Beleidsvisie Cultuurhistorisch Kompas DrentheProvinciale Staten van Drenthe; gelezen het voorstel van Gedeputeerde Staten van Drenthe van 16 juli 2024, kenmerk 29/5.4/2024001079; BESLUITEN: de geactualiseerde beleidsvisie Cultuurhistorisch Kompas Drenthe vast te stellen. Cultuurhistorisch Kompas, hoofdstructuur & beleidsvisie DEEL 1 INLEIDING 1ONZE DRIJFVEREN 1.1Waarom een Cultuurhistorisch Kompas? De historische waarden van Drenthe zijn in belangrijke mate bepalend voor de identiteit en de ruimtelijke kwaliteit van Drenthe. Ze vormen de basis die Drenthe tot Drenthe maakt! Daarmee is cultuurhistorie van belang voor de inwoners van Drenthe, voor bestuurders en voor plannenmakers. Met zijn allen moeten we de verantwoordelijkheid nemen voor het bewaken van de Drentse identiteit, nu en in de toekomst. De provincie draagt hieraan bij door cultuurhistorie te benoemen als één van de kernwaarden van het provinciaal beleid. Hierdoor willen wij onszelf en anderen inspireren en uitdagen om cultuurhistorie te benutten bij het door ontwikkelen van de ruimte in Drenthe. De rijkdom aan cultuurhistorisch erfgoed in Drenthe is groot: variërend van de karakteristieke hunebedden tot de wellicht minder bekende kanalen en wijken in de veengebieden. De bijzondere waarde van al dit erfgoed zit in de samenhang. Door objecten en elementen in samenspel met elkaar te bekijken winnen ze aan betekenis. Ze worden onderdeel van grotere structuren die het “verhaal” van Drenthe vertellen. De focus op de samenhang tussen het erfgoed betekent ook keuzes maken. Dat heeft tot gevolg dat er een selectie voor de cultuurhistorische hoofdstructuur wordt gemaakt en het objectniveau daarmee –grotendeels – wordt verlaten. De samenhang in het cultuurhistorisch erfgoed is de leidraad geweest bij het opstellen van de nota Cultuurhistorisch Kompas Drenthe. Deze nota doet uitspraken over welk erfgoed tot de provinciale cultuurhistorische hoofdstructuur behoort en over de beleidsvisie van de provincie. Met deze nota willen wij als provincie vooraf duidelijk maken wat wij op het gebied van cultuurhistorie in Drenthe willen bereiken. Daarbij hebben we ook gekeken naar de dynamiek die zich voltrekt in de verschillende gebieden in Drenthe en de effecten die de dynamiek kan hebben op de aanwezige cultuurhistorische waarden en daarmee op de identiteit van Drenthe. Mede hierdoor is deze nota een handreiking aan gemeenten, adviesbureaus en andere partijen om cultuurhistorische waarden mee te nemen in het ontwerpproces en nieuwe ontwikkelingen te plaatsen in het historische perspectief van Drenthe. We willen alle betrokken partijen in de ruimtelijke ordening uitdagen om samen invulling te geven aan het dilemma waar we voor staan: het bieden van ruimte voor ontwikkelingen bij het veiligstellen van de cultuurhistorische waarden; het veiligstellen van de cultuurhistorische waarden bij het bieden van ruimte voor ontwikkelingen. De titel van deze nota “Cultuurhistorisch Kompas Drenthe” is daarmee ook verklaard. De nota geeft richting aan de omgang met cultuurhistorie in een breed beleidsveld en spanningsveld! 1.2Vertrekpunt Bij het ontwikkelen van deze nota hebben wij vanaf het begin het volgende als drijfveer genomen: “Met de cultuurhistorische hoofdstructuur en beleidsvisie versterkt de provincie de ruimtelijke identiteit van Drenthe. Het is een inspirerend kompas dat, vanuit de samenhangende cultuurhistorische kwaliteiten, partijen kaders en ruimte biedt om verantwoordelijkheid te nemen bij het afwegings- en ontwerpproces bij ruimtelijke ontwikkelingen. Plannenmakers kunnen hierdoor zowel met respect als durf handelen en het wordt mogelijk het verleden in de toekomst te sturen”. Aan de hand van vijf kernbegrippen in deze zinnen (vetgedrukt), zullen we onze drijfveren nader uitleggen. Ruimtelijke identiteit Drenthe heeft een eigen karakter en eigen (ruimtelijke) identiteit. Deze identiteit wordt door de inwoners hoog gewaardeerd. De identiteit komt voort uit de ondergrond en uit alles wat mensen daar in de loop van de eeuwen door hun wijze van leven en organiseren aan hebben toegevoegd. Stap voor stap heeft Drenthe zich zo ontwikkeld tot de provincie zoals we die nu kennen en waarderen. Iedere stap heeft zo weer zijn eigen karakteristieke cultuurhistorische dragers achtergelaten of anders gezegd toegevoegd. Ontwikkelingen uit zowel het verleden als het heden leveren op hun eigen wijze een bijdrage aan de ruimtelijke identiteit! Inspirerend kompas Wij menen dat deze nota een handreiking aan gemeenten, initiatiefnemers en andere partijen is om bewust met cultuurhistorie om te gaan. Met deze nota willen wij plannenmakers ook laten zien dat cultuurhistorie een goede drager kan zijn voor nieuwe ontwikkelingen. Daarmee zetten we een koers uit die meerwaarde genereert bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Bovendien willen we als provincie de inwoners van Drenthe de historie van hun leefomgeving laten zien en begrijpen. We willen stimuleren dat mensen oog krijgen voor en enthousiast worden van de lange geschiedenis en de bijzondere omgeving waar ze wonen, werken en recreëren. Samenhangende cultuurhistorische kwaliteiten In Drenthe is een breed scala aan cultuurhistorische elementen en structuren. In deze nota richten wij ons hoofdzakelijk op de samenhangende cultuurhistorische kwaliteiten in gebieden en tussen de gebieden, structuren en elementen. Door deze elementen en structuren onderling en in samenhang te bekijken ontstaat zicht op ruimtelijk dominante structuren. Deze structuren zijn kenmerkend voor bepaalde gebieden of bepaalde ontwikkelingen in een tijdsperiode. Wij richten ons daarbij niet enkel op de losse elementen, zoals archeologische vindplaatsen, gebouwde monumenten of historische routestructuren. Met de cultuurhistorische hoofdstructuur wordt juist de samenbindende ruimtelijke structuur vastgesteld. Hiervoor maken we een selectie uit al het cultuurhistorisch erfgoed. Kaders en ruimte Al eerder hebben we aangegeven dat de provincie cultuurhistorie heeft benoemd als een kernwaarde. Dit betekent dat we ambities hebben. In het Cultuurhistorisch Kompas Drenthe zetten we naast de hoofdstructuur ook ambities en opgaven voor de toekomst neer. Om hier invulling aan te geven willen we kunnen sturen, zodat veranderingen zich in de gewenste richting kunnen voltrekken. Hiervoor stellen we grenzen. Deze grenzen zijn kaders waarbinnen ruimte ligt voor ontwikkeling. Er kan en mag op gebiedsniveau geen sprake zijn van een kaasstolp. Respect en durf Iedere periode brengt veranderingen in de ruimtelijke omgeving met zich mee. Al die veranderingen samen hebben Drenthe gevormd tot wat het nu is. Onze visie heeft respect voor het verleden. In het voortbouwen op dat verleden mag best durf getoond worden. Wij willen andere partijen uitdagen om op nieuwe, eigenzinnige manieren verder te bouwen op de waarden van de cultuurhistorische hoofdstructuur, zonder die daarbij uit het oog te verliezen. Door met durf te handelen vanuit de bestaande cultuurhistorie kan een herkenbare cultuurhistorische laag worden toegevoegd aan de ontstaansgeschiedenis van Drenthe en daarmee kan de identiteit van Drenthe worden verrijkt. 1.3Werkwijze Bij het ontwikkelen van deze nota zijn twee stappen doorlopen. Allereerst is de omvangrijke Drentse geschiedenis teruggebracht naar zes tijdsperioden die het meest bepalend zijn geweest voor de huidige ruimtelijke situatie in Drenthe. Vervolgens is, verdeeld over tien gebieden, een hoofdstructuur opgesteld en zijn bijbehorende ambities en opgaven geformuleerd. Voor de actualisatie van het Cultuurhistorisch Kompas is, in het kader van eenduidigheid, de werkwijze gehanteerd die is gebruikt bij het opstellen van het Kompas in
- Dat betekent dat bij het opstellen van de hoofdstructuur voor de nieuwe tijdslagen dezelfde stappen en vragen zijn gesteld om het provinciaal belang te duiden. Toevoegingen aan de hoofdstructuur waren en zijn gebaseerd op de volgende criteria: Gebieden waar de cultuurhistorische structuren ruimtelijk dominant zijn; Zichtbare (intacte) samenhangende structuren (ensembles) uit één tijdslaag; Bijzondere, unieke plekken van zeer hoge waarde; Gebieden waar structuren een samenhangende stapeling van tijdslagen vormen. 1.4Besluitvorming Besluitvorming Het Cultuurhistorisch Kompas dateert uit
- Deze nota werd in relatief korte tijd ontwikkeld met medewerkers binnen het provinciehuis en externe deskundigen. Als provincie gingen wij na afronding een actief communicatietraject in om alle betrokken partijen (van gemeenten tot waterschappen, grote terreineigenaren en adviesbureaus) voor te lichten over de cultuurhistorische hoofdstructuur. De eindnota werd onderdeel van de provinciale structuurvisie (omgevingsbeleid) en werd in dit kader definitief vastgesteld. Vanwege wijzigingen in de wet- en regelgeving op provinciaal en rijksniveau was actualisatie van het Cultuurhistorisch Kompas nodig. Denk hierbij aan invoering van de Omgevingswet, voorbereiding op een nieuwe Provinciale Omgevingsvisie en Provinciale Omgevingsverordening en ruimtelijke opgaven vertaald in (rijks)programma’s. Dit vereiste een actualisatie van de sturingsniveaus. Daarnaast geeft de actualisatie uitvoering aan het voortschrijdend inzicht van de afgelopen 14 jaar door implementatie van recente onderzoeken naar de jonge geschiedenis. De cultuurhistorische hoofdstructuur is tijdens de actualisatie verrijkt of nader aangevuld met deze -nieuwe- tijdslagen. Tenslotte bood de actualisatie de mogelijkheid om de leesbaarheid en het gebruiksgemak te vergroten. Tijdens de koepeloverleggen die worden georganiseerd door het Steunpunt Erfgoed Drenthe zijn gemeenten geïnformeerd over de actualisatie van het Cultuurhistorisch Kompas. Daarnaast hebben op basis van het concept gesprekken met de gemeenten plaatsgevonden. Het geactualiseerde Cultuurhistorisch Kompas zal na vaststelling worden ingebracht als bouwsteen in de Provinciale Omgevingsvisie en Provinciale Omgevingsverordening. Rollen en verantwoordelijkheden Als provincie rekenen wij het tot onze verantwoordelijkheid om het cultureel erfgoed en de landschappelijke kwaliteiten van onze provincie hoog te houden. Daarbij beperken wij ons wel tot datgene wat wij als provinciaal belang kunnen duiden. Hiermee houden wij bewust ruimte open voor gemeenten, waterschappen, terreinbeheerders en andere partijen om vanuit hun eigen kaders en verantwoordelijkheden invulling te geven aan het cultuurhistorisch beleid. Dit geactualiseerde Cultuurhistorisch Kompas Drenthe duidt wat van provinciaal belang is en welke sturingsniveaus de provincie daarbij hanteert. Dit is de basis voor de provinciale planadvisering. Wij doen ook een oproep aan gemeenten om deze handreiking op te pakken om binnen hun eigen gebiedsgrenzen uit te werken en vorm te geven. Zo kunnen we samen, maar wel vanuit eigen complementaire verantwoordelijkheden, uitvoering geven aan een gedegen cultuurhistorische hoofdstructuur. 1.5Voortschrijdend inzicht Wij zijn ons ervan bewust dat ontwikkelingen “in het veld” aan veranderingen onderhevig zijn. Op de langere termijn kan dit leiden tot nieuwe inzichten in de gekozen beleidsvisie. Deze onvoorziene ruimtelijke veranderingen en resultaten van voorbeeldprojecten kunnen op termijn aanleiding geven deze nota op onderdelen opnieuw te actualiseren. Ook kunnen nieuwe kennisprojecten leiden tot aanvullingen of een herwaardering van de sturingsniveaus. Wij verwachten echter dat de kern van dit Cultuurhistorisch Kompas overeind zal blijven. 1.6Uitvoeringsagenda Tijdens het actualiseren van dit Cultuurhistorisch Kompas zijn een aantal acties naar voren gekomen die waardevol zijn voor de bescherming van het Drentse erfgoed of voor de volgende actualisatie van deze nota: bij gemeenten de bescherming van representatieve historische bebouwing door middel van aanwijzing van gemeentelijke monumenten en karakteristieke panden agenderen, daarbij aandacht vragen voor het gebouwde erfgoed van de Post ’65 periode; bij provincie en gemeenten aandacht vragen voor de ontwerpprincipes van de jonge heideontginningen en ruilverkavelingen, deze erkennen als tijdlaag, op waarde schatten en bij voldoende waarde gewicht geven bij ruimtelijke transformaties of herstelprojecten; verder verdiepen van de kennis over de rol van de werkverschaffing en -kampen in de Drentse ontginningen en tijdens de Tweede Wereldoorlog; onderzoeken initiëren op het snijvlak van cultuurhistorie en de huidige ruimtelijke en maatschappelijke opgaven, zoals de energietransitie, de landbouwtransitie, natuurontwikkeling en de woningbouwopgave; onderzoek initiëren naar de geschiedenis van waterwegen en bijbehorende kunstwerken; stimuleren en ondersteunen van gebiedsvisies en ontwerpprincipes t.b.v. lokale kennis en maatwerk; stimuleren van erfgoedinclusief beleid voor transities in het Drentse agrarisch cultuurlandschap waaronder beleidsontwikkeling voor Vrijkomende Agrarische Bebouwing (VAB). 2OPZET VAN DE NOTA 2.1Leeswijzer De opbouw van de nota volgt voor een belangrijk deel onze wijze van werken. In het eerste deel –Inleiding - staan we stil bij het hoe en waarom van de cultuurhistorische nota en de actualisatie. In het tweede deel – Beleid - gaan we in hoofdstuk 3 in op de sturingsniveaus die de provincie hanteert om de cultuurhistorische hoofdstructuur te beschermen en te versterken. Ook is daar een kaartbeeld te vinden van de provinciale sturing. Hoofdstuk 4 legt vervolgens een koppeling met ander beleid. In hoofdstuk 5 gaan we in op de verschillende ontwikkelingen in Drenthe waar de cultuurhistorische hoofdstructuur de komende jaren mee te maken krijgt. In deel 3 – Tijdslagen - verwoorden we in hoofdstuk 6 de lange ontstaansgeschiedenis van Drenthe. Deel 4 – Cultuurhistorische hoofdstructuur - gaat in hoofdstuk 7 in op de cultuurhistorische hoofdstructuur en in hoofdstuk 8 op de karakteristieken en structuren per gebied en onze (generieke) ambities en opgaven voor de gebieden. Daarin komt naar voren hoe we in het vervolg, bijvoorbeeld bij de planadvisering, concreet invulling willen geven aan onze ambities voor cultuurhistorie en ruimte. 2.2Hoe kunt u deze nota gebruiken? Stappenplan bij een ruimtelijke ontwikkeling Het Cultuurhistorisch Kompas is bedoeld voor plannenmakers (zoals gemeenten, waterschappen en adviesbureaus) en alle anderen met interesse in cultuurhistorie. Deze nota geeft inhoud en richting aan het provinciale beleid ten aanzien van cultuurhistorie. In het geval van een ruimtelijke ontwikkeling is het allereerst van belang om te weten welk sturingsniveau van toepassing is. De provincie is ingedeeld in drie sturingsniveaus die de provinciale inzet bij planadvisering duidt maar ook de mate waarin cultuurhistorie moet worden ingezet als inspiratiebron, randvoorwaarde of drager bij planontwikkelingen. In paragraaf 3.3 is op kaart te zien welke sturing per gebied van toepassing is. De toepassing en betekenis van de sturingsniveaus staat beschreven in paragraaf 3.
