteria die de essentie van de opgave raken en die betrekking hebben op de schaalniveaus stedenbouw, openbare ruimte, architectuur en detaillering. Voor een grotere kaart waarop de gebieden per dorp zijn aangegeven wordt verwezen naar de bijlage bij deze nota Voor een grotere kaart waarop de gebieden per dorp zijn aangegeven wordt verwezen naar de bijlage bij deze nota 3.1 Historische gebieden De oude dorpsgebieden en wegen met historische bebouwing kenmerken zich door een relatief open en kleinschalige bebouwing met een zekere variatie daarbinnen. Binnen deze gebieden zijn vaak nog onbebouwde percelen in gebruik als weiland of moestuin. Op enkele plaatsen komt een verdichting voor. Naast wonen zijn er functies als detailhandel en ambachten. In sommige gevallen treffen we nog oude watermolens, kerken en boerderijen aan. Enkele historische wegen zijn later opgenomen in nieuwe wijken. Vaak is de oorspronkelijke samenhang in het wegennet nog herkenbaar, maar soms zijn het slechts fragmenten in een nieuwe omgeving. Omdat deze wegen in de dorpen en in het landelijk gebied van oudsher voorkomen zijn ze belangrijk voor de karakteristiek en identiteit daarvan. Oorspronkelijke dorpsgebieden en wegen vormen waardevolle elementen in het huidige beeld van de gemeente. Ze vormen de historische context van veel objecten van cultuurhistorisch waarde, zijn belangrijke schakels binnen het wegennetwerk en ondersteunen de oriëntatie binnen de gemeente. Rhedens huisje Het zogenaamde ‘Rhedens huisje’ is een woonhuistype dat verspreid over de dorpen en het landelijk gebied voorkomt. Het oorspronkelijk klein (land)arbeidershuisje is vrijstaand gelegen op een diepe kavel langs oudere, historische wegen. Het kenmerkt zich vooral door de beeldbepalende en naar de weg gerichte kopgevel. De bouwmassa is opgebouwd uit één tot anderhalve bouwlaag met steile zadelkap en heeft soms teruggelegen aanbouwen. Vanwege de geringe breedte en grote dieptemaat van de oude bouwpercelen is de bouwmassa van het Rhedens huisje langgerekt en haaks op de weg gelegen. Meestal vindt enkele of dubbele bewoning plaats. Hoewel de meeste Rhedens huisjes stammen uit de periode voor 1900, is ook in de twintigste eeuw nog een redelijk aantal gebouwd. De Rhedense huisjes zijn in het bijzonder te vinden langs historische wegen of restanten daarvan. H1 Historisch dorpsgebied / dorpse bebouwingslinten woongebieden Rhedens huisje; dubbele woningvariant Hoofdaspecten: Bebouwing en omgeving Bij nieuw- en verbouw rekening houden met de gebiedskarakteristiek. Nieuwbouw baseren op de gegroeide kleinschaligheid, openheid en diversiteit. Het bebouwingsbeeld van herkenbare individuele panden in stand houden. Bij nieuwbouw zijn de parcellering, de positie, de oriëntatie en de ritmiek van de oorspronkelijke bebouwing richtinggevend. Verspringingen in de rooilijn dragen bij aan het individuele bebouwingsbeeld. Bedrijfsbebouwing op het achtererf plaatsen. Panden richten naar de openbare ruimte. Deelaspecten: Massa en vorm Uitgangspunt voor het bouwplan is toepassing van een kapvorm. De bestaande samenhang en afwisseling in de vormgeving van de kappen in de omgeving is richtinggevend. De bouwmassa is compact en opzichzelfstaand. De bouwhoogte is afgestemd op die van de naaste omgeving. Bij panden die een stedenbouwkundig geheel vormen, mogen toevoegingen per pand geen afbreuk doen aan de hoofdstructuur en de ritmiek van het geheel. En zijn dus ondergeschikt. Afhankelijk van de architectuur van het pand, een bijbehorend bouwwerk voorzien van een hellend of plat afgedekt dak. Gevelcompositie Gevels die zijn gericht naar de openbare ruimte vertonen een open uitstraling. Er is aandacht voor de overhoekse samenhang van gevels. Gevels hebben een hiërarchische opbouw. In de horizontale gevelopbouw worden de begrenzingen van de onderzijde (plint) en de boven- zijde (goot of kroonlijst) als belangrijkste elementen behandeld. De compositie van gevelopeningen vertoont samenhang. Bij splitsing van het pand blijft de oorspronkelijke gevelcompositie leidend. Bij verbouw en renovatie aansluiten bij de richting en de maatverhoudingen van de bestaande gevelopeningen. Bij nieuwbouw rekening houden met de bebouwing in de omgeving voor wat betreft stijlkenmerken en materiaalkeuze. Toevoegingen aan de voorzijde maken deel uit van de gevelcompositie. De plaatsing en behandeling van de hoofdentree krijgt bijzondere aandacht. Detailaspecten: Materiaalgebruik, kleurgebruik en detaillering Terugliggende gevelopeningen nastreven. Het materiaal- en kleurgebruik houdt rekening met de gebiedskarakteristiek. Bij verbouwing of renovatie is het oorspronkelijke materiaal- en kleurgebruik uitgangspunt. In hoofdzaak bakstenen voor gevels en keramische dakpannen op daken toepassen. Voor de hoofdmaterialen gedekte kleuren / aardkleuren toepassen. In lichte kleuren geschilderde gevels of stucwerk zijn toegestaan, indien deze kenmerkend zijn voor de omgeving en in getemperd kleurniveau worden toegepast. De detaillering van gevels die zijn gericht naar de openbare ruimte krijgen een hoge mate van aandacht. Bij renovatie rekening houden met de kenmerkende ornamentiek als overstekken, dak- en gevellijsten, siermetselwerk en speklagen. Bij renovatie en verbouw blijven de authentieke detaillering zoals overstekken, geaccentueerde lijsten en siermetselwerk behouden. Bij nieuwbouw krijgt de detaillering een hoge mate van aandacht. Criteria voor kleine bouwwerken: Deze criteria zijn algemeen en niet gebiedsgebonden en staan in hoofdstuk 3.6 van dit document. Bijbehorende bouwwerken zoals erker, daktoevoegingen. Daktoevoegingen, dakkapellen, dakopbouwen en dakramen. Kozijnen en gevelwijzigingen. Zonwering. Rolluiken. Zonnepanelen en collectoren. Schuilgelegenheden (buiten bouwperceel) in het landelijk gebied. Erfafscheidingen. Reclame-uitingen. 3.2 Woongebieden Een groot deel van de dorpen in de gemeente zijn bestemd als woongebied. Dit zijn gebieden die vooral bedoeld zijn om te wonen, enige bedrijvigheid op het gebied van handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf kan (ondergeschikt) ook aanwezig zijn. In deze gebieden is er naast wonen vooral ook ruimte voor groen. W1 Parkachtig woongebied W2 Tuindorpen en tuinwijken W3 Traditionele woningbouw in blokverkaveling W4 Het nieuwe bouwen W5 Forumbeweging W6 Thematische inbreidingen W7 Individuele woningbouw W8 Woonwagenterreinen W9 Landelijk woongebied W1 Parkachtig woongebied Met parkachtige woongebieden worden ruim in het groen opgezette woonwijken bedoeld met villa-achtige woonbebouwing. De panden bezitten een kloeke en compacte hoofdmassa met aan de straatzijden incidenteel een luchtig vormgegeven erker of serre. De villa’s hebben elk een eigen gezicht waarbij speciale aandacht is besteed aan de architectonische kwaliteit en uitstraling. De meeste villawijken in de gemeente Rheden zijn ontstaan tussen 1860 en 1940. Elk gebied heeft zijn specifieke kenmerken met betrekking tot de architectuurstijl, de grootte van kavels en woningen etc. De meeste villawijken zijn enigszins gemengd, waarbij soms ensembles van woningen aanwezig zijn met een sterke onderlinge visuele samenhang. In de villawijken wordt de overgang tussen privé en openbaar duidelijk aangegeven via een hekwerk, haag of anderszins. Het erf heeft een groen karakter met soms forse bomen. Ook het straatprofiel is relatief ruim en voorzien van opgaande beplanting. Parkachtige woongebieden in Ellecom Hoofdaspecten: Bebouwing en omgeving Bij nieuw- en verbouw rekening houden met de gebiedskarakteristiek. Het bebouwingsbeeld wordt bepaald door een reeks van individuele bouwmassa’s. Representatieve bouwmassa’s omgeven door een landschappelijke inrichting van tuinen. De positie en oriëntatie van de oorspronkelijke bebouwing zijn richtinggevend. De beleving van onderlinge afstanden tussen de gebouwen heeft prioriteit boven de vorming van een wand. Bestaande doorzichten handhaven. Deelaspecten: Massa en vorm Bij renovatie of nieuwbouw conformeert het bouwwerk zich wat betreft massa en hoofd- vorm aan de bebouwing in de omgeving. De bouwmassa is voorzien van een (samengesteld) zadeldak of schilddak. Aanbouwen zijn ondergeschikt aan de hoofdvorm en gesitueerd aan de zij- of achtergevel. De kaphelling bedraagt minimaal 40 graden of is gelijk aan bestaand. Bijgebouwen zijn in hoofdvorm en kap afgestemd op het hoofdgebouw. Bij entreeportalen is een schuin dak mogelijk wanneer uitgevoerd conform de kap op de woning. Gevelcompositie Gevels die zijn gericht naar de openbare ruimte vertonen een open uitstraling. Er is aandacht voor de overhoekse uitstraling van gevels. Gevels vertonen een hiërarchische opbouw. De compositie van gevelopeningen vertonen samenhang. Bij splitsing van het pand blijft de oorspronkelijke gevelcompositie leidend. Bij verbouw en renovatie aansluiten bij de richting en de maatverhoudingen van de bestaande gevelopeningen. Detailaspecten: Materiaalgebruik, kleurgebruik en detaillering Bij materiaal- en kleurgebruik rekening houden met de gebiedskarakteristiek. Bij verbouwing of renovatie is het oorspronkelijke materiaalgebruik uitgangspunt. In hoofdzaak bakstenen voor gevels en dakpannen op daken toepassen. Bij verbouwing of renovatie is het oorspronkelijke kleurgebruik uitgangspunt. Voor de hoofdmaterialen aardkleuren toepassen, in combinatie met donkere of rode pannen. De detaillering van gevels die zijn gericht naar de openbare ruimte krijgen een hoge mate van aandacht Authentieke detaillering zoals overstekken, geaccentueerde lijsten en siermetselwerk zijn bij verbouw richtinggevend. Bij renovatie of nieuwbouw zorgvuldig omgaan (herstel, interpretatie) met de detaillering van de kap, de gevelopeningen en het metselwerk. Authentieke detaillering, zoals overstekken, geaccentueerde lijsten en siermetselwerk, blijft bij verbouw behouden. De detaillering van bijbehorende bouwwerken zorgvuldig afstemmen op die van het hoofdgebouw. Criteria voor kleine bouwwerken: Deze criteria zijn algemeen en niet gebiedsgebonden en staan in hoofdstuk 3.6 van dit document. Bijbehorende bouwwerken zoals erker, daktoevoegingen. Daktoevoegingen, dakkapellen, dakopbouwen en dakramen. Kozijnen en gevelwijzigingen. Zonwering. Rolluiken. Zonnepanelen en collectoren. Schuilgelegenheden (buiten bouwperceel) in het landelijk gebied. Erfafscheidingen. Reclame-uitingen. W2 Tuindorpen en tuinwijken In de eerste helft van de twintigste eeuw zijn in Rheden diverse complexen in het kader van de volkswoningbouw gerealiseerd. Veel daarvan kunnen worden getypeerd als tuindorpen. Kenmerkend is, dat ze oorspronkelijk als samenhangend geheel zijn ontworpen, met specifieke architectonisch/stedenbouwkundige kenmerken. In de dorpen treft men de volkswoningbouw vaak aan in kleine clusters aan ´gewone´ straten. De architectuur is overwegend ingetogen en sober van opzet met een verfijning in de kleurtoepassing en detaillering. Volkswoningbouw in Dieren Hoofdaspecten: Bebouwing / omgeving Bij nieuw- en verbouw rekening houden met de gebiedskarakteristiek. Nieuwbouw sluit aan bij de ritmiek van de bestaande bebouwing in de omgeving. Panden richten naar de openbare ruimte. De positie, het verkavelingsprincipe en de oriëntatie van de oorspronkelijke bebouwing zijn bij nieuwbouw richtinggevend. Massa en vorm De bestaande schaal van de bebouwing in de omgeving is het uitgangspunt bij uitbreiding