Handreiking en beoordeling ruimtelijke plannen1 Doel, status en opzet van de handreiking 1.1 Inleiding De Handreiking en beoordeling ruimtelijke plannen vervangt de Handleiding en Beleidsregels ruimtelijke ordening
(1997). In de Handreiking komen onderwerpen aan de orde die van belang zijn voor het opstellen en beoordelen van ruimtelijke plannen van gemeenten. Het belangrijkste doel van de Handreiking is om de beleidsregels voor het beoordelen van bestemmingsplannen en andere ruimtelijke plannen in overeenstemming te brengen met het Streekplan Overijssel 2000+ en een aantal recente ontwikkelingen. Wij denken daarbij aan jurisprudentie, actuele items, wetswijzigingen en ervaringen naar aanleiding van de planbehandeling in de Provinciale Commissie voor de Fysieke Leefomgeving (voorheen Provinciale Planologische Commissie) of bij het ambtelijk overleg. 1.2 Doel De Handreiking kan worden gezien als een leidraad voor het opstellen van ruimtelijke plannen. Als plannen overeenkomstig de Handreiking worden voorbereid en ingericht kunnen de gemeenten in het algemeen op onze medewerking of goedkeuring rekenen. Bedenkingen kunnen daar soms bij in de weg staan. Het is belangrijk om vooraf aan te geven waar gemeenten rekening mee kunnen of moeten houden. Gemeenten kunnen daar op anticiperen zodat procedures niet onnodig worden vertraagd. De Handreiking is bedoeld om: • gemeenten duidelijkheid te geven over de manier waarop wij gemeentelijke plannen inhoudelijk beoordelen: de voorspelbaarheid van de plantoetsing; • een bijdrage te leveren aan de doorwerking van rijks- en provinciaal ruimtelijk beleid; • gemeenten informatie te verschaffen voor het opstellen van ruimtelijke plannen; • gemeenten te stimuleren tot het ontwikkelen van een adequaat ruimtelijk beleid en actuele bestemmingsplannen; • informatie te verstrekken over de administratieve vereisten voor het inzenden van bestemmingsplannen of het aanvragen van een verklaring van geen bezwaar. 1.3 Status De in de Handreiking opgenomen beleidsregels kunnen nooit het streekplanbeleid terzijde schuiven. Het wijzigen van het provinciaal ruimtelijk beleid kan alleen door het vaststellen van een nieuw streekplan. In de Handreiking wordt het streekplan daar waar nodig geconcretiseerd. Daarbij houden wij rekening met relevante wetgeving of beleid van andere overheden. De beleidsregels zijn niet uitputtend. Het gaat om een selectie van relevante onderwerpen. Formeel heeft de Handreiking de status van beleidsregels zoals bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht. Van beleidsregels kan alleen in bijzondere omstandigheden worden afgeweken. Dat vraagt om een goede motivering. Er zijn echter grenzen aan het afwijken van de beleidsregels in de Handreiking. Zo wordt op sommige plaatsen in de tekst rechtstreeks verwezen naar relevante regelgeving, zoals bijvoorbeeld de Wet geluidhinder. Afwijking is evenmin mogelijk in gevallen waarvoor in het streekplan een procedure tot herziening, afwijking of uitwerking is voorgeschreven. 1.4 Actualisering handreiking De Handreiking bevat verschillende nieuwe onderwerpen, maar is nooit af. Ruimtelijke en maatschappelijke ontwikkelingen wijzigen voortdurend. Ook nu zien we dat de ontwikkelingen in rap tempo voortgaan. Dat kan tot aanpassing van beleid of regelgeving leiden. Op het gebied van het ruimtelijk beleid kunt u denken aan de Vijfde Nota (concept), de fundamentele herziening van de WRO, convenanten over windenergie en water, wijziging van de Woningwet, etc. De Vijfde Nota is in concept verschenen, wordt nog aangepast en zal waarschijnlijk een andere naam krijgen (rijksnotitie "Ruimte"). In deze handreiking hanteren wij de term Vijfde Nota (concept). Ook ontwikkelingen op meer aanverwante beleidsterreinen kunnen van belang zijn voor het ruimtelijk beleid van provincie en gemeenten. Voorbeelden zijn: het nieuwe nationale milieubeleidsplan, voorgenomen wijzigingen van de Onteigeningswet, de Wet voorkeursrecht gemeenten, de Wet geluidhinder, de Reconstructiewet. Vastgesteld nieuw beleid zal door ons zo snel mogelijk worden verwerkt. In de tussentijd vinden wij het echter van groot belang dat gemeenten in een zo vroeg mogelijk stadium duidelijkheid krijgen over onze nieuwe wensen of opvattingen. Onzekerheden zullen echter niet altijd te vermijden zijn. Wij proberen via het ambtelijk overleg en het vooroverleg ex artikel 10 Bro in een zo vroeg mogelijk stadium duidelijkheid te geven over de gevolgen van nieuwe ontwikkelingen voor ons goedkeuringsbeleid. Wanneer daar aanleiding voor is zullen wij separate aanvullingen of aanpassingen van de Handreiking opstellen. 