← Nederland

Thematisch omgevingsprogramma maatschappelijke voorzieningen – 2025 (Vlaardingen)

In het kort

Dit thematisch omgevingsprogramma voor Vlaardingen geeft een strategische visie op de ontwikkeling van maatschappelijke voorzieningen tot 2040, met als doel overzicht en duidelijkheid te scheppen over de benodigde voorzieningen. Het programma vertaalt trends en demografische ontwikkelingen naar referentiewaarden voor de ruimtebehoefte van maatschappelijke voorzieningen.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

/akn/nl/act/gemeente/2026/CVDR761192 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/gm0622/2026/Regeling7affcda60b6d49b382c21579aa0014b0 /join/id/stop/work_019 2026-04-24 2026-04-24 /akn/nl/act/gemeente/2026/CVDR761192/nld@2026-04-24 /join/id/proces/gm0622/2026/proceduredae2e14b26d147388ac6e6d61570187e 2026-04-24 2026-04-24 /akn/nl/act/gm0622/2026/Regeling7affcda60b6d49b382c21579aa0014b0/nld@2026-04-23;14460780 /akn/nl/act/gm0622/2026/Regeling7affcda60b6d49b382c21579aa0014b0 /akn/nl/act/gm0622/2026/Regeling7affcda60b6d49b382c21579aa0014b0/nld@2026-04-23;14460780 /join/id/stop/work_019 1 Thematisch omgevingsprogramma maatschappelijke voorzieningen – 2025 1 Inleiding 1.1 Waarom dit omgevingsprogramma? Het leefbaar houden van onze stad vraagt om een sterke sociale basis en voldoende ruimte voor ontmoeting, ontwikkeling en ondersteuning. In de Omgevingsvisie 2040, die in Juni 2026 is vastgesteld, is dit uitgangspunt uitgewerkt binnen het thema “Ruimte voor welzijn en maatschappelijke voorzieningen”. Hierin staat een brede omschrijving van de doelstellingen waaraan de gemeente wil voldoende om deze leefbaarheid in de toekomst te behouden en te verbeteren. Maatschappelijke voorzieningen spelen in het bereiken van deze doelstellingen een centrale rol, door ruimte te bieden aan het samenbrengen, verbinden en ontwikkeling en gezondheid van de inwoners van Vlaardingen. De groei van de stad vergroot de vraag naar maatschappelijke voorzieningen, maar zorgt ook voor extra druk op de beschikbare ruimte. Om toch ruimte te kunnen maken voor de benodigde maatschappelijke voorzieningen, is een integrale aanpak nodig. Zo kunnen we de verschillende behoeften goed invullen, ruimte maken voor meervoudig gebruik en voorkomen dat er zelfstandige voorzieningen komen terwijl juist gecombineerde voorzieningen nodig zijn. Om dit goed te kunnen doen, is een eerste stap het verkrijgen van inzicht in wat voldoende voorzieningen zijn in Vlaardingen. Om hier meer inzicht in te krijgen is er onderzoek gedaan naar referentiewaarden voor de maatschappelijke voorzieningen in Vlaardingen, aansluitend op deze ambitie uit de omgevingsvisie. Deze referentiewaarden geven een beeld van de (ruimte)vraag per type maatschappelijke voorziening per 1.000 inwoners, zodat een schatting gemaakt kan worden van de benodigde hoeveelheid en ruimte voor deze voorzieningen in de toekomst. Dit onderzoek bevat referentiewaarden die zijn gebaseerd de lokale situatie, waar mogelijk vergeleken met andere gemeenten of landelijke gemiddelden, onderzoek en wettelijke kaders, aangevuld op basis van beleidsuitgangspunten. Deze combinatie zorgt voor een realistisch en toepasbaar beeld van de benodigde maatschappelijke voorzieningen in Vlaardingen en vormt de onderbouwing voor dit thematisch omgevingsprogramma. Door gebruik te maken van deze waarden kan een duidelijk en meetbaar kader worden geschetst waarmee richting gegeven kan worden aan toekomstige keuzes en ontwikkelingen. Het voorliggende thematische omgevingsprogramma is de eerste strategische vertaling van de omgevingsvisie en vormt zo de basis waarop de uitvoeringsdocumenten per thema en de gebiedsgerichte omgevingsprogramma’s kunnen voortbouwen. Het programma bouwt voort op de resultaten van het eerder uitgevoerde onderzoek naar referentiewaarden en is aangevuld met een kwalitatieve verdieping waarin, samen met betrokken beleidsvelden, is gekeken hoe deze waarden en uitgangspunten in de praktijk kunnen worden toegepast. Daarmee vormt dit programma een inhoudelijke en praktische basis voor verdere beleidsontwikkeling, uitvoering en samenwerking binnen het thema maatschappelijke voorzieningen. 1.2 Verklarende woordenlijst Term Betekenis Initiatieven Plannen of voorstellen om iets te realiseren in de leefomgeving. Maatschappelijke voorzieningen Publieke of publiek toegankelijke voorzieningen die bijdragen aan de basisbehoeften van inwoners op het gebied van leren, ontwikkelen, ontmoeten, bewegen, zorg en welzijn MVS-regio De regio die Maassluis Vlaardingen en Schiedam omvat. In dit verband wordt met een aantal plannen samengewerkt. Omgevingsplan Een juridisch document van de gemeente dat regels bevat over de fysieke leefomgeving (vergelijkbaar met het vroegere bestemmingsplan, maar breder). Omgevingsprogramma Een beleids­document waarin de overheid concreet uitwerkt hoe zij beleid voor de fysieke leefomgeving wil uitvoeren, beschermen of ontwikkelen op basis van de omgevingsvisie. Omgevingsvisie Een strategisch plan van de overheid dat beschrijft hoe de fysieke leefomgeving zich op lange termijn moet ontwikkelen. Onderwijshuisvesting De gemeentelijke taak om te voorzien in huisvesting voor primair-, speciaal, voortgezet onderwijs Referentiewaarde Een norm of standaard waarmee metingen of prestaties worden vergeleken. In dit stuk: Een waarde in vierkante meters per 1.000 inwoners (of andere groep), die kan worden gebruikt om een schatting te maken voor de vraag naar ieder type voorziening, nu en in de toekomst. Segregatie Wanneer verschillende bevolkingsgroepen gescheiden van elkaar raken. Sociale cohesie De mate van samenhang en verbondenheid tussen mensen in een samenleving of buurt. Thematisch omgevingsprogramma Een omgevingsprogramma dat zich richt op één specifiek thema. Trends en ontwikkelingen Veranderingen en richtingen in de maatschappij, economie of leefomgeving die van invloed zijn op beleid Vergrijzing en dubbele vergrijzing De toename van het aandeel ouderen in de bevolking, waardoor de gemiddelde leeftijd stijgt. Dubbele vergrijzing betekend dat er ook minder kinderen geboren worden. 1.3 Doelstelling Gezien de maatschappelijke opgaven en de vastgestelde kaders zoals vastgesteld in de omgevingsvisie is het belangrijk helder te formuleren wat dit omgevingsprogramma wil bereiken. Vanuit deze uitgangspunten is de doelstelling van het omgevingsprogramma als volgt geformuleerd: “Het doel van het Thematisch Omgevingsprogramma Maatschappelijke Voorzieningen is om een gezamenlijke strategische ruimtelijke visie te bieden op de ontwikkeling van maatschappelijke voorzieningen tot 2040 en daarmee overzicht en duidelijkheid te scheppen over de opgave waar Vlaardingen voor staat.” Op basis van demografische ontwikkelingen, maatschappelijke trends en de hierop gebaseerde referentiewaarden voor voorzieningen brengt het programma de huidige en toekomstige behoefte aan maatschappelijke voorzieningen in beeld. Deze waarden vormen een objectieve maatstaf en een gemeenschappelijk uitgangspunt voor het bepalen van de opgave en het beoordelen van beleid en initiatieven die bijdragen aan het waarborgen van de leefbaarheid in Vlaardingen. Dit programma biedt hiermee een gemeenschappelijk kader dat richting en samenhang brengt tussen de gebiedsgerichte omgevingsprogramma’s, beleidsdomeinen en het vastgoedbeleid. Het vormt de basis voor afgewogen keuzes in ruimte, investeringen en samenwerking bij de realisatie van maatschappelijke voorzieningen, en dient als vertrekpunt voor verdere gebiedsgerichte uitwerking van de maatschappelijke opgave waarop later kan worden voortgebouwd. 1.4 Positie en rol van het programma Figuur 1.1: Verhoudingen tussen verschillende beleidstukken binnen de gemeente en hun doel Het thematisch omgevingsprogramma maatschappelijke voorzieningen vloeit voort uit de omgevingsvisie Vlaardingen 2040. Dat wil zeggen dat het een eerste concretisering is van de doelen omtrent de sociale voorzieningen zoals die in de omgevingsvisie genoemd worden. Echter heeft het nog een brede schaal; zowel op gebiedsniveau als het aantal thema’s die het in het programma meegenomen worden. Hiermee dient het als richtinggevend beleidskader voor de fysieke vertaling binnen het brede sociale domein en is het een beginpunt voor de (meer) uitvoerende documenten gericht op specifieke onderwerpen; zoals het Integraal Huisvestingsplan onderwijs of het uitvoeringsprogramma beschermd wonen, maatschappelijke opvang en vrouwenopvang. Tot slot biedt het omgevingsprogramma richtlijnen voor waar we als gemeente naar streven om zelf als gemeente uit te voeren in ons vastgoed, waardoor er een indirecte, via uitvoeringsbeleid, maar soms ook directe verbinding is tussen het omgevingsprogramma en het vastgoedbeleid. Ook hierbij geeft het vastgoedbeleid een concretere uitwerking van de standpunten zoals die zijn opgenomen in dit document. De verhouding tussen de reeds genoemde documenten staat weergeven in figuur 1.1 en zal dieper worden toegelicht in hoofdstuk 3.6. 2 Kernboodschap en opbouw van het programma 2.1 Kernboodschap van het programma Dit hoofdstuk geeft een beknopte toelichting op de kern van het programma en de manier waarop het document is opgebouwd. Het helpt lezers om snel te begrijpen hoe zij het programma kunnen gebruiken en welke onderdelen voor hun rol het meest relevant zijn. De leeswijzer beschrijft stap voor stap hoe het document gelezen kan worden en welke hoofdstukken richtinggevend zijn voor initiatiefnemers, beleidsmakers en bestuurders. Het thematisch omgevingsprogramma maatschappelijke voorzieningen geeft de strategische basis voor de ontwikkeling van maatschappelijke voorzieningen in Vlaardingen tot 2040 op basis van de koers die ingezet is met de omgevingsvisie. . De stad groeit, terwijl de beschikbare ruimte beperkt is. Hierdoor neemt de druk op maatschappelijke voorzieningen die onder onderwijs, sport, zorg, welzijn en cultuur vallen toe. Deze voorzieningen zijn cruciaal voor leefbaarheid en een sterke sociale basis, maar er bestaan nu al capaciteits- en ruimteknelpunten die zonder sturing verder oplopen. In dit programma worden trends, demografische ontwikkelingen en de lokale situatie vertaald naar referentiewaarden die aangeven hoeveel ruimte per nodig is richting 2030 en 2040. Hierbij worden referentiewaarden, die aangeven hoeveel behoefte er is voor een voorzieningen per 1.000 inwoners gebruikt als objectieve maatstaf voor beleidskeuzes. Deze waarden en de inventarisatie van de vraag in vierkante meters vormen hiermee ook de kern van de voortgangsmonitor. De monitor volgt jaarlijks in hoeverre de huidige capaciteit aansluit bij de benodigde ruimte en waar bijsturing nodig is. Het programma vertaalt deze opgaven naar een brede koers voor de stad. Belangrijke uitgangspunten zijn het verankeren van referentiewaarden binnen beleid en ruimtelijke afwegingen, het efficiënter en multifunctioneel benutten van schaarse ruimte, het verbeteren van de spreiding van voorzieningen en het behouden van flexibiliteit wanneer de lokale context daarom vraagt. Deze koers vormt de basis voor gebiedsgerichte uitwerkingen, uitvoeringsprogramma’s en vastgoedafwegingen. De jaarlijkse monitoring houdt de ontwikkeling van voorzieningen, ruimtevraag en maatschappelijke trends scherp in beeld. Hierdoor kan het programma tijdig worden bijgesteld wanneer de demografische of sociale ontwikkelingen daarom vragen. Zo blijft het document actueel en behoudt Vlaardingen de flexibiliteit om mee te bewegen met veranderende behoeften en toenemende ruimtedruk. Daarmee ondersteunt deze monitorende werkwijze het bredere doel uit de Omgevingsvisie: het waarborgen van een stad waar mensen niet alleen kunnen wonen, maar ook prettig met elkaar kunnen samenleven. Het programma vormt zo kader dat helpt om de voorzieningenstructuur en daarmee de leefbaarheid van Vlaardingen toekomstbestendig te houden. 2.2 Leeswijzer 2.2.1 De opbouw van het thematisch omgevingsprogramma De opbouw van het thematisch omgevingsprogramma maatschappelijke voorzieningen bestaat uit drie samenhangende delen die elkaar logisch opvolgen en samen één geheel vormen: Kader en analyse (hoofdstukken 1 - 5) Beschrijft de achtergrond van het programma, relevante trends, de huidige stand van de voorzieningen en de referentiewaarden die als basis dienen voor de beleidskeuzes en de toekomstige monitoring. Koers en uitvoering (hoofdstukken 6 - 8) Bevat de beleidsopgaven, prioriteiten en beleidskeuzes, evenals samenwerkingsafspraken en de uitvoeringsagenda voor 2026. Ook wordt de werkwijze toegelicht voor het beoordelen van nieuwe initiatieven. Monitoring en borging (hoofdstukken 9 - 10) Geeft aan hoe de uitvoering wordt gevolgd en zo nodig bijgesteld, en welke beperkingen, risico’s en aannames een rol spelen bij de interpretatie van de gegevens. De hoofdstukken kunnen afzonderlijk worden gelezen, maar krijgen hun betekenis in samenhang met elkaar. Beleidsmakers vinden vooral richting in de koers, initiatiefnemers in de werkwijze en randvoorwaarden, en bestuurders in de duiding van opgaven en ontwikkelingen. Het Thematisch omgevingsprogramma maatschappelijke voorzieningen – 2025 is ook als bijlage gevoegd. 2.2.2 belangrijkste hoofdstukken per doelgroep Door de brede doelgroep van het stuk en de grootte van het document is het waardevol om een onderscheid te maken van de relevantie opgesplitst naar de betreffende doelgroep. Figuur 2.1: Overzicht met relevantie van ieder hoofdstuk per doelgroep 3 Context en visie 3.1 Trends en maatschappelijke ontwikkelingen 3.1.1 Landelijke trends Dubbele vergrijzing Er is binnen Nederland sprake van een “Dubbele vergrijzing”; dit betekent dat niet alleen het aantal ouderen in de bevolking toeneemt, maar dat de gemiddelde levensverwachting ook stijgt. De vergrijzing zorgt allereerst tot een vergroting van de vraag naar zorg en dus zorgpersoneel. Door de toename van de vraag naar zorg en afname van de beroepsbevolkingsgrootte is de verwachting dat dit in de toekomst alleen nog maar toe gaat nemen. Ook leidt de vergrijzing tot meer mensen met dementie en andere (fysieke) beperkingen. Hierbij wordt ook de bevolkingsgroep van ouderen met beperkingen in combinatie met een migratieachtergrond steeds groter, waar oog nodig is voor taal- en culturele verschillen. Door de toenemende hoeveelheid ouderen, die vaak ook nog eens langer thuis wonen, is er ook een toenemende behoefte aan woningen die geschikt zijn voor ouderen. Denk hierbij aan meer gelijkvloerse woningen en/of woningen met nabije zorgvoorzieningen. Veranderende vraag op de woningmarkt Door de vergrijzing van de samenleving en de afname van de gezinsgrootte is er een toenemende vraag naar kleinere en meer toegankelijke woningen. De veranderende vraag in combinatie tot een algemene krapte in de woningmarkt zorgt voor uitdagingen voor jongeren, alleenstaanden en ouderen. Deze onzekere woningmarkt zorgt voor kwetsbare situaties voor deze groepen op zowel economisch, sociaal als psychologisch vlak. De onzekere woningmarkt zorgt tezamen met de veranderingen en uitdagingen in de zorg voor dat er dus meer kwetsbare mensen in de samenleving zijn en daarnaast ook vaker een plaats krijgen binnen reguliere woonwijken. Denk hierbij aan mensen met een beperking die zo zelfstandig mogelijk wonen, kleinschalige beschermde woonvormen voor mensen met (lichte) ggz-problematiek en thuiswonende ouderen die (intensieve) zorg ontvangen. Bevolkingsgroei in een beperkte ruimte De verwachting is dat Nederland tot 2040 met ruim 1 miljoen extra bewoners groeit tot 19,2 miljoen inwoners in 2040. Door de bevolkingsgroei neemt de vraag naar woningen toe, maar de beschikbare ruimte in Nederland is beperkt. Hierdoor ontstaan een dubbele druk op de ruimte; er is een structureel