Deze regeling beschrijft hoe de gemeente Amsterdam de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) uitvoert, met als doel Amsterdammers te ondersteunen bij zelfredzaamheid en participatie. Het legt de procedures en voorwaarden vast voor het verkrijgen van maatschappelijke ondersteuning en voorzieningen.
Besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam houdende regels omtrent maatschappelijke ondersteuning (Nadere regels maatschappelijke ondersteuning Amsterdam april 2021)Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, gelet op de artikelen 2.1, tiende lid; 3.1, derde lid; 4.1, vierde lid; 4.12, derde lid; en 5.3.2, zesde lid, van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2015, besluit de volgende regeling vast te stellen: Nadere regels maatschappelijke ondersteuning Amsterdam april 2021 Leeswijzer Deze Nadere regels zijn een uitwerking van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2015 (hierna Wmo-verordening 2015) en vormen samen met de genoemde verordening en het Financieel besluit de basis van de wijze waarop de gemeente Amsterdam de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) uitvoert. Wanneer in de Nadere regels wordt gesproken over de Amsterdammer wordt daarmee de doelgroep bedoeld waarop de Nadere regels betrekking hebben. Dit kunnen naast inwoners van Amsterdam en hun mantelzorgers ook, indien het om opvang of beschermd wonen gaat, inwoners van andere gemeenten zijn. In de Nadere regels wordt zoveel mogelijk de volgorde van de Wmo-verordening 2015 aangehouden en wordt er verwezen naar de toepasselijke artikelen van de Wmo-verordening 2015. In hoofdstuk 1 wordt na de inleiding ingegaan op de doelgroep en worden de belangrijkste uitgangspunten voor de verstrekking van de Amsterdamse voorzieningen toegelicht. Daarnaast staat in dit hoofdstuk informatie over de bijdrage in de kosten. In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de toegangsprocedure die de Amsterdammer doorloopt om tot een oplossing van zijn probleem te komen. In hoofdstuk 3 en 4 A. worden respectievelijk de algemene en maatwerkvoorzieningen toegelicht. Per voorziening is de inhoud omschreven en staat opgenomen wanneer een Amsterdammer ervoor in aanmerking komt. Hoofdstuk 4 A. gaat daarnaast in op het persoonsgebonden budget (Pgb). In hoofdstuk 4 B. wordt de financiële tegemoetkoming meerkosten toegelicht. Hoofdstuk1Algemene bepalingen 1.1Inleiding Vanaf 1 januari 2015 voorziet de gemeente Amsterdam binnen het kader van de Wmo 2015 in ambulante ondersteuning, dagbesteding, kortdurend verblijf, beschermd wonen en doventolkzorg. Deze voorzieningen vormen samen met het aanbod dat voor 1 januari 2015 al bestond, waaronder woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen, rolstoelen, hulp bij het huishouden en opvang, het Amsterdams Zorgstelsel. Hiertoe behoren ook de voorzieningen sociale basis in de stadsdelen en cliëntondersteuning. De gemeente Amsterdam is verantwoordelijk voor het bredere terrein van de zelfredzaamheid en participatie. Zij zoekt daarbij zorgvuldig naar de balans tussen de verantwoordelijkheid van inwoners zelf en de verantwoordelijkheid van de gemeente om hen daarbij te ondersteunen. Amsterdammers hebben meer dan voorheen de regie over hun eigen leven en dragen ook bij aan het leven van anderen, omdat de gemeente ervan overtuigd is dat de samenleving daar sterker van wordt. Samen met zijn omgeving vormt de Amsterdammer de dragende samenleving die het uitgangspunt vormt bij het zoeken naar een oplossing van een ondersteuningsvraag. De eigen kracht en het gebruik van talenten en mogelijkheden om zelf oplossingen te vinden voor problemen is het uitgangspunt en wordt door de gemeente gefaciliteerd en gestimuleerd, bijvoorbeeld door de sociale basis in de wijk en het ondersteunen van mantelzorg. Amsterdammers zijn zelf verantwoordelijk voor de manier waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven. De gemeente verwacht dat zij hierbij, waar mogelijk, rekening houden met te verwachten problemen en dat inwoners van Amsterdam elkaar, naar vermogen, bijstaan. 1.2Amsterdams Zorgstelsel De gemeente heeft ter ondersteuning daarvan het Amsterdams Zorgstelsel ingericht. In dit stelsel zijn voorzieningen ingebed in de wijken. Allereerst zijn er voorzieningen in de sociale basis en algemene voorzieningen (zie hoofdstuk 3) die voor alle Amsterdammers beschikbaar zijn. De sociale basis biedt Amsterdammers, hun mantelzorgers en vrijwilligers een breed en laagdrempelig aanbod van activiteiten en ondersteuning in de eigen buurt of wijk om de eigen regie te versterken. Daarnaast zijn er algemene voorzieningen. Deze voorzieningen zijn voor eenieder toegankelijk. Om de ondersteuning in de buurt en dichtbij de Amsterdammer te organiseren zijn er buurtteams. Deze teams zijn de spil in de buurt waar de Amsterdammer met een vraag over wonen, welzijn, opvoeden, inkomen, schulden en veiligheid terecht kan. Zij leveren zelf ook ondersteuning. De buurtteams werken nauw samen met de Ouder- en Kindteams die onderdelen van de Jeugdwet uitvoeren in Amsterdam. Voor Amsterdammers die zich ondanks de aangeboden ondersteuning in de sociale basis en door het buurtteam niet kunnen redden of niet kunnen meedoen, biedt de gemeente zogenoemde maatwerkvoorzieningen dan wel financiële tegemoetkomingen meerkosten (zie hiervoor hoofdstuk 4 A en 4 B). In het Amsterdams Zorgstelsel is er bijzondere aandacht voor mantelzorgers van Amsterdammers en voor cliëntondersteuning. Om de taken als mantelzorger langer vol te kunnen houden kan de mantelzorger gebruik maken van het aanbod in de sociale basis. Om overbelasting van de mantelzorger te voorkomen kunnen algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen aan de Amsterdammer worden verstrekt. Als overbelasting van een mantelzorger dreigt wordt naar de individuele situatie gekeken en samen naar een passende oplossing gezocht. De Amsterdammer kan zich voor en tijdens een onderzoek bij laten staan door een onafhankelijke cliëntondersteuner. Deze cliëntondersteuner heeft als opdracht het belang van de cliënt te behartigen. Amsterdammers worden bij de toegang tot de voorzieningen op de mogelijkheid gewezen om zich gratis te laten bijstaan door een onafhankelijke cliëntondersteuner. De Amsterdammer kan uiteraard ook zelf zijn ondersteuning regelen met bijvoorbeeld mensen uit de directe omgeving, mantelzorgers, vertegenwoordigers of vrijwilligers. Dit noemen we informele cliëntondersteuning. 1.3Doelgroep en inhoud van de verordening De doelgroep (artikel 1.2 Wmo-verordening 2015) De doelgroep van de Wmo-verordening 2015 bestaat uit Amsterdammers met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen. Ook mantelzorgers kunnen voor vormen van ondersteuning in aanmerking komen. Zij moeten dan mantelzorger zijn van een inwoner van de gemeente Amsterdam. Voor opvang en beschermd wonen kunnen ook inwoners van andere gemeenten met een ondersteuningsvraag op dit gebied zich melden bij de gemeente Amsterdam. Andersom kunnen ook inwoners van de gemeente Amsterdam bij andere gemeenten terecht voor opvang en beschermd wonen. De uitvoering van de taken op grond van de Wmo en van de aanpalende Jeugdwet (18-/18+) en Participatiewet wordt op elkaar afgestemd. Omdat de uitvoering van deze wetten vanaf 2015 bij de gemeente is belegd, kan de ondersteuning aan cliënten op deze gebieden, als er overlap is, beter op elkaar aansluiten. Hierbij staat het belang van de cliënt voorop. De gemeente houdt hierbij rekening met de begrenzingen die voortvloeien uit privacywetgeving. Hiervoor worden protocollen opgesteld. Inhoud verordening In de Wmo-verordening 2015 is de verantwoordelijkheid van de gemeente vastgelegd voor het ondersteunen van de zelfredzaamheid en participatie van mensen met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen. Die ondersteuning moet erop gericht zijn dat mensen zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven. Voor mensen met psychische of psychosociale problemen of voor mensen die, al dan niet in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, de thuissituatie hebben verlaten, voorziet de gemeente in de behoefte aan beschermd wonen en opvang. In deze Nadere regels is het kader dat is vastgelegd in de Wmo-verordening 2015 verder uitgewerkt. In de verordening en ook in deze Nadere regels is daarbij een belangrijke rol weggelegd voor het proces om tot een oplossing te komen. Dit proces wordt beschreven in hoofdstuk 2. 