1.5 Opzet en leeswijzer Hoofdstuk 1 Doel, status en opzet van de Handreiking Dit onderdeel bevat algemene informatie over de bedoeling van de Handreiking en wordt afgesloten met een leeswijzer. Hoofdstuk 2 Aandachtspunten planvorming en planbeoordeling In hoofdstuk 2 gaan wij in op een aantal aandachtspunten voor de planbeoordeling en planvorming: selectieve plantoetsing, algemene opmerkingen over onderzoek en uitvoerbaarheid van bestemmingsplannen, de plansystematiek, structuurplannen en -visies alsmede de vrijstelling van de herzieningsplicht van bestemmingsplannen. Ook wordt aandacht besteed aan het actualiseren en handhaven van bestemmingsplannen. Hoofdstuk 3 Artikel 19 Wet op de Ruimtelijke Ordening Een nieuw element is de provinciale vrijstellingenlijst ex artikel 19, lid 2 WRO. In het geval er bij gemeenten zienswijzen zijn ingediend tegen een voorgenomen vrijstelling ex artikel 19, lid 2 WRO hoeven Burgemeester en Wethouders niet langer om een specifieke verklaring van geen bezwaar te vragen. De vrijstellingsprocedure kan zonder tussenkomst van de provincie worden afgehandeld. Hoofdstuk 4 Provinciaal planologisch beleid De kern van de Handreiking is terug te vinden onder het hoofdstuk provinciaal planologisch beleid. Daarbij is gekozen voor de indeling stedelijk gebied, groene ruimte, milieu, water en overige onderwerpen. Binnen deze indeling wordt aan de hand van een vaste opzet inhoudelijk ingegaan op de verschillende beleidsonderwerpen. Voor een groot aantal items zijn de belangrijkste aandachtspunten in kaders samengevat. Dat wil overigens niet zeggen dat de overige tekst van minder belang is. De tekst na de kaders is bedoeld om de noodzaak van de criteria uit te leggen en nuanceert daar waar nodig of mogelijk. Ook wordt vooruit gekeken naar nieuw beleid en relevante ontwikkelingen. Een aantal onderwerpen wordt afgesloten met verwijzingen naar relevante (provinciale) nota's, publicaties en literatuur. De verwijzingen zijn bedoeld als dienstverlening en kunnen worden gebruikt bij de onderbouwing, opzet en vormgeving van ruimtelijke plannen. Hoofdstuk 5 Overleg en inzendingsvereisten Dit onderdeel geeft informatie over de in te zenden stukken, werkwijze en afspraken over het (voor)overleg met de eenheid Ruimte, Wonen en Bereikbaarheid en advisering door de Provinciale Commissie voor de Fysieke Leefomgeving. Leeswijzer De inhoudsopgave is als ingang te gebruiken. De behandelde beleidsitems zijn gerubriceerd en daardoor makkelijk terug te vinden. Voor de toepassing in de dagelijkse praktijk kan in de meeste gevallen waarschijnlijk worden volstaan met het onderdeel provinciaal planologisch beleid. De Handreiking is dusdanig van opzet dat dit onderdeel zelfstandig te gebruiken is. Toch willen wij de gemeenten vragen om het inhoudelijke beleid zoveel mogelijk in relatie te brengen met onze uitgangspunten voor de planvorming en (selectieve) planbeoordeling. Het onderdeel over provinciaal planologisch beleid is opgezet als een checklist. 2 Aandachtspunten voor planvorming en planbeoordeling 2.1 Inleiding In dit onderdeel van de Handreiking gaan wij allereerst in op de uitgangspunten voor het toetsen van ruimtelijke plannen. Daarna komen aspecten aan de orde die van belang zijn voor het voeren van een goed ruimtelijk beleid: het opstellen van structuurplannen, het verrichten van onderzoek, de uitvoerbaarheid van plannen, de juridische regelgeving in het bestemmingsplan en het actualiseren en handhaven van bestemmingsplannen. 2.2 Uitgangspunten beoordeling ruimtelijke plannen Bij het begeleiden en het beoordelen van gemeentelijke plannen moeten wij rekening houden met het volgende kader: 2.2.1 Wetten en jurisprudentie Gemeentelijke plannen mogen niet in strijd zijn met de wet, vaste jurisprudentie of algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Bij een dergelijke strijd moeten wij goedkeuring onthouden. Artikel 10 van de WRO noemt het centrale uitgangspunt: "een goede ruimtelijke ordening". Wij zien overigens sinds de invoering van de Awb een aanscherping van de toetsing op rechtmatigheidsaspecten door de rechter. Dat betekent dat wij nadrukkelijk op de procedurele en juridische aspecten zullen letten en aandacht vragen voor het correct toepassen van procedures en publicaties, een zorgvuldige belangenafweging en een doelmatige motivering van besluiten. Daarnaast is sprake van een toenemende invloed van de Europese wetgeving. Wij zullen daar, net als gemeenten, alert op moeten zijn. 2.2.2 Rijksbeleid en provinciaal ruimtelijk beleid Het (ruimtelijk) beleid van het Rijk wordt vastgelegd in structuurschetsen, planologische kernbeslissingen, circulaires, etc. Een sprekend en recent voorbeeld is de Vijfde Nota (concept). Het rijksbeleid is zo veel mogelijk verwerkt in het Streekplan Overijssel 2000+. In het streekplan zijn verschillende ruimtelijk relevante onderdelen van het Waterhuishoudingsplan en het Milieubeleidsplan Overijssel 2000+ verwerkt. Het streekplan en de Handreiking vormen samen het belangrijkste toetsingskader voor de goedkeuring van ruimtelijke plannen. Ook andere provinciale nota's met ruimtelijk relevant beleid kunnen in de planbeoordeling worden betrokken. 