← Nederland

Leidraad Invordering SVHW 1e helft 2019 (Samenwerkingsverband vastgoedinformatie, heffing en waardebepaling)

Kort samengevat

Deze leidraad beschrijft de regels en het beleid van SVHW (Samenwerkingsverband vastgoedinformatie, heffing en waardebepaling) met betrekking tot de invordering van belastingen, specifiek gericht op de aansprakelijkheid van erfgenamen en derden.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

Leidraad Invordering SVHW 1e helft 2019Artikel33aAansprakelijkheid en begunstigden Er zijn in deze leidraad op artikel 33a van de wet geen beleidsregels gemaakt. Artikel34t/m 47. N.v.t. voor SVHW. 48.Artikel 48. Beperking aansprakelijkheid van erfgenamen Artikel 48 van de wet regelt niet de aansprakelijkheid van de erfgenaam, maar geeft aan dat de erfgenaam - als rechtsopvolger van de erflater - niet voor alle belastingaanslagen voor het volle bedrag zal worden aangesproken. In aansluiting op artikel 48 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: beneficiaire aanvaarding; invordering ten laste van een erfgenaam blijft achterwege. 48.1 Beneficiaire aanvaarding Als een nalatenschap onder het voorrecht van boedelbeschrijving is aanvaard, wordt de vereffening van de boedel afgewacht, met dien verstande dat de Ontvanger maatregelen neemt ter beveiliging van zijn rechten (zie echter ook artikel 14.1.3 van deze leidraad). Aantasting van het vermogen van de erfgenamen blijft uiteraard achterwege. 48.2Invordering ten laste van een erfgenaam blijft achterwege Als voor een belastingaanslag ten name van een overledene niet meer tegen de gezamenlijke erfgenamen kan worden opgetreden, blijft invordering ten laste van een erfgenaam van wie minder dan € 23 moet worden ingevorderd achterwege, tenzij het de hoofdsom van de aanslag betreft. Er kan ook aanleiding bestaan een gering restbedrag op tactische gronden buiten invordering te laten. 48.aArtikel 48a. Aansprakelijkheid van derden voor uitbetaalde bedragen inkomstenbelasting of omzetbelasting N.v.t. voor SVHW 49.Artikel 49. Formele bepalingen voor aansprakelijkstelling Artikel 49 van de wet regelt de formele bepalingen voor aansprakelijkstellingen. Het geeft aan op welke wijze een materiële aansprakelijkheid wordt omgezet in een formele aansprakelijkstelling. De bepalingen gelden niet alleen voor de in de wet opgenomen aansprakelijkheidsregels, maar gelden ook voor de aansprakelijkheid in enige andere wettelijke regeling, bijvoorbeeld in het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Koophandel. De aansprakelijkstelling vindt plaats bij voor bezwaar vatbare beschikking, en wel afzonderlijk voor ieder die aansprakelijk wordt gesteld. In aansluiting op artikel 49 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: aansprakelijkstelling voor bestuurlijke boete; aansprakelijkstelling voor invorderingsrente; de aansprakelijkstelling - in gebreke zijn; informatieverstrekking in beschikking aansprakelijkstelling keten- en inlenersaansprakelijkheid; informatieverstrekking aan aansprakelijkgestelden; eerst uitwinning belastingschuldige; volgorde van aansprakelijkstellen; bezwaar en uitstel van betaling; overgangsrecht. 49.1 Aansprakelijkstelling voor bestuurlijke boete De Ontvanger kan de beschikking aansprakelijkstelling voor de bestuurlijke boete opnemen in dezelfde brief waarbij hij ook de beschikking voor de aansprakelijkstelling voor de belastingschuld bekendmaakt. De Ontvanger moet dan in de beschikking de gronden vermelden waarop de aansprakelijkstelling voor de boete berust. Als geen gebruik wordt gemaakt van de gelegenheid om de gronden, waarop het voornemen tot een aansprakelijkstelling voor de vergrijpboete berust, te betwisten of de Ontvanger is van oordeel dat de betwisting van de aansprakelijke ongegrond is, dan zal hij de derde daarvan op de hoogte stellen en overgaan tot aansprakelijkstelling voor de bestuurlijke boete op de voet van artikel 49, eerste lid van de wet. 49.2 Aansprakelijkstelling voor invorderingsrente Als aan de aansprakelijkgestelde invorderingsrente in rekening moet worden gebracht, dan wordt de rente berekend over het bedrag waarvoor hij aansprakelijk is gesteld. Voor zover in het bedrag van de aansprakelijkstellingsbeschikking tevens een bedrag aan invorderingsrente is opgenomen, wordt over dat bedrag geen rente in rekening gebracht. 49.3 De aansprakelijkstelling - in gebreke zijn 49.3.1Wanneer in gebreke De belastingschuldige is in gebreke als de betaling van zijn belastingschuld niet heeft plaatsgevonden binnen de betalingstermijn die voor de belastingaanslag geldt. 49.3.2In gebreke zijn en versnelde invordering De belastingschuldige wordt ook geacht in gebreke te zijn als de belastingaanslag op grond van artikel 10 van de wet terstond invorderbaar is. 49.3.3In gebreke zijn en een beschikking ‘geen verdere invorderingsmaatregelen’ Als de Ontvanger aan de belastingschuldige een beschikking heeft gestuurd waarin hij toezegt geen verdere invorderingsmaatregelen tegen de belastingschuldige meer te nemen, kan een derde voor de desbetreffende belastingschuld niettemin aansprakelijk worden gesteld, mits die mogelijkheid uitdrukkelijk in de beschikking is vermeld. 49.4 Informatieverstrekking in beschikking aansprakelijkstelling keten- en inlenersaansprakelijkheid N.v.t. voor SVHW. 49.5 Informatieverstrekking aan aansprakelijkgestelden Op grond van het bepaalde in artikel 49, zesde lid van de wet moet de Ontvanger de aansprakelijkgestelde desgevraagd op de hoogte stellen van de gegevens over de belasting waarvoor hij aansprakelijk is gesteld. Tot de gegevens die op grond van genoemde bepaling moeten worden verstrekt, behoren in elk geval de stukken die op de zaak betrekking hebben als bedoeld in de artikelen 7:4 en 8:42 Awb. Hieronder worden verstaan alle stukken die bij het nemen van het besluit een rol hebben gespeeld. Naast de gegevens die zijn vastgelegd in de genoemde stukken moeten desgevraagd ook andere gegevens worden verstrekt, mits die gegevens redelijkerwijs van belang kunnen worden geacht voor het maken van bezwaar of het instellen van beroep. De gegevens worden - na een daartoe strekkend verzoek van de aansprakelijk gestelde - vooruitlopend op het indienen van een bezwaarschrift of op het instellen van beroep verstrekt. Hoewel artikel 49, zesde lid van de wet betrekking heeft op de gegevens over de belasting, is goedgekeurd dat de gegevensverstrekking zich daartoe niet beperkt, maar mede betrekking heeft op (alle) andere aspecten van de aansprakelijkheidsbeslissing. Voorwaarde is wel dat deze gegevens hetzij gerekend kunnen worden tot de stukken die op de zaak betrekking hebben als hiervoor genoemd, hetzij redelijkerwijs van belang kunnen worden geacht voor het maken van bezwaar tegen de aansprakelijkheidsbeschikking of het instellen van beroep tegen daarop volgende beslissingen. 49.6 Aansprakelijkheid: eerst uitwinning belastingschuldige De Ontvanger zal zich in beginsel eerst verhalen op vermogensbestanddelen van de belastingschuldige voordat hij overgaat tot uitwinning van de vermogensbestanddelen van de aansprakelijkgestelde, tenzij zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel 14.1.4 van de leidraad. 49.7 Volgorde van aansprakelijk stellen Als de Ontvanger een derde aansprakelijk kan stellen op grond van meer dan één fiscale of civielrechtelijke aansprakelijkheidsbepaling, dan hoeft hij daarbij geen volgorde in acht te nemen. Hetzelfde geldt als de Ontvanger verscheidene derden op grond van dezelfde dan wel op grond van verschillende aansprakelijkheidsbepalingen aansprakelijk kan stellen. Dit geldt niet in de gevallen waarvoor in de wet of deze leidraad anders is bepaald. 49.8 Bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie tegen de beschikking aansprakelijkstelling 49.8.1Bezwaar en uitstel van betaling Een bezwaarschrift tegen de beschikking aansprakelijkstelling wordt tevens aangemerkt als een verzoek om uitstel van betaling. 49.8.2Beslissing op het bezwaarschrift De afdoening van bezwaarschriften tegen aansprakelijkstellingen wordt in beginsel binnen de termijnen van de Algemene wet bestuursrecht (artikel 7:10 Awb) afgehandeld. Artikel 49, derde lid van de wet geeft de Ontvanger formeel een beslistermijn van één jaar met de mogelijkheid deze termijn - met schriftelijke toestemming van het dagelijks bestuur - met maximaal één jaar te verlengen. Van deze mogelijkheid maakt de Ontvanger alleen in uitzonderingsgevallen gebruik. Denk hierbij aan de situatie waarin de belanghebbende weigert mee te werken aan een voortvarende afhandeling van het bezwaarschrift. 49.9 Overgangsrecht Artikel vervalt per 1-1-2019 Artikel 49.9 ziet op overgangsrecht met betrekking tot aansprakelijkheidsprocedures op grond van tot 1 december 2002 geldend recht. Dergelijke procedures zijn niet meer aanhangig. Het overgangsrecht is daarmee overbodig. Mocht zich in de toekomst een situatie voordoen waarin artikel 49.9 wel van toepassing zou kunnen zijn, dan kan de aansprakelijk gestelde hierop een beroep blijven doen. 49.9.1Bij civiele procedure geen invordering of verrekening Tijdens de civiele procedure volgend op een betwisting op grond van het tot 1 december 2002 geldende recht vinden geen invorderingsmaatregelen plaats. Bij vrees voor onverhaalbaarheid kunnen wel conservatoire maatregelen worden genomen. Eveneens vindt tijdens de civiele procedure geen verrekening plaats van uit te betalen bedragen ten name van de aansprakelijkgestelde met een aansprakelijkheidsschuld. Bij vrees voor onverhaalbaarheid kan conservatoir beslag worden gelegd op het uit te betalen bedrag. 49.9.2Wijziging eis De Ontvanger wijzigt zijn eis als in de fiscale procedure die de belastingschuldige voert een onherroepelijke uitspraak is gedaan met betrekking tot de hoogte van de belastingaanslag die leidt tot aanpassing van het bedrag van de aansprakelijkheidsschuld, en artikel 50, zesde lid van de wet (oud) van toepassing is. 51.Artikel 51. Conservatoir beslag bij aansprakelijkheid De versnelde invordering op grond van de artikelen 10 en 15 van de wet is niet van toepassing op een aansprakelijkgestelde. Wel heeft de Ontvanger de mogelijkheid conservatoir beslag te leggen op grond van artikel 51 van de wet met toepassing van de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. In aansluiting op artikel 51 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over conservatoir beslag en uitstel in verband met bezwaar. 51.1Conservatoir beslag en uitstel in verband met bezwaar Als er conservatoir beslag ligt en de aansprakelijkgestelde verzoekt om uitstel van betaling in verband met een bezwaar tegen de beschikking, dan verleent de Ontvanger alleen uitstel van betaling als er zekerheid wordt gesteld. 52.Artikel 52. Betalingstermijn beschikking aansprakelijkstelling Op grond van artikel 52, eerste lid van de wet heeft de aansprakelijkgestelde een betalingstermijn van twee maanden na dagtekening van de beschikking van de aansprakelijkstelling. Als na het verstrijken van deze termijn geen betaling heeft plaatsgevonden en geen bezwaarschrift tegen de beschikking is ingediend, is het in de beschikking vermelde bedrag invorderbaar. In aansluiting op artikel 52 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over vermindering van de belastingaanslag. 52.1Vermindering van de belastingaanslag en aansprakelijkstelling Als de inspecteur de aanslag vermindert, past de Ontvanger het bedrag van de aansprakelijkstellingsbeschikking aan voor zover dat voortvloeit uit de vermindering en deelt dat mee aan de aansprakelijkgestelde. 53.Artikel 53. Aansprakelijkheid: verhaalsrechten en kwijtschelding In aansluiting op artikel 53 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: geen zelfstandige verjaring van de aansprakelijkheidsschuld; ontslag van betalingsverplichting aansprakelijk gestelde bestuurder en verwijtbaarheid. 53.1 Geen zelfstandige verjaring van de aansprakelijkheidsschuld Een aansprakelijkheidsschuld (beschikking ex artikel 49 van de wet) is niet voor zelfstandige verjaring vatbaar. Door verjaring van de belastingaanslag waarvoor aansprakelijk is gesteld, eindigt ook het recht van dwanginvordering en verrekening van de aansprakelijkheidsvordering. 53.2 Ontslag van betalingsverplichting aansprakelijk gestelde bestuurder en verwijtbaarheid De ontvanger verleent geen ontslag van betalingsverplichting als sprake is van verwijtbaarheid van de kant van de aansprakelijk gestelde. Dit volgt uit artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de regeling. De vraag of sprake is van verwijtbaarheid beoordeelt de ontvanger op basis van gedragingen van de aansprakelijk gestelde. Dit betekent dat als de aansprakelijkstelling van een bestuurder is gebaseerd op artikel 36, vierde lid, van de wet, het enkele feit dat het lichaam niet op de juiste wijze heeft gemeld niet in de weg hoeft te staan aan ontslag van betalingsverplichting. 54.Artikel 54. Mededeling aan de aansprakelijkgestelde In aansluiting op artikel 54 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over het aanhouden van de betaling van een teruggaaf bij aansprakelijkstelling. 54.1Betaling teruggaaf aanhouden bij aansprakelijkstelling De Ontvanger houdt de betaling van de teruggaaf - als bedoeld in artikel 54, eerste lid van de wet - aan gedurende vier weken na de dagtekening van de schriftelijke mededeling aan de belastingschuldige. In deze periode kan de belastingschuldige - als de derde zich al voor de aansprakelijkheidsschuld op hem heeft verhaald - derdenbeslag leggen onder de Ontvanger op het bedrag van de teruggaaf. In de derdenbeslagprocedure zal worden uitgemaakt aan wie de Ontvanger het bedrag van de teruggaaf moet betalen. Artikel55.tot en met 57. N.v.t. voor SVHW. 58.Artikel 58. Informatieverplichtingen van de belastingschuldige of de aansprakelijkgestelde Artikel 58 van de wet regelt de verplichting voor de belastingschuldige en de aansprakelijkgestelde tot het verstrekken van gegevens en inlichtingen en het ter beschikking stellen van gegevensdragers die voor de invordering van de 'eigen' belastingschulden van belang zijn. Verder regelt artikel 58 van de wet de identificatieverplichting tegenover de Ontvanger. Onder de gegevens die voor de invordering van de 'eigen' belastingschulden van de belastingschuldige van belang zijn, vallen ook de gegevens die de Ontvanger nodig heeft om te beoordelen of hij mogelijk derden aansprakelijk kan stellen. In aansluiting op artikel 58 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: invorderingsonderzoek tijdens een gerechtelijke procedure; gegevens voor invordering ‘eigen’ belastingschulden. 58.1Geen invorderingsonderzoek tijdens een gerechtelijke procedure Het is de Ontvanger niet toegestaan een invorderingsonderzoek te doen instellen, nadat de rechter de Ontvanger in de gelegenheid heeft gesteld bewijs te leveren voor in een procedure aangevoerde stellingen, indien en voor zover dat onderzoek wordt ingesteld om gegevens te verwerven om dat bewijs te kunnen leveren. 