Omgekeerde Verordening Sociaal Domein gemeente Bunschoten 2024Hoofdstuk1.inleiding omgekeerde verordening Deze verordening geeft gemeentelijke regels van de gemeente Bunschoten over de volgende onderwerpen: Werken en participeren Uitkeringen Schuldhulpverlening Gezond en veilig opgroeien, en Wonen in een veilige en gezonde omgeving. 1.1waarom deze regels? In Nederland vinden we het belangrijk dat: mensen actief mee kunnen doen aan het maatschappelijk leven of aan het werk kunnen gaan; mensen een inkomen hebben waarmee ze rond kunnen komen; mensen hun financiën op orde hebben; mensen een eigen huishouding kunnen voeren en voor zichzelf kunnen zorgen; mensen een geschikte en schone woonruimte hebben, waarin zij zelfstandig en veilig kunnen wonen; en kinderen gezond en veilig kunnen opgroeien. Het is de taak van de gemeente om haar inwoners daarbij te helpen. De wetgever heeft wetten gemaakt om dit te bereiken. Het gaat om de: Participatiewet (PW), de IOAW, de IOAZ; Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs); Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015); Jeugdwet; Gemeentewet; en Wet inburgering 2021. De regels in deze verordening vullen de wettelijke regels aan. Het zijn regels op hoofdlijnen die de gemeenteraad heeft vastgesteld. Soms zijn er nog extra regels nodig waarin bepaalde zaken worden uitgewerkt. Ook dat is in deze verordening geregeld. De Adviesraad Sociaal Domein heeft over deze regels een advies gegeven. 1.2uitgangspunten De regels in deze verordening zijn geschreven vanuit een aantal uitgangspunten. De regels: zijn bedoeld om de bovengenoemde doelen te realiseren en knelpunten van inwoners op te lossen; zijn goed leesbaar; regelen niet meer dan nodig is; houden de administratieve lasten van gemeente en inwoners zo laag mogelijk; kunnen goed uitgevoerd worden en zijn duidelijk voor de inwoners; zijn onderling afgestemd op elkaar; respecteren de wettelijke regels, maar wijken daar soms vanaf als dat nodig is om de doelen van de wetgever te realiseren of belangrijke internationale regels na te komen. 1.3kernwaarden Bij het toepassen van de regels uit deze verordening houdt de gemeente rekening met de doelen van de genoemde wetten. De gemeente zorgt ervoor dat het resultaat van een besluit recht doet aan die doelen. De gemeente gaat daarbij uit van de volgende kernwaarden: Inwoners zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het realiseren van de genoemde doelen. Inwoners zetten zich ervoor in om deze doelen te bereiken. De gemeente helpt waar dat nodig is en stimuleert inwoners om zelf oplossingen te vinden voor problemen, bijvoorbeeld met hulp van familie, vrienden en bekenden (het sociale netwerk). Kwetsbare groepen, zoals kinderen en inwoners met een beperking, hebben extra hulp nodig om volwaardig mee te doen aan de samenleving. Per hoofdstuk wordt aangegeven welke van deze en andere kernwaarden de basis van de regels vormen en welke rol zij spelen. De begrippen die in deze verordening worden gebruikt, worden toegelicht in hoofdstuk 12. 1.4artikel en wet (PW – IOAW – IOAZ – Wgs – Wmo – Jeugdwet – Gemeentewet – Awb – Burgerlijk Wetboek) Deze verordening is gebaseerd op de wetten die bij 1.1 zijn genoemd. Niet alle wetten zijn op ieder artikel van toepassing. Dat verschilt per artikel. Per artikel is aangegeven welke wetten op dat artikel van toepassing zijn. Hoofdstuk2.de hulpvraag Dit hoofdstuk gaat over de manier waarop een inwoner aan de gemeente hulp kan vragen als het gaat om één of meer van de onderwerpen uit deze verordening. Beschreven wordt hoe de inwoner een hulpvraag kan stellen, hoe de hulpverlening in zijn werk gaat en wat de gemeente van de inwoner verwacht. Uitgangspunt is dat alle hulpvragen die de inwoner heeft in één keer kunnen worden gesteld en dat er één procedure is. Dit is de standaardprocedure. Maar soms geldt voor bepaalde hulpvragen een bijzondere route. Die wordt aan het einde van dit hoofdstuk genoemd. Hoe de gemeente omgaat met signalen en hulpvragen van andere personen over inwoners die hulp nodig hebben, wordt hier niet beschreven. 2.1Stap 1: melding bij de gemeente 2.1.1indienen hulpvraag (Jeugdwet - Wmo - PW – IOAW – IOAZ – Wgs) Inwoners die hulp nodig hebben kunnen zich melden bij de gemeente. De inwoner kan deze melding op de volgende manieren doen: Schriftelijk; Mondeling; Telefonisch; Digitaal. 2.1.2procedure melding (Jeugdwet - Wmo - PW – IOAW – IOAZ – Wgs) Na de melding kan de gemeente de hulpvraag van de inwoner in behandeling nemen. De gemeente bevestigt de melding per brief / email aan de inwoner en nodigt de inwoner daarbij uit voor een gesprek met een medewerker. In die uitnodiging maakt de gemeente duidelijk waar en wanneer het gesprek plaatsvindt en waarover het gesprek zal gaan. Ook geeft de gemeente informatie over de mogelijkheid om gratis hulp te krijgen door een onafhankelijk deskundige (cliëntondersteuner) en de mogelijkheid om binnen een week zelf een plan om te stellen waarin de inwoner uitlegt hoe zijn persoonlijke situatie is en wat hij wil bereiken met zijn vraag (persoonlijk plan). 2.1.3gegevens (Jeugdwet - Wmo - PW – IOAW – IOAZ – Wgs) De gemeente verzamelt alle gegevens over de situatie van de inwoner die nodig zijn voor het gesprek. Als het gaat om gegevens die de gemeente niet zelf kan inzien, dan vraagt de gemeente aan de inwoner om die gegevens binnen 7 dagen te leveren. Bij de uitnodiging voor het gesprek wordt duidelijk gemaakt welke gegevens dat zijn. 2.2Stap 2: gesprek na de melding 2.2.1uitnodiging voor gesprek (Jeugdwet – Wmo - PW – IOAW – IOAZ – Wgs) Een inwoner die zich heeft gemeld bij de gemeente, krijgt een uitnodiging voor een gesprek met een medewerker van de gemeente. Het gesprek kan telefonisch plaatsvinden als dat voldoende is. 2.2.2doel en procedure gesprek (Jeugdwet – Wmo - PW – IOAW – IOAZ – Wgs) Het doel van het gesprek is om een goed beeld te krijgen van het effect dat de inwoner wil bereiken en van zijn persoonlijke situatie. Het gesprek vindt plaats binnen zes weken na de melding. Voor de Wgs geldt een termijn van vier weken. Bij de start van het gesprek identificeert de inwoner zich met een geldig identiteitsbewijs. Als de inwoner een persoonlijk plan heeft gemaakt, dan betrekt de medewerker dit bij het gesprek. Als de inwoner dat wil, kan hij iemand (bijvoorbeeld een familielid) vragen om bij het gesprek aanwezig te zijn. 2.2.3inhoud gesprek (Jeugdwet – Wmo - PW – IOAW – IOAZ – Wgs) 1.De medewerker bespreekt met de inwoner welk effect hij wil bereiken. In het gesprek onderzoekt de medewerker: de behoefte van de inwoner: wat is er nodig? de persoonlijke situatie van de inwoner: hoe ziet die eruit en wat betekent dit voor het gewenste effect? de (on)mogelijkheden van de inwoner: (hoe) kan de inwoner zelf bijdragen aan de oplossing van het probleem? de omgeving van de inwoner: welke hulp kan het sociale netwerk of kunnen organisaties bieden? 2.De medewerker informeert de inwoner over de mogelijkheden van de gemeente om de persoonlijke situatie van de inwoner te verbeteren. Ook informeert de medewerker de inwoner over de mogelijkheden die er zijn om in bepaalde gevallen te kiezen voor een persoonsgebonden budget (pgb). De medewerker betrekt deze zaken bij het onderzoek naar de hulpvraag. 2.2.4Verslag (Jeugdwet – Wmo – Wgs) 1.Zo spoedig mogelijk na het gesprek stuurt de medewerker de inwoner een verslag van de uitkomsten van het onderzoek naar de hulpvraag en naar de persoonlijke situatie van de inwoner. 2.Als de medewerker meer informatie nodig heeft voor het verslag, waardoor het verslag vertraging oploopt, dan wordt de inwoner hierover schriftelijk geïnformeerd. 3.Uit het verslag blijkt welk effect de inwoner wil bereiken en hoe dat kan worden gerealiseerd (plan van aanpak). Daarbij wordt gekeken naar de korte en naar de lange termijn. 4.De inwoner ondertekent het verslag en stuurt dit binnen zeven dagen naar de gemeente. Als de inwoner het niet eens is met het verslag, kan hij dat daarop aangeven en het voor gezien ondertekenen. 5.Als de inwoner hulp-op-maat van de gemeente wil ontvangen, kan hij dit aangeven op het ondertekende verslag. De gemeente ziet het verslag dan als een aanvraag. 2.3Stap 3: aanvraag 2.3.1aanvraag (Jeugdwet – Wmo- PW – IOAW – IOAZ – Wgs – Awb) 1.Na de melding en na een gesprek met een medewerker van de gemeente, kan de inwoner een aanvraag indienen volgens de regels die daarvoor gelden. De aanvraag kan schriftelijk of digitaal worden ingediend. Het doel van de aanvraag is te bepalen of de gemeente hulp verleent en welke vorm die hulp dan heeft. 2.De inwoner dient een aanvraag in met een aanvraagformulier van de gemeente. 3.Een aanvraag wordt ingediend bij de gemeente of bij een van de uitvoerders van de gemeente. 2.3.2aanvraag voor hulp-op-maat (Jeugdwet – Wmo - PW – Wgs) 1.Vraagt de inwoner hulp-op-maat, dan kent de gemeente die hulp toe in de volgende situatie: De hulp is noodzakelijk om (één van) de doelen van de 1.1. genoemde wetten te bereiken; De inwoner heeft geen mogelijkheden om het gewenste effect op eigen kracht te bereiken. Hij kan dit effect ook niet bereiken met gebruikelijke hulp van huisgenoten, met hulp vanuit het sociale netwerk of met behulp van andere voorzieningen of organisatie; De hulp past bij het gewenste effect en de persoonlijke situatie van de inwoner. 2.Voor sommige vormen van hulp zijn er in de wet of in de verordening extra voorwaarden gesteld. 3.De hulp-op-maat is niet duurder dan nodig en duurt niet langer dan nodig. De gemeente kiest daarom voor de goedkoopste voorziening die passend is om het probleem van de inwoner langdurig te verminderen of op te lossen. 4.De gemeente kan hulp-op-maat weigeren als een inwoner iets (niet) heeft gedaan waardoor hij de hulpvraag zelf heeft veroorzaakt en hij deze had kunnen voorzien. De gemeente kan hulp-op-maat ook weigeren, als een inwoner de gevraagde hulp zelf heeft ingeroepen of aangeschaft, tenzij de gemeente daarvoor toestemming heeft gegeven. Als die weigering betekent dat de inwoner grote problemen zal krijgen (onevenredig nadeel ervaart), dan kan de gemeente de hulp-op-maat wel toekennen. 2.3.3advisering (Jeugdwet – Wmo - PW – IOAW – IOAZ - Wgs – Awb) De gemeente zorgt ervoor dat de medewerker die een melding of aanvraag behandelt de deskundigheid heeft die nodig is. Als de medewerker die deskundigheid niet heeft, zorgt de gemeente ervoor dat een wel deskundige een advies uitbrengt. Dit advies (deskundig oordeel) betrekt de gemeente bij de beoordeling van de aanvraag. 2.3.4beoordelen aanvraag (Jeugdwet – Wmo – PW – IOAW – IOAZ – Wgs – Awb) 1.Bij het beoordelen van de aanvraag betrekt de gemeente alle gegevens die van belang zijn. Het gaat onder meer om gegevens over: de behoeften van de inwoner; de (on)mogelijkheden van de inwoner; de persoonlijke situatie van de inwoner; de mogelijkheden van het sociale netwerk, andere organisaties en de gemeente. 2.Om te bepalen of de gemeente hulp verleent, volgt de gemeente de volgende stappen: Stap 1: De gemeente stelt eerst vast wat de hulpvraag van de inwoner is. De gemeente stelt vast welke wet van toepassing is en of de gemeente verantwoordelijk is Stap 2: De gemeente stelt hierna vast welke problemen, beperkingen en stoornissen er precies zijn. Stap 3: De gemeente bepaalt welke hulp nodig is en hoeveel. Stap 4: De gemeente onderzoekt wat de inwoner zelf kan doen om het probleem op te lossen (eigen kracht), al dan niet met gebruikelijke hulp, met hulp van anderen uit het sociale netwerk of van andere organisaties, of met andere voorzieningen. Stap 5: De gemeente bepaalt welke aanvullende hulp nodig is om het probleem op te lossen en het gewenste effect te bereiken. 3.Voor iedere stap geldt, dat de gemeente de deskundigheid inzet die nodig is om die stap goed te kunnen afronden. Is er bijzondere deskundigheid nodig, dan zet de gemeente die in. De gemeente stelt de inwoner op de hoogte van welke deskundigheid er op welk moment nodig is en ingezet wordt. 2.3.5Beslistermijn (Jeugdwet – Wmo – PW – IOAW – IOAZ – Wgs – Awb) 1.De gemeente beslist zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen acht weken nadat de melding/ aanvraag is ontvangen of het eerste gesprek heeft plaatsgevonden. 2.De beslistermijn kan schriftelijk worden opgeschoven als de inwoner niet voldoende gegevens heeft verstrekt. Als de gemeente een besluit niet binnen de vastgestelde termijn kan nemen, dan noemt de gemeente een nieuwe termijn waarbinnen het besluit zal worden genomen. 2.4Stap 4: beslissing 2.4.1inhoud besluit (Jeugdwet – Wmo – PW -IOAW – IOAZ – Wgs - Awb) 1.De gemeente stelt een besluit per brief vast en stuurt deze brief naar de inwoner. Het doel van dit besluit is dat de inwoner te weten komt of er wel of geen hulp wordt gegeven. Als de gemeente hulp geeft, staat in het besluit ook of de hulp in natura, in de vorm van een pgb, in geld of op een andere manier wordt gegeven. 2.Geeft de gemeente hulp in natura, dan wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd: wat de hulp inhoudt en waarvoor de hulp bedoeld is; wanneer de hulp ingaat en hoe lang de hulp duurt; hoe en door wie de hulp wordt gegeven; en welke voorwaarden en verplichtingen er voor de hulp gelden. 3.Geeft de gemeente hulp in de vorm van een pgb, dan wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd: waarvoor het pgb bedoeld is; hoe hoog het pgb is; wanneer het pgb ingaat en wanneer het pgb eindigt; hoe de besteding van het pgb verantwoord wordt; en welke voorwaarden en verplichtingen er voor het pgb gelden. 4.Geeft de gemeente hulp in de vorm van geld, dan wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd: voor welk doel het geld wordt gegeven; wanneer het geld wordt betaald; hoe vaak het geld wordt betaald; en welke voorwaarden en verplichtingen er gelden. 5.De gemeente informeert de inwoner in het besluit ook over een eventuele bijdrage in de kosten. Dit is de eigen bijdrage, zoals opgenomen in hoofdstuk 6, onder 6.4. 2.4.2verval van recht (Jeugdwet – Wmo) Het recht op hulp vervalt als de inwoner niet binnen drie maanden na het besluit begint met het gebruikmaken van de hulp, tenzij dit de inwoner niet te verwijten valt. Deze voorwaarde wordt ook in het besluit opgenomen. 2.5uitzonderingen 2.5.1jeugdhulp via arts e.a. (Jeugdwet – Awb) 1.De gemeente zorgt ervoor dat de jongere jeugdhulp krijgt, als de huisarts, jeugdarts, medisch specialist, gecertificeerde instelling of jeugdreclassering de jongere doorverwijst naar een jeugdhulpaanbieder. 2.De gemeente maakt afspraken met de huisartsen, de medisch specialisten, de jeugdartsen en de zorgverzekeraars over zulke doorverwijzingen. 