← Nederland

Welstandsnota 2011 (Veenendaal)

Kort samengevat

Deze wet, de Welstandsnota 2011, regelt de beoordeling van bouwplannen in de gemeente Veenendaal op het gebied van uiterlijk en schoonheid, met als doel een aantrekkelijke leefomgeving te behouden en te verbeteren. Het biedt een toetsingskader voor bouwplannen en introduceert gebieden waar minder strenge of geen welstandseisen gelden.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Welstandsnota 2011De raad van de gemeente Veenendaal; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 30 augustus 2011, nummer 2011.00056; overwegende dat: de Welstandsnota in 2010 is geëvalueerd; deze evaluatie aanleiding vormt voor actualisering van de nota; gelet op: artikel 12 en 12a van de Woningwet; de inspraakverordening gemeente Veenendaal; Besluit: De Welstandsnota 2011 vast te stellen. Te besluiten dat de Welstandsnota 2011 in werking treedt op de dag na publicatie van het besluit tot vaststelling. De Welstandsnota 2004 in te trekken op het moment van inwerkingtreding van de Welstandsnota 2011. Welstandsnota 2011 deelAAlgemene Bepalingen 1Inleiding 1.1Aanleiding In 2004 heeft de gemeenteraad eerste de Welstandsnota Veenendaal vastgesteld. Deze nota biedt een zo concreet en objectief mogelijk toetsingskader voor de beoordeling van bouwplannen op het aspect welstand. Na zes jaar met deze nota te hebben gewerkt is in 2010 een evaluatie uitgevoerd. Uit de evaluatie blijkt dat de algemene indruk over welstand positief is. Dit geldt voor zowel de welstandsnota als de werkwijzen rondom welstand. Wel is duidelijk geworden dat er behoefte is aan het actualiseren van de nota alsmede aan enkele aanpassen van de nota. Voor u ligt de nieuwe Welstandsnota voor Veenendaal. Deze is vastgesteld in november 2011. De belangrijkste aanpassingen ten opzichte van de vorige nota zijn: Actualisering van kaart, beschrijvingen en criteria; In de periode tussen 2004 en 2011 hebben zich diverse ontwikkelingen voorgedaan. Dit betreft zowel ruimtelijke ontwikkelingen (realisatie van in- en uitbreidingslocaties) als beleids- en wetswijzigingen. In de voorliggende nota zijn deze verwerkt. Introductie van welstandsvrij bouwen; Veenendaal kiest er voor om een aantal gebieden welstandsvrij en welstandsluw te maken. In hoofdstuk 2 wordt beschreven welke gebieden dit zijn en hoe dit wordt georganiseerd. Zichtbare koppeling van de beeldkwaliteitsplannen aan de welstandsnota; Voor verschillende locaties in Veenendaal is de afgelopen jaren een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Deze plannen zijn formeel gekoppeld aan de nota en zichtbaar gemaakt op de kaart. 1.2Doel van de welstandsnota en het –beleid Het welstandsbeleid van de gemeente Veenendaal is opgesteld vanuit de overtuiging dat het belang van een aantrekkelijke gebouwde omgeving behartigd dient te worden. De gevels van gebouwen en andere bouwwerken vormen samen de dagelijkse leefomgeving van de inwoners. Dat betekent dat de verschijningsvorm van een bouwwerk geen zaak is van de eigenaar alleen. Elke voorbijganger wordt ermee geconfronteerd, of hij nu wil of niet. Een aantrekkelijke, goed verzorgde omgeving verhoogt bovendien de waarde van het onroerend goed en versterkt het vestigingsklimaat. Het doel van het welstandsbeleid is om, in alle openheid, een bijdrage te leveren aan die dagelijkse leefomgeving, de schoonheid en de aantrekkelijkheid van Veenendaal. Door het ontwikkelen van beleidsregels voor de welstandsadvisering zet de gemeente haar visie op het ruimtelijk kwaliteitsbeleid en de rol van de welstandszorg daarin uiteen. Deze beleidsregels verschaffen de bouwende burger vooraf informatie en inzicht over de wijze waarop de welstandscommissie zijn bouwplan zal adviseren. De criteria die bij deze advisering een rol spelen, worden met deze nota meer geobjectiveerd en gemotiveerd. De bouwplanprocedure die uitmondt in een door het college van burgemeester en wethouders te verstrekken bouwvergunning, wordt daardoor beter voorspelbaar. Natuurlijk is hiermee niet alle weerstand tegen de overheidsinterventie bij bouwinitiatieven opgelost. Wel kan zo tegemoet gekomen worden aan de gerechtvaardigde eis van de burger om dit ingrijpen te onderbouwen en te legitimeren vanuit het algemeen belang en dit beleid vooraf kenbaar te maken. Daarmee is de belangrijkste doelstelling van de wijziging van de Woningwet voor wat betreft welstand, namelijk het creëren van een groter maatschappelijk draagvlak voor welstandszorg, binnen handbereik. 1.3WABO: wel/niet bouwvergunningplichtig Per 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van kracht. Ter bevordering op de dienstverlening van de overheid aan burgers en het bedrijfsleven worden de toestemmingen (vergunningen) samengevoegd die nodig zijn voor de burger of een bedrijf om op een bepaalde plek iets wil slopen, (ver)bouwen, oprichten of gaan gebruiken. De Wabo integreert hierbij ongeveer 25 vergunningen, ontheffingen en meldingen tot één omgevingsvergunning. In de Wabo wordt het Besluit omgevingsrecht (Bor) aangegeven als kader voor vergunningsvrij bouwen. Het Bor maakt hierbij onderscheid in bouwwerken die niet vergunningsplichtig zijn en bouwwerken die vergunningsvrij zijn mits deze voldoen aan de geldende planologische regelgeving. Voor dergelijke plannen is in het geheel geen vergunning en welstandstoets meer nodig. Met het introduceren van vergunningsvrije bouwwerken wil de wetgever eigenaren van woningen en panden meer vrijheid geven voor uitbreidingen aan en aanpassingen van hun woning. Alleen aan de achterkant van woningen zijn (bepaalde) kleine ingrepen dus vergunningsvrij. Achterliggende gedachte hiervan is dat de voorkant van woningen uit oogpunt van het gemeenschappelijk belang kwetsbaarder is. Deze welstandsnota vormt het toetsingskader voor zowel de reguliere vergunningplichtige bouwwerken als voor de zogeheten veel voorkomende kleine bouwwerken die vergunningsplichtig zijn. 1.4Leeswijzer De welstandsnota bestaat uit drie delen: Deel A Algemene Bepalingen; Deel B Algemene, gebiedsgerichte en objectgerichte criteria; Deel C Criteria voor veelvoorkomende kleine bouwwerken. In Deel A. staat informatie over hoe welstand in Veenendaal is georganiseerd. Er wordt onder andere ingegaan op de taakverdeling (wie doet wat) en het proces tot vaststelling van het beleid. Deel B. geeft een beschrijving van de verschillende in Veenendaal onderscheiden gebieden en geeft tevens voor elk van deze gebieden de geldende gebiedsgeriche criteria. Binnen de "groengebieden" heeft een aantal (complexen van) gebouwen dusdanig specifieke eigenschappen dat het toetsen aan gebiedsgerichte criteria weinig zinvol is. Voor deze gebieden zijn objectgerichte criteria opgesteld die zijn toegesneden op de specifieke eigenschappen van het bouwwerk. Ook deze staan in deel B. beschreven. Voor een aantal gebieden in Veenendaal zijn beeldkwaliteitsplannen opgesteld. Deze zijn gekoppeld aan de Welstandsnota. De koppeling is opgenomen in deel B. Deel C. tenslotte geeft een overzicht van de criteria voor veel voorkomende kleine bouwplannen en aanvragen voor reclamevergunningen. 2Welstandsbeleid In dit hoofdstuk beschrijven we het de relatie van het welstandsbeleid met andere beleidsterreinen en gaan we in op de vaststelling en evaluatie van het beleid, alsmede het handhavingsaspect. Allereerst beschrijven we de keuzes die gemaakt zijn voor de welstandsluwe en welstandsvrije gebieden in Veenendaal. 2.1Keuzes in welstandsvrij en welstandsluw De gemeente Veenendaal kiest ervoor om delen van de gemeente welstandsvrij welstandsluw te maken. Hieronder beschrijven we welke keuzes er gemaakt zijn op het gebied van welstandsvrij en welstandsluw bouwen en, hoe deze zijn verwerkt in de voorliggende nota. Gekozen is zowel welstandsvrij als welstandsluw bouwen mogelijk in een nieuw te ontwikkelen woongebied en als op bestaand bedrijventerreinen. Woongebieden Het voornemen bestaat om in de nieuwbouwwijk Veenendaal-Oost een gebied aan te wijzen waar voor het welstandsaspect geen regels gelden (welstandsvrij) en een deelgebied aan te wijzen waar minder regels gelden (welstandsluw). Deze gebieden bevinden in het zuidelijk deel van Veenendaal-Oost; De Veenderij. De exacte begrenzing van de welstandsvrije en welstandsluwe gebieden wordt bepaald in het beeldkwaliteitsplan voor De Veenderij. Hier wordt ook in bepaald op welke wijze het begrip 'welstandsluw' invulling wordt geven. Bedrijventerreinen De welstandstoets op bedrijventerreinen hoeft niet overal even streng te zijn. De bebouwing aan de randen, welke gericht is op de doorgaande wegen langs de bedrijventerreinen, is sterk bepalend voor de uitstraling van het bedrijventerrein. Voor een deel, langs de A12 en de Rondweg-Oost, is deze bebouwing ook bepalend voor de uitstraling van de stad Veenendaal. Daarom blijft voor deze bebouwing het reguliere welstandsbeleid van toepassing. Ook op het bedrijventerrein De Batterijen blijft het reguliere welstandsbeleid van kracht. Redenen hiervoor zijn het feit dat het gebied nog in ontwikkeling is en, de aanstaande verlegging van de provinciale weg. Met de verlegging van deze weg wordt het bedrijventerrein voor een groter deel bepalend voor de uitstraling van Veenendaal. Het middengebied van een bedrijventerrein is minder bepalend voor de uitstraling van het gebied. Daarom zijn hier mogelijkheden om het welstandsbeleid te versoepelen. Voor het bedrijventerrein Nijverkamp geldt dat er voornamelijk zwaardere bedrijven zijn gevestigd. Bij deze categorie bedrijven is de ruimtelijke uitstraling van minder essentieel belang dan bij lichtere bedrijven met een meer kantoorachtige uitstraling. Daarom is het middengebied van het bedrijventerrein Nijverkamp aangewezen als welstandsvrij. Voor de overige bedrijventerreinen geldt dat voor het middengebied een minder streng welstandsbeleid geldt. De beleidsregels voor welstand voor deze gebieden zijn verminderd. In de middengebieden wordt nog wel getoetst maar, aan minder criteria. De verantwoordelijkheid voor het ontwerp ligt hiermee meer bij de ondernemer. Zoals genoemd is de uitstraling naar buiten toe bepalend voor de keuze voor regulier of welstandsluw c.q. welstandsvrij. Daarom is op de locaties waar bedrijventerrein direct grenst aan woongebieden of buitengebied er voor gekozen het reguliere welstandstoezicht in stand te houden. Op locaties waar een oud lint de grens van het bedrijventerrein vormt (zoals bij de Munnikenweg, Stationsstraat) vormt de bebouwing van het lint de uitstraling naar buiten toe. Daarom is achter deze linten een lichter welstandsbeleid van toepassing. 2.2Relatie met andere beleidsterreinen Hierna wordt voor enkele relevante beleidsterreinen de relatie met het welstandsbeleid aangegeven. 2.2.1Ruimtelijk beleid In het kader van deze welstandsnota is vooral de relatie tussen bestemmingsplan en welstandscriteria van belang. Het bestemmingsplan regelt onder meer de functie en het ruimtebeslag van bouwwerken voor zover dat nodig is voor een goede ruimtelijke ordening. Datgene dat door het bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, kan niet door welstandscriteria worden tegengehouden. De architectonische vormgeving van bouwwerken valt buiten de reikwijdte van het bestemmingsplan en wordt exclusief door de welstandsnota geregeld. Welstandscriteria kunnen waar nodig de ruimte die het bestemmingsplan biedt dus invullen ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit. Het welstandsadvies kan zich dan richten op de gekozen invulling binnen het bestemmingsplan. In een situatie waarin een bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan, maar het bestemmingsplan eveneens ruimte biedt voor alternatieven, kan een negatief welstandsadvies worden gegeven als de gekozen stedenbouwkundige of architectonische oplossing te sterk afbreuk doet aan de ruimtelijke beleving van het betreffende gebied. Uiteraard moet in zo'n geval de welstandsnota daartoe de argumentatie leveren. 2.2.2Monumentenbeleid en cultuurhistorie Welstand Monumenten Midden Nederland (WMMN) adviseert aan Burgemeester en wethouders over de monumenten. Dit betreft onder andere de planbeoordelingen voor wijzigingen aan rijks- en gemeentelijke monumenten. De monumentencommissie adviseert verder over allerlei beleidszaken met betrekking tot de gemeentelijke monumentenzorg. Ook is voor de commissie een belangrijke taak weggelegd in het selecteren en beoordelen van potentiële panden voor de gemeentelijke monumentenlijst. 2.3Vaststelling en evaluatie van het welstandsbeleid 2.3.1Vaststelling De gemeenteraad van Veenendaal stelt het welstandsbeleid vast. Na vaststelling van de welstandsnota door de gemeenteraad kan de welstandsbeoordeling alleen nog maar worden gebaseerd op de criteria die in de welstandsnota zijn genoemd. De criteria in de welstandsnota moeten zo concreet mogelijk zijn en zo veel mogelijk zijn toegespitst op het individuele bouwwerk en specifieke aspecten van het bouwwerk. De welstandscriteria vormen een stelsel van beleidsregels waarbinnen burgemeester en wethouders het welstandstoezicht moeten uitvoeren. Dit geeft onder meer de mogelijkheid om de welstandscriteria per gebied op maat te snijden. Het blijft bij het welstandstoezicht gaan om redelijke eisen van welstand, maar de vraag wat precies 'redelijk' is, wordt per gebied ingevuld. Inwerkingtreding en overgangsregeling De Welstandsnota treedt in werking op de dag na publicatie van deze nota. Aanvragen om bouwvergunning welke zijn ingediend voor de inwerkingtreding van deze nota, maar waar op deze dag nog niet op is beslist, worden behandeld op basis van de voorliggende nota. 2.3.2Evaluatie en aanpassingen Het voornemen is de welstandsnota vierjaarlijks te evalueren. Afhankelijk van de uitkomsten van de evaluatie kan beslist worden of en op welke onderdelen aanpassing van de nota noodzakelijk is. Daarnaast zal meermalen besloten moeten worden over een aanvulling van de nota. Dit in verband met de koppeling van de nieuwe beeldkwaliteitsplannen. Gemiddeld eenmaal per jaar wordt er een beeldkwaliteitsplan opgesteld voor een (nieuw te ontwikkelen) gebied in Veenendaal. Koppeling van het beeldkwaliteitsplan aan de welstandsnota is noodzakelijk om het beeldkwaliteitsplan als een formeel toetsingskader te kunnen gebruiken. De koppeling aan de nota leidt tot een aanpassing van de nota, namelijk een uitbreiding van deel B. waarin de beeldkwaliteitsplannen zijn opgenomen. 