Deze wet regelt het beheer van grond en gerijpte baggerspecie in de gemeenten Buren, Culemborg, Maasdriel, Neder-Betuwe, Tiel, West Betuwe, West Maas en Waal en Zaltbommel, met als doel hergebruik te stimuleren en verontreiniging te voorkomen.
figuur 1.1; en als niet specifiek benoemd hierna aangeduid als ‘de gemeenten’) hebben de wens het grondstromenbeleid verder op elkaar af te stemmen en grondverzet tussen de gemeenten te optimaliseren. De gemeenten streven ook naar een zo optimaal en duurzaam mogelijke hergebruik van (licht verontreinigde) grond en gerijpte baggerspecie, zodat het nuttig en milieuhygiënisch verantwoord hergebruik hiervan mogelijk wordt gemaakt. Ook willen de gemeenten zoveel als mogelijk onderhoudsbaggerspecie binnen de gemeentelijke grondgebieden kunnen verspreiden. Om dit te realiseren hebben de gemeenten de eerder bestuurlijk vastgestelde gemeentelijke bodemfunctieklassenkaarten en bodemkwaliteitskaarten van de gemeente Neder-Betuwe, de gemeente West Maas en Waal en de andere gemeenten[1] geïntegreerd en geactualiseerd in een nieuwe gezamenlijke bodemkwaliteitskaart[2]. Ook zijn de eerder opgestelde nota’s bodembeheer van de gemeente Neder-Betuwe, de gemeente West Maas en Waal en de andere gemeenten[3] geïntegreerd en geactualiseerd met deze nieuwe gezamenlijke nota bodembeheer. De wens voor gezamenlijk grondstromenbeleid valt samen met het gegeven dat in de nota’s bodembeheer en in de Regeling bodemkwaliteit[4] (artikel 4.3.5) een actualisatiemoment is opgenomen van de bodemkwaliteitskaarten. Dat moment is 5 jaar na bestuurlijke vaststelling. Ook is op 8 juli 2019 is een tijdelijk handelingskader in werking getreden voor hergebruik van PFAS2 Poly- en perfluoralkylverbindingen, PFAS, zijn stoffen die al decennia worden gebruikt in industriële en andere processen en in vele producten. Ze worden toegepast in allerlei alledaagse toepassingen zoals verf, blusschuim, pannen, kleding en cosmetica. Kenmerkend voor deze stoffen is dat ze persistent, mobiel en nauwelijks biologisch afbreekbaar zijn. Bovendien is van verschillende PFAS-verbindingen aangetoond dat ze toxisch zijn. -houdende grond en baggerspecie[5]. De initiatiefnemers van grondverzet moeten de kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen inzichtelijk maken in te verzetten grond en baggerspecie, die op of in de landbodem of in het oppervlaktewater wordt toegepast. In het tijdelijk handelingskader zijn voorlopige landelijke achtergrondwaarden voor PFAS-gehalten gedefinieerd, evenals voorlopige toepassingswaarden in verschillende toepassingssituaties. De geactualiseerd nieuwe gezamenlijke bodemkwaliteitskaart is ook opgesteld voor PFAS-verbindingen[2]. Figuur 1.1 De gemeenten: Buren, Culemborg, Maasdriel, Neder-Betuwe, Tiel, West Betuwe, West Maas en Waal en Zaltbommel. Bij allerlei graafwerkzaamheden en bewerkingen van de (water)bodem komt grond en baggerspecie vrij. Het tijdelijk opslaan en het hergebruik of toepassen van grond en gerijpte baggerspecie valt onder het Besluit bodemkwaliteit[6] en de Regeling bodemkwaliteit (hierna aangeduid als 'het Besluit' en 'de Regeling'). Vanuit andere wet- en regelgeving kunnen bij grondverzet (ontgraven en toepassen van grond) nog aanvullende voorwaarden worden gesteld (bijvoorbeeld de Arbeidsomstandighedenwet en de provinciale omgevingsverordening). Het grondstromenbeleid moet praktisch uitvoerbaar, milieuhygiënisch verantwoord en transparant zijn. Hiermee wordt vorm gegeven aan het milieuvriendelijk en verantwoord hergebruik, toepassing en tijdelijke opslag van grond en gerijpte baggerspecie in de gemeenten. Er zijn vier motieven voor het milieuvriendelijk en verantwoord grondstromenbeleid: Een ‘standstill’ voor de bodemkwaliteit op het niveau van het bodembeheergebied. De kwaliteit van de bodem moet binnen het bodembeheergebied gelijk blijven en op termijn verbeteren. Beperking van het gebruik en aankoop van primaire en secundaire grondstoffen (aanvoer en gebruik van zand uit zandwinputten of grond van een grondbank). Kostenbesparing (minder onderzoekskosten bij grondverzet en verwerkingskosten bij vrijkomende grond). Minder grondtransportbewegingen en energiebesparing (minder druk op het wegennet, minder uitstoot van fijnstof en CO2 en minder grondverwerking). Deze gezamenlijke nota bodembeheer geeft aan hoe vrijgekomen grond en gerijpte baggerspecie (hierna tezamen aangeduid als 'grond') op en in de landbodem van de gemeenten kan en mag worden opgeslagen (tijdelijk), hergebruikt of toegepast. De bodemfunctieklassen- en bodemkwaliteitskaart zijn de instrumenten voor dit milieuvriendelijke grondstromenbeleid. Op de gezamenlijke bodemfunctieklassenkaart zijn de functies ‘Industrie’, ‘Wonen’ en ‘Overig’ (meestal landbouw en natuur) weergegeven. De gezamenlijke bodemkwaliteitskaart geeft de te verwachten gemiddelde chemische bodemkwaliteit aan voor locaties. De gemeenten hebben binnen de mogelijkheden van het Besluit, gebiedsspecifiek beleid opgesteld. Bij het gebiedsspecifiek beleid is een afweging gemaakt tussen enerzijds de risico’s voor bodemverontreiniging en behoud van de bestaande bodemkwaliteit en anderzijds de mogelijkheden voor hergebruik of toepassing van grond binnen de gemeenten. Deze nota bodembeheer is bedoeld voor professionele partijen. De kaarten en de nota bodembeheer zijn niet afzonderlijk van elkaar te gebruiken. Met deze gezamenlijke nota bodembeheer en de nieuwe gezamenlijke bodemkwaliteitskaart zijn de eerder bestuurlijk vastgestelde nota’s bodembeheer, en de onderliggende bodemkwaliteitskaarten vervangen. 1.2Afbakening nota bodembeheer 1.2.1Bevoegd gezag In de meeste situaties is bij het toepassen van grond op of in de landbodem, de activiteit bouwen en de activiteit ruimtelijke planvorming de gemeente voor haar eigen grondgebied het bevoegd gezag. Binnen inrichtingen die onder het Activiteitenbesluit[7] vallen, is hiervoor de behandelende overheid het bevoegd gezag. Voor toepassingen op of in de waterbodem en in een oppervlaktewaterlichaam is de waterkwaliteitsbeheerder bevoegd gezag. Binnendijks is dat voor de gemeenten het Waterschap Rivierenland. Buitendijks (uiterwaarden en bergingsgebieden van grote rivieren) is dat Rijkswaterstaat. Op een saneringslocatie is de Wet bodembescherming[8] bepalend. Voor de gemeenten is in de meeste situaties de provincie Gelderland (na inwerkingtreding van de Omgevingswet de betreffende gemeente) bevoegd gezag. Bij een nieuwe verontreiniging (veroorzaakt op of na 1 januari 1987) binnen een omgevingsvergunningplichtige inrichting, toetst de vergunningverlener Wet algemene bepalingen omgevingsrecht[9] van de desbetreffende inrichting of zijzelf dan wel de provincie Gelderland als het bevoegd gezag optreedt. Bij een nieuwe verontreiniging (veroorzaakt op of na 1 januari 1987) buiten een omgevingsvergunningplichtige inrichting is de betreffende gemeente bevoegd gezag. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet kunnen voor grondwatersaneringen, afhankelijk van de situatie, de provincie of de gemeente bevoegd gezag zijn. Voor de activiteit bouwen en de activiteit ruimtelijke planvorming binnen de (toekomstige) Omgevingswet, de Wet ruimtelijke ordening[10] en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is de gemeente voor haar eigen grondgebied het bevoegd gezag. Voor de gemeenten wordt bij besluiten die het watersysteem raken, maar waar de gemeente het bevoegd gezag is, per situatie de bodemproblematiek afgestemd met het bevoegd gezag Waterwet[11]. Alleen op deze manier wordt bereikt dat de eisen die de gemeente stelt, aansluiten op de wensen/eisen die de waterbeheerder heeft ten aanzien van het watersysteem. 1.2.2Reikwijdte Deze nota bodembeheer heeft betrekking op: Het toepassen en het tijdelijk opslaan van grond op of in de landbodem op het grondgebied van de gemeenten. Het gebruik van de bodemkwaliteitskaarten bij de aanpak van bodemverontreiniging. Het gebruik van de bodemkwaliteitskaarten bij omgevingsvergunningsaanvragen (activiteit bouw en activiteit ruimtelijke planvorming). Beoordelingen op grond van het bodembeleid vinden plaats bij nieuwe ontwikkelingen (dynamische situaties, zoals grondverzet, bouw en/of bestemmingswijzigingen). Toepassen en het tijdelijk opslaan van grond op of in de landbodem Voor alle toepassingen van grond geldt dat deze functioneel en nuttig moeten zijn (
artikel 35 van het Besluit en de toelichting in § 2.1.1 van bijlage 2). Als dat niet zo is, wordt de toe te passen/toegepaste grond als afvalstof gezien. Dit geldt óók voor schone grond. Een voorbeeld hiervan is het creëren van overhoogte op een geluidswal zonder dat dit vanuit geluidswering noodzakelijk is. Voor het ontgraven en tijdelijk opslaan van grond in het kader van gevallen van ernstige bodemverontreiniging geldt de Wet bodembescherming. Naar verwachting treedt de Omgevingswet in 2022 in werking en vervalt de Wet bodembescherming. Diverse onderwerpen vanuit de Wet bodembescherming komen in de Aanvullingswet – en besluit bodem Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving aan de orde. Ook moeten bepaalde onderwerpen worden opgenomen in het omgevingsplan en/of de provinciale omgevingsverordening. Voor het verspreiden van baggerspecie over aangrenzende percelen geldt een bijzonder kader met acceptatieplicht voor de aangelanden op basis van de Waterwet en de Keur van waterschappen. Voor het inrichten van een weilanddepot voor baggerspecie moet, afhankelijk van het plaatselijke bestemmingsplan in de gemeenten, een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of voor de werkzaamheden worden aangevraagd (artikel 2.1 lid 1 onder b van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht). Afhankelijk van de locatie is ook een ontheffing noodzakelijk van het daar geldende bestemmingsplan. Het in deze nota geformuleerde grondstromenbeleid heeft geen betrekking op toepassingen van grond in een oppervlaktewaterlichaam tenzij het om een volledige demping van een oppervlaktewaterlichaam gaat waardoor feitelijk een landbodem ontstaat. In die situatie worden nadere afspraken gemaakt tussen de waterkwaliteitsbeheerder (Waterschap Rivierenland -binnendijks- en Rijkswaterstaat -buitendijks-) en de betreffende gemeente. Grens landbodem-waterbodem De definitie van de grens tussen landbodem en waterbodem is aangegeven in artikel 1 van de Waterwet: “Oppervlaktewaterlichaam: 'samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen, alsmede de bijbehorende waterbodem, oevers en voor zover uitdrukkelijk aangewezen krachtens deze wet, drogere oevergebieden, alsmede flora en fauna'.” Ter plaatse van de waterbodems is de waterkwaliteitsbeheerder het bevoegd gezag. Binnen de gemeenten zijn dat Rijkswaterstaat (buitendijks) en het waterschap Rivierenland (binnendijks). Onder rijkswateren vallen de zogenoemde ‘drogere oevergebieden’, zoals gedefinieerd in de Waterregeling[12]. Het bevoegd gezag van ‘drogere oevergebieden’ valt onder de betreffende gemeente. De ligging van het beheergebied van Rijkswaterstaat en de drogere oevergebieden zijn inzichtelijk gemaakt op de website van Rijkswaterstaat: https://www.helpdeskwater.nl/onderwerpen/wetgeving-beleid/waterwet/kaarten/kaart-waterregeling/ of https://geoservices.rijkswaterstaat.nl/portaal/. Ter plaatse van de overige wateren in het beheergebied van het Waterschap Rivierenland is de Keur Waterschap Rivierenland 2014 van toepassing. De Keur is alleen van toepassing op waterstaatswerken. Dat wil zeggen oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken en op de daarlangs gelegen beschermingszones. De ligging van deze gebieden is weergegeven in de leggerkaarten die beschikbaar zijn bij het Waterschap Rivierenland (https://www.waterschaprivierenland.nl/). In aanvulling op de definitie van de grens tussen landbodem en waterbodem wordt in deze nota bodembeheer de definitie van 'oever' nauwkeurig omschreven. De grens tussen landbodem en waterbodem is aangegeven in de figuren 1.2, 1.3 en 1.