woningtekort dat vraagt om forse nieuwbouw en een grotere vraag naar maatschappelijke voorzieningen door demografische veranderingen. Tot slot, zijn ook de beleidsdoelstellingen voor klimaatadaptatie en hernieuwbare energie aangescherpt, wat extra ruimte vraagt en dus het bestaande spanningsveld verder op scherp zet. Druk op de zorg en toenemende gezondheidsproblemen Een eerste factor in de toenemende druk in de zorg en de toenemende gezondheidsproblemen is de eerdergenoemde dubbele vergrijzing. Door deze vergrijzing neemt het aantal chronische ziekten toe, wat leidt tot een grotere druk op de zorg. Ook is eenzaamheid een probleem wat vaker voorkomt bij ouderen dan voorgaande leeftijdsgroepen. Hoewel het percentage ouderen dat zich eenzaam voelt relatief stabiel blijft, groeit het absolute aantal eenzame ouderen door de omvang van de groep. Bij jongeren is het gevoel van eenzaamheid de afgelopen jaren wel toegenomen. De verwachting is dat deze groei op termijn stabiliseert of licht daalt. Andere psychische klachten laten wel een stijgende trend zien bij jongeren; waarbij de meeste zorgen voor de toekomst liggen in de toename in angst- burn-out- en depressieklachten onder jongeren. In de gehele bevolking stijgen overgewicht en obesitas, en wordt verwacht dat ongeveer 60% van de volwassenen hiermee te maken krijgt in 2040. Daarnaast beweegt men te weinig en blijven alcohol- en middelengebruik hardnekkige problemen. Deze factoren hangen direct samen met een hogere kans op hart- en vaatziekten, diabetes en psychische klachten. Naast ouderen wonen ook steeds meer andere groepen met psychische of lichamelijke aandoeningen langer thuis, zoals eerder genoemd. Dit zorgt voor een zwaardere belasting van mantelzorgers, met als gevolg meer psychische en fysieke problemen in deze groep. Daarnaast spelen ook de leefomgeving en het klimaat een steeds grotere rol in de volksgezondheid. Luchtvervuiling, geluidsoverlast en een gebrek aan groen dragen bij aan hart- en longproblemen en verhogen stress, terwijl stedelijke verdichting deze effecten versterkt. Tegelijkertijd bevordert meer groen juist herstel, beweging en verkoeling. Klimaatverandering vergroot de druk verder: vaker voorkomende hittegolven en extreem weer leiden tot hittestress, hogere sterfte onder kwetsbare groepen en meer mentale klachten. Ook neemt de blootstelling aan Uv-straling, allergieën en klimaatgevoelige infectieziekten toe. De combinatie van een verouderende bevolking, de toename van fysieke en mentale klachten, het langer thuis wonen en de groeiende impact van leefomgeving en klimaat vergroot de zorgvraag en zet het zorgsysteem verder onder druk. Hierdoor neemt de vitaliteit van de bevolking als geheel af. Om deze ontwikkeling te keren en de druk op de zorg beheersbaar te houden, wordt het steeds belangrijker om sterker in te zetten op preventieve maatregelen. Toename culturele diversiteit Naar verwachting zal het aandeel inwoners met een migratieachtergrond de komende decennia verder toenemen, tot net iets minder dan 40 procent van de bevolking. Daarmee worden de verschillen in achtergronden en leefwerelden zichtbaarder. De groter wordende culturele diversiteit brengt zowel kansen als aandachtspunten met zich mee. Voor sommige groepen spelen taalbeheersing, opleidingsniveau en sociaal netwerk een rol bij deelname aan onderwijs, werk en maatschappelijke activiteiten. Ook verschillen in culturele waarden en verwachtingen kunnen invloed hebben op hoe inwoners voorzieningen benutten of contact ervaren met instanties. In buurten waar dit samenkomt met sociaaleconomische kwetsbaarheid worden verschillen in kansen zichtbaarder, wat vraagt om beleid gericht op toegankelijkheid en vertrouwen. Ook kan de groei van de culturele diversiteit een invloed hebben op de sociale cohesie. In gebieden waar bewoners weinig contact met elkaar hebben en sociaaleconomische kwetsbaarheden groot zijn, is de kans aanzienlijk groter dat spanningen en scheidslijnen toenemen. Daarbij laten recente cijfers zien dat de houding van Nederlanders ten opzichte van immigranten de afgelopen jaren minder positief is geworden, wat duidt op een toenemende kwetsbaarheid in de sociale samenhang. Deze ontwikkelingen vragen om blijvende aandacht voor het versterken van ontmoeting en contact tussen verschillende groepen, zodat samenleven niet alleen naast elkaar maar ook met elkaar plaatsvindt. Tegelijkertijd brengt diversiteit ook kansen met zich mee. Culturele verscheidenheid kan bijdragen aan economische dynamiek en maatschappelijke vernieuwing, bijvoorbeeld via ondernemerschap en internationale netwerken. Culturele activiteiten, zoals kunst, of muziek, dragen sterk bij aan persoonlijke groei en maatschappelijke deelname. Ook sport en verenigingsleven spelen hierin een belangrijke rol. Ze geven mensen het gevoel dat ze erbij horen en bevorderen onderling begrip. Wanneer diversiteit wordt ondersteund door beleid dat deelname voor iedereen toegankelijk maakt, kan dit uitgroeien tot een belangrijke bron van creativiteit, vernieuwing en verbondenheid. 3.1.2 Lokale context Sociaaleconomische positie In Vlaardingen ligt het gemiddeld bruto-inkomen per inwoner aanzienlijk lager dan het landelijke gemiddelde: in 2023 bedroeg dit verschil ongeveer € 8.000 per persoon. Daarmee kan gesteld worden dat de stad een relatief zwakke inkomenspositie heeft. Dit beeld wordt versterkt door het opleidingsniveau van de bevolking, waarbij verhoudingsgewijs meer laagopgeleiden en minder hoogopgeleiden wonen dan gemiddeld in Nederland. Dit valt ook terug te zien in de armoedecijfers. Zo groeit één op de acht kinderen op in armoede, een ontwikkeling die grote zorgen baart vanwege de gevolgen voor welzijn, gezondheid en toekomstkansen. Daarnaast kampen ongeveer vijfduizend huishoudens met risicovolle schulden. Toch biedt de stad, door haar gunstige ligging in de regio Rijnmond, ook kansen. Vlaardingen ligt dichtbij belangrijke werkgebieden in de haven, logistiek, zorg en dienstverlening, waardoor er veel mogelijkheden zijn voor werk en economische participatie. Deze regionale arbeidsmarkt maakt het voor inwoners mogelijk om zich, ondanks een lagere gemiddelde inkomenspositie, te verbinden met sectoren die structureel werkgelegenheid bieden. Demografische trends De bevolkingsopbouw van Vlaardingen wijkt op verschillende punten af van het landelijke beeld. De groep 25 tot 45-jarigen is relatief groot, mede dankzij het betaalbare woningaanbod en de gunstige ligging ten opzichte van Rotterdam en Schiedam. Daarentegen wonen er minder 45 tot 65-jarigen, die vaak doorstromen naar omliggende gemeenten met een ruimer woningaanbod. In Vlaardingen ligt het aandeel 65-plussers iets boven het landelijk gemiddelde, met een concentratie van 65-plussers in Holy-Zuid. Vlaardingen heeft veel kleinere en meergezinswoningen die relatief geschikt en betaalbaar zijn voor ouderen en de hoge stedelijke dichtheid zorgt bovendien voor voorzieningen en zorg op korte afstand, wat het aantrekkelijk maakt om te blijven wonen. Door de genoemde vergrijzing in 3.1.1 is de verwachting dat het aandeel 65-plussers richting 2040 nog verder toeneemt. De bevolkingsontwikkeling in Vlaardingen laat echter wel zien dat er de komende jaren ook meer jonge gezinnen en kinderen bijkomen. Door nieuwbouw in onder andere de Rivierzone en Westwijk neemt niet alleen het absolute aantal kinderen toe, maar groeit in eerste instantie ook hun relatieve aandeel binnen de bevolking. Dit kan zorgen voor een heropleving van bepaalde wijken en scholen, maar ook voor extra druk op kinderopvang en basisscholen. Er is wel de verwachting dat deze groei, als gevolg van de vergrijzing, op termijn afzwakt en zelfs mogelijk leidt tot een krimp van het aantal kinderen. Culturele diversiteit Vlaardingen kent een grote culturele diversiteit, waarbij in 2024 38% van de inwoners in Vlaardingen een migratieachtergrond had, waarvan 26% een niet-Europese migratieachtergrond. Vlaardingen heeft hiermee een duidelijk hogere diversiteit ten opzichte van het landelijk gemiddelde. De grote culturele diversiteit brengt zowel kansen als aandachtspunten met zich mee, zoals toegelicht in 3.1.1 De verwachting is dat het aandeel inwoners met een migratieachtergrond in Nederland tot 2050 op loopt tot iets minder dan 40%. Wanneer diezelfde groeifactor wordt toegepast op de huidige bevolkingssamenstelling van Vlaardingen, zou dat betekenen dat in 2050 ruim 60% van de inwoners een migratieachtergrond heeft. De positieve en negatieve gevolgen van de verhoging van de culturele diversiteit zullen zich in Vlaardingen dus naar verwachting in de toekomst nog sterker manifesteren. Hoewel de culturele kansen die hierdoor ontstaan niet vergeten mogen worden, moet er ook oog zijn voor de mogelijke problemen die hieruit kunnen ontstaan. De negatiever wordende houding van Nederlanders zonder migratieachtergrond in combinatie met de bestaande kwetsbaarheid van bepaalde wijken, zoals de Westwijk, kunnen zorgen voor (verdere) spanningen en toenemende scheidslijnen tussen de bevolkingsgroepen. Onderling contact tussen deze groepen en het verminderen van de sociaaleconomische kwetsbaarheid van deze wijken kan ervoor zorgen dat deze risico’s niet alleen vermeden worden, maar deze diversiteit juist een kans voor culturele uitwisseling kan worden. Stedelijkheid en leefomgeving Vlaardingen is een sterk verstedelijkt gebied met een hoge bevolkingsdichtheid van circa 3.300 inwoners per vierkante kilometer. Door de relatief hoge bebouwingsdichtheid en de grote aanwezigheid van meergezinswoningen is de stad compact van opzet. Dit heeft als voordeel dat de bereikbaarheid binnen de stad relatief groot is. Echter brengt het ook problemen met zich mee. Allereerst is er een grote aanwezigheid van de meergezinswoningen en sociale huurwoningen. Hierdoor is er in Vlaardingen een relatief eenzijdig woningaanbod, waarbij er een tekort is aan woningen in het midden- en hogere segment. Ook staat de kwaliteit van de woningvoorraad onder druk; veel woningen zijn matig geïsoleerd en hebben bouwkundige problemen. De concentratie en staat van de woningen in bepaalde wijken kunnen leiden tot sociaaleconomische kwetsbaarheid. Daarom richt de gemeente zich in de komende jaren op het maken van een evenwichtige mix van woningtypen en inkomensgroepen. De stedelijke ligging brengt ook milieu gerelateerde uitdagingen mee, zoals luchtvervuiling, geluidsoverlast en hittestress, die zich hier sterker manifesteren door de nabijheid van haven, industrie en druk verkeer. Klimaat adaptieve maatregelen, zoals vergroening en waterberging, zijn daarom een belangrijk onderdeel van de stedelijke ontwikkelingsstrategie. De verwachting is dat Vlaardingen in de toekomst verder groeit, naar 84.000 inwoners in 2040. Hiermee is de verwachting dat de stad nog verder verdicht. Er is sprake van een spanningsveld, waarbij er enerzijds in Nederland een groeiende de behoefte is aan kleine, vaak levensloopbestendige woningen, terwijl Vlaardingen juist al een (

  1. te)groot aanbod heeft van kleine en betaalbare woningen. Deze tegenstelling tussen de landelijke vraag naar compacte woningen en het lokale tekort aan woondiversiteit vraagt om een zorgvuldige afweging. Door klimaatverandering en verdere stedelijke verdichting neemt de kans op hittestress toe, tenzij tijdig wordt ingegrepen. Daarom worden bij woningbouw en herontwikkelingen klimaat adaptieve maatregelen toegepast, zoals vergroening en waterberging. Ook stimuleert de gemeente bewoners via subsidies om bestaande woningen klimaatbestendiger te maken. In het Stadsprogramma Groen is bovendien het streven vastgelegd om de stad jaarlijks verder te vergroenen. 3.2 De rol van maatschappelijke voorzieningen 3.2.1 Toegevoegde waarde en betekenis Om het belang van maatschappelijke voorzieningen goed te begrijpen, is het belangrijk eerst het begrip helder te hebben. In dit worden met de noemer “maatschappelijke voorzieningen” alle fysieke locaties op het gebied van zorg en gezondheid, sport, welzijn, onderwijs en cultuur bedoeld. Dit is een breed spectrum aan onderwerpen die ieder een eigen bijdrage hebben aan de leefbaarheid binnen de stad. Onderwijs en kinderopvang vormen de basis voor persoonlijke ontwikkeling en gelijke kansen. Scholen en kinderopvanglocaties zorgen ervoor dat kinderen en jongeren zich kunnen ontwikkelen, talenten ontdekken en sociale vaardigheden opbouwen. Daarnaast ondersteunen ze ouders in het combineren van werk en gezin. Deze voorzieningen versterken daarmee niet alleen de individuele kansen, maar ook de economische en maatschappelijke vitaliteit van de stad. De voorzieningen binnen welzijn bevorderen de sociale samenhang door inwoners met elkaar in contact te brengen en bieden ondersteuning aan mensen die iets meer ondersteuning kunnen gebruiken. Denk hierbij aan ouderen of mensen met een beperking, maar ook mensen die hulp kunnen gebruiken bij het leren van de taal. Deze voorzieningen dragen bij aan een inclusieve gemeenschap waarin iedereen kan meedoen en waar kwetsbare groepen niet buiten de boot vallen. Sportvoorzieningen stimuleren allereerst een actieve en gezonde leefstijl. Ook dragen ze bij aan de sociale cohesie van de stad door ontmoeting tussen verschillende doelgroepen te stimuleren. Sport kan bovendien een belangrijke rol spelen bij preventieve gezondheidszorg en bij het vergroten van de aantrekkelijkheid van een gemeente voor nieuwe bewoners. De culturele voorzieningen in een stad bieden laagdrempelige toegang tot kunst, literatuur en informatie en stimuleren creativiteit en levenslang leren. Ook brengt het mensen bij elkaar en in gesprek met elkaar wat bijdraagt aan de verbinding van inwoners. Tot slot versterken ze de identiteit van de stad en dragen ze bij aan een bruisend cultureel klimaat dat bezoekers trekt. De voorzieningen binnen zorg en gezondheid waarborgen dat inwoners in hun nabijheid gebruik kunnen maken van de medische voorzieningen die zij nodig hebben. Deze voorzieningen bevorderen niet alleen het fysieke en mentale welzijn, maar vergroten ook de veerkracht van de gemeenschap en ondersteunen een gezonde, veilige leefomgeving. Al met al hebben deze voorzieningen dus een centrale rol in het gezond en gelukkig houden van de inwoners van Vlaardingen. Hierbij kunnen trends en ontwikkelingen, zoals deze in hoofdstuk 3.1 genoemd worden, invloed hebben op de inwoners van Vlaardingen en hiermee ook op de vraag naar de voorzieningen. Echter is het voor een compleet en duidelijk beeld eerst belangrijk om af te kaderen welke voorzieningen in dit omgevingsprogramma zijn opgenomen en welke rol de gemeente heeft bij de realisatie van deze voorzieningen. 3.2.2 Typen voorzieningen en afbakening De afbakening voor de typen voorzieningen is van belang voor zowel de inventarisatie van de huidige maatschappelijke voorzieningen als de doorwerking naar toekomstige maatschappelijke voorzieningen. Dit is hoofdzakelijk gebaseerd op de categorieën zoals ze zijn aangehouden in het vooronderzoek. In dit document verstaan we onder maatschappelijke voorzieningen: “publieke of publiek toegankelijke voorzieningen die bijdragen aan de basisbehoeften van inwoners op het gebied van leren, ontwikkelen, ontmoeten, bewegen, zorg en welzijn”. De hoofdcategorieën hierbij zijn onderwijs, sport, welzijn, gezondheid en cultuur. De voorzieningen die onder ieder thema vallen staan benoemd in bijlage 2. Hierbij voor zover mogelijk de indeling en terminologie aangehouden die is gebruikt in het referentiewaarden onderzoek. Echter zijn er twee aanpassingen geweest. Dierenwelzijn is toegevoegd en de functie openbare kunst is verplaatst naar het beleidsdocument voor de openbare ruimte. 3.2.3 Rol van de gemeente per type maatschappelijke voorziening De rol van de gemeente verschilt per type voorziening. Dit is afhankelijk van de taak die de gemeente heeft in de realisatie en uitvoering van deze voorziening. Dit kan grofweg opgedeeld worden in drie rollen. Allereerst heeft de gemeente een aantal voorzieningen die direct voortkomen uit wettelijke taken die de gemeente moet voldoen. Deze taken staan weergeven in figuur 3.1. Daarnaast heeft zij nog de bredere verantwoordelijkheid om een leefomgeving te scheppen die gezondheid, veiligheid, ontmoeting en welzijn stimuleert van haar bewoners. Op basis van deze taak formuleert zij zelf vaak beleid om deze om deze vorm te geven. Hier heeft zij dus meer vrijheid om deze af te stemmen op de wensen vanuit de gemeente en het bestuur. Tot slot zijn er een aantal voorzieningen waarbij de gemeente maar een beperkte invloed heeft. Deze worden door andere, vaak commerciële, partijen gerealiseerd en uitgevoerd. Op deze rollen en het grondgebruik wat hierbij gepaard gaat wordt in het volgende stuk dieper ingegaan. Figuur 3.1: Overzicht van de wettelijke taken van een gemeente. Voorziening Wettelijke grondslag Korte toelichting Onderwijshuisvesting Wet op het Primair Onderwijs (WPO), Wet op de Expertisecentra (WEC), Wet op het Voortgezet Onderwijs (WVO) Gemeenten moeten zorgen voor voldoende en passende huisvesting voor basis-, speciaal en voortgezet onderwijs. Peuteropvang met VE (Voor- en Vroegschoolse Educatie) Wet Ontwikkelingskansen door Kwaliteit en Educatie (Wet OKE) Zorgplicht voor doelgroepkinderen met (risico