58.2 Gegevens voor invordering van ‘eigen’ belastingschulden Onder gegevens die voor de invordering van de ‘eigen’ belastingschulden van de belastingschuldige van belang zijn, vallen ook de gegevens die de Ontvanger nodig heeft om te beoordelen of hij mogelijk derden aansprakelijk kan stellen. 58.3 Invorderingsonderzoek tijdens faillissement N.v.t. voor SVHW 59.Artikel 59. Informatieverplichting: gegevensdragers bij een derde N.v.t. voor SVHW. 60.Artikel 60. Formele bepalingen voor de Informatieverplichtingen Artikel 60 van de wet regelt de formele bepalingen voor de informatieverplichtingen. In aansluiting op artikel 60 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: het stellen van een redelijke termijn voor verstrekken van informatie; de kwaliteit van de gegevens en wijze van verstrekking of beschikbaar stellen. 60.1 Redelijke termijn voor verstrekken van informatie De Ontvanger stelt een redelijke termijn voor het verstrekken van de gegevens en inlichtingen of het ter beschikking stellen van de gegevensdragers. Als de Ontvanger belang heeft bij een spoedige verstrekking of beschikbaarstelling kan deze termijn ook terstond zijn. 60.2Kwaliteit van de gegevens en wijze van verstrekking of beschikbaar stellen Als de opgevraagde gegevens niet duidelijk, stellig en zonder voorbehoud worden verstrekt, herhaalt de Ontvanger zijn verzoek en vordert hij op basis van artikel 60, eerste lid van de wet correcte en concrete gegevens. Als de gegevens ook na herhaald verzoek niet voldoen aan de gestelde eisen, beoordeelt de Ontvanger of hij een civiele procedure begint of de strafsancties van Hoofdstuk VIII van de wet toepast. Aan de belastingschuldige die niet voldoet aan de verplichting van artikel 60, tweede lid, van de wet, kan de Ontvanger een verzuimboete als bedoeld in artikel 63b, tweede lid, van de wet opleggen. Gegevensverstrekking vindt in beginsel uitsluitend schriftelijk plaats. In uitzonderingssituaties kan de Ontvanger toestaan dat de gegevens mondeling worden verstrekt. In verband met de bewijsvoering zorgt de Ontvanger voor een vastlegging van het gesprek. 61.Artikel 61. Geen geheimhoudingsplicht bij de informatieverplichtingen Artikel 61 van de wet bepaalt voor de in de artikelen 58, 59 en 60 van de wet opgenomen verplichtingen dat niemand zich op geheimhouding kan beroepen, zelfs niet als die geheimhoudingsverplichting bij wettelijk voorschrift zou zijn opgelegd. In aansluiting op artikel 61 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over niet van de administratie gescheiden (beroeps-)vertrouwelijke gegevens. 61.1 Niet van de administratie gescheiden (beroeps-) vertrouwelijke gegevens De Ontvanger heeft alleen belang bij die gegevens en inlichtingen en gegevensdragers die hem inzicht verschaffen in de financiële positie van de belastingschuldige. Doorgaans zijn de beroepsvertrouwelijke gegevens en de financiële gegevens gescheiden. Als het onvermijdelijk is dat de Ontvanger privacygegevens onder ogen krijgt, vormt dit geen grond om de verstrekking van gegevens of de beschikbaarstelling van gegevensdragers te weigeren. De Ontvanger is op grond van artikel 67, eerste lid van de wet gehouden tot geheimhouding van die gegevens. 62.Artikel 62. Informatieverplichtingen van de administratieplichtige N.v.t. voor SVHW. 62.1Bis N.v.t. voor SVHW Artikel62a Er zijn in deze leidraad op artikel 62a van de wet geen beleidsregels gemaakt. Artikel63en 63ab Er zijn in deze leidraad op de artikelen 63 en 63a, 63aa en 63ab van de wet geen beleidsregels gemaakt. Artikel63bBestuurlijke boeten Tot nader order niet van toepassing voor SVHW. Artikel63cen 64 Er zijn in deze leidraad op de artikelen 63c en 64 van de wet geen beleidsregels gemaakt. 65.Artikel 65. Niet nakomen informatieverplichting: strafmaat voor misdrijf Bij het niet of niet correct nakomen van een verplichting tot het verstrekken van gegevens of het ter beschikking stellen van gegevensdragers, kan sprake zijn van opzet. In artikel 65, eerste en tweede lid van de wet wordt de strafmaat voor dit strafbare feit gegeven. De beide straffen die in die leden zijn genoemd, kunnen cumulatief worden toegepast. Artikel 65a van de wet merkt dit strafbare feit aan als een misdrijf. Het derde lid van artikel 65 van de wet bevat de zogenaamde 'inkeerregeling':het recht op strafvervolging vervalt als een persoon tijdig tot inkeer komt en alsnog zorgt voor een juiste en volledige verstrekking van informatie. In aansluiting op artikel 65 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over de reikwijdte opzetcriterium bij een misdrijf. 65.1 Reikwijdte opzetcriterium bij misdrijf De vereiste opzet voor de toepassing van artikel 65, eerste en tweede lid van de wet behoeft zich niet uit te strekken tot het feit dat te weinig belasting wordt ingevorderd. Artikel65aen artikel 66 Er zijn in deze leidraad op artikel 65a en artikel 66 van de wet geen beleidsregels gemaakt. 67.Artikel 67. Geheimhoudingsplicht Artikel 67 van de wet regelt de geheimhoudingsplicht. In het tweede lid van dat artikel is bepaald dat de geheimhoudingsplicht niet geldt als: bekendmaking verplicht is volgens een wettelijk voorschrift; sprake is van structurele gegevensverstrekking aan bestuursorganen die bij ministeriële regeling zijn aangewezen; de bekendmaking plaatsvindt aan de belastingschuldige zelf voor zover deze gegevens door of namens hem zijn verstrekt. Daarnaast kan de minister van Financiën op grond van het derde lid ontheffing van de geheimhoudingsplicht verlenen. In aansluiting op artikel 67 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: bekendmaking gegevens op verzoek van de belastingschuldige zelf; informatieverstrekking aan gerechtsdeurwaarder over periodieke betalingen. 67.1 Bekendmaking aan de belastingschuldige De geheimhoudingsplicht geldt niet voor de bekendmaking van gegevens aan degene op wie zij betrekking hebben (de belastingschuldige) voor zover deze gegevens door of namens hem zijn verstrekt. Ook het verstrekken van informatie over belastingschulden aan de belastingschuldige zelf valt niet onder de geheimhoudingsplicht. Onder belastingschuldige moet hier mede worden verstaan: diens vertegenwoordiger, curator, bewindvoerder of erfgenaam. 67.2 Bekendmaking aan derden in het belang van de invordering De geheimhoudingsplicht geldt niet voor zover de bekendmaking van gegevens noodzakelijk is voor de uitvoering van de Invorderingswet 1990. Dat laatste moet ruim worden opgevat. Als bekendmaking van belang is voor de invordering van de verschuldigde belasting (aanslag) of een aansprakelijkheidsvordering (beschikking), kan de bekendmaking (aan derden) plaatsvinden zonder dat daarmee de geheimhoudingsplicht wordt geschonden. 67.3Informatieverstrekking aan gerechtsdeurwaarder over periodieke betalingen Desgevraagd is de Ontvanger op grond van artikel 475g, derde lid Rv verplicht aan de gerechtsdeurwaarder die gerechtigd is beslag te leggen tegen een schuldenaar, schriftelijk informatie te verstrekken over periodieke betalingen die hij aan die schuldenaar verricht of gaat verrichten op grond van een verleende voorlopige teruggaafbeschikking. Deze informatieplicht behelst uitsluitend gegevens met betrekking tot: de vraag of een voorlopige teruggaaf is verleend; de termijn en de omvang van de betalingen van een voorlopige teruggaaf, onder vermelding van het bedrag van een eventuele verrekening die plaatsvindt; de vraag of op de voorlopige teruggaaf in kwestie beslag is gelegd en, zo ja, door welke gerechtsdeurwaarder beslag is gelegd en in wiens opdracht dat is gebeurd. Het verstrekken van andere informatie dan hiervoor genoemd, is in strijd met de geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de wet. Aan het enkele feit dat de gerechtsdeurwaarder een verzoek doet op grond van artikel 475g, derde lid Rv mag de Ontvanger het vertrouwen ontlenen dat er een gerechtigdheid bestaat tot het leggen van beslag tegen de schuldenaar in kwestie. Artikel67a Er zijn in deze leidraad op artikel 67a van de wet geen beleidsregels gemaakt Artikel68tot en met 72. Art 68 tot en met 70f zin niet van toepassing voor SVHW Er zijn in deze leidraad op de artikelen 71 en 72 van de wet geen beleidsregels gemaakt. 73.Artikel 73. Insolventieprocedures In dit artikel is het volgende beleid over insolventieprocedures opgenomen: de algemene uitgangspunten insolventieprocedures; insolventieprocedure en wettelijke schuldsanering; insolventieprocedure en surséance; insolventieprocedure en faillissement; insolventieprocedure en minnelijke schuldsanering door leden van de Vereniging voor schuldhulpverlening en sociaal bankieren (“NVVK”) of gemeenten; insolventieprocedure en minnelijke schuldsanering door anderen dan leden van de NVVK of gemeenten insolventieprocedures en akkoorden; wettelijk breed moratorium. 73.1 Algemene uitgangspunten insolventieprocedures 73.1.1Aanmelden belastingschulden in WSNP of faillissement Uiterlijk veertien dagen vóór de verificatievergadering meldt de Ontvanger zijn vorderingen ter verificatie aan bij de bewindvoerder. Daarbij wordt er van uitgegaan dat belastingschulden die naar tijdvak worden geheven, geacht worden van dag tot dag te ontstaan. De Ontvanger meldt ook conserverende belastingschulden ter verificatie aan bij de bewindvoerder. Voor het indienen van vorderingen in het faillissement wordt verwezen naar artikel 19.2 van deze leidraad. De Ontvanger maakt ook voor rechten bij invoer gebruik van deze vordering. 73.1.2Invorderingsmaatregelen tijdens de toepassing van WSNP of faillissement Het uitbrengen van aansprakelijkstellingen voor belastingaanslagen tijdens zowel het faillissement als tijdens de wettelijke schuldsaneringsregeling is mogelijk. 73.1.3Boedelschulden De Ontvanger ziet er op toe dat de boedelschulden tijdig door de curator worden voldaan. Als belastingschulden die als boedelschulden kunnen worden aangemerkt, ten onrechte niet worden voldaan, wendt de Ontvanger zich in beginsel eerst tot de curator teneinde informatie te verkrijgen over de toestand van de boedel en zo mogelijk langs minnelijke weg alsnog voldoening te bewerkstelligen. Als dit niet leidt tot een bevredigende oplossing wendt de Ontvanger zich met zijn grieven tot de rechter-commissaris. In het uiterste geval kan de Ontvanger rechtstreeks verhaal zoeken op de boedel. Het voorgaande is ook van toepassing bij een wettelijke schuldsaneringsregeling. Bij de invordering van boedelschulden kan de Ontvanger tijdens de wettelijke schuldsaneringsregeling niet het faillissement van de schuldenaar aanvragen. Belastingschulden ontstaan gedurende een surséance zijn boedelschulden in het faillissement (zie artikel 19.2.2 van deze leidraad). 73.1.4Proceskostengarantie Als de curator een gerechtelijke procedure (niet zijnde de bestuurdersaansprakelijkheidsprocedure) moet aanspannen om een bate voor de boedel te kunnen realiseren, en de aanwezige baten van de boedel niet toereikend zijn om de proceskosten te voldoen, kan de curator bij de Ontvanger een gemotiveerd verzoek indienen om garantstelling voor het bedrag dat niet uit de boedel kan worden voldaan. Bij de beoordeling van het verzoek neemt de Ontvanger als uitgangspunt dat: de boedel bij de actie van de curator moet zijn gebaat; de Ontvanger (een deel van) de in het faillissement ingediende vordering zal kunnen innen. Daarnaast stelt de Ontvanger de eis dat de schuldeisers - die bij een verdeling van de activa eveneens zullen profiteren van de vermoedelijke opbrengst van de procedure - bereid zijn om naar evenredigheid mee garant te staan voor de proceskosten. Dit geldt ook voor boedelschuldeisers. Als een bewindvoerder in de wettelijke schuldsaneringsregeling de Ontvanger een verzoek om garantstelling doet, treedt de Ontvanger in overleg met het dagelijks bestuur. 73.1.5Belangenbehartiging door de bewindvoerder of de curator N.v.t. voor SVHW. 73.1.6Bodemvoorrecht in faillissement en in de WSNP N.v.t. voor SVHW. 73.1.7Bodemrecht en insolventie van de derde-eigenaar N.v.t. voor SVHW. 73.1.8Uitstel in relatie tot faillissement en WSNP Voor uitstel van betaling in relatie tot faillissement en WSNP wordt verwezen naar artikel 25 van deze leidraad. 73.1.9Kwijtschelding in relatie tot faillissement en WSNP Zie voor kwijtschelding in relatie tot faillissement en WSNP artikel 26 van deze leidraad. 73.1.10Ketenaansprakelijkheid en bestuurdersaansprakelijkheid in relatie tot faillissement en Wsnp N.v.t. voor SVHW. 73.1.11Toeslagenschuld in relatie tot WSNP en faillissement N.v.t. voor SVHW 73.1.12 Verplichtingensignaal in relatie tot WSNP en faillissement N.v.t. voor SVHW 73.2 Insolventieprocedure en Wettelijke schuldsanering 73.2.1Kwijtschelding tijdens WSNP Voor de situatie dat een belastingschuldige, ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, verzoekt om kwijtschelding van nadien opgekomen belastingschulden die niet zijn aan te merken als boedelschuld, wordt verwezen naar artikel 26, 28.3.17 van deze leidraad. 73.2.2De WSNP is beëindigd met een schone lei Belastingvorderingen waarop de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing is en voor zover die na de beëindiging op grond van artikel 356, tweede lid, FW onvoldaan zijn gebleven, zijn aan te merken als natuurlijke verbintenissen ongeacht of de vorderingen door de Ontvanger bij de bewindvoerder zijn aangemeld. Met betrekking tot te betalen belastingaanslagen die betrekking hebben op de periode waarin de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing was en die zijn vastgesteld na beëindiging (met schone lei) van die regeling, zal de Ontvanger in beginsel afzien van invordering. Daarbij geldt dat aannemelijk moet zijn dat: de bewindvoerder de aan de betreffende aanslag voorafgaande voorlopige aanslagen/teruggaven dan wel het ontbreken daarvan voldoende op juistheid heeft getoetst; over de resultaten van die toetsing in voorkomend geval tijdig contact heeft opgenomen met SVHW. Belastingteruggaven die zijn vastgesteld nadat de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling is geëindigd en die betrekking hebben op een periode vóór de uitspraak van de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling kan de Ontvanger verrekenen met de vorderingen die tot een natuurlijke verbintenis zijn getransformeerd. Met betrekking tot belastingteruggaven die betrekking hebben op de periode voor de beëindiging (met schone lei) van de wettelijke schuldsaneringsregeling en die worden vastgesteld na beëindiging van die regeling, geldt het volgende. Teruggaven (na mogelijke verrekening met openstaande schulden) van minder dan € 500 worden uitbetaald aan de belastingschuldige zelf. Indien de belastingteruggave (na mogelijke verrekening met openstaande schulden) € 500 of meer bedraagt, zal de Ontvanger contact opnemen met de gewezen bewindvoerder om met hem te overleggen of de vereffening moet worden heropend. Ook na beëindiging van de wettelijke schuldsaneringsregeling kan de Ontvanger derden nog aansprakelijk stellen voor niet-betaalde belastingaanslagen die als natuurlijke verbintenissen moeten worden aangemerkt. Reeds in gang gezette aansprakelijkheidsprocedures kan de ontvanger voortzetten. 73.2.3 De WSNP is beëindigd zonder schone lei of de schone lei is ingetrokken De WSNP kan ook eindigen zonder schone lei (artikel 358, tweede lid, Fw) en de reeds verstrekte schone lei kan worden ingetrokken (artikel 358a, eerste lid, Fw). In die situaties kan de ontvanger de invordering hervatten. 73.2.4De WSNP is tussentijds beëindigd Als een schuldsaneringsregeling tussentijds wordt beëindigd in de zin van artikel 350, vijfde lid, Fw, blijft omzetting in faillissement achterwege als er geen baten beschikbaar zijn. In die situatie geldt het invorderingsbeleid voor natuurlijke personen bij opheffing van een faillissement wegens gebrek aan baten (artikel 73.4.14 van deze leidraad). 73.3 Insolventieprocedure en surséance 73.3.1Uitstel en surséance Voor uitstel van betaling in relatie tot surséance wordt verwezen naar artikel 25.1.4 en 25.4.4 van deze leidraad. 73.3.2Ketenaansprakelijkheid en bestuurdersaansprakelijkheid in relatie tot surséance N.v.t. voor SVHW. 73.4 Insolventieprocedure en faillissement 73.4.1Faillissementsaanvraag: algemeen De belastingaanslag(

