← Nederland

Bouwverordening Pijnacker-Nootdorp 2007 (Pijnacker-Nootdorp)

In het kort

Deze verordening regelt de bouwactiviteiten in de gemeente Pijnacker-Nootdorp, met specifieke aandacht voor de aanvraag van omgevingsvergunningen voor het bouwen en de voorwaarden waaronder gebouwd mag worden.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

Hoofdstuk 1 inleidende bepalingen Artikel 1.1: begripsomschrijvingen In deze verordening wordt verstaan onder: asbest hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, letter a, van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 bevoegd gezag bestuursorgaan, als bedoeld in de Woningwet, artikel 1, eerste lid, onderdeel e, dan wel, bij het ontbreken van een bestuursorgaan als bedoeld in dit artikellid, burgemeester en wethouders; Bouwbesluit de algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 van de Woningwet; bouwtoezicht degene die ingevolge artikel 92, tweede lid, van de Woningwet in samenhang met artikel 5.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht belast is met het bouw- en woningtoezicht; bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren; deskundig bedrijf als bedoeld in hoofdstuk 8 hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 6 eerste lid, van het Asbestverwijderingsbesluit

  1. gebruiksoppervlakte de gebruiksoppervlakte als bedoeld in het Bouwbesluit hoogte van de weg de hoogte van de weg zoals die door of namens burgemeester en wethouders is vastgesteld; NEN een door de Stichting Nederlands Normalisatie Instituut uitgegeven norm; NVN Omgevingsvergunning voor het bouwen: vergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; Omgevingsvergunning voor het slopen: vergunning voor een sloopactiviteit als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; een door de Stichting Nederlands Normalisatie Instituut uitgegeven voornorm; straatpeil voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; weg alle voor het openbaar rij of ander verkeer openstaande wegen of paden daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen. In deze verordening wordt mede verstaan onder: bouwwerk een gedeelte van een bouwwerk; gebouw een gedeelte van een gebouw. Artikel 1.2: termijnen (vervallen). Artikel 1.3: indeling van het gebied van de gemeente Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van de gemeente: het gebied binnen de bebouwde kom; het gebied buiten de bebouwde kom. Als gebieden, bedoeld in het vorige lid, gelden de gebieden die op de bij deze verordening behorende kaart als zodanig zijn aangegeven. Hoofdstuk 2 de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden Artikel 2.1.1: aanvraag bouwvergunning (vervallen). Artikel 2.1.2: in de aanvraag op te nemen gegevens (vervallen). Artikel 2.1.3: bij de aanvraag in te dienen bescheiden (vervallen). Artikel 2.1.4: gegevens met betrekking tot het coördineren van vergunningaanvragen (vervallen). Artikel 2.1.5: bodemonderzoek Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit: de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740, uitgave 2009, in overeenstemming met het onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur
  2. Bodemonderzoek milieuvergunningen en BSB (SDU, uitgave oktober 1993); de resultaten van het nader onderzoek, verricht volgens het Protocol Nader onderzoek deel 1 (SDU, uitgave 1994) of de Richtlijn Nader Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave 1995), in het geval dat de resultaten van het verkennend onderzoek uitwijzen dat sprake is van bodemverontreiniging en voor de beoordeling van de ernst van deze verontreiniging een nader onderzoek, als bedoeld in het Protocol Nader Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave 1994) of de Richtlijn Nader Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave 1995), onontkoombaar is. Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of -stof, in de bodem of ophooglaag aanwezig is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707, uitgave 2003 en NEN
  3. De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht geldt niet indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II. Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport bedoeld in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht toe, indien voor toepassing van artikel 2.4.1 bij het bevoegd gezag reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn. Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.5, onder d, van de Regeling omgevingsrecht toestaan, indien uit het in NEN 5725, uitgave 2009, bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740, uitgave 2009 niet rechtvaardigen. Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen. Artikel 2.1.6: overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om bouwvergunning (vervallen). Artikel 2.1.7: bouwregistratie (vervallen). Artikel 2.1.8: bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om bouwvergunning woonwagens en standplaatsen (vervallen). Paragraaf 2 Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning Artikel 2.2.1: ontvangst van de aanvraag (vervallen). Artikel 2.2.2: samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening (vervallen). Artikel 2.2.3: bekendmaking van termijnen (vervallen). Artikel 2.2.4: in behandeling nemen en fasering bouwvergunningverlening (vervallen). Artikel 2.2.5: in behandeling nemen en bodemonderzoek (vervallen). Artikel 2.2.6: kennisgeving van rechtswege verleende bouwvergunning (vervallen). Paragraaf 3 Welstandstoetsing (vervallen). Artikel 2.3.1: welstandscriteria (vervallen). Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem Artikel 2.4.1: verbod tot bouwen op verontreinigde bodem Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd voorzover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk: waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven; voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist; en
  4. dat de grond raakt, of waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd. Artikel 2.4.2: voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het bepaalde in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht kan het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen, in het geval zij op grond van het in het Regeling omgevingsrecht bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, van die wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt. Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en bereikbaarheidseisen Artikel 2.5.1: richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de stedenbouwkundige bepalingen (vervallen). Artikel 2.5.2: anti-cumulatiebepaling Terrein dat voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen in aanmerking moet worden genomen mag niet nog eens bij de verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen voor een ander bouwwerk in aanmerking worden genomen. Artikel 2.5.3: bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer. Brandblusvoorzieningen Indien de toegang tot een bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is bestemd, meer dan 10 meter is verwijderd van een openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang en het openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor verhuisauto's, vuilnisauto's, ziekenauto's, brandweerauto's en het overige te verwachten verkeer. Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet, tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een bestemmingsplan of in een verordening of anderszins voorschriften heeft vastgesteld: een breedte hebben van ten minste 4,5 m., over een breedte van ten minste 3,5 m. zijn verhard en een vrije hoogte boven de kruin van de weg hebben van ten minste 4,2 m. Indien de toegang tot een bouwwerk meer dan 40 meter van de openbare weg is gelegen en via een toegangsweg is te bereiken, dient de breedte van deze toegangsweg minimaal 5,5 m. te zijn, tenzij er een tweede onafhankelijke toegangsweg naar dat bouwwerk of een keerlus aanwezig is; zijn verhard op een wijze die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 15.000 kg. en zijn voorzien van de nodige kunstwerken; en op doeltreffende wijze kunnen afwateren. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een bijgebouw voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht geen vergunning is vereist, voor zover dat bijgebouw niet tot bewoning bestemd is, maar wel tot een hoofdgebouw behoort dat op hetzelfde terrein is gelegen. Nabij ieder bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is bestemd, moeten zodanige opstelplaatsen voor brandweerauto's aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding tussen die auto's en de bluswatervoorziening kan worden gelegd. Bij afwezigheid van een toereikende openbare bluswatervoorziening moet worden zorg gedragen voor een doeltreffende niet openbare bluswatervoorziening. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking. Artikel 2.5.3A: brandweeringang (vervallen). Artikel 2.5.4: bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten Tussen de toegang van enerzijds: een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3 van het Bouwbesluit; een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van het Bouwbesluit; en anderzijds de openbare weg moet een mede voor gehandicapten begaanbare weg of begaanbaar pad aanwezig zijn. Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat zij: ten minste 1,10 m. breed moeten zijn; geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m; en ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02 m., tenzij dit plaatsvindt door middel van een hellingbaan die voldoet aan het bepaalde in 2.40 van het Bouwbesluit. Artikel 2.5.5: ligging van de voorgevelrooilijn (vervallen). Artikel 2.5.6: verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn (vervallen). Artikel 2.5.7: toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn (vervallen). Artikel 2.5.8: ontheffing voor overschrijdingen van de voorgevelrooilijn (vervallen). Artikel 2.5.9: bouwen op de weg (vervallen). Artikel 2.5.10: plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken (vervallen). Artikel 2.5.11: ligging van de achtergevelrooilijn (vervallen). Artikel 2.5.12: verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn (vervallen). Artikel 2.5.13: toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn (vervallen). Artikel 2.5.14: ontheffing voor overschrijdingen van de achtergevelrooilijn (vervallen). Artikel 2.5.15: erf bij woningen en woongebouwen Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat ten minste een strook grond omvat die: over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de achtergevel, en voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel dat is begrepen tussen het verlengde van de zijgevels, een diepte heeft van ten minste 5 meter. De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks op de achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts gelegen deel van het gebouw. Daarbij moeten de onderdelen van dat gebouw, bedoeld in artikel 2.5.13, en de balkons en veranda's buiten beschouwing blijven. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in: het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf betreft, indien de gelijkstraats gelegen bouwlaag niet tot bewoning bestemd is; het eerste lid, indien aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: een gunstige, andere indeling van het erf is aanwezig; het gebouw zal zijn gelegen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen, mits dat terrein slechts aan één van die zijden mag worden bebouwd en tevens een erf van redelijke afmetingen tot stand wordt gebracht; bij het vergroten van een gebouw dat niet aan de bepalingen voor te bouwen woningen en woongebouwen van het Bouwbesluit voldoet, wordt de bestaande toestand verbeterd. Artikel 2.5.16: erf bij overige gebouwen Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan als dienstwoning is bestemd, moet een bij het gebouw behorend erf aanwezig zijn ter diepte van ten minste 2 meter achter het verst achterwaarts gelegen deel van het gebouw en over de volle breedte daarvan. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid: indien ligging en bestemming van het gebouw hiervoor geen beletsel vormen; indien, voor zover nodig, afwijking is toegestaan van het verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn. Artikel 2.5.17: ruimte tussen bouwwerken De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte van de zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen dat tussen dat bouwwerk en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing geen tussenruimten ontstaan die: vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven minder dan 1 meter breed zijn; niet toegankelijk zijn. Bebouwing van ondergeschikte aard op het erf of op het aangrenzende erf wordt hierbij buiten beschouwing gelaten. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien voldoende mogelijkheid aanwezig is voor reiniging en onderhoud van de vrij te laten ruimte. Artikel 2.5.18: erf en terreinafscheidingen Erf en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 12, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, zijn niet toegelaten. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid in het belang van het af te scheiden erf of terrein. Artikel 2.5.19: bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtransportleidingen Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen mogen zich geen delen bevinden van andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist dan die welke deel uitmaken van de hoogspanningslijn. Bij het bepalen van deze afstand moet rekening worden gehouden met het uitzwaaien van de draden ten gevolge van de wind. Onder hoogspanningslijn wordt in dit artikel verstaan een lijn met een nominale elektrische spanning van 1000 volt of meer. Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een ondergrondse hoofdtransportleiding mogen geen bouwvergunningplichtige bouwwerken worden gebouwd. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van: het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de afstand van 6 meter, indien de elektrische spanning van de hoogspanningslijn daarvoor geen bezwaar oplevert; het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de afstand van 6 meter, indien daartegen met het oog op de veilige en ongestoorde ligging van de leiding geen bezwaar bestaat. Artikel 2.5.20: toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn (vervallen). Artikel 2.5.21: toege3laten hoogte in de achtergevelrooilijn (vervallen). Artikel 2.5.22: toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een achtergevelrooilijn (vervallen). Artikel 2.5.23: toegelaten hoogte tussen voor en achtergevelrooilijnen (vervallen). Artikel 2.5.24: grootste toegelaten hoogte van bouwwerken (vervallen). Artikel 2.5.25: hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende terreinen (vervallen). Artikel 2.5.26: wijze van meten van de hoogte van bouwwerken (vervallen). Artikel 2.5.27: toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte (vervallen). Artikel 2.5.28: ontheffing voor overschrijdingen van de toegelaten bouwhoogte (vervallen). Artikel 2.5.29: ontheffing voor overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid (vervallen). Artikel 2.5.30: parkeergelegenheid en laad en losmogelijkheden bij of in gebouwen Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer. De in het eerste lid bedoelde voldoende mate van ruimte wordt bepaald met behulp van parkeernormen waarbij het volgende van toepassing is: de parkeernorm is opgenomen in bijlage 13 bij deze verordening; aanleg van meer parkeerplaatsen is toegestaan tot het in bijlage 13 genoemde maximum (max.); voor parkeervoorzieningen op eigen terrein gelden berekeningsaantallen zoals opgenomen in bijlage