1.4Wijze van verstrekking van voorzieningen Een algemene voorziening wordt verstrekt in natura. Bij een maatwerkvoorziening kan het gaan om ondersteuning in natura, om ondersteuning in de vorm van een persoonsgebonden budget (hierna ook Pgb) of om een financiële tegemoetkoming. Bij een verstrekking in natura kan het gaan om goederen, producten of diensten. Bij hulp bij het huishouden, ambulante ondersteuning, logeeropvang, maatschappelijke opvang, beschermd wonen en dagbesteding betekent dit dat de Amsterdammer wordt aangemeld bij één van de aanbieders met wie de gemeente een contract heeft. Bij voorzieningen op het gebied van wonen, rolstoelen en vervoer betekent het dat de gemeente ervoor zorgt dat de geïndiceerde voorziening wordt geleverd bij de Amsterdammer thuis. Om Amsterdammers de mogelijkheid te bieden om zelf regie te voeren en ondersteuning in te kopen die in inhoud en/of vorm (nog) niet door de gemeente is ingekocht, wordt een Pgb geboden als alternatief. Een Pgb is mogelijk als de Amsterdammer kan motiveren dat dit gewenst is en duidelijk kan aangeven hoe het Pgb bijdraagt aan het oplossen van de ondersteuningsvraag (zie ook paragraaf 4.2). De Wmo geeft gemeenten tevens de bevoegdheid om burgers financieel tegemoet te komen als zij als gevolg van een chronische ziekte of een beperking aannemelijke meerkosten moeten maken. In artikel 4.12 van de Wmo-verordening 2015 staat beschreven waarvoor een financiële tegemoetkoming in de meerkosten wordt verstrekt (zie paragraaf 4.8, 4.10 en hoofdstuk 4 B). 1.5Bijdrage in de kosten (eigen bijdrage) Compensatie gebruikskosten Voor voorzieningen in de sociale basis, algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen kunnen aanbieders een bijdrage vragen voor algemeen gebruikelijke kosten. Het gaat bijvoorbeeld om gebruikskosten die de cliënt ook thuis zou hebben gehad zoals een maaltijd in de sociale basis of voor drogen en wassen van kleding als deze geen onderdeel is van de toegekende voorziening. De bijdrage is maximaal de hoogte van de uitgespaarde kosten. Aanbieders maken deze kosten zichtbaar voor de betrokken Amsterdammers. Bijdrage in de kosten voor algemene voorzieningen Voor de algemene voorzieningen ondersteuning door het buurtteam, kleine woningaanpassingen, het stoelenproject en crisisopvang wordt geen eigen bijdrage in de kosten gevraagd. Voor de algemene voorziening beschermd vervoer geldt een ritbijdrage, die betaald wordt aan de vervoerder. De hoogte van de ritbijdrage is vastgelegd in de verordening. Voor de algemene voorzieningen kortdurende opvang en passantenpension geldt een inkomensonafhankelijke eigen bijdrage in de kosten die betaald wordt aan de instelling. De hoogte van deze bijdrage is vastgelegd in de verordening. Voor de algemene voorziening noodopvang dakloze gezinnen geldt een eigen bijdrage in de kosten. De hoogte van deze bijdrage is vastgelegd in de verordening. De bijdrage wordt betaald aan de instelling, daar waar gezinnen op locaties van instellingen verblijven en wordt betaald aan de gemeente indien gezinnen verblijven in een hotel. Als gezinnen een uitkering ontvangen via WPI, kan op hun verzoek afgesproken worden om de eigen bijdrage op de uitkering in te houden. Bijdrage in de kosten voor maatwerkvoorzieningen Voor de maatwerkvoorzieningen opvang, beschermd wonen, logeeropvang, woonruimteaanpassingen, roerende woonvoorzieningen, uitraasruimte, hulp bij het huishouden, vervoersvoorzieningen, aanpassingen aan vervoersvoorzieningen en vervoerskostenvergoedingen geldt een eigen bijdrage in de kosten. De bijdrage geldt niet voor voorzieningen voor kinderen tot 18 jaar. Hoe de hoogte van de bijdrage wordt berekend is vastgelegd in het Financieel besluit. Voor deze bijdrage berekent het Centraal Administratie Kantoor (CAK) de hoogte en int het bedrag. Voor opvang stelt het college de eigen bijdrage in de kosten vast. Voor cliënten die in de maatschappelijke opvang verblijven en een uitkering van Werk, Participatie en Inkomen (WPI) ontvangen int WPI het bedrag; voor alle anderen int de aanbieder. Ook voor slachtoffers van huiselijk geweld int de aanbieder de eigen bijdrage. Wanneer meerdere Amsterdammers gebruik maken van één voorziening, wordt de bijdrage berekend over de kosten gedeeld door het aantal bijdrageplichtige gebruikers. Voor de maatwerkvoorziening collectief vervoer geldt een ritbijdrage, die betaald wordt aan de vervoerder. De hoogte van de ritbijdrage is vastgelegd in de verordening. Er wordt geen eigen bijdrage in de kosten gevraagd voor ambulante ondersteuning, dagbesteding, rolstoelen, noodzakelijke aanpassingen aan rolstoelen en vervoersvoorzieningen, rij- en gewenningslessen, onderhoud, keuring en reparatie, en voor de financiële tegemoetkomingen die zijn opgenomen in paragraaf 4.8 en 4.10. Overgangsregeling 18-/18+ Vanaf het moment dat een Amsterdammer 18 jaar wordt geldt voor maatwerkvoorzieningen vanuit de Wmo een eigen bijdrage. Dit geldt niet voor woonruimteaanpassingen die de Amsterdammer al had voordat hij 18 jaar werd. Voor een eerder verstrekte traplift wordt de bijdrage berekend over de restwaarde. Hoofdstuk2Toegang 2.1Algemeen In dit hoofdstuk wordt de route beschreven die een Amsterdammer doorloopt om tot een oplossing van zijn ondersteuningsvraag te komen. Door deze route te beschrijven in de Wmo-verordening 2015 (hoofdstuk 2) en Nadere regels wordt een uniforme werkwijze vastgelegd en weet de Amsterdammer wat hij kan verwachten van de gemeente. Het streven is om de Amsterdammer op het niveau van participatie en zelfredzaamheid te brengen dat bij zijn situatie past. Uitgangspunt daarbij is zijn situatie voordat hij getroffen werd door zijn beperkingen, alsmede de situatie van Amsterdammers in vergelijkbare omstandigheden en in dezelfde leeftijdscategorie die geen beperkingen hebben. Soms moet de Amsterdammer zich er bij neer leggen dat er belemmeringen blijven, of dat hij zich enige beperkingen zal moeten getroosten. 