Bouwverordening gemeente VeereBOUWVERORDENING GEMEENTE VEERE Tekst zoals deze luidt na de 2e wijziging Vastgesteld : 13 november 20081e wijziging : 30 september 20102e wijziging : 16 december 2010. Bo
Artikel5
.4.1Preventie Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden dat het bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt. Hoofdstuk7Overige gebruiksbepalingen Paragraaf1Overbevolking Artikel7.1.1Overbevolking van woningen Het is verboden een woning te bewonen met of toe te staan dat een woning wordt bewoond door meer dan één persoon per 12 m² gebruiksoppervlakte. Artikel7.1.2Overbevolking van woonwagens Het is verboden een woonwagen te bewonen met of toe te staan dat een woonwagen wordt bewoond door meer dan één persoon per 6 m² gebruiksoppervlakte. Paragraaf2Staken van het gebruik Artikel7.2.1Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid Het is verboden een bouwwerk, een open erf of terrein te gebruiken of te doen gebruiken, indien door of namens burgemeester en wethouders is medegedeeld, dat zulks gevaarlijk is in verband met:a. bouwvalligheid van het bouwwerk;b. bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk. Artikel7.2.2Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek aan hygiëne Indien tengevolge van het niet functioneren - hieronder begrepen het afgesloten zijn - van de ingevolge het Bouwbesluit verplicht aanwezige voorzieningen tot het kunnen afvoeren van faecaliën, het kunnen beschikken over drinkwater, het kunnen beschikken over gedistribueerd gas en het kunnen beschikken over gedistribueerde elektriciteit een onvoldoende veiligheid of een onvoldoende hygiëne aanwezig is, kan het bevoegd gezag gelasten het gebruik van het bouwwerk te staken. Paragraaf3Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen Artikel7.3.1Hinder Het is verboden in, op of aan een bouwwerk of op een open erf of terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken, waardoor:a. op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook, roet, walm of stof wordt verspreid;b. overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers van het bouwwerk, het open erf of terrein;c. op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank, stof of vocht of irriterend materiaal wordt verspreid of overlast wordt veroorzaakt door geluid en trilling, elektrische trilling daaronder begrepen, of door schadelijk of hinderlijk gedierte, dan wel door verontreiniging van het bouwwerk, open erf of terrein;d. instortings-, omval- of ander gevaar wordt veroorzaakt.Niet van toepassing is het vorenstaande, indien en voor zover het betreft nadelige gevolgen voor het milieu waarop de Wet milieubeheer of enige in deze wet genoemde wet van toepassing is. Paragraaf4Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
Artikel7
.4.1Preventie 1Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden dat het bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt; 2Voorraden en afval dienen op zodanige wijze en plaats te worden bewaard dat schadelijk of hinderlijk gedierte hierdoor niet wordt aangetrokken. Paragraaf5Watergebruik Artikel7.5.1Verboden gebruik van water Het is verboden drink- en werkwater, waarvan door het bevoegd gezag schriftelijk is medegedeeld dat het ondeugdelijk wordt geacht, te gebruiken. Paragraaf6Installaties Artikel7.6.1Gebruiksgereed houden van installaties Installaties in of nabij een bouwwerk, waarvan het Bouwbesluit, het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken of de Bouwverordening de aanwezigheid verplicht stelt, moeten in een goede staat verkeren, zodat daarvan een onbelemmerd gebruik kan worden gemaakt. Hoofdstuk8Slopen Paragraaf1Omgevingsvergunning voor het slopen Artikel8.1.1Omgevingsvergunning voor het slopen 1Het is verboden bouwwerken en woonwagens daaronder begrepen, te slopen zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd gezag; 2De in het eerste lid bedoelde vergunning is niet vereist indien naar redelijke schatting de hoeveelheid sloopafval niet meer zal bedragen dan 10 m³, tenzij het slopen mede betreft het verwijderen van asbest. Voorts is geen vergunning vereist voor het slopen ingevolge een besluit op grond van artikel 13 van de Woningwet , dan wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom.Het bevoegd gezag kan aan hun besluit voorwaarden verbinden als bedoeld in het derde lid; 3Het bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voor het slopen slechts voorschriften over: a. de veiligheid tijdens het slopen;b. de bescherming van nabijgelegen bouwwerken;c. het scheiden en het op de sloopplaats gescheiden houden van het sloopafval, ten minste inhoudende een scheiding in een fractie asbest, een fractie gevaarlijk afval en een fractie overig afval;d. het voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden overleggen van de gegevens als bedoeld in 7.2 onder b. van de Regeling omgevingsrecht.; 4De voorschriften over het sloopafval, als bedoeld in het derde lid, onder letter c, kunnen eisen bevatten omtrent het selectief slopen, de fracties waarin wordt gescheiden, de tijdelijke opslag op het sloopterrein en het in fracties gescheiden verpakken van het sloopafval op het sloopterrein. Het bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voor het slopen met betrekking tot asbest voorschriften over het afzonderlijk gereed maken daarvan voor de afvoer van het sloopterrein en over de termijn waarbinnen dit moet plaatsvinden; 5De vergunningplicht als bedoeld in het eerste lid geldt niet indien in een tijdelijke omgevingsvergunning voor het bouwen voor een seizoengebonden bouwwerk voorschriften zijn gesteld over het slopen van het tijdelijke bouwwerk Artikel8.1.6Weigeren omgevingsvergunning voor het slopen Een omgevingsvergunning voor het slopen moet worden geweigerd indien:a. de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd;b. de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd;c. een vergunning met betrekking tot de archeologische monumenten ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of een gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze niet is verleend;d. een vergunning ingevolge een leefmilieuverordening op grond van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing, die krachtens overgangsrecht van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening de werking heeft behouden, is vereist en deze niet is verleend. Artikel8.1.7Intrekken omgevingsvergunning voor het slopen Een omgevingsvergunning voor het slopen kan worden ingetrokken indien:a. de vergunning is verleend tengevolge van onjuiste of onvolledige opgave van gegevens;b. binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning voor het slopen geen begin met de werkzaamheden is gemaakt;c. tussen het begin en het einde van de sloopwerkzaamheden deze werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van 26 weken stilliggen. Paragraaf2Uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning voor het slopen Artikel8.2.1Sloopmelding 1In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is geen omgevingsvergunning voor het slopen vereist voor het anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf in zijn geheel slopen van: a. geschroefde , asbesthoudende platen waarin de asbestvezels hechtgebonden zijn, niet zijnde dakleien, uit een woning of uit een op het erf van die woning staand bijgebouw, voorzover de woning of het bijgebouw niet in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf worden gebruikt of bedoeld zijn voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van de te verwijderen asbesthoudende platen maximaal vijfendertig vierkante meter per kadastraal perceel bedraagt; b. asbesthoudende vloertegels of niet-gelijmde, asbesthoudende vloerbedekking uit een woning of uit een op het erf van die woning staand bijgebouw, voorzover de woning of het bijgebouw niet in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf worden gebruikt of bedoeld zijn voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van de te verwijderen asbesthoudende vloerbedekking of vloertegels maximaal vijfendertig vierkante meter per kadastraal perceel bedraagt;mits het voornemen tot dit slopen is gemeld bij burgemeester en wethouders en door burgemeester en wethouders binnen acht dagen na de dag waarop dit is gemeld is medegedeeld dat geen omgevingsvergunning voor het slopen is vereist; 2Het voornemen tot slopen als bedoeld in het eerste lid moet worden gemeld met gebruikmaking van een door of namens burgemeester en wethouders vastgesteld formulier; 3De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in3-voud worden ingediend; 4De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in het Nederlands zijn gesteld; 5In de melding moeten zijn opgenomen de plaats, het adres, de aard en het gebruik van het bouwwerk; 6Degene, die de melding heeft gedaan, krijgt door of namens burgemeester en wethouders een bewijs van ontvangst toegezonden of uitgereikt, waarin de datum van ontvangst is vermeld; 7Indien burgemeester en wethouders de in het eerste lid bedoelde mededeling niet binnen de aldaar gestelde termijn hebben gedaan, is de mededeling van rechtswege gedaan; 8Burgemeester en wethouders kunnen aan een mededeling als bedoeld in het eerste lid voorschriften verbinden met betrekking tot de verwijdering, opslag en afvoer van asbest; 9De houder van een mededeling als bedoeld in het eerste of het zevende lid is verplicht het gestelde in een door de minister van volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer uitgegeven publicatie ter zake van het slopen van asbest bevattende vloerbedekking in acht te nemen. Voorts is de houder verplicht de voorschriften, bedoeld in het achtste lid alsmede de voorschriften die bij of krachtens de artikelen 7 en 8 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 zijn gesteld, in acht te nemen; 10Het bewerken van het asbest ter plaatse waar dit asbest door sloop vrijkomt is niet toegestaan; 11Bij het niet voldoen aan de bij of krachtens de in het eerste tot en met het vijfde lid van dit artikel gestelde eisen, stellen burgemeester en wethouders degene die de melding heeft gedaan in de gelegenheid om binnen één week de door hen aan te geven ontbrekende gegevens over te leggen. Artikel8.2.2Overige uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning voor het slopen In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is voorts geen omgevingsvergunning voor het slopen vereist, indien het slopen, voor zover dat betrekking heeft op asbest, uitsluitend bestaat uit het in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf geheel of gedeeltelijk verwijderen van:a. geklemde vloerplaten onder verwarmingstoestellen;b. verwijderen van beglazingskit dat is verwerkt in de constructie van kassen;c. rem- en frictiematerialen;d. pakkingen uit verbrandingsmotoren;e. pakkingen uit procesinstallaties onderscheidenlijk verwarmingstoestellen met een nominaal vermogen dat lager is dan 2250 kilowatt. Paragraaf3Verplichtingen tijdens het slopen Artikel8.3.1Veiligheid op sloopterrein Het bepaalde in artikelen 4.8 tot en met 4.10 is van overeenkomstige toepassing op het slopen en het sloopterrein. Artikel8.3.2Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden Op het sloopterrein moet de omgevingsvergunning voor het slopen of een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom tot het slopen aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden gegeven. Artikel8.3.3Plichten van de houder van de omgevingsvergunning voor het slopen 1De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen moet het slopen, voor zover dat betrekking heeft op asbest, opdragen aan een deskundig bedrijf; 2De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen moet een afschrift van de vergunning ter hand stellen aan het deskundig bedrijf dat het slopen krachtens aanneming van werk zal uitvoeren; 3De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen stelt ten minste één week voorafgaande aan de aanvang van het slopen, het bevoegd gezag schriftelijk op de hoogte van de data en tijdstippen waarop het slopen, voorzover dat betrekking heeft op asbest, zal plaatsvinden; 4De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen stuurt binnen twee weken na de uitvoering van de werkzaamheden het bevoegd gezag een afschrift van de resultaten van de eindbeoordeling, bedoeld in artikel 9, eerste lid van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 . Artikel8.3.4Plichten van degene die sloopt 1Indien wordt gesloopt zonder dat een omgevingsvergunning voor het slopen is verleend voor het slopen van asbest en tijdens het slopen asbest wordt ontdekt, is degene die sloopt verplicht hiervan terstond melding te doen aan het bouw- en woningtoezicht; 2Aan het bouwtoezicht dienen ten minste twee dagen van tevoren de aanvang van de sloopwerkzaamheden te worden gemeld en uiterlijk op de dag van de beëindiging van de sloopwerkzaamheden het einde van die werkzaamheden. Indien het bouwtoezicht dit verlangt, moeten genoemde meldingen schriftelijk geschieden. Artikel8.3.5Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest 1Voor zover redelijkerwijs uitvoerbaar moet eerst het in een bouwwerk aanwezige asbest worden verwijderd, voordat het bouwwerk wordt gesloopt; 2Bij de verwijdering van het asbest moeten de beste bestaande technieken worden toegepast om verontreiniging van het milieu met asbest te voorkomen. Paragraaf4Vrij slopen Artikel8.4.1Sloopafval algemeen 1Afval dat ontstaat door sloopwerkzaamheden waarvoor geen vergunning krachtens artikel 8.1.1, noch een melding krachtens artikel 8.2.1 is vereist, dient ten minste te worden gescheiden in de navolgende fracties: a. de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17 de afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158, blz. 9);b. steenachtig sloopafval, zonder inbegrip van gips;c. bitumineuze en teerhoudende dakbedekking;d. met PAKS verontreinigde materialen;e. asfalt;f. dakgrind;g. overig afval; 2Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder g, en de fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a tot en met f, moeten op het sloopterrein gescheiden worden gehouden. Hoofdstuk9Welstand Artikel9.1De advisering door de welstandscommissie 1De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen. 2De welstandscommissie baseert haar advies op de in de welstandsnota genoemde welstandscriteria. Artikel9.2Samenstelling van de welstandscommissie 1De welstandscommissie bestaat ten minste uit een voorzitter, een vast lid en één reservelid, waarvan alle leden deskundig zijn op het gebied van architectuur, ruimtelijke kwaliteit dan wel cultuurhistorie. 2Voor de voorzitter en leden worden plaatsvervangers aangewezen die hen bij afwezigheid kunnen vervangen. 3De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien de voorzitter en het vaste lid aanwezig zijn. 4de voorzitter en leden van de welstandscommissie zijn onafhankelijk ten opzichte van het gemeentebestuur. 5De welstandscommissie wordt bijgestaan door een secretaris of diens plaatsvervanger. Artikel9.3Benoeming en zittingsduur 1De voorzitter, de secretaris en de overige leden van de welstandscommissie en hun plaatvervangers worden op voorstel van burgemeester en wethouders benoemd en ontslagen door de gemeenteraad. 2De leden van de welstandscommissie kunnen ten hoogste voor een termijn van drie jaar worden benoemd. Zij kunnen eenmaal worden herbenoemd voor een periode van ten hoogste drie jaar. 3Het reglement van orde van de welstandscommissie dat als bijlage 9 bij deze verordening is vastgesteld, bevat, binnen het gestelde in de voorgaande leden, nadere benoemingsprocedures. Artikel9.4Jaarlijkse verantwoording De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt:- op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de welstandsnota;- de werkwijze van de welstandscommissie;- op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen;- de aard van de beoordeelde plannen;- de bijzondere projecten.De welstandscommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het bijzonder. Artikel9.5Termijn van advisering 1De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen uit binnen vier weken nadat door of namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht; 2De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen, indien deze vergunning betrekking heeft op een deel van project of een gefaseerde aanvraag betreft, uit binnen drie weken nadat door of namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht; 3Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de welstandscommissie een langere termijn dan genoemd in de bovengenoemde leden van dit artikel geven voor het uitbrengen van het welstandsadvies. Een langere termijn kan door burgemeester en wethouders worden gegeven indien de termijn van afdoening van de aanvraag is verlengd met toepassing van artikel 3.9, tweede lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Artikel9.6Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting 1De behandeling van bouwplannen door de welstandscommissie is openbaar. De agenda voor de vergadering van de welstandscommissie wordt tijdig bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze. Indien burgemeester en wethouders - al dan niet op verzoek van de aanvrager - een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen; 2Indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen hierom bij het indienen van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen heeft verzocht, wordt deze door of namens de welstandscommissie in staat gesteld tot het geven van een toelichting op het bouwplan; 3In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie wordt behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is gedaan, dient de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een uitnodiging te ontvangen voor de vergadering van de commissie, waarin de aanvraag wordt behandeld; 4Belanghebbenden hebben in toelichtende zin spreekrecht. Het reglement van orde van de welstandscommissie dat als bijlage 9 bij deze verordening is vastgesteld, geeft aan hoe de plantoelichting is bedoeld. Artikel9.7Afdoening bij mandaat 1De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om advies mandateren aan een of meerdere daartoe aangewezen leden. De aangewezen leden adviseren over bouwplannen waarvan volgens hen het oordeel van de welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld; 2In elk geval van twijfel legt de gemandateerde het bouwplan alsnog voor aan de welstandscommissie; 3Behandeling van bouwplannen onder mandaat is openbaar. Indien burgemeester en wethouders - al dan niet op verzoek van de aanvrager - een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen.Zie bijlage
- Artikel9.8Vorm waarin het advies wordt uitgebracht 1De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies schriftelijk; 2Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens burgemeester en wethouders gevoegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen. Artikel9.9Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken 1Indien de raad op grond van artikel 12 van de Woningwet het voornemen heeft een gebied van de gemeente of een categorie bouwwerken uit te sluiten van welstandstoezicht, neemt de raad het daartoe strekkende besluit niet dan nadat: a. op het voornemen inspraak is verleend;b. het advies van de welstandscommissie is ingewonnen; 2De inspraak als bedoeld in het eerste lid vindt plaats op de wijze voorzien in de krachtens artikel 150 Gemeentewet vastgestelde verordening. Hoofdstuk10Overige administratieve bepalingen Artikel10.6Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in deze verordening - of in de bij deze verordening behorende bijlagen - wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd. Hoofdstuk12Straf-, overgangs- en slotbepalingen Artikel12.3Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en terreinen Het bepaalde in de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 inzake de bereikbaarheid van gebouwen is niet van toepassing op een gebouw, dat gebouwd is of wordt op basis van een bouwvergunning als bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de Woningwet van 12 juli 1962, tenzij bij een latere vergunning op grond van artikel 40 van de Woningwet eisen aan de bereikbaarheid van dat gebouw zijn gesteld. Artikel12.6Slotbepaling 1Deze verordening treedt in werking op de tweede dag na die waarop zij is afgekondigd; 2Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervallen:a. de bouwverordening, vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 3 juli 1997 en alle daarin aangebrachte wijzigingen;b. de brandbeveiligingsverordening, vastgesteld bij raadsbesluit van 10 februari 2005 en alle daarin aangebrachte wijzigingen, voor zover deze brandbeveiligingsverordening eisen aan het brandveilig gebruik van bouwwerken stelt; 3Deze verordening kan worden aangehaald als 'bouwverordening 2008'. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 13 november 2008.De voorzitter, De griffier, 1 Bijlage 7 Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de buitenriolering op erven en terreinenBijlage als bedoeld in artikel 2.7.6De NEN-normen, bedoeld in artikel 2.7.6, zesde lid, zijn de volgende:a. NEN 7002, uitgave 1968, 'Centrifugaal gegoten gietijzeren afvoerbuizen' (met correctieblad d.d. december 1979);b. NEN 7003, uitgave 1968, 'Hulpstukken voor gietijzeren afvoerbuizen' (met correctieblad d.d. december 1979);c. NEN 7013, uitgave 1980, 'Expansiestukken van PVC en ABS voor binnen- en buitenrioleringen';d. NEN-EN 1401-1, uitgave 2009, 'Kunststofleidingsystemen voor vrij verval buitenriolering - Ongeplasticeerd PVC (PVC-U) - Deel
- Eisen voor buizen, hulpstukken en het systeem' (Engelstalig;e. NEN-EN 295-1, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met inbegrip van de aanvullingsbladen A1, uitgegeven 1996, A2, uitgegeven 1997, en A3, uitgegeven 1999 - Deel
- Eisen' (Engelstalig);f. NEN-EN 295-2, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met inbegrip van aanvullingsblad A1, uitgegeven 1999 - Deel
- Kwaliteitscontrole en monstername' (Engelstalig);g. NEN-EN 295-3, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede buisverbindingen voor riolering onder vrij verval - Deel
- Beproevingsmethoden' (Engelstalig). 2 Bijlage 9 Reglement van orde op de welstandcommissie Veere
- Advisering door de welstandscommissie Artikel 1 Onafhankelijkheid
- De welstandscommissie is een door de gemeenteraad benoemde onafhankelijke commissie die aan de Burgemeester en wethouders advies uitbrengt ten aanzien van de vraag of het uiterlijk of de plaatsing van een bouwwerk of standplaats,waarvoor een aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen is ingediend, in strijd is met redelijke eisen van de welstand.