  5. De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van auto's moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan: indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste 2,00 m. bij 5,50 m. bij langsparkeerplaatsen en ten minste 2,50 m. bij 5,00 m. bij insteekparkeren bedragen; indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor een gehandicapte -voorzover die ruimte niet in de lengterichting aan een trottoir grenst - ten minste 3,50 m. bij 5,00 m. bedragen. Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste, tweede en het vierde lid: indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit, of voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien. Paragraaf 6 Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en vluchtrouteaanduidingen Artikel 2.6.1: beginsel inzake brandmeldinstallaties (vervallen). Artikel 2.6.2: aanwezigheid van brandmeldinstallaties. (vervallen). Artikel 2.6.3: omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties (vervallen). Artikel 2.6.4: kwaliteit van brandmeldinstallaties (vervallen). Artikel 2.6.5: beginsel inzake ontruimingsalarminstallaties (vervallen). Artikel 2.6.6: aanwezigheid van ontruimingsalarminstallaties (vervallen). Artikel 2.6.7: kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties. (vervallen). Artikel 2.6.8: beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen (vervallen). Artikel 2.6.9: aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen (vervallen). Artikel 2.6.10: kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen (vervallen). Artikel 2.6.11: gelijkwaardigheid (vervallen). Artikel 2.6.12: communicatiesysteem voor publieke hulpverleningsdiensten (vervallen). Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen Artikel 2.7.1: eis tot aansluiting aan de waterleiding De in artikel 3.119 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten aan het distributienet van de openbare waterleiding: indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen; of indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen, maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 50 m. Artikel 2.7.2: eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet De in artikel 2.46 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare distributienet voor elektriciteit: indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het elektriciteitsdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 100 m. Artikel 2.7.3: eis tot aansluiting aan het aardgasnet De in artikel 2.68 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare distributienet voor aardgas: indien het bouwwerk op ten hoogste 40 meter afstand van de dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het aardgasdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 40 m. Niet van toepassing is het bepaalde in dit lid op woningen, waarin voor het kunnen koken een andere energiebron dan gas aanwezig is en voor verwarming geen individuele aansluiting van gastoevoer nodig is. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid: voor woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m² ; voor woningen die niet bestemd zijn om te worden verhuurd; voor woningen met een aansluiting op een gemeenschappelijke of publieke voorziening voor verwarming, als bedoeld in artikel 2.69 van het Bouwbesluit (warmtedistributienet). Artikel 2.7.3A (facultatief): eis tot aansluiting aan de publieke voorziening voor verwarming Indien in een deel van de gemeente een publieke voorziening voor verwarming van bouwwerken, als bedoeld in artikel 2.69 van het Bouwbesluit (warmtedistributienet), aanwezig is, moet een aldaar te bouwen bouwwerk zijn aangesloten op die publieke voorziening: indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de dichtstbijzijnde leiding van die publieke voorziening is gelegen; of indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van de publieke voorziening dan onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 40 m. Artikel 2.7.4: eis tot aansluiting aan de openbare riolering De in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en faecaliën moeten zijn aangesloten aan een openbaar riool. Niet van toepassing is deze eis in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering aanwezig is. Op aanwijzing van het bouwtoezicht wordt bepaald: op welke plaats, op welke hoogte en met welke binnenmiddellijn de voor het maken van de aansluiting noodzakelijke leiding of leidingen de gevel van het gebouw dan wel de grens van het erf of terrein moet of moeten kruisen; of er al dan niet voorzieningen in die aansluitleiding moeten worden tussengeschakeld ter voorkoming van het terugvloeien van afvalwater en faecaliën, ingeval de leiding te laag gelegen is om op natuurlijke wijze op het openbaar riool te lozen. Het bevoegd gezag krachtens de Wet milieubeheer bepaalt of er al dan niet voorzieningen in de bedoelde aansluitleiding moeten worden tussengeschakeld ter verzekering van de goede werking of de goede staat van het openbaar riool, dan wel ter voorkoming van hinder voor andere aangeslotenen aan het openbaar riool, ingeval de hoeveelheid of de aard van de af te voeren stoffen daartoe aanleiding geeft. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien afvoer op een andere wijze zonder verontreiniging van water, bodem of lucht mogelijk is: voor bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van een openbaar riool zijn gelegen; voor agrarische bedrijven. Artikel 2.7.5: aansluiting anders dan aan de openbare riolering Indien de in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en faecaliën niet aan een openbaar riool worden aangesloten, gelden de volgende bepalingen: leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten met waterspoeling, moeten lozen op een rottingput met overstort; leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten zonder waterspoeling, moeten lozen op een mestkelder of een beerput zonder overstort, een gierput of een rottingput met overstort; leidingen voor de afvoer van afvalwater zonder faecaliën, alsmede overstorten van rottingputten moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging van water, bodem of lucht kan optreden; leidingen voor de afvoer van afvalwater zonder faecaliën mogen niet lozen op een rottingput. De in artikel 3.41 van het Bouwbesluit bedoelde, aan of in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van hemelwater moeten: zodanig lozen dat geen verontreiniging van water, bodem en lucht kan optreden en zijn aangesloten aan een in de grond aangebrachte opvang- en bezinkingsvoorziening van voldoende capaciteit, welke voorziening in verband met de grootte van de te ontwateren oppervlakken en de bodemgesteldheid ter plaatse moet zijn gelegen op voldoende afstand van de perceelgrenzen en de bebouwing op het perceel. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking: van het bepaalde in het eerste lid, indien de afvoer op andere wijze zonder verontreiniging van water, bodem en lucht mogelijk is; van het bepaalde in het tweede lid, indien de bodemgesteldheid en de grondwaterafvoer ter plaatse, dan wel de omvang van het perceel de infiltratie van hemelwater niet toelaten en bovendien de afvoervoorziening voor hemelwater niet wordt aangesloten aan een rottingput. Artikel 2.7.6: kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen Ondergrondse doorvoeringen van leidingen door uitwendige scheidingsconstructies van bouwwerken moeten zoveel mogelijk haaks plaatsvinden. De doorvoeringen moeten waterdicht zijn aangewerkt. De aansluiting van de in het eerste lid bedoelde leidingen aan leidingen van de buitenriolering moet zodanig zijn dat de dichtheid van de aansluiting gehandhaafd blijft bij enige zetting van het bouwwerk of de buitenriolering. In leidingen, gelegen tussen de gevel van een gebouw en de aansluiting aan een openbaar riool, mogen geen beerputten of rottingputten voorkomen. Leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen mogen geen vernauwingen in de stroomrichting bevatten en moeten een vloeiend beloop hebben, alsmede een voldoende lucht en waterdichtheid en een voldoende binnenwerkse middellijn. Aan beide laatstgenoemde eisen wordt geacht te zijn voldaan, indien wordt voldaan aan het bepaalde in NEN 3215, uitgave
  6. Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, moet een leiding voor de afvoer van afvalwater, faecaliën en hemelwater ter plaatse waar zij de grens van de weg kruist, een binnenwerkse middellijn hebben van ten minste 125 mm. Het materiaal, de sterkte en de vorm van buizen en hulpstukken van leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen moeten doeltreffend zijn. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan, indien wordt voldaan aan het bepaalde in de NEN-normen die zijn opgenomen in bijlage
  7. Artikel 2.7.7: wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net van de nutsvoorzieningen De in de artikelen 2.7.1, 2.7.2, 2.7.3 en 2.7.4 bedoelde afstand moet worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt. Hierbij moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd. Hoofdstuk 3 de melding Artikel 3.1: de wijze van melden (vervallen). Artikel 3.2: welstandscriteria (vervallen). Hoofdstuk 4 plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming van een bouwwerk Artikel 4.1: intrekking bouwvergunning bij niet tijdige start of tussentijdse staking van bouwwerkzaamheden (vervallen). Artikel 4.2: op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden Op het bouwterrein moeten, voor zover van toepassing op het bouwwerk, aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden gegeven: de omgevingsvergunning voor het bouwen; andere toestemmingen; het bouwveiligheidsplan als bedoeld in het Besluit indieningsvereisten; een besluit ingevolge artikel 13, 13a en 14, tweede lid, sub b, van de Woningwet, dan wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom. Artikel 4.3: wijzigingen in gegevens bouwregistratie (vervallen). Artikel 4.4: het uitzetten van de bouw Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend mag onverminderd het in de voorwaarden van een omgevingsvergunning voor het bouwen bepaalde niet worden begonnen alvorens door of namens het bevoegd gezag voor zover nodig: het straatpeil is aangegeven; de rooilijnen en/of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet. Artikel 4.5: kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden Het bouwtoezicht dient voor zover het betreft bouwwerken waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend en onverminderd het bepaalde in de voorwaarden van een omgevingsvergunning voor het bouwen ten minste twee dagen voor de aanvang van elk der hierna te noemen onderdelen van het bouwproces in kennis te worden gesteld: de aanvang der werkzaamheden, ontgravingswerkzaamheden daaronder begrepen; de aanvang van het inbrengen van de funderingspalen, het slaan van proefpalen daaronder begrepen; de aanvang van de grondverbeteringswerkzaamheden. Het bouwtoezicht dient ten minste één dag van tevoren in kennis te worden gesteld van het storten van beton. De in het eerste en tweede lid bedoelde kennisgevingen moeten, indien het bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden. Artikel 4.6: opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen Zolang de bouwwerkzaamheden niet zijn voltooid moeten alle opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoeken worden verricht, welke het bouwtoezicht in het kader van de controle op de naleving van deze verordening en van het Bouwbesluit nodig acht. Artikel 4.7: bemalen van bouwputten Bij het bemalen van bouwputten, leidingsleuven en andere tijdelijke ontgravingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden mag niet op een zodanige wijze water aan de bodem worden onttrokken, dat een verlaging van de grondwaterstand in de omgeving plaatsvindt, waardoor funderingen van naburige bouwwerken kunnen worden aangetast op een wijze die de veiligheid van die bouwwerken schaadt. Artikel 4.8: veiligheid op het bouwterrein Het bouwen en het verrichten van alles wat daarmee in verband staat, moet geschieden op veilige wijze, onder meer zodanig dat de nodige veiligheidsmaatregelen zijn genomen ten behoeve van de weg en de in de weg gelegen werken en de weggebruikers en ten behoeve van naburige bouwwerken, open erven en terreinen en hun gebruikers. Op een terrein, waarop een bouw of grondwerk wordt uitgevoerd moeten, wanneer er niet wordt gewerkt rustpauzen tijdens de dagelijkse werktijd niet inbegrepen : de tijdelijke elektrische installaties ten behoeve van de uitvoering van het bouw en grondwerk, in hun geheel op zodanige wijze zijn uitgeschakeld, dat het weer in gebruik stellen van de installaties door anderen dan daartoe bevoegde personen niet zonder meer mogelijk is; machines en werktuigen worden achtergelaten in een zodanige toestand, dat deze dan wel mechanismen daarvan, niet zonder meer door anderen dan de daartoe bevoegde personen in werking kunnen worden gesteld; Het tweede lid is niet van toepassing op de voeding van een elektrische verlichtingsinstallatie of van één of meer elektrisch aangedreven bemalingspompen, indien de omstandigheden vereisen dat de voeding niet wordt onderbroken en de veiligheid voldoende is gewaarborgd. Het is verboden stempels, schoren, kruisen of zwiepingen weg te nemen of andere veiligheidsmaatregelen op te heffen zolang zij uit veiligheidsoogpunt nodig zijn. Artikel 4.9: afscheiding van het bouwterrein Het terrein waarop wordt gebouwd, grond wordt ontgraven of dergelijke werkzaamheden worden verricht, moet door een doeltreffende afscheiding van de weg en van het aangrenzende open erf of terrein zijn afgescheiden indien gevaar of hinder te duchten is. De in het eerste lid bedoelde afscheiding moet zodanig zijn geplaatst en ingericht, dat het verkeer zo min mogelijk hinder ervan ondervindt en de toegang tot brandkranen en andere openbare voorzieningen, zoals leidingen, er niet door wordt belemmerd. Een terrein, waarop een bouw of grondwerk wordt uitgevoerd en dat niet van de weg en van het aangrenzende open erf of terrein is afgescheiden, moet, wanneer er niet wordt gewerkt, worden bewaakt, tenzij het bouwtoezicht dit niet nodig acht. Artikel 4.10: veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder Afscheidingen, steigers, ladders, heistellingen, transportinrichtingen en ander hulpmateriaal moeten, wat kwaliteit en samenstelling betreft, voldoen aan de eis van goed en veilig werk en in goede staat van onderhoud verkeren. Het is verboden bij de uitvoering van een bouw of grondwerk een werktuig of een stof te gebruiken, indien daardoor gevaar voor de omgeving optreedt. Het bevoegd gezag kan het gebruik van een werktuig, dat schade of ernstige hinder voor de omgeving veroorzaakt of kan veroorzaken, verbieden. Het bevoegd gezag kan voorschrijven, dat voor een op een werk te gebruiken krachtwerktuig: uitsluitend een bepaalde brandstof wordt gebezigd, en/of de aandrijving elektrisch geschiedt, en/of het werktuig gedurende bepaalde delen van een etmaal niet mag worden gebruikt. Het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid is niet van toepassing indien en voor zover het betreft nadelige gevolgen voor het milieu waarop de Wet milieubeheer of enige in deze wet genoemde milieuwet van toepassing is. Artikel 4.11: bouwafval Het bouwafval moet op de bouwplaats ten minste worden gescheiden in de volgende fracties: de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17 van de Afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158, blz. 9); steenwol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject bedraagt; glaswol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject bedraagt; overig afval. Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder d, en de fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a, b en c, moeten op de bouwplaats gescheiden worden gehouden. Indien de totale hoeveelheid bouwafval die vrijkomt bij een bouwproject minder bedraagt dan de inhoud van één container van 10 m3, mag degene die bedrijfsmatig bouwwerken verricht dit bouwafval meenemen naar zijn bedrijf voor tijdelijke opslag. Artikel 4.12: gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden Van het gereedkomen: van putten en van grond- en huisaansluitleidingen van de riolering, alsmede van leidingdoorvoeren en mantelbuizen door wanden en vloeren beneden straatpeil; van de thermische isolatie in de spouw van wanden, alsmede van de thermische isolatie in andere besloten constructies moet het bouwtoezicht onmiddellijk na de voltooing van de onder a en b bedoelde werkzaamheden in kennis worden gesteld. Onderdelen van het bouwwerk, waarop het eerste lid betrekking heeft, mogen niet zonder toestemming van het bouwtoezicht aan het oog worden onttrokken gedurende twee dagen na het tijdstip van kennisgeving. Het bepaalde in het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op die onderdelen van het bouwwerk, waarvoor in de aan de omgevingsvergunning voor het bouwen verbonden voorwaarden een plicht tot kennisgeving van voltooiing is bepaald. Uiterlijk op de dag van beëindiging van de werkzaamheden, waarop de omgevingsvergunning voor het bouwen betrekking heeft, wordt het einde van die werkzaamheden bij het bouwtoezicht gemeld. De in dit artikel bedoelde kennisgevingen moeten, indien het bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden. Artikel 4.13: melden van werken bij lage temperaturen Indien bij temperaturen beneden 2 graden Celsius beton , metsel of buitenpleisterwerk wordt uitgevoerd, moet het bouwtoezicht ten minste twee dagen vóór het begin van het desbetreffende werk in kennis worden gesteld van de te treffen maatregelen ten behoeve van: het niet verwerken van bevroren materialen; het verkrijgen van een goede binding en verharding; de bescherming van het desbetreffende werk na de voltooiing tegen vorstschade, zolang het nog onvoldoende is verhard of de temperatuur nog beneden 2 graden Celsius is. De in het eerste lid bedoelde kennisgevingen moeten, indien het bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk plaatsvinden. Artikel 4.14: verbod tot ingebruikneming Het is verboden na de bouw van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is verleend, het bouwwerk in gebruik te geven of te nemen, indien het bouwwerk niet gereed is gemeld bij het bouwtoezicht. Hoofdstuk 5 Staat van open erven en terreinen, aansluiting op de nutsvoorzieningen en het weren van schadelijk en hinderlijk gedierte Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen Artikel 5.1.1.: staat van onderhoud van open erven en terreinen Open erven en terreinen moeten zich in een, in verband met hun bestemming, voldoende staat van onderhoud bevinden. Open erven en terreinen mogen geen gevaar kunnen opleveren voor de veiligheid, noch nadeel voor de gezondheid van of hinder voor de gebruikers of anderen, ten gevolge van: drassigheid; stank; verontreiniging; aanwezigheid van schadelijk of hinderlijk gedierte; aanwezigheid van begroeiing. Artikel 5.1.2: bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer. Brandblusvoorzieningen Indien de toegang van een gebouw meer dan 10 meter is verwijderd van een openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang en het openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor verhuisauto's, vuilnisauto's, ziekenauto's, brandweerauto's en het overige te verwachten verkeer, tenzij de aard, de ligging en het gebruik van het gebouw zulks niet vereisen. Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet, tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een bestemmingsplan of in een verordening of anderszins voorschriften heeft vastgesteld: een breedte hebben van ten minste 4,5 m., over een breedte van ten minste 3,5 m. zijn verhard en een vrije hoogte boven de kruin van de weg hebben van ten minste 4,2 m. Indien een bouwwerk meer dan 40 m. van de openbare weg is gelegen en via een toegangsweg is te bereiken, dient de breedte van deze toegangsweg minimaal 5,5 m. te zijn, tenzij er een tweede onafhankelijke toegangsweg naar dat bouwwerk of een keerlus aanwezig is; zijn verhard op een wijze die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 15.000 kg. en zijn voorzien van de nodige kunstwerken; en op doeltreffende wijze kunnen afwateren. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een bijgebouw voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht geen vergunning is vereist, voor zover dat bijgebouw niet tot bewoning bestemd is, maar wel tot een hoofdgebouw behoort dat op hetzelfde terrein is gelegen. Nabij ieder gebouw moeten zodanige opstelplaatsen voor brandweerauto's aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding tussen die auto's en de bluswatervoorziening kan worden gelegd, tenzij de aard, de ligging en het gebruik van het gebouw zulks niet vereisen. Bij afwezigheid van een toereikende openbare bluswatervoorziening moet worden zorg gedragen voor een doeltreffende niet openbare bluswatervoorziening. Artikel 5.1.3: bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten Tussen de toegang van enerzijds: een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3 van het Bouwbesluit; een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van het Bouwbesluit; en anderzijds de openbare weg moet een mede voor gehandicapten begaanbare weg of begaanbaar pad aanwezig zijn. Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat zij: ten minste 1,10 m breed moeten zijn; en geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m; en ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02 m., tenzij dit plaatsvindt door middel van een hellingbaan die voldoet aan het bepaalde in de artikelen 2.39 en 2.40 van het Bouwbesluit. Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidsinstallaties en vluchtrouteaanduidingen Artikel 5.2.1: voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en vluchtrouteaanduidingen (vervallen). Artikel 5.2.2: aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in gebouwen, niet zijnde woningen, woongebouwen, logiesverblijven, logiesgebouwen of kantoorgebouwen (vervallen).. Artikel 5.2.3: aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in woongebouwen van bijzondere aard (vervallen).. Artikel 5.2.4: aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in logiesverblijven en logiesgebouwen (vervallen).. Artikel 5.2.5: aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in kantoorgebouwen (vervallen).. Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen Artikel 5.3.1: eis tot aansluiting aan de waterleiding De in de artikelen 3.123 en 3.124 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten aan het distributienet van de openbare waterleiding: indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen; of indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen, maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 50 m. Artikel 5.3.2: eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet De in artikel 2.52 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare distributienet voor elektriciteit: indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het elektriciteitsdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 100 m. Artikel 5.3.3: eis tot aansluiting aan het aardgasnet De in artikel 2.72 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare distributienet voor aardgas: indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het aardgasdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 40 m. Niet van toepassing is voorgaande eis op: woningen, waarin voor het kunnen koken een andere energiebron dan gas aanwezig is en voor verwarming geen individuele aansluiting van gastoevoer nodig is; woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2; woningen die niet worden verhuurd; woningen met een aansluiting op het stadsverwarmingsnet. Artikel 5.3.4: eis tot aansluiting aan de openbare riolering De in artikel 3.36 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en faecaliën, alsmede de eventueel in of aan bouwwerken aanwezige voorzieningen voor de afvoer van hemelwater moeten, onverminderd het bepaalde in artikel 5.3.6, op een doeltreffende wijze zijn aangesloten aan een openbaar riool. Niet van toepassing is het gestelde in het eerste lid: in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering aanwezig is; op bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van een openbaar riool zijn gelegen; voor zover uitsluitend hemelwater wordt geloosd; op agrarische bedrijven waarin de faecaliën voor bedrijfsdoeleinden worden gebruikt en een daartoe voldoende ruime mestkelder of gier- of beerput aanwezig is. Artikel 5.3.5: aansluiting anders dan aan de openbare riolering Indien het gestelde in artikel 5.3.4, tweede lid, van toepassing is, gelden de volgende bepalingen: voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten met waterspoeling, moet een doeltreffende rottingput met een doeltreffende aansluitleiding naar die toiletten aanwezig zijn, tenzij de faecaliën voor agrarische bedrijfsdoeleinden worden gebruikt; voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten zonder waterspoeling, moeten een doeltreffende beerput zonder overstort, een doeltreffende gierput of een doeltreffende rottingput met overstort aanwezig zijn, alsmede een doeltreffende aansluitleiding tussen die toiletten en de genoemde put, tenzij op andere zodanige wijze wordt geloosd dat geen verontreiniging van water, bodem of lucht kan optreden; leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater zonder faecaliën, alsmede overstorten van rottingputten moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging van water, bodem of lucht kan optreden; leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater zonder faecaliën mogen niet lozen op een rottingput. Artikel 5.3.6: kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en terreinen Artikel 2.7.6 en de bijbehorende bijlage 7 zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 5.3.7: wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare net van de nutsvoorzieningen De in de artikelen 5.3.1, 5.3.2, 5.3.3 en 5.3.4 bedoelde afstand moet worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt. Hierbij moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd. Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid. Artikel 5.4.: preventie Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden dat het bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt. Hoofdstuk 6 brandveilig gebruik (vervallen). Hoofdstuk 7 overige gebruiksbepalingen Paragraaf 1 Overbevolking Artikel 7.1.1: overbevolking van woningen Het is verboden een woning te bewonen met of toe te staan dat een woning wordt bewoond door meer dan één persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte. Artikel 7.1.2: overbevolking van woonwagens Het is verboden een woonwagen te bewonen met of toe te staan dat een woonwagen wordt bewoond door meer dan één persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte. Paragraaf 2 Staken van het gebruik Artikel 7.2.1: verbod tot gebruik bij bouwvalligheid Het is verboden een bouwwerk, een open erf of terrein te gebruiken of te doen gebruiken, indien door of namens burgemeester en wethouders is medegedeeld, dat zulks gevaarlijk is in verband met: bouwvalligheid van het bouwwerk; bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk. Artikel 7.2.2: staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek aan hygiëne Indien tengevolge van het niet functioneren hieronder begrepen het afgesloten zijn van de ingevolge het Bouwbesluit verplicht aanwezige voorzieningen tot het kunnen afvoeren van faecaliën, het kunnen beschikken over drinkwater het kunnen beschikken over gedistribueerd gas en het kunnen beschikken over gedistribueerde elektriciteit een onvoldoende veiligheid of een onvoldoende hygiëne aanwezig is, kan het bevoegd gezag gelasten het gebruik van het bouwwerk te staken. Artikel 7.2.3: staken van het gebruik van een woonwagen (vervallen). Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen Artikel 7.3.1: Bepaling aantal personen nachtverblijf In afwijking van het bepaalde in artikel 2.2, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht, wordt het aantal personen bepaald op meer dan vier. Artikel 7.3.2: hinder Het is verboden in, op of aan een bouwwerk of op een open erf of terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken, waardoor: op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook, roet, walm of stof wordt verspreid; overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers van het bouwwerk, het open erf of terrein; op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank, stof of vocht of irriterend materiaal wordt verspreid of overlast wordt veroorzaakt door geluid en trilling, elektrische trilling daaronder begrepen, of door schadelijk of hinderlijk gedierte, dan wel door verontreiniging van het bouwwerk, open erf of terrein; instortings-, omval- of ander gevaar wordt veroorzaakt. Niet van toepassing is het vorenstaande, indien en voor zover het betreft nadelige gevolgen voor het milieu waarop de Wet milieubeheer of enige in deze wet genoemde wet van toepassing is. Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid Artikel 7.4.1: preventie Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden dat het bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt. Voorraden en afval dienen op zodanige wijze en plaats te worden bewaard dat schadelijk of hinderlijk gedierte hierdoor niet wordt aangetrokken. Paragraaf 5 Watergebruik Artikel 7.5.1: verboden gebruik van water Het is verboden drink en werkwater, waarvan door het bevoegd gezag schriftelijk is medegedeeld dat het ondeugdelijk wordt geacht, te gebruiken. Paragraaf 6 Installaties Artikel 7.6.1: gebruiksgereed houden van installaties Installaties in of nabij een bouwwerk, waarvan het Bouwbesluit het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken of de Bouwverordening de aanwezigheid verplicht stelt, moeten in goede staat verkeren, zodat daarvan een onbelemmerd gebruik kan worden gemaakt. Hoofdstuk 8 slopen Paragraaf 1 Omgevingsvergunning voor het slopen Artikel 8.1.1: Omgevingsvergunning voor het slopen Het is verboden bouwwerken en woonwagens daaronder begrepen, geheel of gedeeltelijk te slopen zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd gezag. De in het eerste lid bedoelde vergunning is niet vereist indien naar redelijke schatting de hoeveelheid sloopafval niet meer zal bedragen dan 10 m3, tenzij het slopen mede betreft het verwijderen van asbest. Voorts is geen vergunning vereist voor het slopen ingevolge een besluit tot toepassing van bestuursdwang op oplegging van een last onder dwangsom. Het bevoegd gezag kan aan hun besluit voorwaarden verbinden als bedoeld in het derde lid. Het bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voor het slopen slechts voorschriften over: de veiligheid tijdens het slopen; de bescherming van nabijgelegen bouwwerken; het scheiden en het op de sloopplaats gescheiden houden van het sloopafval, ten minste inhoudende een scheiding in een fractie asbest, een fractie gevaarlijk afval en een fractie overig afval; het voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden overleggen van de gegevens als bedoeld in artikel 8.1.2, tweede lid, letter c, voor zover deze gegevens niet reeds zijn overgelegd. De voorschriften over het sloopafval, als bedoeld in het derde lid, onder letter c, kunnen eisen bevatten omtrent het selectief slopen, de fracties waarin wordt gescheiden, de tijdelijke opslag op het sloopterrein en het in fracties gescheiden verpakken van het sloopafval op het sloopterrein. Het bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voor het slopen met betrekking tot asbest voorschriften over het afzonderlijk gereed maken daarvan voor de afvoer van het sloopterrein en over de termijn waarbinnen dit moet plaatsvinden. De vergunningplicht als bedoeld in het eerste lid geldt niet indien in een tijdelijke omgevingsvergunning voor het bouwen voor een seizoengebonden bouwwerk voorschriften zijn gesteld over het slopen van het tijdelijke bouwwerk. Artikel 8.1.2: aanvraag sloopvergunning (vervallen). Artikel 8.1.3: in behandeling nemen (vervallen). Artikel 8.1.4: termijn van beslissing (vervallen). Artikel 8.1.5: samenloop van slopen en bouwen (vervallen). Artikel 8.1.6: Weigeren omgevingsvergunning voor het slopen Een omgevingsvergunning voor het slopen moet worden geweigerd indien: de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd; de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd; een vergunning met betrekking tot de archeologische monumenten ingevolge de Monumentenwet 1988 of de gemeentelijke Erfgoedverordening is vereist en deze niet is verleend; een vergunning ingevolge een leefmilieuverordening op grond van de Wet op de stads en dorpsvernieuwing, die krachtens overgangsrecht van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening de werking heeft behouden, is vereist en deze niet is verleend. Artikel 8.1.7: Intrekken omgevingsvergunning voor het slopen Een omgevingsvergunning voor het slopen kan worden ingetrokken indien: de vergunning is verleend tengevolge van onjuiste of onvolledige opgave van gegevens; binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de sloopvergunning geen begin met de werkzaamheden is gemaakt; tussen het begin en het einde van de sloopwerkzaamheden deze werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van 26 weken stilliggen. Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning voor het slopen Artikel 8.2.1: sloopmelding In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is geen omgevingsvergunning voor het slopen vereist voor het anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf in zijn geheel slopen van: geschroefde , asbesthoudende platen waarin de asbestvezels hechtgebonden zijn, niet zijnde dakleien, uit een woning of uit een op het erf van die woning staand bijgebouw, voorzover de woning of het bijgebouw niet in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf worden gebruikt of bedoeld zijn voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van de te verwijderen asbesthoudende platen maximaal vijfendertig vierkante meter per kadastraal perceel bedraagt; asbesthoudende vloertegels of niet-gelijmde, asbesthoudende vloerbedekking uit een woning of uit een op het erf van die woning staand bijgebouw, voorzover de woning of het bijgebouw niet in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf worden gebruikt of bedoeld zijn voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van de te verwijderen asbesthoudende vloerbedekking of vloertegels maximaal vijfendertig vierkante meter per kadastraal perceel bedraagt; mits het voornemen tot dit slopen is gemeld bij burgemeester en wethouders en door burgemeester en wethouders binnen acht dagen na de dag waarop dit is gemeld is medegedeeld dat geen omgevingsvergunning voor het slopen is vereist. Met een woning wordt gelijk gesteld een woonkeet, woonwagen of logiesverblijf. Het voornemen tot slopen als bedoeld in het eerste lid moet worden gemeld met gebruikmaking van een door of namens burgemeester en wethouders vastgesteld formulier. De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in 6 voud worden ingediend, tenzij door/namens burgemeester en wethouders wordt aangegeven dat met een geringer aantal kan worden volstaan. De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in het Nederlands zijn gesteld. In de melding moeten zijn opgenomen de plaats, het adres, de aard en het gebruik van het bouwwerk. Degene, die de melding heeft gedaan, krijgt door of namens burgemeester en wethouders een bewijs van ontvangst toegezonden of uitgereikt, waarin de datum van ontvangst is vermeld. Indien burgemeester en wethouders de in het eerste lid bedoelde mededeling niet binnen de aldaar gestelde termijn hebben gedaan, is de mededeling van rechtswege gedaan. Burgemeester en wethouders kunnen aan een mededeling als bedoeld in het eerste lid voorschriften verbinden met betrekking tot de verwijdering, opslag en afvoer van asbest. De houder van een mededeling als bedoeld in het eerste of het tweede lid is verplicht het gestelde in een door de minister van volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer uitgegeven publicatie ter zake van het slopen van asbest bevattende vloerbedekking in acht te nemen. Voorts is de houder verplicht de voorschriften die bij of krachtens de artikelen 7 en 8 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 zijn gesteld, in acht te nemen. Het bewerken van het asbest ter plaatse waar dit asbest door sloop vrijkomt is niet toegestaan. Bij het niet voldoen aan de bij of krachtens de in het eerste tot en met het vijfde lid van dit artikel gestelde eisen, stellen burgemeester en wethouders degene die de melding heeft gedaan in de gelegenheid om binnen één week de door hen aan te geven ontbrekende gegevens over te leggen. Artikel 8.2.2: overige uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning voor het slopen In afwijking van artikel 8.1.1., eerste lid , is voorts geen omgevingsvergunning voor het slopen vereist, indien het slopen, voor zover dat betrekking heeft op asbest, uitsluitend bestaat uit het in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf geheel of gedeeltelijk verwijderen van: geklemde vloerplaten onder verwarmingstoestellen verwijderen van beglazingskit dat is verwerkt in de constructie van kassen rem- en frictiematerialen pakkingen uit verbrandingsmotoren pakkingen uit procesinstallaties onderscheidenlijk verwarmingstoestellen met een nominaal vermogen dat lager is dan 2250 kilowatt. Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopen. Artikel 8.3.1: veiligheid op sloopterrein Het bepaalde in de artikelen 4.8 tot en met 4.10 is van overeenkomstige toepassing op het slopen en het sloopterrein. Artikel 8.3.2: op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden Op het sloopterrein moet de omgevingsvergunning voor het slopen of een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom tot het slopen aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden gegeven. Artikel 8.3.3: plichten van de houder van de omgevingsvergunning voor het slopen De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen moet het slopen, voor zover dat betrekking heeft op asbest, opdragen aan een deskundig bedrijf. De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen moet een afschrift van de vergunning ter hand stellen aan het deskundig bedrijf dat het slopen krachtens aanneming van werk zal uitvoeren. De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen stelt ten minste één week voorafgaande aan de aanvang van het slopen, het bevoegd gezag schriftelijk op de hoogte van de data en tijdstippen waarop het slopen voorzover dat betrekking heeft op asbest, zal plaatsvinden. De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen stuurt binnen twee weken na de uitvoering van de werkzaamheden het bevoegd gezag een afschrift van de resultaten van de eindbeoordeling, bedoeld in artikel 9, eerst lid van het Asbestverwijderingsbesluit
  8. Artikel 8.3.4: plichten van degene die sloopt Indien wordt gesloopt zonder dat een omgevingsvergunning voor het slopen is verleend voor het slopen van asbest en tijdens het slopen asbest wordt ontdekt, is degene die sloopt verplicht hiervan terstond melding te doen aan het bouw- en woningtoezicht. Aan het bouwtoezicht dienen ten minste twee dagen van tevoren de aanvang van de sloopwerkzaamheden te worden gemeld en uiterlijk op de dag van de beëindiging van de sloopwerkzaamheden het einde van die werkzaamheden. Indien het bouwtoezicht dit verlangt, moeten genoemde meldingen schriftelijk geschieden. Artikel 8.3.5: wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest Voor zover redelijkerwijs uitvoerbaar moet eerst het in een bouwwerk aanwezige asbest worden verwijderd, voordat het bouwwerk wordt gesloopt. Bij de verwijdering van het asbest moeten de beste bestaande technieken worden toegepast om verontreiniging van het milieu met asbest te voorkomen. Artikel 8.3.6: plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen (vervallen). Paragraaf 4 Vrij slopen Artikel 8.4.1: sloopafval algemeen Afval dat ontstaat door sloopwerkzaamheden waarvoor geen vergunning krachtens artikel 8.1.1, noch een melding krachtens artikel 8.2.1 is vereist, dient ten minste te worden gescheiden in de navolgende fracties: de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17 van de Afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158, blz. 9); steenachtig sloopafval, zonder inbegrip van gips; bitumineuze en teerhoudende dakbedekking; met PAKS verontreinigde materialen; asfalt; dakgrind; overig afval. Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder g, en de fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a tot en met f, moeten op het sloopterrein gescheiden worden gehouden. Hoofdstuk 9 welstand Artikel 9.1: de advisering door de welstandscommissie De advisering over redelijke eisen van welstand is opgedragen aan de Welstandscommissie, Stichting Dorp, Stad en Land, die uit haar midden personen voordraagt als lid van de welstandscommissie, hierna gezamenlijk te noemen: de welstandscommissie. De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van aanvragen om een omgevingsvergunning voor het bouwen. De welstandscommissie baseert haar advies op de in de welstandsnota genoemde welstandscriteria. Artikel 9.2: samenstelling van de welstandscommissie De welstandscommissie bestaat ten minste uit 3 leden, te weten een voorzitter (architect-voorzitter), secretaris (architect/secretaris) en één lid. Alle leden zijn deskundig op het terrein van architectuur, stedenbouw en aanverwante vakgebieden. Voor de leden worden plaatsvervangers aangewezen. De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien ten minste drie leden aanwezig zijn en waarvan ten minste twee leden beschikken over deskundigheid op het gebied van welstand. De leden van de commissie zijn onafhankelijk van het gemeentebestuur. Artikel 9.3: benoeming en zittingsduur De voorzitter, de secretaris en de overige leden van de welstandscommissie en hun plaatsvervangers worden op voorstel van burgemeester en wethouders benoemd en ontslagen door de gemeenteraad. De leden van de welstandscommissie kunnen ten hoogste voor een termijn van drie jaar worden benoemd. Zij kunnen eenmaal worden herbenoemd voor een periode van ten hoogste drie jaar. Het reglement op de welstandscommissie, dat als bijlage A bij deze verordening is vastgesteld, bevat, binnen het gestelde in de voorgaande leden, nadere benoemingsprocedures. Artikel 9.4: jaarlijkse verantwoording De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt: op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de welstandsnota; de werkwijze van de welstandscommissie; op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen; de aard van de beoordeelde plannen; de bijzondere projecten; De welstandscommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het bijzonder. Artikel 9.5: termijn van advisering De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen uit binnen twee weken nadat door of namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht. De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen, indien deze vergunning betrekking heeft op een deel van een project of een gefaseerde aanvraag betreft uit binnen twee weken nadat door of namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht. Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de welstandscommissie een langere termijn dan genoemd in de bovengenoemde leden van dit artikel geven voor het uitbrengen van het welstandsadvies. Een langere termijn kan door burgemeester en wethouders worden gegeven indien de termijn van afdoening van de aanvraag is verlengd met toepassing van artikel 3.9, tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Artikel 9.6: openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting De behandeling van bouwplannen door de welstandscommissie is openbaar. De vergadering van de welstandscommissie wordt tijdig bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze. Indien burgemeester en wethouders – al dan niet op verzoek van de aanvrager – een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen. Indien de aanvrager van de bouwvergunning hierom bij het indienen van de aanvraag om bouwvergunning heeft verzocht, wordt deze door of namens de welstandscommissie in staat gesteld tot het geven van een toelichting op het bouwplan. In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie wordt behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is gedaan, dient de aanvrager van de bouwvergunning een uitnodiging te ontvangen voor de vergadering van de commissie, waarin de aanvraag wordt behandeld. Belanghebbenden hebben in toelichtende zin spreekrecht. Het reglement op de welstandscommissie, dat als bijlage A bij deze verordening is vastgesteld, voorziet in een procedurele opzet, waarbij er een onderscheid wordt aangebracht in de toelichtende fase en de beraadslagingen. Artikel 9.6: openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting De behandeling van bouwplannen door de welstandscommissie is openbaar. De vergadering van de welstandscommissie wordt tijdig bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze. Indien burgemeester en wethouders – al dan niet op verzoek van de aanvrager – een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen. Indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen hierom bij het indienen van de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen heeft verzocht, wordt deze door of namens de welstandscommissie in staat gesteld tot het geven van een toelichting op het bouwplan. In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie wordt behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is gedaan, dient de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het boeen uitnodiging te ontvangen voor de vergadering van de commissie, waarin de aanvraag wordt behandeld. Belanghebbenden hebben in toelichtende zin spreekrecht. Het reglement op de welstandscommissie, dat als bijlage A bij deze verordening is vastgesteld, voorziet in een procedurele opzet, waarbij er een onderscheid wordt aangebracht in de toelichtende fase en de beraadslagingen. Artikel 9.7: afdoening bij mandaat De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om advies mandateren aan een of meerdere daartoe aangewezen leden. De aangewezen leden (voorzitter en/of secretaris) adviseren over bouwplannen waarvan volgens hen het oordeel van de welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld. In elk geval van twijfel legt de gemandateerde het bouwplan alsnog voor aan de welstandscommissie. Behandeling van bouwplannen onder mandaat is openbaar. Indien het bevoegd gezag – al dan niet op verzoek van de aanvrager – een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dient het bevoegd gezag daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen. Artikel 9.8: vorm waarin het advies wordt uitgebracht De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies schriftelijk. Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens burgemeester en wethouders gevoegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen. Artikel 9.9: uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken Indien de raad op grond van artikel 12 van de Woningwet het voornemen heeft een gebied van de gemeente of een categorie bouwwerken uit te sluiten van welstandstoezicht, neemt de raad het daartoe strekkende besluit niet dan nadat: op het voornemen inspraak is verleend; het advies van de welstandscommissie is ingewonnen. De inspraak als bedoeld in het eerste lid vindt plaats op de wijze voorzien in de krachtens artikel 150 Gemeentewet vastgestelde verordening. Hoofdstuk 10 overige administratieve bepalingen Artikel 10.1: de aanvraag om woonvergunning (vervallen). Artikel 10.2: de aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen (vervallen). Artikel 10.3: overdragen vergunningen (vervallen). Artikel 10.4: overdragen mededeling (vervallen). Artikel 10.5: het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen (vervallen). Artikel 10.6: herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in deze verordening - of in de bij deze verordening behorende bijlagen - wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd. Hoofdstuk 11 handhaving Artikel 11.1: stilleggen van de bouw (vervallen). Artikel 11.2: overtreding van het verbod tot ingebruikneming (vervallen). Artikel 11.3: stilleggen van het slopen (vervallen). Hoofdstuk 12 straf , overgangs en slotbepalingen Artikel 12.1: strafbare feiten (vervallen). Artikel 12.2: overgangsbepaling bodemonderzoek Indien ten behoeve van de bouw van een bouwvergunningplichtig bouwwerk in enig ander verband dan de aanvraag om bouwvergunning indicatief bodemonderzoek is verricht, geldt dit indicatieve bodemonderzoek als het in artikel 2.1.5 bedoelde verkennende bodemonderzoek, tenzij burgemeester en wethouders van mening zijn dat het indicatieve bodemonderzoek niet meer als een recent onderzoek kan worden gezien. Artikel 12.3: overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en terreinen Het bepaalde in de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 inzake de bereikbaarheid van gebouwen is niet van toepassing op een gebouw, dat gebouwd is of wordt op basis van een bouwvergunning als bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de Woningwet van 12 juli 1962, tenzij bij een latere vergunning op grond van artikel 40 van de Woningwet eisen aan de bereikbaarheid van dat gebouw zijn gesteld. Artikel 12.4: overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning - Artikel 12.5: overgangsbepaling sloopmelding - Artikel 12.6: slotbepaling Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervalt de Bouwverordening Pijnacker-Nootdorp 2003, vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 19-12-
  9. Op een aanvraag om bouwvergunning, vrijstelling, gebruiksvergunning of toestemming anderszins, die is ingediend vóór het tijdstip waarop deze verordening van kracht wordt en waarop op genoemd tijdstip nog niet is beschikt, zijn de bepalingen van de bouwverordening van toepassing, zoals deze luidden vóór inwerkingtreding van onderhavige verordening, tenzij de aanvrager de wens te kennen geeft dat de Bouwverordening Pijnacker-Nootdorp 2007 na 1e wijziging wordt toegepast. Het bovenstaande is slechts van toepassing op de artikelen 8.1.1, 8.1.2, 8.1.4, 8.2.1, 8.2.2, 8.3.3 en 8.3.5 voorzover deze artikelen in overeenstemming zijn met het Asbestverwijderingsbesluit 2005 (Stb. 2005, 704). Deze verordening kan worden aangehaald als "Bouwverordening Pijnacker-Nootdorp 2007" na 2e wijziging. Bijlage 1 verordening Bijlage behorende bij artikel 6.1.