en vervanging van de bebouwing. De massaopbouw en de kapvorm afstemmen op de belendende bebouwing. De bestaande kapvorm en kaprichting handhaven. Regelmatig geplaatste, gemetselde schoorstenen op het dak accentueren de afzonderlijke woningen. Deelaspect: Gevelcompositie Gevels die zijn gericht naar de openbare ruimte vertonen een open uitstraling. Gevels vertonen een hiërarchische opbouw. De compositie van gevelopeningen vertonen samenhang. Bij splitsing van het pand blijft de oorspronkelijke gevelcompositie leidend. Bij verbouw en renovatie aansluiten bij de richting en de maatverhoudingen van de bestaande gevelopeningen. Bij renovatie en/of vervangende nieuwbouw sluiten de stijl en het materiaal aan op die van de bebouwing in de omgeving. De verticale geleding en ritmiek van de gevel benadrukken, bijvoorbeeld door ordening van raampartijen langs verticale assen of door afwijkende behandeling van gevelvlakken. De maatverhoudingen van bestaande gevelopeningen handhaven. Kopgevels grenzend aan de openbare ruimte verkrijgen een duidelijke expressie. De toevoegingen per woning doen geen afbreuk aan de hoofdstructuur en de gevelritmiek van het woningblok en zijn daarmee ondergeschikt aan de hoofdstructuur. Detailaspecten: Materiaalgebruik / kleurgebruik / detaillering Bij materiaal- en kleurgebruik rekening houden met de gebiedskarakteristiek. Het oorspronkelijke kleur- en materiaalgebruik is uitgangspunt bij verbouwing of renovatie. Voor de hoofdmaterialen bakstenen in aardkleuren toepassen, in combinatie met donkere of rode dakpannen. Grotere vlakken tonen geen sterke kleurcontrasten. De detaillering van gevels die zijn gericht naar de openbare ruimte krijgen een hoge mate van aandacht Bij verbouwing of renovatie is het oorspronkelijke materiaalgebruik uitgangspunt. Bij renovatie of nieuwbouw is de specifieke detaillering van gevelopeningen, balkonhekken, deurluifels en dergelijke in de omgeving richtinggevend. De detaillering bij aanpassing, renovatie of nieuwbouw verkrijgt eenzelfde mate van aandacht en expressie als die in de omgeving. Criteria voor kleine bouwwerken: Deze criteria zijn algemeen en niet gebiedsgebonden en staan in hoofdstuk 3.6 van dit document. Bijbehorende bouwwerken zoals erker, daktoevoegingen. Daktoevoegingen, dakkapellen, dakopbouwen en dakramen. Kozijnen en gevelwijzigingen. Zonwering. Rolluiken. Zonnepanelen en collectoren. Schuilgelegenheden (buiten bouwperceel) in het landelijk gebied. Erfafscheidingen. Reclame-uitingen. W3 Traditionele woningbouw in blokverkaveling Tussen 1950 en 1970 zijn veel onbebouwde gebieden binnen het oudere stratenpatroon ingevuld met een eenvoudig patroon van rechte straten met een eenvoudig, symmetrisch straatprofiel met bomen op de trottoirs. Langs deze straten zijn woningen gebouwd, veelal in rijtjes van drie of meer, afgewisseld met dubbele en vrijstaande woningen in sommige gevallen met lage flatgebouwen. Soms is sprake van een geclusterde stedenbouwkundige opzet, waarbij sommige buurten doen denken aan de tuindorpen van voor de Tweede Wereldoorlog. Op sommige plaatsen in de gemeente is een V-vormige verkaveling toegepast met veel ruimte voor groen. De samenhang in het straatbeeld ontstaat onder meer door een ingetogen materiaal- en kleurgebruik. Kenmerkend zijn het blokvormige stratenpatroon en het straatgericht wonen. De straathoeken zijn open, waarbij de woningen veelal een duidelijk onderscheid hebben tussen voorgevel en zijgevel. Rust in het bebouwingsbeeld ontstaat door de eenvoudige hoofdmassa´s en kapvormen, zoals zadelkappen en soms schilddaken. De herhaling van gelijkvormige kappen van bouwblokken geven soms een karakteristiek beeld naar zijstraten. Voor- en zijtuinen zijn gescheiden van de openbare ruimte door eenvoudige, lage erfafscheidingen. Aanbouwen aan achtergevels en dakkapellen/dakopbouwen voegen zich soepel binnen de hoofdkarakteristiek van het bebouwingsthema. Blokverkaveling en jaren zeventig wijk in Dieren-Noord Hoofdaspecten: Bebouwing / omgeving Bij nieuw- en verbouw rekening houden met de gebiedskarakteristiek. Nieuwbouw sluit aan bij de ritmiek van de bestaande bebouwing in de omgeving. Panden richten naar de openbare ruimte. De positie, verkavelingwijze en de oriëntatie van de oorspronkelijke bebouwing is bij nieuwbouw richtinggevend. Deelaspecten: Massa en vorm De bestaande schaal van de bebouwing in de omgeving is het uitgangspunt bij uitbreiding en vervanging van de bebouwing. De bouwmassa is afgestemd op de belendende bebouwing. De bestaande kapvorm en kaprichting handhaven. Gemetselde schoorstenen op het dak accentueren de afzonderlijke woningen. Gevelcompositie Gevels die zijn gericht naar de openbare ruimte vertonen een open uitstraling. De compositie van gevelopeningen vertonen samenhang. Bij verbouw en renovatie aansluiten bij de richting en de maatverhoudingen van de bestaande gevelopeningen. De stijl en het materiaalgebruik bij renovatie en/of vervangende nieuwbouw sluiten aan op die van de bebouwing in de omgeving. De maat en schaal van de gevelindeling respecteren. De verticale geleding en ritmiek van de gevel benadrukken, bijvoorbeeld door ordening van raampartijen langs verticale assen of door afwijkende behandeling van gevelvlakken. De maatverhoudingen van bestaande gevelopeningen handhaven. Kopgevels grenzend aan de openbare ruimte, een duidelijke expressie geven. De toevoegingen per woning zijn ondergeschikt aan de hoofdstructuur en de gevelritmiek van het woningblok. Detailaspecten: Materiaalgebruik / kleurgebruik / detaillering Bij materiaal- en kleurgebruik rekening houden met de gebiedskarakteristiek. Het oorspronkelijke kleur- en materiaalgebruik is uitgangspunt bij verbouwing of renovatie. Voor de hoofdmaterialen bakstenen in aardkleuren toepassen, in combinatie met donkere of rode dakpannen. Grotere vlakken tonen geen sterke kleurcontrasten. Bij verbouwing of renovatie is het oorspronkelijke materiaalgebruik uitgangspunt. De detaillering bij aanpassing, renovatie of nieuwbouw eenzelfde mate van aandacht en expressie als die in de omgeving geven. Criteria voor kleine bouwwerken: Deze criteria zijn algemeen en niet gebiedsgebonden en staan in hoofdstuk 3.6 van dit document. Bijbehorende bouwwerken zoals erker, daktoevoegingen. Daktoevoegingen, dakkapellen, dakopbouwen en dakramen. Kozijnen en gevelwijzigingen. Zonwering. Rolluiken. Zonnepanelen en collectoren. Schuilgelegenheden (buiten bouwperceel) in het landelijk gebied. Erfafscheidingen. Reclame-uitingen. W4 Het Nieuwe Bouwen Het Nieuwe Bouwen ontstaat in de periode tussen de Eerste en de Tweede Wereldoorlog en geeft gehoor aan een vraag naar functionele gebouwen. De modernistische architectuur kenmerkt zich daarom door open, flexibele plattegrond en vrije gevelindeling en weinig ornamentiek. De woonbebouwing wordt gekenmerkt door een zich herhalend stramien van plantsoenen, omgeven door een helder geordende opstelling van uniforme bouwblokken. De woonomgeving heeft een royaal en parkachtig karakter. De bebouwing bestaat uit uniforme rijtjes van twee lagen met kap. De traveemaat van de woning wordt over het algemeen geaccentueerd door gemetselde schoorstenen. Het Nieuwe Bouwen De Steeg Hoofdaspecten: Bebouwing en omgeving Bij nieuw- en verbouw rekening houden met de gebiedskarakteristiek. Gebouwen of gebouwencomplexen zijn als abstracte composities in de ruimte geplaatst. Bij nieuwbouw is de positie en de oriëntatie van de oorspronkelijke bebouwing richting- gevend. Het overwegend gesloten gevelbeeld van rijenwoningen in stand houden. Bij nieuwbouw aansluiten op de ritmiek van gelijke woningblokken. Woningen staan georiënteerd op de openbare ruimte, de voordeuren zijn steeds in het zicht van de openbare ruimte. Deelaspecten: Massa en vorm Gebouwen bestaan uit eenvoudige rechthoekige bouwblokken. De bestaande schaal van de bebouwing in de omgeving is het uitgangspunt bij uitbreiding en vervanging van de bebouwing. De bouwmassa is afgestemd op de belendende bebouwing. De bestaande kaprichting en kapvorm zijn richtinggevend. Nastreven van doorgaande gootlijnen en regelmatig geplaatste schoorstenen. Gevelcompositie Gevels die zijn gericht naar de openbare ruimte vertonen een open uitstraling. De compositie van gevelopeningen vertonen samenhang. Bij verbouw en renovatie aansluiten bij de richting en de maatverhoudingen van de bestaande gevelopeningen en die van de bebouwing in de omgeving. De maat en schaal van de gevelindeling respecteren. De maatverhoudingen van bestaande gevelopeningen handhaven. De toevoegingen per woning zijn ondergeschikt aan de hoofdstructuur en de gevelritmiek van het woningblok. Detailaspecten: Materiaalgebruik, kleurgebruik en detaillering Bij materiaal- en kleurgebruik rekening houden met de gebiedskarakteristiek. Bij woonblokken die een stedenbouwkundig ensemble vormen de kleuren van gevels en daken op elkaar afstemmen. Voor de hoofdmaterialen bakstenen in aardkleuren toepassen, in combinatie met donkere of rode dakpannen. De mate van detaillering afstemmen op het pand. In de gesloten delen van puien is uitstraling van het bestaande materiaalgebruik uitgangspunt. Voor gesloten puidelen per stedenbouwkundige eenheid een beperkte variatie kleuren toepassen. Bij renovatie of nieuwbouw is de specifieke detaillering van gevelopeningen, balkonhekken, deurluifels en dergelijke in de omgeving richtinggevend. De detaillering bij aanpassing, renovatie of nieuwbouw is zorgvuldig en versterkt de expressie van de architectuur. Criteria voor kleine bouwwerken: Deze criteria zijn algemeen en niet gebiedsgebonden en staan in hoofdstuk 3.6 van dit document. Bijbehorende bouwwerken zoals erker, daktoevoegingen. Daktoevoegingen, dakkapellen, dakopbouwen en dakramen. Kozijnen en gevelwijzigingen. Zonwering. Rolluiken. Zonnepanelen en collectoren. Schuilgelegenheden (buiten bouwperceel) in het landelijk gebied. Erfafscheidingen. Reclame-uitingen. W5 Forumbeweging Als reactie op de blokverkaveling en de invloed van de ‘modernen’, die als te zakelijk en monotoon werden ervaren, ontstaat in de jaren zeventig de Forumbeweging, die aandacht vraagt voor de menselijke schaal en maat van nieuwe woongebieden. Geïnspireerd door die gedachte ontstaan in die tijd woonbuurten als Dieren Noord-Oost. De woongebieden uit deze periode hebben een grillig stratenpatroon en weinig doorgaande wegen. De woningen zijn meestal geclusterd rondom woonerven waarbij een duidelijk onderscheid tussen voor- en achterkanten ontbreekt. De hele wijken, maar ook delen daarvan, zijn sterk naar binnen gekeerd. Een groot aantal van de woningen is niet straatgericht maar georiënteerd op de privétuin. Er komen veel variaties voor in de vormgeving openbaar-privé. De architectuur van de woningen is relatief ingetogen en sluit aan bij de jaren zeventig mode; donkere, Semiet- ambachtelijke materialen; bruin hout, rode baksteen en donkere pannen. Woonbebouwing in Dieren-Noordoost Hoofdaspecten: Bebouwing en omgeving Bij nieuw- en verbouw rekening houden met de gebiedskarakteristiek. Het overwegend gesloten en halfopen straatbeeld in stand houden. Nieuwbouw sluit aan bij de ritmiek en de wijze van schakelen van de bestaande bebouwing in de omgeving. Het gaat om de stelselmatige toepassing van hoekoplossingen, knikken en verspringingen. Woningen zijn met een eigen entreegebied of met voordeuren georiënteerd op de openbare ruimte