  2. op)taalachterstand. Maatschappelijke opvang en beschermd wonen Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) Verplichte opvang en ondersteuning van dak- en thuislozen, slachtoffers van huiselijk geweld en mensen met psychische aandoeningen. Dagbesteding Wmo 2015 Gemeentelijke taak voor dagbesteding van ouderen, mensen met een beperking of psychische kwetsbaarheid. Consultatiebureaus/ CJG (Centrum voor Jeugd en Gezin) Jeugdwet, Wet publieke gezondheid (Wpg) Verplichte jeugdgezondheidszorg en laagdrempelige ondersteuning voor jeugd en ouders (0–18 jaar). Bibliotheken Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen (Wsob) Vanaf 2026 zorgplicht: elke gemeente moet minimaal één professionele bibliotheekvoorziening hebben. Dierenwelzijn (opvang & borging) Burgerlijk Wetboek (art. 5:8, 5:12), Wet dieren, Wet milieubeheer, Verordening (EG) 1069/2009 Gemeente verantwoordelijk voor opvang van zwerfdieren en verwijdering/verwerking van dode dieren. Afhankelijk van de rol en het grondeigendom Figuur 3.2: De verantwoordelijkheid, uitvoering en grondeigendom van de gemeente bij maatschappelijke voorzieningen. De rol en dus ook de invloed van de gemeente verschilt per type voorziening. Hierom is het belangrijk om duidelijk in beeld te hebben welke rollen er zijn en welke rol zij normaliter aanneemt bij welk type voorziening. De rollen die de gemeente kan hebben staan weergeven in figuur 3.2, waar de verdieping per (sub)type van de voorzieningen in bijlage 3 staat. Allereerst zijn er dus een aantal taken waarvoor de gemeente de directe verantwoordelijkheid heeft voor de aanwezigheid en het functioneren van een aantal voorzieningen. Hier kiest de gemeente er vaak voor om deze zelf uit te voeren of deze uit te laten voeren door een van haar directe partnerorganisaties. Als zij de taak zelf uitvoert is ze eigenaar en direct verantwoordelijk voor de dagelijkse uitvoering van de voorziening. Ze beheert het gebouw, organiseert de dienstverlening, en bepaalt zelfstandig hoe die wordt ingericht. Bij de sturing via haar partners is de gemeente eigenaar óf beleidsmatig opdrachtgever, maar de uitvoering is belegd bij een externe partij zoals een stichting, schoolbestuur of welzijnsorganisatie. De gemeente stelt beleidskaders op, verstrekt subsidie en houdt toezicht op de uitvoering. Zij is echter ook betrokken bij welzijn van de stad die niet direct wettelijk verplicht is, maar wel verwacht wordt op basis van beleidsmatige verplichtingen, zoals dit bijvoorbeeld met sport of cultuur vaak het geval is. In deze rol gaat het vooral om het maken van afspraken met de uitvoerende partijen op basis van subsidierelaties. Hierbij kan de gemeente op basis van de eisen van de subsidies een richting en inzet van de organisaties verwachten, waarbij zij vooral afhankelijk is van eigen beleidskeuzes. Hierbij kan er op basis van beleid gekozen worden om, bijvoorbeeld als er tekorten dreigen, deze locaties zelf te ontwikkelen en te verhuren of verkopen aan de uitvoerende organisaties. De rol van de gemeente lijkt in deze positie dus sterk op haar rol bij de directe wettelijke taken, maar heeft zij wél meer vrijheid als het gaat om de vormgeving van bijvoorbeeld de eisen die gesteld worden aan de uitvoerende partijen. Tot slot heeft de gemeente bij een aantal typen voorzieningen een beperkte rol. Dit zijn vooral voorzieningen met een commerciële aard of die hun financiering van een andere organisatie ontvangen. Hoewel dit genoemd staat als “geen directe betrokkenheid” betekent dit niet dat zij hier helemaal geen rol in heeft. Zij is immers nog steeds verantwoordelijk voor een leefbare en prettige omgeving in de stad. Echter doordat zowel de uitvoering als beheer bij andere partijen elders ligt, zijn haar sturingsmogelijkheden beperkt. Hierin neemt ze dus vooral een faciliterende rol in waarbij zij meedenkt met de uitvoerende partijen en hun door het opstellen van beleid in de gewenste richting proberen te bewegen. 3.2.4 Inzet van gemeentelijke middelen en instrumenten Afhankelijk van het type voorziening dat wordt gerealiseerd, kan de gemeente verschillende rollen vervullen en daarbij gebruikmaken van passende instrumenten. De mate van gemeentelijke betrokkenheid en het eventuele eigendom van gronden door de gemeente zijn daarbij bepalende factoren voor de rol die zij inneemt. In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van de beschikbare gemeentelijke middelen en instrumenten die kunnen worden ingezet ter realisatie van de betreffende voorzieningen. Deze zijn gebaseerd op de genoemde rollen in het referentiewaarden onderzoek dat ten basis ligt van dit stuk. De in dit hoofdstuk opgenomen beschrijving is bedoeld ter verduidelijking en schetst een beeld van gebruikelijke handelwijzen. Er kan dus afhankelijk van de omstandigheden, waarbij kan worden afgeweken van de instrumenten die normaliter in deze situaties gebruikt zouden worden. Richting geven Als de gemeente deze rol aanneemt focust zij zich voornamelijk op het scheppen van duidelijke kaders, het maken van afspraken en het ontwikkelen van werkwijzen die bijdragen aan een prettige stad. Deze werkwijze wordt vaak ingezet bij voorzieningen waar de gemeente geen directe uitvoerende rol in heeft, zoals voorzieningen met een commerciële aard of die financieel ondersteund worden door andere organisaties. Echter kan dit ook gebruikt worden voor of een ondersteunende rol hebben bij andere de andere dynamieken. Om richting te geven, stelt de gemeente onder andere een omgevingsvisie en omgevingsprogramma’s op. Deze documenten maken duidelijk welke ontwikkelrichting we als stad voor ogen hebben en welke kwaliteiten daarbij centraal staan. Daarmee bieden ze ontwikkelaars en initiatiefnemers houvast en worden zij gestimuleerd om plannen te maken die aansluiten bij deze gezamenlijke koers. Verbinden De gemeente kan ook een verbindende rol aannemen bij het tot stand brengen van nieuwe fysieke voorzieningen. Het gaat hierbij zowel om de rol die de gemeente kan pakken in het succesvol intern afstemmen tussen de verschillende domeinen in de gemeente, als het verbinden van externe betrokkenen, als organisaties, bewoners en ontwikkelaars. Vanuit die rol richting externe partijen stimuleert de gemeente ook de samenwerking tussen sectoren en belangen, bijvoorbeeld door het faciliteren van overlegstructuren of het ondersteunen van participatietrajecten. In deze processen kan de gemeente dienen als neutrale procesbegeleider die het algemeen belang bewaakt en draagvlak creëert voor nieuwe initiatieven. Door haar verbindende rol kan de gemeente zorgen dat plannen niet versnipperd tot stand komen, maar dat ze voortkomen uit gezamenlijke ambities en bijdragen aan een vitale en leefbare omgeving. Reguleren Een gemeente kan plannen op verschillende manieren beperken of tegenhouden. Zo kan zij een omgevingsvergunning weigeren wanneer het initiatief niet past binnen het geldende omgevingsplan, of er juist voor kiezen het omgevingsplan te wijzigen om ongewenste ontwikkelingen te voorkomen. Binnen de gemeente Vlaardingen speelt hier de intake en omgevingstafel een belangrijke rol in, waar initiatieven worden beoordeeld en bijgestuurd op basis van de wenselijkheid en de aansluiting van de ontwikkelingen op het huidige beleid. Stimuleren Een gemeente kan ook een stimulerende rol aannemen. Zij moedigt initiatief en vernieuwing aan door het creëren van gunstige randvoorwaarden en het wegnemen van belemmeringen voor de ontwikkeling van nieuwe fysieke voorzieningen. Dit doet de gemeente onder meer door het bieden van duidelijke beleidskaders en procedures, zodat initiatiefnemers weten binnen welke ruimte zij kunnen opereren. Heldere uitgangspunten geven richting, vergroten de voorspelbaarheid van besluitvorming en bieden houvast bij het ontwikkelen van plannen. Zo kan een gemeente kiezen voor het verstrekken van subsidies of cofinanciering, door het beschikbaar stellen van gemeentelijke grond of gebouwen, en het bieden van kennis en advies. Ze kan ook een aanjagende rol spelen door innovatie te bevorderen. Tot slot kan er vanuit de gemeente worden gekozen om voor bepaalde voorzieningen te kopen of te ontwikkelen om deze tegen marktprijs beschikbaar te stellen voor de uitvoerende partijen. Hiermee kan het de drempel van het vinden van een geschikte locatie en/of investeringen vanuit de uitvoerende partij verlagen, waardoor initiatieven die als wenselijke gezien worden gemakkelijker kunnen worden uitgevoerd. Zelf uitvoeren Er kan voor gekozen worden om als gemeente direct betrokken te zijn bij de ontwikkeling van nieuwe maatschappelijke voorzieningen. Dit wordt vaak gedaan bij voorzieningen die voortkomen uit wettelijke verplichtingen, maar hier kan ook, afhankelijk van het gevoerde beleid op andere momenten voor worden gekozen. Hierbij neemt zij dus vaak een directe rol in het kopen, ontwikkelen en eventueel verhuren van de geschikte locatie en blijft zij vaak eigenaar van de grond. 3.3 Invloed van trends en ontwikkelingen op de voorzieningen 3.3.1 Onderwijs Trends en ontwikkelingen Er zijn verschillende trends die direct invloed hebben op het onderwijs en daarmee op de onderwijshuisvesting in Vlaardingen. Landelijk nemen de multiculturaliteit, de gezondheidsproblemen (zoals overgewicht en mentale druk) en de vergrijzing toe. Deze ontwikkelingen zorgen ervoor dat scholen steeds vaker moeten inspelen op een diversere en complexere leerlingenpopulatie, met uiteenlopende ondersteuningsbehoeften. In Vlaardingen komen daar enkele lokale factoren bij. Doordat de stad binnen een beperkte ruimte groeit, neemt de ruimtedruk en daarmee de concurrentie om ruimte toe. De bevolkingsgroei leidt op korte termijn tot een toename van het aantal leerlingen, maar door de vergrijzing zal dit aantal richting 2040 weer afnemen. Vlaardingen kent daarnaast een bevolking met een grote culturele diversiteit . Dit biedt kansen voor een rijke en inclusieve leeromgeving, maar brengt ook uitdagingen met zich mee, zoals taalachterstanden, ongelijke onderwijskansen en verschillende culturele verwachtingen ten aanzien van onderwijs. Bovendien kampt de stad als geheel met relatief hoge onderwijsachterstanden en sociaaleconomische druk, mede door een bovengemiddeld aandeel huishoudens met lage inkomens. Tot slot is een deel van de schoolgebouwen verouderd, waardoor renovatie en herprogrammering noodzakelijk zijn. Ruimtelijke gevolgen Bij de renovatie van scholen kan direct worden ingespeeld op deze ontwikkelingen. De tijdelijke leerlingengroei gevolgd door krimp vraagt om flexibele gebouwen die in eerste instantie voor onderwijs kunnen worden gebruikt, maar later kunnen worden herbestemd. Gezien de beperkte ruimte in de stad is daarnaast een efficiënter ruimtegebruik noodzakelijk. Denk hierbij aan integrale kindcentra (IKC’s), waar verschillende functies zoals onderwijs, opvang en welzijn samenkomen onder één dak. Dit bevordert niet alleen een doelmatig gebruik van ruimte, maar ook de ontmoeting en samenwerking tussen verschillende groepen. Tot slot krijgen scholen in Vlaardingen al te maken met een complexe en diverse leerlingenpopulatie, een situatie die door de veranderende bevolkingssamenstelling en toenemende diversiteit in ondersteuningsvragen verder wordt versterkt. Dit vraagt om aanpasbare en inclusieve leeromgevingen, waar ruimte is voor maatwerk, samenwerking en ontmoeting. Zo kunnen scholen beter inspelen op de uiteenlopende leer- en ondersteuningsbehoeften en tegelijkertijd bijdragen aan gelijke kansen en sociale samenhang in de stad. 3.3.2 Sport en bewegen Trends en ontwikkelingen Landelijk zijn er verschillende maatschappelijke ontwikkelingen zichtbaar die invloed hebben op de vraag naar sport-, beweeg- en ontmoetingsvoorzieningen. De vergrijzing zet verder door, waardoor het aandeel ouderen in de bevolking toeneemt. Tegelijkertijd is er sprake van een groeiend aantal mensen met gezondheidsproblemen, zowel fysiek als mentaal. Ook obesitas en overgewicht komen vaker voor, niet alleen bij volwassenen maar in toenemende mate ook onder jongeren. Daarnaast neemt de culturele diversiteit in Nederland toe, wat de behoefte aan sociale cohesie en onderlinge ontmoeting versterkt. Sport en bewegen kunnen hierin een verbindende rol spelen. Tegelijkertijd blijkt dat door de toenemende multiculturaliteit de deelname aan georganiseerde sport in clubverband juist wat lager ligt, terwijl de belangstelling voor informele en vrije sportvormen toeneemt. Sport wordt bovendien steeds vaker gezien als een effectieve manier om mentale problemen tegen te gaan en een gezonde leefstijl te bevorderen. Ook lokaal zijn er duidelijke trends zichtbaar die aansluiten op de landelijke ontwikkelingen. De gemeente kent een relatief hoog percentage inwoners met diverse culturele achtergronden, wat zorgt voor een brede mix aan behoeften en voorkeuren op het gebied van sport en ontspanning. Daarnaast is er sprake van armoede in bepaalde wijken, wat kan leiden tot drempels voor deelname aan georganiseerde sport. Tegelijkertijd ligt het aandeel ouderen in de gemeente boven het landelijk gemiddelde, waardoor de gevolgen van vergrijzing zoals een groeiende behoefte aan laagdrempelige beweeg- en ontmoetingsplekken relatief sterk voelbaar zijn. Ruimtelijke gevolgen De combinatie van deze landelijke en lokale ontwikkelingen vraagt om een doordachte uitbreiding en aanpassing van de sportvoorzieningen. Allereerst groeit de gemeente in grootte, dit leidt net als bij elke andere voorziening tot concurrentie op de vrijkomende ruimte. Ook zal dit, indien de vraag niet verminderd door de voorspelde trends, in principe leiden tot de groei van de vraag naar sportvoorzieningen. Deze voorspeelde groei is namelijk bij sportvoorzieningen, zoals in hoofdstuk 5 besproken zal worden, niet altijd aan de orde door de invloed van deze trends. Ondanks dit is er, omwille van de toenemende druk op de ruimte in Vlaardingen, nog steeds behoefte om de sportlocaties zo efficiënt en multifunctioneel mogelijk in te richten. Verder zullen de veranderingen op het gebied van sport vooral liggen in het type voorzieningen waar vraag naar komt. Allereerst speelt de vergrijzing een rol. Hierbij is de verwachting is dat er een toenemende behoefte is aan meer informele, laagdrempeligere voorzieningen. Denk hierbij aan sport- en speelplekken die niet alleen gericht zijn op kinderen, maar ook toegankelijk zijn voor volwassenen en ouderen. Daarnaast dienen sportfaciliteiten goed bereikbaar te zijn voor iedereen, ongeacht het vervoermiddel, doordat de mobiliteit van ouderen lager ligt. De toenemende culturele diversiteit vraagt om een breed palet aan sportmogelijkheden, met ruimte voor zowel traditionele sporten als voetbal als voor nieuwe initiatieven. Tegelijkertijd neemt de behoefte aan informele sportvoorzieningen toe, zoals openbare sportplekken, beweegroutes en vrije velden, doordat sportdeelname in clubverband in diverse groepen lager is. Tot slot zie je bij sport- en speelvoorzieningen, dat zij niet alleen een rol kunnen spelen in de vitaliteit van de bewoners, maar dat zij ook een sociale verbinding kunnen creëren. Gezien de verwachting is dat de sociale cohesie afneemt zijn kunnen deze sport- en speelvoorzieningen hier een rol in spelen. 