hoofdstuk 11) en het Activiteitenbesluit; bij de interpretatie van een eindsituatie-onderzoek als geen nul-situatie-onderzoek beschikbaar is (
1.3Geldigheid Deze gezamenlijke nota bodembeheer wordt door de gemeenten vastgesteld voor een periode van maximaal 10 jaar. De nieuwe gezamenlijke bodemkwaliteitskaart wordt maximaal 5 jaar na de bestuurlijke vaststelling van deze nota geëvalueerd (
artikel 4.3.5 van de Regeling). Voor een bodemfunctieklassenkaart geldt geen wettelijke houdbaarheidstermijn. Een bodemkwaliteitskaart moet elke 5 jaar opnieuw worden vastgesteld, ongeacht of er aanpassingen zijn. Ook de bodemfunctieklassenkaart wordt dan geëvalueerd. Als de bodemfunctieklassenkaart moet worden aangepast, moet deze ook weer opnieuw bestuurlijk worden vastgesteld. Op basis van de evaluatie van de bodemfunctieklassenkaart en de bodemkwaliteitskaart wordt vastgesteld of aanpassing van deze nota noodzakelijk is of dat de nota in de huidige vorm nog een volgende 5 jaar kan worden gebruikt. Alleen als het gebiedsspecifiek beleid (artikel 44 van het Besluit) moet worden aangepast, moet ook de nota opnieuw door de gemeenteraad bestuurlijk worden vastgesteld. 1.4Verantwoordelijkheid De verantwoordelijkheid voor naleving van de regels bij het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond ligt in eerste instantie bij de initiatiefnemer. Maar ook een ieder die op een bepaald moment in enig opzicht macht uitoefent over (een deel van) de toepassing kan worden aangesproken; bijvoorbeeld een perceeleigenaar, erfpachter, huurder of bruiklener. De initiatiefnemer voor de grondtoepassing, of een hiertoe gemachtigd persoon (ontdoener van de grond of tussenpersoon zoals een aannemer of adviesbureau), is dan ook verplicht om het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond te melden. In § 9.2.2 is een aantal situaties beschreven waarbij het toepassen van grond niet gemeld hoeft te worden. De verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer voor het ontgraven, het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond en daarna een ieder die macht uitoefent op de toepassingslocatie ligt verankerd in de wettelijke zorgplicht: Algemene zorgplicht in het kader van de Wet milieubeheer[14] (artikel 1.1.a): achterwege laten van handelingen, die nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaken. Zorgplicht uit de Wet bodembescherming (artikel 13): een ieder die handelingen verricht die kunnen leiden tot bodemverontreiniging, is verplicht preventieve en zo nodig herstellende maatregelen te treffen. Zorgplicht voor handelingen inzake afvalstoffen. Met afvalstoffen wordt gedoeld op bijlage 1 van EU-richtlijn afvalstoffen van
artikel 5.89j Besluit Kwaliteit Leefomgeving), bijvoorbeeld voor gebieden waar sprake is van een diffuus verspreide sterke verontreiniging; om verhoogde terugsaneerwaarden te formuleren (net zoals de Lokale Maximale Waarden binnen het Besluit). Bij werkzaamheden in de grond met gehalten boven de interventiewaarden, blijft de ‘Kwalibo’ gelden; bijvoorbeeld dat werkzaamheden onder erkenning en volgens beoordelingsrichtlijnen moeten worden uitgevoerd. Opgesteld gebiedsspecifiek beleid (verhoogde ‘triggerwaarden’) heeft daar geen invloed op. Binnen de Omgevingswet blijft een bodemkwaliteitskaart gelden als erkend bewijsmiddel bij grondverzet. De bodemkwaliteitskaart kan ook gebruikt worden bij de vrijstelling van bodemonderzoek voor bodemonderzoek bij een omgevingsvergunningsaanvraag activiteit bouwen en activiteit ruimtelijke planvorming. Eén van de doelstellingen van de Omgevingswet is dat informatie over milieuwet- en regelgeving makkelijker en digitaal wordt ontsloten. Ook is een van de doelstellingen dat een instrument zoals een bodemkwaliteitskaart wordt gebruikt voor meer doeleinden dan alleen voor het nuttig toepassen van grond en gerijpte baggerspecie. Deze nota bodembeheer loopt hierop al vooruit doordat beleid is geformuleerd dat, na bestuurlijke goedkeuring, de bodemkwaliteitskaart van regio Rivierenland, gebruikt mag worden bij: de aanvraag van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen of activiteit planvorming), als het een locatie betreft die niet-verdacht is voor bodemverontreiniging (
hoofdstuk 11); de interpretatie van een eindsituatie-onderzoek in het kader van het Activiteitenbesluit als geen nulsituatie-onderzoek beschikbaar is (
Ten slotte ontsluiten de gemeenten de bodemkwaliteitskaart en de nota bodembeheer via een website: http://www.geosolutions.nl/sites/rivierenland/. Hiermee lopen de gemeenten al vooruit op de Omgevingswet die naar verwachting in 2022 in werking treedt. Ook zijn de kaarten van deze nota bodembeheer te raadplegen op de website van het Bodemloket http://www.bodemloket.nl/kaart, een initiatief van gemeenten, provincies en het Rijk. 1.7Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de te verwachten bodemkwaliteit in de gemeenten waarna in hoofdstuk 3 een toelichting wordt gegeven op de maatschappelijke opgave over het toepassen van grond in de gemeenten. Het gebiedsspecifiek beleid voor de toepassing van grond wordt in hoofdstuk 4 nader uitgewerkt. Het overige gemeentelijke beleid wordt weergegeven in hoofdstuk
tabel 2.1 en kaartbijlage 2). Binnen een bodemkwaliteitszone wordt dezelfde gebiedseigen chemische bodemkwaliteit verwacht. Hierbij is er mee rekening gehouden dat de bovenste halve meter van de bodem doorgaans meer belast is met verontreinigende stoffen dan de onderliggende bodemlaag. De volgende uitgesloten locaties/gebieden zijn afgebeeld op de kaartbijlagen: In de gemeenten is een aantal locaties en gebieden uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart: Locaties waar vanwege (bedrijfs)activiteiten PFAS-verbindingen in verhoogde gehalten in de bodem kunnen voorkomen (PFAS producerende3 Zoals bijvoorbeeld productie van o.a. PFOS, PFOA, telomeren en andere PFAS-verbindingen. en verwerkende bedrijven4 Zoals bijvoorbeeld productie en verwerking van teflon, galvanische industrie, textielindustrie, papier(verwerkende) industrie, lak- en verfindustrie, fabricage van cosmetica. , inzet blusschuim5 Brand blussen, brandweeroefenplaatsen (gemeenten), brandpreventie voorzieningen (industrie) met schuimblusinstallaties, militaire brandweeroefenplaatsen en vliegvelden, brandweeroefenplaatsen op vliegvelden (burgerluchtvaart). en secundaire bronnen6 Zoals bijvoorbeeld stortplaatsen, waterzuiveringsinstallaties, afvalverbrandingsinstallaties, ijzerinzamelbedrijven (inzamelen brandblussers), gebruik bestrijdingsmiddelen. ;
ook bijlage 9). Op kaartbijlage 5 zijn de bij de Omgevingsdienst Rivierenland bekende locaties weergegeven die verdacht zijn voor verhoogde gehalten aan PFAS-verbindingen. Voormalige stortplaatsen* (alleen voor wat betreft de ontgravingskaart). Water(bodems) die in beheer zijn van de betreffende waterkwaliteitsbeheerder: Rijkswaterstaat of het Waterschap Rivierenland; met uitzondering van de drogere oevergebieden zoals gedefinieerd in de Waterregeling. De bodemlaag dieper dan 2 meter onder het maaiveld*. Het grondwater*. *Deze locaties zijn vanwege uiteenlopende redenen (bijvoorbeeld het dynamische karakter of het relatief kleine oppervlak van het gebied) niet op de kaarten weergegeven De volgende locaties/gebieden zijn ook uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart, maar voor PFAS-verbindingen maken deze locaties wél onderdeel uit van de bodemkwaliteitskaart7 Als op deze locaties onderzoek moet worden uitgevoerd, hoeft geen onderzoek naar PFAS-verbindingen plaats te vinden. Er kan gebruik worden gemaakt van de bodemkwaliteitskaart. : Rijkswegen, provinciale wegen, dijkwegen, spoorgebonden gronden inclusief onverharde (spoor)bermen* (allen een andere beheerorganisatie dan de gemeenten; alleen voor wat betreft de ontgravingskaart). Locaties met, of die verdacht zijn voor, een sterke bodemverontreiniging, maar niet voor PFAS-verbindingen; waaronder wegen die tot het jaar 2000 zijn aangelegd (mogelijk asbesthoudende wegfundering en uitloging van stoffen vanuit de wegfundering naar onderliggende bodemlaag) en te vervangen riooltracés (lekkages vanuit het riool) *. Gesaneerde locaties in het kader van de Wet bodembescherming* (alleen voor wat betreft de ontgravingskaart). Door gemeenten aangewezen gebieden die geheel verdacht zijn voor bodemverontreiniging, waarvan geen meetgegevens beschikbaar zijn om te voldoen aan de minimumeisen van de Richtlijnbodemkwaliteitskaarten en/of waar geen grondverzet wordt verwacht: Gemeente Buren: steenfabriek Roodvoet in Rijswijk, vakantiepark Eiland van Maurik, campingterrein De Schans in Maurik, fabrieksterreinen Marsdijk in Lieden
ook bijlage 1 met de Begrippen onder het kopje ‘Barium’), cadmium, kobalt, koper, kwik, molybdeen, lood, nikkel, zink, minerale olie en de stofgroepen polychloorbifenylen (PCB) en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK). Voor de (voormalige) boomgaarden, tot 0,5 meter diepte, is de bodemkwaliteitskaart ook opgesteld voor organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB). Voor de bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 1,5 meter diepte is de bodemkwaliteitskaart ook voor PFAS-verbindingen vastgesteld. Op basis van bekende PFAS-gegevens in de gemeenten nemen de gehalten aan PFAS-verbindingen af in de diepere bodemlagen. Gezien dit gegeven is het de verwachting dat de bodemlaag dieper dan 1,5 meter van een vergelijkbare of betere kwaliteit is als de bodemlaag 1,0-1,5 m-mv. De bodemkwaliteitszone van de bovengrond ‘B
