Besluit van de gemeenteraad van de gemeente Vijfheerenlanden houdende regels omtrent grondverzet en bodemsaneringBurgemeester en wethouders van Vijfheerenlanden maken op grond van artikel 50 en 51 Besluit bodemkwaliteit en artikel 6:8 lid 4 Awb bekend dat de vastgestelde Bodemkwaliteitskaart en de vastgestelde Nota Bodembeheer Vijfheerenlanden ter inzage liggen. Met de Bodemkwaliteitskaart en de Nota Bodembeheer Vijfheerenlanden worden de bestaande Bodemkwaliteitskaart en het beleid van de gemeenten Leerdam, Vianen en Zederik geharmoniseerd en geactualiseerd. De vastgestelde Bodemkwaliteitskaart en Nota Bodembeheer Vijfheerenlanden liggen ter inzage vanaf vrijdag 15 januari 2021 tot en met donderdag 25 februari 2021. De stukken liggen bij de gemeente Vijfheerenlanden, op de locatie Leerdam (dr. Reilinghplein 1) tijdens openingstijden. Kijk voor actuele informatie omtrent de openingstijden/kantoortijden en het maken van een afspraak op de website van de gemeente. Voor meer informatie kunt u contact opnemen via telefoonnummer: 088 – 599 7000 of via e-mailadres: info@vijfheerenlanden.nl. Een belanghebbende die tijdig zijn zienswijze kenbaar heeft gemaakt of die aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest om zijn zienswijze bij de gemeenteraad kenbaar te maken, kan binnen zes weken beroep aantekenen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. De termijn van zes weken start een dag na de terinzagelegging van de stukken. In het beroepschrift moet u de volgende gegevens vermelden: uw naam en adres, de datum, een omschrijving van het besluit waar u het niet mee eens bent en de redenen waarom u een beroepschrift indient en zo mogelijk stuurt u een kopie van dit besluit mee. U sluit uw beroepschrift af met uw handtekening. Als sprake is van een spoedeisend belang dan kunt u verzoeken om een voorlopige voorziening bij Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. U kunt ook digitaal een beroepschrift indienen en/of om een voorlopige voorziening verzoeken via https://digitaalloket.raadvanstate.nl/ Daarvoor moet u wel beschikken over een elektronische handtekening (DigiD). Aan het indienen van een beroepschrift en een verzoekschrift zijn kosten verbonden (griffierechten). Voor de hoogte van deze griffierechten kunt u contact opnemen met de griffie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Nota bodembeheer Gemeente Vijfheerenlanden Beleidskader voor grondverzet en bodemsanering Inhoudsopgave Samenvatting 1. Inleiding 1.1. Aanleiding 1.2. Leeswijzer 2. Achtergronden beleid grondverzet 2.1 Doelstelling nieuwe beleid 2.2 Doelgroep 2.3 (Veranderingen) bevoegd gezag taken 2.4 Verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid 2.5 Reikwijdte van het beleid 3. Wettelijk kader grondverzet 3.1 Landelijk kader voor het grondverzet 3.2 Randvoorwaarden Gebiedsspecifiek beleid 3.3 Voordelen Gebiedsspecifiek beleid 3.4 Toezicht en handhaving Besluit bodemkwaliteit 4. Bodemkwaliteitskaart 4.1 Bodemfunctieklassenkaart 4.2 Bodemzoneringskaart 4.3 Ontgravingskaart 4.4 Toepassingskaart 5. Gebiedsspecifieke beleid grondverzet 5.1 Uitgangspunten van het gemeentelijk bodembeleid 5.2 Uitbreiding eigen bodembeheergebied 5.3 Gewenste beschermingsniveau 5.4 Niet-zone gerelateerde beleidsregels 5.4.1 Toepassen van grond met bodemvreemd materiaal 5.4.2 Toepassen van grond op gevoelige functies 5.4.3 Toepassen van lood-houdende grond in tuinen 5.4.4 Toepassen grond op bedrijfs- en industrieterreinen 5.4.5 Uitwisselen van grond tussen bermen van (spoor)wegen 5.4.6 Uitwisselen van grond tussen boomgaardpercelen 5.4.7 Ontgraven van grond t.b.v. kabels, leidingen en riolering 5.4.8 Ontgraven van grond dieper dan 2 meter 5.4.9 Verspreiden van bagger op de landbodem 5.4.10 Tijdelijke opslag van grond en bagger 5.5. Zone-gerelateerde beleidsregels 5.5.1 Gebiedsspecifiek beleid zone A 5.5.2 Gebiedsspecifiek beleid zone B 5.5.3 Gebiedsspecifiek beleid zone D 5.5.4 Gebiedsspecifiek beleid zone E 6. Handvat grondverzet 6.1 Inleiding 6.2 Erkende bewijsmiddelen 6.3 Stappenschema grondverzet Stap 1: Is de ontgravingslocatie onverdacht? Stap 2: Wat is de verwachte kwaliteit van de te ontgraven grond? Stap 3: Welke eisen gelden er op de toepassingslocatie? Stap 4: Is er sprake van bijzondere omstandigheden? Stap 5: Moet er een melding gedaan worden? 6.4 Aandachtspunten 7. Bijzondere omstandigheden 7.1 Gebieden/situaties die zijn uitgezonderd van de kaart 8. Beleid voor graven en saneren 8.1 Verschil tussen graven en saneren 8.2 Graven in de bodem 8.3 Saneren 8.4 Gemeentelijke visie op aanpak van verontreinigingen 9. Doorkijk naar de Omgevingswet 9.1 Activiteiten graven en saneren 10. Bestuurlijke vaststelling 10.1 Vaststelling kaart en beleid 10.1.1 Vasstelling en geldigheid 10.1.2 Evaluatie/aanpassing van het beleid of kaart 10.2 Delegeren bevoegdheden raad naar college 10.2.1 Wijziging van de Bodemfunctieklassenkaart 10.2.2 Verlengen van de Bodemkwaliteitskaart 10.2.3 Acceptatie van andere bodemkwaliteitskaarten 10.3 Communicatie Bijlagen Lijst met literatuurverwijzingen Lijst met begrippen en definities Tabellen met statistische kengetallen bodemkwaliteit zone A, B, C, D en E Kaartbijlagen van de bodemkwaliteitskaart: 4A Bodemzoneringskaart 4B Ontgravingskaart bovengrond (0 – 0,5 m -
- mv)4C Ontgravingskaart ondergrond (0,5 – 2 m -
- mv)4D Toepassingskaart voor grond/bagger afkomstig van locaties binnen het (uitgebreide) bodembeheergebied 4E Toepassingskaart voor grond/bagger afkomstig van locaties buiten het (uitgebreide) bodembeheergebied Bodemfunctieklassenkaart Kaart met overzicht ligging (voormalige) boomgaardpercelen Samenvatting Handvat tijdelijke uitname Samenvatting uit NEN 5707 over asbest-verdachtheid van grond Maximale Waarden per bodemfunctieklasse Criteria voor Grootschalige Bodemtoepassingen (GBT) Verspreiden van bagger op aangrenzende percelen Meldingsformulier voor het graven in zone D (in ontwikkeling) Bodemgebruiksadviezen lood Wegbermen Het rapport “Bodemkwaliteitskaart gemeente Vijfheerenlanden”, van MARMOS Bodemmanagement (kenmerk: P19-11, d.d. 4 augustus 2020) is als separate bijlage bij deze Nota gevoegd Samenvatting Aanleiding Aanleiding voor het opstellen van dit nieuwe bodembeleid is het ontstaan van de gemeente Vijfheerenlanden per 1-1-2019 door een fusie van de gemeenten Zederik, Leerdam en Vianen. Bij het vaststellen van deze Nota vervalt het beleid dat gold voor het grondverzet in deze voormalige gemeenten. Het in deze Nota beschreven beleid bouwt voort op het oude beleid van deze gemeenten, maar is geharmoniseerd, geactualiseerd en bevat een aantal aanscherpingen of juist versoepelingen ten opzichte van het oude beleid. Het eigen bodembeheergebied wordt uitgebreid met het grondgebied van een aantal buur- en regiogemeenten en de bodemkwaliteitskaarten van deze gemeenten worden door Vijfheerenlanden geaccepteerd als bewijsmiddel voor de kwaliteit van toe te passen grond. Dit maakt uitwisseling van grond op een eenvoudige en kosteneffectieve wijze mogelijk. Opbouw van de Nota Deel 1: Het nieuwe beleid voor het grondverzet Het Besluit bodemkwaliteit gaat over het toepassen en tijdelijk opslaan van grond en het verspreiden van bagger. Dit Besluit geeft gemeenten de beleidsvrijheid om af te wijken van de landelijk geldende regels (ook wel het Generieke kader genoemd) als deze niet passen bij de lokale of regionale bodemsituatie. In de voorliggende Nota wordt beschreven hoe (en waarom) de gemeente Vijfheerenlanden deze lokale beleidsruimte invult (het Gebiedsspecifieke beleidskader).Uitgangspunt bij het formuleren van de lokale eisen die aan de kwaliteit van toe te passen grond worden gesteld is: streng waar het moet en soepel waar het kan. Deel 2: Graven in de bodem met en zonder saneringsdoel Zolang er niet in sterk verontreinigde grond gegraven wordt is het uitgangspunt het zoveel mogelijk herbenutten van de vrijkomende grond, liefst binnen hetzelfde werk. Hierbij is het uitvoeren van een goed vooronderzoek van belang. De wijze van onderzoek kan per situatie verschillen. Ook geldt in een aantal gevallen een meldplicht voor het graven. Voor kleinschalige projectmatige ontgravingen zijn de regels versimpeld. De komende jaren zullen bodemsaneringen vaker in de vorm van kleinere en meer incidentele projecten, als onderdeel van ruimtelijke ontwikkelingen aan de orde zijn en is geen sprake meer van grote bodemsaneringen zoals bij voormalige gasfabrieken. De visie van de gemeente op (de aanpak van) bodemverontreinigingen is als volgt. Na het afronden van een bodemsanering met immobiele verontreinigingen (zware metalen, PAK, asbest) is de bodem blijvend geschikt gemaakt voor de beoogde functie van het perceel. De bodem voldoet aan de lokale normen. Mobiele verontreinigingen (zoals minerale olie) zijn vaak perceel grensoverschrijdend en moeten door de saneerder geheel in kaart worden gebracht, ook op buurpercelen. Daadwerkelijk saneren wordt gekoppeld aan ruimtelijke ontwikkeling, tenzij er sprake is van risico’s. Doel van het nieuwe beleid Het in deze nota beschreven beleid wil enerzijds ruimte scheppen voor ontwikkelingen (woningbouw, aanleg van wegen, energietransitie, e.d.), en anderzijds richt het beleid zich op bescherming van gezondheid van mens, dier en plant, en het behoud van de functionele eigenschappen van de bodem, zodat deze duurzaam geschikt blijft voor allerlei gebruiksdoeleinden. Het centrale uitgangspunt van het gemeentelijk bodembeleid is dat de kwaliteit van de bodem binnen haar gemeentegrenzen niet verslechtert, dit heet het stand- still principe. Baten van het nieuwe beleid Door het opstellen van een bodemkwaliteitskaart kunnen veel kosten bespaard worden in de uitvoering, omdat in veel gevallen een partijkeuring niet meer nodig zal zijn en omdat de ontvangende bodem niet meer onderzocht hoeft te worden bij het toepassen van grond. Daar waar mogelijk is aangesloten bij het beleid van naastgelegen regio’s dit vergroot de kwaliteit van de uitvoering en vergroot de mogelijkheden om grond tussen gemeente uit te wisselen. Door het nieuwe beleid wordt hergebruik van gebiedseigen grond in de regio verruimd en zijn er minder primaire grondstoffen nodig. Bovendien zijn er minder transportbewegingen nodig, wat leidt tot minder verkeersbelasting en minder uitstoot van uitlaatgassen en fijnstof. Uitbreiding eigen bodembeheergebied Door de Gebiedsspecifieke regels die voor het toepassen van grond en bagger in de eigen gemeente gelden, ook van toepassing te verklaren voor de buur- en regiogemeenten, kan het uitwisselen van grond en bagger op een simpele en kosteneffectieve wijze plaatsvinden. Om dit mogelijk te maken heeft de gemeente Vijfheerenlanden haar eigen bodembeheergebied uitgebreid met het grondgebied van de volgende buur- en regiogemeenten: IJsselstein, Montfoort, Oudewater, Wijk bij Duurstede en Bunnik, gelegen in het werkgebied van de Omgevingsdienst regio Utrecht (ODRU) Lopik, Nieuwegein en Houten, gelegen in het werkgebied van de Regionale Uitvoeringsdienst Utrecht (RUD Utrecht) Molenlanden, en Gorinchem, gelegen in het werkgebied van de Omgevingsdienst Zuid- Holland Zuid (OZHZ) West Betuwe en Culemborg, gelegen in het werkgebied van de Omgevingsdienst Rivierenland (ODR). Bodemkwaliteitskaart De gemeentelijke bodemkwaliteitskaart vormt de technisch-inhoudelijke onderbouwing van het bodembeleid van Vijfheerenlanden. Deze kan gebruikt worden voor grondverzet (Ontgravingskaarten en Toepassingskaarten). In de toekomst zal deze tevens bruikbaar zijn als basis om vrijstelling te kunnen verlenen van bodemonderzoek bij bouwen en voor het vaststellen van de terugsaneerwaarde bij bodemsaneringen. 1.Inleiding 1.1. Aanleiding voor het opstellen van dit nieuwe bodembeleid is het ontstaan van de gemeente Vijfheerenlanden per 1-1-2019 door een fusie van de gemeenten Zederik, Leerdam en Vianen. De Wet Algemene Regels Herindeling (Wet Arhi) verplicht heringedeelde gemeentes om binnen twee jaar hun beleid te harmoniseren. Voor de gemeente Vijfheerenlanden betekent dit vòòr 1 januari 2021. Voor de voormalige gemeenten was al bodembeleid van kracht. Het in deze Nota beschreven bodembeleid, bouwt voort op het bestaande beleid, maar is geharmoniseerd, geactualiseerd en bevat een aantal aanscherpingen of juist versoepelingen ten opzichte van het oude beleid. Naast het harmoniseren is waar nodig het nieuwe beleid afgestemd op bestaande beleidskaders van omliggende gemeenten. Na het vaststellen van het nieuwe beleid vervalt het eerder vastgestelde beleid van de voormalige gemeenten. Dit beleid is een leidraad voor de uitvoering van de taken die de gemeente heeft als bevoegd gezag voor het Besluit bodemkwaliteit (grondverzet) en voor bodemsaneringen (niet-ernstige gevallen) en na inwerkingtreding van de Omgevingswet (per 1-1-2022) voor alle nieuwe bodemsaneringsgevallen. De gemeente heeft de Omgevingsdienst Regio Utrecht (ODRU) gemandateerd voor de uitvoering van deze taken. Deze Nota ende bijbehorende bodemkwaliteitskaart zijn door degemeenteraad van Vijfheerenlanden vastgesteld op 15 december 2020. 1.2.Leeswijzer Deel 1 van deze Nota omvat hoofdstuk 2 tot en met 6. Deze hoofdstukken gaan over het beleid bij het toepassen en hergebruiken van grond binnen de gemeente. Naast de achtergronden van de regels die landelijk gelden voor het toepasen van grond en bagger, wordt in deel 1 ook uitgelegd wat het gemeentelijk Gebiedsspecifieke beleid voor het grondverzet inhoudt en waarom de gemeente Vijfheerenlanden hiervoor gekozen heeft. Aan het eind van deel 1 is een Handvat voor het grondverzet opgenomen. Deel 2 van deze Nota omvat hoofdstuk 7 en 8. Deze hoofdstukken gaan over het graven in de bodem met en zonder saneringsdoel. Het belang van een goed vooronderzoek bij het graven wordt toegelicht en ook wordt aangegeven wanneer en waar een meldplicht voor het graven geldt. In deel 2 wordt ook beschreven wat de visie van de gemeente is op (de aanpak van) bodemverontreinigingen. Deel 3 van deze Nota omvat hoofdstuk 9 en 10. In hoofdstuk 9 wordt ingegaan op de procedures voor de vaststelling van het Gebiedsspecifieke beleid en op de communicatie en implementatie van het nieuwe beleid. In hoofdstuk 10 wordt een doorkijkje gegeven naar de komst van de Omgevingswet en wordt aangegeven wat er voor de activiteiten graven en saneren gaat veranderen. In de verschillende hoofdstukken zijn tabellen opgenomen waarin het bodemfunctieklassen en bodemkwaliteitsklassen worden benoemd. In deze tabellen worden kleuren gebruikt om de bodemkwaliteits- of functieklasse aan duiden. De volgende kleuren worden gebruikt om de kwaliteitsklassen aan te duiden (in volgorde van beste naar minder goede kwaliteit): Tabel 1: Kleuren die gebruikt worden om de bodemkwaliteitsklasse aan te duiden 1 Klasse AW-grond is gelijk aan schone grond, mits alle relevante parameters onderzocht zijn De volgende kleuren worden gebruikt om de functieklassen aan te duiden (in volgorde van gevoelig naar minder gevoelig bodemgebruik): Tabel 2: Kleuren de gebruikt worden om de bodemfunctieklasse aan te duiden Bij elke functie hoort een minimale kwaliteitseis. De kleuren geven aan welke bodemkwaliteits- klasse bij welke bodemfunctieklasse past. In paragraaf 3.1 wordt dit verder toegelicht. 