← Nederland

Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Emmen 2008 (Emmen)

Kort samengevat

Deze wet regelt diverse aspecten van het openbare leven in de gemeente Emmen, zoals het gebruik van openbare ruimtes, horeca, evenementen en afvalbeheer, en stelt regels voor vergunningen en ontheffingen.

Wat het regelt

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Emmen 2008De raad van de gemeente Emmen; Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. ; B e s l u i t: Vast te stellen de bij dit besluit behorende verordening “Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Emmen 2008 ”. De sub 1 genoemde verordening in werking te laten treden op de dag na die waarop zij is afgekondigd. De “Algemene Plaatselijke Verordening 2007”, vastgesteld bij raadsbesluit van 25 oktober 2007 in te trekken op het sub 2 bedoelde tijdstip. Vastgesteld in de openbare vergadering van 26 juni 2008. HOOFDSTUK1:ALGEMENE BEPALINGEN Hfdst. 1, Afdeling 1 Begripsomschrijvingen en beslistermijn Artikel1:1Begripsomschrijvingen In deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan onder: A. Rechthebbende: ieder, die over enig goed enige zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht, dan wel daarover enige feitelijke zeggenschap uitoefent. B. Weg: 1. de weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b. van de Wegenverkeerswet 1994 alsmede de daaraan liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen; 2. alle voor publiek toegankelijke plaatsen, zoals pleinen, terreinen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen, natuurterreinen, stoepen, -al dan niet afsluitbare- trappen, portieken, gangen, passages, galerijen en dergelijke; de afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij niet door of vanwege de daartoe naar burgerlijk recht gerechtigde zijn afgesloten. C. Openbaar water: alle wateren die - al dan niet met enige beperking - voor het publiek bevaarbaar of anderszins toegankelijk zijn. D. Bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan de raad de grenzen heeft vastgesteld overeenkomstig artikel 20a, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994. E. Voertuigen: alle voertuigen, als bedoeld in artikel 1, onder a en onder al (aa el), van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van treinen en kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen. F. Vaartuigen: alle vaartuigen, daaronder mede verstaan drijvende werktuigen zoals bagger-werktuigen, kranen, bokken, elevators, alsmede woonschepen, glijboten, ponten en voor de recreatievaart bestemde vaartuigen. G. Woonschepen: vaartuigen uitsluitend of hoofdzakelijk als woning gebezigd of tot woning bestemd. H. Snelle motorboot: een race-, glij- of speedboot alsmede een jetski, die een snelheid van meer dan 16 km per uur kan ontwikkelen. I. Vee: dieren die behoren tot de diersoorten genoemd in bijlage II, behorend bij artikel 55 van de Meststoffenwet. J. Horecabedrijf: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt. Onder een horecabedrijf worden in ieder geval verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis Onder horecabedrijf wordt mede verstaan: een bij dit bedrijf behorend terras en de andere aanhorigheden K. Terras: een buiten de besloten ruimte van de inrichting liggend deel van het horecabedrijf waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken en/of spijzen voor directe consumptie worden bereid en/of verstrekt. L. Houder horecabedrijf: degene die een horecabedrijf exploiteert. M. Kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan 1,50 meter. N. Muilkorf: een muilkorf als bedoeld in artikel 1, onder d, van de Regeling agressieve dieren (Stcrt. 1993, nr. 11). O. Bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, en bedoeld om ter plaatse te functioneren. P. Gebouw: elk bouwwerk dat een voor personen toegankelijke overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. Q. Prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding. R. Prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding. S. Prostitutiebedrijf: de voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, prostitutie wordt verricht Onder een prostitutiebedrijf worden in elk geval verstaan; een erotische massagesalon, sekstheater, bordeel of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar. T. Escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon, die bedrijfsmatig, of in omvang alsof zij bedrijfsmatig was, prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend. U. Burgemeester: de burgemeester van de gemeente Emmen. V. Het College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Emmen. W. Bevoegd bestuursorgaan: het college van burgemeester en wethouders, of voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester. Bevoegd gezag: het bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1. van de wet algemene bepalingen omgevingsrecht X. Bedrijfsafval: afvalstoffen niet zijnde huishoudelijke afvalstoffen of gevaarlijke stoffen. Y. Inzamelmiddelen: Een voor de inzameling van bedrijfsafval bestemd hulp- en/of bewaarmiddel, waarin de (bedrijfs-)afvalstoffen ter inzameling worden aangeboden:

  1. a)minicontainer: een container voorzien van deksel en een inhoud tot 360 liter;
  2. b)rolcontainer: een verrijdbare container voorzien van wielen en afsluitbaar deksel met een inhoud vanaf 360 liter;
  3. c)vuilniszak: een kunststofzak met een inhoud tot 40 liter;
  4. d)kunststofvat: een vat veelal bestemd voor het inzamelen van oliën en vetten;
  5. e)overige voor de afvalstoffen bestemde hulp- en/of bewaarmiddelen. Z. Ligplaats: een met een woonschip in het water aan de walkant ingenomen plaats welke daartoe als zodanig is aangewezen. AA. Jachthaven: haven met de daarbij behorende grond waar overwegend gelegenheid wordt gegeven voor het aanleggen, afmeren of afgemeerd houden van pleziervaartuigen. BB. Kampeermiddel: tent, tentwagen, kampeerauto of caravan dan wel enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voorzover geen bouwwerk zijnde, waarvoor ingevolge artikel 40 van de Woningwet met een bouw-vergunning vereist is; een en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. CC. Evenement: 1. onder evenement wordt verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak met uitzondering van: a. uitvoeringen, tentoonstellingen, bioscoopvoorstellingen, wedstrijden, vertoningen e.d. op plaatsen die kennelijk blijvend voor dit soort gebeurtenissen zijn ingericht; b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet; c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; d. het in een inrichting in de zin van de Drank en Horecawet gelegenheid geven tot dansen; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; 2. onder evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid; b. een braderie; c. een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:4, op de weg; d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg. DD. Betaald voetbal wedstrijden: 1. Onder organisator van een betaald voetbalwedstrijd wordt verstaan: a. de betaald voetbalorganisatie FC Emmen, als het betreft een voetbalwedstrijd, waarbij het eerste elftal van deze voetbalorganisatie als thuisspelende ploeg betrokken is, uitgezonderd wedstrijden buiten enig competitieverband tegen een amateur voetbalorganisatie; b. de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond, als het betreft een voetbalwedstrijd tussen voetbalorganisaties, afkomstig van buiten de gemeente Emmen, waarbij tenminste een betaald voetbalorganisatie is betrokken en in geval van wedstrijden tussen vertegen-woordigende elftallen; c. degene die, buiten de gevallen genoemd onder a en b, een voetbalwedstrijd organiseert, waarbij tenminste één betaald voetbalorganisatie is betrokken. 2. Voetbalwedstrijd: een voetbalwedstrijd georganiseerd door een onder a genoemde organisator. 3. Stadion: het voetbalstadion van FC Emmen, gelegen op het sportpark Meerdijk te Emmen. EE. Geluidhinder: In hoofdstuk 3, afdeling 2 wordt verstaan onder: a. Besluit: het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer; b. Inrichting: een inrichting type A of type B als bedoeld in het Besluit; c. Houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; d. Collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantalinrichtingen is verbonden; e. Incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen. FF. Venten: 1. Het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen op of aan de weg, aan huis dan wel op een andere voor het publiek toegankelijke en in de open lucht gelegen plaats, dan wel diensten aan te bieden. 2. Onder venten wordt niet verstaan: . het aan huis afleveren van goederen door of vanwege degene die dit doet ter exploitatie van zijn winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet; . het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen als bedoeld in het eerste lid op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid onder h van de Gemeentewet of op snuffelmarkten als bedoeld in artikel 4:4 van deze verordening; . het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen als bedoeld in het eerste lid op een standplaats als bedoeld in artikel 4:3 van deze verordening. GG. Standplaatsen: 1. Het vanaf een vaste plaats op of aan de weg of op een andere voor het publiek toegankelijke en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen of het anderszins aanbieden van goederen of diensten, al dan niet gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel. 2. Onder standplaats wordt niet verstaan: a. vaste plaatsen op jaarmarkten of markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid onder h, van de Gemeentewet; b. vaste plaatsen op evenementen als bedoeld in artikel 2:18; c. vaste plaatsen op snuffelmarkten als bedoeld in artikel 4:4. HH. Snuffelmarkt: Een markt in of op een - al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijk gebouw of plaats waar ter plaatse aanwezige goederen worden verhandeld of waar met een kraam, een tafel of een ander middel standplaats wordt ingenomen om goederen aan publiek aan te bieden, te verkopen of te verstrekken. II. Incidentele asverstrooiing: het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(
  6. n)gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein. JJ. Parkeerexcessen: In hoofdstuk 4, afdeling 4 wordt verstaan onder: 1. weg: de weg, als bedoeld in artikel 1:1, onder B, van deze verordening; 2. voertuigen: alle voertuigen met uitzondering van: a. treinen; b. fietsen en bromfietsen; c. invalidenvoertuigen in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; d. kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen, rolstoelen; 3. parkeren: het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen. KK. Voertuigwrak: een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde staat verkeert. Artikel1:2Beslistermijn Het bevoegd bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag Het bevoegd bestuursorgaan kan besluiten binnen zes weken na ontvangst van de aanvraag zijn beslissing voor ten hoogste acht weken te verdagen. In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2:10 of artikel 2:11. Hfdst.1, Afdeling 2 Vergunningen en ontheffingen Artikel1:3Indiening aanvraag Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen. Voor bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen vergunningen of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden verlengd tot ten hoogste acht weken. Artikel1:4Persoonlijk karakter vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Artikel1:5Termijn vergunning of ontheffing Een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. Artikel1:6Weigeringsgronden De vergunning of ontheffing kan door het bevoegd bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van: de openbare orde; de openbare veiligheid de volksgezondheid; de bescherming van het milieu; Artikel1:7Voorschriften en beperkingen Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden, die slechts mogen strekken tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Artikel1:8Wijziging of intrekking vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden gewijzigd of ingetrokken als: ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens gegevens zijn verstrekt; op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten, opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, moet worden aangenomen dat wijziging of intrekking wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming, waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een dergelijke termijn, binnen een redelijke termijn; de houder dit verzoekt. Artikel 1:9 Lex Silencio Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing voor de volgende artikelen : Artikel 2:8 (straatartiest) Artikel 4:4 (snuffelmarkten) Artikel 1:10 Lex Silencio Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de volgende artikelen: Artikel 2:18 (vergunning evenementen) Artikel 2:44 (vergunning prostitutie- en escortbedrijven) HOOFDSTUK2:OPENBARE ORDE Titel 2.1 Orde en veiligheid op en aan de weg en het water Hfdst. 