hoofdstuk 2, tabel 2.1). Hierdoor kan veel ontgraven grond niet worden hergebruikt en moet vervolgens worden afgevoerd naar een erkend verwerker. Ook moet dan grond van elders worden aangekocht en aangevoerd die wel voldoet aan de toepassingseisen; bijvoorbeeld zand uit zandwinputten of grond van een grondbank. De gemeenten willen invulling geven aan een milieuvriendelijker en goedkoper grondstromenbeleid. Grond vrijkomend uit het ene project willen de gemeenten kunnen hergebruiken in het andere project. Werk met werk maken. Er zijn dan minder onderzoekskosten bij grondverzet en verwerkingskosten bij vrijkomende grond nodig. Er hoeft minder grond te worden aangekocht en ook de transportafstanden worden gereduceerd. De druk op het wegennet en de uitstoot van schadelijke stoffen, zoals fijnstof en CO2 en het gebruik van energie nemen af. Het gebiedsspecifiek en gemeentelijke grondstromenbeleid bij de toepassingen van grond is nuttig en milieuhygiënisch verantwoord en brengt bij het huidige en het beoogde bodemgebruik geen onacceptabele risico’s met zich mee. Het gebiedsspecifiek en gemeentelijke grondstromenbeleid is in hoofdstuk 4 onderbouwd en beschreven. 4De uitwerking van het gebiedsspecifiek grondstromenbeleid 4.1Kwaliteitsdoelstelling bij hergebruik en toepassen van grond Om het beleid toe te passen in de gemeenten en om knelpunten bij het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond in de praktijk op te lossen binnen de regels van het Besluit, is het gebiedsspecifiek grondstromenbeleid geactualiseerd. Dit is in de hierna volgende paragrafen uitgewerkt. In eerste instantie zijn de beperkingen van het generieke beleid ten aanzien van hergebruik van grond aangegeven. Vervolgens is het beleid verder uitgewerkt. Dit beleid is er op gericht de beperkingen zo veel mogelijk weg te nemen binnen de kaders van wet- en regelgeving en beleid én voor zover het (toekomstig) bodemgebruik dit toelaat; er mogen geen risico’s bij het (toekomstige) bodemgebruik ontstaan. Voor een aantal situaties is strenger beleid geformuleerd. Bij het nuttig toepassen van grond hanteren de gemeenten het ‘standstill’ principe op het niveau van het bodembeheergebied (
Het ‘standstill’ principe betekent dat de bodemkwaliteit binnen het bodembeheergebied gelijk moet blijven en op termijn verbetert (
bijlage 1 onder het kopje ‘Toepassingseis kwaliteit toe te passen grond op of in de bodem (Generiek kader Besluit bodemkwaliteit). Binnen de gemeenten is een vermindering van de kwaliteit alleen toelaatbaar: met gebiedseigen grond, vrijgekomen bij grondverzet binnen het vastgestelde bodembeheergebied (
.2); als de vastgestelde Lokale Maximale Waarden (
.3) niet worden overschreden; als elders in het gebied een verbetering van de bodemkwaliteit wordt gerealiseerd. De Lokale Maximale Waarden voldoen aan de landelijke definitie voor ‘duurzaam geschikt voor het beoogde gebruik’. Er treden met de plaatselijke vermindering van de kwaliteit geen risico’s op voor het (toekomstig) bodemgebruik. Op niveau van het bodembeheergebied wordt als volgt invulling gegeven aan het ‘standstill’ principe: Daar waar de grond wordt ontgraven treedt een lokale verbetering op van de bodemkwaliteit. In gebieden waar een strengere toepassingseis geldt dan de kwaliteit van de ontvangende bodem, wordt een verbetering gerealiseerd. Voor grond van buiten het bodembeheergebied (
.2) gelden bij Lokale Maximale Waarden meestal andere voorwaarden (
Naast het gebiedsspecifiek grondstromenbeleid is in dit hoofdstuk ook algemeen beleid voor het hergebruik en toepassen van grond en het gebruik van de bodemkwaliteitskaart uitgewerkt. 4.2Uitbreiding van het bodembeheergebied Het generieke kader van het Besluit gaat uit van het ‘eigen’ gemeentelijke grondgebied als bodembeheergebied voor het te voeren beleid bij het toepassen en het tijdelijk opslaan van grond. Om grondstromen tussen gemeenten mogelijk te maken en de bodemkwaliteitskaart van andere gemeenten te gebruiken als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de toe te passen grond, moet het (generieke) gemeentelijke bodembeheergebied worden uitgebreid. Deze uitbreiding valt volgens het Besluit in het gebiedsspecifiek kader. Met deze nota wordt het bodembeheergebied voor het grondstromenbeleid vastgesteld als zijnde het gemeentelijke grondgebied van de gemeenten Buren, Culemborg, Maasdriel, Neder-Betuwe, Tiel, West Betuwe, West Maas en Waal en Zaltbommel. Hierdoor wordt het mogelijk dat grondstomen tussen de gemeenten met de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel gerealiseerd kunnen worden. 4.3Vaststellen Lokale Maximale Waarden 4.3.1Inleiding De mogelijkheid voor hergebruik van licht verontreinigde grond binnen ons beheergebied is onder het generieke kader van het Besluit beperkt toegestaan. Alleen met gebiedsspecifiek beleid mag lokale verslechtering plaatsvinden. Voor deze gebieden worden zogenaamde Lokale Maximale Waarden vastgesteld. Met het gebiedsspecifiek beleid kunnen voor de gemeenten en derden besparingen worden gerealiseerd bij: onderzoekskosten voor de toe te passen grond en de ontvangende bodem en bij het toepassen van grond en gerijpte baggerspecie; transport-, reinigings- en/of stortkosten van vrijkomende grond; aanschafkosten voor de toe te passen primaire grondstoffen (zand uit zandwinputten) en secundaire grondstoffen (bijvoorbeeld grond van een grondbank). Ook worden door de gemeenten strengere Lokale Maximale Waarden voor lood vastgesteld voor het toepassen van grond op terreinen met een gevoelig bodemgebruik, voor de toegestane bijmenging van bodemvreemd materiaal en grond met bijmenging van asbestverdacht/-houdende grond. De in de hierna volgende paragrafen gedefinieerde Lokale Maximale Waarden gelden niet voor grond van buiten het bodembeheergebied (
ook § 4.2 en § 5.6). De Lokale Maximale Waarden gelden niet bij beleid dat strenger is dan het generieke kader van het Besluit. Het betreft strengere toepassingseisen voor grond in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden (
.3.2 en § 4.3.7 ‘Toepassen grond en verspreiden onderhoudsbaggerspecie in waterwin- en grondwaterbeschermings-gebieden’) en strengere toepassingseisen voor grond met lood op terreinen met gevoelig bodemgebruik (
.3.3 ‘Lokale Maximale Waarden gebieden met de (toekomstige) bodemfuncties ‘Industrie’ en ‘Wonen’). 4.3.2Toepassen grond en verspreiden onderhoudsbaggerspecie in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden In regio Rivierenland liggen een aantal waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden. De ligging van deze gebieden is te raadplegen op de website van de provincie Gelderland: waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden (https://www.gelderland.nl/Kaartenencijfers). Bij het toepassen van grond en gerijpte baggerspecie is de Omgevingsverordening Gelderland[17] leidend. De Omgevingsverordening Gelderland is in 2020 aangepast en wordt naar verwachting begin 2021 vastgesteld door Provinciale Staten. De Omgevingsverordening Gelderland is onder meer aangepast op het toepassen van PFAS-houdende grond en baggerspecie en het verspreiden van baggerspecie in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden. Na vaststelling geldt het aangepaste beleid. Waterwingebieden Waterwingebieden moeten optimaal worden beschermd als het gaat om het voor drinkwater bestemde grondwater en de bodem waarvan het te winnen grondwater deel uitmaakt. Uit het artikel ‘Regels voor activiteiten buiten inrichtingen’ van de Omgevingsverordening Gelderland volgt dat in waterwingebieden in Gelderland elke handeling buiten inrichtingen is verboden die ervoor kan zorgen dat stoffen in het grondwater komen en negatieve effecten heeft op de kwaliteit van het grondwater. In waterwingebieden mag alleen grond en baggerspecie worden toegepast of verspreid die aan de kwaliteitsnorm van de Achtergrondwaarde (AW2000) voldoen. Onderhoudsbaggerspecie afkomstig uit het waterwingebied en voldoet aan de eisen voor verspreidbare baggerspecie, mag over het aangrenzende perceel worden verspreid. Toe te passen PFAS houdende grond en (te verspreiden onderhouds)baggerspecie moet voldoen aan de gestelde toepassingsvoorwaarden van de Omgevingsverordening Gelderland. Grondwaterbeschermingsgebieden In grondwaterbeschermingsgebieden moet het grondwater dat is bestemd voor drinkwaterwinning worden beschermd. In deze gebieden moet minimaal het bestaande beschermingsniveau in stand worden gehouden (standstill) en zo mogelijk een verbetering van het beschermingsniveau wordt bereikt. Uit het artikel ‘IBC-bouwstoffen, verontreinigde grond en baggerspecie’ van de Omgevingsverordening Gelderland volgt dat grond en baggerspecie met de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde-AW2000)’ mag worden toegepast. Toe te passen PFAS-houdende grond en (te verspreiden onderhouds)baggerspecie moet voldoen aan de gestelde toepassingswaarden van de Omgevingsverordening Gelderland. De grondwaterbeschermingsgebieden vallen op de bodemfunctiekaart grotendeels onder de functie ‘Landbouw/natuur’. Hier mag alleen schone grond worden toegepast. Grootschalige bodemtoepassingen Uit het artikel ‘IBC-bouwstoffen, verontreinigde grond en baggerspecie’ van de Omgevingsverordening Gelderland volgt dat het toetsingskader van het Besluit voor grootschalige bodemtoepassingen (artikel 63 van het Besluit;
ook § 5.8 en § 2.1.1 van bijlage 2) niet geschikt is voor grondwaterbeschermingsgebieden. Hiervoor is strenger beleid opgesteld.
