← Nederland

Omgevingsprogramma Faunabeleid en Monitoring (Utrecht)

In het kort

Dit programma geeft richting aan het beleid voor faunabeheer en monitoring in de provincie Utrecht voor de komende jaren, met als doel schade en overlast door dieren te voorkomen of te beperken. Het richt zich op het vinden van een balans tussen de bescherming van dieren en het voorkomen van problemen voor menselijke belangen.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

/akn/nl/act/provincie/2025/CVDR735300 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/pv26/2024/2_34 /join/id/stop/work_019 2025-02-07 2025-02-07 /akn/nl/act/provincie/2025/CVDR735300/nld@2025-02-09 /join/id/proces/pv26/2025/2_1069_nieuweregeling 2025-02-09 2025-02-09 /akn/nl/act/pv26/2024/2_34/nld@1069 /akn/nl/act/pv26/2024/2_34 /akn/nl/act/pv26/2024/2_34/nld@1069 /join/id/stop/work_019 v1 Omgevingsprogramma Faunabeleid en Monitoring Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Korte schets van het beleidsveld met oog op de toekomst Faunabeleid en ­beheer in de provincie Utrecht is een complexe puzzel. De druk op de ruimte is groot. Landbouw, steden, infrastructuur en natuur liggen dicht bij elkaar en zijn deels met elkaar vervlochten. Dit leidt tot conflicten tussen functies en belangen. Daar waar dieren zorgen voor problemen, probeert de provincie tot een passend faunabeleid te komen om schade te voorkomen of te beperken. Dat doet de provincie niet alleen, maar samen met partners waaronder de Faunabeheereenheid, grondeigenaren, Wildbeheereenheden en natuurorganisaties. Faunabeleid is nooit af. De samenstelling van dieren en planten verandert constant, maar ook maatschappelijke en politieke wensen verschuiven. Daarnaast leiden nieuwe inzichten over populaties en methoden ook tot aanpassing van het faunabeleid en ­beheer en neemt de vraag om goede monitoring toe. Dit Omgevingsprogramma Faunabeleid en Monitoring (OFM) geeft richting aan het faunabeleid voor het faunabeheer binnen de provincie Utrecht voor de komende jaren. Faunabeleid is het kader voor het faunabeheer en gaat over (beschermde) dieren die mogelijk schade en/of overlast kunnen veroorzaken aan door de wet erkende belangen, zoals gewasschade, openbare veiligheid en natuurschade. Onder faunabeheer verstaan we niet­dodende en dodende maatregelen die ertoe leiden dat schade en overlast beperkt wordt tot een acceptabel niveau. Denk daarbij aan bijvoorbeeld het beheer van ganzen (gewasschade, vliegveiligheid) en reeën (verkeersveiligheid). 1.2 Aanleiding voor het programma De op 16 december 2016 door Provinciale Staten (PS) vastgestelde Natuurvisie en het daarmee samenhangende Beleidskader Wet natuurbescherming waren de afgelopen jaren de pijlers onder ons natuurbeleid. Beide documenten zijn echter niet meer passend. Ze moeten worden geactualiseerd. Op 23 november 2022 hebben we het startgesprek met de Statencommissie Ruimte, Groen en Water en Wonen over de Verkenning Interim Omgevingswet programma faunabeleid en monitoring gevoerd. Uit dit gesprek bleek dat er voldoende basis was voor het opstellen van voorliggend uitvoeringsprogramma met het daaraan verbonden uitgebreide participatieproces met alle relevante partners. De eerste gedachte was het opstellen van een integraal omgevingsprogramma voor de beleidsterreinen natuur en landbouw. Met het oog op de ontwikkelingen rondom het Utrechts Programma Landelijk Gebied (UPLG) is dit niet het juiste moment om zo’n veelomvattend omgevingsprogramma te maken. Voor twee onderwerpen, het beleid voor faunabeheer en monitoring, is actualisatie zo dringend nodig dat we niet wachten op een integraal omgevingsprogramma.Voor deze twee onderwerpen stellen we daarom dit Omgevingsprogramma Faunabeleid en Monitoring vast. Het vaststellen is urgent vanwege: de noodzaak van een nieuw Faunabeheerplan (FBP) van de Faunabeheereenheid Utrecht (FBE) dat afloopt in 2025; recente jurisprudentie die eist dat er verbetering en meer inzicht komt in de relaties tussen inzet van preventieve maatregelen, afschot, schade, locaties en daardoor meer onderzoek en monitoring en verzameling van data nodig is; het verbeteren van het inzicht in de staat van instandhouding (hoe het gaat met een soort). Zo is voor een aantal soorten niet inzichtelijk of de staat van instandhouding (SvI) gunstig is en voor een aantal soorten is bekend dat de SvI ongunstig is; het doorvoeren van de in de Omgevingsvisie door Provinciale Staten vastgelegde ambities op het gebied van het voorkomen van schade op diervriendelijke wijze. Daarnaast zien we de jaarlijkse schade­uitkeringen voor gewasschade stijgen door voornamelijk ganzen en hebben we recent te maken gekregen met de wolf.Verder is er de maatschappelijke en politieke wens om het beleid meer te richten op het samenleven met wilde dieren. Dit betekent meer ruimte voor wilde dieren, meer inzet op preventieve niet­dodende maatregelen om schade en overlast te voorkomen en het doden, waar dat nodig blijft als last resort te zien.Dit komt tot uitdrukking in het halverwege het participatietraject van het Omgevingsprogramma Faunabeleid en Monitoring gesloten coalitieakkoord “Aan de slag voor Utrecht” 2023 – 2027, die ook op het terrein van preventieve methode de noodzaak versterkt tot uitwerking van de Omgevingsvisie in dit programma. In het coalitieakkoord staat het volgende: We gaan met Provinciale Staten en betrokken organisaties in gesprek over manieren om tot goed faunabeleid te komen. Een beleid dat schade voorkomt, soorten in stand houdt en waarbij ieder zijn rol pakt. Alternatieve methoden (zoals inrichtingsmaatregelen) en preventieve methoden (zoals verjaging) hebben de voorkeur om schade te voorkomen. Alleen als deze methoden schade onvoldoende voorkomen, is populatiebeheer mogelijk. We stimuleren onderzoek naar diervriendelijke alternatieven. We ondersteunen een goed werkende keten van dierenambulances en wilde dierenopvang in de provincie. We zetten in op natuureducatie ter verbreding van het draagvlak bij dit onderwerp. Invasieve exoten vormen een bedreiging voor de biodiversiteit. De provincie beschermt de Utrechtse flora en fauna onder meer door het bestrijden van invasieve exoten. Voor de aanpak van invasieve exoten (voornemen 4) hebben we eerder het Uitvoeringsprogramma invasieve exoten 2022 – 2026 vastgesteld. Sommige van deze soorten worden desalniettemin in dit programma aangehaald, zodat de Faunabeheereenheid daarop gecoördineerd kan handelen.Het Omgevingsprogramma Faunabeleid en Monitoring is de nadere beleidsmatige uitwerking van de onderdelen uit het natuurbeleid, faunabeleid en monitoring die we aan de hand van de hiervoor genoemde uitgangspunten vernieuwen. Dit mede op verzoek van het bestuur van de Faunabeheereenheid (brief d.d. 22 juni 2022). We beginnen niet bij nul, ook niet voor deze twee onderwerpen. Alleen daar waar er knelpunten zijn in relatie tot de huidige Natuurvisie, het Beleidskader Wet natuurbescherming en het supplement Monitoring passen we de nadere uitwerking van het beleid met dit programma aan. Dit gebeurt in lijn met de Omgevingsvisie en met de ambitie om hiermee een kwaliteits­ en efficiencyslag in het faunabeheer en de monitoring te maken. We zien vooral knelpunten voor faunabeheer met dodende maatregelen. Voor houdbare toestemmingsbesluiten zal meer en beter inzicht nodig zijn in de noodzaak (schadehistorie) en het nut (het effect) van het beheer. Voor dit inzicht is ook een betere registratie van preventieve methoden nodig: welke stappen zijn gezet om schade te voorkomen door andere methoden dan doden. Om beheer te kunnen toestaan is het wettelijk vereist om te weten wat de staat van instandhouding van de soort is. Hiervoor is betere monitoring nodig en voor soorten zullen de populatietrends moeten worden gevolgd. We wegen af in welke mate de benodigde (financiële) inspanningen voor de onderbouwing van toestemmingsbesluiten in het FBP voor het doden van dieren in verhouding staat tot de schade die door deze dieren veroorzaken.Het Omgevingsprogramma Faunabeleid en Monitoring geeft nader beleid voor een toekomstbestendig faunabeheer, waarbij ieder zijn mogelijk gewijzigde rol uitvoert en effectieve preventieve methoden worden ingezet om in het geval van schadebestrijding het doden van dieren zoveel mogelijk te voorkomen. 1.3 Besluitvorming Het Omgevingsprogramma Faunabeleid en Monitoring vervangt een deel van het Beleidskader Wet natuurbescherming

(2017)te weten: de paragrafen 3.2.6 (vergunningverlening voor de opvang van dieren), 3.3 (Faunabeheer), 3.4 (Faunaschadebeleid), 3.5 (Overig) de hoofdstukken 6 (Monitoring, informatievoorziening en onderzoek), 8 (Communicatie), 9 (Financiën) en supplement C (beleidsregels schadebestrijding per diersoort). Participatie en communicatie Provinciale Staten hebben kaders vastgesteld die leidend zijn voor de inhoud van het Omgevingsprogramma Faunabeleid en Monitoring. Deze kaders staan in de Omgevingsvisie en de Programmabegroting. Daarnaast vormen de wet­ en regelgeving en daarop gebaseerde jurisprudentie kaders. Ook houden we rekening met interprovinciale afspraken.Het Omgevingsprogramma Faunabeleid en Monitoring moet met deze kaders en afspraken in overeenstemming zijn. Maar er is ook nog ruimte voor het maken van keuzes bij de nadere invulling van het beleid. In april 2023 zijn voor de participatiebijeenkomst ongeveer 60 betrokken partners uitgenodigd om hun overwegingen te delen. Bij de bijeenkomst waren ongeveer 35 personen aanwezig, vanuit een breed scala aan organisaties. In een ‘world café­opzet’ is met name gesproken over de onderwerpen schade en preventie, ganzen, hoefdieren en monitoring. Dit resulteerde in een groot aantal aandachts­, knel­ en zorgpunten. Deze inbreng is meegenomen in de verdere invulling van het Omgevingsprogramma Faunabeleid en Monitoring.Een conceptversie van het Omgevingsprogramma Faunabeleid en Monitoring is voor een schriftelijke reactie in de periode van 20 juni 2023 tot 17 juli 2023 voorgelegd aan de stakeholders. Hierop hebben we 13 reacties ontvangen, met bijna 140 opmerkingen. Deze zijn beantwoord in het document "Beantwoording reacties conceptversie OFM”. In dit document is ook aangegeven waar dit tot bijsturing van het ontwerp heeft geleid. Dit document is als een separate bijlage bij de ontwerpversie van het Omgevingsprogramma Faunabeleid en Monitoring ter inzage gelegd. De reacties hebben geleid tot waardevolle aanvullingen van de ontwerpversie van het Omgevingsprogramma Faunabeleid en Monitoring. Vaststellen van het programma Het Omgevingsprogramma Faunabeleid en Monitoring is een programma als bedoeld in de Omgevingswet. In artikel 3.4 van de Omgevingswet is bepaald dat Gedeputeerde Staten een programma vaststellen. Voordat het programma definitief is vastgesteld, is een ontwerpversie van 7 november tot en met 18 december 2023 ter inzage gelegd. Tijdens deze periode kon iedereen reageren door een zienswijze in te dienen. We hebben van 168 partijen een reactie gekregen op de ontwerpversie van het Omgevingsprogramma Faunabeleid en Monitoring. Deze zienswijzen zijn opgenomen in de Nota van Beantwoording, met in de bijlage de vragen die zijn gesteld tijdens de bespreking van het ontwerp in de Statencommissie RGW van 29 november 2023 en onze reactie daarop. Hierin is te lezen welke aanpassingen naar aanleiding van de ingediende zienswijzen zijn opgenomen in de definitieve versie van het Omgevingsprogramma Faunabeleid en Monitoring. Milieueffectrapportage Een milieueffectrapportage (MER) is niet nodig voor het kunnen vaststellen van het Omgevingsprogramma Faunabeleid en Monitoring omdat het Omgevingsprogramma Faunabeleid en Monitoring onder het MER valt dat is opgesteld voor de Omgevingsvisie. 1.4 Leeswijzer Van visie naar programma We geven uitwerking aan onze ambities voor de fysieke leefomgeving met de kerninstrumenten uit de Omgevingswet: de omgevingsvisie en ­verordening en programma’s. Deze vormen een samenhangend geheel en vullen elkaar aan (zie figuur 1). De omgevingsvisie beschrijft de ambities en het strategisch beleid voor de fysieke leefomgeving en is alleen bindend voor de provincie. Het is een integrale visie. Het beleid van de omgevingsvisie krijgt uitwerking via de omgevingsverordening en programma’s. Als het beleid uit een omgevingsvisie verder uitgewerkt moet worden, kan dat volgens de Omgevingswet in een programma. In programma’s kunnen overheden maatregelen formuleren die leiden tot de gewenste kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Programma’s zijn niet integraal maar (multi)sectoraal en ingezet op samenhang, zowel qua proces als inhoud. Een programma is zelfbindend, voor het orgaan dat het programma vaststelt. Mocht de uitwerking in het Omgevingsprogramma Faunabeleid en Monitoring aanleiding geven tot bijstelling van onze Omgevingsvisie, dan verwerken wij dat bij de eerstvolgende bijstelling daarvan (in beginsel iedere vier jaar).Als het Omgevingsprogramma Faunabeleid en Monitoring aanleiding geeft onze Omgevingsverordening aan te passen, dan gebeurt dit bij de jaarlijkse bijstelling daarvan. Wijzigingen of intrekken van beleidsregels, zoals de Beleidsregels natuur en landschap, volgen gelijk of zo spoedig mogelijk na vaststelling van het Omgevingsprogramma Faunabeleid en Monitoring, of nadat de uitwerking van een actiepunt uit het Omgevingsprogramma Faunabeleid en Monitoring daartoe aanleiding geeft. Het Omgevingsprogramma Faunabeleid en Monitoring is een onderdeel van de provinciale beleidsdocumenten die zijn gemaakt in het kader van de Omgevingswet. Vanaf 1 januari 2024 zijn de regels van de Wet natuurbescherming onderdeel van de Omgevingswet. In dit stuk wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de terminologie uit de Omgevingswet. Dit betekent dat waar voorheen van een vrijstelling werd gesproken, nu de term “vergunningvrij geval” wordt gebruikt. Ook de term ontheffing wordt niet meer gebruikt, dit valt onder een omgevingsvergunning (kortweg; vergunning). Voor flora­ en fauna­activiteiten in onze Omgevingsverordening wordt de term vrijstelling nog gebruikt. Daarmee worden activiteiten bedoeld die kunnen worden aangewezen als vergunningvrij en worden in dit programma aangehaald als “vergunningvrij geval”. De omgevingsverordening bevat regels die deels alleen gelden voor gemeenten, waterschappen en uitvoeringsdiensten, en deels voor iedereen. Figuur 1: Samenhangend pakket aan instrumenten (bron: Omgevingsvisie) Actiepunten
  1. Na vaststelling van het Omgevingsprogramma Faunabeleid en Monitoring het nader ingevulde beleid, waar nodig, verwerken in Omgevingsvisie bij de eerstvolgende wijziging.
  2. Na vaststelling van het Omgevingsprogramma Faunabeleid en Monitoring de regels verwerken in Omgevingsverordening en Beleidsregels natuur en landschap.