3.Als de jongere of zijn ouders hierom verzoeken stuurt de gemeente een brief. Dit besluit voldoet aan dezelfde eisen als het besluit na een aanvraag bij de gemeente zelf. 2.5.2spoedeisende gevallen (Jeugdwet – Wmo – PW – Wgs) 1.In spoedeisende gevallen zorgt de gemeente ervoor dat de inwoner de hulp krijgt die nodig is. De gemeente kan afwijken van de normale procedure, als dat nodig is. Het kan gaan om de volgende (tijdelijke) hulp in afwachting van een onderzoek van de gemeente: het bieden van hulp en zorg aan ouders en hun kinderen; het vragen van een machtiging aan de kinderrechter voor gesloten jeugdhulp; het bieden van een voorziening voor maatschappelijke ondersteuning; of het verstrekken van een voorschot op een uitkering of tegemoetkoming die nog niet is toegekend. Hoofdstuk3.werk en participatie De gemeente vindt het belangrijk dat inwoners met een uitkering worden geholpen bij het vinden van passend werk als zij kunnen werken. Welke hulp dat kan zijn wordt in dit hoofdstuk beschreven. De hulpmiddelen die worden ingezet heten voorzieningen. Deze voorzieningen moeten op een goede manier worden verdeeld over verschillende doelgroepen. Hoe de voorzieningen worden verdeeld wordt vooral bepaald door de kansen op betaald werk van de inwoners. Dit hoofdstuk gaat verder over de tegenprestatie die kan worden gevraagd en over meedoen aan activiteiten in de samenleving voor inwoners met een beperking. Het is belangrijk dat deze inwoners ook volwaardig kunnen meedoen en dat hun positie in de samenleving verbetert. 3.1doelgroep (PW – IOAW – IOAZ) De gemeente helpt de volgende inwoners op weg naar werk: inwoners met een gemeentelijke uitkering die niet op eigen kracht en met de hulp van het sociale netwerk, uitzendbureaus en andere organisaties de weg naar werk kunnen vinden. Inwoners met een indicatie voor beschut werk en/of opgenomen in het Doelgroepenregister. inwoners die geen hulp kunnen krijgen van andere instanties, zoals UWV, SVB of werkgevers. Per geval beoordeelt de gemeente of er hulp wordt gegeven. jongeren tot 27 jaar die geen werk en geen havo of vwo-diploma of mbodiploma vanaf niveau 2 hebben. De gemeente helpt hen een passende opleiding of passend werk te vinden, of leidt hen naar hulpverlening of zorg. 3.2samenwerking (PW – IOAW – IOAZ) De gemeente werkt samen met UWV, regiogemeenten en andere organisaties om inwoners te helpen passend werk te vinden. De gemeente zorgt ervoor dat werkgevers ondersteund worden als zij inwoners die onder de doelgroep van de gemeente vallen, werk willen aanbieden. 3.3budget (PW – IOAW – IOAZ) De gemeente kan subsidie- en budgetplafonds vaststellen voor de verschillende voorzieningen; De gemeente kan een plafond vaststellen voor het aantal personen dat in aanmerking komt voor een specifieke voorziening; Als het plafond is bereikt, verstrekt de gemeente geen voorziening meer. De gemeente kan dan nog wel advies of sollicitatietrainingen geven. 3.4evenwichtige verdeling en evaluatie (PW – IOAW – IOAZ) De gemeente stemt de hulp aan de inwoner af op de positie op de arbeidsmarkt. Voor inwoners met een grote kans op betaald werk wordt andere hulp ingezet dan voor inwoners met een kleine kans op betaald werk. De gemeente biedt hulp aan in de vorm van voorzieningen. Het doel daarvan is het vinden of behouden van passend werk. Alle voorzieningen die genoemd worden in de verordening kunnen ingezet worden voor de doelgroep. De gemeente beoordeelt per persoon of het zinvol is om een voorziening in te zetten. Als dit het geval is beoordeelt de gemeente welke voorziening zij inzet en voor hoe lang. Daarbij kijkt de gemeente naar een aantal factoren, zoals de omstandigheden van de inwoner, zijn eventuele beperkingen, de zorg voor kinderen, mantelzorg, wettelijke verplichtingen, de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk en de beschikbaarheid van voldoende budget. De gemeente kan een voorziening weigeren als: De persoon niet tot de doelgroep hoort De persoon onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek De persoon een beroep kan doen op een voorliggende voorziening De voorziening onvoldoende bijdraagt aan het vinden van een baan. Er niet wordt voldaan aan de gestelde voorwaarden van de voorziening. De gemeente kan een voorziening beëindigen als: De persoon die aan de voorziening deelneemt, niet behoort tot de doelgroep De persoon aan het werk gaat waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening, De voorziening niet helpt bij het snel vinden van werk De voorziening niet geschikt is voor een persoon De persoon onvoldoende gebruik maakt van de voorziening De persoon voldoet niet meer aan de voorwaarden die gesteld worden voor de voorziening. De gemeente biedt de beste voorziening aan tegen de laagste kosten. De gemeente houdt bij het voorzieningenaanbod rekening met andere voorzieningen in kader van het sociaal domein en stemt dit aanbod af, zodat dit bijdraagt aan optimale integrale dienstverlening. De gemeente kan de kosten vergoeden die de inwoner moet maken bij deelname aan een voorziening of bij betaald of onbetaald werk. Het college zendt jaarlijks aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de re-integratie in de praktijk. Het verslag wordt ter informatie verstuurd naar het cliëntenpanel en/of Adviesraadraad Sociaal domein. In het verslag staat informatie over het bijstandsvolume, uitstroomcijfers en cijfers m.b.t. de banenafspraak en beschut werk. VOORZIENINGEN 3.4.1sollicitatie activiteiten (PW – IOAW – IOAZ) De gemeente organiseert jaarlijks verschillende activiteiten om een inwoner aan een baan te helpen, zoals begeleiding bij solliciteren, een banenmarkt en speeddates met werkgevers. 3.4.2scholing (PW – IOAW – IOAZ) 1.De gemeente kan een inwoner scholing aanbieden, als die scholing nodig is om de stap naar werk te maken. 2.Het scholingstraject moet de baankans aanzienlijk vergroten. 3.De scholing wordt afgestemd op de mogelijkheden van de inwoner en zijn positie op de arbeidsmarkt. 3.4.3nazorg (PW – IOAW – IOAZ) De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner die aan het werk gaat, gedurende een termijn van zes maanden nadat de uitkering is beëindigd, ondersteund en begeleid wordt als dit nodig is om het werk te kunnen doen. 3.4.4tegemoetkoming kinderopvang (Jeugdwet – PW – IOAW – IOAZ – Awb) 1.Inwoners komen in aanmerking voor een tegemoetkoming kinderopvang: als de inwoner als afgesproken in het verslag meedoet aan een activiteit die nodig is om dichterbij de arbeidsmarkt te komen of om aan het werk te gaan, of een inwoner die op grond van een sociaal medische indicatie kinderopvang nodig heeft, en opvang niet mogelijk is binnen het sociale netwerk van de inwoner of er geen sprake is van een andere voorliggende voorziening. 2.Kosten van kinderopvang die voor rekening van de inwoner blijven en niet via de Belastingdienst Toeslagen (Kinderopvangtoeslag) worden vergoed, worden door de gemeente vergoed. Een inkomensafhankelijke eigen bijdrage is mogelijk als kinderopvang nodig is op grond van een sociaal medische indicatie kinderopvang. 3.4.5proefplaatsing (PW – IOAW – IOAZ) 1.De gemeente kan met enige terughoudendheid een inwoner bij wijze van proef tijdelijk en met behoud van uitkering laten werken bij een werkgever. 2.Het doel van de proefplaatsing is het krijgen van een betaalde baan waar de persoon langere tijd kan werken (duurzame uitstroom). 3.Een voorwaarde is dat de proefplaatsing leidt tot een dienstverband van minimaal zes maanden, zonder proeftijd, als de inwoner geschikt blijkt te zijn voor het werk. 4.De gemeente biedt de proefplaatsing alleen aan als: de verwachting is dat de proefplaatsing leidt tot werk voor een langere periode. de werkgever de inwoner goed begeleidt. de werkgever de intentie uitspreekt om de inwoner na een geslaagde proefplaatsing een arbeidsovereenkomst aan te bieden. de werkzaamheden passend zijn, gelet op de vaardigheden en capaciteiten van de inwoner. als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. De werkzaamheden van de inwoner niet eerder beloond zijn door de werkgever. 5.De proefplaatsing duurt maximaal twee maanden en kan met maximaal vier maanden worden verlengd, als dat voor de werkgever noodzakelijk is om een goed beeld te krijgen van de geschiktheid van de inwoner. 6.Als de werkzaamheden op de proefplaats wegens ziekte worden onderbroken, dan wordt deze periode voor het toepassen van de maximale periode niet meegeteld. 7.Een proefplaatsing kan niet ingezet worden als er na de proefplaatsing direct sprake is van een dienstverband met forfaitaire loonkostensubsidie. 8.De proefplaatsing kan niet worden ingezet als de persoon ook zonder proefplaatsing kan worden aangenomen voor dat werk. 3.4.6sociale activering (PW – IOAW – IOAZ) 1.De gemeente kan een inwoner die weinig kans heeft op werk zinvolle activiteiten aanbieden die de inwoner dichterbij werk brengen. Dit heet sociale activering. 2.Het doel van sociale activering is om inwoners te helpen moeilijkheden op weg naar werk te overwinnen. 3.De gemeente stelt de duur en de werkzaamheden af op de mogelijkheden en capaciteiten van de inwoner. 4.Een voorwaarde is dat het niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties. 5.Werkzaamheden als lid van een stembureau ziet de gemeente ook als een vorm van sociale activering. De vrijwilligersvergoeding die een persoon hiervoor ontvangt stelt de gemeente gelijk aan de reguliere vrijwilligersvergoeding. Dit betekent dat deze niet in mindering wordt gebracht op de bijstandsuitkering voor zover de maximale vrijlating voor vrijwilligersvergoedingen in een jaar nog niet is bereikt. 3.4.7participatieplaats (PW – IOAW – IOAZ) 1.De gemeente kan een inwoner die algemene bijstand ontvangt en weinig kans heeft op werk een participatieplaats aanbieden. De inwoner moet 27 jaar of ouder zijn. De participatieplaats wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de gemeente, de werkgever en de inwoner. 2.Het doel van een participatieplaats is om de kans op betaald werk te vergroten. De inwoner kan langdurig met behoud van uitkering op een bepaalde werkplek werken en doet zo werkervaring op. Het moet gaan om werkzaamheden die passend zijn en speciaal voor de inwoner zijn bedacht. 3.Een voorwaarde is dat het werk niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties 4.De gemeente verstrekt € 50 premie per zes maanden aan personen die gebruik maken van een participatieplaats. 3.4.8werkgeverssubsidie (PW – IOAW – IOAZ – Awb) 1.De gemeente kan een werkgever die een inwoner in dienst neemt een tijdelijke werkgeverssubsidie geven. 2.Het doel van deze subsidie is om werkgevers te stimuleren inwoners met een kleine kans op werk in dienst te nemen en extra kosten die werkgevers maken voor het begeleiden van deze inwoners te vergoeden. 3.Een voorwaarde is dat het werk niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties. 4.De subsidie wordt niet verstrekt als er voor dezelfde werknemer een loonkostensubsidie of andere financiële tegemoetkomingen worden verstrekt. 5.De gemeente kan nadere regels stellen over De specifieke doelgroepen waarvoor subsidie kan worden verstrekt; De hoogte en duur van de subsidie; Het recht op de subsidie in relatie tot de omvang van de dienstbetrekking; De wijze van betaalbaar stellen; Het maximaal aantal / het maximale bedrag aan te verstrekken subsidies per werkgever. 3.4.9loonkostensubsidie voor mensen met een arbeidsbeperking (PW – Awb) 1.De gemeente kent de werkgever een loonkostensubsidie toe als de werknemer wel kan werken, maar niet het wettelijk minimumloon kan verdienen. 2.Het doel van deze subsidie is om werkgevers te stimuleren inwoners met een beperking in dienst te nemen en werkgevers een vergoeding te geven voor productieverlies. 3.De gemeente stelt vast of het gaat om een inwoner die niet in staat is het wettelijk minimumloon te verdienen. Om te bepalen hoe productief de inwoner op de werkplek zal zijn (welke loonwaarde hij heeft), past de gemeente de methode toe om dit te beoordelen. De loonkostensubsidie aan de werkgever wordt op de loonwaarde afgestemd. 4.Wanneer een werkgever of werknemer een aanvraag indient voor wettelijke loonkostensubsidie bevestigt de gemeente de aanvraag schriftelijk. Wanneer een werknemer de aanvraag indient, ontvangt de werkgever ook een bevestiging. 5.Een aanvraag voor loonkostensubsidie wordt, als de inwoner niet behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, ook behandeld als een aanvraag om vast te stellen of de inwoner tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort. Als deze aanvraag is gedaan na het begin van het dienverband, wordt de beoordeling of de inwoner tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort gedaan door middel van de Praktijkroute. 6.De loonwaarde wordt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag vastgesteld, tenzij in overleg met de werkgever forfaitaire loonkostensubsidie wordt toegekend. 7.De gemeente gebruikt bij het verstrekken van de loonkostensubsidie het preferente proces loonkostensubsidie. Meer informatie staat op www.normaalstezaak.nl. 3.4.10loonkostensubsidie voor kwetsbare werknemers 1.Naast de wettelijke loonkostensubsidie kan de gemeente loonkostensubsidie verstrekken aan werkgevers die een kwetsbare inwoner in dienst nemen. 2.De loonkostensubsidie voor kwetsbare werknemers bedraagt ten hoogste 50% van de loonkosten gedurende zes maanden met mogelijkheid tot verlenging met nog eens zes maanden. 3.Onder een kwetsbare werknemer kan worden verstaan de persoon die: Voorafgaand aan de indiensttreding gedurende zes maanden geen baan heeft kunnen behouden Geen startkwalificatie bezit Ouder is dan 50 jaar Alleenstaande ouder is De Nederlandse taal in woord niet op B1 niveau beheerst. 4.Een voorwaarde is dat het niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties. 5.De loonkostensubsidie wordt niet verstrekt als de werkgever op grond van een andere regeling aanspraak maakt op financiële tegemoetkomingen in verband met de indiensttreding van de kwetsbare werknemer. De loonkostensubsidie wordt ook niet verstrekt als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de kwetsbare werknemer ook zonder loonkostensubsidie kan worden aangenomen voor dat werk. 3.4.11beschut werk (PW) 1.De gemeente biedt een inwoner een beschutte werkplek aan, als UWV heeft vastgesteld dat deze inwoner alleen kan werken als het werk en de werkplek zijn aangepast aan de mogelijkheden van die inwoner. Daarbij gelden de voorwaarden die in de Participatiewet zijn genoemd. 2.De gemeente zet zich ervoor in dat het aantal beschutte werkplekken dat de gemeente volgens het rijk jaarlijks moet realiseren, gerealiseerd wordt. 3.Het doel van beschut werk is om inwoners die alleen onder aangepaste omstandigheden kunnen werken, een veilige werkplek te bieden. 4.De gemeente biedt de volgende mogelijkheden aan, zodat een inwoner beschut kan werken: aanpassing van de werkplek of de werkomgeving; uitsplitsing van taken; aanpassingen in het werktempo, de arbeidsduur of de werkbegeleiding. 5.De gemeente kan inwoners die in aanmerking komen voor beschut werk voorzieningen aanbieden die de stap naar beschut werk makkelijker maken. Het gaat om de volgende voorzieningen: arbeidsmatige dagbesteding, zoals bedoeld in artikel 3.6.1. van deze verordening; sociale activering; scholing 3.4.12persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen (PW – IOAW – IOAZ) 1.De gemeente kan persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen verstrekken voor een inwoner met een arbeidsbeperking. 2.De gemeente stelt de volgende voorwaarden voor persoonlijke ondersteuning en overige voorzieningen: De persoon behoort tot de doelgroep van de Participatiewet en is minimaal achttien jaar oud, tenzij de inwoner VSO/PRO onderwijs heeft gevolgd; De inwoner kan zonder deze ondersteuning niet aan het arbeidsproces deelnemen; De werkgever biedt een dienstverband aan van minimaal zes maanden; Het betreft geen Arbo-taak waarvoor de werkgever verantwoordelijk is; Het betreft geen meeneembare voorziening die standaard bij de werkgever gebruikt wordt of algemeen aanwezig is in de organisatie; Er is geen sprake van een werkplekaanpassing die van de werkgever kan worden verlangd; De kosten van de voorziening(