2.1, Afdeling 1 Orde en veiligheid op de weg Artikel2:1Samenscholing en ongeregeldheden Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden. Hij die op een openbare plaats aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. Het is verboden zich te begeven of te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van wanordelijkheden zijn afgezet. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod. Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. Artikel2:2Verblijfsontzeggingen De burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan de persoon die individueel of groepsgewijs een ordeverstorende gedraging begaat of bij ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde een bevel geven (verblijfsontzegging) zich gedurende een bepaald tijdvak niet op een aangegeven openbare plaats te bevinden. De burgemeester beperkt het in het eerste lid genoemde verbod indien dit in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is. Artikel2:3:Messen en andere voorwerpen als steekwapen Het is verboden op door het college aangewezen wegen en daaraan gelegen voor het publiek toegankelijke gebouwen messen of andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt bij zich te hebben. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor wapens die behoren tot categorie I, II, III en IV van de Wet wapens en munitie en voorzover door het bij zich dragen van de voorwerpen, bedoeld in het eerste lid, de openbare orde of veiligheid niet in gevaar komt of kan komen. Artikel2:4:Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, moet daarvan voor de openbare aankondiging ervan en tenminste 48 uur voordat de betoging zal worden gehouden schriftelijk kennisgeven aan de burgemeester, met inachtneming van hetgeen hierna daaromtrent is bepaald. Onder openbare plaats wordt verstaan een plaats als bedoeld in artikel 1, eerste lid, juncto tweede lid van de Wet openbare manifestaties. Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving door terugrekening valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt dit tijdstip geacht te vallen op 12.00 uur op de voorgelegen dag, die geen zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid bedoelde termijn van 48 uur verkorten en een mondelinge kennisgeving ontvankelijk verklaren. Bij de kennisgeving kan de burgemeester een opgave verlangen van: naam en adres van de initiator van de betoging; het doel van de betoging; de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en beëindiging; de plaats en voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging; voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; maatregelen, die de initiator zal treffen om een ordelijk en regelmatig verloop te bevorderen. Degene, die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. Hfdst. 2.1, Afdeling 2 Veiligheidsrisicogebieden Artikel2:5Aanwijzing veiligheidsrisicogebieden De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied met inbegrip van de daarin voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied. Hfdst. 2.1, Afdeling 3 Bestuurlijke ophouding Artikel2:6Bestuurlijke ophouding De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats als deze personen het bepaalde in artikel 2:1, 2:2, 2:4, 2:5, 2:20, 2:21, 2:22, 2:23, 2:38 en 2:41 van de Algemene plaatselijke verordening groepsgewijs niet naleven. Hfdst. 2.1, Afdeling 4 Cameratoezicht Artikel2:7Cameratoezicht De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats. De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid eveneens ten aanzien van andere voor een ieder toegankelijke plaatsen, zoals het stadion en aangrenzend gebied op sportpark Meerdijk, het gemeentehuis, horeca-uitgaanscentra, bus- of treinstations, winkelcentra, industrieterreinen en parkeerterreinen. Hfdst. 2.1, Afdeling 5 Vertoningen op of aan de weg Artikel2:8:Straatartiest Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatmuzikant, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op of aan door de burgemeester aangewezen wegen of gedeelten daarvan. De burgemeester kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod. Hfdst. 2.1, Afdeling 6 Veiligheid, bruikbaarheid en aanzien van de weg Artikel2:9:Het plaatsen van voorwerpen op, aan of boven de weg Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan als: het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor: kortstondig laden of lossen en het plaatsen of het doen plaatsen van inboedels op of aan de weg in het kader van de ontruiming van woningen, mits degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten ervoor zorgt dat na het beëindigen ervan alle objecten of stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg schoon en veilig wordt achtergelaten. evenementen als bedoeld in artikel 2:18; standplaatsen als bedoeld in artikel 4:3. Artikel2:10:Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeers-wet 1994 daaronder verstaat, alsmede alle niet-openbare ontsluitingswegen van gebouwen. Het verbod geldt niet voor: wegen die in beheer en onderhoud zijn bij het rijk of de provincie. het rijk, de provincie, de gemeente of het waterschap bij het uitvoeren van zijn of haar publiekrechtelijke taak; nutsbedrijven en de in opdracht van deze bedrijven werkzame bedrijven, bij de reparatie van storingen in ondergrondse kabel- of leidingnetten. Artikel2:11:Maken of veranderen van een uitweg Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeers-wet 1994 daaronder verstaat. Het verbod geldt niet voor zover de aanleg van een uitweg die in overeenstemming is met een geldend bestemmingsplan, daarmee in het stedebouwkundig ontwerp rekening is gehouden, de uitweg niet breder is dan zes meter op industrieterreinen en vier meter in overige situaties, en voorts de aanleg door of vanwege de gemeente plaatsvindt en in overeenstemming is met door de gemeente aan de aanleg gestelde voorschriften. In afwijking van artikel 1:6 kan de vergunning als bedoeld in het eerste lid worden geweigerd in het belang van: de bruikbaarheid en het veilig en doelmatig gebruik van de weg; de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente; de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor wegen die in beheer en onderhoud zijn bij het rijk of de provincie. Hfdst. 2.1, Afdeling 7 Veiligheid en bruikbaarheid van openbaar water Artikel2:12:Snelle motorboten Het is verboden op openbaar water met een snelle motorboot te (laten) varen. Het college kan gebieden aanwijzen waar alleen met vaartuigen met een electrische motor, niet zijnde snelle motorboten, mag worden gevaren. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op de Reddingsbrigade Zuidoost Drenthe, de politie, de provincie en het waterschap bij het uitvoeren van de aan hen opgedragen taak. Artikel2:13:Voorwerpen op of aan openbaar water Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden zonder voorafgaande melding aan het college een object, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water aan te brengen of te hebben indien dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar op-levert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water. Degene, die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander object met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk drie weken van tevoren een melding aan het college. De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder en een beschrijving van de aard en omvang van het object. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor openbaar water dat in beheer en onderhoud is bij het rijk, de provincie of het waterschap. Artikel2:14:Ligplaats voor woonschepen en overige vaartuigen Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben, dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water. Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water: nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente; beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen. Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover het Binnenvaartpolitiereglement, de Provinciale Vaarwegenverordening en de gemeentelijke Woonschepemverordening van toepassing is. Artikel2:15:Aanwijzingen ligplaats Onverminderd het krachtens het tweede lid van artikel 2:14 bepaalde kan het college aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente. De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of vanwege het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen. Artikel2:16:Verbod innemen ligplaats Het is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar te stellen in strijd met het krachtens de artikelen 2:14, tweede lid en 2:15 bepaalde. Artikel2:17:Beschadigen van waterstaatswerken Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde openbaar water, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen. Titel 2.2 Evenementen en openbare inrichtingen Hfdst. 2.2, Afdeling 1 Toezicht op evenementen Artikel2:18:Evenementen 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:3 geldt voor vergunningplichtige evenementen een minimum-termijn van 12 weken voor het indienen van een aanvraag; een aanvraag voor een vergunningplichtig evenement, die wordt ingediend minder dan 12 weken voor het tijdstip waarop het evenement plaatsvindt, kan buiten behandeling worden gesteld; 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester de vergunning eveneens weigeren als naar zijn oordeel: a. het evenement zich niet verdraagt met het karakter of de bestemming van de plaats waar het wordt gehouden; b. vanwege gelijktijdigheid van evenementen door meerdere vergunningaanvragen voor dezelfde periode, dan wel op dezelfde locaties, de woon- en leefsituatie in de omgeving of de openbare orde onvoldoende kunnen worden gewaarborgd; c. de organisator onvoldoende waarborgen biedt voor een goed verloop van het evenement, gelet op de hiervoor genoemde belangen. 4. Geen vergunning is vereist voor kleinschalige evenementen (A-evenementen), zoals: a. een muziek-, wandel-, loop- of fietstocht op de weg; b. een klein evenement zoals een straatfeest of buurtbarbecue onder de voorwaarden dat:  er een organisator is;  het aantal bezoekers niet meer bedraagt dan honderd personen;  het evenement niet langer duurt dan tot 24.00 uur;  geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 09.00 uur of na 23.00 uur;  geen alcoholhoudende dranken worden verkocht;  slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 10 m2 per object; mits het onder a of b bedoelde evenement niet leidt tot verkeerssituaties waardoor de verkeersveiligheid in gevaar komt, de doorstroming van het verkeer en van de hulpverleningsdiensten wordt belemmerd of de gemeente genoodzaakt wordt tijdelijke verkeersmaatregelen te treffen; en als de organisator van het onder a of b bedoelde evenement binnen tien werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester. 5. De burgemeester kan binnen vijf werkdagen na ontvangst van de in lid 4 genoemde melding besluiten het organiseren van het evenement te verbieden als door het evenement de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 6. Het verbod van het eerste lid geldt niet voor een wedstrijd op of aan de weg, voorzover in het geregeld onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994 . 7. Het verbod van het eerste lid geldt voorts niet voor evenementen op plaatsen die kennelijk blijvend voor een zodanige gebeurtenis zijn ingericht, echter onder het voorbehoud dat de burgemeester na kennisneming van het voornemen tot het houden van een evenement alsnog onverwijld kan besluiten het evenement te verbieden of voorschriften te stellen in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of de bescherming van het milieu. Hfdst. 2.2, Afdeling 2 Toezicht op betaald voetbalwedstrijden Artikel2:19:Betaald voetbalwedstrijden Het is verboden een betaaldvoetbalwedstrijd te organiseren en te doen spelen: als de organisator het voornemen tot het houden daarvan niet of niet tijdig aan de burgemeester heeft medegedeeld of aan de burgemeester de door hem noodzakelijk geachte gegevens niet tijdig zijn verstrekt; als een verbod als bedoeld in het negende lid is uitgevaardigd. De organisator is verplicht ten minste vier weken voor de vastgestelde speeldag van een voetbalwedstrijd daarvan schriftelijk kennisgeving te doen aan de burgemeester. Indien een kennisgeving, gelet op het tijdstip waarop de speeldatum wordt vastgesteld, niet vier weken van tevoren kan worden gedaan, moet de organisator na de vaststelling van de speeldatum hiervan onmiddellijk de burgemeester schriftelijk in kennis stellen, maar in ieder geval één week voor de speeldatum. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de in lid 3 gestelde termijn. De kennisgeving als bedoeld in het derde lid kan meer dan één wedstrijd betreffen. In de kennisgeving wordt in ieder geval vermeld: de gegevens van de organisator, de deelnemende voetbalorganisaties, de geplande datum, het tijdstip en de locatie van de wedstrijd. De kennisgeving dient vergezeld te gaan van een door de organisator op te stellen veiligheidsplan. De burgemeester kan met betrekking tot een voetbalwedstrijd aan de organisator daarvan voorschriften opleggen in het belang van de openbare orde en veiligheid. De burgemeester kan het doen spelen van een voetbalwedstrijd verbieden: uit vrees voor het ontstaan van ernstige verstoring van de openbare orde; als de krachtens het achtste lid opgelegde voorschriften niet worden nageleefd; als geen of niet tijdig schriftelijke kennisgeving is gedaan als bedoeld in het tweede lid. Artikel2:20:Ordeverstoring, meevoeren van voorwerpen Het is verboden bij een voetbalwedstrijd de orde te verstoren, onnodig op te dringen, door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden of wanordelijkheden te veroorzaken. Het is verboden bij een voetbalwedstrijd, vanaf vier uur voor het vastgestelde aanvangstijdstip tot vier uur na afloop ervan, voorwerpen mee te voeren, zoals messen, knuppels, slagwapens en dergelijke, waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze als slag- of steekwapen kunnen worden gebruikt waardoor de openbare orde of veiligheid in gevaar komt of kan komen. Artikel2:21:Stadionomgevingsverbod Vervallen (opgenomen in artikel 2:2). Artikel2:22:Verwijderingsplicht voetbalsupporters Personen, die zich door kleding, uitrusting of gedraging manifesteren als voetbalsupporters en niet in het bezit zijn van een geldig toegangsbewijs voor de voetbalwedstrijd of tegen wie het vermoeden bestaat dat zij voornemens zijn de orde te verstoren, zijn verplicht zich op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie, met inachtneming van diens aanwijzingen, naar een in het bevel aangegeven plaats of buiten de gemeentegrenzen te begeven. Artikel2:23:Supportersstromen Personen, die behoren tot de supportersaanhang van een bezoekende betaald voetbalorganisatie en dat door bijvoorbeeld kleding, uitrusting, gedragingen of anderszins kenbaar maken en in het bezit zijn van een geldig toegangsbewijs voor de te bezoeken voetbalwedstrijd, zijn verplicht in omstandigheden als bedoeld in artikel 175 van de Gemeentewet voorafgaande aan de wedstrijd hun weg naar het stadion te vervolgen zodra ze de gemeente bereiken, alsmede direct na afloop ervan weer uit de gemeente te vertrekken. Personen, die behoren tot de supportersaanhang van een bezoekende betaald voetbalorganisatie en dat doorbijvoorbeeld kleding, uitrusting of gedragingen of op andere wijze kenbaar maken en niet in het bezit zijn van een geldig toegangsbewijs voor de te spelen voetbalwedstrijd en op een of andere wijze de openbare orde (dreigen
  7. te)verstoren, racistisch gedrag vertonen, racistische uitlatingen doen, zijn verplicht zich in omstandigheden als bedoeld in artikel 175 van de Gemeentewet op eerste aanzegging van de politie buiten de gemeentegrenzen te begeven in de door de politie aan te geven route en richting, behalve als zij woonachtig zijn in de gemeente Emmen. Hfdst. 2.2, Afdeling 3 Toezicht op openbare inrichtingen Artikel2:24:Sluiting onder bijzondere omstandigheden De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid en/of gezondheid, of in geval van bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, voor een of meer horecabedrijven, tijdelijk sluitingsuren vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover artikel 13B van de Opiumwet van toepassing is. Artikel2:25:Verlaten van horecabedrijven en ordehandhaving Een ieder is verplicht een inrichting als bedoeld in hoofdstuk 2.2, afdeling 3 te verlaten op eerste aanzegging of vordering gedaan door het daartoe bevoegde gezag ter handhaving van de openbare orde en veiligheid, alsmede de daarbij gegeven aanwijzingen op te volgen. Artikel2:26:Het college als bevoegd bestuursorgaan Indien een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1:1 geen inrichting is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt niet de burgemeester, maar het college op als bevoegd bestuursorgaan ten behoeve van de artikelen 2:24 en 2:25. Titel 2.3 Overlast en baldadigheid Hfdst. 2.3, Afdeling 1 Maatregelen tegen algemene overlast en baldadigheid Artikel2:27:Hinderlijk gedrag Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden op of aan de weg, bij aan de weg gelegen woningen, in of bij andere voor publiek toegankelijke gebouwen en plaatsen, zoals een ziekenhuis, verpleeghuis, begraafplaats, crematorium, wachtlokaal voor een openbaar vervoermidel, parkeerdek/-garage, (winkel)passage, rijwielstalling of een andere vergelijkbare voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel danwaarvoor de betreffende ruimte bestemd is. Artikel2:28:Hinderlijk drankgebruik Het is verboden op of aan de weg, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcohol-houdende drank bij zich te hebben met de kennelijke bedoeling op of aan de hier bedoelde weg tot nuttiging van de drank over te gaan. Het eerste lid is niet van toepassing op: een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet; de plaats, niet zijnde een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank- en Horecawet. Artikel2:29:Hinder door urineren e.d. Het is verboden binnen de bebouwde kom op of aan de weg te urineren of zijn natuurlijke behoefte te doen buiten een daarvoor bestemde inrichting of plaats. Artikel2:30:Vervoer inbrekerswerktuigen en hulpmiddelen voor diefstal Het is verboden tussen 22.00 uur en 06.00 uur op de weg te vervoeren of bij zich te hebben lopers, valse sleutels, touwladders, lantaarns of enig ander gereedschap, voorwerp of middel, dat ertoe kan dienen zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen. Het is verboden op de weg in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij zich te hebben een tas of andere voorwerpen die er kennelijk toe zijn uitgerust het plegen van winkeldiefstal te vergemakkelijken. Het verbod is niet van toepassing als de genoemde gereedschappen, voorwerpen of middelen niet bestemd of gebruikt zijn voor de beschreven handelingen. Artikel2:31:Gevaarlijke honden Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen op of aan de weg of op het terrein van een ander: anders dan kort aangelijnd nadat het college aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijngebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt; anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf nadat het college aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijn- en muilkorfgebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt. In aansluiting op het bepaalde in het eerste lid geldt bovendien dat de hond moet zijn voorzien van een optisch leesbaar, niet-verwijderbaar identificatiekenmerk in het oor of de buikwand. Het verbod geldt niet voor zover de Regeling agressieve dieren van toepassing is. Artikel2:32:Loslopend vee De rechthebbende op vee dat zich bevindt in een aan een weg liggend weiland of terrein, dat niet van die weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken. Artikel2:33:Hinder door dieren Het is de rechthebbende op een dier verboden dit dier op een voor de omgeving hinderlijke wijze aanwezig te hebben. Het college is bevoegd buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer gedeelten van de gemeente of bepaalde plaatsen aan te wijzen waar het ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid verboden is daarbij aangeduide dieren: aanwezig te hebben, of aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid gestelde regels, of aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven of mede is aangegeven. Het is verboden op een krachtens het tweede lid aangewezen plaats een daarbij aangeduid dier of daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben, of aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van door het college gestelde regels, dan wel aanwezig te hebben tot een groter aantal dan door het college is aangegeven. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het tweede lid aangewezen gedeelte van de gemeente ontheffing verlenen van het in lid twee gestelde verbod. Artikel2:34:Verontreiniging door honden De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet: op een gedeelte van de weg dat bestemd is of mede bestemd voor het verkeer van voetgangers; op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide; op een andere door het college aangewezen plaats. De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid genoemde gebod wordt opgeheven als de eigenaar of houder van de hond ervoor zorgt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd. Hfdst. 2.3, Afdeling 2 Naaktrecreatie Artikel2:35:Naaktrecreatie Het college kan bij openbaar bekend te maken besluit plaatsen aanwijzen, die geschikt zijn voor ongeklede openbare recreatie, zoals bedoeld in artikel 430a van het Wetboek van Strafrecht. Het college kan nadere voorschriften stellen waaraan de in het eerste lid bedoelde plaatsen moeten voldoen om als geschikt voor ongeklede openbare recreatie te kunnen worden aangemerkt. Hfdst. 2.3, Afdeling 3 Maatregelen tegen drugsoverlast Artikel2:36:Betreden gesloten woning of lokaal Het is verboden een krachtens artikel 174a Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal, of een bij die woning of dat lokaal behorend erf, te betreden. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden. Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod geldt niet voor personen van wie de aanwezigheid in die woning of het lokaal wegens dringende redenen noodzakelijk is. De burgemeester is bevoegd van de in dit artikel genoemde verboden ontheffing te verlenen. Artikel2:37:Drugshandel op straat Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, dan wel slaap- of kalmeringsmiddelen, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. Artikel2:38:Verzameling van personen in verband met harddrugs Het is verboden op of aan wegen, die door de burgemeester zijn aangewezen omdat de openbare orde dat naar zijn oordeel noodzakelijk maakt in verband met het openlijk gebruik van of de handel in middelen als bedoeld in artikel 2 van de Opiumwet of het gedrag van gebruikers van deze middelen anderszins, deel te nemen aan een verzameling van drie of meer personen, met het kennelijke doel tot het gebruik van of de handel in de middelen als bedoeld in artikel 2 van de Opiumwet. De aanwijzing van wegen, zoals in het eerste lid bedoeld, wordt gegeven voor ten hoogste zes maanden, welke termijn telkens kan worden verlengd. Degene, die zich bevindt in een verzameling van personen als in het eerste lid bedoeld, is verplicht zich op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie direct zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. Artikel2:39:Tijdelijk sluiten verkoopinrichting De burgemeester kan in het belang van de openbare orde of ter voorkoming of beperking van overlast of aantasting van het woon- en leefklimaat , tijdelijk voor ten hoogste vier weken, de sluiting bevelen van een verkoopinrichting, gelegen in een op grond van artikel 2:41 aangewezen gebied, van waaruit voorwerpen worden verkocht die als hulpmiddel voor het gebruik van en/of de handel in drugs worden aangewend. Artikel2:40:Openlijk gebruik van harddrugs Het is verboden op of aan de weg of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen te gebruiken als bedoeld in artikel 2 van de Opiumwet of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen openlijk voor handen te hebben. Artikel2:41:Verblijfsontzegging in verband met harddrugs Vervallen (opgenomen in artikel 2:2). Titel 2.4 Vuur en Vuurwerk Artikel2:42:Verbod vuur te stoken Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of op een andere wijze vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. Het verbod geldt niet voorzover het betreft: verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; sfeervuren, zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden verbrand; vuur voor koken, bakken en braden; en voorzover voornoemde uitzonderingen geen gevaar, overlast of hinder voor de omgeving opleveren. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:5 geldt de ontheffing voor bepaalde tijd. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de ontheffing ook worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna. Artikel2:43:Carbid schieten Het is verboden acetyleengas afkomstig van reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen op explosieve wijze te verbranden waardoor gevaar, schade of hinder voor de omgeving wordt veroorzaakt. Het verbod geldt niet als: gebruik wordt gemaakt van melkbussen en/of dergelijke voorwerpen met een maximale omvang van 50 liter, met gebruikmaking van acetyleengas afkomstig van reactie tussen calciumcetylide (carbid) en water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen; het gebruik plaatsvindt in de periode van 31 december vanaf 10.00 uur tot 1 januari 02.00 uur; gebruik wordt gemaakt van eigen grond, grond van derden met toestemming van de eigenaar of van grond in beheer en onderhoud bij de gemeente Emmen op aangewezen locaties; tenminste 14 dag voorafgaand aan de datum van gebruik melding is gedaan aan het college; de plaats, vanwaar geschoten wordt, gelegen is: op een afstand van tenminste 75 meter van woonbebouwing; op een afstand van tenminste 300 meter van inrichtingen voor intramurale zorg en gebeds-huizen; op een afstand van tenminste 300 meter van in gebruik zijnde voorzieningen voor het houden van dieren; geschoten wordt in een richting die tegengesteld is aan de richting waarin zich dichtbij woon-bebouwing bevindt; het vrij schootsveld minimaal 75 meter is en daarin geen verharde wegen of paden liggen. Titel 2.5. Prostitutie(bedrijven) Artikel2:44:Prostitutiebedrijven en escortbedrijven Het is verboden een prostitutiebedrijf of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan. Het aantal prostitutiebedrijven is vastgesteld op een maximum van vier. In de aanvraag om vergunning wordt in ieder geval vermeld: de persoonsgegevens van de exploitant, zijnde de natuurlijke persoon (personen) of de rechtspersoon (rechtspersonen) die een prostitutiebedrijf of escortbedrijf exploiteert (exploiteren) en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon (rechtspersonen) bevoegde natuurlijke persoon (personen); de persoonsgegevens van de leidinggevende (beheerder), zijnde de natuurlijke persoon (personen) die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent (uitoefenen) in een prostitutiebedrijf of escortbedrijf; de aard van het prostitutiebedrijf of het escortbedrijf, al dan niet in combinatie met elkaar; het aantal werkzame prostituees; de plaatselijke en kadastrale ligging van het prostitutiebedrijf door middel van een situatietekening (schaal tenminste 1:1000); de plattegrond van het prostitutiebedrijf door middel van een tekening (schaal tenminste 1:100); bewijs van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimte bestemd voor het prostitutiebedrijf. De gegevens uit het vorige lid worden ook in en bij de vergunning vermeld. Artikel2:45:Gedragseisen exploitant en leidinggevende De exploitant of de leidinggevende: staat niet onder curatele en is niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij; is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en heeft de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt. Naast de gestelde eisen in het eerste lid, is de exploitant of de leidinggevende niet: met toepassing van artikel 37 Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld; binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolgde artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten; binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van vijfhonderd euro of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen; de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249, 252, 250a (oud), 273f, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht; de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 jo. artikel 8 of jo. artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994; de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de kansspelen; de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk gesteld: vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan driehondervijfenzeventig euro bedraagt; een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf. De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt: bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning; bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning. De exploitant of de leidinggevende is binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of leidinggevende geweest van een prostitutiebedrijf of escortbedrijf dat voor tenminste één maand door het bevoegd bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning als bedoeld in artikel 2:44, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem terzake geen verwijt treft. Artikel2:46:Openingstijden, sluitingsuur en aanwezigheid exploitant/leidinggevende 1. Onder een bezoeker wordt verstaan degene die aanwezig is in een prostitutiebedrijf, met uitzondering van: de exploitant; de leidinggevende; de prostitué(e); het personeel dat in de inrichting werkzaam is; toezichthouders als bedoeld in artikel 5:2 en andere personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is. 2. De burgemeester kan de openingstijden en het verplichte sluitingsuur van een prostitutiebedrijf vaststellen. 3. a. Het is verboden een prostitutiebedrijf voor bezoekers geopend te hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven buiten de toegestane openingstijden. b. Het is verboden een prostitutiebedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de ingevolge artikel 2:44 op de vergunning vermelde exploitant of leidinggevende in het prostitutiebedrijf aanwezig is. c. Het is bezoekers van een prostitutiebedrijf verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die inrichting krachtens het tweede lid, dan wel krachtens artikel 2:47, gesloten dient te zijn. 4. In afwijking van het tweede lid, kan de burgemeester door middel van een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 2:47 voor een afzonderlijk prostitutiebedrijf andere sluitingstijden vaststellen. Artikel2:47:Afwijking sluitingstijden, tijdelijke sluiting Met het oog op de in artikel 2:52 genoemde belangen of in geval van strijdigheid met de bepalingen, genoemd in titel 2.5, kan het bevoegd bestuursorgaan: tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2:46, tweede of derde lid, geldende sluitingsuren vaststellen; van een afzonderlijk prostitutiebedrijf al dan niet tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen. Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht, maakt het bevoegde bestuursorgaan het in het eerste lid bedoelde besluit openbaar bekend overeenkomstig artikel 3:42 Algemene wet bestuursrecht. Artikel2:48:Toegang opsporingsambtenaren en toezichthouders De exploitant en de leidinggevende van een prostitutiebedrijf of escortbedrijf zijn verplicht ervoor te zorgen dat politieambtenaren vanaf de weg onmiddellijk en onbelemmerd toegang hebben tot de inrichting: gedurende de tijd dat deze voor bezoekers geopend is; gedurende de tijd dat deze voor bezoekers gesloten dient te zijn, indien die opsporingsambtenaren hun vermoeden uiten dat daarin bezoekers aanwezig zijn. De burgemeester is bevoegd om toezichthouders aan te wijzen die zullen toezien op de naleving van (onderdelen van) het prostitutiebeleid. De exploitant en de leidinggevende van een prostitutiebedrijf of escortbedrijf zijn verplicht hen op hun verzoek toegang te verlenen. Artikel2:49:Toezicht door exploitant en leidinggevende De exploitant en de leidinggevende van een prostitutiebedrijf of escortbedrijf zijn verplicht er voortdurend op toe te zien dat in het betreffende bedrijf: geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten als genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet, en in de Wet wapens en munitie; geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde; geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen beneden de 18 jaar; een bedrijfsbeleid wordt gevoerd waarin de toepassing van veilige sekstechnieken en het zelfbeschikkingsrecht van de prostituees bevorderd worden; een bedrijfsbeleid wordt gevoerd waarbij medewerking wordt verleend aan op preventie gerichte gezondheidsprojecten. Artikel2:50:Straat- en raamprostitutie Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te nodigen of aan te lokken. Degene die, met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde verbod van een politie-ambtenaar het bevel krijgt zich in een bepaalde richting te verwijderen, is verplicht dat bevel onverwijld op te volgen. De burgemeester kan bij besluit aan personen, aan wie tenminste eenmaal een bevel op grond van het tweede lid is gegeven, verbieden zich gedurende een bepaalde termijn, anders dan in een openbaar middel van vervoer, te bevinden op of aan de in het besluit aangeduide wegen. Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester op grond van het derde lid opgelegd verbod. Artikel2:51:Beslistermijn In afwijking van artikel 1:2 neemt het bevoegd bestuursorgaan het besluit op de aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 2:44, tweede lid binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is. Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf weken verdagen. In afwijking van het eerste lid wordt het besluit van het bevoegde bestuursorgaan aangehouden tot het moment dat een besluit wordt genomen over een op de seksinrichting betrekking hebbende aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 40 van de Woningwet, artikel 3, eerste lid onder a, van de Drank- en Horecawet of artikel 8.9 van de Wet milieubeheer, alsmede tot het moment dat een nader onderzoek als bedoeld in artikel 7 van de Wet BIBOB is afgerond en bij de besluitvorming kan worden betrokken. Artikel2:52:Weigeringsgronden De vergunning als bedoeld in artikel 2:44, eerste lid, wordt geweigerd als: het vastgestelde maximum aantal prostitutiebedrijven, zoals genoemd in artikel 2:44, eerste lid, is bereikt; de exploitant en/of de leidinggevende niet voldoet aan in de artikel 2:45 gestelde eisen, alsmede in het geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 7 van de Wet BIBOB.; de vestiging of de exploitatie van het prostitutie- of escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening; de vestiging of de exploitatie van het prostitutie- of escortbedrijf in strijd is met een door de raad vastgesteld besluit, waarin gemeentelijk (horeca)vestigingsbeleid ten aanzien van prostitutie- en escortbedrijven is uitgewerkt, dan wel in strijd is met nadere regels als bedoeld in artikel 2:53; er aanwijzingen zijn dat in het prostitutie en/of escortbedrijf personen werkzaam zijn (zullen zijn) in strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht, met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde, of die minderjarig zijn; de exploitant niet voldoet aan de van toepassing zijnde in titel 2.5 vermelde voorwaarden. Onverminderd het in het eerste lid bepaalde kan de vergunning voorts worden geweigerd: op de gronden, zoals genoemd in artikel 1:6; in het belang van de arbeidsomstandigheden van de prostituee. Artikel2:53:Nadere regels Met het oog op de in artikel 2:52 genoemde belangen, kan het college over de uitoefening van bevoegdheden als genoemd in de bepalingen van titel 2.5 nadere regels vaststellen. Artikel2:54:Beëindiging exploitatie De vergunning vervalt zodra de exploitant als bedoeld in artikel 2:44, tweede lid onder a, de exploitatie van het prostitutie- of escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd. Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan. Artikel2:55:Wijziging beheer Indien een leidinggevende als bedoeld in artikel 2:44, tweede lid, onder b, het beheer in het prostitutiebedrijf of escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan. Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe leidinggevende, indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 2:45 is van overeenkomstige toepassing. In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe leidinggevende zodra de exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft ingediend, totdat over de aanvraag is besloten. HOOFDSTUK3BESCHERMING MILIEU, DIEREN, NATUURSCHOON, UITERLIJK AANZIEN GEMEENTE Hfdst. 3, Afdeling 1 Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast Artikel3:1:Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen e.d. Het college kan, in andere gevallen dan die waarin de Wet milieubeheer of de Afvalstoffenverordening van de gemeente Emmen van toepassing is, in de openlucht buiten de weg gelegen plaatsen aanwijzen, waar het in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid verboden is een of meer van de volgende daarbij nader aangeduide objecten of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben, anders dan met inachtneming van door het college gestelde regels, zoals: onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen, zoals omschreven in artikel 1:1 onder de letters E en F of onderdelen daarvan; kampeermiddelen, zoals omschreven in artikel 1:1 onder de letter BB, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp, dan wel ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen of oude metalen; In het eerste lid wordt onder weg verstaan, wat daaronder verstaan wordt in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994. Het is verboden op een door het college aangewezen plaats een door hem aangeduid(