- Vervolgens biedt dit Kompas inzicht in de belangrijke cultuurhistorische structuren op de plek van de ruimtelijke ontwikkeling. In hoofdstuk 8 hebben wij per gebied de karakteristiek, structuur, ambities en opgaven geformuleerd waarop wij bij ontwikkelingen sturen. Dit doen wij zodat de herkenbaarheid en samenhang van de cultuurhistorische hoofdstructuur in de toekomst zichtbaar blijft of versterkt kan worden. De cultuurhistorische hoofdstructuur, bestaande uit landschapselementen, -structuren en gebieden vinden wij van bijzonder provinciaal belang vinden. Deze kennen gebiedsspecifieke karakteristieken en structuren die wij hebben beschreven en waarop wij sturen. Bevindt de planontwikkeling zich in een gebied waar géén hoofdstructuur is, dan betekent het niet dat er geen cultuurhistorische waarden zijn. Bij ontwikkelingen is de initiatiefnemer zich bewust van de cultuurhistorische ontwikkeling, samenhang en karakteristieken van het gebied. De initiatiefnemer heeft een zorgplicht en maakt daarom aannemelijk dat de activiteit in overeenstemming is met het belang van het behoud van het cultuurlandschap en houdt rekening met cultuurhistorische waarden die mogelijk aanwezig zijn. Omgevingsplannen bevatten daarom een uiteenzetting van de cultuurhistorische ontwikkeling, samenhang en karakteristieken (van de omgeving) van het plangebied en een onderbouwing van de wijze waarop de planontwikkeling daarmee al dan niet rekening houdt. Dit stelt de initiatiefnemer in staat alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om aantasting van het cultuurlandschap, cultuurhistorische waarden en samenhang te voorkomen. DEEL 2 BELEID 3BELEIDSVISIE 3.1Beleid en sturingsniveaus Beleid maken we om onze ambities te realiseren of anders gezegd resultaten te boeken. We willen interventies kunnen plegen om goed lopende ontwikkelingen te stimuleren en om ongewenste ontwikkelingen te corrigeren. In deze benadering ligt nadrukkelijk een uitdaging voor alle partijen om daar verder vorm en inhoud aan te geven. We maken beleid omdat we verwachten dat onze gewenste cultuurhistorische toekomst niet zomaar werkelijkheid wordt. Vele grote en kleine ontwikkelingen beïnvloeden de huidige cultuurhistorische hoofdstructuur. Die hoofdstructuur bestaat uit waarden die we van provinciaal belang achten. Deze waarden zijn in hun onderlinge samenhang zodanig bijzonder dat we ze in ieder geval willen veiligstellen voor de toekomst. Daarmee overstijgt het beleid grotendeels het niveau van het object. Het gaat dus niet primair om individuele objecten of monumenten binnen de cultuurhistorische hoofdstructuur, maar om de cultuurhistorische identiteit en samenhang binnen gebieden/zones/ ensembles van bovenlokaal schaalniveau of anders gezegd ‘van provinciaal belang’. Met de komst van de Omgevingswet is een systematiek van drie niveaus voor sturing geïntroduceerd, met meer of minder ruimte voor afweging door initiatiefnemers van een ontwikkeling. De sturingsniveaus zijn gekoppeld aan gebieden en specifieke onderdelen daarbinnen. Voor de opbouw van deze sturingsniveaus formuleren we vier regels:
(1)als basis voor de hele provincie geldt het sturingsniveau ‘betrekken bij’.
(2)Voor gebieden met een hoge samenhang in cultuurhistorische waarden en stapeling van cultuurhistorische waarden geldt het sturingsniveau ‘rekening houden met’.
(3)Voor een aantal specifieke onderdelen uit de cultuurhistorische hoofdstructuur met bijzonder hoge waarde geldt het sturingsniveau ‘in acht nemen’.
(4)Waar sturingsniveaus elkaar overlappen geldt het zwaarste niveau. Hieronder worden de regels die horen bij deze sturingsniveaus nader toegelicht. Wat we willen bereiken met deze sturing is in de gebiedsuitwerking van hoofdstuk 8 onder ambities toegelicht. 3.1.1Sturingsniveau ‘betrekken bij’ Het sturingsniveau ‘betrekken bij’ is provincie dekkend en geldt tevens voor enkele onderdelen van de cultuurhistorische hoofdstructuur. Bij ontwikkelingen ligt de inzet op het waarborgen van de cultuurhistorische samenhang voor de toekomst. Initiatiefnemers hebben de verantwoordelijkheid om de cultuurhistorische samenhang van het gebied of de tot de cultuurhistorische hoofdstructuur behorende elementen die onder dit sturingsniveau vallen als inspiratiebron te betrekken bij ontwikkelingen. Als provincie zullen wij plannen en initiatieven daarop beoordelen. Onze ambities daarin hebben we verwoord in hoofdstuk 8, bij de verschillende gebieden. Bevindt de planontwikkeling zich in een gebied waar géén hoofdstructuur is, dan heeft de initiatiefnemer een zorgplicht. Initiatiefnemer maakt aannemelijk dat de activiteit in overeenstemming is met het belang van het behoud van het cultuurlandschap en houdt rekening met cultuurhistorische waarden die mogelijk aanwezig zijn. Omgevingsplannen bevatten daarom een uiteenzetting van de cultuurhistorische ontwikkeling, samenhang en karakteristieken (van de omgeving) van het plangebied en een onderbouwing van de wijze waarop de planontwikkeling zich al dan niet daartoe verhoudt. 3.1.2Sturingsniveau ‘rekening houden met’ Dit sturingsniveau verbinden we aan structuren en elementen in de cultuurhistorische hoofdstructuur waar de samenhang of stapeling van verschillende tijdslagen groot is. Initiatiefnemers hebben daarmee de verantwoordelijkheid om vroegtijdig in het planproces inzichtelijk te maken op welke wijze zij rekening houden met de cultuurhistorische samenhang en hoe ze deze als randvoorwaarde voor nieuwe plannen benutten. Hierop is de inzet van de partijen gericht. Als provincie zetten wij in op/zijn we beschikbaar voor begeleiding van het planvormingsproces waarbij de kansen vanuit de cultuurhistorische samenhang uitgangspunt zijn. 3.1.3Sturingsniveau ‘in acht nemen’ Binnen de cultuurhistorische hoofdstructuur zien we gebieden waar de cultuurhistorische samenhang zeer groot is en elementen die zeer bijzonder zijn. Hier willen we de ontwikkelingen in de vanuit cultuurhistorie gewenste richting kunnen (bij)sturen. Van de initiatiefnemer verwachten wij dat de cultuurhistorische samenhang als dé drager voor nieuwe plannen wordt gebruikt. Ontwikkelingen bouwen voort op de bestaande cultuurhistorische samenhang. Als provincie zullen wij daarbij vanaf het begin een plek bedingen in het planvormingsproces. Het zorgvuldig en verantwoord in acht nemen van de cultuurhistorische samenhang vormt het vertrekpunt van onze inzet. 3.2Kaartbeeld Bij deze beleidsvisie hoort een kaartbeeld. Dit kaartbeeld laat vlakken zien die over de hoofdstructuur zijn gelegd. De kleurstelling van de vlakken laat het sturingsniveau zien die aan de cultuurhistorische elementen en de stapeling ervan is gekoppeld. De begrenzing van de vlakken is afgestemd op de verschillende samenhangende gebieden binnen de cultuurhistorische hoofdstructuur of begrensd op specifieke bijzondere onderdelen van de hoofdstructuur. 4KOPPELING EN RELATIE MET ANDER BELEID EN ANDERE BELEIDSVELDEN 4.1Internationale en nationale wet- en regelgeving Nederland is gebonden aan (inter)nationale verdragen op het gebied van erfgoed. Deze verdragen spelen een belangrijke rol bij wetgeving en beleid voor erfgoed in de fysieke leefomgeving. Hierbij moet onder meer gedacht worden aan het Werelderfgoedverdrag
(1972), het Europees landschapsverdrag
(2005), de Visie op Erfgoed en Ruimte
(2011), de Modernisering Monumentenzorg
(2012)en het Besluit ruimtelijke ordening. De laatste decennia zien we daarin steeds vaker een gebiedsgerichte verankering van cultuurhistorie en cultuurlandschappen, in plaats van een objectgerichte focus. Erfgoedtaken moeten daarbij meer dan voorheen integraal worden aangepakt. Op dit moment zijn de wettelijke taken voor cultuurhistorie hoofdzakelijk vastgelegd in (het overgangsrecht van) de Erfgoedwet, de Omgevingswet en het Besluit Kwaliteit Leefomgeving. Sinds de nieuwe Wet op de ruimtelijke ordening (nWro) moeten provincies van tevoren aangeven welke onderdelen, structuren of elementen zij belangrijk vinden. Dat geldt voor alle aspecten van de ruimtelijke ordening, inclusief cultuurhistorie. Dit is eveneens verankerd in de nieuwe Omgevingswet. De Omgevingswet bepaalt dat de provincie de kernkwaliteiten van cultuurhistorie en cultuurlandschappen met het oog op provinciaal belang of vanuit een internationaalrechtelijke verplichting nader uitwerkt. Daarbij dient de provincie regels op te stellen in de provinciale omgevingsverordening. De actualisatie van het Cultuurhistorisch Kompas geeft hier invulling aan doordat deze juridisch verankerd zal worden in de provinciale omgevingsverordening. 4.2Provinciaal omgevingsbeleid Provinciale omgevingsvisie De Provinciale Omgevingsvisie Drenthe is een visiedocument waarin de belangen, ambities, rollen, verantwoordelijkheden en sturing van de provincie in het ruimtelijk domein worden geformuleerd. Met de invoering van de Omgevingswet in 2024 vormt de Provinciale Omgevingsvisie onze langetermijnvisie voor de fysieke leefomgeving. Op moment van actualisatie van dit Cultuurhistorisch Kompas is de Omgevingsvisie 2022 van kracht. Met, en ter voorbereiding op, de invoering van de Omgevingswet in 2024 wordt het Cultuurhistorisch Kompas Drenthe geactualiseerd. Daarbij wordt opnieuw gekeken naar de samenhangende cultuurhistorische hoofdstructuur, onze ambities hiervoor en onze sturing daarop. Het geactualiseerde Cultuurhistorisch Kompas zal worden ingebracht als bouwsteen bij het opstellen van de nieuwe provinciale Omgevingsvisie. Provinciale omgevingsverordening Provincies hebben de bevoegdheid om beleid en verordeningen vast te stellen voor erfgoed, zoals omtrent de bescherming van archeologische vindplaatsen, historische landschappen of karakteristieke gebouwen. Daarnaast ligt er, zoals uitgelegd in paragraaf 4.1, een (inter)nationale taak tot het beschermen van erfgoederen van provinciaal belang. Uit de provinciale verordeningen kunnen verplichtingen volgen voor gemeenten voor formulering en uitvoering van hun eigen beleid. De juridische doorwerking van het Cultuurhistorisch Kompas Drenthe wordt verankerd in de Provinciale Omgevingsverordening (POV). Kernkwaliteiten In de Provinciale Omgevingsvisie en Provinciale Omgevingsverordening is verankerd dat onze ruimtelijke kwaliteit bestaat uit een zestal kernkwaliteiten. De kernkwaliteiten zijn landschap, natuur, cultuurhistorie, archeologie, aardkundig erfgoed en rust. Bij onze opgaven en bij ontwikkelingen van onze partners, ondernemers en inwoners zijn de kernkwaliteiten van provinciaal belang om de ruimtelijke kwaliteit van onze provincie te behouden en waar mogelijk te vergroten. De kernkwaliteiten, waaronder cultuurhistorie, zijn bij planontwikkelingen kaderstellend en vormen onze inspiratie om te komen tot een ontwikkeling die passend is bij Drenthe. 4.3Relatie met gemeentelijk beleid Onze wens is dat gemeenten binnen hun eigen grenzen en verantwoordelijkheden uitvoering geven aan dit cultuurhistorisch kompas. Op de hoofdstructuurkaart zijn sommige gebieden dan ook leeg. Deze gebieden zijn echter zeker niet arm aan cultuurhistorie. Hier kunnen op het lokale niveau waardevolle elementen of structuren voorkomen. Wij nodigen gemeenten uit zelf een verdere invulling te geven aan hun cultuurhistorisch beleid. Daarbij kunnen gemeenten de gebiedsbeschrijvingen in deze nota als inspiratiebron gebruiken. Veel gemeenten doen dit al, onder andere door het implementeren van de gemeentelijke cultuurhistorische waardenkaarten in de omgevingsplannen. Bij het opstellen of wijzigen van omgevingsplannen is het toetsen aan het provinciale beleid één van de (verplichte) onderdelen. Aangezien de voorliggende nota tot het provinciale beleid kan worden gerekend voor wat betreft ruimtelijke ordening en cultuurhistorie, verwachten wij dat gemeenten plannen ook toetsen aan de karakteristiek, structuren en ambities in dit “Cultuurhistorisch Kompas Drenthe”. 4.4Relatie met andere beleidsvelden Zowel bij het opstellen van deze nota als bij de actualisatie hebben wij contact gezocht met andere beleidsvelden als ruimte, landschap, archeologie, economie, water, natuur en recreatie. Wij willen stimuleren dat andere sectoren dit cultuurhistorisch beleid meenemen en meewegen in hun eigen afwegingsprocessen. Uit gesprekken en ervaringen is gebleken dat cultuurhistorie en andere beleidsvelden als recreatie of landschap elkaar vaak kunnen versterken. Op deze manier kan een meerwaarde worden gegenereerd voor elkaars plannen. 5THEMATISCHE OPGAVEN 5.1Ontwikkelingen Onze leefomgeving ontleent haar identiteit aan de waarde die we toekennen aan ruimtelijke structuren en fysieke inrichting. Met grote opgaven op het gebied van wonen, energietransitie, klimaatadaptatie en transitie van de landbouw gaat de leefomgeving veranderen. De woonopgave beperkt zich niet tot de realisatie van meer woningen, maar gaat ook over werkgelegenheid en infrastructuur. Tezamen geeft dat een toename van druk op de ruimte zowel in stedelijk als in landelijk gebied door in- en uitbreidingen, groei van het vervoersnetwerk en de komst van nieuwe werklocaties. Ook de noodzaak om op een andere wijze de samenleving van energie te voorzien leidt tot wijzigingen in opwek van energie, transportinfrastructuur zowel boven als ondergronds en opslag. Daarnaast zien we dat verandering in klimaat kan leiden tot zowel waterschade als schade door droogte. Dat heeft invloed op de wijze van landgebruik, verandering in grondwaterstanden en ontwateringsstructuren en zo mogelijk op beplantingsstructuren en/of bebouwing. Maar ook veranderingen in sociaal cultureel opzicht zoals individualisering en meer vrije tijd kunnen leiden tot verlies van kennis en gebruiken, of een ander gebruik van erfgoed. Denk daarbij aan uitbreiding van voorzieningen voor bezoekers zoals accommodaties, bezoekerscentra, verharde paden en aan informatieborden. De grote opgaven waar de samenleving voor staat vormen als het ware een nieuwe laag over ons landschap en kunnen een bedreiging zijn voor cultuurhistorisch erfgoed. Dat vraagt zowel respect voor het verleden als durf om veranderopgaven met oog voor kwaliteit tegemoet te treden. Om ontwikkelingen het hoofd te bieden is het van belang de kennis en waardering voor het verleden in te zetten als inspiratiebron en waar mogelijk als opmaat voor nieuwe kwaliteit. In dit hoofdstuk schetsen we kort enkele opgaven die van invloed zullen zijn op de cultuurhistorische hoofdstructuur en geven we voorbeelden hoe cultuurhistorie daar een inspirerende rol in kan vervullen. 