2.2Melding (artikel 2.1 Wmo-verordening 2015) Een Amsterdammer met een ondersteuningsvraag op het gebied van zijn zelfredzaamheid of maatschappelijke participatie, zal op zoek gaan naar een oplossing. In veel gevallen zal hij zelf in staat zijn ondersteuning te organiseren door een beroep te doen op een mantelzorger of vrijwilliger. Wanneer hij niet in staat is op eigen kracht een oplossing te organiseren dan kan de Amsterdammer zich melden bij een buurtteam of bij de gemeente voor informatie, advies en/of ondersteuning. De Amsterdammer kan zich voor zijn ondersteuningsvragen melden bij het buurtteam. Voor hulp bij het huishouden dagbesteding en logeeropvang kan de Amsterdammer zich ook melden bij een door de gemeente gecontracteerde zorgaanbieder. Voor beschermd wonen en maatschappelijke opvang geldt dat de ingezetene van Nederland die in Amsterdam ondersteuning zoekt mogelijk door wordt geleid naar de Centrale Toegang. Het is ook mogelijk om je direct bij de centrale toegang te melden. Wanneer opvang nodig is vanwege acute somatische problematiek die niet adequaat behandeld kan worden in de reguliere opvang kan de Amsterdammer, na indicatie door een GGD arts, worden aangemeld voor de ziekenboeg. Opname in de ziekenboeg is altijd tijdelijk. Voor woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen meldt de Amsterdammer zich bij de Wmo Helpdesk of bij het Sociaal Loket. De Amsterdammer kan zijn ondersteuningsvraag op verschillende manieren melden. Hij kan dit persoonlijk doen, telefonisch, schriftelijk of per mail. De Amsterdammer kan hierbij een persoonlijk plan aanleveren, waarin hij aangeeft wat hij denkt nodig te hebben om maatschappelijk te kunnen meedoen en zelfredzaam te zijn. De medewerker die de melding aanneemt zal in eerste instantie informatie en advies geven. Als er daarna nog een vraag voor ondersteuning is, wordt de melding geregistreerd en wordt een onderzoek gestart. Een Amsterdammer kan zich voor en tijdens het onderzoek laten bijstaan door iemand uit zijn eigen omgeving of een onafhankelijke cliëntondersteuner. 2.3Onderzoek (artikel 2.2 Wmo-verordening 2015) Vormen van onderzoek Goed onderzoek is de basis voor het vaststellen van de ondersteuningsvraag. Hierbij is maatwerk het uitgangspunt en het is aan de Amsterdammer om te bepalen welke vorm van contact het meest recht doet aan zijn vraag. Dat kan zijn een gesprek op locatie bij de Amsterdammer thuis of telefonisch. Wanneer een Amsterdammer zich voor het eerst met een vraag meldt, ligt het voor de hand dat er één of meerdere gesprekken worden gevoerd en kan een huisbezoek de aangewezen vorm zijn. Bij complexere ondersteuningsvragen zal face-to-face contact het uitgangspunt zijn. Ook indien degene die de melding telefonisch in ontvangst neemt de indruk krijgt dat er een complexere ondersteuningsvraag of meervoudige problematiek is, zal verder onderzoek, eventueel ook aan huis, plaatsvinden zo nodig vanuit meerdere disciplines. Bij een Amsterdammer met een eenvoudige ondersteuningsvraag kan dit onderzoek beknopt zijn en kan het gesprek ook telefonisch plaatsvinden. Hierbij valt te denken aan een verzoek om toegang tot beschermd vervoer en aan een verzoek om verlenging van een eerder toegekende voorziening. Indien informatie over de Amsterdammer en zijn medische en/of sociale situatie al voor handen is en leidt tot adequate ondersteuning, is het onnodig om hem te belasten met een uitgebreid onderzoek. In overleg met de Amsterdammer kan hier dan van af worden gezien. Als er een persoonlijk plan is aangeleverd door de Amsterdammer zal dit worden betrokken bij het onderzoek. Het hier beschreven onderzoek richt zich op ondersteuningsvragen die onder de Wmo-verordening 2015 vallen, maar er is ook aandacht voor ondersteuningsvragen die niet onder de reikwijdte van deze Nadere regels vallen (bijvoorbeeld op het gebied van werk, inkomen, veiligheid of wonen). Bij het buurtteam is dit zelfs uitdrukkelijk de bedoeling. Waar nodig wordt de Amsterdammer toegeleid naar de benodigde dienstverlening. Die dienstverlening valt niet onder de reikwijdte van deze Nadere regels en zijn daarom niet opgenomen in de hieronder beschreven stappen. Het onderzoek wordt binnen zes weken uitgevoerd. Mocht omwille van de zorgvuldigheid, bijvoorbeeld omdat informatie bij derden moet worden opgevraagd of omdat er sprake is van een complexe hulpvraag, de termijn van zes weken niet gehaald worden dan wordt hierover gecommuniceerd met de cliënt en kan deze termijn worden verlengd. Vraagverheldering Allereerst richt het onderzoek zich op het verduidelijken van wat de Amsterdammer graag wil en waarom, wat goed gaat en wat niet meer lukt. Middels vraagverheldering moet duidelijk worden wat de onderliggende reden is dat de Amsterdammer of zijn mantelzorger de vraag stelt. Zo nodig wordt de Amsterdammer ondersteund bij het duidelijk formuleren van zijn hulpvraag. De vraagverheldering bestaat uit één of meerdere gesprekken. De Amsterdammer kan door het ontvangen van van adequate informatie en een passend advies in sommige situaties al verder zonder de inzet van verdere ondersteuning. Indien de hulpvraag niet door middel van informatie en advies kan worden opgelost wordt het onderzoek naar een passende oplossing voortgezet. Reikwijdte Wmo In het onderzoek wordt vervolgens vastgesteld of de vraag onder de reikwijdte van de Wmo valt: is er behoefte aan ondersteuning ten behoeve van de zelfredzaamheid; is er behoefte aan ondersteuning ten behoeve van participatie; is er behoefte aan beschermd wonen of opvang; is er behoefte aan ondersteuning van de mantelzorger. Doel ondersteuning vaststellen Als duidelijk is wat de vraag is en dat deze onder de reikwijdte van de Wmo valt, is het van belang om samen met de Amsterdammer of zijn mantelzorger vast te stellen wat het te behalen resultaat is. Dus: wanneer vindt iemand dat zijn ondersteuningsvraag voldoende is opgelost en is dat een realistisch doel. Oplossingsmogelijkheden Als er overeenstemming is over het te behalen resultaat wordt gekeken naar hoe het resultaat bereikt kan worden. Daarbij wordt eerst gekeken wat iemand zelf kan oplossen. Een Wmo voorziening wordt alleen ingezet als daar een noodzaak voor is. Het afwegingskader kent een hiërarchie die hieronder wordt toegelicht. Eigen kracht Sociaal netwerk Andere wetgeving Voorzieningen sociale basis Algemene voorziening Maatwerkvoorziening Financiële tegemoetkoming meerkosten 1. Eigen kracht De Wmo is bedoeld om de eigen kracht te versterken en alle Amsterdammers, met of zonder beperking, te stimuleren om hun talenten en mogelijkheden te zien en in te zetten om ondersteuningsvragen op te lossen. Door hier in het vraagverhelderingsgesprek ruimte en aandacht aan te geven, door bijvoorbeeld oplossingsmogelijkheden aan te reiken of samen te zoeken naar een geschikte oplossing, kunnen mensen hun eigen kracht benutten en vergroten. Eigen kracht kan ook betekenen zelf betalen. Soms kan een ondersteuningsvraag worden opgelost met het aanschaffen van een algemeen gebruikelijke voorziening. Een algemeen gebruikelijke voorziening is een voorziening die niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking, die daadwerkelijk beschikbaar is, een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is en die financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. Dit betekent dat iedereen deze voorziening zelf moet bekostigen. Het verstrekken van dergelijke voorzieningen op grond van de Wmo is dan niet redelijk en strookt niet met de doelstelling van de wet. Wat algemeen gebruikelijk is wordt beïnvloed door maatschappelijke ontwikkelingen. Deze zijn aan verandering onderhevig. In de tijd kan een voorziening die eerst niet als algemeen gebruikelijk werd gezien wel algemeen gebruikelijk worden. Het aanbod en de prijzen van voorzieningen in gewone winkels speelt hierbij een rol, maar ook jurisprudentie (uitspraken van rechters). Voorbeelden van een algemeen gebruikelijke voorziening zijn een tandem, openbaar vervoer, thermostatische kranen en het lid zijn van een vereniging of club. Indien een algemeen gebruikelijke voorziening met aanpassingen een adequate oplossing biedt voor een probleem komen, in overeenstemming met een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, alleen de aanpassingen in aanmerking voor vergoeding. 