2.Achtergronden beleid grondverzet 2.1Doelstelling nieuwe beleid Sinds 1 juli 2008 is het Besluit bodemkwaliteit van kracht. Dit besluit stelt regels aan het toepassen en tijdelijk opslaan van grond en bagger. Dit wordt ook wel het Generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit genoemd. Gemeenten hebben echter de mogelijkheid om van een aantal regels uit het Generieke kader af te wijken en hiervoor lokale regels vast te stellen. Dit wordt het Gebiedsspecifieke beleidskader genoemd. De gemeente Vijfheerenlanden heeft ervoor gekozen om voor een aantal onderdelen Gebiedsspecifieke beleidsregels vast te stellen, omdat de regels uit het Generieke kader niet voor alle onderdelen passen bij de lokale bodemsituatie en de ambities van de gemeente. Om die bestuurlijke afwegingsruimte concreet te maken is het noodzakelijk om het lokale bodembeleid vast te leggen in een gemeentelijke Nota bodembeheer. In de voorliggende Nota wordt beschreven hoe (en waarom) de gemeente Vijfheerenlanden deze lokale beleidsruimte invult. Een zorgvuldig beheer van de bodem staat hierbij voorop, zodat de bestaande bodemkwaliteit niet zal verslechteren (stand-still principe) of de bodem op een andere manier aangetast wordt in haar functies. Onder de Omgevingswet (die per 1-1-2022 inwerking treedt), wordt deze Nota straks onderdeel van het gemeentelijk Omgevingsplan. Daardoor wordt het mogelijk om knelpunten en problemen integraal aan te pakken en kansen en belangen in meer samenhang te beschouwen en af te wegen. Waar mogelijk wordt daar in deze Nota al een voorschot op genomen. Door het vaststellen van het in deze Nota beschreven Gebiedsspecifieke beleid wordt het grondverzet in de gemeente Vijfheerenlanden gefaciliteerd en blijft het mogelijk om op een milieuhygiënisch verantwoorde, duurzame en kosteneffectieve wijze grond en baggerspecie op de landbodem toe te passen en her te gebruiken. Het in deze nota beschreven beleid wil enerzijds ruimte scheppen voor ontwikkelingen (woningbouw, aanleg van wegen, energietransitie, e.d.), en anderzijds richt het beleid zich op bescherming van gezondheid van mens, dier en plant, en het behoud van de functionele eigenschappen van de bodem, zodat deze duurzaam geschikt blijft voor allerlei gebruiksdoeleinden. 2.2Doelgroep Het in deze Nota beschreven beleid en de bodemkwaliteitskaart is niet alleen opgesteld voor gemeentelijke afdelingen die veel met grondverzet te maken hebben, maar voor een ieder die met grondverzet te maken heeft of kan krijgen. Naast en aannemers- en loonbedrijven, kunnen dit ook zijn (bodem)adviesbureaus, het waterschappen, maatschappelijke organisaties en burgers. 2.3(Veranderingen) bevoegd gezag taken Burgemeester en wethouders van de gemeente Vijfheerenlanden zijn het bevoegd gezag voor toepassingen van grond en bagger op de landbodem, op grond van het Besluit bodemkwaliteit. Gelijktijdig met het inwerking treden van de Omgevingswet per 1-1-2022, worden de bodemsaneringstaken die nu in de Wet bodembescherming (Wbb) zijn ondergebracht, van provincies overgedragen aan gemeenten. De Wbb komt na de overdracht van de taken te vervallen. Vanaf dat moment is de Omgevingswet van toepassing op nieuwe bodemsaneringssituaties. Voor de lopende saneringen geldt overgangsrecht. De Wbb blijft gelden totdat een besluit tot instemming met de sanering is genomen door het bevoegd gezag. Deze Nota gaat alleen over de landbodem (grond en grondwater). Voor waterbodembeheer is de desbetreffende waterkwaliteitsbeheerder (waterschap Rivierenland) het bevoegd gezag. 2.4Verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid De verantwoordelijkheid voor het naleven van wet- en regelgeving bij handelingen met grond en baggerspecie ligt bij de initiatiefnemer. De initiatiefnemer is verplicht om de voorgenomen handeling te (laten) melden en de daarop van toepassing zijnde regels na te leven. Via een privaatrechtelijke machtiging kan deze verplichting ook bij de aannemer of bij andere betrokkenen worden gelegd. De wetgever gaat echter uit van ketenaansprakelijkheid. Dat houdt het volgende in: alle betrokken partijen zijn medeverantwoordelijk en dienen te werken volgens de wet- en regelgeving en het Gebiedsspecifieke beleid dat in deze Nota beschreven is. De bodemkwaliteitskaart en onderhavig beleid zijn zeer zorgvuldig opgesteld. Echter, de bodemkwaliteitskaart doet alleen uitspraken over de te verwachten gemiddelde bodemkwaliteit binnen een zone. Binnen een zone is het dus denkbaar dat de kwaliteit van een individuele partij ontgraven grond afwijkt van het gemiddelde in die zone. De gemeente Vijfheerenlanden is echter niet aansprakelijk voor schade als gevolg van die mogelijke afwijking tussen de verwachte bodemkwaliteit die aangeduid wordt op de Ontgravingskaart en de grondkwaliteit van individuele partij grond. Als men vooraf meer zekerheid wil over de bodemkwaliteit van de te ontgraven grond, staat het de initiatiefnemer vrij om zelf een bodemonderzoek of partijkeuring te laten uitvoeren, conform de geldende normen. De verantwoordelijkheid voor het toepassen van grond/baggerspecie blijft altijd bij degene die de grond en/of baggerspecie toepast. 2.5Reikwijdte van het beleid Het in deze Nota beschreven beleid is een leidraad voor de uitvoeringspraktijk van grondverzet (Besluit bodemkwaliteitEr wordt beschreven hoe de gemeente Vijfheerenlanden de bodemregelgeving vertaalt naar lokale regels en beleid. Ook staat beschreven wanneer de bodemkwaliteitskaart geldt als wettig bewijsmiddel voor de milieuhygiënische kwaliteit van de toe te passen partij grond en/of de ontvangende bodem. De Nota bodembeheer en de hierin beschreven Gebiedsspecifieke beleidsregels, is alleen van toepassing in situaties waarin sprake is van: nuttige en functionele toepassingen van grond en/of baggerspecie op de landbodem binnen het grondgebied van de gemeente Vijfheerenlanden; projectmatige ontgravingen (bij niet-ernstige gevallen van bodemverontreiniging); bodemsaneringen (bij niet-ernstige gevallen van bodemverontreiniging); aanbrengen van een afdeklaag bij grootschalige bodemtoepassingen (GBT). Deze Nota richt zich alleen op de milieuhygiënische bodemkwaliteit. Of de grond civieltechnisch, fysisch of landbouwkundig geschikt is laat deze Nota buiten beschouwing. Deze Nota is verder ook niet van toepassing op de volgende situaties: Het toepassen van schone grond, zoals bedoeld in art. 4.2.2. lid 4 en 5 van de Regeling bodemkwaliteit. Deze grond is overal toepasbaar, mits de toepassing als nuttig en functioneel wordt aangemerkt, zoals bedoeld in art. 35 van het Besluit bodemkwaliteit; Het toepassen van grond in de kern van een Grootschalige bodemtoepassing (GBT). Hiervoor gelden de eisen uit het Generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit; Het direct nat verspreiden van bagger op aangrenzende percelen; Het toepassen van grond of bagger in oppervlaktewater (hiervoor is de gemeente geen bevoegd gezag). Voor de landelijk geldende regels wordt verwezen naar het Besluit bodemkwaliteit en de Regeling bodemkwaliteit. Voor nieuwe bodemverontreinigingen, die zijn ontstaan na 1 januari 1987 (of na 1 juli 1993 voor asbest), geldt de zorgplicht, zoals bedoeld in art. 13 van de Wet bodembescherming. LET OP: Voor het ontgraven, toepassen en hergebruiken van PFAS-houdende grond geldt een apart landelijk geldend kader, dat is beschreven in het Tijdelijk Handelingskader PFAS van 1 juli 2020 (THP). Aanvullend hierop wordt door de ODRU en de RUD Utrecht, samen met de provincie Utrecht, PFAS-beleid ontwikkeld voor de gebieden en situaties waar de landelijk geldende PFAS- regels niet toereikend zijn voor het grondverzet vanwege de lokale bodemsituatie. Dit PFAS- beleid is niet in deze Nota opgenomen, omdat het nog sterk in ontwikkeling is. Zodra het PFAS- beleid voor de provincie Utrecht is vastgesteld zal dit ook gelden voor het hele grondgebied van de gemeente Vijfheerenlanden. Middels een erratum zal in deze Nota naar het PFAS-beleid verwezen worden. Tot die tijd geldt, aanvullend op het THP, voor het toepassen van PFOA- houdende grond binnen het grondgebied van de voormalige gemeenten Zederik en Leerdam nog het oude beleidskader voor de toepassing van PFOA-houdende grond van 13 juni 2018 (Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid, kenmerk Z-18-330610).2 Het oude beleidskader van OZHZ heeft alleen betrekking op PFOA. Voor PFOS, GenX en overige PFAS gelden de regels uit het Tijdelijk Handelingskader PFAS van 1 juli 2020 Voor de voormalige gemeente Vianen geldt tot het PFAS-beleid voor de provincie Utrecht is vastgesteld, de regels uit het THP. 3.Wettelijk kader grondverzet In dit hoofdstuk wordt eerst beschreven wat het landelijk geldende (Generieke) kader voor het grondverzet inhoudt. Vervolgens worden de randvoorwaarden die gelden bij het opstellen van Gebiedsspecifiek beleid voor grondverzet beschreven en tot slot worden de voordelen van het vaststellen van een Gebiedsspecifieke kader voor grondverzet, waar de gemeente Vijfheerenlanden voor gekozen heeft, beschreven. 3.1Landelijk kader voor het grondverzet 3.1.1Onderscheiden bodemfuncties Onderstaand is aangegeven welke bodemfuncties (a t/m
- g)in het Besluit bodemkwaliteit onderscheiden worden. Fig. 1: Overzicht van de bodemfunctie die het Besluit bodemkwaliteit onderscheid In de Regeling bodemkwaliteit zijn de bovenstaande bodemfunctieklassen samengevoegd tot 3 bodemfunctieklassen: Landbouw/Natuur, Wonen en Industrie. 3.1.2Maximale Waarden (MW) Per bodemfunctieklasse is in de Regeling bodemkwaliteit [Lit. 2] door middel van Maximale Waarden (MW) aangegeven waaraan grond en bagger moeten voldoen bij toepassing en hergebruik. Hier moet de grond die toegepast wordt minimaal aan voldoen als een gemeente geen Lokale Maximale Waarden (LMW) heeft vastgesteld in het Gebiedsspecifieke kader. In de onderstaande tabel wordt dit samengevat. Tabel 3: Bodemfunctieklassen met bijbehorende toepassingseis (bodemkwaliteitsklasse) Toelichting: Schone grond (ook wel AW-grond of AW2000-grond genoemd) voldoet in het Generieke kader voor toepassing op de bodemfuncties: Landbouw/Natuur, Wonen en Industrie; Klasse Wonen-grond voldoet in het Generieke kader voor toepassing op de functies: Wonen en Industrie; Klasse Industrie-grond voldoet in het Generieke kader alleen voor toepassing op de functie: Industrie. Grond die een slechtere kwaliteit heeft dan klasse Industrie grond, wordt aangemerkt als Niet Toepasbare grond. Deze grond is voor geen enkele toepassing geschikt en mag daarom niet worden toegepast of hergebruikt, maar moet worden afgevoerd naar een erkend verwerker. 3.1.3Generieke bodemfunctieklassenkaart Op een Bodemfunctieklassenkaart wordt het grondgebied van de eigen gemeente ingedeeld in de bodemfunctieklassen: Landbouw/Natuur, Wonen en Industrie. Deze kaart zegt niets over de bodemkwaliteit, maar geeft alleen inzicht in de hoofdbodemfunctie van een bepaald gebied. Bij de hoofdbodemfuncties horen specifieke bodemgebruiken. In onderstaande tabel wordt dit duidelijk. Tabel 4: Onderscheiden bodemfunctieklassen met bijbehorend bodemgebruik De indeling in bodemfunctieklassen op een Bodemfunctieklassenkaart is niet op het niveau van percelen gemaakt, zoals bij bestemmingsplannen, maar op niveau van grotere gebieden. Globaal zijn de bebouwde gebieden meestal ingedeeld in de bodemfunctieklasse Wonen en industrieterreinen in de bodemfunctieklasse Industrie. Het buitengebied is meestal ingedeeld in bodemfunctieklasse Landbouw/Natuur. 3.1.4Lokale Maximale Waarde (LMW) De heersende bodemkwaliteit past echter niet altijd bij de bodemkwaliteit die op grond van de bodemfunctie gewenst is. Door het vaststellen van Gebiedsspecifiek beleid, kan een gemeente de meest gewenste situatie (balans tussen afwegen risico’s en streven naar optimaal hergebruik van grond) creëren. Voorbeeld: In schone woongebieden mag in het Generieke kader alleen schone grond (MW) worden toegepast (de heersende kwaliteit is in dat geval leidend), terwijl gelet op de bodemfunctie (Wonen) het toepassen van klasse Wonen-grond ook milieuhygiënisch verantwoord is. Dit kan mogelijk gemaakt worden door voor deze gebieden een Gebiedsspecifieke toepassingseis (LMW) vast te stellen die het mogelijk maakt om, naast schone grond ook klasse Wonen-grond te kunnen toepassen in schone woongebieden. De toepassingseis sluit dan aan bij de bodemfunctie (niet de heersende bodemkwaliteit, maar de betreffende bodemfunctie wordt daarmee leidend voor de toepassing van grond). 3.2Randvoorwaarden Gebiedsspecifiek beleid Het Besluit bodemkwaliteit stelt eisen aan het opstellen van Gebiedsspecifiek beleid. De gemeente moet beschikken over een Bodemfunctieklassenkaart en een Bodemkwaliteitskaart. Daarnaast is de gemeente verplicht om haar beleidskeuzes vast te leggen in een Nota bodembeheer. Het Besluit bodemkwaliteit geeft een aantal voorwaarden voor het vaststellen van Gebiedsspecifiek beleid: Bij grondverzet is er sprake van stand-still (geen achteruitgang van de chemische bodemkwaliteit) op gebiedsniveau binnen het bodembeheergebied; Een gemeenteraad kan voor een bepaald gebied of stof een Lokale Maximale Waarde (LMW) vaststellen. Een LMW is een waarde die de generieke Maximale Waarden (MW) uit de Regeling bodemkwaliteit vervangt; Bij grondverzet mag niet een nieuw spoedeisend geval van ernstige bodemverontrei- niging ontstaan; Het voorgenomen beleid wordt afgestemd met overige lokale bodembeheerders in de regio, waaronder het bevoegd gezag Wet bodembescherming (provincie Utrecht). 3.3Voordelen Gebiedsspecifiek beleid Het opstellen van een bodemkwaliteitskaart en Gebiedsspecifiek bodembeleid heeft duidelijk een aantal voordelen. Naast een kosten- en tijdsreductie bij het grondverzet, leidt het ook tot een kosteneffectief en duurzaam bodembeheer. Hieronder wordt op een aantal voordelen ingegaan. 3.3.1Kostenreductie Door het opstellen van een bodemkwaliteitskaart kan bij grondverzet ter plaatse van onverdachte terreindelen vaak volstaan worden met een (historisch) vooronderzoek. Zonder bodemkwaliteitskaart is het nodig om zowel ter plaatse van de ontgravingslocatie als de toepassingslocatie een bodemonderzoek uit te voeren om vast te kunnen stellen of de kwaliteit en de functie met elkaar matchen. 3.3.2Uniformiteit Uniformiteit in kaart en beleid vergroot de kwaliteit van de uitvoering en bevordert het spontane naleefgedrag van de vastgestelde regels voor het grondverzet. Daar waar mogelijk is daarom aangesloten bij het beleid van naastgelegen regio’s. Initiatiefnemers en uitvoerders in de keten van het grondverzet krijgen daardoor niet te maken met onnodige verschillen tussen gemeenten. Daarnaast vergroten een uniforme kaart en beleid de mogelijkheden om tussen gemeente grond uit te wisselen. 3.3.3Duurzaamheid De gemeente Vijfheerenlanden heeft duurzaamheid hoog in het vaandel staan. Met duurzaam bodembeheer wordt bedoeld: de bodem zodanig gebruiken, benutten en beschermen dat deze ook voor toekomstige generaties zonder onaanvaardbare risico’s te gebruiken is voor diverse doeleinden. Als hergebruik van gebiedseigen grond in de regio verruimd wordt, zijn er minder primaire grondstoffen, zoals schoon zand, nodig. Bovendien zijn er minder transport- bewegingen nodig, wat leidt tot minder verkeersbelasting en minder uitstoot van uitlaatgassen en fijnstof. Omdat duurzaamheid ook betekent dat de bodem geschikt moet blijven voor toekomstige generaties, is het uitgangspunt van het nieuwe beleid (Gebiedsspecifieke beleidskader) dat er door grondverzet geen (nieuwe) milieu- en gezondheidsrisico’s mogen ontstaan bij huidig en toekomstig bodemgebruik. 3.4Toezicht en handhaving Besluit bodemkwaliteit De gemeente Vijfheerenlanden is bevoegd gezag voor de taken die voortkomen uit het Besluit bodemkwaliteit. De gemeente heeft de uitvoering van deze taken gemandateerd aan de Omgevingsdienst regio Utrecht (ODRU). Deze taken bestaan onder meer uit het behandelen van meldingen Besluit bodemkwaliteit en het houden van toezicht in het veld bij tijdelijke opslag en toepassingen van grond en bagger.Wanneer het nodig is treedt de ODRU namens de gemeente handhavend op bij overtredingen. 3.4.1Erkenningen bodemintermediairs In het Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer (KWALIBO) is geregeld welke certificaten of erkenningen bodemintermediairs moeten hebben om bepaalde werkzaamheden uit te mogen voeren. Op de website van BodemPlus (www.bodemplus.