2.2.3 Bedenkingen In het kader van de WRO kunnen bedenkingen tegen ruimtelijke plannen worden ingediend. Deze kunnen betrekking hebben op zowel hoofdzaken als details. Jurisprudentie maakt duidelijk dat wij in dergelijke gevallen gehouden zijn tot een beoordeling op detailniveau. Gevolg kan zijn dat wij aan onderdelen van een plan goedkeuring moeten onthouden, terwijl daar bij het vooroverleg geen opmerkingen over zijn gemaakt. 2.3 Plantoetsing 2.3.1 Terughoudend en selectief Wij willen onszelf terughoudend opstellen bij het toetsen van gemeentelijke ruimtelijke plannen. Dat zal niet altijd mogelijk zijn. Ingeval van bedenkingen dwingt de jurisprudentie tot een beoordeling op detailniveau, en soms zullen wij vanwege strijd met wetgeving of jurisprudentie goedkeuring aan bestemmingsplannen moeten onthouden. Dat neemt niet weg dat wij ons primair richten op de doorwerking van het provinciaal ruimtelijk beleid. De terughoudende opstelling krijgt onder andere gestalte in een verruiming van het artikel 19 WRO beleid. Ten aanzien van de doorwerking van het streekplanbeleid willen wij zo selectief mogelijk te werk gaan. Dat wil zeggen: toespitsen op zaken van bovengemeentelijk belang en voor de lokale zaken een ruime mate van beleidsruimte overlaten aan de gemeenten. Het streekplan geeft aan waar de accenten behoren te liggen. Deze accenten worden nader uitgewerkt in hoofdstuk 4 over het provinciaal planologisch beleid. De toegenomen beleidsvrijheid is niet alleen met de vrijstellingenlijst ex artikel 19 WRO gerealiseerd. Wij denken bijvoorbeeld ook aan ruimere parkeernormen, detailhandel bij station- en tanklocaties, een groter agrarisch bouwperceel, geen maximale bebouwingshoogte op agrarische bouwpercelen, meer nevenactiviteiten op het agrarisch bouwperceel, een vergroting van de maximale inhoud van burgerwoningen, agrarische en niet-agrarische bedrijfswoningen, een verruiming van de toegestane oppervlakte van bijgebouwen bij burgerwoningen in zowel nieuwbouw- als saneringssituaties, het splitsen van voormalige (karakteristieke) boerderijen en woonzorgcomplexen. Hier passen twee kanttekeningen bij:
- Minder mag. Gemeenten maken binnen het ruimtelijk beleid hun eigen afweging en zijn niet gehouden om de maximale mogelijkheden te benutten.
- De verruiming kan (ook per gemeente) worden teruggedraaid. Bijvoorbeeld als een evaluatie van ons beleid daar aanleiding toe geeft of als bij herhaling blijkt dat een gemeente het ruimtelijk beleid onvoldoende serieus neemt. Daar kan ook het niet nakomen van de afspraken uit het convenant "De ruimte op orde" onder vallen. Zie 2.5 actualisering en handhaving bestemmingsplannen. 2.3.2 Ruimtelijke kwaliteit en gebiedsgericht beleid Ruimtelijke kwaliteit en gebiedsgericht beleid zijn belangrijke uitgangspunten voor het maken en toetsen van ruimtelijke plannen. Ruimtelijke kwaliteit heeft te maken met de leefomgeving, duurzaamheid en leefbaarheid alsmede de gebruiks- en belevingswaarde van een gebied. Het begrip "ruimtelijke kwaliteit" wordt niet alleen in het streekplan gebruikt. We zien het bijvoorbeeld terug in de Vijfde Nota (concept) en het voorontwerp van de fundamentele herziening van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. De Vijfde Nota (concept) noemt 7 criteria van ruimtelijke kwaliteit: ruimtelijke diversiteit; economische en maatschappelijke functionaliteit; culturele diversiteit; sociale rechtvaardigheid; duurzaamheid; aantrekkelijkheid en menselijke maat. Eén ding is zeker, ruimtelijke kwaliteit is een breed en dynamisch begrip. Hoe die ruimtelijke kwaliteit wordt ingevuld is afhankelijk van de aard van het gebied, de problematiek of de verschillende aspecten van de ruimtelijke kwaliteit die aan de orde zijn en de heersende maatschappelijke opvattingen over de kwaliteit van de (leef)omgeving. Een beeld dat kan wisselen naar plaats en tijd. In de hoofdstukken stedelijk gebied en groene ruimte wordt het begrip ruimtelijke kwaliteit nader uitgewerkt. Op dit moment volstaan wij met de constatering