hiervoor de Omgevingsverordening Gelderland. Toe te passen PFAS-houdende grond en (te verspreiden onderhouds)baggerspecie moet voldoen aan de gestelde toepassingswaarden van de Omgevingsverordening Gelderland. De grootschalige bodemtoepassing moet worden gemeld bij zowel het bevoegd gezag van het Besluit (
.2.1) als bij Gedeputeerde Staten van Gelderland (post@gelderland.nl;
ook het betreffende artikel van de Omgevingsverordening Gelderland). Deze laatste melding moet drie weken voordat de werkzaamheden beginnen worden gedaan. Verspreiden en toepassen onderhoudsbaggerspecie Baggerspecie die vrijkomt bij regulier onderhoud van watergangen, onderzocht is volgens de NEN 5720[18] én voldoet aan de toetsnormen voor het verspreiden over aangrenzende percelen mag binnen 20 meter van de watergang op het aangrenzend perceel verspreid worden. Na de wijziging van de Omgevingsverordening Gelderland in 2021 vervalt mogelijk de voorwaarde ‘binnen 20 meter van de watergang op het aangrenzend perceel verspreid’ en mag de onderhoudsbaggerspecie over het gehele aangrenzende perceel worden verspreid. De te verspreiden onderhoudsbaggerspecie van buiten het waterwin- en grondwaterbeschermingsgebied moet voldoen aan de gestelde toepassingswaarden van de Omgevingsverordening Gelderland. Gebruik bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel voor de kwaliteit van de toe te passen grond Tot aan de wijziging van de Omgevingsverordening Gelderland in 2020 staan de gemeenten toe dat grond van bodemkwaliteitszones met de verwachte kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde - AW2000)’ zonder keuring in de waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden mag worden toegepast mits de grond niet afkomstig is van voormalige boomgaarden (periode 1945-2000) of vanaf locaties die verdacht zijn voor bodemverontreiniging. Na de wijziging van de provinciale omgevingsverordening in 2021 moet de kwaliteit van de grond van buiten het grondwaterbeschermingsgebied naar verwachting zijn aangetoond met een partijkeuring. Grond afkomstig van (voormalige) boomgaarden (periode 1945-2000) moet altijd worden gekeurd (
.2.1) en voldoen aan de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde - AW2000)’ (
Hetzelfde geldt voor grond vanuit bodemkwaliteitszones die niet voldoen aan de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde - AW2000)’ en vanaf locaties die verdacht zijn voor bodemverontreiniging. De toepassingseis in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden is over het algemeen de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde - AW2000)’ (
bijlage 7a). Toe te passen PFAS-houdende grond en baggerspecie moet voldoen aan de gestelde toepassingswaarden van de Omgevingsverordening Gelderland. Onderhoudsbaggerspecie die voldoet aan de toetsnormen voor verspreiden over aangrenzende percelen mag binnen 20 meter van de watergang op het aangrenzend perceel verspreid worden. Bij de wijziging van de Omgevingsverordening Gelderland in 2021 vervalt mogelijk de voorwaarde ‘binnen 20 meter van de watergang op het aangrenzend perceel verspreid’. De te verspreiden PFAS-houdende onderhoudsbaggerspecie van buiten het waterwin- en grondwaterbeschermingsgebied moet voldoen aan de gestelde toepassingswaarden van de Omgevingsverordening Gelderland. Tot de wijziging van de Omgevingsverordening Gelderland in 2021 staan de gemeenten toe dat grond van bodemkwaliteitszones met de verwachte kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde - AW2000)’ zonder keuring in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden mag worden toegepast mits de grond niet afkomstig is van voormalige boomgaarden (periode 1945-2000) of van locaties die verdacht zijn voor bodemverontreiniging. Na de wijziging van de Omgevingsverordening Gelderland in 2021 moet de kwaliteit van de grond van buiten het grondwaterbeschermingsgebied naar verwachting zijn aangetoond met een partijkeuring. De Omgevingsverordening Gelderland is leidend bij het toepassen van grond en (het verspreiden van) baggerspecie. 4.3.3Lokale Maximale Waarden in gebieden met de (toekomstige) bodemfuncties ‘Industrie’ en ‘Wonen’ Om de nu relatief beperkte generieke toepassingsmogelijkheden van grond met de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ en ‘Wonen’ te vergroten, kunnen de gemeenten onder voorwaarden toestaan dat in gebieden met de bodemfuncties ‘Industrie’ en ‘Wonen’, grond mag worden toegepast die voldoet aan de (toekomstige) bodemfunctie (
kaartbijlage 5A en 5B). De schone gebieden betreffen met name de bodemkwaliteitszones ‘B3./O
33/81). Er gelden drie uitzonderingen voor de toepassing van dit beleid: Uitzondering 1: het toepassen van grond met de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ voor percelen die in gebruik zijn of worden genomen voor (bedrijfs-)woningen met tuin De Lokale Maximale Waarde kwaliteitsklasse ‘Industrie’ geldt niet voor percelen die in gebruik zijn of worden genomen voor (bedrijfs-)woningen met tuin. In de bodemfunctieklassenkaart is aan een aantal gemengde industrieterreinen (bedrijven en (bedrijfs-)woningen) de functie Industrie toegekend. Formeel moet aan deze gemengde terreinen de meest gevoelige functie (Wonen) worden toegekend. Besloten is dit niet te doen, maar om vast te stellen dat ter plaatse van de (bedrijfs-)woningen de kwaliteit van de toe te passen grond moet voldoen aan kwaliteitsklasse ‘Wonen’. Bij een bodemsanering moet bij woonpercelen op gemengde industrieterreinen (bedrijven en (bedrijfs-)woningen) worden teruggesaneerd tot kwaliteitsklasse Wonen. Als op de plaats van toe te passen grond sprake is van onverharde tuinen geldt voor toe te passen grond ook een maximale waarde voor lood van 100 mg/kg ds (
uitzondering 3 verderop in deze paragraaf). Voor percelen die later bestemd worden voor (bedrijfs-)woningen met tuin en waar grond met klasse Industrie is toegepast moet door middel van een bodemonderzoek conform NEN 5740 en een risicobeoordeling met de Risicotoolboxbodem worden vastgesteld of en welke maatregelen noodzakelijk zijn om het perceel geschikt te maken voor de functie Wonen met tuin. Uitzondering 2: het toepassen van grond in de bodemkwaliteitszones ‘B1/O1 Wonen voor 1950’ Uit de ontgravingskaart van regio Rivierenland (kaartbijlagen 3) blijkt dat in de bodemkwaliteitszones 'B1./O
bijlage 5) en kunnen worden gebruikt bij het bodemgebruik ‘wonen met tuin’. Voor de parameter lood zijn voor de bodemkwaliteitszones 'B1./O1. Wonen voor 1950 I’, afhankelijk van het (toekomstige) bodemgebruik, Lokale Maximale Waarden opgesteld. Een overzicht van de Lokale Maximale Waarden is in bijlage 7a gegeven. Rekening gehouden moet worden met het toepassen van grond op gevoelig bodemgebruik (
de hieronder vermelde uitzondering 2 van 2). Uitzondering 3: het toepassen van grond op gevoelig bodemgebruik met een gehalte aan lood boven 100 mg/kg (gemeten gehalte). Gevoelig bodemgebruik wordt hier gedefinieerd als zijnde Wonen met onverharde tuinen, plaatsen waar kinderen spelen8 Onder plaatsen waar kinderen spelen wordt verstaan: onverharde openbare kinderspeelplaatsen, onverharde delen op schoolpleinen en onverharde speelplaatsen bij (particuliere) kinderopvanginstellingen. , moes-/volkstuin(complex)en9 Het betreft moestuin- en volkstuin(complex)en met een oppervlakte > 200 m² en tuinen met > 200 m2 gewasteelt. , intensief gebruikte plantsoenen/parken en recreatieterreinen. Voor het toepassen van grond op terreinen met deze gevoelige bodemgebruiken stellen de gemeenten strengere eisen voor lood. Lood in de bodem kan met name risico’s opleveren voor jonge kinderen (0-6 jaar). De gemeenten volgen hierin het advies van de GGD Gelderland-Zuid die voor lood in de grond een gezondheidskundige waarde heeft gedefinieerd gebaseerd op het ALARA-principe (‘As Low As Reasonably Achievable 10 `zo laag als redelijkerwijze haalbaar is’. ’;
bijlage 5). De gezondheidskundige waarde voor lood bedraagt 90 mg/kg ds, gemeten gehalte. De gemeenten stellen de Lokale Maximale Waarde voor lood op een gehalte gelijk aan 100 mg/kg ds (gemeten gehalte). Reden hiervoor is dat deze waarde gelijk is aan 2 maal de Achtergrondwaarde (AW2000). In theorie is het mogelijk dat schone grond een loodgehalte van 100 mg/kg ds (gemeten gehalte) kan bevatten. De gemeenten vinden het niet wenselijk om schone grond hierop af te keuren. In bijlage 3C is een overzicht opgenomen van de bodemkwaliteitszones met de statistische parameters gebaseerd op de gemeten waarden aan lood. Onder voorwaarden kunnen de Lokale Maximale Waarde voor (schone) gebieden met de bodemfuncties ‘Industrie’ en ‘Wonen’ worden vastgesteld op respectievelijk de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ en ‘Wonen’. De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde Lokale Maximale Waarden (
33/81). Uitzonderingen op dit beleid zijn: De Lokale Maximale Waarde ‘Industrie’ geldt niet voor percelen die in gebruik zijn of worden genomen voor (bedrijfs-)woningen met tuin. Ook is (bedrijfs-)woningen met tuin uitzondering 3 van toepassing. Voor de bodemkwaliteitszones 'B1./O1. Wonen voor 1950 I’ zijn andere Lokale Maximale Waarde vastgesteld (
bijlage 7a). De toe te passen grond op gevoelig bodemgebruik mag een maximaal loodgehalte van 100 mg/kg ds (gemeten gehalte) bevatten. 4.3.4Lokale Maximale Waarden en toepassen van grond vanaf (voormalige) boomgaarden (periode 1945-2000) Inleiding Ter plaatse van (voormalige) boomgaarden, periode 1945-2000, is vastgesteld dat in de bovengrond (vanaf het maaiveld tot en met 0,5 meter diepte) verhoogde gehalten van organochloorbestrijdingsmiddelen voor komen. Deze verhoogde gehalten zijn heterogeen verdeeld en komen over het algemeen in licht (en soms in sterk) verhoogde gehalten voor. Ook licht verhoogde gehalten met organochloorbestrijdingsmiddelen zorgen ervoor dat de grond in de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ valt. Dit heeft er mee te maken dat bij een aantal individuele organochloorbestrijdingsmiddelen de Maximale Waarde voor de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ gelijk is gesteld aan de ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde – AW2000)’. De gemeenten willen de nu beperkte toepassingsmogelijkheden van grond met de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ vanaf de (voormalige) boomgaarden vergroten. Vanwege het ontbreken van risico’s voor de mens staan de gemeenten onder voorwaarden lokale verslechtering toe voor grond vanaf voormalige boomgaarden. Het gebiedsspecifiek beleid wordt in de onderstaande paragrafen uiteengezet. Uitgangspunten De uitgangspunten voor sanering en hergebruik/toepassen van grond met bestrijdingsmiddelen worden vooral bepaald door de risico’s en het grondverzet in regio Rivierenland. Voor bestrijdingsmiddelen geldt dat er bij relatief lage gehalten sprake is van een (theoretisch) ecologisch risico, terwijl pas bij relatief hoge gehalten er sprake is van een humaan risico. Voor DDT en DDE is dat boven de interventiewaarde. In het kader van het gebiedsspecifiek beleid wordt onderscheid gemaakt in de volgende situaties: Voormalige boomgaarden in huidige en toekomstige woon- en industriegebieden. Bestaande en voormalige boomgaarden in het buiten gebied. Boomgaarden in bodembeschermingsgebieden (Natuurnetwerk