- nl)kan men vinden of de desbetref- fende veldwerker of bedrijf beschikt over het juiste certificaat of erkenning en of deze nog geldig is. Zonder deze erkenning mogen werkzaamheden als veldwerk, laboratoriumonderzoek, het samenvoegen of op-bulken van grond e.d. niet worden uitgevoerd. De inspectie Leefomgeving en Transport (ILT, voorheen VROM-inspectie) is namens het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (I&W) het bevoegd gezag voor het uitoefenen van toezicht op de erkende intermediairs en certificerende instellingen. In deze hoedanigheid kan ILT zo nodig bestuurlijk handhavend optreden als de vereiste erkenningen of certificaten ontbreken en kan zij ook erkenningen schorsen of intrekken. Dit is onder meer geregeld in de artikelen 15 en 18 van het Besluit bodemkwaliteit. Het lokale bevoegd gezag (gemeente, provincie of waterschap) kan optreden als bouwstoffen, grond of baggerspecie in strijd met de Generieke of Gebiedsspecifieke regels worden toegepast. Bij misstanden en overtredingen van bodemintermediairs meldt het lokale bevoegde gezag de overtreding (of het vermoeden daarvan) via het e-loket van ILT. 4.Bodemkwaliteitskaart De Bodemkwaliteitskaart (afgekort BKK), bestaat uit een aantal kaartlagen met ieder een eigen specifieke gebruiksfunctie. De kaartlagen van de bodemkwaliteitskaart zijn: Bodemzoneringskaart Ontgravingskaart (boven- en ondergrond) Toepassingskaart (boven- en ondergrond). In het rapport “Bodemkwaliteitskaart gemeente Vijfheerenlanden”, (Marmos, P19-11, d.d. 4 augustus 2020), is beschreven hoe de bodemkwaliteitskaart tot stand gekomen is. De Bodemfunctieklassenkaart is feitelijk geen kaartlaag van de Bodemkwaliteitskaart maar is wel nodig voor het grondverzet. 4.1Bodemfunctieklassenkaart Op de Bodemfunctieklassenkaart is het grondgebied van Vijfheerenlanden ingedeeld in de bodemfunctieklassen: Landbouw/Natuur, Wonen en Industrie. De indeling is gebaseerd op risicogevoeligheid van het bodemgebruik en afgeleid van de functies uit het bestemmingsplan. Globaal zijn de bebouwde gebieden ingedeeld in de bodemfunctieklasse Wonen en industrieterreinen (incl. grotere bedrijfsterreinen) zijn ingedeeld in de bodemfunctieklasse Industrie. Het buitengebied is ingedeeld in bodemfunctieklasse Landbouw/Natuur. 4.2Bodemzoneringskaart Het grondgebied van Vijfheerenlanden is ingedeeld in zones. Dit worden ook wel bodemkwaliteitszones genoemd. De bodemkwaliteit van een zone wordt veelal bepaald door een combinatie van factoren. Dit betreft onder andere de bodemopbouw (grondsoort) en het historische bodemgebruik, dat vaak gerelateerd is aan de bebouwingsgeschiedenis. Voor het opstellen van de Bodemkwaliteitskaart zijn deze onderscheidende kenmerken in samenhang met de bodemkwaliteitsgegevens verwerkt tot een definitieve Bodemzoneringskaart. De Bodemzoneringskaart is opgenomen als bijlage 4A van deze Nota. Binnen de gemeente Vijfheerenlanden zijn 5 zones te onderscheiden. Deze zijn in onderstaande tabel weergegeven. Tabel 5: Onderscheiden bodemkwaliteitszones (met vermelden van de heersende bodemkwaliteit) 3 1/1 staat voor resp. boven en ondergrond. Het cijfer geeft de mate van verontreiniging aan: 1 is klasse Achtergrondwaarde, 2 is klasse Wonen, 3 is klasse Industrie 4.2.1Toelichting bodemkwaliteitsklassen Achtergrondwaarde Een zone wordt ingedeeld in de bodemkwaliteitsklasse “Achtergrondwaarde” als het rekenkundig gemiddelde van alle voor de BKK gebruikte meetwaarden onder de Maximale Waarde (MW) van klasse AW (schone grond) liggen. Wonen Een zone wordt ingedeeld in de bodemkwaliteitsklasse “Wonen” als het rekenkundig gemiddelde van alle voor de BKK gebruikte meetwaarden onder de Maximale Waarde (MW) van klasse Wonen liggen. Industrie Een zone wordt ingedeeld in de bodemkwaliteitsklasse “Industrie” als het rekenkundig gemiddelde van alle voor de BKK gebruikte meetwaarden onder de Maximale Waarde (MW) van klasse Industrie liggen. De Maximale Waarden (MW) voor elke onderscheiden bodemfunctieklasse, zijn vastgelegd in de Regeling bodemkwaliteit. De MW verschillen per stof. Bijlage 9 bevat een overzicht van alle stoffen waarvoor MW zijn bepaald (voor een standaardbodem). 4.2.2Toelichting zones Zone A; Bebouwing 1/1 omvat o.a. de volgende gebieden: Woonwijken en bedrijfsterreinen van na 1960 in Vianen (Monnikenhof, De Hagen, De Biezen) Wijk Noord in Leerdam, ten noorden van de spoorlijn Bungalowpark Merwede, ten zuiden van Meerkerk Recente nieuwbouwwijken in Vianen en Hagestein (zoals Hoef en Haag) Een recente uitbreiding van bedrijfsterrein Blommendaal in Meerkerk (alleen het zuidelijke deel). Zone B: Bebouwing 2/1 omvat o.a. de volgende gebieden: Wijk Oost in Leerdam en Wijk West in Leerdam (alleen met bebouwing van na 1960) Bedrijfsterrein Nieuw Schaik in Leerdam Wijken met naoorlogse bebouwing in Meerkerk, Lexmond en Ameide. Zone C: Bebouwing 2/2 omvat o.a de volgende gebieden: Lintbebouwing van Leerdam, Ameide, Lexmond e.a. kernen Bebouwing van Nieuwland en Schoonrewoerd, Hei- en Boeicop e.a. kleine kernen Wijk Zederik, ten zuiden van de oude binnenstand van Vianen Oudere deel van bedrijfsterrein Blommendaal in Meerkerk Bebouwing uit periode 1940 – 1960 in Leerdam-West. Zone D: Bebouwing 3/3 omvat o.a. de volgende gebieden: Vrijwel alle deelgebieden met vooroorlogse bebouwing, met uitzondering van de kleine kernen. Ook als deze deelgebieden na de oorlog herontwikkeld zijn, zijn in deze zone ingedeeld als er geen of onvoldoende bodemgegevens beschikbaar zijn waaruit een betere bodemkwaliteit blijkt. Zone E: Buitengebied omvat de volgende gebieden: Alle gebieden buiten de bebouwde kom, exclusief de gebieden die op de Bodemfunctieklassenkaart ingedeeld zijn in de bodemfunctieklasse Wonen. Niet alle woon- en bedrijfspercelen in het buitengebied zijn op de Bodemfunctieklassenkaart ingetekend. 4.3Ontgravingskaart Per zone wordt op de kaart de gemiddeld te verwachten bodemkwaliteit weergegeven op relatief onbelaste locaties, voor zowel de bovengrond (0 – 0,5 m -
- mv)als voor de ondergrond (0,5 – 2 m -mv). De bodemkwaliteit is afgeleid met behulp van statistiek op de beschikbare gegevens van eerder uitgevoerde bodemonderzoeken. Het resultaat is een Ontgravingskaart, die aangeeft wat de verwachte kwaliteit van de grond is bij ontgraving, afgezien van eventuele lokale verontreinigingen veroorzaakt door puntbronnen. De Ontgravingskaarten boven- en ondergrond zijn opgenomen als resp. bijlage 4B en 4C van deze Nota. 4.4Toepassingskaart Op de Toepassingskaart wordt voor elke onderscheiden bodemkwaliteitszone aangegeven aan welke kwaliteitseis de grond moet voldoen die in de betreffende zone toegepast wordt. De toepassingseisen zijn voor een aantal zones/toepassingen Gebiedsspecifiek. De Gebiedsspecifieke eisen komen in plaats van (of zijn aanvullend
- op)de Generieke eisen uit het Besluit bodemkwaliteit. Hierop wordt nader ingegaan in hoofdstuk 5. In de praktijk van het grondverzet worden eigenlijk alleen de Ontgravingskaart en de Toepassingskaart gebruikt. Zie verder par. 6.3 (Stappenschema grondverzet). 5.Gebiedsspecifieke beleid grondverzet De gemeente Vijfheerenlanden heeft ervoor gekozen om voor een aantal onderdelen Gebiedsspecifieke beleidsregels vast te stellen, omdat de regels uit het Generieke kader niet voor alle onderdelen passen bij de lokale bodemsituatie en de ambities van de gemeente. In dit hoofdstuk is het Gebiedsspecifieke beleid van de gemeente Vijfheerenlanden uitgewerkt. 5.1Uitgangspunten van het gemeentelijk bodembeleid De gemeente Vijfheerenlanden heeft ervoor gekozen Gebiedsspecifiek beleid vast te stellen. Dat maakt het voor de gemeente mogelijk om eigen beleidskeuzes te maken op het gebied van grondverzet. Het Gebiedsspecifiek beleid van Vijfheerenlanden gaat uit van het – waar nodig - beschermen van de bodemkwaliteit en het – waar mogelijk - juist verruimen van de hergebruiksmogelijkheden van grond en bagger. De gemeente hanteert de volgende uitgangspunten voor haar bodembeleid: De kwaliteit van de bodem moet zodanig zijn dat de functies wonen, werken, infrastructuur, natuur en landbouw op een verantwoorde wijze uitgeoefend kunnen worden; Milieuhygiënische risico’s worden tot een aanvaardbaar niveau teruggebracht door het stellen van een helder toetsingskader in combinatie met de eigen verantwoordelijkheid van burgers en bedrijven (bijv. door opvolgen gebruiksaanwijzingen bij loodverontreiniging in (moes)tuinen en op plaatsen waar kinderen spelen); Het Gebiedsspecifieke kader maakt het mogelijk om het bodembeheer kosteneffectief uit te kunnen voeren; Vanuit de duurzaamheidsgedachte worden hergebruiksmogelijkheden van vrijkomende grond optimaal benut en gefaciliteerd; Procedures en spelregels zijn zoveel mogelijk vereenvoudigd en afgestemd met buur- en regiogemeenten, zodat het bodembeleid uitlegbaar blijft, draagvlak houdt en de regeldruk verminderd. 5.1.1Gebiedsspecifiek versus Generiek Het Gebiedsspecifieke beleid van Vijfheerenlanden is deels strenger en deels ruimer dan het Generieke kade voor het grondverzet. Hieronder worden een aantal voorbeelden genoemd. Strenger: Op gevoelige functies, waaronder kinderspeelplaatsen, mag alleen schone grond toegepast worden. In het Generieke kader mag ook klasse Wonen-grond toegepast worden De hoeveelheid toegestaan bodemvreemd materiaal in toe te passen grond op gevoelige functies is maximaal 5 gewichtsprocenten. In het Generieke kader bedraagt het maximaal toegestane percentage 20 gewichtsprocenten Grond die toepast wordt in particuliere tuinen mag maximaal 100 mg/kg aan lood bevatten. In het Generieke kader mag het loodgehalte niet meer bedragen dan de Maximale Waarde voor klasse Wonen-grond. Voor lood is die bepaald op 210 mg/kg (voor een standaardbodem). Ruimer: In schone woongebieden mag, onder voorwaarden, naast schone grond ook klasse Wonen-grond toegepast worden Grond uit bermen mag, onder voorwaarden, zonder onderzoek, uitgewisseld worden met andere bermen binnen het bodembeheergebied Grond, afkomstig van een boomgaardperceel mag, onder voorwaarden, toegepast worden op andere boomgaardpercelen in het bodembeheergebied Bij graafwerkzaamheden t.b.v. kabels en leidingen hoeft de grond niet gescheiden ontgraven te worden en kan deze grond ook weer geroerd worden teruggeplaatst als aan de gestelde voorwaarden voldaan wordt Verspreiden van ongerijpte bagger, is onder voorwaarden, ook buiten aangrenzende percelen mogelijk Activiteiten zonder grondverzet zijn, onder voorwaarden, vrijgesteld van fysiek bodemonderzoek. Stand-still op gebiedsniveau De gemeente kiest als uitgangspunt voor haar Gebiedsspecifieke beleid voor het grondverzet: “stand-still op gebiedsniveau”. Het stand-still principe op gebiedsniveau houdt in dat de bestaande bodemkwaliteit binnen een bepaald gebied niet mag verslechteren. Plaatselijke verslechteringen van de bodemkwaliteit binnen dit gebied kunnen alleen toegelaten worden, als dit milieuhygiënisch verantwoord is (dit wordt onderbouwd door een risicotoetsing van de te kiezen lokale norm aan de risicogrenswaarden) én door aan grond afkomstig van buiten dit gebied strengere toepassingseisen te stellen dan aan grond die afkomstig is van binnen dit gebied. Het gebied waarvoor de Gebiedsspecifieke beleidsregels gelden, wordt het eigen beheergebied (of eigen bodembeheergebied) genoemd. Dit omvat het grondgebied van de eigen gemeente, maar kan ook uitgebreid worden. Dit wordt in de volgende paragraaf toegelicht. 5.2Uitbreiding eigen bodembeheergebied De gemeente streeft ernaar om hergebruik van grond in de eigen gemeente maar ook met buur- en regiogemeenten maximaal mogelijk te maken. Hierdoor kunnen afstanden voor het transport van grond verkleind worden, wat een gunstig effect heeft op het klimaat. Door de Gebiedsspecifieke regels die voor het toepassen van grond en bagger in de eigen gemeente gelden, ook van toepassing te verklaren voor de buur- en regiogemeenten, kan het uitwisselen van grond en bagger op een simpele en kosteneffectieve wijze plaatsvinden. Om dit mogelijk te maken heeft de gemeente Vijfheerenlanden haar eigen bodembeheergebied uitgebreid met het grondgebied van de volgende buur- en regiogemeenten: IJsselstein, Montfoort, Oudewater, Wijk bij Duurstede en Bunnik, gelegen in het werkgebied van de Omgevingsdienst regio Utrecht (ODRU) Lopik, Nieuwegein en Houten, gelegen in het werkgebied van de Regionale Uitvoeringsdienst Utrecht (RUD Utrecht) Molenlanden, en Gorinchem, gelegen in het werkgebied van de Omgevingsdienst Zuid- Holland Zuid (OZHZ) West Betuwe en Culemborg, gelegen in het werkgebied van de Omgevingsdienst Rivierenland (ODR). Hiermee gelden een aantal vastgestelde Gebiedsspecifieke beleidsregels ook voor grond die afkomstig is uit dit uitgebreide bodembeheergebied. Dit geldt echter niet voor alle in deze Nota beschreven onderdelen. Daarom wordt bij elk beschreven onderdeel apart aangegeven of de Gebiedsspecifieke beleidsregel alleen van toepassing is op het eigen bodembeheergebied of op het uitgebreide bodembeheergebied, dat ook het grondgebied van de hiervoor genoemde gemeenten omvat. 5.3Gewenste beschermingsniveau Bij het vaststellen van de Lokale Maximale Waarden (LMW) is rekening gehouden met de daadwerkelijke bodemgebruiksfunctie in relatie tot eventuele gebruiksrisico’s. Op deze wijze wordt het gewenste beschermingsniveau nader gespecificeerd en wordt gestuurd in de toepassingsmogelijkheden voor grond en baggerspecie. De gemaakte Gebiedsspecifieke keuzes hebben enerzijds betrekking op een bepaalde bodemkwaliteitszone of een deelgebied van die zone (zone gerelateerd) en anderzijds op algemene toepassingen die niet gerelateerd zijn aan een bepaalde zone of een bepaald deelgebied van die zone, maar in principe in alle zones voor kunnen komen (niet-zone gerelateerd). De Gebiedsspecifieke beleidsregels die niet-zone gerelateerd zijn, zijn uitgewerkt in paragraaf 5.4. De Gebiedsspecifieke beleidsregels die aan een zone gerelateerd zijn, zijn uitgewerkt in paragraaf 5.5. Niet voor elke onderscheiden bodemkwaliteitszone is een Gebiedsspecifieke toepassingseis vastgesteld. In sommige zones is dat niet nodig en kan volstaan worden met de Generieke toepassingseis die geldt vanuit het Generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit. Let op: Omdat het Gebiedsspecifieke bodembeleid dus niet alleen voor zones geldt, maar ook voor een aantal niet-zone gerelateerde thema’s, moet bij toepassing van grond en bagger niet alleen de Toepassingskaart, maar ook de tekst van deze Nota, gebruikt worden om na te gaan of de toepassing toegestaan is. In par. 6.2 is hiervoor een Stappenschema voor het grondverzet opgenomen. 