  10. (vervallen). Bijlage 2 verordening Bijlage behorende bij artikel 6.1.2 Gegevens en bescheiden aanvraag gebruiksvergunning (vervallen). Bijlage 3 verordening Bijlage behorende bij artikel 6.2.1, eerste lid Gebruikseisen voor bouwwerken (vervallen). Bijlage 3a verordening Bijlage behorende bij artikel 6.2.1, eerste lid Eisenpakket kamerverhuurbedrijven kleiner dan 500 m2 (vervallen). Bijlage 4 verordening Bijlage behorende bij artikel 6.2.1, tweede lid Gebruikseisen voor bouwwerken, met uitzondering van de niet-gemeenschappelijke ruimten in woonfuncties. (vervallen). Bijlage 5 bij verordening Bijlage behorend bij artikel 6.2.2 Opslag brandgevaarlijke stoffen (vervallen). Bijlage 6 verordening Bijlage behorend bij artikel 6.2.3 Opslag brandgevaarlijke stoffen (vervallen). Bijlage 7 verordening Bijlage als bedoeld in artikel 2.7.6 Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de buitenriolering op erven en terreinen De NEN normen, bedoeld in artikel 2.7.6, zesde lid, zijn de volgende: a. NEN 7002, uitgave 1968, 'Centrifugaal gegoten gietijzeren afvoerbuizen' (met correctieblad d.d. december 1979); b. NEN 7003, uitgave 1968, 'Hulpstukken voor gietijzeren afvoerbuizen' (met correctieblad d.d. december 1979); c. NEN 7013, uitgave 1980, 'Expansiestukken van PVC en ABS voor binnen en buitenrioleringen'; d. NEN-EN 1401-1, uitgave 2009, 'Kunststofleidingsystemen voor vrij verval buitenriolering – Ongeplastificeerd PVC (PVC-U) – Deel
  11. Eisen voor buizen, hulpstukken en het systeem' (Engelstalig); e. NEN EN 295 1, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede buisverbindingen voor riolering onder vrij verval Deel
  12. Eisen (Engelstalig)', met inbegrip van de aanvullingsbladen A1, uitgegeven 1996, A2, uitgegeven 1997 en A3, uitgegeven 1999; f. NEN EN 295 2, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede buisverbindingen voor riolering onder vrij verval Deel
  13. Kwaliteitscontrole en monstername (Engelstalig), met inbegrip van aanvullingsblad A1, uitgegeven 1999; g. NEN EN 295 3, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede buisverbindingen voor riolering onder vrij verval Deel
  14. Beproevingsmethoden (Engelstalig). Bijlage 8 verordening Bijlage behorende bij artikel 8.1.2 (vervallen). Bijlage 9 verordening Bijlage behorende bij artikel 1.3 Kaart bebouwde kom Pijnacker-Nootdorp. Microsoft Word - Kaart bebouwde kom Pijnacker-Nootdorp.pdf (versie geldig sinds: 10-08-2009; PDF-bestand; grootte: 266.85 KB) Bijlage 10 verordening Tabel 2.6.1 behorende bij artikel 2.6.1 (brandmeldinstallaties) (vervallen). Bijlage 11 verordening Tabel 2.6.5 behorende bij artikel 2.6.5 (ontruimingsalarminstallaties) (vervallen). Bijlage 12 verordening Tabel 2.6.8 behorende bij artikel 2.6.8 (vluchtrouteaanduiding) (vervallen). Bijlage 13 verordening (opm.: volledig overgenomen uit het integraal parkeerbeleidsplan, inclusief de tabel 3.1 met normen voor parkeren op eigen terrein). Parkeernormen woningen Stedelijke zone Rest bebouwde kom Woning duur [per woning] 1) norm max. aandeel bezoekers opmerkingen matig stedelijk 2,0 2,1 0,3 pp per woning zowel koop als huur Woning midden [per woning] 1) norm max. aandeel bezoekers opmerkingen matig stedelijk 1,8 1,9 0,3 pp per woning zowel koop als huur Woning goedkoop [per woning] 1) norm max. aandeel bezoekers opmerkingen matig stedelijk 1,55 1,7 0,3 pp per woning zowel koop als huur Serviceflat/aanleunwoning 2) [per woning] norm max. aandeel bezoekers opmerkingen matig stedelijk 0,45 0,6 0,3 pp per woning Kamer verhuur [per kamer] norm max. aandeel bezoekers opmerkingen matig stedelijk 0,4 0,6 0,2 pp per woning 1) Koopprijsgrenzen “goedkoop, “midden” en “duur” zoals jaarlijks vastgesteld door het stadsgewest Haaglanden bij de regionale prestatieafspraken woningbouw. 2) Zelfstandige woning met beperkte zorgvoorzieningen (veel gereserveerde gehandicaptenplaatsen, dus minder gecombineerd gebruik mogelijk). Wij adviseren voor diverse parkeervoorzieningen op eigen terrein de volgende berekeningsaantallen te hanteren: Parkeervoorziening Berekeningsaantal Opmerking Enkele oprit zonder garage/carport 0,8 oprit minimaal 6,0 meter diep Lange oprit zonder garage/carport 1,0 Dubbele oprit zonder garage/carport 1,7 oprit minimaal 4,5 meter breed Garage/carport zonder oprit (bij woning) 0,4 Garagebox (niet bij woning) 0,5 Garage/carport met enkele oprit 1,0 oprit minimaal 5,0 meter diep Garage/carport met lange oprit 1,3 Gezamenlijk parkeerterrein of parkeergarage onder wooncomplex 1,0 Garage/carport met dubbele oprit 1,8 oprit minimaal 4,5 meter breed Parkeernormen winkels Stedelijke zone Rest bebouwde kom Binnensteden/hoofdwinkelgebieden [per 100 m2 bvo¹)] norm max. aandeel bezoekers opmerkingen matig stedelijk 3,3 3,8 85% 1 arbeidsplaats = 40 m² bvo Wijk-, buurt- en dorpscentra [per 100 m² bvo] norm max. aandeel bezoekers opmerkingen matig stedelijk 3,25 4,0 85% 1 arbeidsplaats = 40 m² bvo Grootschalige detailhandel² [per 100 m2 bvo] norm max. aandeel bezoekers opmerkingen matig stedelijk 7,0 8,0 85% 1 arbeidsplaats = 40 m² bvo Showroom [per 100 m² bvo] norm max. aandeel bezoekers opmerkingen matig stedelijk 1,7 1,8 35% 1 arbeidsplaats = 30-50 m² bvo (Week)markt [per 1 m² marktkraam] norm max. aandeel bezoekers opmerkingen matig stedelijk 0,2 0,24 85% 1 m² marktkraam = 6 m² bvo (indien geen parkeren achter kraam dan + 1,0 pp per standhouder extra) 1) bvo = bruto vloeroppervlak; 100 m² bvo = 60-80 m² vvo (verkoop (netto) vloeroppervlak). 2) Grootschalige detailhandel: winkelformules die vanwege de omvang en aard van het assortiment een groot oppervlak nodig hebben en welke bij voorkeur gelegen zijn op perifere locaties (bijvoorbeeld grote publiekstrekkende tuin/meubelcentra met (boven)regionale functie. Het gaat niet om standaard bouwmarkten of tuincentra, waarvoor een norm van 2,2 – 2,7 pp per 100 m² bvo kan worden aangehouden). Perifeer: alle terreinen of locaties binnen de bebouwde kom die niet binnen of nabij een bestaand of gepland winkelgebied liggen. Parkeernormen werkgelegenheid Stedelijke zone Rest bebouwde kom Commerciële dienstverlening (kantoren met baliefunctie) [per 100 m² bvo norm max. aandeel bezoekers opmerkingen matig stedelijk 3,05 3,3 20% 1 arbeidsplaats = 25 - 35 m² bvo Kantoren zonder baliefunctie [per 100 m² bvo] norm max. aandeel bezoekers opmerkingen matig stedelijk 1,75 2,0 5% 1 arbeidsplaats = 25 - 35 m² bvo Arbeidsextensieve/bezoekersextensieve bedrijven (loods, opslag, groothandel, transportbedrijf, et cetera) [per 100 m² bvo] norm max. aandeel bezoekers opmerkingen matig stedelijk 0,85 0,9 5% 1 arbeidsplaats = 30 - 50 m² vo Arbeidsintensieve/bezoekersextensieve bedrijven (industrie, garagebedrijf, laboratorium, werkplaats, et cetera) [per 100 m² bvo] norm max. aandeel bezoekers opmerkingen matig stedelijk 2,65 2,8 5% 1 arbeidsplaats = 25 - 35 m² vo Bedrijfsverzamelgebouw [per 100 m² bvo] norm max. aandeel bezoekers opmerkingen matig stedelijk 1,25 1,7 10% 1 arbeidsplaats = 25 - 35 m² bvo Parkeernormen onderwijsvoorzieningen Stedelijke zone Rest bebouwde kom Beroepsonderwijs dag (MBO, ROC, WO, HBO) [per collegezaal] norm max. aandeel bezoekers opmerkingen matig stedelijk 20,0 20,0 totale parkeervraag = collegezalen + leslokalen collegezaal = circa 150 zitplaatsen Beroepsonderwijs dag (MBO, ROC, WO, HBO) [per leslokaal] norm max. aandeel bezoekers opmerkingen matig stedelijk 6,0 7,0 totale parkeervraag = collegezalen + leslokalen leslokaal = circa 30 zitplaatsen Voorbereidend dagonderwijs (VWO, HAVO, VMBO) [per leslokaal] norm max. aandeel bezoekers opmerkingen matig stedelijk 0,75 1,0 leslokaal = circa 30 zitplaatsen Avondonderwijs [per student] norm max. aandeel bezoekers opmerkingen matig stedelijk 0,75 1,0 Basisonderwijs [per leslokaal] norm max. aandeel bezoekers opmerkingen matig stedelijk 0,75 1,0 leslokaal = circa 30 zitplaatsen exclusief Kiss & Ride (zie [6.14]) Crèche/peuterspeelzaal/kinderdagverblijf [per arbeidsplaats] norm max. aandeel bezoekers opmerkingen matig stedelijk 0,7 0,8 arbeidsplaats = maximaal gelijktijdig aanwezig aantal werknemers exclusief Kiss & Ride (zie [6.14]) Parkeernormen zorgvoorzieningen Stedelijke zone Rest bebouwde kom Ziekenhuis1) [per bed] norm max. aandeel bezoekers opmerkingen matig stedelijk 1,6 1,7 bij vaste bezoektijden het maximum hanteren Verpleeg-/verzorgingstehuis2) [per wooneenheid] norm max. aandeel bezoekers opmerkingen matig stedelijk 0,6 0,7 60% Arts/maatschap/therapeut/kruisgebouw [per behandelkamer] norm max. aandeel bezoekers opmerkingen matig stedelijk 1,75 2,0 65% met minimum van 3 parkeerplaatsen per praktijk huisartsenpost ook in avond parkeervraag ¹ Voor meer gedetailleerde kencijfers: Bouwmaatstaven voor parkeervoorzieningen in de zorgsector (College voor ziekenhuisvoorzieningen). ² Niet zelfstandige woning met zorgvoorzieningen. Kencijfers zijn inclusief personeel. Parkeernormen horecagelegenheden Stedelijke zone Rest bebouwde kom Café/bar/discotheek/cafetaria [per 100 m2 bvo] norm max. aandeel bezoekers opmerkingen matig stedelijk 6,0 7,0 90% Restaurant [per 100 m2 bvo] norm max. aandeel bezoekers opmerkingen matig stedelijk 13,0 14,0 80% Hotel [per kamer] norm max. aandeel bezoekers opmerkingen matig stedelijk 1,0 1,5 Parkeernormen sociaal culturele voorzieningen Stedelijke zone Rest bebouwde kom Museum [per 100 m2 bvo] norm max. aandeel bezoekers opmerkingen matig stedelijk 1,1 1,2 95% Bibliotheek [per 100 m2 bvo] norm max. aandeel bezoekers opmerkingen matig stedelijk 1,1 1,2 95% Bioscoop/theater/schouwburg [per zitplaats] norm max. aandeel bezoekers opmerkingen matig stedelijk 0,35 0,4 Sociaal cultureel centrum/wijk-/verenigingsgebouw [per 100 m2 bvo] norm max. aandeel bezoekers opmerkingen 2,0 3,0 90% Parkeernormen sportvoorzieningen Stedelijke zone rest bebouwde kom Gymlokaal [per 100 m² bvo] norm max. aandeel bezoekers opmerkingen matig stedelijk 2,75 3,0 95% gymlokalen zonder avondfunctie: parkeervraag = 0 Sporthal (binnen) [per 100 m2 bvo] norm max. aandeel bezoekers opmerkingen matig stedelijk 2,75 3,0 95% bij sporthal met wedstrijdfunctie: + 0,1 - 0,2 pp. per bezoekersplaats Sportveld (buiten) [per ha netto speelveldterrein] norm max. aandeel bezoekers opmerkingen matig stedelijk 20 27,0 95% Dansstudio/sportschool [per 100 m2 bvo] norm max. aandeel bezoekers opmerkingen matig stedelijk 3,5 4,0 95% Squashhal [per baan] norm max. aandeel bezoekers opmerkingen matig stedelijk 1,5 2,0 90% Tennisbanen [per baan] norm max. aandeel bezoekers opmerkingen matig stedelijk 2,5 3,0 90% Golfbaan [per hole] norm max. aandeel bezoekers opmerkingen matig stedelijk 7,0 8,0 95% Bowlingcentrum/biljartzaal [per baan/tafel] norm max. aandeel bezoekers opmerkingen matig stedelijk 2,0 2,5 95% Stadion [per zitplaats] norm max. aandeel bezoekers opmerkingen matig stedelijk 0,12 0,2 99% Zwembad [per 100 m2 oppervlak bassin] norm max. aandeel bezoekers . opmerkingen matig stedelijk 11,0 12,0 90% Manege [per box] norm max. aandeel bezoekers opmerkingen matig stedelijk 0,4 0,5 90% Parkeernormen overige voorzieningen Stedelijke zone rest bebouwde kom Evenementenhal/beursgebouw/ congresgebouw [per 100 m2 bvo] norm max. aandeel bezoekers opmerkingen matig stedelijk 8,5 11,0 99% Themapark/pretpark [per ha netto terrein] norm max. aandeel bezoekers opmerkingen matig stedelijk 8,0 12,0 99% Overdekte speeltuin/hal [per 100 m2 bvo] norm max. aandeel bezoekers opmerkingen matig stedelijk 7,5 12,0 90% Volkstuin [per perceel] norm max. aandeel bezoekers opmerkingen matig stedelijk 0,3 0,3 Religiegebouw (kerk, moskee, et cetera) [per zitplaats] norm max. aandeel bezoekers opmerkingen matig stedelijk 0,15 0,2 Begraafplaats/crematorium [per gelijktijdige begrafenis/crematie] norm max. aandeel bezoekers opmerkingen matig stedelijk 22,5 30,0 B Overgangsbepalingen Op een aanvraag om bouwvergunning, sloopvergunning, ontheffing of toestemming anderszins, die is ingediend vóór het tijdstip waarop deze wijzigingsverordening van kracht wordt en waarop op genoemd tijdstip nog niet is beschikt, zijn de bepalingen van de bouwverordening van toepassing, zoals die luidden vóór de onderhavige wijziging, tenzij de aanvrager de wens te kennen geeft dat de gewijzigde bepalingen worden toegepast. C Inwerkingtreding Deze wijzigingsverordening treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in werking treedt. Vastgesteld in de openbare vergadering van 24 juni 2010 de griffier, de voorzitter, drs. S.G.W.M. Heerdink drs. F.H. Buddenberg Bijlage A behorende bij artikel 9.3, derde lid Dit reglement regelt de werkwijze rondom de inschakeling van de onafhankelijke welstandscommissie en de relatie tussen ambtelijke organisatie en gemeentebestuur. Dit reglement vindt zijn juridische status in de Bouwverordening Pijnacker-Nootdorp.
  15. Benoeming en samenstelling van de welstandscommissie 1.1 Benoemingsprocedure en zittingsduur 1.1.1 Benoemingsprocedure De raad wijst op voordracht van het college van burgemeester en wethouders een onafhankelijke rechtspersoon als welstandscommissie aan. Deze rechtspersoon is de Stichting “Dorp, Stad en Land” (verder te noemen DSL). De welstandscommissie maakt deel uit van de commissie ruimtelijke kwaliteit van DSL. Deze naamswijziging is vanaf 2008 gewijzigd vanwege de integrale aandacht die zij geeft aan stedenbouw, architectuur, cultuurhistorie en landschap; disciplines die reeds jaren onderdeel uitmaken van het werk van DSL en die nu in de benaming van de commissie tot uitdrukking komen. 1.1.2 Zittingsduur De leden van de welstandscommissie worden benoemd voor een periode van drie jaar, met de mogelijkheid van herbenoeming voor nog eens drie jaar. Een benoemingsregistratie wordt opgezet door DSL. 1.2 Samenstelling van de commissie 1.2.1 Welstandscommissie De welstandscommissie bestaat uit ten minste twee commissieleden die stemrecht hebben. Uit hun midden worden een voorzitter en een secretaris gekozen. De commissie in Pijnacker-Nootdorp bestaat sinds begin 2009 uit een voorzitter en twee commissieleden. De mogelijkheid bestaat een “burgerlid” aan de commissie toe te voegen. 1.2.2 Regiocommissie De regiocommissie bestaat uit deskundige leden van verschillende gemeenten uit de regio. Door de werkwijze van de gemeentelijke commissie maakt deze gemeente geen onderdeel meer uit van de regiocommissie. 2 Taakomschrijving 2.1 Onafhankelijkheid De commissie adviseert aan het college van burgemeester en wethouders en wethouders en functioneert onafhankelijk ten opzichte van het college, de gemeenteraad(scommissie), de gemeentelijke organisaties en aanvragers c.q. architecten. De leden onthouden zich van zaken welke hen, hun echtgenoten of hun bloed- of aanverwanten, tot de derde graad ingesloten, persoonlijk aangaan of waarin zij als gelastigden zijn betrokken. 2.2 Taakomschrijving welstandscommissie De welstandscommissie is belast met zowel wettelijk als niet wettelijk verplichte taken. De commissie wordt in artikel 1 onder n. (Algemene bepalingen) van de Woningwet omschreven als de door de gemeenteraad benoemde onafhankelijke commissie die aan burgemeester en wethouders advies uitbrengt ten aanzien van de vraag of het uiterlijk of de plaatsing van een bouwwerk, waarvoor een aanvraag om omgevingsvergunning is ingediend, in strijd is met redelijke eisen van welstand. In artikel 12b, eerste lid, van de Woningwet is aangegeven dat de welstandscommissie haar advies baseert op de criteria zoals die zijn opgenomen in de – door de gemeenteraad vastgestelde - welstandsnota. De commissie is zodoende gebonden aan het door de raad vastgestelde welstandsbeleid. 2.3 Wettelijke taken 2.3.1 Toetsing van vergunningplichtige (bouw)werken In artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d. van de Wabo is vermeld dat, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, (bouwen van een bouwwerk) de omgevingsvergunning wordt geweigerd indien het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend. In artikel 2.26, derde lid, van de Wabo is voorgeschreven dat het bevoegd gezag de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen instanties in de gelegenheid stellen hem advies uit te brengen over de aanvraag of het ontwerp van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning. In artikel 6.2, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht is aangegeven dat met betrekking tot een aanvraag ten aanzien van activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo, burgemeester en wethouders advies vragen aan de welstandscommissie. Zoals hiervoor vermeld dient die advisering dan te zijn gebaseerd op de welstandsnota. 2.3.2 Jaarverslag welstandscommissie De welstandscommissie legt de gemeenteraad eens per jaar een verslag voor van de door haar verrichte werkzaamheden. In het verslag zet de commissie ten minste uiteen op welke wijze zij toepassing heeft gegeven aan haar taken als verwoord in het reglement. Tenminste eenmaal per jaar vindt, ten behoeve van het jaarverslag, een evaluatiegesprek plaats tussen een vertegenwoordiger van het gemeentebestuur en de commissie. 2.4 Niet wettelijk verplichte taken Het college kan de welstandscommissie de opdracht geven om naast de wettelijk verplichte taken, ook de volgende (niet wettelijk verplichte) taken uit te voeren: het voeren van door de gemeente noodzakelijk geacht overleg met betrokkenen bij de voorbereiding van de plannen; adviseren over welstandsaspecten van in voorbereiding zijnde structuurvisies en bestemmingsplannen, beleidsnotities, bijzondere projecten of overige ontwikkelingen die betrekking hebben op de ruimtelijke kwaliteit in de gemeente; voorlichting geven inzake ruimtelijke kwaliteit aan het gemeentebestuur en burgers. 2.5 Taken commissie 2.5.1 Taken commissieleden De leden geven vanuit hun ervaring en kennis van het vakgebied een onafhankelijke visie op de adviesaanvragen van de gemeente. De leden overleggen zo nodig tijdens de vergadering met aanvragers en ontwerpers. Indien een plan geheel of op onderdelen niet voldoet aan redelijke eisen van welstand, wordt dit op begrijpelijke en tactvolle wijze toegelicht en uiteengezet; uit een oogpunt van dienstverlening worden indien mogelijk hierbij tevens aan de aanvrager of diens adviseur richtinggevende suggesties gedaan over de aanpassingen die wenselijk of nodig zijn om tot een positief advies te komen. De secretaris heeft de inhoudelijke eindverantwoordelijkheid voor de redactie van de adviezen. Hij bewaakt de inhoudelijke kwaliteit van de advisering en draagt zorg voor een deugdelijk, goed beargumenteerd en in rechte houdbaar advies. De inhoud van het advies dient ook voor niet-deskundigen duidelijk en begrijpelijk te zijn. De voorzitter geeft leiding aan de vergadering, draagt zorg voor een gestructureerd verloop van de vergadering en bewaakt in dit verband de voortgang van de agenda. Ten behoeve van eventueel aanwezige derden en de schriftelijke verslaglegging, formuleert de voorzitter afspraken en geeft na een inhoudelijke discussie in de vergadering een korte en voor alle aanwezigen, heldere samenvatting van het uit te brengen advies.