  3. Regels in de Omgevingsverordening en Beleidsregels natuur en landschap aanpassen gedurende de looptijd van het Omgevingsprogramma Faunabeleid en Monitoring, als uitwerking van bepaalde actiepunten in het Omgevingsprogramma Faunabeleid en Monitoring daartoe aanleiding geeft. Trekker: provincie Hoofdstuk 2: Over het programma faunabeleid en monitoring In Hoofdstuk 2 Over het programma faunabeleid en monitoring wordt toegelicht hoe het Omgevingsprogramma Faunabeleid en Monitoring voortkomt uit de kaders van de Omgevingsvisie en de provinciale beleids­ en meerjarendoelen en wat de relatie is met andere beleidsthema’s en het overige natuurbeleid. Hoofdstuk 3: Faunabeleid Hier gaan we in op de nadere uitwerking van het nieuwe faunabeleid. We gaan in op de grondgebruiker, de Faunabeheereenheid en de wildbeheereenheden die een belangrijke rol hebben in de uitvoering. Hoofdstuk 3 Faunabeleid, noodzaak tot herziening en uitvoering geeft onze aanpak per soort weer en vormt een belangrijke basis voor de totstandkoming van het nieuwe faunabeheerplan. Ook gaan we in op de tegemoetkoming in schade op het moment dat beheer onvoldoende werkt om schade te beperken. Hoofdstuk 4: Monitoring In Hoofdstuk 4 Monitoring faunasoorten beschrijven we wat nodig is en welke acties we ondernemen om beter inzicht te krijgen in de staat van instandhouding van beschermde soorten en om in de ogen van de rechtspraak te kunnen voldoen aan de eisen om waar nodig faunabeheer te kunnen toepassen. Voor houdbare besluiten moet dit inzicht worden verbeterd. Dit hoofdstuk heeft betrekking op alle beschermde faunasoorten waarop Gedeputeerde Staten moet besluiten om wel of niet af te wijken van de bescherming.Dit gaat dus om besluiten in het kader van faunabeheer maar ook ruimtelijke ontwikkeling. Ook heeft dit hoofdstuk in zekere mate betrekking op de monitoring van faunasoorten die in hun voortbestaan worden bedreigd (rode lijst, icoon­ en aandachtsoorten, zie paragraaf 2.3 Relatie met overig natuurbeleid). In Hoofdstuk 5 Communicatieafspraken over het faunabeleid en monitoring tot en met Hoofdstuk 8 Financien worden communicatie, samenwerking, toezicht en handhaving en financiering over de nadere uitwerking van het beleid beschreven. In de bijlagen wordt de nodige achtergrondinformatie gegeven, zoals Bijlage 1 Wettelijk kader, Bijlage 2 Rollen, taken en verantwoordelijkheden voor aanpak faunaschade, Bijlage 3 Overzichtstabel programmaopgaves per soort en onderwerp en Bijlage 4 Bouwstenen. Hoofdstuk 2 Over het programma faunabeleid en monitoring 2.1 Het belangrijkste beleid voor faunabeheer en monitoring in de Omgevingsvisie en de Programmabegroting In de Omgevingsvisie en de Programmabegroting hebben Provinciale Staten de kaders vastgelegd. De voor het Omgevingsprogramma Faunabeleid en Monitoring belangrijkste kaders worden hierna genoemd. Provinciaal belang De Omgevingsvisie beschrijft de provinciale belangen. Voor onderwerpen waar er een provinciaal belang is, maakt de provincie omgevingsbeleid. Dat beleid wordt waar nodig nader uitgewerkt in omgevingsprogramma’s.Voor het Omgevingsprogramma Faunabeleid en Monitoring zijn, met name, twee provinciale belangen relevant: Behouden en versterken van de biodiversiteit. Bevorderen van een duurzame en economisch rendabele landbouw. Het beleid in de Omgevingsvisie is opgehangen aan zeven samenhangende beleidsthema’s. Faunabeleid en monitoring is onderdeel van het beleidsthema Toekomstbestendige natuur en landbouw. Figuur 2: de zeven beleidsthema's uit de Omgevingsvisie Sturingsfilosofie en rollen Omgevingsvisie Wij volgen de sturingsfilosofie uit de Omgevingsvisie: We bieden ruimte voor ontwikkelingen die passen bij de Utrechtse kwaliteiten, met het principe ‘lokaal wat kan, provinciaal wat moet’ als basis en met de nadrukkelijke wens de doelen in samenwerking te halen. In de Omgevingsvisie zijn de rollen toegelicht die wij kunnen vervullen. Het gaat om de volgende vier rollen, waarvoor in de praktijk een mix van deze rollen geldt in samenwerking met andere partijen: Stimuleren: facilitator, aanleveren van expertise en capaciteit, subsidieverstrekker, motivator etc.. In deze rol ondersteunen we andere partijen bij hun samenwerking en het uitvoeren van projecten. Participeren: coördinator, ontwikkelaar, partner, netwerker, samenwerker, deelnemer etc.. In deze rol werken we samen met vooral andere overheden en maatschappelijke organisaties aan onze eigen opgaven of aan opgaven van de andere partijen, bijvoorbeeld in gebiedsontwikkelingen. Realiseren: opdrachtgever, trekker, regisseur etc. In deze rol zijn we leidend, ondernemend, aansturend, maken we prestatieafspraken, zorgen we voor regionaal programmeren, voeren we regie. Reguleren: regelstellend ten behoeve van het provinciaal belang en de provinciale wettelijke taken. In deze rol stellen we in de Omgevingsverordening, als dit doelmatig en doeltreffend is, (instructie)regels over het omgevingsplan en de waterschapsverordening. Rollen, taken en verantwoordelijkheden van actoren die samenwerken binnen het faunabeleid en ­beheer. In afwijking van de sturingsfilosofie en rollen in de Omgevingsvisie zijn in het faunabeleid en het faunabeheer alle rollen al grotendeels wettelijk gegeven vanuit de Omgevingswet.In Bijlage 2 Rollen, taken en verantwoordelijkheden voor aanpak faunaschade zijn alle actoren met een rol beschreven. Figuur 3: de vier rollen van de provincie Utrecht De hoofdlijn is dat dat de schadebestrijding voor het grootste deel geen taak is van de provincie. De grondgebruikers, die zijn verenigd in het Faunabeheereenheid­bestuur, zijn zelf verantwoordelijk voor de uitvoering van beheer en schadebestrijding. Het uitgangspunt van de wetgever is dat diegene die schade dreigt te lijden deze zelf zoveel mogelijk probeert te voorkomen. Veelal is dat dus de grondgebruiker. Dat kan de agrarisch bedrijfsmatige grondgebruiker zijn, maar ook bijvoorbeeld terreinbeherende natuurorganisaties, landgoedeigenaren, waterschappen, provincie en gemeentes. De grondgebruiker dient in veel gevallen preventieve middelen in te zetten om schade te voorkomen of beperken. Indien hiermee de schade onvoldoende kan worden beperkt dan kan, op basis van een aanwijzing als vergunningvrij geval of een vergunning, zonodig dodelijk beheer plaatsvinden door (veelal) houders van een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit. Het stelsel werkt kort samengevat als volgt: Provinciale Staten geven in de Omgevingsverordening eisen mee voor de inhoud van het Faunabeheerplan voor de Faunabeheereenheid. Naast het Omgevingsprogramma Faunabeleid en Monitoring, geeft dit een nadere invulling voor de Faunabeheereenheid. Als de Faunabeheereenheid het Faunabeheerplan heeft vastgesteld, dan krijgen Gedeputeerde Staten dat voorgelegd ter goedkeuring. Gedeputeerde Staten toetsen onder andere of in voldoende mate rekening is gehouden aan de door Provinciale Staten gestelde eisen met betrekking tot preventieve methoden, beheer, schadebestrijding en jacht. Als Gedeputeerde Staten het plan goedkeuren, kan de Faunabeheereenheid op basis daarvan vergunningsaanvragen indienen die worden gemotiveerd met de gegevens uit het Faunabeheerplan. Vervolgens beslissen Gedepteerde Staten op de aanvraag. Als de vergunning aan de Faunabeheereenheid wordt verleend, dan schrijft de Faunabeheereenheid de vergunning door aan de wildbeheereenheden (WBE's) die hier vervolgens gebruik van mogen maken. Daar waar er sprake is van het gebruik van vang­ en dodingsmiddelen verzorgen zij in hoofdzaak de uitvoering van het faunabeheer zoals dat is opgenomen in het Faunabeheerplan. De Regionale uitvoeringsdienst Utrecht (RUD) ziet namens Gedeputeerde Staten toe op de naleving van de voorschriften verbonden aan de vergunning en andere vereisten vanuit de wet. Als schade onvoldoende kan worden voorkomen na de inzet van preventieve methoden en/of afschot, kan de grondgebruiker een tegemoetkoming aanvragen voor de schade via de provinciale uitvoeringsorganisatie BIJ
  4. De aanvraag wordt mede beoordeeld op basis van de faunaschade tegemoetkoming beleidsregels in de Beleidsregels natuur en landschap. Hoewel wettelijk de rollen en taken duidelijk zijn gedefinieerd, moet het stelsel in samenhang worden gezien. Samenwerking is in het stelsel onontbeerlijk. Zeker met oog op de benoemde uitdagingen in dit omgevingsprogramma. Faunabeleid en faunabeheer In onderstaand schema is in hoofdlijn weergegeven hoe het faunabeleid en beheer is georganiseerd. Dit is in de Omgevingswet geregeld en beschreven. Figuur 4: In dit scherma wordt weergegeven hoe het faunabeleid en faunabeheer is georganiseerd. De provinciale ambities voor natuur (Omgevingsvisie) 2050: binnen en buiten het NatuurNetwerk Nederland (NNN), in zowel het landelijk als het stedelijk gebied, is er in 2050 een gunstige staat van instandhouding van beschermde en bedreigde flora en fauna en is de biodiversiteit toegenomen ten opzichte van
  5. 2050: de natuur heeft een hoge belevingswaarde en er is een grote maatschappelijke betrokkenheid bij natuur. De provinciale beleids- en meerjarendoelen voor deze ambities (Programmabegroting) Beleidsdoel 2.2: De kwaliteit van de natuur is goed/divers en veerkrachtig Daarop betrekking hebbend meerjarendoel 2.2.3: De balans tussen ingrepen/faunabeheer en instandhoudingsdoelen bewaken en verbeteren. Het hiervoor vastgestelde omgevingsbeleid (Omgevingsvisie)
  6. Kern van ons natuurbeleid Centraal staat het beschermen en ontwikkelen van beleefbare natuur en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit. Doel van het provinciale beleid is het bereiken van een gunstige staat van instandhouding van alle van nature voorkomende beschermde en bedreigde flora en fauna. Ons streven is minder soorten op de Rode Lijst en minder soorten in de meest bedreigde categorieën. Om dit te bereiken is er een robuust netwerk (Natuur Netwerk Nederland, NNN) met aaneengesloten gebieden die van hoge kwaliteit zijn aangewezen. Het robuuste netwerk dat de provincie heeft aangewezen, vormt de basis van het behoud en herstel van de biodiversiteit in de fysieke leefomgeving van alle van nature in Nederland voorkomende soorten (30.000 ha). Onderdeel van dit netwerk zijn de bij Europa aangemelde Natura 2000 (N2000) gebieden en de Groene contour gebieden.
  7. Bescherming en ontwikkeling leefgebieden van bedreigde flora en fauna In de agrarische weidevogelkerngebieden stimuleren we de verbetering van de kwaliteit ervan via agrarisch natuurbeheer. We monitoren de stand van de weidevogels en nemen zo nodig extra maatregelen voor de bescherming van deze gebieden. In ganzenrustgebieden geven wij ruimte voor overwinterende ganzen. In deze gebieden geldt dat ganzen in bepaalde periodes niet verontrust en geschoten mogen worden.
  8. Goede balans tussen natuurbescherming en andere ontwikkelingen We beschermen onze wilde flora en fauna door zorgvuldige vergunningverlening en actieve handhaving van de Omgevingswet. We stimuleren dat initiatiefnemers in een vroeg stadium rekening houden met de natuurwetgeving bij nieuwe ontwikkelingen. Samen met de Faunabeheereenheid willen we meer inzetten op het voorkomen van schade veroorzaakt door wilde dieren en het voorkomen van aanrijdingen met wilde hoefdieren. Indien bestrijding van wilde dieren onafwendbaar is dan zetten wij in op de diervriendelijkste methode. We intensiveren het onderzoek naar alternatieve beheermethoden. 2.2 Relatie met andere provinciale beleidsthema's De Omgevingsvisie bevat de integrale visie op het omgevingsbeleid van de provincie Utrecht. In 2.1 Het belangrijkste beleid voor faunabeheer en monitoring in de Omgevingsvisie en de Programmabegroting is al aangegeven dat het beleid in de Omgevingsvisie is opgehangen aan zeven samenhangende beleidsthema’s (figuur 2). Daarnaast zijn er overkoepelde thema’s zoals circulariteit. Bij het opstellen van het Omgevingsprogramma Faunabeleid en Monitoring hebben we gekeken naar samenhang met andere provinciale belangen en programma’s. Feitelijk is door de tamelijk sectorale begrenzing van de onderwerpen in het Omgevingsprogramma Faunabeleid en Monitoring de samenhang met de meeste andere programma’s niet wezenlijk aanwezig. Uitzondering hierop zijn het programma Mobiliteit en het nog vast te stellen Utrechts Programma Landelijk Gebied (UPLG). Bij raakvlakken met toekomstige programma’s kijken we hoe rekening kan worden gehouden met het Omgevingsprogramma Faunabeleid en Monitoring. Figuur 5: beleidsthema's en programma's Programma Mobiliteit 2019 – 2023 In het Mobiliteitsprogramma is opgenomen dat de provincie negatieve effecten van mobiliteit op de leefomgeving wil voorkomen om daarmee de kwaliteit te waarborgen. Een van de onderdelen is het verbeteren van de oversteekbaarheid door fauna. De uitvoering levert een bijdrage aan het behoud van de kwaliteit van de leefomgeving, in dit geval natuur. Het doel is het aantal aanrijdingen met dieren terug te dringen en daarmee een bijdrage te leveren aan de verkeersveiligheid en de biodiversiteit. Op het moment van schrijven wordt de laatste hand gelegd aan het Bereikbaarheidsprogramma 2024 –
  9. Dit wordt de opvolger van het Mobiliteitsprogramma, waarin een meer programmatische aanpak wordt nagestreefd. Om concreet invulling te geven aan de ambitie ligt de focus voor 2024 op het opstellen van een breed ingestoken programmering van maatregelen om de oversteekbaarheid door fauna te verbeteren. Voor elke maatregel in deze programmering wordt een afweging gemaakt tussen het effect en de geschatte kosten. Daarnaast wordt bij de prioritering van de maatregelen gekeken naar de haalbaarheid en de mogelijkheid om verschillende werkzaamheden op één stuk weg te combineren. Naar verwachting start vanaf 2025 de voorbereiding en realisatie van de maatregelen. In 2024 worden reeds ingezette trajecten uitgevoerd. 2.3 Relatie met overig natuurbeleid Actieve soortenbescherming: maatregelen voor aandacht­ en rode lijstsoorten De provincie Utrecht streeft naar robuuste vitale natuur (Natuurvisie 2017). Om dat doel te bereiken worden op elkaar aangesloten natuurgebieden aangewezen en beschermt via het NatuurNetwerkNederland (NNN), waarbinnen ook Natura 2000­-gebieden en de Groene Contour vallen. Daarbuiten zijn ook maatregelen van kracht om bijvoorbeeld Vogel­ en Habitatrichtlijnsoorten te behouden en herstellen. Dit verloopt onder andere via het supplement Biodiversiteit, waarin de icoon­, aandacht­ en Rode lijstsoorten voor de provincie Utrecht benoemd zijn. Voor deze soorten geldt dat de provincie Utrecht belangrijk is omdat het zwaartepunt van hun habitat en leefgebied in onze provincie gelegen is. Ook is er een weidevogelvisie uit 2012 en een visie agrarisch natuurbeheer uit