Deelaspecten: Massa en vorm Uitgangspunt bij uitbreiding en vervanging is de bestaande schaal van de bebouwing in de omgeving. De bouwmassa afstemmen op die van de belendende bebouwing. De bestaande kapvorm en kaprichting blijven gehandhaafd. Regelmatig geplaatste, gemetselde schoorstenen op het dak accentueren in voorkomende gevallen de maat van de woningen. Gevelcompositie Gevels die zijn gericht naar de openbare ruimte vertonen een open uitstraling. Gevels tonen een hiërarchische opbouw. De compositie van gevelopeningen vertoont samenhang. Bij verbouw en renovatie aansluiten bij de richting en de maatverhoudingen van de bestaande gevelopeningen. De stijl en de materialisering van renovatie en/of vervangende incidentele nieuwbouw sluiten aan op die van de bebouwing in de omgeving. De vlakverdeling en ritmiek van de gevel in stand houden door compositie van raampartijen of door afwijkende behandeling van gevelvlakken. De maatverhoudingen van bestaande gevelopeningen handhaven. Kopgevels die naar de openbare ruimte zijn gericht verkrijgen een duidelijke expressie. De toevoegingen per woning doen geen afbreuk aan de hoofdstructuur en de gevelritmiek van het woningblok en zijn daarmee ondergeschikt. Detailaspecten: Materiaalgebruik, kleurgebruik en detaillering Het materiaal- en kleurgebruik houdt rekening met de gebiedskarakteristiek Bij aanpassingen is het oorspronkelijke materiaal en kleurgebruik uitgangspunt. Voor gevels baksteen en hout toepassen. Hoofdmaterialen in aardkleuren toepassen. Geen sterk contrasterende kleuren in grotere vlakken gebruiken. Voordeuren, garagedeuren (en eventueel draaiende raamdelen) in gedekte tinten schilderden. De detaillering bij aanpassing, renovatie of nieuwbouw verkrijgt tenminste de aandacht en expressie als die van de belendende bebouwing. De mate van detaillering afstemmen op het pand. Criteria voor kleine bouwwerken: Deze criteria zijn algemeen en niet gebiedsgebonden en staan in hoofdstuk 3.6 van dit document. Bijbehorende bouwwerken zoals erker, daktoevoegingen. Daktoevoegingen, dakkapellen, dakopbouwen en dakramen. Kozijnen en gevelwijzigingen. Zonwering. Rolluiken. Zonnepanelen en collectoren. Schuilgelegenheden (buiten bouwperceel) in het landelijk gebied. Erfafscheidingen. Reclame-uitingen. W6 Thematische inbreidingen Nadat de buitengrenzen van de bebouwde kommen in de jaren tachtig zijn bereikt, worden op kleinere schaal inbreidingsplannen ontwikkeld. Ook worden bestaande woningen gesloopt om plaats te maken voor nieuwe en eigentijdse woonbebouwing. Deze nieuwe woongebieden zijn meer marktconform gebouwd en krijgen een duidelijk imago mee dat ondermeer naar voren komt in een uitgesproken architectuur. Bij de ontwikkeling van de gebieden wordt veel aandacht besteed aan de architectonisch/ stedenbouwkundige uitstraling. In de verkavelingsopzet wordt weer gestreefd naar een helder onderscheid tussen openbaar en privé. Enkele inbreidingen in de oude kernen zijn als hofjes op binnengebieden ontwikkeld. Herstructureringen in Rheden Hoofdaspecten: Bebouwing en omgeving Bij nieuw- en verbouw rekening houden met gebiedskarakteristiek. Bij toevoegingen en aanbouwen is de positie en de oriëntatie van de oorspronkelijke bebouwing richtinggevend. Het overwegend gesloten straatbeeld van gestapelde, aaneengebouwde of geschakelde woningen in stand houden. Wijzigingen sluiten aan bij de ritmiek van de bestaande bebouwing in de omgeving: Het gaat om de stelselmatige toepassing van accenten bijvoorbeeld op koppen of in zichtassen en van symmetrieën in massa, kapvorm en gevelindeling. Woningen staan georiënteerd op de openbare ruimte. Deelaspecten: Massa en vorm De bestaande schaal van de bebouwing in de omgeving is het uitgangspunt bij uitbreiding en vervanging van de bebouwing. De bouwmassa is afgestemd op die van de belendende bebouwing. De bestaande kapvorm en kaprichting blijven gehandhaafd. Gevelcompositie Gevels die zijn gericht naar de openbare ruimte vertonen een open uitstraling. Zijgevels grenzend aan de openbare ruimte behandelen als voorgevel. Er is aandacht te zijn voor de overhoekse uitstraling van gevels. Gevels vertonen een hiërarchische opbouw. De compositie van gevelopeningen vertoont samenhang. Bij splitsing van het pand blijft de oorspronkelijke gevelcompositie leidend. Bij verbouw en renovatie aansluiten bij de richting en de maatverhoudingen van de bestaande gevelopeningen. Detailaspecten: Materiaalgebruik, kleurgebruik en detaillering Bij materiaal- en kleurgebruik rekening houden met de gebiedskarakteristiek. Het overwegende materiaalgebruik bij gevels betreft baksteen. Glas, spiegelende oppervlakken en kunststof niet als overwegend gevelmateriaal toepas- sen. Bij aanpassingen is het oorspronkelijke materiaal- en kleurgebruik uitgangspunt. Bij renovatie zorgvuldig omgaan (herstel, interpretatie) met de detaillering van de kap, de gevelopeningen en het metselwerk. Bij nieuwbouw bepalen getemperde kleuren het aanzicht van de hoofdvlakken. In lichte kleur geschilderde gevels en stucwerk zijn toegestaan, indien deze kenmerkend zijn voor de omgeving en in getemperd kleurniveau worden toegepast. De kleurstelling van dakbedekking en gevels zijn op elkaar afgestemd. Criteria voor kleine bouwwerken: Deze criteria zijn algemeen en niet gebiedsgebonden en staan in hoofdstuk 3.6 van dit document. Bijbehorende bouwwerken zoals erker, daktoevoegingen. Daktoevoegingen, dakkapellen, dakopbouwen en dakramen. Kozijnen en gevelwijzigingen. Zonwering. Rolluiken. Zonnepanelen en collectoren. Schuilgelegenheden (buiten bouwperceel) in het landelijk gebied. Erfafscheidingen. Reclame-uitingen. W7 Individuele woningbouw De individuele woningbouw bestaat overheersend uit vrijstaande woningen en twee-onder-een-kapwoningen gebouwd in één of twee lagen met kap. De architectuur van deze panden is gevarieerd maar meestal traditioneel van karakter. Er is een heldere scheiding tussen openbaar terrein en privégebied. Individuele woningbouw Dieren Hoofdaspecten: Bebouwing en omgeving Bij nieuw- en verbouw rekening houden met de gebiedskarakteristiek. Het bebouwingsbeeld wordt bepaald door een reeks van individuele bebouwingsmassa’s, vrijstaand en 2^1 kap woningen. Bij nieuwbouw rekening houden met de gebiedskarakteristiek. De onderlinge afstanden tussen de gebouwen geven een open bebouwingsbeeld Bestaande doorzichten handhaven. Verspringingen in de rooilijn zijn mogelijk als dat past in het straatbeeld. De panden staan met de voorgevel georiënteerd naar de straat. Deelaspecten: Massa en vorm Bij renovatie of nieuwbouw conformeert het bouwwerk zich wat betreft massa en hoofdvorm aan de bebouwing in de omgeving. De bouwmassa is voorzien van een plat dak of een kap. Bij aanpassingen aan individuele woningen blijft de hoofdvorm inclusief geleding herkenbaar. Gevelcompositie Gevels die zijn gericht naar de openbare ruimte vertonen een open uitstraling. Er is aandacht te zijn voor de overhoekse uitstraling van gevels. Gevels vertonen een hiërarchische opbouw. De compositie van gevelopeningen vertoont samenhang. Bij splitsing van het pand blijft de oorspronkelijke gevelcompositie leidend. Bij verbouw en renovatie aansluiten bij de richting en de maatverhoudingen van de bestaande gevelopeningen. Detailaspecten: Materiaalgebruik, kleurgebruik en detaillering Het materiaal- en kleurgebruik houdt rekening met de gebiedskarakteristiek. Het overwegende materiaalgebruik bij gevels betreft baksteen. Glas, spiegelende oppervlakken en kunststof niet als overwegend gevelmateriaal toepas- sen. De detaillering van gevels die zijn gericht naar de openbare ruimte krijgen een hoge mate van aandacht Bij aanpassingen is het oorspronkelijke materiaal- en kleurgebruik uitgangspunt. Bij renovatie zorgvuldig omgaan (herstel, interpretatie) met de detaillering van de kap, de gevelopeningen en het metselwerk. In lichte kleur geschilderde gevels en stucwerk zijn toegestaan, indien deze kenmerkend zijn voor de omgeving en in getemperd kleurniveau worden toegepast. De kleurstelling van dakbedekking en gevels zijn op elkaar afgestemd. Criteria voor kleine bouwwerken: Deze criteria zijn niet gebiedsgebonden en staan in hoofdstuk 3.6 van dit document. Bijbehorende bouwwerken zoals erker, daktoevoegingen. Daktoevoegingen, dakkapellen, dakopbouwen en dakramen. Kozijnen en gevelwijzigingen. Zonwering. Rolluiken. Zonnepanelen en collectoren. Schuilgelegenheden (buiten bouwperceel) in het landelijk gebied. Erfafscheidingen. Reclame-uitingen. W8 Woonwagenterreinen Op een aantal plaatsen van onze gemeente zijn kleine clusteringen van woonwagens op daarvoor bestemde terreinen. Binnen de contour van deze terreinen is het mogelijk om woonwagens met bijbehorende bebouwing te plaatsen. Ruimtelijk hebben deze terreinen een samenhang door de manier waarop deze zijn verkaveld en ingevoegd in de stedenbouwkundige structuur. De bebouwing op het terrein vormt qua vormgeving een uitstraling samenhang. Woonwagenterrein Spankeren Hoofdaspecten: Bebouwing en omgeving Het karakter van het terrein dient gehandhaafd te blijven. Nieuwbouw dient aan te sluiten bij de bestaande bebouwing. Behouden en versterken van aanwezige eenheid binnen het deelgebied is het uitgangspunt bij ontwikkelingen en ingrepen. De eenheid komt onder andere tot uiting in kapvorm, gevelindeling, kleurgebruik en materiaalgebruik. Deelaspecten: Massa en vorm De woonwagens hebben een kap met een beperkte hellingshoek. Uitbreidingen van de woonwagen dienen ondergeschikt te zijn aan het hoofdgebouw. Een (in beeld) secundaire aan-of uitbouw (aan een bestaande aan- of uitbouw) is niet toegestaan. Aanbouwen vormgeven als deel van de bouwkundige eenheid en niet als een accent. Gevelcompositie Gevels die zijn gericht naar de openbare ruimte vertonen een open uitstraling. De compositie van gevelopeningen dient samenhang te vertonen. Detailaspecten: Materiaalgebruik, kleurgebruik en detaillering Materiaalgebruik is vrij, mits bij veroudering van het materiaal (bijvoorbeeld kleurvervaging) de beeldkwaliteit gehandhaafd blijft. Materiaal- en kleurkeuze voor gevels en daken is vrij. De mate van detaillering is beperkt. Criteria voor kleine bouwwerken Deze criteria zijn algemeen en niet gebiedsgebonden en staan in hoofdstuk 3.6 van dit document. Bijbehorende bouwwerken zoals erker, daktoevoegingen. Daktoevoegingen, dakkapellen, dakopbouwen en dakramen. Kozijnen en gevelwijzigingen. Zonwering. Rolluiken. Zonnepanelen en collectoren. Schuilgelegenheden (buiten bouwperceel) in het landelijk gebied. Erfafscheidingen. Reclame-uitingen. W9 Landelijk wonen In de landelijke woongebieden is een grote afwisseling in bebouwde en onbebouwde delen en is er een mening van agrarische en meer burgerlijke bebouwing. De agrarische oorsprong en de relatie van het dorp met zijn omgeving is hier goed voelbaar. Landelijk wonen Laag-Soeren Hoofdaspecten: Bebouwing en omgeving De afzonderlijke gebouwen vormen qua oriëntatie en massa een samenhangend ensemble. De (voormalige) boerderij manifesteert zich als hoofdgebouw. Deelaspecten: Massa en vorm Bouwmassa’s worden gekenmerkt door eenduidige rechthoekige basis en een enkelvoudige kapvorm met een steile dakhelling en lage gootlijn. Grotere bebouwingselementen voorzien van een geleding in massa, zodat zij qua schaal aansluiten bij de bestaande bebouwing. Gevelcompositie Gevels tonen steeds een eenvoudige ordening van