5.2Druk op Drentse dorpen Dorpen zijn onlosmakelijk met het beeld en de identiteit van Drenthe verbonden. De esdorpen hebben een grote waarde vanwege hun lange bewoningsgeschiedenis die zich uit in een karakteristieke ruimtelijke opzet van de dorpen. Door uitbreidingen en inbreidingen van woningbouw staat de kenmerkende structuur van esdorpen met karakteristieke groene ‘kampjes’, weidelandjes en kleine brinken echter onder druk. De druk komt met name voort uit de plaatsing van woningen op kwetsbare, open plekken en de contrasterende maat en schaal van de nieuwe bebouwing aan karakteristieke dorpsranden. Daarnaast zorgt ook de groeiende parkeerbehoefte voor extra druk op de ruimte. Bij grotere dorpen komt de druk ook voort uit (de uitbreiding van) bedrijventerreinen en maatregelen ten behoeve van energievoorziening of klimaatadaptatie. Om het karakter van de Drentse esdorpen vast te houden streven we naar het zorgvuldig voortbouwen op de typerende dorpsstructuur met bijpassende architectuur. Eenzelfde druk op de dorpsstructuur is te zien binnen lintdorpen. In Drenthe onderscheiden we grofweg twee verschillende typen lintdorpen: randveenontginningsdorpen en jongere lintdorpen. De randveenontginningsdorpen, zoals Ruinerwold en Roderwolde, behoren tot de oudste dorpen in Drenthe en worden gekenmerkt door lineaire bewoningsassen en langwerpige kavels die haaks op het lint ontgonnen werden. In meerdere gevallen waren de bewoners genoodzaakt om het lint (deels) riching een onontgonnen gebied te verplaatsen vanwege inklinking en vernatting als gevolg van vervening Dit maakt dat juist de ruimte tussen en binnen deze linten van hoge waarde is om de bewoningsgeschiedenis van deze gebieden te begrijpen. Met de voorkeur voor dorpsinbreiding boven dorpsuitbreiding is deze open ruimte een vanzelfsprekende plek geworden voor woningbouw. Daarnaast worden ook de ruimtes binnen het lint opgevuld met agrarische bebouwing of extra woningen. Ook de elsensingels die veelal langs de langgerekte kavelsloten werden aangeplant of op natuurlijk wijze verschenen, verdwijnen. Om te zorgen dat de relatie tussen het dorp en de omgeving waaruit ze ontgonnen zichtbaar blijft, dient er op zorgvuldige wijze opgegaan te worden met de openheid binnen, en tussen, de linten. Het tweede type lintdorp, de jongere lintdorpen, ontstonden langs veenontginningen. Deze kenmerken zich veelal door de ritmische opbouw met ruimte tussen de bebouwing en zichtlijnen naar de vaak diepe kavels en het achterland. Ook deze kenmerkende structuur staat onder druk door onder meer in- en uitbreiding. De ruimte tussen woningen wordt ingezet voor nieuwe woningbouw of er worden schuttingen geplaatst die de zichtlijnen op het achterland doen verdwijnen. Ook worden de diepe kavels in toenemende mate opgedeeld ten behoeve van woningbouw op het achtererf. Daarnaast staan voorzieningen in kleine dorpen onder druk door het aanbod in grotere kernen en vrijkomend maatschappelijk vastgoed als gevolg van woningtekort. In de Drentse lintdorpen streven we naar het herkenbaar houden van de relatie tussen de dorpen met het omliggend landschap wat zich uit in architectonische vormgeving van o.a. boerderijen met bijbehorende erven en doorzichten naar het open landschap. 5.3Groei van Drentse steden De Drentse steden hebben elk hun eigen karakter en daarmee hun eigen identiteit. Dit karakter is in de loop van de eeuwen ontstaan en gegroeid. Zo is Assen een bestuursstad geworden, Meppel een handelsstad, Coevorden een vestingstad, Hoogeveen een industriestad en is Emmen een naoorlogse woonstad. Door vooral grootschalige, uniforme ontwikkelingen na de Tweede Wereldoorlog is het onderscheid tussen de steden echter vervaagd. De groei en herstructurering van de steden heeft zich vaak vanuit onvoldoende bewustzijn van de identiteit van de stad en het omliggende landschap voltrokken. De huidige opgaven voor wonen, infrastructuur, energietransitie en klimaatadaptatie leggen extra druk op het karakter van deze steden. Wij streven naar het herkenbaar houden van en refereren naar typerende bebouwingsstructuren, straatpatronen, objecten en architectonische vormgeving. 5.4Natuurontwikkeling In natuurgebieden zijn veel cultuurhistorische sporen te vinden zoals grafheuvels, karresporen en postwegen. In de laatste decennia is een sterk natuurbesef gegroeid waarbij de nadruk ligt op het beschermen en waar mogelijk verder ontwikkelen van bestaande natuurwaarden. De status van een gebied als natuurgebied legt de grootste prioriteit bij natuurontwikkeling. Deze natuurontwikkeling wordt vaak monothematisch aangepakt waarmee het op gespannen voet komt te staan met het veiligstellen van cultuurhistorische waarden. Als provincie willen wij gemeenten, terreinbeheerders en andere betrokkenen uitdagen om cultuurhistorie te betrekken in hun planvorming. Cultuurhistorie kan een meerwaarde vormen en extra onderscheidend vermogen bieden aan een natuurgebied. Dat biedt ook kansen voor een grotere toeristisch-recreatieve aantrekkingskracht. Wij streven er naar dat cultuurhistorie en natuur elkaar versterken. 5.5Transitie van het landelijk gebied Het agrarische cultuurlandschap is kenmerkend voor de verschijningsvorm van Drenthe. Transitieopgaven voor de landbouwsector, de energievoorziening en klimaatadaptatie leggen een extra claim op de ruimte en cultuurhistorische waarden van het landelijk gebied. Veranderingen van het cultuurlandschap zitten in het dempen of wijzigen van sloot- en wijkstructuren, verlies van houtwallen als gevolg van peilverandering en/of schaalvergroting, hermeandering van waterstructuren, het omzetten van landbouwgrond naar natuurontwikkeling of zonnevelden, inzet van landbouwgrond voor waterberging, het opdelen van erven ten behoeve extra woningen, de toename van voedselbossen en natuurbegraafplaatsen en nieuwe infrastructuur voor de energievoorziening. Al deze verandering vormen een bedreiging voor het karakter en de herkenbaarheid van het Drentse landelijk gebied. Als provincie willen wij betrokken partijen uitdagen om cultuurhistorie te betrekken in hun planvorming en de culthuurhistorische identiteit en karakteristieke gebiedskenmerken te benutten voor het palet aan oplossingen voor de verschillende opgaven en in de keuze voor nieuwe functies, zoals het inzetten van (verdwenen) historische waterstructuren voor waterretentie. 5.6Goede voorbeelden van inzet van cultuurhistorie bij ontwikkelingen In bovenstaande teksten hebben we toegelicht hoe verschillende ontwikkelingen het Drentse cultuurlandschap wijzigen en zelfs kunnen schaden. Om te illustreren hoe plannen inspiratie kunnen halen uit de cultuurhistorische kwaliteiten van Drenthe en op basis daarvan een nieuwe laag aan het landschap toevoegen, volgen er drie concrete projecten. Woningbouw in Koekange De openheid, lange kavels en doorzichten zijn onlosmakelijk verboden met de bewoningslinten van de randveenontginningen. Juist de ruimte tussen de linten laat de ontstaansgeschiedenis zien, en verklaard waarom de huidige linten zich op deze plek gevestigd hebben. Het kiezen voor een woningbouwlocatie op basis van deze waarden – wat niet zal leiden tot ‘verrommeling’ of ‘witte schimmel’ - is daarom niet vanzelfsprekend. Het woonconcept ‘het nieuwe erf’ laat zien hoe er met oog voor de openheid, de langgerekte kavels en hooggewaardeerde doorzichten wel degelijk woningbouw gerealiseerd kan worden. Het concept beoogt het creëren van een ‘nieuw’ lint. De nieuwe bebouwing vormt de eerste aanzet tot een nieuwe bewoningsas wat resulteert in het behoud van de openheid tussen (parallelle) bewoningslinten. Tot slot ligt de oprijlaan naar het woonerf langs een bestaande houtwal. Dit soort houtwallen waren tot omstreeks de jaren ’50 volop aanwezig in dit landschapstype, en maakte de langgerektheid van het landschap zichtbaar. Beekdalherstel middenloop Vledder Aa Er wordt al decennia aan de herinrichting van beekdalen gewerkt om de natuurlijke systemen te herstellen nadat deze verstoord werden tijdens de ruilverkavelingsperiode. Echter kunnen de doelen om o.a. water vast te houden en natuurherstel de lange gebruiksgeschiedenis van de beekdalen in Drenthe doen vervagen. De beekdalen waren een integraal onderdeel van het agrarisch systeem van het esdorpenlandschap. De natte ‘madelanden’ langs de beek werden gebruikt als hooilanden en om het vee te weiden in de zomer. De kavels van de madelanden werden vaak beplant met singels wat resulteerde in zogenoemde ‘insteekwallen'. Voorafgaand aan het ontwerp van inrichtingsplan voor de Vledder Aa is er onderzoek gedaan naar de waarde en historische ontwikkeling van dit beekdal. Naast het herstel van singels en houtwallen is ook het beheerplan van grote waarde om te zorgen dat de herkenbaarheid van het beekdal intact blijft. De openheid wordt gewaarborgd door een periodiek maai- en kapbeleid. Ook zal er haaks op het beekdal gemaaid worden wat de patronen van de gedempte sloten zichtbaar maakt. Daarnaast is er gekozen om deze madelanden te beheren door middel van extensief agrarisch gebruik. Kleinschalige landbouw levert kruidenrijke graslanden en natuurakkers op en komt overeen met het gebruik van de beekdalen in de 19de en 20ste eeuw. Dorpshoven – een ruime jas voor dorpsuitbreiding De dorpshoven van landschapsarchitect Harry de Vroome kunnen gezien worden als ‘het’ voorbeeld van hoe nieuwe ontwikkelingen in het landschap een plek te geven mét oog voor het Drentse landschap. Zijn visie op het landschap van Drenthe zal in deze nota uitgebreid aan bod komen in latere hoofdstukken. Hier zal het fenomeen ‘dorpshoven’ uitgelicht worden als uitstekend voorbeeld van hoe het landschap drager kan zijn voor - en ruimte kan bieden aan - ontwikkelingen binnen het kleinschalige karakter van Drenthe. Dorpshoven kunnen omschreven worden als landschapskamers met boomwallen die naast het dorp vaak al bestonden en in de ruilverkavelingsperiode ingepast, hersteld en/of nieuw aangeplant werden. Deze waren bedoeld als geleidelijke overgang tussen dorp en omliggend landschap (essen, beekdal, veld) en konden ingezet worden als casco waarbinnen allerlei ontwikkelingen gerealiseerd konden worden. Denk bijvoorbeeld aan voetbalvelden, woonwijken, een rondweg of bedrijvigheid. Op deze wijze werd het dorp op kleinschalige wijze uitgebreid. Henk van Blerck, gepromoveerd op o.a. de landschapsplannen van Harry de Vroome, noemde de dorpshoven op passende wijze ‘het maatpak van Drenthe'. In de afgelopen decennia zijn meerdere dorpshoven opgevuld door de beoogde ontwikkelingen. Uitstekende voorbeelden daarvan zijn o.a. de dorpshoven en uitbreidingen van Vries, Vledder en Gieten. DEEL 3 TIJDLAGEN 6IN ZES STAPPEN DOOR DE TIJD 6.1Tijdlagen Hoe kun je een geschiedenis van meer dan 10.000 jaar samenvatten en terugbrengen tot de essentie van de historie van Drenthe? We hebben gezocht naar een indeling in tijdsperioden die bepalend zijn geweest voor de ontwikkeling en ruimtelijke organisatie van Drenthe. Een belangrijk criterium bij het vaststellen van deze tijdlagen is de mate waarin de sporen die de mensen in hun handelen destijds hebben nagelaten nu nog aanwezig zijn. Met deze benadering hebben we onderscheid gemaakt tussen zes tijdlagen: de periode van de hunebedbouwers, de periode van de celtic fields, de periode van de opkomst en de bloei van de esdorpen en het potstalsysteem, de periode van de veenontginningen, de periode van de industrialisatie, heideontginningen, werkverschaffingen en Tweede Wereldoorlog en de nieuwste periode, van wederopbouw en het planningsdenken. In het navolgende zullen deze tijdsperioden worden uitgelegd. Allereerst starten we met het prehistorische landschap dat de basis heeft gevormd voor het menselijk ingrijpen. 6.2Het prehistorische landschap als vertrekpunt De voor Drenthe kenmerkende landvormen als stuwwallen, ruggen, dekzanden, beekdalen en veengebieden met elementen als smeltwaterkommen, gletscherbekkens, pingoruïnes, puinwaaiers en rivierduinen zijn ontstaan vanaf de voorlaatste ijstijd (het Saalien). In die voorlaatste ijstijd bedekt een dikke ijskap Noord-Nederland. Op zijn lange weg uit Scandinavië brengt het landijs allerlei materialen mee zoals rotsblokken, grind, zand en klei. Zo ontstaat het Drentse keileemplateau en enkele keileemruggen, waarvan de Hondsrug de bekendste is. Daarnaast stuwt het honderden meters dikke ijs de grond als een bulldozer op. Hierdoor ontstaan verschillende stuwwallen zoals de Havelterberg en de rug van Zuidwolde. Als het aan het eind van deze ijstijd warmer wordt, slijt het smeltende ijs (beek)dalen in het landschap. Tijdens de laatste ijstijd (het Weichselien) heerst er een toendraklimaat. In heel Drenthe wordt dekzand afgezet. Als tijdens het Holoceen (vanaf 10.000 jaar geleden) de temperatuur opnieuw stijgt worden in de lagergelegen delen van Drenthe de omstandigheden vochtiger. Hierdoor verloopt de afbraak van natuurlijk plantenmateriaal trager dan de ophoping, zodat veenvorming optreedt. Drenthe kan in die tijd worden getypeerd als een provincie met enkele hoge, droge ruggen zoals de Hondsrug, de Rolderrug, de Zuidwolderrug en de Havelterberg. Daartussen ligt het Drents plateau als een zandige vlakte. De lage delen van Drenthe rondom het Drents plateau, aan de randen van de huidige provincie, zijn grote onbegaanbare veenvlakten. Dit landschap vormt de uitgangssituatie, voordat de eerste moderne mensen Drenthe bevolken. In eerste instantie zijn het rendierjagers, maar later leven de mensen een bestaan als jager-verzamelaar. De jagers-verzamelaars hebben hun leefwijze aangepast aan de mogelijkheden van het natuurlijke landschap. De jacht en de voedselverzameling vereiste een zwervend bestaan in de hogere delen van Drenthe. Volgens deskundigen kan de omvang van de jagersbevolking in Drenthe op geen enkel moment meer dan enkele honderden personen omvat hebben. Hun invloed op het natuurlijk landschap moet dan ook zeer beperkt zijn geweest. 6.3Periode 1: Graven in het verleden (3400 v. Chr. – 1900 v. Chr.) De eerste zichtbare sporen die de mens in Drenthe heeft achtergelaten, zijn de hunebedden. Het zijn de collectieve grafkelders van de oudste boerenbevolking in deze provincie. Ze zijn gebouwd met grote veldkeien die in de voorlaatste ijstijd vanuit Scandinavië door het landijs waren meegevoerd. Op de Hondsrug flankeren de hunebedden, met grafheuvels van latere periodes, een belangrijke prehistorische noord-zuidroute. 6.3.1De eerste boeren De hunebedbouwers - we spreken ook wel van Trechterbekercultuur op grond van een voor deze cultuur kenmerkende aardewerkvorm - kunnen worden beschouwd als de eerste ‘echte’ boeren in Drenthe en staan aan de basis van veel latere ontwikkelingen in de provincie. De voorouders van de hunebedbouwers houden ook al wel wat vee en verbouwen zelfs graan, maar de jacht staat nog centraal en ze verblijven maar kortstondig op dezelfde plek. Omstreeks 3400 v. Chr. vindt er een omslag plaats in het denken van deze mensen en ze schakelen in korte tijd over op een boerenbestaan. Nieuwe ideeën worden overgenomen uit Noordwest-Duitsland. Ook is niet uitgesloten dat kolonisten uit Scandinavië zich in Drenthe vestigen en er een nieuwe levenswijze introduceren, waarin de bouw van grote stenen grafkelders centraal staat. Ze kiezen dan ook allereerst de plekken uit waar de grote stenen voorhanden zijn om er hun monumentale graven mee op te richten. Dat verklaart ook waarom de Hondsrug een favoriete vestigingsplek is bij de hunebedbouwers. Hiermee wordt feitelijk de basis gelegd voor de latere ontwikkelingen in Drenthe, want veel esdorpen zijn voortgekomen uit de keuzes voor woonplekken die destijds zijn gemaakt. Tegenwoordig zien we alleen het geraamte van de grafkelders. Oorspronkelijk zijn de ruimtes tussen de grote stenen gedicht geweest met kleinere stenen en heeft het geheel ingebed in een aarden heuvel gelegen. De toegang bestaat veelal uit een opening halverwege de lange zijde aan de zuidkant. De hunebedden zijn gebruikt als collectieve grafkelders en kunnen beschouwd worden als een soort knekelhuizen waar generaties lang een deel van de plaatselijke boerenbevolking een laatste rustplaats heeft gevonden. Voorts vinden er rond de grafkelders allerlei rituele handelingen plaats. 