2.4Handhaving welstandstoezicht De gemeente geeft met deze welstandsnota regels voor het welstandstoezicht en zal zich ook inspannen voor de naleving daarvan. De gemeente Veenendaal heeft een integraal handhavingsbeleid. De handhaving van het aspect welstand is onderdeel van dit beleid. Onderdeel van het integrale handhavingsbeleid is de volgende strategie: Als voor een vergunningplichtig bouwwerk geen bouwvergunning is aangevraagd of als het bouwwerk na realisering afwijkt van de tekeningen waarop de bouwvergunning is afgegeven, krijgt de eigenaar de gelegenheid om (alsnog of opnieuw) een vergunning aan te vragen voor het gerealiseerde bouwwerk. Als deze bouwvergunning moet worden geweigerd, bijvoorbeeld vanwege een negatief welstandsadvies, dan zal de eigenaar de situatie moeten veranderen. Burgemeester en wethouders kunnen dan degene die tot het opheffen van de situatie bevoegd is, aanschrijven om binnen een door hen te bepalen termijn de strijdigheid op te heffen. Ook ten aanzien van bouwwerken waarvoor geen bouwvergunning hoeft te worden aangevraagd, kan indien sprake is van ernstige mate van strijdigheid met redelijk eisen van welstand tot aanschrijving worden besloten. 3Welstandsadvisering 3.1Wie doet wat? Bij de opstelling, vaststelling en uitvoering van het welstandsbeleid zijn verschillende partijen betrokken. De drie belangrijkste worden hierna besproken. Gemeenteraad De gemeenteraad is verantwoordelijk voor de kaderstelling binnen welstand. De raad stelt het beleid voor welstand vast. Dit kan in de vorm van een welstandsnota maar ook in de vorm van beeldkwaliteitsplannen welke aan de welstandsnota gekoppeld worden. Burgemeester en wethouders Het college van burgemeester en wethouders geeft uitvoering aan het welstandsbeleid. De belangrijkste activiteit in dit verband omvat de verantwoordelijkheid voor de afgifte van omgevingsvergunningen. Burgemeester en wethouders hebben hierbij een eigen verantwoordelijkheid voor het oordeel over welstand. Alle aanvragen voor een omgevingsvergunning worden voor advies voorgelegd aan de welstandscommissie. Welstandscommissie De gemeente Veenendaal is aangesloten bij Welstand en Monumenten Midden Nederland (WMMN). Voor de WMMN is een gemeenschappelijke regeling afgesloten waarin ook Veenendaal participeert. De WMMN verzorgt de welstandsadvisering van 29 gemeenten in de provincie Utrecht; waaronder in Veenendaal. In de gemeentelijke Bouwverordening is een reglement van orde opgenomen omtrent welstand. Dit reguleert onder andere de samenstelling en benoeming, de taakomschrijving en de werkwijze van de commissie. 3.2Procedure De aanvrager van een bouwvergunning en de ontwerper van het bouwplan hebben voor de behandeling van het bouwplan recht op een inzichtelijke, vlotte procedure. Een procedure die evenwel rekening houdt met zowel het privé- als het gemeenschapsbelang. 3.2.1Indienen van een plan Bij de indiening van een plan zal informatie verschaft worden over de tijd en plaats waarop het plan voorgelegd zal worden aan de welstandscommissie. Als de aanvrager niet bekend is met de criteria en het beoordelingskader voor zijn bouwplan, dan zal hij/zij daarvan in kennis worden gesteld. Indien gewenst kunnen de aanvrager en/of de ontwerper bij de gemandateerde(

  1. n)of in de regiocommissie een toelichting geven op hun plan. Hiertoe wordt een afspraak gemaakt met de ambtenaar van Veiligheid en Handhaving. Indien het een afspraak betreft voor de commissie, dan wordt dit doorgegeven aan het secretariaat van de commissie die de afspraak afhandelt. 3.2.2Vooroverleg en preadvies Vooroverleg De gemeente biedt aanvragers en ontwerpers de mogelijkheid om, voorafgaand aan de formele bouwvergunningaanvraag, vooroverleg te plegen met de welstandscommissie over de interpretatie van de welstandscriteria in het concrete geval van hun bouwplan. Hiertoe kan een concept aanvraag worden ingediend via het Omgevingsloket. Het vooroverleg met de welstandscommissie kan pas starten, nadat duidelijkheid bestaat over de planologische aanvaardbaarheid van het plan (oftewel: past het in het vigerende bestemmingsplan). Omdat het vooroverleg diep kan ingrijpen in de planontwikkeling moet het met de nodige waarborgen worden omgeven. Ook tijdens het vooroverleg moet de kwaliteit van het aangeleverde materiaal een goed beeld geven van het plan en de relatie met de omgeving. De welstandscommissie kan zich een goed oordeel vormen als de volgende zaken worden aangeleverd: situatieschets inclusief aansluitende terreinen (minimaal schaal 1:1000), foto's van de bestaande situatie en de omgeving, bij verbouwingsplannen tevens schetsen van bestaande plattegronden, doorsneden en gevelaanzichten (minimaal schaal 1:100). Bij grote projecten kan de welstandscommissie een werkmaquette van het bouwwerk en zijn omgeving vragen om de schaal en massa te kunnen beoordelen. Op verzoek van de aanvrager kan dit overleg achter gesloten deuren plaatsvinden. De aanvrager dient deze wens bij het college van burgemeester en wethouders kenbaar te maken. Preadvies In afwachting van de verdere ontwikkelingen van het plan wordt met een preadvies verslag uitgebracht van het vooroverleg en eventueel gemaakte afspraken vastgelegd. Op deze wijze wordt zorg gedragen voor een goede verslaglegging en een consistente advisering in alle planfasen. Indien in het vooroverleg een plan ter sprake komt dat afwijkt van de welstandscriteria, zoals opgenomen in de welstandsnota, maar niettemin voldoet aan redelijke eisen van welstand volgens de algemene criteria, dan zal dit expliciet in het preadvies worden vermeld. Het college van burgemeester en wethouders kan zich daar eveneens tijdig een zelfstandig oordeel over vormen. Op verzoek van de opdrachtgever kan dit overleg achter gesloten deuren plaatsvinden. De opdrachtgever dient deze wens bij het college van burgemeester en wethouders kenbaar te maken. 3.2.3Advies van de welstandscommissie Het advies van de welstandscommissie aan burgemeester en wethouders wordt altijd schriftelijk uitgebracht. Het geeft aan of 'het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of een standplaats, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan' (artikel 12, lid 1 Ww) niet is strijd is met redelijke eisen van welstand. Dit wordt beoordeeld aan de hand van de criteria, zoals opgenomen in de welstandsnota. Alle adviezen, behoudens het positieve advies, worden schriftelijk gemotiveerd. De positieve adviezen worden gemotiveerd op verzoek van het college of indien daar vanuit andere overwegingen aanleiding toe is. Een behandeling van een plan in de commissies kan de volgende uitkomsten hebben: Niet strijdig De welstandscommissie adviseert positief aan burgemeester en wethouders, omdat het plan volgens de van toepassing zijnde welstandscriteria niet strijdig is met redelijke eisen van welstand. Desgewenst motiveert de commissie haar advies schriftelijk. Eventueel geeft de commissie nog suggesties om het plan te verbeteren. Formeel gezien is het bouwplan dan echter akkoord. Niet strijdig mits De welstandscommissie adviseert niet strijdig met een 'mits' aan burgemeester en wethouders. Dit gebeurt als het plan volgens de van kracht zijnde welstandscriteria niet strijdig is met redelijke eisen van welstand, maar er uit oogpunt van welstand nog een bepaald onderdeel ontbreekt. Formeel gezien is het bouwplan daarmede niet strijdig. Het gebruik van 'mits' wordt in de praktijk in enkele gevallen gehanteerd om aanvullende bemonstering in een later stadium af te spreken of een nadere detailtekening te leveren. 'Mits' is bedoeld om de planprocedure niet onnodig op te houden. 'Mits' kan niet worden opgenomen als voorwaarde in de bouwvergunning. Strijdig De welstandscommissie is van oordeel dat het bouwplan strijdig is met redelijke eisen van welstand. Dit zal de commissie over het algemeen vertalen in een negatief welstandsadvies. Een negatief welstandsadvies betekent dat een bouwplan ingrijpend moet worden gewijzigd. Adviseert de commissie negatief, dan geeft ze een nauwkeurige schriftelijke motivering. Deze bevat een korte omschrijving van het ingediende plan, een verwijzing naar de van toepassing zijnde welstandscriteria en een samenvatting van de beoordeling van het plan op die punten. Een negatief advies wordt voor licht vergunningplichtige bouwaanvragen in verband met de korte procedure veelal verstrekt door het gemandateerde commissielid. Voor reguliere bouwaanvragen wordt in principe de aanvrager vooraf op de hoogte gesteld van de opvatting van de commissie. Het schriftelijke advies aan burgemeester en wethouders is in dat geval niet meer dan een bevestiging van hetgeen met de aanvrager besproken is. Een enkele keer kan de welstandscommissie ondanks strijdigheid met de welstandscriteria toch tot een positief welstandsadvies komen. Bij afwijkingen van de criteria zal een positief welstandsadvies voorzien moeten zijn van een motivatie. Afwijkingen dienen een positieve bijdrage te leveren aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. Strijdig tenzij De commissie is van oordeel dat het bouwplan strijdig is met redelijke eisen van welstand uit de gemeentelijke welstandsnota. De strijdigheid is beperkt en is in goed overleg met de aanvrager vastgesteld. De strijdigheid wordt nauwkeurig geformuleerd. Burgemeester en wethouders kunnen deze, om redenen van efficiency, als voorwaarden opnemen in de bouwvergunning. 'Strijdig tenzij' wordt zelden benut. Aanhouden Binnen de wettelijke beslistermijnen kan de welstandscommissie het welstandsadvies aanhouden, indien meer informatie of een toelichting van de ontwerper wenselijk is. De aangestelde ambtenaar is verantwoordelijk voor het aanleveren van de gevraagde gegevens of het maken van afspraken. 3.2.4Afwijken van criteria door de welstandscommissie De welstandscommissie kan bij haar advisering afwijken van de welstandscriteria. Dit kan gebeuren op basis van een gemotiveerd positief welstandsadvies bij plannen die weliswaar strijdig zijn met enige welstandscriteria, maar niet strijdig zijn met redelijke eisen van welstand. Dit wordt beoordeeld aan de hand van de algemene aspecten van welstandstoetsing. Deze afwijking wordt in de beslissing op de aanvraag van de bouwvergunning eveneens gemotiveerd. Afwijkingen van het beleid vragen om een bestuurlijk draagvlak. Wanneer de welstandscommissie voor een bepaald plan aanleiding ziet tot afwijken van het beleid, zal zij het college van Burgemeester en wethouders in haar advies daarover informeren. Het ligt voor de hand om afwijkingen van structurele aard jaarlijks bij de evaluatie in de nota te verwerken. 3.2.5Besluit van burgemeester en wethouders Burgemeester en wethouders volgen in hun oordeel in principe het advies van de welstandscommissie. Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens Burgemeester en wethouders bij de aanvraag om een bouwvergunning gevoegd. Burgemeester en wethouders volgen niet altijd het advies van de commissie. De volgende uitzonderingen zijn mogelijk. Afwijken van het advies op inhoudelijke grond Burgemeester en wethouders kunnen op inhoudelijke grond afwijken van het advies van de welstandscommissie in twee gevallen. Ten eerste indien zij tot het oordeel komen dat de welstandscommissie de van toepassing zijnde criteria niet juist heeft geïnterpreteerd en ten tweede indien de commissie naar hun oordeel niet de juiste criteria heeft toegepast. Als burgemeester en wethouders bij een reguliere bouwvergunningaanvraag op inhoudelijke grond tot een ander oordeel komen dan de welstandscommissie, staan twee mogelijkheden ter beschikking. Enerzijds kunnen burgemeester en wethouders de commissie vragen om een heroverweging. Dit gebeurt in incidentele gevallen waarbij aanvullende planinformatie beschikbaar komt. Anderzijds kunnen zij, voordat het besluit op de vergunningaanvraag wordt genomen, binnen de daarvoor geldige afhandelingstermijn een second-opinion aanvragen bij een andere onafhankelijke adviescommissie. Het advies van deze tweede commissie speelt een zware rol bij de verdere oordeelsvorming van burgemeester en wethouders. Indien het advies van de reguliere commissie en de second-opinion tegengesteld zijn en burgemeester en wethouders op inhoudelijke grond afwijken van het advies van de reguliere welstandscommissie, wordt dit in de beslissing op de aanvraag van de bouwvergunning gemotiveerd. De reguliere welstandscommissie wordt hiervan op de hoogte gesteld. Hardheidsclausule De mogelijkheid voor burgemeester en wethouders om af te wijken van vastgestelde welstandscriteria wordt aangeduid als de hardheidsclausule. Het is ondoenlijk om een limitatieve opsomming in de welstandsnota op te nemen, wanneer de hardheidsclausule van toepassing zou kunnen worden verklaard. Het is beter om de objectiviteit die nodig is bij het hanteren van de hardheidsclausule als volgt neer te leggen in een zorgvuldige procedure. Het college van burgemeester en wethouders dient daarbij per behandelingsaspect te motiveren waarom afwijking van het gestelde criterium verantwoordelijk wordt geacht. Daarbij wordt voor toepassing van de hardheidsclausule de volgende algemene formulering gehanteerd: "Het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of standplaats is (niet) in strijd met redelijke eisen van welstand - beoordeeld naar de criteria verwoord in de door de gemeente vastgestelde welstandsnota - indien burgemeester en wethouders daartoe op basis van een gemotiveerd advies besluiten". Deze casus kan zich voordoen wanneer het bouwplan in enge zin voldoet aan de gestelde criteria (sneltoets- en gebiedsgerichte), maar nader gewogen strijdig is met redelijke eisen van welstand. Of wanneer het bouwplan in enge zin niet voldoet aan de gestelde criteria (sneltoets- en gebiedsgerichte). Afwijken van het advies om andere redenen Ook al is een bouwplan in strijd met redelijke eisen van welstand, mogen burgemeester en wethouders de bouwvergunning verlenen. Dit mag, indien zij van oordeel zijn dat daarvoor andere redenen zijn, bijvoorbeeld van economische of maatschappelijke aard. Deze afwijking wordt in de beslissing op de aanvraag van de bouwvergunning gemotiveerd. De welstandscommissie wordt hiervan op de hoogte gesteld. Burgemeester en wethouders van de gemeente zullen uiterst terughoudend zijn met het gebruik van deze mogelijkheid, omdat de ruimtelijke kwaliteit niet snel ondergeschikt wordt geacht aan economische of maatschappelijke belangen. 3.2.6Aanvullend advies Als er na een advisering een gesprek in de welstandscommissie volgt, dan wordt het verslag van dit gesprek als aanvullend op het eerdere advies gegeven. Een aanvullend advies zal ook gegeven worden, als het college om een nadere motivering of schriftelijke toelichting op het eerdere advies verzoekt. 3.2.7Gefaseerde bouwaanvraag Het vergunningplichtige bouwwerk wordt opnieuw aan de welstandscommissie ter advisering voorgelegd, als deze bij de indiening in de tweede fase afwijkt van de criteria waarop in de eerste fase streng en kritisch getoetst is. Indien het plan afwijkt van de criteria waarop het bouwplan getoetst is, gaat het bouwplan terug naar diegene die het plan oorspronkelijk heeft getoetst aan redelijke eisen van welstand. 