2. Sociaal netwerk Het sociale netwerk verwijst naar de sociale context waarin de Amsterdammer leeft. Het beslaat het gezin, familie, vrienden, de buurt waarin iemand woont, zijn werkomgeving en de sociale groepen waartoe de Amsterdammer behoort. Personen in het netwerk zijn vaak bereid om (een deel van) de ondersteuning te bieden of voor de Amsterdammer te organiseren. Deze ondersteuning vanuit het sociale netwerk wordt in sommige gevallen mantelzorg genoemd. Mantelzorg is ondersteuning die mensen langdurig en onbetaald verlenen aan een persoon met beperkingen uit hun directe omgeving. De ondersteuning wordt geboden vanuit de persoonlijke band die mantelzorgers hebben met degene die zij ondersteunen. Om overbelasting te voorkomen wordt vanuit de gemeente ondersteuning geboden aan mantelzorgers. Datgene wat nodig is om de mantelzorger (tijdelijk) te ontlasten in een situatie van (dreigende) overbelasting, kan onderdeel uitmaken van een maatwerkvoorziening. Van belang hierbij is de balans tussen draagkracht en draaglast. Binnen het sociaal netwerk kan ook gebruikelijke hulp aan de orde zijn. Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de partner, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Gebruikelijke hulp is niet vrijblijvend. Het gaat hierbij om de normale dagelijkse zorg, zoals taken die bij een gezamenlijk huishouden horen, administratie, schoonmaken, bezoek aan familie, instanties of een arts. Onder huisgenoot wordt verstaan: een persoon die ofwel op basis van een familieband, ofwel op basis van een bewuste keuze, één huishouden vormt met de persoon die beperkingen ondervindt. Een huisgenoot is bijvoorbeeld een inwonend kind, maar zijn ook inwonende ouders. Of er sprake is van inwoning wordt naar de concrete feitelijke situatie beoordeeld. In beginsel is alle hulp door ouders, door partners onderling, door inwonende kinderen en/of andere huisgenoten gebruikelijk als er sprake is van een kortdurende situatie met uitzicht op een dusdanig herstel van zelfredzaamheid en participatie, dat ondersteuning daarna niet langer nodig is. Daarbij gaat het over het algemeen over een periode van maximaal drie maanden. Als het gaat om een chronische situatie is de hulp van een volwassene gebruikelijk wanneer die hulp door iemand uit de leefeenheid wordt geboden bij zelfredzaamheid, maatschappelijke participatie en het bezoeken van familie, vrienden, huisarts enzovoorts en het overnemen van taken die bij een gezamenlijk huishouden horen, zoals het doen van de administratie. Het leren omgaan van derden met de Amsterdammer met een beperking, chronisch psychische of psychiatrische aandoening is gebruikelijke hulp. Van ouders wordt bijvoorbeeld verwacht dat ze professionals instrueren hoe om te gaan met de beperkingen van hun kind. In alle gevallen zal zorgvuldig getoetst worden of er sprake is van niet-gebruikelijke hulp. Er zijn uitzonderingen mogelijk op het uitgangspunt van gebruikelijke hulp, al dan niet tijdelijk. Te denken valt aan situaties waarin: de huisgenoot lang en/of frequent afwezig moet zijn bijvoorbeeld in verband met werk en het zorg voor kinderen betreft; de huisgenoot geobjectiveerde beperkingen heeft en niet in staat kan worden geacht tot het verrichten of aanleren van taken behorende tot gebruikelijke hulp; de huisgenoot overbelast is of dreigt te raken; de hulpvrager een korte levensverwachting heeft. Aanvullende informatie over gebruikelijke hulp is te vinden in hoofdstuk 4. 3. Andere wetgeving Wetten als de Wet langdurige zorg (Wlz), de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Jeugdwet kunnen voorliggend zijn op ondersteuning vanuit de Wmo. De verantwoordelijkheid van de gemeente houdt op als iemand een blijvende behoefte aan permanent toezicht heeft of 24 uur per dag zorg in de nabijheid nodig is. De zorg valt dan onder de Wlz, ook als de Amsterdammer zelfstandig woont en ambulante ondersteuning, dagbesteding, logeeropvang of hulp bij het huishouden nodig heeft. Wanneer de blijvende behoefte aan permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in nabijheid voortkomt uit psychiatrische problematiek dan vallen ambulante ondersteuning, dagbesteding, logeeropvang of hulp bij het huishouden wel onder de Wmo. Dit geldt ook voor woon- en Voor de doelgroep beschermd wonen geldt dat binnen de Wmo voorzien kan worden in permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in nabijheid. Voorts kan het zijn dat medicijnen of een behandeling de behoefte aan ondersteuning of een deel daarvan wegnemen. Deze worden vergoed vanuit de Zvw en zijn voorliggend. Voor ondersteuningsvragen van Amsterdammers jonger dan 18 jaar op het gebied van zelfredzaamheid en participatie is de Jeugdwet voorliggend, met uitzondering van woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelvoorzieningen. 4. Voorzieningen sociale basis De sociale basis is het aanbod van activiteiten en voorzieningen in de wijken om de dragende samenleving zo goed mogelijk te laten functioneren ter versterking van de eigen kracht en het netwerk van Amsterdammers. De sociale basis maakt mede de onderlinge hulp en ondersteuning van Amsterdammers mogelijk. Het aanbod is toegankelijk voor alle Amsterdammers, zowel Amsterdammers met een ondersteuningsvraag als Amsterdammers die ondersteuning willen en/of kunnen bieden. De sociale basis omvat: Informatie en advies Ondersteuning ter versterking van vrijwillige inzet en informele netwerken Ondersteuning ter activering, participatie en talentontwikkeling Ondersteuning voor mantelzorgers Collectieve ondersteuning 5. Algemene voorziening Een algemene voorziening is een aanbod van diensten of activiteiten dat zonder indicatie toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning. De meeste algemene voorzieningen zijn voor de Amsterdammer die er gebruik van maakt gratis. Voor het beschermd vervoer wordt een ritbijdrage gevraagd. Een Amsterdammer die naar het oordeel van de gemeente voor een specifieke vorm van ondersteuning gebruik kan maken van een algemene voorziening, komt daarmee niet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening voor die ondersteuning. In hoofdstuk 3 zijn de algemene voorzieningen opgenomen die (een deel van) de ondersteuningsvraag op het gebied van zelfredzaamheid, participatie, opvang en beschermd wonen kunnen oplossen. 6. Maatwerkvoorziening Een Amsterdammer kan voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komen als andere oplossingen niet of niet voldoende tot een oplossing leiden. Voor een maatwerkvoorziening is een individuele toekenning nodig. Het kan zijn dat de gemeente een andere organisatie vraagt om de beoordeling voor de individuele toekenning te doen. Voor maatwerkvoorzieningen geldt in een aantal gevallen een bijdrage in de kosten. In hoofdstuk 4 A. zijn de maatwerkvoorzieningen opgenomen die door de gemeente worden ingezet ter ondersteuning van de zelfredzaamheid, participatie, opvang of beschermd wonen. 