5.4Niet-zone gerelateerde beleidsregels In deze paragraaf worden de niet-zone gerelateerde Gebiedsspecifieke beleidsregels beschreven voor het toepassen, uitwisselen, ontgraven en tijdelijk opslaan van grond en bagger en voor het verspreiden van bagger binnen de gemeente Vijfheerenlanden. Het gaat hierbij om algemene toepassingen die niet gerelateerd zijn aan een bepaalde zone of een bepaald deelgebied, maar in principe in alle zones voor kunnen. Voor de onderstaande onderdelen zijn Gebiedsspecifieke beleidsregels vastgesteld: Toepassen van grond met bodemvreemd materiaal (par. 5.4.1) Toepassen van grond op gevoelige functies (par. 5.4.2) Toepassen van lood-houdende grond in tuinen (par. 5.4.3). Toepassen van grond op bedrijfs- en industrieterreinen (par. 5.4.4) Uitwisselen van grond tussen bermen van (spoor)wegen (par. 5.4.5) Uitwisselen van grond tussen boomgaardpercelen (par. 5.4.6) Ontgraven van grond t.b.v. kabels, leidingen en riolering (par. 5.4.7) Ontgraven van grond dieper dan 2 meter (par. 5.4.8) Verspreiden van bagger op de landbodem (par. 5.4.9) Tijdelijke opslag van grond en bagger (par. 5.4.10) Het toepassen van grond, ongeacht de kwaliteit, is alleen toegestaan als: De toepassing op grond van artikel 35 van het Besluit bodemkwaliteit aangemerkt kan worden als een nuttige en functionele toepassing De grond voldoet aan alle Generieke eisen uit het Besluit bodemkwaliteit of (aanvullend hierop) aan de vastgestelde Gebiedsspecifieke beleidsregels uit deze Nota. 5.4.1Toepassen van grond met bodemvreemd materiaal Generieke kader Volgens het Besluit bodemkwaliteit mag er in toe te passen grond maximaal 20 gewichtsprocenten aan bodemvreemd materiaal zitten. Onder bodemvreemd materiaal wordt, sinds de wijziging van de Regeling bodemkwaliteit van november 2018, alleen nog maar steenachtige materialen en hout begrepen. De overige bodemvreemde materialen (zoals plastics), mogen slechts sporadisch in de toe te passen grond aanwezig zijn als deze er niet redelijkerwijs uit zijn te halen voor de toepassing (zie artikel 1.1 van de Regeling bodemkwaliteit). Gemeenten kunnen door middel van Gebiedsspecifiek beleid het maximaal toegestane percentage bodemvreemd materiaal naar beneden toe bijstellen. Gebiedsspecifieke kader De gemeente Vijfheerenlanden heeft het maximaal toegestane gewichtspercentage bodemvreemd materiaal genuanceerd naar de risicogevoeligheid van het bodemgebruik binnen de onderscheiden bodemfunctieklassen Voor de bodemfunctieklasse Landbouw/Natuur en voor toepassing van grond op gevoelige functies (zie paragraaf 5.4.2.) gelden strengere eisen dan het Generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit. In onderstaande tabel is dit weergegeven. Voor het overige gelden de Generieke toepassingseisen uit de Regeling bodemkwaliteit. Tabel 6: differentiatie bodemvreemd materiaal naar bodemfunctie *) Asbest mag niet zichtbaar in de grond aanwezig zijn, maar ook mag de grond analytisch geen asbest bevatten. De definitie van gevoelige functie wordt per gemeente vaak verschillend ingevuld. Voor de definitie van gevoelige functie die de gemeente Vijfheerenlanden hanteert, wordt verwezen naar paragraaf 5.4.2. Toepassingsbereik De in de bovenstaande tabel aangegeven toepassingseisen voor grond met bodemvreemd materiaal, gelden voor alle soorten grond, ongeachte de herkomst van de grond. 5.4.2Toepassen van grond op gevoelige functies Generieke kader In de Regeling bodemkwaliteit (Generieke beleidskader Besluit bodemkwaliteit) worden, naast percelen in het buitengebied die ingedeeld zijn in de bodemfunctieklasse Landbouw/Natuur, de functies moes- en volkstuinen genoemd waar alleen schone grond toegepast mag worden. Dit geldt ook voor drinkwaterwingebieden, dit is geregeld in de Provinciale milieuverordening Utrecht. Gebiedsspecifieke kader Gemeenten kunnen door middel van Gebiedsspecifiek beleid het aantal functies waar alleen schone grond toegepast mag worden verder uitbreiden. De gemeente Vijfheerenlanden maakt hier gebruik van en merkt tevens plaatsen waar kinderen spelen (0 – 6 jaar) en ecologische beschermingsgebieden aan als “gevoelige functies”, waar alleen klasse AW (schone grond) toegepast mag worden. Plaatsen waar kinderen spelen (0 – 6 jaar): Voor de definitie van “plaatsen waar kinderen spelen” wordt aangesloten bij de definitie die gebruikt wordt in het “Handelingskader voor diffuus lood in de bodem”, dat vastgesteld is door de provincie Utrecht en op 19 november 2019 in werking is getreden. Definitie van dit begrip in dit kader is: plaatsen waar kinderen van 0-6 jaar spelen; het gaat om die plaatsen waar kinderen in contact komen met de onverharde bodem. Voorbeelden zijn: Openbare speelplaatsen (meestal in woonwijken) Speelplaatsen bij scholen Speelplaatsen bij kindercentra Trapveldjes Overige locaties, die bij de gemeente bekend staan als speelplek voor jonge kinderen. Sport-, recreatieterreinen en stadsparken worden buiten beschouwing gelaten. Aangenomen wordt dat kinderen hier niet dagelijks spelen en dat daarmee sprake is van een beperkte blootstelling. Ook rondhangplekken worden hier niet onder begrepen, omdat ervan uitgegaan wordt dat hier geen kleine kinderen (0 – 6 jaar) spelen. Ecologische beschermingsgebieden: Onder ecologische beschermingsgebieden wordt verstaan: Gebieden die onderdeel uitmaken van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) Natura-2000 gebieden Overige gebieden met Natuur als hoofdfunctie Alle overige gebieden die deel uitmaken van het Natuur Netwerk Nederland (NNN- gebieden). Voorafgaand aan toepassingen van grond en bagger in ecologische beschermingsgebieden moet de initiatiefnemer contact opnemen met de provincie Utrecht. Omdat de aangewezen gebieden onderhevig zijn aan wijzigingen zijn geen overzichtskaarten met de ligging van ecologische beschermingsgebieden in de nota opgenomen, maar wordt hiervoor verwezen naar de website van de provincie Utrecht. In onderstaande tabel wordt een samenvatting gegeven van de functies die voor het grondverzet in de gemeente Vijfheerenlanden als “gevoelige functie” worden aangemerkt. Op deze functies mag uitsluitend klasse AW (schone grond) toegepast worden. Tevens is in de tabel aangegeven of deze eis gebaseerd is op de eisen uit het Generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit of dat het een door de gemeente vastgestelde Gebiedspecifieke eis betreft. Tabel 7: Overzicht van toepassingseisen voor “gevoelige functies” in Vijfheerenlanden *) Dit past ook in het beleid van diffuus lood, dat tot doel heeft de blootstelling aan lood, met name voor jonge kinderen (0 – 6 jaar) sterk te verminderen, om IQ-punten verlies zo veel mogelijk te voorkomen Toepassingsbereik De in de bovenstaande tabel aangegeven eisen voor het toepassen van grond op gevoelige functies, gelden voor alle soorten grond, ongeachte de herkomst van de grond. 5.4.3Toepassen van lood-houdende grond in tuinen Van alle stoffen in de bovengrond van gebieden waar gewoond wordt, geeft lood de meeste kans op gezondheidsrisico’s, vooral voor kinderen in de leeftijd tot 6 jaar. Kinderen kunnen via hand-mond gedrag (ingestie) lood binnenkrijgen bij het spelen op plekken met loodhoudende grond. Zo kan lood in het lichaam opgenomen worden. Deze loodbelasting kan boven bepaalde gehalten een nadelig effect hebben op het leervermogen van kinderen en kan leiden tot verlies aan IQ-punten. Volgens de laatste inzichten kunnen al gezondheidseffecten aan de orde zijn bij kleine kinderen bij een loodconcentratie boven 100 mg/kg d.s. in de bodem. Generieke kader Tuinen worden in het Besluit bodemkwaliteit niet per definitie als een gevoelige functie beschouwd. De Maximale Waarde voor klasse Wonen-grond die toegepast mag worden in een gebied dat ingedeeld is in de bodemfunctieklasse Wonen (waar ook het bodemgebruik Wonen met tuin onder valt), bedraagt voor de parameter lood 210 mg/kg (voor een standaardbodem). Dat betekent dat het toegestaan is om op tuinen in principe grond toe te passen die meer dan 100 mg/kg aan lood kan bevatten. Gebiedsspecifieke kader De gemeente heeft zich als doel gesteld om kinderen niet bloot te stellen aan grond die meer dan 100 mg/kg aan lood bevat. Het zou daarom onlogisch zijn om toe te staan dat grond die meer dan 100 mg/kg kan bevatten in tuinen wordt toegepast. De hoofdregel van de Gebiedsspecifieke beleidsregel voor dit onderdeel is: In tuinen mag, naast schone grond, ook klasse Wonen-grond toegepast worden als het lood- gehalte in de toe te passen partij grond niet meer bedraagt dan 100 mg/kg. Uit de statistische kengetallen van de bodemkwaliteit van de onderscheiden zones op de Bodemkwaliteitskaart, blijkt dat de gemiddelde loodgehalten in de grond in alle zones aan deze eis voldoet, behalve in zone D: Bebouwing 3/3. Hierop wordt ingegaan bij de zone-gerelateerde toepassingseisen die gelden voor zone D (paragraaf 5.5). Zoals al beschreven is in paragraaf 5.4.2. geldt in Vijfheerenlanden de Gebiedsspecifieke beleidsregel dat op gevoelige functies (waaronder plaatsen waar kinderen spelen) alleen schone grond (klasse AW) toegepast mag worden. De Maximale Waarde voor grond die voldoet aan klasse AW (schone grond) bedraagt voor lood 50 mg/kg (voor een standaardbodem). Dit loodgehalte blijft daarmee voor toepassing van grond op gevoelige functies ruim onder het maximaal gewenste gehalte aan lood. In de onderstaande tabel zijn zowel de toepassingseisen uit het Generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit vermeld (MW) als de Gebiedsspecifieke toepassingseisen die door de gemeente Vijfheerenlanden zijn vastgesteld (LMW). Tabel 8: Samenvattend overzicht voor toepassingeisen van loodhoudende grond *) zie par. 5.4.2 5.4.4Toepassen grond op bedrijfs- en industrieterreinen Generieke kader Binnen de Regeling bodemkwaliteit is het toepassen van klasse Industrie grond op bedrijfs- en industrieterreinen alleen toegestaan als aan de volgende eisen voldaan wordt: Het betreffende bedrijfs- of industrieterrein is op de Bodemfunctieklassenkaart ingedeeld in de bodemfunctieklasse Industrie De toe te passen grond voldoet aan de Maximale Waarde die hoort bij de bodemfunctieklasse Industrie (klasse Industrie grond of betere kwaliteit) én De toe te passen grond heeft een kwaliteit die gelijk is aan of beter is dan de heersende bodemkwaliteit van de betreffende zone. Op grond van het bovenstaande is het toepassen van klasse Industrie grond op bedrijfs- en industrieterreinen in het Generieke kader alleen toegestaan in de zone waar de heersende bodemkwaliteit in bodemkwaliteitsklasse Industrie valt. Het toepassen van klasse Wonen- grond op bedrijfs- en industrieterreinen is in het Generieke kader toegestaan in zones met kwaliteitsklasse industrie of wonen. Het is niet toegestaan om grond met kwaliteitsklasse Industrie toe passen op een gebied met bodemfunctieklasse Industrie, waar de kwaliteit valt binnen kwaliteitsklasse Wonen of Achtergrondwaarde. Op een bedrijfs- of industrieterrein met een schone bodem mag dus geen grond toegepast worden met kwaliteitsklasse industrie. De in Vijfheerenlanden onderscheiden bodemkwaliteitszones zijn in paragraaf 4.2, tabel 5 weergegeven. Daarbij is vermeld wat de heersende bodemkwaliteit is in de betreffende zone, voor de bovengrond en voor de ondergrond. In het Generieke kader is, op grond daarvan, het toepassen van klasse Industrie-grond op bedrijfs- en industrieterreinen alleen toegestaan in zone D, omdat alleen in deze zone de heersende bodemkwaliteit in bodemkwaliteitsklasse Industrie valt. Het toepassen van klasse Wonen-grond op bedrijfs- en industrieterreinen is in het Generieke kader alleen toegestaan in zone B (alleen bovengrond), zone C en zone D. Gebiedsspecifieke kader Toepassen van klasse Industrie-grond: Gemeenten kunnen via Gebiedsspecifiek beleid de mogelijkheid creëren om op bedrijfs- en industrieterreinen grond tot maximaal klasse Industrie, toe te mogen passen, ongeacht de heersende bodemkwaliteit van de ontvangende grond. De gemeente Vijfheerenlanden heeft hier echter niet voor gekozen. Reden hiervoor is dat het niet ondenkbaar is dat gebieden die nu in gebruik zijn als bedrijfs- of industriegebied in de toekomst getransformeerd worden naar woongebieden. Daarom wordt het toepassen van klasse Industrie-grond op bedrijfs- en industrieterreienen met een betere heersende bodemkwaliteit niet toegestaan. Toepassen van klasse Wonen-grond: Het toepassen van klasse Wonen-grond op bedrijfs- en industrieterreinen met een betere heersende bodemkwaliteit wordt wel toegestaan. De gemeente vindt dit wel milieuhygiënisch verantwoord. De hoofdregel van de Gebiedsspecifieke beleidsregel voor dit onderdeel is: Het toepassen van klasse Wonen-grond op bedrijfs- of industrieterreinen met een betere heersende bodemkwaliteit is toegestaan. Dit geldt zowel voor toepassingen in de boven- als in de ondergrond. Concreet betekent dit dat klasse Wonen-grond toegepast mag worden op bedrijfs- en industrieterreinen in de zones A, B, C en D. Tabel 9: Eisen voor het toepassen van grond op bedrijfs- en industrieterreinen Toelichting: (LMW) : toepassing van klasse Wonen-grond is in het Generieke kader niet toegestaan, daarom is voor deze toepassingen een Lokale Maximale Waarde vastgesteld (MW) : toepassing van klasse Wonen-grond is in het Generieke kader wel toegestaan, omdat zowel de functie als de heersende bodemkwaliteit van deze zone hiermee matchen Toepassingsbereik De voorwaarden die hieraan gesteld worden en het toepassingsbereik van de Gebiedsspecifieke beleidsregel voor dit onderdeel zijn aangegeven in paragraaf 5.5 bij de betreffende zones. 5.4.5Uitwisselen van grond tussen bermen van (spoor)wegen Generieke kader In het Generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit wordt de mogelijkheid tot grondverzet bij wegbermen bepaald op basis van de bodemfunctie én de kwaliteitsklasse van de ontvangende bodem. De strengste van deze twee bepaalt de toepassingseis. De bodemfunctie wordt vastgelegd in een Bodemfunctieklassenkaart. Wegbermen vallen doorgaans onder de bodemgebruikscategorie “anders groen, infrastructuur en industrie” en kunnen daarom in het Generieke kader worden ingedeeld in de bodemfunctieklasse Industrie. Dat is niet in alle gevallen wenselijk, bijvoorbeeld als het gaat om een weg met weinig verkeersbelasting gelegen in een woongebied of in een ecologisch beschermingsgebied. Daar is het toepassen van klasse Industrie-grond niet wenselijk. Milieuverantwoorde uitwisseling van grond tussen wegbermen binnen de gemeente, op een eenvoudige en kosteneffectieve wijze mogelijk maken, is wel wenselijk. In schone bermen mag in het Generieke kader alleen schone grond toegepast worden en in bermen van wegen die gelegen zijn in woongebieden mag alleen klasse Wonen-grond toegepast worden, mits de ontvangende bodem ook kwaliteitsklasse Wonen heeft. In bermen van doorgaande wegen buiten de bebouwde kom mag in het Generieke kader vaak alleen schone grond toegepast worden, omdat het buitengebied doorgaans ingedeeld wordt in de bodemfunctieklasse Natuur/Landbouw. Ook al zouden alle wegbermen in het buitengebied ingedeeld worden in de bodemfunctieklasse Industrie, dan zou het toepassen van klasse Industrie-grond in het Generieke kader nog niet mogelijk zijn, omdat het buitengebied meestal schoon is en in het Generieke kader moet getoetst worden aan de functie-eis (voldoet) en aan de kwaliteitseis (voldoet niet), omdat door de toepassing de heersende bodemkwaliteit verslechterd. Gebiedsspecifieke kader De kwaliteit van bermgrond kent in werkelijkheid veel variaties en wordt veelal gekenmerkt door verhoogde gehalten aan zware metalen en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK). Dit als gevolg van uitlaatgassen van het wegverkeer, afstromend regenwater, toepassing van teerhoudend asfalt in de naastgelegen weg of uitloging van metalen vangrails. De bodemkwaliteit van wegbermen varieert daardoor van schoon tot sterk verontreinigd. De gemeente wil bermgrond, op een eenvoudige wijze, hergebruiken binnen de eigen gemeente waar dit nuttig is en verantwoord kan. Om dit mogelijk te maken heeft de gemeente voor dit onderdeel Gebiedsspecifieke beleidsregels vastgesteld. Om dit mogelijk te maken wordt deze categorie wegbermen ingedeeld in de bodemfunctie-klasse Industrie. 