  1. en)waarvoor de Ontvanger het faillissement aanvraagt, moet(
  2. en)onherroepelijk vaststaan of in redelijkheid materieel verschuldigd worden geacht. Een faillissementsaanvraag blijft achterwege als de belastingschuldige aantoont dat de betalingsonmacht van korte duur is. Voor een voorlopige aanslag vraagt de Ontvanger slechts een faillissement aan als: die aanslag is gevolgd door een definitieve aanslag; of naast de voorlopige aanslag ook andere aanslagen onbetaald zijn gebleven. 73.4.2Ontbinding van rechtspersonen in plaats van faillissementsaanvraag Als sprake is van een rechtspersoon die geen activiteiten meer uitoefent, en bovendien bekend is dat geen baten aanwezig zijn, dan wordt de voorkeur gegeven aan het treffen van maatregelen die moeten leiden tot ontbinding van die rechtspersoon boven het aanvragen van het faillissement van die rechtspersoon conform artikel 2: 19a BW boven het aanvragen van het faillissement van de rechtspersoon. 73.4.3Particulieren en faillissement Het aanvragen van het faillissement van een particulier blijft achterwege als wordt verwacht dat de Ontvanger de eventuele vermogensbestanddelen ook geheel of nagenoeg geheel zonder faillissement kan uitwinnen, zelfs als daarbij niet de gehele schuld wordt voldaan. Particulieren zijn in dit verband natuurlijke personen die niet een onderneming drijven of zelfstandig een beroep uitoefenen en waarvan niet aannemelijk is dat zij van plan zijn dit te doen. Voor zover de openstaande belastingschulden het gevolg zijn van bedrijfsvoering of uitoefening van een zelfstandig beroep, worden natuurlijke personen die hun bedrijf of zelfstandige beroepsuitoefening hebben gestaakt in dit verband niet beschouwd als particulieren. 73.4.4Saneringsaanbod en faillissementsaanvraag Als de belastingschuldige - voordat de faillissementsaanvraag in behandeling is genomen - een verzoek om kwijtschelding doet, dan wel een buitengerechtelijk akkoord aanbiedt (een en ander in de zin van artikel 73.6 van deze leidraad), dan zal de Ontvanger de faillissementsaanvraag aanhouden dan wel intrekken om het verzoek dan wel het aanbod aan een nader oordeel te onderwerpen. Hiervan wordt afgeweken als op voorhand duidelijk is dat het verzoek dan wel het aanbod louter is gedaan om de behandeling van de faillissementsaanvraag te traineren. Er wordt ook van afgeweken als het aanbod onvoldoende past binnen het door de SVHW gehanteerde kwijtscheldingsbeleid respectievelijk het in het kwijtscheldingsbeleid opgenomen saneringsbeleid, en/of gebaseerd is op een onjuiste voorstelling van zaken. In deze gevallen wijst de Ontvanger het verzoek dan wel het aanbod bij beschikking gemotiveerd af, zonder de faillissementsaanvraag in te trekken of aan te houden. 73.4.5Verzoek om uitstel van betaling vóór behandeling faillissementsaanvraag door rechter Als de belastingschuldige een verzoek om uitstel van betaling doet, voordat de rechtbank de faillissementsaanvraag in behandeling heeft genomen, dan zal de Ontvanger de faillissementsaanvraag aanhouden dan wel intrekken om het verzoek aan een nader oordeel te onderwerpen. De Ontvanger doet dit niet als duidelijk is dat het verzoek louter is gedaan om de behandeling van de faillissementsaanvraag te traineren, of als het verzoek onvoldoende past binnen het door SVHW gehanteerde uitstelbeleid, en/of gebaseerd is op een onjuiste voorstelling van zaken. In deze gevallen wijst de Ontvanger het verzoek bij beschikking gemotiveerd af, zonder de faillissementsaanvraag in te trekken of aan te houden. 73.4.6Toestemming voor faillissementsaanvraag De Ontvanger moet voor iedere faillissementsaanvraag schriftelijk toestemming van het dagelijks bestuur hebben. 73.4.7Steunvordering derden voor faillissementsaanvraag Vervallen per 01-01-2011. 73.4.8Verlenen van steunvordering en faillissementsaanvraag Voor het verstrekken van de gegevens van de belastingschuldige geldt niet hetgeen in artikel 73.4.1 tot en met 73.4.6 is vermeld met betrekking tot een faillissementsaanvraag door de Ontvanger. Wel is voor het verstrekken van de gegevens toestemming van het dagelijks bestuur vereist, als het een belastingschuldige betreft die een bedrijf voert of zelfstandig een beroep uitoefent waaraan in totaal meer dan vijftig werknemers zijn verbonden. De gegevens worden uitsluitend schriftelijk verstrekt. Als de Ontvanger zelf het initiatief neemt om een andere schuldeiser van de belastingschuldige te benaderen met het verzoek het faillissement van de belastingschuldige aan te vragen met gebruikmaking van de belastingschuld als steunvordering, dan geldt wel hetgeen is vermeld in artikel 73.4.1, 73.4.3 en 73.4.6 van deze leidraad. In dat geval is dus ook toestemming van het dagelijks bestuur vereist. 73.4.9Verzet tegen faillietverklaring Als de Ontvanger gebruik wil maken van de mogelijkheid tot verzet tegen de faillietverklaring als bedoeld in artikel 10 Fw heeft hij hiervoor toestemming van het dagelijks bestuur nodig. 73.4.10Beroep op regresrecht in faillissement N.v.t. voor SVHW. 73.4.11Verzending of uitreiking aanslagbiljet bij faillissement Voor toezending of uitreiking van het aanslagbiljet ingeval van faillissement wordt verwezen naar artikel 8.1 van deze leidraad. 73.4.12Opkomen in faillissement Van de bevoegdheid op grond van artikel 19 van de wet om van de curator dadelijke voldoening aan de vordering te verlangen wordt verwezen naar artikel 19.2.3 van deze leidraad. 73.4.13Volgorde uitwinning bodembeslag in faillissement N.v.t. voor SVHW. 73.4.14Na de toepassing van het faillissement De Ontvanger maakt in beginsel geen gebruik van de bevoegdheid van artikel 196 Fw, om na de beëindiging van een faillissement het proces-verbaal van de verificatievergadering voor het onbetaald gebleven bedrag tegen de schuldenaar te executeren. Als er wel aanleiding tot invordering bestaat, doet de Ontvanger dit zoveel mogelijk bij dwangbevel. Bij natuurlijke personen hervat de Ontvanger slechts in bijzondere omstandigheden de invordering na beëindiging van het faillissement. Deze omstandigheden doen zich onder andere voor als de betrokkene binnen vijf jaar na het faillissement beschikt over een meer dan modaal inkomen of over vermogensbestanddelen van substantiële waarde. Als na beëindiging van het faillissement daaruit ontvangen gelden moeten worden terugbetaald, treedt de Ontvanger in verband met artikel 194 Fw in overleg met de curator. 73.4.15Opening nationale (secundaire) insolventieprocedure Als de belastingschuldige woont of gevestigd is in een lidstaat van de EU - niet Denemarken - en aldaar in staat van insolventie verkeert terwijl in Nederland sprake is van een nevenvestiging, kan in Nederland op grond van de EG-insolventieverordening een zogenoemde territoriale of secundaire procedure worden geopend. Onmiddellijk na kennisname van de in het buitenland geopende hoofdprocedure, beoordeelt de Ontvanger of hij baat heeft bij het openen van een secundaire of territoriale procedure in Nederland. Een secundaire procedure betreft alleen de liquidatieprocedure - dus niet de surseance van betaling - en wordt afgewikkeld volgens het in Nederland geldende recht. De staat van insolventie behoeft daarbij niet te worden aangetoond. 73.4.16Omzetting faillissement in WSNP Als omzetting van een faillissement in een wettelijke schuldsaneringsregeling mogelijk is, toetst de Ontvanger - als de schuldenaar hier uitdrukkelijk om verzoekt - een door de schuldenaar in het faillissement aangeboden akkoord aan het beleid ingevolge artikel 19a en 22a van de regeling. 73.5 Insolventieprocedure en minnelijke schuldsanering door leden van de NVVK of gemeenten 73.5.1Voorwaarden voor MSNP Stabilisatiefase Een schuldhulpverleningstraject vangt in het algemeen aan met een stabilisatie-overeenkomst tussen de schuldenaar en de schuldhulpverlener als hierna bedoeld in onderdeel b. Voor de toepassing van dit artikel wordt met een stabilisatie-overeenkomst gelijkgesteld een schriftelijke mededeling van de schuldhulpverlener waarin staat dat hij activiteiten ontplooit die erop gericht zijn de financiële situatie van de schuldenaar op korte termijn te stabiliseren. Vanaf de ontvangst van een afschrift van de stabilisatie-overeenkomst neemt de ontvanger gedurende 120 dagen geen dwanginvorderingsmaatregelen. Lopende invorderingsmaatregelen schort de ontvanger op, zo nodig in overleg met de schuldhulpverlener. Daarnaast vindt verrekening alleen plaats met belastingteruggaven die (materieel) zijn ontstaan tot en met de dag waarop het afschrift van de stabilisatie-overeenkomst is ontvangen. Als zich bijzondere omstandigheden voordoen kan de schuldhulpverlener de voormelde termijn in overleg met de ontvanger met maximaal 120 dagen verlengen. Het in deze alinea beschreven terughoudende beleid geldt niet in situaties waarin op voorhand duidelijk is dat de belastingschuldige niet in aanmerking komt voor uitstel van betaling op basis van het hierna in dit artikel beschreven beleid. De ontvanger informeert de schuldhulpverlener hierover. Schuldregelingsovereenkomst De Ontvanger kan uitstel van betaling verlenen voor een periode van maximaal 36 maanden als: een schuldregelingsovereenkomst in de zin van de Gedragscode Schuldregeling van de NVVK tot stand is gekomen of een overeenkomst tot stand is gekomen die dezelfde strekking heeft als die gedragscode en waarbij voor de berekening van de aflossingscapaciteit wordt uitgegaan van de door Recofa gepubliceerde normen; de schuldhulpverlener lid is van de NVVK of de schuldregeling wordt uitgevoerd door een gemeente in eigen beheer (zie ook artikel 73.5a); de schuldregeling betrekking heeft op natuurlijke personen, niet zijnde ondernemers; redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de belastingschuldige - afgezien van de formaliteiten die daarvoor verricht moeten worden in aanmerking zou komen voor de toepassing van een schuldregeling als bedoeld in artikel 287a FW; aan het eind van de looptijd van de schuldregelingsovereenkomst een bedrag zal zijn betaald van ten minste dezelfde omvang als kan worden verkregen indien er sprake zou zijn van een wettelijke schuldsanering. Op basis van de voorwaarde onder c is de betreffende regeling ook van toepassing op een ex-ondernemer, als aannemelijk is dat hij in de toekomst geen bedrijf of niet zelfstandig een beroep zal uitoefenen. De Ontvanger verleent het uitstel pas als de schuldhulpverlener hem schriftelijk heeft bericht dat de overeenkomst tot schuldregeling tot stand is gekomen. Het uitstel vangt aan met ingang van de datum van de schuldregelingsovereenkomst. Na totstandkoming van een schuldregelingsovereenkomst onderzoekt de schuldhulpverlener of een schuldregeling met de schuldeisers tot stand kan worden gebracht. De schuldhulpverlener rondt dit onderzoek af binnen 90 dagen, gerekend vanaf de datum van de schuldregelingsovereenkomst. Wanneer de schuldregeling met de schuldeisers tot stand is gebracht, wordt de schuldregelingsovereenkomst voortgezet; de schuldhulpverlener stelt de schuldeisers daarvan schriftelijk op de hoogte. Slaagt de schuldhulpverlener niet in het tot stand brengen van de schuldregeling, wordt de schuldregelingsovereenkomst beëindigd. Deze regeling is ook van toepassing op belastingaanslagen waarvan in beginsel geen kwijtschelding wordt verleend, omdat de wettelijke schuldsaneringsregeling ook van toepassing is op die belastingaanslagen. De uitstelregeling geldt voor belastingaanslagen die betrekking hebben op de (materieel) verschuldigde belasting tot en met de dag waarop het verzoek van de schuldhulpverlener om een gespecificeerde schriftelijke opgave van de openstaande vorderingen is. In voorkomend geval wordt het bedrag van de verschuldigde belastingen door middel van schatting bepaald. In het geval de in de vorige volzin bedoelde schatting naar achteraf blijkt substantieel te laag mocht zijn, kan de ontvanger daarop alleen terugkomen indien ter zake van die belasting ten tijde van de schatting ten onrechte geen aangifte was gedaan dan wel indien de belastingschuldige of de schuldhulpverlener wisten of behoorden te weten dat de schatting te laag was. 73.5.2Vervallen per 1 januari 2017 73.5.3Gevolgen uitstel MSNP voor invorderingsmaatregelen Eventuele gelegde beslagen vervallen zodra een schuldregeling tussen de schuldenaar en diens schuldeisers tot stand is gekomen (en de schuldregelingsovereenkomst dus wordt voortgezet). Verrekening kan plaatsvinden met teruggaven die betrekking hebben op belasting die (materieel) is ontstaan tot en met de dag waarop het afschrift van de stabilisatie-overeenkomst is ontvangen. 73.5.4Houding Ontvanger tijdens uitstel MSNP Als sprake is van een verleend uitstel van betaling op grond van een schuldregelingsovereenkomst handelt de Ontvanger gedurende de periode van uitstel op dezelfde wijze als bij een wettelijke schuldsaneringsregeling. Als de belastingschuldige verzoekt om kwijtschelding van belastingschulden die materieel zijn ontstaan na de dag van de dagtekening van de schuldregelingsovereenkomst, dan wordt het verzoek behandeld overeenkomstig het bestaande beleid. Dit houdt onder meer in dat bij de berekening van de betalingscapaciteit op het inkomen van de belastingschuldige niet in mindering wordt gebracht dat deel van het inkomen dat door de schuldhulpverlener wordt beheerd. Verder wordt opgemerkt dat de middelen die onder beheer van de schuldhulpverlener berusten, niet worden beschouwd als vermogen in de zin van artikel 12 van de regeling. 73.5.5Intrekken uitstel gedurende MSNP De Ontvanger trekt het uitstel in als: hij niet uiterlijk binnen 90 dagen na de dagtekening van de schuldregelingsovereenkomst door de schuldhulpverlener schriftelijk is geïnformeerd dat de schuldregelingsovereenkomst wordt voortgezet; de schuldenaar nieuw opkomende belastingschulden die (materieel) betrekking hebben op belasting verschuldigd na de dag van de dagtekening van de schuldregelingsovereenkomst, onbetaald laat; de schuldenaar zijn lopende fiscale verplichtingen niet nakomt; de schuldenaar zijn schuldeisers tracht te benadelen; de schuldregelingsovereenkomst wordt beëindigd, anders dan in de zin van art. 73.5.6. De Ontvanger trekt in de situaties genoemd bij het eerste, tweede, derde en vierde gedachtestreepje het uitstel niet eerder in, dan nadat hij de schuldhulpverlener een brief heeft gestuurd over zijn voornemen het uitstel in te trekken als belastingschuldige niet binnen veertien dagen zijn verplichtingen correct nakomt. 