6.3.2Ruimtelijke structuur Hoewel het hunebed wel een centrale plaats inneemt in het bestaan van de mensen van de Trechterbekercultuur, ligt het niet altijd in het zicht van de nederzetting. Dat komt omdat die nog vaak over enige afstand wordt verplaatst als de akkergronden uitgeput raken en op een andere plek nieuwe akkers in gebruik worden genomen. Wel zijn de hunebedden vaak opgericht op plekken die in het oog springen, in het bijzonder langs wegen die ook dan al Drenthe doorkruisen. We moeten daarbij denken aan eenvoudige voetpaden en wellicht een enkel karrenspoor, want de mensen van de Trechterbekercultuur kennen al wel het wiel. In ruimtelijk opzicht kunnen de hunebedden gezien worden als symbool om de claim op een bepaald gebied mee tot uitdrukking te brengen. Naar schatting zijn er in Drenthe ongeveer 80 opgericht, waarvan er nu nog 52 over zijn. Van een twintigtal verdwenen hunebedden is de plaats nog bekend. De nederzettingen uit die tijd bestaan waarschijnlijk uit enkele behuizingen met in de nabijheid kleine akkertjes waar gewassen worden verbouwd. In de uitgestrekte bossen die de nederzettingen omsloten, wordt het vee geweid. De beekdalen dienen niet alleen als grens van de verschillende territoria maar nemen ook een belangrijke plaats in het rituele leven van de hunebedbouwers. Op deze en andere laaggelegen, natte plekken worden offers aan de goden gebracht, vooral in de vorm van grote vuurstenen bijlen die uit Scandinavië worden ‘geïmporteerd’. In latere tijden zijn veel van de stenen van de hunebedden weggehaald, vanwege hun bruikbaarheid, bijvoorbeeld voor de fundering en bouw van kerken. De nazaten van de trechterbekerbevolking borduren voort op de levenswijze en de tradities van hun voorouders, en ook op hun dodenrituelen. Vanaf omstreeks 2800 v. Chr. ontstaat de gewoonte om grafheuvels op te werpen van zand en plaggen. Deze heuvels worden naderhand vaak weer gebruikt voor volgende begravingen, waarna een dergelijke heuvel wat wordt opgehoogd en uitgebreid. Ook de hunebedden worden op deze manier gebruikt, waardoor ze in veel gevallen geheel onder het zand verdwijnen. De traditie van het opwerpen van grafheuvels (groot en klein) blijft in Drenthe tot omstreeks het begin van onze jaartelling in gebruik. Tegenwoordig laten onder andere het Balloërveld en de Strubben/Kniphorstbos zien hoe in vroegere tijden groepen grafheuvels het landschap van de dichtstbewoonde gebieden markeerden. Een deel van de grafheuvels is ook weer opgeworpen langs bestaande routes, waardoor er snoeren van grafmonumenten ontstaan. De noordzuid-verbinding over de Hondsrug is hiervan een goed voorbeeld, met verdichtingen ter hoogte van de verschillende territoria. Onder invloed van de mens verandert het landschap gaandeweg. De bossen worden geleidelijk teruggedrongen door het gebruik als akkerland en beweiding, terwijl grasachtige vegetaties plaats maken voor heidevelden. Het is een eerste teken van overexploitatie van de Drentse zandgronden. De lagere gronden worden steeds minder toegankelijk door vernatting onder invloed van de stijging van de zeespiegel en verdwijnen langzaam maar zeker onder een pakket veen. 6.4Periode 2: Akkers in zicht (1200 v. Chr. – 200 n. Chr.) Deze periode laat als eerste zichtbare structuren zien van de landbouw van die tijd: de celtic fields. Dit zijn min of meer aaneengesloten systemen van veldjes van ca. 40x40 meter, die omzoomd zijn door lage wallen. De akkertjes zijn afwisselend als bouwland, braakliggend land of als huisplaats in gebruik, en zijn vooral te vinden op de oostflank van de Hondsrug en aan de randen van de beekdalen op het Drents plateau. Veel celtic fields zijn in latere tijd geëgaliseerd en verdwenen, maar een groot aantal complexen is vanaf luchtfoto’s nog goed te herkennen. Voor een geoefend oog zijn ze vanaf de grond nog te herkennen op plekken waar de contouren in het landschap bewaard zijn gebleven. 6.4.1Groei en migratie Vanaf het moment dat de eerste ontginningen in Drenthe in gang worden gezet en er aanspraak wordt gemaakt op een bepaald gebied, blijven de verschillende boerengemeenschappen min of meer in dezelfde omgeving wonen. Daarnaast zijn er aanwijzingen dat de bevolking in de loop van de Bronstijd (1900-800 v. Chr.) toeneemt. Uiteraard moeten die monden allemaal worden gevoed. Waarschijnlijk heeft dit ertoe geleid dat men in de eindfase van de Bronstijd overgaat op een meer systematische indeling en bewerking van de gronden: de aaneenschakeling van akkertjes, die uitgroeien tot celtic fields. In de periode die volgt, de IJzertijd (800 v. Chr.- 0), kan men ook de zwaardere, meer leemhoudende gronden in gebruik nemen, onder andere door de verbetering van het gereedschap en de introductie van de eerste versie van de keerploeg. Dat is ook wel nodig, want de zandgronden die eeuwenlang bewerkt zijn met het eergetouw (een soort eenpuntige ploeg), raken meer en meer uitgeput. Toch hebben veel celtic fields in Drenthe waarschijnlijk niet het (eind)stadium bereikt van een aaneengesloten systeem van veldjes en wallen. Dat houdt onder meer verband met het feit dat veel mensen er in de loop van de IJzertijd de zandgronden verruilen voor een bestaan elders, voornamelijk het Noord-Nederlandse kustgebied, waar vanaf de 6de eeuw v. Chr. de inmiddels drooggevallen kwelders vruchtbare kleigronden vormen. Het hoogtepunt van deze exodus ligt in de 3de-4de eeuw v. Chr. Door de keuzes van de boeren van de Trechterbekercultuur is er namelijk vooral op de Hondsrug een aaneenschakeling van territoria ontstaan, waarvan de omvang uiteindelijk te gering is om de toenemende bevolkingsaantallen te kunnen herbergen en de problemen in de landbouw het hoofd te kunnen bieden. Dit leidt ertoe dat veel territoria worden verlaten, waarna de achterblijvers deze gebieden annexeren. Hiermee wordt de basis gelegd voor de latere dorpsgebieden (marken). 6.4.2Ruimtelijke structuur De celtic fields zijn vooral te vinden op de oostflanken van de Hondsrug en aan de randen van de beekdalen, op de overgang van vochtige naar drogere terreinen. In de celtic fields is het akkerland opgedeeld in vierkante en rechthoekige perceeltjes, met zijden van 20 tot 40 meter. In de loop der tijd groeien deze akkercomplexen op veel plaatsen uit tot aaneengesloten systemen van percelen die omgeven zijn door lage wallen. Waarschijnlijk zijn die wallen ontstaan doordat allerlei overtollig afval van de perceeltjes (na een periode van braakligging) langs de randen wordt gedeponeerd en in de loop der tijd uitgroeien tot wallen. De veldjes worden gebruikt voor verschillende doeleinden. Behalve voor de teelt van gewassen wordt er ook het vee op geweid, terwijl ze tevens als huisplaats dienen. Boerderijen zijn er al wel, maar hebben nog geen lange levensduur, en worden na hun verval op een ander perceel, en soms aan de rand van het akkerland, opnieuw gebouwd op een plek die op dat moment gunstig ligt voor de bedrijfsvoering. De grootte van zo’n celtic field varieert nogal (van enkele tot vele tientallen hectaren). De omvang van de plaatselijke bevolking, de bodemgesteldheid ter plekke en de gebruiksduur zullen van invloed zijn geweest op de ontwikkeling van elk afzonderlijk celtic field. Goede voorbeelden van verlaten bewoningsterritoria vormen het Balloërveld en het Sleenerzand. Deze gebieden waren zelfs al vóór de Trechterbekertijd bewoond, en bevatten vele sporen, zowel ondergronds als bovengronds, vanaf die periode tot (ver) in de IJzertijd. Vervolgens zijn ze verlaten, en ook later zijn er geen nederzettingen meer gevestigd. Hier zijn voor een geoefend oog de wallen en veldjes te herkennen van een uitgestrekt celtic field. Op veel plaatsen in Drenthe zijn deze prehistorische akkercomplexen bij de verschillende ontginningen verloren gegaan. In een aantal gevallen tekenen zich de sporen van de wallen nog af op luchtfoto’s, aan de hand waarvan niet alleen de ligging van veel celtic fields kan worden vastgelegd, maar ook de omvang en de verschillende structuurelementen. Het is geen toeval dat in de omgeving van de (meeste) esdorpen aanwijzingen zijn gevonden voor een celtic field. Het lijkt erop dat de celtic fields steeds dichter bij de latere vaste plek van het historische esdorp komen te liggen, en daarmee kunnen de bewoners ervan beschouwd worden als de voorouders van de huidige bevolking van de esdorpen. De territoria van deze nederzettingen komen dus al heel vroeg min of meer overeen met de marken waarbinnen esdorpen zich later formeel organiseren. 6.5Periode 3: Alles voor de mest (700 n. Chr. – 1850) Over een langere periode vormen zich op het Drents plateau de esdorpen, eerst nog van plaats veranderend, en vanaf de 9de eeuw op vaste plekken. Een kenmerkend systeem ontwikkelt zich met vaste elementen: het dorp, de essen, de beekdalgronden en de heidevelden. Deze landschapselementen functioneren en ontwikkelen zich eeuwenlang in onderlinge samenhang. De randveenontginningen met hun typerende strokenverkaveling en lintvormige nederzettingen ontstaan vaak vanuit de esdorpen die op de grens van het Drents plateau liggen. 6.5.1Naar één vaste plek Rond het begin van onze jaartelling liggen de dorpsterritoria/gebieden op het Drents plateau al min of meer vast, en wordt de bebouwing daarbinnen nog regelmatig verplaatst. In die vroege periode kunnen boerderij en bouwland per generatie van plaats wisselen, binnen de celtic field complexen. Vervolgens ontwikkelen zich min of meer vaste nederzettingen, groepen van boerderijen, die pas na enkele eeuwen verplaatst worden naar een plek in de directe omgeving. Vanaf ongeveer 900 n. Chr. vinden deze dorpen hun definitieve plaats en ontwikkelt zich het esdorpensysteem/landschap zoals wij dat kennen, als een basismodel waarbinnen alle veranderingen tot aan plusminus 1850 ingepast worden. De dorpsterritoria worden geformaliseerd in de marken, waarmee de grenzen worden bepaald, en waarbinnen afspraken over persoonlijke eigendommen en gemeenschapsgronden worden vastgelegd. Zo vormt zich een systeem waarin men in onderlinge afhankelijkheid en samenwerking woont en werkt. Daar komen vervolgens ook indelingen in kerkelijk gezag en rechtspraak bij, waardoor sommige dorpen zich sterker ontwikkelen, bijvoorbeeld als kerkdorp of als plaats voor de rechtspraak. Je zou kunnen stellen dat in het esdorpensysteem de mest centraal komt te staan: om voldoende voedsel te kunnen produceren (voor de eigen bevolking en later voor de handel) en het bouwland langere periode vruchtbaar te houden, wordt mest van het eigen vee ingezet. Hierop wordt dorp en omgeving ingericht: de boerderijen dienen als verzamelplaats van de mest, waar het vee ‘s nachts in verblijft. De uitgang is gericht naar de brink die (behalve als houtleverancier) fungeert als dagelijkse verzamelplaats, waarna het vee naar het grasrijke, lagergelegen beekdal wordt gevoerd. De schapen krijgen vooral vanaf de 17de eeuw een belangrijke rol en zij grazen op de heidevelden, die te schraal en te uitgestrekt zijn om in cultuur gebracht te worden. Van de heide worden tevens plaggen gestoken voor de vermenging met de stalmest. Daarmee worden de essen, waarop de gewassen worden verbouwd, verrijkt en krijgen ze in de loop van de eeuwen hun typerende lichte bolling. Zo worden alle elementen van het landschap dat hier voorhanden is, gebruikt en langzaam gevormd ten behoeve van de mens. De randveenontginningen vormen meer een bewuste omvorming van het land: De ontginningen liggen langs de randen van het Drents plateau. De oudste randveenontginningen zijn grofweg vanaf de 10de eeuw vanaf de beekdalen ontwikkeld. Meestal komt het initiatief vanuit de esdorpen, maar de ontginningen worden ook wel geïnitieerd vanuit kloosters. De werkwijze is dat het veen strooksgewijs wordt verdeeld en ontgonnen. Het veen wordt ontwaterd door het graven van sloten en vervolgens kan het in gebruik genomen worden, hetzij direct voor landbouw, hetzij eerst voor turfwinning, en daarna voor landbouw. De boerderijen staan in sommige gevallen op smalle zandruggen in het veen, bij afwateringskanalen of op door de ontginning opgehoogde dijken. Van hieruit wordt het land bewerkt, en zo ontstaan dorpslinten. Door afgraving en oxidatie van het veen met als gevolg wateroverlast, wordt dit langzamerhand moeilijker te bewerken, waarna de bewoningsas weer verplaatst wordt, dieper het veen in. Dit is op verschillende plaatsen in Drenthe gebeurd, zoals bij de dorpen Roderwolde, Wapserveen en Ruinerwold. Bij een ontginning die vanuit een esdorp ontstaat, wordt de markegrens als buitengrens aangehouden. Dat is aan de zuid-oostrand van het Drents plateau bij de grootschalige 19e-eeuwse Veenkoloniën goed te zien waar de naamgeving van de nieuwe dorpen die langs kanalen en wegen ontstaan de directe relatie weerspiegelt, doordat aan de naam van het moederdorp het woord “veen” wordt toegevoegd: Gieten krijgt Gieterveen, etc. 6.5.2Ruimtelijke structuur Esdorpen Elk deel van een dorpslandschap heeft, op werkbare afstand, zijn eigen functie, waarbij gebruik gemaakt is van de ondergrond en de hoogte: de hoger gelegen delen, de essen, vormen het bouwland, het lagere en vochtiger beekdal functioneert als hooiland en voor de beweiding van het vee. Op de overgang van hoog naar laag ligt doorgaans het dorp met zijn boerenerven en brink(en). Elk deel heeft zijn karakteristieke structuur en beplanting: de perceelindeling van de es, en beplanting van de esranden; de percelering en houtwallen die het beekdal insteken (als veekering) en in de dorpen de informele groepering en afwisseling van boerderijen en groene open ruimtes, waaronder de brink. De wegenstructuur volgt de informele indeling, ook door de groene overgang van weg naar erf. Vanuit het dorp zijn vaak meerdere doorzichten, zowel naar de essen als naar het beekdal. In de dorpen en hun directe omgeving liggen ondergronds, maar soms ook bovengronds, in de meeste gevallen de sporen van de (verre) voorgangers van het dorp. Die variëren van huisplaatsen en celtic fields tot grafmonumenten en sporen van jachtkampjes in de beekdalen. De sporen bevatten belangrijke informatie over de ontstaansgeschiedenis van elk dorp. De verbindingen tussen de dorpen gaan ook vaak ver terug in de tijd, zeker de hoofdroutes, zoals die over de Hondsrug. Deze route