  8. e)object of stof, als in het eerste lid bedoeld: op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben; op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van door het college gestelde regels. Artikel3:2:Plaatsen inzamelmiddelen bedrijfsafval Het is verboden, zonder ontheffing van het college, op de weg of een weggedeelte inzamelmiddelen voor bedrijfsafval te plaatsen. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet op de dag van inzameling van 06.00 tot 22.00 uur, waarbij de inzamelmiddelen moeten zijn voorzien van een aanduiding van de inzameldag. Hfdst. 3, Afdeling 2 Geluidhinder Artikel3:3:Aanwijzing collectieve festiviteiten De waarden bedoeld in de artikelen 2.17 en 2.20 van het Besluit, zoals omschreven in artikel 1:1 onder letter EE, gelden niet voor door het college aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen; In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid kan het college bepalen voor welke gebieden van de gemeente de collectieve festiviteiten gelden; Het college kan, wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen; Het college kan voorwaarden verbinden aan de festiviteiten ter voorkoming of beperking van de geluidhinder. Artikel3:4:Kennisgeving incidentele festiviteiten Het is in een inrichting toegestaan maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de waarden als bedoeld in de artikelen 2.17 en 2.20 van het Besluit, zoals omschreven in artikel 1:1 onder letter EE, niet van toepassing zijn mits de houder van de inrichting ten minste drie weken voor aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld; Het college stelt een formulier vast voor het doen van een kennisgeving; De kennisgeving wordt geacht eerst dan te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld; Het college kan voorwaarden verbinden aan de festiviteiten ter voorkoming of beperking van de geluidhinder; Dit artikel is niet van toepassing op horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen met maatwerkvoorschriften in het kader van het 12 dagen criterium zoals bedoeld in artikel 2.20, lid 6 van het besluit. Artikel3:5:Verboden incidentele festiviteiten Het is verboden een incidentele festiviteit te organiseren, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen indien de burgemeester het organiseren van een incidentele festiviteit verboden heeft, wanneer naar zijn oordeel de woon-en leefsituatie in de omgeving van de inrichting en/of openbare orde op ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed. Artikel3:6:Overige geluidhinder Als in een inrichting als bedoeld in het Besluit, zoals omschreven in artikel 1:1 onder letter EE, onversterkte muziek ten gehore wordt gebracht, zijn de artikelen 2.17 en 2.20 van het Besluit van toepassing. Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden onder meer betreffende: het maximale geluidsniveau; de situering van geluidsbronnen; de frequentie en tijden van gebruik. Hfdst. 3, Afdeling 3 Bescherming van dieren, groenvoorzieningen en natuurschoon Artikel3:7:Beperking verkeer in natuurgebieden en andere groenvoorzieningen Het is verboden te voet, te paard, met een motorvoertuig, bromfiets of fiets, als bedoeld in artikel 1, onder “al”, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, zich te bevinden of te rijden in of op openbare beplantingen, grasperken, groenstroken of binnen voor publiek toegankelijke parken, plantsoenen, natuurgebieden of andere voor recreatief gebruik bestemde terreinen, buiten de daarin gelegen en daartoe aangewezen paden en wegen. Het verbod geldt niet voor bestuurders van voertuigen of berijders van paarden: van politie, gemeente en hulpverleningsdiensten ter uitvoering van de aan hun opgedragen taak; in verband met de uitvoering van taken in het kader van het beheer, het onderhoud of de exploitatie van de hier bedoelde terreinen; van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen gelegen binnen de hier bedoelde terreinen, alsmede bestemmingsverkeer voor bezoek aan genoemde personen. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze terreinen: in het belang van het voorkomen van overlast; in het belang van de bescherming van natuur- of milieuwaarden; in het belang van de veiligheid van het publiek. Hfdst. 3, Afdeling 4 Uiterlijk aanzien van de gemeente Artikel3:8:Plakken en kalken Het is verboden de weg, een gedeelte van een op of aan de weg geplaatste roerende zaak of een gedeelte van een onroerende zaak, dat vanaf de weg zichtbaar is te bekrassen of te bekladden. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op de weg of op dat gedeelte van een roerende of onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is: een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding, aan te plakken, te doen aanplakken of op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; met kalk, krijt, teer of een kleur- of verfstof enige afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen. Het in tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing als gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift. Het college kan locaties voor aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van reclame waarop de gemeentelijke reclameverordening van toepassing is. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen. De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht deze aan een toezichthouder op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven. Artikel3:9:Vervoer plakspullen e.d. Het is verboden tussen 22.00 uur en 06.00 uur op de weg een aanplakbiljet, aanplakdoek, plakgereedschap, een plakmiddel of verf, teer, kalk, krijt of een andere kleur- of verfstof bij zich te hebben of te vervoeren met het oogmerk deze te gebruiken voor de in artikel 3:8 lid 2 bedoelde handelingen. Artikel3:10:Beperking aanbieden van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen Het is verboden gedrukte of geschreven stukken of afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden, aan te bevelen of bekend te maken op of aan door het college aangewezen wegen of gedeelten daarvan. Het college kan de werking van het in het eerste lid gestelde verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. Het verbod geldt niet voor het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. HOOFDSTUK4ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE HUISHOUDING VAN DE GEMEENTE Hfdst. 4, Afdeling 1 Collecteren, venten, standplaatsen en snuffelmarkten Artikel4:1:Inzamelingen van geld of goederen Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden. Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan: het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd. Het verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring wordt gehouden. Artikel4:2:Venten Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volks-gezondheid of het milieu in gevaar komt. Het is verboden te venten op zondagen en van maandag tot en met zaterdag tussen 22.00 uur en 08.00 uur. Artikel4:3:Standplaatsen Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de vergunning worden geweigerd: indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan eisen van redelijke welstand; vanwege strijd met een geldend bestemmingsplan. De weigeringsgrond overlast geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer; De weigeringsgrond in hetderde lid, onder b, geldt niet voor bouwwerken. Het college houdt de aanvraag om een standplaatsvergunning aan, indien de aanvraag een activiteit betreft waarvoor tevens een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is vereist en indien geen toepassing kan worden gegeven aan het tweede lid, tot de dag waarop is beslist op de vergunningaanvraag als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer. Artikel4:4:Snuffelmarkten Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een snuffelmarkt te organiseren, toe te laten of er gelegenheid toe te geven. Het verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend geheel en voortdurend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de vergunning worden geweigerd in het belang van een krachtens de Gemeentewet ingestelde markt. Hfdst. 4, Afdeling 2 Gedogen van openbare werken Artikel4:5:Gedoogplicht aanduidingen en voorzieningen De rechthebbende op een weg of een zich aan of op een weg bevindende onroerende zaak is verplicht te gedogen dat op last van het college aanduidingen en voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer, de openbare verlichting, de openbare veiligheid of de straatnaamaanduiding op, in of over die weg, dan wel aan of op die onroerende zaak worden bevestigd en in stand gehouden. Hfdst. 4, Afdeling 3 Incidentele asverstrooiing Artikel4:6Hinder of overlast Incidentele asverstrooiing is verboden: op verharde delen van de weg, gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen als daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden. Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod uit het eerste lid, behoudens de gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen. Hfdst. 4, Afdeling 4 Parkeerexcessen Artikel4:7:Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf of een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze voertuigen; de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken. Onder verhuren als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan: het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling. Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid worden niet gerekend: voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die aansluitend in totaal niet meer dan een uur vergen, voertuigen gebezigd voor persoonlijk gebruik van de in het eerste lid genoemde persoon. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel4:8Defecte voertuigen Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren. Artikel4:9Voertuigwrakken Het is verboden een voertuigwrak op de weg te plaatsen of te hebben. Artikel4:10Caravans e.d. Het is verboden een caravan, kampeerwagen, woonwagen, camper, magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of een ander dergelijk voertuig dat voor de recreatie dan wel anderszins uitsluitend of mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebezigd: langer dan vijf achtereenvolgende dagen op de weg te plaatsen of te hebben op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente; op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod. De in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde termijn geldt niet gedurende het tijdvak van 1 mei tot 1 september. In deze periode geldt een termijn van veertien dagen. Artikel4:11Parkeren van reclamevoertuigen Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van commerciële reclame, op de weg te parkeren met het kennelijke doel om daarmee commerciële reclame te maken. Het college kan van dit ontheffing verlenen. Artikel4:12Parkeren van grote voertuigen Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,40 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,40 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte, dan wel schadelijk is voor het uiterlijkaanzien van de gemeente. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08:00 uur tot 18:00 uur. Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen. Artikel4:13Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,40 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is. Artikel4:14Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen Het is verboden een voertuig met stankverspreidende stoffen te parkeren daar, waar bewoners of gebruikers van nabijgelegen gebouwen of terreinen daarvan hinder of overlast kunnen ondervinden. Artikel4:15Overlast van fiets of bromfiets Het is verboden op of aan de weg een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan: tegen een raam, raamkozijn, deur, gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek als dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of portiek, dan wel daardoor de ingang wordt versperd; die rijtechnisch in een onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand verkeert. Het college kan op de weg gelegen plaatsen aanwijzen waar het in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, dan wel ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, verboden is fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan. HOOFDSTUK5STRAF- , SLOT- en OVERGANGSBEPALINGEN Hfdst. 5, Afdeling 1 Strafbepalingen Artikel5:1:Strafbepaling Overtreding van een bij of krachtens deze verordening vastgestelde gebods- of verbodsbepaling en nietnakoming van de op grond van artikel 1:7 opgelegde voorschriften en beperkingen, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de eerste categorie, met uitzondering van de artikelen: 2:4, 2:9, 2:13, 2:16, 2:17, 2:19, 2:24, 2:39, 2:44, 2:45, 2:47, 2:50, 3:1, 3:5, 4:2, 4:3 en 4:4. Overtreding van de artikelen 2:4, 2:9, 2:13, 2:16, 2:17, 2:19, 2:24, 2:39, 2:44, 2:45, 2:47, 2:50, 3:1, 3:5, 4:2, 4:3, 4:4 en de op grond van artikel 1:7 opgelegde voorschriften en beperkingen, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie. Artikel5:2:Toezichthouders Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast: de gemeentelijke milieucontroleurs, de ambtenaren van de regiopolitie Drenthe, de medewerkers van de Stichting Veiligheidszorg Drenthe die daartoe door het college c.q. de burgemeester zijn aangewezen. Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening belast de door het college of de burgemeester aan te wijzen personen. Artikel5:3:Binnentreden woningen Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. Zij die belast zijn met de zorg voor de nakoming van een voorschrift van een door de burgemeester op grond van artikel 176 van de Gemeentewet vastgesteld algemeen verbindend voorschrift, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. Hfdst. 5, Afdeling 2 Slotbepalingen Artikel5:4:Datum inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag van haar bekendmaking. Artikel5:5:Citeertitel Deze verordening kan worden aangehaald als Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Emmen 2007. Hfdst. 