gevelopeningen. Gevelopeningen hebben een verticaal karakter en variëren in maat en vorm, afhankelijk van het functionele karakter van de achterliggende ruimte. Bij splitsing van gebouwen blijven de oorspronkelijke cultuurhistorische kenmerken en de architectonische vormgeving behouden. Bij splitsing streven naar sanering van bedrijfsbebouwing, die uit oogpunt van landschap, cultuurhistorie of architectonische vormgeving als beeldverstorend wordt aangemerkt. Specifieke detaillering van gevelopeningen met grote zorgvuldigheid ontwerpen. Detailaspecten: Kleurgebruik en materiaalgebruik Het materiaal- en kleurgebruik voor de hoofdvlakken is ingehouden en afgestemd op het kleur- en materiaalbeeld van de oorspronkelijke bebouwing in de omgeving. In hoofdzaak bakstenen voor gevels en dakpannen en/of riet op daken toepassen. Glas, spiegelende oppervlakken, metaal en kunststof niet toepassen bij beplating van gevels. Kleine vlakken hebben een uitgesproken donkere of zeer lichte kleur, eveneens afgestemd op de kleurtoepassing in de omgeving. Detaillering Bij renovatie rekening houden met de kenmerkende ornamentiek als dak- en gevellijsten, siermetselwerk en gevelstenen. Specifieke detaillering van gevelopeningen met aandacht ontwerpen. Criteria voor kleine bouwwerken Inrichting erven vormgeving erfafscheidingen De verharding ten behoeve van de ontsluiting van bebouwing is tot een minimum beperkt. De overige niet gebiedsgebonden criteria staan in hoofdstuk 3.6 van dit document en gaan over: Bijbehorende bouwwerken zoals erker, daktoevoegingen. Daktoevoegingen, dakkapellen, dakopbouwen en dakramen. Kozijnen en gevelwijzigingen. Zonwering. Rolluiken. Zonnepanelen en collectoren. Schuilgelegenheden (buiten bouwperceel) in het landelijk gebied. Reclame-uitingen. 3.3 Instituten / maatschappelijke doeleinden De bebouwing onderscheidt zich door bouwhoogte, massa, geleding, situering en gebruik nadrukkelijk van de aangrenzende omgeving. Over het algemeen afgedekt met een plat dak. In deze nota onderverdeelt in hoogbouw (T1), Winkelcentrum (T2) en instituten/ maatschappelijke voorzieningen (T3). T1 Hoogbouw T2 Winkelcentrum T3 Instituten / maatschappelijke doeleinden T1 Hoogbouw De hoogbouw beperkt zich tot op heden tot de kern van Velp. Hoogbouw Velp Hoofdaspecten: Bebouwing en omgeving Bij nieuwbouw rekening houden met de gebiedskarakteristiek. Het bebouwingsbeeld wordt bepaald door een ritme of compositie van individuele bouwmassa’s. De positie en oriëntatie van de oorspronkelijke bebouwing zijn richtinggevend. Bestaande doorzichten handhaven. De beleving van onderlinge afstanden tussen de gebouwen is belangrijker dan de vorming van een wand. Deelaspecten: Massa en vorm De bestaande schaal van de bebouwing in de omgeving is het uitgangspunt bij uitbreiding en vervanging van de bebouwing. Het aantal bouwlagen en de dakvorm is afgestemd op de bouwhoogte en de bouwmassa van de belendende bebouwing. De hoofdvorm van de gebouwen is helder en eenduidig. Bijbehorende bouwwerken houden rekening met de herkenbaarheid van de hoofdbebouwing. Gevelcompositie Gevels die zijn gericht naar de openbare ruimte vertonen waar mogelijk een open uitstraling. Er dient aandacht te zijn voor de overhoekse uitstraling van gevels. Gevels tonen waar mogelijk een hiërarchische opbouw. De compositie van gevelopeningen vertonen samenhang. De stapeling van woonlagen is afleesbaar in de horizontale gevelgeleding. Gevels zijn uitgevoerd in een open puiconstructie of zijn gesloten. De verschillende hoofdfuncties zijn te onderscheiden door architectonische accenten en geledingen. Bij renovatie de oorspronkelijke gevelopbouw respecteren. Detailaspecten: Materiaalgebruik, kleurgebruik en detaillering Het materiaal- en kleurgebruik houdt rekening met de gebiedskarakteristiek. De kleuren van dakbedekking en gevels zijn per complex op elkaar afgestemd. De detaillering van gevels die zijn gericht naar de openbare ruimte krijgen een hoge mate van aandacht Bij verbouwing of renovatie is het oorspronkelijke materiaalgebruik uitgangspunt. Bij renovatie en nieuwbouw is de materiaalkeuze afgestemd op de materialen van de omringende bebouwing. Grote vlakken hebben een structuur of onderverdeling. Bij renovatie of nieuwbouw is de specifieke detaillering van gevelopeningen, puien, balkonhekken, deurluifels en dergelijke in de omgeving maatgevend. Criteria voor kleine bouwwerken: Deze criteria zijn algemeen en niet gebiedsgebonden en staan in hoofdstuk 3.6 van dit document. Bijbehorende bouwwerken zoals erker, daktoevoegingen. Daktoevoegingen, dakkapellen, dakopbouwen en dakramen. Kozijnen en gevelwijzigingen. Zonwering. Rolluiken. Zonnepanelen en collectoren. Schuilgelegenheden (buiten bouwperceel) in het landelijk gebied. Erfafscheidingen. Reclame-uitingen. T2 Winkelcentrum In de gemeente Rheden kennen we twee locaties waar er sprake is van een winkelcentrum. In Dieren, Calluna en in Velp, Velperbroek. Deze winkelcentra hebben ieder hun eigen karakter. In het winkelcentrum wordt gestreefd naar zoveel mogelijk samenhang in de ruimtelijke kwaliteit. Calluna Dieren Hoofdaspecten: Bebouwing en omgeving Bij nieuwbouw rekening houden met de gebiedskarakteristiek. De (winkel)gebouwen richten zich in hun situering en verschijningsvorm op de maat, de schaal en de structuur van de (stedelijke) omgeving. Bij nieuwbouw is de positie en de oriëntatie van de oorspronkelijke bebouwing richting- gevend. Het overwegend gesloten straatbeeld in stand houden. Hoofdgebouwen zijn georiënteerd op de straatzijde; bijbehorende bouwwerken zijn in vormgeving ondergeschikt aan het hoofdgebouw. Bij nieuwbouw staat de bebouwing in dezelfde rooilijn als de belendende bebouwing. Nieuwbouw sluit aan bij de ritmiek en de wijze van schakelen van de bestaande bebouwing in de omgeving. Het gaat om de stelselmatige toepassing van hoekoplossingen, knikken en verspringingen. De ritmiek, de schaal en de hoogte van de bebouwing is afgestemd op de omgeving. Publieke en representatieve functies zijn naar de verblijfsruimte en de toe leidende routes georiënteerd. Deelaspecten: Massa en vorm De bestaande schaal van de bebouwing in de omgeving is het uitgangspunt bij uitbreiding en vervanging van de bebouwing. De bouwmassa is afgestemd op de belendende bebouwing. De hoofdvorm van de gebouwen is eenduidig. Bijbehorende bouwwerken houden rekening met de herkenbaarheid van de hoofdbebouwing. Gevelcompositie Aandacht voor de overhoekse uitstraling van gevels. De compositie van gevelopeningen dient samenhang te vertonen. Bij verbouw en renovatie aansluiten bij de richting en de maatverhoudingen van de bestaande gevelopeningen. De geleding van de gevels is in maat en schaal afgestemd op die van de stedelijke omgeving. De maat en schaal van de gevelindeling respecteren. Onderverdieping(
  2. en)van gebouwen met een publieksfunctie hebben een open karakter en zijn georiënteerd op de openbare ruimte. De maatverhoudingen van bestaande gevelopeningen handhaven. Kopgevels die naar de openbare ruimte zijn gericht verkrijgen een duidelijke expressie. Detailaspecten: Materiaalgebruik, kleurgebruik en detaillering Bij materiaal- en kleurgebruik houden rekening met de gebiedskarakteristiek. Hoofdmaterialen in gedekte kleuren toepassen. In puien zijn vlakken met kleuraccenten van ondergeschikte omvang ten opzichte van de gehele pui. Bij renovatie en nieuwbouw is het oorspronkelijke kleurgebruik uitgangspunt. Grotere vlakken tonen geen sterke kleurcontrasten. Bij renovatie en nieuwbouw de materiaalkeuze afstemmen op die van de stedelijke omgeving. Kunststof, glas en spiegelende oppervlakken niet toepassen bij beplating van gevels. Grote vlakken hebben een structuur of onderverdeling. De detaillering is zorgvuldig en met aandacht voor de plasticiteit van de gevel uitgewerkt. Criteria voor kleine bouwwerken: Deze criteria zijn algemeen en niet gebiedsgebonden en staan in hoofdstuk 3.6 van dit document. Bijbehorende bouwwerken zoals erker, daktoevoegingen. Daktoevoegingen, dakkapellen, dakopbouwen en dakramen. Kozijnen en gevelwijzigingen. Zonwering. Rolluiken. Zonnepanelen en collectoren. Schuilgelegenheden (buiten bouwperceel) in het landelijk gebied. Erfafscheidingen. Reclame-uitingen. T3 Instituten/maatschappelijke voorzieningen Onder instituten en maatschappelijk voorzieningen worden bouwwerken verstaan van enige omvang. Deze bouwwerken dienen door de gebruiksfunctie een algemeen- of een groot groepsbelang. Voor de omgeving zijn deze voorzieningen van grote invloed op de ruimtelijke structuur en hebben een grote uitstraling naar de omgeving. Zorgvuldige inpassing is daarom belangrijk. Gemeentehuis De Steeg Hoofdaspecten: Bebouwing en omgeving Bij nieuwbouw rekening houden met de gebiedskarakteristiek. Voorop staat de individuele uitstraling van het hoofdgebouw, complex of instituut, inclusief de bijhorende bouwwerken. Dit houdt in: een eigen architectonische vormgeving met een representatieve uitstraling die recht doet aan het ruimtelijke en functionele belang van het gebouw. Waardevolle kenmerken van het deelgebied, zoals omschreven in de gebiedsbeschrijving en waardering, dienen waar mogelijk gehandhaafd te blijven dan wel te dienen als inspiratie. De indeling van het perceel en de hoofdopzet van de clustering afstemmen op de stedenbouwkundige karakteristiek van de locatie (hiërarchie, ontsluiting, zichtlijnen en dergelijke). Publieke en representatieve functies zijn naar de openbare weg georiënteerd. Speciale aandacht gaat uit naar de aansluiting van een gebouw (begane grond) op het maaiveld. Het bebouwingsbeeld wordt bepaald door een ritme of compositie van individuele bouw- massa’s. De beleving van onderlinge afstanden tussen de gebouwen is belangrijker dan de vorming van een wand. Deelaspecten: Massa en vorm Het gebouw (c.q. instituut of complex) is een individuele architectonische eenheid en staat op zichzelf. Het gaat om gebouwen met een eenduidige hoofdvorm, maar ook om gebouwen samengesteld uit meerdere volumes en/of gebouwen. Eenheid in vorm dient daarom gezocht te worden bij de hoofdmassa. Bijbehorende bouwwerken moeten in maatvoering en architectuur een logisch geheel vormen met de hoofdbebouwing. Gevelcompositie De compositie van gevelopeningen vertoont samenhang. De gevels, die zijn georiënteerd op de openbare weg ondersteunen de functie en het (representatieve / openbare) karakter van een gebouw. Voor bebouwing die is georiënteerd op de openbare weg staat de individuele herkenbaarheid van ieder afzonderlijk gebouw voorop. Uitbreidingen van gebouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw en zijn afgestemd op de vormgeving van de hoofdbebouwing. Technische installaties “mee-ontwerpen” in het totale ontwerp. De verschillende hoofdfuncties zijn te onderscheiden door architectonische accenten en geledingen. Renovatie en/of vervangende nieuwbouw respecteert de oorspronkelijke gevelopbouw. Bij splitsing van het pand blijft de oorspronkelijke gevelcompositie leidend. Detailaspecten: Materiaalgebruik, kleurgebruik en detaillering Bij materiaal- en kleurgebruik rekening houden met de gebiedskarakteristiek. De gebruikte materialen en kleuren dragen bij aan een oogwaardige, representatieve en duurzame architectonische uitstraling en de herkenbaarheid van de bebouwing. Bij aanpassingen is het oorspronkelijke materiaal- en kleurgebruik uitgangspunt. Gevels en stucwerk geschilderd in lichte kleur zijn toegestaan indien deze kenmerkend zijn voor de omgeving en in getemperd kleurniveau worden toegepast. Grote vlakken hebben een structuur of onderverdeling. Criteria voor kleine bouwwerken: Deze criteria zijn niet gebiedsgebonden en staan in hoofdstuk 3.6 van dit document. Bijbehorende bouwwerken zoals erker, daktoevoegingen. Daktoevoegingen, dakkapellen, dakopbouwen en dakramen. Kozijnen en gevelwijzigingen. Zonwering. Rolluiken. Zonnepanelen en collectoren. Schuilgelegenheden (buiten bouwperceel) in het landelijk gebied. Erfafscheidingen. Reclame-uitingen. 