en bijvoorbeeld ook de route van Coevorden via Rolde naar Groningen worden in de loop der eeuwen verhard en vormen tot heden doorgaande wegen. De N34 is een speciaal voorbeeld: het tracé volgt grotendeels dat van de belangrijkste noord-zuid route in de prehistorie. Nog steeds zijn de esdorpen in Drenthe duidelijk herkenbaar, waardoor ook de onderlinge variatie in vorm, ontstaansgeschiedenis en grootte tussen dorpen en tussen gebieden zichtbaar blijft. Een dorp als Rolde weerspiegelt bijvoorbeeld de groei als gevolg van de positie als kerkdorp en de centrale ligging langs een aantal hoofdroutes; in de beekdalen van de Drentsche Aa, en de Mars- en Westerstroom is de kleinschaligheid kenmerkend. Randveenontginningen De dorpen van de randveenontginningen hebben een kenmerkende langgerekte vorm, waarbij de bebouwing zich aaneenrijgt langs één, vaak licht slingerende as. Hiervandaan steken de smalle zeer lange kavels aan weerszijden het land in. Meerdere dorpen tonen in de verkaveling van het omliggende landschap nog steeds restanten van de vele verschuivingen die ooit plaatsvonden en bestaan in hun huidige vorm nog steeds uit twee of meerdere bewoningsassen. Zo heeft Ruinerwold twee bewoningsassen, waarbij de oude as eenzijdig bebouwd is, en de jongere as vooral eind 19de eeuw tot ontwikkeling komt langs de oude leidijk, met grote boerderijen die de bloeiperiode van die tijd weerspiegelen. Wapserveen is meerdere keren verplaatst, maar resulteerde in één bebouwingslint met eenzijdige bebouwing. Roderwolde heeft meerdere restanten van verschillende fasen van bewoningsassen. Het gebied rond Nijeveen en Kolderveen is een voorbeeld waarbij de oude as bleef bestaan en de jongere assen de toevoeging “Bovenboer” kregen. Tot ongeveer 1850 bepaalt de natuurlijke mest grotendeels hoeveel land er in cultuur gebracht kan worden. De heidevelden zijn gedeeltelijk functioneel voor de schapen en plaggen, maar grote complexen grond blijven ‘woest’ doordat ze te omvangrijk en schraal zijn voor de heersende landbouwtechniek. Daaraan zou na 1850 een einde komen. Vooral de uitvinding van de kunstmest zal een transformatie van het organische landbouwsysteem van de esdorpen brengen, waarbij vooral structuur en aanzien van de woeste gronden zullen veranderen. De ruimtelijke samenhang tussen dorp, beekdal en veld onderling zal op veel plaatsen wel zichtbaar blijven, maar de oude functionele samenhang vanuit de mestcyclus verdwijnt. 6.6Periode 4: Brandstof voor een grote transformatie (1600 – 1940) De grote veengebieden in Drenthe worden in een periode van drie eeuwen afgegraven en in cultuur gebracht middels grootschalige projecten die het ontoegankelijke, drassige landschap transformeren tot open gebieden, doorsneden door rechte lijnen. Water is het cruciale element bij de verveningen, zowel voor de afwatering van de veengrond, als voor het transport. Kanalen en wijken bepalen de hoofdstructuur van de veenontginningen, en daarmee ook die van de ontstane lintvormige nederzettingen. 6.6.1Brandstof voor de steden Vanaf de 16de eeuw groeien de steden in de Nederlanden sterk. Met de bevolkingsgroei en de economische ontwikkeling gaat een grote behoefte aan brandstof gepaard: de turfwinning wordt vanaf de 17de eeuw dan ook steeds grootschaliger aangepakt. Vervening wordt een activiteit om in te investeren, en met het zoeken naar nieuw te ontginnen gebieden komt Drenthe in beeld. Kooplieden uit Holland kopen grote veencomplexen, die zij laten afgraven door compagnieën. De turfwinning gaat tot diep in de 20ste eeuw door, waarbij vrijwel al het veen ‘aan snee’ komt. De afgegraven gronden worden ingericht voor landbouw. Deze grote projecten markeren de overgang naar een landschap dat niet alleen beheerst, maar geheel vormgegeven wordt door de mens. En daarmee wordt dit deel van Drenthe definitief ontgonnen, bevolkt en in verbinding gebracht met de rest van Drenthe en Nederland. De veengebieden De grote veenpakketten in Drenthe bevinden zich rond Smilde, rond Hoogeveen, in Noordoost-Drenthe vanuit de grens met Groningen en onder Emmen. De laatste twee maken deel uit van het grote Bourtanger Moor dat zich uitstrekt tot diep in Duitsland. Deze gebieden worden vanuit verschillende impulsen aangepakt en door de grote kanalen verbonden met de landelijke routes naar de afnemers. De Smilder venen worden vanaf 1617 ontgonnen, met Hoogersmilde als eerste nederzetting. De turf wordt afgevoerd langs Meppel, via de Oude Vaart en vanaf 1750 de Smilder Vaart. Een grotere impuls komt echter vanaf 1763, als De Landschap Drenthe (het inmiddels gevormde provinciale Drentse bestuur) de Drentse Hoofdvaart aanlegt. Die loopt van Meppel tot in Assen
(1780)en vormt de transportas en de ontginningsbasis van de venen, die in eigendom zijn van De Landschap. Tussen Assen en Hoogersmilde ontwikkelt zich een langgerekt lint van nederzettingen, van ruim 17 kilometer. De Echtense venen, rondom Hoogeveen, komen na 1626 tot ontwikkeling. De Compagnie van 5000 Morgen, opgericht op initiatief van jonkheer Roelof van Echten, financiert de aanleg van de Hoogeveense Vaart, die het veengebied vanaf Hoogeveen verbindt met Meppel. Hoogeveen ontwikkelt zich snel, en blijf in de 17de en 18de eeuw de belangrijkste turfproducent in Drenthe. Noordoost-Drenthe, het veengebied ten oosten van de Hondsrug, wordt vooral vanuit het Groningse Stadskanaal ontgonnen, waarbij het Convenant in 1817 tussen Drenthe en de stad Groningen over het gebruik van het Stadskanaal tot een versnelling leidt. Vanaf dit kanaal wordt een aantal “Monden” het veen ingegraven, die als hoofdkanaal dienen voor afwatering van het gebied en afvoer van de turf. Hierlangs ontstaan ook de lintvormige nederzettingen. Het gebied rond Emmen is het laatste veengebied dat in exploitatie genomen wordt. Het wordt bereikbaar door de verlenging van de Hoogeveense Vaart tot in dit gebied, vanaf 1851. Hier is de vervening doorgegaan tot diep in de 20ste eeuw. Door de ontwikkelingen van die tijd, de gestegen energiebehoefte en de mechanisatie vanaf eind 19de eeuw is dit gebied nog grootschaliger aangepakt. Na de Tweede Wereldoorlog loopt het economisch gewin af, en wordt de vervening afgebouwd. Een klein restant hoogveen blijft achter, nu het Bargerveen genoemd. 6.6.2Ruimtelijke structuur Het systeem van de systematische grootschalige veenontginningen in Drenthe is in principe overal gelijk: vanaf een hoofdkanaal worden in loodrechte hoek wijken (afwateringssloten) het veen ingegraven, op regelmatige afstand van elkaar. Langs een kanaal ontstaat de nederzetting: eerst de –vaak tijdelijke– onderkomens van de veenarbeiders, en na de afgraving de boerderijen, van waaruit de achterliggende dalgronden in cultuur worden gebracht. Zo ontstaan lintvormige nederzettingen, met op de kruispunten van (water en-) wegen verdichtingen met dorpsvoorzieningen. Als ruimtelijk systeem vertonen de gebieden (ook nu nog) behalve de structuurovereenkomsten, accentverschillen in invulling. In noordoost Drenthe is een sterk en hiërarchisch beeld gecreëerd, representatief voor de ‘Groningse’ methode: de evenwijdige monden met hun lintvormige nederzettingen; en binnen die dorpen een ritmiek door de regelmatige plaatsing van bebouwing, beplanting en bruggen en sluizen. Rondom Emmen is een grootschaliger landschap ontstaan, met minder eenduidigheid in vorm en structuur. Dit komt mede door de uitgroei van dorpen tot relatief grote woonkernen en de industriële ontwikkeling. De Smilder venen worden door de Drentse Hoofdvaart verbonden die als sterk beeldmerk, met zijn vele sluizen en bruggen, een verbindende en herkenbare structuur vormt. Hoogeveen heeft zich van ontginningskern tot stad sterk ontwikkeld. In het gebied rond de stad zijn de vele ontginningsblokken nog herkenbaar. Deze periode van economische bloei trok grote groepen nieuwe bewoners aan en bracht een groei van de steden teweeg. Ook de komst van het spoor aan het einde van de 19e eeuw zorgde voor een impuls aan de bereikbaarheid van deze industriële kernen. Er brak vanaf 1900 tot de crisis rond 1930 (Interbellumperiode) dan ook een periode van welvaart aan, die zich uitte in de bouw van planmatig aangelegde villabuurten – vaak in de buurt van het treinstation – en nieuwe arbeidersbuurten. Als gevolg van de Woningwet
(1901)werden er eisen aan goede huisvesting van arbeiders gesteld. Deze nieuwe woningen moesten de vaak slechte leefomstandigheden van arbeiders een stuk verbeteren. Dit soort buurten werden dan ook vaak door de fabrieken zelf of door de eerste woningbouwverenigingen ontwikkeld. Water blijft tot de Tweede Wereldoorlog het transportmiddel bij uitstek. Daarna wordt het fijnmazige systeem van kanalen en wijken steeds meer als hinderlijk ervaren door de opkomst van het gemotoriseerd verkeer en de vervuiling van veel kanalen. Ondanks de demping van veel waterwegen zal de rechtlijnige hiërarchische lijnenstructuur op veel plaatsen wel bewaard en herkenbaar blijven. 6.7Periode 5: Werk scheppen uit woeste grond (1800 – 1970) De ontginningen van de ‘woeste gronden’ van het esdorpenlandschap hebben het beeld van een groot deel van Drenthe sterk veranderd. Over de uitgestrekte onbewoonde gronden wordt een vertakt wegenstelsel aangelegd, waarlangs ontginningsboerderijen nieuwe, open lintbebouwing vormen. De gronden zelf zijn op rationele basis, in rechte vlakken verkaveld. Maar minstens zo ingrijpend zijn de bosbouwprojecten die de open vlaktes tot besloten gebieden transformeren en die zich sterk aftekenen tegen de horizon. 6.7.1Kunstmest als motor Terwijl elders de veenontginningen grote gebieden systematisch transformeren, fungeert het esdorpensysteem nog lange tijd door. De heidegronden, in de 18e en 19e eeuw van belang voor de plaggenbemesting, zijn door de ontwikkeling van andere manieren van bodemverbetering, steeds minder essentieel voor het esdorpensysteem. Het collectieve eigendom van deze gronden in de marke zou ontginning ervan in de weg staan. De eerste aanzet tot de transformatie naar een grootschalig Drents agrarisch landschap begint dan ook met de verdeling van de gemeenschappelijke heidegronden in de 19e eeuw. In het begin gaat dit moeizaam, maar uiteindelijk – mede door de intrede van de Wet ter Bevordering van het ontginnen van woeste gronden in 1809, het Kadaster in 1832 en Markenwet in 1886 – wordt vanaf 1840 een groot deel van de Drentse heide verdeeld en ontgonnen. Vanaf 1900 wordt op verzoek van het provinciaal bestuur van Drenthe gerapporteerd over de mogelijkheden tot ontginningen. Dit wordt gedaan door de Nederlandse Heidemaatschappij (Heidemij), die met 'moderne’ natuurwetenschappelijk kennis ontginningsplannen opstelt en uitvoert om de grond zo productief mogelijk te maken. De introductie van gemotoriseerde landbouwwerktuigen in het begin van de 20ste eeuw maakt dat de ontginning van Drenthe zich in een rap tempo voltrekt: was er in 1900 nog 140.000 ha woeste grond in Drenthe, in 1940 is dat nog 40.000 ha. De Drentse heideontginningen volgen grotendeels de nationale trend tot privatisering, rationalisering en intensivering. De ruimtelijke impact van deze trend is vooral te zien in de zogenoemde institutionele ontginningen. Ontginningsmaatschappijen, waaronder de Heidemij, ontwierpen geheel nieuwe landschappen om het agrarisch landschap zo efficiënt en grootschalig mogelijk in te richten. Toch is er ook een typisch Drentse manier van ontginnen die afwijkt van de institutionele ontginningen. Deze plannen werden uitgevoerd volgens het markeverdelingsplan, zoals dat bij de scheiding van de Marke werd vastgesteld. De uitvoerders van dit type ontginning waren deels de boeren zelf, maar soms namen de ontginningsmaatschappijen (bijv. De Heidemij) deze taak op zich. Zij werkten in een aantal gevallen ook in opdracht van welgestelde particulieren die meerdere percelen in een ontginning gekocht hadden. De ontginningen op basis van de markeverdeling is het meest voorkomend in Drenthe. Tijdens de oorlogsjaren neemt het tempo van de ontginningswerken logischerwijs af. Het is de grootschalige toepassing van de kunstmest vanaf ca. 1950 die de ontginning van de woeste gronden en schaalvergroting van ontginningen in een stroomversnelling brengt. Daarbij wordt in het begin van de 20ste eeuw het wegennet in Drenthe sterk verbeterd en verdicht, en zo wordt de ontsluiting van die te ontginnen gebieden een stuk makkelijker, ook voor ontginning door particulieren. Zo kunnen keuterboeren zelf stukjes grond verwerven. Als gevolg van de Landarbeiderswet
(1918)wordt het ook mogelijk voor landarbeiders om een stuk grond te huren of een lening te krijgen en extra inkomsten te generen door een boerenbedrijfje te starten. Langs de nieuwe wegen liggen vaak clusters met kleine keuterijtjes waardoor zich nieuwe bebouwingslinten vormen. Een gevolg is dat de heidevelden door de intrede van kunstmest hun hoofdfunctie als traditionele mestleveranciers (schapen) verliezen binnen het esdorpensysteem. Zoals gezegd nemen de heideontginningen vanaf het begin van de 20e eeuw een grote vlucht. Tijdens de crisisjaren tussen 1930 - ‘40 wordt dit versneld door de inzet van werkelozen in werkverschaffingsprojecten. Zo worden ze ingezet voor de aanleg van kanalen, bossen en cultuurgrond. Men kan wel zeggen dat de werkverschaffingsprojecten een grote impact hebben gehad op het landschap van Drenthe. De uitvoering van de projecten ligt bij de particuliere ontginningsmaatschappijen en hiervoor worden speciale werkkampen voor de huisvesting van arbeiders aangelegd. De financiering hiervan wordt in de meeste gevallen door de staat en provincie gedaan. Koloniën van Weldadigheid Een groot project waar al ver vóór 1890 grote stukken woeste grond systematisch worden ontgonnen, zijn de Koloniën van de Maatschappij van Weldadigheid als zijnde binnenlandse landbouwkoloniën voor armoedebestrijding. Initiatiefnemer is generaal Johannes van den Bosch, directeur van de Maatschappij van Weldadigheid, die ziet dat de economische crisis in Nederland grote groepen mensen doet verpauperen. Vooral in de grote steden. De basis van zijn idee is de combinatie van onderwijs, tewerkstelling en ontginning: door mensen een bestaan te bieden in de landbouw en ze daarbij te begeleiden en op te leiden. Op deze manier kunnen zij zich los maken van de – vaak structurele – armoede. Zo krijgen duizenden armen uit de steden hier een onderkomen en werk: in een koloniewoning met een stukje grond of in een zogenaamd ‘gesticht’. De opbrengst van deze zogenaamde landbouwkolonies moet de exploitatie van de Maatschappij ondersteunen. Hiertoe worden in Drenthe twee gebieden aangekocht: bij Vledder landgoed Westerbeeksloot, dat uitgroeit tot het complex van Frederiksoord, Wilhelminaoord en (in Overijssel) Willemsoord, en noordelijker Veenhuizen. De eerste is een zogenaamde vrije kolonie, de tweede een onvrije kolonie, voor opgepakte wezen, landlopers en kleine criminelen. Beiden hebben vanuit dat verschil een eigen ontwikkeling doorlopen: Veenhuizen is in 1859 