Nadere regels maatschappelijke ondersteuning Amsterdam januari 2022Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, gelet op de artikelen 2.1, tiende lid; 3.1, derde lid; 4.1, vierde lid; 4.12, derde lid; en 5.3.2, zesde lid, van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2015, besluit de volgende regeling vast te stellen: Nadere regels maatschappelijke ondersteuning Amsterdam januari 2022 Leeswijzer Deze Nadere regels zijn een uitwerking van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2015 (hierna Wmo-verordening 2015) en vormen samen met de genoemde verordening en het Financieel besluit de basis van de wijze waarop de gemeente Amsterdam de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) uitvoert. Wanneer in de Nadere regels wordt gesproken over de Amsterdammer wordt daarmee de doelgroep bedoeld waarop de Nadere regels betrekking hebben. Dit kunnen naast inwoners van Amsterdam en hun mantelzorgers ook, indien het om opvang of beschermd wonen gaat, inwoners van andere gemeenten zijn. In de Nadere regels wordt zoveel mogelijk de volgorde van de Wmo-verordening 2015 aangehouden en wordt er verwezen naar de toepasselijke artikelen van de Wmo-verordening
(5). Op basis van de scores op de verschillende domeinen wordt de zelfredzaamheid vastgesteld. Voor meerpersoonshuishoudens geldt dat de zelfredzaamheid van het systeem als geheel wordt beoordeeld. Als er zorg voor minderjarige kinderen is worden bovendien de opvoedvaardigheden en kindveiligheid in kaart gebracht door een aanvullende beoordeling op de volgende domeinen: lichamelijke verzorging, sociaal emotionele ondersteuning, scholing en opvang. Als de zorgvragen kunnen worden opgelost met alleen woonruimte en eventueel andere (algemene of maatwerk) voorzieningen, wordt geen maatschappelijke opvang verstrekt. Maatschappelijke opvang is niet bedoeld als een alternatieve route naar woonruimte. Landelijke toegankelijkheid (4.5, vierde lid Wmo-verordening 2015) De VNG heeft in 2019 een vernieuwd Convenant Landelijke Toegankelijkheid opgesteld dat de landelijke toegankelijkheid van de opvang moet waarborgen. Belangrijkste uitgangspunt van het convenant is dat gekeken wordt naar de gemeente waar het duurzaam herstel van de cliënt het beste gerealiseerd kan worden Onderzoek Als een cliënt die dakloos is in aanmerking komt voor maatschappelijke opvang, vindt conform het convenant onderzoek plaats op de volgende onderdelen om te bepalen in welke gemeente de opvang het beste geboden kan worden: Woongeschiedenis: Onderzocht wordt waar de laatste woonplaats was van cliënt voordat die dakloos werd. Hiervoor wordt het BRP geraadpleegd. Als blijkt dat de cliënt woonachtig was in een andere gemeente voorafgaand aan de dakloosheid kan de cliënt worden overgedragen aan de gemeente van herkomst. Dit kan alleen als hierover overeenstemming is met de gemeente van herkomst. Als niet duidelijk kan worden vastgesteld waar de cliënt zijn laatste woonadres had, is de aanmeldgemeente aan zet om het onderzoek uit te voeren. De wens van de cliënt: Uit het onderzoek moet duidelijk worden waar de cliënt opgevangen wil worden en waarom de opvang in de gemeente van voorkeur kan bijdragen aan het herstel van de cliënt. Het sociaal netwerk van de cliënt: In het onderzoek wordt onderzocht welk netwerk de cliënt heeft, en of dit netwerk een positieve of juist negatieve invloed heeft op het herstel van de cliënt. Werk, dagbesteding of onderwijs: In het onderzoek wordt in kaart gebracht of en zo ja waar de cliënt dagbesteding heeft in de vorm van (vrijwilligers)werk of onderwijs, en of dit op positieve wijze bijdraagt aan het herstel van de cliënt. Hulpverlening