3.4 Bedrijventerreinen De meeste bedrijventerreinen in Dieren, Spankeren en Rheden hebben qua ligging een duidelijke relatie met de waterverbindingen van het Apeldoorns Kanaal en de IJssel. Ondanks dat het vervoer over het water sterk is afgenomen heeft de ontwikkeling van de bedrijvigheid zich in de kanaalzone doorgezet. Op de naoorlogse bedrijventerreinen is over het algemeen weinig aandacht geschonken aan de beeldkwaliteit van de bebouwing en omgeving. Sinds de jaren negentig wordt er sterker ingezet op een hogere beeldkwaliteit. B1 Bedrijventerreinen Bedrijventerrein De Beemd Velp Hoofdaspecten: Bebouwing en omgeving Bij nieuwbouw rekening houden met de gebiedskarakteristiek. De indeling van het perceel en de hoofdopzet van het bedrijfspand afstemmen op de stedenbouwkundige karakteristiek van locatie. Gebouwen staan geclusterd of in een onderlinge samenhang op het terrein geplaatst. Hoofdgebouwen staan aan de straatzijde in de rooilijn, Vrijstaande bijbehorende bouwwerken hebben een ondergeschikte positie ten opzichte van het hoofdgebouw. De bebouwing staat in dezelfde rooilijn als de belendende bebouwing. Bebouwing reageert met de ritmiek, de schaal en de hoogte op de bestaande bebouwing. Publieke en representatieve functies zijn naar de straatzijde georiënteerd. Deelaspecten: Massa en vorm De hoofdvorm van de gebouwen is eenduidig. De richting van de gebouwen volgt in hoofdzaak de richting van de straat. Bijbehorende bouwwerken zijn ondergeschikt aan en houden rekening met de herkenbaarheid van de hoofdbebouwing. Gevelcompositie Gevels die zijn gericht naar de openbare ruimte vertonen een open uitstraling. Er dient aandacht te zijn voor de overhoekse uitstraling van gevels. De compositie van gevelopeningen dient samenhang te vertonen. De verschillende hoofdfuncties zijn te onderscheiden door architectonische accenten en geledingen. Zeer grote lengtes van gebouwen zijn door architectonische middelen, doelmatig geleed. Detailaspecten: Materiaalgebruik, kleurgebruik en detaillering Het materiaal- en kleurgebruik houdt rekening met de gebiedskarakteristiek. Bij verbouwing is het oorspronkelijke materiaalgebruik uitgangspunt. Grote vlakken hebben een structuur of onderverdeling. De kleuren per gebouw dienen onderling te harmoniëren. Hoofdmaterialen zijn in gedekte kleuren toegepast. Grotere vlakken tonen geen sterke kleurcontrasten. Kozijnen, dakranden regenpijpen en dergelijke zijn op eenvoudige doch zorgvuldige wijze in de gevels geplaatst en gedetailleerd. De detaillering van gevels die zijn gericht naar de openbare ruimte krijgen een hoge mate van aandacht Criteria voor kleine bouwwerken: Deze criteria zijn niet gebiedsgebonden en staan in hoofdstuk 3.6 van dit document. Bijbehorende bouwwerken zoals erker, daktoevoegingen. Daktoevoegingen, dakkapellen, dakopbouwen en dakramen. Kozijnen en gevelwijzigingen. Zonwering. Rolluiken. Zonnepanelen en collectoren. Schuilgelegenheden (buiten bouwperceel) in het landelijk gebied. Erfafscheidingen. Reclame-uitingen. 3.5 Landelijk gebied Het landelijk gebied van de gemeente Rheden is gelegen op de overgang van het stuwwallencomplex naar de IJsselvallei en heeft daardoor een divers en afwisselend landschap. Van boven naar beneden treffen we achtereenvolgens bos- en heidegronden, enken, landgoederen, broekgronden en uiterwaarden aan. Per landschapstype zijn verschillende vormen van bebouwing aanwezig. Deze zijn in het verleden in de verschillende gebieden ontstaan waarbij de ligging verband hield met de functie van de bebouwing. Daarom wordt er voor het landelijk gebied gewerkt met een vijftal thema’s: G1 Parken, groengebieden en sportcomplexen, G2 Buitenplaatsen en landgoederen, G3 Boerenerven in het agrarische landelijk gebied, 4 Natuurgebieden (bebouwing in het bos)en G5 Recreatieparken en vakantiewoningen. Het Beeldkwaliteitplan landelijk gebied is geïntegreerd in de welstandsnota, voor zover het om bebouwing gaat. Voor alle overige ruimtelijke en landschappelijke aspecten en onderbouwing blijft het Beeldkwaliteitplan landelijk gebied Rheden het toetsingskader. Uitgangspunt bij zowel de welstandscriteria als het landschappelijke toetsingskader is: Het behouden en versterken van de landschappelijke kenmerken binnen de gemeente. Het verenigen van nieuwe ontwikkelingen en bestaande kwaliteiten op een landschappelijk verantwoorde manier, met als doel een meerwaarde te creëren. Bijzondere aandacht gaat uit naar de randen en overgangen in het gebied. Deze randen zijn in het landschap niet zo zichtbaar als op papier. En vragen daarom om maatwerk. G1 Parken, groengebieden en sportcomplexen G2 Buitenplaatsen en landgoederen G3 Boerenerven in het agrarische landelijk gebied G4 Natuurgebieden (bebouwing in het bos) G5 Recreatieparken en vakantiewoningen G1 Parken, groengebieden en sportcomplexen Sportpark Beekhuizen Velp Hoofdaspecten: Bebouwing en omgeving Het bebouwingsbeeld wordt bepaald door opzichzelfstaande gebouwen c.q. gebouwen- complexen. Bij nieuwbouw rekening houden met het algemene gebiedskarakter. De positie en oriëntatie van de oorspronkelijke bebouwing zijn richtinggevend. Bestaande doorzichten handhaven. De beleving van onderlinge afstanden tussen de gebouwen is belangrijker dan de vorming van een wand. Deelaspecten: Massa en vorm De bestaande schaal van de bebouwing in de omgeving is het uitgangspunt bij uitbreiding en vervanging van de bebouwing. Het aantal bouwlagen en de dakvorm is afgestemd op de bouwhoogte en de bouwmassa van de belendende bebouwing. De hoofdvorm van de gebouwen is eenduidig. Bijbehorende bouwwerken houden rekening met de herkenbaarheid van de hoofdbebouwing. Gevelcompositie De verschillende hoofdfuncties zijn te onderscheiden door architectonische accenten en geledingen. Renovatie en/of vervangende nieuwbouw respecteert de oorspronkelijke gevelopbouw. Eigentijdse interpretaties hebben daarbij de voorkeur (historiseren is toegestaan). Bij verbouw en renovatie aansluiten bij de richting en de maatverhoudingen van de bestaande gevelopeningen. Detailaspecten: Kleurgebruik Bij verbouwing of renovatie is het oorspronkelijke materiaal- en kleurgebruik uitgangspunt. Bij nieuwbouw bepalen aardkleuren het aanzicht van de hoofdvlakken. Materiaalgebruik Bij verbouwing is het oorspronkelijke materiaalgebruik uitgangspunt. Bij renovatie en nieuwbouw is de materiaalkeuze afgestemd op de materialen van de omringende bebouwing. Grote vlakken hebben een structuur of een onderverdeling. Glas, spiegelende oppervlakten, metaal en kunststof worden niet toegepast. Aanvullende criteria bij deelgebied 4 Veluwe Grote vlakken hebben structuur of onderverdeling. Gevels zijn opgetrokken uit baksteen en/of hout. Daken zijn afgedekt met dakpanen en/of riet. Bij geclusterde bebouwing zijn de materialen van gevels en daken op elkaar afgestemd. Detaillering De detaillering van gevels die zijn gericht naar de openbare ruimte krijgen een hoge mate van aandacht Bij renovatie of nieuwbouw is de specifieke detaillering van gevelopeningen, siermetselwerk, dakranden en dergelijke van het oorspronkelijke gebouw of gebouwencomplex maatgevend. De detaillering bij aanpassing, renovatie of nieuwbouw verkrijgt eenzelfde mate van aandacht en expressie als die in de omgeving. Gebiedspecifieke detaillering van gevelopeningen (bijvoorbeeld roedeverdeling) met aandacht ontwerpen. Criteria voor kleine bouwwerken: Inrichting erven vormgeving erfafscheidingen Wijzigingen in de inrichting dienen in overeenstemming te zijn met een goedgekeurd inrichtingsplan. Eventuele hekwerken zijn transparant, donker geschilderd en opgenomen in de groenvoorziening. De overige niet gebiedsgebonden criteria staan in hoofdstuk 3.6 van dit document en gaan over: Bijbehorende bouwwerken zoals erker, daktoevoegingen. Daktoevoegingen, dakkapellen, dakopbouwen en dakramen Kozijnen en gevelwijzigingen. Zonwering. Rolluiken. Zonnepanelen en collectoren. Schuilgelegenheden (buiten bouwperceel) in het landelijk gebied. Reclame-uitingen. G2 Buitenplaatsen en landgoederen Karakteristiek Het merendeel van de landgoederen en buitenplaatsen ligt in de Veluwerand. De landgoederen en buitenplaatsen kenmerken zich door een groot erf met een rijk gedetailleerd hoofdgebouw en meerdere Vrijstaande bijbehorende bouwwerken . De bijbehorende parken en tuinen sluiten aan op het landschap. Laanstructuren versterken het monumentale karakter van de landgoederen en buitenplaatsen. Aandachtspunten De landgoederen en hun erven en cultuurhistorische laanbeplanting bepalen voor een belangrijk deel het beeld van de gemeente. Het streven is deze beeldkwaliteit ook voor de toekomst te bewaren. Kasteel Biljoen nabij Velp Hoofdaspecten: Bebouwing en omgeving De aanwezige concentratie en hiërarchische groepering van gebouwen rond één hoofdgebouw handhaven. De afzonderlijke gebouwen vormen qua oriëntatie en massa een samenhangend ensemble. Het hoofdgebouw staat centraal in een landschappelijke compositie. Bedrijfsgebouwen en bijkomende objecten maken deel uit van deze compositie of zijn geïntegreerd in de bebouwing. Deelaspecten: Massa en vorm Bouwmassa’s zijn compact, opzichzelfstaand en worden in hun oorspronkelijke opzet en vormgeving gehandhaafd. Bij panden die een stedenbouwkundig geheel vormen, zijn de toevoegde bouwmassa’s en vormen per pand ondergeschikt aan de hoofdstructuur en de ritmiek van het geheel. De oorspronkelijke dakvorm handhaven. Gevelcompositie Bij renovatie of aanpassingen tonen gevels steeds de oorspronkelijke opbouw, geleding en ordening van gevelopeningen. Gevelopeningen hebben een verticaal karakter en variëren in maat en vorm afhankelijk van de compositie van het gevelbeeld. Bij nieuwbouw zijn de oorspronkelijke stijlkenmerken, de maatvoering en materialen uitgangspunt. Bij splitsing van gebouwen blijven de oorspronkelijke cultuurhistorische kenmerken en de architectonische vormgeving behouden. Detailaspecten: Kleurgebruik Bij verbouwing of renovatie wordt het oorspronkelijke kleurgebruik als uitgangspunt genomen dan wel teruggebracht. Grotere vlakken tonen geen sterke kleurcontrasten. Voor de hoofdmaterialen aardkleuren toepassen, in combinatie met donkere pannen. Kleine vlakken hebben een uitgesproken donkere of zeer lichte kleur, eveneens afgestemd op de oorspronkelijke kleurtoepassing. Materiaalgebruik Bij verbouwing of renovatie wordt het oorspronkelijke, meestal ambachtelijke, materiaal- gebruik als uitgangspunt genomen. Glas, spiegelende oppervlakken, metaal en kunststof niet toepassen bij de beplating van gevels. Detaillering Bij renovatie of verbouw wordt authentieke detaillering zoals overstekken, dak- en gevel- lijsten en siermetselwerk behouden. Bij nieuwbouw zijn de detaillering van de kap, de gevelopeningen, de toevoegingen, de ornamentiek en het metselwerk