73.5.6De schuldenaar voldoet aan zijn verplichtingen MSNP Als de Ontvanger uitstel van betaling heeft verleend voor de periode van de MSNP, wordt een schriftelijke kennisgeving van de schuldhulpverlener na afloop van de overeenkomst tot schuldregeling aangemerkt als het aanbieden van een buitengerechtelijk akkoord in de zin van artikel 19a van de regeling. In de kennisgeving moet zijn gesteld dat de overeenkomst na eindcontrole is beëindigd en de schuldenaar aan zijn verplichtingen heeft voldaan. Voor de gevolgen van een buitengerechtelijk akkoord wordt verwezen naar artikel 73.6.3 van deze leidraad. 73.5.7Na de toepassing van de MSNP Met betrekking tot te betalen belastingaanslagen die betrekking hebben op de periode waarin de minnelijke schuldsaneringsregeling van toepassing was en die zijn vastgesteld na beëindiging van die regeling, zal de ontvanger in beginsel, als de schuldenaar aan zijn verplichtingen uit die regeling heeft voldaan, afzien van invordering. Daarbij geldt dat aannemelijk moet zijn dat: de schuldhulpverlener de aan de betreffende aanslag voorafgaande voorlopige aanslagen/teruggaven dan wel het ontbreken daarvan voldoende op juistheid heeft getoetst. hij over de resultaten van die toetsing in voorkomend geval tijdig contact heeft opgenomen met de SVHW. 73.5.a. Insolventieprocedure – minnelijke schuldsanering door anderen dan leden van de NVVK of gemeenten 73.5.a.1. Algemeen Verzoeken om een minnelijke schuldsaneringsregeling gedaan door een persoon of instelling als bedoeld in artikel 48, eerste lid, van de Wet op het consumentenkrediet, niet zijnde een NVVK-lid of een gemeente, worden in behandeling genomen met inachtneming van het volgende. De ontvanger zal een belangenafweging moeten maken en zich daarbij moeten afvragen of hij al dan niet tot instemming met de schuldregeling kan komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat hij heeft bij de uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en het belang van de schuldenaar dat door die weigering wordt geschaad. Artikel 73.5 is daarbij van overeenkomstige toepassing. Dit betekent onder meer dat de schuldregeling betrekking moet hebben op natuurlijke personen, niet zijnde ondernemers. Bij die belangenafweging zullen de volgende omstandigheden een rol kunnen spelen: is het schikkingsvoorstel goed en betrouwbaar gedocumenteerd; is voldoende duidelijk gemaakt dat het aanbod het uiterste is waartoe de schuldenaar financieel in staat moet worden geacht; biedt het alternatief van faillissement of schuldsanering enig uitzicht voor de schuldenaar; biedt het alternatief van faillissement of schuldsanering enig uitzicht voor de ontvanger: hoe groot is de kans dat de weigerende ontvanger dan evenveel of meer zal ontvangen; bestaat er precedentwerking voor vergelijkbare gevallen; wat is de zwaarte van het financiële belang dat de ontvanger heeft bij volledige nakoming; hoe groot is het aandeel van de weigerende ontvanger in de totale schuldenlast; staat de weigerende ontvanger alleen naast de overige met de schuldregeling instemmende schuldeisers; is er eerder een minnelijke of een gedwongen schuldregeling geweest die niet naar behoren is nagekomen. Als uit de belangenafweging volgt dat kan worden ingestemd met een dergelijk verzoek dan verleent de ontvanger op het moment van het ingaan van de schuldregeling voor 36 maanden uitstel van betaling. 73.6 Insolventieprocedures en akkoorden 73.6.1Buitengerechtelijk akkoord In het tweede lid van de artikelen 19a en 22a van de regeling zijn bepalingen opgenomen die de doelstellingen van de WSNP - namelijk het sluiten van een buitengerechtelijk akkoord met de gezamenlijke schuldeisers over de sanering van de schulden zonder tussenkomst van een rechter - ook voor SVHW laten gelden. Deze bepalingen zijn ook van toepassing op betalingsverplichting van een aansprakelijkgestelde van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de wettelijke schuldsaneringsregeling op hem van toepassing is. Een verzoek tot het sluiten van een buitengerechtelijk akkoord kan en ieder indienen, ook de schuldenaar. 73.6.2Vervallen 73.6.2a Betaling bedrag saneringsakkoord Betaling van het bedrag van het saneringsakkoord vindt in beginsel zonder uitstel plaats. De ontvanger kan toestaan dat het bedrag in termijnen wordt betaald. Dit kan enkel indien belastingschuldige een bedrijf of zelfstandig beroep uitoefent en aannemelijk maakt dat de termijnen, bedoeld in de tweede volzin, evenals de nieuw opkomende fiscale verplichtingen tijdig zullen worden nagekomen. In dat geval treedt de ontvanger voorwaardelijk toe tot het akkoord. Op de uitstelregeling voor het bedrag van het saneringsakkoord zijn de artikelen 25.6.1 en 25.6.2 van toepassing met dien verstande dat in afwijking van: artikel 25.4.3 van deze leidraad geen verrekening plaatsvindt van belastingteruggaven en andere teruggaven die materieel zijn ontstaan na de dag waarop het verzoek tot het sluiten van het saneringsakkoord is ingediend; artikel 25.6.1 van deze leidraad de looptijd van twaalf maanden aanvangt op de dag na de dagtekening van de voorwaardelijke beschikking tot kwijtschelding; artikel 25.6.2 van deze leidraad de belastingschuldige nieuw opkomende fiscale en andere financiële verplichtingen, waarvan de invordering aan de ontvanger is opgedragen, niet alleen gedurende de uitstelregeling, maar gedurende de gehele looptijd van de saneringsprocedure nakomt; artikel 25.6.2 van deze leidraad belastingschuldige geen zekerheid hoeft te stellen. De ontvanger verleent pas kwijtschelding indien het saneringsakkoord in al zijn onderdelen is nagekomen. Als in het buitengerechtelijk akkoord belastingschulden zijn begrepen waarvoor derden aansprakelijk kunnen worden gesteld, neemt de ontvanger als voorwaarde op dat de kwijtschelding pas wordt geëffectueerd op het moment dat op grond van die aansprakelijkheid geen baten meer kunnen worden verkregen. De ontvanger ziet van deze voorwaarde af als in het aangeboden bedrag de baten in de aansprakelijkheid tot uitdrukking komen. De ontvanger stemt alleen in met een buitengerechtelijk akkoord als het bodemvoorrecht of de waarde van de bodemzaken tot uitdrukking komt in het aangeboden bedrag. 73.6.3Gevolgen buitengerechtelijk akkoord Als de ontvanger toetreedt tot een buitengerechtelijk akkoord verleent hij kwijtschelding voor het deel van de belastingschuld dat onbetaald blijft, nadat hij het bedrag dat hem op grond van het akkoord toekomt, heeft ontvangen. Zo nodig stelt hij een derdebeslage of houder van penningen op de hoogte van het verval van het beslag en zorgt voor doorhaling van een beslag op een registergoed. Een buitengerechtelijk akkoord is niet van invloed op gelegde beslagen. De ontvanger heft de beslagen op zodra hij ontvangt wat hij heeft gevorderd op grond van het buitengerechtelijk akkoord. 73.6.4Voorwaarden voor toetreding tot een gerechtelijk akkoord De betaling van het aangeboden bedrag moet in beginsel ineens plaatsvinden. Als de Ontvanger bij wijze van uitzondering instemt met betaling in termijnen eist hij zekerheid. Als in het akkoord belastingschulden zijn begrepen waarvoor derden aansprakelijk kunnen worden gesteld, neemt de Ontvanger als voorwaarde op dat de kwijtschelding pas wordt geëffectueerd op het moment dat op grond van die aansprakelijkheid geen baten meer kunnen worden verkregen. De Ontvanger ziet van deze voorwaarde af als in het aangeboden bedrag de baten in de aansprakelijkheid tot uitdrukking komen. 73.6.5Gevolgen toetreden tot gerechtelijk akkoord Als de Ontvanger vrijwillig toetreedt tot een gerechtelijk akkoord verleent hij kwijtschelding voor het deel van de belastingschuld dat onbetaald blijft, nadat hij het bedrag dat hem op grond van het akkoord toekomt, heeft ontvangen. 73.6.6Begrip belastingschuld en (buiten)gerechtelijk akkoord Bij de beoordeling van een akkoord stelt de Ontvanger eerst vast op welke belastingaanslagen het akkoord betrekking heeft. Uitgangspunt daarbij is de materiële belastingschuld die is ontstaan tot aan de dag dat de wettelijke schuldsaneringsregeling is uitgesproken of de dag waarop een buitengerechtelijk akkoord wordt aangeboden. Er rust een inspanningsverplichting op SVHW om de te saneren schuld zo volledig mogelijk en tot het juiste bedrag vast te stellen, in die zin dat de materieel verschuldigde belasting wordt geformaliseerd in een aanslag. De Ontvanger betrekt bestuurlijke boeten, rente en kosten integraal in een akkoord. 73.6.7Schuldig nalatig en (buiten)gerechtelijk akkoord Vervallen per 01-01-2011. 73.6.8Gevolgen dwangakkoord Als de rechter in het kader van een wettelijke schuldsanering een dwangakkoord oplegt aan de gezamenlijke schuldeisers, lijdt de Ontvanger het deel van de belastingschuld dat onvoldaan blijft oninbaar. Aangezien de Ontvanger niet heeft ingestemd met het akkoord, verleent hij geen kwijtschelding. De belastingvorderingen die resteren na het dwangakkoord blijven als natuurlijke verbintenissen over. 73.6.9Kwijtschelding voor ondernemers bij een saneringsakkoord Indien een akkoord op grond van artikel 22a van de regeling niet mogelijk is, vindt kwijtschelding voor ondernemers uitsluitend plaats bij een zogenaamd saneringsakkoord in de zin van artikel 22 van de regeling. Zie ook artikel 26.3 van deze leidraad. 73.7 Wettelijk breed moratorium Gedurende een door de rechtbank afgekondigde afkoelingsperiode als bedoeld in artikel 5 van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, schort de ontvanger lopende invorderingsmaatregelen op. Verrekeningen met belastingteruggaven vinden gedurende de afkoelingsperiode niet plaats, ongeacht de periode waarin die teruggaaf is ontstaan. De afkoelingsperiode is niet van invloed op een eventueel verleend uitstel van betaling of een voorwaardelijk verleende kwijtschelding. Hierop blijft het in deze leidraad opgenomen beleid op de artikelen 25 en 26 van de wet van toepassing. Gedurende de afkoelingsperiode schort de ontvanger de uitbetaling aan een derde op in verband met een executoriaal beslag op belastingteruggaven van de belastingschuldige. 74.Artikel 74. Uitstel- en kwijtscheldingsfaciliteiten N.v.t. voor SVHW. 75.Artikel 75. Kosten van vervolging Dit artikel beschrijft het beleid bij het in rekening brengen van kosten van vervolging. Met 'vervolgingskosten of kosten' wordt bedoeld de kosten die op grond van de Kostenwet invordering rijksbelastingen (Kostenwet) in rekening worden gebracht. Hieronder vallen ook de kosten die verbonden zijn aan de werkzaamheden die de belastingdeurwaarder verricht voor de invordering op civiele wijze. In dit artikel is het volgende beleid over kosten van vervolging opgenomen: gevorderde som bevat geen vervolgingskosten; aan derden toekomende bedragen; rechtsmiddelen en vervolgingskosten; verzoek om vermindering vervolgingskosten aanmerken als bezwaar; niet in rekening brengen van vervolgingskosten; onverschuldigdheid van vervolgingskosten; niet-verwijtbaarheid en vervolgingskosten; versnelde invordering en vervolgingskosten; aansprakelijkgestelden en vervolgingskosten; geen kwijtschelding van vervolgingskosten; limitering betekeningskosten dwangbevel. 75.1 Gevorderde som bevat geen vervolgingskosten De gevorderde som bij een aanmaning of dwangbevel (waarvan onderscheidenlijk sprake is in artikel 2 en artikel 3, eerste lid van de Kostenwet invordering rijksbelastingen) is te verstaan als het belastingbedrag waarvoor de aanmaning of het dwangbevel is uitgevaardigd, dus zonder de vervolgingskosten en eventuele - pro memorie opgenomen - rente. 75.2Aan derden toekomende bedragen Onder de bedragen die op grond van artikel 6 van de Kostenwet invordering rijksbelastingen aan de belastingschuldige in rekening worden gebracht, vallen: de kosten van de advertenties als bedoeld in artikel 3, vierde lid, en artikel 4, eerste lid, van de Kostenwet invordering rijksbelastingen; de vergoeding van de bewaarder dan wel door hem ingeschakelde derden; de kosten van het openen van deuren en huisraad als bedoeld in artikel 444 Rv; de kosten van het aanbrengen en verwijderen door derden van wielklemmen of andere bestanddelen die verhindering van gebruik, vervoer en belasting van de in beslaggenomen roerende zaken bewerkstelligen; kosten van derden m.b.t. informatievergaring t.b.v. de invordering; kosten van derden m.b.t. verzenden van betalingsherinneringen; de kosten van het verrichten van werkzaamheden voor de verkoop ter plaatse van de in beslag genomen zaken; de kosten van het verrichten van werkzaamheden door makelaars, deskundigen en afslagers; de kosten van opslag, afvoer en bewaarneming van inbeslaggenomen roerende zaken; de kosten van het doen overbrengen van de in beslag genomen zaken als de verkoop elders plaatsvindt Om redenen van beleid worden de laatstgenoemde kosten enkel in rekening gebracht als de verkoop op uitdrukkelijk verzoek van de belastingschuldige elders gebeurt dan wel als daarbij voornamelijk zijn belang is gediend. Eventuele gemaakte reiskosten door SVHW voor de betekening en de tenuitvoerlegging van het dwangbevel kunnen niet op de belastingschuldige worden verhaald, evenals mogelijke porti- en telefoonkosten. 75.3 Rechtsmiddelen en vervolgingskosten Als de belastingschuldige in beroep gaat tegen de uitspraak op het bezwaar, handelt de Ontvanger overeenkomstig de voorschriften van het Besluit beroep in Belastingzaken. De Ontvanger kan zich beperken tot de stukken die in de procedure over de toepassing van de Kostenwet relevant zijn. Indiening van een bezwaarschrift of beroepschrift (in hoger beroep) stuit op grond van artikel 6:16 Awb niet de aanvang of de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de akte van vervolging. Als om uitstel van betaling wordt verzocht, is het beleid dat is verwoord in artikel 25.1 en 25.2 van deze leidraad van overeenkomstige toepassing. 75.4 Verzoek om vermindering vervolgingskosten aanmerken als bezwaar Een verzoek van de belastingschuldige tot vermindering van de in rekening gebrachte kosten wordt aangemerkt als een bezwaarschrift. Het bepaalde in artikel 75.3 van deze leidraad is van overeenkomstige is van overeenkomstige toepassing. 75.5 Niet in rekening brengen van vervolgingskosten In de volgende gevallen brengt de Ontvanger voor het uitbrengen van exploten geen vervolgingskosten in rekening: herhaalde betekening van een dwangbevel; (herhaalde) betekening van een dwangbevel uitsluitend ter stuiting van de verjaring; betekening van een vordering; betekening aan een minderjarige of onder curatele gestelde als bedoeld in artikel 13.3 van deze leidraad met dien verstande dat de eerste betekening wel, maar de tweede betekening (aan de wettelijke vertegenwoordiger) niet in rekening wordt gebracht; betekening van een beslissing van het dagelijks bestuur op een beroepschrift tegen de inbeslagneming van roerende zaken aan de derde die het beroepschrift heeft ingediend, de beslagene en zo nodig de bewaarder, al dan niet gepaard gaande met gehele of gedeeltelijke opheffing van het beslag; betekening van een proces-verbaal van overgang van de bewaring van beslagen roerende zaken, anders dan op verzoek of door toedoen van de belastingschuldige. 