of ondersteuningstrajecten: onderzocht wordt welke hulpverleningstrajecten er lopen, en bij welke zorgaanbieders, en in hoeverre deze bijdragen aan het herstel van de cliënt. Criminele activiteiten: Tot slot wordt in kaart gebracht of er sprake is van criminele activiteiten, of er politie- of justitie contacten zijn en of een traject in de aanmeldgemeente bijdraagt aan het verminderen van deze activiteiten. Ook wordt gekeken of er (justitiële) maatregelen genomen waarmee rekening gehouden moet worden. Op basis van het onderzoek wordt besloten in welke gemeente de maatwerkvoorziening en daarmee het herstel het beste kan plaatsvinden. Als dit in een andere gemeente dan Amsterdam is, vindt er overleg plaats met die gemeente. Is de ontvangende gemeente het eens met de conclusie dan vindt er een overdracht plaats. Als gemeenten er onderling niet uitkomen, kan de casus worden voorgelegd aan de Commissie geschillen landelijke toegankelijkheid die is ondergebracht bij de VNG. De uitspraak van de commissie is bindend. Gedurende de behandeling van het geschil vangt de aanmeldgemeente de cliënt op. 4.6.2Hulp en opvang na huiselijk geweld (artikel 4.5, tweede lid Wmo-verordening 2015) a Productbeschrijving Voor slachtoffers van huiselijk geweld wordt voorzien in opvang en de bijbehorende begeleiding. Opvang via een noodbed, maximaal vijf dagen, is bedoeld voor volwassenen en hun eventuele kinderen die als gevolg van ernstig geweld de thuissituatie acuut moeten verlaten. Voor slachtoffers van huiselijk geweld wordt voorzien in crisisopvang voor in beginsel zes weken met als doel slachtoffers en eventueel hun kinderen tot rust te laten komen en verder te werken aan stabilisatie en analyse van de problematiek. Plaatsing in een safehouse vindt plaats bij acuut (levens)gevaar. Ambulante hulpverlening voor slachtoffers van huiselijk geweld kent verschillende aspecten. Allereerst het geven van informatie en advies zodat cliënt zelfstandig veilig verder kan. Daarnaast zijn er lichte, middelzware en intensieve trajecten die tot doel hebben dat in het gezin geen huiselijk geweld meer voorkomt en/of dat de gezinsleden hebben geleerd hoe ze op niet-gewelddadige manier om kunnen gaan met conflicten en andere aanleidingen tot huiselijk geweld. Ambulante hulpverlening omvat ook nazorg zodat cliënt zelfstandig verder kan leven en zelf zorg kan dragen voor de veiligheid van zichzelf en het gezin. bVoorwaarden voor verstrekking De toegang tot hulp en opvang na huiselijk geweld, kent afwijkende criteria die zijn vastgelegd in de Wmo-verordening in artikel 4.5 lid 2. Veiligheid is het belangrijkste criterium. 4.6.3Beschermd wonen (artikel 4.5, derde lid Wmo-verordening 2015) a Productbeschrijving Beschermd wonen gaat om het bieden van onderdak en begeleiding aan personen van 18 jaar en ouder met een psychische aandoening en/of verstandelijke beperking die (nog) niet geheel zelfstandig kunnen functioneren binnen de samenleving. Centraal staat op participatie gerichte ondersteuning vanuit een beschermende woonomgeving. De voorzieningen voor beschermd wonen worden in Amsterdam onderverdeeld in vier clusters: Begeleid wonen met intensieve begeleiding Groepswonen met intensieve begeleiding Intramuraal (24-uurs) met intensieve begeleiding Meerzorg (specifieke opvang voor mensen met somatische problematiek) Persoonlijke verzorging en verpleging kunnen onderdeel zijn van de voorziening beschermd wonen. Toegang wordt beoordeeld door de Centrale Toegang aan de hand van de criteria in de Wmo-verordening 2015 en aan de hand van beslisbomen die deze criteria vertalen in een handleiding. De GGD Amsterdam bepaalt aan de hand van