Nederland, habitatrichtlijngebieden, waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden). In de hierna volgende paragrafen is nader ingegaan op het gebiedsspecifiek beleid. Lokale Maximale Waarden voor toepassing grond vanaf een (voormalig) boomgaard perceel op een (voormalig) boomgaard perceel (periode 1945-2000) Ter plaatse van (toekomstige) woon- en industriegebieden In woon- en industriegebieden zijn vooral humane risico’s van belang. Bij uitbreidingen van woon- en industriegebieden in het buitengebied verschuift de functie, waarbij vooral humane risico’s van belang zijn en een lager ecologisch beschermingsniveau vereist is . Vanuit een beleidsmatig oogpunt is het wenselijk om in woon- en industriegebieden hogere waarden te accepteren bij sanering en hergebruik van grond dan in het landelijk gebied en een verslechtering voor wat betreft bestrijdingsmiddelen toe te laten ten gunste van het landelijk gebied. De gemeenten hanteren in de (toekomstige) woon- en industriegebieden waar sprake is geweest van boomgaarden Lokale Maximale Waarden voor bestrijdingsmiddelen. Hierdoor kan meer grond binnen en tussen de (voormalige) boomgaarden worden hergebruikt. Deze waarden gelden alleen voor de bovengrond. De Lokale Maximale Waarden zijn onderbouwd door de GGD Gelderland Zuid. De onderbouwing is opgenomen in bijlage 5. Een overzicht van de Lokale Maximale Waarden is in bijlage 7a gegeven. Of sprake is geweest van een voormalige boomgaard perceel (verdachte periode van gebruik bestrijdingsmiddelen: 1945-2000) moet worden achterhaald via de volgende website: http://topotijdreis.nl/. Met de Lokale Maximale Waarden worden de risico’s op ongecontroleerd verzet van sterk verontreinigde grond en onaanvaardbare ecologische risico’s (optredend boven het saneringscriterium) tegen gegaan. De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde Lokale Maximale Waarden (
33/81). De Lokale Maximale Waarde zijn niet van toepassing op al gesaneerde woon- en industriegebieden. Hier gelden de in het saneringsplan opgenomen terugsaneerwaarden en eisen voor de leeflaag. Ter plaatse van de (toekomstige) woon- en industriegebieden in de (voormalige) boomgaarden, periode 1945-2000, zijn voor de bovengrond Lokale Maximale Waarde voor bestrijdingsmiddelen vastgesteld (
bijlage 7a). Bij toepassing van grond vanuit de (voormalige) boomgaarden, periode 1945-2000) moet voorafgaand de kwaliteit worden vastgesteld met onderzoek (
De Lokale Maximale Waarde zijn niet van toepassing op al gesaneerde woon- en industriegebieden. De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde Lokale Maximale Waarden (
33/81). Ter plaatse van het buitengebied Het gebiedsspecifiek beleid voor bestaande en voormalige boomgaarden in het buitengebied is er op gericht de meest verontreinigde locaties aan te pakken en verspreiding vanuit deze locaties tegen te gaan. Gezien de omvang van de verontreiniging van bestrijdingsmiddelen is het terugbrengen van de bodemkwaliteit naar generieke bodemkwaliteitseisen niet haalbaar. Voor wat betreft de algemene bodemkwaliteit hanteren de gemeenten de standstill situatie op het niveau van het bodembeheergebied. Bij sanering ter plaatse van boomgaarden én bij hergebruik van grond tussen boomgaarden in het buitengebied buiten de bodembeschermingsgebieden hanteren de gemeenten de 90-percentielwaarde 11 90% van de analyseresultaten ligt beneden deze waarde. De 90-percentielwaarde wordt aangeduid als de gebiedseigen kwaliteit. als Lokale Maximale Waarden voor de bestrijdingsmiddelen (
bijlage 7b). Als de 90-percentielwaarde lager is dan de Achtergrondwaarde (AW2000) is de Achtergrondwaarde (AW2000) gehanteerd. Alle 90-percentielwaarden van de bestrijdingsmiddelen zijn lager dan de interventiewaarden (factor 1,5-1.397) en de humaan toxicologische waarde (factor 9-4.780) (
bijlage 5 tabel 3). Hierdoor blijft hergebruik van grond binnen het buitengebied mogelijk, terwijl onaanvaardbare risico’s worden tegengegaan. Als gevolg van het heterogene karakter van de verontreiniging mag dus een verslechtering van de bodemkwaliteit plaatsvinden op de locatie van toepassing. De verslechtering wordt tegelijkertijd gecompenseerd op de locatie van ontgraving elders in regio Rivierenland waar een kwaliteitsverbetering plaatsvindt. Met het accepteren van de 90-percentielwaarde als Lokale Maximale Waarde voor het buitengebied, zijn niet alle ecologische risico’s weggenomen. Volgens de in 2012 uitgevoerde berekeningen met de Risicotoolboxbodem met vergelijkbare waarden (
tabel 4.1), overschrijdt het 90-percentielwaarde in boomgaarden het matig beschermingsniveau (
bijlage 6). Het wegnemen van alle ecologische risico’s in regio Rivierenland wordt, gezien de talrijke (voormalige) boomgaarden en gerelateerde verontreinigingen, niet haalbaar geacht. Bij deze (voormalige) boomgaarden spelen ecologische risico’s een minder belangrijke rol dan bij (voormalige) boomgaarden in bodembeschermingsgebieden. De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde Lokale Maximale Waarden (
33/81). Tabel 4.1 Lokale Maximale Waarden bestrijdingsmiddelen 2019 vergeleken met de Lokale Maximale Waarden in 2012 (in mg/kg ds en gebaseerd op de 90-percentielwaarden). Stof 2012 2019 DDT 0,85 0,6441 DDD 0,09 0,1039 DDE 2,04 1,5705 Ter plaatse van bodembeschermingsgebieden De Lokale Maximale Waarde voor bestrijdingsmiddelen gelden niet voor bodembeschermingsgebieden. (Natuurnetwerk Nederland, habitatgebieden en waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden). Voor bodembeschermingsgebieden wordt naar een verbetering van de bodemkwaliteit gestreefd. Deze gebieden zijn aangegeven op de website van de provincie Gelderland: (https://www.gelderland.nl/Kaartenencijfers). Bij sanering wordt de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarden - AW2000)’ aangehouden als terugsaneerwaarde. Ter plaatse van het buitengebied buiten de bodembeschermingsgebieden in de (voormalige) boomgaarden, periode 1945-2000, zijn Lokale Maximale Waarde voor bestrijdingsmiddelen vastgesteld: de 90-percentielwaarden (
bijlage 7b bodemkwaliteitszone ‘B7. Voormalige boomgaarden’). Bij toepassing van grond vanuit de (voormalige) boomgaarden, (periode 1945-2000) moet voorafgaand de kwaliteit worden vastgesteld met onderzoek (
De Lokale Maximale Waarde voor bestrijdingsmiddelen gelden niet voor bodembeschermingsgebieden. (Natuurnetwerk Nederland, habitatgebieden en waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden). De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde Lokale Maximale Waarden (
33/81). Toepassen grond vanuit de bodemkwaliteitszone ‘B
Bekend is dat onverharde bermgrond van drukke (spoor)wegen belast wordt met verontreinigende stoffen. De gemeenten vinden het daarom niet duurzaam dat bij de (meeste) onverharde bermen wordt uitgegaan van het generieke kader van het Besluit waarbij de mogelijkheid bestaat dat alleen schone grond mag worden toegepast. De gemeenten vinden het aanvaardbaar om voor de voornoemde (spoor)wegbermen Lokale Maximale Waarden vast te stellen. De gemeenten stellen de Lokale Maximale Waarde voor het toepassen van grond ter plaatse van de bermen van rijks-, provinciale, dijk- en spoorwegen vast op de kwaliteitsklasse ‘Industrie’. Hierdoor worden de nu beperkte toepassingsmogelijkheden van grond met de kwaliteitsklassen ‘Industrie’ en ‘Wonen’ vergroot. De Lokale Maximale Waarde voor de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ is gelijk aan de generieke Maximale Waarde van het bodemgebruik van deze onverharde (spoor)wegbermen. Hierdoor treden er bij het bodemgebruik geen onacceptabele risico's op als grond met de kwaliteitsklasse 'Industrie' of ‘Wonen’ wordt toegepast. De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde Lokale Maximale Waarden (
33/81). Met onverharde wegbermen wordt bedoeld de strook grond naast de weg of spoorweg. De strook omvat de bodemlaag tot maximaal 0,5 meter diepte, en heeft gerekend vanuit de wegverharding een maximale breedte van 10 meter. De onverharde wegberm wordt begrensd door (
ook figuur B1. in bijlage 1): de erfgrens of de meest afgelegen insteek van een droge bermsloot of de meest nabij gelegen insteek van een natte sloot of als voorgaande niet aanwezig zijn, de overgang naar andere begroeiing (houtopstanden zoals hagen, struiken, bosschages, bos). Voor bermen onderaan een dijk geldt dat de wegberm bestaat uit de strook grond tussen de weg en de hiel van de dijk. Bij de wegbermen gelegen in het Natuurnetwerk Nederland en habitatgebieden geldt voor beide zijden van het wegvak een strook van maximaal 2 meter. Dit in verband met de ecologische functie van de wegbermen. Buiten de aangegeven strook mag in de wegbermen alleen schone grond toegepast worden. De Lokale Maximale Waarde voor de van de bodemkwaliteitskaart uitgesloten rijkswegen, provinciale wegen, dijkwegen en spoorwegen, inclusief de onverharde bermen is vastgesteld op de kwaliteitsklasse ‘Industrie’. De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde Lokale Maximale Waarden (
33/81). Toepassen grond in en vanuit de bodemkwaliteitszone ‘B
Ter plaatse van locaties die niet verdacht zijn voor PFAS-verbindingen hoeft geen onderzoek naar PFAS-verbindingen plaats te vinden. Hiervoor kan het historisch onderzoek van het uit te voeren onderzoek tezamen met de ontgravingskaart worden gebruikt als bewijsmiddel voor de PFAS-kwaliteit van de grond. Afhankelijk van de onderzoeksresultaten kan de grond worden toegepast. Als de kwaliteit van de grond voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ of beter, dan mag de grond worden toegepast op locaties waar een vergelijkbare toepassingseis, of ruimer, geldt. Als één of meerdere gehalten in de grond de Maximale Waarden voor ‘Industrie’ overschrijden, maar de interventiewaarde wordt niet overschreden, dan moet de grond worden getransporteerd naar een erkend verwerker. Als één of meer gehalten in de grond de interventiewaarde van de Wet bodembescherming overschrijdt, mag de grond niet worden toegepast en moet het spoor van de Wet bodembescherming worden gevolgd. De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde Lokale Maximale Waarden (
33/81). Door deze toetsregels wordt voorkomen dat gebiedseigen grond (
.2) met gehalten boven de vastgestelde Lokale Maximale Waarde tóch in de gemeenten wordt toegepast. Voorafgaand aan de toepassing van grond vanuit de bodemkwaliteitszone ‘B8. Wegbermen buitengebied’ en in een andere bodemkwaliteitszone wordt toegepast, moet een partijkeuring of een bodemonderzoek met een gepaste strategie uit de NEN 5740 worden uitgevoerd naar de kwaliteit van de toe te passen bermgrond. Afhankelijk van de onderzoeksresultaten kan de grond worden toegepast. De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde Lokale Maximale Waarden (