5, Afdeling 3 Overgangsbepalingen Artikel5.6:Overgangsbepalingen Vergunningen en ontheffingen - hoe ook genaamd - verleend krachtens de verordening bedoeld in artikel 5:4, tweede lid blijven - indien en voor zover het gebod of verbod waarop de vergunning of ontheffing betrekking heeft, ook vervat in deze verordening en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken - van kracht totdat de tijd waarvoor zij zijn verleend is verstreken, of totdat zij worden ingetrokken. Voorschriften en beperkingen opgelegd krachtens de verordening bedoeld in artikel 5:4, tweede lid blijven - indien en voor zover de bepalingen in gevolge welke deze voorschriften en beperkingen zijn opgelegd, ook zijn vervat in deze verordening en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken - van kracht totdat de tijd waarvoor zij zijn opgelegd is verstreken, of totdat zij worden ingetrokken. Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om een vergunning of ontheffing op grond van de verordening bedoeld in artikel 5:4, tweede lid is ingediend en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening nog niet op die aanvraag is beslist, wordt daarop de overeenkomstige bepaling van de onderhavige verordening toegepast. Op een aanhangig beroep- of bezwaarschrift, betreffende een vergunning of ontheffing, bedoeld in het eerste lid, dan wel een voorschrift of beperking bedoeld in het tweede lid, dat voor of na het tijdstip bedoeld in artikel 5:4, eerste lid is ingekomen binnen de voordien geldende bezwaar- of beroepstermijn, wordt beslist met toepassing van de verordening bedoeld in artikel 5:4, tweede lid. In afwijking van het in het eerste lid bepaalde, blijft een vergunning of ontheffing - hoe ook genaamd - van kracht, totdat onherroepelijk is beslist op een aanvraag voor een, krachtens een in deze verordening overeenkomstig opgenomen gebod of verbod vereiste, vergunning of ontheffing, indien deze aanvraag ten minste acht weken voor afloop van de in het eerste lid genoemde termijn bij het bevoegd bestuursorgaan is ingediend. Gebods- of verbodsbepalingen waarvoor een vergunning of ontheffing vereist is krachtens deze verordening en niet voorkomend in een verordening als bedoeld in artikel 5:4, tweede lid, zijn niet van toepassing: gedurende 26 weken na het in werking treden van deze verordening; ook na de onder a bepaalde termijn, voor zover degene die de vergunning of ontheffing nodig heeft, binnen deze termijn een aanvraag heeft ingediend, totdat onherroepelijk op deze aanvraag is beslist. Het vervallen van de verordening bedoeld in artikel 5:4, tweede lid heeft geen gevolgen voor de geldigheid van op basis van die verordening genomen nadere regels en aanwijzingsbesluiten, indien en voor zover de rechtsgrond waarop de aanwijzingsbesluiten zijn gebaseerd ook vervat is in deze verordening en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken. Toelichting HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN Afdeling 1 Begripsomschrijvingen Artikel 1:1 sub I Voor de uitleg van het begrip vee is aangesloten bij de Meststoffenwet. Met dit begrip worden als diersoorten bedoeld, zoals rundvee, varkens, kippen, kalkoenen, schapen, geiten, eenden, konijnen en dergelijke. Artikel 1:1 sub J Bij deze omschrijving is aansluiting gezocht bij het begrip uit het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer. Onder het oude besluit viel vooral de stille horeca, nu ook sportaccommo-daties, dansgelegenheden, theaters en zwembaden. Het begrip rookwaren is toegevoegd om ook coffeeshops onder deze omschrijving te laten vallen. Artikel 1:1 sub O en P De omschrijving van de begrippen bouwwerk en gebouw is ontleend aan de model-APV van de VNG en de bouwverordening. Artikel 1:1 sub Q, R, S en T Er is sprake van een prostitutiebedrijf als er daadwerkelijke prostitutie wordt beoefend, dus als er seksuele handelingen tegen betaling plaatsvinden. In de begripsomschrijving is meer meegenomen dan alleen een bordeel, om te voorkomen dat de prostitutie zich verplaatst onder het mom van een nieuwe naam naar een zogenaamd andere bedrijfstak. Aanverwante bedrijven, zoals seksautomatenhallen, seksbioscopen en sekswinkels, waar geen seksuele handelingen tegen betaling plaatsvinden, zijn niet vergunningplichtig; zij vallen dan niet onder het begrip prostitutiebedrijf. Volgens de definitie vallen zij er wel onder als er toch prostitutie bedreven zou worden. Een sekstheater en een erotische massagesalon, die duidelijk meer het karakter van een gemengd bedrijf hebben, zijn bij voorbaat wel onder de begripsomschrijving gebracht. De formulering is afwijkend aan die van het VNG-model. Het VNG-model kent ook bepalingen voor bedrijven die geen prostitutiebedrijf hoeven te zijn. De bepaling in het VNG-model over het bevoegd bestuursorgaan en meer in het bijzonder de uitwerkingen ervan zijn moeilijk leesbaar. Waar duidelijk is waar de bevoegdheden liggen is het bevoegde orgaan in dit hoofdstuk bij naam genoemd, dit ter verbetering van de leesbaarheid en begrijpelijkheid van het hoofdstuk. Waar meerdere organen bevoegd kunnen zijn wordt de term bevoegd bestuursorgaan gehandhaafd. Zodra de term bevoegd bestuursorgaan gebezigd wordt, geldt dit als een waarschuwingsteken dat men alert moet zijn in wiens handen de bevoegdheid in casu ligt. Artikel 1.1. sub W In dit artikel is de met de term “bevoegd gezag” aangehaakt bij de Wet algemene beplaingen omgevingsrecht (Wabo). Die is van toepassing op de vergunning voor aanleg of veranderen van een weg (artikel 2.10) en het maken of veranderen van een uitweg (artikel 2.11). De vergunning voor het aanleggen of veranderen van een weg is aangewezen in artikel 2.2. eerste lid onder d van de Wabo en de vergunning voor het maken of veranderen van een uitweg in artikel 2.2. eerste lid onder e. De omgevingsvergunning wort door één bevoegd gezag beoordeeld en doorloopt één proces. De beslissing op een aanvraag kent ook één procedure van rechtsbescherming. Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar het project zal worden verricht. In een beperkt aantal gevallen berust de bevoegdheid tot toestemmingsverlening niet bij het college van burgemeester en wethouders maar bij het College van gedeputeerde staten en in enkele gevallen bij een Minister. Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor het te nemen besluit en is tevens belast met de bestuurlijke handhaving. Daarnaast komt in de APV op verschillende plaatsen de term “bevoegd bestuursorgaan” voor. Daarmee wordt dan gedoeld op ofwel het College van burgemeester en wethouders ofwel de burgemeester. De Wabo brengt hierin geen verandering. Artikel 1:1 sub CC Ten aanzien van de definiëring van het begrip evenement is gekozen voor de zgn. negatieve benaderingsmethode. Uitgaande van een algemeen geldend criterium ('namelijk elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak') wordt vervolgens een aantal evenementen opgesomd dat niet onder de werking van de bepalingen valt. Bioscoopvoorstellingen: worden niet als evenement aangemerkt. Daarnaast gelden de bepalingen niet voor waren- en snuffelmarkten. Indien het college op grond van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet een (waren-)markt heeft ingesteld, kan de gemeenteraad hiervoor regels vaststellen in een marktverordening. De Wet op de kansspelen kent een eigen toezichtregime. Dansen in een DHW-inrichting is uitgezonderd van het evenementenbegrip omdat dit in het algemeen niet als een evenement kan worden gezien. Een andere, meer incidenteel plaatsvindende activiteit dan het gelegenheid geven tot dansen (bijv. het optreden van een band, een houseparty, of een kooigevecht) kan wel als evenement worden aangemerkt. Zie verder hieronder onder feest. Betogingen, samenkomsten en vergaderingen zijn al geregeld in de Wom. Optochten, braderie, feest en wedstrijd op of aan de weg vallen nu onder de reikwijdte van het evenementenbegrip. Omdat een herdenkingsplechtigheid doorgaans wel voor publiek toegankelijk is, maar uiteraard niet als een verrichting van vermaak kan worden aangemerkt, wordt ze als evenement genoemd. Omdat een braderie van korte duur is en niet met een bepaalde regelmaat terugkeert, kan deze activiteit niet als jaarmarkt of gewone markt worden aangemerkt in de zin van artikel 160 Gemeentewet (Vz. ARRS 27-05-1992, JG 93.0002). Tevens valt deze activiteit niet aan te merken als een snuffelmarkt in de zin van artikel 4:4 van de Apv. Omdat een braderie een voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak is, is het een evenement. Het houden van optochten, zoals carnavals- en Sinterklaasoptochten, bloemencorso's enz, die niet opgevat kunnen worden als een middel tot het uiten van een mening of gedachten of gevoelens, valt niet onder de bescherming van de Grondwet, het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) of andere internationale verdragen die de vrijheid van meningsuiting waarborgen. Evenmin is hierop de Wet openbare manifestaties (Wom) van toepassing. Wanneer een feest voor publiek toegankelijk is, is er sprake van een vergunningplichtige activiteit omdat het valt onder de reikwijdte van de begripsomschrijving van artikel 1:1 CC. Het feest kan als een voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak worden aangemerkt. Besloten feesten daarentegen vallen niet onder de reikwijdte van de evenementenbepaling omdat deze activiteit niet een voor het publiek toegankelijke verrichting van vermaak is. Bijvoorbeeld bij het houden van een bedrijfsfeest waar aan de hand van uitnodigingslijsten publiek aanwezig is, is er geen sprake van een voor het publiek toegankelijke verrichting van vermaak. Maar wanneer een feest een 'besloten' karakter heeft en er publiekelijk kaarten worden verkocht en/of reclame wordt gemaakt, is sprake van een evenement. De gemeente kan bij feesten waarvoor geen vergunning nodig is, optreden wanneer deze bijvoorbeeld worden georganiseerd in ruimten strijdig met het bestemmingsplan. Zie de uitspraak met betrekking tot het verplicht handhavend optreden bij schuurfeesten. ABRS 02-04-1999, Gst. 1999, 7103 m.nt. P.J.H.) Ook in het kader van de Wegenverkeerswet 1994 kan worden opgetreden in geval van parkeer- en verkeersoverlast. Met betrekking tot geluidsoverlast kan op grond van de Wet milieubeheer worden opgetreden. Feesten die gehouden worden in horecagelegenheden en niet behoren tot de normale bedrijfsvoering (bijvoorbeeld een optreden van een bekende disc-jockey of een optreden van een bekende band) zijn op grond van artikel 2:18 vergunningplichtig. ABRS 11-01-2006, LJN-nr. AU9388 (Ghostship/Ghosthouse). Wanneer een feest al dan niet besloten 'op of aan de weg' plaats vindt, is dit een vergunningplichtige activiteit omdat het plaats vindt op doorgaans voor publiek toegankelijk gebied (zie voor het begrip 'weg' de begripsomschrijving). Het feit dat het feest besloten is, dus niet voor publiek toegankelijk, doet daar niets aan af. Voor wedstrijden op of aan de weg is een vergunning van de burgemeester vereist, krachtens het bepaalde in artikel 2:18 en de begripsomschrijving in artikel 1:1 onder CC Wedstrijden met voertuigen op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) zijn op grond van artikel 10, eerste lid, WVW 1994 verboden. Het eerste lid van artikel 148 WVW 1994 bepaalt echter dat van dat verbod ontheffing kan worden verleend. Het verlenen van die ontheffing geschiedt: voor wegen onder beheer van het Rijk, door de minister van Verkeer en Waterstaat; voor andere wegen, door gedeputeerde staten; in afwijking hiervan wordt de ontheffing verleend door het college, indien de wegen waarvoor de ontheffing wordt gevraagd, alle gelegen zijn binnen een gemeente. Artikel 1, onder a, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 geeft aan wat onder voertuigen moet worden verstaan: fietsen, bromfietsen, invalidenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens. Aan de ontheffing kan het college voorschriften verbinden om binnen redelijke grenzen een veilig verloop van de wedstrijd te waarborgen. Op basis van de WVW 1994 mogen ook milieumotieven een rol spelen bij het reguleren van het verkeer. In artikel 2, tweede en derde lid, WVW 1994 worden onder meer de volgende motieven worden genoemd: het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade; het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden; het bevorderen van een doelmatig of zuinig energiegebruik. Wanneer een wedstrijd onder auspiciën van een sportbond plaatsvindt, zal deze sportbond in veel gevallen zelf reglementen hebben opgesteld die de organisator van de wedstrijd moet naleven. Het niet naleven kan tuchtrechtelijke gevolgen voor de organisator hebben, bijvoorbeeld uit de bond gezet worden. De veiligheidseisen die de sportbonden stellen, zijn veelal voldoende om een veilig verloop van de wedstrijd in beginsel mogelijk te maken. Het college kan deze voorschriften van de sportbonden ook een publiekrechtelijk karakter geven door ze als voorschriften in de vergunning op te nemen. Indien geconstateerd wordt dat de organisator deze voorschriften vervolgens niet naleeft en de sportbond zelf ook niet ingrijpt, kan uiteindelijk via een administratiefrechtelijke sanctie het houden van die wedstrijd alsnog verboden worden. Indien een wedstrijd wordt gehouden met voertuigen op wegen als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994 dan is - naast artikel 10 juncto artikel 148 Wegenverkeerswet 1994 - artikel 2:18 van toepassing. De evenementenbepaling is namelijk van een geheel andere orde dan de wedstijdbepalingen uit de Wegenverkeerswetgeving. De burgemeester kan op grond van andere motieven, zoals