  10. De uitvoering is er onder andere op gericht soorten te behouden en te beschermen. Het accent voor soortenmonitoring ligt tot op heden vooral in en nabij Natura 2000­-gebieden. Op dit moment is er geen goed beeld van de ontwikkeling van de leefgebieden van icoon­, aandacht­ en Rode lijstsoorten binnen de gehele provincie Utrecht. Trendbepalingen voor relatief zeldzame soorten zijn arbeidsintensief en dus kostbaar. Toch willen we hier in de komende jaren een verbeterslag maken. Daarvoor stellen we een monitoringsplan op dat uitvoerbaar en betaalbaar is, maar tegelijk voldoende inzicht geeft in de status van het merendeel van deze soorten. Zie Hoofdstuk 4 Monitoring faunasoorten. Passieve soortenbescherming: ruimtelijke ingrepen en staat van instandhouding Overal in de provincie Utrecht zullen regelmatig ruimtelijke ingrepen plaatsvinden die beschermde soorten (al dan niet tijdelijk) benadelen. Om te kunnen beoordelen of mitigerende en/of compenserende maatregelen nodig zijn voor de soortenbescherming, hanteren wij een aantal criteria (zie Beleidskader wet natuurbescherming 2017). Daarnaast is het nieuwe instrument Soortenmanagementplan (SMP) geïntroduceerd. Hiermee kunnen gemeenten in één keer voor een hele gemeente ecologisch onderzoek laten doen en maatregelen nemen op gebiedsniveau. Zo’n plan vormt de basis voor een gebiedsgerichte vergunning. Effectmonitoring moet helder maken of deze aanpak goed werkt om gebouwbewonende soorten zoals bijvoorbeeld huismussen, gierzwaluwen en vleermuizen te behouden en/of te versterken in stedelijk gebied. In alle (toestemmings)besluiten waar beschermde flora en fauna in het geding zijn, zal moeten worden getoetst op de staat van instandhouding (SvI) van soorten die door een activiteit worden getroffen. Flora en/of fauna is een in gunstige SvI als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: Uit populatie­dynamische gegevens blijkt dat de betrokken soort nog steeds een levensvatbare component is van de natuurlijke habitat waarin hij voorkomt en dat vermoedelijk op lange termijn zal blijven; Het natuurlijke verspreidingsgebied van die soort niet kleiner wordt of binnen afzienbare tijd lijkt te zullen worden; Er een voldoende grote habitat bestaat en waarschijnlijk zal blijven bestaan om de populaties van die soort op lange termijn in stand te houden. Bovenstaande punten zijn zowel ‘nu’ als in ‘toekomstperspectief’ gewaarborgd. Met het oog op gerechtelijke uitspraken zal de monitoring moeten worden geïntensiveerd om dit inzicht te verbeteren. In die gevallen waarbij een vergunning met compenserende maatregelen kon worden verleend, zal de handhaving op de registratie van de genomen mitigerende en compen­serende maatregelen (opgenomen in de vergunningsvoorwaarden) verder worden verbeterd om ook bij te dragen aan de kennis omtrent de SvI van een bepaalde soort. Ook voor het Faunabeheerplan is de SvI essentieel. Zie Hoofdstuk 4 Monitoring faunasoorten. Natura 2000 gebiedsbescherming en faunabeheer Bij beheer en schadebestrijding in en direct grenzend aan Natura 2000­-gebieden worden twee afwegingen gemaakt: één voor de regels die gelden voor het beschermen van de gebieden en één voor de bepalingen voor de bescherming van soorten. Het kan voorkomen dat een handeling bij gebiedsbescherming wel is toegestaan, maar bij soortenbescherming niet of andersom. Voor de uitvoering van de betreffende handelingen moet op beide aanvragen positief zijn beschikt. Dit geldt ook voor beschermde soorten die elkaar beconcurreren of overheersen en waar vanuit ecologische perspectief moet worden ingegrepen.Uit een in 2022 extern uitgevoerde analyse blijkt dat in alle Natura 2000­-gebieden binnen de provincie (met inbegrip van de 600m randzone), faunabeheerhandelingen (jacht, schadebestrijding en beheer) plaatsvinden die niet getoetst zijn op hun impact op natuurdoelen. In 2023 en 2024 vinden deze toetsen alsnog plaats in de vorm van passende beoordelingen. Deze worden in opdracht van de Faunabeheereenheid uitgevoerd. De provincie reguleert en stimuleert hierin. Dit proces loopt gelijk op met de te actualiseren Natura 2000­-beheerplannen. Op basis van deze beoordelingen kunnen via het Natura 2000­beheerplan bepaalde handelingen vergunningvrij worden uitgevoerd, zoals het vangen of doden van dieren. Als er significante effecten te verwachten zijn die niet gemitigeerd kunnen worden, dan moet de Faunabeheereenheid voor de handelingen een vergunning aanvragen. Deze procedure is voor de Oostelijke Vechtplassen gestart, waar passende beoordeling is afgerond en vergunning recent is aangevraagd. De overige gebieden volgen. Actiepunt
  11. Op laten stellen van passende beoordelingen voor jacht­ schadebestrijding en beheer in en rondom Natura 2000-­gebieden en bijbehorende vergunningen regelen. Trekker: Faunabeheereenheid Provinciaal Uitvoeringsprogramma invasieve exoten 2022 – 2026 Dit programma draagt bij aan onze verantwoordelijkheid en ambitie neergelegd in de provinciale Natuurvisie en Omgevingsvisie ter bescherming en behoud van inheemse flora en fauna en behoud van biodiversiteitsdoelstellingen. Het uitvoeringsprogramma geeft invulling aan onze wettelijke taak voor uitroeiing en beheersing van invasieve exoten en herstel van inheemse flora en fauna. Dit programma vormt het provinciale uitvoeringskader. De aanpak van sommige soorten zijn ook opgenomen in het Omgevingsprogramma Faunabeleid en Monitoring. Het voorkomen van soorten in de provincie is inzichtelijk gemaakt in factsheets per soort.Voor de soorten opgenomen in een Faunabeheerplan geldt de algemene verplichting uit het eerste lid van artikel 11.63 Besluit activiteiten leefomgeving: voor eenieder die bij het vangen of doden van dieren in het kader van schadebestrijding, populatiebeheer of jacht is betrokken, geldt om daarbij te handelen overeenkomstig het Faunabeheerplan. Vanwege de gewenste flexibiliteit geldt deze verplichting niet voor de bestrijding van invasieve exoten of van verwilderde dieren die in het Uitvoeringsprogramma invasieve exoten zijn opgenomen of worden opgenomen. Voor zover deze soorten met het geweer bestreden worden loopt dit via een vergunning op basis van de Omgevingswet (voorheen een opdracht op basis van de Wet natuurbescherming). Aangereden wilde dieren (valwild) Het reguleren van de zorg voor aangereden en gevonden in het wild levende dieren is van groot belang vanwege de verkeersveiligheid (snel verwijderen van aangereden dieren) en om onnodig lijden van de dieren te voorkomen. Het betreft landelijk vooral reeën, maar ook edel­ en damherten en wilde zwijnen. Voor deze diersoorten is opvang en herstel zelden mogelijk. In de provincie komen jaarlijks tussen de 310 en 350 officiële meldingen binnen van aanrijdingen met reeën en incidenteel met damherten. Daarnaast zijn er ook aanrijdingen die niet gemeld worden. De afhandeling en registratie van valwild vindt plaats door de zelfstandige Stichting Valwild, opgericht in
  12. De stichting krijgt zijn bevoegdheden via een vergunning (toestemmingsbesluit) volgens de Omgevingswet (zie hoofdstuk 3.4.3 onder het kopje schade beperken via een vergunning voor populatiebeheer). De stichting Valwild mag ingrijpen (doden, onder zich hebben en vervoeren) bij aanrijdingen of anderszins gedode of gewond geraakte damherten, edelherten, reeën, wilde zwijnen en overige beschermde en onbeschermde diersoorten. Gelijktijdig registreert de stichting verschillende kenmerken van de soorten valwild en de locatie daarvan. De Stichting Valwild heeft met de Faunabeheereenheid en de provincie afspraken vastgelegd over de beschikbaarheid van de Utrechtse valwilddata van de Stichting Valwild Utrecht in
  13. Ook zijn afspraken vastgelegd over een jaarlijkse bijdragen in de beheerkosten, zoals licenties. Vanwege het belang van de verkeersveiligheid (snel verwijderen van aangereden dieren) hebben ook de wegbeheerders overeenkomsten met de stichting gesloten. Die vergoeden de onkosten die de stichting hiervoor maakt (gemeente, provincie (mobiliteit), Rijkswaterstaat). Keten opvang en transport van in het wild levende dieren Voor het onderwerp opvang en transport van in het wild levende inheemse dieren ligt er, vanuit de Omgevingswet, alleen een wettelijke provinciale taak ten aanzien van de opvangcentra. Het gaat hier om de vergunning van de wettelijke verboden voor het mogen vangen van wettelijk beschermde gewonde dieren, het onder zich hebben van deze dieren, het gebruik van vangmiddelen en het terugzetten. De provincie verleent deze vergunningen aan opvangcentra die voldoen aan de Beleidsregels natuur en landschap. Om kwaliteit te borgen is daarin opgenomen dat opvangcentra moeten voldoen aan de landelijke Beleidsregels kwaliteit opvang diersoorten. Het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) werkt aan een wijziging. Als deze definitief is, zal deze in de Beleidsregels natuur en landschap worden verwerkt. Wettelijke gezien zijn er geen financiële verplichtingen jegens de opvangcentra. Toch ondersteunt de provincie (op basis van het coalitieakkoord en moties) structureel de keten voor opvang en transport van beschermde in het wild levende dieren financieel met 50.000 euro per jaar. De huidige inzet van deze middelen via een vouchersystematiek loopt nog tot en met
  14. Wij gaan daarom dit jaar aan de slag met het uitdenken van een nieuw plan van aanpak. Verder blijven we de Vogelopvang Utrecht ondersteunen met structureel ca. 11.000 euro per jaar. Actiepunt
  15. Uitdenken nieuw plan van aanpak voor de ondersteuning van de keten opvang en transport van in het wild levende dieren. Trekker: provincie Betrokken partners: DierenLot en Dierenbescherming 2.4 Relatie met plannen van medeoverheden Op het gebied van soortenbescherming en schadebestrijding werken Rijk en de gezamenlijke provincies nauw samen. Het spreekt voor zich dat we de afspraken naleven die we hierover met de medeoverheden hebben gemaakt. Alleen op die manier is een gezamenlijk doelbereik voor soortenbescherming en schadebestrijding te realiseren. Hoofdstuk 3 Faunabeleid, noodzaak tot herziening en uitvoering 3.1 Achtergrondinformatie Faunabeleid, onderdeel van het natuurbeleid Het provinciaal faunabeleid is onderdeel van het natuurbeleid en is gericht op een balans tussen het behoud van soorten en hun leefgebieden enerzijds en het beperken van schade anderzijds. Het faunabeleid en ­beheer is onderdeel van het integrale natuurbeleid en ­beheer en versterkt de beleidsvelden ‘biodiversiteit verhogen en behouden’ en ‘het realiseren van en robuust natuurnetwerk’. Daar vloeit uitvoering uit voort: het faunabeheer, ofwel het planmatig en gecoördineerd beheer van soorten. Daarbij worden soorten die potentieel schade kunnen veroorzaken verjaagd, geweerd (al dan niet met natuurlijke habitatmaatregelen), verstoord of gedood. Het kan gaan over soorten zoals ganzen, bevers, wilde zwijnen, knobbelzwanen, wolven en spreeuwen. In Bijlage 3 Overzichtstabel programmaopgaves per soort en onderwerp is een overzicht bijgevoegd van de faunabeheersoorten, maar ook soorten waarop we de monitoring willen verbeteren voor passieve en actieve soortenbescherming. De Faunabeheereenheid heeft voor de faunabeheersoorten, al dan niet, een planmatig gecoördineerd beheer opgesteld in hun geldende FBP 2019 – 2025 met onderbouwing voor toestemmingsbesluiten. Onder kopje 3.5 Faunabeheer geven wij een nadere uitwerking van het beleid dat voor alle soorten geldt en het beleid specifiek voor enkele soorten. De bijlage geeft ook inzicht onder welke regeling soorten vallen. In deze bijlage hebben we ook in grote lijnen de andere opgaven opgenomen die wij in dit programma benoemen op het gebied van faunabeheer en monitoring. Hieronder besteden we ten eerste aandacht aan de wettelijke grondslag in de Omgevingswet voor het faunabeheer en de verdeling van taken en verantwoordelijkheden. Grondslag in de Omgevingswet De wettelijke grondslag voor het faunabeheer en de monitoring is geregeld in de Omgevingswet. De Natuurvisie en het Beleidskader zijn nog gebaseerd op de Wnb. Dit betekent een aanpassing naar de juiste regels onder de Omgevingswet en bijbehorende AMvB’s. In Bijlage 1 Wettelijk kader is verwoord wat dit betekent voor het faunabeheer, de zorgplicht en vergunningplicht. Wie staat waarvoor aan de lat? Onder 2.1 Het belangrijkste beleid voor faunabeheer en monitoring in de Omgevingsvisie en de Programmabegroting zijn de taken en verantwoordelijkheden al nader geschetst met een verwijzing naar Bijlage 2 Rollen, taken en verantwoordelijkheden voor aanpak faunaschade. In dit verband nog kort het volgende: naast de regels uit de Omgevingsverordening geeft het OFM nader beleid voor de uitvoering van het faunabeleid. In de Omgevingsverordening staat al dat in een Faunabeheerplan moet worden opgenomen welke handelingen zijn verricht om schade te voorkomen en wat de effectiviteit hiervan is. Hierbij gaat het om alle handelingen, niet alleen over afschot. Dit is de basis voor de Faunabeheereenheid voor het Faunabeheerplan. Wij zullen bij de goedkeuring van de komende Faunabeheerplannen meer aandacht hebben voor de inzet van preventieve methoden. 3.2 Grondgebruiker Binnen het faunabeheer speelt de grondgebruiker een belangrijke rol. De verantwoordelijkheid om schade te voorkomen en te beperken ligt in eerste instantie bij de grondgebruiker. Dit zien we ook terug in de wetsgeschiedenis en jurisprudentie: “Uitgangspunt van het beleid is dat de bescherming van eigendommen tegen schade door dieren primair de verantwoordelijkheid van de burger zelf is. Deze moet waar mogelijk – volgens de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak «naar eisen van redelijkheid en billijkheid» – maatregelen nemen en inspanningen verrichten om schade aan zijn eigendommen te voorkomen. Als preventiemaatregelen tekortschieten, kunnen maatregelen in het kader van schadebestrijding en populatiebeheer uitkomst bieden.” (Aanvullingswet natuur, MvT, p. 88, voorheen: MvT van de Wnb p. 286).De grondgebruiker probeert allereerst te kijken welke preventieve maatregelen het beste ingezet kunnen worden. Waar preventie niet afdoende werkt of niet van toepassing is, kan de grondgebruiker overeenkomstig het Faunabeheerplan gebruik maken van de vrijwillige inzet van jagers via de wildbeheereenheden. 