dat het begrip "goede ruimtelijke ordening" breed wordt opgevat. Een goede ruimtelijke ordening draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving en omvat zowel ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid als milieu- en waterkwaliteiten. En dat is precies waar het in het streekplan, milieubeleidsplan en waterhuishoudingsplan om gaat. In het buitengebied zien wij dat de optelsom van al het "kleine bouwen" de kwaliteit en beleving van de groene ruimte onder druk zet. Dat kan in een aantal gevallen nopen tot het stellen van een algemene norm, bijvoorbeeld maximale inhoudsmaten voor het beschermen van de basiskwaliteit. Een gebiedsgerichte aanpak, met aandacht voor het streekeigen karakter en regionale problemen, vinden wij uitermate geschikt voor het verbeteren of versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Het gaat dan om de bestaande kwaliteit en identiteit van een gebied en de ruimtelijke ontwikkelingen die daarbinnen plaats (gaan) vinden. Dat vraagt om maatwerk; juist gemeenten zijn in staat om dat te leveren. Wij vinden het belangrijk om gemeenten die ruimte ook te bieden. Als er garanties zijn voor een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit kan dat aanleiding zijn om van de algemene norm af te wijken. Zie bijvoorbeeld de paragraaf over vrijkomende agrarische gebouwen. 2.4 Structuurplannen en structuurvisies Wij vinden het een goede zaak als gemeenten hun hoofdlijnen van ruimtelijk beleid neerleggen in structuurplannen, -schetsen of -visies. Het is daarnaast altijd mogelijk om deelstructuurplannen te maken. Het Streekplan Overijssel 2000+ bevat verschillende uitspraken en uitgangspunten die het belang daarvan onderstrepen. Wij denken dan bijvoorbeeld aan detailhandelsvisies, gemeentelijke volkshuisvestingsplannen, watervisies, etc. Wij hechten aan het opstellen van structuurplannen en dergelijke. Het kan de basis vormen voor bestuurlijke afspraken en de onderbouwing geven voor bestemmingsplannen of bouwplannen ex artikel 19 WRO. Bovendien kunnen structuurvisies en -plannen goed gebruikt worden voor een interactief planproces waarbij vanaf het begin rekening wordt gehouden met de opvattingen van de bewoners en andere belanghebbenden. Dat kan er in belangrijke mate toe bijdragen dat er draagvlak ontstaat voor nog in procedure te brengen plannen. 2.5 Actualisering en handhaving bestemmingsplannen Wij kunnen het belang van tijdig actualiseren en adequaat handhaven van bestemmingsplannen niet genoeg benadrukken. Reden genoeg om verheugd te zijn dat alle Overijsselse gemeenten en de VNG (afdeling Oost) medio april 2002 het convenant "De ruimte op orde" hebben ondertekend. Onder actualiseren begrijpen wij overigens ook de artikel 30 WRO verplichting om een bestemmingsplan na onthouding van goedkeuring, binnen een jaar, te herzien. In onze brief van 16 juli 2002 hebben wij richting gemeenten de afspraken kort toegelicht. Het komt nu aan op uitvoering. De meest in het oog springende onderdelen van het convenant zijn: gemeenten stellen een programma op voor het stelselmatig actualiseren van bestemmingsplannen. Daarbij wordt gestreefd naar een vermindering van het aantal plannen en een vermindering van het aantal planvoorschriften. De nieuwe bestemmingsplannen zijn digitaal uitwisselbaar; gemeenten zorgen voor een adequaat niveau van handhaving. Dat betekent ook het uitoefenen van structureel en planmatig toezicht. Handhaving wordt (integraal) verankerd binnen de gemeentelijke organisatie; alle gemeenten dienen vóór 18 december 2002 een plan van aanpak in, voor zowel actualisering als handhaving van bestemmingsplannen; gemeenten stellen een jaarverslag op, dat inzicht geeft in het actualiseren en handhaven van bestemmingsplannen. Een afschrift van het jaarverslag over 2002 is uiterlijk 31 mei 2003 in ons bezit; een stuurgroep zal de voortgang van het project begeleiden. 2.6 Onderzoek, uitvoerbaarheid, plantoelichting en overleg Artikel 9 en 12 Bro bevatten bepalingen over onderzoek naar en uitvoerbaarheid van bestemmingsplannen. Onder uitvoerbaarheid wordt verstaan de maatschappelijke en de financiële uitvoerbaarheid. Op grond van de onderzoeksverplichting verwachten wij dat er in ieder geval een goede inventarisatie van het plangebied wordt gemaakt. Sommige plannen brengen financiële consequenties met zich mee. De aanvraag om goedkeuring van een vastgesteld bestemmingsplan verschaft in die gevallen alle relevante informatie, nodig voor het beoordelen van de financiële haalbaarheid. Niet alleen de verwachte opbrengsten, maar ook de kosten die betrekking hebben op bijvoorbeeld