  16. Werkwijze van de welstandscommissie 3.1 Voorbereiding en verslaglegging van de vergadering De ambtelijke organisatie, ondersteund door het secretariaat van DSL, draagt zorg voor een goede voorbereiding van de commissievergadering. De administratieve afhandeling, waaronder de verslaglegging van de vergaderingen, is de verantwoordelijkheid van de secretaris van de commissie. 3.2 Vergaderfrequentie De zitting van de commissie vindt wekelijks plaats op een vast tijdstip. 3.3 Openbaarheid vergadering De behandeling van plannen, behoudens vooroverleg, is openbaar. 3.3.1 Behandeling plannen in openbaarheid De openbaarheid geldt voor de beraadslaging over plannen, de beoordeling daarvan en de adviezen. Volgens artikel 12b, tweede lid, van de Woningwet, is een vergadering of gedeelte daarvan niet openbaar in gevallen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur en in gevallen waarin het belang van openbaarheid niet opweegt tegen de in artikel 10, tweede lid, van die wet genoemde belangen. 3.3.2 Toelichting opdrachtgever/ontwerper Opdrachtgevers en ontwerpers worden op eigen verzoek of op verzoek van de commissie in de gelegenheid gesteld om de behandeling van hun plan bij te wonen en het plan desgewenst toe te lichten. Indien zij bij de behandeling aanwezig willen zijn, melden zij dit aan de contactambtenaar welstand van de gemeente. 3.3.3 Spreekrecht Tijdens de behandeling van plannen wordt de mogelijkheid tot spreekrecht geboden aan zowel de opdrachtgevers/ontwerpers als direct belanghebbenden. 3.4 Advisering De commissie adviseert aan het college van burgemeester en wethouders met betrekking tot het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan (artikel 2.10, eerste lid, onder d, van de Wabo). Dit wordt beoordeeld aan de hand van de criteria zoals opgenomen in de welstandsnota. 3.4.1 Advisering inzake vooroverlegplannen behandeling in de commissie de mogelijkheid bestaat om vooroverlegplannen met de commissie voor te bespreken, zo nodig in aanwezigheid van de aanvrager of diens adviseur; de vooroverlegplannen, die voorafgaan aan een formele vergunningaanvraag, worden afzonderlijk geagendeerd en behandeld; dit vooroverleg vindt in beginsel plaats, nadat duidelijkheid bestaat omtrent de planologische aanvaardbaarheid van dit plan (past het binnen het bestemmingsplan of bestaat de bereidheid daarvan af te wijken door middel van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo, ten aanzien van het gebruik); het aantal voorbesprekingen is gelimiteerd tot maximaal 3 keer (uitzonderingen zijn alleen in overleg met de gemeente en de voorzitter van de commissie mogelijk); de verslaglegging geschiedt op gelijke wijze als bij de formele adviesaanvragen; de behandeling vindt niet in het openbaar plaats. formele vervolgaanvragen zodra een formele vergunningaanvraag is ingekomen, die zowel inhoudelijk en wat de ingediende bescheiden betreft, identiek is aan het plan dat als vooroverlegplan besproken is in de commissie, dan zal dit worden beschouwd als zogenaamd “hamerstuk”; hoewel de commissie een dergelijk plan in de vooroverlegsituatie al heeft behandeld, wordt dit plan niettemin uit een oogpunt van openbaarheid en formele advisering geagendeerd voor de eerstvolgende vergadering van de commissie en van een advies voorzien. 3.4.2 Schriftelijk en gemotiveerd Alle adviezen van de commissie, behoudens het positieve advies, worden schriftelijk uitgebracht en deugdelijk gemotiveerd (artikel 12b, eerste lid, van de Woningwet). Deze motivatie dient helder, voor de burger begrijpelijk en in rechte houdbaar te zijn. Vakjargon wordt zoveel mogelijk vermeden en waar nodig van een toelichting voorzien. Een positief advies wordt op verzoek van het college gemotiveerd of indien daar vanuit andere overwegingen aanleiding voor is. 3.4.3 Soort adviezen De behandeling van een plan in het welstands- en monumentenadvies kan de volgende uitkomsten hebben: niet strijdig met redelijke eisen van welstand: het positieve advies. Dat wordt afgegeven in de vorm van een zogeheten “stempeladvies”. De commissie is van oordeel dat het plan volgens de van toepassing zijnde welstandscriteria niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. niet strijdig met redelijke eisen van welstand, mits: het positieve advies aangevuld met een mits. De welstandscommissie adviseert “iets niet strijdig” met een mits aan het college omdat het plan volgens de van kracht zijnde welstandscriteria “formeel” niet strijdig is met redelijke eisen van welstand, maar uit het oogpunt van welstand er nog een bepaald ondergeschikt onderdeel ontbreekt. Binnen de wettelijke beslistermijnen kan de commissie haar advies aanhouden, indien meer informatie of toelichting van de aanvrager/ontwerper wenselijk is. De behandelend ambtenaar is verantwoordelijk voor een tijdige aanlevering van gegevens of het maken van afspraken. strijdig met redelijke eisen van welstand: het negatieve advies. De commissie is van oordeel dat het plan strijdig is met redelijke eisen van welstand. Een negatief advies betekent dat een bouwplan ingrijpend moet worden gewijzigd. Adviseert de commissie “strijdig”, dan heeft ze een zorgvuldige schriftelijke motivering. Deze bevat een korte omschrijving van het ingediende plan, een verwijzing naar de van toepassing zijnde criteria en een samenvatting van de beoordeling van het plan op diverse punten. strijdig met redelijke eisen van welstand, tenzij: het negatieve advies aangevuld met een tenzij. De commissie is van oordeel dat het plan strijdig is met redelijke eisen van welstand, tenzij het plan conform de opmerkingen wordt gewijzigd. Wanneer het plan conform de opmerkingen wordt aangepast is het plan voor wat de door de commissie beoordeelde aspecten betreft, niet strijdig (het voldoet). Een negatief advies betekent dat een bouwplan ingrijpend moet worden gewijzigd. Adviseert de commissie “strijdig tenzij”, dan geeft ze een zorgvuldige schriftelijke motivering. Deze bevat een korte omschrijving van het ingediende plan, een verwijzing naar de van toepassing zijnde criteria en een samenvatting van de beoordeling van het plan op diverse punten. 3.4.4 Termijn van advisering Omtrent de aanvragen voor vergunningplichtige bouwwerken adviseert de commissie in beginsel tijdens de vergadering en indien dit niet mogelijk is, dan binnen drie dagen. Indien bij wijze van uitzondering sprake is van een behandeling in de plenaire vergadering, dan geldt een adviestermijn van maximaal drie weken. 3.4.5 Onderzoek ter plaatse De commissie kan een onderzoek ter plaatse instellen, indien zij bij de beoordeling van een plan van oordeel is dat dit onderzoek redelijkerwijs voor de vervulling van haar taak nodig is. 3.4.6 Inschakeling informanten of adviseurs Op verzoek van de gemeente wordt de commissie zo nodig bijgestaan door informanten en/of adviseurs, zoals bijvoorbeeld deskundigen op het gebied van monumenten en restauraties, stedenbouw, (landschaps)architectuur, bouw- of cultuurhistorie, archeologie e.d. voor het leveren van een inbreng in de overwegingen van de commissie.
  17. Besluitvorming college, bezwaar en beroep Burgemeester en wethouders volgen in hun oordeel in beginsel het advies van de commissie. Daarop zijn enkele uitzonderingen mogelijk. 4.1 Afwijking van het welstandsadvies 4.1.1 Inhoudelijke gronden Het college kan afwijken van het advies van de welstandscommissie, indien het college van mening is dat de commissie de van toepassing zijnde criteria niet juist heeft geïnterpreteerd of toepast. De redenen voor de afwijking worden gemotiveerd in het besluit vermeld. Eventueel kan het college de commissie vragen om een heroverweging of een second opinion door een andere commissie laten uitvoeren. 4.1.2 Andere redenen Het college heeft op basis van artikel 2.10, eerste lid, onder d, van de Wabo, de mogelijkheid om ook op andere dan welstandsgronden, af te wijken van een welstandsadvies. De redenen voor de afwijking worden gemotiveerd in het besluit vermeld. 4.1.3 Schriftelijke kennisgeving aan DSL De commissie wordt door middel van een afschrift van de vergunning schriftelijk op de hoogte gesteld wanneer er wordt afgeweken van het welstandsadvies (ondermeer ten behoeve van de evaluatie en het jaarverslag). 4.2 Bezwaar en beroep 4.2.1 Bezwaar indienen Belanghebbenden kunnen binnen zes weken bezwaar indienen tegen de beslissing van burgemeester en wethouders (of van een ander bestuursorgaan indien dat het bevoegd gezag is op grond van de Wabo in dat specifieke geval) op de aanvraag om een vergunning. Belanghebbenden zijn voor wat betreft de welstandsaspecten in de regel de planindiener en direct omwonenden. 4.2.2 Heroverweging besluit In de bezwaarschriftenprocedure heroverwegen burgemeester en wethouders het besluit. Veelal gebeurt dat nadat belanghebbenden tijdens een hoorzitting van de onafhankelijke adviescommissie bezwaar- en beroep hun standpunten hebben kunnen toelichten. Van dat horen kan worden afgezien indien sprake is van een gebonden beschikking. 4.2.3 Heroverweging of second opinion Indien een vergunning is geweigerd op basis van een negatief welstandsadvies, zal het college het besluit in het kader van een bezwaarschriftenprocedure zorgvuldig heroverwegen. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de volgende mogelijkheden: het college wijkt op grond van eigen verantwoordelijkheid en bevoegdheden gemotiveerd af van het oorspronkelijk genomen besluit; het college vraagt de commissie om heroverweging van het uitgebrachte advies; het college vraagt een tweede onafhankelijk advies aan een andere welstandscommissie (second opinion). 4.2.4 Beroep Belanghebbenden die het met de heroverweging en het daarop gebaseerde besluit niet eens zijn, kunnen in beroep gaan. De mogelijkheden van bezwaar en beroep kunnen overigens anders zijn indien de aanvraag om omgevingsvergunning de uitgebreide voorbereidingsprocedure uit de Wabo heeft doorlopen. In dat geval staat rechtstreeks beroep bij de Rechtbank open tegen het genomen besluit en blijft een heroverweging in bezwaar achterwege. Toelichting behorend bij de bouwverordening Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen Asbest Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 (Stb. 2005, 704) verstaat onder asbest: de vezelachtige silicaten actinoliet (Cas-nummer 77536-66-4), amosiet (Cas-nummer 12172-73-5), anthofylliet (Cas-nummer 77536-67-5), chrysotiel (Cas-nummer 12001-29-5), crocidoliet (Cas-nummer 12001-28-4) en tremoliet (Cas-nummer 77536-68-6), alsmede producten waarin die vezelachtige silicaten zijn verwerkt. Voor de overige begrippen wordt verwezen naar het Asbestverwijderingsbesluit 2005 en de daarbij behorende toelichting. Regeling omgevingsrecht (Mor) Met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) vervalt het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning (Biab). Hiervoor komt in de plaats de Regeling omgevingsrecht (Mor). Hierin staan de indieningsvereisten voor de aanvraag van een omgevingsvergunning. Besluit omgevingsrecht (Bor) Bij de inwerkingtreding van de Wabo en het Besluit omgevingsrecht (Bor) vervalt het Besluit bouwvergunningsvrije en licht bouwvergunningplichtige bouwwerken (Bblb). De categorie licht bouwvergunningplichtige bouwwerken verdwijnt geheel. De vergunningvrije bouwwerken staan in bijlage II van het Bor. Bevoegd gezag In verband met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is in de bouwverordening waar nodig ‘burgemeester en wethouders’ gewijzigd in ‘bevoegd gezag’ en is in artikel 1.1 de begripsomschrijving voor bevoegd gezag opgenomen. Hierbij is gebruik gemaakt van de tekst van het gewijzigde artikel 1, eerste lid, onderdeel e van de Woningwet. De bevoegdheden voor het verlenen, wijzigen en intrekken van vergunningen, als bedoeld in de bouwverordening, blijven gelijk. De meldingen vallen buiten de reikwijdte van de Wabo. Dit betekent dat de sloopmelding in hoofdstuk 8 van de bouwverordening niet wordt afgestemd met de Wabo. De diverse meldingen en mededelingen aan het bouwtoezicht, die moeten worden gedaan door de vergunninghouder, of namens deze door degene die bouwt of sloopt, blijven eveneens ongewijzigd. De melding in het kader van het Gebruiksbesluit wordt gedaan bij het bestuursorgaan waar de aanvraag omgevingsvergunning wordt ingediend. In het geval dit bestuursorgaan niet burgemeester en wethouders is, zendt het bestuursorgaan de melding door naar burgemeester en wethouders. Bouwbesluit 2003 Het Bouwbesluit (Stb. 2001, 410). Correcties en aanvullingen van het geconverteerde Bouwbesluit en tevens de aanpassing van andere besluiten aan het Bouwbesluit zijn gepubliceerd in Stb. 2002,
  18. In deze besluiten zijn de technische bouwvoorschriften op grond van de Woningwet (Stb. 2001, 518) opgenomen. Bouwtoezicht De Woningwet geeft in artikel 92 expliciet de opdracht aan het bevoegd gezag om zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I tot en met IV van de Woningwet. Op grond van artikel 5.10, lid 3 Wabo wijzen burgemeester en wethouders ambtenaren aan die belast zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I tot en met III van de Woningwet. Artikel 5.10 Wabo heeft betrekking op alle vormen van toezicht (op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau). Alle bestuurslagen kunnen in beginsel bevoegd gezag zijn onder de Wabo. Dit werkt ook door in de toezichtsbevoegdheden. Ook ambtenaren op provinciaal of op rijksniveau kunnen onder omstandigheden als “bouwtoezicht” worden aangemerkt. Gebruiksoppervlakte Het begrip gebruiksoppervlakte is ontleend aan het Bouwbesluit, artikel 1, lid 2 begripsbepalingen. De gebruiksoppervlakte is van belang bij de bepalingen omtrent overbevolking, hoofdstuk 7, paragraaf 1, van de MBV. Bouwwerk en gebouw De definitie van bouwen in artikel 1 van de Woningwet maakt gebruik van de als bekend veronderstelde term bouwwerk. De inhoud van de term bouwwerk wordt bepaald door de begripsomschrijving in de MBV en de jurisprudentie. De Woningwet maakt op diverse plaatsen onderscheid tussen gebouwen en bouwwerken, niet zijnde een gebouw. Het begrip gebouw is bepaald in artikel 1 van de Woningwet. Deskundig bedrijf Het begrip deskundig bedrijf is uitsluitend van belang voor de toepassing van hoofdstuk 8 van deze verordening. Het begrip is gekoppeld aan hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 6, eerste lid van het Asbestverwijderingsbesluit