een stedelijke wachtlijst wanneer en waar welke cliënt geplaatst wordt. Indien er een wachttijd is voor plaatsing, verwijst de Centrale Toegang naar overbruggingszorg. bVoorwaarden voor verstrekking De Wmo-verordening 2015 noemt in de artikelen 4.1 en 4.5 lid 3 een aantal criteria. Van belang is, dat de Centrale Toegang bij de beoordeling tot toegang altijd voor de lichtste oplossing kiest, passend bij de mogelijkheden van de cliënt. Dat betekent dat plaatsing in het cluster begeleid wonen de voorkeur heeft boven plaatsing in een van de andere clusters. De toegang tot beschermd wonen in Amsterdam is voorbehouden aan een persoon die: De Nederlandse nationaliteit heeft, of als vreemdeling rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000. Toelichting Cliënt dient de noodzakelijke documenten te overleggen (geldig identiteitsbewijs, verblijfsstatus). Tegelijkertijd sprake is van een cliënt die een psychiatrische aandoening heeft en/of een verstandelijke beperking, en waarbij er voor hem sprake is van noodzaak tot bescherming van zichzelf of zijn omgeving, waarbij die noodzaak direct voortkomt uit de psychiatrische aandoening en/of de verstandelijke beperking, en die niet beschikt over alternatieven die de noodzaak voor beschermd wonen op kunnen heffen. Toelichting Uitgangspunt: de huidige cliëntgroep (in 2014) heeft de AWBZ-indicatie zorgzwaartepakket (ZZP) C; psychiatrische aandoening is daarvoor een grondslag. In de wettekst wordt ook de grondslag psychosociaal genoemd. Die laatstgenoemde groep kan: als sprake is van dakloosheid en beperkte zelfredzaamheid vallen onder de doelgroep voor de opvang; als geen sprake is van dakloosheid ondersteund worden in de thuissituatie (dus lichter Wmo-aanbod, zoals ambulante ondersteuning; als geen sprake is van beperkte zelfredzaamheid maar wel van dakloosheid gebruik maken van lichter Wmo-aanbod, zoals maatschappelijke dienstverlening. De criteria beogen enerzijds het benoemen van de cliëntgroep voor de Wmo en tegelijkertijd afbakening naar: lichtere groepen (voormalige ZZP 1 en 2 GGZ, huidige MO) zwaardere groepen (huidige GGZ ZZP B, die tot de doelgroep van de Wlz dan wel Zvw behoren) andere problematiek die op de voorgrond staat (bijvoorbeeld somatiek) Daarom hanteert Amsterdam de volgende criteria: noodzaak van bescherming die voortvloeit uit psychiatrische aandoening en/of verstandelijke beperking afbakening naar Wlz en naar lichtere groepen de psychiatrische aandoening moet leiden tot de noodzaak tot bescherming, dus: er moet een noodzaak tot bescherming zijn hiermee worden lichtere cliëntgroepen uitgesloten die moet direct verbonden zijn aan de psychiatrische aandoening en/of de verstandelijke beperking (zoals nu wordt omgegaan met dominante problematiek) ter voorkoming dat mensen waarbij somatiek op de voorgrond staat onbedoeld aanspraak gaan maken op beschermd wonen Het criterium dat geen noodzaak tot 24-uurs toezicht (nabijheid) van behandelaar is, is bedoeld ter verduidelijk van de afbakening met de Wlz. Landelijke toegankelijkheid De VNG heeft in 2019 een vernieuwd Convenant Landelijke Toegankelijkheid opgesteld dat de landelijke toegankelijkheid van de opvang moet waarborgen. Belangrijkste uitgangspunt van het convenant is dat gekeken wordt naar de gemeente waar het duurzaam herstel van de cliënt het beste gerealiseerd kan worden. Onderzoek Als een cliënt die dakloos is in aanmerking komt voor Beschermd wonen, vindt conform het convenant onderzoek plaats op de volgende onderdelen om te bepalen in welke gemeente de opvang het beste geboden kan worden: Woongeschiedenis: Onderzocht wordt waar de laatste woonplaats was van cliënt voordat