- De welstandscommissie voert haar taken uit in onafhankelijkheid.
- De welstandscommissie is beleidsmatig gebonden aan het gemeentelijk welstandsbeleid en baseert haar advies uitsluitend op de in de welstandsnota genoemde welstandscriteria. Artikel 2 Taakomschrijving
- De welstandscommissie is belast met wettelijk verplichte en niet–wettelijk verplichte taken. De wettelijk verplichte taken worden uitgevoerd op grond van de Woningwet en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
- De welstandscommissie adviseert Burgemeester en wethouders over de welstandsaspecten van de aanvragen voor vergunningplichtige bouwwerken als bedoeld in artikel 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
- De welstandscommissie legt de gemeenteraad eenmaal per jaar een verslag voor van de door haar verrichte werkzaamheden.
- Samenstelling van het welstandscommissie. Artikel 3 Samenstelling
- De welstandscommissie bestaat uit tenminste twee leden.
- De leden van de welstandscommissie worden voorgedragen door Burgemeester en wethouders.
- Burgemeester en wethouders dragen een plaatsvervanger voor die deze leden bij afwezigheid kan vervangen. Artikel 4 Profielschets van alle commissieleden
- De leden van de welstandscommissie moeten geïnteresseerd zijn in Veere en de gemeente kennen of willen leren kennen.
- De leden van de welstandscommissie zijn bereid zich te verdiepen in het ruimtelijk kwaliteitsbeleid in de brede zin van de gemeente en baseren zich bij de beoordeling van bouwplannen uitsluitend op welstandscriteria zoals opgenomen in de gemeentelijke welstandsnota.
- De leden van de welstandscommissie moeten in staat zijn bouwplantekeningen te lezen en cultureel besef en kennis hebben van de (geschiedenis van de) bouwkunst.
- De leden van de welstandscommissie zijn onpartijdig, dat betekent dat zij geen persoonlijk belang mogen hebben bij de door Burgemeester en wethouders te nemen beslissingen en dat zij hun taak niet met vooringenomenheid mogen vervullen.
- De leden van de welstandscommissie mogen geen professionele opdrachten aanvaarden en uitvoeren binnen de gemeente.
- De leden van de welstandscommissie moeten in staat zijn hun oordeel begrijpelijk te verwoorden, met respect voor allen die bij de advisering een rol spelen. Dit vraagt van alle commissieleden zekere communicatie vaardigheden.
- De leden van de welstandscommissie hebben een geheimhoudingsplicht inzake aan hen voorgelegde plannen en beleidsdocumenten. Artikel 5 Profielschets van de voorzitter
- De voorzitter is verantwoordelijk voor het functioneren van de welstandscommissie en bewaakt de deugdelijkheid van de welstandsadvisering in de brede zin.
- De voorzitter geeft leiding aan de vergadering en bewaakt de voortgang van de agenda. In de discussies draagt hij of zij er zorg voor dat alle commissieleden hun mening voldoende naar voren te kunnen brengen. Na de discussie geeft de voorzitter een korte, heldere samenvatting van het te brengen advies, als basis voor de schriftelijke uitwerking.
- De voorzitter organiseert met de commissie een jaarlijkse, inhoudelijke evaluatie van de werkzaamheden. De uitkomsten van het evaluatiegesprek wordt opgenomen in het jaarverslag van de welstandscommissie. Artikel 6 Profielschets van het architectlid
- Het architectlid is verantwoordelijk voor de inhoudelijke kwaliteit van de welstandsadviezen.
- Het architectlid is een geregistreerd architect die zich door opleiding en ervaring kwalificeert om zitting te nemen in de welstandscommissie.
- Het architectlid heeft een eigen, actieve beroepspraktijk en heeft ervaring met het beoordelen van ontwerpen van (aanstaande) collega’s in bijvoorbeeld onderwijssituaties of jury’s.
- Benoeming en zittingduur Artikel 7 Benoemingsprocedure
- De leden van de welstandscommissie worden op voorstel van Burgemeester en wethouders benoemd en ontslagen door de gemeenteraad. Artikel 8 Zittingsduur
- Benoemingen gelden voor een periode van drie jaar met een mogelijkheid tot herbenoeming voor een periode van nog eens drie jaar. Omwille van de continuïteit van de welstandsadvisering worden de leden van de welstandscommissie in beginsel benoemd en herbenoemd in een alternerend systeem.
- Burgemeester en wethouders dragen om de drie jaar aan de Raad een nieuw lid (of verzoek tot herbenoeming) voor om in de welstandscommissie zitting te nemen. Artikel 9 Voortijdige beëindiging van de benoeming van commissieleden
- De leden van de welstandscommissie kunnen ten allen tijde kenbaar maken hun benoeming te willen beëindigen. Zij geven hiervan schriftelijk drie maanden tevoren kennis aan de gemeenteraad.
- De gemeenteraad kan in voorkomende gevallen de benoeming van een lid of van alle leden van de welstandscommissie voortijdig beëindigen, wanneer het betreffende commissielid of de betreffende commissieleden naar zijn oordeel niet naar behoren functioneert of functioneren. Dit oordeel wordt met argumenten omkleed.
- Jaarlijkse verantwoording Artikel 10 Jaarverslag
- De welstandscommissie stelt ter uitvoering van artikel 12b, lid 3, Woningwet jaarlijks voor de gemeenteraad een verslag op van haar werkzaamheden, genoemd het ‘jaarverslag’.
- In dit jaarverslag komt ten minste aan de orde op welke wijze de welstandscommissie toepassing heeft gegeven aan de in de gemeentelijke welstandsnota opgenomen welstandscriteria. Het jaarverslag signaleert waar de welstandsnota als beleidskader voldoende dan wel onvoldoende houvast heeft kunnen bieden bij de welstandsbeoordeling en geeft aan waarom in specifieke gevallen is afgeweken van het vastgestelde beleid.
- Voorts kan de welstandscommissie in haar jaarverslag aandacht besteden aan de werkwijze van de commissie, op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen, de aard van de beoordeelde plannen en bijzondere projecten. De welstandscommissie kan in haar verslag aanbevelingen doen ten aanzien van het ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en het welstandsbeleid in het bijzonder.
- Het verslagjaar loopt van januari tot en met december. Het vastgestelde jaarverslag wordt jaarlijks aangeboden aan de gemeenteraad.
- Bespreking van het jaarverslag in de gemeenteraad wordt gecombineerd met de jaarlijkse op te stellen rapportage over de uitvoering van het welstandstoezicht door Burgmeester en wethouders.
- Termijn van advisering van vooroverleg Artikel 11 Termijn van advisering bij de bouwaanvraag
- De welstandscommissie dan wel een namens haar gemandateerd lid is bij de beoordelingen van aanvragen omgevingsvergunning voor het bouwen gebonden aan de in de Bouwverordening genoemde termijn voor het uitbrengen van advies.
- Binnen de in de Bouwverordening genoemde termijnen voor het uitbrengen van advies kan de welstandscommissie dan wel het namens haar gemandateerde lid het welstandsadvies aanhouden indien meer informatie of een toelichting van de ontwerper wenselijk is. Artikel 12 Overschrijding van de termijn
- Indien de welstandscommissie dan wel het namens haar gemandateerde lid niet binnen de Bouwverordening gestelde termijn tot een advies komt, beoordelen Burgemeester en wethouders zelf of een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft niet in strijd is met de redelijke eisen van de welstand. Daarbij nemen zij de in de welstandsnota opgenomen criteria in acht. De welstandscommissie wordt van deze van beoordeling in kennis gesteld. Artikel 13 Vooroverleg over principeaanvraag
- De gemeente biedt de mogelijkheid om, voorafgaand aan het indienen van een aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen door middel van het indienen van principeaanvraag vooroverleg te plegen met de welstandscommissie dan wel een namens haar gemandateerd lid, over interpretatie van de welstandscriteria in het concrete geval van het bouwplan.