bodemsanering, geluidsvoorzieningen, aankopen, etc. Voor plannen met een tekort wordt de dekking aangegeven. Bij de maatschappelijke uitvoerbaarheid denken wij aan de relatie tussen de uitvoerbaarheid van het plan en de te verwachten maatschappelijke ontwikkelingen. Een evenwichtige afweging van alle betrokken belangen is daarbij onmisbaar. De toelichting bij het ruimtelijk plan, of het daaraan ten grondslag liggende besluit, zal voldoende inzicht moeten bieden in die afweging. In deze Handreiking wordt regelmatig gewezen op het belang en de noodzaak van een goede plantoelichting. Een goede en draagkrachtige onderbouwing kan bijdragen aan een snelle en adequate afhandeling van gemeentelijke plannen. Het stelt ons bovendien in staat om inhoud te geven aan een terughoudende plantoetsing. Als dat nodig is zullen wij bij gemeenten aandringen op een betere of aanvullende toelichting. In het ergste geval is een ontoereikende motivering aanleiding om goedkeuring aan plannen te onthouden. In alle gevallen geldt, dat wij goed en tijdig overleg met alle betrokken partijen van groot belang vinden. Gemeenten motiveren in de plantoelichting hoe zij op grond van gedegen onderzoek tot een analyse van de problemen in het plangebied zijn gekomen. En hoe de op basis daarvan gemaakte beleidskeuzes in het bestemmingsplan zijn geregeld. De toelichting bevat daartoe naast de wettelijk verplichte onderdelen in ieder geval: een beschrijving van het plangebied en de geldende planologische situatie; de toetsing aan rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid; de toetsing aan de regelgeving voor veiligheid en milieu; aandacht voor de ruimtelijke kwaliteit, waaronder duurzame stedenbouw en duurzaam bouwen; een waterparagraaf; een passage over de handhaving en handhaafbaarheid van het bestemmingsplan; een verslag (of samenvatting) van de inspraak en het overleg ex artikel 10 Bro. 2.7 Planvormen en plansystematiek Wij zien grote voordelen in (een zekere mate van) standaardisering van plannen en planvoorschriften binnen een gemeente. Een handig hulpmiddel is het NIROV-rapport "Op dezelfde leest II". Binnenkort zal het rapport "Op de digitale leest" verschijnen. De keuze voor de planvorm en/of de plansystematiek is overigens primair een gemeentelijke aangelegenheid. Dat neemt niet weg dat de keuze voor de meest wenselijke planvorm een bewuste keuze moet zijn. Globaliteit en flexibiliteit zijn van belang om bestemmingsplannen zo lang mogelijk actueel te houden. De aard van het plangebied speelt daarbij een belangrijke rol. In zijn algemeenheid zijn wij voorstander van een zo eenvoudig en sober mogelijke regeling waarin niet meer wordt geregeld dan strikt noodzakelijk is. 2.7.1 Voorschriften Belangrijk is dat de voorschriften duidelijk, eenduidig, handhaafbaar en gebruiksvriendelijk zijn. De beschrijving in hoofdlijnen wil nogal eens voor onduidelijkheid zorgen. Wij pleiten dan ook voor een terughoudend gebruik. Het kan geen kwaad om in plaats van de beschrijving in hoofdlijnen (meer) gebruik te maken van de traditionele flexibiliteits- en vrijstellingsbepalingen van de WRO. De (overwegend) stedenbouwkundig of architectonisch getinte normen kunnen dan worden vastgelegd in een gemeentelijke welstandsnota of beeldkwaliteitsplan. Daar kan in de plantoelichting naar verwezen worden. Als gemeenten gebruik maken van een beschrijving in hoofdlijnen, zal de toelichting bij het ruimtelijk plan inzicht moeten geven in doel, functie en status. 2.7.2 Plankaart Artikel 16 Bro bevat de eisen waar een plankaart aan moet voldoen. Als gemeenten gebruik maken van meerdere plankaarten zal tenminste duidelijk moeten zijn welke kaarten als juridisch bindend gelden. 2.8 Vrijstelling herzieningsplicht bestemmingsplannen Vrijstellingverlening ingevolge artikel 19, lid 1 WRO (zelfstandige projectprocedure) is wettelijk uitgesloten als het geldende bestemmingsplan niet binnen de in artikel 33 WRO genoemde termijn van tien jaar is herzien tenzij wij vrijstelling voor de herzieningsplicht verlenen, voor het gebied een voorbereidingsbesluit geldt, of een ontwerp-bestemmingsplan ter inzage is gelegd. 