- en)zijn proportioneel, dat wil zeggen dat de investering moet opwegen tegen de opbrengsten. 3.Een aanvraag persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen kan worden ingediend bij de gemeente door de inwoner en zijn werkgever. Er kan hiervoor een aanvraagformulier worden vastgesteld. 4.De gemeente bevestigt de ontvangst van de aanvraag. 5.De gemeente kan een deskundig oordeel en advies inwinnen, als dit de beoordeling van een aanvraag mogelijk maakt. 6.De gemeente bepaalt, in overleg met de inwoner en indien van toepassing met de werkgever, welke ondersteuning of voorziening het beste kan bijdragen aan het goed uitvoeren van het werk van de inwoner. 7.De gemeente onderzoekt, wanneer de persoonlijke situatie van de inwoner daarom vraagt, welke mogelijkheden er zijn tot samenwerking met verschillende partijen, onder meer op het gebied van jeugdhulp, onderwijs, (publieke) gezondheid en schuldhulpverlening. Dit om de inwoner een zo goed mogelijke afgestemde integrale dienstverlening aan te kunnen bieden, met als doel de mogelijkheden tot het verrichten van werk te vergroten. 8.In een beschikking voor persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen is in ieder geval opgenomen: Welke ondersteuning wordt gegeven; De hoogte van de vergoeding als een vergoeding wordt gegeven; Duur en intensiteit; De startdatum; Als iets anders wordt toegekend dan aangevraagd, wordt dit gemotiveerd met een reden. 3.4.13Hulp op de werkplek van een jobcoach of interne werkbegeleider 1.De gemeente kan een inwoner op de werkplek een jobcoach aanbieden door middel van een jobcoach die werkzaam is bij de gemeente of in opdracht werkt van de gemeente. Een jobcoach kan ook worden ingezet bij een proefplaats of een leer-werktraject. Een jobcoach kan ook ingezet worden bij het ondersteunen van vinden van werk of onderwijs. Wel moet de gemeente hier vooraf toestemming voor geven. 2.De gemeente kan, op aanvraag, de werkgever een vergoeding geven voor begeleiding door een externe jobcoach, interne jobcoach of een interne werkbegeleider. Als de inwoner extra begeleiding nodig heeft om zijn werk goed te kunnen uitvoeren, kan de gemeente een vergoeding geven aan de werkgever voor de aangetoonde meerkosten die verbonden zijn aan de interne werkbegeleiding. De gemeente kan een training aanbieden aan medewerkers om hen in staat te stellen aan personen tot de doelgroep interne werkbegeleiding te bieden. 3.De aanvraag voor hulp op de werkplek van een jobcoach of interne werkbegeleider moet binnen 8 weken na de start van de arbeidsovereenkomst zijn ontvangen, tenzij op het moment van de start van de arbeidsovereenkomst de noodzaak voor ondersteuning redelijkerwijs nog niet bekend kon zijn. Altijd worden individuele omstandigheden gewogen, waarbij de aard, omvang, duur en intensiteit worden gewogen. 4.Wanneer de aanvraag voor jobcoaching door de werkgever gedaan wordt moet werknemer op de hoogte zijn van de aanvraag en instemmen met de inzet van jobcoaching of interne werkbegeleiding. 5.Het doel van de jobcoach of de interne werkbegeleider is om de werknemer te helpen zijn werk goed te doen en waar mogelijk zichzelf te ontwikkelen. 6.De jobcoach of interne werkbegeleiding stemt de leerdoelen met de werknemer en de werkgever af en legt dit vast in een plan van aanpak. 7.De gemeente bepaalt de wijze waarop de ondersteuning wordt geboden, de intensiteit in duur en aantal uren en legt dit vast in een beschikking aan de werkgever. Afstemming is aanwezig met werkgever en werknemer. 8.Om te bepalen hoeveel uur jobcoaching in te zetten wordt gebruik gemaakt van de begeleidingsregimes licht (3%), midden (6%) en zwaar (10%. Er wordt minimaal één keer per jaar geëvalueerd. Naar aanleiding hiervan kan de intensiteit van de jobcoaching aangepast worden. 9.De gemeente kan van de begeleidingsregimes afwijken en maatwerk leveren, wanneer dit aansluit bij de persoonlijke behoeften en omstandigheden van de inwoner. 10.Een jobcoach die persoonlijke ondersteuning bij werk verzorgt moet voldoen aan de kwaliteitseisen zoals opgenomen in de bijlage (Erkenningseisen Jobcoach 2023). 11.Het college maakt jaarlijks de maximumtarieven voor jobcoaching bekend. Het tarief van de interne jobcoach is altijd 50% van het maximale tarief van de externe jobcoach. 12.Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de eisen van het coachingsplan, welke activiteiten een jobcoach moet kunnen uitvoeren en hoe de evaluatie plaatsvindt. 3.4.14Ondersteuning door de inzet van een vervoersvoorziening 1.De gemeente kan een vervoersvoorziening toekennen aan een inwoner die door zijn beperking niet zelfstandig naar zijn werkplek, proefplaatsing of opleiding kan reizen. Deze vervoersvoorziening kan zowel in natura als in vergoeding in geld worden verstrekt. 2.De gemeente biedt de vervoersvoorziening aan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: De inwoner kan door zijn beperking niet zelfstandig reizen of gebruik maken van het openbaar vervoer; en Het vervoer is beperkt tot woon-werkverkeer 3.De hoogte van de vergoeding in geld hangt af van het aantal dagen dat moet worden gewerkt en bedraagt maximaal het in de markt reguliere tarief voor een taxi of een andere vorm van vervoer. 4.De gemeente brengt een eventueel bedrag dat verstrekt wordt door de werkgever voor de vervoersvoorziening aan de werknemer, in mindering op de te verstrekken vervoersvoorziening. 3.4.15Ondersteuning bij een motorische handicap 1.De gemeente kan hulp of ondersteuning bieden voor bepaalde taken die de persoon door een motorische handicap (moeite met bewegen) niet kan doen. 3.4.16Ondersteuning door de inzet van een meeneembare voorziening 1.De gemeente kan een meeneembare voorziening toekennen, als dit noodzakelijk is voor de persoon om te kunnen werken. 2.Er is geen volledige lijst van voorzieningen. In principe kan elk product als een meeneembare voorziening worden beschouwd als is aangetoond dat het noodzakelijk is om te kunnen werken. 3.De meeneembare voorziening wordt in principe in bruikleen beschikbaar gesteld. In bijzondere gevallen kan de medewerker besluiten de voorziening in eigendom te verstrekken. 3.4.17Ondersteuning bij werkplekaanpassingen 1.De gemeente kan een werkplekaanpassing toekennen als dit noodzakelijk is voor de persoon om te kunnen werken. 3.4.18Ondersteuning bij een visuele handicap 1.De gemeente kan hulp of ondersteuning bieden voor bepaalde taken die de persoon door een visuele beperking (niet goed kunnen zien) niet kan doen. 3.5tegenprestatie 3.5.1doel van de tegenprestatie (PW – IOAW – IOAZ) 1.De gemeente vereist een tegenprestatie als de gemeente dit een passende manier voor de inwoner vindt om iets terug te doen voor de samenleving. 2.Het doel van de tegenprestatie is dat de inwoner zich inzet voor de samenleving als reactie op de inspanningen van de gemeente voor de inwoner. 3.5.2duur en omvang tegenprestatie (PW – IOAW – IOAZ) De tegenprestatie die de gemeente van de inwoner verwacht, wordt opgenomen in het verslag. Hier worden de volgende voorwaarden aan gesteld: De tegenprestatie mag het vinden van betaald werk niet in de weg zitten De tegenprestatie mag niet leiden tot verdringing van werknemers en tot oneerlijke concurrentie. Het moet gaan om activiteiten die maatschappelijk nuttig zijn, maar waarvoor geen beloning kan worden gevraagd. 3.5.3voorwaarden tegenprestatie (PW – IOAW – IOAZ) 1.Bij het opleggen van een tegenprestatie houdt de gemeente rekening met alle persoonlijke omstandigheden van de inwoner, zoals de gezinssituatie, de duur van de werkloosheid en eventuele beperkingen en vrijwilligerswerk. 2.De gemeente legt in ieder geval geen tegenprestatie op als de inwoner mantelzorg verleent en dit niet te combineren is met de tegenprestatie. 3.6meedoen in de samenleving (Wmo) Inwoners die vanwege een beperking, een psychisch of psychosociaal probleem hulp nodig hebben om mee te doen in de samenleving (participatie), kunnen op aanvraag hulp-op-maat krijgen. Zij moeten wel aan de voorwaarden van artikel 2.3.2. voldoen. Ook moet de hulp langdurig nodig zijn en een passende bijdrage leveren voor de inwoners, zodat zij in staat zijn om mee te doen in de samenleving en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen. De gemeente kan in ieder geval de volgende vormen van hulp geven: 3.6.1dagbesteding (Wmo) 1.De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die niet in staat zijn om de dag goed in te vullen, hulp-op-maat kunnen krijgen (dagbesteding) 2.De hulp-op-maat houdt in dat inwoners mee kunnen doen aan arbeidsmatige, recreatieve of andere groepsactiviteiten onder begeleiding, voor een aantal dagdelen per week. 3.6.2persoonlijke begeleiding (Wmo) De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die niet in staat zijn de normale dagelijkse activiteiten te doen, hulp-op-maat kunnen krijgen. De hulp-op-maat houdt in dat inwoners begeleid worden bij deze activiteiten (persoonlijke begeleiding). Het betekent, dat de begeleider helpt bij de dagelijkse gang van zaken en de inwoner help om op een goede manier met zijn omgeving om te gaan. De begeleider kan ook helpen bij vaak terugkerende activiteiten, zoals het structureren van de dag, het doen van de administratie en het beheren van de financiën. De begeleider neemt deze activiteiten niet volledig over. 3.6.3rolstoel (Wmo) 1.De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die zich vanwege een beperking niet voldoende kunnen verplaatsen in en om de woning, hulpopmaat kunnen krijgen. 2.De hulpopmaat houdt in dat de inwoner een rolstoel kan krijgen die geschikt is voor dagelijks zittend gebruik door de inwoner. De rolstoel kan bestaan uit een handmatig of elektronisch voortbewogen rolstoel en voor zowel binnen als buitengebruik geschikt zijn. 3.6.4contact met anderen (Wmo) 1.De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die vanwege een beperking onvoldoende mogelijkheden hebben om binnen redelijke grenzen contact met anderen te hebben, hulpop-maat kunnen krijgen. 2.De gemeente kijkt eerst of een vervoersprobleem opgelost kan worden met openbaar vervoer of collectief taxivervoer. 3.De hulpopmaat houdt in dat inwoners geholpen worden bij het vervoer dicht bij huis zodat ze mee kunnen doen met recreatieve, maatschappelijke en religieuze activiteiten en zelf de dagelijkse boodschappen kunnen doen. Die hulp kan bestaan uit: de mogelijkheid om te reizen met collectief taxivervoer; een taxi; een scootmobiel, of het gebruikmaken van een vervoersvoorziening. 4.Een combinatie van deze voorzieningen kan tot de mogelijkheid behoren als er verschillende afstandsdoelen zijn. 5.Het moet gaan om: het zich verplaatsen rondom de woning; het zich verplaatsen over een langere afstand dicht bij huis; of het vervoer naar de plek waar de inwoners deelnemen aan een activiteit van de gemeente om de dag in te vullen. 6.Een voorziening voor woon-werk verkeer en zakelijk verkeer is uitgesloten. 3.7Meedoen aan sportactiviteiten (Wmo) Voor sportactiviteiten is verstrekking van een sportrolstoel mogelijk. 3.8Vervanging vervoermiddel of rolstoel (Wmo) Als de inwoner hulp-op-maat wil en het gaat om vervanging van een eerder door de gemeente verstrekt rolstoel of vervoermiddel, dan doet de gemeente dit alleen, als het vervoermiddel of de rolstoel: technisch is afgeschreven; verloren is gegaan buiten de schuld van de inwoner om, of geen oplossing meer is voor de problemen die de inwoner ervaart bij het verplaatsen in en om de woning of het vervoer dicht bij huis. Hoofdstuk4.gezond en veilig opgroeien Jongeren in Nederland moeten zo gezond en veilig mogelijk kunnen opgroeien. Dat is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van jongeren, hun ouders en hun netwerk. Als zij daarbij hulp nodig hebben, dan kunnen zij een beroep doen op ondersteuning door de gemeente. Deze hulp wordt zo vroeg mogelijk aangeboden, om het beroep op dure, gespecialiseerde hulp te verminderen. Daarbij staat het versterken van de eigen kracht van de jongere en van het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin en de sociale omgeving voorop. Met jongeren bedoelen we in deze verordening kinderen en jongeren tot 18 jaar en jongvolwassenen van 18 tot 23 die al jeugdhulp ontvingen toen zij 18 waren en die deze hulp vanaf hun 18e nog nodig hebben. Dit zijn de jeugdigen zoals beschreven in artikel 1.1 van de Jeugdwet. 4.1uitgangspunten bij het bieden van hulp (Jeugdwet) Bij het bieden van hulp houden de gemeente en de jeugdhulpverlener rekening met het geloof, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jongere en de ouders. Alle hulp is gericht op het versterken van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jongere, zijn ouders en hun sociale netwerk. Pleegouders kunnen voor hulp in eerste instantie bij de pleegzorgorganisatie terecht. Als het nodig is kan de pleegzorgorganisatie extra hulp vragen aan de gemeente. Als het gewenste effect van de jeugdhulp niet op eigen kracht of met het sociale netwerk bereikt kan worden, maar wel met hulp die vrij toegankelijk is, dan wordt die hulp ingezet. Het gaat dan bijvoorbeeld om hulp door een organisatie die werkt binnen de sociale basisinfrastructuur. Kan het gewenste effect niet bereikt worden met die hulp, dan wordt hulpopmaat ingezet. Als een collectieve, groepsgewijze voorziening beschikbaar is, gaat deze voor op een individuele hulp-op-maat voorziening. De hulpvraag van de jongere of ouder wordt integraal in samenhang met vraagstukken op andere domeinen onderzocht. Jongeren of ouders kunnen alleen in aanmerking komen voor hulp-op-maat als zij geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag door: Gebruik te maken van een andere voorziening. Een andere voorziening is voorliggend aan een voorziening die op grond van de Jeugdwet beschikbaar wordt gesteld, hierbij bestaat het aanbod o.a. uit: Ondersteuning vanuit de Zorgverzekeringswet Ondersteuningsstructuur op school vanuit de Wet passend onderwijs Ondersteuning vanuit de Leerplichtwet Ondersteuningsstructuur vanuit de Wet kinderopvang en/of de Wet primair onderwijs Ondersteuning op grond van de Wmo 2015 en/of Participatiewet. Gebruik te maken van hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen, waaronder ook wordt verstaan het aanspreken van een afgesloten aanvullende zorgverzekering. 