7.Financiële tegemoetkoming meerkosten Een Amsterdammer met een chronische ziekte of beperking met een laag inkomen kan in aanmerking komen voor een vergoeding van meerkosten als gevolg van de beperking. Voor de financiële tegemoetkoming meerkosten is een individuele toekenning nodig. De beoordeling en uitbetaling van de tegemoetkoming meerkosten gebeurt (met uitzondering van de sportvoorzieningen) door Werk, Participatie en Inkomen (WPI). Casemanagement Casemanagement kan worden geboden aan Amsterdammers die zeer complexe problemen hebben op het gebied van maatwerkvoorzieningen. Of die in omstandigheden verkeren waarbij uitgebreider onderzoek moet worden gedaan om een goed beeld van de situatie en de daaruit voortvloeiende aanvraag te krijgen. Een beperkt aantal Amsterdammers wordt jaarlijks op basis van door het college vastgestelde criteria geselecteerd door een adviesbureau voor deze intensieve begeleiding. De Wmo-melding wordt in dat geval door een multidisciplinair samengesteld team van medewerkers van de gemeente en externe adviseurs beoordeeld. Tijdens de verdere afhandeling van de melding, aanvraag en levering vindt intensieve begeleiding plaats door een casemanager. Indicatiestelling door een extern adviseur is een standaard onderdeel van de afhandeling van de aanvraag. 2.4.Verslag onderzoek (artikel 2.3 Wmo-verordening 2015) Naar aanleiding van het onderzoek wordt een verslag opgesteld. Afhankelijk van de soort voorziening kan de vorm van het verslag verschillen. Het verslag kan de vorm hebben van een ondersteuningsplan. Voor de doelgroep van maatschappelijke opvang en beschermd wonen heet dat een trajectplan. Voor woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen is het advies van het indicatieadviesbureau het verslag, dat desgewenst aan de Amsterdammer wordt opgestuurd. In het ondersteuningsplan worden afspraken vastgelegd over de te behalen doelen, resultaten en activiteiten en de duur en frequentie van de ondersteuning. Het ondersteuningsplan biedt ruimte om ondersteuningsvragen op de relevante levensdomeinen op één plek in beeld te brengen. Daarnaast bevat het de doelen en en de activiteiten waarmee de Amsterdammer daar, eventueel met zijn sociale omgeving, zelf aan bij kan dragen. Het ondersteuningsplan wordt samen met de Amsterdammer en eventueel zijn mantelzorger opgesteld. Voor hulp bij het huishouden wordt altijd een ondersteuningsplan met een afsprakenoverzicht opgesteld. De geboden ondersteuning wordt niet zwaarder of langer ingezet dan nodig is. Uitgangspunt is dat jaarlijks opnieuw wordt bekeken of en zo ja, welke afspraken er nodig zijn. De Amsterdammer heeft één regievoerder die optreedt als contactpersoon en die het ondersteuningsplan opstelt en beheert. Voor de doelgroep maatschappelijke opvang en beschermd wonen noemen we dit een trajecthouder. De Amsterdammer krijgt een kopie van het ondersteuningsplan en tekent het ter goedkeuring. Als de Amsterdammer en degene die het onderzoek heeft uitgevoerd het niet met elkaar eens zijn over het verslag of ondersteuningsplan, wordt eenmalig een nieuw onderzoek bij een andere medewerker aangeboden. Dat leidt tot een nieuw verslag of ondersteuningsplan. Zo nodig wordt hier gebruik gemaakt van een onafhankelijk adviesorgaan. 2.5.Aanvraag (artikel 2.4 Wmo-verordening 2015) Op de aanvraag zal in beginsel binnen twee weken een besluit (beschikking) genomen moeten worden. Deze termijn is relatief kort omdat het voorwerk al in het onderzoek als hierboven beschreven is gebeurd. Onder omstandigheden kan het zo zijn dat er nader onderzoek gedaan moet worden naar bijvoorbeeld de specifieke aandoening en daardoor veroorzaakte beperkingen, om de juiste maatwerkvoorziening te bepalen. In dat geval kan de beslistermijn op grond van de Algemene wet bestuursrecht worden verlengd. De gemeente schakelt in dat soort gevallen in principe een onafhankelijk adviesorgaan in. Zodra tijdens het onderzoek naar aanleiding van de melding blijkt dat mogelijk sprake zal zijn van een (aanvraag voor een) maatwerkvoorziening, kan ook in die fase al dit externe adviesorgaan ingeschakeld worden, opdat de afhandelingstermijn zo kort mogelijk is en er geen onnodige bureaucratie ontstaat. De aanvraag voor een maatwerkvoorziening moet in beginsel schriftelijk worden ingediend, maar kan voor sommige voorzieningen ook mondeling of digitaal worden ingediend. Dit laatste kan de snelheid van afhandeling bevorderen. Op dit moment is de mondelinge aanvraag mogelijk voor Aanvullend Openbaar Vervoer en maatschappelijke opvang. Als de cliënt zijn maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget (Pgb) voor ambulante ondersteuning, dagbesteding, hulp bij het huishouden, beschermd wonen of logeeropvang wil aanvragen, dan moet hij hiervoor aanvullende gegevens aanleveren. Het gaat om de volgende stukken: een Pgb-plan, waarin de cliënt motiveert waarom hij een Pgb wens en aangeeft door wie de ondersteuning geleverd zal worden; een zorgplan, waarin de betrokken hulpverlener aangeeft welke bijdrage hij levert aan de doelen van de cliënt; een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) van de betrokken hulpverlener, tenzij de hulpverlener een familielid, tot in de vierde graad, is van de cliënt. Een aanvraag voor een financiële tegemoetkoming meerkosten moet door een cliënt digitaal of schriftelijk worden ingediend. 2.6.Beschikking (artikel 2.6 Wmo-verordening 2015) In de beschikking voor een maatwerkvoorziening wordt het recht van de cliënt vastgelegd, evenals daarbij horende voorwaarden en verplichtingen. Als een voorziening voor een bepaalde tijd wordt toegekend wordt ook dat vermeld. In sommige gevallen wordt de omvang van het recht ook vermeld, bijvoorbeeld de hoogte van het toegekende Pgb-bedrag. Tegen de beschikking van de gemeente is, als de cliënt het er niet mee eens is, bezwaar bij de gemeente en beroep bij de rechtbank mogelijk. Hoofdstuk3Algemene voorzieningen 3.1Algemeen (artikel 3.1 Wmo-verordening 2015) Een algemene voorziening is in de wet als volgt gedefinieerd: Aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op het versterken van zelfredzaamheid en participatie, of op opvang. Algemene voorzieningen zijn derhalve voorzieningen die vrij toegankelijk zijn voor de doelgroep waarvoor de voorziening is bedoeld. De meeste algemene voorzieningen zijn voor de Amsterdammer die er gebruik van maakt gratis. Een Amsterdammer die naar het oordeel van de gemeente voor een specifieke vorm van ondersteuning gebruik kan maken van een algemene voorziening, komt daarmee niet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening voor die ondersteuning. Voorbeelden van algemene voorzieningen zijn ondersteuning door het buurtteam, het beschermd vervoer en kortdurende opvang voor daklozen. Zoals in de Wmo-verordening 2015 staat vermeld is niet bedoeld een limitatieve opsomming van algemene voorzieningen op te nemen in regelgeving. 3.2Voorzieningen sociale basis (artikel 3.2 Wmo-verordening 2015) a Productbeschrijving De sociale basis in de wijken dient ter versterking van de eigen kracht en het netwerk van Amsterdammers. Het betreft activiteiten met een preventief karakter. Ze stimuleren dat mensen ondanks beperkingen die zij ervaren kunnen meedoen aan het maatschappelijk sociaal leven (actief worden), helpen om sociaal isolement te doorbreken en eenzaamheid te bestrijden en versterken ontmoeting en samenleven in de wijk. De sociale basis in de wijken wordt vormgegeven onder verantwoordelijkheid van het Dagelijks Bestuur van de stadsdelen en sluit zoveel als mogelijk aan op de behoefte en kansen van een gebied. Het is belangrijk dat de sociale basis en wijkzorg in nauwe afstemming met elkaar een aanbod bieden in de wijk. Hierover zijn met het Dagelijks Bestuur van de stadsdelen goede afspraken gemaakt. De rol van de gemeente waaronder het Dagelijks Bestuur van de stadsdelen bestaat overigens niet zozeer uit het zelf (laten) leveren van voorzieningen, maar veeleer uit het mogelijk maken en faciliteren. Zo wordt gestimuleerd dat vrijwilligers zich inzetten en worden deze vrijwilligers ondersteund bijvoorbeeld in de koppeling met mensen die ondersteuning nodig hebben. Over het lokale aanbod is informatie beschikbaar op wijkniveau, onder meer via informele spreekuren in de wijk. In elk stadsdeel wordt de samenwerking bevorderd tussen actieve bewoners, vrijwilligersorganisaties, bewonersnetwerken en professionele organisaties, maar ook met bedrijven in de wijken, zodat deze elkaars kennis en kunde benutten en waar mogelijk bijdragen aan elkaars activiteiten. Voorbeelden van voorzieningen in de sociale basis zijn mantelzorgondersteuning, een Huis van de Wijk/buurthuis, maatjescontact, activiteiten rond ‘samen koken samen eten’, lotgenotencontact mantelzorgers en vrijwilligersorganisaties voor onderlinge hulp en steun. Bewoners kunnen, voor informatie over de wijze waarop de ondersteuning in hun stadsdeel geboden wordt, terecht bij het sociaal loket of het Buurtteam. b Voorliggende voorziening In het algemeen kan de zogenoemde dragende samenleving worden gezien als voorliggende voorziening. Maar ook het aanbod in de sociale basis zelf vormt in feite de mogelijke voorliggende voorziening op de verstrekking van verdergaande voorzieningen die de gemeente kan bieden. 