overgenomen door de overheid en vanaf 1875 door Justitie verder ingericht als penitentiair centrum, met diverse gevangenissen, werkplaatsen en personeelswoningen. Het is tot diep in de 20ste eeuw een afgesloten en vrijwel autarkisch gebied geweest. Frederiksoord-Wilhelminaoord is altijd grotendeels in handen van de Maatschappij van Weldadigheid gebleven met een sterk ruimtelijk en economisch stempel op de landbouw en de dorpse samenleving. De Koloniën van Weldadigheid weerspiegelen het gedachtengoed van de maakbaarheid van de mens, het zogenaamde ’Verlichtingsdenken’. Mensen zouden zich los kunnen maken van de armoede door een combinatie van onderwijs en nuttig werk. Deze maakbaarheid gold ook voor het landschap: het onvruchtbare veen- en heidelandschap zou met hard werk kunnen worden omgezet in productieve landbouwgrond. De Koloniën van Weldadigheid zijn als sociaal experiment uitzonderlijk en internationaal trendsettend in het bestrijden van armoede met werk en opleiding. De speciaal hiervoor ontgonnen landschappen met hiërarchische ordening van gebouwtypologieën zijn wereldwijd uniek en sinds 2021 aangemerkt als UNESCO Werelderfgoed. Recreëren en investeren in de natuur van Drenthe Tegelijk met de 19de-eeuwse ontwikkeling naar een maakbaar landschap, komt ook het beeld op van Drenthe als arcadisch landschap, een oord voor rust en recreatie. Bossen en restanten van heidevelden worden o.a. in gebruik genomen voor herstellingsoorden (bv. Dennenoord in Zuidlaren) en vakantieverblijven en het toerisme begint zich te ontwikkelen. Ook als vestigingsplek voor het leger komt de natuur van Drenthe in beeld: kazernes worden gebouwd in Assen en Zuidlaren, waarbij de grote heide- en bosgebieden worden ingezet als oefenterrein. Drenthe is niet alleen verbonden met de rest van Nederland, maar ook in beeld als gebied met een eigen karakter en functie in nationaal verband. Een ontwikkeling die zich in de 19e en 20e eeuw parallel aan de heideontginningen voltrekt is de private bebossing in opdracht van welgestelde families als investering in houtproductie. Dit type bebossing wordt veelal op stuifzandgebiedjes aangelegd. Welbekende families zoals Tonckens en Penlick lenen hun naam aan zorgvuldig vormgegeven bossen. In sommige gevallen worden er in of bij de productiebossen grote landhuizen (19e eeuw) of kleinere vakantiewoningen (20e eeuw) aangelegd en dient het geheel als een toevluchtsoord in de zomer. Dergelijke families ontvluchten de geïndustrialiseerde stad in de zomer en trekken naar het rustige, groene Drenthe. De rationalisering en schaalvergroting in de landbouw zet in de loop van de 20ste eeuw verder door. Terwijl er nog steeds woeste grond in cultuur gebracht wordt, starten de eerste ruilverkavelingen, al dan niet voortbouwend op de eerdere landschapsstructuren van de jonge heideontginningen. Als reactie op het veranderende landschap groeit in deze periode ook de aandacht voor het faciliteren van recreatie en toerisme. Organisaties op het gebied van recreatie, als ook natuur- en landschapsbescherming in Nederland beginnen zich te organiseren. Zowel de overgebleven heidevelden als de nieuwe bossen zullen daarin centraal komen te staan. Tweede wereldoorlog Als de Tweede Wereldoorlog aanbreekt worden de Drentse werkverschaffingskampen door de Duitse bezetter ingezet als werk- en strafkampen voor de door nationaalsocialisten ongewenst aangemerkte groepen. Een zwarte bladzijde in de Drentse en Nederlandse geschiedenis is die van het Kamp Westerbork. In 1939 wordt kamp Westerbork in opdracht van de Nederlandse overheid gebouwd als centraal opvangkamp voor joodse vluchtelingen uit Duitsland. De joodse vluchtelingen worden ingezet voor de afbouw van het kamp en bosbouwprojecten in de omgeving. Als Nederland wordt bezet, transformeert het kamp onder Duits bewind tot een doorgangskamp waarvandaan op systematische wijze joden, zigeuners, homoseksuelen en verzetsmensen naar concentratie- en vernietigingskampen in Oost-Europa worden gevoerd. Naast de bestaande werkverschaffingskampen en doorgangskampen waaronder Westerbork is er nog een derde groep kampen in Drenthe, namelijk de NAD-kampen. Vanaf 1941 zijn door de Duitsers nieuwe kampen aangelegd voor de Nederlandse Arbeidsdienst (NAD), een soort dienstplicht. Jonge mannen en vrouwen verrichten in deze kampen arbeid zoals het ontginnen van woeste grond, het oogsten van gewassen. Daarnaast krijgen zij vormingslessen in de nationaalsocialistische idealen. Een groot deel van de kampen, waaronder doorgangskamp Westerbork, zijn na de oorlog nog voor diverse andere doeleinden gebruikt. Zo is doorgangskamp Westerbork na de oorlog ingezet als Woonoord Schattenberg voor de opvang van Molukkers. Sommige kampen worden echter al tijdens de Tweede Wereldoorlog ontmanteld. Ten behoeve van de oorlogsvoering worden door de Duitsers bestaande vliegvelden als Eelde versterkt, bij Peest en Havelte nieuwe vliegvelden aangelegd en in gebruik genomen en schijnvliegvelden ingericht bij Donderen en Noordscheveld. Daarnaast is aan het einde van de oorlog dwars door de provincie Drenthe de Frieslandriegel aangelegd, een verdedigingslinie om de geallieerde aanval af te slaan. De aanleg wordt verricht door verplichte tewerkstelling uit onder meer de werkkampen. Naarmate de oorlog voortduurt komt ook het verzet meer op. Zo ontstaan in de provincie meerdere onderduikersholen. Hierbij wordt handig gebruikgemaakt van de bossen die de nodige beschutting geven. 6.7.2Ruimtelijke structuur Heideontginningen Hoewel de samenhangende traditionele elementen van het esdorpenlandschap nog altijd in veel gebieden zichtbaar is gebleven, zijn daarbij en daarbinnen de heideontginningen herkenbaar. Kenmerkend aan zowel de kleinschalige particuliere ontginningen als de grotere projecten zijn de rechte kavelgrenzen in het buitengebied en de 20ste-eeuwse wegen waarlangs open linten zijn gevormd met verschillende typen ontginningsboerderijen haaks op de weg. Grotere institutionele ontginningsprojecten zoals Witteveen en Zeijerveld zijn systematischer ingericht, met een eenheid in kavelgrootte, een rechtlijnige wegen- en lanenstructuur en onder bijzondere en experimentele architectuur ontworpen modelboerderijen en arbeiderswoningen. Zo zijn de boerderijen van het Zeijerveld geïnspireerd door de Amsterdamse School, de boerderijen in Wapserveen door de Friese boerderij en beschikt Witteveen over een geheel eigen boerderijtype. Met de institutionele ontginningen is een nieuw landschap ontstaan waarin de nieuwe bebouwing en de ontgonnen gronden in samenhang zijn ontworpen. Deze modelontginningen zijn experimenteel en dienen als voorbeeld. Daarmee zijn zij in veel gevallen uniek van karakter. Ook komen institutionele ontginningen voor die de markeverdelingsstructuur gedeeltelijk aanhouden. Toch is de mate van rationaliteit van institutionele ontginningen duidelijk hoger dan bij de ontginningen op basis van de markeverdelingsstructuur. Zo komt het behoud van fijnere verkavelingsstructuren, zoals raaiverkavelingen, vrijwel niet voor. Het merendeel van de ontginningen in Drenthe gebeurt echter op basis van de markeverdeling. De begrenzing van de verkavelde Marke is in veel ontginningsstructuren nu nog terug te zien. Wat typerend is voor de heideontginningen in Drenthe is dat de grenzen van bestaande particuliere gronden – beekdalen en essen – op rechtlijnige wijze werden afgerond. Voorheen waren dit rafelige, onregelmatige grenzen. Als het om natte gronden ging, werden er slootjes aangelegd wat resulteerde in blokvormige kavels. Ontginningen gebeurden ook vanuit de werkverschaffingskampen en NAD-kampen. Deze kampen zijn herkenbaar aan hun vaak typische plattegrond van barakken in enkele of dubbele V-opstelling die afwijkt van gangbare bebouwing. Hoewel tegen het einde van de oorlog of in de jaren daarna vaak ontmanteld, zijn de kampen nog herkenbaar in het landschap, onder andere vanwege de bakstenen funderingen, schoorstenen, open plekken in bosrijk gebied, aangelegde padenpatronen en de aanwezigheid van blusvijver(s). Ook andere elementen en structuren herinneren aan de Tweede Wereldoorlog. Zo is de Frieslandriegel, lopende van de kop van Drenthe tot Meppel, in natuurgebieden of achtergelegen buitengebied nog zichtbaar. De verdedigingslinie wordt gevormd door bestaande waterlopen zoals de Drentsche Hoofdvaat en het Noord-Willemskanaal en op strategische punten aangelegde versterkingen van bunkers, stelsels van loopgraven, antitankgrachten en schutterstellingen en mortierputten. Daarnaast zijn in ontginningsbossen door middel van hoogteverschillen of kuilen nog sporen van onderduikersholen aanwezig. Bossen Bosaanleg verandert grote delen van Drenthe van een open naar een besloten landschap, waarbij de bossen scherp afsteken tegen hun omgeving. Verschillende bostypen zijn te onderscheiden, met elk hun eigen karakteristiek. De Staatsbossen, in eigendom van Staatsbosbeheer, beslaan grote gebieden. Staatsbosbeheer maakt gedetailleerde plannen voor de bebossing, bijvoorbeeld op basis van het type bodembewerking. De bossen worden beplant met een mix van naald- en loofsoorten. Deze bossen concentreren zich grotendeels op de Hondsrug en liggen verspreid over het Drents Plateau. Veelal zijn de ontgonnen gronden rijk in leem. Dit maakt afwateringsstructuren noodzakelijk. De afgewaterde veentjes zijn in veel gevallen nog zichtbaar in de bossen. In de Staatsbossen is vaak een duidelijk herkenbare paden- en wegenstructuur aanwezig. Een combinatie van een sterrenpatroon en grid-achtige patronen wordt consequent toegepast in de bossen en vormgegeven op basis van landschappelijke en recreatieve overwegingen. De stuifzandbebossing, ook grotendeels uitgevoerd door Staatsbosbeheer, kent een minder duidelijk ontwerpmotief. Ruimtelijk zijn nog twee andere bebossingstypen te onderscheiden: gemeentelijke bebossing en private bebossing. Gemeentelijke bossen worden aangeschaft op initiatief van de gemeenteraad en liggen vaak dicht bij het dorp en/of de es om stuifzand tegen te gaan. Private bossen liggen versnipperd door de provincie en zijn om verschillende redenen aangeplant. Dit zijn zowel rationeel vormgegeven bossen als bossen aangelegd in de context van een buitenplaats, waarbinnen sierlijke padenstructuren zijn aangelegd. Ondanks de vele (typen) boscomplexen die aan het landschap toegevoegd worden blijft de ruimtelijke relatie van de esdorpen met de omliggende gronden van de es, het beekdal en het veld in veel gevallen herkenbaar. Koloniën van Weldadigheid De twee Drentse Koloniën van Weldadigheid, Veenhuizen en Frederiksoord-Wilhelminaoord, tonen de systematische werkwijze van de Maatschappij van Weldadigheid. Steeds is een groot gebied ingedeeld met vaste maten van wegen, sloten en kavels, waarlangs ook de bebouwing een vaste, sterk structurerende plek heeft. Beplanting langs lanen en belangrijke gebouwen versterken de hiërarchie in de ordening en creëren duidelijke zichtlijnen. Het onderscheid tussen de vrije en onvrije Kolonie is vanaf het begin van aanleg zichtbaar. In de vrije Kolonie van Frederiksoord-Wilhelminaoord staan individuele koloniehoeves op eigen kavels. De hoeves staan met een vaste maatvoering langs de hoofdassen, wat resulteert in een fijnmazig bebouwingspatroon. Karakteristiek voor Frederiksoord-Wilhelminaoord zijn de koloniewoningen met achterliggende landbouwpercelen die op ritmische wijze geordend zijn langs de rechte parallelle wegen of lanen. Nabij kruisingen en in de centrale delen van de Kolonie bevinden zich de gebouwen voor verschillende gemeenschappelijke voorzieningen. Veenhuizen daarentegen is ingericht vanuit een drietal grote, carrévormige gestichtsgebouwen en is hiermee ruimer opgezet met de hoofdontginningsas langs de hoofdvaart (Kolonievaart). De gestichten zijn langs de wijken gesitueerd ten behoeve van toe- en afvoer van mensen en materiaal. De grote, carrévormige gestichten werden omringd door forse boerderijen. Het landschap van Veenhuizen is opgebouwd met een vast maatsysteem van 750, 375 en 25 meter. Het onderscheid tussen beide Koloniën is met de ontwikkelingen vanaf 1860 verder versterkt: in Frederiksoord/Wilhelminaoord is een schaalvergroting in de landbouw doorgevoerd met een aantal grotere hoeves, scholen en met vakken bosbouw binnen het bestaande grid. Het gebied van Veenhuizen is na de overname door de Rijksoverheid in het bestaande grid verdicht met nieuwe gestichten, werkplaatsen en dienstwoningen, veelal in de herkenbare bouwstijl van de rijksbouwmeester W.C. Metzelaar. Vanaf 1918 zijn de gestichten in Veenhuizen voornamelijk in gebruik als gevangenissen. Het is een vrijwel autarkische gemeenschap gelegen in een tot in details doorgevoerd hiërarchisch landschap: een systeem van armoedebestrijding en penitentiaire instellingen. Langs de randen is de grens met het cultuurlandschap van de Koloniën vaak wel rafeliger, veelal een overgang naar een beekdal, veengebied of anderszins minder geschikte grond. Met name ten zuiden van Veenhuizen zijn nog veel sporen van de ontginningswerkzaamheden te zien in het hoogveengebied van het Fochteloërveen: boekweitteelt, rabattenbossen en ontginningsboerderijen. Aan het eind van de 20ste eeuw worden de productiebossen aan het landschap toegevoegd ten zuiden van de Kolonievaart. De bossen vormen nu de (rafelige) grens tussen het kolonielandschap en de woeste gronden van het veen. 6.8Periode 6: Een nieuwe blik op Drenthe (1945 – heden) De naoorlogse periode brengt in heel Drenthe snel op elkaar volgende veranderingen in gedachtegoed teweeg die de landschappelijke en stedelijke structuren meer dan ooit beïnvloeden. Wonen en bedrijvigheid concentreren zich in grote planmatige uitbreidingen rond steden en daartoe aangewezen grotere dorpen. In het buitengebied worden de moderne landbouw, natuurontwikkeling en recreatie bepalend voor de ruimtelijke inrichting. Het buitengebied kenmerkt zich door enerzijds de rechtgetrokken beken, gedempte kanalen en grootschalige landbouwbedrijven, en anderzijds door de heidevelden, hermeandering van beken en bossen met recreatieparken. Het netwerk van wegen en fiets- en wandelpaden verdicht zich. 6.8.1Schaalvergroting In de Tweede Wereldoorlog heeft de bouw stilgelegen. Door gebrek aan bouwmateriaal, vakmensen en geld is het na de oorlog een uitdaging om de economie weer op gang te krijgen. Ook is er veel verwoest, waaronder vele boerderijen. Door de grote vraag om voedsel is het dan ook eerst zaak de landbouw weer in de benen te krijgen. Zowel in het Drentse landschap als in de Drentse steden en dorpen gaat de wederopbouw gepaard met schaalvergroting en rationalisatie. Van planningsdenken naar medezeggenschap De naoorlogse opbouw en inrichting van Nederland wordt gedomineerd door planningsdenken. Daarbij wordt Nederland vanuit de centrale overheid als een geheel benaderd. Via rijksnota’s worden groei en toedeling van functies gepland voor de verschillende regio’s. Provincies krijgen een belangrijke rol in de doorvertaling van de rijksdoelen. In Drenthe krijgt de Provinciale Planologische Dienst (PPD) in deze periode een belangrijke rol in de uitbreiding van dorpen en steden. Tijdens de wederopbouwperiode ligt de ruimtelijke regie met name bij het Rijk. Als deze periode officieel eindigt in 1965 met het opheffen van de Wederopbouwwet, treedt de Wet op de Ruimtelijke Ordening in werking. Hiermee krijgen de Provincie en gemeenten meer ruimtelijke instrumenten in handen om hun ruimtelijke ordening te organiseren. In de jaren zeventig ontstaat, door de grote maatschappelijke veranderingen, ook meer ruimte voor de stem van de bewoners: van centraal aangestuurd planningsdenken naar meer medezeggenschap en inspraak van burgers. Dorpsbewoners maken zich onder andere sterk voor meer maatwerk in uitbreidingsplannen en behoud van de Drentse identiteit in de planvorming. Omdat er in de voorgaande periode vooral is geïnvesteerd in nieuwe woonwijken raken de dorps- en stadskernen in deze periode hun aantrekkelijkheid kwijt door leegstand en verloedering van panden. In 1984 wordt de Wet op de Stads- en Dorpsvernieuwing ingesteld om verder verval tegen te gaan en te investeren in de kernen. Nieuwe instrumentaria voor plannenmakers zijn het Structuurplan, het bestemmingsplan en uitvoerings- en stadsvernieuwingsplannen. In dat kader publiceert het provinciale bestuur o.a. een cultuurhistorische kartering van het Drentse landschap “Op weg met het verleden”