3.2.8Bezwarenprocedure Belanghebbenden kunnen binnen zes weken bezwaar indienen tegen de beslissing van burgemeester en wethouders op de aanvraag van een bouwvergunning. Belanghebbenden zijn in de regel de vergunningaanvrager en de direct omwonenden. In de bezwaarschriftprocedure heroverwegen burgemeester en wethouders het besluit. Belanghebbenden worden in dat geval uitgenodigd om tijdens een hoorzitting hun standpunten nader toe te lichten. Binnen tien weken nemen burgemeester en wethouders daarna een beslissing op het bezwaar. De belanghebbenden die het met de heroverweging niet eens zijn, kunnen hiertegen in beroep gaan. Als een bezwaar te maken heeft met het welstandsoordeel, richt de belanghebbende zich dus nadrukkelijk op het oordeel van burgemeester en wethouders en niet op het advies van de welstandscommissie. Dat is immers alleen een advies aan burgemeester en wethouders. De welstandscommissie zelf kent daarom geen bezwaarprocedure voor belanghebbenden. Natuurlijk kunnen de ontwerper en eventueel de aanvrager de welstandscommissie wel een toelichting op een uitgebracht advies vragen. Na hoor en wederhoor kan de welstandscommissie het advies herzien, als zij daartoe aanleiding ziet. Deze herziening wordt in het advies gemotiveerd. 3.3Openbaarheid Zowel de vergadering van de welstandscommissie als het lokale gemandateerdenoverleg (beraadslagingen en beoordeling) vindt in openbaarheid plaats. Plaats en tijdstip van de vergadering van de welstandscommissie dient tijdig bekend gemaakt te worden, bijvoorbeeld in een dag- of huis-aan-huisblad. Indien Burgemeester en wethouders, al dan niet op verzoek van de aanvrager, een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen Burgemeester en wethouders daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet Openbaarheid van Bestuur ten grondslag te leggen. Indien de openbare behandeling van een plan niet gewenst is, dan wordt dit gelijktijdig met de aanbieding van de overige plangegevens en tekeningen schriftelijk bekend gemaakt aan de gemandateerde architect. Belanghebbenden (aanvrager en ontwerper) kunnen op verzoek in gelegenheid worden gesteld om zowel lokaal bij de gemandateerde als in de commissie een toelichting te geven op hun plan of een toelichting te verkrijgen op het advies. Zij kunnen hiertoe een afspraak maken via respectievelijk de medewerker bouwzaken en bestemmingsplannen en het secretariaat van de welstandscommissie. De betreffende belanghebbenden dienen een uitnodiging te ontvangen voor de vergadering van de commissie waarin de aanvraag wordt behandeld. Belangstellenden kunnen de vergadering van de commissie bijwonen. Zij hoeven daarvoor geen afspraak te maken. Belangstellenden hebben geen spreekrecht. De welstandscommissie wordt immers gevraagd om een onafhankelijk en deskundig advies aan burgemeester en wethouders, binnen het democratisch vastgestelde kader van de welstandsnota. In zeer bijzondere situaties kunnen burgemeester en wethouders de welstandscommissie vragen om belangstellenden te horen, voorafgaand aan de planbeoordeling. In situaties waarbij een uitzonderlijk grote publieke belangstelling wordt verwacht, kan de gemeente die gebruik maakt van een commissie die voor meerdere gemeenten actief is, verzoeken om een speciale vergadering van de welstandscommissie in het gemeentehuis te laten plaatsvinden. Een dergelijk verzoek wordt minimaal een week van tevoren met de gemandateerde architect besproken en georganiseerd. 4Toetsing aan welstandscriteria 4.1Wettelijke basis van het welstandsadvies Het formuleren van de aspecten en de daarbij behorende criteria waarop een plan beoordeeld wordt tezamen met het vaststellen van de beleidsambitie voor specifieke gebieden, zal moeten leiden tot meer objectiviteit en een duidelijk toetsingskader voor de welstandscommissie. Voor de burger ontstaat hiermee meer inzicht in de welstandstoetsing en vooraf meer zekerheid over de haalbaarheid van zijn plannen. De duidelijkheid die ontstaat met het vaststellen van de beoordelingsaspecten en -criteria, en de openbare besluitvorming die daaraan ten grondslag ligt, moeten de welstandstoetsing een groter maatschappelijk draagvlak geven. De wettelijke basis van het welstandsadvies is verankerd in artikel 12 van de Woningwet 2003. Dit artikel luidt: "Het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of standplaats, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, mogen niet in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, lid 1, onderdeel a". Hieronder wordt artikel 12 toegelicht. "uiterlijk en plaatsing" Er dient niet alleen te worden gekeken naar de vormgeving van het object, maar ook naar de situering: Staat het op logische wijze op de kavel gesitueerd? Past de plaatsing van het object in deze omgeving of in de ontwikkeling van die omgeving? "bouwwerk of standplaats" Bij woonwagens is geen sprake van een bouwwerk in de zin van de Woningwet. Toch is het plaatsen van een woonwagen van invloed op de welstand. Daarom is 'standplaats' aan het artikel toegevoegd. De situering en de inrichting van bijvoorbeeld een woonwagen, zijnde een standplaats, vallen door deze formulering toch binnen de reikwijdte van het welstandsadvies. "op zichzelf, in verband met de omgeving en de te verwachten ontwikkeling daarvan" De kern van welstandszorg ligt in het feit dat bouwen een maatschappelijke daad is die het leven van anderen, de leef- en werkomgeving, beïnvloedt. Het particuliere belang kruist in Nederland vrijwel altijd het algemene of maatschappelijke belang. Elke burger mag van de overheid verwachten dat zij een zorgvuldige afweging van belangen maakt bij het verlenen van vergunningen. Het is in het algemeen belang dat onze leef- en werkomgeving een verzorgd en samenhangend karakter vertoont. Vandaar dat de welstandsadvisering zich niet kan beperken tot de verschijningsvorm van het bouwwerk op zich, maar ook de relatie van dat bouwwerk met zijn omgeving dient te onderzoeken. De invloed van bouwen op de omgeving is bovendien vrijwel altijd van lange duur. Het is daarom ook belangrijk een inschatting te maken van de te verwachten ontwikkelingen van de omgeving. Ook de samenhang van verschillende bouwplannen onderling moet kunnen worden beoordeeld. Deze plannen vormen immers elkaars toekomstige omgeving. "redelijke eisen van welstand" Met "redelijk" bedoelt de wetgever aan te geven dat plannen getoetst worden op eisen die men redelijkerwijs mag verwachten. Redelijk is dus geen absoluut begrip en heeft niet de betekenis van "gemiddeld". Het is afhankelijk van de omgeving en de te verwachten ontwikkeling daarvan, of de eisen hoog, gemiddeld of laag zullen zijn. Zoals ook verderop in de tekst zal worden uitgelegd, kan van een plan dat zich onderscheidt van zijn omgeving in redelijkheid verwacht worden dat het aan hoge architectonische en stedenbouwkundige eisen voldoet. Het ambitieniveau wordt door de ontwikkelaars van het bouwplan zelf immers al hoog gelegd. "beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, lid 1, onderdeel a" Deze zinsnede is toegevoegd aan de oorspronkelijke wetstekst, en vormt de basis voor deze welstandsnota. Gemeenten worden hiermee verplicht de criteria voor de welstandsadvisering vast te leggen in een gemeentelijke beleidsnota. Artikel 12 a, lid 1, onderdeel a luidt immers: "De gemeenteraad stelt een welstandsnota vast inhoudende beleidsregels waarin in ieder geval de criteria zijn opgenomen die burgemeester en wethouders toepassen bij hun beoordeling of het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of standplaats, waarop de aanvraag om bouwvergunning betrekking heeft, in strijd is met redelijke eisen van welstand". Uitsluiting van welstandstoezicht Indien de gemeenteraad op grond van artikel 12 Ww het voornemen heeft een gebied binnen de gemeente Veenendaal of een categorie bouwwerken of standplaatsen uit te sluiten van welstandstoezicht, dan neemt de raad dat besluit pas, nadat: op het voornemen inspraak is verleend conform de vastgestelde gemeente inspraakverordening; het advies van de welstandscommissie is ingewonnen. 4.2Een samenhangend stelsel van criteria In principe kan elke gemeente zijn eigen welstandscriteria hanteren, zolang dit wordt gedragen door de gemeenteraad. Als het gaat om de karakteristieken die de gemeente haar eigen identiteit verlenen, is dat een goede zaak. Een groot deel van het grondgebied omvat echter ook bebouwing zonder specifiek plaatselijke kenmerken, maar met meer regio-gebonden kenmerken (bijvoorbeeld de nederzettingsstructuur). Voorts bestaat het bouwen in Nederland voor een groot deel uit (standaard-) objecten: kleine gebouwen, verbouwingen en uitbreidingen, waarvoor een maatschappelijk geaccepteerd scala aan oplossingen en vormen is ontwikkeld, en waarvoor objectieve, meetbare criteria op te stellen zijn. Met het oog op het bovenstaande is het dus logisch dat de welstandsnota niet bestaat uit één soort criterium, maar uit een samenhangend stelsel van uiteenlopende criteria. Er is een onderscheid te maken in de volgende hoofdgroepen: algemene aspecten van welstandstoetsing (algemene criteria); gebiedsgerichte welstandscriteria; welstandscriteria voor specifieke objecten (objectgerichte criteria); welstandscriteria voor veel voorkomende kleine bouwplannen (sneltoetscriteria). Algemene criteria Algemene criteria liggen (vaak onzichtbaar) ten grondslag aan alle welstandsadviezen van Burgemeester en wethouders en de welstandscommissie, deze criteria vormen als het ware de basis van de welstandsadvisering. Ook worden de algemene criteria gebruikt in bijzondere situaties wanneer de gebiedsgerichte, de objectgerichte of de sneltoetscriteria ontoereikend zijn: dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer een bouwplan afwijkt van de bestaande of toekomstige omgeving maar door bijzondere schoonheid of verschijningsvorm wél bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving, kan worden teruggegrepen op de algemene welstandscriteria. De welstandscommissie kan Burgemeester en wethouders in zo'n geval gemotiveerd en schriftelijk adviseren af te wijken van de gebiedsgerichte en objectgerichte welstandscriteria. In praktijk betekent dit dat het betreffende plan alleen op grond van de algemene welstandscriteria wordt beoordeeld en dat de bijzondere schoonheid van het plan met deze criteria overtuigend kan worden aangetoond. Het niveau van 'redelijke eisen van welstand' ligt dan uiteraard hoog, het is immers redelijk dat er hogere eisen worden gesteld aan de zeggingskracht en het architectonisch vakmanschap naarmate een bouwwerk zich sterker van zijn omgeving onderscheidt. In Deel B volgt een uitgebreide beschrijving van de algemene criteria. Gebiedsgerichte criteria Gebiedsgerichte criteria zijn, zoals de term al aangeeft wel gekoppeld aan specifieke gebieden. Door middel van gebiedsgerichte criteria worden de maten, marges of hoedanigheid van het planaspect vergeleken met de gebiedskarakteristiek of de beeldkwaliteitseisen. Elk gebied kent een vastgesteld welstandsniveau op basis waarvan beoordeeld wordt. In Deel B zullen de gebiedscriteria nader aan de orde komen. Objectgebonden criteria Objectgebonden criteria zijn criteria voor veel voorkomende bijzondere gebouwen. Voorbeelden zijn streekgebonden gebouwen en voor een regio karakteristieke boerderijen. In Deel B wordt nader ingegaan op de objectgebonden criteria. Sneltoetscriteria Sneltoetscriteria zijn niet gebiedsgebonden en zijn te kenmerken als gestandaardiseerde welstandscriteria voor veel voorkomende kleine bouwplannen, als dakkapellen, aan- en uitbouwen, bijgebouwen etc. De sneltoetscriteria zijn sterk toegesneden op woningbouw, in woongebieden waarbij eenheid in de hele wijk wordt nagestreefd. Verwacht wordt dat deze criteria in elk geval geen bezwaren opleveren. In Deel C zullen deze nader gespecificeerd worden. 4.3Monumenten en welstandscriteria Voor bouwplannen op, aan of nabij monumenten vormt de redengevende beschrijving van het monument het welstandscriterium. Monumenten vormen niet zelden een uitzondering in hun omgeving. Ze hebben vaak specifieke vorm- en stijlkenmerken die afwijken van de gebiedskarakteristiek. Voor monumenten geldt dat kleine bouwplannen die normaal gesproken vergunningvrij zijn en dus preventief niet getoetst worden aan redelijke eisen van welstand, vooraf wel getoetst worden door de monumentencommissie (WMMN). 4.4Vrijwillige welstandstoetsing en repressieve welstandstoetsing (de excessenregeling) De criteria zoals opgenomen in de welstandsnota hebben geen directe invloed op zowel reeds bestaande bouwwerken als vergunningsvrije bouwwerken. Toch kunnen in bepaalde gevallen bovengenoemde bouwwerken wel getoetst worden aan de welstandscriteria: in geval van vrijwillige toetsing of in geval van repressieve toetsing, bij het optreden van een exces. Vrijwillige welstandstoetsing Om te voorkomen dat men achteraf geconfronteerd wordt met de redelijke eisen van welstand kan een initiatiefnemer van een te bouwen vergunningsvrij bouwwerk, de bouwaanvraag door middel van sneltoetscriteria vrijwillig laten toetsen aan redelijke eisen van welstand. De sneltoetscriteria kunnen dus ook dienen als adviserend kader direct naar de burger. Repressieve welstandstoetsing (de excessenregeling) Welstandsbeleid geldt altijd. Ook reeds uitgevoerde bouwaanvragen en - werkzaamheden kunnen daarom onderhevig zijn aan welstandstoetsing. Het betreft in bijna alle gevallen bouwwerken waarvan het uiterlijk in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand. Een bouwwerk is in ernstige mate in strijd met redelijke eisen van welstand indien sprake is van excessen (vandaar de naam excessenregeling), dat wil zeggen buitensporigheden die ook voor niet-deskundigen evident zijn. Het gaat hierbij dus om zaken waaraan een groot deel van de mensen zich ergert. Vaak heeft dit betrekking op het onbruikbaar maken van bouwwerken, ernstig verval van bouwwerken, het ontkennen of vernietigen van architectonische bijzonderheden bij aanpassing van een bouwwerk, armoedig materiaalgebruik, toepassing van felle of contrasterende kleuren, te opdringerige reclames of een te grove inbreuk op wat in de omgeving gebruikelijk is (zie tevens Deel B). Burgemeester en wethouders kunnen in bovengenoemde gevallen degene die tot het opheffen van strijdigheden bevoegd is, aanschrijven om die strijdigheid op te heffen. Dit wordt ook wel repressieve welstandstoetsing genoemd (deze regeling is dus niet bedoeld om de plaatsing van een bouwwerk tegen te gaan). Bij het aanschrijven dient gemotiveerd te worden waarom en in welke mate het bouwwerk strijdig is met redelijke eisen van welstand. De beoordeling vindt plaats aan de hand van de in de welstandsnota opgenomen algemene criteria. deelBAlgemene, gebiedgerichte en objectgerichte criteria 1Inleiding 1.1Drie delen Het gemeentelijk welstandsbeleid bevat de welstandsaspecten en de criteria waaraan bouwplannen en bouwkundige ingrepen getoetst worden. Deel B Algemene, gebiedsgerichte en objectgerichte criteria is onderdeel van het welstandbeleid van de gemeente Veenendaal. Naast dit deel B bestaat het welstandbeleid voor de gemeente Veenendaal uit Deel A Algemene Bepalingen en Deel C Criteria voor veelvoorkomende kleine bouwwerken.Deel B bevat de 'algemene criteria' en de 'gebiedsgerichte criteria'. De algemene criteria richten zich op de zeggingskracht en het vakmanschap van het architectonisch ontwerp en zijn terug te voeren op universele kwaliteitsaspecten. In bijzondere situaties wanneer alle andere welstandscriteria ontoereikend zijn, kan het nodig zijn terug te grijpen op deze algemene criteria. De gebiedsgerichte criteria worden gebruikt voor de kleine en middelgrote bouwplannen die zich voegen in de bestaande ruimtelijke structuur van Veenendaal. 