die dakloos werd. Hiervoor wordt het BRP geraadpleegd. Als blijkt dat de cliënt woonachtig was in een andere gemeente voorafgaand aan de dakloosheid kan de cliënt worden overgedragen aan de gemeente van herkomst. Dit kan alleen als hierover overeenstemming is met de gemeente van herkomst. Als niet duidelijk kan worden vastgesteld waar de cliënt zijn laatste woonadres had, is de aanmeldgemeente aan zet om het onderzoek uit te voeren. De wens van de cliënt: Uit het onderzoek moet duidelijk worden waar de cliënt opgevangen wil worden en waarom de opvang in de gemeente van voorkeur kan bijdragen aan het herstel van de cliënt. Het sociaal netwerk van de cliënt: In het onderzoek wordt onderzocht welk netwerk de cliënt heeft, en of dit netwerk een positieve of juist negatieve invloed heeft op het herstel van de cliënt. Werk, dagbesteding of onderwijs: In het onderzoek wordt in kaart gebracht of en zo ja waar de cliënt dagbesteding heeft in de vorm van (vrijwilligers)werk of onderwijs, en of dit op positieve wijze bijdraagt aan het herstel van de cliënt. Hulpverlening of ondersteuningstrajecten: onderzocht wordt welke hulpverleningstrajecten er lopen, en bij welke zorgaanbieders, en in hoeverre deze bijdragen aan het herstel van de cliënt. Criminele activiteiten: Tot slot wordt in kaart gebracht of er sprake is van criminele activiteiten, of er politie- of justitie contacten zijn en of een traject in de aanmeldgemeente bijdraagt aan het verminderen van deze activiteiten. Ook wordt gekeken of er (justitiële) maatregelen genomen waarmee rekening gehouden moet worden. Op basis van het onderzoek wordt besloten in welke gemeente de maatwerkvoorziening en daarmee het herstel het beste kan plaatsvinden. Als dit in een andere gemeente dan Amsterdam is, vindt er overleg plaats met die gemeente. Is de ontvangende gemeente het eens met de conclusie dan vindt er een overdracht plaats. Als gemeenten er onderling niet uitkomen, kan de casus worden voorgelegd aan de Commissie geschillen landelijke toegankelijkheid die is ondergebracht bij de VNG. De uitspraak van de commissie is bindend. Gedurende de behandeling van het geschil vangt de aanmeldgemeente de cliënt op. 4.7Logeeropvang (artikel 4.6 Wmo-verordening 2015) a Productbeschrijving Bij logeeropvang gaat de Amsterdammer logeren bij een professionele aanbieder van logeeropvang, bijvoorbeeld in een instelling of logeerhuis, waar in een huiselijke, veilige omgeving 24 uurs toezicht geboden kan worden. Het doel hiervan is het overnemen van de gebruikelijke hulp of de zorg van de mantelzorger(
- s)om overbelasting van de mantelzorger(
- s)te voorkomen of te verminderen. Onderdeel van logeeropvang zijn dagactiviteiten en begeleiding op maat. Aanvullend op deze logeeropvang kan ook overige noodzakelijke zorg en ondersteuning geboden worden. Het gaat dan bijvoorbeeld om persoonlijke zorg en verpleging vanuit de Zvw en de ambulante ondersteuning of dagbesteding vanuit de Wmo. De inzet van deze voorzieningen tijdens het logeren verschilt per Amsterdammer en de mogelijkheden van het logeeradres. Logeeropvang kan een aaneengesloten periode of terugkerend enkele dagen zijn. Aaneengesloten logeeropvang is bijvoorbeeld ten behoeve van vakantie van de mantelzorger. Bij terugkerende logeeropvang geldt een maximum van drie etmalen per week. Voor logeeropvang geldt een totaal van 36 etmalen per cliënt per jaar. Logeeropvang kent de volgende drie te bereiken resultaten: het bieden van veilige logeeropvang in een huiselijke omgeving, met als doel om overbelasting van mantelzorger(