een zorgvuldige en respectvolle interpretatie van de oorspronkelijke vormgeving. De detaillering van bijbehorende bouwwerken is zorgvuldig afgestemd op die van het hoofdgebouw. Serres en erkers uitvoeren met eenzelfde aandacht voor detaillering als die voor het hoofdgebouw. Specifieke gevelbehandelingen, metselverbanden en voegwerk zijn in overeenstemming met de oorspronkelijke uitvoering. Voorzieningen voor paarden: Karakteristiek Het houden van paarden is in opkomst in het landelijk gebied. In het landschap wordt dat steeds sterker zichtbaar door hekwerken en afrasteringen van paardenweiden. Paardenbakken en longeerinrichtingen op de erven vragen ruimte. Door de benodigde verlichting zijn deze plekken ook in het donker zichtbaar. Overigens worden overdekte paardenbakken tot de stallen gerekend en dienen die te voldoen aan de daar gestelde richtlijnen. Aandachtspunten Voorzieningen voor het houden van paarden horen deel uit te maken van het boerenerf. Aansluiten bij de landschappelijke karakteristiek en het erf is uitgangspunt. Hoofdaspecten: Bebouwing en omgeving Voorzieningen zoals paardenbak/ longeerinrichting zo dicht mogelijk clusteren bij het hoofdgebouw en rond bestaande agrarische bedrijfsbebouwing. Deelaspecten: Massa en vorm Afrastering van paardenbakken/longeerinrichtingen in hout op erven bij voorkeur aangevuld met een haag van dezelfde hoogte als de afrastering. Afrastering van paardenweiden in de vorm van lintafrasteringen met een zo laag mogelijk houten ondersteuning. Kleur- en materiaalgebruik Houtenpalen in natuurlijke houtkleur. Lintafrastering in donkere kleurstelling. Kleurgebruik ingetogen, passend in het landschap. Inpassing paardenbak Criteria voor kleine bouwwerken: Verschillende landgoederen & buitenplaatsen kennen voor hun bebouwing of aanleg een door het rijk of gemeente aangewezen bescherming als monument of zijn gelegen in een rijksbeschermd dorpsgezicht. In deze gevallen en ook bij oudere landgoederen en buitenplaatsen is sprake van een bijzondere situatie en is de toetsing aan algemeen geldende criteria kleine bouwwerken niet gewenst. Kleine bijbehorende bouwwerken zullen steeds aan de Welstandscommissie worden voorgelegd en beoordeeld worden op basis van de hiervoor gestelde criteria. Inrichting erven vormgeving erfafscheidingen Het oorspronkelijke tuin- c.q. landschapsontwerp respecteren. Verharding voor verkeersdoeleinden tot een minimum beperken. Terreinafscheidingen bij voorkeur uitvoeren als hagen of heggen, al dan niet voorzien van open (en donker geschilderd) hekwerk. Gebouwde terreinafscheidingen, poortelementen, terrasmuren en dergelijke in samenhang met de architectuur en de hoofdmateriaalkeuze van het object vormgeven. G3 Boerenerven in het agrarisch landelijk gebied Karakteristiek Door verschillende ontwikkelingen in de agrarische sector zijn sommige boeren genoodzaakt hun bedrijf te beëindigen. Een mogelijke nieuwe invulling kan het oprichten van één of meerdere woningen zijn. Zo kan de karakteristiek van het boerenerf met meerdere gebouwen behouden blijven zonder dat verpaupering van ongebruikte opstallen ontstaat. Aandachtspunten De bouw van een woning op een erf zal zodanig moeten plaatsvinden dat dit een meerwaarde oplevert voor het boerenerf in zijn totaliteit. Niet-karakteristieke opstallen worden verwijderd, waar een woning voor in de plaats kan komen. Ook kunnen in het oude schuurgedeelte één of meer wooneenheden worden gerealiseerd. De aankleding en inrichting van het erf met karakteristieke beplanting is een aandachtspunt. Pachterboerderij in de Havikerwaard Hoofdaspecten: Bebouwing en omgeving Bij de groepering van gebouwen wordt ingespeeld op de karakteristieken van het aanwezige landschap. Hierbij wordt gelet op de volgende aspecten: landschapstype; schaal van het gebied; korrelgrootte van de bebouwing; verkavelingspatroon/erfinrichting; richtingen daarvan in het landschap; zicht op het bouwperceel vanuit de omgeving; hoogteverschillen en topografische beperkingen. De afzonderlijke gebouwen vormen qua oriëntatie en massa een samenhangend ensemble. De boerderij manifesteert zich als hoofdgebouw. Bedrijfsgebouwen en bijkomende objecten of bijbehorende bouwwerken worden, afhankelijk van de oorspronkelijke situatie, aan de weg geplaatst of teruggelegd ten opzichte van het woongedeelte of geïntegreerd in de bebouwing. Bij bedrijfbeëindiging en omvorming van een agrarische bestemming tot woonbestemming bebouwing clusteren tot grotere eenheden, waardoor de karakteristieke van woongebouwen met bedrijfsgebouwen behouden blijven. Deelaspecten: Massa en vorm Bouwmassa’s worden gekenmerkt door eenduidige rechthoekige basis en een enkelvoudige kapvorm met een steile dakhelling en lage gootlijn. Grotere bebouwingselementen voorzien van een geleding in massa, zodat zij qua schaal aansluiten bij de bestaande bebouwing. Aanvullende criteria bij deelgebied 2 Spankeren & Soerensche Broek Bouwmassa’s worden gekenmerkt door eenduidige rechthoekige basis en een kapvorm met een steile dakhelling en een lage gootlijn:T-huis type. Nieuwe bouwmassa sluiten qua maat en schaal aan op bestaande historische/ traditionele bebouwing in de omgeving. Aanvullende criteria welstandniveau 1 De kenmerkende ornamentiek als dak- en gevellijsten, siermetselwerk en gevelstenen blijven bij renovatie behouden. Gevelcompositie Gevels tonen steeds een eenvoudige ordening van gevelopeningen. Gevelopeningen hebben een verticaal karakter en variëren in maat en vorm, afhankelijk van het functionele karakter van de achterliggende ruimte. Bij splitsing van gebouwen blijven de oorspronkelijke cultuurhistorische kenmerken en de architectonische vormgeving behouden. Bij splitsing streven naar sanering van bedrijfsbebouwing, die uit oogpunt van landschap, cultuurhistorie of architectonische vormgeving als beeldverstorend wordt aangemerkt. Specifieke detaillering van gevelopeningen met grote zorgvuldigheid ontwerpen. Detailaspecten: Kleurgebruik en materiaalgebruik Het materiaal- en kleurgebruik voor de hoofdvlakken is ingehouden en afgestemd op het kleur- en materiaalbeeld van de oorspronkelijke bebouwing in de omgeving. In hoofdzaak bakstenen voor gevels en dakpannen en/of riet op daken toepassen. Glas, spiegelende oppervlakken, metaal en kunststof niet toepassen bij beplating van gevels. Kleine vlakken hebben een uitgesproken donkere of zeer lichte kleur, eveneens afgestemd op de kleurtoepassing in de omgeving. Detaillering Bij renovatie rekening houden met de kenmerkende ornamentiek als dak- en gevellijsten, siermetselwerk en gevelstenen. Specifieke detaillering van gevelopeningen met aandacht ontwerpen. Voorzieningen voor paarden Karakteristiek Het houden van paarden is in opkomst in het landelijk gebied. In het landschap wordt dat steeds sterker zichtbaar door hekwerken en afrasteringen van paardenweiden. Paardenbakken en longeerinrichtingen op de erven vragen ruimte. Door de benodigde verlichting zijn deze plekken ook in het donker zichtbaar. Overigens worden overdekte paardenbakken tot de stallen gerekend en dienen die te voldoen aan de daar gestelde richtlijnen. Aandachtspunten Voorzieningen voor het houden van paarden horen deel uit te maken van het boerenerf. Aansluiten bij de landschappelijke karakteristiek en het erf is uitgangspunt. Hoofdaspecten: Bebouwing en omgeving Voorzieningen zoals paardenbak/ longeerinirchting zo dicht mogelijk clusteren bij het hoofdgebouw en rond bestaande agrarische bedrijfsbebouwing. Deelaspecten: Massa en vorm Afrastering van paardenbakken/longeerinrichtingen in hout op erven bij voorkeur aangevuld met een haag van dezelfde hoogte als de afrastering. Afrastering van paardenweiden in de vorm van lintafrasteringen met een zo laag mogelijk houten ondersteuning. Kleur- en materiaalgebruik Houtenpalen in natuurlijke houtkleur. Lintafrastering in donkere kleurstelling. Kleurgebruik ingetogen, passend in het landschap. Silo’s Karakteristiek Silo’s horen bij de moderne bedrijfsvoering. Mestsilo’s, sleufsilo’s en voedersilo’s zijn niet weg te denken bij de hedendaagse boerderij. Door hun hoogte en aantal zijn ze vaak goed zichtbaar op het boerenerf. Aandachtspunten Om met de komst van een silo een meerwaarde te kunnen genereren, is een aanvullende versterking van de erfinrichting een belangrijk aandachtspunt. Door clustering en gedekt kleurgebruik worden de silo’s minder dominant in het beeld Hoofdaspecten: Bebouwing en omgeving De silo wordt achter de achtergevelrooilijn van het hoofdgebouw zijnde de woning geplaatst. Bij voorkeur plaatsing niet direct in het zicht vanaf de openbare weg. Silo’s worden geclusterd, tenzij wordt aangetoond dat dit om bedrijfstechnische redenen niet mogelijk is. In dat geval wordt gezocht naar een passend alternatief. Detailaspecten: Kleur- en materiaalgebruik Gedekt kleurgebruik, tenzij wordt aangetoond dat dit om bedrijfstechnische redenen niet mogelijk is. In dat geval wordt gezocht naar een passend alternatief. Criteria voor kleine bouwwerken: Inrichting erven vormgeving erfafscheidingen De verharding ten behoeve van de ontsluiting van bebouwing is tot een minimum beperkt. De overige niet gebiedsgebonden criteria staan in hoofdstuk 3.6 van dit document en gaan over: Bijbehorende bouwwerken zoals erker, daktoevoegingen. Daktoevoegingen, dakkapellen, dakopbouwen en dakramen. Kozijnen en gevelwijzigingen. Zonwering. Rolluiken. Zonnepanelen en collectoren. Schuilgelegenheden (buiten bouwperceel) in het landelijk gebied. Reclame-uitingen. G4 Natuurgebieden (bebouwing in het bos) Karakteristiek Het bebouwingsbeeld is divers en hangt samen met de functie van de bebouwing. In het algemeen gaat het om opzichzelfstaande bouwwerken die te maken hebben met het bosbeheer, zoals (schuil-)hutten, dierenverblijven, dienstwoningen en dergelijke. Horeca- en recreatiebedrijven bestaan meestal uit een ensemble van grotere en kleinere aan elkaar gekoppelde gebouwen Aandachtspunten De welstandstoetsing is vooral gericht op de inpassing van de bebouwing in het omringende landschap en op het behoud van de eigen identiteit van de afzonderlijke bouwwerken. Daarbij spelen vooral plaatsing, massa, keuze van materialen en kleuren en de aandacht voor de belangrijkste architectonische kenmerken van de bestaande bebouwing een belangrijke rol. Posbank Paviljoen, Rheden Hoofdaspecten: Bebouwing en omgeving Het bebouwingsbeeld wordt bepaald door vrij in de ruimte geplaatste gebouwen of een cluster van (individuele) bouwmassa’s. Bij nieuwbouw rekening houden met het algemene gebiedskarakter. De positie en oriëntatie van de oorspronkelijke bebouwing zijn richtinggevend. Bestaande doorzichten handhaven. De beleving van de landschappelijke ruimte rond de gebouwen of de cluster van gebouwen is essentieel. De positie van de bebouwing op het erf en de inpassing daarvan in het landschap is met zorg gekozen. Deelaspecten: Massa en vorm De bestaande schaal van de bebouwing is het uitgangspunt bij uitbreiding en vervanging van de bebouwing. De hoofdvorm van de gebouwen is eenduidig. Bij aanpassingen aan individuele woningen blijft de hoofdvorm herkenbaar. Aanvullende criteria welstandniveau 1 Bedrijfswoningen, behorende bij de commerciële en dienstverlenende functies, opnemen in de massa van de hoofdbebouwing. Gevelcompositie Renovatie en/of vervangende nieuwbouw respecteren de oorspronkelijke gevelopbouw. Aanvullende criteria