- De welstandscommissie dan wel het namens haar gemandateerd lid draagt uiterste zorg voor consistente beoordelingen in verschillende planfasen.
- Het vooroverleg vindt in principe niet plaats in het openbaar, tenzij de planindieners, het bevoegd gezag en de welstandscommissie van mening zijn dat openbare behandeling geen belangen schaadt en de transparantie van het welstandstoezicht ten goede komt.
- Van het vooroverleg wordt altijd verslag gemaakt, dat men de besproken bescheiden wordt opgenomen in dossier. De welstandscommissie dan wel het namens haar gemandateerde lid geeft aan in welke fase het plan werd beoordeeld en op welke wijze de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen uiteindelijk zal worden beoordeeld. Artikel 14 Beëindiging vooroverleg
- Als een principeaanvraag tijdens de vooroverlegfase drie keer negatief wordt beoordeeld door de welstandscommissie dan wel het namens haar gemandateerde lid en er tijdens het proces geen noemenswaardige vooruitgang wordt geconstateerd, kan de welstandscommissie het vooroverleg beëindigen en via de ambtelijk secretaris contact opnemen met de portefeuillehouder om de (politieke) consequenties hiervan te bespreken. Artikel 15 Geldigheidstermijn welstandsadvies principeaanvraag
- Een welstandsadvies over principeaanvraag blijft zes maanden van kracht. Deze termijn geldt niet indien de welstandscommissie en de planindiener schriftelijk een andere termijn overeenkomen.
- Openbaarheid van vergaderen en plantoelichting. Artikel 16 Openbare behandelingen van bouwaanvragen
- De behandeling van aanvragen omgevingsvergunningen voor het bouwen door de welstandscommissie dan wel door een gemandateerd lid van de commissie is openbaar tenzij de planindiener, het bevoegd gezag of de welstandscommissie van mening zijn dat er op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur klemmende redenen zijn voor geheimhouding. De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen als voor het formuleren van de conclusie c.q. het welstandsadvies.
- Belangstellenden en belanghebbenden kunnen de vergadering van de welstandscommissie bijwonen.
- Belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht kunnen voor het begin van de vergadering spreektijd aanvragen bij de voorzitter. De voorzitter stelt, mede afhankelijk van de agenda, de maximale spreektijd van een ieder vast. Spreektijd kan slechts worden gebruikt voor het geven van visie op de welstandsaspecten van het plan. Een belangenafweging of beoordeling, anders dan op basis van de vastgestelde welstandscriteria vindt niet plaats tijdens de welstandsbeoordeling.
- Goedgekeurde notulen van de behandeling van bouwaanvragen zijn openbaar. Artikel 17 Bekendmaking van de agenda
- De data, het tijdstip en de locatie van de welstandsvergaderingen worden door de ambtelijke secretaris ter kennis gesteld.
- Uiterlijk één dag voorafgaand aan de vergaderingen van de welstandscommissie wordt bekend gemaakt dat de agenda ter inzage ligt. Artikel 18 Plantoelichting door indiener en/of ontwerper
- Als een planindiener en/of ontwerper hierom bij het indienen van het plan heeft verzocht, wordt deze door de ambtelijk secretaris uitgenodigd voor het geven van een toelichting tijdens de vergadering waarin het plan wordt behandeld.
- Indien de welstandscommissie dan wel een namens haar gemandateerd lid een nadere toelichting gewenst acht dan wordt de planindiener en/of ontwerper door de ambtelijk secretaris uitgenodigd voor het geven van een toelichting tijdens de vergadering waarin het plan wordt behandeld.
- Een plantoelichting is bedoeld voor een korte toelichting op de planfilosofie en de gemaakte keuzes in relatie tot de welstandscriteria, door de planindiener en/of ontwerper.
- Afdoening bij mandaat Artikel 19 Mandaat namens de welstandscommissie
- De welstandscommissie kan een lid schriftelijk mandateren om bepaalde taken uit te voeren. De gemandateerde voert de taak uit onder verantwoordelijkheid en namens de commissie, wat moet blijken uit bijvoorbeeld de ondertekening.
- Eén van de taken die door de welstandscommissie aan één of meer leden kunnen worden gemandateerd is het uitbrengen van het welstandsadvies voor bouwplannen van relatief geringe ruimtelijke betekenis of van bouwplannen waar de mening van de welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld. De gemandateerde heeft hierbij een volledig mandaat, dat wil zeggen dat zowel positieve als negatieve adviezen kunnen worden gegeven.
- Eén van de taken die door de welstandscommissie aan één of meer van haar leden kunnen worden gemandateerd is het voeren van vooroverleg met de planindieners en/of ontwerpers. Dit kan zelfstandig gebeuren dan wel door deelname in een ‘kwaliteitsteam’. Bij het gemandateerd vooroverleg moet altijd minstens eenmaal een welstandsbeoordeling door de commissie plaatsvinden. Daarbij doet de gemandateerde verslag van wat er tijdens het vooroverleg (namens de commissie) is besproken en besloten. De commissie geeft daarna, binnen dit kader haar oordeel.
- Bij enige vorm van twijfel legt de gemandateerde het betreffende bouwplan alsnog voor aan de commissie.
- Voor behandeling van bouwplannen onder mandaat gelden verder dezelfde reglementen als voor behandeling van bouwplannen door de commissie.
- Vorm waarin het advies wordt uitgebracht Artikel 20 Inhoud van het advies
- Het welstandsadvies wordt opgesteld door de welstandscommissie, dan wel door een gemandateerd lid van deze commissie.
- Het welstandsadvies geeft aan of het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, al dan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, uitsluitend te beoordelen aan de hand van de criteria zoals opgenomen in de welstandsnota.
- Het welstandsadvies is niet gericht op zaken die geen betrekking hebben op het welstandstoezicht.
- Het welstandsadvies kan worden gecombineerd met suggesties voor beleid of procedurele zaken die naar mening van de commissie in acht genomen zouden moeten worden. Deze suggesties zijn vrijblijvend en staan duidelijk los van de conclusie van het welstandsadvies zelf.
- Het welstandsadvies mag nooit zodanig zijn geformuleerd dat één der betrokkenen zich daardoor beledigd of in goede naam of eer aangetast kan voelen. Artikel 21 Conclusie van het advies
- Het welstandsadvies kan de volgende conclusies hebben:- Niet strijdig: het plan voldoet naar de mening van de welstandscommissie volgens de van toepassing zijnde welstandscriteria aan redelijke eisen van welstand. Dit advies kan worden gecombineerd met suggesties om het plan op een (nog) hoger niveau te tillen. Deze suggesties zijn vrijblijvend en staan duidelijk los van de conclusie van het welstandadvies zelf.- Strijdig tenzij wordt voldaan aan de opmerkingen: het plan voldoet naar mening van de welstandscommissie volgens de van toepassing zijnde welstandscriteria niet aan de redelijke eisen van welstand, tenzij het op ondergeschikte punten wordt aangepast. Deze punten worden ondubbelzinnig genotuleerd of op de tekening aangegeven. De ambtelijk secretaris nodigt daarna de planindiener uit om binnen de wettelijke afhandelingtermijn een aangepast plan in te dienen dat vervolgens door een gemandateerd lid van de welstandscommissie wordt beoordeeld.- Strijdig: het plan voldoet naar de mening van de welstandscommissie volgens de van toepassing zijnde welstandscriteria niet aan de redelijke eisen van welstand. Dit betekent dat ingrijpende wijzigingen in het planconcept of de uitwerking van het onderwerp noodzakelijk zijn. Artikel 22 Schriftelijk motivering
- De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies schriftelijk.
- Het welstandsadvies wordt door de ambtelijk secretaris opgemaakt aan de hand van de bevindingen van de welstandscommissie.
- Bij positieve advisering kan een expliciete motivering achterweg blijven, tenzij het bevoegd gezag daarom verzoekt of er bezwaar tegen het bouwplan wordt ingediend.
- Een positief advies wordt altijd schriftelijk gemotiveerd als er sprake is van een bijzondere situatie waarbij wordt geadviseerd om een plan, in afwijking van de van toepassing zijnde gebiedsgerichte c.q. objectgerichte welstandscriteria, goed te keuren. Artikel 23 Toelichting op het welstandsadvies
- De planindiener en/of de ontwerper kan verzoeken om een mondelinge toelichting op het welstandsadvies.
- Deze toelichting wordt in eerste instantie gegeven door de ambtelijk secretaris.
- Indien de planindiener en/of ontwerper vervolgens een nadere toelichting wenst wordt een afspraak gemaakt met de welstandscommissie dan wel met een namens haar gemandateerd lid.
- Welstandsoordeel van B & W Artikel 24 Welstandsoordeel van Burgemeester en Wethouders
- De bestuurlijke verantwoordelijkheid voor de afgifte van de omgevingsvergunning voor het bouwen ligt bij het bevoegd gezag. Burgemeester en wethouders hebben een eigen verantwoordelijkheid voor het welstandsoordeel dat tot stand komt aan de hand van de in de welstandsnota opgenomen welstandscriteria.
- Burgemeester en wethouders vragen bij elke aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen advies aan de welstandscommissie, tenzij bij voorbaat vaststaat dat de omgevingsvergunning voor het bouwen reeds op een andere grond moet worden geweigerd.