2.8.1 Plannen waarvoor GS vrijstelling van de herzieningsplicht kan verlenen Voor plannen die twintig jaar of langer vigeren kan géén vrijstelling worden verleend. Het tijdstip waarop de vrijstelling een aanvang kan nemen, is tien jaar na het verkrijgen van rechtskracht c.q. het in werking treden van het bestemmingsplan. Een verzoek om vrijstelling voor plannen die langer dan 10 jaar van kracht zijn, kan worden toegekend voor maximaal 10 jaar met aftrek van de tijd tussen het "normale" wettelijke herzieningstijdstip en het tijdstip van de aanvraag. Bij plannen die partieel zijn herzien, wordt per situatie bekeken of de verplichting ex artikel 30, lid 1 rust op het herziene plan of het oorspronkelijke plan. Voor plannen die slechts op één of enkele op zichzelf staande onderdelen partieel zijn herzien, geldt in beginsel dat de herzieningsplicht betrekking heeft op het oorspronkelijke plan. 2.8.2 Criteria voor het verlenen van vrijstelling Gemeenten moeten aannemelijk maken dat het bestemmingsplan nog voldoende actueel en toekomstgericht is. Afhankelijk van het plan kan overleg met de Provinciale Commissie voor de Fysieke Leefomgeving of het Inspectoraat-Generaal VROM, regio Oost geboden zijn. De onderbouwing van een verzoek om vrijstelling geeft tenminste antwoord op de volgende vragen: Is het bestemmingsplan in overeenstemming met geldend provinciaal en rijksbeleid? Gaat het om een gebied met een hoge of lage ruimtelijke dynamiek? Wordt in het plan voldoende rekening gehouden met nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen of wetgeving (waaronder milieu en externe veiligheid)? Is het bestemmingsplan voldoende flexibel of globaal? Hoeveel malen en in welke situaties heeft in het plangebied toepassing van artikel 19 WRO (lid 1) plaatsgevonden? Zijn er al veel partiële herzieningen? De termijn waarvoor vrijstelling wordt gevraagd en de motivering van het vrijstellingsverzoek. Beschikt de gemeente over een actualiseringsprogramma met een duidelijke taak- of prioriteitstelling en beschikt zij daarvoor over voldoende budget? 3 Artikel 19 Wet op de Ruimtelijke Ordening 3.1.1 Algemeen In artikel 19, lid 1 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) is de zelfstandige projectprocedure geregeld. Het gaat hierbij om een zware vrijstellingsprocedure voor projecten die niet onder het tweede en derde lid van artikel 19 WRO vallen. Voor deze projecten is de gemeenteraad bevoegd gezag, waarbij altijd een verklaring van geen bezwaar van ons college is vereist en waarbij het horen van de regionaal inspecteur VROM, regio Oost is voorgeschreven. Voorwaarde voor toepassing van deze procedure is dat het project voorzien is van een goede ruimtelijke onderbouwing. 3.1.2 Rol en functies bestemmingsplan in relatie tot artikel 19 WRO De introductie van de zelfstandige projectprocedure betekent een wijziging van het exclusieve karakter van het bestemmingsplan. Naast het bestemmingsplan als planologisch instrument hebben gemeen-ten nu ook de beschikking over de zelfstandige projectprocedure. Wij benadrukken dat de rol en de functies van het bestemmingsplan onveranderd blijven. Het bestemmingsplan heeft en houdt een aantal belangrijke functies. Het bestemmingsplan blijft van groot belang als document, waarin het door de gemeente gewenste ruimtelijk beleid wordt beschreven en dient tevens als kader waarin het beheer en gebruik van gronden en gebouwen juridisch wordt geregeld. Het bestemmingsplan blijft onverkort nodig als toetsingskader voor aanvragen voor bouwvergunningen en gebruiksveranderingen. Ook voor de doorwerking van het ruimtelijk beleid van Rijk en provincie in het gemeentelijk beleid en ten behoeve van onteigening en de vestiging van het voorkeursrecht is het bestemmingsplan onmisbaar. Wij wijzen er op dat bij het verlenen van vrijstelling ten behoeve van een project het bestemmingsplan zelf inhoudelijk niet is gewijzigd, maar alleen terzijde is gesteld voor zover het project daarmee in strijd is. Voor het overige blijft het bestemmingsplan in zijn geheel van kracht. Dit betekent dat voor elke verandering van het oorspronkelijke project weer vrijstelling nodig is met de bijbehorende procedure. Om die reden kan het veel aantrekkelijker zijn om te beschikken over een actueel bestemmingsplan op basis waarvan zonder nadere afweging of extra procedures een bouwvergunning voor daarin passende projecten kan worden verleend. In het andere geval moet voor elk project steeds afzonderlijk een vrijstellingsprocedure worden doorlopen. Het vorenstaande geldt ook voor gebruiksveranderingen, aangezien alleen het afwijkend gebruik is toegestaan dat is aangegeven in de vrijstelling. Voor elk ander gebruik is de geldende bestemmingsregeling toetsingskader. 