3.3.3 Welzijn Trends en ontwikkelingen Op landelijk niveau beïnvloeden diverse maatschappelijke ontwikkelingen de vraag naar welzijnsvoorzieningen. De vergrijzing zorgt voor meer ouderen die behoefte hebben aan ondersteuning, ontmoeting en structuur. Tegelijk wonen steeds meer mensen met een psychische, sociale of lichamelijke kwetsbaarheid zelfstandig, wat leidt tot een groeiende behoefte aan laagdrempelige begeleiding en sociale ondersteuning. Dit vraagt veel van de draagkracht en samenhang in buurten, waar bewoners, vrijwilligers en mantelzorgers een steeds grotere rol spelen. In wijken met beperkte sociale veerkracht kan dit extra druk en spanning veroorzaken. De toenemende culturele diversiteit brengt nieuwe vormen van gemeenschapszin, maar ook uitdagingen zoals taalbarrières en minder onderling contact. In combinatie met individualisering en eenzaamheid neemt de vanzelfsprekendheid van sociale cohesie af. Deze ontwikkelingen benadrukken het belang van een sterke, inclusieve en cultureel sensitieve sociale infrastructuur: plekken waar inwoners elkaar ontmoeten, zich verbonden voelen en samen verantwoordelijkheid nemen voor hun leefomgeving. Ook lokaal zijn deze trends zichtbaar. Het aandeel ouderen ligt boven het landelijk gemiddelde, waardoor de vraag naar dagactiviteiten, ontmoetingsplekken en mantelzorgondersteuning extra groot is. De gemeente kent daarnaast veel culturele diversiteit én sociaaleconomische uitdagingen, waardoor niet iedereen even makkelijk deelneemt aan ondersteuning of initiatieven. De combinatie van landelijke en lokale trends vergroot de noodzaak voor een goed toegankelijke en evenwichtige spreiding van welzijnsvoorzieningen in de gemeente. Ruimtelijke gevolgen Door de sociale en maatschappelijke ontwikkelingen is er meer behoefte aan plekken voor ontmoeting en ondersteuning in de wijk, zoals dit in buurthuizen of ontmoetingsplekken plaatsvindt. Deze dragen bij aan sociale cohesie, voorkomen eenzaamheid en bevorderen zelf- en samenredzaamheid. Er is ook een toegenomen vraag aan cultureel diverse voorzieningen zoals buurthuizen en initiatieven die ruimte bieden voor uitwisseling, integratie en taalondersteuning. Deze voorzieningen die helpen voorkomen dat mensen langs elkaar leven, waarmee de kans op segregatie verkleind wordt. Ook multiculturele ontmoetingsruimtes kunnen een belangrijke rol spelen in het versterken van onderlinge verbinding. Daarnaast neemt door de vergrijzing de behoefte aan dagbestedingslocaties toe, zowel voor mensen met een mentale als fysieke beperking. Door de vergrijzing worden ook mantelzorg- en vrijwilligerssteunpunten meer en meer onmisbaar om overbelasting te voorkomen en de sociale basis te versterken. Daarnaast is bereikbaarheid en laagdrempeligheid van de welzijnsvoorzieningen belangrijk zodat ook inwoners met een kleinere actieradius of beperkte middelen daadwerkelijk kunnen en aangemoedigd worden om deel te nemen. 3.3.4 Gezondheid Landelijke trends Landelijk zijn er diverse maatschappelijke en demografische ontwikkelingen die de behoefte aan gezondheidsvoorzieningen ingrijpend veranderen. De vergrijzing zorgt voor een sterke toename van het aantal mensen met fysieke beperkingen, chronische aandoeningen en dementie. Daarnaast groeit de groep ouderen die langer zelfstandig woont, wat vraagt om zorgvoorzieningen die dichter bij huis beschikbaar zijn. De vergrijzing gaat ook gepaard met eenzaamheid en een toenemende druk op de eerstelijnszorg en mantelzorgers. Tegelijkertijd neemt het aantal mentale problemen onder jongeren toe, evenals gevoelens van eenzaamheid in alle leeftijdsgroepen. Ook overgewicht en obesitas blijven stijgen, met gevolgen voor de algemene gezondheid en de zorgvraag. Een andere belangrijke trend is dat meer mensen met een zorgbehoefte buiten zorginstellingen wonen. Dit is het gevolg van beleid dat inzet op “langer thuis wonen” en minder intramurale zorg. Daardoor verschuift de zorgvraag steeds meer naar de wijk en de directe leefomgeving. Tot slot neemt de kwetsbaarheid door klimaatverandering en milieuaspecten toe. Hittestress, luchtvervuiling en geluidsoverlast kunnen bestaande gezondheidsproblemen verergeren, met name bij ouderen, kinderen en mensen met hart- of longaandoeningen. De gezondheid van de bevolking is daarmee steeds nauwer verbonden met de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Lokaal zijn deze landelijke ontwikkelingen goed zichtbaar. De gemeente kent zoals eerder genoemd een sterke concentratie van ouderen. Daardoor ontstaat er een relatief grote behoefte aan gezondheidsvoorzieningen als huisartsen en fysiotherapeuten, die gericht zijn op ouderen. Daarnaast is er sprake van meer inwoners met verschillende culturele achtergronden, wat invloed heeft op de manier waarop zorg wordt gevraagd en ervaren (SCP, 2023). Niet alle groepen weten de bestaande zorgstructuren even goed te vinden of voelen zich er voldoende in thuis. Dit vraagt om cultureel toegankelijke zorglocaties en zorgprofessionals die aansluiten bij de diversiteit in de samenleving. De combinatie van vergrijzing, bevolkingsgroei en diversiteit zorgt lokaal voor meer druk op bestaande gezondheidsvoorzieningen en een toenemende noodzaak om zorg dichter bij de mensen te organiseren. Gevolgen voor de benodigde ruimte aan gezondheidsvoorzieningen De vergrijzing leidt tot een grotere behoefte aan wijkgerichte zorglocaties, deze groeiende behoefte kan echter deels worden opgevangen door de inzet van preventieve maatregelen, zoals genoemd bij het hoofdstuk welzijn. Denk hierbij aan dagbestedingsruimtes en ontmoetingscentra voor ouderen, waar zorg en sociaal contact samenkomen. Desondanks zullen huisartsen, fysiotherapeuten en apotheken in de toekomst meer ruimte vragen. Dit vraagt om efficiënte inzet van ruimte door bijvoorbeeld clustering van zorgvoorzieningen. Echter ontstaat hier een spanningsveld, doordat ouderen minder ver kunnen reizen en hierdoor behoefte hebben aan nabije voorzieningen, waar clustering vaak zorgt voor een grotere reisafstand. Door kritisch te kijken naar de locatie en spreiding van de ouderen kan hier een combinatie van worden gemaakt. 3.3.5 Cultuur Landelijke trends In Nederland zijn er verschillende maatschappelijke ontwikkelingen die de rol van culturele voorzieningen veranderen. De samenleving wordt steeds diverser en ouder, en dat heeft invloed op hoe mensen cultuur beleven, leren en elkaar ontmoeten. De groeiende culturele diversiteit zorgt voor een rijker en gevarieerder cultureel aanbod. Er komen nieuwe vormen van kunst en verhalen bij die onze samenleving verrijken. Tegelijkertijd vinden niet alle groepen vanzelf hun weg naar culturele instellingen. Verschillen in taal, gewoonten en achtergrond kunnen ervoor zorgen dat mensen elkaar minder snel ontmoeten binnen de cultuursector. Daarnaast neemt het aantal mensen met een taalachterstand of beperkte digitale vaardigheden toe. Dit speelt bij verschillende groepen en maakt het moeilijker om mee te doen aan culturele of educatieve activiteiten. Daardoor moeten culturele organisaties beter inspelen op de behoeften van deze doelgroepen en zorgen dat hun aanbod laagdrempelig en toegankelijk blijft. Ook de vergrijzing heeft invloed. Steeds meer ouderen blijven langer actief en zoeken naar manieren om iets te leren, anderen te ontmoeten en betekenisvol bezig te zijn. Zij willen niet alleen toeschouwer zijn, maar ook zelf deelnemen aan culturele en leeractiviteiten. De landelijke ontwikkelingen zijn ook lokaal goed zichtbaar en worden in de gemeente zelfs versterkt door de samenstelling van de bevolking. Er is, zoals eerder genoemd, een hoog aandeel ouderen en een grote groep inwoners met een culturele diverse achtergrond. Ouderen maken relatief veel gebruik van culturele voorzieningen, hierom is er een groeiende vraag verwacht. Daarnaast spelen in sommige wijken armoede, taalachterstanden en beperkte digitale vaardigheden een grotere rol dan gemiddeld in Nederland. Daardoor kunnen niet alle inwoners even gemakkelijk meedoen aan culturele of educatieve activiteiten. Dit vraagt om extra aandacht voor laagdrempelige en toegankelijke voorzieningen waar iedereen zich welkom voelt. Gevolgen voor de benodigde ruimte aan culturele voorzieningen Bibliotheken krijgen een steeds bredere rol in de samenleving, door de groeiende vraag aan ondersteuning en preventie, zoals genoemd in het hoofdstuk over welzijnsvoorzieningen. Hier verschuift de rol meer en meer vanaf de klassieke bibliotheek naar een leer en ontmoetingscentrum. Om hier gebruik van te kunnen maken, moeten de bibliotheken flexibel inzetbaar zijn en moet er voldoende aanbod zijn per wijk. Daarnaast is een groeiende vraag verwacht naar culturele centra. Enerzijds omdat ouderen een belangrijke doelgroep hiervoor zijn. Dit wordt versterkt door de groei van de culturele diversiteit, waar behoefte ontstaat binnen en tussen diverse culturele groepen. Tegelijkertijd is de beschikbare fysieke ruimte beperkt. Dit vraagt om slimme combinaties van functies, bijvoorbeeld door culturele voorzieningen te huisvesten in gebouwen die ook worden gebruikt voor onderwijs, welzijn of wijkactiviteiten. Zo kan de ruimte efficiënter worden benut en ontstaat meer samenwerking tussen organisaties. Goed verspreide en multifunctionele locaties, zoals wijkcentra of gedeelde cultuurhubs, kunnen helpen om cultuur dichter bij inwoners te brengen. In hoofdstuk 5 wordt uitgebreider ingegaan op de verwachte ontwikkelingen en trends tot 2040 en op de gevolgen hiervan op de ruimtelijke behoefte per thema. 3.4 Omgevingsvisie en wettelijke kaders 3.4.1 Verbinding met de omgevingsvisie In de omgevingsvisie Vlaardingen 2040 staat hoe de fysieke leefomgeving zich op de langer termijn moet ontwikkelen. Hierin is het belangrijk dat mensen niet alleen in Vlaardingen wonen, maar ook met elkaar moeten samenleven. Het sociale domein speelt hierin een belangrijke rol, door mensen met elkaar te in contact te brengen en te ondersteunen wanneer zij dit nodig hebben. Veel van de plannen in het sociale domein hebben echter ook een fysieke ruimte nodig waarin deze uitgevoerd kunnen worden. Om ruimte voor deze voorzieningen te waarborgen binnen de groeiende gemeente, is het belangrijk dat deze ook opgenomen is in de omgevingsvisie. Het thematisch omgevingsprogramma maatschappelijke voorzieningen vloeit voort uit de omgevingsvisie. Hierin worden dus verder vormgegeven aan een aantal punten de binnen de omgevingsvisie worden genoemd. Allereerst is het een extra verankering dat er ruimte wordt gereserveerd voor de benodigde voorzieningen binnen Vlaardingen. Dit door een duidelijk kader te schetsen met waar wij als gemeente naartoe willen werken en hiermee ook verwachtingen te scheppen richting initiatiefnemers en onszelf. Daarnaast geeft het meer duidelijkheid over welke voorzieningen er nodig zijn binnen de stad en het biedt een startkader voor de benodigde spreiding van de voorzieningen binnen de stad waarop voortgebouwd kan worden. Hiermee kan de gemeente dus ook initiatieven beter beoordelen en ondersteunen in hun zoekvraag. Er worden in de omgevingsvisie daarnaast een aantal specifiekere onderwerpen genoemd, waarmee extra rekening gehouden dient worden. Hierbij worden op verschillende manieren genoemd dat er aandacht moet zijn voor ontmoetingsplekken en buurt- en wijkpunten. Zowel om ontmoeting voor te stimuleren in het algemeen en als “hangplek” voor jongeren. Daarnaast kunnen deze ontmoetingslocaties bijdragen aan preventie door voorlichting en preventie gerichte projecten. Echter is de behoefte aan ontmoeting breder dan alleen de formele binnen ontmoetingsplekken, maar is er juist ook een behoefte aan meer informele ontmoetingsplekken, zoals bij speeltuinen of buurttuinen. Ook moet er oog zijn voor de veranderende vraag door maatschappelijke trends, zoals vergrijzing, waardoor er meer vraag komt voor veilig en gezond bewegen in de nabijheid van hun woningen. Ook wordt er meer ingezet op voorzieningen die nu en in de toekomst meer multifunctioneel kunnen worden ingezet, om in te spelen op de veranderende vraag. Al met al biedt het omgevingsprogramma maatschappelijke voorzieningen niet alleen een kader, waarmee er beter rekening gehouden kan worden met de benodigde voorzieningen binnen Vlaardingen nu en in de toekomst, maar biedt het ook een kader voor hoe we de ruimte beter kunnen benutten om deze voorzieningen op een toekomst bestendigde manier te realiseren. 3.4.2 Wet- en regelgeving Het omgevingsprogramma Maatschappelijke Voorzieningen is een uitvloeisel van het sub-thema “Ruimte voor welzijn en maatschappelijke voorzieningen” uit de omgevingsvisie. De omgevingsvisie is een juridisch verplicht strategisch document onder de Omgevingswet, waarin de langetermijnvisie op de fysieke leefomgeving wordt vastgelegd. Deze visie vormt de basis voor beleidskeuzes en de inzet van juridische instrumenten, zoals het omgevingsplan en omgevingsvergunningen. Om de uitvoering van de omgevingsvisie te ondersteunen, kunnen bestuursorganen omgevingsprogramma’s opstellen. Hierin worden de concrete acties, maatregelen en projecten uitgewerkt die bijdragen aan de doelen uit de omgevingsvisie. De Omgevingswet biedt hiervoor de mogelijkheid, maar legt geen verplichting op. Het omgevingsprogramma Maatschappelijke Voorzieningen is dus een vrijwillig programma, waarin één specifiek thema op het schaalniveau van de gehele gemeente Vlaardingen wordt uitgewerkt. Daarom wordt gesproken van een thematisch omgevingsprogramma. De aanleiding voor dit programma ligt in de wens om meer duidelijkheid te creëren over de huidige en toekomstige vraag en het aanbod van maatschappelijke voorzieningen, zowel binnen de gemeentelijke organisatie als richting externe partners. Het programma concretiseert de ambities uit de omgevingsvisie en biedt richting bij beleidsmatige en uitvoeringsgerichte keuzes, zonder dat dit juridisch verplicht is. Omdat het programma geen concrete grootschalige projecten of activiteiten met een grote milieu-impact bevat, is het niet MER-plichtig. Een milieueffectrapportage (MER) is alleen vereist voor plannen of projecten waarbij aanzienlijke milieugevolgen te verwachten zijn, wat hier niet het geval is. Het omgevingsprogramma Maatschappelijke Voorzieningen heeft de status van een beleidsdocument onder de Omgevingswet. Het is zelfbindend voor de gemeente en heeft geen rechtstreeks juridisch bindende werking voor inwoners, bedrijven of andere partijen. Wel vormt het een belangrijk beleidskader bij de uitvoering van de omgevingsvisie en bij toekomstige beleids- en uitvoeringskeuzes. 3.5 Beleidskaders 3.5.1 Toelichting op de beleidskaders Dit hoofdstuk beschrijft de beleidsdocumenten die richting geven aan de ontwikkeling en inrichting van maatschappelijke voorzieningen in Vlaardingen. Deze kaders vormen niet alleen het bestuurlijke en inhoudelijke fundament, maar spelen ook een rol in de uitvoering van dit onderzoek, doordat zij de ambities, uitgangspunten en randvoorwaarden bepalen waarbinnen voorzieningen worden gerealiseerd en benut. Door de beleidsstukken in samenhang te beschouwen, ontstaat een helder beeld van het beleidsmatige kader waarbinnen de inventarisatie van maatschappelijke voorzieningen en hun ruimtevraag plaatsvindt. Hoewel de stukken per thema onderverdeelt zijn, zijn er meerdere beleidsstukken die meerdere onderwerpen raken, deze zijn dan genoemd bij één van de aspecten die zij raken. 3.5.2 Onderwijs Onderwijsvisie Vlaardingen 2020-2025 De onderwijsvisie Vlaardingen 2020-2025 beschrijft in grote lijnen hoe de gemeente haar rol ziet in het organiseren van onderwijs, door stil te staan bij succespunten, verbeterpunten en de belangrijke trends die spelen binnen het onderwijs. In 2025 wordt de start gemaakt van de nieuwe onderwijsvisie. Integraal Huisvestingplan Onderwijs (IHP- Onderwijs) 2020 Het IHP- onderwijs gebruikt de onderwijsvisie als basis. Hierin wordt dieper ingegaan hoe wij over een langere periode gemeente omgaan met onderwijshuisvesting. Hierin staan onder meer een analyse van huidige onderwijssituatie, leerling prognoses en toekomstige plannen met betrekking tot renovatie, vervanging en uitbreiding van schoolgebouwen. Hoe de gemeente en schoolbesturen samen de komende jaren goed onderwijs willen ondersteunen met passende gebouwen. Denk hierbij aan duurzaamheidsmaatregelen en inzetbaarheid van ruimten voor multifunctioneel gebruik. Gemeentelijke Onderwijsachterstandenbeleid (GOAB) In het kader van de landelijke Wet Ontwikkelingskansen door Kwaliteit en Educatie (Wet OKE) voert de gemeente Vlaardingen lokaal het Gemeentelijk Onderwijsachterstandenbeleid (GOAB) uit. Dit beleid richt zich op twee kerntaken: het realiseren van voldoende, goed verspreide kindplekken in de voorschoolse educatie en het waarborgen van een kwalitatief hoogwaardig aanbod. Voor de peuteropvang met voorschoolse educatie (VE) betekent dit dat GOAB-middelen worden ingezet om voldoende en toegankelijke peuteropvang plekken met VE te creëren. Waar nodig kan dit ook huisvestingsaanpassingen of uitbreiding van locaties omvatten, zodat ieder kind in Vlaardingen toegang heeft tot goede voorschoolse educatie. 3.5.3 Sport en bewegen Kadernota sport & bewegen