1.2Leeswijzer Na de inleiding wordt in de hoofdstukken Welstandstoetsing en Algemene criteria uitleg gegeven over welstandstoetsing en algemene criteria. In het hoofdstuk Methodiek gebiedsgerichtecriteria volgt de uitleg over gebiedsgerichte criteria. In het hoofdstuk Beschrijving Veenendaal is een korte beschrijving van de geschiedenis en ruimtelijke opbouw van Veenendaal gegeven. Vervolgens wordt de gebiedsindeling in het hoofdstuk Gebiedsindeling gegeven. De deelgebieden zijn te vinden op de kaart "gebiedsindeling". Vanaf hoofdstuk Bebouwingslinten worden deelgebieden beschrijven. Naast de beschrijving van de onderscheiden gebieden is een waardering per deelgebied gegeven. De gebiedsgerichte criteria staan in Bijlage 1 Gebiedsgerichte criteria en objectgerichte criteria. Voor de toetsing aan de gebiedsgerichte criteria is Deel B als volgt te gebruiken: Vaststellen dat de gebiedsgerichte criteria van toepassing zijn; Stel vast in welk deelgebied de bouwaanvraag ligt; Ga naar het hoofdstuk waarin het deelgebied wordt behandeld en lees de beschrijving van het betreffende gebied; Ga naar de relevante gebiedsgerichte criteria in Bijlage 1 Gebiedsgerichte criteria en objectgerichte criteria. Stel tevens vast of een beeldkwaliteitsplan van toepassing is; Zoja, ga naar het hoofdstuk waarin het beeldkwaliteitsplan wordt beschreven van het betreffende gebied; 2Welstandstoetsing De welstandstoetsing gebeurt aan de hand van een samenhangend stelsel van criteria. Dit zijn: De algemene criteria Deze algemene criteria worden toegepast in het geval een plan niet of niet volledig voldoet of kan voldoen aan de andere criteria in de Welstandsnota. Het gaat hierbij om de vraag of het te realiseren bouwwerk door zijn bijzondere verschijningsvorm een bijdrage levert aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. De gebiedsgerichte criteria De gebiedsgerichte criteria zijn gekoppeld aan specifieke gebiedseigen kenmerken en eigenschappen. Objectgerichte criteria Dit zijn criteria voor veel voorkomende bijzondere gebouwen, bijvoorbeeld streekgebonden gebouwen, boerderijen, etc. De standaardregels voor veel voorkomende kleine bouwplannen (zogenaamde sneltoetscriteria) De aanvrager kan zich zo vooraf duidelijkheid verschaffen over de haalbaarheid van zijn plan. Dit is feitelijk een formalisering en uniformering van een bestaande praktijk. Een excessenregeling Een dergelijke regeling bevat criteria die te maken hebben met de aanschrijvingsmogelijkheid van burgemeester en wethouders indien een bouwwerk in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand (Ww 2002 art 19). Deze is gegeven in Deel A. Relatie met beeldkwaliteitsplan Voor een aantal locaties in veenendaal is een beeldkwaliteitsplan opgesteld en vastgesteld als onderdeel van de welstandsnota. Deze beeldkwaliteitsplannen zijn weergegeven op de kaart behorend bij deze nota. Waneer voor een locatie een beeldkwaliteitsplan is opgesteld geldt dit als toetsingskader naast het bovengenoemde stelsel van criteria. Toetsing van een bouwplan vindt dan inprincipe plaats aan het beeldkwaliteitsplan, tenzij er dringende redenen zijn om terug te vallen op de bovenstaande criteria. Relatie met bestemmingsplan De bepalingen in het bestemmingsplan gaan vóór de criteria in de welstandsnota. De toegestane functie en het toegestane ruimtebeslag zijn geregeld in het bestemmingsplan. De welstandsnota regelt enkel de verschijningsvorm van het gebouw in relatie tot de omgeving, binnen de ruimte die het bestemmingsplan biedt. Relatie met sneltoetscriteria De sneltoetscriteria laten vaak weinig ruimte voor het afstemmen van de dakkapel, aanbouw of serre op de karakteristiek van de deelgebieden. De strikte criteria kunnen leiden tot een verschraling van het bebouwingsbeeld. Om die reden is het raadzaam dat diegene die een bouwplan ontwikkeld rekening houdt met de gebiedsgerichte criteria. Zo kan in die gebieden beter worden ingespeeld op het bijzondere karakter van de gebouwen en wordt meer ruimte geboden voor variatie in dakkapellen , aan- en uitbouwen, etc. 3Algemene criteria De algemene criteria bestaan uit een uiteenzetting van algemene architectonische begrippen en aspecten waarmee kwaliteit (of het gebrek aan kwaliteit) kan worden omschreven. De algemene architectonische begrippen komen voort uit de notitie die de toenmalige rijksbouwmeester, Prof. ir. Tj. Dijkstra, in 1985 heeft uitgebracht onder de titel "Architectonische kwaliteit, een notitie over architectuurbeleid". Ze vormen het begrippenkader en zijn als het ware het gereedschap van de welstandscommissie bij de argumentatie van het welstandsadvies. De algemene welstandsaspecten liggen (haast onzichtbaar) ten grondslag aan elke planbeoordeling. In bijzondere situaties wanneer de gebiedsgerichte en de objectgerichte welstandscriteria ontoereikend zijn, kan het nodig zijn expliciet terug te grijpen op de algemene welstandsaspecten. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer een bouwplan slaafs de gebiedsgerichte beschrijvingen en gebiedsgerichte welstandscriteria volgt zonder daar enige inspiratie aan te ontlenen. Een dergelijk bouwplan voegt weinig toe aan die omgeving. Het is alleen meer van hetzelfde en het bouwwerk zelf blijft zo onder de maat dat het zijn omgeving negatief zal beïnvloeden. Ook wanneer een bouwplan afwijkt van de bestaande of toekomstige omgeving maar door bijzondere schoonheid wél aan redelijke eisen van welstand voldoet, kan worden teruggegrepen op de algemene welstandsaspecten. De welstandscommissie kan burgemeester en wethouders in zo'n geval gemotiveerd en schriftelijk adviseren af te wijken van de gebiedsgerichte en objectgerichte welstandscriteria. In praktijk betekent dit dat het betreffende plan alleen op grond van de algemene welstandsaspecten wordt beoordeeld en dat de bijzondere schoonheid van het plan met deze criteria overtuigend kan worden aangetoond. Het niveau van 'redelijke eisen van welstand' ligt dan uiteraard hoog, het is immers redelijk dat er hogere eisen worden gesteld aan de zeggingskracht en het architectonisch vakmanschap naarmate een bouwwerk zich sterker van zijn omgeving onderscheidt. 3.1Relatie tussen vorm, gebruik en constructie Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat de verschijningsvorm een relatie heeft met het gebruik ervan en de wijze waarop het gemaakt is, terwijl de vormgeving daarnaast ook zijn eigen samenhang en logica heeft. Een bouwwerk wordt primair gemaakt om te worden gebruikt. Hoewel het welstandstoezicht slechts is gericht op de uiterlijke verschijningsvorm, kan de vorm van het bouwwerk niet los worden gedacht van de eisen vanuit het gebruik en de mogelijkheden die materialen en technieken bieden om een doelmatige constructie te maken. Gebruik en constructie staan aan de wieg van iedere vorm. Daarmee is nog niet gezegd dat de vorm altijd ondergeschikt is aan het gebruik of de constructie. Ook wanneer andere aspecten dan gebruik en constructie de vorm tijdens het ontwerpproces gaan domineren, mag worden verwacht dat de uiteindelijke verschijningsvorm een begrijpelijke relatie houdt met zijn oorsprong. Daarmee is tegelijk gezegd dat de verschijningsvorm méér is dan een rechtstreekse optelsom van gebruik en constructie. Er zijn daarnaast andere factoren die hun invloed kunnen hebben zoals de omgeving en de associatieve betekenis van de vorm in de sociaal-culturele context. Maar als de vorm in tegenspraak is met het gebruik en de constructie dan verliest zij daarmee aan begrijpelijkheid en integriteit. 3.2Relatie tussen bouwwerk en omgeving Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de openbare (stedelijke of landschappelijke) ruimte. Daarbij worden hogere eisen gesteld naarmate de openbare betekenis van het bouwwerk of van de omgeving groter is. Bij het oprichten van een gebouw is sprake van het afzonderen en in bezit nemen van een deel van de algemene ruimte voor particulier gebruik. Gevels en volumes vormen zowel de externe begrenzing van de gebouwen als ook de wanden van de openbare ruimte die zij gezamenlijk bepalen. Het gebouw is een particulier object in een openbare context, het bestaansrecht van het gebouw ligt niet in het eigen functioneren alleen maar ook in de betekenis die het gebouw heeft in zijn stedelijke of landschappelijke omgeving. Ook van een gebouw dat contrasteert met zijn omgeving mag worden verwacht dat het zorgvuldig is ontworpen en de omgeving niet ontkent. Waar het om gaat is dat het gebouw een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de omgeving en de te verwachten ontwikkeling daarvan. Over de wijze waarop dat bij voorkeur zou moeten gebeuren kunnen de gebiedsgerichte welstandscriteria duidelijkheid verschaffen. 3.3Betekenissen van vormen in de sociaal-culturele context Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat verwijzingen en associaties zorgvuldig worden gebruikt en uitgewerkt, zodat er concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit. Voor vormgeving gelden in iedere cultuur bepaalde regels, net zoals een taal zijn eigen grammaticale regels heeft om zinnen en teksten te maken. Die regels zijn geen wetten en moeten ter discussie kunnen staan. Maar als ze worden verhaspeld of ongeïnspireerd gebruikt, wordt een tekst verwarrend of saai. Precies zo wordt een bouwwerk verwarrend of saai als de regels van de architectonische vormgeving niet bewust worden gehanteerd. Als vormen regelmatig in een bepaald verband zijn waargenomen krijgen zij een zelfstandige betekenis en roepen zij, los van gebruik en constructie, bepaalde associaties op. Pilasters in classicistische gevels verwijzen naar zuilenstructuren van tempels, transparante gevels van glas en metaal roepen associaties op met techniek en vooruitgang. In iedere bouwstijl wordt gebruik gemaakt van verwijzingen en associaties naar wat eerder of elders reeds aanwezig was of naar wat in de toekomst wordt verwacht. De kracht of de kwaliteit van een bouwwerk ligt echter vooral in de wijze waarop die verwijzingen en associaties worden verwerkt en geïnterpreteerd binnen het kader van de actuele culturele ontwikkelingen, zodat concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit. Zorgvuldig gebruik van verwijzingen en associaties betekent onder meer dat er een bouwwerk ontstaat dat integer is naar zijn tijd doordat het op grond van zijn uiterlijk in de tijd kan worden geplaatst waarin het werd gebouwd of verbouwd. Bij restauraties is sprake van herstel van elementen uit het verleden, maar bij nieuw- of verbouw in bestaande (monumentale) omgeving betekent dit dat duidelijk moet zijn wat authentiek is en wat nieuw is toegevoegd. Een ontwerp kan worden geïnspireerd door een bepaalde tijdsperiode, maar dat is iets anders dan het imiteren van stijlen, vormen en detailleringen uit het verleden. Associatieve betekenissen zijn van groot belang om een omgeving te 'begrijpen' als beeld van de tijd waarin zij is ontstaan, als verhaal van de geschiedenis, als representant van een stijl. Daarom is het zo belangrijk om ook bij nieuwe bouwplannen zorgvuldig met stijlvormen om te gaan, zij vormen immers de geschiedenis van de toekomst. 3.4Evenwicht tussen helderheid en complexiteit Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat er structuur is aangebracht in het beeld, zonder dat de aantrekkingskracht door simpelheid verloren gaat. Een belangrijke eis die aan een ontwerp voor een gebouw mag worden gesteld is dat er structuur wordt aangebracht in het beeld. Een heldere structuur biedt houvast voor de waarneming en is bepalend voor het beeld dat men vasthoudt van een gebouw. Symmetrie, ritme, herkenbare maatreeksen en materialen maken het voor de gemiddelde waarnemer mogelijk de grote hoeveelheid visuele informatie die de gebouwde omgeving geeft, te reduceren tot een bevattelijk beeld. Het streven naar helderheid mag echter niet ontaarden in simpelheid. Een bouwwerk moet de waarnemer blijven prikkelen en intrigeren en zijn geheimen niet direct prijsgeven. Er mag best een beheerst beroep op de creativiteit van de voorbijganger worden gedaan. Van oudsher worden daarom helderheid en complexiteit als complementaire begrippen ingebracht bij het ontwerpen van bouwwerken. Complexiteit in de architectonische compositie ontstaat vanuit de stedenbouwkundige eisen en het programma van eisen voor het bouwwerk. Bij een gebouwde omgeving met een hoge belevingswaarde zijn helderheid en complexiteit tegelijk aanwezig in evenwichtige en spanningsvolle relatie. 3.5Schaal en maatverhoudingen Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een samenhangend stelsel van maatverhoudingen heeft dat beheerst wordt toegepast in ruimtes, volumes en vlakverdelingen. leder bouwwerk heeft een schaal die voortkomt uit de grootte of de betekenis van de betreffende bouwopgave. Grote bouwwerken kunnen uiteraard binnen hun eigen grenzen geleed zijn maar worden onherkenbaar en ongeloofwaardig als ze er uitzien alsof ze bestaan uit een verzameling losstaande kleine bouwwerken. De maatverhoudingen van een bouwwerk zijn van groot belang voor de belevingswaarde ervan, maar vormen tegelijk één van de meest ongrijpbare aspecten bij het beoordelen van ontwerpen. De waarnemer ervaart bewust of onbewust de maatverhoudingen van een bouwwerk, maar wáárom de maatverhoudingen van een bepaalde ruimte aangenamer, evenwichtiger of spannender zijn dan die van een andere, valt nauwelijks vast te stellen. Duidelijk is dat de kracht van een compositie groter is naarmate de maatverhoudingen een sterkere samenhang en hiërarchie vertonen. Mits bewust toegepast kunnen ook spanning en contrast daarin hun werking hebben. De afmetingen en verhoudingen van gevelelementen vormen tezamen de compositie van het gevelvlak. Hellende daken vormen een belangrijk element in de totale compositie. Als toegevoegde elementen (zoals een dakkapel, een aanbouw of een zonnecollector) te dominant zijn ten opzichte van de hoofdmassa en/ of de vlakverdeling, verstoren zij het beeld niet alleen van het object zelf maar ook van de omgeving waarin dat is geplaatst. 