openbare orde, veiligheid in het algemeen en zedelijkheid en gezondheid, weigeren medewerking te verlenen aan het evenement, in casu de wedstrijd op de openbare weg. In die zin is de evenementenbepaling aanvullend op de wedstrijdbepalingen uit de Wegenverkeerswetgeving. Vindt echter een wedstrijd met een motorvoertuig of bromfiets plaats op een terrein dat niet behoort tot een weg als hier bedoeld, dan moet daarvoor een vergunning verkregen zijn van de burgemeester op grond van artikel 2:18. Op grond van de artikel 2:18 geldt voor andere wedstrijden op of aan de weg eveneens een vergunningplicht. Hierbij moet gedacht worden aan bijvoorbeeld 'vossenjachten', droppings e.d. Artikel 1:1 sub EE Hoofdstuk 3, afdeling 2 heeft betrekking op inrichtingen die vallen onder de werkingssfeer van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer. Deze inrichtingen moeten voldoen aan de bij het Besluit gestelde voorschriften. De voorschriften 1.1.1 en 1.1.7 van de bijlage onder B van het besluit hebben betrekking op geluidshinder en zijn zo strikt, dat deze zeker overtreden zullen worden wanneer in een inrichting incidenteel een feest wordt gehouden met bijvoorbeeld levende muziek. Het Besluit biedt de mogelijkheid ontheffing te verlenen van de geluidsvoorschriften. De bedrijven waarvoor geluid een belangrijk item is en die vooral gebruik zullen maken van deze regeling zijn de horeca, discotheken en sociaal-culturele voorzieningen. Op grond van voorschrift 1.1.9 uit de bijlage onder B van het Besluit kan de raad in een verordening vaststellen, dat gedurende een bepaalde periode de geluidsvoorschriften van het besluit niet gelden. Voor de horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen is het college het bevoegde gezag. De uitvoering van de artikelen 3:3 en 3:4 is daarom neergelegd bij het college. Artikel 1:1 sub GG Het hebben van een standplaats ziet op het te koop aanbieden van goederen vanaf een vaste plaats. Dit is dan ook het onderscheidend criterium ten opzichte van het venten met goederen. Bij het venten met goederen wordt er immers vanuit gegaan dat de venter voortdurend zijn goederen vanaf een andere plaats in de openbare ruimte aanbiedt. Met andere woorden: de venter is ambulant, de standplaatshouder niet. Artikel 1;1 sub JJ Het begrip ‘parkeerexces’ heeft geen vaststaande inhoud. In de eerste plaats gaat het om parkeren dat buitensporig is jegens andere weggebruikers met het oog op de verdeling van de beschikbare parkeerruimte, en dat op grond daarvan niet toelaatbaar kan worden geacht. In de tweede plaats betreft het parkeren dat onaanvaardbaar is om andere redenen, zoals de aantasting van de openbare orde of veiligheid, schade van het uiterlijk aanzien van de gemeente of belemmering van het uitzicht. Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder ‘weg’ verstaan hetgeen artikel 1:1, onder B, van deze verordening daaronder verstaat. Opdat over de inhoud van het begrip ‘voertuigen’ geen onzekerheid zal bestaan, is hier een definitie van dit begrip opgenomen. Tot uitgangspunt is genomen de definitie van ‘voertuigen’ die in artikel 1, onder al, van het RVV 1990 wordt gegeven. Van dit begrip voertuigen is een aantal categorieën uitgezonderd, zoals treinen, tweewielige fietsen en bromfietsen, gehandicaptenvoertuigen en andere kleine voertuigen, zoals kinderwagens, kruiwagens, rolstoelen en dergelijke. Deze uitzondering is gemaakt, omdat anders sommige bepalingen een te ruime strekking zouden krijgen. Een driewieler van een kleuter wordt gerekend tot de kleine voertuigen daarmee uitgezonderd van het begrip voertuig. In het artikel is ook een definitie opgenomen van ‘parkeren’. De gemeentelijke regels betreffende het parkeren moeten betrekking hebben op excessen; zij mogen niet mede het ‘normale’ parkeren bestrijken, zoals het stilstaan en wachten op wegen ten behoeve van het onmiddellijk in- en uitstappen van personen en het onmiddellijk laden en lossen van goederen. Artikel 1:2 Het uitgangspunt van artikel 4:13 van de Awb is dat in het wettelijk voorschrift de termijn aangegeven wordt waarbinnen de beschikking gegeven dient te worden. Op deze wijze kan worden nagegaan wat voor iedere situatie een goede beslistermijn is. In artikel 1:2 van de APV (eerste lid) is de beslistermijn bepaald op acht weken. Dit is gelijk aan de maximumtermijn die in artikel 4:13, tweede lid, Awb wordt gesteld. Dit laatste is overeenkomstig het algemeen beginsel van de (Awb-)wetgever dat elke termijn redelijk moet zijn. Tijdig beslissen is een rechtsplicht voor elk bestuursorgaan. Het niet tijdig beslissen kan tot gevolg hebben dat klachten worden ingediend, tijd- en kostenverslindende procedures gevolgd of zelfs schadeclaims ingediend. Er dient uiteraard ook een relatie te worden gelegd met de aanvraagtermijn van artikel 1.3 van de APV. Als bijvoorbeeld overeenkomstig de aanvraagtermijn van drie weken vóór een gepland evenement een vergunning wordt aangevraagd, zou het in beginsel niet redelijk zijn om pas vijf weken later op deze aanvraag te beslissen. Het merendeel van de aanvragen zal binnen acht weken kunnen worden afgewerkt. De meer ingewikkelde aanvragen echter, zeker die waarvoor de adviezen van meerdere instanties moeten worden ingewonnen, vergen soms meer tijd. De verlenging van de beslistermijn biedt dan uitkomst. Ook deze termijn is op acht weken gesteld (tweede lid). Artikel 4:14 Awb verplicht uiteraard tot kennisgeving aan de aanvrager van dit verlengingsbesluit. Indien de aanvrager meent dat de verlenging niet redelijk is, kan hij daartegen in bezwaar en beroep gaan. Artikel 4:13 Awb brengt tot uiting dat bij een nadere termijnstelling op het bestuur steeds de verplichting rust om binnen die termijn een beslissing te nemen. De rechtsgevolgen die verbonden zijn aan het laten verstrijken van die termijn, treden dus steeds in na afloop van de vastgestelde termijn. Artikel 6:2, onder b, van de Awb stelt namelijk het niet reageren van een bestuursorgaan op een aanvraag voor bezwaar en beroep gelijk met een uitdrukkelijk besluit. Los van de mogelijkheid om tegen het niet tijdig reageren van het bestuursorgaan bezwaar te maken of beroep in te stellen, blijft het bestuursorgaan in beginsel verplicht alsnog een besluit op de aanvraag te nemen (artikel 6:20 Awb). De tekst van het eerste lid is in overeenstemming gebracht met die van artikel 3.9 eerste lid van de Wabo. Inhoudelijk is er niets veranderd. Het derde lid is toegevoegd omdat artikel 3.9 twee lid van de wabo bepaalt dat de beslistermijn niet met acht maar slechts met zes weken kan worden verlengd. De wegaanlegvergunning (artikel 2:10) en de uitwegvergunning (artikel 2.11) vallen onder de Wabo. De vergunning voor het aanleggen of veranderen van een weg is aangewezen in artikel 2.2. eerste lid onder d van de Wabo en de vergunning voor het maken of veranderen van een uitweg in artikel 2.2. eerste lid onder e. De indieningsvereisten voor een aanvraag om een vergunning of ontheffing die onder de Wabo valt, staan in de Ministeriele regeling omgevingsrecht (Mor). De algemene indieningsvereisten staan in artikel 1.3 Mor dat luidt als volgt: Artikel 1.3 Indieningsvereisten 1. In de aanvraag vermeldt de aanvrager: a. de naam, het adres en de woonplaats van de aanvrager, alsmede het elektronische adres van de aanvrager, indien de aanvraag met een elektronisch formulier wordt ingediend b. het adres, de kadastrale aanduiding dan wel de ligging van het project c. een omschrijving van de aard en omvang van het project d. een omschrijving van de aard en omvang van de gevolgen van het project voor de fysieke leefomgeving voor zover die gevolgen relevant zijn voor de beoordeling van de aanvraag e. indien de aanvraag wordt ingediend door een gemachtigde: zijn naam, adres en woonplaats, alsmede het elektronische adres van de gemachtigde, indien de aanvraag met een elektronisch formulier wordt ingediend f. in het project wordt uitgevoerd door een ander dan de aanvrager, zijn naam, adrs en woonplaats 2. De aanvrager voorziet de aanvraag van een aanduiding van de locatie van de aangevraagde activiteiten of activiteit. Deze aanduiding geschiedt met behulp van een situatietekening, kaart, foto’s of andere geschikte middelen. 3. De aanvrager doet bij de aanvraag een gespecificeerde opgave van de kosten van de te verrichten werkzaamheden. In hoofdstuk 7 van de Mor staan nog bijzondere indieningsvereisten. Daarvan zijn in dit kader alleen die voor het maken of veranderen van een uitweg van belang. Zie daarvoor de toelichting bij artikel 2.11. Artikel 1:3 In de praktijk gebeurt het nog wel eens dat burgers met de aanvraag om een vergunning tot het laatste moment wachten. Als algemene richtlijn wordt daarom een termijn van drie weken aangehouden. De bewoordingen van het onderhavige artikel ("kan") laten uitkomen, dat niet elke te laat ingediende aanvraag buiten behandeling hoeft te worden gelaten. Met het oog op de vergunningen die niet binnen drie weken kunnen worden behandeld, is in het tweede lid de mogelijkheid geschapen om de termijn van drie weken te verlengen tot maximaal acht weken. Vanzelfsprekend kan ook een langere of kortere termijn worden vastgelegd. Als wordt overwogen voor verschillende APV-vergunningen of -ontheffingen verschillende termijnen vast te leggen, dan dient iedere afwijking van de algemene regel in het betreffende onderdeel van de APV te worden vastgelegd. Onvolledige aanvraag/ vereenvoudigde wijze van afdoen (artikel 4:5 Awb) Artikel 4:5 van de Awb regelt in het eerste lid enerzijds de bevoegdheid om een aanvraag waarbij onvoldoende gegevens of bescheiden zijn gevoegd - voor een goede beoordeling van de aanvraag of de voorbereiding van de gevraagde beschikking - niet in behandeling te nemen. Anderzijds regelt dit lid ook dat de aanvrager in de gelegenheid moet worden gesteld om zijn aanvraag aan te vullen en de ontbrekende gegevens of bescheiden alsnog aan te leveren voordat door het desbetreffende bestuursorgaan de beslissing mag worden genomen om de aanvraag niet in behandeling te nemen. Zie ook MvT, PG Awb I, p. 243. Het bestuursorgaan is niet verplicht gelegenheid te bieden tot het aanvullen van de aanvraag. De ongenoegzame aanvraag kan ook direct in behandeling genomen worden. De (inhoudelijke) behandeling kan leiden tot een inwilliging maar ook tot een afwijzing van de aanvraag. Een afwijzing is niet mogelijk uitsluitend op grond van het ontbreken van gegevens omdat artikel 4:5 van de Awb daarvoor nu juist de mogelijkheid tot aanvulling van de aanvraag biedt. Het tweede lid geeft de bevoegdheid een vertaling te verlangen van een in een vreemde taal gedane aanvraag. Voorwaarde is wel dat een vertaling nodig is voor een beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking. Het Fries is geen vreemde taal (MvA I, PG Awb I, p. 245). Zie hiervoor de artikelen 2:7 en 2:9 van de Awb. Het derde lid biedt het bestuursorgaan de bevoegdheid om bij omvangrijke of ingewikkelde vraagstukken een samenvatting te verlangen. Het vierde lid bepaalt dat aan de aanvrager het besluit om een aanvraag niet in behandeling te nemen moet zijn meegedeeld binnen vier weken nadat de aanvraag is aangevuld of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Het besluit om een aanvraag niet te behandelen betekent dat het bestuursorgaan niet inhoudelijk op de goede hoedanigheid van de aanvraag behoeft in te gaan (geen toepassing van artikel 4:7 tot en met 4:12 van de Awb). Er is geen wettelijke termijn waarbinnen het bestuursorgaan om aanvulling van de aanvraag kan vragen. Dit betekent dat het bestuursorgaan op elk moment tijdens de behandeling van de aanvraag alsnog kan besluiten tot het laten aanvullen van de aanvraag als blijkt dat bepaalde belangrijke gegevens ontbreken. Opschorting van rechtswege (artikel 4:15 Awb) De termijn voor het geven van een beschikking wordt opgeschort met ingang van de dag waarop het bestuursorgaan krachtens artikel 4:5 de aanvrager uitnodigt de aanvraag aan te vullen, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Deze bepaling van artikel 4:15 Awb verlengt de beslistermijn die het bestuur ingevolge artikel 4:13 heeft (zie toelichting onder artikel 1.2) Artikel 1:4 Persoonlijk is een vergunning indien de mogelijkheid van verkrijging uitsluitend of in hoge mate afhangt van de persoon van de vergunningaanvrager. Het gaat dan om persoonlijke kwaliteiten, zoals het bezit van een diploma, bewijs van onbesproken levensgedrag enz. De persoonlijke vergunning is in beginsel niet overdraagbaar, tenzij de regeling krachtens welke de vergunning is verleend hiertoe de mogelijkheid biedt. Artikel 1:5 In het bestuursrecht wordt onderscheid gemaakt tussen de figuur "vergunning"en de figuur "ontheffing". De beide begrippen hebben een verschillende betekenis. In de wettelijke bepalingen wordt de term "vergunning" opgenomen als het gaat om activiteiten die in principe mogelijk worden geacht. Bouwwerkzaamheden of evenementen bijvoorbeeld zijn in principe algemeen aanvaard, dus spreken we van een bouwvergunning en een evenementenvergunning. De vergunning heeft een regulerend karakter (bijvoorbeeld: als het bouwen maar volgens bouwverordening gaat en de evenementen