3.3 Faunabeheereenheid Utrecht Een Faunabeheereenheid zet zich in voor een maatschappelijk verantwoorde, transparante, deskundige, gecoördineerde en planmatige uitoefening van jacht, populatiebeheer en bestrijding van dieren die schade veroorzaken. Iedere Faunabeheereenheid moet voor haar werkgebied een Faunabeheerplan opstellen om daartoe te komen.Het werkgebied van de Faunabeheereenheid Utrecht, de samenstelling van het bestuur en de eisen voor de inhoud van het Faunabeheerplan staat beschreven in paragraaf 6.3 Faunabeheer en wildbeheer van de Omgevingsverordening. De Faunabeheereenheid houdt zich bezig met faunabeheer binnen het grondgebied van de gehele provincie Utrecht. Het bestuur van de Faunabeheereenheid wordt vertegenwoordigd door Utrechts Particulier Grondbezit, Staatsbosbeheer, Koninklijke Nederlandse Jagersvereniging, Nederlandse Organisatie voor Jacht en Grondbeheer, LTO Noord, het Utrechts Landschap, Natuurmonumenten, Zuid-­Hollands Landschap en de Dierenbescherming. De voorzitter is onafhankelijk.De Faunabeheereenheid zorgt voor jaarlijks verslag aan ons van de volgende rapportages (artikel 6.33 Ov): cijfermatige rapportages over de uitvoering van faunabeheer, schadebestrijding en de uitvoering van de jacht, waarin opgenomen de aantallen gedode dieren en geraapte of onklaar gemaakte eieren, onderverdeeld naar diersoort en naar wildbeheereenheid; rapportages van het gebruik van preventieve en alternatieve middelen voor het voorkomen van schade; cijfermatige rapportages over de uitvoering van de jacht, waarin opgenomen het aantal gedode dieren, onderverdeeld naar wildsoort. Faunabeheerplan Uitgangpunt van het Faunabeheerplan is integraal faunabeheer voor schadebestrijding, beheer en jacht gedurende een langere periode om onder andere (gewas)schade te voorkomen. Het plan dient minimaal te voldoen aan de eisen en voorwaarden die in de Omgevingswet en de Omgevingsverordening zijn genoemd. Het plan heeft een maximale looptijd van 6 jaar, waarbij de Faunabeheereenheid het plan tussentijds kan bijstellen met goedkeuring van Gedeputeerde Staten. Op verzoek van de Faunabeheereenheid kunnen Gedeputeerde Staten besluiten om de geldigheidsduur van het Faunabeheerplan eenmaal met maximaal één jaar verlengen (artikel 6.34 Ov). Het huidige Faunabeheerplan loopt eind 2025 af. Een nieuw plan voor de periode 2026 – 2031 moet rond halverwege 2025 gereed zijn, zodat de Faunabeheereenheid tijdig de daaraan verbonden vergunningen kan aanvragen (voor eind 2025) en de provincie tussen eind 2025 en begin 2026 kan besluiten op de aangevraagde vergunningen.Het Faunabeheerplan geeft inzicht in middelen en methoden die worden ingezet bij het faunabeheer. Verder bevat het een onderbouwing met trendtellingen van de populaties van in het wild levende dieren in het gebied waarover het plan gaat (artikel 6.2, lid 2 Omgevingsbesluit). Deze informatie is ook nodig om een oordeel te kunnen vellen over de staat van instandhouding van de betreffende diersoorten. Dit is één van de toetsingscriteria bij een afwijking van de algemene beschermingsbepalingen bij beschermde diersoorten. Het Faunabeheerplan vormt mede de onderbouwing voor de flora­ en fauna­activiteiten die in paragraaf 6.4.1 van de Omgevingsverordening als vergunningvrij zijn aangewezen. Dit zijn bepalingen ten aanzien van soorten die landelijk en/of provinciaal als vergunningvrij zijn aangewezen of waarvoor een vergunning voor schadebestrijding kan worden aangevraagd. In artikel 11.63, lid 1 Bal staat dat de uitoefening van de jacht wordt uitgevoerd volgens het Faunabeheerplan. Dit betekent dat hiervoor een regeling in het Faunabeheerplan moet staan. Provinciale Staten hebben er voor gekozen om geen specifieke voorschriften op te nemen over de wijze waarop de jacht moet plaatsvinden. Dit wordt overgelaten aan de Faunabeheereenheid. Wel wordt verlangd dat in het Faunabeheerplan de samenhang duidelijk wordt gemaakt tussen jacht, het gebruik van landelijke en provinciale aanwijzingen van vergunningvrije gevallen en vergunningen in relatie tot de effecten op de populatie van deze toestemmingen. In het Faunabeheerplan zal onderbouwd moeten worden dat er sprake is van een redelijke wildstand en op welke wijze deze is geborgd.Op basis van het Faunabeheerplan kan de Faunabeheereenheid vervolgens bij de provincie omgevingsvergunningen aanvragen voor flora­ en faunaactiviteiten. De aanvraag voor een omgevingsvergunning loopt meestal via het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Soms loopt de aanvraag via de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), het Digitaal Stelsel Omgevingswet geeft dat dan aan. Loketfunctie Afspraak tussen provincie en Faunabeheereenheid is dat alle aanvragen voor faunabeheer worden ingediend bij het faunaloket van de Faunabeheereenheid. De provincie verleent vergunningen primair aan de Faunabeheereenheid gebaseerd op haar Faunabeheerplan en passend binnen het Omgevingsprogramma Faunabeleid en Monitoring.Van deze vergunningen kan zij machtigingen doorschrijven aan uitvoerders van de vergunningen. De wet stelt dat vergunningen in beginsel worden verleend aan een Faunabeheereenheid op basis van een goedgekeurd Faunabeheerplan. In gevallen waarin de noodzaak van tussenkomst van de Faunabeheereenheid voor het verrichten van de activiteit ontbreekt, wordt de aanvraag wel via het faunaloket van Faunabeheereenheid ingediend, maar kan de provincie de vergunning direct afgeven aan de aanvrager. Gelet op de afspraak over één loketfunctie met de Faunabeheereenheid verwachten wij dat aanvragen via de Faunabeheereenheid worden ingediend. Voor deze vergunninghouders gelden dezelfde verplichtingen met betrekking tot registratie van afschot en dergelijke. Zo nodig registreert de Faunabeheereenheid de vereiste gegevens in het geautomatiseerde systeem.Tot slot heeft de Faunabeheereenheid ook de kerntaak om ervoor te zorgen dat de doelstellingen, de rechten en plichten voor het gebruik van de provinciale vergunningen en vergunningvrije gevallen, goed worden gecommuniceerd met de achterbannen van de bestuursleden en het maatschappelijke veld ter verbetering van het maatschappelijk draagvlak. Actiepunt
  16. Faunabeheerplan opstellen voor de periode 2026 – 2031 en de daaraan gekoppelde vergunningen aanvragen bij provincie. Trekker: Faunabeheereenheid 3.4 Wildbeheereenheden Utrecht Wildbeheereenheden (WBE) spelen een belangrijke rol bij de uitvoering van het faunabeheer en op het gebied van tellingen. Het is een vereniging van jachthouders, waar houders van een vergunning voor een jachtgeweeractiviteit en waarvan het jachtveld zich bevindt in het werkgebied van de Wildbeheereenheden, zich verplicht bij moeten aansluiten. In onze Omgevingsverordening is een uitzondering gemaakt voor medewerkers van terreinbeherende organisaties om te voorkomen dat ze zich bij vele wildbeheereenheden moeten aansluiten, omdat hun terreinen verspreid over de provincie liggen. De primaire taak van de wildbeheereenheden is het planmatig en gecoördineerd uitvoeren van het Faunabeheerplan van de Faunabeheereenheid. De uitvoering van het duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren, de bestrijding van schadeveroorzakende dieren en de jacht doen de wildbeheereenheden in samenwerking en ten dienste van grondgebruikers (waaronder particuliere grondgebruikers al dan niet verenigd in het Utrechts Particulier Grondbezit, UPG) of terreinbeheerders. Vanuit de optiek dat de wildbeheereenheden een centrale rol hebben bij de uitvoering van het faunabeheer is in 2017 in de verordening opgenomen (artikel 6.38 Ov) dat de wildbeheereenheden moeten opschalen naar een omvang van minimaal 5000 ha en geheel binnen de provinciegrens moeten liggen uit oogpunt van doelmatigheid. Dit is uitgevoerd en in het werkgebied van de Faunabeheereenheid Utrecht zijn nu negen wildbeheereenheden actief.Bij opstelling van het Faunabeheerplan worden de wildbeheereenheden door de Faunabeheereenheid gehoord over het ontwerp Faunabeheerplan (artikel 6.3, lid 1 Omgevingsbesluit). Daarbij kunnen de wildbeheereenheden hun deskundigheid inbrengen en bevorderen om samen met de grondgebruiker tot een efficiënt beheer te komen ter voorkoming van (landbouw) schade. Waar het gaat om afschot blijven de wildbeheereenheden binnen dit programma een belangrijk rol spelen vooral gericht op schadebestrijding, als de preventieve niet­dodelijke maatregelen geen effect hebben gehad en bij het populatiebeheer op soorten waar aantallen moeten worden teruggedrongen. 3.5 Faunabeheer Faunabeheer is het planmatig en gecoördineerd beheer van diersoorten, dit kan door het nemen van niet­dodelijke maatregelen zoals verjaging, het plaatsen van werende middelen, maar ook bijv. het verwijderen van opgaande begroeiing enschuilmogelijkheden door aanpassing van de landschappelijke inrichting en dodelijke maatregelen. In principe is dit bij beschermde soorten verboden, maar ingeval van enkele in de wet genoemde belangen kan de overheid faunabeheer toestaan.Het kan daarbij gaan om het voorkomen van onevenredige schade of overlast of om het bevorderen van de openbare veiligheid, bijvoorbeeld in het verkeer. Grondgebruikers hebben zelf een belangrijke verantwoordelijkheid als het gaat om het voorkomen van schade door soorten. Het is in beginsel geen provinciale taak of verantwoordelijkheid (zie 2.1 Het belangrijkste beleid voor faunabeheer en monitoring in de Omgevingsvisie en de Programmabegroting en Bijlage 2 Rollen, taken en verantwoordelijkheden voor aanpak faunaschade). 3.5.1 Het voorkomen, accepteren en beperken en van schade in opeenvolgende stappen Gelet op de uitgangspunten van de Omgevingswet, waar beschermen het uitgangspunt is en daarvan enkel afgeweken kan worden als daarbij een wettelijk belang gediend is en dodende maatregelen pas ingezet kunnen worden als niet-dodende middelen niet afdoende werken, volgen we de volgende stappen voor het faunabeheer: Stap 1: schade voorkomen en beperken met niet­dodende maatregelen Landbouwschade accepteren die provinciaal beperkt is in omvang. Een tegemoetkoming in schade wordt verleend als aangetoond kan worden dat de inzet van niet­dodende maatregelen om schade te voorkomen niet het gewenste effect heeft opgeleverd. Een vergunning voor het doden van deze soorten wordt niet afgegeven zolang de schade onder de drempelwaarde blijft. Stap 2: als schade niet goed genoeg voorkomen kan worden met niet­dodende maatregelen, en het gaat om landbouwschade die boven de drempelwaarde stijgt, dan kan schade beperkt worden middels verjaging met ondersteunend afschot. Stap 3: als verjaging met ondersteunend afschot niet voldoende effect sorteert, dan kan schade beperkt worden via populatiebeheer. Daarbij moet de relatie tussen aantallen en schade duidelijk zijn en moet onderbouwd kunnen worden dat het populatiebeheer via afschot bijdraagt aan een lagere populatie en daarmee aan de schade. Hierna worden deze stappen verder toegelicht. Voor de provinciale vergunningvrije gevallen en vergunningen en de landelijke vergunningvrije gevallen en jacht, geldt dat voor die soorten in het verleden vastgesteld is dat het doden van die dieren onder bepaalde voorwaarden noodzakelijk is. De provinciale vergunningvrije gevallen kunnen gedurende de looptijd van het programma door de provincie worden gewijzigd, als evaluaties daartoe aanleiding geven. De landelijke regels rondom de vergunningvrije gevallen en jacht kunnen gedurende de looptijd van het programma gewijzigd worden door het ministerie van LNV. Stap 1 in Faunabeheer:Schade beperken met niet-dodende maatregelen Het uitgangspunt van de Omgevingswet is dat schade door inheemse beschermde dieren zo goed mogelijk voorkomen moet worden met habitatmaatregelen, zoals het aantrekkelijk of juist onaantrekkelijk maken van gebieden, werende maatregelen (rasters, permanente laser) en verjagende niet­-dodende maatregelen (drones, en vaste vogelverschrikkers zoals de Bird­alert). Dit geldt voor alle in de wet genoemde belangen, te weten: Volksgezondheid en of openbare veiligheid; Veiligheid van het luchtverkeer; Voorkomen van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; Bescherming van flora en fauna. Alleen als er geen andere bevredigende oplossingen zijn, kan er mogelijk afgeweken worden van de wettelijke bescherming en de Utrechtse beleidslijn die ook eerst uitgaat van de inzet van preventieve niet­dodende maatregelen.Uit gerechtelijke uitspraken blijkt dat andere bevredigende oplossingen onvoldoende zijn verankerd in beleid en uitvoering. Specifieke uitwerking is nodig op de volgende onderdelen: a. De inzet van habitatmaatregelen en maatregelen zoals wering en verjaging worden niet goed geregistreerd. Dit geldt voor zowel de inzet van middelen om gewassen en flora en fauna te beschermen, als de inzet voor de borging van de verkeersveiligheid en waterveiligheid. b. De inzet van habitatmaatregelen kunnen beter worden benut, zoals het onaantrekkelijk maken van de omgeving voor overlast­gevende dieren en de wering­ en verjagingsmogelijkheden. De inzet van niet­-dodende maatregelen ter voorkoming van schade wordt slechts beperkt gestimuleerd; c. Het inzicht in de kosten en effecten van de inzet van niet-­dodende maatregelen is te beperkt zodat er geen goede kosten­/batenanalyse gemaakt kan worden. De komende periode zetten we in op verbeterde inzet en registratie van preventieve niet­dodende maatregelen en het inzichtelijk maken van de kosten en baten. De provincie maakt hierbij gebruik van alle vier de sturingsrollen: stimuleren, participeren, realiseren en reguleren. De komende periode zetten we in op verbeterde inzet en registratie van preventieve niet­dodende maatregelen en het inzichtelijk maken van de kosten en baten. De provincie maakt hierbij gebruik van alle vier de sturingsrollen: stimuleren,participeren, realiseren en reguleren. Actiepunten
  17. De inzet van preventieve niet­dodende maatregelen primair vanuit ons natuurbelang stimuleren, daarbij in ogenschouw nemen dat dit in lijn moet liggen met de geldende staatssteunregels. De preventieve maatregelen kunnen betrekking hebben op:a. het beschermen van vee tegen wolven in de eerste drie jaar na vestiging via een rastersubsidie. Trekker: Provincie Utrecht Betrokken partners: LTO, Faunabeheereenheid, BIJ12 b. de gebiedsgerichte aanpak van winterganzen, waarbij verjaging in combinatie met ganzenrustgebieden ter voorkoming van voorjaarsschade aan gras centraal staat, zie Kader Eemland dat hiervoor als voorbeeld kan dienen en verder onder 3.6.1 Inheemse ganzen en 3.7 Beleid tegemoetkomingen in schade. Trekker: Faunabeheereenheid Betrokken partners: LTO, BIJ12, weidevogelcollectieven, Wildbeheereenheden c. rasters ter preventie van (vossen)predatie voor weidevogelbescherming via Agrarische Natuur­ en Landschapsbeheer (ANLb)­subsidies. Trekker: weidevogelcollectieven d. rasters ter preventie van schade door ganzen aan rietvegetatie in NNN­ gebieden voor de rietvogeldoelstellingen. Trekker: Terreinbeherende organisaties N.B. Alle overige preventieve maatregelen die genomen kunnen en moeten worden vallen onder de verantwoordelijkheid van de grondgebruiker zoals bijvoorbeeld het plaatsen van rasters rondom fruitboomgaarden tegen hazenschade en het das­werend inrichten van taluds van spoorwegen.