(1987). Dit om bij het ruimtelijk provinciaal beleid rekening te kunnen houden met de verschillende landschapstypologieën en cultuurhistorische identiteit van Drenthe. Gemeenten en landinrichtingsinstellingen konden hier gebruik van maken, evenals voor de ontwikkeling van toerisme en recreatie. Verstedelijking en veranderende dorpsidentiteit Door de herwonnen vrijheid en mede door het uitstel van huwelijken tijdens de oorlogsjaren, vindt na de bevrijding een geboortegolf plaats en ontstaat er woningnood. In hoog tempo moeten nieuwe woningen worden gebouwd. Hoogeveen, Emmen, Meppel en Assen worden tijdens de wederopbouwperiode door het Rijk aangewezen als groeikernen voor industrie en bedrijvigheid, en er worden nieuwe uitbreidingswijken aangelegd op basis van de wijkgedachte. Als gevolg van de verzuilde maatschappij krijgt elke gemeenschap eigen scholen en kerken. Voortschrijdende onderwijsinzichten leiden tot interessante schoolontwerpen, ook in Drenthe. Elke nieuwe wijk krijgt eigen voorzieningen. Op deze manier ontwikkelen de groeikernen zich tot streekkernen met regionale voorzieningen. De planmatige functionele stedenbouw van de vroege naoorlogse periode blijkt zeer geschikt voor het op grote schaal bouwen van nieuwe wijken en gemeenschappen. Dit principe gaat uiteindelijk tegen zich keren als de menselijke maat enigszins verloren gaat. In de jaren zeventig wordt dan ook gezocht naar andere manieren om gebouwen en wijken te ordenen. Dit principe leidt tot een veelheid van kleine buurtjes in een meer organisch ontwikkelde wijktype dat inmiddels de naam ‘bloemkoolwijk’ heeft gekregen. De aandacht voor het inpassen van bestaand en nieuwe landschappelijk groen keert terug in de planvorming. De dorpen verburgerlijken doordat boerenbedrijven als gevolg van de schaalvergroting in de landbouw worden uitgeplaatst en de boerderijen ín het dorp hun agrarische functie verliezen en steeds vaker een woonbestemming krijgen. Het concentreren van voorzieningen in de stedelijke uitbreidingswijken en het uitplaatsen van agrarische bedrijven naar het buitengebied leidt begin jaren ’70 tot sociale en economische verwaarlozing van de stedelijke kernen en dorpen. De verpaupering levert in toenemende mate protest op, maar de door de overheid aangedragen oplossingen ook. Grootschaligheid, hoogbouw en de eentonigheid van rijtjeshuizen roepen steeds meer weerstand op en de menselijke maat moet weer centraal komen te staan. Hierna vindt herwaardering van de binnenstad en dorpskernen plaats als plek om te wonen, werken en winkelen. Krotopruiming en sloop geven ruimte voor deze vernieuwing. Om de ziel van de oudere kernen niet te verliezen worden er ook veel woonwijken gerenoveerd en wordt leegstaand vastgoed herbestemd. De openbare ruimte krijgt ook een vernieuwingsslag waarbij plekken voor ontmoeting worden gemaakt en de auto steeds meer wordt teruggedrongen ten gunste van de bewoners of winkelend publiek. In de stadskernen vindt de demping van singels, stadsgrachten en havens plaats. Wederopbouw en ruilverkaveling op het platteland Na de oorlog wordt de landbouw in de benen geholpen, o.a. door de bouw van moderne wederopbouwboerderijen. In deze boerderijen worden de nieuwste inzichten van boerderijbouw verwerkt, zoals het gebruik van beton als bouwmateriaal, verbeterde ventilatie in de schuren en een ruime, zogenoemde hygiënische woning voor het gezin. Om recht te doen aan de streekeigen architectuur wordt samengewerkt met lokale architecten. In Drenthe zijn dit o.a. de architecten J. Boelens (rondom Assen), A. Hidding (rondom Beilen) en R. ter Stege (rondom Hoogeveen). De rationele aanpak van de landbouw zet in de jaren ‘60 en ’70 sterk door. Mechanisatie draagt bij aan de schaalvergroting en leidt tot grotere bedrijven en machines die andere eisen stellen aan de bedrijfsgebouwen en de inrichting van het landschap. Dit komt tot uiting in de grote ruilverkavelingprojecten. In de veenkoloniën wordt bovendien de uitgebreide waterstructuur steeds meer als negatief ervaren: kanalen en wijken vormen een belemmering voor het toenemende wegverkeer. Ook de vervuiling van de kanalen door de afvoer van de veenkoloniale industrie levert overlast. Meerderen worden gedempt. Als vervolgens de economische ontwikkeling in de jaren zeventig stagneert als gevolg van de oliecrisissen, zowel voor de landbouw als voor de industrie, wordt met een speciale wet de zogenaamde ‘Herinrichting Veenkoloniën’ in de jaren ’80 aangepakt. Recreatie Na de oorlog komt er meer ruimte voor vrijetijdsbesteding, o.a. door de intrede van de vijfdaagse werkweek
(1961). De aantrekkingskracht van Drenthe als recreatiegebied van rust en ruimte groeit. Vakantieparken en campings worden aangelegd, als ook een uitgebreider fietspadennetwerk. In de naoorlogse periode is er veel zand nodig voor de bouw van woningen, het ophogen van grond voor nieuwe wijken en de aanleg en verbreding van wegen zoals de Rijksweg 28 (nu A28). Zand heeft Drenthe genoeg. Er komen dan ook verschillende zandwinningen op gang, zoals bij Emmerschans, Schoonloo en Nije Hemelriek. De afgraving van zand en de gaten die dit achterlaat vullen zich met grondwater. Een paar daarvan ontwikkelen zich vanaf de jaren ’70 tot vakantiepark of recreatieplas. Anderen worden vis- of kanovijvers. Het Park Huttenheugte in Dalen wordt in 1972 geopend. Hierbij worden de bungalows rondom een groot meer gesitueerd. De parken breiden uit en sommige zwembaden krijgen een overkapping en worden omgebouwd tot golfslagbad. Vanaf 1986 wordt de naam Sporthuis Centrum veranderd in Center Parcs. Natuurontwikkeling De natuurontwikkeling- en bescherming neemt vooral vanaf de eind 60’er jaren een vlucht als reactie op de rationele aanpak van de (aanstaande) ruilverkavelingen. Er bestaat een zorg over de inpassing van de karakteristieken van het traditionele Drentse landschap. Vervolgens wordt ook in de ruilverkavelingen een balans gezocht waarin zowel de landbouw als natuur en recreatie kunnen functioneren. In de laatste periode van de ruilverkavelingen komen de grootschalige natuurontwikkelingsprojecten op gang. Deze richten zich vooral op de beekdalen en de heidevelden. Hermeandering van beken en uitbreiding van heidegebieden vinden plaats onder leiding van organisaties als Het Drentse Landschap en Natuurmonumenten. Ook Staatsbosbeheer richt zich op natuurbehoud, in combinatie met het versterken van de recreatieve functie van onder andere de boswachterijen. De aanleg van complexen met vakantiehuisjes concentreert zich vooral in en rond de bossen, en het netwerk van wandel- en fietsroutes verdicht zich. Koude Oorlog De naoorlogse periode wordt vanuit militair oogpunt sterk beïnvloed door de Koude Oorlog. In de periode van 1945 tot 1991 leiden ideologische verschillen en de oplopende spanningen tussen enerzijds de Sovjet-Unie en China en anderzijds Amerika en West-Europa tot een (nucleaire) wapenwedloop, een dreiging van een Derde Wereldoorlog en het gebruik van de atoombom. De val van de Berlijnse muur in 1989 en de opheffing van de Sovjet-Unie in 1991 worden gezien als het einde van de Koude Oorlog. De oorlogsdreiging resulteert onder meer in de bouw van een netwerk van luchtwachttorens, bunkers van de Bescherming Bevolking (BB-bunkers) en wachttorens bij Nederlandse en Amerikaanse legerbasissen in het Drentse landschap. In Drenthe zijn nog twee luchtwachttorens en meerdere schuilkelders en commandobunkers onder gebouwen aanwezig. In o.a. Emmen en Assen zijn BB-bunkers gebouwd. Bij Darp was een Amerikaanse basis voor de opslag van munitie, waarschijnlijk kernkoppen. De wachttoren en de structuur van het complex zijn hiervan nog aanwezig. 6.8.2Ruimtelijke structuur De bebouwing in Drenthe concentreert zich in steden en dorpen, die dan ook veelal sterk in oppervlakte toenemen. De dorpen verburgerlijken steeds meer en de keuterijen krijgen een woonfunctie. Bebouwing in het buitengebied blijft grotendeels voorbehouden aan agrarische bedrijven en recreatieve functies. Het verkeersnetwerk verdicht en krijgt een hiërarchische ordening die aangesloten wordt op de nationale snelwegenstructuur die vanaf de jaren ’50 over Nederland wordt uitgerold. Planmatige uitbreidingen van steden en dorpen Bij de vroeg-naoorlogse stedenbouw is de wijkgedachte de richtlijn. Nieuwe wijken moeten zelfstandig kunnen functioneren onafhankelijk van de stadskern, met een scheiding van functies, een goede menging van doelgroepen om een gezonde gemeenschap op te bouwen en voldoende licht, lucht en ruimte/groen in en om de woningen. Tot in de jaren ’50 wordt de woningbouw overwegend uitgevoerd in een meer traditionele – aan de Delftse School gerelateerde - bouwstijl, mede uit nostalgie voor wat verloren was gegaan en de wens voor streekeigen-architectuur. Bouwen gaat op deze manier echter niet snel genoeg en er ontstaat behoefte aan nieuwe bouwsystemen. Dit leidt tot standaardisatie en de toepassing van prefab-betonelementen waardoor sneller gebouwd kan worden. Zo ontstaan er nieuwe woningtypen, een vermenging van traditioneel en modern bouwen, zogenaamde ‘shake-handsarchitectuur.’ De jaren ’60 staan vooral voor massabouw en een doorontwikkeling van de bouwtechniek waarbij het ontwerp van de woningblokken efficiënter (door materiaal schaarste), rationeler (systeembouw) en forser (hoogbouw) wordt. Ook in de esdorpen wordt gebroken met de organische groei: de uitbreidingen zijn weliswaar kleiner, maar wel planmatig. Daarbij wordt in sommige gevallen wel degelijk aansluiting gezocht met de oude structuur, door bijvoorbeeld bebouwing te schikken rondom nieuwe brinkvormige ruimtes. In de oude kernen van de dorpen zorgen nieuwe woon- en middenstandsfuncties voor verdichting en verlies van agrarische functies van de boerderijen. Waar verdichting op sommige plekken gebeurde met oog voor de oude structuur, ging dit in andere gevallen ten koste van de open, groene ruimtes in de dorpen. In de veengebieden wordt, voornamelijk rond Emmen en Hoogeveen, de structuur van de lintbebouwing veelal doorbroken door kernvorming en uitbreidingen rond kruispunten van wegen en –vaak gedempte- kanalen. Rationalisering en opschaling van het Drentse landschap In dezelfde periode wordt er in het buitengebied voortgeborduurd op de grootschalige projecten van de jonge heideontginning. Er wordt gewerkt naar een verdere optimalisatie van het landbouwareaal door ruilverkavelingen, herinrichtingen en schaalvergroting. In de beginperiode van de ruilverkavelingsperiode worden de dorpen, buurtschappen en bijbehorende essen verkaveld om het kleinschalige esdorpenlandschap om te vormen voor de moderne tijd. Later worden ook de ontgonnen heidevelden en veenontginningen opgenomen in de ruilverkavelingen. In de zestiger jaren worden de beekdalen rechtgetrokken in kanalen en de natte dalen worden ingedeeld als ‘droge’ velden. In een aantal gevallen zijn de historische beeklopen bewaard gebleven, de andere 80% wordt ingericht als grote agrarische veldruimte. Er verschijnen boerderijen in het buitengebied om deze nieuw ingerichte gronden in gebruik te nemen. De ruilverkavelingsboerderij wordt gekenmerkt door haar grootschaligheid en het feit dat de woning van de schuren is losgekoppeld en de verschijningsvorm heeft van een ‘gewone’ burgerwoning. Deze worden veelal langs nieuw aangelegde rationele rechtlijnige wegenstructuren gebouwd. Onder leiding van landschapsarchitect Harry de Vroome worden landschapsplannen ontwikkeld. De ruilverkavelingsperiode wordt vaak gezien als de verwoesting van het kleinschalige, Drentse cultuurlandschap. Toch wordt er met zorg naar het karakter gekeken bij het inpassen van de nieuwe kavels in relatie tot de essen, beekdalen en dorpen. Door nieuwe beplantingselementen toe te voegen op basis van de karakteristieken van het Drentse landschap worden de verschillende landschapselementen meer zichtbaar. Openbare ruimtes binnen het dorp, zoals brinken, worden op systematische wijze beplant waar dat nog niet het geval was. Daarnaast worden kavels die aan het dorp grensden stevig beplant. Deze nieuwe landschapskamers, of zogenoemde ‘dorpshoven’, dienen als ruimtes die voorsorteren op latere uitbreiding van dorpen. Op deze manier worden dorpsuitbreidingen gerealiseerd die de kleinschalige structuur van de esdorpen voortzet. Tevens worden beekdalen omrand met beplanting waardoor deze prominenter in het landschap komen te liggen. In de bovenloop worden soms kleine bosjes aangeplant en in de middenloop worden singels en houtwallen haaks op de beekloop aangebracht. Esranden worden aangevuld met beplanting, espaden worden middels beplanting zichtbaar en veentjes worden vaak gespaard. In de veenkoloniën worden de woonlinten en wegen stevig aangezet met beplanting. Ook wordt de overgang tussen de veenontginningen en het esdorpenlandschap ingepast met flinke bosstroken. Aan beide dorpsranden sluiten de bosstroken anders aan op de verkaveling wat het onderscheid tussen landschapstypen benadrukt. Door het consequente toepassen van dit ontwerpprincipe heeft het Drentse cultuurlandschap een nieuwe, maar nog steeds herkenbare, verschijningsvorm gekregen. Een bekend voorbeeld van dit ontwerpprincipe is de westflank van Vries: een deel van dit gebied is heringericht als overgang tussen dorp en landelijk gebied. De langgerekte brink-achtige ruimte met ‘gestrooide’ eiken zonder ondergroei, geven vrij zicht op de es. Dit is een voorbeeld van een optimale samenwerking tussen de Provinciale Planologische Dienst (bouwmeester Boer), gemeente (gemeentearchitect Wassenaar) en Staatsbosbeheer (De Vroome). In