75.6 Onverschuldigdheid van vervolgingskosten Naast de gevallen waarin ten aanzien van de kostenberekening rekenfouten zijn gemaakt dan wel een onjuist tarief is gehanteerd, zijn kosten niet verschuldigd in de volgende gevallen: Als de betaling op de rekening van SVHW is bijgeschreven op of voorafgaand aan de dag waarop de kosten verschuldigd zijn geworden; Voor zover na het in rekening brengen van de kosten een afname van de schuld, anders dan door betaling, kwijtschelding of verrekening tot stand is gekomen. Deze situatie zal zich voordoen bij vermindering van belastingaanslagen, alsmede bij afboeking van definitieve negatieve aanslagen op voorlopige positieve aanslagen van hetzelfde jaar; Als er achteraf bezien al voor het in rekening brengen van de kosten om beleidsmatige redenen aanleiding is geweest om de invordering op te schorten. Hierbij valt te denken aan: een schriftelijk ingediend verzoek om uitstel; een ingediend aanvraagformulier voor kwijtschelding, mits volledig ingevuld. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat zich omstandigheden kunnen voordoen waarin het noodzakelijk is de invordering wel voort te zetten. In dat geval komen de hieraan verbonden kosten vanzelfsprekend niet voor een tegemoetkoming in aanmerking. Kosten worden in afwijking van het voorgaande altijd in rekening gebracht als sprake is van trainering van de invordering; Als na het in rekening brengen van de kosten aan de belastingaanslag een nieuwe dagtekening is toegekend; Als een derdenbeslag nooit blijkt te hebben gelegen als bedoeld in artikel 14, 16.4.1 van deze leidraad; Als zaken - die in een onroerende zaak aanwezig zijn - zowel in een beslag op roerende als in een beslag op onroerende zaken zijn begrepen omdat twijfel bestaat over de vraag of deze zaken roerend dan wel onroerend zijn en duidelijkheid is verkregen door middel van welk beslag die zaken moeten worden uitgewonnen. In dat geval zijn de kosten die verband houden met het niet voortgezette beslag niet verschuldigd; Als zaken - die op of in een schip van de belastingschuldige aanwezig zijn - zowel in een beslag op het schip als in een beslag op roerende zaken zijn begrepen omdat twijfel bestaat over de vraag of deze zaken een bestanddeel vormen van het schip dan wel zelfstandige roerende zaken zijn, en duidelijkheid is verkregen door middel van welk beslag die zaken moeten worden uitgewonnen. In dat geval zijn de kosten die verband houden met het niet voortgezette beslag niet verschuldigd; Als invorderingsmaatregelen worden getroffen met inachtneming van de artikelen 10 en 15 van de wet, en de belastingschuldige binnen twee werkdagen na uitreiking van het aanslagbiljet de openstaande belastingschuld betaalt.. 75.7 Niet-verwijtbaarheid en vervolgingskosten In uitzonderlijke situaties kan er voor de Ontvanger aanleiding bestaan de in rekening gebrachte vervolgingskosten - hoezeer ook verschuldigd - te verminderen als de belastingschuldige hier schriftelijk om verzoekt. Van zo’n situatie kan sprake zijn als de belastingschuldige aantoont in omstandigheden te hebben verkeerd die het hem feitelijk onmogelijk maakten zijn verplichtingen tijdig na te komen en bovendien de invordering van vervolgingskosten - gezien de omstandigheden van het specifieke geval- onredelijk en onbillijk is. 75.8 Versnelde invordering en vervolgingskosten Als invorderingsmaatregelen worden getroffen met inachtneming van de artikelen 10 en 15 van de wet, vermeldt de belastingdeurwaarder in de akte van betekening bij het dwangbevel dat de in verband met die maatregelen berekende vervolgingskosten niet verschuldigd zijn als de openstaande belastingschuld binnen twee werkdagen na uitreiking van het aanslagbiljet wordt betaald. De vorige volzin is van overeenkomstige toepassing op de beslagkosten. 75.9 Aansprakelijkgestelden en vervolgingskosten Voor de door aansprakelijkgestelden verschuldigde kosten die het gevolg zijn van invorderingsmaatregelen die tegen de aansprakelijkgestelde zijn genomen, is dit hoofdstuk van overeenkomstige toepassing. 75.10 Geen kwijtschelding van vervolgingskosten Kwijtschelding van vervolgingskosten is niet mogelijk wegens vermeende betalingsonmacht. De Ontvanger doet in dat geval ook geen toezegging dat deze kosten niet zullen worden ingevorderd. Het voorgaande laat onverlet dat kwijtschelding wordt verleend dan wel kosten buiten invordering worden gelaten, wanneer de hoofdsom wordt kwijtgescholden dan wel buiten invordering gelaten. Hiervoor wordt verwezen naar hetgeen is vermeld bij artikel 26 van deze leidraad. 75.11 Limitering betekeningskosten dwangbevel Als op dezelfde dag aan een belastingschuldige meerdere ten name van die belastingschuldige gestelde dwangbevelen worden betekend en de betekeningskosten in totaal meer zouden bedragen dan het maximumbedrag genoemd in artikel 3 lid 1 van de Kostenwet invordering rijksbelastingen, zijn niet meer betekeningskosten verschuldigd dan dit maximumbedrag. 76.Artikel 76. N.v.t. voor SVHW. 77.Artikel 77. N.v.t. voor SVHW. 78.Artikel 78. N.v.t. voor SVHW. 79.Artikel 79. N.v.t. voor SVHW. 80.Artikel 80. Invordering, Awb en het moment van vaststellingvan naheffingsaanslagen In dit artikel is beleid opgenomen met betrekking tot artikel 4:121 van de Awb en het moment van vaststelling van naheffingsaanslagen. 80.1 Tenuitvoerlegging termijndwangbevel Een eenmaal ingestelde vervolging voor één of meer van de vervallen termijnen van de belastingaanslag wordt met dezelfde voortvarendheid voltooid als de eindvervolging. 80.2 Moment van vaststelling van (naheffings) aanslagen Het overgangsrecht met betrekking tot Afdeling 4.4.1 van de Awb (Vaststelling en inhoud van de verplichting tot betaling) bepaalt kort gezegd het volgende. Op een betalingsverplichting die is vastgesteld of ontstaan voor 1 juli 2009 geldt het recht van voor die datum. Voor betalingsverplichtingen van na 1 juli 2009 geldt de genoemde afdeling 4.4.1. Bij aanslagbelastingen geldt als moment van vaststelling de datum van dagtekening van de aanslag. Bij aangiftebelastingen wordt voor het moment van vaststelling aangesloten bij de dagtekening van de naheffingsaanslag. 1.Artikel 1. Inleiding en toepassingsgebied 1.1Inleiding Dit document bevat de Leidraad Invordering 2015 van het Samenwerkingsverband Vastgoedinformatie Heffing en Waardebepaling (SVHW). Deze leidraad geeft nadere regels voor de uitvoering van het heffen en innen van de lokale belastingen. Voor wat betreft de indeling en inhoud is aansluiting gezocht bij de Rijksleidraad Invordering, aangezien SVHW belastingen heft en int voor gemeenten, het Waterschap Hollandse Delta en de Regionale Afvalstoffendienst Hoeksche Waard. Het betreft echter geen exacte kopie. Indien van toepassing zijn er aanvullende of afwijkende bepalingen ten opzichte van de Rijksleidraad opgenomen. Een aantal artikelen vanuit de Invorderingswet 1990 en daarmee onderdelen van de Rijksleidraad zijn niet van toepassing voor SVHW. Om de aansluiting met de Rijksleidraad te houden en daarmee de (halfjaarlijkse) wijzigingen van het Ministerie van Financiën gemakkelijker te kunnen verwerken, zijn de artikelen gehandhaafd in deze leidraad. In de voorkomende gevallen is dit bij het artikel aangetekend met de opmerking “niet van toepassing voor SVHW”. Daarnaast is niet bij alle artikelen sprake van (aanvullend) invorderingsbeleid. Ook dit is bij de betreffende artikelen aangegeven. In de tekst is de benaming ‘ontvanger’ gebleven, vanwege de leesbaarheid. In de Waterschapswet is gekozen om de term ontvanger te vertalen door: ambtenaar belast met de invordering. Hierbij wordt dan ook verwezen naar dit vertaalartikel. In de andere gevallen is wel gekozen voor de directe vertaling van (Rijks)belastingfunctionarissen naar de lokale benamingen. Vaststelling van deze Leidraad Invordering gebeurt door het dagelijks bestuur van SVHW. Ieder half jaar wordt naar aanleiding van de eventuele aanpassingen in de Rijksleidraad ook deze Leidraad herzien. 1.1.1 Lijst met gebruikte afkortingen Awir Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen Awb Algemene wet bestuursrecht AWR Algemene wet inzake rijksbelastingen BW Burgerlijk Wetboek FW Faillissementswet MSNP Minnelijke schuldsanering natuurlijke personen Rv Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering Sr Wetboek van Strafrecht Sv Wetboek van Strafvordering UWV Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen Wfsv Wet financiering sociale verzekering WSF Wet Studiefinanciering 2000 WSNP Wettelijke schuldsanering natuurlijke personen PW Participatiewet 1.1.2Definities belasting(en): belastingen die door SVHW worden geheven; belastingdeurwaarder: de krachtens SVHW aangewezen belastingdeurwaarder van SVHW, bedoeld in artikel 124, vijfde lid, onder d, van de Waterschapswet en artikel 231 tweede lid letter e Gemeentewet; besluit (het): het Uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990; dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van SVHW; hoger beroep: hoger beroep bij een gerechtshof dan wel, als beroep in cassatie bij de Hoge Raad is ingesteld, cassatieberoep; directeur: de directeur van SVHW; echtgenoot: de echtgenoot, bedoeld in artikel 3 Pw; inspecteur: de krachtens SVHW aangewezen ambtenaar belast met de heffing, bedoeld in artikel 124, vijfde lid, onderdeel a, van de Waterschapswet en artikel 231 tweede lid letter b, Gemeentewet met inbegrip van de ambtenaren aan wie ter zake mandaat is verleend door de inspecteur; ministerie: ministerie van Financiën, directoraat-generaal Belastingdienst, team particulieren en formeel recht of team ondernemingen; ondernemer: de belastingschuldige die een onderneming drijft of zelfstandig een beroep uitoefent; ontvanger: de krachtens SVHW aangewezen ambtenaar belast met de invordering, bedoeld in artikel 124, vijfde lid, onderdeel b, van de Waterschapswet en artikel 231 tweede lid letter c Gemeentewet; particulier: de belastingschuldige die niet als ondernemer wordt aangemerkt; regeling (de): de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990; wet (de): de wet van 30 mei 1990 op de invordering van rijksbelastingen (Invorderingswet 1990). Onder de overige in deze leidraad gebruikte begrippen wordt hetzelfde verstaan als de wet daaronder verstaat. 1.1.3Reikwijdte beleidsvoorschriften N.v.t. 1.1.4Aansprakelijkgestelden en andere derden De invordering met betrekking tot aansprakelijkgestelden en andere derden vindt voor een groot deel op overeenkomstige wijze plaats als de invordering met betrekking tot belastingschuldigen. Omwille van de leesbaarheid is vermeden steeds de aansprakelijkgestelden en andere derden te noemen, zonder dat hiermee wordt beoogd de toepasselijkheid van die voorschriften te beperken. 1.1.5Awb en algemene beginselen van behoorlijk bestuur In de invordering wordt zoveel mogelijk gehandeld in overeenstemming met de Awb en het Besluit Fiscaal bestuursrecht, ondanks het feit dat artikel 3:40, titels 4.1 tot en met 4.3, artikel 4:125, titel 5.2, de hoofdstukken 6 en 7 en afdeling 10.2.1 Awb niet van toepassing zijn op de wet. Dit betekent onder meer dat de beslistermijnen uit de Awb inclusief de mogelijkheden tot verlenging van toepassing zijn, tenzij de wet, de regeling of deze leidraad anders bepaalt. Voor beschikkingen op aanvraag geldt een termijn van acht weken met de mogelijkheid hiervan af te wijken door een redelijke termijn te noemen (zie artikel 4:13, 4:14 en 4:15 Awb). Voor het beslissen op bezwaarschriften geldt een termijn van zes weken en een verdagingstermijn van maximaal zes weken, met de mogelijkheid tot verder uitstel in gezamenlijk overleg (artikel 7:10 Awb). Voor beslissingen op beroepschriften bij administratief beroep wordt uitdrukkelijk afgeweken van art. 7:24 Awb. De beslistermijn is vier maanden, gerekend vanaf het moment waarop het beroepschrift is ingediend. De termijn wordt opgeschort met ingang van de dag waarop de indiener is verzocht en verzuim als bedoeld in art. 6:6 Awb te herstellen, tot de dag waarop het verzuim is hersteld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Het beroepsorgaan kan de beslissing zes weken verdagen, met de mogelijkheid tot verder uitstel in gezamenlijk overleg (artikel 7:24 Awb). Het uitgangspunt met betrekking tot de Awb-conforme werkwijze geldt niet voor de regeling inzake de dwangsom bij niet tijdig beslissen (paragraaf 4.1.3.2 Awb). Het laatste betekent dat bij de uitvoering van de wet de dwangsom uitsluitend van toepassing is op de volgende gevallen: bezwaarschriften tegen beschikkingen invorderingsrente als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet; bezwaarschriften tegen beschikkingen aansprakelijkstelling als bedoeld in artikel 49, eerste lid, van de wet; bezwaarschriften tegen beschikkingen kostenvergoeding bij een onrechtmatig opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 62a, eerste lid, van de wet; bezwaarschriften tegen beschikkingen bestuurlijke boete als bedoel in artikel 63b van de wet; bezwaar- en beroepschriften als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Kostenwet invordering rijksbelastingen. Een andere bepaling uit de Awb die van toepassing is bij invordering is artikel 4.84 Awb. Op grond van die bepaling is het mogelijk af te wijken van de beleidsregels zoals die zijn opgenomen in deze leidraad. Dit is gerechtvaardigd als toepassing van die regels voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die vanwege bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die de leidraad dient. Dit laatste zal slechts bij hoge uitzondering aan de orde zijn. Het afwijken van beleidsregels leidt in de regel immers tot schending van het gelijkheidsbeginsel. Er moet dus sprake zijn van daadwerkelijk bijzondere omstandigheden op grond waarvan onverkorte toepassing van de leidraad onevenredig nadeel voor de betrokkene zou opleveren. Dit criterium gaat aanzienlijk verder dan een belangenafweging als bedoeld in artikel 3:4 Awb. Naast het zoveel mogelijk handelen in overeenstemming met de Awb moet de ontvanger bij zijn handelen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht nemen, ook als sprake is van privaatrechtelijke handelingen (beslag, executoriale verkoop en dergelijke). Dit betekent onder meer dat als de belastingschuldige in een verzoek aan SVHW aannemelijk heeft gemaakt dat er gegronde twijfels zijn bij de verschuldigdheid van een onherroepelijk geworden belastingaanslag, de ontvanger de belastingaanslag marginaal toetst. Onder een onherroepelijk vaststaande belastingaanslag wordt in dit verband verstaan een belastingaanslag waartegen geen bezwaar of beroep meer open staat en waarvoor evenmin een ambtshalve beoordeling mogelijk is in verband met termijnoverschrijding. Wanneer bij de marginale toetsing blijkt dat een belastingaanslag in materiële zin niet verschuldigd kan worden geacht, neemt de ontvanger voor een dergelijke aanslag geen invorderings-maatregelen. Onder invorderingsmaatregelen worden niet alleen dwangmaatregelen zoals de tenuitvoerlegging van een dwangbevel, maar ook de verrekening van een belastingaanslag met belastingteruggaven begrepen. Uitgangspunt hierbij is dat de marginale toetsing zich beperkt tot feiten die de ontvanger bekend zijn op het moment dat hij tot invordering overgaat. De verrekening van een belastingaanslag waarvan is gebleken dat die in materiële zin niet verschuldigd is met een belastingteruggave wordt niet ongedaan gemaakt, tenzij het verzoek daartoe heeft plaatsgevonden binnen één maand nadat de verrekening is bekendgemaakt. 