- s)te voorkomen of te verminderen; waarborging van primaire en dagelijkse levensbehoeften van de cliënt, zo nodig met dagactiviteiten en begeleiding op maat; het bieden van logeeropvang in onverwachte situaties. Logeeropvang betreft altijd de eerste twee resultaten. Het bieden van veilige logeeropvang in een huiselijke omgeving om overbelasting van mantelzorger(
- s)te voorkomen of te verminderen Binnen dit resultaat wordt de zorg van de mantelzorger tijdelijk overgenomen door een professionele aanbieder, bijvoorbeeld in een logeerverblijf van een zorgaanbieder. De mantelzorger wordt hierdoor ontlast. Het karakter van het logeeradres is zoveel mogelijk veilig en huiselijk. De mantelzorger kan door de inzet van logeeropvang eigen activiteiten plannen en uitvoeren. Hiermee wordt de mantelzorger ondersteund om zijn mantelzorgtaken langdurig vol te houden. Waarborging van primaire en dagelijkse levensbehoeften voor de cliënt Binnen dit resultaat wordt ondersteuning geboden bij het uitvoeren en structureren van dagelijkse, praktische vaardigheden tijdens het verblijf. Zo nodig worden dagactiviteiten en begeleiding op maat geboden. De inzet van overige noodzakelijke zorg en ondersteuning verschilt per Amsterdammer en de mogelijkheden van het logeeradres. Het bieden van logeeropvang in onverwachte situaties De gemeente kan in onverwachte situaties logeeropvang bieden, bijvoorbeeld wanneer een mantelzorger plotseling wegvalt en een cliënt hierdoor tijdelijk niet in staat is om zelfstandig thuis te wonen. Dit kan niet als er een medische aanleiding is voor opname van de cliënt, als de cliënt thuis al zorg krijgt vanuit de Wlz of een niet verzilverde Wlz-indicatie heeft. b Voorwaarden voor verstrekking Het besluit over de inzet van Logeeropvang wordt genomen door de gemeente op advies van het buurtteam, het Sociaal Wijkteam in postcodegebied Weesp of op advies van een gecontracteerde aanbieder Logeeropvang. Logeeropvang kan worden ingezet voor Amsterdammers die gezien hun zorgbehoefte aangewezen zijn op zorg met intensief toezicht, waardoor er gedurende langere tijd meer dan gebruikelijke hulp nodig is. Ontlasting van de persoon die gebruikelijke hulp of mantelzorg aan de Amsterdammer levert, is noodzakelijk; zonder de inzet van logeeropvang dreigt overbelasting. Logeeropvang is aanvullend op het wonen in de thuissituatie. Bij logeeropvang wordt eerst gekeken naar wat de Amsterdammer zelf kan en welke ondersteuning zijn sociale netwerk kan bieden. De mate van zelfredzaamheid van de Amsterdammer wordt onderzocht en gestimuleerd. Vervolgens wordt gekeken naar de inzet van aanbod uit de sociale basis, algemene voorzieningen en voorliggende voorzieningen vanuit andere wetgeving. Pas daarna wordt vastgesteld of en zo ja welke ondersteuning vanuit de gemeente aanvullend noodzakelijk is. Het inzetten van eigen kracht Hierbij kan in dit kader gedacht worden aan het installeren van domotica hulpmiddelen waardoor de Amsterdammer gedurende een aantal uren alleen in huis kan blijven. Mogelijk kan alarmering of video op afstand de mantelzorger de gelegenheid bieden om even weg te gaan. Het vergroten van de inzet van het eigen sociale netwerk Iemand uit het eigen netwerk kan de zorg gedurende een aantal uren overnemen. Deze hulp is vrijwillig. Als het gaat om de normale, dagelijkse begeleiding die partners, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten geacht worden elkaar onderling te bieden, is sprake van gebruikelijke hulp. Zie hoofdstuk 2 voor meer informatie over gebruikelijke hulp. Een beroep doen op andere wetgeving Zorgverzekeringswet (Zvw) Wanneer een Amsterdammer aangewezen is op verblijf dat medisch noodzakelijk is in verband met geneeskundige zorg, kan logeeropvang op grond van de basisverzekering