3.1.3 Wat wordt verstaan onder een project? Overeenkomstig de bedoeling van de wetgever kan aan het begrip "project" een ruime betekenis worden toegekend. Dit betekent dat projecten naar aard, omvang en planologische uitstraling aanzienlijk uiteen kunnen lopen. Het kan gaan om onder meer de bouw van een enkele woning, de aanleg van een weg, het realiseren van een bedrijf, de ontwikkeling van een woonwijk of zelfs een gebruiksverandering van een gebouw of een perceel. Wel geldt als voorwaarde dat een project in ruimtelijk en functioneel opzicht voldoende concreet moet zijn. 3.1.4 "Een goede ruimtelijke onderbouwing" De wettelijke voorwaarde voor het verlenen van vrijstelling ten behoeve van een project is de aanwezigheid van een goede ruimtelijke onderbouwing. Het verlenen van vrijstelling is niet langer verbonden met het in procedure brengen van een nieuw bestemmingsplan. Het in de jurisprudentie ontwikkelde urgentiecriterium is geen vereiste meer. Het in de wet opgenomen criterium "goede ruimtelijke onderbouwing" is te beschouwen als een nadere uitwerking van het bepaalde in artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), inhoudende dat een besluit voorzien dient te zijn van een deugdelijke motivering. In de wet is met opzet nagelaten een nadere omschrijving te geven van de vereiste goede ruimtelijke onderbouwing. Niet de vorm, maar de materiële inhoud van de onderbouwing is bepalend. De wetgever heeft weliswaar een voorkeur uitgesproken voor een (inter)gemeentelijk structuurplan als basis voor een goede ruimtelijke onderbouwing, maar deze kan ook zijn grondslag vinden in andere plannen en nota's, waarin het gemeentelijk ruimtelijk beleid is neergelegd. Hierbij kan het bijvoorbeeld gaan om een (ontwerp-)structuurvisie, een sectorale beleidsnota met ruimtelijke relevantie en uiteraard een ontwerp-bestemmingsplan. Wij wijzen er hierbij op dat een structuurplan of een structuurvisie weliswaar goede mogelijkheden biedt om als basis te dienen voor de noodzakelijke ruimtelijke onderbouwing, maar meestal is er sprake van een zodanig abstractieniveau dat ter onderbouwing van concrete projecten een verdere detaillering en concretisering nodig zijn. Wat betreft de te stellen eisen aan de inhoud van een goede ruimtelijke onderbouwing kan worden aangesloten bij de eisen die qua informatie en belangenafweging doorgaans aan een bestemmingsplan worden gesteld. Wij menen dat een goede ruimtelijke onderbouwing zich in ieder geval moet richten op de volgende zaken: een beschrijving van het project(gebied); een beschrijving van de geldende planologische situatie (inclusief plankaart en voorschriften); de ruimtelijke effecten van het project op de omgeving; de gemeentelijke visie op de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van het gebied; een toetsing aan het ruimtelijk beleid van Rijk en provincie; waar nodig aandacht voor hydrologische aspecten, cultuurhistorie en archeologie; een toetsing aan de wetgeving voor milieu (geluid, bodem, zonering, etc.) en externe veiligheid; de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid; een rapportage van de gehouden inspraak alsmede een verslag van het met diverse instanties gevoerde overleg; een beoordeling van eventueel tegen de voorgenomen vrijstelling ingebrachte zienswijzen. Uiteraard geldt dat de ruimtelijke onderbouwing niet in alle gevallen even omvangrijk behoeft te zijn. In het algemeen zal dit afhangen van de aard en omvang van het project, de mate van ingrijpendheid in de ruimtelijke structuur, de actualiteit van het gemeentelijk ruimtelijk beleid, de relevantie van het project voor het rijks- en provinciaal beleid en de aard en het gewicht van de eventueel tegen de vrijstelling ingebrachte zienswijzen. Indien de basis voor de te verlenen vrijstelling aanwezig is in door de gemeente vastgesteld actueel beleid kan voor de ruimtelijke onderbouwing van het project veelal worden verwezen naar dit beleid. Hierbij is wel van groot belang dat het betreffende beleid voldoende concreet is weergegeven en in voldoende mate is afgewogen. Tevens zal hierbij aandacht moeten worden besteed aan bovengenoemde aspecten. Indien een gemeente niet beschikt over actueel beleid, dan zal het een grotere inspanning vergen om de genoemde elementen voor de ruimtelijke onderbouwing op een goede wijze in beeld te brengen. Aan de hand van het concrete geval zal dan gemotiveerd moeten worden dat het project past in de voor het betrokken gebied gewenste ontwikkelingsrichting. 3.1.5 (Voor)overleg over projecten Indien een gemeente voornemens is vrijstelling te verlenen voor grotere en ingrijpende projecten waarbij voor de ruimtelijke onderbouwing niet kan worden teruggevallen op reeds actueel en in gemeentelijke beleidsdocumenten vastgelegd beleid dan dringen wij er op aan in een vroeg stadium hierover overleg te voeren met de rijksinstanties en provincie c.q. de Provinciale Commissie voor de Fysieke Leefomgeving (PCFL). Op deze wijze kan duidelijkheid worden verkregen over de haalbaarheid van het verkrijgen van een verklaring van geen bezwaar van ons college. Daarnaast raden wij aan om in voorkomende gevallen in contact te treden met de waterbeheerder. 