elkaar niet doorkruisen). De term "ontheffing" wordt opgenomen bij activiteiten die in principe NIET zijn toegestaan. Bijvoorbeeld het stoken van vuren in de open lucht of het met auto's rijden in natuurgebieden. Bij het beoordelen van een verzoek tot ontheffing zal dus sterk moeten worden gekeken naar het belang dat de wettelijke bepaling beoogt te beschermen (in casu de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu) en ook of de ontheffing dat belang niet onevenredig schaadt. Vóór juni 2007 kende de APV geen bepaling die een geldingsduur aangaf voor een krachtens het model verleende vergunning of ontheffing. Vergunningvoorwaarden konden bepalen dat de vergunning of ontheffing periodiek moest worden verlengd. Het moge duidelijk zijn dat er een forse administratieve lastenvermindering plaats heeft als een vergunning of ontheffing voor onbepaalde tijd wordt verleend. Ook toetsing aan de Europese Dienstenrichtlijn leidt tot deze eis. Artikel 11 van de Dienstenrichtlijn stelt dat vergunningen geen beperkte geldingsduur mogen hebben, tenzij: a. de vergunning automatisch wordt verlengd of alleen afhankelijk is van de voortdurende vervulling van de voorwaarden; b. het aantal beschikbare vergunningen beperkt is door een dwingende reden van algemeen belang; c. een beperkte duur gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang. Over punt b. dat onder meer op wachtlijsten ziet, schrijft de Dienstenrichtlijn: 'Wanneer het aantal beschikbare vergunningen voor een activiteit beperkt is wegens een schaarste aan natuurlijke hulpbronnen of technische mogelijkheden, moet een selectieprocedure worden vastgesteld om uit verscheidene gegadigden te kiezen, teneinde via de werking van de vrije markt de kwaliteit en voorwaarden van het dienstenaanbod voor de gebruikers te verbeteren. Deze procedure moet transparant en onpartijdig zijn en de verleende vergunning mag niet buitensporig lang geldig zijn, automatisch worden verlengd of enig voordeel toekennen aan de dienstverrichter wiens vergunning net is komen te vervallen. In het bijzonder moet de geldigheidsduur zodanig worden vastgesteld dat de vrije mededinging niet in grote mate wordt belemmerd of beperkt dan nodig is met het oog op de afschrijvingen van de investeringen en een billijke vergoeding van het geïnvesteerde kapitaal.' (PB L 376/36, nr. 62) Het gevolg van artikel 1:5 is dat gemeenten bij het verlenen van een vergunning voor bepaalde tijd moeten beargumenteren waarom deze beperking nodig is en de evenredigheidstoets kan doorstaan. Sommige vergunningen lenen zich uit de aard alleen voor verlening voor bepaalde tijd. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een evenementenvergunning of een standplaatsvergunning voor een oliebollenkraam rond de jaarwisseling. Zie voor de betekenis van 'een dwingende reden van algemeen belang' bij de toelichting onder artikel 1:7. Artikel 1:8 bepaalt dat bij gewijzigde omstandigheden de vergunning kan worden gewijzigd of ingetrokken. Het ligt ook daarom voor de hand dat een vergunning voor onbepaalde duur blijft gelden indien de omstandigheden niet wijzigen. Pas bij gewijzigde omstandigheden dient de vergunning opnieuw te worden bezien. Ook daarbij wordt rekening gehouden met de noodzaak- en proportionaliteitseis. Bij geringe wijziging van omstandigheden die geen gevolgen hebben voor het algemeen belang, kan de vergunning niet worden gewijzigd of ingetrokken omdat de noodzaak daarvoor ontbreekt. Artikel 1:6 Vergunningstelsels zijn in de APV als volgt geformuleerd: een verbodsbepaling om een bepaalde activiteit te verrichten behoudens vergunning. Vrijwel alle vergunningstelsels kenden tot 2007 vervolgens een artikellid of –leden met weigeringsgronden. Deze werden op verschillende manieren omschreven, waardoor de indruk werd gegeven dat in verschillende bepalingen materieel andere weigeringsgronden golden. Dit is echter niet het geval. In het kader van deregulering en vermindering van administratieve lasten is kritisch naar de weigeringsgronden gekeken. We hebben ervoor gekozen om ter bevordering van de systematiek en duidelijkheid binnen de in Hoofdstuk I Algemene bepalingen algemene weigeringsgronden te benoemen. In de afzonderlijke vergunningstelsels zijn de betreffende artikel(led)en vervallen. Alleen indien er voor een vergunning meer weigeringsgronden dan de in artikel 1:6 genoemde, worden die in het betreffende artikel genoemd. De weigeringsgronden zijn geheel overeenkomstig de eisen van de Europese Dienstenrichtlijn geformuleerd. Europese Dienstenrichtlijn (EDR) Tegelijkertijd met de deregulering van de vergunningstelsels van de APV zijn deze gescreend aan de Europese Dienstenrichtlijn. Het gaat daarbij om de volgende vergunningstelsels: evenementvergunning, horecaexploitatievergunning, vergunning voor een prostitutiebedrijf, standplaatsvergunning en de vergunning voor een snuffelmarkt. Gokactiviteiten zijn van de werking van de Europese Richtlijn uitgezonderd, zodat de speelautomatenvergunning niet onder het regiem valt. Artikel 9 van de Richtlijn stelt eisen waaraan vergunningstelsels moeten voldoen: 1. zij zijn niet discriminatoir ten opzichte van degene die de vergunning aanvraagt en 2. de behoefte aan een vergunningstelsel is gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang en 3. het nagestreefde doel kan niet door een minder beperkende maatregel worden bereikt. Met andere woorden: zij moeten voldoen aan de eisen van noodzakelijkheid

(2)en evenredigheid
(3). Weliswaar geldt de Richtlijn alleen voor dienstenactiviteiten in ons land door onderdanen uit andere lidstaten en niet voor de eigen onderdanen, maar wij achten het uit een oogpunt van rechtsgelijkheid ongewenst een onderscheid aan te brengen tussen verschillende soorten van dienstverleners. Immers de grensoverschrijdende dienstverlener zou een bevoorrechte positie kunnen krijgen ten opzichte van de eigen onderdaan. De Richtlijn geldt voor het verlenen van diensten en niet voor het verkopen van goederen. Maar blijkens het arrest van het Hof van Justitie d.d. 23-02-2006 in zaak C-441/04 gelden dezelfde criteria krachtens artikel 28 EG (vrij verkeer van goederen) voor het verkopen van goederen. Volgens dit arrest mag namelijk venten (verkoop van zilveren sieraden huis-aan-huis) door een Duits onderdaan in Oostenrijk alleen beperkt of verboden worden door een nationale bepaling om redenen van algemeen belang als boven genoemd. Weigeringsgronden Er zijn mogelijkheden om vergunningen of ontheffingen in hun uitvoering te beperken door middel van voorschriften of te weigeren. De beperking of weigering dient gerechtvaardigd te zijn door dwingende redenen van algemeen belang en evenredig te zijn met die redenen van algemeen belang. (artikel 10) Dit begrip, zoals dit is erkend door het Hof van Justitie omvat de volgende gronden: openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid en de bescherming van het milieu (noodzaakvereiste, zie ook artikel 16). Op grond van deze motieven kunnen voorschriften worden verbonden aan de vergunning of ontheffing of kan de vergunning of ontheffing worden geweigerd. De toelichting bij de Richtlijn noemt de volgende voor de APV van belang zijnde redenen van algemeen belang: handhaving van de maatschappelijke orde; bescherming van afnemers van diensten; voorkoming van oneerlijke concurrentie; consumentenbescherming; dierenwelzijn; bescherming van het milieu en het stedelijk milieu, met inbegrip van stedelijke en rurale ruimtelijke ordening; culturele beleidsdoelen, met inbegrip van de vrijheid van meningsuiting, in het bijzonder ten aanzien van de sociale, culturele, religieuze en filosofische waarden van de maatschappij; verkeersveiligheid en behoud van het nationaal historisch en artistiek erfgoed. (PB L376/41, nr. 40) Openbare orde en overlast Vanouds is de APV een verordening die ziet op openbare orde en overlast.. De toelichting bij de Europese Dienstenrichtlijn omschrijft het begrip openbare orde aldus: ‘Het begrip openbare orde, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie, omvat de bescherming tegen een werkelijke en voldoende ernstige bedreiging van een fundamenteel belang van de samenleving, en kan met name onderwerpen in verband met de menselijke waardigheid, de bescherming van minderjarigen en kwetsbare volwassenen, alsook dierenwelzijn omvatten. Evenzo omvat het begrip openbare veiligheid vraagstukken in verband met de staatsveiligheid.’ (PB L376/41, nr. 41) Het begrip openbare orde is overigens een open begrip. Voor nadere interpretatie zullen we de jurisprudentie van het Hof naar aanleiding van prejudiciële vragen over de Dienstenrichtlijn moeten afwachten. Het is niet onwaarschijnlijk dat het Hof, gelet op onder meer de tekst van artikel 41, het begrip ruimer zal uitleggen dan het normaliter bij de uitleg van het EG-verdrag doet. Het begrip ‘overlast’ komt in het EG-recht bij de toetsing van uitzonderingen op het vrij verkeer niet als zodanig voor. Ook de Dienstenrichtlijn spreekt niet over overlast. Hoewel het begrip ‘overlast’ als zelfstandige weigeringsgrond niet werkt, kan overlast via de algemene gronden openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid en milieu wél worden aangemerkt als zo’n weigeringsgrond. Overlast kan namelijk betrekking hebben op verschillende aspecten. Geluidsoverlast en overlast, veroorzaakt door stof, afval etc kunnen worden geschaard onder milieu of zelfs gezondheid. Overlast, veroorzaakt door vuurwerk, valt eveneens onder bescherming van het milieu en gezondheid, maar ook onder veiligheid. Bij verkeersoverlast kan bovendien gedacht worden aan de openbare veiligheid in verband met verkeersveiligheid. Om overlast onder het begrip ‘openbare orde’ te kunnen scharen moeten er wel enige aanknopingspunten zijn met overweging 41 en de gemeente zal dit ook moeten aantonen. In ieder geval kan overlast onder het openbare ordebegrip worden gebracht, indien deze een aantasting is van of een duidelijke inbreuk maakt op de maatschappelijke orde zoals deze geldt in Nederland. Het gaat dan om overlast die een bedreiging vormt voor de veiligheid en rust in de publieke ruimte (denk aan voetbalsupporters, ongeregeldheden bij evenementen en openbare dronkenschap). Zedelijkheid Ook het begrip zedelijkheid valt – naar te verwachten is – onder het begrip openbare orde, zoals dit wordt uitgelegd in overweging 41. Te denken valt aan de bescherming van de menselijke waardigheid of waar het dierenmishandeling (bijv. gansslaan of swientje tikken) betreft onder het belang van dierenwelzijn. Voorzieningenniveau bij venten en standplaatsen In het verleden is het beschermen van het voorzieningenniveau in de gemeente ten behoeve van de consument als een openbare ordebelang aangemerkt. Daarbij werd in ogenschouw genomen dat gevestigde winkeliers geconfronteerd worden met hoge exploitatiekosten die niet in verhouding staan tot de vrij lage exploitatiekosten van de straathandelaren. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State blijkt dat het reguleren van de concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk belang van de gemeente wordt aangemerkt. Hierop wordt door de Afdeling slechts een uitzondering toegestaan, wanneer het voorzieningenniveau voor de consument in een deel van de gemeente in gevaar komt. Wil een gemeente op basis hiervan een vergunning weigeren dan moet worden aangetoond, mede aan de hand van de boekhouding van de plaatselijke winkelier, dat het voortbestaan van de winkel in gevaar komt indien vanaf een standplaats dezelfde goederen aangeboden worden. De Europese Dienstenrichtlijn staat deze weigeringsgrond niet toe, omdat deze wordt beschouwd als het bevorderen van oneerlijke concurrentie. Wij hebben deze weigeringsgrond bij de standplaatsenvergunning daarom geschrapt. Indien de gemeente het voorzieningenniveau wenst te beschermen, kan het bestemmingsplan daarvoor worden gebruikt. Men kan via het bestemmingsplan het aantal standplaatsen beperken of tot nul brengen. Woon- en leefsituatie in de omgeving De weigeringsgrond woon- en leefmilieu van onder andere de horeca-exploitatievergunning of de bordeelvergunning is eveneens een weigeringsgrond die volgens de Europese Dienstenrichtlijn niet geaccepteerd is. Evenals bij overlast zal bekeken moeten worden of deze weigeringsgrond onder een wel erkende weigeringsgrond gebracht kan worden zoals de openbare veiligheid of de volksgezondheid. In veel gevallen zal dit echter niet haalbaar zijn. Ook dan moet de gemeente – indien gewenst - het woon- en leefklimaat beschermen door middel van het bestemmingsplan (het voorkomen van achteruitgang van het leefmilieu) of leefmilieuverordening. HOOFDSTUK 2 OPENBARE ORDE Titel 2.1 Orde en veiligheid op en aan de weg en het water Afdeling 1Orde en veiligheid op de weg Artikel 2:1 De inhoud van dit artikel is overeenkomstig de bepaling in de modelverordening van de VNG aangepast. De term “op of aan de weg”is vervangen door “openbare plaats”. Daarmee is beoogd om die plaatsen aan te duiden die voor deze wijziging onder het al te brede begrip weg vielen: al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijke pleinen en op

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.