van de Zvw ingezet worden. Dit wordt eerstelijnsverblijf genoemd (Elv). Hierbij valt te denken aan tijdelijk verblijf na een medische ingreep. Verblijf met geneeskundige zorg valt buiten de gemeentelijke taken. Ook als er sprake is van palliatief terminale zorg is er sprake van verblijf op grond van de Zvw. Eerstelijns verblijf Zvw is voorliggend op logeeropvang vanuit de Wmo Wet langdurige zorg (Wlz) Wanneer een Amsterdammer een indicatie heeft in het kader van de Wlz of op basis van zorgzwaarte daarvoor in aanmerking komt en nog thuis woont, dient kortdurend verblijf op grond van de Wlz aangevraagd te worden. Kortdurend verblijf Wlz is voorliggend op logeeropvang vanuit de Wmo. Het gebruik maken van voorzieningen in de sociale basis en algemene voorzieningen De Amsterdammer kan mogelijk meedoen aan welzijnsactiviteiten, waardoor de mantelzorger een paar uur respijt heeft. Ook kan ondersteuning worden geboden om het dagelijks leven van mensen zo zelfstandig mogelijk in te richten of kan een vrijwilliger gevonden worden die een paar uren de zorg voor de Amsterdammer over kan nemen. Als de noodzaak voor logeeropvang op grond van de Wmo is vastgesteld, wordt bekeken hoeveel etmalen dit nodig is om overbelasting van de mantelzorger te voorkomen of te verminderen. Het uitgangspunt is dat de geboden logeeropvang niet langer wordt ingezet dan nodig is, met een maximum van 36 etmalen per cliënt per jaar. Met de Amsterdammer worden in een ondersteuningsplan afspraken vastgelegd over de doelen die worden nagestreefd, de activiteiten die worden ingezet, de te bereiken resultaten, en hoe lang en frequent de logeeropvang wordt ingezet. Uitgangspunt is dat jaarlijks opnieuw wordt bekeken of, en zo ja welke afspraken er nodig zijn voor de inzet van logeeropvang. Tot slot staat hieronder nog een afbakening met betrekking tot logeeropvang. Het gebruik maken van de maatwerkvoorzieningen ambulante ondersteuning of dagbesteding De Amsterdammer kan mogelijk een beroep doen op ambulante ondersteuning en/of dagbesteding, waardoor de mantelzorger wordt ontlast. Hierbij is het uitgangspunt dat de maatwerkvoorziening die het best past bij de situatie van de Amsterdammer en diens mantelzorger de voorkeur heeft. Logeeropvang kan worden ingezet naast ambulante ondersteuning en/of dagbesteding. Afbakening met de Zvw en de Wlz Er kan vanuit de Wmo geen logeeropvang worden ingezet als er een medische aanleiding is voor een verblijf in een zorginstelling, dan moet er een beroep gedaan worden op een Eerstelijnsverblijf (ELV) voorziening vanuit de Zvw. Als de cliënt thuis al zorg krijgt vanuit de Wlz of een niet verzilverde Wlz-indicatie heeft, moet er een beroep gedaan worden op de Wlz voor logeeropvang. Als een cliënt aanspraak kan maken op logeeropvang op grond van de Wlz en er is nog geen sprake van een indicatie, dan moet hiervoor zo snel mogelijk een aanvraag worden ingediend bij het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ). 4.8Woonvoorzieningen (artikel 4.7 Wmo-verordening 2015) Inleiding Normaal gebruik van de woning Woonvoorzieningen worden verstrekt om beperkingen bij het normale gebruik van de woning te compenseren. Het normale gebruik van de woonruimte omvat de elementaire woonfuncties, dat zijn de activiteiten die de gemiddelde bewoner in zijn woning in elk geval verricht. Het gaat daarbij om eten bereiden, slapen, lichaamsreiniging, essentiële huishoudelijke werkzaamheden, zoals kleding wassen, aan- en uitkleden en het wassen en verschonen van een geheel van zijn verzorger(