(2019)in combinatie met het Sportakkoord
(2019)De Kadernota Sport & Bewegen 2019 van de gemeente Vlaardingen beschrijft het gemeentelijke beleid voor sport en bewegen, met aandacht voor accommodaties, openbare ruimte, samenwerking en toekomstbestendigheid. Het in dit stuk gebruikte Mulieronderzoek maakt deel uit van het vooronderzoek voor de kadernota en biedt inzicht in het huidige en verwachte aanbod van binnensportvoorzieningen, inclusief het bewegingsonderwijs. De nota bevat uitgangspunten over de kwaliteit, toegankelijkheid, duurzaamheid en multifunctionaliteit van sportvoorzieningen, en benoemt de rol van de openbare ruimte als onderdeel van de beweeginfrastructuur. Ook wordt aangegeven dat sport en bewegen worden meegenomen in de ruimtelijke planvorming en gebiedsontwikkeling, mede in het kader van de Omgevingswet. Het Vlaardings Sportakkoord
(2022)bouwt hierop voort en richt zich op samenwerking tussen lokale partijen om sport en bewegen te stimuleren. Het sportakkoord valt onder de rijksregeling “Hoofdlijnen Sportakkoord”. Het document benoemt afspraken over inclusie, vitale aanbieders en vaardig bewegen, en verwijst voor het onderdeel duurzame sportinfrastructuur naar de Kadernota Sport & Bewegen. Daarbij wordt ook aandacht besteed aan het efficiënt en multifunctioneel gebruik van bestaande accommodaties. Visie openbare ruimte Vlaardingen De Visie Openbare Ruimte van de gemeente Vlaardingen beschrijft een toegankelijke, gezonde en aantrekkelijke stad waarin de openbare ruimte uitnodigt tot ontmoeting, beweging en verblijf. Sport, spelen en bewegen vormen hierin een integraal onderdeel: de inrichting van de buitenruimte dient inwoners te stimuleren tot actieve deelname, zoals wandelen, fietsen en spelactiviteiten, en zo bij te dragen aan gezondheid en sociale samenhang. Bij de planvorming en het beheer wordt systematisch beoordeeld in hoeverre ruimten deze functies ondersteunen, onder meer aan de hand van een vragenlijst die waarden als gezondheid, bruikbaarheid en belevingskwaliteit meet. Deze visie zal na 2025 worden omgezet naar een thematisch omgevingsprogramma voor de openbare ruimte. In de visie openbare ruimte wordt ook het BOSS-principe genoemd. Dit vormt een integrale benadering, die door meerdere gemeentes in Nederland gebruik wordt, voor de inrichting van de buitenruimte, waarbij bewegen, ontmoeten, spelen en sporten samenkomen in één netwerk van plekken. In plaats van losse voorzieningen wordt gestreefd naar multifunctionele en inclusieve ruimtes die voor verschillende doelgroepen toegankelijk zijn. Dit kunnen speelplekken, sportvelden, parken of wandelroutes zijn die beweging en ontmoeting vanzelfsprekend maken. Het BOSS-principe sluit aan bij de doelen uit het GALA, die later besproken wordt, en de Visie Openbare Ruimte. Groenvisie Vlaardingen 2024–2034 De Groenvisie Vlaardingen 2024–2034 beschrijft hoe de gemeente werkt aan een groene, gezonde en klimaatbestendige stad. Groen wordt hierin gezien als een basisvoorwaarde voor leefkwaliteit, ontspanning en ontmoeting. De visie legt nadruk op het gebruik van groen voor bewegen, spelen en sporten, zodat parken en plantsoenen bijdragen aan vitaliteit en sociale samenhang. Hiermee heeft een directe binding met het subonderdeel sport en bewegen in de openbare ruimte. 3.5.4 Welzijn en gezondheid De Transformatieagenda Sociaal Domein - Samen Veranderen in Vlaardingen De Transformatieagenda Sociaal Domein vormt de leidraad voor de doorontwikkeling van het sociaal beleid in Vlaardingen. De agenda richt zich op het versterken van de sociale basis, het vergroten van zelfredzaamheid en het verbeteren van samenwerking tussen inwoners, professionals en organisaties. Daarbij ligt de nadruk op een vernieuwde structuur van wijkgerichte voorzieningen, zoals wijkpunten, dagbestedingslocaties en sociale ontmoetingsruimtes, die ruimte bieden aan ontmoeting, ondersteuning en participatie. Deze plekken zijn cruciaal om maatschappelijke initiatieven, informele hulp en lichte vormen van ondersteuning samen te brengen. Die stuk staat hier omschrijven bij welzijn en gezondheid, maar raak het hele sociale domein. Uitvoeringsprogramma Beschermd Wonen en Maatschappelijke Opvang Het Uitvoeringsprogramma Beschermd Wonen en Maatschappelijke Opvang Is een regionaal uitvoeringsprogramma binnen de MVS-regio dat de wettelijke taak van gemeenten uitwerkt op het gebied van beschermd wonen en maatschappelijke opvang. Het programma beschrijft hoe gemeenten samenwerken aan een doorlopende ondersteuningsketen van opvang en beschermd wonen tot begeleid en zelfstandig wonen met aandacht voor toeleiding, nazorg en preventie van terugval. De nadruk ligt op regionale afstemming, lokale inbedding en de opbouw van een toekomstbestendig woon- en ondersteuningsaanbod. Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA) Het GALA is een landelijk akkoord tussen Rijk, gemeenten en maatschappelijke partners gericht op een gezonde leefstijl, preventie en sociale participatie. Gemeenten ontvangen hiervoor middelen via de SPUK-regeling (Specifieke Uitkering Gezond en Actief Leven). Hierbij is het kernpunt van GALA de ontwikkeling van fysieke plekken die gezondheid en participatie te bevorderen. De SPUK-financiering die hieruit voortkomt mag worden ingezet voor het realiseren of verbeteren van sportaccommodaties, ontmoetingsplekken, dagbestedingslocaties of beweegvoorzieningen. Vlaardingen gebruikt deze middelen bijvoorbeeld binnen het sociaal domein en het sportbeleid. Verordening maatschappelijke ondersteuning MVS 2021 De Verordening maatschappelijke ondersteuning MVS 2021 vormt het gezamenlijke kader van Maassluis, Vlaardingen en Schiedam voor de uitvoering van de Wmo
  1. De verordening regelt de toegang tot ondersteuning zoals begeleiding, dagbesteding, vervoer en hulp bij het huishouden. Hoewel het in de basis een juridisch document is, heeft het directe gevolgen voor de inrichting van maatschappelijke voorzieningen in de stad. Zo bepaalt de verordening dat inwoners gebruik moeten kunnen maken van toegankelijke en nabijgelegen plekken voor ontmoeting, ondersteuning en participatie, waaronder dagbestedingslocaties. De toepassing en uitvoering worden nader uitgewerkt in beleidsregels, waarin bijvoorbeeld staat hoe maatwerkvoorzieningen worden ingevuld en hoe algemene voorzieningen worden georganiseerd. Daarmee vormt de verordening een belangrijke schakel tussen sociaal beleid en de fysieke aanwezigheid van passende ruimtes in de wijken. RIGA (Regionaal Intersectoraal Gezondheidsoverleg) Het Regionaal Integraal Gezondheidsakkoord (RIGA) voor de WSD-regio vormt een langjarige, domeinoverstijgende samenwerkingsbasis om gezondheid te bevorderen en de zorg toegankelijk en toekomstbestendig te houden. Het akkoord richt zich op preventie, ondersteuning van kwetsbare groepen, ouderenzorg, digitalisering en een beter georganiseerde acute keten. Deze regionale opgaven hierdoor ook invloed op de fysieke maatschappelijke voorzieningen: de vergrijzing, toenemende zorgvraag en personeelstekorten leiden tot een behoefte aan nieuwe woonzorgconcepten, multifunctionele wijkvoorzieningen en een sterker verweven preventieve en digitale infrastructuur. 3.5.5 Cultuur Nota kunst en cultuur 2022-2025 De Cultuurnota Actief en Inclusief (2022-2025) richt zich op een levendig en inclusief Vlaardingen. Cultuur wordt gezien als middel om welzijn, verbinding en stedelijke identiteit te versterken. Deze voorzieningen moeten bijdragen aan een aantrekkelijke, levendige binnenstad en fungeren als plekken voor ontmoeting en creativiteit, met aandacht voor hun uitstraling en bereikbaarheid zodat ze uitnodigend zijn voor een breed publiek. De gemeente ondersteunt vooral bestaande instellingen binnen de culturele basisinfrastructuur, zoals de Stadsgehoorzaal, de Kroepoekfabriek, KADE40 en het Museum Vlaardingen. Momenteel wordt gewerkt aan het nieuw beleid van kunst en cultuur die deze nota in 2026 zal vervangen. Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen (Wsob) Het landelijke bibliotheekbeleid is vastgelegd in de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen (Wsob), die bibliotheken positioneert als publieke instellingen met vijf maatschappelijke kerntaken: functies: kennis & informatie, educatie, leesbevordering, ontmoeting & debat, en kennismaking met kunst en cultuur. Met de aankomende wetswijziging (vanaf 2026) krijgen gemeenten een zorgplicht; zij moeten zorgen voor een volwaardige, toegankelijke bibliotheekvoorziening binnen hun grondgebied. Hiervoor worden structureel extra middelen beschikbaar gesteld, en gemeenten moeten samen met bibliotheekorganisaties meerjarenplannen opstellen die inspelen op lokale behoeften. Zie opmerking dit klopt dus niet en moet weg Inhoudelijk verschuift de rol van bibliotheken van uitleencentra naar maatschappelijke leer- en ontmoetingsplekken. Ze richten zich op leesbevordering, digitale geletterdheid, burgerschap en persoonlijke ontwikkeling. Deze functies vragen om fysieke locaties die open, uitnodigend en multifunctioneel zijn. In Vlaardingen krijgt dit concreet vorm in de verhuizing van Bibliotheek De Plataan naar de Grote Kerk aan de Markt. Deze transitie sluit aan bij het landelijke beleid; de bibliotheek wordt een centrale plek in de binnenstad waar lezen, leren en ontmoeten, evenementen en culturele programmering samenkomen. De gemeente wil met deze ‘huiskamer van de stad’ borgt hiermee invulling geven haar toekomstige zorgplicht door te investeren in een herkenbare, toegankelijke en duurzame bibliotheekvoorziening die past binnen het erfgoed van de stad. 3.5.6 Wonen Woonvisie De woonvisie van Vlaardingen 2021–2023 beschrijft hoe de stad wil zorgen voor voldoende en passende woningen voor verschillende doelgroepen, van starters tot ouderen. De gemeente zet in op het vergroten van het woningaanbod, het verbeteren van de kwaliteit van bestaande woningen en het creëren van meer variatie in prijsklassen en woonvormen. Daarbij is er bijzondere aandacht voor verduurzaming, leefbaarheid en een evenwichtige ontwikkeling van wijken, zodat Vlaardingen een aantrekkelijke en toegankelijke stad blijft om in te wonen. De ambities uit de woonvisie hebben directe gevolgen voor de benodigde maatschappelijke voorzieningen in de stad. In de woonvisie wordt benadrukt dat goed wonen niet alleen gaat over de woning zelf, maar ook over de aanwezigheid van voorzieningen die het dagelijks leven ondersteunen. Nieuwe woongebieden of uitbreidingen binnen bestaande gebieden vragen daarom om voldoende voorzieningen. Deze voorzieningen kunnen tot slot ook een belangrijke rol spelen in het verhogen van de leefbaarheid in bestaande woningbouwgebieden. Woonzorgvisie 2023-2030 In de woonzorgvisie staat dat Vlaardingen wil zorgen voor een leefomgeving waarin ouderen prettig en zelfstandig kunnen wonen, met goede ondersteuning in de buurt. De gemeente kijkt daarbij niet alleen naar geschikte woningen, maar ook naar de manier waarop zorg, welzijn en informatie beter georganiseerd kunnen worden. Hoewel in de visie niet letterlijk over fysieke maatschappelijke voorzieningen zoals ontmoetingsplekken of buurtcentra wordt gesproken, ligt die gedachte er wél aan ten grondslag: het gaat om een samenhangend netwerk van wonen, zorg en welzijn dat ouderen in staat stelt actief te blijven en hulp dichtbij te vinden. De visie vormt daarmee de basis voor hoe Vlaardingen de komende jaren wil omgaan met vergrijzing en de inrichting van de stad. Door samen te werken met inwoners, zorginstellingen en woningcorporaties zoekt de gemeente naar haalbare oplossingen die passen bij de beschikbare ruimte en middelen. Zo wil de gemeente toewerken naar buurten waar ouderen niet alleen een geschikte woning hebben, maar ook de voorzieningen en plekken bieden die ontmoeting, ondersteuning en zorg dichtbij huis mogelijk maken. Hieronder vallen het uitvoeringsprogramma Wonen, Welzijn en Zorg voor Ouderen (WWZ Ouderen) en Wonen met zorg voor aandachtsgroepen. Beide programma’s werken aan een samenhangende lokale infrastructuur waarin wonen, ondersteuning en ontmoeting elkaar versterken. Gemeente, woningcorporaties en zorg- en welzijnsorganisaties trekken daarbij gezamenlijk op. Het uitvoeringsprogramma WWZ Ouderen richt zich specifiek op het ondersteunen van ouderen bij het langer zelfstandig wonen. Het programma kijkt hierbij breder dan zorg alleen en omvat ook sociale en fysieke voorwaarden voor een vitaal leven. Toegankelijke woningen, laagdrempelige voorzieningen en dagbestedings- en ontmoetingsplekken vormen belangrijke schakels waar wonen, welzijn en zorg samenkomen. Wonen met zorg voor aandachtsgroepen richt zich op kwetsbare bewoners die ondersteuning nodig hebben bij het vinden en behouden van een passende woonplek. De focus ligt op integrale samenwerking rondom huisvesting, begeleiding, preventie en leefbaarheid. Hierbij spelen maatschappelijke voorzieningen zoals dagbesteding, ontmoetingsplekken en wijkondersteuning een centrale rol in het vroeg signaleren van problemen, het tegengaan van sociale isolatie en het bevorderen van zelfredzaamheid. 3.5.7 Fysiek domein Omgevingsvisie Zoals eerder al gesteld vormt het omgevingsprogramma maatschappelijk voorzieningen een brug tussen het beleid vanuit het sociale domein en de fysieke ruimte. De wens om deze brug te slaan is door de raakvlakken met het fysieke domein opgenomen in de omgevingsvisie, zoals benoemd in hoofdstuk 3.