3.3Ondersteuning door het buurtteam (artikel 3.3 Wmo-verordening 2015) aProductbeschrijving Buurtteams bieden laagdrempelige en voor iedereen toegankelijke ondersteuning op het gebied van zelfredzaamheid en participatie. Het kan daarbij gaan om informatie en advies bijvoorbeeld over dienstverlening door de buurtteams, activiteiten in de buurt, wonen, inkomen of over werk en ondersteuning bij zelfredzaamheid en participatie. Het buurtteam werkt hiervoor samen met de sociale basis en met organisaties op het gebied van veiligheid, werk, participatie, inkomen en wonen. Ook kunnen de buurtteams toeleiden naar aanvullende Wmo ondersteuning. Naast de Wmo ondersteuning valt ook het sociaal raadsliedenwerk en schuldhulp onder de dienstverlening van de buurtteams. De Amsterdammer kan binnen zijn of haar stadsdeel terecht bij een buurtteam locatie naar keuze. De ondersteuning van het buurtteam is gericht op het bereiken en behouden van grip op het dagelijks leven en het persoonlijk functioneren, het opbouwen en onderhouden van een sociaal netwerk en deelname aan het maatschappelijk leven. De ondersteuning door het buurtteam kan zowel kortdurend als langdurig en in meer of mindere mate intensief geboden worden en kan zowel op individuele basis als in groepsverband plaatsvinden. Indien meer nodig is dan de buurtteams zelf kunnen bieden, dan hebben zij een belangrijke rol in het toegangsproces voor bepaalde maatwerkvoorzieningen. Deze rol is per maatwerkvoorziening beschreven in hoofdstuk 2. De ondersteuning kan, afhankelijk van de situatie van de Amsterdammer, zowel worden geboden op de locatie van het buurtteam als bij de Amsterdammer thuis. bVoorliggende voorziening In het algemeen kunnen de zogenoemde dragende samenleving en voorzieningen van de sociale basis worden gezien als voorliggende voorziening. Maar ook de dienstverlening door het buurtteam zelf vormt in feite de mogelijke voorliggende voorziening op de verstrekking van verdergaande voorzieningen die de gemeente kan bieden. 3.5Beschermd vervoer (artikel 3.5 Wmo-verordening 2015) a Productbeschrijving Het Beschermd vervoer is de enige algemene vervoersvoorziening, de andere collectieve vervoersvoorzieningen zijn maatwerkvoorzieningen en komen aan de orde in hoofdstuk 4 A. Het Beschermd vervoer vormt samen met het collectief vervoer het Aanvullend Openbaar Vervoer (AOV). Het collectief vervoer komt aan de orde in paragraaf 4.10.1a. Het Beschermd vervoer is een uitsluitend voor pashouders toegankelijk vervoerssysteem voor iedere Amsterdammer vanaf 75 jaar. In het Beschermd vervoer wordt geen begeleiding gegeven; mensen gaan zelf naar het voertuig en stappen zonder hulp in en uit. Cliënten worden opgehaald bij de deur van de woning of de ingang van het wooncomplex en afgezet bij de deur van het bestemmingsadres of de ingang van het complex. Het Beschermd vervoer maakt vervoer over alle afstanden mogelijk in de directe woon- en leefomgeving en biedt een actieradius van 25 kilometer hemelsbreed gerekend vanaf het woonadres volgens de Basisregistratie Personen (BRP), of zoveel meer dan nodig om vanaf het woonadres een bestemming binnen Amsterdam te bereiken. Jaarlijks kan bij de vaststelling van de gemeentebegroting besloten worden of een ritmaximering in het Beschermd vervoer wordt toegepast en, indien dit het geval is, wat de omvang daarvan is. Het vervoer wordt uitgevoerd in personenbusjes, personenauto’s of combi-voertuigen. De vervoerder bepaalt welk voertuig ingezet wordt en houdt daarbij rekening met de hulpmiddelen die de cliënt gebruikt tijdens het vervoer. Het materieel biedt de mogelijkheid om loophulpmiddelen, rolstoelen en scootmobielen te vervoeren. Per rit mag één reisgenoot meereizen. De reisgenoot maakt exact dezelfde rit als de pashouder, en betaalt ook dezelfde ritbijdrage. Het is cliënten niet toegestaan een reisgenoot mee te nemen die begeleiding van de chauffeur nodig heeft. Voor cliënten in het bezit van een OV-Begeleiderskaart geldt dat de begeleider als reisgenoot gratis meereist. Kinderen tot en met 3 jaar reizen gratis. Hulphonden en blindengeleidehonden mogen gratis meereizen. Kleine huisdieren mogen alleen mee als deze op schoot genomen kunnen worden, en reizen dan eveneens gratis mee. Groepsvervoer Personen die gebruik maken van het Beschermd vervoer kunnen groepsvervoer aanvragen. Groepsvervoer is vervoer van meer dan twee personen (cliënten en reisgenoten) van en/of naar hetzelfde adres. b Voorliggende oplossingen Er wordt enkel gekeken of een Amsterdammer ouder is dan 75 jaar. Er wordt niet beoordeeld of die Amsterdammer andere mogelijkheden heeft om in zijn vervoer te voorzien. Dit gebeurt als een maatwerkvoorziening voor vervoer wordt aangevraagd. 3.6Kleine woningaanpassingen (artikel 3.6 Wmo-verordening 2015) a Productbeschrijving Kleine woningaanpassingen betreffen douchezitjes of het verwijderen van eenvoudige (stof) drempels. Als er naast deze voorzieningen nog andere ondersteuning nodig is, wordt de melding in zijn geheel via de reguliere Wmo-procedure afgehandeld. b Voorliggende oplossingen Als de ondersteuningsvraag met een algemeen gebruikelijke voorziening, zoals een losse douchestoel, is op te lossen is een kleine woningaanpassing niet aan de orde. 3.7Kortdurende opvang, crisisopvang, passantenpension en noodopvang dakloze gezinnen (artikel 3.7 Wmo-verordening 2015) a Productbeschrijving Kortdurende opvang Kortdurende opvang is opvang voor mensen met een zorgvraag die dak- of thuisloos zijn en biedt gedurende het hele jaar kortdurend voltijd verblijf. . Toegang tot kortdurende opvang is afhankelijk van de mate van zelfredzaamheid en de binding met Amsterdam. Als binding met Amsterdam niet aanwezig is maar opvang wel noodzakelijk, dan moet de gemeente waar de persoon wel binding mee heeft opvang bieden. Voor mensen die niet zelfstandig in staat zijn zich bij die gemeente te melden, organiseert Amsterdam een warme overdracht. De verblijfsduur in de kortdurende opvang is in beginsel 3 maanden. Het verblijf in de kortdurende opvang kan worden verlengd indien: het nog niet gelukt is om basiszaken als een inkomen, zorgverzekering, briefadres en verwijzing naar zorg duurzaam op te starten, de cliënt nog in afwachting is van een besluit op zijn of haar aanvraag voor maatschappelijke opvang of beschermd wonen. Er zijn drie specifieke vormen van kortdurende opvang, waar toeleiding naar een traject niet de primaire doelstelling is. Het zijn: Stoelenproject: een basale vorm van