1.1.6Keuze uit verschillende invorderingsmaatregelen Als de invordering op verschillende manieren kan plaatsvinden, heeft de eenvoudigste, snelste en minst kostbare wijze voor SVHW de voorkeur. 1.1.7Invorderingsmaatregelen tegen grote bedrijven Als de ontvanger invorderingsmaatregelen wil treffen die het voortbestaan kunnen bedreigen van een bedrijf met meer dan vijftig werknemers, dan vraagt hij daartoe toestemming aan de directeur. Onder een bedrijf wordt in dit verband ook verstaan een geheel van bij elkaar behorende bedrijven of een zelfstandig uitgeoefend beroep. Beslaglegging hoeft niet het hiervoor bedoelde effect te hebben, als de ontvanger op een zodanige wijze kan handelen dat derden daarvan geheel onwetend blijven. De ontvanger vraagt altijd toestemming als: met de beslaglegging op korte termijn de verkoop van (een deel van) de activa van het bedrijfwordt beoogd; door de beslaglegging de werkvoorraad en/of geldmiddelen geheel of nagenoeg geheel worden vastgelegd; derden niet onkundig blijven van de beslaglegging, zoals steeds het geval is bij derdenbeslag; de ontvanger aan een schuldeiser zodanige inlichtingen omtrent openstaande belastingaanslagen verstrekt, dat deze kunnen dienen als steunvorderingen bij het aanvragen.van faillissement door die schuldeiser. 1.1.8Voor de invordering minder geschikte dagen De ontvanger zal geen invorderingsmaatregelen nemen tegen particulieren op dagen die daarvoor minder geschikt kunnen worden geacht, als die maatregelen zonder bezwaar naar een later tijdstip kunnen worden verschoven. Deze terughoudendheid geldt bij ondernemers slechts voor zover sprake is van invorderingsmaatregelen die betrekking hebben op bezittingen die tot de privésfeer kunnen worden gerekend. De terughoudendheid geldt niet als de ontvanger een naheffingsaanslag als bedoeld in artikel 9, achtste lid van de wet terstond invordert. Voor invordering minder geschikte dagen zijn met name: de Nieuwjaarsdag, de Christelijke tweede Paas- en Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de Hemelvaartsdag, de dag waarop de verjaardag van de Koning wordt gevierd, de vijfde mei en de Goede Vrijdag, alle met inbegrip van de daaraan voorafgaande en de daarop volgende dag; regionaal vrij algemeen erkende feest- en gedenkdagen met inbegrip van de daaraan voorafgaande en de daarop volgende dag; de dagen tussen de beide kerstdagen en Nieuwjaarsdag. 1.1.9Binnenkomst van bescheiden Als aan het indienen van bepaalde bescheiden rechtsgevolgen zijn verbonden dan wel rechten kunnen worden ontleend dan geldt als datum van binnenkomst van die stukken de datum van binnenkomst bij SVHW. Als de ontvanger in de tussentijd heeft verrekend of dwangmaatregelen heeft genomen ter invordering van de belastingschuld, dan blijven deze gehandhaafd als hij niet van de indiening op de hoogte was en er redelijkerwijs ook niet van op de hoogte kon zijn. Onder dwangmaatregelen moeten in dit verband worden verstaan: alle maatregelen in het kader van de dwanginvordering respectievelijk invordering langs civielrechtelijke weg, en het aansprakelijk stellen van derden. 1.1.10Positie belastingdeurwaarder Belastingdeurwaarder is een door of namens het dagelijks bestuur aangewezen ambtenaar van SVHW, dan wel een als belastingdeurwaarder van SVHW aangewezen deurwaarder. In de uitoefening van zijn functie is de belastingdeurwaarder bestuursorgaan in de zin van de Awb, dan wel handelt hij onder de verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan (de ontvanger). Als zodanig vervult hij zijn taak zonder vooringenomenheid. Hij gebruikt zijn bevoegdheid niet voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend. Hij waakt ervoor dat de nadelige gevolgen van zijn handelen niet onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die hij met die handelingen dient. Om misverstanden te voorkomen, meldt de belastingdeurwaarder steeds in welke hoedanigheid hij optreedt en hij legitimeert zich desgevraagd. Op grond van artikel 67 van de wet is het de belastingdeurwaarder verboden om hetgeen hem over de persoon of de zaken van een ander blijkt of wordt meegedeeld - in enige werkzaamheid bij de uitvoering van de wet, of in verband daarmee verder bekend te maken dan nodig is voor de uitvoering van de wet of voor de heffing van enige rijksbelasting. De leiding van de invordering berust steeds in handen van de ontvanger. Dit brengt met zich mee dat de belastingdeurwaarder de bevoegdheden die hij rechtstreeks ontleent aan de wet en aan het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, slechts uitoefent nadat hij daartoe een opdracht van de ontvanger heeft verkregen en zich bij de uitoefening van die bevoegdheden houdt aan diens aanwijzingen. Op grond van artikel 9:1 Awb heeft een ieder het recht om een klacht in te dienen over de wijze waarop de belastingdeurwaarder zich jegens hem of een ander heeft gedragen. Klachten in verband met zijn ambtsuitoefening kunnen worden ingediend bij de ontvanger in wiens opdracht en onder wiens verantwoordelijkheid de belastingdeurwaarder werkzaam is. De Ontvanger legt deze klacht voor aan de klachtencoördinator van SVHW. Op de klacht volgt een uitspraak door de klachtencoördinator van SVHW. 1.1.11Bewaren invorderingsbescheiden De ontvanger bewaart de bescheiden die direct betrekking hebben op de invordering gedurende drie jaar na afdoening, of zoveel langer als het recht tot dwanginvordering van de belastingaanslag die daaraan ten grondslag ligt nog niet is verjaard. De bescheiden die op kwijtschelding betrekking hebben, worden gedurende ten minste drie jaar na de verleende kwijtschelding bewaard, of zoveel langer als redelijkerwijs nog niet kan worden aangenomen dat zij hun belang definitief hebben verloren. Bescheiden die geen betrekking hebben op één of meer bepaalde belastingaanslagen, worden eveneens gedurende ten minste drie jaar bewaard, of zoveel langer als redelijkerwijs nog niet kan worden aangenomen dat zij hun belang definitief hebben verloren. 1.1.12Verklaring inzake nakoming fiscale verplichtingen Op verzoek van de belastingschuldige of zijn gemachtigde geeft de ontvanger een verklaring af, dat op dat moment geen belastingaanslagen of andere vorderingen openstaan waarvan de invordering aan de ontvanger is opgedragen. Tevens verklaart de ontvanger desgevraagd dat zich in het verleden, voor wat betreft de invordering, geen moeilijkheden hebben voorgedaan. In de verklaring kan de ontvanger nadere bijzonderheden vermelden. De ontvanger zendt de verklaring aan het adres van de belastingschuldige of reikt deze aan hem uit. Toezending of uitreiking aan een ander dan de belastingschuldige blijft achterwege, tenzij de ontvanger zich ervan heeft overtuigd dat die ander tot ontvangst van de verklaring bevoegd is. 1.1.13Informatieplicht De ontvanger maakt van de bevoegdheden van hoofdstuk VII van de wet enkel gebruik bij een betalingsachterstand, dat wil zeggen als niet is betaald binnen de betalingstermijn(
  3. en)die voor de belastingaanslag gelden. De informatieplicht vervalt zodra volledige betaling plaatsvindt. De ontvanger kan altijd gebruik maken van zijn bevoegdheid van hoofdstuk VII als de toepassing van artikel 10 van de wet aan de orde kan komen. 1.1.14Diplomatieke status De invordering van belastingschulden van personen met een diplomatieke status gebeurt door tussenkomst van de minister van Buitenlandse Zaken. De ontvanger richt een verzoek om bemiddeling rechtstreeks tot: Ministerie van Buitenlandse Zaken Directie Kabinet en Protocol Postbus 20061 2500 EB ’s-Gravenhage 1.2Toepassingsgebied Het eerste lid van artikel 1 van de wet regelt het toepassingsgebied van de wet. Het tweede lid bepaalt dat een deel van de Awb niet van toepassing is op de wet. De ontvanger handelt zoveel mogelijk in overeenstemming met de Awb en het Besluit fiscaal bestuursrecht (zie ook artikel 1.1.5 van deze leidraad). 2.Artikel 2. Begrippen In aansluiting op artikel 2 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over het begrip 'woonplaats' en de vertaalbepaling van de Waterschapswet. 2.1Woonplaats De begrippen 'woonplaats' en 'plaats van vestiging' hebben bij de uitvoering van de wet niet steeds dezelfde inhoud. Als het gaat om de betekening van stukken of om andere handelingen overeenkomstig het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, sluit de ontvanger aan bij het begrip 'woonplaats' als bedoeld in de artikelen 1:10 en volgende van het BW. Bij de aansprakelijkheidsbepalingen van Afdeling 1 van Hoofdstuk VI van de wet ligt het voor de hand om aan te sluiten bij de begrippen 'woonplaats' en 'plaats van vestiging' die gelden voor de heffingswet op grond waarvan de belastingschuld - waarvoor de aansprakelijkheid bestaat - is ontstaan. 2.2Vertaalbepaling Waterschapswet In artikel 123 lid 2 van de Waterschapswet is de Invorderingswet 1990 van toepassing verklaard op de invordering van waterschapsbelastingen. Tegelijkertijd zijn in artikel 138 Waterschapswet enkele artikelen uit Invorderingswet 1990 genoemd die buiten toepassing blijven. In artikel 123 Waterschapswet is tevens bepaald aan welke colleges of functionarissen van SVHW de in de Invorderingwet 1990 genoemde bevoegdheden toekomen. Het gaat daarbij om een vertaling van de functionarissen die in artikel 2 van de Invorderingswet 1990 worden genoemd naar colleges en functionarissen van SVHW. 3.Artikel 3. Bevoegdheden ontvanger Artikel 3 van de wet geeft een afbakening van de bevoegdheden van de ontvanger. Hij kan daarbij gebruik maken van de bijzondere bevoegdheden die de wet hem geeft. Hij kan bovendien alle bevoegdheden uitoefenen die iedere andere schuldeiser ook heeft. De bepalingen van deze leidraad zijn zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing op de invordering op civielrechtelijke wijze. De ontvanger treedt in alle rechtsgedingen die voortvloeien uit de uitoefening van zijn taak als zodanig in rechte op. In aansluiting op artikel 3 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: de fiscale en civiele bevoegdheden van de ontvanger; het leggen van conservatoir beslag; het vragen van toestemming bij gerechtelijke procedures. 3.1Fiscale en civiele bevoegdheden De ontvanger beschikt op grond van de wet over diverse specifieke bevoegdheden om een belastingschuld in te vorderen. Daarnaast heeft hij alle bevoegdheden die op grond van enigerlei wettelijke bepaling aan een schuldeiser toekomen. Dit leidt er in veel gevallen toe dat de ontvanger zowel gebruik kan maken van zijn specifieke fiscale bevoegdheden, als van zijn algemene civielrechtelijke bevoegdheden om zijn doel te bereiken. De ontvanger is vrij in de keuze van de invorderingsinstrumenten die hij het meest geschikt acht voor een juiste uitoefening van zijn taak. Als de ontvanger het wenselijk of noodzakelijk acht van fiscale bevoegdheden over te schakelen op civielrechtelijke bevoegdheden of andersom, dan doet hij dit alleen als het belang van de invordering opweegt tegen de belangen van de belastingschuldige en eventuele derden. 3.2Conservatoir beslag Om de rechten van SVHW veilig te stellen heeft de ontvanger naast de versnelde invordering de mogelijkheid conservatoir beslag te leggen. Feiten en omstandigheden bepalen de keuze van de ontvanger. 3.2.1Geen conservatoir beslag dan ook geen versnelde invordering Als de voorzieningenrechter van de rechtbank geen toestemming verleent tot het leggen van conservatoir beslag omdat hij gegronde vrees voor verduistering van de goederen niet aanwezig acht, dan legt de ontvanger niet alsnog om dezelfde reden executoriaal beslag op grond van de artikelen 10 en 15 van de wet. 3.2.2Ontbreken belastingaanslag en conservatoir beslag Als het niet mogelijk is eerst een belastingaanslag op te leggen, vraagt de ontvanger slechts verlof om conservatoir beslag te leggen aan de voorzieningenrechter als de belasting in redelijkheid materieel verschuldigd geacht mag worden. Het opleggen van de belastingaanslag wordt beschouwd als het instellen van een eis in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 700, derde lid Rv. 3.3Gerechtelijke procedures: toestemming 3.3.1Juridische bijstand Op grond van artikel 3 lid 3 van de Invorderingswet 1990 treedt de ontvanger zelfstandig in rechte op bij rechtsgedingen die voortvloeien uit de uitoefening van zijn taak. Hij voorziet zich daarbij in alle gevallen van procesvertegenwoordiging, met uitzondering van: Beroepsprocedures op grond van artikel 26 AWR; Hoger beroepsprocedures op grond van art. 27h AWR; (Hoger) Beroepsprocedures op grond van art. 7 Kostenwet invordering rijksbelastingen; Kantonzaken; Kortgedingprocedures, indien de ontvanger gedaagde is. 3.3.2Toestemming In gerechtelijke procedures waarin de ontvanger als eiser optreedt, moet hij toestemming hebben van het dagelijks bestuur van de deelnemers van SVHW. Behalve voor in hoger beroep te voeren zaken geldt het voorgaande niet voor: verklaringsprocedures in het kader van derdenbeslagen; kantonzaken; verzoekschriftprocedures; procedures die worden ingesteld naar aanleiding van een verzet ex. Art. 435 lid 3, dan wel artikel 708 lid 2 Rv. In afwijking van de vorige volzin geldt voor hoger beroep te voeren zaken dat altijd toestemming van het college nodig is. 3.4Faillissementsaanvraag Als een belastingschuldige verkeert in de toestand dat hij ophoudt met betalen (art. 1 FW) kan de ontvanger het faillissement aanvragen. Bij een faillissementsaanvraag wordt vooraf toestemming gevraagd aan de directeur. Dit geldt ook bij een eventuele steunvordering voor het aanvragen van een faillissement. Artikel3a. Er zijn in deze leidraad op artikel 3a van de wet geen beleidsregels gemaakt. 4.Artikel 4. Bevoegdheid belastingdeurwaarder In artikel 4 van de wet is bepaald dat voor het verrichten van deurwaarderswerkzaamheden in opdracht van een ontvanger voor de invordering van rijksbelastingen, uitsluitend een belastingdeurwaarder bevoegd is. In aansluiting op artikel 4 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over de reikwijdte van die bevoegdheid. 4.1Reikwijdte bevoegdheid belastingdeurwaarder De belastingdeurwaarder is bevoegd tot het uitbrengen van alle exploten en het treffen van alle invorderingsmaatregelen die rechtstreeks verband houden met de invorderingstaak en de hieruit voortvloeiende bevoegdheden van de ontvanger. Dit brengt met zich mee dat de belastingdeurwaarder ook bevoegd is tot die werkzaamheden die voortvloeien uit de invordering langs civielrechtelijke weg, waartoe de ontvanger op grond van artikel 4:124 van de Awb gerechtigd is en tot die werkzaamheden die verricht moeten worden, wanneer de ontvanger zelfstandig eisend en verwerend in rechte optreedt. 