33/81). 4.3.6 Lokale Maximale Waarden toepassen gerijpte baggerspecie/grond van Waterschap Rivierenland op de waterkeringen die in beheer zijn van het Waterschap Rivierenland Onderbouwing Lokale Maximale Waarde Binnen het beheergebied van het Waterschap Rivierenland is een continue aanbod van baggerspecie. Bij het op diepte houden van de watergangen komt jaarlijks meer dan 400.000 kuub baggerspecie vrij. Dit op diepte houden gebeurt periodiek (eens per 10 tot 18 jaar) en wordt gedaan om het water uit de polders van regio Rivierenland adequaat af te voeren en/of de waterkwaliteit te verbeteren. Deze baggerspecie wordt, in voorkeursvolgorde: Direct nabij de watergang op de kant gezet (veelal landelijk gebied). In een weilanddepot verwerkt. Een weilanddepot ligt grenzend aan de watergang, de baggerspecie moet “verspreidbaar” zijn conform de resultaten van een waterbodemonderzoek. Een weilanddepot is alleen rendabel bij grote werken, voor zover de gerijpte bagger niet naar elders wordt verplaatst, moet na afloop het depot worden afgevlakt en ingezaaid. In een doorgangsdepot van het Waterschap verwerkt. De baggerspecie die in eigen depots wordt gestort, mag maximaal kwaliteitsklasse ‘Industrie’ zijn. Afgevoerd naar een grondbank of andere bodemintermediair, veelal buiten het beheergebied van het Waterschap Rivierenland. Reden hiervoor is dat binnen het beheergebied van het Waterschap de toepassingslocaties voor grotere volumes baggerspecie zeer schaars zijn. Voor de situatie zoals genoemd onder 3. zoekt het Waterschap naar meer duurzame mogelijkheden voor hergebruik van de onderhoudsbaggerspecie. Op jaarbasis gaat het hier om circa 100.000 kuub onderhoudsbaggerspecie, die in depots indroogt en rijpt tot circa 40.000 kuub. Het toepassen van gerijpte baggerspecie op waterkeringen is een goede mogelijkheid. Voorafgaand wordt de baggerspecie gerijpt in een weilanddepot of andere vorm van tijdelijke opslag met het oog op de definitieve toepassing zoals bedoeld in het Besluit. De kwaliteit van de baggerspecie voldoet aan de verspreidingsnorm uit het Besluit. Het betreft immers baggerspecie die normaliter op het aangrenzend perceel verspreid zou kunnen worden maar vanwege het ontbreken van voldoende fysieke ruimte of obstakels, afgevoerd moet worden. De baggerspecie voldoet hiermee ook aan de maximale waarden voor de bodemfunctie ‘Industrie’. In de praktijk varieert de kwaliteit van de onderhoudsbaggerspecie van ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde-AW2000)’ tot ‘Industrie’. Het Waterschap stelt dat de waterkeringen die in het beheer zijn van het Waterschap Rivierenland onverdacht voor bodemverontreiniging lijken, maar dat gezien het historische gebruik en beheer, en onderbouwd met onderzoek, het zeer aannemelijk is dat in de waterkeringen in beheer van het Waterschap Rivierenland heterogeen verspreide verontreinigingen voor komen (kwaliteitsklasse ‘Wonen’ tot soms saneringsgevallen). Daarom wordt het niet doelmatig geacht om op waterkeringen waar verontreinigingen voorkomen, alleen maar grond te mogen toepassen die voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde-AW2000)’. Op waterkeringen in beheer van het Waterschap Rivierenland mogen geen groenten of gewassen worden geteeld. Wel worden delen van de waterkeringen bewoond of vindt begrazing met schapen plaats. Dit levert echter geen andere risico's met zich mee dan percelen waar onderhoudsbaggerspecie wordt verspreid. Vooral als de beoogde toepassing wordt afgedekt met een schone teeltlaag. Tenslotte wordt opgemerkt dat, bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet, naar verwachting een strengere normering (msPAF) voor het verspreiden van baggerspecie op het aangrenzend perceel gaat gelden. De normering gaat meer gericht worden op landbouwkundig gebruik (het betreft hier de zogenaamde package-deal tussen de Unie van Waterschappen en het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, waarbij is tegemoetgekomen aan de wens van de landbouw om verspreidingsnormen dichter bij de LAC-waarden te brengen. Ten slotte wordt opgemerkt dat het toepassen van grond “in ophogingen en waterbouwkundige constructies […] met het oog op hoogwaterbescherming, de doelstellingen van de Kaderrichtlijn water […]” binnen het Besluit als een nuttige toepassing wordt gezien (
artikel 35 onderdeel c van het Besluit). Lokale Maximale Waarde De gemeenten willen de mogelijkheden voor het nuttig toepassen van grond, verworden van baggerspecie uit het beheergebied van het Waterschap Rivierenland, met de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ en 'Industrie' vergroten door toe te staan dat deze grond met de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ of ’Industrie’ mag worden gebruikt voor het op hoogte brengen van de waterkeringen die in het beheer zijn van het Waterschap Rivierenland. Voorwaarde is dat de kwaliteit blijkt uit een partijkeuring, en dat de laag opgebrachte grond wordt afgedekt met een teeltlaag van circa 30 centimeter dikte. Deze teeltlaag moet blijkens een partijkeuring of een bodemonderzoek volgens de NEN 5740 of de NEN 5707 met een gepaste onderzoeksstrategie voor de ontgravingslocatie, voldoen aan de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde-AW2000)’, of te zijn opgebouwd uit de huidige teeltlaag van de waterkering. Voorafgaand aan de toepassing moet toestemming zijn verkregen van de perceeleigenaar van het terrein waar de grond wordt toegepast. Mogelijk gelden er ook civieltechnische eisen aan de toe te passen grond. Op deze manier voldoet de regionale waterkering aan het toekomstige gebruik en kan een doelmatige toepassing van grond van het Waterschap Rivierenland worden bereikt bij zo laag mogelijke maatschappelijke kosten, zonder afbreuk te doen aan het milieu. De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde Lokale Maximale Waarden (
33/81). De ligging van de waterkeringen die in beheer zijn van het Waterschap Rivierenland, is opgenomen in kaartbijlage 6. De Lokale Maximale Waarde voor het op hoogte brengen van de waterkeringen die in het beheer zijn van het Waterschap Rivierenland is, voor grond die is verworden uit baggerspecie vanuit het beheergebied van het Waterschap Rivierenland, vastgesteld op de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ . Voorwaarde hierbij is dat nadat de grond is opgebracht deze wordt afgedekt met een teeltlaag van minimaal 30 centimeter dikte. Deze teeltlaag moet blijkens een partijkeuring of een bodemonderzoek volgens de NEN 5740 met een gepaste onderzoeksstrategie voor de ontgravingslocatie, minimaal van de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde-AW2000)’ zijn, of te zijn opgebouwd uit de huidige teeltlaag van de regionale waterkering. Voorafgaand aan de toepassing moet toestemming zijn verkregen van de perceeleigenaar van het terrein waar de grond wordt toegepast. Mogelijk gelden er ook civieltechnische eisen aan de toe te passen grond. De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde Lokale Maximale Waarden (
33/81). 4.3.7Lokale Maximale Waarden toepassen PFAS-houdende grond en verspreiden PFAS-houdende baggerspecie in de regio Rivierenland Definiëren Lokale Maximale Waarden toepassen PFAS-houdende grond en verspreiden PFAS-houdende baggerspecie in de regio Rivierenland Zoals uit bodemonderzoeken[20] in en de bodemkwaliteitskaart[2] van de regio Rivierenland is gebleken, wordt in de grond een variatie aan gehalten met PFAS-verbindingen vastgesteld; er worden zowel hogere als lagere gehalten aan PFAS-verbindingen gemeten. Ook op locatieniveau is vaak sprake van variatie in gehalten aan PFAS-verbindingen, met name aan PFOA en PFOS. Om beter invulling te geven aan deze variatie, hebben de gemeenten Lokale Maximale Waarden voor PFAS-verbindingen in de bovengrond gedefinieerd. Deze zijn gebaseerd op mogelijkheden die het geactualiseerde tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie biedt (
tabel 4.2). Gezien de vastgestelde licht verhoogde gehalten in de regio Rivierenland, vinden de gemeenten de gedefinieerde Lokale Maximale Waarden een voldoende kwaliteit om zonder risico’s grond met licht verhoogde gehalten aan PFAS-verbindingen in de gemeente toe te staan. Toekomstige bijstelling van de voorlopige landelijke achtergrondwaarden en toepassingswaarden voor PFAS-houdende grond en (gerijpte) baggerspecie Tot en met 2020 wordt er nog veel onderzoek gedaan naar PFAS-verbindingen (bijvoorbeeld naar mobiliteit, uitloging, bioaccumulatie en gedrag in grondwater) en worden er landelijk veel meetgegevens door het RIVM verzameld. Op basis van deze onderzoeken en meetgegevens worden definitieve interventiewaarden gedefinieerd en worden mogelijk de voorlopige landelijke achtergrondwaarden en toepassingswaarden voor PFAS-verbindingen aangepast. Als de voorlopige landelijke achtergrondwaarden en/of toepassingswaarden voor PFAS-houdende grond worden gewijzigd, hanteren de gemeenten de gewijzigde landelijke achtergrondwaarden en/of toepassingswaarden. De gemeenten evalueren de wijzigingen met de in de tabel 4.2 weergegeven Lokale Maximale Waarden. Indien van toepassing worden de Lokale Maximale Waarden gewijzigd en bestuurlijk vastgesteld. Tabel 4.2 Lokale Maximale Waarden PFAS-verbindingen in de grond in de regio Rivierenland Stof Toepassingswaarden PFAS-verbindingen (in µg/kg
ook § 6.2) PFOA (som, lineair, vertakt) 7,0* PFOS (som, lineair, vertakt) 3,0* Elke andere PFAS-verbinding 3,0* Verspreiden onderhoudsbaggerspecie op aangrenzende percelen (gebiedsspecifiek beleid;
ook § 6.3) PFOA (som, lineair, vertakt) 2,8** PFOS (som, lineair, vertakt) 1,4*** Elke andere PFAS-verbinding 1,4*** Toepassen grond en verspreiden onderhoudsbaggerspecie in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden PFOA (som, lineair, vertakt) **** PFOS (som, lineair, vertakt) **** Elke andere PFAS-verbinding **** # Als de voorlopige landelijke achtergrondwaarden en/of toepassingswaarden voor PFAS-houdende grond van het tijdelijk handelingskader PFAS-houdende grond worden gewijzigd, hanteren de gemeenten de gewijzigde landelijke achtergrondwaarden en/of toepassingswaarden. De gemeenten evalueren de wijzigingen met de in deze tabel weergegeven Lokale Maximale Waarden. Indien van toepassing worden de Lokale Maximale Waarden gewijzigd. * Deze waarde is gebaseerd op de voorlopige landelijke toepassingswaarden voor PFAS-houdende grond en baggerspecie bij de bodemfunctieklassen ‘Wonen’ en ‘Industrie’ én het verspreiden van onderhoudsbaggerspecie op aangrenzende percelen. Op basis van de huidige inzichten is er bij de aangegeven waarden geen sprake van risico’s voor de gezondheid en overschrijding van effectniveaus voor het ecosysteem. ** Gebaseerd op de 90-percentielwaarde van de bovengrond, de gebiedseigen kwaliteit, in de regio Rivierenland. *** Deze waarde is gebaseerd op de voorlopige landelijke achtergrondwaarden voor PFAS-verbindingen. **** Er moet worden voldaan aan de toepassingsvoorwaarden uit de Omgevingsverordening Gelderland. 4.3.8Lokale Maximale Waarden tijdelijke opslag van grond uit het bodembeheergebied In het generieke kader van het Besluit moet bij de tijdelijke opslag van grond (langer dan 6 maanden en maximaal 3 jaar) de ontgravingskwaliteit van de grond gelijk of beter zijn dan de bodemkwaliteitsklasse van de (tijdelijk) ontvangende bodem (