  18. Advisering op het gebied van preventieve nietdodende maatregelen ter borging van de veiligheid van (regionale) waterkeringen en natte en droge infrastructuur ten behoeve van de waterveiligheid. Trekker: Waterschappen Betrokken partners: Zoogdiervereniging, Rijkswaterstaat, Faunabeheereenheid
  19. In overleg met BIJ12 toetsing verbeteren van de tegemoetkomingsregels en de daarbij behorende registratie van maatregelen ter voorkoming van schade. In geval er sprake is van populatiebeheer, gaat het om adequaat gebruik van de vergunningen/vrijstellingen. In geval er geen vergunningen voor doden van dieren aanwezig zijn en/of er sprake is van verjaging met ondersteunend afschot, dan moeten eerst ten minste twee preventieve maatregelen aantoonbaar zijn toegepast om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming in schade. Ook in geval van overjarig grasland moet aantoonbaar ingezet zijn op het voorkomen van schade (verjaging door menselijke aanwezigheid, en/of akoestische en visuele middelen). De registratie moet eenvoudig zijn voor de agrariër en controleerbaar door BIJ
  20. Trekker: Provincie Utrecht Betrokken partners: BIJ12, LTO
  21. Bij vergunningverlening of vrijstellingen voor verjaging met ondersteunend afschot, altijd de inzet van twee preventieve maatregelen vereisen, dus ook op overjarig grasland. Deze voorwaarde en de registratie daarvan opnemen in vergunningen of vergunningvrije gevallen voor ondersteunend afschot (let op: dit geldt niet voor vergunningen die worden verleend voor populatiebeheer). Toezicht en handhaving hierop borgen via opdrachtverlening aan de RUD. De provincie neemt dit op in het Uitvoeringsprogramma VTH (Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving). Trekker: Provincie Utrecht Betrokken partners: RUD, Faunabeheereenheid, wildbeheereenheden, Jagersvereniging, NOJG
  22. Duidelijke communicatieboodschap voor grondgebruikers opstellen over de wijzigingen genoemd hierboven onder punt 3 en 4 en ook communicatie over de t.z.t. nieuwe preventiekit opgesteld door BIJ12 in opdracht van provincies hierbij betrekken. Trekker: Provincie Betrokken partners: Faunabeheereenheid, wildbeheereenheden, Jagersvereniging, NOJG, LTO, BIJ12
  23. Een registratiesysteem preventieve niet­dodende maatregelen ter voorkoming van gewasschade en andere schades (watersysteem en ­keringen b.v.) uitwerken, bij voorkeur via uitbreiding van bestaande registratiesystemen, zodat deze informatie gebruikt kan worden als motivering van besluiten, bij het al dan niet toekennen van tegemoetkomingen en bij het handhaving van vergunningen voor het doden van dieren. Trekker: Faunabeheereenheid of Waterschappen (in geval van watersystemen en ­keringen) Betrokken partners: BIJ12, LTO, Wildbeheereenheden, RUD
  24. Meedenken met de herziening van de door BIJ12 opgestelde FaunaPreventieKit. Trekker: BIJ12
  25. In Interprovinciaal verband de noodzaak tot het beter in beeld brengen van de inzet (digitale registratie), kosten en effecten (zowel positief als negatief) van preventieve niet­dodende maatregelen agenderen en laten onderzoeken. Dit om eenduidig te kunnen beoordelen of deze maatregelen effectief en redelijk en billijk zijn en zo nee, om dit te kunnen beargumenteren bij vergunningverlening en gerechtelijke procedures. Trekker: IPO Betrokken partners: BIJ12
  26. Onderzoek voortzetten naar kansrijke niet­dodende methoden, waaronder habitatmaatregelen, om zo de koffer met instrumenten verder te kunnen uitbreiden. Dit bij voorkeur via de onderzoeksagenda van IPO/BIJ
  27. Trekker: BIJ12, of in geval van regionale vraagstukken, provincie Utrecht
  28. Adviseren over habitat­, wering­ en verjagingsmaatregelen in aanpalende omgevings­ en uitvoeringsprogramma’s met het oog op het aan de voorkant voorkomen van schade en het optimaal gebruik maken van beschikbare data. Voorbeelden waarin advisering aan de orde is, zijn gebiedsprocessen, zoals bijvoorbeeld het Utrechts uitvoeringsprogramma landelijk gebied (UPLG), maar ook bij het door de Faunabeheereenheid op te stellen Faunabeheerplan. Hiervoor een systematiek uitwerken voor het aanleveren van informatie over bekende en uitgevoerde habitat­, wering­ en verjagingsmaatregelen. Trekker: Provincie Utrecht Betrokken partners: Faunabeheereenheid, Wildbeheereenheden, LTO, Jagersvereniging, NOJG, weidevogelcollectieven, Terrein­beherende organisaties, UPG, Waterschappen, gemeentes, Rijkswaterstaat, Rijksvastgoedbedrijf Landbouwschade accepteren die beperkt is in omvang Als de landbouwschade beperkt is in omvang zijn wij van mening dat het ethisch niet te verantwoorden is om doden van de betreffende (beschermde) diersoort toe te staan. Hierbij wegen ook de benodigde administratieve inspanningen in het vergunningentraject mee. De kosten wegen niet op tegen de baten. Gelet hierop zullen wij in beginsel geen vergunning verlenen om een soort te mogen doden als de gemiddelde uitgekeerde tegemoetkomingen in Utrecht per gewas over de afgelopen beheerplanperiode jaarlijks lager was dan 20.000 euro. In de huidige situatie betekent dit dat nieuwe vergunningsaanvragen voor afschot van Vlaamse gaai, ekster en meerkoet niet ingewilligd worden. Dit betekent overigens niet dat bij een hoger bedrag wel een vergunning zal worden verleend. Er zal, naast de andere wettelijke criteria, ook nog altijd voldaan moeten worden aan het criterium van belangrijke schade. Op dit moment is dat 250 euro per bedrijf per diersoort per gewas per jaar. Dit criterium ligt ter beoordeling voor bij de rechter en zal in de toekomst mogelijk moeten worden aangepast. Om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming in de schade geldt ook in deze stap dat eerst aantoonbaar preventieve maatregelen ter voorkoming van schade moeten zijn ingezet en voldaan moet zijn aan de Beleidsregels natuur en landschap. Indien middels schadetaxaties door een onafhankelijk bureau blijkt dat de jaarlijkse schade per individuele gedupeerde per diersoort hoog uitkomt (meer dan 20.000 euro per geval), kan voor deze gedupeerden door de Faunabeheereenheid in incidentele gevallen wel een vergunning voor het doden van dieren worden aangevraagd, en mogelijk door provincie verleend (mits voldaan aan de wettelijke vereisten). Taxaties lopen dan via door BIJ12 vastgestelde taxatierichtlijnen, net als het uitkeren van tegemoetkomingen in schade. De provincie kan in bepaalde gevallen aan de lat staan voor het verlenen van tegemoetkomingen, als aan alle wettelijke criteria is voldaan. Daar waar dit niet het geval is, is de schade ten laste van de grondgebruiker. Actiepunt
  29. Wijzigen van de Beleidsregels natuur en landschap zodat er een schadedrempel is voor het toekennen van provincie brede vergunningen voor schadebestrijding en ­beheer. Trekker: Provincie Utrecht Pilot Eemland – intensief gecoördineerd ver- en bejagen van winterganzen ter beperking van voorjaarsschade Waar uitgevoerd?: Deel polder Eemland, begrenzing: Bunschoten/Spakenburg, Eemnes, A1 en A27 en het Veluwemeer. Grootte: ca. 3000 ha Samenwerking tussen: Provincie Utrecht, Faunabeheereenheid Utrecht, Collectief Eemland, Wildbeheereenheid De Eem, LTO afdeling Eemland, ganzencluster Eemland Hoe? Met en dankzij zowel een ingehuurde verjager als vrijwillige verjagers en gebruikmakend van met name lasers en drones Wanneer vond de verjaging plaats?: ca. 15 januari tot 1 april 2023 Inzet: circa 1.100 uren Kilometers: circa 13.000 km Gereden gedurende circa 6 weken verjagen door het hoofd verjaging, de ganzencoördinator en de vrijwilligers van Wildbeheereenheid de Eem en Collectief Eemland). Uitgaven (organisatie, materiaal en kilometers): circa. 112.000 euro Resultaat: Schadereductie binnen het pilot gebied circa. 400.000 euro. Kilogram droge stofverlies is in 2023 gedaald met 52 procent ten opzichte van
  30. Dit wil zeggen dat er veel minder gras voor de koeien verloren is gegaan. Droge stof is de maat die daarvoor wordt gehanteerd. Effect op weidevogels: Verjaging met laser veroorzaakt geen verstoring bij weidevogels. Daling van het aantal ganzen lijkt een verbeterd vestigingsklimaat op te leveren voor weidevogels. Ervaring voorzitter ganzencluster: Een grote inspanning van iedereen die zich voor deze pilot heeft ingezet met als resultaat waardevolle informatie. Eindrapport: Rapport­Pilot­Eemland­Effecten­vanhet­gecoordineerd­verjagen­van­ganzen­op­degewasschadecijfers­en­weidevogels­Provincie­Utrecht.pdf Stap 2 in Faunabeheer:Schade beperken via dodende maatregelen in/op schadegebieden In sommige gevallen is het voor de effectiviteit van schadebestrijding nodig dat, ter ondersteuning van verjaagacties, ook dieren kunnen worden gedood. Hier worden op verzoek van de Faunabeheereenheid vergunningen voor verleend. De grauwe gans, kolgans en brandgans zijn in de provincie de enige aangewezen provinciale vergunningvrije ganzensoorten waarbij (onder voorwaarden) ondersteunend afschot mogelijk is. In Internationaal verband (AEWA: Agreement on the Conservation of African­Eurasian Migratory Waterbirds) is afgesproken dat het aandeel ganzen dat wordt aangeschoten en daardoor lijden, beperkt dient te worden. Het is van belang om te onderzoeken of hier in Utrecht sprake van is en of het noodzakelijk en mogelijk is om de uitvoering aan te passen. Provincie heeft hier de rol van stimulator. Actiepunt
  31. Onderzoeken of het noodzakelijk en mogelijk is om de uitvoering van ondersteunend afschot van ganzen aan te passen ter verkleining van het aandeel aangeschoten ganzen. Trekker: Faunabeheereenheid Betrokken partners: Wildbeheereenheden, Jagersvereniging, NOJG Stap 3 in Faunabeheer:Schade beperken via populatiebeheer Als onderdeel van adaptief beheer (zie stappen in het adaptief beheer onder het kopje: ree) staat de provincie voor een aantal soorten populatiebeheer/nulstand toe. Namelijk voor die soorten waarvan aangetoond kan worden dat het terugdringenin aantal nodig is vanwege ecologische en/of maatschappelijke belangen c.q. doelen. Behalve voor exoten en verwilderde dieren geldt dit voor overzomerende grauwe ganzen, reeën, damherten en ook voor edelherten, als deze zich in de toekomst wellicht vestigen en het aantal stijgt. Voor het wilde zwijn geldt een nulstand. In delen van Utrecht geldt ook een nulstand voor damherten. Of dit voor het wilde zwijn zo blijft, zal afhangen van het oordeel van de Raad van State. Ook voor het damhert en edelhert is onzeker of de nulstand in delen van Utrecht gehandhaafd kan worden, hoewel het vanuit schade geredeneerd logisch is om buiten geschikte leefgebieden beheermaatregelen te nemen. Daarom geldt voor alle soorten dat de noodzaak en haalbaarheid van populatiereductie/nulstand goed onderbouwd moet zijn in het Faunebeheerplan. Het is denkbaar dat populatiebeheer voor een bepaalde soort alleen wordt ingezet op en rondom hotspotlocaties en de uitvoering van afschot in dat gebied geïntensiveerd. Terwijl deze maatregel niet ingezet hoeft te worden in delen van Utrecht waar problemen op andere manieren beheersbaar kunnen blijven of niet aanwezig zijn. Die afweging zal voortvloeien uit het zogenaamde adaptief beheer. Dit is een jaarlijkse cyclus waarin op basis van trendtellingen, beheermaatregelen en resultaatmetingen per gebied in overleg met de belanghebbenden de passende maatregelen voor het jaar daarop worden bepaald. Mochten onderzoeken en gerechtelijke uitspraken in de loop van het programma daartoe aanleiding geven, zullen we bijstellen en verwijderen of voegen we wellicht extra soorten toe. 3.5.2 Schade beperken via provinciale vergunningvrije gevallen In dit verband zijn er twee provinciale vergunningvrije gevallen. Na inzet van twee preventieve niet­dodende maatregelen kan buiten ganzenrustgebieden de winterschade (tussen 1 november tot 1 maart) door grauwe­, brand­ en kolganzen op kwetsbare gewassen worden voorkomen, zie ook stap 2 in het faunabeheer. Dit kan via de aanwijzing voor vergunningvrije gevallen voor afschot die is opgenomen in de Omgevingsverordening (artikel 6.43). Het registreren van de inzet van preventieve maatregelen is nog niet goed geborgd en moet verbeterd worden, zie actiepunt onder stap 1 in het faunabeheer. Naast een aantal ganzensoorten zijn ook veldmuizen via de Omgevingsverordening vrijgesteld en mogen onder bepaalde omstandigheden gedood worden (artikel 6.49). Indien er nieuwe informatie beschikbaar komt die relevant is voor de aanwijzing als vergunningsvrij geval, dan bekijken we of er aanpassingen nodig zijn. Hierbij kan gedacht worden aan nieuwe informatie over de staat van instandhouding of relevante ontwikkelingen in de jurisprudentie. Verder zullen wij beoordelen op basis van de gegevens uit een nieuw of gewijzigd FBP of een dergelijke aanpassing aan de orde is. 3.5.3 Schade beperken van onder andere invasieve exoten en verwilderde dieren via een vergunning voor populatiebeheer (voorheen provinciale opdracht/aanwijzing) Voor het gebruik van bepaalde vangmiddelen en het gebruik van het geweer om enkele niet­beschermde schadesoorten, invasieve exoten en verwilderde dieren te kunnen vangen en doden is onder de Omgevingswet een omgevingsvergunning nodig. Daarmee kunnen waterschappen muskusratten en beverratten doden. Daarnaast kunnen houders met vergunning voor een jachtgeweeractiviteit nijlganzen, wasberen, wasbeerhonden, muntjaks, rosse stekelstaarten (allen invasieve exoot), verwilderde duiven, verwilderde gedomesticeerde ganzen en halsbandparkieten doden. Gedeputeerde Staten kunnen (groepen van) personen aanwijzen die toegang hebben tot gronden waar deze dieren aanwezig zijn. De rechthebbende van die gronden is verplicht de aanwezigheid van deze personen te gedogen. 3.5.4 Schade beperken via landelijke vergunningvrije gevallen en jacht Achtergrond en huidige situatie Voor faunabeheer liggen er in de Omgevingswet ook bevoegdheden bij de minister van LNV voor zowel de jacht op haas, konijn, fazant, wilde eend, houtduif (artikel 8.3, lid 4, Ow) als de landelijk vergunningvrije gevallen voor konijn, vos, Canadese gans, houtduif, kauw en kraai (artikel 4.18 en 4.27 van de Omgevingsregeling). Beide instrumenten zijn bedoeld om schade te beperken aan in de wet genoemde belangen. Jacht heeft daarnaast ook benutting als doel. Bij landelijk vergunningvrije gevallen gaat het om soorten die in het gehele land schade aanrichten. Deze zijn aangewezen door de minister van LNV. Deze soorten mogen worden bestreden met de middelen en conform de voorwaarden die in de Omgevingsregeling worden gesteld.De jacht en de landelijk vergunningvrije gevallen staan beide onder druk. Dit komt omdat de SvI van een aantal soorten niet gunstig is (haas, konijn, houtduif, wilde eend, fazant en kauw) en omdat de landelijke vrijstelling (nu de landelijke vergunningvrije gevallen) onder de Wnb volgens de Raad van State voor vrijwel alle soorten niet voldoende is onderbouwd (houtduif, zwarte kraai, kauw, konijn en vos). Op 19 april 2023 oordeelde de Raad van State dat voor de geldende landelijke vrijstellingen onvoldoende onderbouwd is dat voldaan is aan de eisen uit de Wnb (art. 3.3, vierde lid). Samengevat: De besluitvorming wat betreft de landelijke vrijstellingen berust niet op een deugdelijke motivering (in strijd met art. 7:12 Awb) en is onzorgvuldig (in strijd met art. 3:2 Awb); De door deze diersoorten veroorzaakte schade is onvoldoende met bedragen en soorten schade onderbouwd, of van bronnen voorzien voor de conclusie dat deze soorten belangrijke of ernstige schade veroorzaken; Het antwoord op de vraag of er andere bevredigende oplossingen zijn bij de landelijk vrijgestelde diersoorten houtduif, konijn, vos, zwarte kraai en kauw is onvoldoende onderbouwd; Dat er sprake is van stabiele en/of groeiende populaties (gunstige SvI) die niet in hun voortbestaan worden bedreigd en dat gevaar ook niet lopen, is niet onderbouwd. De landelijk vergunningvrije gevallen voor Canadese gans, houtduif, zwarte kraai, kauw, konijn en vos zijn volgens de Raad van State op alle drie de wettelijke vereisten onvoldoende onderbouwd. Dit betekent dat Faunabeheereenheden in nieuwe Faunabeheerplannen niet meer kunnen uitgaan van de huidige onderbouwing voor de landelijk vergunningvrije gevallen. Als zij denken dat het doden van dieren noodzakelijk is om schade te beperken en voorkomen, dan zullen zij voor hun eigen provincie ook voor deze soorten moeten kunnen onderbouwen dat aan de wettelijke criteria is voldaan.In april 2022 is door de minister van LNV besloten om de jacht op konijn in alle provincies en op haas in de provincies Groningen, Limburg en Utrecht te sluiten voor het jachtseizoen ’22/’