4 Let op: Dit is op de Toepassingskaart niet zichtbaar, omdat bermen op de Bodemfunctieklassenkaart niet apart ingedeeld zijn in een bodemfunctieklasse De hoofdregel van de Gebiedsspecifieke beleidsregels voor dit onderdeel is: Grond uit wegbermen mag zonder bodemonderzoek of partijkeuring worden hergebruikt in dezelfde of in een andere wegberm. In bermen van provinciale- en rijkswegen (incl. spoorwegbermen) in het buitengebied mag, naast schone grond en klasse Wonen-grond ook klasse Industrie grond worden toegepast. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden, verschillen per onderscheiden bermcategorie en per activiteit (hergebruik tussen wegbermen of toepassen van grond in een wegberm). Er worden 3 categorieën wegbermen onderscheiden: Bermen van provinciale- en rijkswegen (incl. spoorbermen) buiten de bebouwde kom Bermen van gemeentelijke wegen binnen de bebouwde kom Bermen van wegen buiten de bebouwde kom. A.Wegbermen van provinciale wegen en rijkswegen (incl. spoorwegbermen) Uitwisseling van grond tussen deze categorie bermen zonder onderzoek: De Gebiedsspecifieke beleidsregel houdt in dat uitwisseling van grond tussen bermen uit deze categorie, kan plaatsvinden, zonder dat een partijkeuring of ander onderzoek naar de kwaliteit van de grond uitgevoerd hoeft te worden, als aan de volgende voorwaarden voldaan wordt: De berm waaruit de grond vrijkomt moet zijn gelegen binnen het eigen of het uitgebreide bodembeheergebied. Zie par. 5.2 De bermen zijn gelegen buiten de bebouwde kom De berm waaruit de grond vrijkomt en de berm waarin de grond wordt toegepast mogen niet geregistreerd staan als geval van (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging in de zin van de Wet bodembescherming Het moet gaan om de bermen van bestaande (spoor)wegen. Voor bermen van nieuw aan te leggen (spoor)wegen gelden de Generieke toepassingseisen uit de Regeling bodemkwaliteit De grond wordt niet toegepast in bermen die zijn gelegen in een gebied met een gevoelige functie. Zie par. 5.4.2. Toepassing van klasse Industrie-grond in deze categorie bermen: De Gebiedsspecifieke beleidsregel houdt in dat in bermen uit deze categorie, naast schone grond en klasse Wonen-grond, ook klasse Industrie-grond mag worden toegepast, als aan de volgende voorwaarden voldaan wordt: De kwaliteit van de grond is gebaseerd op één van de volgende bewijsmiddelen: Een partijkeuring, uitgevoerd conform de geldende richtlijnen of Een door de gemeente Vijfheerenlanden geaccepteerde bodemkwaliteitskaart5 zie .. De berm waaruit de grond vrijkomt en de berm waarin de grond wordt toegepast mogen niet geregistreerd staan als geval van (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging in de zin van de Wet bodembescherming De grond moet voldoen aan de Maximale Waarde van bodemkwaliteitsklasse Industrie. Zie bijlage 9 van deze Nota. Dit moet aangetoond kunnen worden met één van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen. B.Bermen van gemeentelijke wegen binnen de bebouwde kom Uitwisseling van grond tussen deze categorie bermen zonder onderzoek: Het Gebiedsspecifieke beleid houdt voor deze categorie bermen in, dat uitwisseling van grond tussen deze bermen, kan plaatsvinden zonder dat een partijkeuring of ander onderzoek naar de kwaliteit van de grond uitgevoerd hoeft te worden, als aan de volgende voorwaarden voldaan wordt: De bermen zijn gelegen in zone A, B of C van de bodemkwaliteitskaart Vijfheerenlanden en zijn in beheer bij de gemeente De berm waaruit de grond vrijkomt en de berm waarin de grond wordt toegepast mogen niet geregistreerd staan als geval van (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging in de zin van de Wet bodembescherming De berm is onverdacht. Om dit na te gaan dient het Geoloket van de ODRU geraad- pleegd te worden (www.odru.
- nl)De grond wordt niet toegepast in bermen die zijn gelegen in een gebied met een gevoelige functie. Zie par. 5.4.2. C.Bermen van gemeentelijke wegen buiten de bebouwde kom. Uitwisseling van grond tussen deze bermen zonder onderzoek: De Gebiedsspecifieke beleidsregel houdt in dat uitwisseling van grond tussen bermen uit deze categorie, kan plaatsvinden, zonder dat een partijkeuring of ander onderzoek naar de kwaliteit van de grond uitgevoerd hoeft te worden, als aan de volgende voorwaarden voldaan wordt: De berm waaruit de grond vrijkomt moet zijn gelegen binnen het eigen of het uitgebreide bodembeheergebied. Zie par. 5.2 Het betreft een berm van een verharde weg; 6 Er wordt vanuit gegaan dat de kwaliteit van grond in de wegbermen langs onverharde wegen in het buitengebied, gelijk is aan de gebiedskwaliteit van deze zone (klasse AW). De berm waaruit de grond vrijkomt en de berm waarin de grond wordt toegepast mogen niet geregistreerd staan als geval van (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging in de zin van de Wet bodembescherming. Toepassingsbereik Het gebied waarop de Gebiedsspecifieke beleidsregels van toepassing is verschlit per categorie berm. Daarom is het toepassingsbereik bij elke categorie berm apart aangegeven (bij de opgesomde voorwaarden). 5.4.6Uitwisselen van grond tussen boomgaardpercelen In de gemeente Vijfheerenlanden zijn veel (voormalige) boomgaardpercelen gelegen. Alle (voormalige) boomgaardpercelen zijn ingetekend op een digitale kaartlaag (op basis van oude topografische kaarten van meerdere jaargangen), zodat de percelen die verdacht zijn op bestrijdingsmiddelen (OCB’
- s)voor een ieder zichtbaar zijn. De kaartlaag met boomgaard- percelen kan geraadpleegd worden op het Geoloket van de ODRU (www.odru.nl). Een weergave van deze kaart is opgenomen in bijlage 6 van deze Nota. Op (voormalige) boomgaardpercelen zijn veelvuldig bestrijdingsmiddelen gebruikt. Uit onderzoek is gebleken dat vooral de stoffen DDT/DDD/DDE, Drins en HCH verhoogd kunnen worden voorkomen op deze percelen. De concentraties van bestrijdingsmiddelen kan worden vastgesteld door de bodem te onderzoeken op de zogeheten organochloor bestrijdingsmiddelen (OCB’s). In het begin van de jaren ’40 van de vorige eeuw werd het zeer persistente DDT ontwikkeld. DDT is, net als de andere OCB’s, zeer moeilijk afbreekbaar waardoor de concentraties van deze stof hoger worden naarmate er meer op de bodem terecht komt. Tot begin van de jaren ’70 werd DDT nog op grote schaal toegepast in de land- en tuinbouw. In Nederland is het gebruik van DDT sinds 1973 verboden. Ook het gebruik van de meeste andere OCB’s is inmiddels verboden. De OCB’s hopen zich op in de toplaag van de bodem, daarom wordt standaard, in eerste instantie, alleen de toplaag van de bodem op OCB’s onderzocht (tot een diepte van maximaal 0,3 meter beneden het maaiveld). De mate van verontreiniging van de toplaag met OCB’s kan variëren van licht tot sterk verontreinigd. Generieke kader Omdat bestrijdingsmiddelen zich vaak in de toplaag van (voormalige) boomgaardpercelen ophopen, wordt deze laag (0 – 0,3 m -
- mv)aangemerkt als bodemverdacht. Deze laag zal dan ook altijd eerst onderzocht moeten worden op bestrijdingsmiddelen (OCB’
- s)om de mate van verontreiniging vast te stellen. Vaak blijkt dat de bovengrond op (voormalige) boomgaardpercelen, vanwege de gemeten concentraties aan bestrijdingsmiddelen, gekwalificeerd wordt als klasse Industrie-grond of Niet toepasbare grond. Dat betekent dat vrijkomende grond in het Generieke kader niet hergebruikt kan worden en afgevoerd moet worden naar een erkend verwerker. Gebiedsspecifieke kader De kwalificatie klasse Industrie-grond of Niet Toepasbare grond is voor bestrijdingsmiddelen in grond hoofdzakelijk gebaseerd op het toetsingsresultaat van de ecologische risico’s. Bestrijdingsmiddelen in de grond vormen bijna nooit een risico voor de mens. De grenswaarden waarbij er sprake is van humane risico’s liggen namelijk vele malen hoger dan de grenswaarden waarbij sprake is van ecologische risico’s. Ook de verspreidingsrisico’s voor bestrijdings- middelen in de grond zijn laag, omdat de bestrijdingsmiddelen zich goed aan de grond binden. Deze constateringen bieden mogelijkheden om hergebruik van deze grond, onder voorwaarden, toe te staan door gebruik te maken van het stand-still principe. De bodemkwaliteit mag op het niveau van bodemheergebied niet verslechteren. In de gemeente Vijfheerenlanden komen veel (voormalige) boomgaardpercelen voor en er vindt ook regelmatig grondverzet plaats op en tussen (voormalige) boomgaardpercelen. Door het opstellen van Gebiedsspecifieke beleidsregels kan de gemeente, onder voorwaarden, uitwisseling van OCB- verdacht grond tussen (voormalige) boomgaardpercelen op een milieuverantwoorde en duurzame wijze mogelijk maken zonder dat daarmee de heersende bodemkwaliteit verslechterd. De gemeente heeft daarom de volgende Gebiedsspecieke beleidsregel voor dit beleidsonderdeel vastgesteld. De hoofdregel van het Gebiedsspecifieke kader voor dit beleidsonderdeel is: Het uitwisselen van OCB-verdachte grond tussen (voormalige) boomgaardpercelen is toegestaan als aan de gestelde voorwaarden voldaan wordt. Voor bestrijdingsmiddelen zijn Lokale Maximale Waarden (LMW) vastgesteld. Deze zijn gelijk aan de interventiewaarde van de betreffende stof. Daarmee wordt een matig ecologisch beschermingsniveau gewaarborgd en worden humane risico’s uitgesloten. Uitwisselen van OCB-verdachte grond tussen (voormalige) boomgaardpercelen: Het uitwisselen van OCB-verdachte grond tussen (voormalige) boomgaardpercelen is toegestaan als aan de volgende voorwaarden voldaan wordt: De toplaag (tot maximaal 0,3 m -
- mv)is conform de NEN 5740 (onderzoeksstrategie VED-HE) onderzocht op OCB’s en de gemeten gehalten liggen voor alle onderzochte OCB’s onder de interventiewaarde én de toepassing voldoet ook aan de toepassingseisen die gelden ten aanzien van de overige parameters De OCB-verdachte grond komt vrij van een (voormalig) boomgaardperceel dat gelegen is binnen het eigen of het uitgebreide bodembeheergebied. Zie par. 5.2 De grond wordt niet toegepast op (voormalige) boomgaardpercelen die zijn gelegen in een gebied met een gevoelige functie. Zie par. 5.4.2. Het perceel waaruit de grond vrijkomt (herkomstperceel) en het perceel waar de grond wordt toegepast (toepassingsperceel) mogen niet geregistreerd staan als geval van (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging in de zin van de Wet bodembescherming. Toepassingsbereik Deze Gebiedsspecifieke beleidsregel voor het uitwisselen van grond tussen (voormalige) boomgaardpercelen geldt voor zowel voor het eigen als voor het uitgebreide bodembeheer- gebied. Zie par. 5.2. 5.4.7Ontgraven van grond t.b.v. kabels, leidingen en riolering Het verrichten van graafwerkzaamheden ten behoeve van kabels, leidingen en rioleringen is een veel voorkomende activiteit in de bodem. Hierbij wordt de vrijkomende grond veelal weer teruggeplaatst. Veel van deze activiteiten vallen onder het begrip tijdelijke uitname. In bijlage 7 van deze Nota is hiervan een samenvatting opgenomen. Generieke kader Volgens de regels uit het Generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit dient bij het ontgraven van grond rekening te worden gehouden met de grondsoort, de chemische kwaliteit van de grond en de hoeveelheid bodemvreemd materiaal in de grond. Het tijdelijk uitnemen en daarna weer terugplaatsen van de grond, zonder het uitvoeren van onderzoek naar de chemische kwaliteit, is alleen mogelijk als: De grond onder dezelfde condities en op dezelfde plek weer wordt teruggeplaatst, zonder te zijn bewerkt; Verschillende grondlagen gescheiden ontgraven worden; Uitgesloten kan worden dat de grond ernstig verontreinigd is. Vaak is gescheiden ontgraven niet mogelijk, bijvoorbeeld omdat de grond al geroerd is door eerdere graafwerkzaamheden. Gescheiden ontgraven betekent dat de ontgraven grond tijdelijk gescheiden opgeslagen moet worden. Hier is niet altijd ruimte voor (bijvoorbeeld in stedelijk gebied). Het gescheiden ontgraven brengt meerkosten met zich mee en is niet in alle gevallen doelmatig. Gebiedsspecifieke kader Door het vaststellen van een Gebiedsspecifieke beleidsregel, maakt de gemeente het onder voorwaarden mogelijk, niet gescheiden ontgraven grond, weer terug te plaatsen. Op onverdachte locaties kan de bodemkwaliteitskaart (Ontgravingskaart) gebruikt worden om aan te tonen dat de grond niet ernstig verontreinigd is. Zie par. 8.2, waarin wordt beschreven welke eisen worden gesteld aan het (historisch) vooronderzoek bij projectmatige ontgravingen. De hoofdregel van de Gebiedsspecifieke beleidsregel voor dit onderdeel is: Bij aanleg, herstel of onderhoud van kabels, leidingen en is het, onder voorwaarden, toegestaan de verschillende bodemlagen niet gescheiden van elkaar te ontgraven en de ontgraven grond in geroerde toestand weer terug te plaatsen. Het niet gescheiden ontgraven van grond ten behoeve van de aanleg, herstel of onderhoud van kabels, leidingen en riolering, en vergelijkbare projectmatige ontgravingen, is toegestaan als aan de volgende voorwaarden voldaan wordt: De ontgraving is nuttig en functioneel. Dat wil zeggen er wordt niet dieper gegraven en er komt niet meer grond vrij dan nodig is voor het verrichten van het geplande werk Er moet middels een (historisch) vooronderzoek aangetoond kunnen worden dat de bodem op de locatie waar de graafwerkzaamheden uitgevoerd worden, niet ernstig verontreinigd is. Zie par. 8.2.2 De hoeveelheid bodemvreemd materiaal voldoet aan de eis die voor de betreffende functie geldt. Zie par. 5.4.1. Als de vrijkomende grond niet wordt teruggeplaatst, maar elders binnen de gemeente Vijfheerenlanden wordt hergebruikt, wordt als kwaliteitsklasse voor de toepassing uitgegaan van de kwaliteitsklasse die op de Ontgravingskaart aangegeven wordt. Het staat de acceptant van de grond overigens vrij om de toepasser te vragen om een partijkeuring van de vrijkomende grond. 