- s)afhankelijk kind. Voor een kind is spelen zonder gevaar voor de eigen gezondheid ook een elementaire woonfunctie. Problemen die een persoon met beperkingen ondervindt bij het normale gebruik van de woonruimte moeten door de verstrekking van woonvoorzieningen worden opgelost. Het streven zal in beginsel erop gericht zijn de problemen geheel weg te nemen of aanzienlijk te verminderen. Om verschillende redenen zal dat niet altijd zo kunnen zijn. Die redenen kunnen gelegen zijn in de persoon met beperkingen, dan wel in de aard van de woonruimte. Uitzondering op het beginsel dat woonvoorzieningen worden versterkt ter compensatie van problemen bij het normale gebruik van de woning vormt de uitraaskamer. Deze voorziening heeft tot doel het tot rust doen brengen van personen met een specifieke beperking. Bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar De woonruimte moet bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar zijn en mag geen aantoonbare problemen in het normale gebruik opleveren. Met bereikbaar wordt bedoeld dat de persoon met beperkingen zonder hulp vanaf de openbare weg tot de toegangsdeur van de woonruimte kan komen. Toegankelijk betekent dat de persoon met beperkingen zonder hulp in de woonruimte kan komen. Met bruikbaar wordt bedoeld dat de persoon met beperkingen zelfstandig alle binnen de woonruimte gebruikelijke activiteiten kan verrichten, zonder problemen te ondervinden veroorzaakt door de bouwkundige aard van de woning. Een woonvoorziening wordt alleen toegekend indien deze de woonruimte bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar maakt voor de persoon met beperkingen, door het wegnemen of aanzienlijk verminderen van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning. Er moet sprake zijn van een rechtstreeks oorzakelijk verband tussen de ondervonden (naar objectieve maatstaf aanwezige) problemen, en een of meer bouwkundige of woontechnische kenmerken van de betreffende woning. Ook moeten de problemen in of bij de woning zelf ondervonden worden. Geluids- of geuroverlast, problemen met buren, onveiligheidsgevoelens en allergie ten gevolge van omgevingsfactoren buiten de woning zijn in principe geen redenen voor verstrekking van een woonvoorziening. Er worden ook geen voorzieningen verstrekt met het doel overlast voor derden te beperken. De woonruimte Onder woonruimte wordt verstaan: een woning met uitzondering van kamers die zelfstandig verhuurd worden; een woonwagen als bedoeld in de Woningwet; een woonschip op een ligplaats, zijnde een woonschip en een ligplaats als bedoeld in de Huisvestingswet; een verblijf van een binnenschip als domicilie is gekozen in Amsterdam, blijkens het openbaar register voor schepen. Bij de woonruimte horen ook de toegang tot de woonruimte zelf, tot de tuin en tot het balkon, voor zover daarbij daadwerkelijk problemen worden ondervonden op het gebied van de toegankelijkheid. Ook kan worden voorzien in een stalling voor een vervoersvoorziening. Reguliere parkeerplaatsen vallen echter niet onder het begrip ‘woning’; de toegang tot het trottoir evenmin. Hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen en kamerverhuur zijn uitgesloten om in aanmerking te komen voor een woonvoorziening. Er worden geen woonvoorzieningen verstrekt aan Amsterdammers die in een Wlz-instelling verblijven. Hierop wordt een uitzondering gemaakt, namelijk het logeer- en bezoekbaar maken van een andere woonruimte dan de instelling waar de Amsterdammer woont (zie verder onder 4.8.2 ‘Woonruimteaanpassingen’). Amsterdammers die met een Wlz-indicatie zelfstandig wonen en hun eigen woonlasten betalen, kunnen in aanmerking komen voor woonvoorzieningen. Aan bewoners van sloopwoningen en kraakpanden worden alleen eenvoudige, losse, her te gebruiken woonvoorz