4.2preventieve maatregelen (Jeugdwet) De gemeente zorgt ervoor dat jongeren zoveel mogelijk gezond, kansrijk en veilig kunnen opgroeien. Om dat te bereiken helpt de gemeente alle jongeren, hun ouders en hun sociale netwerk met: het versterken van de opvoed- en opgroeiomgeving, waarin gezinnen, wijken, scholen, kinderopvang en peuterspeelzalen samenwerken en elkaar aanvullen; informatie, advies en trainingen; jeugdgezondheidszorg (GGD: consultatiebureau, schoolarts); activiteiten voor jongeren die hun talenten ontwikkelen via het jongerenwerk; opvoedondersteuning; een vertrouwenspersoon; Deze hulp is vrij toegankelijk. De inwoner heeft hiervoor geen verwijzing door een huisarts, een medisch specialist of een jeugdarts nodig, en ook geen besluit van de gemeente. De gemeente zorgt ervoor dat signalen over zorgen bij opgroei- en opvoedingsproblemen zo vroeg mogelijk worden opgevangen en dat daar ook zo vroeg mogelijk hulp wordt geboden. Waar mogelijk biedt de gemeente jeugdhulp op vrijwillige basis. 4.3hulp-op-maat (Jeugdwet) Indien de hulpvraag niet met vrij toegankelijke hulp en begeleiding vanuit het Sociaal team kan worden opgelost, kan de gemeente de volgende hulp–op–maat aanbieden: een plek in een pleeggezin, gezinshuis, of verblijf in een instelling. Pleegzorg of gezinshuis heeft hierbij de voorkeur; ambulante specialistische jeugdhulp in de vorm van begeleiding, ondersteuning of behandeling; crisiszorg; ernstige dyslexiezorg (ED); vervoer van de jongere van en naar een plek waar jeugdhulp wordt geboden; dagbesteding; respijtzorg Deze hulp is niet vrij toegankelijk. De inwoner heeft daarvoor een verwijzing door een huisarts, een medisch specialist of een jeugdarts nodig, of een besluit van de gemeente. 4.4overgang van 18- naar 18+ (Wmog – Jeugdwet) De gemeente is er verantwoordelijk voor dat jongeren uit de jeugdhulp ondersteund blijven worden als ze 18 jaar worden. Dat wil zeggen dat de gemeente zorgt voor een plan voor de jongere op alle belangrijke leefgebieden voordat de jongere 18 jaar wordt. Als de jongere na hun 18e levensjaar een ondersteuningsvraag hebben, vindt tijdige afstemming plaats welke andere voorzieningen nodig zijn na het 18e levensjaar Dit perspectiefplan besteedt in ieder geval aandacht aan de volgende onderwerpen: scholing, werk of participatie wonen inkomen zorg en ondersteuning vrije tijd het netwerk van de jongeren Het is mogelijk dat de jeugdhulp wordt verlengd. Dit kan maximaal tot de dag dat de jongere 23 jaar wordt. Deze verlenging is dan een onderdeel van het plan. Als sprake is van pleegzorg, dan wordt in alle gevallen onderzocht of verlenging hiervan wenselijk is. Pleegzorg en verblijf in een gezinshuis loopt standaard totdat de jongere 21 jaar wordt. Van 21 tot 23 jaar kan sprake zijn van verlengde jeugdzorg. Indien de zorg vanaf de 18e verjaardag onder het basispakket van de Zorgverzekeringswet valt en de reële verwachting is dat deze zorg na de 18e verjaardag van de jongere wordt voorgezet, voldoet het besluit over de voortzetting van de zorg aan de eisen die daaraan gesteld worden door de zorgverzekeraars. In de gevallen bedoeld in het vorige lid wijst het college de jongere en zijn ouders erop dat de zorg vanaf de 18e verjaardag van de jongere onder de Zorgverzekeringswet valt en legt het uit welke gevolgen dat heeft. Indien continuïteit van de zorg nodig is, spant het college zich daarvoor in. 4.5afstemming met andere vormen van hulp (Jeugdwet) De gemeente zorgt ervoor dat de hulp aansluit bij andere vormen van hulp die aan de jongere of zijn ouders wordt gegeven. Om dat te bereiken maakt de gemeente afspraken met hulpverleners, instellingen, zorgverzekeraars en andere personen of organisaties. 4.6afstemming langdurige zorg (Jeugdwet) De jongere of zijn ouders worden ondersteund richting het Centraal Indicatieorgaan Zorg indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de jongere in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet Langdurige zorg Indien de jongere of zijn ouders weigeren mee te werken aan het verkrijgen van een besluit van het Centraal Indicatieorgaan Zorg, is het college niet verplicht een individuele voorziening toe te kennen op grond van deze verordening. 4.7veilig thuis (Jeugdwet) Er is een Advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling Veilig Thuis. Dit advies- en meldpunt biedt 24 uur per dag 7 dagen per week advies en ondersteuning aan iedereen die direct of indirect is betrokken bij huiselijk geweld en kindermishandeling. Hoofdstuk5.wonen in een veilige en gezonde omgeving Inwoners met een beperking en/of met langdurige psychosociale problemen hebben soms hulp nodig om zo lang en zelfstandig mogelijk in hun eigen leefomgeving te kunnen blijven wonen. De gemeente heeft de taak om inwoners te helpen als ze niet in staat zijn om zelf oplossingen te vinden voor knelpunten in hun woning, bij normale dagelijkse activiteiten en in de huishouding. De gemeente moet ook maatregelen nemen om er voor te zorgen dat inwoners met een beperking zo lang mogelijk voor zichzelf kunnen zorgen (zelfredzaamheid). De gemeente kijkt hierbij niet alleen naar de korte termijn, maar ook naar de te verwachten ontwikkelingen. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen over de hulp die gemeente aan deze inwoners kan geven. 5.1Uitgangspunten (Wmo) De gemeente zet zich ervoor in, dat inwoners met een beperking zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen, de normale dagelijkse activiteiten kunnen uitvoeren en een eigen huishouding kunnen voeren. Inwoners kunnen op aanvraag hulp-op-maat krijgen, als ze voldoen aan de voorwaarden van artikel 2.3.2. Ook moet de hulp langdurig nodig zijn en een passende bijdrage leveren, zodat inwoners zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen. De gemeente stelt normen vast voor het beoordelen van aanvragen voor hulp–op–maat in het kader van de Wmo. Deze normen moeten zijn gebaseerd op objectief onderzoek dat door onafhankelijke deskundigen is gedaan. De normen maken duidelijk welke concrete hulp er voor inwoners in hun situatie nodig is. De gemeente kan afwijken van deze normen als dat nodig is voor een passend en aanvaardbaar niveau van wonen en leven. Dit artikel is ook van toepassing op meedoen aan de samenleving en sportactiviteiten (zie artikel 3.6 en 3.7). 5.2zelfstandig en veilig wonen 5.2.1geschikte woning (Wmo) 1.De gemeente zorg ervoor dat de inwoner hulp-op-maat kan krijgen als het normale gebruik van zijn woning als gevolg van een beperking niet mogelijk is. 2.Voor het opheffen van belemmeringen in het normale gebruik van de woning zijn de volgende voorzieningen mogelijk: niet bouwtechnische en woontechnische aanpassingen; losse woonunits (allen voor noodzakelijke extra leefruimte). 3.Voor een aanvraag voor niet bouwtechnische en woontechnisch aanpassingen moeten drie offertes worden aangevraagd als het een bepaald bedrag te boven gaat, zoals opgenomen in de Tarievenlijst Jeugd en Wmo. 4.Als de woning van de inwoner niet of slechts tegen zeer hoge kosten (meer dan € 10.000,- ) aangepast kan worden, dan kan de gemeente van de inwoner verwachten dat hij verhuist naar een geschikte(
- re)woning, als deze beschikbaar is. De huidige woning wordt dan niet door de gemeente aangepast. 5.De gemeente zorgt voor een tegemoetkoming in de verhuiskosten, zoals opgenomen in de Tarievenlijst Jeugd en Wmo, als de inwoner verhuist naar een geschikte(
- re)woning en daarbij voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 2.3.2. 6.Een woonvoorziening die een eerder verstrekte woonvoorzieningen vervangt, kan alleen worden verstrekt, als: de eerder verstrekt woonvoorziening technisch is afgeschreven; de eerder verstrekte woonvoorziening verloren is gegaan buiten de schuld van de inwoner om, of als de woonvoorziening geen oplossing meer is voor de woonproblemen van de inwoner. 5.2.2een schone en leefbare woning (Wmo) 1.De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner hulp-op-maat kan krijgen als hij als gevolg van een beperking zijn woning niet schoon en leefbaar kan houden. 2.De hulp-op-maat houdt in dat de woonkamer, slaapkamer, keuken, badkamer en de gang(
- en)tussen die ruimten voor zover nodig regelmatig schoongehouden worden. Ook het aanbrengen van structuur in de huishouding, het doen van boodschappen, het zorgen voor eten en drinken, en het wassen, drogen en strijken van kleding, bedden- en linnengoed kan deel uitmaken van de hulp-op-maat. 3.Voor de beoordeling van aanvragen geldt de “Tijdsnormering huishoudelijke taken Bunschoten”, zoals opgenomen in bijlage 1. 5.2.3beschermd wonen (Wmo) 1.De gemeente kan de inwoner de indicatie Beschermd Wonen geven als de inwoner: is aangewezen op een beschermende woonomgeving, gelet op complexe problematiek; en 24-uurs (maatschappelijke) opvang of hulp-op-maat in de vorm van begeleiding en dagbesteding wel of niet gecombineerd met respijtverblijf in een instelling niet als passende bijdrage kunnen worden aangemerkt; en deze (mede) gericht zijn op het in staat stellen van de inwoner om zich op eigen kracht in de samenleving staande te houden. 2.Een indicatie voor beschermd wonen wordt gesteld in de vorm van een zorgarrangement. 3.De beschermende woonomgeving gaat samen met noodzakelijk verblijf in een accommodatie van een zorgaanbieder waar toezicht en aangewezen ondersteuning wordt geboden. 5.3Mantelzorg (Wmo) 5.3.1ondersteuning mantelzorger (Wmo) 1.De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die mantelzorg geven in een situatie waarin steeds toezicht nodig is, hulp-op-maat of een andere voorziening kunnen krijgen als zij niet in staat zijn om de mantelzorg vol te houden of om te voorkomen dat zij overbelast raken. 2.De hulp-op-maat houdt in dat de mantelzorg tijdelijk wordt overgenomen door een professional. We noemen dit respijtverblijf. 5.3.2mantelzorgwaardering (Wmo) 1.De gemeente waardeert de inzet van mantelzorgers voor inwoners met een beperking. Daarom stelt de gemeente jaarlijks een mantelzorgwaardering vast. Het doel van de mantelzorgwaardering is om het belang van mantelzorgers in de samenleving te onderstrepen. 2.De mantelzorgwaardering heeft de volgende vorm: een blijk van waardering in de vorm van een bon; mogelijkheid tot deelname aan een activiteit in kader van “dag van de mantelzorg”. Hoofdstuk6.de vorm van de hulp De hulp die de gemeente geeft is in principe “in natura”: de gemeente zorgt ervoor dat er hulp wordt ingezet. Dat kan in de vorm van een dienst zijn (bijvoorbeeld hulp in de huishouding), maar het is ook mogelijk dat er een product wordt gegeven (bijvoorbeeld een rolstoel). In bepaalde gevallen kan de hulp in de vorm van geld worden gegeven (individuele inkomenstoeslag) of als een persoonsgebonden budget. In dit hoofdstuk is geregeld op welke manier de gemeente de hulp geeft. Ook is geregeld wanneer de gemeente een financiële bijdrage aan de inwoner kan vragen. 6.1hulp in natura (Jeugdwet – Wmo – PW – Wgs – Gemeentewet) De inwoner die hulp van de gemeente krijgt, ontvangt de hulp in natura (een dienst of een product), tenzij in de wet of in deze verordening anders is bepaald. Gaat het om een product in de Wmo dan wordt dat over het algemeen in bruikleen verstrekt. De gemeente ziet erop toe dat de leverancier van een product de wettelijke bepalingen over de garantie naleeft en de inwoner informeert over alles wat van belang is om te weten over dienst of het product. 6.2hulp in geld (Jeugdwet – Wmo – PW – IOAW – IOAZ – Wgs – Gemeentewet) De inwoner die hulp van de gemeente krijgt ontvangt hulp in de vorm van geld, als dat in de wet of in deze verordening zo is bepaald. Hulp in de vorm van geld hoeft meestal niet terugbetaald te worden. Alleen als in de wet of in deze verordening anders is bepaald en dit aansluit bij de persoonlijke situatie van de inwoner, dan moet het geld wel worden terugbetaald. De gemeente zorgt ervoor dat zij de betaling aan de inwoner doet binnen een kalendermaand nadat de gemeente een besluit heeft genomen over de betaling. De betaling wordt gedaan op het bankrekeningnummer dat de inwoner heeft doorgegeven, tenzij het doel van de betaling alleen maar op een andere manier kan worden bereikt. Dan kan de gemeente het geld op een andere manier, in een andere vorm betalen of aan een andere persoon betalen. Het kan bijvoorbeeld gaan om een betaling aan een leverancier of een betaling in contant geld, als de inwoner geen bankrekening heeft. De gemeente kan beslissen om het geld niet te betalen maar te verrekenen met een bedrag dat de inwoner moet terugbetalen (vordering), als dit volgens de wettelijke regels kan. Het moet gaan om een vordering op grond van een van de wetten waarop deze verordening is gebaseerd. De gemeente kan een besluit nemen om betalingen te doen, zonder dat de inwoner daar met een brief over wordt geïnformeerd. 6.3persoonsgebonden budget 6.3.1voorwaarden (Wmo – Jeugdwet) 1.In plaats van hulp in natura kan de inwoner een persoonsgebonden budget (pgb) krijgen als het om Wmohulp of jeugdhulp gaat en voldaan is aan de voorwaarden die de Wmo en de Jeugdwet stellen en die in deze paragraaf staan. 2.De gemeente kent een pgb pas toe als zij vindt dat de inwoner (of zijn vertegenwoordiger) in staat is zijn belangen voldoende te behartigen. De inwoner moet de taken die bij het pgb horen op een verantwoorde manier kunnen uitvoeren. 3.Een pgb wordt alleen verstrekt als de inwoner kan motiveren waarom een pgb de voorkeur heeft boven hulp-op-maat. De inwoner moet motiveren waarom hulp-op-maat door de gemeente voorgestelde aanbieder niet passend wordt geacht. 4.Een pgb voor beschermd wonen is in beginsel alleen mogelijk indien sprake is van een kleinschalige woonvorm (de accommodatie) die bestaat uit minimaal 3 en maximaal 26 bewoners en waarbij aan de volgende cumulatieve eisen wordt voldaan: De bewoners staan bij de gemeente ingeschreven op één adres, op aaneengesloten adressen of adressen die dichtbij elkaar liggen (binnen een straal van 100 meter) waar het beschermd wonen wordt geboden. De bewoners hebben in de accommodatie een gemeenschappelijke ruimte hebben voor gezamenlijke activiteiten. 5.Verblijf bij ouders of wettelijke vertegenwoordigers valt niet onder een kleinschalige woonvorm. 