- Burgemeester en wethouder vergewissen zich ervan dat het welstandsadvies waarop zij hun welstandsadvies baseren, naar inhoud en wijze van totstandkoming deugdelijk is. Artikel 25 Afwijken op inhoudelijke grond
- Het bevoegd gezag kunnen op inhoudelijke grond afwijken van het welstandsadvies met inachtneming van artikel 2.10 lid 1, sub d van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht indien zij tot het oordeel komen dat de welstandscommissie de van toepassing zijnde criteria niet juist heeft geïnterpreteerd,of de commissie naar hun oordeel niet de juiste criteria heeft toegepast.
- Indien Burgemeester en wethouders op inhoudelijke grond tot een ander oordeel komen dan de welstandscommissie, dan kunnen zij voordat het besluit op de vergunningsaanvraag wordt genomen een second opinion vragen.
- Indien het bevoegd gezag op inhoudelijke grond afwijken van het welstandsadvies wordt dit in de beslissing op de aanvraag van de omgevingsvergunning gemotiveerd. De welstandscommissie wordt hiervan op de hoogte gesteld. Artikel 26 Afwijken van de welstandscriteria
- Burgemeester en wethouders kunnen, op basis van artikel 4:84 van de Algemene wetbestuursrecht en op advies van de welstandscommissie, afwijken van de in de gemeentelijke welstandsnota opgenomen gebiedsgerichte of objectgerichte welstandscriteria. Dit kan gebeuren bij plannen die niet voldoen aan ofwel de gebiedsgerichte, ofwel de objectgerichte welstandscriteria. Voorwaarde is wel dat er voor het overige wel aan de redelijke eisen van welstand wordt voldaan. Burgemeester en wethouders zullen uiterst terughoudend zijn met het gebruik van deze mogelijkheid omdat plannen in principe moet passen in hun omgeving. De regeling is nadrukkelijk bedoeld voor afwijkende plannen van uitzonderlijke kwaliteit.
- Deze afwijking wordt in de beslissing op de aanvraag van de omgevingsvergunning gemotiveerd. Artikel 27 Afwijken om andere redenen
- Het bevoegd gezag kan, op basis van artikel 2.10, lid 1, sub d. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen ondanks strijdigheid van dat plan met redelijke eisen van welstand, indien zij van oordeel zijn dat daarvoor andere redenen zijn, bijvoorbeeld van economische of maatschappelijke aard.
- Deze afwijking wordt in de beslissing op de aanvraag van de omgevingsvergunning gemotiveerd.
- Het bevoegd gezag zal uiterst terughoudend zijn met het gebruik van deze mogelijkheid omdat de ruimtelijke kwaliteit ook van algemeen belang is. Artikel 28 Bezwaar en beroep
- Belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht kunnen binnen zes weken bezwaar indienen tegen de beslissing van het bevoegd gezag op de aanvraag voor een omgevingsvergunning.
- In de bezwaarschriftenprocedure heroverweegt het bevoegd gezag het besluit nadat belanghebbenden tijdens een hoorzitting hun standpunten nader hebben kunnen toelichten.
- In de bezwaarschriftenprocedure kan het bevoegd gezag een second opinion vragen.
- Belanghebbenden die het met de heroverweging van het bevoegd gezag niet eens zijn kunnen hiertegen in beroep gaan. Artikel 29 Jaarlijkse rapportage door B&W
- Burgemeester en wethouders stellen, ter uitvoering van artikel 12c van de Woningwet jaarlijks een rapportage op voor de gemeenteraad over de wijze waarop zij met hun verantwoordelijkheid voor het uitoefenen van het welstandstoezicht zijn omgegaan.
- In de rapportage komen in ieder geval de volgende punten aan de orde:de wijze waarop Burgemeester en wethouders zijn omgegaan met de welstandsadviezen; op welke wijze zij in die gevallen zelf toepassing hebben gegeven aan de welstandscriteria; in welke categorieën van gevallen zij tot aanschrijving op grond van ‘ernstige strijdigheid met redelijke eisen van welstand’ (in de zin van artikel 13a van de Woningwet) zijn overgegaan en of zij na die aanschrijving zijn overgegaan tot bestuursdwang.
- Het verslagjaar loopt van januari tot en met december. De rapportage wordt jaarlijks aangeboden aan de gemeenteraad
- Bespreking van de rapportage in de gemeenteraad wordt gecombineerd met het jaarverslag van de welstandscommissie.
- De ambtelijk secretaris is redacteur van de rapportage. De ambtelijk secretaris verzamelt de gegevens, schrijft de teksten, selecteert de afbeeldingen en biedt de conceptrapportage aan ter vaststelling door Burgemeester en wethouders.
- Advisering over bijzondere plannen Artikel 30 Advisering over plannen betreffende een beschermd monument
- Indien voor een bouwactiviteit een omgevingsvergunning voor zowel het bouwen als voor het slopen, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van een beschermd monument benodigd is, vindt advisering op grond van artikel 11 van de Monumentenwet geïntegreerd plaats met advisering op grond van artikel 12 van de Woningwet.
- De gemeente heeft de welstandscommissie en de monumentencommissie juridisch geïntegreerd zodat deze commissie de bevoegdheid heeft te adviseren op grond van de Monumentenwet en de Woningwet. De commissie brengt een integraal advies uit, waarin echter een duidelijke scheiding is aangebracht tussen het welstandsadvies en het advies ten aanzien van het monument. Artikel 31 Advisering bij plannen onder supervisie
- De gemeente kan voor bepaalde (nieuw te ontwikkelen) gebieden een supervisor aanstellen met als taak de ruimtelijke kwaliteit te stimuleren en planindieners en ontwerpers in de vroege fasen van het planvorming reeds te informeren te begeleiden.
- Bij het aanstellen van een supervisor zal de afdeling Vergunningen en Handhaving zorg dragen voor een heldere taakomschrijving en een goede afstemming tussen supervisie en welstandsbeoordeling. Daarbij gelden de volgende uitgangspunten: de supervisor formuleert de welstandscriteria voor het gebied; de welstandscriteria gelden na vaststelling door de gemeenteraad als leidraad voor de planbegeleiding door de supervisor én als kader voor de welstandsbeoordeling; tijdens het planvormingsproces is de supervisor verantwoordelijk voor tijdige rapportage aan de welstandscommissie. Controversiële kwesties kunnen leiden tot vooroverleg van de welstandscommissie met de ontwerper, de planindiener en/of de supervisor.
- Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen vindt de definitieve welstandsbeoordeling door de welstandscommissie plaats waarbij de commissie rekening houdt met wat er tijdens het begeleidingsproces is besproken en besloten. Artikel 32 Advisering over ruimtelijke plannen en Beleidsnota’s
- De welstandscommissie brengt op verzoek van Burgemeester en wethouders advies uit over de welstandsaspecten van in voorbereiding zijnde bestemmingsplannen, stedenbouwkundige plannen en andere relevante beleidsstukken.
- De welstandscommissie brengt binnen drie maanden schriftelijk advies uit aan Burgemeester en wethouders over de aan haar voorgelegde ruimtelijke plannen en beleidsnota’s.
- In haar advies beperkt de welstandscommissie zich tot de raakvlakken van het betreffende plan of nota met het welstandstoezicht. De welstandscommissie onderzoekt de consequenties van het plan of de nota voor het welstandstoezicht, signaleert eventuele tegenstrijdigheden of hiaten in relatie tot het welstandsbeleid.
- Na vaststelling van het plan of de nota ontvangt de welstandscommissie een definitief exemplaar en een reactie op haar eerder uitgebrachte advies.
- Ondersteuning van de welstandscommissie Artikel 33 Ondersteuning vanuit de gemeentelijke organisatie
- Burgemeester en wethouders wijzen een ambtelijk secretaris aan.
- De ambtelijk secretaris ondersteunt de welstandscommissie op zodanige wijze dat deze optimaal kan functioneren bij de uitoefening van haar taken als onafhankelijk adviesorgaan van het gemeentebestuur.
- De ambtelijk secretaris is op geen enkele wijze betrokken bij of verantwoordelijk voor de inhoud van de beraadslagingen en de advisering door de welstandscommissie.
- De ambtelijk secretaris legt over de inhoud van het werk uitsluitend verantwoording af aan welstandscommissie.
- De ambtelijk secretaris legt wat betreft de organisatorische en budgettaire aspecten verantwoording af aan de Burgemeester en wethouders.
- De ambtelijk secretaris is aanwezig bij alle vergaderingen van de welstandscommissie en fungeert als dagelijks aanspreekpunt van de commissie.
- De ambtelijk secretaris onderhoudt de contacten met de ambtelijke diensten (met name afdeling Vergunningen en Handhaving), neemt de advies aanvragen voor bouwplannen in en bereidt de behandeling van de bouwplannen in de welstandscommissie voor. Hij of zij controleert of de bouwplannen (inclusief de bouwplannen die worden aangeboden voor vooroverleg) zijn voorzien van de voor de welstandstoets benodigde bescheiden, zoals omschreven in de Ministeriële Regeling Omgevingsrecht als bedoeld in § 4.2 van het Besluit Omgevingsrecht.