onderdak gedurende de wintermaanden. Beperkte opvang en terugkeertrajecten voor niet-rechthebbenden die in een crisissituatie verkeren. Winterkoudeopvang: tijdelijke uitbreiding van het aantal plaatsen kortdurende opvang wanneer sprake is van extreme koude. Crisisopvang Crisisopvang betreft kortdurend verblijf op locaties waar kortdurende opvang wordt geboden. De GGD Amsterdam heeft de regie over deze plekken. Deze crisisopvang is naar zijn aard geen voorziening die je aanvraagt, waarna er een beoordeling en beschikking plaatsvindt; het gaat hierbij om kortdurend voltijd verblijf naar aanleiding van een crisissituatie, op specifiek voor dat doel bestemde plekken, voor maatschappelijke opvang gedurende drie dagen en voor opvang na huiselijk geweld gedurende tien dagen. Er wordt snel ingegrepen, en nadat de eerste crisis is bezworen wordt nader gekeken naar meer structurele hulp, waaronder de mogelijkheid van een maatwerkvoorziening opvang. Noodopvang dakloze gezinnen De noodopvang gezinnen vangt twee soorten gezinnen op: gezinnen die op de wachtlijst staan voor opvang en beschermd wonen; zelfredzame Amsterdamse gezinnen. Er bestaan wachtlijsten voor opvang en beschermd wonen. Gezinnen die een positief besluit voor één van deze maatvoorzieningen ontvangen, kunnen daar niet direct terecht. Als gezinnen geen alternatief hebben, mogen zij in de noodopvang verblijven totdat er voor hen een plek beschikbaar is bij opvang en beschermd wonen. Noodopvang voor zelfredzame dakloze gezinnen is kortdurend voltijdverblijf. Het doel van de noodopvang is dat betrokkenen en hun kinderen een plek hebben van waaruit zij een oplossing voor hun woonprobleem kunnen zoeken. De gezinnen krijgen begeleiding gericht op uitstroom. De begeleidingsdoelen zijn vastgelegd in het Plan van Aanpak dat samen met het gezin wordt opgesteld. De noodopvang wordt voor drie maanden verleend. Voorafgaand aan het verstrijken van de driemaandentermijn vindt er een evaluatie plaats. Op basis van die evaluatie neemt de gemeente een besluit over het vervolg. Als het gezin voldoende heeft meegewerkt aan het traject gericht op uitstroom, dan wordt de opvang met drie maanden verlengd. Als het gezin niet of onvoldoende heeft meegewerkt aan het traject gericht op uitstroom, dan wordt de opvang (tussentijds) beëindigd. Voorwaarden voor toegang tot de noodopvang voor dakloze gezinnen zijn: het gezin is dakloos en kan niet terecht in het netwerk of op andere wijze zelf in onderdak voorzien; alle leden van het gezin hebben minimaal de afgelopen vier jaar rechtmatig in Nederland verbleven; alle leden van het gezin hebben de afgelopen vier jaar in Amsterdam gewoond, blijkend uit de inschrijving in de Basisregistratie Personen (BRP). Gedurende het verblijf in de noodopvang gelden de volgende voorwaarden: het gezin werkt mee aan een traject dat gericht is op uitstroom, dat kan ook naar het eigen netwerk zijn; het gezin schrijft zich in bij Woningnet en reageert wekelijks op maximaal kansrijke woningen; het gezin schrijft zich - gezien de lange wachtduur voor een sociale huurwoning in Amsterdam - in bij minimaal drie woningzoeksites in krimpregio’s en reageert iedere week op al deze sites aantoonbaar op woningen; het gezin betaalt de eigen bijdrage; het gezin houdt zich aan de huisregels van de opvanglocatie; het gezin is niet zonder voorafgaande toestemming afwezig tussen 22:00 uur en 06:00 uur; het gezin weigert geen passende woning; het gezin werkt mee aan overplaatsing binnen de keten van de gezinsopvang of daarbuiten, bijvoorbeeld wanneer de GGD een andere opvanglocatie aanbiedt of wanneer uit onderzoek blijkt dat behandeling noodzakelijk is of een andere voorziening voorliggend is. Passantenpension Mensen die dak- en thuisloos maar wel redelijk zelfredzaam zijn, kunnen door het stedelijk loket worden doorverwezen naar een passantenpension. Een passantenpension biedt hen in het kader van maatschappelijke opvang tijdelijk verblijf voor maximaal 6 maanden. De groep die hiervoor in aanmerking komt heeft deze stabiele huisvesting nodig om van daaruit op eigen kracht of met behulp van kortdurende ondersteuning vanuit maatschappelijk dienstverlening hun problemen op te kunnen oplossen. Naast bovenstaande producten biedt de maatschappelijke opvang ook de volgende producten: Inloop Inloop is het aanbieden van laagdrempelige dagopvang voor dak- en thuislozen in het kader van de maatschappelijke opvang. In de inloop wordt een cliënt een daginvulling geboden, door deel te nemen aan recreatieve of maatschappelijke activiteiten. Bezoekers van inlooplocaties kunnen zelf als vrijwilliger een deel van de activiteiten en het beheer van het inloophuis voor hun rekening nemen, onder toezicht van tenminste één professioneel staflid. Het doel van inloop is het signaleren van een andere ondersteuningsvraag, o.a. op het gebied van dagbesteding, het signaleren van veiligheidsrisico’s en het voorkomen van overlast op straat. Veldwerk Veldwerk is het outreachend en op signaal van derden bieden van kortdurende ondersteuning aan dak- en thuislozen die opvallen, dan wel overlast veroorzaken in het openbare domein. Het doel van veldwerk is het in beeld krijgen van verloedering dan wel overlast en het oplossen daarvan door een zorgkader te scheppen. Veldwerk heeft sterk het karakter van zorgtoeleiding: snel beoordelen wat er aan de hand is en daarna doorverwijzen naar een geschikt zorgkader, indien een zorgkader van toepassing is. Veldwerk wordt aangeboden door een stedelijk veldwerkteam dat voor de gehele stad werkt. Derde partijen zoals politie, stadsdeel, maatschappelijke en zorgpartners kunnen een signaal bij het veldwerkteam inbrengen. b Voorliggende oplossingen Er wordt samen met betrokkene bekeken of deze alternatieven heeft om tijdelijk te voorzien in onderdak, bijvoorbeeld via familie of een sociaal netwerk. 3.8Waardering mantelzorgers (artikel 3.8 Wmo-verordening 2015) Mantelzorgers woonachtig in Amsterdam, of zij die zorgen voor een Amsterdammer met een fysieke, chronische of psychische beperking komen voor waardering in aanmerking. De gemeente Amsterdam waardeert haar mantelzorgers jaarlijks op de dag van de mantelzorg. Hiervoor organiseren de Dagelijks Besturen van de stadsdelen activiteiten waar mantelzorgers aan kunnen deelnemen. Voor jonge mantelzorgers organiseert de gemeente een week van de jonge mantelzorger. Hoofdstuk4a. Maatwerkvoorzieningen 4.1Algemeen (artikel 4.1 Wmo-verordening 2015) Belangrijke uitgangspunten maatwerkvoorzieningen Een maatwerkvoorziening (artikel 1.1.1 Wmo) is op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd: ten behoeve van de zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen, ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen, ten behoeve van beschermd wonen en opvang. Hieronder worden een aantal uitgangspunten uitgewerkt die een belangrijke rol spelen bij de beoordeling van een maatwerkvoorziening. Goedkoopst adequaat (artikel 4.1, derde lid onder e Wmo-verordening 2015) Met het begrip goedkoopst adequaat wordt bedoeld ‘wat volgens objectieve maatstaven verantwoord en toereikend is’. Hiervan is sprake als een oplossing, mogelijk bestaand uit een combinatie van voorzieningen, de beperkingen die de persoon op een bepaald gebied ondervindt wegneemt, dan wel aanzienlijk vermindert. Hierbij hoeft een oplossing niet aan alle wensen van betrokkene, hoe invoelbaar deze wellicht mogen zijn, tegemoet te komen. In het geval dat meerdere voorzieningen als adequaat kunnen worden aangemerkt, wordt gekozen voor de goedkoopste voorziening. Noodzakelijk (artikel 