3.6Materiaal, textuur, kleur en licht Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat materiaal, textuur, kleur en licht het karakter van het bouwwerk zelf ondersteunen en de ruimtelijke samenhang met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan duidelijk maken. Door middel van materialen, kleuren en lichttoetreding krijgt een bouwwerk uiteindelijk zijn visuele en tactiele kracht: het wordt zichtbaar en voelbaar. De keuze van materialen en kleuren is tegenwoordig niet meer beperkt tot wat lokaal aan materiaal en ambachtelijke kennis voorhanden is. Die keuzevrijheid maakt de keuze moeilijker en het risico van een onsamenhangend beeld groot. Als materialen en kleuren teveel los staan van het ontwerp en daarin geen ondersteunende functie hebben maar slechts worden gekozen op grond van decoratieve werking, wordt de betekenis ervan toevallig en kan de materiaal- en kleurkeuze afbreuk doen aan de zeggingskracht van het bouwwerk. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer het gebruik van materialen en kleuren geen ondersteuning geeft aan de architectonische vormgeving of wanneer het gebruik van materialen en kleuren een juiste interpretatie van de aard en de ontstaansperiode van het bouwwerk in de weg staat. 4Methodiek gebiedsgerichtecriteria Om te komen tot gebiedsgerichte criteria is een gebiedsindeling gemaakt, gebaseerd op de verschijningsvorm van de huidige bebouwing en een analyse van de ruimtelijke opbouw van de gemeente. De gebiedsindeling heeft betrekking op het gehele grondgebied van de gemeente Veenendaal, de stad en het buitengebied. De gebiedsgerichte criteria worden per deelgebied behandeld. Om te weten binnen welk deelgebied een bouwaanvraag valt, moeten de kaart "gebiedsindeling" worden geraadpleegd. De deelgebieden zijn onderverdeeld in vijf hoofdgroepen, die ieder in een afzonderlijk hoofdstuk aan de orde komen: Bebouwingslinten Planmatig ontworpen woongebieden Bedrijvigheid Bijzondere bebouwingsthema's Groengebieden Iedere hoofdgroep bestaat uit meerdere deelgebieden. per deelgebied wordt het volgende behandeld: Een beschrijving van de karakteristieken van een gebied; Een waardering van het gebied; De gebiedsgerichte criteria (in Bijlage 1 Gebiedsgerichte criteria en objectgerichte criteria). De beschrijving van het deelgebied en de gebiedsgerichte criteria gebeurt aan de hand van de volgende aspecten: Hoofdaspecten: bebouwing en omgeving; Deelaspecten: massaopbouw, gevel en onderdelen; Detailaspecten: detaillering, kleur en materiaal. Hoofdaspecten: bebouwing en omgeving In deze categorie gaat het om stedenbouwkundige aspecten, zoals de situering van een gebouw op het perceel, de positie van het gebouw in relatie tot aangrenzende panden en het algemene beeld van het deelgebied. Deelaspecten: massa en vorm Hier gaat het om de vorm en massa van een gebouw in relatie met de omgeving. De schaal van het gebouw en de vorm van zowel hoofdgebouw als ondergeschikte delen komen aan de orde. Daarnaast is aandacht voor de architectonische verschijningsvorm van het gebouw als geheel en het aanzicht vanaf de openbare ruimte. Detailaspecten: detaillering, kleur- en materiaalgebruik Het gaat hier om de karakteristieken die invulling geven aan de verschijningsvorm van een gebouw. Hiermee wordt onder meer bedoeld de plasticiteit, materiaalgebruik, kleurgebruik en decoraties. Waardering Bij de waardering wordt stedenbouwkundige opzet en de architectonische verschijningsvorm gewaardeerd. De waardering is een essentieel onderdeel van de Welstandsnota. Bij de gebiedsgerichte criteria wordt vaak verwezen naar de waardering, waarbij wordt ingezet op het behoud van de omschreven waarden. Voor ieder deelgebied worden de gebiedsgerichte criteria gegeven. De gebiedsgerichte criteria zijn in Bijlage 1 Gebiedsgerichte criteria en objectgerichte criteria opgenomen. Bij het bestuderen van de gebiedsgerichte criteria zijn de onderstaande relaties van belang. Relatie met algemene criteria Voor gemeente Veenendaal wordt ingezet op het behoud van het bestaande beeld. De gebiedsgerichte criteria zijn gericht op het behoud van aanwezige eenheid binnen een deelgebied. Kenmerken die bijdragen aan de eenheid worden beschermd. Een bouwaanvraag die sterk afwijkt van het bestaande beeld voldoet niet aan de gebiedsgerichte criteria. Een dergelijke bouwaanvraag kan worden getoetst aan de algemene criteria, indien grote waarde wordt gehecht aan het architectonisch ontwerp. Relatie met objectgerichte criteria Binnen de groep "groengebieden" heeft een aantal (complexen van) gebouwen dusdanig specifieke eigenschappen dat het toetsen aan gebiedsgerichte criteria weinig zinvol is. Voor deze gebieden zijn objectgerichte criteria opgesteld die zijn toegesneden op de specifieke eigenschappen van het bouwwerk. Bij de gebiedsgerichte criteria voor het buitengebied wordt verwezen naar deze objectgerichte criteria in Bijlage 1 Gebiedsgerichte criteria en objectgerichte criteria. 5Beschrijving Veenendaal Veenendaal ligt in het hart van Nederland in de provincie Utrecht en grenst aan de transport-as A12 tussen Nederland en Duitsland. De stad heeft drie NS-stations, waarvan een station buiten de stad ligt en één buiten de gemeentegrens van Veenendaal. De gemeente bevindt zich op een beperkt grondgebied en is daarom compact bebouwd. Veenendaal heeft ruim 60.000 inwoners. Veenendaal heeft de functie van groeistad en zal komende jaren groeien tot 70.000 inwoners. 5.1Geschiedenis Veenendaal is gesticht in de tweede helft van de 16de eeuw na de aanleg van de Grift (de Bisshop Davidgrift). Richting de Grift, loodrecht op de hoogtelijnen, werden de sloten (wijken) gegraven. Bewoning vond plaats langs deze waterlopen. Ook de oorspronkelijke ontsluiting volgde het water. De Grift diende als vaarroute voor de winning van turf. Aan het eind van de 17e eeuw had Veenendaal een lineaire, volledig op de turfwinning geënte structuur (veenkolonie). Tot halverwege de 19de eeuw zijn er nauwelijks verschillen met de ruimtelijke structuur in de ontstaansperiode. De Veenendaalse bevolking groeide sterk in de tweede helft van de 19de eeuw als gevolgd van de industriële expansie (textiel- en later tabaksindustrie). Aan de Kerkewijk stonden grote fabrieksgebouwen en in de nabijheid van de fabrieken werden arbeiderswoningen gebouwd. Meer zuidelijk langs de Kerkewijk woonde de elite in villa's. De spoorverbinding Amersfoort - Kesteren kwam er in 1866. De wegenstructuur werd tot aan de Tweede Wereldoorlog vrijwel geheel bepaald door de oude, gedeeltelijk gedempte griften en wijken. Na 1945 groeide de bevolking snel en werden tussen 1950 en 1970 een groot aantal nieuwe woonwijken en -buurten gebouwd: eerst zuidwest en westelijk van het centrum, dan een grote woonwijk in het oosten, Dragonder. Ook komt er een industrieterrein, het Ambacht. In de periode 1960-1980 zijn veel hoogbouwflats in Veenendaal gebouwd. Eind zeventiger jaren is de sprong over de Rondweg-West gemaakt, en is Veenendaal-West ontstaan. Gelijktijdig werden er inbreidingsplannen gerealiseerd op de vrijgekomen fabrieksterreinen. Vanaf 1980 vestigt zich hoogwaardige industrie (de Compagnie en de Faktorij) in het noorden van de stad, langs de snelweg A12. Vanaf 1980 tot heden breidt de woningbouw zich verder uit: eerst werd Veenendaal-West afgemaakt, daarna zijn Petenbos en de Gelderse Blom gebouwd. Met het realiseren van de woonwijk Veenendaal-Oost zal de gemeente haar grenzen naderen. Ondertussen zet de inbreiding zich voort, met name in het centrum van Veenendaal. 5.2Ruimtelijke karakteristiek De gemeente heeft een heldere opbouw, met enkele historische lijnen (radialen, linten, spoorlijn en de Grift) als belangrijke dragers, en een heldere wegenstructuur, met name een buitenring (Rondweg), gekoppeld aan de A12 en centrumring. De Grift (het Omleidingskanaal) is een structurerend element dat deels in de woonwijken opgenomen is en deels ruimtescheidend werkt. De Rondweg-West is een ruimtescheidend element en heeft geen eenduidige karakter. De centrumring, aangelegd omstreeks 19901995 is de ruimtelijke scheiding tussen het centrum en woonwijken. In Veenendaal heeft een vrij evenwichtige ontwikkeling vanuit het centrum in alle richtingen plaats gevonden. Het compacte centrum is centraal gelegen binnen de centrumring. De bebouwingsstructuur van de oude stad is gefragmenteerd, onder andere als gevolg van latere inbreidingen en verdichtingen op de plaats van oude fabriekscomplexen. Een uitzondering is de Ritmeesterfabriek die nog als bedrijfspand functioneert. De stad is opgebouwd uit een groot aantal wijken. De ruimtelijke verschillen tussen de wijken onderling zijn met name bepaald door de ontstaansperiode en de verschillende functies. De grootschalige ingrepen met woningbouw na de Tweede Wereldoorlog tot circa 1980 hebben een grote interne ruimtelijke samenhang. Ze hebben echter geen verwantschap met de oorspronkelijke structuur. De woonwijken aan de west- en zuidzijde van Veenendaal hebben een sterke visueel-ruimtelijke relatie met het buitengebied door middel van groene lobben. Daarnaast is in de recent gebouwde woonwijken het oorspronkelijke, strakke verkavelingpatroon terug te vinden. In het buitengebied van Veenendaal is de karakteristieke strokenverkaveling nog altijd zichtbaar. 6Gebiedsindeling Op de Welstandsnota-kaart is het hele grondgebied van gemeente Veenendaal verdeeld in deelgebieden. Ieder deelgebied wordt beschreven en gewaardeerd. Vervolgens worden voor ieder deelgebied de gebiedsgerichte criteria gegeven. De deelgebieden zijn onderverdeeld in hoofdgroepen. Bebouwingslinten Landelijk bebouwingslint (zeer open) H2A Open tot halfopen bebouwingslint H2B (Semi-) aaneengesloten bebouwingslint H2C Planmatig bebouwingslint H2D Planmatig ontworpen woongebieden Woonwijken in traditionele blokverkaveling W1 Het Nieuwe bouwen (1960 -1970) W2 Forumbeweging (woonerven jaren 1970 - 1980) W3 Thematische inbreidingen (vanaf 1990) W4 Thematische uitbreidingswijken (vanaf 1990) W5 Individuele woningbouw W6 Gemengd woongebied in traditionele blokverkaveling W7 Bedrijvigheid Bedrijventerrein B1 Bedrijventerrein B2 Woon - werk locatie B3 Bijzondere bebouwingsthema's Hoogbouw T1 Winkelcentrum stadsniveau T2A Winkelcentrum wijkniveau T2B Instituten/maatschapelijke doeleinden T3 Stationsgebied T4 Woonwagens T5 Groengebieden Parken, groengebieden, begraafplaatsen en sportcomplexen G1 Buitengebieden Natuurgebieden G2 Buitengebied G3 Ontwikkelingslocaties De "witte vlekken" binnen de gemeentegrens zijn ontwikkelings-locaties. Hier wordt getoetst aan een beeldkwaliteitplan. Indien (nog) geen beeldkwaliteitplan aanwezig is, wordt getoetst aan de algemene criteria. Zie ook hoofdstuk Ontwikkelingslocaties. Beeldkwaliteitsplannen Voor een aantal locaties in Veenendaal is een beeldkwaliteitsplan opgesteld en vastgesteld als onderdeel van de welstandsnota. Het gaat om de volgende plannen: BKP Kernwinkelgebied Veenendaal (15 december 2010) BKP Route Ontwerp A12 (3 november 2011) BKP Veenendaal-Oost deelplan 1 (4 maart 2008) BKP Veenendaal-Oost deelplan 1 (4 maart 2008) BKP Bedrijventerrein De Batterijen (2 juli 2003) BKP Landschapsontwikkelingsplan Veenendaal (19 april 2007) BKP Binnenveld (15 september 2011) BKP Salamander (3 november 2011) BKP Zuidelijk balkon (11 november 2010) BKP Castorlocatie (25 september 2008) 7Bebouwingslinten Langs de oudere hoofdwegen, uitvalswegen en (secundaire) landwegen zijn vanuit de historische bebouwingskern in de loop der tijd bebouwingslinten ontstaan. Deze historisch gegroeide linten spelen een belangrijke rol in de identiteit van Veenendaal. Deze lintbebouwing in Veenendaal bestaat uit de Kerkewijk, Panhuis/ Zandstraat, Bernhardlaan/Stationsstraat, Benedeneind/Valeistraat/ Verlaat, Achterstraatje/Vendelseweg en verder Munnikenweg, Nieuweweg en Holleweg. Al deze linten vormen radialen in het stedelijk gebied van Veenendaal. De linten van de Kerkewijk, Panhuis/Zandstraat, Nieuweweg, Nieuweweg Noord, Bernhardlaan/ Stationsstraat zijn nog steeds de invalswegen van Veenendaal. Andere linten zijn Buurtlaan-West/Blauwgras-De balk/Buurtlaan-Oost, Patrimoniumlaan, Dijkstraat, Bergweg, Middellaan en Middelbuurtseweg. Langs de spoorlijn en het kanaal de Grift is eveneens lint-achtige bebouwing herkenbaar: Parallelweg, Verlengde Spoorlaan en een deel van Kanaalweg. De meeste linten en lijnen zijn geheel in het stedelijk gebied opgenomen. Het ruimtelijke karakter van de linten is verschillend. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen: landelijk bebouwingslint, open tot halfopen bebouwingslint, (semi-) aaneengesloten lint, planmatig lint. Het winkellint de Hoofdstraat is ondergebracht bij de beschrijving winkelcentrum (T2A). Landelijk bebouwingslint (zeer open) H2A De linten Middelbuurtseweg en Benedeneind/Gelderse Benedendeid behoren tot dit thema. Hoofdaspecten: bebouwing en omgeving Deze linten liggen in het buitengebied of maken deel uit van voormalig buitengebied. De belangrijkste karakteristiek van het lint aan de Middelbuurtseweg is de afwisseling tussen de bebouwing én de open ruimten tussen de gebouwen. De lintbebouwing bestaat uit vrijstaande woningen of een clustering van gebouwen op erven: boerderij of woning met meerdere bijgebouwen al dan niet met agrarische of andere functie. De open ruimten tussen de gebouwen bestaat uit een of meerdere percelen met groen of agrarische functies. Het zicht tussen de bebouwing door is uitermate karakteristiek. De lintbebouwing is naar de weg georiënteerd. Bijzonder voor het bebouwingslint Benedeneind/Gelderse Benedendeid is de ligging langs het kanaal de Grift. De bebouwing aan de zuiddkant van de Grift wordt ontsloten vanaf de Grebbeweg maar staat dicht bij het water en is naar de Grift georiënteerd. Er is sprake van een duidelijke clustering van woningen en voormalige agrarische bedrijven aan de Grift, met daartussen open ruimten met zicht op het natuurgebied de Hel en Blauwe Hel. Het lint langs het Benedeneind/Gelders Benedeneind heeft in de loop der jaren een minder open karakter gekregen door toepassing van de Ruimte voor Ruimte regeling waardoor woningen in het lint zijn toegevoegd. De bebouwing is onderling verschillend van vorm, massa, materiaal, kleur, etc. De panden dateren uit verschillende tijden, zijn in verschillende stijlen gebouwd en de percelen hebben verschillende kavelbreedtes. Diversiteit is de norm. De afstand van de bebouwing tot de weg is groot en er zijn lange opritten naar de woningen. De bebouwing aan de linten staat evenwijdig aan de richting van de kavels, zodat bij de bochten in de weg de rooilijn niet evenwijdig aan de weg ligt. voorbeelden landelijk bebouwingslint (zeer open) H2A Deelaspecten: massa en vorm De massa wordt bepaald door de individuele woningen. De woonbebouwing is overwegend kleinschalig en traditioneel, voorzien van een kap. Er zijn diverse kappen aanwezig: een zadeldak, wolfsdak, samengestelde kap etc. De overgang tussen gevel en dak is hier en daar gemarkeerd door een daklijst of dakgoot met overstek.Voor- en zijgevels van de woonbebouwing zijn voorzien van ramen en een voordeur. Bij de boerderijen zijn bijgebouwen (schuren etc) goed zichtbaar vanaf de openbare ruimte. Deze afwisselende bebouwing hoort bij het beeld van het landelijk gebied. Hier onderscheiden de aan- en bijgebouwen zich duidelijk van de hoofdgebouwen door hun verschijningsvorm, maar zijn vaak niet kleiner dan de hoofdgebouwen. Detailaspecten: detaillering, kleur- en materiaalgebruik De meeste woningen hebben een individuele uitstraling door diversiteit in gevelindeling, materiaal- en kleurgebruik, en soms door de aanwezigheid van oorspronkelijke details, raam- en deurlijsten, ornamenten, schoorstenen en raamluiken. Afhankelijk van de bouwperiode zijn de gebouwen rijk gedetailleerd (oudere bebouwing) of voorzien van weinig details (nieuwere panden). Veelal zijn bij recent gebouwde woningen wel details opgenomen, zoals die bij oudere woningen aan het lint voorkomen. In zijn algemeenheid geldt dat het materiaalgebruik traditioneel en het kleurgebruik behoudend is. Gevels zijn opgetrokken in rood/bruine tinten baksteen. Incidenteel is stucwerk (wit) toegepast of zijn delen van de gevel met hout afgewerkt. De daken zijn voorzien van rode of donkergrijze dakpannen. Het kleur- en materiaalgebruik van kozijnen, draaiende delen van ramen, deuren en dergelijke is traditioneel en ingetogen: gebroken wit of donkere kleuren. Incidenteel zijn er kleurige accenten in de vorm van wit/rood of wit/groen geschilderde raamluiken. Waardering De linten zijn van historisch belang en vertellen iets over de ontwikkelingsgeschiedenis van Veenendaal. De bebouwing is divers, bescheiden van omvang, maat en schaal, met overwegend een traditionele verschijningsvorm. Individueel herkenbare, vrijstaande panden of clustering van gebouwen op erven en de afwisseling tussen bebouwing en (open) groene tussengebieden is bepalend voor het beeld. De groene uitstraling, het losse bebouwingsbeeld, maat en schaal en de oriëntatie van de woningen op de (doorgaande) straat zijn de belangrijkste kenmerken. Bij de lintbebouwing is wellicht bij oudere gebouwen op termijn renovatie of modernisering te verwachten. Gezien het individuele karakter van de bebouwing zijn sloop en nieuwbouw van individuele panden mogelijk, mits kenmerken van het lint behouden blijven. De landelijke linten komen steeds meer onder de druk te staan door de groei van de stad en veranderende functies aan het lint. Zo is aan de noordkant van de Benedeneind de nieuwbouwwijk Dragonder-Oost en wordt Veenendaal-Oost ontwikkeld. Hiermee zal het doorzicht naar het open landschap veranderen en het landelijk karakter van het lint verdwijnen. (Voor de toekomst is belangrijk dat de lintbebouwing herkenbaar blijft en zich onderscheid van de bebouwing van de nieuwe woonwijk) De nieuwe lintbebouwing moet zich duidelijk onderscheiden van de bebouwing van de nieuwe woonwijk erachter. De gebiedsgerichte criteria zijn opgenomen in Bijlage 1 Gebiedsgerichte criteria en objectgerichte criteria. Open tot halfopen bebouwingslint H2B Tot dit thema behoren de volgende linten: Kerkewijk, Dijkstraat, Bergweg, Middellaan, Munnikenweg, Buurtlaan-West/Blauwgras-De balk/Buurtlaan-Oost, Pr. Bernhardlaan (buiten centrum)/Stationsstraat, Nieuweweg, Holleweg, Nieuweweg Noord en lint-achtige bebouwing aan de Parallelweg, Verlengde Spoorlaan en een deel van Kanaalweg. Hoofdaspecten: bebouwing en omgeving De ruimtelijke karakteristiek van deze bebouwingslinten varieert. De dichtheid van de linten neemt af van het centrum richting het buitengebied. Typerend voor deze linten is dat er pand voor pand, erf voor erf is gebouwd. Waarbij de lintbebouwing in de loop der tijd is verdicht. Dit verdichtingsproces heeft gezorgd voor een grote variatie in architectuur. De bebouwing is onderling verschillend van vorm, massa, materiaal, kleur, etc. De panden dateren uit verschillende tijden, zijn in verschillende stijlen gebouwd en de percelen hebben verschillende kavelbreedtes. Diversiteit in bebouwing is de norm. Zo wisselen (arbeiders)woningen, (voormalige) boerderijen, bedrijven, statige villa's, en dergelijke elkaar af, soms is een beperkte herhaling van een woningtype aanwezig. Het beeld wordt bepaald door een afwisseling van panden, bouwstijlen en -tijden. Daarnaast wordt het karakter van een bebouwingslint bepaald door de open ruimten tussen de gebouwen. Deze open ruimte varieert en is afhankelijk van de kavelbreedte. In het algemeen is de afstand tussen de panden niet groter dan de breedte van de panden. Aan de linten Nieuweweg, Holleweg en Pr. Bernhardstraat zijn panden vrij dicht op elkaar gebouwd, op enkele meters afstand van elkaar, op sommige plekken zijn er zelfs rijen aangesloten panden. Een belangrijke karakteristiek van de linten is kleinschaligheid: het profiel van de straten is over het algemeen smal, de bebouwing is kleinschalig en gevarieerd. Uitzondering hierop zijn de lintbebouwing aan de Kerkewijk en villa's aan de Munnikenweg. Deze straten zijn relatief breed en de bebouwing is in het algemeen iets grootschaliger van karakter. De Kerkewijk is een bijzonder lint met een statig en monumentaal karakter. Dit komt enerzijds door de bebouwing: chalet-achtige en moderne villa's, historische (fabrieks)panden etc. en anderzijds door het groen: ruime kavels met terugliggende bebouwing en grote voortuinen, het brede straatprofiel met bermen, bomen en (deels) vrijliggende fietspaden. Een deel van het lint Munnikenweg en de lijnen Parallelweg, Verlengde Spoorlaan en Kanaalweg hebben een asymmetrisch profiel met de bebouwing aan de één kant van de weg. Aan de zuidzijde van de Munnikenweg en aan de noordzijde van de Kanaalweg ligt de Grift. De meeste gebouwen zijn voorzien van een voortuin. Waarbij de overgang van privé- naar openbaar terrein gemarkeerd is met een groene erfafscheiding (haag), of een gemetseld muurtje of hekwerk. Bij de panden met gevestigde commerciële dienstverlening is de voortuin veelal verhard of grenzen de winkelpanden met de gevel direct aan het trottoir. voorbeelden open tot halfopen bebouwingslint H2B Deelaspecten: massa en vorm De massa wordt bepaald door de individuele panden. De massa van de oorspronkelijke bebouwing is gevarieerd en over het algemeen één of twee bouwlagen hoog. Langs de oude linten treedt schaalvergroting op doordat: Nieuwbouwwoningen vaak groter, dieper en hoger zijn dan de bestaande; Een kleine (oudere) woningen worden vergroot door bij-, aan- en opbouwen. Geleidelijke schaalvergroting en vergroving van het beeld is het gevolg. De panden aan de Kerkewijk hebben een grotere hoofdmassa dan de bebouwing aan de andere linten. De meeste woningen zijn voorzien van een kap. Diverse kapvormen komen voor: hoge en lage kappen, zadeldak, gecombineerde dak, mansardedak etc. De richting van de kap varieert en is soms haaks op de straat en soms parallel aan de straat. Op de hoeken bij de kruisingen met andere straten wordt hier en daar nieuwbouw gepleegd. Nieuwe hoekbebouwing accentueert hoeken door de hoogte en tweezijdige oriëntatie. Het straatbeeld wordt bepaald door de hoofdgebouwen. De aan- en bijgebouwen onderscheiden zich duidelijk van de hoofdgebouwen. Zij zijn kleiner en lager (bouw- en goothoogte, massa) dan de hoofdgebouwen. Identieke twee-onder-één-kap (villa'
  2. s)hebben een spiegelsymmetrische opbouw. De hoofdgebouwen zijn georiënteerd op de openbare ruimte c.q. de straat. Waarbij niet altijd sprake is van een voordeur gelegen aan de straatzijde, soms is de voordeur onderdeel van een zijgevel. In alle gevallen is er een representatieve gevel gericht op de straat. De meeste zijgevels van vrijstaande panden zijn voorzien van ramen. Detailaspecten: detaillering, kleur- en materiaalgebruik De meeste woningen hebben een individuele uitstraling door diversiteit in gevelindeling, materiaal- en kleurgebruik, en soms door de aanwezigheid van oorspronkelijke details, zoals trasraam, fraaie gootlijsten, schoorstenen, erkers en dergelijke. Op een enkele plaats zijn woningen seriematig gebouwd: zij hebben dus een identieke of verwante verschijningsvorm. De oorspronkelijke bebouwing is traditioneel, later gerealiseerde bebouwing kan zeer divers van karakter en uiterlijk zijn. De hoofdgebouwen zijn opgetrokken in baksteen. De kleur is divers. In hoofdzaak roodbruin tinten, maar ook zandkleurige stenen komen voor. Recent toegevoegde bebouwing is ook opgetrokken in witgrijze baksteen. Andere toegepaste gevelmaterialen zijn stucwerk (wit) en hout. De daken zijn voorzien van rode of donkergrijze dakpannen. Een aantal historische panden heeft een rieten dak. Afhankelijk van de bouwperiode zijn de gebouwen rijk gedetailleerd (oudere panden) of voorzien van weinig details (nieuwere bebouwing). Veelal zijn bij recent gebouwde woningen wel details opgenomen, zoals die bij oudere woningen aan het lint voorkomen. Het kleur- en materiaalgebruik van kozijnen, draaiende delen van ramen, deuren en dergelijke is traditioneel en ingetogen. Sommige bedrijven in panden maken gebruik van reclameborden aan de voorgevel. Deze zijn niet altijd afgestemd op het architectonische beeld van het gebouw en zijn in bonte kleuren uitgevoerd. Waardering De linten zijn van historisch belang en vertellen iets over de ontwikkelingsgeschiedenis van Veenendaal. De linten Kerkewijk, Nieuweweg en Bernhardlaan/Stationstraat zijn bovendien de invalswegen van Veenendaal. De andere linten hebben een grote historische waarde of zijn karakteristieke structurerende lijnen in de stad. De bebouwing is divers, veelal vrijstaand, met een traditionele verschijningsvorm. De variatie in bebouwing is bepalend voor het straatbeeld. Diversiteit in bebouwing en uiterlijk is de norm. De afwisseling van bebouwing en open ruimte ertussen is karakteristiek voor de linten. Belangrijk in het straatbeeld zijn de voortuinen en de (groene) erfafscheidingen. Aan het lint Kerkewijk wisselen kleinschalige en (relatief) grootschalige bebouwing elkaar af. Daarbij zijn er enkele gebouwen die door maat, schaal en uiterlijk afwijken/opvallen binnen de diversiteit van de lintbebouwing, zoals: grootschalige ouderen complexen; een nieuwbouw in de vorm van twee identieke stadsvillas. Voor bovengenoemde bebouwing wordt verwezen naar de gebiedsbeschrijving respectievelijk van 'Instituten/maatschapelijke doeleinden T3 en van 'Thematische inbreidingen (vanaf 1990) W4'. Wellicht is bij oudere gebouwen op termijn renovatie of modernisering te verwachten. Gezien het individuele karakter van de bebouwing is sloop en nieuwbouw van individuele woningen mogelijk. De gebiedsgerichte criteria zijn opgenomen in Bijlage 1 Gebiedsgerichte criteria en objectgerichte criteria. (Semi-) aaneengesloten bebouwingslint H2C Tot dit thema behoren de volgende linten: Patrimoniumlaan (oostelijke deel), Panhuis/Zandstraat, Pr. Bernhardlaan (centrum) en Verlaat/Valleistraat. Hoofdaspecten: bebouwing en omgeving Het beeld en karakter van dit lint worden bepaald door de afwisseling tussen bebouwing en aanwezigheid van etalages, luifels en reclameborden van de winkels. In de meeste panden is een winkel op de begane grond gesitueerd. De bebouwing is pand voor pand ontwikkeld. De panden dateren uit verschillende tijden, zijn in verschillende stijlen gebouwd. De kavelbreedte van de percelen varieert. De dichtheid van de linten Panhuis/Zandstraat en Verlaat/Valleistraat neemt af van het centrum richting het buitengebied. De bebouwing is dicht bij het centrum aaneengesloten en verder van het centrum staat de woonbebouwing op een kleine afstand van elkaar. De Pr. Bernhardlaan (centrum) is een oude winkelstraat, hier vormt de aaneengesloten bebouwing een doorgaande gevelwand. De bebouwing van de Patrimoniuumlaan staat op een kleine afstand van elkaar of is hier en daar aaneengesloten, waardoor de semi-aaneengesloten gevelwand prominent aanwezig is. De meeste gebouwen hebben geen tuinen en staan met voorgevels direct aan het trottoir. De winkelpanden op een hoek hebben ook representatieve gevels aan de zijstraat. Hier is ook soms de entree van de winkel gesitueerd. De aaneengesloten gebouwen zijn geplaatst in een rooilijn met incidentele verspringingen. De losse bebouwing heeft meer verspringingen van rooilijn. voorbeelden (semi-) aaneengesloten bebouwingslint H2C Deelaspecten: massa en vorm Het straatbeeld wordt bepaald door de hoofdgebouwen. Bij de aaneengesloten bebouwing zijn de individuele panden herkenbaar door stijl, materiaalgebruik en gevelindeling. De bebouwing is overwegend kleinschalig en traditioneel. Kleine (oudere) woningen worden door de bewoners vergroot door gevel- en dakaanbouwen, dakkapellen etc.. De massa van de bebouwing varieert en is over het algemeen één of twee bouwlagen hoog met kap. Incidentele (nieuw)bouw heeft een grotere massa en afwijkende hoogte: Een aantal gebouwen aan de Pr. Bernhardlaan heeft een hoogte van drie lagen met een kap. Een gebouw met drie bouwlagen aan het begin van de Patrimoniumlaan -een recent gerealiseerde pand op de hoek Verlaat/Vijgendam heeft een hoogte van drie lagen met terugliggende vierde laag; een flatgebouw en twee nieuwe panden aan de Zandstraat hebben een hoogte van drie lagen. De meeste woningen zijn voorzien van een kap. Diverse kapvormen komen voor, zadeldak, schilddak, mansardedak etc. Een enkel gebouw heeft een plat dak. De verschillende dakvormen dragen bij aan de herkenbaarheid van de individuele woning. Doordat de bebouwing dicht op elkaar is gesitueerd, zijn de zijgevels vaak gesloten. Enkele zijgevels zijn door de verschillen in hoogtes deels zichtbaar vanaf de straat. De meeste reclames, winkelpuien en entrees zijn toegesneden op het individuele pand. Hier en daar hebben winkels de pui naar eigen inzicht aangepast, bijvoorbeeld door een ander materiaalgebruik en toepassen van luifels. Hierdoor is er niet altijd de gewenste relatie tussen begane grond en bovengelegen verdiepingen. Detailaspecten: detaillering, kleur- en materiaalgebruik De oudere bebouwing is traditioneel, later gerealiseerde bebouwing is divers van karakter en uiterlijk. De gebouwen zijn nagenoeg allemaal opgetrokken in baksteen, een enkel gebouw is wit gestuct. Afhankelijk van de bouwperiode en -stijl zijn de gebouwen rijk gedetailleerd (de oudere bebouwing) of hebben