welstandniveau 1 Bij splitsing van gebouwen blijft de architectonische eenheid van het oorspronkelijke pand behouden. Bij verbouw en renovatie aansluiten bij de richting en de maatverhoudingen van de bestaande gevelopeningen. Detailaspecten: Kleurgebruik en materiaalgebruik Bij verbouwing of renovatie is het oorspronkelijke materiaal- en kleurgebruik als uitgangspunt genomen. Bij nieuwbouw bepalen aardkleuren het aanzicht van de hoofdvlakken. Aanvullende criteria welstandniveau 1 Bij geclusterde bebouwing zijn de kleuren van gevels en daken op elkaar afgestemd. Bij verbouwing is het oorspronkelijke materiaalgebruik uitgangspunt. Bij renovatie en nieuwbouw is de materiaalkeuze afgestemd op de materialen van de oorspronkelijke bebouwing. Grote vlakken hebben een structuur of onderverdeling. Gevels zijn in hoofdzaak opgetrokken uit baksteen en/of hout; daken zijn afgedekt met dakpannen en/of riet. Bij geclusterde bebouwing zijn de materialen van gevels en daken op elkaar afgestemd. Glas, spiegelende oppervlakken, metaal en kunststof niet toepassen bij beplating van gevels. Aanvullende criteria welstandniveau 1 Grote vlakken hebben een structuur of een onderverdeling. Bij geclusterde bebouwing zijn de materialen van gevels en daken op elkaar afgestemd. Detaillering Bij renovatie of verbouw is de specifieke detaillering van dakranden, gevelopeningen, puien, balkonhekken, deurluifels en dergelijke van de oorspronkelijke bebouwing richting- gevend. De detaillering bij aanpassing, renovatie of nieuwbouw verkrijgt eenzelfde mate van aandacht en expressie als die van het oorspronkelijke gebouw. Geen reclame-uitingen bovenop het gebouw. Aanvullende criteria welstandniveau 1 De detaillering van gevels die zijn gericht naar de openbare ruimte krijgen een hoge mate van aandacht Bij renovatie of verbouw wordt de specifieke detaillering van dakranden, gevelopeningen, puien, balkonhekken, deurluifels en dergelijke van de oorspronkelijke bebouwing behouden. Criteria voor kleine bouwwerken Vormgeving erfafscheidingen Eventuele hekwerken hebben een open structuur, donker geschilderd en zijn opgenomen in de groenvoorziening. De overige niet gebiedsgebonden criteria staan in hoofdstuk 3.6 van dit document en gaan over: Bijbehorende bouwwerken zoals erker, daktoevoegingen. Daktoevoegingen, dakkapellen, dakopbouwen en dakramen Kozijnen en gevelwijzigingen. Zonwering. Rolluiken. Zonnepanelen en collectoren. Schuilgelegenheden (buiten bouwperceel) in het landelijk gebied. Reclame-uitingen. G5 Recreatieparken en vakantiewoningen Karakteristiek In het bosgebied zijn enkele campings en recreatiebungalowparken aangelegd De meeste bouwobjecten in het bosgebied zijn nauwelijks zichtbaar vanaf de openbare weg. Zij liggen verscholen tussen de beplanting en zijn vaak, ook door het reliëf in het terrein, aan de blik onttrokken. De bebouwing op de campings is doorgaans zeer eenvoudig en beperkt in omvang. Recreatiebungalowparken worden gekenmerkt door een repetitie van kleine chalets met eigen tuin, gesitueerd binnen een afgeschermd domein Recreatiewoning Rheden Hoofdaspecten: Bebouwing en omgeving De indeling van het perceel en de hoofdopzet van het hoofdgebouw afstemmen op de steden- bouwkundige en landschappelijke karakteristiek van de locatie (hiërarchie, ontsluiting, zichtlijnen en dergelijke). De hoofdbebouwing moet met de voorgevel gericht staan naar de ontsluitingsweg. Vrijstaande bijbehorende bouwwerken dienen een ondergeschikte positie ten opzichte van het hoofdgebouw te hebben. De bestaande rooilijn respecteren. Bij toevoegingen en aanbouwen dient de positie en de oriëntatie van de oorspronkelijke bebouwing richtinggevend te zijn. Bij nieuwbouw rekening houden met het algemene gebiedskarakter en landschapstype. Bestaande doorzichten handhaven. In het vakantiepark dienen de vakantiewoningen met een eigen entree en/of entreegebied georiënteerd te zijn op de wegenstructuur op het terrein. Deelaspecten: Massa en vorm Bij nieuwbouw dient de hoofdvorm eenduidig te zijn en bij aanpassingen van individuele panden dient de hoofdvorm duidelijk herkenbaar te blijven. Bij nieuwbouw rekening houden met de grootte van het bestaande complex als geheel en de maat van de bestaande gebouwen. Bij de richting van de gebouwen inspelen op de inrichting van het terrein. De bebouwing dient helder en compact van vorm te zijn; een optelling van verschillende volumes en elementen moet worden voorkomen. De vormgeving van het dak afstemmen op de stijl en karakter van het betreffende pand. Gevelcompositie Bij renovatie en/of vervangende nieuwbouw dient de oorspronkelijke gevelopbouw, ornamentiek gerespecteerd te worden. Detailaspecten: Kleurgebruik en materiaalgebruik Bij renovatie en/of verbouwing dient het oorspronkelijke materiaal- en kleurgebruik uitgangspunt te zijn. Bij nieuwbouw dienen de gevels in hoofdzaak uit (rode/bruinrode) baksteen en/of hout te bestaan. De daken van de hoofdbebouwing dienen bedekt te zijn met (gebakken) pannen. De hoofdkleurtoon en het overwegende materiaalgebruik afstemmen op de karakteristiek van het landschap, waarbij het gebruik van gedekte kleuren en natuurlijke materialen voorop staan. Hierbij dienen de kleuren van de dakbedekking en de gevels op elkaar afgestemd te zijn. Grote vlakken mogen geen sterke kleurcontrasten tonen. Glas, spiegelende oppervlakken, metaal en kunststof niet toepassen bij beplating van de gevels. Detaillering De detaillering van gevels die zijn gericht naar de openbare ruimte krijgen een hoge mate van aandacht Bij renovatie of verbouw is de specifieke detaillering van dakranden, gevelopeningen, puien, balkonhekken, deurluifels en dergelijke van de oorspronkelijke bebouwing maatgevend. De detaillering bij aanpassing, renovatie of nieuwbouw verkrijgt eenzelfde mate van aandacht en expressie als die van het oorspronkelijke gebouw. Criteria voor kleine bouwwerken: Vormgeving erfafscheidingen Eventuele hekwerken hebben een open structuur, zijn donker geschilderd en opgenomen in de natuurlijke beplanting. De overige niet gebiedsgebonden criteria staan in hoofdstuk 3.6 van dit document en gaan over: Bijbehorende bouwwerken zoals erker, daktoevoegingen. Daktoevoegingen, dakkapellen, dakopbouwen en dakramen Kozijnen en gevelwijzigingen. Zonwering. Rolluiken. Zonnepanelen en collectoren. Schuilgelegenheden (buiten bouwperceel) in het landelijk gebied. Reclame-uitingen. 3.6 Criteria voor kleine bouwwerken Deze criteria zijn bedoeld voor de meest voorkomende kleine bouwwwerken, als bedoelt in het Besluit Omgevingsrecht (Bor). Voor zover deze typen bouwwerken omgevingsvergunningplichtig zijn, zijn hiervoor in deze nota toetsingscriteria opgenomen. Indien een klein bouwwerk vergunningvrij is (zie www.omgevingsloket.nl ), gelden de criteria als aanbeveling en ter inspiratie. De criteria hebben als doel de initiatiefnemer verder te helpen. Ze kunnen een bouwplan een toegevoegde waarde geven, op zichzelf en voor de omgeving, in het belang van het individu en de samenleving. Onder kleine bouwwerken wordt verstaan: Bijbehorende bouwwerken Aan de voorkant Aan de achterkant Daktoevoegingen Dakkapellen grenzend aan de voorkant Dakkapellen grenzend aan de achterkant Dakopbouwen Dakramen Kozijn- en gevelwijzigingen Zonwering Rolluiken Zonnepanelen en zonnecollectoren Schuilgelegenheden (buiten bouwperceel) in het landelijk gebied Erfafscheidingen Reclame-uitingen bij monumenten en beeldbepalende bebouwing in woongebieden bij bedrijfsbebouwing gelegen in een woongebied in winkelgebied op bedrijfsterreinen op sportterreinen in het andelijk gebied Vlaggenmasten Relatie criteria kleine bouwwerken en gebiedscriteria Kleine bouwwerken worden in beginsel enkel getoetst aan de criteria voor kleine bouwwerken. Bij de beoordeling wordt geen relatie gelegd met de gebiedscriteria voor het gebied waarin het te beoordelen plan zich bevindt, uitgaande van het principe dat kleine bouwwerken te allen tijde een ondergeschikt karakter hebben. Een uitzondering zijn woongebieden waar specifiek beleid is ontwikkeld. Wanneer er aanvullende criteria zijn staan deze vermeld bij de aanvullende criteria per gebied. Verschillende landgoederen & buitenplaatsen kennen voor hun bebouwing of aanleg een door het rijk of gemeente aangewezen bescherming als monument of zijn gelegen in een rijksbeschermd dorpsgezicht. In deze gevallen en ook bij oudere landgoederen en buitenplaatsen (G2 Buitenplaatsen en landgoederen) is sprake van een bijzondere situatie en is de toetsing aan algemeen geldende criteria kleine bouwwerken niet gewenst. Kleine bijbehorende bouwwerken zullen steeds aan de Welstandscommissie worden voorgelegd en beoordeeld worden op basis van de hiervoor gestelde criteria. Trendzetters Een trendzetter is een ontwerp van een klein bouwwerk dat voldoet aan het welstandsbeleid en daarmee is afgestemd op het hoofdgebouw. Ruimtelijk wordt er gestreefd naar samenhang en rust in het bebouwingsbeeld van de straat/wijk. Het streven is daarom om kleine bouwwerken zoals dakkapellen op elkaar af te stemmen. Daarom zal bij beoordeling van een bouwplan voor een klein bouwwerk gekeken worden of er al een trendzetter in de straat/wijk voorkomen. Deze zijn dan het uitgangspunt bij de toetsing. Wanneer een bouwplan qua situering en vormgeving gelijk is aan een trendzetter, wordt een positief welstandsadvies afgegeven. Een afwijkende vormgeving wordt zeker niet uitgesloten, echter zullen er hoge eisen gesteld aan het architectonische ontwerp ten opzichte van de trendzetter. Systematiek Bij de opzet van de welstandscriteria is onderscheid gemaakt tussen de voor- en achterkant. De voorkant is de voorgevel, de zijgevel en het dakvlak, grenzend aan openbaar gebied. De achterkant betreft de achtergevel, de zijgevel en het dakvlak voor zover niet aan openbaar gebied grenzend. Schema voor- en achterkant Algemene uitgangspunten kleine bouwwerken: Ontwerp afstemmen op hoofdgebouw, architectuur hoofdgebouw is richtinggevend. Bebouwing moet een samenhangend geheel vormen. Bijbehorende bouwwerken Bijbehorende bouwwerken aan de voorkant Algemene uitgangspunten: Positionering, maatvoering, verschijningsvorm, materiaal, kleur en detaillering Ondergeschikt in het gevelbeeld. Afgestemd op de architectuur van het hoofdgebouw. Afgestemd op bestaande bijbehorende bouwwerken bij de woning of in het bouwblok. Géén serres maar erkers. Er is sprake van oriëntatie op het openbare gebied. Aanvullende G3 Boerenerven in het agrarisch landelijk gebied Geen bijbehorende bouwwerken aan kopgevels van historische/traditionele boerderijen. Specifieke uitgangspunten: Positionering In overeenstemming met bestaand raamkozijn in de voorgevel en/of uitgelijnd met gevelkozijnen. “Vrijgelegen” binnen het gevelvlak. Maatvoering Bescheiden en afgestemd op de maat en schaal van de gevelelementen. Verschijningsvorm Een rechthoekige plattegrond afgedekt met een platdak. Gevelbeelden afgestemd op bestaand en gerelateerd aan de (ondergeschikte) functie. Gevelgeleding afgestemd op gevelgeleding van het hoofdgebouw. Hoogte boeiboord afgestemd op de detaillering van het hoofdgebouw. Zijgevels van de erker voorzien van raamopeningen. Kozijnindeling afgestemd op de indeling van gevelkozijnen. Aanvullende criteria W1 Parkachtig woongebied vrijstaande bijbehorende bouwwerken zijn in hoofdvorm en kap afgestemd op het hoofdgebouw. Bij entreeportalen is een schuin dak