4.2Bescherming Belastingdeurwaarders zijn ambtenaar in de zin van de artikelen 179 en 180 Sr. Daardoor genieten zij van de strafrechtelijke bescherming, voor zover zij hun wettelijke taken en bevoegdheden uitoefenen. 4.3Aanwijzing Belastingdeurwaarders worden aangesteld door het dagelijks bestuur van de deelnemers van SVHW. Indien de ontvanger gebruik wil maken van belastingdeurwaarders die niet in loondienst zijn van SVHW, dient aanstelling plaats te vinden door het dagelijks bestuur. Deze laatstgenoemde bevoegdheid tot aanstelling kan het dagelijks bestuur mandateren aan de ontvanger. 4.4Legitimatie Voor de uitoefening van de aan hem opgedragen invorderingstaken kan de belastingdeurwaarder op verzoek zich legitimeren aan de belastingschuldige en/of zijn/haar gemachtigden. 5.Artikel 5. N.v.t. voor SVHW 6.Artikel 6. Reikwijdte van de wet Artikel 6 van de wet bepaalt dat de wet ook van toepassing is op: de rente; de kosten. In aansluiting op artikel 6 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over rente en kosten. 6.1Rente en kosten in het kader van de reikwijdte van de wet Onder rente als bedoeld in artikel 6 van de wet wordt alleen verstaan: de invorderingsrente. Onder kosten wordt verstaan: alle kosten die op de voet van de Kostenwet invordering rijksbelastingen aan de belastingschuldige in rekening worden gebracht. Hieronder vallen ook de kosten die zijn verbonden aan de werkzaamheden die de belastingdeurwaarder verricht bij de invordering langs civielrechtelijke weg. 7.Artikel 7. Betaling en afboeking Artikel 7 van de wet schrijft voor hoe de toerekening van betalingen plaats moet vinden: Lid 1 bepaalt dat toerekening van betalingen achtereenvolgens gebeurt aan de kosten, de betalingskorting, de rente en de belastingaanslag; Lid 2 bepaalt hoe de afboeking aan de verschillende componenten van de belastingaanslag plaatsvindt; Lid 3 schrijft voor dat de ontvanger verplicht is om voor iedere contante betaling een kwitantie af te geven. In aansluiting op artikel 7 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: het tijdstip van de betaling; de afboeking van de betaling; teveelbetalingen; het rekenen van rente en kosten bij afboeking; het toerekenen van kosten bij meerdere aanslagen; de afboeking van de betaling op de bestuurlijk boete; de afboeking van betalingen door aansprakelijkgestelden; betaling bij vergissing; het verzenden van een mededeling bij een afboeking van een betaling. 7.1Tijdstip betaling Als tijdstip van betaling geldt de datum van bijschrijving op de rekening van SVHW; Bij betaling bij een bank of betaaldienstverlener door middel van storting van contant geld of door middel van storting met een pinpas, geldt als tijdstip van betaling de eerste werkdag volgend op de dag van de storting of pin-tansactie Bij rechtstreekse betaling door middel van een pin- of creditcardtransactie aan SVHW geldt de dag van de pin- of creditcardtransactie als tijdstip van betaling; Bij betaling aan de kas van SVHW geldt de dag waarop het bedrag aan het loket van SVHW is betaald; Bij betaling aan de belastingdeurwaarder geldt de dag waarop het bedrag aan de belastingdeurwaarder is betaald; Als een cheque uit het buitenland is ontvangen, wordt de dag van ontvangst van de cheque als de dag van betaling beschouwd, tenzij de ontvanger constateert dat sprake is van misbruik. 7.2De afboeking van de betaling Bij de afboeking van betalingen gelden de volgende richtlijnen: Betalingen waarvan de bestemming is aangegeven worden afgeboekt overeenkomstig de opgave van de betaler, tenzij de aangegeven bestemming strijdig is met de in artikel 7 van de wet neergelegde wijze van toerekening van betalingen; Betalingen waarvoor geen bestemming is aangegeven (de zogenoemde ongerichte betalingen) worden afgeboekt op de oudste openstaande belastingaanslagen; Wanneer de ontvanger tevens de invordering van belastingen ten behoeve van een ander waterschappen, gemeenten of samenwerkingsverbanden/gemeenschappelijke regelingen uitvoert is het bovenstaande van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat verdeling van de gelden naar rato van de grootte van de belastingschuld plaatsvindt. 7.3Teveelbetaling Als de aangegeven bestemming van de betaling een belastingaanslag betreft die al is betaald terwijl nog diverse andere belastingaanslagen openstaan, wordt die betaling aangemerkt als een ongerichte betaling en dienovereenkomstig behandeld. 7.4Rente en kosten bij afboeking betalingen Onder kosten wordt verstaan: alle kosten die op de voet van de Kostenwet invordering rijksbelastingen aan de belastingschuldige in rekening worden gebracht. Hieronder vallen ook de kosten die verbonden zijn aan de werkzaamheden die de belastingdeurwaarder verricht bij de invordering langs civielrechtelijke weg. Onder rente als bedoeld in artikel 7 van de wet wordt alleen verstaan: de invorderingsrente. 7.5Het toerekenen van kosten bij meerdere aanslagen Kosten die niet betrekking hebben op één specifieke belastingaanslag worden toegerekend aan een van de belastingaanslagen waarvoor de kosten zijn gemaakt. 7.6Ontvangen bedragen uit de wettelijke saneringsregeling en faillissement Uit de wettelijke schuldsaneringsregeling of uit een faillissement ontvangen bedragen dienen steeds te worden afgeboekt overeenkomstig de gegevens van de uitdelingslijst, met in achtneming van 8.2 van deze leidraad. 7.7Afboeking van betalingen door aansprakelijkgestelden Als een betaling wordt verricht door een aansprakelijkgestelde, worden eerst de vervolgingskosten afgeboekt die aan de aansprakelijkgestelde zelf in rekening zijn gebracht. Het resterende bedrag wordt afgeboekt op de onderliggende belastingaanslag - waarbij artikel 7 van de wet wel van toepassing is - echter met dien verstande dat de invorderingsrente en kosten die op die aanslag zelf betrekking hebben alleen worden afgeboekt indien en voor zover men hiervoor aansprakelijk is gesteld. Als na afboeking van genoemd resterend bedrag nog een bedrag overblijft, dan wordt dit op de belastingaanslag afgeboekt, met inachtneming van de toerekeningsbepaling van artikel 7, tweede lid, van de wet. Zowel de belastingschuldige als de aansprakelijkgestelde worden schriftelijk in kennis gesteld over de wijze van afboeking van de betaling door de ontvanger. 7.8Betaling bij vergissing Met de terugbetaling van een bedrag dat is voldaan ten gevolge van een evidente vergissing of misverstand aan de zijde van de betaler, wordt bijzondere voorzichtigheid betracht. Het is zeer wel mogelijk dat de betaling niet onverschuldigd heeft plaatsgehad, zodat de schuldvordering is tenietgegaan en invordering niet zonder meer opnieuw kan plaatshebben. In die gevallen wordt het betaalde bedrag niet terugbetaald, tenzij voor de ontvanger wordt verklaard dat geen beroep zal worden gedaan op het feit dat de schuld in een eerder stadium teniet is gegaan en dat de schuld te gelegener tijd op juiste wijze zal worden voldaan. Indien een bedrag wordt betaald als gewetensgeld, wordt dit gezien als het voldoen aan een natuurlijke verbintenis. Terugbetaling vindt dan niet plaats. 7.9Mededeling afboeking betaling De ontvanger stelt de belastingschuldige niet van de afboeking van een betaling op de hoogte. Van de eventueel berekende invorderingsrente stelt de Ontvanger de belastingschuldige schriftelijk op de hoogte nadat de belastingaanslag geheel is voldaan. Op aanvraag van belastingschuldige kan de Ontvanger een overzicht aan belastingschuldige sturen van berekende invorderingsrente en –kosten. 7.10 Betaling van kleine bedragen Betalingen van belastingaanslagen in kleinere bedragen dan die van de termijnen worden niet geweigerd, tenzij dit door de ambtenaar belast met invordering aangemerkt wordt als nodeloos overlast. In dat geval treedt hij in contact met de belastingschuldige om de betalingswijze aan te passen. Artikel7a.Uitbetaling van belastingteruggaven Artikel 7a van de wet regelt de wijze waarop de ontvanger bedragen uitbetaalt. Uitbetaling vindt primair plaats door bijschrijving op een daartoe door de belastingschuldige aangewezen rekening bestemd voor girale betaling. Het maakt daarbij niet uit of bedoelde rekening op naam staat van de belastingschuldige of van een andere persoon. In gevallen waarbij deze aanwijzing door de belastingschuldige niet heeft plaatsgevonden, kan uitbetaling van het uit te betalen bedrag plaatsvinden door middel van bijschrijving op een rekening bestemd voor girale betaling, die op naam staat van de belastingschuldige. In aansluiting op artikel 4:89 van de Awb en artikel 7a van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: de aanwijzing van het rekeningnummer voor uitbetaling; uitbetalingsfouten. 7a.1Aanwijzen bankrekeningnummer voor uitbetaling Als de belastingschuldige bij een volgende gelegenheid met betrekking tot hetzelfde belastingmiddel en hetzelfde soort uit te betalen bedrag een ander bankrekeningnummer aanwijst, dan wordt laatstbedoeld bankrekeningnummer geacht ook te zijn aangewezen voor het doen van uitbetalingen voortvloeiend uit eerdere aangiften of verzoeken. Aanwijzing moet voor het overige per uitbetaling schriftelijk plaatsvinden en wel op een zodanig tijdstip, dat daarmee redelijkerwijze bij de uitbetaling rekening kan worden gehouden. 7a.2 Uitbetalingsfouten Als uitbetaling van een uit te betalen bedrag plaatsvindt op een andere rekening van de belastingschuldige dan die daarvoor door hem is aangewezen, dan moet de ontvanger in beginsel opnieuw uitbetalen. De ontvanger verbindt daaraan de voorwaarde dat het eerder betaalde bedrag eerst wordt gerestitueerd. Hernieuwde uitbetaling vindt direct plaats als de belastingschuldige aantoont dat: hij tijdig vóór de uitbetaling bij de ontvanger heeft aangegeven dat de uitbetaling niet meer op de desbetreffende rekening moet geschieden, en hij niet over het uitbetaalde bedrag kan beschikken omdat de bankinstelling heeft aangegeven dat de rekening waarop de uitbetaling heeft plaatsvonden, geblokkeerd is. Indien en voor zover aan de daartoe gestelde (wettelijke) voorwaarden wordt voldaan, zal de ontvanger het aldus teveel betaalde bedrag vervolgens terugvorderen uit ongerechtvaardigde verrijking. Uitbetalingsfouten die het gevolg zijn van een onjuiste aanwijzing door de belastingschuldige, blijven voor diens rekening. De ontvanger beroept zich in dat geval op het bevrijdende karakter van de (uit)betaling (artikel 6:34 BW). Desgevraagd wordt de belastingschuldige op de hoogte gesteld omtrent de naam-, adres- en woonplaatsgegevens van de derde aan wie onverschuldigd is betaald. Artikel7.b.Cessie- en verpandingsverbod uitbetalingen inkomstenbelasting N.v.t. voor SVHW 8.Artikel 8. Bekendmaking aanslag Artikel 8 van de wet regelt dat de ontvanger de belastingaanslag bekend maakt door toezending of uitreiking aan de belastingschuldige. De belastingschuldige is de belastingaanslag in zijn geheel verschuldigd. In aansluiting op artikel 8 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: de verzending of uitreiking van het aanslagbiljet in bijzondere situaties; bekendmaking van de aanslag aan een rechtspersoon die (vermoedelijk) is opgehouden te bestaan; de verzending van de aanslag; de gehoudenheid tot betalen belastingaanslag en aanslagbiljet; het verzenden van een uitnodiging tot betaling aan erfgenamen. 8.1 Verzending of uitreiking van het aanslagbiljet in bijzondere situaties De toezending of uitreiking van het aanslagbiljet gebeurt aan de belastingschuldige of aan zijn wettelijke vertegenwoordiger, met dien verstande dat: aanslagbiljetten ten name van een onder curatele gestelde aan de curator worden gezonden; ingeval van faillissement het aanslagbiljet aan de curator wordt gezonden als de belastingschuld in het faillissement valt dan wel een boedelschuld vormt; als de belastingschuldige minderjarig is, het aanslagbiljet aan de wettelijke vertegenwoordiger wordt gezonden als bekend is dat verzending aan de belastingschuldige zelf al eerder problemen heeft opgeleverd; aanslagbiljetten ten name van een belastingschuldige van wie bekend is dat hij is overleden,worden gezonden aan de executeur, de bewindvoerder over de nalatenschap of de erfgenamen. 8.2 Verzending aanslagbiljetten Voor de verzending van belastingaanslagen maakt SVHW gebruik van postbedrijven die landelijke dekking hebben. Bekendmaking als de rechtspersoon (vermoedelijk) is opgehouden te bestaan Als een rechtspersoon (vermoedelijk) is opgehouden te bestaan, is de wijze van bekendmaking van de belastingaanslag ter beoordeling aan de ontvanger. Bij deze beoordeling kunnen onder andere de volgende factoren een rol spelen: - het recht waarnaar de rechtspersoon is opgericht; - het belang van een snelle bekendmaking in verband met vrees voor onverhaalbaarheid. 8.3 Gehoudenheid tot betalen belastingaanslag en aanslagbiljet De gehoudenheid tot betalen wordt niet ongedaan gemaakt door de omstandigheid dat de schuld vermeld op de belastingaanslag afwijkt van hetgeen materieel is verschuldigd, noch door de omstandigheid dat de belastingaanslag ten name staat van een ander dan degene die de belasting materieel is verschuldigd. 8.4 Vooraf uitnodigen erfgenamen tot betalen belastingaanslag Als voor een belastingaanslag ten name van een overledene tegen de erfgenamen afzonderlijk moet worden opgetreden, worden zij zoveel mogelijk vooraf schriftelijk uitgenodigd het verschuldigde binnen een redelijk termijn te voldoen. 9.Artikel 9. Betalingstermijnen Artikel 9 van de wet regelt binnen welke betalingstermijnen belastingaanslagen moeten worden betaald. In aansluiting op artikel 9 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: de afwijking van de betalingstermijnen bij voorlopige aanslagen; de afwijking van de betalingstermijn bij voorlopige teruggaven; de uitbetaling van een voorlopige teruggave in één termijn; de dagtekening van het aanslagbiljet; het begrip maand bij betalingstermijnen; verzuim ontvanger bij uitbetaling. 9.1 Afwijking van de betalingstermijnen in geval van voorlopige aanslagen N.v.t. voor SVHW. 9.2 Afwijking van de betalingstermijnen in geval van voorlopige teruggaven N.v.t. voor SVHW. 9.3 Uitbetaling voorlopige teruggave in één termijn N.v.t. voor SVHW. 9.4 Dagtekening aanslagbiljet De dagtekening van het aanslagbiljet wordt normaliter zodanig bepaald dat de belastingschuldige het biljet enige dagen voor de dag van dagtekening ontvangt. Hiervan kan worden afgeweken als op grond van artikel 10 van de wet versnelde invordering wordt toegepast. 