4.1, derde lid onder b Wmo-verordening 2015) Noodzakelijk wil zeggen dat de persoon met beperkingen uitsluitend met behulp van de voorziening in staat blijft zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren. De voorziening moet om die reden nodig zijn; niet gewenst of gemakkelijk. Deze voorwaarde geldt voor alle maatwerkvoorzieningen. De noodzaak zal meestal een medische noodzaak zijn. De noodzakelijkheid kan zowel leiden tot een kortdurende als een langdurige verstrekking. Voor woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen is langdurig noodzakelijk een voorwaarde. Langdurig noodzakelijk wil zeggen dat de persoon met beperkingen niet alleen aangewezen moet zijn op een Wmo voorziening, maar dat dit tevens voor langere tijd geldt. Langdurig noodzakelijk heeft te maken met de aansluiting op het hulpmiddelendepot dat op basis van de Zorgverzekeringswet (Zvw) beschikbaar is. Uit dat hulpmiddelendepot kan gedurende drie maanden, éénmaal te verlengen met nog eens drie maanden, een hulpmiddel worden geleend. Na die periode bestaat de mogelijkheid het middel tegen betaling te huren. Dat wil evenwel niet zeggen dat de grens van langdurig noodzakelijk op zes maanden ligt. De grens wordt eerder bepaald door de vraag: gaat de beperking over of is het blijvend. Als iemand een probleem heeft dat acht of tien maanden zal duren maar daarna over zal zijn, mag er van worden uitgegaan dat geen sprake is van langdurige noodzaak. Dat geldt overigens niet bij een aanvrager die terminaal ziek is. Als de levensverwachting bijvoorbeeld vier maanden is, is duidelijk dat het probleem voor betrokkene blijvend is. Er wordt dan uitgegaan van langdurige noodzaak. Voorzienbaarheid (artikel 4.1, derde lid onder d Wmo-verordening 2015) Als een Amsterdammer kan voorzien dat er op termijn ondersteuning nodig is, gaat de gemeente ervan uit dat hij hierop anticipeert. Hierbij kan gedacht worden aan het tijdig zoeken van andere woonruimte of het sparen voor de nodige aanpassingen, maar ook aan het tijdig regelen van tijdelijke hulp na een operatie. Gericht op de persoon met beperkingen Een maatwerkvoorziening is gericht op de persoon met beperkingen. Hiermee wordt het volgende bedoeld: Er is altijd één individuele aanvrager die de maatwerkvoorziening aanvraagt, c.q. voor wie de maatwerkvoorziening aangevraagd wordt. De maatwerkvoorziening moet voor deze persoon noodzakelijk zijn in het kader van de Wmo; de maatwerkvoorziening moet op die persoon gericht zijn. Het is mogelijk dat een maatwerkvoorziening gedeeld wordt als twee of meer aanvragers hier individueel voor in aanmerking komen, bijvoorbeeld een traplift. De maatwerkvoorziening wordt alleen verstrekt ten behoeve van de persoon met beperkingen zelf. Medegebruik van maatwerkvoorzieningen is mogelijk. Voorbeelden daarvan zijn: aangepaste auto waarin anderen mee kunnen rijden; automatische deuropener aan de gemeenschappelijke toegangsdeur van een flat waar ook andere bewoners dan de persoon met beperkingen gebruik van maken. In principe worden maatwerkvoorzieningen verstrekt waarvan men zelfstandig gebruik kan maken. Wanneer de persoon met beperkingen de voorziening niet zonder hulp kan gebruiken, maar deze wel de enige adequate oplossing biedt voor het probleem, kan deze bij uitzondering worden toegekend. Bij co-ouderschap, waarbij het kind verdeeld over de tijd bij beide ouders verblijft, wordt in beginsel slechts één voorziening verstrekt. Van ouders wordt verwacht dat zij over roerende voorzieningen onderling afspraken maken. Persoonskenmerken, behoeften van de aanvrager en de financiële mogelijkheden Bij het vaststellen van de noodzaak van een maatwerkvoorziening wordt gekeken naar de persoonskenmerken, de behoeften en de financiële mogelijkheden van de Amsterdammer. Persoonskenmerken Relevante persoonskenmerken kunnen, afhankelijk van de belemmeringen die de Amsterdammer aandraagt, bijvoorbeeld zijn: de leeftijd; de gezondheidssituatie; de zelfstandigheid van de persoon; de mate waarin een persoon in staat is om zelf - eventueel met hulp van zijn huisgenoten, sociale netwerk of ondersteuning vanuit de sociale basis - zaken te organiseren. Behoeften van de aanvrager De behoeften van de Amsterdammer spelen op twee manieren een rol. Allereerst wordt bekeken op welke terreinen hij belemmeringen ondervindt in zijn zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Onderzocht wordt wat de Amsterdammer wil met betrekking tot zijn zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie en op welke manier hij daarin belemmerd wordt. Vervolgens wordt beoordeeld in hoeverre deze wensen redelijk zijn en gecompenseerd moeten en kunnen worden. Voor het compenseren van de belemmeringen wordt gekeken welke oplossingen mogelijk zijn. Hierbij speelt opnieuw de behoefte van de Amsterdammer een rol en ook de achtergrond van de behoefte. Met deze behoeften wordt rekening gehouden, voor zover dat mogelijk is. Uiteindelijk wordt echter voor de goedkoopst adequate oplossing gekozen. Financiële mogelijkheden De financiële mogelijkheden van de Amsterdammer om zelf een oplossing aan te schaffen of te organiseren komen aan bod tijdens het onderzoek. Voor een aantal voorzieningen wordt een bijdrage in de kosten gevraagd. De Amsterdammer wordt in het onderzoek over beide zaken geïnformeerd om een goede afweging te kunnen maken. 4.2Persoonsgebonden budget (artikel 4.2 Wmo-verordening 2015) aProductbeschrijving Algemeen In de Wmo 2015 is het persoonsgebonden budget (Pgb) een gelijkwaardig alternatief voor ondersteuning in natura. Een Amsterdammer die een geïndiceerde maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget wenst, geeft dit gemotiveerd aan en hij stelt een zogenoemd Pgb-plan op, tenzij het een aanvraag voor een woonvoorziening, vervoersvoorziening of rolstoel betreft. In die gevallen is geen Pgb-plan nodig, en toetst het college de aanvraag en de aanvrager enkel op doelmatigheid, Pgb-vaardigheid en motivatie. Een persoonsgebonden budget kan worden verstrekt ten behoeve van een maatwerkvoorziening als bedoeld in hoofdstuk 4 A. van de Wmo-verordening 2015. Voor de aanvraag van een persoonsgebonden budget wordt gebruik gemaakt van het door het college vastgestelde Pgb-plan. De motivatie en Pgb-vaardigheid van de aanvrager van een persoonsgebonden budget en de doelmatigheid van het zorginhoudelijke voorstel wordt getoetst aan de hand van een door de aanvrager ingevuld Pgb-plan en een door de betrokken zorgverlener ingevuld zorgplan. Beide documenten vormen een onderdeel van het gesprek als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Wmo-verordening 2015. Indien er een Pgb-vertegenwoordiger is, wordt de Pgb-vaardigheid van die vertegenwoordiger getoetst. Hulp uit het sociale netwerk is geen vorm van vertegenwoordiging. Een cliënt die door iemand uit zijn sociale netwerk wordt geholpen bij het beheren van zijn Pgb, moet zelf bekwaam zijn. 5. Als de cliënt het budgetbeheer door een Pgb-vertegenwoordiger laat uitvoeren, mag deze niet tevens de zorgverlener van de cliënt zijn, tenzij hiervoor door de gemeente toestemming is verleend. Er is sprake van professionele hulp als de werkzaamheden beroepsmatig uitgevoerd worden en de persoon ingeschreven staat bij de Kamer van Koophandel. De omschrijving van de bedrijfsactiviteiten van de onderneming moet aansluiten bij de te leveren diensten voor het Pgb. Er gelden voor zowel professionele als informele hulpverleners kwaliteitseisen. De cliënt dient zich ervan te vergewissen dat de betrokken hulpverlener(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.