6.Het pgb is bedoeld voor hulp, maar kan niet aan alle kosten die daarmee te maken hebben worden besteed. Er is geen verantwoordingsvrij bedrag bij het pgb. Het pgb kan niet besteed worden aan: kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers; het voeren van een pgb-administratie; ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb-administratie; en kosten voor een feestdagenuitkering aan de hulpverlener(s). een eenmalige uitkering kosten voor scholing of lidmaatschappen 7.De gemeente verstrekt geen pgb in de volgende situaties: De kosten zijn gemaakt vóórdat de aanvraag is ingediend en het is niet meer na te gaan of die hulp nodig was. Voor activiteiten die normaal door het sociaal netwerk worden verricht, zoals: (sociale) activiteiten ondernemen met de inwoner; het doen van boodschappen lichte huishoudelijke taken eenvoudige hulp bij administratie het maken van afspraken en/of het meegaan naar afspraken met artsen vervoer naar afspraken met artsen Het gaat om kosten voor vervoer, maar de inwoner kan gebruikmaken van het collectief taxivervoer. Uit het door de inwoner ingediende pgbplan blijkt niet dat de kwaliteit van de hulp voldoende gewaarborgd is. De inwoner kan het pgb niet zelf beheren en de beoogde pgbbeheerder is dezelfde persoon als de beoogde hulpverlener. Er sprake is van formele pleegzorg. Er sprake is van crisishulp/crisisopvang/spoedeisende zorg Het een minderjarige betreft die een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering heeft gekregen of een jongere die is opgenomen in een gesloten accommodatie. Er sprake is van bezwaren van overwegende aard. Ter beoordeling daarvan kan het college nadere gegevens inwinnen of van de aanvrager verlangen, waaronder een verklaring omtrent het gedrag (VOG) of diploma’s van de te kiezen zorgverlener. De gemeente heeft eerder toepassing gegeven aan artikel 8.1.4 eerste lid, onderdeel a, d en e van de Jeugdwet. Een pgb wordt gebruikt om inkomen aan te vullen of om inkomstenderving op te vangen. Het pgb is bedoeld voor besteding in het buitenland. 6.3.2pgb bij hulp door personen uit het sociale netwerk (Wmo – Jeugdwet) 1.De persoon die hulp geeft mag iemand uit het sociale netwerk van de inwoner zijn als deze persoon voldoet aan de volgende voorwaarden: Deze persoon hanteert een tarief dat binnen het minimum en maximumbedrag valt. Het minimumbedrag is de hoogste periodiek voor de benodigde hulp in de desbetreffende CAO, vermeerderd met de vakantiebijslag en tegenwaarde van de verlofuren en bij een volledige werkweek. Het maximumbedrag is het bedrag dat de gemeente zou betalen voor hulp die nodig is (hulp-in-natura-tarief). Het percentage van het bedrag dat kan worden uitgekeerd aan een persoon uit het sociale netwerk is afhankelijk van de vorm van hulp-op-maat. Deze persoon heeft met goede argumenten aangegeven dat hij door het geven van de hulp niet overbelast raakt. Ook is deze persoon in staat om kwalitatief goede hulp te bieden en planmatig te werken. De persoon doet melding bij de gemeente van iedere calamiteit of geweldsincident die bij verlening van de jeugdhulp plaatsvindt. De persoon stelt een vertrouwenspersoon in de gelegenheid zijn taak uit te voeren. De zorgverlener beschikt over een VOG (behalve als de zorgverlener een ouder is). 2.Hulp door bloed-of aanverwanten in de eerste of tweede graad, wordt altijd als hulp door iemand uit het sociale netwerk gezien. 6.3.3hoogte en tarief pgb (Wmo – Jeugdwet) 1.De inwoner maakt een plan voor de besteding van het pgb. Dit is het budgetplan pgb. Hierin staat welke hulp de inwoner met het pgb wil betalen en door wie de hulp wordt gegeven. De gemeente moet het plan goedkeuren en zal daarna het pgb vast stellen. De inwoner is verplicht om van de modelzorgovereenkomst van de Sociale Verzekeringsbank gebruik te maken waarin de afspraken over zorg worden vastgelegd. 2.Het college stelt maximale tarieven voor pgb vast in de Tarievenlijst Jeugd en Wmo en maakt deze Tarievenlijst bekend. 3.De gemeente baseert de hoogte van het pgb op een offerte voor de aangegeven kosten. In deze offerte moet staan hoe hoog de kosten van de dienst of het product zijn (kostprijs). Met deze kostprijs moet de inwoner veilige, doeltreffende en kwalitatief goede hulp kunnen inkopen. Voor het verkrijgen van een pgb kan het vergaren van één of meerdere offertes door de aanvrager verplicht worden gesteld. 4.De kostprijs mag niet hoger zijn dat wat gebruikelijk is voor de dienst of dat product. De hoogte van het pgb is gelijk aan de hoogte van de offerte. Er geldt wel een maximum bedrag. Dat is het bedrag dat de gemeente zou betalen voor de hulp die nodig is (hulp in natura –tarief). Wanneer de offerte hoger is dat dit maximumbedrag, vergoedt de gemeente de meerprijs niet. 5.Gaat het om een product, dan houdt de gemeente bij de hoogte van het pgb rekening met een reële termijn voor de technische afschrijving en met de onderhoud- en verzekeringskosten. 6.Bij de verschillende vormen van hulp op maat horen verschillende tarieven. Als de kosten in het budgetplan pgb lager zijn dan het tarief zoals vastgesteld in de Tarievenlijst Jeugd en Wmo, dan geldt het tarief uit het budgetplan pgb. 7.De gemeente heeft verschillende pgb tarieven voor de volgende vormen van hulp op maat: dagbesteding en een schone en leefbare woning: de persoon die in dienst is van een aanbieder ontvangt het maximale tarief zoals opgenomen in de Tarievenlijst. de persoon die als zelfstandige hulp verleent, ontvangt 75% van dit tarief; de persoon die deel uitmaakt van het sociale netwerk ontvangt 50% van dit tarief, met als ondergrens (bij het bestaan van een dienstbetrekking) de hoogste periodiek voor de benodigde hulp in de desbetreffende CAO, vermeerderd met de vakantiebijslag en tegenwaarde van de verlofuren persoonlijke begeleiding, ambulante behandeling jeugd en respijtverblijf (ontlasting mantelzorger/time-outvoorziening): de persoon die in dienst is van een zorgaanbieder ontvangt het maximale tarief zoals opgenomen in de Tarievenlijst. Hierbij is het functieniveau van de persoon in dienst van de zorgaanbieder bepalend voor de hoogte van het tarief. de persoon die als zelfstandige hulp verleent, ontvangt 75% van dit tarief; de persoon die deel uitmaakt van het sociale netwerk ontvangt 50% van dit tarief, met als ondergrens (bij het bestaan van een dienstbetrekking) de hoogste periodiek voor de benodigde hulp in de desbetreffende CAO, vermeerderd met de vakantiebijslag en tegenwaarde van de verlofuren. beschermd wonen: de hoogte van het pgb voor beschermd wonen vloeit voort uit het voor de inwoner van toepassing zijnde zorgarrangement. De hoogte van het pgb wordt vastgesteld op basis van het aantal geïndiceerde uren, het geldende uurtarief zoals opgenomen in de Tarievenlijst Jeugd en Wmo en het pgb-plan. het pgb uurtarief bedraagt 90% van het uurtarief ZIN. Jaarlijks worden deze tarieven geïndexeerd conform inkoopafspraken zoals gehanteerd bij de inkoop van ZIN en door het college vastgesteld in de Tarievenlijst Jeugd en Wmo. Indien sprake is van overgangsrecht geldt een tarief van 75% van het van toepassing zijnde zorginstellingstarief. als de inwoner in een accommodatie verblijft of zal verblijven die voldoet aan de eisen zoals genoemd in artikel 5.2.3 van deze verordening, dan kan de gemeente een wooninitiatieventoeslag verstrekken. De hoogte van de wooninitiatieventoeslag is opgenomen in de Tarievenlijst Jeugd en Wmo. contact met anderen en meedoen aan sportactiviteiten: voor de taxi en rolstoeltaxi geldt een pgb tarief zoals opgenomen in de Tarievenlijst Jeugd en Wmo met een maximum van 2000 kilometer per jaar voor een vervoersvoorziening geldt dat het pgb wordt bepaald op basis van de laagste kostprijs aan de hand van twee offertes, maar daarbij wel moet worden voldaan aan een programma van eisen voor een sportrolstoel geldt dat het pgb wordt bepaald op basis van de laagste kostprijs aan de hand van twee offertes en dat moet worden voldaan aan een programma van eisen, zoals in de toelichting bij deze verordening opgenomen. geschikte woning: de hulp op maat wordt berekend op basis van en de laagste kostprijs in de hand van twee offertes, maar daarbij moet wel worden voldaan aan een programma van eisen. Als de gemeente de hulp op maat regelt door een gecontracteerde aanbieder te vragen, dan is de hoogte van het pgb het bedrag dat de aanbieder rekent. 6.3.4verantwoording pgb (Wmo – Jeugdwet) 1.De gemeente kan de inwoner vragen om duidelijk te maken hoe het pgb is besteed en welke resultaten de hulp voor de inwoner heeft gehad. Voor dat verslag maakt de inwoner gebruik van een formulier van de gemeente. 2.Als een inwoner hulp-op-maat in de vorm van een pgb krijgt, wordt alleen de hulp uitbetaald die feitelijk geleverd is. 6.3.5opschorten pgb (Wmo – Jeugdwet) De gemeente kan de SVB vragen om de uitbetaling uit het pgb helemaal of gedeeltelijk uit te stellen totdat een besluit is genomen om het pgb weer voort te zetten of in te trekken. Dit kan de gemeente doen als: de inwoner onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt, terwijl het verstrekken van de juiste of volledige informatie zou hebben geleid tot een andere beslissing van de gemeente; de inwoner niet voldoet aan de voorwaarden die bij een pgb horen; of de inwoner het pgb niet of voor een ander doel heeft gebruikt. 6.4wat is de eigen bijdrage? (Wmo) De gemeente kan voor een aantal voorzieningen aan de inwoner een eigen bijdrage vragen. De inwoner betaalt een bijdrage in de kosten voor Wmo-hulp-op-maat, zolang de inwoner gebruik maakt van die hulp of voor de periode waarvoor een pgb is verstrekt. Gaat het om een product, dan betaalt de inwoner een bijdrage totdat de kostprijs is betaald. De inwoner betaalt de bijdrage per maand aan het Centraal Administratiekantoor (CAK). De hoogte van deze periodieke bijdrage is gelijk aan het bedrag dat maximaal betaald moet worden op grond van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. De kostprijs van hulp-op-maat in natura wordt bepaald door een aanbesteding, na consulatie in de markt of na overleg met de aanbieder. Bij een product maken maandelijkse kosten en/of onderhoudskosten deel uit van de kostprijs. Gaat het om kosten van een woningaanpassing voor een minderjarige inwoner, dan betalen de onderhoudsplichtige ouders de bijdrage. De inwoner betaalt een eigen bijdrage in de kosten van Wmo-hulp voor de volgende andere voorzieningen: het schoon en leefbaar houden van de woning voor een mantelzorger van een inwoner (hulp in de huishouding). De hoogte van deze periodieke bijdrage is gelijk aan het bedrag dat maximaal betaald moet worden op grond van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. collectief taxivervoer. De eigen bijdrage is € 2,75 per zone. Wanneer een inwoner geïndiceerd is voor collectief taxivervoer kan deze tegen gereduceerd tarief gebruik maken van collectief taxivervoer. De eigen bijdrage is dan € 1,20 per zone. De eigen bijdrage Wmo kan van 0-100% worden verlaagd indien: Het schuldhulpverleningstraject van de betreffende cliënt wordt geblokkeerd doordat het heffen van de eigen bijdrage voor begeleiding vanuit de Wmo leidt tot oplopende schulden. Er sprake is van schulden waardoor de cliënt de eigen bijdrage niet kan betalen en hulp vanuit de Wmo noodzakelijk is. Om te besluiten tot een verlaging van de eigen bijdrage is het een voorwaarde dat men deelneemt aan de gemeentelijke schuldhulpregeling. Indien er sprake is van beperkt ziekte-inzicht of zorgmijdend gedrag waardoor heffing van de eigen bijdrage leidt tot het niet accepteren van hulp vanuit de Wmo en deze hulp noodzakelijk is. Van noodzakelijke hulp is sprake bij begeleiding of dagactiviteiten, waarbij: Het ontbreken van deze hulp leidt tot crises waardoor de veiligheid van de cliënt of zijn/haar omgeving in het geding komt en extra inzet van hulpdiensten nodig is. Er sprake is van overbelasting van de mantelzorger, in die mate dat directe uitval van de mantelzorger en opname van de cliënt dreigt. Tot een verlaging van de eigen bijdrage Wmo als genoemd in het zesde lid wordt alleen besloten indien er geen andere oplossingen mogelijk zijn en voor de periode, het percentage en de vorm van zorg die noodzakelijk is. De gemeente vraagt geen eigen bijdrage voor een rolstoel voor het gebruik in huis en het onderhoud daarvan. Hoofdstuk7.inkomen en schulden Voor inwoners die de dagelijkse kosten niet kunnen betalen heeft de gemeente een financieel vangnet: een maandelijkse bijstandsuitkering. Om deze inwoners en andere inwoners met een laag besteedbaar inkomen of een beperking of chronisch psychisch of psychosociaal probleem extra te ondersteunen kunnen zij bij de gemeente een aantal aanvullende uitkeringen en tegemoetkomingen aanvragen. In dit hoofdstuk worden de belangrijkste extra’s geregeld. Ook worden er enkele basisregels gegeven voor de hulp die de gemeente kan bieden bij schulden. 7.1lokaal inkomensbeleid In deze paragraaf wordt beschreven waar de gemeente rekening mee houdt bij het maken van beleid om armoede en schulden in de gemeente te voorkomen en tegen te gaan. 7.1.1wat wil de gemeente? (PW – WGS – Wmo – Gemeentewet) 1.De gemeente wil dat inwoners met een laag besteedbaar inkomen, met een beperking of met een chronisch psychische of psychosociaal probleem en zonder goede financiële buffer hun noodzakelijke bestaanskosten kunnen betalen en kunnen meedoen aan de samenleving. 2.De gemeente biedt inwoners die moeite hebben om rond te komen of schulden hebben hulp aan bij het op orde krijgen van hun financiën. Het doel van die hulp is dat inwoners blijvend een gezonde financiële huishouding krijgen. 3.De gemeente werkt bij het voorkomen en bestrijden van armoede en schulden zoveel mogelijk samen met andere organisaties. De gemeente stimuleert initiatieven die zijn gericht op het bestrijden van armoede en het tegengaan van schulden. 4.De gemeente legt in een beleidsplan vast hoe het beleid voor een bepaalde periode ingevuld wordt De gemeente geeft daarbij aan welke groepen inwoners op welke manier financieel en met hun financiën of schulden worden ondersteund. Tot die groepen behoren in ieder geval: Kinderen Inwoners met schulden. 5.De gemeente betrekt bij het maken van het beleid naast inkomen ook andere leefdomeinen, zoals onderwijs, maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp. 6.De gemeente zorgt ervoor dat uitkeringen en tegemoetkomingen die per maand of per jaar worden verstrekt, na afloop van die periode niet opnieuw aangevraagd hoeven te worden of op een eenvoudige manier opnieuw aangevraagd kunnen worden. 7.2bijzondere bijstand (PW) Bijzondere bijstand is een belangrijk hulpmiddel voor de gemeente om inwoners financieel te helpen. Hier worden de uitgangspunten beschreven waarmee de gemeente rekening houdt bij het toepassen van de regels over bijzondere bijstand uit de Participatiewet. De gemeente biedt bijzondere bijstand actief aan als een financieel vangnet voor inwoners die geen beroep kunnen doen op eigen mogelijk heden of op ander voorzieningen. Bijzondere bijstand is hulp-op-maat en is bedoeld voor inwoners met een laag besteedbaar inkomen en zonder goede financiële buffer: extra noodzakelijke uitgaven kunnen betalen. Het gaat dan om uitgaven die niet uit het maandelijkse inkomen kunnen worden betaald, en voldoende mogelijkheden hebben om mee te doen aan maatschappelijke activiteiten. Bij het beoordelen van een aanvraag voor bijzondere bijstand betrekt de gemeente de doelen van het gemeentelijke armoedebeleid. De gemeente maakt zo weinig mogelijk gebruik van bijzondere bijstand in de vorm van een lening. De gemeente legt in nadere regels vast hoe de gemeente bijzondere bijstand inzet. 