5.4.8Ontgraven van grond dieper dan 2 meter De Ontgravingskaart geeft de verwachte bodemkwaliteit aan tot een maximale diepte van meter beneden het maaiveld. Voor grond die dieper dan 2 meter beneden het maaiveld vrijkomt, kan de Ontgravingskaart dus niet gebruikt worden als bewijsmiddel om de te verwachten kwaliteit van de grond aan te tonen. Generieke kader In het Generieke kader betekent dit dat er een partijkeuring of verkennend bodemonderzoek nodig is om de kwaliteit van de grond aan te kunnen tonen. Gebiedsspecifieke kader Omdat verwacht mag worden dat, in de meeste gevallen, de diepere ondergrond schoner is dan de grond in de ondiepere bodemlagen, heeft de gemeente Vijfheerenlanden een Gebiedsspecifieke beleidsregel vastgesteld voor het graven in de bodem dieper dan 2 meter. De hoofdregel van de Gebiedsspecifieke beleidsregel voor dit onderdeel is: Voor ontgravingen dieper dan 2 meter wordt als gemiddelde kwaliteit de verwachte kwaliteit van de grond in de bodemlaag 0,5 – 2 m -mv gehanteerd De vrijkomende grond kan elders in de gemeente, zonder onderzoek, toegepast worden, als aan de volgende voorwaarden voldaan wordt: Er zijn tijdens het graven geen aanwijzingen gevonden dat de vrijkomende grond verontreinigd zou kunnen zijn Uit het raadplegen van het Bodeminformatiesysteem van de ODRU zijn geen gegevens naar voren gekomen op grond waarvan een bodemverontreiniging vermoed kan worden. Zie par. 8.2.2. 5.4.9Verspreiden van bagger op de landbodem Generieke kader Baggeren is een veel voorkomende activiteit in gebieden met veel oppervlaktewater. Vaak wordt de bagger direct naast de watergang verspreid, maar daar is niet altijd ruimte voor. De regels voor bagger zijn in het Besluit bodemkwaliteit gelijk gesteld aan die voor grond. Dit geldt althans voor het toepassen van baggerspecie op percelen die niet direct aan de watergang grenzen waar de bagger vandaan komt. Voor het verspreiden van baggerspecie op aan de watergang grenzende percelen, incl. de tijdelijk opslag van bagger in een weilanddepot, is in het Besluit en in de Regeling bodemkwaliteit een apart toetsingskader opgenomen. Binnen het Generieke kader mag baggerspecie op aangrenzende percelen verspreid worden (en daaraan voorafgaand tijdelijk opgeslagen worden in een weilanddepot), als de bagger voldoet aan de verspreidingsnorm (zie Regeling bodemkwaliteit) of afkomstig is uit een onverdachte watergang. Een watergang is al snel verdacht en verspreiden van bagger op aangrenzende percelen is niet altijd mogelijk (bijvoorbeeld in stedelijk gebied). De gemiddelde baggerkwaliteit in Vijfheerenlanden varieert van vrij verspreidbaar (schone bagger), verspreidbaar (licht tot matig verontreinigd) tot niet verspreidbaar (matig of sterk verontreinigd). Binnen het Generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit mag de verspreidbare baggerspecie niet verder verspreid worden dan op aan de watergang grenzende percelen. Let op: De ruimte om verspreidbare ongerijpte bagger op aangrenzende percelen te verspreiden gaat, bij inwerkingtreding van de Omgevingswet (per 1-1-2021), naar alle waarschijnlijkheid verruimd worden naar maximaal 10 km vanaf de te baggeren watergang(en). Tegelijk wordt de toetsing van de bagger op verspreidbaarheid strenger, doordat meer dan nu, rekening gehouden wordt met risiconormen voor natuur- en landbouwgebruik. Gebiedsspecifieke kader Er worden regelmatig baggerwerkzaamheden uitgevoerd in de gemeente Vijfheerenlanden, onder andere door de waterkwaliteitsbeheerder (waterschap Rivierenland). Het afvoeren van baggerspecie naar een erkend verwerker, brengt veel transport- en verwerkingskosten met zich mee en is niet duurzaam vanwege de grote aantallen transportbewegingen die nodig zijn om de bagger af te voeren. Bovendien is het van belang om, waar mogelijk, grond en bagger in hetzelfde gebied te houden om de voortdurende bodemdaling enigszins te kunnen compenseren. Het is door het vaststellen van een Gebiedsspecifieke beleidsregel mogelijk om het verspreiden en toepassen van licht tot matig verontreinigde baggerspecie op de landbodem te verruimen. Hierdoor kunnen veel kosten worden bespaard en kunnen baggerwerkzaamheden kosteneffectief en duurzaam uitgevoerd worden. De gemeente Vijfheerenlanden heeft daarom voor deze mogelijkheid gekozen en een Gebiedsspecifieke beleidsregel vastgesteld die het mogelijk maakt om verspreidbare bagger ook buiten de aan de te baggeren watergang grenzende percelen te kunnen verspreiden. Dit wordt mogelijk gemaakt door een ruimere invulling te geven aan het begrip “aangrenzende percelen”. Dit begrip wordt ingevuld als “alle percelen die zijn gelegen binnen dezelfde bodemkwaliteitszone als de watergang waar de bagger uit afkomstig is”. De hoofdregel van de Gebiedsspecifieke beleidsregel voor dit onderdeel is: Verspreiding van verspreidbare ongerijpte baggerspecie, is aanvullend op het Generieke kader, ook buiten aangrenzende percelen toegestaan als aan de gestelde volgende voorwaarden voldaan wordt. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden zijn: De bagger is afkomstig uit een watergang die gelegen is op aangrenzende percelen volgens de verruimde definitie De bagger is onderzocht conform de NEN 5720 (waterbodemonderzoek) en de bagger is gekwalificeerd als verspreidbaar; of De bagger is afkomstig van een onverdachte watergang, blijkens een, conform de NEN 5717 uitgevoerd, (historisch) vooronderzoek voor waterbodems De op de landbodem op te brengen laagdikte en hoeveelheden moeten nuttig en functioneel zijn en mogen andere waarden of functies van de bodem geen blijvende schade toebrengen. De te verspreiden baggerlaag mag daarom niet dikker zijn dan 0,3 meter. Deze laatste voorwaarde wordt hieronder verder toegelicht: De aerobe afbraak van organische verontreinigingen in de bagger worden ernstig bemoeilijkt als baggerspecielagen dikker dan 30 cm worden aangebracht. Daarom wordt dit als maximaal wenselijk aan te brengen laagdikte beschouwd. Dit sluit ook het meest aan bij bepalingen uit bestemmingsplannen in het buitengebied. Wanneer een dikkere laag baggerspecie dan 0,3 m op de landbodem wordt aangebracht, is bovendien in de meeste gevallen een Omgevings- vergunning (aanlegvergunning) vereist. Toepassingsbereik De Gebiedsspecifieke beleidsregel voor dit onderdeel is alleen van toepassing op het grondgebied van de gemeente Vijfheerenlanden. Omdat de geldende Gebiedsspecifieke eisen aanvullend zijn op de eisen die voor het verspreiden van bagger op aangrenzende percelen in het Generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit opgenomen zijn, blijft het mogelijk om ook verspreidbare bagger uit te wisselen met buurgemeenten, mits de bagger afkomstig is uit en toegepast wordt op percelen die aan (één van) de watergangen grenzen die gebaggerd worden. Hierdoor wordt de huidige ruimte voor het verspreiden van bagger door het vaststellen van de Gebiedsspecifieke beleidsregel niet beperkt, maar juist uitgebreid ten opzichte van de regels uit het Generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit. 5.4.10Tijdelijke opslag van grond en bagger Generieke kader Grond kan vaak niet direct worden toegepast op de definitieve eindbestemming en wordt dan tijdelijk opgeslagen. Het Besluit bodemkwaliteit stelt ook regels aan tijdelijke opslag van grond en baggerspecie. Het Besluit onderscheidt een aantal vormen van tijdelijke opslag. Dit is hieronder in een tabel weergegeven. Tabel 10: Vormen van tijdelijke opslag van grond en bagger op de landbodem Vorm opslag Max. toegestane duur opslag Kwaliteitseisen Meldingsplicht Kortdurende opslag 6 maanden Geen (wel zorgplicht bodem) Ja Opslag bij Tijdelijke uitname Looptijd van het werk Geen (wel zorgplicht bodem) Nee Tijdelijke opslag grond 3 jaar Generieke kwaliteitseisen voor de ontvangende bodem Ja**) Tijdelijke opslag bagger (weilanddepot) *) 3 jaar Generieke verspreidingsnorm voor bagger én verspreiding binnen aangrenzende percelen Ja **) *) Een weilanddepot is een depot voor de tijdelijke opslag van bagger op een perceel dat direct grenst aan (één van) de gebaggerde watergang(
- en)en daar ook verspreid wordt. **) Met vermelding van voorziene duur van de opslag en de eindbestemming. Gebiedsspecifieke kader Aan een aantal vormen van tijdelijke opslag zijn ook voorwaarden verbonden (kwaliteitseisen). Deze voorwaarden passen prima binnen de uitgangspunten van het landelijk geldende Generieke toepassingskader. Echter, bij grondverzet binnen het bodembeheergebied van Vijfheerenlanden volgens het Gebiedsspecifieke kader dat in dit hoofdstuk beschreven is, leiden de kwaliteitseisen uit het Generieke kader tot problemen. Dan kan zich namelijk de situatie voordoen dat op een bepaalde locatie wel partijen grond of baggerspecie mogen worden toegepast, maar dat dezelfde partijen grond of baggerspecie daar niet tijdelijk mogen worden opgeslagen. Gezien deze discrepantie is door de gemeente Vijfheerenlanden besloten om de Gebiedsspecifieke beleidsregels die gelden bij de toepassing van grond en bagger, ook van toepassing te verklaren op de tijdelijke opslag, voorafgaand aan de definitieve toepassing. De hoofdregel van de Gebiedsspecifieke beleidsregel voor dit onderdeel is: Partijen grond of baggerspecie die, volgens de Gebiedsspecifieke toepassingseisen op een bepaalde locatie binnen het bodembeheergebied mogen worden toegepast of verspreid, mogen eveneens, voorafgaand aan de definitieve toepassing of verspreiding, op deze toepassingslocatie (of in de directe nabijheid hiervan) tijdelijk in opslag worden genomen voor de duur die voor de betreffende vorm van tijdelijke opslag is vastgelegd in het Generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit. In onderstaande tabel zijn de eisen die in het Generieke kader en aanvullend hierop in het Gebiedsspecifieke kader, gelden voor de tijdelijke opslag van grond en bagger, samengevat. Tabel 11: Gebiedsspecifieke kader tijdelijke opslag van grond en bagger op de landbodem Vorm opslag Max. toegestane duur opslag Kwaliteitseisen Meldingsplicht Kortdurende opslag 6 maanden Geen (wel zorgplicht bodem) Ja Opslag bij Tijdelijke uitname Looptijd van het werk Geen (wel zorgplicht bodem) Nee Tijdelijke opslag grond 3 jaar Zijn gelijk aan de Gebiedsspecifieke eisen die gelden voor de bijbehorende toepassing op de vermelde eindbestemming Ja *) Tijdelijke opslag bagger (weilanddepot) 3 jaar Bagger moet voldoen aan de verspreidingsnormen voor bagger uit het Generieke kader en moet verder voldoen aan de Gebiedsspecifieke voorwaarden van par. 5.4.9, m.u.v. de aangegeven maximale dikte van de baggerlaag. Ja *) *) Met vermelding van voorziene duur van de opslag en de eindbestemming. De afwijking in het Gebiedsspecifieke kader t.o.v. het Generieke kader voor dit onderdeel geldt dus alleen voor de kwaliteitseisen die gesteld worden aan de tijdelijke opslag van grond en bagger. De overige eisen en voorwaarden voor tijdelijke opslag, uit het Generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit (maximale duur van de opslag en wel of niet melden), blijven onveranderd van kracht. Daarmee is deze Gebiedsspecifieke beleidsregel niet beperkend, maar aanvullend op het Generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit voor de Tijdelijke opslag van grond en bagger op de landbodem. Toepassingsbereik De Gebiedsspecifieke beleidsregels voor de tijdelijke opslag van grond en bagger, gelden niet alleen voor grond of bagger die afkomstig is van binnen het eigen bodembeheergebied, maar ook voor grond of bagger die afkomstig is uit het uitgebreide bodembeheergebied. Zie par. 5.2. 5.5.Zone-gerelateerde beleidsregels In deze paragraaf worden de keuzes van het Gebiedsspecifieke beleid toegelicht die gelden voor bepaalde zones die op de bodemkwaliteitskaart van Vijfheerenlanden onderscheiden worden. De ligging van de zones is aangegeven op de Bodemzoneringskaart (zie bijlage 4A van deze Nota). De bodemkwaliteitszones worden op de kaart onderscheiden (per zone is de heersende bodemkwaliteit aangegeven). In paragraaf 4.2 worden de vijf aanwezige bodemkwaliteitszones weergegeven en beschreven. Deze worden aangeduid als zone A t/m E. Voor de volgende zones zijn voor het toepassen van grond Gebiedsspecifieke beleidsregels door de gemeente vastgesteld: Zone A: om het toepassen van klasse Wonen-grond mogelijk te maken, zowel in de boven- als in de ondergrond Zone B: om het toepassen van klasse Wonen-grond in de ondergrond mogelijk te maken) Zone D: om hergebruik van grond binnen deze zone mogelijk te maken en om het toepassen van klasse Industrie-grond op bedrijfs- en industrieterreinen in deze zone te reguleren Zone E: om hergebruik van gebiedseigen grond in de bovengrond mogelijk te maken. 