mogelijk indien uitgevoerd conform de kap op de woning. Aanvullende criteria W1 Parkachtig woongebieden vrijstaande bijbehorende bouwwerken zijn in hoofdvorm en kap afgestemd op het hoofdgebouw Aanvullende criteria W2 Tuindorpen en tuinwijken Bijbehorende bouwwerken op straathoeken zo veel mogelijk afdekken met een kap in dezelfde helling als de hoofdmassa Bij entreeportalen is een schuin dak mogelijk indien uitgevoerd conform de kap op de woning. Aanvullende criteria W3 Traditionele woningbouw in blokverkaveling Bijbehorende bouwwerken op straathoeken zo veel mogelijk afdekken met een kap in dezelfde helling als de hoofdmassa. Bij entreeportalen is een schuin dak mogelijk indien uitgevoerd conform de kap op de woning. Aanvullende criteria W4 Nieuwe Bouwen Bij entreeportalen is een schuin dak mogelijk indien uitgevoerd conform de kap op de woning. Aanvullende criteria W5 Forumbeweging Afhankelijk van de architectuur van het pand het bijbehorende bouwwerk voorzien van een hellend dak of plat afgedekt. Bij entreeportalen is een schuin dak mogelijk indien uitgevoerd conform de kap op de woning. Toevoeging als erkers en dergelijke zijn afgestemd zijn op het specifieke architectonische karakter van de bebouwing. Aanvullende criteria W6 Thematische inbreidingen Afhankelijk van de architectuur van het pand wordt het bijbehorende bouwwerk voorzien van een hellend dak of plat afgedekt. Bij entreeportalen is een schuin dak mogelijk indien uitgevoerd conform de kap op de woning. Bijbehorende bouwwerken op straathoeken zo veel mogelijk afdekken met een kap in dezelfde helling als de hoofdmassa. Aanvullende criteria W7 Individuele woningbouw Vrijstaande bijbehorende bouwwerken zijn in hoofdvorm en kap afgestemd op het hoofdgebouw. Gevelcompositie Aanvullende criteria W8 Woonwagenterreinen Uitbreidingen van de woonwagen dienen ondergeschikt te zijn aan het massa van het hoofdgebouw. Een (in beeld) secundaire aan- of uitbouw (aan een bestaande aan- of uitbouw) is niet toegestaan. Aanbouwen vormgeven als deel van de bouwkundige eenheid en niet als een accent. Aanvullende criteria G3 Boerenerven in het agrarisch landelijk gebied Aan- en uitbouwen tegen langsgevels van historische/traditionele boerderijen voorzien van een hellend dak of zadelkap, in een helling die aansluit bij die van de hoofdmassa. - Plaats en verschijning van bouwwerken zijn onderling en in de inrichting van het erf op elkaar zijn afgestemd. De overige bebouwing en toevoegde erkers, dakkapellen etc. blijven qua verschijningsvorm ondergeschikt aan hoofdgebouw. Aanvullende criteria G4 Natuurgebieden (bebouwing in het bos) Bijbehorende bouwwerken zijn in verschijningsvorm ondergeschikt aan het hoofdgebouw. vrijstaande bijbehorende bouwwerken zijn in hoofdvorm en kap afgestemd op die van het hoofdgebouw. Bij entreeportalen is een schuin dak mogelijk indien uitgevoerd conform de kap op de woning. Materiaal, kleur en detaillering Gerelateerd aan de bestaande bebouwing en bijdragend aan het gewenste ondergeschikte karakter ten opzichte van het hoofdgebouw. Aanvullende criteria W1 Parkachtig woongebied Materialisatie bijbehorende bouwwerken conform materialisatie woning uitvoeren. Serres en erkers met eenzelfde aandacht voor detaillering als die voor het hoofdgebouw uitvoeren. Aanvullende criteria G3 Boerenerven in het agrarisch landelijk gebied Materialen, kleuren en detaillering zijn conform die van het hoofdgebouw. Aanvullende criteria welstandniveau 1 Bij bijbehorende bouwwerken heeft een eenvoudige interpretatie van de specifieke historische detaillering en ornamentiek de voorkeur. Bijbehorende bouwwerken aan de achterkant Algemene uitgangspunten: Positionering, maatvoering, verschijningsvorm, materiaal, kleur en detaillering Ondergeschikt aan het hoofdgebouw. Afgestemd op het hoofdgebouw. Afgestemd op het tuinkarakter en/of bestaande bijbehorende bouwwerken in de omgeving. Specifieke uitgangspunten: Positionering Duidelijk teruggelegen ten opzichte van de voorgevelrooilijn van de hoofdbouw. Maatvoering Hoogte boeiboord bescheiden en afgestemd op het hoofdgebouw. Duidelijk ondergeschikt en gerelateerd aan de maat en schaal van het hoofdgebouw. Verschijningsvorm Eenvoudig, passend bij de ondergeschikte functie. Platdak of een kap die afgestemd is op die van het hoofdgebouw. Aanvullende criteria W1 Parkachtig woongebied Vrijstaande bijbehorende bouwwerken zijn in hoofdvorm en kap afgestemd op het hoofdgebouw. Aanvullende criteria W1 Parkachtig woongebieden Vrijstaande bijbehorende bouwwerken zijn in hoofdvorm en kap afgestemd op het hoofdgebouw Aanvullende criteria W2 Tuindorpen en tuinwijken Bijbehorende bouwwerken op straathoeken zo veel mogelijk afdekken met een kap in dezelfde helling als de hoofdmassa Aanvullende criteria W3 Traditionele woningbouw in blokverkaveling Bijbehorende bouwwerken op straathoeken zo veel mogelijk afdekken met een kap in dezelfde helling als de hoofdmassa. Aanvullende criteria W4 Nieuwe Bouwen Bij entreeportalen is een schuin dak mogelijk indien uitgevoerd conform de kap op de woning. Aanvullende criteria W5 Forumbeweging Afhankelijk van de architectuur van het pand het bijbehorende bouwwerk voorzien van een hellend dak of plat afgedekt. Toevoeging als erkers en dergelijke zijn afgestemd zijn op het specifieke architectonische karakter van de bebouwing. Aanvullende criteria W6 Thematische inbreidingen Afhankelijk van de architectuur van het pand wordt het bijbehorende bouwwerk voorzien van een hellend dak of plat afgedekt. Bijbehorende bouwwerken op straathoeken zo veel mogelijk afdekken met een kap in dezelfde helling als de hoofdmassa. Aanvullende criteria W8 Woonwagenterreinen Uitbreidingen van de woonwagen dienen ondergeschikt te zijn aan het hoofdgebouw. Een (in beeld) secundaire aan- of uitbouw (aan een bestaande aan- of uitbouw) is niet toegestaan. Aanbouwen vormgeven als deel van de bouwkundige eenheid en niet als een accent. Aanvullende criteria G3 Boerenerven in het agrarisch landelijk gebied Aan- en uitbouwen tegen langsgevels van historische/traditionele boerderijen voorzien van een hellend dak of zadelkap, in een helling die aansluit bij die van de hoofdmassa. Plaats en verschijning van bouwwerken zijn onderling en in de inrichting van het erf op elkaar zijn afgestemd. De overige bebouwing en toevoegde erkers, dakkapellen etc. blijven ondergeschikt aan het hoofdgebouw. Vrijstaande bijbehorende bouwwerken en overkappingen bij elkaar plaatsen op het bedrijfsachtererf, in samenhang met de overige bebouwing. Vrijstaande bijbehorende bouwwerken en overkappingen zijn enkelvoudig en rechthoekig van vorm en voorzien van een zadelkap (>25°) en hebben een zo laag mogelijke gootlijn. Aanvullende criteria G4 Natuurgebieden (bebouwing in het bos) Bijbehorende bouwwerken zijn in verschijningsvorm ondergeschikt aan het hoofdgebouw. Vrijstaande bijbehorende bouwwerken zijn in hoofdvorm en kap afgestemd op die van het hoofdgebouw. Bij entreeportalen is een schuin dak mogelijk indien uitgevoerd conform de kap op de woning. Materiaal, kleur en detaillering Afgestemd op de bestaande bebouwing of het tuinkarakter en bijdragend aan het gewenste ondergeschikte karakter ten opzichte van het hoofdgebouw. Aanvullende criteria G3 Boerenerven in het agrarisch landelijk gebied Materialen, kleuren en detaillering zijn conform die van het hoofdgebouw. Aanvullende criteria welstandniveau 1 Bij bijbehorende bouwwerken heeft een eenvoudige interpretatie van de specifieke historische detaillering en ornamentiek de voorkeur. Daktoevoegingen Onder daktoevoegingen wordt verstaan dakkapellen, dakopbouwen en dakramen. Dakkapellen grenzend aan de voorkant Algemene uitgangspunten: Positionering, maatvoering, verschijningsvorm, materiaal, kleur en detaillering In positionering, maatvoering, verschijningsvorm, materiaal, kleur en detaillering ondergeschikt aan het dakvlak. Afgestemd op de architectuur. Afgestemd op bestaande dakkapellen op de woning of op het bouwblok. Specifieke uitgangpunten: Positionering In het onderste helft van het dakvlak. Rekening houden met gevelkozijnen. Géén dakkapellen boven elkaar. Maatvoering Bescheiden en afgestemd op de maat en schaal van gevelelementen. Rondom de dakkapel resteert (ruim) dakvlak aanbeveling: minimaal 50cm. Hoogte boeiboord afgestemd op de detaillering van het hoofdgebouw. Aanbeveling fronthoogte (kozijn- met dakrandhoogte): maximaal 1,75 m. Verschijningsvorm Voorzijde grotendeels gevuld met glas. Alleen in ondergeschikte mate tussen de glasvlakken beperkte toepassing van dichte panelen. Kozijnindeling afgestemd op de indeling van gevelkozijnen. Aanvullende criteria W5 Forumbeweging Dakkapellen zijn afgestemd zijn op het specifieke architectonische karakter van de bebouwing. Aanvullende criteria G3 Boerenerven in het agrarisch landelijk gebied Dakkapellen uitsluitend toepassen boven het oorspronkelijke woongedeelte. Op wolfseinden geen dakkapellen plaatsen. Dakkapellen zijn in beginsel plat afgedekt. Dakkapellen niet boven elkaar plaatsen. Op bijbehorende bouwwerken geen dakkapellen plaatsen. Materiaal, kleur en detaillering Afgestemd op bestaande bebouwing en bijdragend aan het gewenste ondergeschikte karakter ten opzichte van het hoofdgebouw. Dakkapellen grenzend aan de achterkant Algemene uitgangspunten: Positionering, maatvoering, verschijningsvorm, materiaal, kleur en detaillering In positionering, maatvoering, verschijningsvorm, materiaal, kleur en ondergeschikt in het dakvlak. Afgestemd op de architectuur. Afgestemd op bestaande dakkapellen op de woning of op het bouwblok. Specifieke uitgangpunten: Positionering In het onderste helft van het dakvlak Rekening houden met gevelkozijnen. Géén dakkapellen boven elkaar. Maatvoering Bescheiden en afgestemd op de maat en schaal van gevelelementen. Rondom de dakkapel resteert (ruim) dakvlak, aanbeveling: minimaal 50cm. Hoogte boeiboord afgestemd op de detaillering van het hoofdgebouw. Aanbeveling fronthoogte (kozijn- met dakrandhoogte): maximaal 1,75 m. Richtlijn breedte: maximaal de breedte van het dakvlak minus de vereiste wettelijke randafstanden. Aanvullende criteria welstandsniveau 2 en 3 Dakkapellen mogen vanuit de nok worden geplaatst wanneer hoogte dak en dakhelling een ander positionering niet mogelijk maak. Verschijningsvorm Voorzijde grotendeels gevuld met glas. Alleen in ondergeschikte mate tussen de glasvlakken beperkte toepassing van dichte panelen. Kozijnindeling afgestemd op de indeling van gevelkozijnen. Aanvullende criteria W5 Forumbeweging Dakkapellen zijn afgestemd zijn op het specifieke architectonische karakter van de bebouwing. Aanvullende criteria G3 Boerenerven in het agrarisch landelijk gebied Dakkapellen uitsluitend toepassen boven het oorspronkelijke woongedeelte. Op wolfseinden geen dakkapellen plaatsen. Dakkapellen zijn in beginsel plat afgedekt. Dakkapellen niet boven elkaar plaatsen. Op bijbehorende bouwwerken geen dakkapellen plaatsen. Materiaal, kleur en detaillering Afgestemd op bestaande bebouwing en bijdragend aan het gewenste ondergeschikte karakter van de daktoevoeging. Dakopbouwen grenzend aan de achterkant Dakopbouwen grenzend aan de achterkant worden toegestaan in woongebieden met een welstandsniveau 2 en 3. Algemene uitgangspunten: Positionering, maatvoering, verschijningsvorm, materiaal, kleur en detaillering Ee

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.