7.3zorgkosten Voor inwoners die moeten rondkomen van een laag inkomen, kan de gemeente met een zorgverzekeraar een zorgverzekering afspreken die Collectieve korting biedt voor zowel de basis- als aanvullende verzekering Extra vergoedingen voor bepaalde zorgkosten biedt In aanmerking komt voor een gemeentelijke tegemoetkoming De gemeente publiceert jaarlijks eind november /begin december de manier waarop de gemeente aan dit artikel voldoet. 7.4Individuele inkomenstoeslag Voor inwoners die al jaren moeten rondkomen van een laag inkomen en geen uitzicht hebben op verbetering van hun inkomen, is de individuele inkomenstoeslag bedoeld. Dat is een extraatje dat jaarlijks kan worden aangevraagd en waarmee het inkomen wordt aangevuld. Hier is beschreven voor welke inwoners de individuele inkomenstoeslag is bedoeld en welke aanvullende voorwaarden er gelden. 7.4.1doelgroep (PW) 1.De individuele inkomenstoeslag is bedoeld voor een inwoner: die in een ononderbroken periode van 36 maanden een inkomen heeft gehad dat lager of gelijk is aan 100% van de bijstandsnorm, waarbij de kostendelersnorm wel wordt toegepast. en Geen zicht heeft op inkomensverbetering, zoals afronding van een opleiding of verkrijgen van werk, en wel alles heeft geprobeerd om meer inkomen te krijgen. 2.Gehuwden of samenwonenden moeten beiden aan alle voorwaarden voldoen. 7.4.2hoogte van de toeslag (PW) 1.De individuele inkomenstoeslag is per kalenderjaar met afronding op hele euro’s naar boven: voor gehuwden of samenwonenden: 3,2% van de voor hen geldende bijstandsnorm, inclusief vakantietoeslag op jaarbasis. voor een alleenstaande: 70% van de individuele inkomenstoeslag voor gehuwden of samenwonenden voor een alleenstaande ouder: 90% van de individuele inkomenstoeslag voor gehuwden of samenwonenden; 2.Bij gehuwden of samenwonenden geldt dat als één van de partners geen recht op individuele inkomenstoeslag heeft, de ander het bedrag voor een alleenstaande of alleenstaande ouder krijgt. 7.5kinderen in Armoede Kinderen vormen een belangrijke én kwetsbare groep waar de gemeente zich verantwoordelijk voor voelt. De gemeente heeft regelingen genomen om armoede onder kinderen tegen te gaan en kinderen te helpen mee te doen aan maatschappelijke activiteiten. Deze regelingen worden het kindpakket genoemd. Hier zijn de uitgangspunten benoemd. 7.5.1doelgroep (PW – Gemeentewet) Deze regelingen zijn bedoeld voor gezinnen met minderjarige kinderen, die geen goede financiële buffer hebben. Voor de voorzieningen binnen het pakket worden verschillende inkomensgrenzen gehanteerd, die nooit hoger zijn dan 120% van de bijstandsnorm. 7.5.2inhoud kindpakket (PW – Gemeentewet) De gemeente stelt de regelingen vast, in overleg met cliënten, hulpverleners en de adviesraad sociaal domein. Het kindpakket bestaat uit: Voorzieningen om kinderen zwemdiploma’s A en B te laten halen; voorzieningen om kinderen mee te laten doen aan sportieve activiteiten; voorzieningen om kinderen mee te laten doen aan culturele activiteiten; voorzieningen om kinderen mee te laten doen op school. 7.6tegemoetkoming meerkosten verhuis- en inrichting of afval 7.6.1doelgroep (Wmo) 1.De tegemoetkoming meerkosten is bedoeld voor Inwoners met een beperking, of Inwoners met een chronisch psychisch of psychosociaal probleem 2.Als er sprake is van: Onvoorziene verhuis- en inrichtingskosten als gevolg van verhuizing en er onvoldoende financiële draagkracht is. Specifieke problematiek wat leidt tot extra afval, waarbij levensfase gebonden problematiek als incontinentie is uitgesloten. 7.6.2Hoogte van de toeslag (Wmo) 1.De tegemoetkoming is een forfaitaire vergoeding. 2.De gemeente legt de hoogte van de tegemoetkoming vast in de Tarievenlijst Jeugd en Wmo. 7.7schuldhulpverlening De gemeente heeft de taak om inwoners met schuldproblemen te helpen. Inwoners kunnen daarom de gemeente om hulp vragen bij het vinden van een oplossing voor hun schulden. Hieronder zijn de belangrijkste uitgangspunten genoemd die de gemeente toepast als inwoners om hulp vragen. 7.7.1samenwerking en toegang (Wgs) 1.De gemeente werkt samen met andere organisaties om te voorkomen dat inwoners problematische schulden opbouwen. 2.De gemeente zorgt ervoor dat inwoners op een eenvoudige manier om hulp kunnen vragen bij het vinden van een oplossing voor schulden. 3.De gemeente informeert inwoners over de hulp die zij kan aanbieden en zorgt ervoor dat die hulp ook echt beschikbaar is. 4.De gemeente sluit geen enkele inwoner bij voorbaat uit van hulp. Een uitzondering op die regel is de inwoner die geen geldige verblijfstitel heeft. 5.De gemeente benadert inwoners actief, zodra andere organisaties schulden melden bij de gemeente. 7.7.2schuldhulpverlening (Wgs) 1.De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner die hulp kan krijgen bij het oplossen van schulden, die hulp zo snel mogelijk krijgt; 2.De gemeente werkt daarbij samen met verschillende maatschappelijke partners en gecontracteerde partijen. Hoofdstuk8.afspraken tussen inwoner en gemeente Dit hoofdstuk gaat over de manier waarop de gemeente en de inwoner met elkaar omgaan. Het gaat over de manier waarop de gemeente zich moet gedragen en wat er van de inwoner wordt verwacht. Als de inwoner rechten heeft, dan staan daar vaak plichten tegenover. Houdt de inwoner daar onvoldoende rekening mee, dan kan de gemeente de uitkering of voorziening beëindigen, terugvorderen of verlagen. 8.1hoe gaan we met elkaar om? 8.1.1de rol van de gemeente (PW – IOAW – IOAZ – Wgs -Wmo – Jeugdwet – Gemeentewet – Awb) 1.De gemeente zoekt samen met de inwoner naar een oplossing voor zijn probleem. Gemeente en inwoner gaan daarbij op een gelijkwaardige manier met elkaar om. De gemeente zorgt voor het volgende: Voor de inwoner is het duidelijk wie er namens de gemeente contact met hem onderhoudt. De gemeente houdt het aantal contactpersonen zo beperkt mogelijk. De inwoner heeft, om zijn problemen te bespreken, altijd recht op een gesprek bij de gemeente of bij de inwoner thuis. De gemeente helpt de inwoner om zijn probleem bij een andere organisatie te bespreken, als het bieden van hulp bij dit probleem een taak is voor die organisatie. De website van de gemeente voldoet aan erkende kwaliteitseisen. Er zijn eenvoudige aanvraagformulieren beschikbaar voor de inwoner die een uitkering of voorziening nodig heeft en die wil aanvragen. Het is voor de inwoner duidelijk waar die aanvraagformulieren verkrijgbaar zijn. De gemeente informeert de inwoner op een passende manier over procedures die worden gevolgd en zorgt ervoor dat deze procedures zo eenvoudig mogelijk zijn. De gemeente respecteert zoveel mogelijk de privacy van de inwoner. De gemeente maakt zoveel mogelijk gebruik van gegevens die al binnen de gemeente aanwezig zijn en vraagt alleen gegevens die nodig zijn voor het beoordelen van de hulpvraag. De gemeente wijst de inwoner op beschikbare deskundige hulp. De inwoner kan hierbij gebruik maken van een cliëntondersteuner. 2.De gemeente reageert op een professionele manier op gedrag van de inwoner dat niet door de beugel kan. De gemeente zorgt voor het volgende: De inwoner wordt op tijd geïnformeerd over: zijn rechten en plichten; wat er van hem wordt verwacht; welk gedrag niet deugt; wat de reactie van de gemeente is op gedrag dat niet deugt; en waarom de gemeente tegen het gedrag optreedt. De gemeente geeft de inwoner de kans om zijn mening te geven vóórdat de gemeente beslist om op het gedrag van de inwoner te reageren, tenzij: Dit niet mogelijk is vanwege de spoed de inwoner al eerder de kans heeft gehad over precies hetzelfde; De reactie van de gemeente op ontoelaatbaar gedrag past bij: de ernst van het gedrag; de mate waarin dat de inwoner verweten kan worden; en de persoonlijke situatie van de inwoner. De gemeente stuurt de inwoner een brief met daarin duidelijk vermeld wat de gemeente gaat doen als reactie op het gedrag, wat dit precies betekent voor de inwoner en wat de inwoner daartegen kan doen. De gemeente maakt de inwoner ook duidelijk op welke manier hij het gedrag kan aanpassen, zodat de relatie hersteld wordt en de gemeente de dienstverlening zal voortzetten (als die is stopgezet). 8.1.2de rol van de inwoner (PW – IOAW – IOAZ – Wgs – Wmo – Jeugdwet – Gemeentewet – Awb) 1.De inwoner is in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het oplossen van zijn probleem. De gemeente vult de mogelijkheden van de inwoner en zijn sociale netwerk aan als dat nodig is. De inwoner zorgt voor het volgende: De inwoner zet eerst de eigen mogelijkheden in voordat hij hulp vraagt aan de gemeente. Als de gemeente hulp verleent werkt de inwoner mee aan de oplossing van zijn probleem. De inwoner zorgt ervoor dat de hulp van de gemeente niet langer duurt dan nodig is. 2.De inwoner werkt mee zodat snel duidelijk is op welke manier zijn probleem zo snel mogelijk kan worden opgelost. Dat betekent het volgende: De inwoner informeert de gemeente zo snel en zo volledig mogelijk over alles wat van belang is voor het beoordelen van de hulpvraag, de persoonlijke situatie en de rechten en plichten van de inwoner. De gemeente ontvangt alle documenten en bewijsstukken die zij nodig heeft zo snel mogelijk van de inwoner. De inwoner doet wat nodig is om de hulp van de gemeente zo kort mogelijk te laten duren. De inwoner brengt de gemeente zo snel mogelijk op de hoogte van zijn beperkingen, als die van belang zijn in het contact met de gemeente. 8.2afspraken en verplichtingen over uitkeringen 8.2.1afstemming op houding en gedrag van de inwoner (PW – IOAW – IOAZ – Awb) 1.De gemeente verlaagt een uitkering als dat volgens de regels van de wet en deze verordening past bij de houding of het gedrag van de inwoner. 2.Bij het nemen van een besluit tot het verlagen van een uitkering houdt de gemeente rekening met: de ernst van het gedrag; de mate waarin de inwoner het gedrag verweten kan worden, en de persoonlijke situatie van de inwoner. 3.Voordat een uitkering wordt verlaagd, geeft de gemeente de inwoner de kans om zijn mening te geven. De inwoner kan dat op de volgende manier doen: telefonisch; schriftelijk; in een persoonlijk gesprek. 8.2.2afzien van verlaging (PW – IOAW – IOAZ – Awb) De gemeente verlaagt de uitkering niet als: Elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, of De gemeente daarvoor dringende redenen aanwezig acht, of het gedrag van de inwoner meer dan één jaar vóór constatering daarvan heeft plaatsgevonden en voor dat gedrag de uitkering niet meer dan €340 kan worden verlaagd, of het gedrag van de inwoner meer dan vijf jaar voor constatering daarvan heeft plaatsgevonden en voor dat gedrag de uitkering meer dan € 340 kan worden verlaagd. 8.2.3ingangsdatum en periode verlaging (PW – IOAW – IOAZ – Awb) 1.De gemeente verlaagt de uitkering of bijzondere bijstand vanaf de kalendermaand na de maand waarin de gemeente het besluit tot verlaging aan de inwoner per brief bekend heeft gemaakt. Het is mogelijk dat de verlaging al in dezelfde maand of over eerdere maanden wordt toegepast. Dat kan als de uitkering voor die maand(
- en)nog niet is uitbetaald. 2.Soms kan de gemeente de uitkering niet of maar voor een deel verlagen omdat deze wordt beëindigd. Dan zal de gemeente het overgebleven deel van de verlaging alsnog opleggen als de inwoner na de beëindiging opnieuw een uitkering gaat ontvangen, mits dit bij een verlaging van €340 of minder binnen een jaar plaatsvindt of bij een verlaging van meer dan € 340 binnen vijf jaar plaatsvindt. 8.2.4berekening verlaging (PW – IOAW – IOAZ – Awb) 1.De verlaging is een percentage van de uitkeringsnorm die van toepassing is op de inwoner. 2.Als de inwoner maandelijks bijzondere bijstand voor levensonderhoud ontvangt, kan de gemeente de bijzondere bijstand verlagen met een percentage van de bijzondere bijstand. Gaat het om eenmalige bijzondere bijstand, dan kan de gemeente die bijstand weigeren als de bijstand nodig is vanwege verwijtbaar gedrag van de inwoner. 8.2.5niet nakomen wettelijke arbeidsverplichtingen (PW – Awb) 1.De gemeente verlaagt de uitkering een maand met 100% van de uitkeringsnorm als de inwoner een arbeidsverplichting uit artikel 18, vierde lid van de Participatiewet niet voldoende nakomt. 2.De verlaging wordt in gelijke stukken verdeeld over de maand van oplegging en de twee daaropvolgende kalendermaanden, als er volgens de gemeente sprake is van bijzondere omstandigheden. 8.2.6stoppen verlaging De gemeente kan de verlaging stoppen als uit houding en gedrag van de inwoner overduidelijk blijkt dat hij alsnog de wettelijke arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 8.2.5 nakomt. De inwoner moet de gemeente zelf verzoeken om de verlaging te stoppen. Hij moet het verzoek per brief of email indienen. Dit kan zolang de maatregel loopt. 8.2.7niet nakomen andere arbeidsverplichtingen (PW – IOAW – IOAZ – Awb) 1.De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering (PW) een maand met 50% van de uitkeringsnorm, voor het niet voldoende proberen werk te vinden en artikel 8.2.5. niet van toepassing is; 2.De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering een maand met 20% van de uitkeringsnorm, voor het volgende gedrag: het niet voldoende verrichten van een door de gemeente opgedragen tegenprestatie; Het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken geen verplichting na te willen komen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder; Het niet voldoende nakomen van verplichtingen in de zoektermijn van vier weken, die voor jongeren tot 27 jaar geldt na melding. 3.De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering een maand met 10% van de uitkeringsnorm, als de inwoner niet geregistreerd is of de registratie niet op tijd heeft verlengd als werkzoekende bij het UWV; 4.De gemeente verlaagt de IOAW of IOAZuitkering een maand met 50% van de uitkeringsnorm voor het volgende gedrag: Het niet voldoende proberen werk te vinden; Het niet aanvaarden van werk; Het door eigen toedoen niet behouden van werk; Het niet of onvoldoende gebruikmaken van een door de gemeente aangeboden voorziening, waardoor de voorziening beëindigd is. 5.De gemeente verlaagt de IOAW of IOAZuitkering een maand met 20% van de uitkeringsnorm voor het volgende gedrag: het niet meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden om te werken; het niet of onvoldoende gebruikmaken van een door de gemeente aangeboden voorziening, zonder gevolgen voor voorziening; het niet voldoende verrichten van een door de gemeente opgedragen tegenprestatie; Het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken geen verplichting na te willen komen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder. 6.De gemeente verlaagt de IOAW of IOAZuitkering een maand met 10% van de uitkeringsnorm als de inwoner niet geregistreerd is of de registratie niet op tijd heeft verlangd als werkzoekende bij het UWV. 8.2.8te weinig besef van verantwoordelijkheid (PW – Awb) 1.De gemeente verlaagt de uitkering van een inwoner die zich te weinig realiseert dat hij zelf verantwoordelijk is voor zijn eigen levensonderhoud. De verlaging hangt af van het bedrag dat de gemeente daardoor onterecht heeft uitbetaald (benadelingsbedrag). 