  32. Dat besluit heeft de minister verlengd voor het seizoen ’23/’
  33. Voor de jacht geldt dat dit geschiedt overeenkomstig een Faunabeheerplan. Daarnaast kunnen Provinciale Staten nadere regels stellen aan een Faunabeheerplan. In de provincie Utrecht is dit in de Omgevingsverordening gebeurd. Onder andere stellen zij dat in een Faunabeheerplan een omschrijving aanwezig is, van de wijze waarop geborgd wordt dat de te treffen maatregelen in het plan de gunstige staat van instandhouding van de soorten niet negatief beïnvloed. Nu blijkt dat de landelijke staat van instandhouding van alle vijf de jachtsoorten niet gunstig is, zal het voor de Faunabeheereenheid een hele opgave zijn om aan die eis van de Provinciale Staten aan het Faunabeheerplan te voldoen. 3.5.5 Toekomstig schets komende FBP vergunningvrije soorten (t/m 2030) Op dit moment kan er in Utrecht op basis van het huidige Faunabeheerplan nog gebruik gemaakt worden van de landelijke vrijstelling (vergunningvrije gevallen) en jacht op de soorten wilde eend, fazant en houtduif. In het nieuwe Faunabeheerplan voor de periode 2025 – 2031 zal het doden van landelijk vrijgestelde soorten alleen goedkeuring van ons kunnen krijgen als wordt voldaan aan de wettelijke eisen: SvI gunstig en/of doden zal de SvI niet verslechteren, er is aantoonbaar sprake van schade en andere bevredigende oplossingen zijn niet voorhanden. Voor jachtsoorten geldt dat de SvI gunstig moet zijn en/of aangetoond worden dat de SvI door de voorgestelde maatregelen niet zal verslechteren en dat de jacht gebeurt in samenhang met het voorkomen van schade.Zoals hierboven geschetst, is het op dit moment niet mogelijk om te kunnen aantonen dat de SvI gunstig is voor de soorten haas, konijn, houtduif, wilde eend, fazant en kauw. Voor deze soorten kan dan alleen afgeweken worden van de bescherming als aangetoond wordt door de Faunabeheereenheid in het Faunabeheerplan dat de voorgestelde beheermaatregelen de SvI niet verslechteren. Naar verwachting kan voor landbouwschadesoorten aan de wettelijke eis dat er aantoonbaar sprake is van belangrijke schade alleen worden voldaan voor de Canadese gans (zie ook onder 3.6.1 Inheemse ganzen). Voor alle andere vergunningvrije soorten (konijn, kauw, kraai, houtduif, vos) geldt dat schadedata veelal ontbreken, omdat grondgebruikers niet in aanmerking komen voor een tegemoetkoming. BIJ12 zal in 2024 met een voorstel komen hoe landbouwschades voor (een aantal van) deze soorten inzichtelijk gemaakt kan worden. De uitwerking van dit voorstel en het opbouwen van schadedossiers vergt meerdere jaren. De consequentie is dat op het moment dat het Faunabeheerplan gemaakt wordt (2024/2025) deze data nog niet beschikbaar zijn. In de nieuwe Faunabeheerplanperiode 2026 – 2031 zal de schade voor de meeste soorten, als deze al aanwezig is, waarschijnlijk alleen voorkomen kunnen worden door inzet van niet­dodende maatregelen.Voor een aantal soorten die landelijk vergunningvrij zijn aangewezen, verwacht men dat zij naast landbouwschade ook natuurschade kunnen veroorzaken (vos, kraai en mogelijk kauw). Het zal voor de Faunabeheereenheid ook een uitdaging zijn om aan te kunnen tonen dat aan de wettelijke eis is voldaan, dat er sprake is van belangrijke schade. Daarbij zal gebruik gemaakt moeten worden van data uit de praktijk en literatuur. Voor de landelijk vrijgestelde soorten zal tevens aangetoond moeten worden dat alternatieven voor het doden van dieren niet voorhanden zijn en/of niet afdoende werken om schade te voorkomen. Dossieropbouw in de komende planperiode is daarvoor van belang, onder andere via betere registratie en het verbinden van informatie (zie o.a. actiepunten onder 3.5.1 Het voorkomen, accepteren en beperken en van schade in opeenvolgende stappen en Hoofdstuk 4 Monitoring faunasoorten).De landelijke ontwikkelingen zijn gedurende deze periode ook belangrijk. Alle provincies en alle Faunabeheereenheden zijn betrokken bij het door de minister van LNV in gang gezette landelijke proces om te komen tot een stelselwijziging in het faunabeheer.Onderdelen zijn: telprotocollen, de impact van sluiten van de jacht op faunabeheer, de soorten en schade. 3.5.6 Overig Het onderdeel verhuur van jachtrecht op provinciale gronden blijft ongewijzigd van kracht (Beleidskader 2017 paragraaf 3.3.6.2 en het draaiboek bijzondere weersomstandigheden, voor het sluiten van de jacht, beheer en schadebestrijding blijven ongewijzigd (Beleidskader 2017 Bijlage 2). Wel kondigen we aan het draaiboek binnen een jaar na vaststelling te actualiseren.Met betrekking tot de voorheen landelijk vrijgestelde en jachtsoorten heeft de provincie vooral een stimulerende rol. Bij het goedkeuren van het Faunabeheerplan, de regels die Provinciale Staten daaraan stelt en het kunnen sluiten van de jacht onder bijzondere weersomstandigheden, heeft de provincie een regulerende rol. Trekker: BIJ12 Betrokken partners: IPO Actiepunten met betrekking tot voorheen landelijk vrijgestelde soorten en jachtsoorten
  34. Aangesloten blijven en input leveren op het voorstel en de uitwerking van het in kaart brengen van schades. Dossieropbouw via het laten taxeren van schades door vrijgestelde en/of jachtsoorten is hier onderdeel van. Trekker: BIJ12 Betrokken partners: IPO
  35. Opstellen van een advies over hoe trends ten aanzien van de betreffende diersoorten, de door deze aangerichte schade en de effecten van dodende­ en niet­dodende maatregelen kunnen worden bepaald. Trekker: Faunabeheereenheid Betrokken partners: LTO, Jagersvereniging, NOJG, Wildbeheereenheden
  36. Aangesloten blijven, en input leveren op de trajecten die lopen tussen IPO/BIJ12 en het ministerie van LNV betreffende de effecten van het sluiten van de jacht en stelselwijzigingen in het faunabeheer. Trekker: ministerie van LNV Betrokken partners: IPO, BIJ12, Faunabeheereenheid en de daarin vertegenwoordigde stakeholders
  37. Via het nieuwe Faunabeheerplan, onderdeel jacht, concrete criteria opstellen voor de jachtsoorten waaraan de term ‘de redelijke wildstand’ getoetst kan worden en waaruit moet blijken dat de voorgestelde maatregelen in een Faunabeheerplan de (gunstige) staat van instandhouding niet verder negatief beïnvloedt. Trekker: Faunabeheereenheid Betrokken partners: Jagersvereniging, NOJG, Wildbeheereenheden
  38. Het draaiboek bijzondere weersomstandigheden in 2027 actualiseren. Trekker: provincie Betrokken partners: RUD, Faunabeheereenheid, Jagersvereniging, NOJG en Wildbeheereenheden 3.5.7 Bestemming (ge)dode dieren We maken hier een onderscheid tussen kadavers in natuurgebieden en daarbuiten. Binnen natuurgebieden Dode dieren (van klein tot groot) in de natuur zijn van waarde voor andere dieren en andere organismen in die natuur. Zij dienen als voedselbron voor tal van soorten van zoogdieren, vogels, insecten en andere organismen. Zo kan een groot kadaver 150 – 200 keversoorten aantrekken. Rondom kadavers komen ook veel paddenstoelsoorten voor, waaronder door ons aangewezen aandachtsoorten zoals de brandplekinktzwam en de dwergvaalhoed. Ook biedt het achterlaten van kadavers de ruimte om de nutriënten die een dier gedurende zijn leven ‘verzamelt’ terug te geven aan de natuur. Onze eerste voorkeur is dan ook om de bij schadebestrijding en/of populatiebeheer in natuurgebieden gedode dieren daar achter te laten (‘terug te geven aan de natuur’). De terreinbeheerder bepaalt of hier ruimte voor is en of dit past binnen eigen beleid. Als tweede geven wij voorkeur aan menselijke consumptie en handel van bij de schadebestrijding gedode dieren. De laatste optie is dat gedode dieren in geëigende afvalverwerkingskanalen terechtkomen. Uiteraard is dit niet altijd zo zwart­wit, bij twijfel over de gezondheid van het dier is alleen de laatste optie mogelijk. Het achterlaten van gedode dieren in de natuur is altijd maatwerk, waarbij rekening moeten worden gehouden met gezondheidsrisico’s voor mens en dier. Buiten natuurgebieden Buiten natuurgebieden is onze voorkeur dat gedode dieren voor menselijke consumptie worden aangeboden of in geval dieren niet gezond zijn, het afvalverwerkingskanaal aan te spreken. In voorkomende gevallen zal de Faunabeheereenheid de verwerking via een afvalverwerkingskanaal moeten organiseren. 3.6 Diersoorten en -groepen 3.6.1 Inheemse ganzen Achtergrond en huidige situatie In de provincie komen in hoofdzaak grauwe ganzen, brandganzen, kolganzen en grote Canadese ganzen voor. Er wordt (beleids)onderscheid gemaakt in trek­ en standganzen. Het grootste deel van de kol­ en brandganzen en een kleiner deel grauwe en Canadese ganzen zijn trekganzen en vertrekken vanaf eind maart richting onder andere de noordelijker gelegen broedgronden. In de zomerperiode verblijven met name grauwe ganzen in de provincie Utrecht. Daarnaast broeden hier ook brand­ en Canadese ganzen. Deze laatste categorieën vallen onder de standganzen. De populaties trekganzen (kol­, branden grauwe gans) groeiden sinds de begin jaren ’90 sterk, maar sinds 2009 zijn de kolgans en de brandgans gestabiliseerd en sinds 2014 geldt dat ook voor de grauwe gans. Alleen de populatie Canadese ganzen neemt in de winter nog gestaag toe, maar betreft nog steeds veel lagere aantallen dan de andere soorten. De stabilisatie in de winter kan verklaard worden doordat de populaties de maximale omvang hebben bereikt. Het is niet bekend of die omvang op dit moment bepaald wordt door limiterende factoren in het broedgebied/de broedperiode of doordat het wintergebied niet meer ruimte biedt. Wat we wel weten is dat afschot in de winter veel beperkter plaatsvindt dan in het voorjaar, de zomer en herfst. Het is dan ook onwaarschijnlijk dat afschot in die periode in Nederland de limiterende factor is. Voor de grauwe, brand­ en Canadese gans is in 2014 het ‘Utrechtse ganzenakkoord’ ingevoerd. Dit is gericht op het reduceren van de stand van deze ganzenpopulaties, met als doel grasschade te verminderen en behoudt van winterrust voor trekganzen. Sindsdien zijn deze stand populaties stabiel of zelfs licht dalend (zie ook de verwijzingen hierboven naar de Sovon data). In de periode daarvoor groeiden ze. Kolganzen verblijven nauwelijks in Utrecht in de zomerperiode. Via het akkoord zijn maatregelen als intensief afschot, ruivangsten en nestbeheer flink opgeschroefd. De gebiedsgerichte uitvoering loopt via 4 ganzenclusters. De focus bij de uitvoering ligt op grauwe ganzen, maar ook brand­ en Canadese ganzen zijn onderdeel van de intensivering. Ondanks dat er sprake is van stabilisatie in aantallen (en trend) van trek en standganzen zijn de doelen uit het akkoord van 2014 niet bereikt. Deze doelen waren: terug naar het schadeniveau uit 2005 voor grauwe gans (57.855 euro voorjaarsnede en 7.729 euro zomersnede) en terug naar het schadeniveau uit 2011 voor brandgans (2.278 euro). De hoogte van de tegemoetkomingen in schade loopt echter elk jaar verder op voor zowel de voorjaarschade, dat in 2022 was opgelopen naar 2,3 miljoen euro (veroorzaakt door trek­ en standganzen, waarvan 1,7 miljoen door grauwe ganzen, en het overige bedrag verdeeld over brand­ en kolganzen). De zomerschade was in 2022 opgelopen naar 600.000 euro (standganzen, in hoofdzaak grauwe ganzen). Zie verder ook 3.7 Beleid tegemoetkomingen in schade. Deze verhoging is voor een groot deel te verklaren door hogere gewasprijzen, door een toename in aanvragen dankzij vereenvoudiging van de aanvraagprocedure (loket BIJ12), door automatische taxaties in ganzenrustgebieden en door gunstigere klimaatomstandigheden voor gras, waardoor de totaalopbrengst van gras (en dus ook de bijkomende schade) groter is geworden in de loop der jaren. De afspraak uit 2014 om intensief standganzen te beheren via dodelijke maatregelen gingen hand-in-hand met stevige bescherming van trekganzen. Zo is het niet toegestaan om ganzen op overjarig grasland middels ondersteunend afschot te verjagen en zijn er drie ganzenrustgebieden aangewezen waarin ganzen in de winter met rust gelaten worden en zij kunnen foerageren (zie verder hieronder). Komende beheerperiode Zowel agrariërs als natuurterreinbeheerders ervaren met het huidige beheer nog steeds veel schade als gevolg van ganzen. In 2022 is de werkgroep ‘Toekomstbestendig ganzen­beheer’ (met daarin vertegen­woordigd: de landbouw, jacht, natuur en de provincie) met de problematiek aan de slag gegaan en heeft advies uitgebracht. Daarnaast ligt er een juridisch advies uit 2022 (Boerema en Van den Brink) voor de provincie. Naast adviezen liggen er internationale AEWA (Agreement on the Conservation of African-Eurasian Migratory Waterbirds) afspraken, in de vorm van management­plannen voor grauwe en brandganzen. Deze drie documenten hebben we betrokken bij het opstellen van onze koerswijziging voor het beheer van de grauwe gans en de brandgans. Standganzen Mits de noodzaak hiervan in het Faunabeheerplan voldoende is onderbouwd, blijven wij ruimte geven om de omvang van de standganzen-populaties van grauwe, brand- en Canadese ganzen te reduceren naar een acceptabel maatschappelijk en ecologisch niveau. Voor het bieden van ruimte moet er in elk geval een duidelijke relatie zijn tussen de populatietrend van ganzen en omvang van de schade (minder ganzen, minder schade). Conform het ganzenadvies van de Werkgroep ‘toekomstbestendig ganzenbeheer’, stellen we het doel om zomerschade terug te dringen met 5-10 procent per jaar, met in 2030 een totaalreductie ten opzichte van het startjaar in 2025 van 30-60 procent op de referentiepercelen, die we in overleg met BIJ12 aanwijzen en elk jaar getaxeerd worden om de effecten van populatiereductie op schade gestandaardiseerd te kunnen meten. Het is aan de Faunabeheereenheid om de nut en noodzaak voor populatiebeheer/reductie te onderbouwen en de doelstellingen te formuleren, inclusief aantallen te doden dieren om de schadereductie te bewerkstelligen. Daarbij zijn de AEWA-afspraken voor de broedpopulaties van de grauwe en brandgans leidend (IPO afspraken). Daarin staan totale ondergrenzen over de gehele flyway genoemd die benodigd zijn om de gunstige Staat van Instandhouding te borgen. Deze zijn vervolgens weer door Sovon doorgerekend zodat de ondergrens per provincie bekend is. De beheermaatregelen moeten zo zijn ingericht dat de aantallen daar in elk geval niet onder komen te liggen. Het doel is niet om deze ondergrens te bereiken maar om schade te reduceren. Als dat doel bereikt kan worden met aantallen die gelegen zijn boven de ondergrens, kunnen hogere aantallen ganzen in de provincie Utrecht voorkomen. Op dit moment geldt dat de aantallen overzomerende brandganzen, zoals blijkt uit de door de Faunabeheereenheid gecoördineerde zomerganstellingen, onder de AEWA ondergrens ligt (aantal geteld ligt net boven de 2.000, de ondergrens ligt op 5.130). Populatiereductie van overzomerende brandganzen kan op dit moment niet plaatsvinden. Wel kan het nodig zijn om deze reductie mogelijk te maken zodra de aantallen weer boven de ondergrens komen te liggen. Voor grauwe ganzen is de SvI niet in gevaar (aantal geteld ligt rond de 30.000, de ondergrens ligt op 4.950). Daarom zou het mogelijk zijn om populatiereductie toe te staan, als uit de onderbouwing in het Faunabeheerplan onderdeel ganzen blijkt dat dit een noodzakelijke en (potentieel) effectieve wijze is om schade volgens de doelstelling te reduceren. In de nabije toekomst zal de landelijke aanwijzing als vergunningvrij geval voor de (grote) Canadese gans mogelijk komen te vervallen. In dat geval zullen we voor deze soort ook een populatie ondergrens in moeten stellen. De kolganzen populatie in de zomerperiode is de afgelopen jaren op natuurlijke wijze zeer klein gebleven. Maatregelen zijn voor die soort niet nodig. De populatie-reductieperiode blijft gelijk als voorgaande jaren. Wel is er ten opzichte van de voorgaande beheerperiode, in de winterperiode, buiten de ganzenrustgebieden en Natura 2000-gebieden, na inzet van twee niet-dodende verjaagmiddelen, ruimte om te verjagen door ondersteunend afschot. De maatregelen worden hieronder toegelicht. Trekganzen Voor de trekganzen zien