9.5 Begrippen bij betalingstermijnen Als de betalingstermijn van een aanslag is gesteld op een maand of is gesteld op twee maanden, dan houdt dat in dat als de dagtekening van een aanslagbiljet valt op 31 oktober, de betalingstermijn van een maand vervalt op 30 november en de betalingstermijn van twee maanden vervalt op 31 december. Als de dagtekening 28 februari is, dan vervalt de betalingstermijn van een maand op 31 maart en de betalingstermijn van twee maanden op 30 april, tenzij het jaartal aangeeft dat het een schrikkeljaar is, in welk geval de termijn vervalt op 28 maart dan wel 28 april. Als de dagtekening van het aanslagbiljet valt op een andere dag dan de laatste dag van de kalendermaand, vervalt de termijn een maand later (bij een betalingstermijn van een maand), of twee maanden later (bij een betalingstermijn van twee maanden) op de dag die hetzelfde nummer heeft als dat van de dagtekening. Als de dagtekening bijvoorbeeld 15 maart is, vervalt de termijn dus op 15 april (resp. 15 mei). Is de betalingstermijn zes weken en is de dagtekening 15 maart, vervalt de termijn op 26 april. 9.6 Verzuim Ontvanger bij uitbetaling Op grond van artikel 2, tweede lid, onderdeel e, van de wet wordt onder het begrip ‘invorderen van rijksbelasting’ mede verstaan het betalen van een terug te geven bedrag aan waterschapsbelastingen. Op grond van deze definitie is de betalingstermijn voor een belastingaanslag zoals vastgelegd in de verordeningen waterschapsbelastingen, of bij ontbreken daarvan in artikel 9, eerste lid, van de wet, ook van toepassing op de uitbetaling van een belastingteruggaaf. Hieruit volgt dat de Ontvanger niet in verzuim is met de uitbetaling van een belastingteruggaaf zolang die binnen deze betalingstermijn plaatsvindt. 9.7 Regeling betalingstermijnen Op grond van artikel 139 lid 1 van de Waterschapswet kan de belastingverordening van een waterschap van artikel 9 van de Invorderingswet 1990 afwijkende voorschriften inhouden. Is in de belastingverordening niets geregeld, dan zijn dus automatisch de betalingstermijnen uit de Invorderingswet 1990 van toepassing. 9.8Automatische incasso SVHW stelt een aantal belastingplichtigen in de gelegenheid de aanslag of aanslagen te voldoen via een automatische incasso. In de belastingverordeningen is geregeld dat betaald kan worden via automatische incasso, in afwijking van de normale betalingstermijnen. De bepalingen over de termijnen en de voorwaarden waaronder dit kan plaatsvinden zijn beschreven in het Incassoreglement SVHW. 10.Artikel 10. Versnelde invordering Artikel 10, eerste lid van de wet geeft een limitatieve opsomming van bijzondere situaties waarin de Ontvanger met doorbreking van de in artikel 9 van de wet voorgeschreven betalingstermijnen een belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag kan invorderen. Artikel 10, tweede en derde lid van de wet bevatten uitzonderingsbepalingen met betrekking tot de toepassing van deze versnelde invordering. In aansluiting op artikel 10 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: de reikwijdte van de versnelde invordering; de vrees voor verduistering; het metterwoon verlaten van Nederland; geen vaste woonplaats in Nederland; als er al beslag ligt; de verkoop namens derden; de vordering ex artikel 19. 10.1 Reikwijdte versnelde invordering Als de Ontvanger het in een specifiek geval noodzakelijk acht daadwerkelijk tot versnelde invordering (als bedoeld in artikel 10 van de wet) over te gaan, dan vermeldt hij op het uit te reiken of te verzenden aanslagbiljet dat de belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar is. Voorts vermeldt de Ontvanger op het aanslagbiljet het onderdeel van het eerste lid van artikel 10 van de wet op grond waarvan hij tot versnelde invordering overgaat. Als versnelde invordering zich voordoet nadat het aanslagbiljet is uitgereikt of verzonden - maar voordat de belastingaanslag (geheel) invorderbaar is - deelt de Ontvanger de belastingschuldige schriftelijk mee dat hij de belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar verklaart en dat de op het aanslagbiljet vermelde betalingstermijnen niet meer gelden. Hij doet dit eveneens onder opgave van het onderdeel van het eerste lid van artikel 10 van de wet op grond waarvan hij tot versnelde invordering overgaat. Veelal zal dan ook gebruik worden gemaakt van de versnelde dwanginvorderingsprocedure als bedoeld in artikel 15 van de wet, zodat vermelding op het dwangbevel dat de belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar is verklaard tot de mogelijkheden van mededeling behoort. In het laatste geval zal de betekening van het dwangbevel overigens niet per post kunnen plaatsvinden. De belastingdeurwaarder zal voordat tot de versnelde dwanginvordering als bedoeld in artikel 15 van de wet wordt overgegaan - als sprake is van direct contact met de belastingschuldige - deze eerst in de gelegenheid stellen om onmiddellijk te betalen. Als versnelde invordering zich voordoet nadat een dwangbevel is betekend - maar voordat de termijn van twee dagen van het bevel tot betaling is verstreken (bij een per post betekend dwangbevel in feite vier dagen) - vermeldt de Ontvanger op het beslagexploot of op een aparte schriftelijke kennisgeving: artikel 15 in combinatie met artikel 10, eerste lid, van de wet, gevolgd door het desbetreffende onderdeel. Hetzelfde geldt als de noodzaak tot versnelde invordering zich voordoet na het betekenen van het hernieuwd bevel tot betaling en de tweedagentermijn die daarbij geldt nog niet is verstreken. Er hoeft geen nieuw dwangbevel te worden betekend. De belastingschuldige wordt - als sprake is van direct contact met laatstgenoemde - eerst in de gelegenheid gesteld om onmiddellijk te betalen. Een belastingaanslag die op grond van artikel 10, eerste lid, van de wet terecht geheel opeisbaar is geworden, blijft geheel opeisbaar ook al zouden de feiten en omstandigheden die daartoe aanleiding hebben gevormd zich niet langer voordoen. Op verzoek van de belastingschuldige verleent de Ontvanger in zo'n situatie altijd uitstel van betaling, welk uitstel overeenkomt met de betalingstermijn(
  4. en)die normaal zou(den) gelden. 10.2 Vrees voor verduistering en versnelde invordering Van gegronde vrees voor verduistering van goederen van de belastingschuldige als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van de wet is sprake, als de Ontvanger aannemelijk kan maken dat redelijkerwijs te verwachten is dat niet alleen het verhaal op een aantal goederen van de belastingschuldige metterdaad onmogelijk zal worden gemaakt, maar ook dat daardoor de verhaalbaarheid van de belastingschuld in ernstig gevaar zal komen. De vrees voor verduistering zal in de regel gelegen zijn in gedragingen van de belastingschuldige, maar kan in bepaalde situaties ook ontstaan door gedragingen van derden (bijvoorbeeld crediteuren), die aanleiding geven voor de veronderstelling dat voor onverhaalbaarheid moet worden gevreesd. Als verduistering wordt gevreesd van goederen waarvan na versnelde beslaglegging blijkt dat deze uitsluitend van een derde zijn, is niet voldaan aan artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van de wet en is het beslag niet rechtsgeldig. Het beslag hoeft dan niet formeel te worden opgeheven maar de Ontvanger moet de betrokkenen wel informeren over het feit dat er geen beslag ligt. 10.3 Metterwoon verlaten van Nederland en versnelde invordering Naast het redelijke vermoeden van de Ontvanger dat de belastingschuldige van plan is Nederland metterwoon te verlaten, dan wel zijn plaats van vestiging naar een plaats buiten Nederland wil verplaatsen, moet de Ontvanger - alvorens de belastingaanslag op grond van artikel 10, eerste lid, onderdeel c, van de wet dadelijk en tot het volle bedrag invorderbaar te verklaren - er in redelijkheid van overtuigd zijn dat de belastingaanslag na het verstrijken van de gebruikelijke betalingstermijn niet meer verhaald kan worden op goederen van de belastingschuldige die zich in Nederland bevinden. 10.4 Geen vaste woonplaats in Nederland en versnelde invordering Het enkele feit dat de belastingschuldige buiten Nederland woont of is gevestigd, is op zich geen reden voor de Ontvanger om de belastingaanslag dadelijk en tot het volle bedrag in te vorderen. Er moet een situatie bestaan waarin de Ontvanger er redelijkerwijs vanuit kan gaan dat de belastingschuld niet binnen de termijnen zal worden voldaan en de belastingschuld niet in Nederland kan worden verhaald. 10.5 Beslag en versnelde invordering Nadat de Ontvanger verhaalbeslag heeft doen leggen op bepaalde goederen, zijn andere belastingschulden van de belastingschuldige - waaronder hier wordt verstaan alle schulden waarvan de invordering aan de Ontvanger is opgedragen - dadelijk en ineens invorderbaar. 10.6 Verkoop namens derden en versnelde invordering Ingeval van dwanginvordering door derden kan de dadelijke invorderbaarheid pas ontstaan door de (aankondiging van
  5. de)executoriale verkoop, zodat de Ontvanger op deze grond niet eerder maatregelen kan treffen dan op het moment dat redelijkerwijs vaststaat dat verkoop zal plaatshebben. 10.7 Vordering ex artikel 19 en versnelde invordering De Ontvanger mag geen vordering als bedoeld in artikel 19 van de wet doen, enkel om te bereiken dat daardoor een belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar wordt. Als de Ontvanger met betrekking tot een bepaalde belastingaanslag een vordering jegens een derde heeft gedaan en nadien worden andere belastingaanslagen opgelegd, dan kunnen ook die aanslagen tot het volle bedrag worden ingevorderd, ook als de betalingstermijnen van die nieuwe aanslagen nog niet zijn verstreken. 11.Artikel 11. Aanmaning In artikel 11 van de wet is opgenomen dat als een belastingaanslag niet binnen de daartoe gestelde termijnen wordt betaald, de Ontvanger overgaat tot vervolging van de belastingschuldige door de verzending van een aanmaning. In aansluiting op artikel 11 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: de geadresseerde van de aanmaning; als de aanmaning ten onrechte is verzonden; het achterwege laten van tussentijdse vervolging; de gedeeltelijke voldoening na aanmaning; de betalingsherinnering; de aanmaning bij invordering langs civielrechtelijke weg. 11.1 De geadresseerde van de aanmaning De Ontvanger zendt de aanmaning aan degene aan wie het aanslagbiljet is verzonden of uitgereikt. Als naderhand blijkt dat de Ontvanger de vervolging voort moet zetten voor een belastingschuldige die minderjarig is of onder curatele staat, dan zendt de Ontvanger alsnog een aanmaning naar het adres van de wettelijke vertegenwoordiger. Als de belastingschuldige is overleden, dan zendt de Ontvanger de aanmaning naar de gezamenlijke erfgenamen. Als de Ontvanger weet dat de nalatenschap al is verdeeld, dan zendt hij een aanmaning aan iedere erfgenaam afzonderlijk. 11.2 Aanmaning ten onrechte verzonden Als een belanghebbende zich tot de Ontvanger wendt met de mededeling dat hem ten onrechte een aanmaning is toegezonden, dan wordt de vervolging niet voortgezet voordat dit is opgehelderd. Als de Ontvanger concrete aanwijzingen heeft dat moet worden gevreesd voor de verhaalbaarheid van de belastingaanslagen, of dat de mededeling is gedaan om de invordering te traineren, dan kan hij maatregelen nemen die de rechten van de fiscus veilig stellen. 11.3 Achterwege laten van tussentijdse vervolging en aanmaning N.v.t. voor SVHW. 11.4 Gedeeltelijke voldoening aan de aanmaning Als na de verzending van een aanmaning een gedeelte van het achterstallige bedrag wordt voldaan, dan wordt de uitvaardiging van een dwangbevel voor het restant niet door een nieuwe aanmaning voorafgegaan. 11.5 Betalingsherinnering N.v.t. voor SVHW. 11.6 Aanmaning bij invordering langs civielrechtelijke weg Als de Ontvanger invordert langs civielrechtelijke weg, dan gaat de Ontvanger over tot het uitbrengen van een dagvaarding. De dagvaarding hoeft niet vooraf te worden gegaan door een ingebrekestelling. Wel verzendt de Ontvanger eerst een aanmaning. De Ontvanger verzendt echter geen aanmaning als reeds conservatoir beslag is gelegd. 12.Artikel 12. Dwangbevel Artikel 12 van de wet bepaalt dat de Ontvanger een dwangbevel kan uitvaardigen als de belastingschuldige na de aanmaning in gebreke blijft de belastingaanslag te betalen. Op grond van dit dwangbevel kan de Ontvanger overgaan tot invordering van de belastingaanslag. In aansluiting op artikel 12 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: het onderwerp van het dwangbevel; tegen wie een dwangbevel wordt verleend. 12.1 Onderwerp van het dwangbevel De Ontvanger vaardigt een dwangbevel uit voor het per saldo verschuldigde bedrag vermeld op een aanslagbiljet van voorkomende belastingaanslagen en beschikkingen. Als een bedrag in termijnen mag worden voldaan, vaardigt de Ontvanger een dwangbevel uit voor het per saldo verschuldigde bedrag van de termijnen waarvoor een aanmaning is verzonden. De Ontvanger vermindert het bedrag van een dwangbevel met: de inmiddels gedane betalingen; verleende verminderingen; bedragen waarvoor kwijtschelding of uitstel van betaling is verleend. 12.2 Tegen wie verleent de Ontvanger een dwangbevel De Ontvanger verleent een dwangbevel tegen de belastingschuldige of diens rechtsopvolgers. Als de Ontvanger het dwangbevel verleent tegen een ander dan de belastingschuldige, moet duidelijk blijken op welke gronden dit gebeurt. Als de Ontvanger bekend is met de minderjarigheid of curatele van een belastingschuldige, dan brengt hij dit in het dwangbevel tot uitdrukking. Als de Ontvanger hiermee niet bekend is, hoeft hij niet vooraf een daarop gericht onderzoek in te stellen. Als de Ontvanger een belastingschuld van een overledene moet verhalen op diens onverdeelde nalatenschap, verleent hij één dwangbevel tegen de gezamenlijke erfgenamen. Als betekening ten aanzien van de gezamenlijke erfgenamen van een overledene op de voet van artikel 53 Rv niet mogelijk of niet wenselijk is, dan vermeldt de Ontvanger alle erfgenamen met naam en adres alsmede met hun kwaliteit van erfgenaam van de overleden belastingschuldige in het dwangbevel. De Ontvanger brengt daarbij evenwel niet het deel van ieders aansprakelijkheid tot uitdrukking. 13.Artikel 13. Betekening van het dwangbevel In artikel 13 van de wet is de wijze van betekening van het dwangbevel beschreven. Het dwangbevel wordt bekendgemaakt door middel van betekening. De betekening van het dwangbevel met bevel tot betaling kan plaatsvinden: door de belastingdeurwaarder; per post door de Ontvanger. De Ontvanger maakt zoveel mogelijk gebruik van de mogelijkheid het dwangbevel per post te betekenen. In aansluiting op artikel 13 van de wet beschrijft dit artikel het beleid over: de betekening van het dwangbevel per post; de betekening van het dwangbevel door de deurwaarder; bijzondere gevallen van betekening van het dwangbevel. 13.1 Betekening dwangbevel per post De betekening van het dwangbevel per post met het bevel tot betaling vindt plaats door het ter post bezorgen door de Ontvanger van een voor de belastingschuldige bestemd afschrift van het dwangbevel met bevel tot betaling. Onder ter post bezorging wordt verstaan: het door de Ontvanger ter verzending aanbieden van het afschrift aan een postbedrijf met landelijke dekking. Als betekeningsdatum geldt in het algemeen de datum van de ter post bezorging. De Ontvanger maakt zoveel mogelijk gebruik van de mogelijkheid het dwangbevel per post te betekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.