2.De verlaging duurt één maand en wordt vastgesteld op: 10% van de uitkeringsnorm bij een benadelingsbedrag tot € 1.000, -; 20% van de uitkeringsnorm bij een benadelingsbedrag vanaf €1.000, - tot € 2.000, -; 40% van de uitkeringsnorm bij een benadelingsbedrag vanaf € 2.000, - tot € 4.000, -; 100% van de uitkeringsnorm bij een benadelingsbedrag vanaf € 4.000, - . 3.Als een inwoner een bijstandsuitkering aanvraagt omdat hij verwijtbaar werkloos is geworden en hierdoor geen recht heeft op een WW-uitkering verlaagt de gemeente in beginsel de bijstandsuitkering met 100% gedurende één maand. 4.Als een inwoner een bijstandsuitkering aanvraagt, omdat hij verwijtbaar werkloos is geworden, maar geen WW rechten heeft opgebouwd, verlaagd de gemeente in beginsel de bijstandsuitkering met 50% gedurende een maand. 8.2.9zeer ernstige misdragingen (PW – IOAW – IOAZ – Awb) De gemeente verlaagt de uitkering van een inwoner die zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en instanties die de Participatiewet, de IOAW en IOAZ uitvoeren. De uitkering wordt twee maanden verlaagd met 100% van de uitkeringsnorm. 8.2.10niet nakomen van andere verplichtingen (PW – Awb) De gemeente verlaagt de uitkering van een inwoner die een opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet voldoende nakomt. De verlaging is 20% van de uitkeringsnorm voor één maand als het gaat om: verplichtingen die gericht zijn op werk; verplichtingen in verband met bijstand die in een bepaalde vorm (bijvoorbeeld in natura) of voor een specifiek doel wordt verstrekt. De verlaging is 40% van de uitkeringsnorm voor één maand als het gaat om verplichtingen die zijn gericht op vermindering van de bijstand. De verlaging is 100% van de uitkeringsnorm voor één maand als het gaat om verplichtingen die gericht zijn op beëindiging van de bijstand. 8.2.11samenloop van gedragingen (PW – IOAW – IOAZ – Awb) 1.Gedrag waardoor de inwoner meerdere verplichtingen uit deze paragraaf niet nakomt, leidt tot één verlaging, tenzij voor het gedrag al een bestuurlijke boete is opgelegd. Als al een bestuurlijke boete is opgelegd, wordt geen verlaging opgelegd. De hoogste verlaging die van toepassing is voor het gedrag geldt dan, en ook de duur die bij die verlaging hoort. 2.Als sprake is van meerdere gedragingen die ertoe leiden dat één of meer verplichtingen niet worden nagekomen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig of - als dat niet mogelijk is - na elkaar opgelegd. 3.Als er voor dezelfde gedraging de bijstand verlaagd kan worden én een boete op grond van de Wet inburgering 2021 opgelegd kan worden, wordt ervoor gekozen de bijstand te verlagen en geen boete op te leggen. 8.2.12herhaling (recidive) van een gedraging (PW – IOAW – IOAZ – Awb) 1.De duur van de verlaging bij wettelijke arbeidsverplichtingen gaat naar twee maanden als de uitkering binnen twaalf maanden na de datum van het besluit waarmee de verlaging is opgelegd opnieuw wordt verlaagd, 2.De hoogte van de verlaging bij niet-wettelijke arbeidsverplichtingen wordt verdubbeld als de uitkering binnen twaalf maanden na de datum van het besluit waarmee de verlaging is opgelegd opnieuw wordt verlaagd. 8.3terugvorderen uitkering 8.3.1terugvordering en incasso (PW – IOAW – IOAZ) 1.De gemeente vordert gemeentelijke uitkeringen terug in de gevallen die in de wet zijn beschreven en doet dat volgens de regels van de wet. De gemeente vordert niet terug als terugvordering onaanvaardbare gevolgen heeft voor de inwoner. 2.Bij een klein bedrag kan de gemeente besluiten om dit niet terug te vorderen, als dit te veel tijd en geld kost. De gemeente vordert een klein bedrag wél terug als er te veel uitkering is betaald omdat de inwoner onvoldoende informatie heeft gegeven aan de gemeente. 3.Bij de incasso zorgt de gemeente ervoor dat inwoners een inkomen blijven houden dat past bij hun persoonlijke situatie. Dit inkomen is in ieder geval gelijk aan of hoger dan de beslagvrije voet; 4.De gemeente legt in nadere regels vast hoe de gemeente terugvordert. 8.4beëindigen en terugvorderen voorziening 8.4.1beëindiging voorziening (Jeugdwet – Wmo – PW – IOAW – IOAZ – Wgs) 1.De gemeente kan een voorziening beëindigen als: de voorziening niet langer passend of nodig is; de inwoner zich niet houdt aan voorwaarden en verplichtingen die aan de voorziening zijn verbonden; de voorziening is verstrekt op grond van onjuiste of onvolledige gegevens van de inwoner; de gemeente niet langer kan vaststellen of een voorziening kan worden voortgezet, omdat de inwoner onvoldoende meewerkt aan een onderzoek naar het recht op de voorziening; de voorziening voor een ander doel wordt gebruikt dan bedoeld; de inwoner niet binnen zes maanden gebruik heeft gemaakt van de voorziening, tenzij hem dat niet te verwijten is. In geval van een pgb moet de inwoner dit schriftelijk onderbouwen. 2.De voorziening kan met terugwerkende kracht worden beëindigd (ingetrokken). 8.4.2terugvordering voorziening (Wmo – PW – Burgerlijk Wetboek) 1.De gemeente kan de voorziening of de waarde daarvan van de inwoner terugvorderen. Dat kan vanaf het moment waarop is voldaan aan één of meer van de intrekkingsgronden die genoemd worden in artikel 8.4.1. Wmo voorzieningen kunnen alleen worden teruggevorderd als die voorzieningen zijn ingetrokken omdat de inwoner onjuiste of onvolledige gegevens aan de gemeente heeft verstrekt. 8.5hoe controleert de gemeente of de afspraken worden nagekomen? 8.5.1controle (Jeugdwet – Wmo – PW – IOAW – IOAZ) 1.De gemeente controleert regelmatig of de inwoner recht heeft op een uitkering of voorziening en of hij de juiste uitkering of voorziening heeft aangevraagd of ontvangt. De gemeente kan daarvoor gebruik maken van: huisbezoeken: medewerkers van de gemeente gaan langs bij de inwoner en kijken in en om de woning. De gemeente kan een huisbezoek aankondigen, maar dat hoeft niet; heimelijke waarnemingen: medewerkers van de gemeente verzamelen gegevens over de inwoner zonder dat de inwoner hierover vooraf is geïnformeerd. Dat verzamelen gebeurt bijvoorbeeld door buurtonderzoek; bestandsvergelijkingen: de gemeente vergelijkt de gegevens van de inwoner met de gegevens die bekend zijn over deze inwoner bij andere organisaties, zoals bij UWV, de Belastingdienst en andere gemeenten; signalen en tips van organisaties of particulieren; andere passende onderzoeksmethoden. 2.De controle van de voorzieningen is ook bedoeld om de kwaliteit van de voorziening te beoordelen en om te kijken of de voorziening op de juiste manier wordt gebruikt. 3.Bij de controle van uitkeringen en voorzieningen zorgt de gemeente ervoor dat de regels die horen bij de opsporing van strafbare feiten worden nageleefd. 4.Bij beëindiging van de uitkering of voorziening op verzoek van de inwoner, onderzoekt de gemeente wat de reden is van de beëindiging. De gemeente gaat ook na of de uitkering of voorziening tot de einddatum terecht is verstrekt. 8.5.2voorkomen van fraude (Jeugdwet – Wmo- PW – IOAW – IOAZ) De gemeente streeft ernaar om fraude te voorkomen (preventie). Daarom informeert de gemeente inwoners op een gepaste manier over rechten en plichten en over de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van uitkeringen en voorzieningen. 8.5.3beleidsplan en beleidsverslag (Jeugdwet – Wmo – PW – IOAW – IOAZ) 1.De gemeente stelt een beleidsplan vast. In dat plan legt de gemeente vast hoe zij fraudebestrijding aanpakt en ervoor zorgt dat inwoners zich zo goed mogelijk aan de regels houden (handhaving). 2.In het beleidsplan staat in ieder geval: wat de gemeente precies met fraudepreventie bedoelt; wanneer en hoe de gemeente inwoners informeert over rechten en plichten (voorlichting); welke onderzoeksmethoden wanneer kunnen worden ingezet; en hoe de gemeente samenwerkt met andere organisaties om fraude tegen te gaan. 3.De gemeente rapporteert na afloop van ieder kalenderjaar in de programmarekening. Daarin beschrijft de gemeente of de gestelde doelen voor dat jaar zijn behaald en de redenen waarom dat wel of niet is gebeurd. 8.5.4privacy (Jeugdwet – Wmo – PW – IOAW – IOAZ) 1.De gemeente stelt voor onderzoeksmethoden die vaak worden toegepast protocollen op. Het gaat in ieder geval om protocollen over: huisbezoeken; buurtonderzoeken; agressie (zeer ernstige misdragingen). 2.De protocollen moeten ervoor zorgen dat er geen ongeoorloofde inbreuk op het privéleven van inwoners plaatsvindt. De gemeente maakt de protocollen openbaar bekend. 3.Bij het uitvoeren van onderzoek zorgt de gemeente ervoor dat inbreuk op persoonlijkheidsrechten, zoals op de bescherming van het privéleven, niet verder gaat dan wat noodzakelijk, passend en wettelijk toegestaan is. 8.5.5toezichthouders (Jeugdwet – Wmo – PW – IOAW – IOAZ – Awb) De gemeente wijst een of meer ambtenaren aan die de taak hebben erop toe te zien dat de wetten en de bijbehorende regels worden nageleefd. Hoofdstuk9.adviesraad Sociaal Domein Het beleid dat de gemeente maakt en uitvoert, is bedoeld voor de inwoners. Met de ervaringen van de inwoners kan de gemeente haar beleid als het nodig is aanpassen en verbeteren. In dit hoofdstuk is vastgelegd hoe inwoners hun invloed kunnen uitoefenen. Ook is geregeld dat er een adviesraad sociaal domein is en is de taak van deze raad beschreven. 9.1inspraak van inwoners (Jeugdwet – Wmo – PW – IOAW – IOAZ – Gemeentewet) De gemeente kiest ervoor om inwoners inspraak te geven in de onderwerpen die in deze verordening worden geregeld. De regels van de inspraakverordening gemeente Bunschoten zijn daarop van toepassing, maar worden aangevuld met de regels in dit hoofdstuk. Inwoners kunnen inspraak hebben bij: Plannen voor beleid en regels; De manier waarop de gemeente beleid en regels uitvoert; De manier waarop medewerkers van de gemeente omgaan met inwoners (bejegening); De manier waarop zorgaanbieders en leveranciers hun taken uitvoeren. Inspraak houdt ook in het doen van voorstellen voor ander beleid, andere regels of een andere uitvoering; De gemeente kan inwoners op de volgende manier inspraak geven: Via de adviesraad sociaal domein; Door inwoners te raadplegen, bijvoorbeeld met enquêtes en bijeenkomsten; Door in co-creatie samen met inwoners een plan te ontwerpen; De gemeente bepaalt na overleg met de adviesraad sociaal domein welke vorm de inspraak heeft. 9.2adviesraad sociaal domein (Jeugdwet – Wmo – PW – IOAW – IOAZ) Het doel van de gemeente om een adviesraad sociaal domein in te stellen is om inwoners inspraak te geven in het beleid, de regels en de uitvoering daarvan. De adviesraad sociaal domein bestaat uit minimaal vijf en maximaal zeven leden: Inwoners of professionals die zich sterk betrokken voelen bij één van onderstaande groepen; Inwoners die een uitkering van de gemeente ontvangen of hebben ontvangen; Inwoners met een beperking die ervaring hebben met Wmo-hulp van de gemeente; Jongeren of hun ouders die ervaring hebben met gemeentelijke jeugdhulp; en Een onafhankelijke voorzitter; en Een onafhankelijke secretaris. Maximaal twee leden zijn niet woonachtig in de gemeente Bunschoten. De voorzitter en secretaris worden hierin meegerekend. Professionals hebben zitting op persoonlijke titel en mogen geen zakelijke binding met de gemeente hebben, voor zover deze invloed heeft op de onafhankelijke positie van het lid. Bij vacatures werft de Adviesraad Sociaal domein kandidaten in een openbare procedure. De leden van de adviesraad sociaal domein worden benoemd door de gemeenten, voor een periode van minimaal twee jaar en maximaal acht jaar; De adviesraad sociaal domein vergadert elke jaar minimaal twee en maximaal acht keer. De vergaderingen zijn openbaar, tenzij een meerderheid van de leden van de adviesraad sociaal domein gemotiveerd anders heeft bepaald of dat de gemeente hier gemotiveerd om heeft gevraagd. De gemeente heeft tenminste vier keer per jaar contact met de adviesraad sociaal domein, waarvan tenminste twee keer per jaar met de portefeuillehouder. De gemeente evalueert elke jaar tenminste één keer met de adviesraad sociaal domein hoe de samenwerking gaat. Dan wordt ook besproken of de inspraak goed functioneert. De Adviesraad sociaal domein stuurt na afloop van dit overleg een verslag aan het college 9.3taken en bevoegdheden adviesraad sociaal domein (Jeugdwet – Wmo – PW – IOAW – IOAZ) De adviesraad sociaal domein adviseert de gemeente gevraagd over plannen om beleid, regels of de uitvoering daarvan bij te stellen in het sociaal domein. De adviesraad sociaal domein brengt een advies uit binnen twee weken na ontvangst van de plannen. Hierbij maakt de adviesraad gebruik van ervaringen, meningen en inzichten van inwoners. De adviesraad sociaal domein kan ongevraagd voorstellen doen aan de gemeente over verandering van beleid, regels of de uitvoering daarvan. Als de gemeente het advies niet of niet volledig overneemt van de adviesraad, dan worden ze daarover gemotiveerd geïnformeerd. De adviesraad kan geen klachten, bezwaarschriften of andere onderwerpen bespreken die over individuele personen gaan. De adviesraad kan zelf regels vaststellen over de manier waarop de adviesraad zijn werk doet. De adviesraad ontvangt aan het begin van het kalenderjaar een jaarplanning van onderwerpen die naar de raad gaan. De gemeente levert tijdig stukken aan de adviesraad aan. 9.4budget, vergoeding en voorzieningen (Jeugdwet – Wmo – PW – IOAW – IOAZ) De gemeente geeft de adviesraad op basis van de jaarlijkse subsidieaanvraag van de adviesraad een budget voor: Reis- en onkosten; Deskundigheidsbevordering, waaronder deelname aan vergaderingen van landelijke cliëntenadviesraden; Documentatie en voorlichting van inwoners; Administratiekosten; Organiseren van één of meer thema-avonden voor inwoners. De gemeente stelt elk jaar een budget vast voor andere vormen van inspraak. De leden en de voorzitter van de adviesraad ontvangen per bijgewoonde vergadering een onkostenvergoeding zoals is vastgelegd in het rechtspositiebesluit Raads- en commissieleden. De onafhankelijke secretaris ontvangt per bijgewoonde vergadering tweemaal de onkostenvergoeding zoals is vastgelegd in het rechtspositiebesluit Raads- en commissieleden. De leden komen in aanmerking voor de onkosten vergoeding als ze de presentielijst hebben getekend. Deze presentielijst wordt naar de gemeente gestuurd. De gemeente zorgt ervoor dat de adviesraad gebruik kan maken van een vergaderruimte die nodig zijn om de taken goed uit te kunnen voeren. De gemeente stelt een medewerker (ambtelijk secretaris) aan die als aanspreekpunt namens de gemeente fungeert. Hoofdstuk10.kwaliteit en aanbesteding De diensten en producten die de gemeente levert, moeten van goede kwaliteit zijn. Diensten moeten aansluiten bij de behoefte van de inwoner. Producten moeten degelijk zijn en goed bruikbaar voor de inwoner. De gemeente moet zich bij de inkoop van diensten en producten aan bepaalde regels houden. Dit hoofdstuk gaat over de kwaliteit, de inkoop en de aanbesteding van diensten en producten. 