5.5.1Gebiedsspecifiek beleid zone A Tabel 12: Aanduiding heersende bodemkwaliteitszone in zone A De zone wordt ingedeeld in de bodemkwaliteitsklasse “Achtergrondwaarde”. Dat houdt in dat de grond van deze zone op onverdachte plekken naar verwachting schoon is. 7 Afgezien van PFOA. Hiervoor is apart PFAS-beleid voor opgesteld in regionaal verband Deze zone omvat de o.a. de volgende gebieden: Woonwijken en bedrijfsterreinen van na 1960 in Vianen (Monnikenhof, De Hagen, De Biezen); Wijk Noord in Leerdam, ten noorden van de spoorlijn; Bungalowpark Merwede, ten zuiden van Meerkerk; Recente nieuwbouwwijken in Vianen en Hagestein (zoals Hoef en Haag); Een recente uitbreiding van bedrijfsterrein Blommendaal in Meerkerk (alleen het zuidelijke deel). Generieke kader Deze zone bestaat uit gebieden die niet/nauwelijks bodembelast zijn. Dat geldt zowel voor de boven- als voor de ondergrond. Dit heeft als consequentie dat in het Generieke kader alleen schone grond (AW) mag worden toegepast in deze zone en dat toepassing van klasse Wonen- grond in deze zone, zelfs op bedrijfs- en industrieterreinen, niet mogelijk is. Gebiedsspecifieke kader Toepassing van klasse Wonen-grond is, gelet op de hoofdbodemfunctie van deze zone, milieuhygiënisch verantwoord, buiten gevoelige functies (zie par. 5.4.2). Daarom heeft de gemeente Vijfheerenlanden voor de toepassing van grond in deze zone een Gebiedsspecifieke toepassingseis vastgesteld (LMW). Toepassing van klasse Wonen-grond in deze zone is toegestaan als aan de volgende voorwaar- den voldaan wordt: De grond is afkomstig uit het eigen of het uitgebreide bodembeheergebied. Zie par. 5.2 Grond die afkomstig is van buiten dit gebied moet voldoen aan de toepassingseis uit het Generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit (MW). In dit geval betekent dat, dat er alleen klasse AW (schone grond) toegepast mag worden, omdat de heersende bodemkwaliteit in dit geval leidend is bij de toetsing of de toepassing is toegestaan De toe te passen grond voldoet ook aan de overige Gebiedsspecifieke eisen die in paragraaf 5.4. beschreven zijn. 5.5.2Gebiedsspecifiek beleid zone B Tabel 13: Aanduiding heersende bodemkwaliteitszone in zone B De bovengrond van de zone wordt ingedeeld in de bodemkwaliteitsklasse “Wonen”. De ondergrond wordt ingedeeld in de bodemkwaliteitsklasse “Achtergrondwaarde”. De zone omvat o.a. de volgende gebieden: Wijk Oost in Leerdam en Wijk West in Leerdam (alleen met bebouwing van na 1960); Bedrijfsterrein Nieuw Schaik in Leerdam; Wijken met naoorlogse bebouwing in Meerkerk, Lexmond en Ameide. Generieke kader De ondergrond van deze zone is niet tot nauwelijks verontreinigd. Dit heeft als consequentie dat in het Generieke kader alleen schone grond in de ondergrond mag worden toegepast. Toepassing van klasse Wonen-grond in deze zone, ook op bedrijfs- en industrieterreinen, is niet mogelijk. In de bovengrond mag binnen het Generieke kader wel klasse Wonen-grond worden toegepast. Deze kwaliteit sluit aan bij de functie en bij de heersende bodemkwaliteit. Gebiedsspecifiek kader Toepassing van klasse Wonen-grond is, gelet op de hoofdfunctie van deze zone, buiten gevoelige functies, milieuhygiënisch verantwoord. Daarom heeft de gemeente Vijfheerenlanden voor de toepassing van grond in de ondergrond van deze zone een Gebiedsspecifieke toepassingseis vastgesteld (LMW). Toepassing van klasse Wonen-grond in de ondergrond van deze zone is toegestaan als aan de volgende voorwaarden voldaan wordt: De grond is afkomstig uit het eigen of het uitgebreide bodembeheergebied. Zie par. 5.2 Grond die afkomstig is van buiten dit gebied moet voldoen aan de toepassingseis uit het Generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit (MW). In dit geval betekent dat, dat er alleen klasse AW (schone grond) toegepast mag worden, omdat de heersende bodemkwaliteit in dit geval leidend is bij de toetsing of de toepassing is toegestaan De toe te passen grond voldoet ook aan de overige Gebiedsspecifieke eisen die in paragraaf 5.4. beschreven zijn. 5.5.3Gebiedsspecifiek beleid zone D Tabel 14: Aanduiding heersende bodemkwaliteitszone in zone D Deze zone wordt ingedeeld in de bodemkwaliteitsklasse “Industrie”. Deze zone omvat vrijwel alle deelgebieden met vooroorlogse bebouwing, met uitzondering van de kleine kernen. Ook als deze deelgebieden na de oorlog herontwikkeld zijn, zijn ze in deze zone ingedeeld als er geen of onvoldoende bodemgegevens beschikbaar zijn waaruit een betere bodemkwaliteit blijkt. Generieke kader Deze zone bestaat uit gebieden die een bodemkwaliteit kennen die eigenlijk niet past bij de hoofdfunctie van deze zone (Wonen). Dat geldt zowel voor de boven- als voor de ondergrond. Dit heeft als consequenties dat in het Generieke kader vrijkomende grond uit deze zone niet kan worden hergebruikt, behalve op bedrijfs- en industrieterreinen. Het toepassen van klasse Industrie grond op bedrijfs- en industrieterreinen in deze zone is in het Generieke kader dus toegestaan. De gemeente Vijfheerenlanden stelt hier echter wel Gebiedsspecifieke voorwaar- den aan. Gebiedsspecifieke kader De gemeente Vijfheerenlanden heeft er middels het vaststellen van Gebiedsspecifiek beleid voor deze zone voor gekozen om: Hergebruik van uit deze zone vrijkomende grond in deze zone, onder voorwaarden, mogelijk te maken Voorwaarden te stellen aan het toepassen van klasse Industrie-grond op bedrijfs- en industrieterreinen in deze zone. Hergebruik van uit zone D vrijkomende grond: De gemeente Vijfheerenlanden heeft een Gebiedsspecifieke beleidsregel vastgesteld, waardoor het mogelijk is om grond die uit deze zone vrijkomt, binnen deze zone toe te passen. Dit is alleen toegestaan als aan de volgende voorwaarden voldaan is: De grond moet onderzocht zijn in een verkennend bodemonderzoek of een partijkeuring Het bodem- of partijkeuringsrapport mag niet ouder zijn dan 3 jaar en moet uitgevoerd zijn conform de daarvoor geldende regels en richtlijnen De ontgraving moet vooraf gemeld zijn. Zie par. 8.2.3 De grond komt uit zone D vrij en wordt ook binnen deze zone toegepast De gehalten van alle onderzochte stoffen liggen onder de 80 percentielwaarde (P80) van deze zone (zie bijlage 3 van deze Nota.) én liggen tevens voor alle onderzochte stoffen onder de humane risico-index van 1 van de Risico Tool Box bodem (RTB) [Lit. 4] De toe te passen grond voldoet ook aan de overige Gebiedsspecifieke eisen zoals beschreven in paragraaf 5.4 van deze Nota. Met name worden genoemd: par. 5.4.1 (hoeveelheid bodemvreemd materiaal) en par. 5.4.2 (toepassing op gevoelige functies). Als de uit deze zone vrijkomende grond niet aan alle bovengenoemde voorwaarden voldoet, is alleen toepassing onder duurzaam aaneengesloten verhardingen of funderingen toegestaan binnen deze zone, mits er geen sprake van ernstig verontreinigde grond, de toe te passen grond geen stoffen bevat die uit kunnen logen naar het grondwater én de toepassing plaats vindt boven de grondwaterspiegel. Voor het toepassen van grond die afkomstig is van buiten zone D, gelden de toepassingseisen uit het Generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit. Dat houdt in dat zowel in de boven- als in de ondergrond van deze zone maximaal klasse Wonen-grond mag worden toegepast. De hoofdfunctie van de bodem in deze zone (Wonen) is daarbij leidend. Voorwaarden voor het toepassen van klasse Industrie-grond in deze zone: In het Generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit is het toegestaan om klasse Industrie- grond in deze zone toe te passen op bedrijfs- en industrieterreinen, mits deze op de Bodemfunctieklassenkaart ingedeeld zijn in de bodemfunctieklasse Industrie. De gemeente Vijfheerenlanden wil het toepassen van klasse Industrie-grond echter reguleren door hier een Gebiedsspecifieke beleidsregel voor vast te stellen. Toepassing van klasse Industrie-grond op bedrijfs- en industrieterreinen in zone D is alleen toegestaan als aan de volgende voorwaarden voldaan wordt: De grond wordt toegepast op een bedrijfs- of industrieterrein dat op de Bodemfunctie- klassenkaart ingedeeld is de bodemfunctieklasse Industrie De grond is afkomstig uit het eigen of het uitgebreide bodembeheergebied. Zie par. 5.2 De grond wordt aaneengesloten toegepast Het volume van de totale partij toe te passen klasse Industrie-grond bedraagt minimaal 200 m38 Dit is overgenomen uit het beleid dat voor het grondverzet in de voormalige gemeenten Zederik en Leerdam gold De toepassingsdiepte is maximaal 2 meter beneden het bestaande maaiveld Er is zeker de komende 10 jaar geen wijziging van de bestemming Industrie naar een gevoeliger bodemgebruik te verwachten Het betreft een bestaand bedrijfs- of industrieterrein of een nieuw aan te leggen met een oppervlakte van minimaal 2 hectare 5.5.4Gebiedsspecifiek beleid zone E Tabel 15: Aanduiding heersende bodemkwaliteitszone in zone E Deze zone wordt ingedeeld in de bodemkwaliteitsklasse “Achtergrondwaarde”. Deze zone omvat alle gebieden buiten de bebouwde kom, exclusief de gebieden die op de Bodemfunctieklassenkaart ingedeeld zijn in de bodemfunctieklasse Wonen. In het buitengebied komen echter ook percelen voor met een andere (minder gevoeligere) bodemfunctie dan moestuinen/volkstuinen, natuur of landbouw (bijv. Wonen, bedrijvigheid e.d.). Die percelen zijn echter, om praktische redenen, niet allemaal afzonderlijk ingetekend op de Bodemfunctie- klassenkaart. Zie par. 6.3, onder stap 3 hoe hier praktisch mee omgegaan kan worden. Generieke kader In deze zone wordt de algemene bodemkwaliteit (dat is de bodemkwaliteit op onverdachte plekken) in de bovengrond en in de ondergrond, als klasse AW-grond (schone grond) gekwalificeerd. Binnen het Generieke kader is het toegestaan om grond, die uit de bovengrond van deze zone vrijkomt, binnen deze zone her te gebruiken met de Ontgravingskaart als bewijsmiddel. Een eventueel uitgevoerde partijkeuring staat als bewijsmiddel voor het toepassen van grond, in hiërarchie boven de Ontgravingskaart. Als uit een reeds uitgevoerde partijkeuring, of een uitgevoerd verkennend bodemonderzoek gebleken is dat de grond niet helemaal schoon is (en daardoor als klasse Wonen-grond aangemerkt moet worden), mag deze grond binnen het Generieke kader dan ook niet binnen deze zone hergebruikt kunnen worden. De toepassingseis in deze zone is immers klasse AW (schone grond). Gebiedsgerichte kader Licht vervuilde grond levert geen risico’s op binnen de bodemfunctie Landbouw/Natuur. Om te voorkomen dat een partij gebiedseigen grond, die licht verontreinigd is, om deze reden wordt afgekeurd, wordt voor het grondverzet binnen deze zone een Gebiedsspecifieke beleidsregel vastgesteld. De hoofdregel van de Gebiedsspecifieke beleidsregel voor dit onderdeel is: Gebiedseigen grond die binnen zone E vrijkomt mag zonder (aanvullend) onderzoek weer binnen deze zone hergebruikt worden als aan de gestelde voorwaarde voldaan wordt. Hergebruik van gebiedseigen klasse Wonen-grond grond binnen zone E, is mogelijk als aan de volgende voorwaarden voldaan wordt: Er is een partijkeuring of een bodemonderzoek uitgevoerd conform de daarvoor geldende regels en richtlijnen; Uit toetsing van de resultaten blijkt dat de gemeten gehalten voor alle onderzochte stoffen onder de 80 percentielwaarde (P80) van de heersende bodemkwaliteit van deze zone liggen. Zie bijlage 3 van deze Nota. De grond moet afkomstig zijn uit de bovengrond van zone E en ook weer in de bovengrond van zone E worden toegepast De toe te passen grond voldoet ook aan de overige Gebiedsspecifieke eisen zoals beschreven in paragraaf 5.4 van deze Nota. Met name worden genoemd: par. 5.4.1 (hoeveelheid bodemvreemd materiaal) en par. 5.4.2 (toepassing op gevoelige functies). 6.Handvat grondverzet 6.1Inleiding In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het gebruik van de verschillende kaartlagen van de bodemkwaliteitskaart en de aspecten die komen kijken bij het ontgraven en hergebruiken/ toepassen van grond en bagger. Tevens zijn enkele aandachtspunten benoemd die in de praktijk van het grondverzet van belang zijn. Dit hoofdstuk dient in samenhang gelezen en gebruikt te worden met de hoofdstukken 4 en 5. 6.2Erkende bewijsmiddelen Het belangrijkste bewijsmiddel bij grondverzet is de Bodemkwaliteitskaart van de gemeente. In het rapport “Bodemkwaliteitskaart gemeente Vijfheerenlanden”, (Marmos, P19-11, d.d. 4 augustus 2020), is beschreven hoe de bodemkwaliteitskaart tot stand gekomen is. In de praktijk van het grondverzet worden vooral de Ontgravingskaart en de Toepassingskaart gebruikt (zie hoofdstuk 4 voor een beschrijving van deze kaartlagen). Naast de bodemkwaliteitskaart zijn de volgende bewijsmiddelen in het Besluit bodemkwaliteit aangeduid als milieuhygiënische verklaringen en daarmee een erkend bewijsmiddel voor het toepassen van grond: Partijkeuring uitgevoerd volgens de geldende regels en richtlijnen Erkende kwaliteitsverklaring Fabrikant-eigen-verklaring Bodemonderzoek dat uitgevoerd is volgens een onderzoeksstrategie uit de NEN 5740 die een monstername-intensiteit heeft die vergelijkbaar is met die van een partijkeuring); Waterbodemonderzoek, uitgevoerd conform de NEN 5720 (Water)bodemkwaliteitskaarten, mits deze aan de eisen uit het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit voldoen. In paragraaf 6.3 is een Stappenschema voor het grondverzet opgenomen. Het grondverzet start bij het ontgraven van een partij grond. Voor elke in de gemeente Vijfheerenlanden onderscheiden bodemkwaliteitszone (dit zijn er 5 in totaal), is op de Ontgravingskaart de gemiddeld te verwachten bodemkwaliteit weergegeven op relatief onbelaste locaties. Zie voor een nadere toelichting hierop de beschrijving in par. 4.3. Op de Toepassingskaart wordt voor elke onderscheiden bodemkwaliteitszone aangegeven aan welke kwaliteitseis de grond moet voldoen die in de betreffende zone toegepast wordt. Voor een aantal zones/toepassingen zijn Gebiedsspecifieke beleidsregels vastgesteld door de gemeente. In dat geval gelden de Gebiedsspecifieke eisen in plaats van (of zijn aanvullend
- op)de Generieke eisen uit het Besluit bodemkwaliteit. Zie voor een nadere toelichting hierop de beschrijving in par. 4.4. In de praktijk van het grondverzet worden eigenlijk alleen de Ontgravingskaart en de Toepassingskaart gebruikt. Zie verder par. 6.3 (Stappenschema grondverzet). 