  19. En dit is: een bedrijf dat in het bezit is van een certificaat als bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Voor een uiteenzetting over de certificering van bedrijven wordt verwezen naar de algemene toelichting op het Asbestverwijderingsbesluit
  20. Zie hiervoor www.ascert.nl Omgevingsvergunning In de MBV worden de begrippen ‘omgevingsvergunning voor het bouwen’ en ‘omgevingsvergunning voor het slopen’ gebruikt voor de in de begripsomschrijving genoemde activiteiten. Uiteraard bestaat maar één omgevingsvergunning, geen twee. Vergunningvrij bouwen Met de komst van de Wabo is ook de Woningwet ingrijpend gewijzigd. Voor welke activiteiten geen omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist staat in bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor). Dit besluit is gebaseerd op de Wabo en vervangt het Besluit bouwvergunningsvrije en licht bouwvergunningplichtige bouwwerken (Bblb). Op hoofdlijnen omvat de verruiming van het vergunningvrije bouwen de volgende onderdelen: De categorie lichte bouwvergunning komt te vervallen. Een activiteit, zoals het bouwen, is nu vergunningvrij of vergunningplichtig; De categorie ‘omgevingsvergunningvrije’ bouwwerken wordt verder verruimd waarbij twee categorieën vergunningvrij bouwen worden onderscheiden:
  21. een categorie waarop de bebouwingsregeling van het bestemmingsplan of de beheersverordening (of andere planologische regelingen) wel van toepassing is (art. 3) en
  22. een categorie waarop de bebouwingsregeling van het planologisch regime niet van toepassing is. Een en ander hangt samen met het in de Wabo opgaan van planologische afwijkingsbesluiten; Alle uitbreidingen van en bijgebouwen bij een hoofdgebouw worden onder een nieuw begrip ‘bijbehorend bouwwerk’ gebracht; Vergunningvrij bouwen wordt mogelijk bij alle typen gebouwen (was alleen bij woningen en woongebouwen); Vervallen maximale maatvoering van 2,5 m voor diepte van een aan- of uitbouw; Bouwen in, aan, op of bij een monument blijft vergunningplichtig; Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente Algemeen Sinds 1 juli 2008 geldt de Wet ruimtelijke ordening (Wro). In afwijking van de daarvoor geldende Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) moet op grond van de nieuwe wet ook een bestemmingsplan worden vastgesteld voor de bebouwde kom. Ook bestaat de mogelijkheid een beheersverordening vast te stellen, indien voor het betreffende gebied geen grote veranderingen worden verwacht. Een beheersverordening vervangt een bestemmingsplan. Op grond van overgangsrecht dient uiterlijk op 1 juli 2013 een bestemmingsplan nieuwe stijl of beheersverordening te gelden voor alle gebieden van de gemeente. De bouwverordening voorziet in hoofdstuk 2 in de stedenbouwkundige bepalingen voor gebieden waar geen bestemmingsplan geldt. Artikel 9 van de Woningwet bevat een afstemmingsregeling tussen bestemmingsplan en bouwverordening. Zolang geen bestemmingsplan of beheersverordening voor de bebouwde kom van kracht is, kan het oude artikel 1.3 worden gehandhaafd. Het vaststellen van een bestemmingsplan voor de bebouwde kom kan gevolgen hebben voor dit artikel en de daarop gebaseerde kaartbijlagen. Wanneer voor de bebouwde kom een bestemmingsplan wordt vastgesteld, dient te worden bezien of en in hoeverre artikel 1.3 van de bouwverordening daarop moet worden afgestemd of wellicht overbodig is geworden. Het is toegestaan op grond van artikel 1.3 voor verschillende gebieden binnen de gemeente een ander alternatief uit de MBV vast te stellen met voor elk gebied een eigen kaartbijlage. Zie hiervoor ook paragraaf 2.5 van deze toelichting. Voor Pijnacker-Nootdorp is alternatief 1 relevant. Dit alternatief is bedoeld voor gemeenten waarin geen - al dan niet binnenstedelijke - zone is vastgesteld die geschikt is voor hoogbouw, en waarin ook geen gebied is vrijgesteld van welstandstoezicht. Hoofdstuk 2 Omgevingsvergunning voor het bouwen Algemeen Regeling omgevingsrecht In hoofdstuk 2 zijn alle artikelen vermeld die betrekking hebben op de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen. De indieningsvereisten staan in de Regeling omgevingsrecht. Deze Regeling vervangt het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning. Wet BIBOB De Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (BIBOB), Stb. 2002, 347, en het daaraan gekoppelde Besluit BIBOB, Stb. 2003, 180 zijn per 1 juni 2003 in werking getreden (Stb. 2003, 216). Deze wet houdt in dat na ontvangst van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen, door het bevoegd gezag wordt beoordeeld of omtrent de aanvrager een integriteitadvies wordt gevraagd bij het Bureau BIBOB. Dit bureau ressorteert onder het ministerie van Justitie en is bevoegd om onderzoek te doen naar de antecedenten van de aanvrager -zowel natuurlijke als rechtspersonen- en naar de herkomst van de gelden waarmee het bouwproject wordt gefinancierd. Een negatief advies kan voor het bevoegd gezag aanleiding zijn de omgevingsvergunning te weigeren. Het vragen van een advies door het bevoegd gezag is facultatief. Indien een advies bij het Bureau BIBOB wordt gevraagd, schort de termijn voor de behandeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen met maximaal acht weken op. Awb De Algemene wet bestuursrecht (Awb) geeft algemene regels voor het rechtsverkeer tussen burger en overheid. Ook de rechtsbescherming tegen besluiten van de overheid is in de Awb opgenomen. De Awb is bij de voorbereiding van besluiten van belang voor de te volgen procedure. Dit geldt onder meer voor de gevallen waarin Afdeling 3.4 over de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) van toepassing is. Wro Op 1 juli 2008 trad de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking ter vervanging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). De Invoeringswet Wro gaf aanleiding tot discussie over het al dan niet kunnen voortbestaan van enkele stedenbouwkundige voorschriften uit paragraaf 2.5 van dit hoofdstuk. Dit betreft het zgn. parkeerartikel (2.5.30), de toegangsweg (2.5.3; van belang voor voertuigen van hulpverleningsdiensten om een bouwwerk te kunnen bereiken) en de bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten (2.5.4). Twijfel bestaat of een even effectieve en flexibele regeling (parkeren) in een bestemmingsplan kan worden gerealiseerd. Besloten is dat artikel 9.1.4, vijfde lid van de Invoeringswet Wro vooralsnog niet in werking treedt. Het gevolg hiervan is dat de stedenbouwkundige voorschriften van dit hoofdstuk vooralsnog blijven bestaan. De artikelen 8, vijfde lid, 9 en 10 Woningwet blijven bestaan totdat het gemelde probleem is opgelost. WOB en de openbaarheid van gegevens aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen De aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen ligt op grond van art. 3.8 Wabo voor een ieder ter inzage. Bij het indienen van een verzoek om een omgevingsvergunning voor het bouwen kan de aanvrager gemotiveerd verzoeken bepaalde gegevens niet openbaar ter inzage te leggen. De gegevens die op grond van de Wabo ter inzage liggen zijn de zakelijke gegevens die nodig zijn bij de beoordeling van het ingediende bouwplan. De gegevens die de gemeente inwint op grond van de Wet BIBOB liggen niet ter inzage. Deze gegevens hebben een persoonlijk karakter. Zij betreffen de antecedenten van de aanvrager, van degene die bouwt en van degene die in het te bouwen bouwwerk bepaalde activiteiten onderneemt. Deze gegevens zijn gevoelig voor misbruik en liggen niet ter inzage. Wabo De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) introduceert de omgevingsvergunning. De bouwvergunning en de sloopvergunning op grond van hoofdstuk 8 maken deel uit van de omgevingsvergunning en worden in de bouwverordening aangeduid als omgevingsvergunning voor het bouwen (art. 2.1Wabo) en omgevingsvergunning voor het slopen (art. 2.2, lid 1, onder a. Wabo). De Wabo heeft gevolgen voor de vergunningen en ontheffingen van de bouwverordening. De bouwverordening is met de 2e wijziging zgn. Wabo-proof gemaakt. De gefaseerde behandeling van een vergunningaanvraag en de vergunningverlening zoals bekend onder de Woningwet, is ook onder de Wabo mogelijk ten aanzien van de omgevingsvergunning. Voorwaarden voor bouwafval in de omgevingsvergunning voor het bouwen Aan de omgevingsvergunning voor het bouwen kunnen voorwaarden worden verbonden over de wijze van scheiden in fracties, over het tijdelijk op de bouwplaats opslaan en over het afvoeren c.q. het zich ontdoen van het bouwafval. Deze voorwaarden dienen ter uitvoering van hetgeen is bepaald in artikel 4.
  23. Veelal is het nodig voor de fractie gevaarlijk afval aan te geven welke (chemische) stoffen niet bij elkaar mogen. Een voorwaarde voor de opslag kan betreffen het in een afgesloten ruimte bewaren van het afval. Voor de opslag en de afvoer kan gedacht worden aan een voorwaarde voor de verpakking. Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek Inleiding De artikelen over het bodemonderzoek hebben tot doel te bevorderen dat niet wordt gebouwd op verontreinigde grond. Artikel 2.4.1 bevat het verbod tot bouwen op verontreinigde grond. Bij dit artikel is een uitvoerige toelichting geplaatst waarin de hele route van een bodemonderzoek wordt beschreven, de van toepassing zijnde normen en de relatie wordt aangeduid met de voorschriften uit de Woningwet en de Regeling omgevingsrecht. De hierna vermelde toelichting per artikellid is beknopt. Een uitvoeriger beschrijving van het hele proces staat vermeld in de toelichting bij artikel 2.4.
  24. Men gelieve beide toelichtingen in combinatie met elkaar te lezen. Lid 1 Uit de systematiek van NEN 5740 volgt dat voorafgaand aan het milieuhygiënisch bodemonderzoek eerst een vooronderzoek volgens NEN 5725 wordt uitgevoerd - ook wel historisch onderzoek genoemd - ten behoeve van het formuleren van de onderzoekshypothese en een eventuele onderverdeling van het terrein. Indien het vooronderzoek naar de historie en de bodemgesteldheid uitwijst dat de locatie onverdacht is, kan het bevoegd gezag op basis van het derde lid besluiten af te wijken van de verplichting tot het uitvoeren van het verkennend onderzoek. Letter c richt zich specifiek op het onderzoek naar asbest in de grond. Het bodemonderzoek volgens NEN 5740 is niet toereikend om asbest in grond te onderzoeken. Daartoe is de NEN 5707, uitgave 2003 ontwikkeld. Niet langer is in dit artikel geregeld bij welke instantie de burger een beoordeling van de onderzoeksopzet van het bodemonderzoek kan vragen. Thans wordt dit beschouwd als een interne organisatorische kwestie van de gemeente. De mogelijkheid om een dergelijke beoordeling te vragen kan nog steeds als dienstverlening aan de burger worden aangeboden. De gemeente maakt bekend dat en waar een dergelijke beoordeling kan plaatsvinden. Meestal is dit een afdeling of dienst milieu of een intergemeentelijke milieudienst dan wel een private organisatie/adviesbureau waaraan de gemeente bepaalde werkzaamheden heeft uitbesteed. Lid 3 In plaats van de ontheffing, die voorheen in dit lid stond, is nu een bevoegdheid tot het afwijken opgenomen. De afwijking vindt plaats door deze op te nemen in de omgevingsvergunning. Er komt geen afzonderlijk besluit tot het afwijken, geen beschikking. De omgevingsvergunning van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is er immers op gericht alles in één brede omgevingsvergunning te regelen. Lid 4 De MBV bevat een regeling dat kan worden afgewezen van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport voor bouwwerken met een beperkte instandhoudingstermijn. In de bouwverordening van Pijnacker-Nootdorp is dat niet overgenomen. Er kunnen immers meer bouwwerken of situaties zijn die afwijking van de indieningsplicht van een onderzoeksrapport rechtvaardigen. Lid 5 De strekking van dit lid is het tegengaan dat een bodemonderzoek plaatsvindt voordat de bestaande bebouwing wordt gesloopt en eventueel ten gevolge van deze werkzaamheden een bodemverontreiniging optreedt die dan niet wordt gesignaleerd. Dit betekent dat het resultaat van een bodemonderzoek niet altijd kan worden overgelegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen. Daarom behoort dit onderzoek tot de bescheiden die ook later kunnen worden ingediend. Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde grond Algemeen In het tweede lid, onder c, van artikel 8 van de Woningwet wordt aan de gemeenteraden de opdracht gegeven om in de bouwverordening voorschriften op te nemen over het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. In het derde lid van genoemd artikel 8 is uitgewerkt op welke bouwwerken deze voorschriften betrekking dienen te hebben. Het woord 'uitsluit

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.