respectievelijk de tabellen 3.6 en 3.5 van de rapportage van de nieuwe gezamenlijke bodemkwaliteitskaart). Deze voorwaarde past goed binnen de uitgangspunten van het landelijk geldende generieke toepassingskader (het standstill principe). In sommige bovengrondzones leidt dit met gebiedseigen grond tot knelpunten. In sommige gebieden kan zich bijvoorbeeld de situatie voordoen dat op een bepaalde locatie, waar de ontvangende bodem de kwaliteitsklasse ‘Achtergrondwaarde (AW2000)’ heeft, wel partijen grond van de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ of ‘Industrie’ mag worden toegepast, maar dat dezelfde partij grond daar niet tijdelijk mag worden opgeslagen. Dat staat haaks op de definitie van tijdelijke opslag die in het Besluit is opgenomen: "De tijdelijke opslag van grond/gerijpte baggerspecie voorafgaand aan de definitieve nuttige toepassing." Daarom verruimen de gemeenten de regels voor de tijdelijke opslag van grond. Een partij grond mag voorafgaand aan de definitieve toepassing, op of direct naast de toepassingslocatie tijdelijk worden opgeslagen voor een maximale periode van 3 jaar als het afkomstig is uit het bodembeheergebied (
.2) en volgens de gebiedsspecifieke toepassingseisen (
De Lokale Maximale Waarde voor tijdelijke opslag van grond uit het bodembeheergebied van de gemeenten (
5De uitwerking van het overige gemeentelijke grondstromenbeleid 5.1Toepassen grond met bodemvreemd materiaal (puin, bakstenen, plastic, piepschuim etc.) In de Regeling bodemkwaliteit staat het volgende over grond en baggerspecie: “Voor de toepassing van het besluit wordt onder grond of baggerspecie mede verstaan grond of baggerspecie waarin: ten hoogste 20 gewichtsprocenten bodemvreemd materiaal voorkomt dat voorafgaand aan het ontgraven of bewerken in de grond of baggerspecie aanwezig was en waarvan niet is te voorkomen dat de grond of baggerspecie daarmee is vermengd, voor zover het steenachtig materiaal of hout betreft; en alleen sporadisch ander bodemvreemd materiaal dan steenachtig materiaal of hout als bedoeld onder a voorkomt, dat voorafgaand aan het ontgraven of bewerken in de grond of baggerspecie aanwezig was, voor zover redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat het uit de grond of baggerspecie wordt verwijderd voordat het wordt toegepast.” Daarom hanteren de gemeenten het onderstaande beleid voor bijmenging van bodemvreemd materiaal: Bij het aanleveren van historische gegevens (
.1) voorafgaand aan het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond moet aandacht besteed worden aan het voorkomen van bodemvreemd materiaal in de grond. Tijdens de grondwerkzaamheden moet een visuele controle plaatsvinden of de grond mogelijk verontreinigd is met bodemvreemde bijmengingen. De toe te passen grond mag maximaal een vergelijkbare hoeveelheid bodemvreemd materiaal bevatten als de ontvangende bodem, met een maximum van 20 gewichtsprocent voor hout en niet-asbestverdacht steenachtig bodemvreemd materiaal (bijvoorbeeld klinkers, bakstenen of tegels). Om het milieu minder met andere bijmengingen dan hout en steenachtige materialen (bijvoorbeeld plastics en piepschuim) te belasten mag in de toe te passen grond slechts een ‘sporadische’ bijmenging aan andere bodemvreemde materialen dan hout en steenachtige materialen bevatten. Hierbij wordt aangesloten op de Regeling. Als er twijfel is kan een gemeente een onderzoek eisen waarbij het percentage bodemvreemd materiaal in de toe te passen grond en/of de ontvangende bodem wordt bepaald. Als er geen sprake is van sterk verontreinigde grond, is het toegestaan om door civieltechnisch zeven het percentage bodemvreemd materiaal terug te brengen naar het toegestane percentage. Het civieltechnisch zeven wordt niet als een tussentijdse bewerking beschouwd (
de Nota van Toelichting Besluit bodemkwaliteit artikel 36, derde lid). Het uitgezeefde bodemvreemd materiaal moet worden getransporteerd naar een erkend verwerker. Is het bodemvreemd materiaal niet uit te zeven, bijvoorbeeld bij kolengruis, dan moet een alternatieve toepassingslocatie voor de grond worden gezocht. Als tijdens de grondwerkzaamheden asbestverdacht materiaal (asbest(golf)plaat, bouw- en sloopafval, gemengd puin, betonpuin en metselpuin) wordt waargenomen, moeten de werkzaamheden direct gestaakt worden (Arbeidsomstandighedenwet en -besluit)[21], moet een verkennend (asbest)onderzoek worden uitgevoerd en moet contact worden opgenomen met de Omgevingsdienst Rivierenland. Dit geldt ook voor overige bijmengingen en afwijkingen zoals kleur en geur die redelijkerwijs op een bodemverontreiniging kunnen wijzen met bijvoorbeeld minerale olie of met vluchtige stoffen. Als in de toe te passen grond meer dan het toegestane percentage bodemvreemd materiaal aan bijmenging wordt vastgesteld, of er wordt asbest of een andere niet verwachte mogelijke bodemverontreiniging aangetroffen, dan moet dit direct worden gemeld aan de Omgevingsdienst Rivierenland en moet het werk (tijdelijk) worden gestaakt. Toe te passen grond mag maximaal een vergelijkbare hoeveelheid bodemvreemd materiaal (hout en steenachtige materialen zoals puin, bakstenen, cement, beton) bevatten als de ontvangende bodem, met een maximum van 20 gewichtsprocent voor bijvoorbeeld niet-asbestverdacht bodemvreemd materiaal én een ‘sporadische’ bijmenging aan andere bodemvreemde materialen dan hout en steenachtige materialen (bijvoorbeeld plastics of piepschuim). 5.2Toepassen van grond met bijmenging van asbest Voor grond geldt als generieke toepassingseis dat deze maximaal 100 mg/kg droge stof (ds) (gewogen) asbest mag bevatten en de concentratie aan respirabele vezels mag niet groter zijn dan 10 mg/kg ds (gewogen). Dit betreft een gewogen gehalte, zijnde het gehalte serpentijnasbest plus tienmaal het gehalte amfiboolasbest. De gemeenten hanteren de landelijke norm met als voorwaarde dat de grond ten hoogste sporadisch visueel waarneembaar asbestverdacht materiaal mag bevatten. Als asbest(golf)plaat en/of ander asbestverdacht materiaal (zoals bouw- en sloopafval, gemengd puin, betonpuin en metselpuin) wordt aangetroffen in de toe te passen grond, moet altijd een asbestonderzoek conform de laatste versie van de NEN 5707[22] plaatsvinden (de nieuwste stand der techniek) waarmee het gehalte van asbest wordt vastgesteld. De NEN 5707 moet worden gebruikt bij een bijmenging met bodemvreemd materiaal tot en met 50 gewichtsprocent. Als meer dan 50 gewichtsprocent aan bijmenging met bodemvreemd materiaal is vastgesteld, is er geen sprake van grond en moet de NEN 5897[23] worden gebruikt. In overleg met de Omgevingsdienst Rivierenland kan ook direct een partijkeuring worden uitgevoerd (inclusief, dan wel specifiek op asbest). Een onderzoek conform de NEN 5707 of de NEN 5897 is volgens het de Regeling (
paragraaf 4.3) namelijk geen erkend bewijsmiddel. Of bodemvreemd materiaal daadwerkelijk asbestverdacht is, is onder andere afhankelijk van het type puin dat aanwezig is, het historisch gebruik van de locatie (bijvoorbeeld op welk moment het puin is geproduceerd dan wel in de bodem terechtgekomen) en de soort puinbijmenging. Alleen als voldoende kan worden onderbouwd of gemotiveerd dat het puin in de grond geen asbest kan bevatten, is de grond niet-verdacht voor asbest. In de NEN 5725[24] is hierover het volgende beschreven: “Of puin daadwerkelijk asbestverdacht is, is onder andere afhankelijk van het type puin dat is toegepast en het historisch gebruik van de locatie, bijvoorbeeld op welk moment het puin is geproduceerd dan wel is toegepast. Er zijn verschillende typen puin: metselpuin, betonpuin, puin van asfalt, klinkers en/of straatstenen en historisch puin. Vooral bij ongedefinieerd gemengd bouw‐ en sloopafval is de kans groot dat dit asbestcementplaatmateriaal bevat (stukjes golfplaat, vlakke plaat, daklei en buis). Ook in betonpuin (vooral funderingspuin) komt incidenteel asbestcement voor in de vorm van asbestcementbuizen, verloren bekisting en stelplaatjes. In de overige soorten puin (puin van asfalt, asfalt, bakstenen, dakpannen, cement, klinkers en/of straatstenen, trottoirbanden en historisch puin -puin van voor 1945-) zit in de regel geen asbesthoudend materiaal en de aanwezigheid daarvan maakt een locatie niet verdacht. Indien het (puin)granulaat duidelijk visueel herkenbaar is als eenduidig materiaal en voldoende kan worden onderbouwd dat dit materiaal niet vermengd kan zijn met asbesthoudend materiaal, is de (deel)locatie niet verdacht. De kans op het aantreffen van asbest is sterk afhankelijk van de herkomst en ouderdom van het materiaal. Op basis van de leeftijd van het bouw‐ en sloopafval of recyclinggranulaat is het mogelijk om de verdachtheid nader vast te stellen.” In tabel 5.2 is aangegeven welke kans er is op het aantreffen van asbest in relatie tot de leeftijd van het materiaal. Recent onderzoek door TNO[25] naar bodemvreemd materiaal in de bodem en het voorkomen van asbest wijst uit dat ten opzichte van onverdachte locaties: hogere gehalten met asbest worden gemeten in grond met bijmengingen met bouw- en sloopafval, gemengd puin, betonpuin en metselpuin; hogere gehalten met asbest worden gemeten in grond als meer bodemvreemd materiaal in de grond aanwezig is; hogere gehalten met asbest worden gemeten in grond als er slechts spoortjes puin aan bijmenging aanwezig zijn. Tabel 5.2 Kans op aantreffen van asbest in puin(granulaat) in relatie tot leeftijd materiaal (bron: NEN 5725) Periode Kans op aantreffen asbest Soort asbest Indicatief gehalte (mg/kg) Asbestverdacht? Puin Vóór 1945 Gering Hechtgebonden <10 Nee 1945-1980 Groot Hechtgebonden en niet-hechtgebonden >100 Ja 1980-1993/1995 Tamelijk groot Meestal hechtgebonden 10-100 Ja 1993/1995-1998 Gering Meestal hechtgebonden Vaak <10, incidenteel >10 In principe ja 1998-2005 Incidenteel Hechtgebonden < 10 Nee Na 2005 Nihil Hechtgebonden <<10 Nee (Gecertificeerd) recyclinggranulaat <1998 (niet gecertificeerd) Groot Ja 1998-2005 (gecertificeerd) Tamelijk groot Ja Na 2005 (gecertificeerd) Nihil Nee Onder Certiva certificaat Nee Puin Bouw en sloopafval van project met een asbestinventarisatierapport waar door een gecertificeerd asbestinventarisatiebedrijf is aangegeven dat in het betreffende bouwwerk geen asbest aanwezig is. Nee Bouw- en sloopafval van project met een asbestvrijgaverapport waar door een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf is aangegeven dat het al in het betreffende bouwwerk aanwezige asbest is verwijderd. Nee Puin dat aantoonbaar voldoet aan de SCB-007/BRL9999 en aantoonbaar is verkregen uit een sloop die aantoonbaar is uitgevoerd conform SCB-007/BRL9999. Nee Bouw- en sloopafval dat afkomstig van een sloper en wordt geleverd met een conformiteitsverklaring volgens de SCB-007/BRL9999. Nee Voor grondverzet op terreinen waar gebouwen met asbestdaken aanwezig zijn dient voor de juiste onderzoeksmethode contact te worden opgenomen met de Omgevingsdienst Rivierenland. Als de maximale waarde voor asbest wordt overschreden (100 mg/kg ds -gewogen-), is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging en moet dit worden gemeld bij het bevoegd gezag Wet bodembescherming. Dit geldt óók als de maximale waarde voor asbest niet wordt overschreden, maar meer dan 10 mg/kg ds (gewogen) aan respirabele vezels wordt gemeten. Dit betreft een gewogen gehalte, zijnde het gehalte serpentijnasbest plus tienmaal het gehalte amfiboolasbest. Voor de gemeenten geldt dat de provincie Gelderland, totdat de Omgevingswet inwerking treedt (daarna de betreffende gemeente) het bevoegd gezag is. Als de zorgplicht van toepassing is (asbestverontreiniging ontstaan vanaf 1993) moet direct gesaneerd worden. Is de zorgplicht niet van toepassing, dan moet met een risicobeoordeling worden vastgesteld of er sprake is van onaanvaardbare risico’s (