6.3Stappenschema grondverzet -In het traject van ontgraven en definitief toepassen dienen de nodige stappen doorlopen en vragen beantwoord te worden. De volgende stappen zijn te onderscheiden: Stap 1: Zijn de ontgravingslocatie en de ontvangende bodem op de toepassings- locatie onverdacht op het voorkomen van bodemverontreiniging? Stap 2: Wat is de (verwachte) kwaliteit van de ontgraven grond? Stap 3: Wat is de toepassingseis van de ontvangende bodem op de toepassings- locatie en zijn er voor de beoogde toepassing Gebiedspecifieke beleids- regels vastgesteld? Dezelfde toepassingseis geldt ook voor een tijdelijke opslag voorafgaand aan de toepassing (zie par. 5.4.10) Stap 4: Is er sprake van bijzondere omstandigheden? Stap 5: Geldt er een meldingsplicht voor de voorgenomen ontgraving en/of toe- passing? Hieronder zijn de onderscheiden stappen toegelicht. Stap 1: Is de ontgravingslocatie onverdacht? Voorafgaand aan een ontgraving dient een (historisch) vooronderzoek uitgevoerd te worden, zodat zo goed mogelijk van te voren ingeschat kan worden wat men kan verwachten qua kwaliteit van de grond, hoeveelheid bodemvreemd materiaal, asbest verdacht enz. Voor ontgravingen waarbij de bodemkwaliteitskaart (BKK) als bewijsmiddel wordt gebruikt voor het elders toepassen van de vrijkomende grond in het eigen bodembeheergebied, kan volstaan worden met een beperkt vooronderzoek (puntbronnencheck). De resultaten van de puntbronnencheck moeten bij de melding Besluit bodemkwaliteit gevoegd worden (zie stap 5: Melden). Als aangetoond kan worden dat de locatie waar de grond vrijgekomen komt onverdacht is, dan kan de BKK als bewijsmiddel voor het toepassen van de vrijkomende grond gebruikt worden. Als dit niet aangetoond kan worden, zal eerst onderzoek uitgevoerd moeten worden om verontreinigingen die een belemmeringen kunnen vormen voor de beoogde toepassing, uit te kunnen sluiten. Hoe het (historisch) onderzoek eruit moet zien en welke eisen gesteld worden aan het uitvoeren van een bodemonderzoek kun je vinden in par. 8.2.2. Stap 2: Wat is de verwachte kwaliteit van de te ontgraven grond? De te verwachten kwaliteit van de te ontgraven grond is aangegeven op de Ontgravingskaarten van de boven- en ondergrond. Voor het opstellen van de Ontgravingskaart zijn alleen bodemgegevens gebruikt van onverdachte locaties. De Ontgravingskaarten geven dan ook een verwachte algemene zonekwaliteit aan. De bodemkwaliteitskaart kan daarom alleen als bewijsmiddel voor het toepassen van grond gebruikt worden als de grond aantoonbaar afkomstig is van een onverdachte locatie. In tabel 5 van paragraaf 4.2, is de verwachte grondkwaliteit per zone weergegeven. De Ontgravingskaarten van de boven- en ondergrond zijn resp. opgenomen in bijlage 4B en 4C van deze Nota. Stap 3: Welke eisen gelden er op de toepassingslocatie? Op de Toepassingskaart wordt per onderscheiden zone/gebied aangegeven welke kwaliteit grond primair mag worden toegepast. De Toepassingskaart is opgenomen in bijlage 4D van deze Nota. Niet alle Gebiedsspecifieke beleidregels kunnen op de Toepassingskaart worden weergegeven. Daarom zal bij elke toepassing nagegaan moeten worden of de voorgenomen toepassing ook voldoet aan de Gebiedsspecifieke eisen en voorwaarden die beschreven zijn in paragraaf 5.4 en 5.5. In paragraaf 5.5 is aangegeven voor welke zones er Gebiedsspecifieke eisen en voorwaarden gelden. In paragraaf 5.4 is aangegeven welke Gebiedsspecifieke beleids- regels er gelden voor enkele niet-zone gerelateerde onderdelen. Voor de onderstaande onderdelen zijn Gebiedsspecifieke beleidsregels vastgesteld: Toepassen van grond met bodemvreemd materiaal (par. 5.4.1) Toepassen van grond op gevoelige functies (par. 5.4.2) Toepassen van lood-houdende grond in tuinen (par. 5.4.3). Toepassen van grond op bedrijfs- en industrieterreinen (par. 5.4.4) Uitwisselen van grond tussen bermen van (spoor)wegen (par. 5.4.5) Uitwisselen van grond tussen boomgaardpercelen (par. 5.4.6) Ontgraven van grond t.b.v. kabels, leidingen en riolering (par. 5.4.7) Ontgraven van grond dieper dan 2 meter (par. 5.4.8) Verspreiden van bagger op de landbodem (par. 5.4.9) Tijdelijke opslag van grond en bagger (par. 5.4.10) Er kunnen meerdere Gebiedsspecifieke beleidsregels voor een toepassing of locatie tegelijk gelden. De toepassing is alleen toegestaan als aan alle eisen voldaan wordt. Bij conflicterende regels geldt de strengste eis. Let op: In het Generieke kader is de hoofdregel voor het toepassen van grond in het schone buitengebied (zone E), dat er alleen schone grond toegepast mag worden (de functie is namelijk leidend voor de toepassingseis). In het buitengebied komen echter ook percelen voor met een andere (minder gevoeligere) bodemfunctie dan moestuinen/volkstuinen, natuur of landbouw (bijv. Wonen, bedrijvigheid e.d.). Die zijn echter, om praktische redenen, niet allemaal afzonderlijk ingetekend op de Bodemfunctieklassenkaart. Op percelen in het buitengebied met een andere functie dan moestuinen/volkstuinen, natuur of landbouw, mag klasse Wonen-grond in de bovengrond toegepast worden, als in het vigerende bestemmingsplan is aangegeven dat de functie anders is dan moestuin/volkstuin, natuur of agrarische doeleinden. Tijdelijke opslag van grond en bagger voorafgaande aan de toepassing Dezelfde Gebiedsspecifieke beleidsregel die geldt voor een voorgenomen toepassing, geldt ook voor een tijdelijke opslag voorafgaand aan de toepassing (zie par. 5.4.10). Stap 4: Is er sprake van bijzondere omstandigheden? Naast Gebiedsspecifieke eisen kunnen er ook bijzondere omstandigheden zijn die vragen om een andere aanpak of die vanuit een ander (wettelijk) kader beschermt zijn. Na het beoordelen van de toepassingseisen in stap 3, zal daarom door de initiatiefnemer of uitvoerder ook nagegaan moeten worden of er sprake is van een bijzondere omstandigheid zoals beschreven in hoofdstuk 7 van deze Nota. Stap 5: Moet er een melding gedaan worden? Melding ontgraven grond in zone D In zone D: Bebouwing 3/3 valt de gemiddeld te verwachten bodemkwaliteit in klasse Industrie. Uit het overzicht van de statistische kengetallen van deze zone blijkt dat de 95- percentielwaarde (P95) voor de parameters lood en PAK (10 VROM) in de bovengrond de interventiewaarde overschrijdt. Dat betekent dat als er in zone D gegraven wordt er een gerede kans is dat er in sterk verontreinigde grond gegraven wordt. Verder blijkt uit de statistische kengetallen dat de 95-percentielwaarde (P95) voor de parameters minerale olie in de ondergrond van deze zone de Maximale Waarde van de bodemfunctieklasse Industrie overschrijdt. Om deze redenen heeft de gemeente Vijheerenlanden voor het graven in zone D een meldplicht ingesteld. Hiermee wordt vast vooruitlopend op de Omgevingswet, de bruidsschatregel voor het onderdeel graven in sterk verontreinigde grond binnen een bodemvolume minder dan 25 m3 ingevuld. Dit zal ook z’n beslag moeten krijgen in het gemeentelijk Omgevingsplan. Zie voor nadere toelichting zie par. 8.2. Melding toepassing en tijdelijke opslag van grond en bagger Melden van de toepassingen en tijdelijke opslagen van grond en bagger is geregeld in het Besluit bodemkwaliteit (art. 42, lid 1). Voorafgaand aan de toepassing is een melding bij het Landelijk Meldpunt Bodemkwaliteit (www.meldpuntbodemkwaliteit) noodzakelijk. Dit moet minimaal 5 werkdagen voordat de daadwerkelijke toepassing plaatsvindt. Het is de bedoeling dat de toepasser eerst zelf nagaat of de beoogde toepassing toegestaan is volgens de regels van het Besluit bodemkwaliteit en bovendien niet in strijd is met de Gebiedsspecifieke beleidsregels uit deze Nota. Wanneer de toepasser tot de conclusie komt dat de toepassing in strijd is met het Besluit of met deze Nota dan mag de grond niet op de voorgenomen wijze toegepast worden. Een melding indienen is dan niet zinvol. De volgende 3 typen meldingen zijn van belang in het kader van het grondverzet: Werk schone grond Toepassing partij Tijdelijke opslag Soms wordt, vaak om begrijpelijke redenen, het verkeerde meldingtype gebruikt of zijn niet alle vereiste documenten bijgevoegd. Om vertraging of het buiten behandeling laten van een melding te voorkomen, is het van belang om een juiste en volledige melding in te dienen. De typen meldingen worden hierna verder toegelicht. Melding Werk schone grond: Dit type melding is uitsluitend bedoeld voor het toepassen van schone grond. Bij dit type melding zal (ook) een milieuhygiënische verklaring gevoegd moeten worden op basis waarvan de instantie die de meldingen behandeld (ODRU), kan vaststellen of het inderdaad om schone grond gaat. Soms zijn meerdere bewijsmiddelen nodig om dit aan te kunnen tonen en is een partijkeuring niet voldoende, omdat hierbij vaak alleen de stoffen uit het standaardpakket grond zijn onderzocht. Meer informatie hierover is te vinden in bijlage 2, onder de definitie van schone grond. Melding Toepassing partij: Dit type melding is bedoeld voor het toepassen van klasse Wonen-grond of klasse Industrie- grond. Melding Tijdelijke opslag: Dit type melding dient gebruikt te worden als men grond tijdelijk (maximaal 3 jaar) opslaat, voorafgaande aan een definitieve toepassing. Deze toepassing moet nuttig en functioneel zijn. Om dit voorafgaand aan de tijdelijke opslag te kunnen toetsen, dient bij de melding tevens de eindbestemming te worden aangegeven. In paragraaf 5.4.10 is aangegeven welke vormen van tijdelijke opslag in het Besluit bodemkwaliteit onderscheiden worden en welke eisen hier aan gesteld worden. Voor een tijdelijke opslag gelden dezelfde Gebiedsspecifieke beleidsregels als die eventueel gelden voor een voorgenomen toepassing op de eindbestemming. Bij een melding van een tijdelijke opslag moet de verwachte duur van de opslag en de eindbestemming worden aangegeven (zie par. 5.4.10). Bij de melding te verstrekken informatie Bij een melding Besluit bodemkwaliteit, dient, ongeacht het type melding, de volgende informatie door de melder verstrekt te worden: Het resultaat van de uitgevoerde puntbronnencheck (zie stap 1 en par. 8.2.2) Een erkend bewijsmiddel waaruit de kwaliteit van de grond blijkt. Op basis daarvan kan de ODRU vaststellen of de toepassing of tijdelijke opslag toegestaan is. Bij het gebruik van de BKK als bewijsmiddel voor het toepassen van grond dient bovendien aangegeven te worden: Welke Ontgravingskaart is gebruikt (onder- of bovengrond) Uit welke zone de grond vrijgekomen is (zone A t/m E) zie Bodemzoneringskaart in bijlage 4A van deze Nota Aanduiding van de aard van de voorgenomen toepassing: op of in de bodem, laagdikte en diepte. Uitzonderingen op de meldplicht De meldingsplicht uit het Besluit bodemkwaliteit geldt voor alle toepassingen van grond en baggerspecie, met uitzondering van: Het direct verspreiden van ongerijpte bagger op aangrenzende percelen. Wel dient voldaan te worden aan de zorgplicht bodem (zie paragraaf 6.4.1) en/of de Gebiedsspecifieke voorwaarden die voor dit onderdeel opgenomen zijn (zie paragraaf 5.4.9) Toepassing van grond of baggerspecie door particulieren (dit betreft vaak kleine hoeveelheden) Het toepassen van grond of baggerspecie binnen gronden die horen bij een landbouwbedrijf, als het perceel waarop de grond of baggerspecie wordt toegepast een zelfde of vergelijkbare teelt heeft dan het perceel waar de grond of baggerspecie vrijkomt Het toepassen van schone grond in een volume kleiner dan 50 m3. Op verzoek (bijvoorbeeld bij een veldwerkcontrole) moet de toepasser aan kunnen tonen dat de grond inderdaad schoon is. Verantwoordelijkheid bij de toepassing De toepasser blijft te allen tijde zelf verantwoordelijk voor de toepassing, ook al komt er vanuit het bevoegd gezag geen reactie op een ingediende melding. Bovendien wordt de toepasser verantwoordelijk gehouden voor het indienen van de melding, ook al wordt deze ingediend door een andere partij of rechtsperspersoon. In het Besluit bodemkwaliteit is namelijk niet expliciet aangegeven wie de melding moet verrichten. De opdrachtgever voor de werkzaamheden en de uitvoerder van de werkzaamheden zijn beiden verantwoordelijk voor het doorlopen van de bovengenoemde stappen. De ODRU voert namens de gemeente de taken uit die in het Besluit bodemkwaliteit als bevoegdheid van gemeenten worden aangeduid. 6.4Aandachtspunten 6.4.1Zorgplicht Onder alle omstandigheden moet bij het ontgraven, tijdelijk opslaan of toepassen van grond en baggerspecie de wettelijk zorgplicht bodem in acht worden genomen. De zorgplicht bodem houdt het volgende in: een ieder die weet, of redelijkerwijs kan vermoeden, dat de voorgenomen handelingen kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de bodemkwaliteit, dient alle maatregelen te nemen om deze nadelige beïnvloeding te voorkomen. Degene die de handelingen uitvoert is hier primair voor verantwoordelijk, maar de opdrachtgever van de werkzaamheden is ook medeverantwoordelijkheid. 6.4.2Samenvoegen van grond Het samenvoegen of opbulken van grond tot een volume van meer dan 25 m3 is niet toegestaan zonder erkenning. Het samenvoegen of opbulken van grond tot en met een volume van 25 m3 is alleen toegestaan als aan de volgende voorwaarden voldaan wordt: De grond is afkomstig van één en dezelfde locatie en is aaneengesloten ontgraven De grond is niet sterk verontreinigd De grond is niet asbestverdacht De grond van de afzonderlijke partijen komt qua samenstelling en (verwachte) kwaliteit overeen. 6.4.3Overige aandachtspunten Naast het Besluit bodemkwaliteit kunnen er nog verschillende andere wetten en regelgeving van toepassing zijn op het graven in de bodem en het toepassen van grond of bagger in een bepaald gebied. Hieronder wordt een niet-limitatieve opsomming gegeven van thema’s die eventueel ook aan de orde kunnen zijn. Informatie hierover is te vinden op de website van de provincie Utrecht, de RUD Utrecht, de ODRU (Geoloket) of van de gemeente zelf: Wet bodembescherming Archeologie Niet gesprongen explosieven Aardkundige Waarden Flora & Fauna Natuurbeschermingswet Verordening Natuur en Landschap provincie Utrecht Ontheffing stortverbod Bepalingen uit bestemmingsplannen Omgevingswet Regels m.b.t. het toepassen van grond die (zaden van) invasieve exoten bevatten (bijv. van de Japanse Duizendknoop). 7.Bijzondere omstandigheden 7.1Gebieden/situaties die zijn uitgezonderd van de kaart In een aantal gebieden kan de bodemkwaliteitskaart niet (zonder meer) gebruikt worden als bewijsmiddel bij hergebruik van grond. Het gaat om de volgende gebieden: Oppervlaktewateren (hieronder worden in deze Nota naast meren en hoofdwatergangen ook verstaan: kleinere sloten, vennen en greppels). Wanneer er bagger op de landbodem toegepast of verspreid wordt, zal er een waterbodemonderzoek conform de NEN 5720 uitgevoerd moeten zijn om de kwaliteit van de bagger te kunnen controleren of zal aangetoond moet zijn dat de watergang onverdacht is. Voor het toepassen van grond of bagger in oppervlaktewater is de gemeente geen bevoegd gezag Verdachte bermen van (spoor)wegen. Het opgestelde Gebiedsspecifiek beleid voor het uitwisselen van bermgrond zonder onderzoek, geldt alleen voor onverdachte bermen Gesaneerde locaties. Hier geeft de Ontgravingskaart geen representatief beeld van de werkelijke bodemkwaliteit van deze zon Locaties waar gereinigde grond is toegepast. Gereinigde grond valt in een speciale categorie en heeft vaak andere eigenschappen (voor wat betreft uitloging van stoffen e.d.) dan normale gebiedseigen grond Locaties die op basis van de puntbronnencheck (zie paragraaf 8.2) worden aangemerkt als verdacht ten aanzien van bodemverontreiniging. Hier dient eerst aanvullend een bodemonderzoek te worden uitgevoerd op de verdachte stoffen op de verdachte plaatsen en diepten. Uitgezonderde gebieden De volgende gebieden worden op voorhand al als verdacht aangemerkt. Als hier grond ontgraven wordt moet er altijd eerst een onderzoek uitgevoerd worden: Erven van agrarische bedrijven (de grond bevat vaak meer dan 20% bodemvreemd materiaal) Tracés van gedempte sloten (zolang aard en herkomst dempingsmateriaal onbekend zijn worden slootdempingen als bodemverdacht aangemerkt) Puindammen en puinpaden (vaak asbestverdacht, dat moet eerst uitgesloten kunnen worden) Stedelijke ophooglagen (zijn vaak matig/sterk verontreinigd met zware metalen, PAK of minerale olie). In Vijfheerenlanden komen deze (met name) voor in zone D Oude bedrijfs- en industrieterreinen (hier zijn vaak veel puntbronnen aanwezig). Uitgezonderde situaties Voor de volgende situaties is de bodemkwaliteitskaart ook niet zonder meer als bewijsmiddel te gebruiken voor het ontgraven dan wel toepassen van grond/bagger: Sterk verontreinigde grond. D.w.z. grond die voor één of meer stoffen gehalten bevat die de interventiewaarde overschrijden Toepassing van grond in de kern van een grootschalige bodemtoepassing Direct nat verspreiden van ongerijpte baggerspecie op aangrenzende percelen Grond met meer dan 20 % aan bijmenging met bodemvreemde materialen Grond die asbest-verdacht is en gr