- De ambtelijk secretaris verzorgt de agendering en draagt zorg voor dat de welstandscommissie kan adviseren binnen de voorgeschreven beslistermijn.
- Tijdens de vergadering introduceert de ambtelijk secretaris de bouwplannen. Hij of zij neemt geen deel aan de beoordeling maar informeert de commissie over alle relevante aspecten van het bouwplan.
- De ambtelijk secretaris stelt het schriftelijk welstandsadvies op aan de hand van de bevindingen van de welstandscommissie. Hij heeft geen enkele invloed op de inhoud van geschreven advies.
- De ambtelijk secretaris stelt de vergadernotulen op en zorgt voor de administratieve verwerking van de welstandsadviezen.
- De ambtelijk secretaris maakt de afspraken tussen planindieners en/of ontwerpers en de welstandscommissie.
- De ambtelijk secretaris treed op als gastheer of –vrouw voor planindieners, ontwerpers of andere bezoekers.
- De ambtelijk secretaris verzamelt de kwantitatieve gegevens voor de rapportage van Burgemeester en wethouders en neemt deel aan het evaluatiegesprek tussen het gemeentebestuur en de welstandscommissie. Artikel 34 Adviseur
- Indien de aard van een te beoordelen plan dan wel het beleid daartoe aanleiding geeft kunnen Burgemeester en wethouders en de welstandscommissie in overleg treden over de mogelijkheid om op ad hoc of permanente basis specifieke deskundigen als adviseur van de commissie te raadplegen.
- De adviseur is geen lid van de commissie maar wordt voorafgaand aan de beraadslaging in de gelegenheid gesteld zijn of haar visie op het plan te geven. De adviseur neemt geen deel aan de beraadslaging en heeft geen stem in de eindbeoordeling.
- De aanwezigheid van een adviseur wordt altijd vermeld in de vergadernotulen.
- vergaderorde Artikel 35 Vergadering
- De welstandcommissie vergadert tenminste om de twee weken volgens een jaarlijks vast te stellen vergaderrooster waarin ook de vergaderlocatie wordt vastgelegd.
- De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien twee leden of hun plaatsvervangers aanwezig zijn. Artikel 36 Stemming
- Alle aanwezige commissieleden brengen één stem uit omtrent het uit te brengen advies.
- De commissie beslist omtrent het uit te brengen advies bij meerderheid van stemmen.
- Bij staking van de stemmen wordt de zienswijzen van de voor– en tegenstanders schriftelijk aan Burgemeester en wethouders meegedeeld. Artikel 37 Vervanging
- Bij verhindering van de voorzitter kiest de commissie uit de aanwezige leden een voorzitter.
- Bij verhindering van de ambtelijk secretaris wordt deze vervangen door een door burgemeester en wethouders aan te wijzen plaatsvervanger. Artikel 38 Onderzoek ter plaatse
- De welstandscommissie stelt een onderzoek ter plaatse in, indien zij bij beoordeling van een bouwplan van oordeel is dat dit onderzoek redelijkerwijs voor de vervulling van haar taak nodig is. Artikel 39 Notulen
- De ambtelijk secretaris maakt notulen van de vergadering van de commissie.
- De notulen bevatten de samengevatte welstandsadviezen over aan de commissie voorgelegde bouwplannen (zowel de aanvragen omgevingsvergunning voor het bouwen als de principeaanvragen).
- De notulen bevatten tevens een verslag van alle andere gespreksonderwerpen van de welstandscommissie.
- De notulen worden gesplitst in het gedeelte betreffende de behandeling van aanvragen omgevingsvergunning voor het bouwen en het gedeelte betreffende de overige behandelingen en gespreksonderwerpen. Toelichting1 Toelichting Bouwverordening gemeente Veere (incl. 13e serie wijzigingen)(versie geldig vanaf 01-10-2010)Inhoudsopgave Hfdst. 1 Inleidende bepalingen Art. 1.1 Begripsomschrijvingen 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente Hfdst. 2 De aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen Par. 1 Gegevens en bescheiden Art. 2.1.5 Bodemonderzoek Par. 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond Art. 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde grond 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen Par. 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard Art. 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling 2.5.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.Brandblusvoorzieningen 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen enondergrondse hoofdtransportleidingen 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bijof in gebouwen Par. 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen Hfdst. 4 Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming van een bouwwerk Art. Algemeen 4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse staking van bouwwerkzaamheden,4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden 4.4 Het uitzetten van de bouw 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van(onderdelen van) de bouwwerkzaamheden 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onder-zoekingen 4.7 Bemalen van bouwputten 4.8 Veiligheid op het bouwterrein 4.9 Afscheiding van het bouwterrein 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder 4.11 Bouwafval 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerk-za¬am¬he¬den 4.14 Verbod tot ingebruikneming Hfdst. 5 Staat van open erven en terreinen, brandveiligheidinstallaties, aansluiting op de nutsvoorzieningen en hetweren van schadelijk en hinderlijk gedierte Par. 1 Staat van open erven en terreinen Art. 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en terreinen 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.Brandblusvoorzieningen 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten Par. 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen Art. 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering Par. 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
Art. 5.4.1 Preventie Hfdst.
7 Overige gebruiksbepalingen Par. 1 Overbevolking Art. 7.1.1 Overbevolking van woningen 7.1.2 Overbevolking van woonwagens en woonketen Par. 2 Staken van het gebruik Art. 7.2.1 Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid 7.2.2 Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheiden gebrek aan hygiëne Par. 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen Art. 7.3.1 Vervallen 7.3.2 Hinder Par. 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
Art. 7.4.1 Preventie Par.
5 Watergebruik Art. 7.5.1 Verboden gebruik van water Par. 6 Installaties Art. 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties Hfdst. 8 Slopen Par. 1 Omgevingsvergunning voor het slopen Art. 8.1.1 Omgevingsvergunning voor het slopen 8.1.6 Weigeren sloopvergunning 8.1.7 Intrekking sloopvergunning Par. 2 Sloopmelding Art. 8.2.1 Sloopmelding 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van sloopvergunning Par. 3 Verplichtingen tijdens het slopen 8.3.1 Veiligheid op het sloopterrein 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden 8.3.3 Plichten van de houder van de sloopvergunning 8.3.4 Plichten van degene die sloopt 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest Par. 4 Vrij slopen 8.4.1 Sloopafval algemeen Hfdst. 9 Welstand Art. 9.1 De advisering door de welstandscommissie 9.2 Samenstelling van de welstandscommissie 9.3 Benoeming en zittingsduur 9.4 Jaarlijkse verantwoording 9.5 Termijn van advisering 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting 9.7 Afdoening bij mandaat 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken of standplaatsen Hfdst. 10 Overige administratieve bepalingen Art. 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en anderevoorschriften Hfdst. 11 Handhaving Wet algemene bepalingen omgevingsrechtArt. 11.1 Stilleggen van de bouw 11.2 Overtreding van het verbod tot ingebruikneming 11.3 Stilleggen van het slopen 11.4 Onderzoek naar een gebrek Hfdst. 12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen Wet algemene bepalingenomgevingsrecht12.1 Strafbare feiten 12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staatvan open erven en terreinen 12.4 Overgangsbepaling (aanvragen
- om)gebruiksvergunning12.5 Overgangsbepaling (aanvragen
- om)sloopvergunning, sloopmelding 12.1 Strafbare feiten 12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek Lijst van vervallen artikelen en vindplaats van de betreffende voorschriften Vervallen artikel: voorschriften: zie: 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staatvan open erven en terreinen 12.4 Overgangsbepaling (aanvragen
- om)gebruiksvergunning12.5 Overgangsbepaling (aanvragen