bijlage 3 van de Circulaire bodemsanering[26]). Als in grond die is verontreinigd met asbest (≤100 mg/kg ds -gewogen- én ≤10 mg/kg ds -gewogen- aan respirabele vezels) en méér dan de voornoemde percentages bodemvreemd materiaal is vastgesteld én het asbest is alleen gerelateerd aan het bodemvreemde materiaal, dan mag het met asbest verontreinigde bodemvreemde materiaal op een daartoe passende wijze uit de grond gezeefd worden. Dit tussentijdse (civieltechnische) zeven wordt niet als een bewerking gezien (
de Nota van Toelichting Besluit bodemkwaliteit artikel 36, derde lid). Bij een eerstvolgende wijziging van de Wet milieubeheer wordt het eenvoudiger om met asbest verontreinigde grond bij een asbestdak zonder goed functionerende dakgoot/regenwaterafvoer te verwijderen. Het gecertificeerde asbestverwijderingsbedrijf mag onder vermelding in het Landelijke AsbestVolgSysteem (LAVS) bij de verwijdering van het asbestdak óók de met asbest verontreinigde toplaag verwijderen. Toe te passen grond mag maximaal 100 mg/kg droge stof (ds) (gewogen) asbest en maximaal 10 mg/kg ds (gewogen) aan respirabele vezels bevatten met als voorwaarde dat de grond ten hoogste sporadisch visueel waarneembaar asbestverdacht materiaal mag bevatten. 5.3Tijdelijke uitname van grond bij graafwerkzaamheden bij ondergrondse infrastructuur (uitgezonderd de tot het jaar 2000 aangelegde wegen) en groenvoorzieningen Bij aanleg, vervang-, reparatiewerkzaamheden van ondergrondse infrastructuur zoals kabels, leidingen, rioleringen en graafwerkzaamheden bij groenvoorzieningen, wordt grond ontgraven en weer toegepast (tijdelijke uitname van grond). In het Besluit is onder voorwaarden het tijdelijk verplaatsen van grond, tijdelijke uitname, op een niet-verdachte locatie (volgend uit de aangeleverde historische gegevens; aangelegde wegen tot het jaar 2000 vallen hier niet onder,
hoofdstuk 2) toegestaan zonder dat een kwaliteitsbepaling is uitgevoerd, een functietoets is gedaan en een melding is verricht. De voorwaarden hierbij zijn dat: er geen sprake is van een (potentieel) geval van ernstige bodemverontreiniging; er geen tussentijdse bewerking 17 Het tussentijds civieltechnisch zeven (cosmetisch zeven) wordt niet als tussentijdse bewerking beschouwd (
de Nota van Toelichting Besluit bodemkwaliteit artikel 36, derde lid). plaatsvindt; de grond onder dezelfde condities op of nabij de herkomstlocatie weer worden toegepast; ondergrond wordt weer ondergrond en bovengrond wordt weer bovengrond. Met deze laatste voorwaarde is het zogenaamde ‘over-de-kop-werken’ (de bovengrond en de ondergrond worden niet gescheiden ontgraven) bij graafwerkzaamheden niet mogelijk. Dit is niet wenselijk omdat bij veel graafwerkzaamheden er geen tot (zeer) weinig ruimte op en in de nabije omgeving van de graaflocatie aanwezig is om de boven- en ondergrond gescheiden tijdelijk op te slaan. Ook is de grond in de meeste situaties, bijvoorbeeld bij de aanleg en reparatie van de ondergrondse infrastructuur, al eerder 'over-de-kop' gegaan. Vanwege de voornoemde knelpunten bij de tijdelijke uitname van grond, verruimen de gemeenten voor niet-verdachte locaties de regels voor graafwerkzaamheden bij de tijdelijke uitname van grond bij kabels, leidingen, rioleringen en graafwerkzaamheden bij groenvoorzieningen als volgt: Bij graafwerkzaamheden bij ondergrondse infrastructuur en bij groenvoorzieningen op niet- verdachte locaties, hoeven de bovengrond (bodemlaag vanaf het maaiveld tot 0,5 meter diepte), de tussenlaag (bodemlaag 0,5-1,0 m-mv) en de ondergrond (bodemlaag dieper dan 1,0 meter) niet gescheiden te worden ontgraven. De grond mag worden geroerd en hoeft niet in dezelfde bodemlagen te worden teruggeplaatst. De eerste 2 voornoemde voorwaarden blijven overigens gelden. Als grond na ontgraving niet meer kan worden teruggeplaatst en niet gescheiden is ontgraven, kan deze elders nuttig worden hergebruikt met de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel van de chemische kwaliteit. Omdat de grond niet gescheiden is ontgraven, geldt de ‘minste’ kwaliteit van beide bodemlagen. Als de grond gescheiden is ontgraven (bodemlagen 0-0,5 m-mv, 0,5-1,0 m-mv en 1,0 m-mv en dieper) kunnen de ontgravingskaarten worden gebruikt (
de kaartbijlagen 3). In 2020 heeft een werkgroep bestaande uit vertegenwoordigers van decentrale overheden, bedrijfsleven, Inspectie Leefomgeving en Transport, Inspectie SZW en Rijkswaterstaat Bodem+ een richtlijn opgesteld voor risico gestuurd werken bij tijdelijk uitplaatsen (zonder afvoer van grond) met betrekking tot asbest in puinhoudende bodem[27]. De richtlijn is bedoeld voor opdrachtgevers, adviseurs, veiligheidskundigen, uitvoerende organisaties en bevoegde overheden. De richtlijn geeft nadere invulling aan de risicogestuurde werkwijze uit de CROW-publicatie 400[28] bij het onverwacht tijdens het werk in de bodem aantreffen van puin en/of asbestverdacht materiaal. De gemeenten adviseren deze richtlijn aan te houden zodat onderzoekstijd en -geld naar asbest in de bodem kan worden bespaard. Uitgezonderd van dit beleid is de tijdelijke uitname van grond in de bodemkwaliteitszones ‘B1./O1.Wonen voor 1950 I’, ‘B4./O4. Industrie voor 1950’ en ‘B7. (Voormalige) boomgaarden’. In deze zones zijn relatief hoge gehalten aan meerdere stoffen vastgesteld. Voorafgaand aan de graafwerkzaamheden in deze zones moet de vrijkomende grond worden onderzocht (
Als de interventiewaarde wordt overschreden moet de standaardprocedure van de Wet bodembescherming worden gevolgd. Mogelijk kan gebruik worden gemaakt van een BUS-melding[29] tijdelijke uitname. Als uit het onderzoek blijkt dat de interventiewaarde niet wordt overschreden en gewerkt wordt met een gesloten grondbalans, mag alsnog de grond worden geroerd en hoeft niet in dezelfde bodemlagen te worden teruggeplaatst. Als niet wordt gewerkt met een gesloten grondbalans, moet grond die niet op het werk blijft, voorafgaand aan een nuttige toepassing elders, worden gekeurd (
Voor tijdelijke uitname van grond bestaat regelgeving omtrent het doen van onderzoek en melding. Hiervoor wordt verwezen naar § 8.2, § 9.1, § 9.2.1 en § 9.2.
5.5Toepassen van grond vanuit de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden maaiveld Zoals in de gezamenlijke bodemkwaliteitskaart van regio Rivierenland is aangegeven, maakt de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld geen onderdeel uit van de bodemkwaliteitskaart. Grond vanuit deze bodemlaag die elders nuttig wordt toegepast, moet voorafgaand aan de toepassing worden gekeurd. Afhankelijk van de keuringsresultaten mag de grond worden toegepast. Dit leidt tot extra kosten en uitvoeringstijd als grond vrijkomt bij bijvoorbeeld rioleringswerkzaamheden, ondertunneling, kelders en ondergrondse parkeergarages. Omdat de verwachting is dat de kwaliteit van de bodemlaag dieper dan 2 meter niet afwijkt van de kwaliteit van de bodemlaag die hierboven ligt (vanaf 1,0 meter tot en met 2 meter diepte), wordt dit niet doelmatig geacht. De gemeenten verruimen voor niet-verdachte locaties de regels voor het toepassen van grond vanuit de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld. Dit betekent dat de vrijkomende en zintuiglijk niet verontreinigde grond uit de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld, op dezelfde wijze beoordeeld mag worden als de bovenliggende bodemlaag van 1,0 meter diepte tot en met 2 meter diepte (
hoofdstuk 2, tabel 2.1). De vrijkomende en zintuiglijk niet verontreinigde grond van niet-verdachte locaties uit de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld mag op dezelfde wijze beoordeeld worden als de bovenliggende bodemlaag van 1,0 meter diepte tot en met 2 meter diepte. 5.6Toepassen grond afkomstig van buiten de gemeenten Grond afkomstig van gebieden van buiten de gemeenten moet altijd zijn gekeurd (
.2.1) en voldoen aan de toepassingseisen conform het generieke kader van het Besluit (
hoofdstuk 2, tabel 2.1 en de kaartbijlage 4A en 4B). De in § 4.3 vastgestelde Lokale Maximale Waarden gelden niet voor grond van buiten het bodembeheergebied (
ook § 4.2). Uitzondering hierop vormen Lokale Maximale Waarden die strenger zijn dan het generieke kader van het Besluit. Het betreft strengere toepassingseisen voor grond in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden (
.3.2 en § 4.3.7 ‘Toepassen grond en verspreiden onderhoudsbaggerspecie in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden’) en strengere toepassingseisen voor grond met lood op terreinen met gevoelig bodemgebruik (
.3.3 ‘Lokale Maximale Waarden gebieden met de (toekomstige) bodemfuncties ‘Industrie’ en ‘Wonen’). 5.7Melden en onderzoeken bij toepassingen van kleine partijen grond (maximaal 50 m3) Het komt vaak voor dat er bij bijvoorbeeld loonwerkers of de gemeentelijke afdeling voor groenonderhoud kleine partijen grond vrijkomen. Bijvoorbeeld bij (groen-) onderhoudswerkzaamheden of het plaatsen van bomen. In principe moeten alle toepassingen van kleine partijen grond worden gemeld, behalve partijen schone grond en schone gerijpte baggerspecie met een maximale omvang van 50m3. Ook particulieren zijn vrijgesteld van de meldplicht (
ook § 9.2.2). Het is echter niet redelijk om voor alle kleine partijen niet-schone grond een onderzoek (bijvoorbeeld een partijkeuring) te verlangen en bij toepassing deze te melden. De gemeenten verruimen de vrijstelling voor onderzoek en meldplicht voor een kleine partij grond. De vrijstelling is afhankelijk van de herkomst, de hoeveelheid en het bodemgebruik op de plaats van toepassing. In tabel 5.3 zijn de mogelijkheden voor kleine partijen weergegeven. Het heeft echter de voorkeur, dat de kleine partijen vrijkomende grond worden verzameld tot maximaal 25 m3 (
artikel 4.3.2 van de Regeling), bijvoorbeeld in een hiervoor bestemde container. De samengevoegde partijtjes grond moeten vervolgens worden aangeboden aan een erkend bodemintermediair die is gecertificeerd en erkend voor de BRL SIKB 9335[29x]. Net als met elke andere toepassing van grond moet altijd toestemming verkregen worden van de perceeleigenaar van de ontvangende locatie. Hiermee wordt voorkomen dat er ongecontroleerde stort plaatsvindt. Ook voor kleine partijen grond geldt dat altijd historisch onderzoek uitgevoerd moet worden om aan te tonen dat de grond afkomstig is van een voor bodemverontreiniging niet-verdachte locatie (
Tabel 5.3 Regels voor keuring en melding bij toepassingen van kleine partijen grond. Grondstroom Van gebieden waarvan de bodemkwaliteitskaart niet is geaccepteerd of geen bodemkwaliteitskaart is vastgesteld Van gebieden van de eigen en geaccepteerde bodemkwaliteitskaarten Schone grond Volgens grondstromenmatrix (bijlage 4) vrij grondverzet Volgens grondstromenmatrix (bijlage 4) geen vrij grondverzet Hoeveelheid ≤50 m3 >50 m3 ≤50 m3 >50 m3 ≤25m3 >25m3 Keuring? Nee Ja Nee, tenzij een bepaald bodem-gebruik* Nee, tenzij een bepaald bodem-gebruik* Nee, tenzij een bepaald bodem-gebruik* Ja Melden? Nee, wel toestemming vragen aan perceel-eigenaar Ja,
.2 Nee, wel toestemming vragen aan perceel-eigenaar Ja,
.2 Ja,
Bepalingen uit § 5.1 t/m § 5.3 en er mag geen sprake zijn van een voor bodemverontreiniging ve
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.