  2. De Omgevingsprogramma Maatschappelijk Voorzieningen geeft hiermee vorm aan de wens om tot een meetbaar kader te komen voor de maatschappelijke voorzieningen zoals opgenomen in de omgevingsvisie. Gebiedsgerichte (omgevings)programma’s Zoals in figuur 1.1 werd getoond is er een directe wisselwerking tussen het thematisch omgevingsprogramma maatschappelijke voorzieningen en de gebiedsgerichte (omgevings)programma’s. Het thematisch programma levert namelijk kaders en maatregelen die in een gebiedsprogramma toegepast of geconcretiseerd worden. Tegelijkertijd kan de praktijk in een gebied aanleiding geven om het thematisch programma bij te sturen of aan te vullen. Vastgoed Tot slot is er een verbinding met het vastgoedbeleid, gezien een deel van de maatschappelijke voorzieningen direct door de gemeente wordt beheerd. De nieuwe versie van het vastgoedbeleid is in 2025 opgeleverd en is afgestemd met het thematisch omgevingsprogramma. Hierin is ook een directe scheiding gemaakt wat in het omgevingsprogramma is opgenomen en wat bij het vastgoedbeleid. In het vastgoedbeleid is met betrekking tot maatschappelijk vastgoed onder meer opgenomen: De visies en uitgangspunten voor vastgoed in gemeentelijk bezit en de koppeling daarvan met het inhoudelijke beleid; De typen vastgoed die de gemeente wel of niet in eigendom wil hebben; Het aankopen van (strategisch) vastgoed en het afstoten van vastgoed dat niet tot de kernportefeuille behoort; Keuzes rond aanhouden, afstoten, renoveren en verduurzamen van gemeentelijk vastgoed; De toegankelijkheid van gemeentelijk vastgoed voor alle inwoners, inclusief mensen met een beperking (o.a. VN-verdrag inzake inclusie); Het beheer en de administratie van de gemeentelijke vastgoedportefeuille. Omdat deze onderwerpen specifiek in het vastgoedbeleid worden uitgewerkt, vallen zij dus ook buiten de scope van het omgevingsprogramma maatschappelijke voorzieningen. 4 Inventarisatie en referentiewaarden voorzieningen 4.1 Methode en doel van de inventarisatie In dit hoofdstuk wordt de huidige voorraad aan fysieke maatschappelijke voorzieningen binnen de gemeente Vlaardingen in beeld gebracht. Deze inventarisatie vormt de basis voor de verdere analyse van het gebruik, de toekomstige behoefte en mogelijke ontwikkelrichtingen. Als basis hiervoor is in 2024 een vooronderzoek gedaan, waar naar verwijzen wordt als het “referentiewaarden onderzoek”. Daarbij is er voor alle categorieën een inventarisatie uitgevoerd, met uitzondering van dierenwelzijn. Dit onderwerp is namelijk pas na het vooronderzoek opgenomen in dit stuk. Deze inventarisatie uit het referentiewaarden onderzoek is aangevuld met een saldoberekening op basis van de verwachte (huidige) vraag en het actuele aanbod. Zowel het onderzoek als de bijbehorende analyses hanteren 2024 als peildatum, gezien het referentiewaarden onderzoek toen is uitgevoerd. Hierbij is het belangrijk om te melden dat de opgestelde referentiewaarde in combinatie met het huidige inwoneraantal van 77.000 mensen als basis voor de huidige vraag is gebruikt; dit heeft als gevolg dat er directe doorwerking is op het saldo bij de constatering deze dat in balans is. Dan zal het saldo namelijk ongeveer neutraal zijn. Andersom is het resultaat van een verhogingen van de referentienorm hier ook meteen inzichtelijk in. Echter omwille van de leesbaarheid zal echter het saldo eerst worden benoemd, waarna de referentiewaarde wordt toegelicht. De inventarisatie vormt het uitgangspunt voor de toepassing van referentiewaarden. Deze waarden geven richting aan de beoordeling van het huidige aanbod en de inschatting van de toekomstige behoefte aan voorzieningen. De waarden hierin zijn waar mogelijk bepaald door het nazoeken van de gebruikte ruimte binnen Vlaardingen, bijvoorbeeld door gebruik te maken van de basisregistratie adressen en gebouwen (BAG). Sommige voorzieningen zijn echter geclusterd, waardoor individueel uitmeten of nazoeken lastig is. In deze gevallen zijn waar mogelijk landelijke gemiddelden of kengetallen van betrouwbare bronnen gebruikt om de gegevens aan te vullen. Door de bestaande situatie te vergelijken met de referentiewaarden ontstaat inzicht in waar sprake is van een tekort, overschot of evenwicht in de beschikbare maatschappelijke ruimte. Voor maatschappelijke voorzieningen vormt een referentiewaarde een richtwaarde die dient als vergelijkingsbasis. Aan de hand hiervan kan een beeld worden geschetst van de mogelijke toekomstige behoefte aan voorzieningen en de daarvoor benodigde ruimte. In dit geval is de referentiewaarde opgesteld als de vraag per 1.000 inwoners (of een andere doelgroep), waarbij deze vraag is omgerekend naar benodigde vierkante meters. De referentiewaarden zijn gebaseerd op landelijke normen, zogenoemde “Vlaardingse praktijknormen”, of op normen die voortkomen uit onderzoeksresultaten. Landelijke normen zijn afgeleid uit cijfers van officiële bronnen en geven referentiewaarden voor onder meer onderwijs- en eerstelijnszorgvoorzieningen. De Vlaardingse praktijknormen worden toegepast bij functies waarvoor Vlaardingen afwijkt van het landelijke gemiddelde of waarvoor geen landelijk gemiddelde beschikbaar is. Daarbij wordt, indien mogelijk, altijd een vergelijking gemaakt met normen in referentiegemeenten. Hierbij geldt de aanname dat het huidige aanbod voorziet in de actuele behoefte, tenzij er aanleiding is om de norm kwalitatief bij te stellen. Daarnaast zijn er referentiewaarden die zijn gebaseerd op onderzoeksresultaten, zoals het sport behoefteonderzoek van het Mulier Instituut. De referentiewaarden vormen daarmee een praktisch handvat voor de beleidsmatige beoordeling en toekomstige ontwikkeling van maatschappelijke voorzieningen. Ze helpen om richting te geven aan de gewenste ruimtelijke ontwikkeling, zonder de nodige flexibiliteit uit het oog te verliezen. Op basis van deze uitgangspunten vormt de inventarisatie van de huidige voorzieningen de onderbouwing voor verdere keuzes omtrent de maatschappelijke infrastructuur in Vlaardingen. Figuur 4.1: Overzichtskaart met alle maatschappelijke voorzieningen binnen Vlaardingen 4.2 Onderwijs 4.2.1 Inventarisatie Allereerst is er een inventarisatie gedaan van de onderwijsvoorzieningen binnen Vlaardingen. Hierbij zijn alle voorzieningen op het gebied van onderwijs en kinderopvang in kaart gebracht. Het resultaat hiervan is te zien in figuur 4.
  3. Figuur 4.2: Aanbod en spreiding van de onderwijsvoorzieningen in Vlaardingen Op basis van deze inventarisatie een totaalaanbod van de voorziening per eenheid en in vierkante meters worden bepaald, deze staat weergeven in figuur 4.
  4. Voor de peuteropvang met VE is deze niet opgenomen omdat dit vaak opgenomen is bij kinderdagverblijven en/of basisschool locaties. Figuur 4.3: Huidig aanbod van onderwijsvoorzieningen in Vlaardingen in vierkante meters Onderwerp Aanbod Eenheid Aanbod (m2) Primair onderwijs 6.061 Leerlingen 35.837m2 Speciaal onderwijs 256 Leerlingen 2.460m2 Voortgezet onderwijs 4.296 Leerlingen 31.360m2 Speciaal voortgezet onderwijs 153 Leerlingen 1.560m2 Kinderdagopvang 1.449 Kindplekken 17.473m2 Peuteropvang met VE 464 Kindplekken BSO 1.694 Kindplekken 18.705m2 4.2.2 referentiewaarden Deze inventarisatie kan vervolgens gebruikt worden om via de Vlaardingse praktijk norm en referentiewaarde op te stellen. Dit is de methode die is gebruikt voor de kinderdagopvang, peuteropvang en de buitenschoolseopvang (BSO), zoals te zien in figuur 4.
  5. Hierbij zijn er, op basis van de algehele lengte van de wachtlijsten, geen indicaties dat erover geheel genomen een tekort is. Het komt echter wel voor dat de vraag niet goed verspreid is, zowel geografisch als qua stijl van de opvang locatie. Hierdoor kunnen er bij bepaalde opvanglocaties grotere wachtlijsten voorkomen. Voor de onderwijslocaties is het integraalhuisvestingsplan (IHP) als leidende bron aangehouden. Voor zowel de vormen van kinderopvang en onderwijs valt op dat deze bepaald zijn op basis van de groep die gebruik maakt van deze voorziening. Hier is voor gekozen omdat deze voorzieningen alleen gebruikt worden door deze groepen, en deze daarom niet direct relevant zijn voor de groepen die erbuiten vallen. De resulterende referentiewaarden zijn weergegeven in figuur 4.
  6. Figuur 4.4: Referentiewaarden voor de onderwijsvoorzieningen binnen Vlaardingen Onderwerp Aanbod per 1.000 van de groep Oppervlaktemaat Vierkante meters per 1.000 van de groep Primair onderwijs 871 Leerlingen Per 1.000 4-12 jarigen 1490m2 252 leerlingen 5.150m2 Per 1.000 4-12 jarigen Speciaal onderwijs 37 Leerlingen Per 1.000 4-12 jarigen 1230m2 128 Leerlingen 356m2 Per 1.000 4-12 jarigen Voortgezet onderwijs 789 Leerlingen Per 1.000 12-18 jarigen 3920m2 537 Leerlingen 5.760m2 Per 1.000 12-18 jarigen Speciaal voortgezet onderwijs 28 Leerlingen Per 1.000 12-18 jarigen 1560m2 153 Leerlingen 285m2 Per 1.000 12-18 jarigen Kinderdagopvang 443 Kindplekken Per 1.000 0-4 jarigen 410m2 34 Kindplekken 5.342m2 Per 1.000 0-4 jarigen Peuteropvang met VE 220 Kindplekken Per 1.000 2-4 jarigen BSO 243 Kindplekken Per 1.000 4-12 jarigen 530m2 48 Kindplekken 2.683m2 Per 1.000 4-12 jarigen Echter is bredere uitwerking per 1.000 inwoners wél relevant als er gekeken wordt naar de totale ruimtevraag van deze voorzieningen op stadsniveau. Hierom zijn de referentiewaarden zoals die weergeven staan in figuur 4.4, met behulp van de (geschatte) percentages van de leeftijdsgroepen omgezet naar de vraag per 1.000 inwoners en wat dit voor de ruimtevraag betekend. Hier is dus zowel gekeken naar hoe groot de totale groep is per 1.000 inwoners en hoeveel procent van deze voorzieningen gebruik maken, op basis van de leerlingen of kindplekken per 1.000 van de betreffende leeftijdsgroep zoals deze gebruikt zijn voor de originele referentiewaarden. De uitkomsten hiervan staan weergeven in figuur 4.
  7. Figuur 4.5: Omrekening van referentiewaarden per groep naar referentiewaarden per 1.000 inwoners Onderwerp Bijbehorende leeftijdsgroep Aandeel groep per 1.000 inwoners Percentage dat gebruik maakt van de voorziening Aantal per 1.000 inwoners m2 per 1.000 inwoners Primair onderwijs 4 tot 12 89 87,1% 78 457 Speciaal onderwijs 4 tot 12 89 3,7% 3 32 Voortgezet onderwijs 12 tot 18 64 78,9% 50 369 Speciaal voortgezet onderwijs 12 tot 18 64 2,8% 2 18 Kinderdagopvang 0 tot 4 41 44,3% 18 220 Peuteropvang met VE 2 tot 4 16 22,0% 4 BSO 4 tot 12 89 24,3% 22 238 4.2.3 Saldo Op basis van de referentiewaarden kan daar verwachte vraag van de gemeente worden gemeten. Belangrijk hierbij is dat dit allen van belang is indien de referentiewaarde niet direct gebaseerd is op het huidige aanbod, of wanneer het huidige aanbod niet blijkt aan te sluiten bij de verwachte vraag. In het geval van onderwijs geldt dat alle waardes in de basis gebaseerd zijn op het huidige aanbod, waarbij er geen duidelijke signalen voor een mismatch zijn. Hierom kan ervanuit worden gegaan dat het saldo (nagenoeg) neutraal zal zijn. 4.3 Sport en bewegen 4.3.1 Inventarisatie Met betrekking tot voorzieningen die onder sport en bewegen vallen, is ook een inventarisatie gedaan als eerste stap in het proces. Hieronder vallen sporthallen, gym- en sportzalen, zwembaden, buitensportvelden, binnensportvelden en sport en bewegen in de openbare ruimte. Er zijn daarnaast ook veel voorzieningen die bijdragen aan sport en bewegen, die een commerciële aard hebben en buiten de gemeente om worden uitgevoerd, gezien deze buiten publieke rol van de gemeente vallen, zijn deze niet verder opgenomen. De voorzieningen die wel binnen de opgenomen categorieën vallen zijn binnen Vlaardingen in kaart gebracht, deze zijn te zien in figuur 4.6 en Figuur 4.