we dat de winterrust, inclusief de extra bescherming in de ganzenrustgebieden, niet tot verandering in aantallen heeft geleid. De stabilisatie heeft al daarvoor plaatsgevonden. Op basis van eerdere onderzoeken en voorzichtige eerste conclusies vanuit onze lopende pilot in Eemland, kunnen we stellen dat trekganzen via gecoördineerde intensieve verjaging vanaf half januari met ondersteunend afschot vanaf februari, naar ganzenrustgebieden zijn te sturen. Om te voorkomen dat het verstoringsverbod uit de wet wordt overtreden, moet in de nabijheid wel een geschikt ganzenrustgebied liggen. Deze verjaging is mogelijk het meest zinvol net voor het groeiseizoen. Het gras dat ganzen eten gedurende de koude periode krijgt zo voldoende gelegenheid om weer bij te groeien tot de oogsttijd. Wij geven de Faunabeheereenheid ruimte om, in combinatie met een gecoördineerde gebiedsgerichte niet-dodende verjaging, ondersteunend afschot toe te passen, mits uit de onderbouwing in het Faunabeheerplan blijkt dat dit een zinvolle maatregel is om schade te reduceren. Zij zullen tevens de periode moeten aangeven waarvoor zij dit effectief achten en onderbouwen in het Faunabeheerplan. De ruimte is er alleen: a. na inzet van preventieve niet-dodende maatregelen; b. buiten de ganzenrustgebieden; c. buiten de voor ganzen aangewezen Natura 2000-gebieden (met daar waar ganzen aanwezen zijn als doelsoort, inachtneming van een 600m bufferzone). Het is hierbij noodzakelijk ganzenrustgebieden te hebben die goed gelegen en van voldoende omvang zijn (zie hieronder taxaties grasschade). Dit vanwege de borging van internationale verplichtingen met betrekking tot de SvI. Binnen deze gebieden moet voldoende ruimte zijn om te voorzien in de minimale opgaves uit de die wij hebben voor trekkende kol-, brand- en grauwe ganzen. Deze minimale opgaves (Gunstige referentiewaarden) zijn uitgewerkt per provincie. Ook voor Canadese ganzen zullen we een minimale opgave moeten gaan vaststellen, als de landelijke aanwijzing als vergunningvrij geval komt te vervallen. Het doel van verjagen van trekganzen is om de schade aan voorjaarsgras, buiten de ganzenrustgebieden terug te dringen met 5-10 procent per jaar, met in 2030 een totaalreductie van 30-60 procent op de referentiepercelen, conform het Utrechtse ganzenadvies uit de werkgroep ‘Toekomstbestendig ganzenbeheer’. Taxaties grasschade Het vaststellen van schade aan grasland gebeurt volgens een door BIJ12 vastgestelde taxatierichtlijn. Deze wordt in de komende twee jaar herzien, op basis van nieuwe gegevens en nieuwe technieken. Uiteraard zal de provincie Utrecht, als eenmaal een nieuwe richtlijn beschikbaar is, BIJ12 het mandaat liggen om volgens deze richtlijn te werken. In de provincie Utrecht zijn drie ganzenrustgebieden aangewezen. Ze maken deel uit van het totaalpakket van de Utrechtse ganzenafspraken sinds
  39. De gebieden zijn in 2015 door ons aangewezen en sindsdien niet gewijzigd. In de Omgevingsverordening is opgenomen dat in deze gebieden tussen 1 november en 1 april (Lopikerwaard: 952 hectare, waarvan 728 hectare grasland, Oostelijke Vechtplassen: 4.301 hectare, waarvan 2.012 hectare grasland) of tussen 1 november en 1 mei (Nederrijn: 1.019 hectare, waarvan 334 hectare grasland) beschermde trekganzen (met name kol-, brand- en grauwe ganzen) niet verstoord en gedood mogen worden. Ook is opgenomen dat normaal agrarisch gebruik, jacht en schadebestrijding binnen de in de Omgevingsverordening gestelde voorwaarden in deze gebieden mogelijk blijft. Later is in de Omgevingsverordening bepaald dat zonneweiden en windmolens in de ganzenrustgebieden zijn uitgesloten, net zoals andere activiteiten en handelingen die de foerageerfunctie voor ganzen doen afnemen. Uit de recent afgeronde evaluatie zijn een aantal knelpunten geïdentificeerd. Het oppervlak betreft 6,5 procent van het oppervlak dat potentieel geschikt is voor ganzen binnen de provincie Utrecht. Afgelopen jaar verbleef naar schatting 14 procent van de brand- en grauwe ganzen in de ganzenrustgebieden en 23 procent van de kolganzen. Ganzen trekken dus wel iets meer naar de gebieden toe, maar verblijven er ook grotendeels buiten. Het oppervlak is nu in totaal 6.272 ha. Om alle naar schatting aanwezige ganzen te kunnen herbergen, zou het oppervlak 3,96 keer zo groot moeten zijn (24.837 ha). Geredeneerd vanuit de gunstige referentiewaarden voor trekganzen, lijkt het erop dat de oppervlakte die nu is vastgelegd echter wel voldoende zou moeten zijn. Het is wenselijk om te kijken naar mogelijkheden voor herbegrenzing, uitbreiding en het flexibeler opstellen van de regels in de Omgevingsverordening om compensatie mogelijk te maken. Dit vanwege de spreiding van ganzen, de ligging en eigenschappen van de gebieden en de wensen in delen van de huidige gebieden om meer hoogwaardige natuur te ontwikkelen of andere activiteiten van groot openbaar belang plaats te kunnen laten vinden. In deze samenhang willen we de gebieden in omvang en locatie opnieuw bepalen en de regels in de Omgevingsverordening op bovenstaande afstemmen.Grondgebruikers in deze gebieden komen in aanmerking voor een automatische taxatie van schade en de tegemoetkomingen in schade zijn hoger dan daarbuiten. De tegemoetkoming is 100 procent(i.p.v. 95 procent), plus 50 euro per hectare met schade en daar bovenop nog eens 16,67 euro per hectare met schade die na 1 april is ontstaan in het Nederrijngebied (hiervoor moet wel voldaan worden aan de de-minimisverordening). Dit is voor brandganzenopvang ingesteld tot 1 mei, omdat brandganzen langer in Nederland blijven om te overwinteren dan grauwe en kolganzen. Er is nog steeds draagvlak onder agrariërs binnen de bestaande ganzenrustgebieden, hoewel er wel enkele uitdagingen zijn. De aantallen ganzen mogen niet te hoog worden, zodat verslemping niet ontstaat en gras na de winter weer kan herstellen. Ook geeft men aan dat de taxatiemethoden soms niet toereikend zijn (geen referentieperceel aanwezig waar ganzen niet geweest zijn). We zullen dit aandachtspunt mee laten nemen bij de nieuw op te stellen taxatierichtlijn door BIJ
  40. Werkplannen Om te borgen dat de SvI niet in het geding komt en om concrete gebiedsgerichte beheerafspraken (niet-dodelijk en dodelijk) te maken, stellen de vier ganzenclusters ondersteund door een ganzencoördinator, jaarlijks in september werkplannen op voor de periode 1 november – 30 oktober. Dit gebeurt mogelijk via het principe van adaptief beheer (zie uitleg over dit principe onder de paragraaf over het ree). Het principe dat gehanteerd wordt is vergelijkbaar met de reewildbeheerplannen. Daarin wordt in elk geval meegenomen of op basis van zomertellingen (Faunabeheereenheid) en watervogeltellingen (Sovon) en vervolgens via vastgestelde rekenmethode het doden van dieren in de aankomende beheerperiode van een jaar mogelijk blijft. Een dergelijk controlesysteem wordt ook ingebouwd in de vergunningen/ toestemmingsbesluiten. In geval populaties onder de gunstige referentiewaarden liggen, is provincie het bevoegd gezag om te besluiten dat (bepaalde onderdelen van) een vergunning in elk geval tijdelijk opgeschort is. De werkplannen worden door een ganzencommissie beoordeeld, verbeterd en vastgesteld. De commissie bestaat uit tenminste provincie en de werkorganisatie van de Faunabeheereenheid. In de werkplannen willen we als provincie de volgende onderdelen tenminste terug zien: a. Een benadering van het ecologische systeem in zijn geheel en beheermaatregelen die breder zijn dan het doden van dieren. Denk aan gebruik maken van natuurlijke predatoren, andere habitatinrichting, andere gewasteelt en inzet van innovatieve verjagende middelen tijdens de winterperiode 1 nov. – 1 mei; b. Een grotere inzet op het afschot van paarvormende en beginnende broedende grauwe ganzenparen; c. Intensivering van de inzet op nestbeheer in overzichtelijke gebieden; d. Waar mogelijk blijvende inzet ruivangsten; e. De hotspotbenadering voortzetten, dus de focus leggen op daar waar veel ganzen zitten en schade aanwezig is. Innovatieve niet-dodende maatregelen verankeren in de uitvoering Via de Faunabeheereenheid zal de provincie de clusters intensiever stimuleren tot het inzetten van preventieve maatregelen en deze op te nemen in de werkplannen. Hiermee is ervaring opgedaan in verschillende pilots. Uitwerking kan bijvoorbeeld op basis van de gebiedsgerichte aanpak zoals uitgewerkt in het innovatieonderzoek (Innovaties in Faunabeheer – De Natuurverdubbelaars), op basis van de aanpak pilot Eemland en met gebruikmaking van drones (Gebiedsgerichte ganzenaanpak (provincie-utrecht.nl)). Bij het ganzenbeheer en voor de onderbouwing van de werkplannen is ook behulpzaam dat de registratie van dodende en niet-dodende maatregelen en de tellingen worden verbeterd (zie ook 3.5.1 Het voorkomen, accepteren en beperken en van schade in opeenvolgende stappen en Hoofdstuk 4 Monitoring faunasoorten). Zo­als beschreven in 3.7 Beleid tegemoetkomingen in schade nemen de tegemoetkomingen in de schade steeds verder toe. Daarnaast constateren we dat uitkering van tegemoetkoming in schade onvoldoende als stimulans werkt om schade te voorkomen met het geweer of om gezamenlijk (innovatief) te werk te gaan met het verjagen van ganzen ter voorkoming van de schade. Daarom intensiveren we het stimuleren van het verjagen van ganzen in de winter naar ganzenrustgebieden. Onder andere door ondersteunend afschot pas toe te staan na (geregistreerde) inzet van preventieve maatregelen en via de inzet van gebiedsgerichte ondersteuning bij gecoördineerde ver- en bejaging. Bovendien zetten we in op het herbegrenzen en waar nodig en mogelijk, het uitbreiden van de ganzenrustgebieden. Daarnaast passen we de regels aan, zodat in speciale situaties (al dan niet tijdelijk) compensatie mogelijk is voor het omvormen van gras in ganzenrustgebieden naar natuur en/of baggerdepots. Op die manier kunnen ganzenrustgebieden verschuiven qua ligging in de tijd, afhankelijk van de behoeftes in het gebied, maar ook op basis van de ecologische behoeftes van ganzen en de minimale ruimte die nodig is om de gunstige SvI’s te waarborgen. De ruimere mogelijkheden, namelijk ondersteunend afschot buiten de ganzenrustgebieden in de winterperiode, flexibelere regels rondom ganzenrustgebieden en de mogelijke financiering van gebiedsgerichte innovatieve aanpakken gaan hand in hand met het verlagen van de tegemoetkomingen in schade. In eerste instantie voor zomerschade en voorjaarschade buiten ganzenrustgebied. Daar verlagen we in fases de tegemoetkoming van 95 procent naar 80 procent (zie 3.7 Beleid tegemoetkomingen in schade). In ganzenrustgebied blijft de huidige regeling van kracht (100 procent plus 50 euro per schadehectare plus 16,67 euro per schadehectare voor elke maand waarin na 1 april winterrust geldt en schade is vastgesteld (brandganzen opvanggebied)). De Afdeling Rechtspraak van de Raad van State heeft geoordeeld dat het verhogen van het eigen risico, zelfs naar 20% in geval van ganzenschade, redelijk en billijk is. Op dit moment wordt een analyse uitgevoerd door de Faunabeheereenheid Noord-Holland, ten behoeve van het ganzenbeheerplan voor de vijf provincies Noord-Holland, Zuid-Holland, Zeeland, Flevoland en Utrecht. Wij verwachten dat die analyse leidt tot een effectief pakket aan maatregelen die aansluit op de maatregelen zoals hierboven genoemd. Mochten effectieve maatregelen om schade te voorkomen naar voren komen die juridisch houdbaar zijn, maar hier nog niet zijn benoemd, kunnen die toegevoegd worden door de Faunabeheereenheid aan het Faunabeheerplan. Mogelijk volgt uit de analyse ook een noodzaak om het beleid bij te stellen. Hoewel wij dit niet verwachten, hebben wij deze optie wel opgenomen als mogelijk actiepunt. Ganzenbeheer anders dan ter beperking van gewasschade Het ganzenbeheer vindt vooral plaats om gewasschade te beperken, maar is er ook ter verbetering van de vliegveiligheid. Een klein deel van de Schiphol-20km-zone ligt in de provincie Utrecht. De provincie Noord-Holland en de Faunabeheereenheid Noord-Holland zijn de voortrekkers en de provincies en Faunabeheereenheden van Utrecht en Zuid-Holland sluiten aan op het beheer van ganzen rondom Schiphol. Het uitgangspunt is het Schipholconvenant waar het ministerie van I&W de trekker is. Daarnaast zijn er ook diverse claims binnen Natura 2000-beheerplannen en vanuit de Kader Richtlijn Water plannen om het aantal (grauwe) ganzen te reduceren en om natuur- en waterkwaliteitsdoelen te kunnen halen. De onderbouwing hiervoor ontbreekt in het huidige Faunabeheerplan en deze belangen zijn ook niet opgenomen in de toestemmingsbesluiten. In de komende beheerperiode bepalen we met de betrokken partners, onder andere ook Faunabeheereenheid Noord-Holland, als penvoerder van het ganzenbeheerplan voor de vijf provincies, of er voldoende aantoonbare redenen zijn om ook op basis van die gronden ganzen te beheren en zo ja, hoe. Het is ook mogelijk dat er nader onderzoek nodig is om te bepalen of ganzen een knelpunt vormen in het behalen van de doelstellingen (zie ook 3.5.5 Toekomstig schets komende FBP vergunningvrije soorten (t/m 2030) en Hoofdstuk 4 Monitoring faunasoorten). Vergunningen en toestemmingsbesluiten Voor ganzenbeheer zijn er 19 verschillende omgevingsvergunningen. Uit het veld komen geluiden dat dit als ingewik­keld wordt ervaren en dat men regelmatig bang is onbewust de regels te overtreden met mogelijk grote consequen­ties (verlies vergunning voor een jachtgeweeractiviteit). Ook de verschillen in regels tussen provincies vindt men lastig. Voor de komende beheerperiode streven we naar overzichtelijkere en minder toestemmingsbesluiten. Dit zal gebeuren op basis van het Faunabeheerplan voor de 5 provincies, opgesteld door de 5 Faunabeheereenheden. De provincie heeft hier een stimulerende, participerende, realiserende en regulerende rol. Actiepunten
  41. Blijvend op toezien dat monitoring waar nodig verbetert op het gebied van aantallen, trends en schade. Trekker: Provincie Utrecht Betrokken partners: IPO (taakgroep ganzen), BIJ12, Faunabeheereenheid, WBE’s, Sovon
  42. Opdracht geven om nader te bepalen referentiepunten jaarlijks te laten taxeren om effecten van beheermaatregelen beter te kunnen bepalen. Trekker: Provincie Utrecht Betrokken partners: BIJ12, LTO, Faunabeheereenheid
  43. Samen met de betrokken partners bepalen of er aantoonbare redenen zijn ganzenbeheer uit te voeren in het belang van Natura 2000-­ en Kader Richtlijn Water-­doelstellingen. Trekker: Provincie Utrecht Betrokken partners: Faunabeheereenheid, terreinbeheerders, waterschappen, UPG, Particuliere Gegevens Organisaties (PGO’s), Vogelbescherming
  44. Voor het Faunabeheerplan-­onderdeel ganzen is de Faunabeheereenheid Utrecht gevraagd aan te sluiten bij het Faunabeheerplan ganzen voor de vijf provincies. Daar komen de diverse belangen aan bod, zo ook natuur­ en waterkwaliteit die mogelijk geschaad worden door ganzen. Op basis van het Faunabeheerplan vraagt de Faunabeheereenheid toestemmingsbesluiten aan voor het beheer. Trekker: Faunabeheereenheid
  45. Als uit de analyses die uitgevoerd worden in het kader van het op te stellen Faunabeheerplan ganzen voor de vijf provincies blijkt dat beleidswijzigingen nodig zijn om het beheer effectiever te laten verlopen, dan gaan wij die wijzigingen bespreken met Gedeputeerde Staten en eventueel doorvoeren. Trekker: Provincie Betrokken partners: Faunabeheereenheid
  46. Beter inzicht zien te krijgen in het verband tussen de inzet van afschot/doden in relatie tot schadereductie in de landbouw, dit ten opzichte van de inzet van niet-dodende en verjagende maatregelen en schadereductie in de landbouw. Trekker: Provincie Utrecht Betrokken partners: IPO, BIJ12, Faunabeheereenheid en de daarin vertegenwoordigde partijen
  47. Stimuleren van collectief en gecoördineerd ver­ en bejagen met ondersteunend afschot eventueel in combinatie met uitvoering via loonwerker. Trekker: Faunabeheereenheid Betrokken partners: Weidevogelcollectief, groepen boeren, ganzenclusters, Wildbeheereenheden, LTO, BIJ12
  48. Nut en noodzaak van maatregelen zoals koppelafschot nadrukkelijker communiceren en nadrukkelijker deel uit laten maken van de werkplannen van de ganzenclusters. Trekker: Faunabeheereenheid Betrokken partners: Wildbeheereenheden, ganzenclusters.