10.1kwaliteit (Jeugdwet – Wmo – Gemeentewet) Alle diensten en producten die de gemeente in het kader van deze verordening aanbiedt, moeten van goede kwaliteit zijn. De diensten en producten: Passen bij de behoefte van de inwoner; Zijn veilig, geschikt en bruikbaar voor de inwoner; Voldoen aan normen en eisen die door de beroepsgroep of in het vakgebied algemeen zijn aanvaard; Respecteren de rechten van de inwoner; Worden afgestemd op andere diensten of producten die aan de inwoner worden geleverd; Worden geleverd volgens een bepaalde opzet die op tijd aan de inwoner wordt meegedeeld. De gemeente stelt beleidsregels vast waarin de kwaliteitseisen worden uitgewerkt. 10.2inkoop en aanbesteding (Jeugdwet – Wmo – Gemeentewet) De gemeente zorgt ervoor dat de kwaliteit van de diensten en producten in het kader van deze verordening een belangrijke rol speelt bij de inkoop en aanbesteding. Bij de inkoop en aanbesteding verwacht de gemeente van leveranciers dat zij: Diensten en producten leveren tegen de door hen berekende kostprijs, zonder dat de kwaliteit en de levering in gevaar komen; en Als zij personeel hebben, dat zij zich houden aan de regels van het arbeidsrecht. De leverancier moet aantonen dat bij de kostprijs rekening is gehouden met: Het soort dienst of product; De omvang van het diensten- of productenpakket dat wordt geleverd; De arbeidsvoorwaarden van het personeel volgens de cao die van toepassing is; Een redelijke toeslag voor overheadkosten; Personeelskosten die niet direct met de dienstverlening te maken hebben, zoals kosten voor bijscholing, ziekte en verlof van personeel; Kosten als gevolg van verplichtingen voor leveranciers, zoals rapportage- en administratieve verplichtingen; Het jaarlijks aanpassen van de kostprijs in verband met stijging van de kosten. Hoofdstuk11.van oud naar nieuw In dit hoofdstuk zijn de laatste bepalingen opgenomen. Hier wordt geregeld welke verordeningen vervangen worden door deze verordening en wanneer deze verordening ingaat. Hier is ook opgenomen dat de gemeente bepalingen uit deze verordening kan uitwerken of verder invullen, dat met regelmaat beoordeeld wordt of de verordening nog goed werkt, wat de officiële naam is van deze verordening en dat de gemeente van deze verordening kan afwijken als dit echt nodig is. 11.1uitvoeringsregels (Gemeentewet) De gemeente kan uitvoeringsregels maken over de onderwerpen die in deze verordening zijn geregeld. Deze uitvoeringsregels kunnen de vorm hebben van beleidsregels of van een (nadere) regeling. Beleidsregels geven aan hoe de gemeente met bepaalde bevoegdheid omgaat. Met een (nadere) regeling worden bepaalde regels van de verordening verder uitgewerkt. De mogelijkheid om deze uitvoeringsregels te maken wordt begrensd door de wet. 11.2intrekken oude verordeningen (Gemeentewet) De volgende verordeningen worden ingetrokken op de datum dat deze verordening ingaat: Verordening Sociaal Domein gemeente Bunschoten 2023 (plus toelichting). 11.3Afwijken van de verordening (hardheidsclausule) (Gemeentewet) De gemeente kan afwijken van een bepaling uit deze verordening als toepassing van die bepaling een onredelijke uitkomst heeft voor de inwoner of voor een ander die direct bij het besluit betrokken is. Een uitkomst is in ieder geval onredelijk als de doelen van de in 1.1. genoemde wetten of de doelen van de verordening door het toepassen van de regels juist niet worden gehaald. 11.4overgangsrecht (Gemeentewet) Een maandelijkse voorziening of uitkering die op grond van een ingetrokken verordening wordt verstrekt, blijft ook na 1 januari 2024 doorlopen. Deze voorziening of uitkering loopt door totdat de gemeente een nieuw besluit over die voorziening of uitkering heeft genomen. Een aanvraag die de inwoner heeft ingediend vóór 1 januari 2024 en waarover de gemeente pas later een besluit neemt, handelt de gemeente af volgens deze verordening. Voor een aanvraag op grond van de Participatiewet, de IOAW en de IOAZ die is ingediend vóór 1 januari 2024 geldt juist dat de gemeente deze afhandelt volgens de ingetrokken verordening. Maar als een besluit volgens deze nieuwe verordening gunstiger uitpakt voor de inwoner, past de gemeente deze verordening toe. Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van een van de bij 11.2 genoemde ingetrokken verordeningen, past de gemeente die ingetrokken verordening toe. 11.5ingangsdatum en naam (Gemeentewet) Deze verordening wordt genoemd: Verordening sociaal domein 2024 Gemeente Bunschoten. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2024. Hoofdstuk12.begrippen In deze verordening worden allerlei begrippen gebruikt. Deze begrippen hebben dezelfde betekenis als in de wetten waarop deze verordening is gebaseerd. Waarom deze begrippenlijst? Soms worden bepaalde begrippen in meerdere wetten gebruikt en hebben ze in die wetten een verschillende betekenis. Hier staat wat de betekenis van deze begrippen in deze verordening is. Voor een aantal begrippen geldt dat ze in deze verordening een ruimere betekenis hebben dan in de genoemde wetten, omdat zoveel mogelijk is aangesloten bij het normale, dagelijkse taalgebruik. Ook staan er voor de duidelijkheid ook enkele wettelijke begrippen in de lijst, die in deze verordening wel dezelfde betekenis hebben, maar hier in andere woorden zijn omschreven. Ten slotte worden in deze verordening ook begrippen gebruikt die niet zijn terug te vinden in de wetten. Ook die zijn hier omschreven. andere voorziening: een voorziening waarop de inwoner een beroep kan doen voor de hulp die hij nodig heeft, anders dan hulpopmaat. Het gaat om voorzieningen die buiten de regeling liggen van de aangevraagde voorziening of om voorzieningen die binnen het bereik van die regeling liggen, maar vrij toegankelijk zijn voor de inwoner. Dat kan een andere uitkering zijn, een algemeen gebruikelijke, algemene of collectieve voorziening, of voorzieningen als alimentatie en toeslagen. In het kader van de Jeugdwet wordt met andere voorziening een voorziening bedoeld op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen. arbeidsinschakeling: aan het werk (kunnen) gaan. arbeidsverplichting: de verplichting om mee te werken aan de arbeidsinschakeling of het leveren van een tegenprestatie, als bedoeld in artikel 9 van de Participatiewet. beperking: De vermindering van mogelijkheden als gevolg van een lichamelijke, verstandelijke, zintuigelijke, psychische of psychosociale handicap, die het functioneren op sociaal of maatschappelijk gebied belemmert. bijstandsnorm: de maximale hoogte van de bijstandsuitkering bedoeld in artikel 5, onderdeel c van de Participatiewet. De hoogte hangt af van de woon en leefsituatie en de leeftijd van de inwoner. bijstandsuitkering: de algemene bijstand voor levensonderhoud, bedoeld in artikel 5, onderdeel b van de Participatiewet. Gaat het om een jongere van 18 tot 21 jaar, dan wordt met bijstandsuitkering bedoeld: de algemene bijstand plus de aanvullende bijzondere bijstand op grond van artikel 12 van de Participatiewet. budgetplan pgb: Een plan van aanpak dat de inwoner opstelt over de hulp die hij nodig heeft en die hij wil inkopen. In het plan geeft de inwoner onder andere aan welke hulpverlener op welke manier en op welk momenten de noodzakelijke hulp gaat geven en hoe de kwaliteit en de continuïteit van die hulp gewaarborgd is. collectief taxivervoer: vervoer van deur tot deur, op afroep en met een deeltaxi (ook wel collectief vraagafhankelijk vervoer genoemd). effect: het resultaat of doel financiële buffer: vermogen. Een goede financiële buffer is een vermogen op of boven de vermogensgrens bedoeld in artikel 34, lid 3 van de Participatiewet. fraude: het verstrekken van onjuiste en/of onvolledige gegevens, of het verzwijgen of niet (op tijd) verstrekken van gegevens. Het gaat om gegevens die nodig zijn om te bepalen of er recht op een uitkering of een voorziening is, en om de duur en hoogte van die uitkering of voorziening vast te stellen. Als gevolg hiervan wordt een uitkering of voorziening helemaal of gedeeltelijk ten onrechte verstrekt. gebruikelijke hulp: de hulp die over het algemeen mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Voor de Jeugdwet wordt met ouders ook andere opvoeders en verzorgers bedoeld. gemeente: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bunschoten. gesprek: gesprek waarin de inwoner zijn hulpvraag, zijn persoonlijke situatie en het effect dat hij wil bereiken bespreekt. hulp: ondersteuning bij de arbeidsinschakeling of inkomensondersteuning als bedoeld in artikel 7 van de Participatiewet, maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo, jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, of schuldhulp verlening als bedoeld in artikel 1 van de Wgs. hulp-op-maat: een op de inwoner afgestemde voorziening. Als het gaat om een voorziening in het kader van de Wmo: een maatwerkvoorziening. Als het gaat om een voorziening in het kader van de Participatiewet: een voorziening bij de arbeidsinschakeling of bijzondere bijstand. Als het gaat om schuldhulpverlening als bedoeld in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening: op de inwoner afgestemde hulp bij het aflossen van schulden. Als het gaat om een voorziening in het kader van de Jeugdwet: een voorziening die op een jongere of zijn ouders is afgestemd als bedoeld in artikel 2.3 van de Jeugdwet. hulpvraag: de behoefte aan ondersteuning die de inwoner bij de melding heeft. inkomen: het inkomen, bedoeld in artikel 32, lid 1 van de Participatiewet. interne werkbegeleiding: Door een collega geboden dagelijks werkbegeleiding, aan een inwoner behorende tot de doelgroep uit de Participatiewet, omdat de werknemer anders niet in staat is zijn werkzaamheden uit te voeren. Waarbij sprake is van meer dan de gebruikelijke begeleiding van een werknemer op een werkplek. inwoner: de persoon die een direct belang heeft bij een besluit van de gemeente (artikel 1:2, lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht). Als de inwoner een hulpvraag heeft die nog niet heeft geleid tot een verzoek om een besluit te nemen of tot feitelijk handelen door de gemeente, dan wordt met inwoner bedoeld: degene die als ingezetene in de basisregistratie personen van de gemeente is ingeschreven, of, als het gaat om hulp op grond van de Participatiewet, de IOAW of de IOAZ: degene die woonplaats heeft in de gemeente, volgens de regels van artikel 10, lid 1 en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers. IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. jeugdhulp: hulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet. jobcoaching: Door een erkende deskundige geboden methodische ondersteuning aan personen met een arbeidsbeperking en aan werkgevers, gericht op het vinden en behouden van werk. jongere: de minderjarige. Als het gaat om de Jeugdwet: de jeugdige, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet. jongerenwerk: basisaanbod van sociaal-culturele voorzieningen voor jongeren, zoals kinderwerk, tiener en jongerenwerk, sportbuurtwerk en jongereninformatie. Het basisaanbod bevat ook activiteiten die stimulering van de ontwikkeling of het voorkomen van problemen bij jongeren tot doel heeft. kindpakket: een pakket van voorzieningen, meestal in natura, dat de gemeente voor gezinnen met een laag inkomen beschikbaar stelt. Het doel van het pakket is te voorkomen dat kinderen die opgroeien in armoede niet mee kunnen doen aan bijvoorbeeld sport, culturele activiteiten of activiteiten van school. kostendelersnorm: norm voor de hoogte van een uitkering volgens artikel 22a van de Participatiewet. Naarmate meer mensen in een huis wonen, ontvangt iedere afzonderlijke uitkeringsgerechtigde een lagere uitkering omdat meer mensen de kosten kunnen delen. levensonderhoud: de dagelijkse bestaanskosten, zoals kosten voor voeding, kleding, huur, energie, water en (zorg)verzekeringen. leverancier: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die goederen of diensten levert tegen betaling. medewerker: de persoon die namens het college van burgemeester en wethouders optreedt. overige voorzieningen: Voorzieningen als bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder f, van de wet. Deze voorzieningen samen worden in deze verordening aangeduid met het begrip ‘overige voorzieningen’. persoonlijke ondersteuning bij werk: Persoonlijke ondersteuning als bedoeld in artikel 10, eerste en derde lid, van de Participatiewet moet in samenhang met artikel 8a, tweede lid, onderdeel e en artikel 10da, van de Participatiewet worden begrepen als een door het college noodzakelijk geachte voorziening gericht op het verkrijgen, verrichten en behouden van arbeid. In de memorie van toelichting bij artikel 8a, tweede lid, onderdeel e, van de Participatiewet wordt eerst aangegeven dat de gemeenteraad een breed aanbod van beschikbare instrumenten moet opnemen in de verordening. Vervolgens wordt alleen nader ingegaan op de jobcoach. De begrippen persoonlijke ondersteuning en jobcoach zijn evenwel niet identiek. Het begrip persoonlijke ondersteuning is ruimer. Het kan bij persoonlijke ondersteuning zowel gaan om een gekwalificeerde expert (jobcoach) als om een getrainde persoon die binnen het bedrijf zorgdraagt voor de dagelijkse werkbegeleiding (ook wel een “Harrie” genoemd). Combinaties van beiden zijn ook mogelijk (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 9). persoonlijke situatie: alle omstandigheden, mogelijkheden en persoonskenmerken van de inwoner die van belang zijn, inclusief de behoefte van de inwoner en de godsdienstige en levensbeschouwelijke overtuiging. persoonlijk plan: een plan van aanpak dat de inwoner opstelt, waarin de knelpunten staan die de inwoner ervaart en de gewenste hulp wordt geïnventariseerd. Gaat het om jeugdhulp, dan wordt hieronder verstaan: een familiegroepsplan. Zie artikel 2.3.2. Wmo 2015 voor meer details waaraan een persoonlijk plan moet voldoen Artikel 4.1.2. van de Jeugdwet: ……..biedt de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling als eerste de mogelijkheid om, binnen een redelijke termijn, een familiegroepsplan op te stellen. Het voorgaande is niet van toepassing op de gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert of die de voogdij uitoefent in het geval dat de ouders ontheven of ontzet zijn uit het ouderlijk gezag. pgb: persoonsgebonden budget, een geldbedrag waarmee iemand zelf hulp(middelen) in kan kopen. plan van aanpak