  8. Hierbij zijn de buitensportvelden in een aparte kaart getoond, zodat hierin onderscheid gemaakt kan worden tussen verschillende typen velden. Door deze splitsing is er meer inzicht in de verdeling van de typen sporten binnen Vlaardingen, gezien deze sterk kunnen verschillen per veld. Figuur 4.6: Overzicht van alle sportvoorzieningen binnen Vlaardingen, exclusief sportvelden Figuur 4.7: Aanbod van buitensportvelden in Vlaardingen Op basis van de in kaart gebrachte voorzieningen kan een overzicht van het huidige aanbod worden berekend, in zowel het aanbod per voorzieningstype als in de vierkante meters van het aanbod. Deze waarden zijn terug te zien in figuur 4.
  9. Hierbij is overigens het aanbod van het zwembad gewijzigd tot één locatie met een aanbod van 3150 vierkante meter, gezien dit foutief was opgenomen in het vooronderzoek. Er is overigens nog wel een tweede zwembad in Vlaardingen, die ook zwemlessen aanbiedt, maar deze is vanwege de commerciële aard van de voorziening niet in het totaal opgenomen. Figuur 4.8: Huidig aanbod van sportvoorzieningen in Vlaardingen in vierkante meters Onderwerp Aanbod Eenheid Aanbod in m2 Sporthallen 6 Sporthallen 16.500m2 Gym- en sportzalen 7 Gym- en sportzalen 4.970m2 Zwembaden 1 Locaties 3150m2 Buiten sportvelden 58 Velden 348.000m2 Voor de bepaling van de omvang per voorzieningstype is gebruikgemaakt van verschillende bronnen. Voor de binnensportvoorzieningen, waaronder sporthallen, gymzalen en sportzalen, is uitgegaan van het adviesoppervlak zoals vastgesteld door het NOS*NSCF, in combinatie met de lokale inventarisatie van het huidige aanbod binnen Vlaardingen. Hierbij is het belangrijk om te melden dat in deze inventarisatie ook de twee recent gerealiseerde sporthallen zijn meegenomen, in tegenstelling tot de meeste andere ontwikkelingen die pas na 2024 hebben plaatsgevonden. De buitensportvelden zijn in kaart gebracht op basis van de lokale inventarisatie van de bestaande locaties en voorzieningen per sport, waaronder atletiek, handbal, soft- en honkbal, voetbal, hockey, tennis en korfbal. Voor de voorzieningen gericht op spelen, sporten en bewegen in de openbare ruimte is aangesloten bij het lokale beleidskader Bewegen, Ontmoeten, Sporten en Spelen (BOSS), waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen centrale wijkplekken, buurtplekken en steunplekken. 4.3.2 referentiewaarden De resultaten van de inventarisatie zijn gebruikt als uitgangspunt voor het vaststellen van de referentiewaarden. Deze referentiewaarden zijn gebaseerd op het huidige Vlaardingse voorzieningenniveau, aangevuld met landelijke richtlijnen en advieswaarden waar relevant. Voor de bepaling van de omvang per voorzieningstype is gebruikgemaakt van verschillende bronnen. Voor de binnensportvoorzieningen, waaronder sporthallen, gymzalen en sportzalen, is uitgegaan van het adviesoppervlak zoals vastgesteld door het NOS*NSCF, gecombineerd met de lokale gegevens over het huidige gebruik in Vlaardingen. Voor de zwembaden is de huidige grootte van de voorzieningen als uitgangspunt genomen, De buitensportvelden zijn beoordeeld op basis van de bestaande capaciteit en de verhouding tussen aanbod en vraag per sport, waarbij de lokale normen zijn aangehouden. Voor de sporthallen, gymzalen en sportzalen is eveneens uitgegaan van de lokale norm, waarin de twee nieuwe sporthallen zijn meegenomen. Dit is relevant, aangezien uit het Mulieronderzoek signalen naar voren kwamen over een tekort aan gymzalen voor het bewegingsonderwijs. Zoals al kort genoemd, is bij de inventarisatie een wijziging gemaakt in het aanbod van m2 van het zwembad. De rest van de berekening rustte op de foutieve waarde van het aanbod binnen de gemeente. Hierom is er een herberekening gedaan van zowel de opgenomen grootte van zwembaden en hiermee ook de referentiewaarden. Deze waarden zijn bepaald op basis van een steekproef van zwembaden in gemeenten met soortgelijke inwoneraantallen. Deze berekening is bijgevoegd in bijlage
  10. Belangrijk hierbij is wel om rekening te houden met dat de grootte van een zwembad niet directe correleert met de hoeveelheid zwemwater die beschikbaar is, hierom is bij de berekening voor de m2 ook rekening gehouden met het gemiddelde wateraanbod bij. Echter gezien in dit onderzoek de ruimtevraag in de gemeente centraal staat, is het totale oppervlakte van de voorziening gebruikt voor de referentiewaarde zelf. Ook is hierbij de maatvoering qua locaties weggehaald. De meeste gemeente hebben immers vaak maar 1 zwembad die qua grootte wél wordt afgestemd op de vraag in de gemeente. Tot slot zijn voor het thema spelen, sporten en bewegen in de openbare ruimte verschillende normen toegepast per leeftijdsgroep. Omdat het daardoor niet mogelijk is één uniforme referentiewaarde vast te stellen, is aangesloten bij het beleidskader BOSS, waarin de 100-70-30-regel wordt gehanteerd. Dit houdt in dat er minimaal één centrale wijkplek per wijk aanwezig dient te zijn, met daarnaast één buurtplek voor spelen en sporten per 100 kinderen van 0-11 jaar, en minimaal één steunplek per 30 kinderen van 0-5 jaar en per 70 kinderen van 6-11 jaar. Centrale buurtplekken betreffen grotere speelplaatsen met bijvoorbeeld een voetbalveldje, terwijl steunplekken kleinschaliger van aard zijn en binnen drie (0-5 jaar) of vijf minuten (6-11 jaar) bereikbaar moeten zijn. De uiteindelijke referentiewaarden zijn weergegeven in figuur 4.
  11. Figuur 4.9: Referentiewaarden voor de sportvoorzieningen Onderwerp Maatvoering van 1.000 inwoners Vierkante meters per locatie Vierkante meters per 1.000 inwoners Sporthallen 0,08 Locatie Per 1.000 inwoners 2750m2 Locatie 220m2 Per 1.000 inwoners Gymzalen en sportzalen 0,09 Locatie Per 1.000 inwoners 710m2 Locatie 64m2 Per 1.000 inwoners Zwembaden 5600m2 Locatie 73m2 Per 1.000 inwoners Buitensport velden 0,77 Veld Per 1.000 inwoners 6000m2 Veld 4.620m2 Per 1.000 inwoners 4.3.3 Saldo Uit de inventarisatie blijkt dat de meeste sportvoorzieningen in lijn zijn met de huidige vraag binnen de gemeente. Het saldo, dat is berekend op basis van de eerder vastgestelde referentiewaarden, weerspiegelt de balans tussen vraag en aanbod op Vlaardings niveau. Aangezien de referentiewaarden zijn gebaseerd op het huidige voorzieningenniveau, komt dit uitgangspunt ook direct terug in het berekende saldo. Zoals in 4.2.2 al genoemd is de referentiewaarde voor het zwembad gebaseerd op een aantal verglijkbare gemeenten. Hieruit blijkt dat het huidig aanbod tekortschiet op basis van de referentiewaarden. Dit geldt niet alleen voor de totale oppervlakte van de voorziening, die is opgenomen in figuur 4.10, maar ook voor de daadwerkelijke hoeveelheid zwemwater. Waar in de vergelijkingsgemeente gemiddeld ongeveer 1300m2 aan beschikbaar wateroppervlak is, ligt dit in Vlaardingen momenteel op ongeveer 850m
  12. Dit sluit aan bij de signalen voor de tekorten die genoemd zijn, vanuit de waterbehoefte van de waterpolovereniging die een groter bad nodig heeft voor het kunnen spelen op hoger niveau en vanuit de extra vraag die er momenteel nog is voor leszwemmen en banenzwemmen. Figuur 4.10: Huidig saldo van afwijkende categorieën binnen sport Onderwerp Vraag in vierkante meters Groepsgrootte Vraag gemeente Saldo in vierkante meters Saldo Zwembaden 73m2 Per 1.000 inwoners 77.000 6930m2 -3.780m2 -78% 4.4 Welzijn 4.4.1 Inventarisatie Net als bij de voorgaande thema’s is er voor het onderdeel welzijn een inventarisatie uitgevoerd van het huidige aanbod aan voorzieningen binnen Vlaardingen. Hierbij is gekeken naar de bestaande locaties voor buurt- en wijkcentra, ontmoetingsplekken, dagbesteding, maatschappelijke opvang, scouting en de voedsel- en kledingbank. De gevonden locaties van deze voorzieningen staan weergeven in figuur 4.
  13. Figuur 4.11: Overzicht van alle welzijnsvoorzieningen binnen Vlaardingen De inventarisatie geeft een overzicht van het aantal en de spreiding van de huidige voorzieningen, zonder daarbij in te gaan op de mate waarin dit aanbod aansluit op de vraag. Deze kaart toont het aanbod en de spreiding van de deelonderwerpen over de stad. Het aanbod is ook doorgerekend in de beschikbare vierkante meters over de gehele stad. Dit is terug te vinden in Figuur 4.
  14. Figuur 4.12: Huidig aanbod van welzijnsvoorzieningen in Vlaardingen in vierkante meters Onderwerp Aanbod Eenheid Aanbod Buurt- en wijkcentra 5 Locaties 3.750m2 Ontmoetingsplekken 15 Locaties 3.000m2 Dagbesteding 10 Locaties 4.000m2 Maatschappelijke opvang 34 Opvangplekken 1.020m2 Scouting 4 Locaties 28.800m2 Voedsel- en kledingbank 2 Locaties 550m2 Voor de bepaling van de maatvoering per voorziening is uitgegaan van het gemiddelde ruimtegebruik binnen Vlaardingen, waar mogelijk vergeleken met gemiddelden uit andere gemeenten. Bij de categorie dagbesteding zijn de uitschieters aan zowel de boven- als onderkant buiten beschouwing gelaten, omdat de schaal van de locaties sterk varieert en dit de gemiddelde maatvoering zou vertekenen. 4.4.2 referentiewaarden De referentiewaarden voor de verschillende welzijnsvoorzieningen zijn grotendeels bepaald op basis van het huidige Vlaardingse voorzieningenniveau, aangevuld met beleidsmatige uitgangspunten en actuele signalen over toekomstige behoeften. Voor de buurt- en wijkcentra is de referentiewaarde 10% hoger vastgesteld dan het huidige aanbod. Deze verhoging sluit aan bij de ambities uit de Visie Sociaal Domein, waarin het versterken van sociale cohesie centraal staat. Buurt- en wijkcentra spelen hierin een belangrijke rol als laagdrempelige ontmoetingsplekken voor bewoners. Voor ontmoetingsplekken is uitgegaan van het huidige aanbod, aangezien deze voorzieningen vaak informeel worden georganiseerd door particuliere of lokale initiatieven en niet altijd binnen de directe invloedssfeer van de gemeente vallen. Voor dagbestedingsplekken geldt eveneens dat de huidige capaciteit als referentie is gebruikt, omdat er op dit moment geen tekort of overschot wordt waargenomen. Wel wordt verwacht dat de vraag naar dagbesteding op termijn zal toenemen als gevolg van de dubbele vergrijzing en de groei van het aantal inwoners met dementie. De referentiewaarde voor maatschappelijke opvang is aangepast op basis van de actuele behoefte, volgend uit het Uitvoeringsprogramma beschermd wonen, maatschappelijke opvang. Hierin staat een actuele behoefte van 10 extra reguliere en 4 crisisplekken. Daarnaast is er ook behoefte om 15-20 permanente winter opvangplekken te realiseren. Deze is verhoogd naar 0,88 opvangplekken per 1.000 inwoners, wat een aanzienlijke stijging betekent ten opzichte van het huidige niveau van 0,45 opvangplekken per 1.000 inwoners. Dit gezegd hebbende, omvat de stijging dus zowel reguliere, crisis en winteropvangplekken, waardoor het eindresultaat kan vertekenen. Zeker omdat de plekken voor winteropvang alleen in delen van het jaar beschikbaar moeten zijn. Voor scoutinglocaties en de voedsel- en kledingbank is de referentiewaarde gebaseerd op het huidige aanbod, omdat hier sprake lijkt van een evenwichtige balans tussen vraag en aanbod. De resulterende referentiewaarden zijn weergegeven in figuur 4.
  15. Figuur 4.13: Referentiewaarden voor de welzijnsvoorzieningen Onderwerp Maatvoering van 1.000 inwoners Vierkante meters per locatie Vierkante meters per 1.000 inwoners Buurt- en wijkcentra 0,075 Locatie Per 1.000 inwoners 750 Locatie 56 Per 1.000 inwoners Ontmoetingsplekken 0,2 Locatie Per 1.000 inwoners 200 Locatie 40 Per 1.000 inwoners Dagbesteding 0,13 Locatie Per 1.000 inwoners 400 Locatie 52 Per 1.000 inwoners Maatschappelijke opvang 0,88 opvangplek Per 1.000 inwoners 30 Per opvangplek 26 Per 1.000 inwoners Scouting 0,05 Locatie Per 1.000 inwoners 7200 Locatie 360 Per 1.000 inwoners Voedsel- en kledingbank 0,026 Locatie Per 1.000 inwoners 275 Locatie 7 Per 1.000 inwoners 4.4.3 Saldo Op basis van de referentiewaarden kan de verwachte vraag binnen de gemeente worden vergeleken met het huidige aanbod. Dit is echter alleen relevant wanneer de referentiewaarde niet direct is afgeleid van het bestaande aanbod of wanneer er signalen zijn van een disbalans. Voor de meeste voorzieningen binnen het thema welzijn zoals dagbesteding, ontmoetingsplekken, scoutinglocaties en de voedsel- en kledingbank zijn de referentiewaarden vastgesteld op basis van het huidige aanbod. Omdat er geen signalen zijn die wijzen op structurele tekorten of overschotten, wordt aangenomen dat het saldo neutraal is en worden deze onderdelen niet verder besproken. Er zijn echter wel een aantal onderwerpen waarbij er afwijkingen ten opzichte van het saldo te zien zijn. Allereerst is dit aan de orde bij de buurt- en wijkcentra. Dit komt door de beleidsmatige verhoging van de referentiewaarde met 10% Voor de maatschappelijke opvang is sprake van een duidelijk negatief saldo, zoals te zien in figuur 4.14, Dit komt voort uit de verhoogde vraag naar reguliere, crisis- en winteropvangplekken. Hoewel het opnemen van alle soorten kan leiden tot een vertekend beeld, omdat niet alle voorzieningen het hele jaar door beschikbaar moeten zijn, is het duidelijk dat het huidige aanbod op dit moment onvoldoende aansluit bij de vraag naar maatschappelijke opvang. Figuur 4.14: Huidig saldo van afwijkende categorieën binnen welzijn Onderwerp Vraag in vierkante meters Groepsgrootte Vraag gemeente Saldo % saldo aanbod Maatschappelijke opvang 26m2 Per 1.000 inwoners 77.000 2002m2 -982m2 -96% 4.5 Gezondheid 4.5.1 Inventarisatie Voor de inventarisatie van de voorzieningen binnen het gezondheidsdomein is in kaart gebracht welke typen zorgvoorzieningen momenteel in Vlaardingen aanwezig zijn en hoe deze ruimtelijk zijn verdeeld. De locaties van huisartsen, fysiotherapeuten, tandartsen, apotheken, verpleeghuizen en consultatiebureaus die onder deze categorie vallen, staan weergeven in figuur 4.
  16. Figuur 4.15: Overzicht van alle gezondheidsvoorzieningen binnen Vlaardingen Met oog op het ruimtegebruik van deze voorzieningen is het soms lastig in beeld te brengen hoe groot iedere voorziening is, gezien deze vaak deel uitmaken van een groter gezondheidscentrum. Voor enkele voorzieningen, zoals consultatiebureaus, geldt bovendien dat zij vaak gebruikmaken van bestaande ruimten die maar enkele dagdelen per week worden gehuurd. Hierom is voor de consultatiebureaus geen gemiddelde maatvoering vastgesteld. Hierom is het aanbod in m2 van de zorgvoorzieningen grotendeels bepaald door de kengetallen die in 4.4.2 genoemd worden. De resultaten die hieruit volgen staan in figuur 4.