- om)sloopvergunning, sloopmelding Bijlage 5 Activiteiten samenhangende met slopen en bedreigingen Bijlage 6 Checklist van bedreigde objecten, functies en maatregelen ten behoeve van opsteller van het sloopveiligheidsplan Bijlage 7 Voorbeeld voor inhoudsopgave sloopveiligheidsplan Bijlage 8 Keuzetabel voor de vaststelling van deelstromen bij sloop Bijlage 10 Handreiking voor de visuele inspectie van woningen en daarmee vergelijkbare bouwwerken op de aanwezigheid van asbest Toelichting op de Model-bouwverordening (MBV) Bijlage 2. Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen AsbestHet Asbestverwijderingsbesluit 2005 (Stb. 2005, 704) verstaat onder asbest: de vezelachtige silicaten actinoliet (Cas-nummer 77536-66-4), amosiet (Cas-nummer 12172-73-5), anthofylliet (Cas-nummer 77536-67-5), chrysotiel (Cas-nummer 12001-29-5), crocidoliet (Cas-nummer 12001-28-4) en tremoliet (Cas-nummer 77536-68-6), alsmede producten waarin die vezelachtige silicaten zijn verwerkt.Voor de overige begrippen wordt verwezen naar het Asbestverwijderingsbesluit 2005 en de daarbij behorende toelichting. Regeling omgevingsrecht (Mor)Met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) vervalt het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning (Biab). Hiervoor komt in de plaats de Regeling omgevingsrecht (Mor). Hierin staan de indieningsvereisten voor de aanvraag van een omgevingsvergunning. Besluit omgevingsrecht (Bor)Bij de inwerkingtreding van de Wabo en het Besluit omgevingsrecht (Bor) vervalt het Besluit bouwvergunningvrije en licht bouwvergunningplichtige bouwwerken (Bblb). De categorie licht bouwvergunningplichtige bouwwerken verdwijnt geheel. De vergunningvrije bouwwerken staan in bijlage II van het Bor. Bevoegd gezagIn verband met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is in de bouwverordening waar nodig ‘burgemeester en wethouders’ gewijzigd in ‘bevoegd gezag’ en is in artikel 1.1 de begripsomschrijving voor bevoegd gezag opgenomen. Hierbij is gebruik gemaakt van de tekst van het gewijzigde artikel 1, eerste lid, onderdeel e van de Woningwet. De bevoegdheden voor het verlenen, wijzigen en intrekken van vergunningen, als bedoeld in de bouwverordening, blijven gelijk. De meldingen vallen buiten de reikwijdte van de Wabo. Dit betekent dat de sloopmelding in hoofdstuk 8 van de bouwverordening niet wordt afgestemd met de Wabo. De diverse meldingen en mededelingen aan het bouwtoezicht, die moeten worden gedaan door de vergunninghouder, of namens deze door degene die bouwt of sloopt, blijven eveneens ongewijzigd. De melding in het kader van het Gebruiksbesluit wordt gedaan bij het bestuursorgaan waar deaanvraag omgevingsvergunning wordt ingediend. In het geval dit bestuursorgaan niet burgemeester en wethouders is, zendt het bestuursorgaan de melding door naar burgemeester en wethouders. Bouwbesluit 2003Het Bouwbesluit (Stb. 2001, 410). Correcties en aanvullingen van het geconverteerde Bouwbesluit en tevens de aanpassing van andere besluiten aan het Bouwbesluit zijn gepubliceerd in Stb. 2002, 203. In deze besluiten zijn de technische bouwvoorschriften op grond van de Woningwet (Stb. 2001, 518) opgenomen. BouwtoezichtDe Woningwet geeft in artikel 92 expliciet de opdracht aan burgemeester en wethouders om zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I tot en met IV van de woningwet. Op grond van artikel 5.10, lid 3 Wabo wijzen burgemeester en wethouders ambtenaren aan die belast zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I tot en met III van de Woningwet.Artikel 5.10 Wabo heeft betrekking op alle vormen van toezicht (op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau).Alle bestuurslagen kunnen in beginsel bevoegd gezag zijn onder de Wabo. Dit werkt ook door in de toezichtsbevoegdheden. Ook ambtenaren op provinciaal of op rijksniveau kunnen onder omstandigheden als “bouwtoezicht” worden aangemerkt. GebruiksoppervlakteHet begrip gebruiksoppervlakte is ontleend aan het Bouwbesluit, artikel 1, lid 2 begripsbepalingen. De gebruiksoppervlakte is van belang bij de bepalingen omtrent overbevolking, hoofdstuk 7, paragraaf 1, van de MBV. Bouwwerk en gebouwDe definitie van bouwen in artikel 1 van de Woningwet maakt gebruik van de als bekend veronderstelde term bouwwerk. De inhoud van de term bouwwerk wordt bepaald door de begripsomschrijving in de MBV en de jurisprudentie.De Woningwet maakt op diverse plaatsen onderscheid tussen gebouwen en bouwwerken, niet zijnde een gebouw. Het begrip gebouw is bepaald in artikel 1 van de Woningwet. Deskundig bedrijfHet begrip deskundig bedrijf is uitsluitend van belang voor de toepassing van hoofdstuk 8 van deze verordening.Het begrip is gekoppeld aan hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 6, eerste lid van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. En dit is: een bedrijf dat in het bezit is van een certificaat als bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.Voor een uiteenzetting over de certificering van bedrijven wordt verwezen naar de algemene toelichting op het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Zie hiervoor www.ascert.nl OmgevingsvergunningIn de MBV worden de begrippen ‘omgevingsvergunning voor het bouwen’ en ‘omgevingsvergunning voor het slopen’ gebruikt voor de in de begripsomschrijving genoemde activiteiten. Uiteraard bestaat maar één omgevingsvergunning, geen twee Vergunningvrij bouwenMet de komst van de Wabo is ook de Woningwet ingrijpend gewijzigd.Voor welke activiteiten geen omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist staat in bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor). Dit besluit is gebaseerd op de Wabo en vervangt het Besluit bouwvergunningvrije en licht bouwvergunningplichtige bouwwerken (Bblb).Op hoofdlijnen omvat de verruiming van het vergunningvrije bouwen de volgende onderdelen:- De categorie lichte bouwvergunning komt te vervallen. Een activiteit, zoals het bouwen, is nu vergunningvrij of vergunningplichtig;- De categorie ‘omgevingsvergunningvrije’ bouwwerken wordt verder verruimd waarbij twee categorieën vergunningvrij bouwen worden onderscheiden: 1. een categorie waarop de bebouwingsregeling van het bestemmingsplan of de beheersverordening (of andere planologische regelingen) wel van toepassing is (art. 3) en 2. een categorie waarop de bebouwingsregeling van het planologisch regime niet van toepassing is. Een en ander hangt samen met het in de Wabo opgaan van planologische afwijkingsbesluiten;- Alle uitbreidingen van en bijgebouwen bij een hoofdgebouw worden onder een nieuw begrip ‘bijbehorend bouwwerk’ gebracht;- Vergunningvrij bouwen wordt mogelijk bij alle typen gebouwen (was alleen bij woningen en woongebouwen);- Vervallen maximale maatvoering van 2,5 m voor diepte van een aan- of uitbouw;- Bouwen in, aan, op of bij een monument blijft vergunningplichtig; Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeenteAlgemeenSinds 1 juli 2008 geldt de Wet ruimtelijke ordening (Wro). In afwijking van de daarvoor geldende Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) moet op grond van de nieuwe wet ook een bestemmingsplan worden vastgesteld voor de bebouwde kom.Ook bestaat de mogelijkheid een beheersverordening vast te stellen, indien voor het betreffende gebied geen grote veranderingen worden verwacht. Een beheersverordening vervangt een bestemmingsplan. Op grond van overgangsrecht dient uiterlijk op 1 juli 2013 een bestemmingsplan nieuwe stijl of beheersverordening te gelden voor alle gebieden van de gemeente.De bouwverordening voorziet in hoofdstuk 2 in de stedenbouwkundige bepalingen voor gebieden waar geen bestemmingsplan geldt. Artikel 9 van de Woningwet bevat een afstemmingsregeling tussen bestemmingsplan en bouwverordening. Zolang geen bestemmingsplan of beheersverordening voor de bebouwde kom van kracht is, kan het oude artikel 1.3 worden gehandhaafd. Het vaststellen van een bestemmingsplan voor de bebouwde kom kan gevolgen hebben voor dit artikel en de daarop gebaseerde kaartbijlagen. Wanneer voor de bebouwde kom een bestemmingsplan wordt vastgesteld, dient te worden bezien of en in hoeverre artikel 1.3 van de bouwverordening daarop moet worden afgestemd of wellicht overbodig is geworden.Het is toegestaan op grond van artikel 1.3 voor verschillende gebieden binnen de gemeente een ander alternatief uit de MBV vast te stellen met voor elk gebied een eigen kaartbijlage. Zie hiervoor ook paragraaf 2.5 van deze toelichting.In de gemeente Veere is geen - al dan niet binnenstedelijke - zone is vastgesteld die geschikt is voor hoogbouw, en is ook geen gebied vrijgesteld van welstandstoezicht. Hoofdstuk 2 Omgevingsvergunning voor het bouwen AlgemeenRegeling omgevingsrecht.In hoofdstuk 2 van de MBV zijn alle artikelen verzameld die betrekking hebben op de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen. De indieningsvereisten staan in de Regeling omgevingsrecht. Deze Regeling vervangt het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning. Wet BIBOBDe Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (BIBOB), Stb. 2002, 347, en het daaraan gekoppelde Besluit BIBOB, Stb. 2003, 180 zijn per 1 juni 2003 in werking getreden (Stb. 2003, 216). Deze wet houdt in dat na ontvangst van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen, door het bevoegd gezag wordt beoordeeld of omtrent de aanvrager een integriteitadvies wordt gevraagd bij het Bureau BIBOB. Dit bureau ressorteert onder het ministerie van Justitie en is bevoegd om onderzoek te doen naar de antecedenten van de aanvrager -zowel natuurlijke als rechtspersonen- en naar de herkomst van de gelden waarmee het bouwproject wordt gefinancierd. Een negatief advies kan voor het bevoegd gezag aanleiding zijn deomgevingsvergunning te weigeren.Het vragen van een advies door het bevoegd gezag is facultatief. Indien een advies bij het Bureau BIBOB wordt gevraagd, schort de termijn voor de behandeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen met maximaal acht weken op. AwbDe Algemene wet bestuursrecht (Awb) geeft algemene regels voor het rechtsverkeer tussen burger en overheid.Ook de rechtsbescherming tegen besluiten van de overheid is in de Awb opgenomen. De Awb is bij de voorbereiding van besluiten van belang voor