  49. In de relevante regels (hetzij de Omgevingsverordening, hetzij de vergunningen), altijd de inzet van preventieve middelen en de registratie daarvan voorafgaand aan ondersteunend afschot opnemen (dus niet als het populatiebeheer betreft). Trekker: Provincie Utrecht Betrokken partners: Faunabeheereenheid, RUD
  50. Toestemmingsbesluiten waar mogelijk samenvoegen, verduidelijken en vereenvoudigen. Trekker: Provincie Utrecht Betrokken partners: Faunabeheereenheid, RUD
  51. Via de IPO ­taakgroep ganzen afstemming over het ganzenbeheer tussen provincies. Trekker: Provincie Utrecht Betrokken partners: Faunabeheereenheid
  52. In het totaalpakket van de ganzenafspraken en de hiervoor aangegeven samenhang van ontwikkelingen, willen we de ganzenrustgebieden opnieuw in omvang en locatie bepalen en vervolgens via de Omgevingsverordening aanwijzen en de regels op de genoemde gewenste ontwikkelingen af te stemmen voor zover ecologisch toelaatbaar. Trekker: provincie Betrokken partners: Faunabeheereenheid, BIJ12, RUD
  53. In overleg blijven (zowel provincie als Faunabeheereenheid) met in elk geval de buurprovincies om beleid en toestemmingsbesluiten met elkaar af te stemmen en waar mogelijk te uniformeren. Instappen in het gezamenlijke Faunabeheerplan ganzen van vijf provincies. Trekker: Provincie (beleid en toestemmingsbesluiten) en Faunabeheereenheid (FBP) 3.6.2 Beschermde inheemse hoefdieren Hoefdieren zijn een verrijking van de natuur. Tegelijk kan bij hoge dichtheden sprake zijn van overbegrazing, gewasschade, verkeersschade en/of ziektes die overgedragen kunnen worden aan gehouden dieren. Ons beleid is erop gericht om voor alle mogelijk voorkomende inheemse hoefdieren populaties te beheren (met niet-dodende en dodende maatregelen) en/of niet toe te staan in bepaalde gebieden. Daar waar inheemse hoefdieren zeker voorkomen, bepalen we het beleid en beheer samen met de belanghebbenden. Dit kan zijn de inzet van preventieve maatregelen, zoals rasters voor de verkeersveiligheid, rustgebieden creëren en afspraken maken over het te realiseren afschot. Onderstaan­d beleid is onder andere gebaseerd op het Hoefdieradvies opgesteld door de Zoogdiervereniging begin
  54. Ree Achtergrond en huidige situatie Het aantal getelde reeën in Utrecht ligt rond de 3.000 stuks (werkelijke aantallen liggen hoger). Daarvan worden er jaarlijks zo’n 500 geschoten ten behoeve van verkeersveiligheid. Uit cijfers van de Stichting Valwild Utrecht komt naar voren dat het aantal aanrijdingen met reeën sinds 2009 schommelt tussen de 260-360 per jaar. In de afgelopen periode is in het beleid en het FBP als doel gesteld om het aantal aanrijdingen te stabiliseren en liever nog terug te dringen. Om inzage te krijgen in de achterliggende factoren en problematiek rond aanrijdingen is in 2011 onderzoek gedaan. Dat onderzoek gaf zicht op de hotspots, plekken waar verhoudingsgewijs vaker aanrijdingen plaatsvinden dan elders. Het onderzoek gaf ook aanbevelingen om het aantal aanrijdingen terug te dringen. Dit kan niet overal en zal afhangen of het om incidentele (maatregelen nauwelijks mogelijk), structurele (diverse maatregelen mogelijk) of tijdelijke hotspot (achterhalen reden belangrijk om vervolgens maatregelen op toe te passen waar mogelijk) aanrijdingen gaat. De aanbevelingen zijn waar mogelijk verwerkt in het Programma Oversteek­baarheid fauna (dat vanaf 2024 een vervolg krijgt via het bereikbaarheidsprogramma, zie 2.2 Relatie met andere provinciale beleidsthema's). Hierin staan verkeers- en wegmaatregelen genoemd die aanrijdingen met reeën en andere fauna kunnen verminderen. Sinds 2015 zijn brede reeënbeheercommissies van kracht (één per WBE), bestaande uit de sectoren: jacht en wildbeheer, landbouw, bosbouw, natuurbescherming en wegbeheerders. Deze reeënbeheercommissies stellen jaarlijks op basis van dit programma werkplannen op. In de werkplannen dient een combinatie van maatregelen terug te komen: bermbeheer, infrastructurele voorzieningen, wegsnelheid, impact van recreatie verminderen, afschot, tezamen resulterend in een vermindering van het aantal aanrijdingen. De Faunabeheereenheid coördineert de uitvoering van het reeënbeheer en ondersteunt de reeënbeheercommissies. De jaarlijkse werkplannen worden door een aparte commissie beoordeeld en vastgesteld (samenstelling: Faunabeheereenheid, UPG, Jagersvereniging, SBB en provincie). Komende beheerperiode We vragen de Faunabeheereenheid om in de komende beheerperiode, via o.a. een onafhankelijke procesbegeleiding, de inzet van de brede reeënbeheercommissies, de beoordelingscommissie en aanvullend een ge-update populatiemodel en de onafhankelijke toetsing van de werkplannen uit te voeren. Dit proces moet in het Faunabeheerplan beschreven zijn, bij de vergunningaanvraag meegenomen worden en zal door de provincie in een eventueel toestemmingsbesluit voor het doden van reeën als uitgangspunt dienen voor de onderbouwing dat een zorgvuldige, probleemgerichte aanpak, de basis is van het beheer. Deze werkwijze sluit aan op voorgaande jaren, maar zal aangevuld worden met een pilot volgens het adaptief impact management (AIM), ofwel adaptief beheer model. Dit model is een aanpak dat uit verschillende stappen bestaat en dat onafhankelijk begeleid wordt: a. Betrek de juiste belanghebbenden bij het probleem (wie kan bijdragen aan minder aanrijdingen?) en stel met hen samen een werkplan op, welke bestaat uit onderstaande onderdelen 2 t/m
  55. b. Voer een situatieanalyse uit (waar vinden aanrijdingen plaats, waar vindt afschot plaats, wat is de reeënstand, welke niet-dodende maatregelen zijn waar aanwezig?) c. Stel gezamenlijk doelen op (hoeveel minder aanrijdingen?) d. Identificeer welke en waar niet-dodende maatregelen nog gerealiseerd zouden kunnen worden om het doel te behalen e. Ontwikkel een “model” op basis van hypotheses en de huidige kennis die we hebben (daarin meenemende, als het kan, zowel niet-dodende als dodende maatregelen), en bepaal aan de hand daarvan of en zo ja hoeveel, afschot nodig is om het doel te behalen f. Neem in het werkplan een monitoringsparagraaf op waarin beschreven wordt hoe alle genomen maatregelen (dodelijk en niet-dodelijk), het aantal aanrijdingen en de dichtheidsbepaling gedurende de planperiode in beeld worden gebracht. g. Laat het werkplan toetsen door een wetenschappelijke instantie h. Implementeer beheer i. Monitor de response van het systeem op het gevoerde beheer j. Voer jaarlijks, waar nodig, aanpassingen in het werkplan en model door op basis van de monitoringsresultaten en stel nieuwe beheermaatregelen voor k. Laat dit aangepaste werkplan toetsen door een wetenschappelijke instantie l. Voer het beheer uit, eventueel met de benodigde aanpassingen zoals geïdentificeerd onder 9 Met deze aanpak beogen wij een effectievere uitvoering van alle beheermaatregelen, waardoor het aantal aanrijdingen met reeën binnen de provincie Utrecht afneemt. Bovendien kan deze aanpak zorgen voor een betere onderbouwing van de relatie tussen reeënafschot, verlaging van de stand en daarmee een hogere verkeersveiligheid. Dit kan mogelijk weer bijdragen aan toekomstige toestemmingsbesluiten vanuit de provincie voor het reeënbeheer. Van belang is dat in 2024 een nieuw provinciaal bereikbaarheidsprogramma komt waarin in elk geval de maatregelen voor 20 provinciale wegtracés nader aan bod komen. De keuze voor deze trajecten is mede gebaseerd op het voorkomen van aanrijdingen met reeën. Dit programma loopt parallel aan het Netwerk­perspectief provinciale wegen 2040, waarin op een aantal provinciale wegen tot en met 2040 de maximumsnelheid verlaagd wordt. Dit zal niet alle aanrijdingen kunnen voorkomen, want bij een hoge intensiteit van verkeer vinden ook bij lage snelheden aanrijdingen met reeën plaats. Na de inrichting en afwaardering van wegen naar 60 km/h (N415 en delen van de N224 en N225) kan de politie handhaven op snelheid. We vragen de Faunabeheereenheid de kennis en expertise binnen de huidige reeënbeheercommissies te benutten. het bestaan hiervan beter onder de aandacht, zodat ook gemeenten en andere belanghebbenden, die erdoor worden getroffen of die invloed op het probleem kunnen uitoefenen (conform het AIM), de kans krijgen om aan te sluiten. Het format van de werkplannen is regelmatig onderhavig aan verbetering en zal ook in de lopende planperiode waar nodig verbeterd worden, zodanig dat inzichtelijk wordt dat de concentratie aan maatregelen (dodend en niet-dodend) daar plaatsvindt waar ook de meeste aanrijdingen zijn. Daarnaast vragen we de Faunabeheereenheid de jaarlijkse werkplannen onafhankelijk te laten toetsen door een wetenschappelijke instantie, zodat deze onafhankelijk gevalideerd en geoptimaliseerd worden. De reewildtellingen behouden we en verbeteren we als onderdeel van de input van de werkplannen. De Faunabeheereenheid coördineert dit, de Wildbeheereenhedenvoeren de tellingen uit. De tellingen zijn opgenomen in de Omgevingsverordening als een van de verplichte werkzaamheden van de Wildbeheereenheden. Tellingen geven inzicht in de trend over de jaren en kunnen mits gestandaardiseerd uitgevoerd ook bijdragen aan dichtheidsberekeningen, maar geven geen zicht op exacte aantallen. Bijsturen van het afschot wordt gebaseerd op tellingen, maar ook op het waargenomen valwild binnen een Wildbeheereenheid. Neemt die op een bepaalde locatie toe, dan zal naast de inzet van niet-dodende maatregelen het toegekende afschot op die locatie ook toenemen. Om dit goed te kunnen uitvoeren is het noodzakelijk ook die registratie van data te verbeteren ten behoeve van analyses en nieuwe werkplannen. Er zijn diverse al bestaande apps die, wellicht met enige aanpassing, toegepast kunnen worden. De provincie vraagt de Faunabeheereenheid om te onderzoeken welke bestaande telapps gebruikt zouden kunnen worden. Zij zal op haar beurt weer met de Wildbeheereenheden moeten bezien welke tool hiervoor in de toekomstige beheerperiode het beste toegepast kan worden. De provincie laat, uiteraard in samenspraak met de Faunabeheereenheid en daaronder vallende belanghebbenden, een populatiemodel maken die een mix is van ecologische aspecten als leefwijze, dichtheid en gedrag van het ree, dichtheid in relatie tot behoud van biodiversiteit en maatschappelijke aspecten (aanrijdingen). In dit model moet ook de factor predatie meegenomen worden, zodat hierin de effecten van vestiging van de wolf op de populatieontwikkeling van het ree verwerkt kan worden. Dit model dient als basis voor de jaarlijks op te stellen werkplannen en bepaalt of en zo ja waar afschot nodig is. Het model kan geoptimaliseerd worden naarmate meer data beschikbaar komt door jaarlijkse input uit de werkplannen en verdiepende onderzoeken naar de effecten van afschot en/of komst van de wolf op het aantal aanrijdingen en biodiversiteit. Er is nog weinig zicht op de relatie tussen de dichtheid van reeën en effect op biodiversiteit. In het strategisch bosbeleid wordt dit voor de Utrechtse Heuvelrug als mogelijk knelpunt genoemd, omdat hoge dichtheden bosverjonging tegen kunnen gaan. Dit kan weer een negatief effect hebben op de biodiversiteit. Op dit moment is het met de huidige manier van aanlevering van teldata niet mogelijk om dichtheden van reeën op de Utrechtse Heuvelrug te bepalen. Het schaalniveau waarop data wordt aangeleverd is te groot (WBE-niveau) en het aantal hectares dat geteld is per telronde is niet inzichtelijk. Dit is wel nodig om het effect van reeëndichtheid op biodiversiteit te kunnen bepalen. De verwachting is dat de uitvoering en aanlevering van teldata door WBE’s wel te verbeteren is (zie ook hierboven, via bijvoorbeeld gebruikmaking van een bestaande telapp). Immers, op de Veluwe kunnen dergelijke gegevens wel verkregen worden. Als de uitvoering en aanlevering van teldata onder coördinatie van de Faunabeheereenheid verbeterd wordt door de Wildbeheereenheden, kan een indicatie van de dichtheid van reeën bepaald worden. Zo kunnen we laten onderzoeken wat het effect van reeën is op de biodiversiteit. Dit bij voorkeur binnen een breder onderzoeksvoorstel onder het UPLG: ‘Gradiëntenonderzoek als kennisbasis systeemherstel Utrechtse Heuvelrug + flanken’. De uitkomsten kunnen het populatiemodel verder te optimaliseren.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.