een eenvoudige detaillering met weinig details(nieuwere bebouwing). De oudere bebouwing heeft een traditionele vormgeving met een zorgvuldig, ambachtelijk materiaalgebruik en detaillering.Veel gebouwen zijn voorzien van oorspronkelijke details die passen bij de architectuur van een bepaalde tijd, zoals trasramen, raam- en deurlijsten, diepe neggen, erkers, etc. Het kleur- en materiaalgebruik van kozijnen, draaiende delen van ramen, deuren en dergelijke is traditioneel en ingetogen. Luifels en reclameborden van de winkels aan de voorgevels zijn af en toe in felle kleuren uitgevoerd. Waardering De linten zijn van historisch belang en vertellen iets over de ontwikkelingsgeschiedenis van Veenendaal. Deze linten, met winkelfuncties hebben bovendien een maatschappelijk belang. De bebouwingswand met individueel herkenbare panden is karakteristiek voor het beeld. De bebouwing is divers, met een traditionele verschijningsvorm. De variatie in bebouwing is bepalend voor het straatbeeld. Diversiteit in bebouwing en uiterlijk is de norm. Aan het begin van de Verlaat en de Valleistraat maakt oude bebouwing plaats voor nieuwe ontwikkelingen. De eerste locatie is onderdeel van het masterplan Centrum-Oost. Op de hoek Zandstraat/ Weverij is een oud gebouw gesloopt. Aan de westzijde van de Pr. Bernhardlaan ontbreekt een deel van de bebouwingswand. Wellicht is bij oudere gebouwen op termijn renovatie of modernisering te verwachten. Gezien het individuele karakter van de bebouwing is sloop en nieuwbouw van individuele woningen mogelijk. De gebiedsgerichte criteria zijn opgenomen in Bijlage 1 Gebiedsgerichte criteria en objectgerichte criteria. Planmatig bebouwingslint H2D Tot dit thema behoort het lint de Patrimoniumlaan (westelijke deel). Hoofdaspecten: bebouwing en omgeving In het verlengde van het woon-winkellint aan de Patrimoniuumlaan is planmatige bebouwing gesitueerd. De Patrimoniumlaan stopt bij de kruising met de Adriaen van Ostadelaan en eindigt met de kerk. De panden zijn gebouwd omstreeks 1950, zijn traditioneel en identiek per straatkant. De bebouwing staat op gelijke afstand, een paar meter uit elkaar. De panden zijn geplaatst in een rooilijn en de voorgevels zijn georiënteerd op de straat. De gebouwen hebben voortuinen en woningen op de hoek hebben zijtuinen. De overgang van privé- naar openbaar terrein is gemarkeerd met een gemetseld laag muurtje of een andere erfafscheiding. voorbeelden planmatig bebouwingslint H2D Deelaspecten: massa en vorm Het straatbeeld wordt bepaald door de hoofdgebouwen. De bebouwing bestaat uit twee-onder-één-kap woningen. Aan- en bijgebouwen staan achter op het erf en zijn niet zichtbaar vanaf de openbare ruimte. Uitzondering: op de hoek bij de kruising met Frans Halslaan is een winkelruimte van Thuiszorg. Deze ligt iets terug ten opzichte van de voorgevel en is met een hoogte van één bouwlaag niet prominent aanwezig. De massa en vorm van de hoofdbebouwing varieert per straatkant: woningen van één laag met hoge kap staan aan een kant van de straat en woningen van twee lagen met kap aan de andere zijde van de straat. Alle woningen hebben een symmetrische opbouw. De woningen zijn voorzien van een kap. De hoge kappen hebben een zadeldakvorm. De woningen aan de andere kant van de straat zijn voorzien van een schilddak. De nokrichting ligt evenwijdig aan de straat. Aan deze kant van de straat staat één woning met samengestelde kap. De overgang van gevel naar dak wordt gemarkeerd door een daklijst. Een woning van één laag hoog is door de bewoners aangepast: de goot- en nokhoogte zijn verhoogd. De dakkapel ligt in een lijn met de andere dakkapellen. Detailaspecten: detaillering, kleur- en materiaalgebruik De bebouwing heeft een eenvoudige, traditionele vormgeving met een zorgvuldig, ambachtelijk materiaalgebruik en detaillering. Materiaal en kleurgebruik zijn traditioneel en ingetogen. De gebouwen zijn allemaal opgetrokken in roodbruin baksteen. De dakbedekking bestaat uit donkergrijze dakpannen. De gebouwen zijn voorzien van oorspronkelijke details die passen bij de architectuur van die tijd, zoals afgeronde deurlijsten, doorlopende lateien. Kozijnen en deurlijsten zijn in het algemeen geschilderd in wit, met donker geschilderde draai en bijelementen. De oorspronkelijke dakbrede dakkapellen op de hoge kappen passen in maat en esthetiek bij de architectuur van het hoofdgebouw. Hetzelfde geld voor een paar later toegevoegde dakkapellen. Waardering De waarde van dit lint bestaat uit een samenhangend straatbeeld. Karakteristiek is de eenheid van de bebouwing per straatkant en het samen gaan van beide straatkanten tot een samenhangend beeld. De bebouwing heeft een traditionele verschijningsvorm. De identieke twee-onder-één-kap woningen zijn bepalend voor het straatbeeld. Wellicht zijn uitbreidingen van de woningen in de vorm van dakkapellen of opgehoogde gevel te verwachten. De gebiedsgerichte criteria zijn opgenomen in Bijlage 1 Gebiedsgerichte criteria en objectgerichte criteria. 8Planmatig ontworpenwoongebieden Woonwijken in traditionele blokverkaveling W1 Tot dit thema behoren de volgende wijken/buurten: Franse Gat; Boslaan e.o.; bebouwing aan de Pelikaanstraat/Ambachtsstraat; bebouwing aan de Nyverheidslaan/Groeneveldselaan. Hoofdaspecten: bebouwing en omgeving De bebouwing in dit gebied is voornamelijk gerealiseerd tussen 1950 en 1960. Het gebied heeft een eenvoudig stratenpatroon en wordt gekenmerkt door straatgericht wonen. Langs de straten zijn rijen aaneengesloten woningen gebouwd, veelal in rijen van zes of meer. De rijenwoningen worden afgewisseld met twee-onder-één-kap woningen en in incidentele gevallen met lage flatgebouwen. Karakteristiek is de situering van de flats in de Franse Gat langs de Rondweg West en de spoorlijn Utrecht - Rhenen. Soms is sprake van een geclusterde stedenbouwkundige opzet, waarbij meerdere woningen een eenheid vormen in architectuur en verkaveling. Voorbeeld hiervan zijn: Van Hogendorpstraat en het zuidelijke deel van De Savornin Lohmanstraat met een tuinwijkachtige karakter. Bebouwing per straat staat in één rooilijn. Op enkele plaatsen is een verspringing in de rooilijn aanwezig om lange bebouwingswanden langs de straten te voorkomen( De Savornin Lohmanstraat en de Boslaan). De straathoeken zijn open, waarbij de woningen veelal een duidelijk onderscheid hebben tussen voor- en zijgevel. De woningen hebben een voortuin en zijn met de voorzijde georiënteerd op de openbare ruimte. Voor- en zijtuinen zijn gescheiden van de openbare ruimte door eenvoudige, lage erfafscheidingen. In de Franse Gat aan de Keuheniusstraat - Talmastraat is een vooroorlogse tuinwijkachtige arbeidersbuurt (jaren 1920-1930) gelegen. Deze buurt staat op de gemeentelijke monumentenlijst. De huizen aan het Talmaplein en Talmastraat zijn omstreeks 1970 gebouwd maar vormen een ruimtelijke eenheid met deze buurt (voor de beschrijving zie W6). voorbeelden woonwijken in traditionele blokverkaveling W1 Deelaspecten: massa en vorm Rust in het bebouwingsbeeld ontstaat door de heldere en eenvoudige hoofdvormen, en verbindende werking van de dakvlakken, gevelindeling en gootlijnen. De rijenwoningen zijn overwegend twee bouwlagen hoog met een zadeldak parallel aan de straat. De twee-onder-één-kap woningen zijn één of twee bouwlagen hoog en voorzien van een mansardedak of een zadeldak. Twee-onder-één-kap woningen hebben een symmetrische opbouw en zijn grofweg aanwezig in twee typen: een eenvoudige type, identiek aan rijenwoningen; een type in tuindorp-achtige stijl. Deze woningen hebben vaak forse kappen en accenten in de vorm van erkers. Veel zijgevels zijn voorzien van een of meerdere ramen. Dakkapellen bevinden zich zowel aan de voorzijde als de achterzijde van de woning. De oorspronkelijke dakkapellen zijn zorgvuldig in het dakvlak opgenomen. De dakkapellen zijn met de boven- en onderzijde in één horizontale lijn geplaatst. In de loop der tijden zijn door bewoners zaken aangepast. Bijvoorbeeld de uitbreiding van woningen van één laag met kap door het optrekken van de gevel met een bouwlaag. Bij de woningen van twee bouwlagen met kap is in een aantal gevallen een deel van de nok verhoogd, om zo meer ruimte op zolder te creëren. De oorspronkelijke verhouding tussen de gevel en het dak verandert hierdoor. De aan- en bijgebouwen zijn onderschikt aan de hoofdgebouwen en liggen een aantal meters terug ten opzichte van de voorgevel van het hoofdgebouw. De identieke elementen bij rijenwoningen zoals entreeportalen, raampartijen en schoorstenen zijn bepalend voor het straatbeeld. Bij rijenwoningen zijn soms verticale geledingen in de gevels aanwezig in de vorm van penanten (muurdammen) of omlijsting van de entreeportalen. Detailaspecten: detaillering, kleur- en materiaalgebruik De verschijningsvorm van de bebouwing is traditioneel. Materiaal- en kleurgebruik zijn ingetogen, waardoor een samenhangend straatbeeld ontstaat. De meeste woningen zijn in bouwstromen opgeleverd, met een identiek uiterlijk. De flatjes en rijenwoningen bestaan overwegend uit gevelsteen in roodbruine tinten. Twee-onder-één-kap woningen hebben meer variaties in kleuren materiaalgebruik, wisselend per straat. De gevels zijn in donker zandgeel, rood-bruin of bruin gevelsteen uitgevoerd. Ondergeschikt hieraan wordt gewerkt met hout. De daken zijn uitgevoerd in rode, rood-bruine of donkergrijze dakpannen. De gemetselde schoorstenen op vaste onderlinge afstand zijn sterk beeldbepalend. Kozijnen en deurlijsten zijn in het algemeen geschilderd in wit, met eventueel donkere of gekleurde draaiende elementen. In de loop der tijd zijn door bewoners zaken aangepast, zoals de voordeur, de kleur van kozijnen of de bewegende delen van de ramen. De detaillering van de woningen is sober maar verfijnd. Waardering Deze woongebieden hebben een overzichtelijk, rustig en relatief groen karakter. De aanwezige bebouwing is in haar oorspronkelijke opzet architectonisch en stedenbouwkundig met zorg ontworpen. De waarde van dit gebied is gelegen in de heldere ruimtelijke structuur van rechte straten en overzichtelijke in beeld samenhangende bebouwingseenheden (ensembles). Beeldbepalend zijn de heldere hoofdvormen en de verbindende werking van dakvlakken, gevelindeling en gootlijnen. De bebouwing is verfijnd gedetailleerd. Er is een grote verwantschap in architectuur, massa, vorm, kleur- en materiaalgebruik. De eenheid die in dit gebied als geheel wordt ervaren wordt positief gewaardeerd. Een behoefte aan modernisering of meer woonruimte leidt tot aanpassingen of toevoegingen: verfraaien en uitbreiden van bestaande woningen. Dit kan leiden tot het verlies van de eenheid. Beeldbepalend voor een eenheid is verwantschap in bouwperiode en bouwstijl. Aanbouwen aan achtergevels en dakkapellen/dakopbouwen voegen zich soepel binnen de hoofdkarakteristiek van het bebouwingsthema. Verstoringen van het bebouwingsbeeld doen zich met name voor bij wijzigingen aan de voorgevel. Dit kan afbreuk doen aan het straatbeeld. Verstoringen van het bebouwingsbeeld doen zich ook voor bij hoekwoningen, omdat aanbouwen, bijgebouwen en schuttingen in de zijtuinen vaak op gespannen voet staan met de stedenbouwkundige karakteristiek van de woonwijk. De gebiedsgerichte criteria zijn opgenomen in Bijlage 1 Gebiedsgerichte criteria en objectgerichte criteria. Het Nieuwe Bouwen (jaren 1960 - 1970) W2 Tot dit thema behoren de volgende wijken/buurten; Laagbouw in Engelenburg (Veenendaal -Zuidoost); Gebied tussen Regentesselaan en Stadshouderslaan in De Pol (Veenendaal-Noordwest); Bebouwing langs de Rondweg West (tussen de Gladiolenstraat en de Dahliastraat) aan de westrand van 't Hoorntje (Veenendaal-Noordwest). Hoofdaspecten: bebouwing en omgeving Deze woongebieden worden gekenmerkt door een eenvoudig patroon van haaks op elkaar staande woonstraten. Herhaling van woningtypen en verkavelingtypen is bepalend voor het beeld van deze gebieden. De meeste woningen hebben een uniform karakter. De laagbouw van Engelenburg bevindt zich tussen de twee zones met hoge flatgebouwen. Haaks op de straten liggen doodlopende straatjes - hoven. Deze eindigen met een parkeervlak of een rij garages met eventueel een groen binnenterrein. Hier staan zowel aaneengesloten (rijen) woningen als twee onder-een-kap woningen. In de hoek Dillewijnen/Boompjesgoed staat een klein aantal vrijstaande woningen. Vrijstaande en twee-onder-één-kap woningen vormen onderdeel van de ruimtelijke structuur en zijn daarom onderdeel van de woongebieden. Tussen Regentesselaan en Stadshouderslaan is een klein gebied met een aantal bouwblokken met rijenwoningen. Bebouwing langs de Rondweg West kenmerkt zich door herhaling van uniforme woningen gegroepeerd rond een openbare ruimte (stempels). Het betreft flats gecombineerd met grondgebonden woningen. De woningen zijn met de voorzijde georiënteerd op straat. Naar de (openbare) hofjes zijn zowel voor-, achter- als zijkanten van de woningen gericht. De bebouwing is per architectonische eenheid in een rooilijn geplaatst. Alle grondgebonden woningen hebben een voortuin en bij hoekwoningen is er een zijtuin. voorbeelden het nieuwe bouwen (jaren 1960 - 1970) W2 Deelaspecten: massa en vorm Het beeld wordt bepaald door de homogene en eenduidige hoofdvorm van de aaneengesloten woningen of identieke twee-onder-één-kap woningen: twee bouwlagen hoog met een zadeldak evenwijdig aan de straat. Uitzondering: De woningen aan de Bongerd zijn van drie bouwlagen hoog en hebben een zadeldak met een flauwe helling; De rijenwoningen aan de Gladiolenstraat hebben een zadeldak met een flauwe helling en bestaan gedeeltelijk uit één bouwlaag. De flats hebben een eenvoudige rechthoekige vorm en zijn 3 of 4 lagen hoog. In deze woongebieden zijn alle daken van de woningen voorzien van donkergrijze dakpannen. De kopgevels zijn zichtbaar vanaf de openbare ruimte en soms uitgevoerd als blinde gevel, soms voorzien van een kleine raam. Aan- en bijgebouwen zijn gesitueerd naast en achter het hoofdgebouw. Zo zijn aan de uiteinden van de woonblokken vaak aanbouwen gerealiseerd, teruggelegen ten opzichte van de voorgevel. De aan- en uitbouwen zijn voorzien van een plat dak (garages tussen twee-onder-één-kap woningen) of een kap. Zij zijn in vorm en uiterlijk ondergeschikt aan het hoofdgebouw. Aan de voorzijde van de woningen zijn enkele dakkapellen aanwezig. Detailaspecten: detaillering, kleur- en materiaalgebruik De woningen zijn in bouwstromen opgeleverd, met een identiek uiterlijk per rij of straat. Kenmerkend is het type 'doorzonwoning', met relatief grote raamvlakken aan voor- en achterzijde van de woning. De gevels van de bebouwing bestaan uit ingetogen rode of beige baksteen. De nieuwere woningen op de hoek tussen de Stadshouderslaan en Koninginnelaan bestaan uit twee kleuren baksteen: begane grond in donker