  17. Figuur 4.16: Huidig aanbod van gezondheidsvoorzieningen in Vlaardingen in vierkante meters Onderwerp Aanbod Eenheid Aanbod Huisartsen 35 fte 5.250m2 Tandartsen 34 fte 2.890m2 Apotheken 10 locaties 2.200m2 Fysiotherapeuten 79 Aantal 3.950m2 Consultatiebureaus 2 Locaties Verpleeghuizen 908 Woonplekken 63.560m2 4.5.2 referentiewaarden De referentiewaarden voor de verschillende zorg- en welzijnsvoorzieningen zijn grotendeels bepaald op basis van landelijke adviesnormen en gemiddelden, aangevuld met lokale gegevens waar deze relevant zijn. Hierbij is ook uitgegaan van de benodigde oppervlakte per voorziening, omdat deze bepalend is voor de totale ruimtevraag per deelonderwerp. Voor huisartsen is de adviesgrootte van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) aangehouden. Voor fysiotherapeuten is een landelijke adviesnorm gebruikt op basis van gegevens van de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV), ondersteund door het landelijk gemiddelde uit een STiPo-onderzoek. Voor tandartsen is eveneens uitgegaan van de landelijke gemiddelde praktijkoppervlakte. Alleen voor apotheken is een lokale Vlaardingse norm aangehouden, die lager ligt dan het landelijk gemiddelde. Dit komt doordat er in Vlaardingen relatief veel apotheken zijn met een kleiner oppervlak per locatie dan gemiddeld in Nederland. Voor consultatiebureaus is geen vaste maatvoering vastgesteld, aangezien deze, net als peuteropvang met voorschoolse educatie, regelmatig gebruikmaken van gedeelde ruimten. Voor verpleeghuizen is de referentiewaarde niet uitgedrukt in vierkante meters, maar in het aantal woonplekken per 1.000 inwoners. De referentiewaarde voor huisartsen met 10% verhoogd ten opzichte van het huidige aanbod, vanwege de verwachte groei van de zorgvraag door vergrijzing. Ook voor verpleeghuizen is een ophoging toegepast van 12 naar 13,7 woonplekken per 1.000 inwoners, om te kunnen voorzien in de toekomstige zorgbehoefte. Richting 2030 en 2040 is er behoefte aan respectievelijk 30 en 40 extra woonplekken. De vastgestelde referentiewaarden, inclusief de gebruikte oppervlaktes per voorziening, zijn weergegeven in figuur 4.
  18. Figuur 4.17: Referentiewaarden voor de gezondheidsvoorzieningen Onderwerp Maatvoering van 1.000 inwoners Vierkante meters per locatie Vierkante meters per 1.000 inwoners Huisartsen 0,5 fte Per 1.000 inwoners 150 fte 75 Per 1.000 inwoners Tandartsen 0,46 fte Per 1.000 inwoners 85 fte 39,1 Per 1.000 inwoners Apotheken 0,13 fte Per 1.000 inwoners 220 Locatie 28,6 Per 1.000 inwoners Fysiotherapeuten 1,05 fte Per 1.000 inwoners 50 fte 52,5 Per 1.000 inwoners Consultatiebureaus 0,6 Locatie Per 1.000 0-4 jarigen Verpleeghuizen 13,7 woonplekken Per 1.000 inwoners 70 woonplek 959 Per 1.000 inwoners 4.5.3 Saldo Op basis van de referentiewaarden kan de verwachte vraag binnen de gemeente worden vergeleken met het huidige aanbod. Dit is echter alleen relevant wanneer de referentiewaarde niet direct is gebaseerd op het bestaande aanbod of wanneer er signalen zijn dat vraag en aanbod niet in balans zijn.Voor de meeste voorzieningen binnen het zorgdomein zoals apotheken, tandartsen, fysiotherapeuten en consultatiebureaus zijn de referentiewaarden vastgesteld op basis van de lokale norm. Omdat er geen signalen zijn die wijzen op tekorten of overschotten, is het saldo voor deze voorzieningen (nagenoeg) neutraal en wordt dit verder niet meegenomen in de figuur. Bij huisartsen en verpleeghuizen wijkt dit af. Door de ophoging van de referentiewaarden is hier sprake van een negatief saldo, wat duidt op een (toekomstig) tekort. Bij de huisartsen gaat het om een tekort van circa 10%, en bij de verpleeghuizen om een behoefte aan 30 tot 40 extra woonplekken richting 2040 om aan de toenemende zorgvraag te voldoen.De resultaten van het saldo van deze categorieën zijn weergegeven in figuur 4.
  19. Figuur 4.18: Huidig saldo van afwijkende categorieën binnen zorg en gezondheid Onderwerp Vraag in vierkante meters Groepsgrootte Vraag gemeente Saldo % saldo aanbod Huisartsen 75m2 Per 1.000 inwoners 77.000 5.775m2 -525m2 -10% Verpleeghuizen 959m2 Per 1.000 inwoners 77.000 73.843m2 -10.283m2 -16% 4.6 Cultuur 4.6.1 Inventarisatie Tot slot zijn is er ook voor het thema cultuur een inventarisatie uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn ruimtelijk inzichtelijk gemaakt in figuur 4.
  20. Figuur 4.19: Huidig aanbod en spreiding van culturele voorzieningen binnen Vlaardingen Bij het vooronderzoek, waar deze afbeelding op gebaseerd is, zijn de kunstobjecten in de openbare ruimte meegenomen in de inventarisatie. Echter, aangezien dit geen betreedbare voorziening betreft, is besloten deze onder te brengen bij het omgevingsprogramma voor de openbare ruimte. Deze zijn echter nog wel in deze kaart te zien. Binnen het thema cultuur blijven daarmee de bibliotheken en de culturele centra over als relevante voorzieningen. Deze vormen samen het belangrijkste deel van het gemeentelijk culturele aanbod in Vlaardingen. Hierbij is voor figuur 4.20 uitgegaan van het oppervlak per voorziening zoals dit momenteel in gebruik is binnen Vlaardingen. Figuur 4.20: Huidig aanbod van culturele voorzieningen in Vlaardingen in vierkante meters Onderwerp Aanbod Eenheid Aanbod Bibliotheek 2,5 Locaties 1.850m2 Cultureel centrum 3 Locaties 8.970m2 4.6.2 referentiewaarden De referentiewaarden voor de culturele voorzieningen zijn vastgesteld op basis van zowel landelijke gemiddelden als lokale gegevens. Voor bibliotheken is de referentiewaarde gebaseerd op het landelijk gemiddelde van 0,04 locaties per 1.000 inwoners. In Vlaardingen ligt het huidige aanbod iets lager, namelijk op 0,03 locaties per 1.000 inwoners. De normatieve omvang en het gebruik zijn bepaald op basis van de bestaande bibliotheeklocaties, aangevuld met landelijke richtlijnen over toegankelijkheid en spreiding. Voor culturele centra is uitgegaan van het huidige aanbod en gebruik binnen de gemeente. De gemiddelde oppervlakte per centrum en het aantal bezoekers vormen hierbij de basis voor de lokale norm. De huidige bezetting en het gebruik van deze voorzieningen lijken goed in balans met de vraag. De vastgestelde referentiewaarden voor bibliotheken en culturele centra zijn weergegeven in figuur 4.
  21. Figuur 4.21: Referentiewaarden voor de culturele voorzieningen Onderwerp Maatvoering van 1.000 inwoners Vierkante meters per locatie Vierkante meters per 1.000 inwoners Bibliotheek 0,04 Locatie Per 1.000 inwoners 740 Locatie 29,6 Per 1.000 inwoners Cultureel centrum 0,04 Locatie Per 1.000 inwoners 2.990 Locatie 119,6 Per 1.000 inwoners 4.6.3 Saldo Op basis van de referentiewaarden kan de verwachte vraag binnen de gemeente worden vergeleken met het huidige aanbod. Dit is echter alleen van belang wanneer de referentiewaarde niet direct gebaseerd is op het huidige aanbod of wanneer er signalen zijn dat vraag en aanbod niet in balans zijn. Voor culturele centra geldt dat de referentiewaarde direct is afgeleid van het bestaande aanbod, dat in balans lijkt te zijn met de huidige vraag. Hierdoor kan worden uitgegaan van een (nagenoeg) neutraal saldo, dat verder niet wordt besproken. Voor bibliotheken wijkt dit af. De referentiewaarde is hier gebaseerd op het landelijk gemiddelde, waardoor een tekort zichtbaar is binnen Vlaardingen. Het huidige aanbod ligt op 0,03 locaties per 1.000 inwoners, terwijl de landelijke norm 0,04 locaties per 1.000 inwoners bedraagt. Dit tekort wordt deels opgevangen door het uitbreiden van het bibliotheekwerk in de Westwijk en de verhuizing van de vestiging aan de Waalstraat naar De Grote. Daarnaast is er een nieuwe landelijke bibliotheekwet in ontwikkeling, die in de toekomst mogelijk leidt tot een hogere normering. De resultaten van het saldo zijn weergegeven in figuur 4.
  22. Figuur 4.22: Huidig saldo van afwijkende categorieën binnen cultuur Onderwerp Vraag in vierkante meters Groepsgrootte Vraag gemeente Saldo % saldo aanbod Bibliotheek 29,6m2 Per 1.000 inwoners 77.000 2.279m2 -429m2 -23% 4.7 Dierenwelzijn Zoals kort in de introductie van het stuk, is dierenwelzijn niet opgenomen in het gedane vooronderzoek. Hierbij is er voor nu gekozen om even kort stil te staan bij de wettelijke taken die de gemeente heeft, namelijk de opvang van zwerfdieren en het bergen van overleden dieren, zoals in 3.2 al kort genoemd. Met oog op deze taken, bestaat het huidige aanbod in Vlaardingen, bestaat uit de stichting dierennoodhulp West Nederland en het Dierenopvangcentrum Vlaardingen. Hierbij heeft Stichting Dierennoodhulp West Nederland en grotere regionale functie, toegespitst op de hulp en berging van gewonde dieren terwijl Dierenopvangcentrum Vlaardingen zich vooral richt op de opvang en herplaatsing van dieren uit Vlaardingen en omgeving. Er wordt gewerkt aan beleid over dierenwelzijn, waardoor dit in een latere versie van het thematisch omgevingsprogramma uitgebreider opgenomen wordt. Dit geldt ook voor de toekomstvoorspellingen. 5 Toekomstperspectief 5.1 Toekomstvraag op basis van referentiewaarden 5.1.1 Uitkomsten op basis van het vooronderzoek Op basis van de waarden van het vooronderzoek kan alvast een eerste inschatting worden gemaakt naar de vraag. Echter is het belangrijk om hierbij te noemen dat hierbij de verwachte trends en ontwikkelingen maar beperkt zijn meegenomen. Dit is dus hoofdzakelijk een relatief objectief startpunt dat door middel van deze trends en ontwikkelingen verder kan worden afgestemd. Op basis van de verwachtingen op basis van de huidige referentiewaarden zonder de invloed van de genoemde trends en ontwikkelingen, kan een eerste inschatting gemaakt worden van de verwachte ruimtegebruik. Hieruit volgt dat de geschatte maximale ruimtevraag aan maatschappelijke voorzieningen uitkomt op ongeveer 25.400 m2 tot 2030, zoals te zien in figuur 5.
  23. Gezondheidsvoorzieningen, welzijn en cultuur hebben per functie relatief weinig ruimte nodig. Hierdoor lijkt de vraag beperkt in oppervlakte, maar er is wel degelijk een uitbreidingsbehoefte. Tot 2030 en 2040 neemt de vraag naar onderwijshuisruimte toe door de realisatie van de flinke woningbouwplannen die de gemeente heeft, waarbij zoals reeds genoemd, de grootste behoefte ligt bij het primair onderwijs. Hierin is behoefte aan sport is de grootste ruimtevrager in de gemeente, maar hier zal in 5.2 nog kritisch naar worden gekeken. Figuur 5.1: Geschatte ruimtevraag op basis van het vooronderzoek voor 2030 en 2040 Er is op basis van de referentienormen behoefte aan 2,5 buitensportvelden, die de grootste bijdrage leveren aan de totale vraag van de gemeente. Dit vraagt om een behoorlijk metrage. Het slim combineren, optimaliseren en het intensiever gebruiken van sportvelden kan ervoor zorgen dat de behoefte in vierkante meters lager uitvalt. Bij de totale vraag is hierbij echter geen rekening gehouden met trends die hier op de toekomst invloed op kunnen hebben, waardoor het lager uit kan vallen. Als deze lijn doorgezet wordt naar 2040, waar het geschatte aantal inwoners groeit naar ruim 84.000 in
  24. Bij toepassing van de referentiewaarden komt de geschatte maximale ruimtevraag aan maatschappelijke voorzieningen uit op ongeveer 65.400 m² (6,5 ha). Belangrijk is om te melden dat dit metrage exclusief sport- en speellocaties is. Deze zijn vastgelegd in het BOSS-beleid en er ligt een focus op centralisatie van het aantal openbare speel- en sportplekken. De totale hoeveelheid vraag is ook exclusief de behoefte aan de extra woonplekken in verpleeghuizen, die later in dit stuk dus wel meegenomen worden. 5.1.2 Herijking van locaties naar vierkante meters Bij het vooronderzoek is gerekend vanuit de benodigde extra locaties als basis van de extra ruimtebehoefte in vierkante meters. Bijvoorbeeld, als er behoefte is aan 1 extra locatie en één locatie heeft een gemiddeld ruimtegebruik van 500m2, dan is de verwachte vraag 500m
  25. Echter is het voor de doorrekening bij 5.2 van belang om uit te gaan van de totale m2 behoefte van de hele gemeente en die door te rekenen naar de benodigde hoeveelheid locaties. Dit is dus andersom beredeneerd, waarmee eerst de vraag in vierkante meters wordt ingeschat en deze hierna in aantal voorzieningen wordt omgezet. Hiermee kan de reële impact van de trends nauwkeuriger gemeten worden. Hierbij worden dezelfde inwoneraantallen als voorheen als basis gebruikt. Gezien de uitkomsten vanuit onderwijs direct volgen uit het aantal kinderen van de betreffende groep in plaats van locaties is deze herijking niet voor onderwijs aangepast. Deze uitkomsten zijn deel van een groter proces en hebben dus maar beperkte waarde. Hierom worden er geen inhoudelijke conclusies getrokken op basis van deze waardes, maar worden deze as-is getoond in bijlage 6 5.2 invloed van trends en ontwikkelingen op de vraag 5.2.1 Methode In hoofdstuk 3 zijn er diverse trends en ontwikkelingen genoemd. Deze zijn in de referentiewaarden in verschillende mate opgenomen. Om te zorgen dat alle referentiewaarden ook in de toekomst zo goed mogelijk aansluiten bij de verwachtte ontwikkelingen in Nederland en in Vlaardingen wordt er in dit hoofdstuk een verdiepende slag gemaakt. Echter, gezien lang niet altijd duidelijk is hoe groot de invloed van trends zijn en er onzekerheid is van de schaal en verloop van deze ontwikkelingen, zal dit een brede schatting zijn om een richting te geven aan de cijfers op basis van de trends en ontwikkelingen. In de loop van de uitvoering en monitoring van dit programma zullen deze trends en ontwikkelingen zo nodig bijgesteld worden. Hierbij ligt de focus op naar de invloed van de trends en ontwikkelingen op de benodigde vierkante meters. Er wordt hierin niet ingegaan op de geografisch verdeling, inrichting van de gebouw en kwaliteitsslagen die er eventueel nodig zouden zijn. Zoals in de introductie al even kort genoemd is, worden de waarden uit 5.1 als basis gebruikt, waarbij op basis van de verwachtte trends en ontwikkelingen de totale verwachtte vraag wordt bijgesteld op basis van de verwachtte trends en ontwikkelingen. Hierbij wordt zowel gekeken naar de verwachtte richting (stijging of daling) als de verwachtte schaal van de ontwikkeling. De herwegingsfactoren staan weergeven in figuur 5.2.Hierbij is de verhoging (10%) die in het vooronderzoek is gebruikt voor onderwerpen waarvoor wij verwachten dat er een sterke vraaggroei richting 2030 gaat zijn als basis gebruikt. Dat wil zeggen dat dit onderwerpen zijn waarvan de verwachting is dat zij sneller groeien dan de toename van de vraag die volgt uit de inwonersgroei van de stad. In bijlage 7 staat de berekening voor de bepaling van de waarden die aangehouden worden. Uiteraard is dit, zoals al eerder gezegd, een grove voorspelling, gezien de vraag naar deze voorzieningen van veel factoren afhankelijk is. Figuur

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.