de te volgen procedure. Dit geldt onder meer voor de gevallen waarin Afdeling 3.4 over de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) van toepassing is. WroOp 1 juli 2008 trad de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking ter vervanging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO).De Invoeringswet Wro gaf aanleiding tot discussie over het al dan niet kunnen voortbestaan van enkele stedenbouwkundige voorschriften uit paragraaf 2.5 van dit hoofdstuk. Dit betreft het zgn. parkeerartikel (2.5.30), de toegangsweg (2.5.3; van belang voor voertuigen van hulpverleningsdiensten om een bouwwerk te kunnen bereiken) en de bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten (2.5.4). Twijfel bestaat of een even effectieve en flexibele regeling (parkeren) in een bestemmingsplan kan worden gerealiseerd. Besloten is dat artikel 9.1.4, vijfde lid van de Invoeringswet Wro vooralsnog niet in werking treedt. Het gevolg hiervan is dat de stedenbouwkundige voorschriften van dit hoofdstuk vooralsnog blijven bestaan. De artikelen 8, vijfde lid, 9 en 10 Woningwet blijven bestaan totdat het gemelde probleem is opgelost. WOB en de openbaarheid van gegevens aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwenDe aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen ligt op grond van art. 3.8 Wabo voor een ieder ter inzage. Bij het indienen van een verzoek om een omgevingsvergunning voor het bouwen kan de aanvrager gemotiveerd verzoeken bepaalde gegevens niet openbaar ter inzage te leggen. De gegevens die op grond van de Wabo ter inzage liggen zijn de zakelijke gegevens die nodig zijn bij de beoordeling van het ingediende bouwplan.De gegevens die de gemeente inwint op grond van de Wet BIBOB liggen niet ter inzage. Deze gegevens hebben een persoonlijk karakter. Zij betreffen de antecedenten van de aanvrager, van degene die bouwt en van degene die in het te bouwen bouwwerk bepaalde activiteiten onderneemt. Deze gegevens zijn gevoelig voor misbruik en liggen niet ter inzage. WaboDe Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) introduceert de omgevingsvergunning. De bouwvergunning en de sloopvergunning op grond van hoofdstuk 8 MBV maken deel uit van de omgevingsvergunning en worden in de MBV aangeduid als omgevingsvergunning voor het bouwen (art. 2.1 Wabo) en omgevingsvergunning voor het slopen (art. 2.2, lid 1, onder a. Wabo). De Wabo heeft gevolgen voor de vergunningen en ontheffingen van de bouwverordening. De MBV is met de 13e serie van wijzigingen zgn. Wabo-proof gemaakt. De gefaseerde behandeling van een vergunningaanvraag en de vergunningverlening zoals bekend onder de Woningwet, is ook onder de Wabo mogelijk ten aanzien van de omgevingsvergunning. Voorwaarden voor bouwafval in de omgevingsvergunning voor het bouwenAan de omgevingsvergunning voor het bouwen kunnen voorwaarden worden verbonden over de wijze van scheiden in fracties, over het tijdelijk op de bouwplaats opslaan en over het afvoeren c.q. het zich ontdoen van het bouwafval. Deze voorwaarden dienen ter uitvoering van hetgeen is bepaald in artikel 4.11.Veelal is het nodig voor de fractie gevaarlijk afval aan te geven welke (chemische) stoffen niet bij elkaar mogen.Een voorwaarde voor de opslag kan betreffen het in een afgesloten ruimte bewaren van het afval. Voor de opslag en de afvoer kan gedacht worden aan een voorwaarde voor de verpakking. Paragraaf 1 Gegevens en bescheidenArtikel 2.1.5 BodemonderzoekInleidingDe artikelen over het bodemonderzoek in de MBV hebben tot doel te bevorderen dat niet wordt gebouwd op verontreinigde grond. Artikel 2.4.1 bevat het verbod tot bouwen op verontreinigde grond. Bij dit artikel is een uitvoerige toelichting geplaatst waarin de hele route van een bodemonderzoek wordt beschreven, de van toepassing zijnde normen en de relatie wordt aangeduid met de voorschriften uit de Woningwet en de Regeling omgevingsrecht.De hierna vermelde toelichting per artikellid is beknopt. Een uitvoeriger beschrijving van het hele proces staat vermeld in de toelichting bij artikel 2.4.1. Men gelieve beide toelichtingen in combinatie met elkaar te lezen. Lid 1Uit de systematiek van NEN 5740 volgt dat voorafgaand aan het milieuhygiënisch bodemonderzoek eerst een vooronderzoek volgens NEN 5725 wordt uitgevoerd - ook wel historisch onderzoek genoemd - ten behoeve van het formuleren van de onderzoekshypothese en een eventuele onderverdeling van het terrein. Indien het vooronderzoek naar de historie en de bodemgesteldheid uitwijst dat de locatie onverdacht is, kan het bevoegd gezag op basis van het derde lid besluiten af te wijken van de verplichting tot het uitvoeren van het verkennend onderzoek. Letter c richt zich specifiek op het onderzoek naar asbest in de grond. Het bodemonderzoek volgens NEN 5740 is niet toereikend om asbest in grond te onderzoeken. Daartoe is de NEN 5707, uitgave 2003 ontwikkeld.Niet langer is in dit artikel geregeld bij welke instantie de burger een beoordeling van de onderzoeksopzet van het bodemonderzoek kan vragen. Thans wordt dit beschouwd als een interne organisatorische kwestie van de gemeente. De mogelijkheid om een dergelijke beoordeling te vragen kan nog steeds als dienstverlening aan de burger worden aangeboden. De gemeente maakt bekend dat en waar een dergelijke beoordeling kan plaatsvinden. Meestal is dit een afdeling of dienst milieu of een intergemeentelijke milieudienst dan wel een private organisatie/adviesbureau waaraan de gemeente bepaalde werkzaamheden heeft uitbesteed. Lid 3In plaats van de ontheffing, die voorheen in dit lid stond, is nu een bevoegdheid tot het afwijken opgenomen. De afwijking vindt plaats door deze op te nemen in de omgevingsvergunning. Er komt geen afzonderlijk besluit tot het afwijken, geen beschikking. De omgevingsvergunning van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is er immers op gericht alles in één brede omgevingsvergunning te regelen. Lid 4Bouwwerken met een beperkte instandhoudingstermijn kunnen velerlei zijn, van klein tot groot en voor een zeer divers gebruik. Vermelding van deze categorie betekent niet dat in alle gevallen kan worden afgeweken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport. De gemeente kan hiervoor beleid ontwikkelen. Lid 5De strekking van dit lid is het tegengaan dat een bodemonderzoek plaatsvindt voordat de bestaande bebouwing wordt gesloopt en eventueel ten gevolge van deze werkzaamheden een bodemverontreiniging optreedt die dan niet wordt gesignaleerd.Dit betekent dat het resultaat van een bodemonderzoek niet altijd kan worden overgelegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen. Daarom behoort dit onderzoek tot de bescheiden die ook later kunnen worden ingediend. Lid 6In verband met echtheid van de stukken dient in 2-voud een papieren exemplaar van het bodemonderzoeksrapport te worden ingediend.Het digitale bestand in pdf dient voor opname in het gemeentelijke GISBIS.Sikb-101xml (recentste versie) maakt het mogelijk om de gegevens te kunnen inlezen in het gemeentelijke GISBIS. Bovenstaande maakt uitwisselbaarheid van de gegevens op provinciaal en landelijk niveau mogelijk. Tevens zijn de gegevens via websites te raadplegen. Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde grond AlgemeenIn het tweede lid, onder c, van artikel 8 van de Woningwet wordt aan de gemeenteraden de opdracht gegeven om in de bouwverordening voorschriften op te nemen over het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. In het derde lid van genoemd artikel 8 is uitgewerkt op welke bouwwerken deze voorschriften betrekking dienen te hebben. Het woord 'uitsluitend' in de redactie van dit derde lid duidt erop dat aanvulling in de bouwverordening niet is toegestaan.De indieningsvereisten voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen, waartoe het bodemonderzoek behoort, staan in de Regeling omgevingsrecht.De structuur is als volgt:- Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen moet een onderzoeksrapport betreffende de bodemgesteldheid worden overgelegd, aldus artikel 2.4 onder d. van de Regeling omgevingsrecht.- Artikel 4.4, lid 2 van het Bor bepaalt dat gegevens en bescheiden waarover het bevoegd gezag reeds beschikt, niet opnieuw behoeven te worden verstrekt. Dit geldt in beginsel ook voor gegevens die zijn verstrekt in de periode dat de Wabo nog niet in werking was getreden, en die als archiefbescheiden in bewaring worden gehouden als bedoeld in artikel 3 van de Archiefwet 1995. Uit het algemene bestuursrecht volgt dat het bevoegd gezag wel gehouden is de volledigheid en actualiteit te toetsen van de gegevens en bescheiden die de aanvrager niet bij de aanvraag verstrekt, omdat deze reeds in het bezit van het bevoegd gezag zijn. - Indien blijkt dat de ingediende bescheiden (waaronder het bodemonderzoeksrapport) onvoldoende zijn en dit gebrek niet kan worden opgelost door het stellen van een voorwaarde bij de vergunningverlening, wordt de aanvrager overeenkomstig artikel 4:5 van de Awb in de gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens aan te vullen. - Indien de aard van het bouwplan daartoe aanleiding geeft, kan het bevoegd gezag in een voorwaarde bij de omgevingsvergunning bepalen dat de desbetreffende gegevens en bescheiden alsnog moeten worden verstrekt voordat met de bouw mag worden begonnen. Te