grijs en eerste verdieping in zandgeel. Industriële bouwmethoden bepalen het uiterlijk van de architectuur en gevels. Daarbij zorgt de aanwezigheid van diverse voor- en achtergevels voor een verschil in uiterlijk tussen de woningen. Zo zijn er woningen met een gevelbrede opzetpui van hout. Daarnaast zijn woningen met een kortere opzetpui, tussen het raam van de woonkamer en het grote raam op de eerste verdieping, een halve gevel breed. In de buurt tussen de Regentesselaan en de Stadshouderslaan is een opzetpui tussen de ramen van de eerste verdieping toegepast. Maar er zijn ook woningen geheel opgetrokken in baksteen. Bij een aantal huizen is de opzetpui weggehaald en vervangen door metselwerk in de kleur van de voorgevel. Bij de meeste woningen met 'opzetpuien' zijn het kleur- en materiaalgebruik per rij aaneengesloten woningen op elkaar afgestemd. Naast oorspronkelijke toevoegingen aan de voorgevel (luifels, etc) zijn in de loop der tijd door bewoners zaken aangepast, zoals de voordeur, een balkon, de kleur van kozijnen. Af en toe is een garagedeur vervangen door een raam en voordeur. Het kleur- en materiaalgebruik van opzetpuien, kozijnen, draaiende delen van ramen, deuren en dergelijke is traditioneel en ingetogen. Waardering De bebouwing is in de oorspronkelijke opzet architectonisch en stedenbouwkundig met zorg ontworpen, met een uniform karakter. Rijenwoningen en/of blokken (stempels) worden herhaald, waardoor de uitstraling voor het hele gebied veelal gelijk is. Door de detaillering in de gevel en toegepaste kleuren ontstaat per straat of per rij woningen een karakteristiek beeld. Het motto voor deze gebieden is "eenheid in verscheidenheid". De eenheid (van de hoofdmassa) per blok of rij wordt positief gewaardeerd en biedt ruimte voor ontwikkeling. Erkers, dakkapellen en aan- en uitbouwen aan de voorzijde van de woning kunnen het straatbeeld verlevendigen. Bij alle variatie dient evenwel chaos te worden voorkomen. Dat betekent veelal dat de variatie zich richt rond een thema. In dit type woongebied zijn geen grote veranderingen en ontwikkelingen gepland of te verwachten. Een behoefte aan modernisering of meer woonruimte kan leiden tot aanpassingen of toevoegingen. De gebiedsgerichte criteria zijn opgenomen in Bijlage 1 Gebiedsgerichte criteria en objectgerichte criteria Forumbeweging (woonerven jaren 1970 - 1980) W3 Tot dit thema behoren de volgende buurten/wijken: Dragonder-Noord en Dragonder-Zuid, gerealiseerd in de jaren '70 (Veenendaal-Noordoost); Schepenbuurt, Oudeveen e.o. en De Schans e.o., ontwikkeld vanaf eind jaren '70 tot eind jaren '80 (Veenendaal-West); locatie aan de Talmaplein en Talmastraatstraat in de Franse Gat, jaren '70 (Veenendaal-Zuidwest) woonbuurt tussen De Boslaan, de Middellaan en het spoor uit eind jaren '80 (Veenendaal-Zuidoost). Hoofdaspecten: bebouwing en omgeving Deze woongebieden zijn gebouwd in een groot aantal fases, met veranderingen in de stedenbouwkundige opzet, waardoor er verschil is ontstaan tussen de verschillende wijken en buurten: een grillig stratenpatroon van de Dragonder-Noord en het oostelijke deel van Schepenbuurt; een stempelachtige verkavelingspatroon van rijenwoningen in de Dragonder-Zuid; strakkere verkaveling met langere straten in het westelijke deel van de Vogelbuurt. De bebouwing is cluster na cluster, straat na straat ontwikkeld. Afzonderlijke buurten, clusters en straten vormen samenhangende eenheden. In deze woongebieden staan vooral rijenwoningen en twee-onder-één-kap woningen. Het gebied heeft een patroon van haaks op elkaar staande straten, met verspringingen in wegprofiel. De stedenbouwkundige opzet bestaat uit bijna vierkante blokken met relatief korte straten. Veel straten hebben afgeronde hoeken. De verkeersstructuur is niet gericht op autoverkeer, maar op de voetganger en het spelende kind. Kenmerkend voor de opzet en architectuur in deze gebieden is de menselijke schaal en maat. Bebouwing begeleidt woonstraten, afgeronde hoeken van de straten en ruimten. Architectonische accenten versterken het stedenbouwkundig concept: appartementen met afwijkende architectuur (vorm, kleur) op beeldbepalende plekken langs de ontsluitingsweg (rotonde de Reede/De Monding en de bocht van De Pionier); verbijzondering op de hoeken door appartementen; verbijzonderingen door 'poorten" voor langzaam verkeer door appartementen (Oudeveen/De Schans e.o.) In deze woongebieden komen kleinschalige groenterreinen en parkeervoorzieningen voor. voorbeelden forumbeweging (woonerven jaren 1970 - 1980) W3 Deelaspecten: massa en vorm De meeste rijenwoningen en twee-onder-één-kap woningen zijn uitgevoerd in twee bouwlagen. (Terras)flats, hoekappartementen en "poortgebouwen" zijn veelal 3 bouwlagen hoog met of zonder kap. De rijenwoningen en twee-onder-één-kap woningen zijn alle voorzien van een kap. Het zadeldak evenwijdig aan de straat of haaks op de staat is het meest aanwezig. Afgetopte kappen en kappen met een verspringing in de nok komen ook voor. De bijgebouwen staan veelal voor de woning. Garages, bergingen, entrees zijn als kleine losse massa's aan de hoofdmassa geschakeld of los gesitueerd. De dakvlakken van de hoofdgebouwen lopen vaak door in de verschillende bijgebouwen aan de voorzijde van de woningen. Een deel van de aanbouwen aan de voorzijde heeft een plat dak. Het bijgebouw is veelal gebouwd vóór de rooilijn van de hoofdmassa, waardoor deze bijgebouwen (garages, berging en entree) bepalend zijn voor het straatbeeld. In de loop der tijd zijn door bewoners zaken aangepast, zoals nieuwe carports uitbreidingen van aanwezige aanbouwen en dakkapellen aan de voorzijde. Detailaspecten: detaillering, kleur- en materiaalgebruik De woningen zijn in bouwstromen opgeleverd. De architectuur van de woningen is traditioneel en verschilt per straat. Het oorspronkelijke materiaal- en kleurgebruik zijn samenhangend per straat/cluster. De meeste woningen bestaan uit gevelstenen in lichtrode of roodbruine tinten. Incidenteel zijn woningen witgeschilderd of in wit baksteen uitgevoerd. De daken zijn uitgevoerd in rode of donkergrijze dakpannen. Sommige gebouwen zijn voorzien van opzetpuien of houten detailleringen. Voor houten delen van de gevel zijn soms opvallende kleuren of met metselwerk contrasterende donkere kleuren toegepast, zoals rood of blauw. Hier en daar is een gedeelte van de gevel van kunststof (trespa). De detaillering van de woningen is sober en ingetogen. Af en toe zijn er afwijkende accenten zoals luifels met een minder traditionele vorm en materiaal. In de loop der tijd hebben bewoners zaken aangepast, zoals de voordeur, een luifel boven entree, de kleur van opzetpuien, kozijnen, etc. Waardering De bebouwing is in de oorspronkelijke opzet architectonisch en stedenbouwkundig met zorg ontworpen en heeft een uniform karakter. De waarde van deze gebieden ligt in de stedenbouwkundig opzet, de groene plekken en de kleine schaal van de bebouwing. De bebouwing is gevarieerd, maar door eenheid per buurt (cluster) en/of straat zijn samenhangende eenheden gecreëerd. De detaillering in de gevel en toegepaste kleuren en materialen versterken de karakteristieke eenheid geen cluster/straat of rijwoningen. Beeldbepalend is de eenheid per cluster/straat (uiterlijk, massa, vorm etc.) en verwantschap in bouwperiode en bouwstijl. In dit type woongebied zijn geen grote veranderingen en ontwikkelingen gepland. Een behoefte aan modernisering of meer woonruimte kan leiden tot aanpassingen of toevoegingen. Erkers, dakkapellen en aan- en uitbouwen aan de voorzijde van de woning kunnen het straatbeeld verlevendigen. Om een te grote variatie (lees: chaos) te voorkomen is het beleid gericht op variatie op en binnen een thema. Ten aanzien van de schuurtjes, carports en dergelijke geldt dat de individuele afwijkende uitbreidingen aan de openbare ruimte de rust en samenhang van het beeld binnen een rij/straat/cluster verstoren. Waar grote delen van de gevels in hout zijn uitgevoerd kan afwijkend kleurgebruik of vervanging van gevelmateriaal afbreuk doen aan het straatbeeld. De gebiedsgerichte criteria zijn opgenomen in Bijlage 1 Gebiedsgerichte criteria en objectgerichte criteria. Thematische inbreidingen (vanaf 1990) W4 Tot dit thema behoren de volgende gebieden: Tussen het spoor, Sparrenlaan, Dennenlaan en achter de bebouwing aan de Kerkewijk; Molenstraat/deTerp; Aan de Zoete Inval (achter de Vijgendam); Frisia (Hollandia) terrein; Willem de Zwijgerstraat e.o.; Nieuwbouw aan de Willem Barentzstraat Aan de Munnikenschans en Moerschans, achter de lintbebouwing aan de Munnikenweg; Diverse inbreidingslocaties waaronder Quartier Kerkewijk, inbreidingslocaties langs de centrumring, en bij de David Tenierslaan Hoofdaspecten: bebouwing en omgeving Deze nieuwe woongebieden zijn binnen de stad ontwikkeld op stukken grond die vrij gekomen zijn door verlies van functies. Een voorbeeld hiervan zijn inbreidingen op plaatsen van de oude fabrieksterreinen en kleine bedrijfsterreinen. Deze gebieden hebben een fragmentarisch karakter maar leveren door hun afwijkende uitstraling bij aan de karakteristiek van de stad. Inbreidingsgebieden zijn duidelijke eenheden en hebben een introvert karakter met een eigen identiteit. Uitzondering hierop zijn: Quartier Kerkewijk heeft twee poortgebouwen aan het lint Kerkewijk; Bebouwing langs de Weverij die de binnenring begeleidt. Kleine inbreidingen zijn in het bestaande stratenpatroon opgenomen maar zijn duidelijk herkenbaar door een opvallend en van de omgeving afwijkend uiterlijk, alsmede door een hogere bebouwingsdichtheid. Afhankelijk van de omvang van het gebied is er een samenhang per straat, cluster of architectonische eenheid. De verkavelingopzet heeft een helder onderscheid tussen openbaar en privé. De inrichting van openbare ruimte is veelal met zorg ontwikkeld. De bebouwing bestaat uit rijenwoningen, twee-onder-één-kap woningen en vrijstaande woningen. Soms is gestapelde bouw in het gebied opgenomen. Deze heeft een markante plek in een cluster, bijvoorbeeld aan het water (Edelmanlaan), of midden in de cluster (Moerschans). voorbeelden thematische inbreidingen (vanaf 1990) W4 Deelaspecten: massa en vorm Bij de ontwikkeling van deze gebieden is veel aandacht besteed aan de architectonische/stedenbouwkundige uitstraling. De gebieden of clusters vormen architectonische eenheden met specifieke bouwmassa's en bouwvormen. Per straat of cluster is vaak voor een bepaald type woning gekozen. De rijenwoningen, twee-onder-één-kap woningen en vrijstaande woningen zijn één of twee bouwlagen hoog en voorzien van een kap. De aan- en bijgebouwen zijn in massa en vorm ondergeschikt aan het hoofdgebouw. Er zijn weinig dakkapellen aanwezig. Indien aanwezig dan is de vormgeving (maat en esthetiek) afgestemd op de architectonische eenheid. Detailaspecten: detaillering, kleur- en materiaalgebruik De aandacht voor de architectuur is vertaald in een zorgvuldige detaillering en kleur- en materiaalgebruik. Detaillering, materiaal -en kleurgebruik zijn vaak sterk bepalend voor de eenheid binnen de architectonische cluster. Zij zijn gebruikt als instrument om de woningen binnen de architectonische cluster te binden. Het kleurgebruik varieert van ingetogen traditioneel tot opvallend felle kleuren van details. Afhankelijk van de architectuurstijl is sprake van verbijzonderen van lagen, entrees, hoeken, zijgevels en dergelijke. Bijvoorbeeld door kleur, stuukwerk, twee kleuren baksteen in de gevel, etc. Alles zorgvuldig gedetailleerd en passend bij de architectuur van het desbetreffende gebouw, bijvoorbeeld roeden in de ramen, luifels boven de voordeur, schoorstenen etc. Waardering Bij de inbreidingsgebieden is veel zorg en aandacht besteedt aan de stedenbouwkundige en architectonische eenheid en de inrichting van de openbare ruimte. Doordat de bebouwing van recente datum is, is de eenheid binnen een ensemble nog sterk aanwezig. Deze gebieden onderscheiden zich duidelijk van de oudere bebouwing in de omgeving. In deze gebieden zijn geen grote ontwikkelingen gepland of te verwachten. Echter individuele bewoners kunnen in de loop der tijd behoefte krijgen om woningen aan te passen en uit te breiden. Gedacht kan worden aan zolderkamers, dakkapellen, erkers, e.d. De gebiedsgerichte criteria zijn opgenomen in Bijlage 1 Gebiedsgerichte criteria en objectgerichte criteria. Thematische uitbreidingswijken (vanaf 1990) W5 Tot dit thema behoren de volgende woongebieden: Componistenbuurt en Dichtersbuurt in Veenendaal-West; Petenbos en Petenbos-Oost in Veenendaal-Zuidoost; De Gelderse Blom in Veenendaal-Noordwest. Dragonder-Oost Hoofdaspecten: bebouwing en omgeving Als reactie op de architectuur en stedenbouw na de Tweede Wereldoorlog vindt een omslag plaats in het ontwerp van nieuwe woongebieden. Ook de veranderende volkshuisvestingsopgave is hierop van invloed. De woningnood is achter de rug en er wordt meer marktconform gebouwd. De nieuwe woongebieden krijgen een duidelijk imago mee dat onder meer naar voren komt in een uitgesproken architectuur. Soms wordt teruggegrepen op architectuurstijlen uit het verleden, van neo-traditioneel (jaren 30-stijl) tot neo-modern (kubistische, staal, beton, glas). In het verkavelingsplan wordt in tegenstelling tot de wijken uit de voorgaande decennia weer gestreefd naar een helder onderscheid tussen openbaar en privé-gebied. Er worden weer woonstraten en bouwblokken gemaakt, waarbij de voorzijde is gericht naar de straat en de private achtertuinen zijn gelegen in binnengebieden. De inrichting van de openbare ruimte is veelal met zorg ontwikkeld. Het stedenbouwkundige plan is vaak opgehangen aan enkele "structuurdragers", zoals historische routes, zichtassen, randen van de wijk of centraal gelegen groene ruimten. De structuurdragers verbinden visueel de buurten binnen een wijk en zorgen voor aanknopingspunten voor de oriëntatie. In de opzet van de wijken krijgen de verschillende architectuurthema's een bewuste plek toegewezen, zodat ook het beeld van de wijken als geheel wordt ondersteund. Zo wordt een bijzondere architectonische cluster "Stad in Stad" midden in de wijk Petenbos verbonden aan de metafoor 'vesting'. voorbeelden thematische uitbreidingswijken (vanaf 1990) W5 Deelaspecten: massa en vorm Bij de ontwikkeling van deze gebieden wordt veel aandacht besteed aan de architectonische/stedenbouwkundige uitstraling. Per blok, straat of buurt is vaak voor een bepaald type woning gekozen. De aan- en bijgebouwen zijn in massa en vorm ondergeschikt aan het hoofdgebouw. Het ontwerp van erfafscheidingen en optionele uitbreidingen zoals erkers, dakkapellen en serres is vaak meegenomen in het totaalplan. Gebouwen met afwijkende massa en/of vorm versterken daarbij het stedenbouwkundig concept: Bouwblokken van

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.