samenhang met het ontwerp van het woonbuurtje ervaren de bewoners het landschap ‘tot aan de deur’. Er zijn ook goede voorbeelden van gemeentelijke uitbreidingsplannen met het Drentse landschap als inspiratie en drager van het stedenbouwkundige plan. Een voorbeeld hiervan is de buurt Noordes in Gieten, naar ontwerp van gemeentearchitect E. Heeg i.s.m. Bureau Oom en Kuipers. DEEL 4 CULTUURHISTORISCHE HOOFDSTRUCTUUR 7CULTUURHISTORISCHE HOOFDSTRUCTUUR 7.1Provinciaal belang vertaald in een hoofdstructuur De cultuurhistorische hoofdstructuur verbindt alle elementen, structuren en gebieden die in hun onderlinge samenhang van provinciaal belang worden geacht. Voor het bepalen welke onderdelen nu daadwerkelijk van provinciaal belang zijn hebben we de volgende criteria als uitgangspunt genomen: De onderlinge, samenhangende relatie van elementen, structuren en gebieden; De bovenlokale betekenis van de elementen, structuren en gebieden; De mate waarin de elementen, structuren en gebieden nu ruimtelijk dominant zijn; De mate waarin zij karakteristiek zijn voor de provincie Drenthe en voor het deelgebied. Bij het opstellen van de cultuurhistorische hoofdstructuur hebben we gezocht naar structuren. Deze structuren bestaan uit een samenhang van verschillende elementen. Bovendien vormen meerdere structuren samen weer gebieden. Deze samenhangende relatie van elementen, structuren en gebieden genereert een meerwaarde. In deze meerwaarde kan het provinciale belang worden gevonden. Door te zoeken naar een samenhangende relatie richten we ons ook op een bovenlokale betekenis van elementen. Alleen dan kunnen we ons provinciaal belang definiëren. Bovendien kiezen we voor ruimtelijk dominante structuren. Dominante structuren bepalen nu voor een belangrijk deel het beeld van Drenthe. Daarmee maken we andere structuren ondergeschikt. Met de hoofdstructuur willen we de eigen identiteit van Drenthe vastleggen. De onderdelen van de hoofdstructuur zullen daarom karakteristiek moeten zijn voor Drenthe. De bovenstaande uitgangspunten voor het opstellen van de hoofdstructuur leiden ertoe dat we selectief moeten zijn in de keuze van cultuurhistorische waarden. Dit betekent ook dat niet alle cultuurhistorie op de kaart staat. Bovendien betekent het ook dat sommige elementen (bijvoorbeeld hunebedden) in bepaalde gebieden wel op de kaart zijn aangegeven vanwege een bovenlokale samenhang, maar op andere plekken niet, juist vanwege het ontbreken van die samenhang. Dit doet echter niets af aan de individuele waarde van de hunebedden. 7.2Toelichting legenda en kaart De hoofdstructuur wordt in woorden uitgelegd en op kaart verbeeld. De kaart is vanuit een provinciaal structuurniveau opgesteld. Daarmee heeft deze hoofdstructuurkaart dus ook een bepaalde mate van abstractie. Dat is terug te zien in de symbolische weergave van de kaart. Waardevolle elementen en structuren zijn vaak als symbolen uitgedrukt. Ze zijn wel op de goede locatie getekend, maar wat betreft maat of vorm zijn ze indicatief. De vormen van de essen zijn op de kaart bijvoorbeeld gestileerd, zodat de essentie van de hoofdstructuur beter kan worden geduid. Op de kaart staan veel fysiek aanwezige structuren, maar ook enkele denkbeeldige structuren zoals markegrenzen, de Frieslandriegel of de Semslinie. Deze structuren zijn niet alleen karakteristiek voor de provincie Drenthe, we zien ze ook ter aanvulling en versterking van de samenhang van andere structuren. We zien dus ook potenties om dergelijke onzichtbare structuren weer herkenbaar te maken ter complementering van de samenhang in een gebied. De legenda van de hoofdstructuurkaart is geordend volgens de tijdslagen zoals benoemd in hoofdstuk 6. Sommige structuren zijn niet toegespitst op één periode, maar horen bij meerdere periodes. Deze zijn daarom bij ‘Overige’ geplaatst, zoals ontginningsassen en kavelgrenzen. Naast structuren en elementen die onderdeel zijn van de cultuurhistorische hoofdstructuur staan er ook een aantal topografische elementen op die tot de ondergrond behoren, zoals woonkernen, spoorlijnen en wegen. 8GEBIEDEN 8.1Indeling Tijdens het opstellen van het cultuurhistorisch kompas in 2009 is Drenthe in tien gebieden verdeeld. Deze verdeling is bij deze actualisatie ook aangehouden. De gebieden zijn begrensd op basis van gemeenschappelijke landschappelijke kenmerken en de ruimtelijk meest dominante tijdsperiode in de geschiedenis van Drenthe. Deze tijdsperiodes zijn hoofdstuk 6 beschreven. Daarnaast is de grootte van de gebieden om pragmatische redenen beperkt gehouden. Uiteindelijk zijn de volgende gebieden begrensd: Kop van Drenthe Drentsche Aa Hondsrug en Hunzedal De Drentse Monden Drentse Hoofdvaart De velden in centraal Drenthe Mars- en Westerstroom De Reest en Meppel Het Hollandscheveld en Hoogeveen Emmen en haar venen In de volgende paragrafen wordt de cultuurhistorische hoofdstructuur per gebied uitgelegd. De gebieden worden hierbij van noord naar zuid doorlopen. Per gebied is de karakteristiek en structuur opgesteld; de essentie van het gebied. Hier wordt puntsgewijs uiteengezet wat de structurerende elementen in het gebied zijn. Onder het kopje ‘achtergrond’ wordt beschreven welke periode in de geschiedenis van Drenthe het meest bepalend is geweest voor de huidige verschijningsvorm van het gebied. Hier wordt dieper ingegaan op de cultuurhistorische waarden in het gebied. Ook wordt stilgestaan bij eerdere en latere tijdsperioden en de sporen die toen zijn achtergelaten. Als laatste worden de ambities en opgaven beschreven voor het gebied en voor de deelgebieden. De deelgebieden zijn tot stand gekomen op basis van een selectie van samenhangende kenmerken van bijzonder provinciaal belang. Hiervoor hebben we gebiedsspecifieke sturing opgesteld. De centrale vraag daarbij is hoe de cultuurhistorie zich in de komende jaren verder moet ontwikkelen, rekening houdend met mogelijke veranderingen. 8.2Gebied 1: Kop van Drenthe – rijk landschap, rijke dorpen 8.2.1Karakteristiek en structuur Het centrale deel wordt gekenmerkt door een van oorsprong middeleeuws esdorpensysteem en door diverse randveenontginningen, gekoppeld aan een beekdalstelsel dat via het Peizerdiep afwatert naar het noorden. De oostelijke rand, met een reeks van landgoederen die zich met name vanaf de 18e eeuw hebben ontwikkeld, is sterk georiënteerd op de stad Groningen. Het hoefijzervormige beekdal van het Groote en Oostervoortsche Diep is open, breed en scherp begrensd. Doordat de esdorpen zich hierlangs bevinden vormt dit deel een sterke eenheid. De noordelijke benedenloop (het Peizerdiep) wordt geflankeerd door de ontginningslinten van het laaggelegen randveen. De ontginningslinten lopen als het ware over in een reeks van verhoogde huisplaatsen en hebben dezelfde ontstaansperiode. Oostelijk ligt een gordel van landgoederen rond Eelde en Paterswolde met een karakteristieke afwisseling in open landbouwgronden en beslotenheid door park- en bosaanleg. Nabij Eelde en Peest werden tijdens de Tweede Wereldoorlog vliegvelden uitgebreid en aangelegd. Nabij Donderen en Noordscheveld werden schijnvliegvelden aangelegd. De structuur van de kop van Drenthe (deelgebied 1A): Licht slingerende linten van de wegdorpen in een coulisselandschap met fijnmazige percelering en houtwallen; met Roderwolde en Sandebuur als bijzonder voorbeeld van een randveenontginning met een verschoven bewoningsas die herkenbaar in het open landschap ligt; Aan weerszijden van het Peizerdiep een reeks van huisplaatsen, deels zichtbaar als lichte verhogingen in het laaggelegen open landschap; Landgoederen bij Eelde en Paterswolde en Havezathe Mensinge bij Roden; Vrijwel aaneengesloten gebied met afwisseling in open landbouwgronden en besloten delen met bos- en parkaanleg; met name Kleibosch (Foxwolde) en Mensingebos (Roden) Centrale ligging van de hoofdhuizen binnen de parkaanleg en sterke relatie tussen huis en omgeving; Vliegveld Eelde bestaande uit complexen in Heimatschützstijl zoals het wachtgebouw met cellen, legeringsgebouwen, bunkers, telefooncentrale en bunker, en hangars. De structuur van het esdorpenlandschap rond Norg (deelgebied 1B): Breed hoefijzervormig beekdal met een open karakter dat benadrukt en scherp begrensd wordt door een rand van opgaande beplanting; Esdorpen met daarbinnen de karakteristieke afwisseling van open en gesloten ruimtes, verspreide bebouwing en doorzichten vanuit het dorp naar essen en het beekdal; Diverse boscomplexen: de stuifzandbossen bij Norg, de jonge (landgoed)bebossing en het Norgerholt als oorspronkelijk middeleeuws gebruiksbos; Diverse karakteristieke esdorpen, waaronder Norg, Langelo, Lieveren en Peest. De institutionele landbouwontginning ‘Het Zeijerveld’ van de Nederlandse Heidemij, indertijd een voorbeeldstellende ontwikkeling van landbouwinnovatie en moderne boerderijbouw. Vliegveld Peest bestaande uit losse en individueel opgetrokken gebouwen waaronder de telefooncentrale, het seingebouw, het pompgebouw, en het generatorgebouw. In het landschap bevinden zich herkenbare sporen zoals de sleuven voor de brandstofopslag en de veenplas Westerveen als blusvijver en de aanleg van beplanting door de bezetter. 8.2.2Achtergrond Plaats in de tijd Dit gebied heeft zijn hoofdstructuur vooral gekregen in de middeleeuwen, toen de esdorpen hun vaste plek kregen en de randveenontginningen ontstonden vanuit smalle zandruggen in het laagveen. De bewoningsgeschiedenis is niet zeer intensief; wel zijn de sporen van de (pre-)historische voorgangers vooral ondergronds naar verwachting aanwezig. Voor de landgoederengordel is de basis in de middeleeuwen gelegd, maar de huidige structuur is vooral gevormd in de 18e en 19e eeuw. In de 20ste eeuw zijn de woeste gronden in het westen van dit gebied ontgonnen. Daarnaast hebben in het hele gebied ruilverkavelingsprojecten plaatsgevonden, waardoor delen van het esdorpenlandschap in de 20ste eeuw heringericht zijn. Esdorpenlandschap De structuur in het zandgebied wordt bepaald door een beekstelsel met de daaraan gekoppelde esdorpen. Westelijk bevindt zich het stelsel van het Groote Diep en het Oostervoortsche Diep, die samenkomen in het Peizerdiep, de benedenloop richting Groningen; oostelijk bevindt zich het Eelderdiep. Vooral de hoefijzervorm die het Groote Diep en het Oostervoortsche Diep samen vormen is een ordenende structuur. Het beekdal is zeer breed en wordt strak begrensd door opgaande beplanting waarmee het zich scherp aftekent in de omgeving. Houtwallen markeren veelal die grens, terwijl het dal zelf open en weids blijft. De esdorpen liggen aan weerszijden en in de nabijheid van het hoefijzervormige beekdal. Opvallend is dat de dorpen die relatief dicht langs de beek liggen kleiner en vaak langwerpig zijn, zich plooiend naar de ruimte die ze hebben. Verder van de beek liggen de grotere dorpen als Norg, Roden, Peize en Vries. Deze dorpen waren oorspronkelijk ook al groter en zijn in de 20ste eeuw bovendien sterk uitgebreid. Binnen de dorpen staan overwegend traditionele hallenhuisboerderijen met hun werkgedeelte (de baander) naar de weg of de brink gericht, de paden lopen naar de es en de hooilanden. De jongere boerderijen staan vaak aan de uitvalswegen met het woongedeelte naar de weg toe geplaatst. Binnen dit systeem zijn de dorpse functies geleidelijk ontwikkeld zoals winkels, scholen en (ambachtelijke) bedrijvigheid. In het gebied rondom Roden en specifiek tussen Roden en Nietap/Leek zijn sporen te vinden van verscheidene landgoederen: van verbindingsassen rondom het voormalige landgoed Terheijl tot landgoed en havezate Mensinge in en rond Roden, met het hoofdgebouw in het dorp en het Sterrenbos ten zuidoosten daarvan. Binnen de structuur van de esdorpen die op veel plaatsen nog aanwezig is, is voor dit gebied de invloed van buitenaf zichtbaar in het gebruik van (Groninger) rode baksteen en in de boerderijtypes. De Groningse invloed stamt uit de middeleeuwen: het klooster van Aduard bezat toen een uithof bij Terheijl waar een tichelwerk (een steenbakkerij) stond die de door monniken gewonnen potklei verwerkte. Ondanks de minder intensieve bewoningsgeschiedenis van dit gebied, zullen zich in en bij de esdorpen zullen vaak sporen van prehistorische voorgangers in de ondergrond bevinden. Zichtbare sporen uit de prehistorie zijn te vinden op het Noordsche veld wat grenst aan het beekdal van het Oostervoortsche Diep. Dit heideveld is bewaard gebleven als onderdeel van het complex van woeste gronden bij Zeijen en Peest en bevat een aantal grafheuvelgroepen en delen van een groot celtic field. Daarnaast is op het Noordsche veld tijdens de Tweede Wereldoorlog een schijnvliegveld aangelegd. Het Norgerholt, ten zuiden van Norg en het Tonckensbos bij Westervelde zijn zeldzame voorbeelden van de oude boscomplexen. Deze maakten van oudsher onderdeel uit van het esdorpensysteem als gebruiksbos. Daarnaast kent dit gebied een aantal jonge landgoedbebossingen uit de vroege 20ste eeuw nabij Roden, Steenbergen en Norg. Deze kunnen gezien worden als een nieuw landschapselement in dit esdorpenlandschap. De meeste van deze bossen bevatten intacte paden- en greppelstructuren. Randveenontginning Roderwolde/Sandebuur De benedenloop van het Peizerdiep stroomt door het noordelijke laagveengebied, waar randveenontginningen het karakter bepalen. Ten westen van het Peizerdiep ligt de randveenontginning Roderwolde: een dorp wat op verschillende momenten in de ontwikkeling van de ontginning mee verschoof richting het zuiden van de bewoningsas. Sandebuur is een restant van zo’n as. De vervening startte vanaf de 10e eeuw vanuit de provinciegrens in zuidelijke richting. De ontginning leidde tot inklinking en wateroverlast waardoor men in de eeuwen daarna genoodzaakt was de bewoningsas meerdere keren zuidwaarts te verleggen tot aan de huidige as van Roderwolde. De kavelstructuren en ontginningsassen zijn op veel plaatsen nog in de percellering te herkennen. Bijzonder in het gebied zijn de voor Drenthe unieke veenterpen met huisplaatsen. Deze lichte verhogingen in het landschap stammen uit de 10e eeuw met uitgevoerde ophogingen tot in de 18e eeuw. Aangenomen mag worden dat elk terpje correspondeert met een verlaten huisplaats. Er stonden volwaardige boerderijen op die vanwege de wateroverlast zijn verlaten. De veenterpen bestaan uit verschillende reeksen aan weerszijden van het Peizerdiep. Richting Foxwolde, Nietap en Leutingewolde, gelegen op de overgang van zand naar veen, gaat dit slagenlandschap over in een coulisselandschap dat wordt geaccentueerd met houtwallen en houtsingels. ‘De Kleibosch’, bij Foxwolde, waar potklei aan het oppervlak komt, herbergt restanten van de middeleeuwse kleiwinning voor het Aduarder klooster: een tichelwerk, een afvoerkanaal en de zogenaamde ‘leemkoelen’ (kleibedden). Het bos is zeldzaam als overblijfsel van de hakhoutbossen van Drenthe. Landgoederengordel Dit gebied heeft van oudsher een strategische ligging voor Groningen door de zandrug die tussen het Eelderdiep en het beekdal van de Drentsche