3.1.6 Inspraak Wij wijzen er op dat ook artikel 6a van de WRO, waarin de inspraak is geregeld rond de voorbereiding van ruimtelijke plannen, is aangepast. Als gevolg van deze aanpassing zijn gemeenten verplicht om ook bij de toepassing van de zelfstandige projectprocedure inspraak te houden. 3.1.7 Procedure Wij attenderen er op dat de procedurevoorschriften die bij toepassing van artikel 19 WRO, artikel 46, lid 7 WRO en artikel 50, lid 5 Woningwet (WW) in acht moeten worden genomen, op onderdelen zijn aangevuld of gewijzigd. Nieuw is dat bij de voorbereiding van de besluitvorming voor een aanvraag om vrijstelling de in afdeling 3.4 van de Awb beschreven openbare voorbereidingsprocedure van toepassing is. Deze voorbereidingsprocedure verschilt in een aantal opzichten met die van het bestemmingsplan. Verder benadrukken wij dat onze beslistermijn waarbinnen wij een besluit dienen te nemen niet is gewijzigd. Op grond van artikel 19 WRO dienen wij binnen 8 weken na ontvangst van een aanvraag om verklaring van geen bezwaar ons besluit aan de gemeenteraad of in voorkomend geval aan Burgemeester en Wethouders toe te zenden. In verband met de korte beslistermijn dient de aanvraag om een verklaring van geen bezwaar vergezeld te gaan van alle voor de beoordeling van belang zijnde stukken. Indien één of meer van de gevraagde stukken ontbreekt kan dit, met inachtneming van het bepaalde in artikel 4:5 van de Awb leiden tot het niet in behandeling nemen van de aanvraag. Om onnodige vertraging in de afhandeling te voorkomen wijzen wij op de noodzakelijke afstemming van de vrijstelling met eventuele andere benodigde vergunningen en/of hogere grenswaarde (voor geluid). 3.1.8 Rol van de regionaal inspecteur VROM, regio Oost Wij wijzen in dit verband op de (belangrijke) rol van de regionaal inspecteur VROM, regio Oost bij de toepassing van de zelfstandige projectprocedure. Alvorens wij beslissen over een verzoek om een verklaring van geen bezwaar moet de inspecteur worden gehoord (artikel 19a, lid 7 WRO). Indien de inspecteur te kennen geeft dat een gewenst project in strijd is met het nationaal ruimtelijk beleid, dan zal hij dat in zijn advies kenbaar moeten maken. Wanneer wij voorbij gaan aan dit negatieve advies en de gevraagde verklaring van geen bezwaar toch afgeven, treedt dit besluit niet in werking. De minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer heeft dan 8 weken de tijd voor het nemen van een vervangingsbesluit, waarbij hij de verklaring van geen bezwaar weigert. 3.2 Artikel 19, lid 2 WRO Ten aanzien van artikel 19, lid 2 WRO onderscheiden wij twee situaties: het verlenen van een algemene verklaring van geen bezwaar en de vrijstellingenlijst. 3.2.1 Zienswijzen In het geval er bij gemeenten zienswijzen zijn ingediend tegen een voorgenomen vrijstelling ex artikel 19, lid 2 WRO hoeven Burgemeester en Wethouders ons niet langer om een specifieke verklaring van geen bezwaar te vragen. De vrijstellingsprocedure kan zonder tussenkomst van de provincie worden afgehandeld. 3.2.2 Ruimtelijke onderbouwing Wij wijzen er op dat ook bij vrijstelling ex artikel 19 WRO, lid 2 een goede ruimtelijke onderbouwing is vereist. Per geval zal gemotiveerd moeten worden dat het project past in de gewenste ruimtelijke ontwikkeling van het betrokken gebied. Indien deze ontwikkeling al is vastgelegd in een (ontwerp-) structuurplan, een (ontwerp-)bestemmingsplan of een ander ruimtelijk relevant beleidsdocument zal in beginsel naar dit beleid verwezen kunnen worden. Als dat niet mogelijk is, zal aan de hand van de concrete situatie een solide ruimtelijke onderbouwing geleverd moeten worden. 3.2.3 Opgave kwartaallijsten door gemeenten (monitoring) Om een goed inzicht te verkrijgen in de wijze waarop met de vrijstellingen ex artikel 19 WRO wordt omgegaan dient aan ons en aan de inspectie VROM na afloop van elk kwartaal een gespecificeerde opgave te worden gedaan van de in dat kwartaal verleende vrijstellingen. Wij hebben hiervoor een standaardformulier opgesteld. Ook als er geen vrijstellingen zijn verleend, dient hiervan opgave te worden gedaan. a. algemene verklaring van geen bezwaar Op verzoek van het gemeentebestuur kunnen wij een algemene verklaring van geen bezwaar afgeven. Wij zijn bereid voor ruimtelijke plannen waartegen blijkens het vooroverleg met de provinciale ambtelijke diensten en de regionaal inspecteur VROM c.q. de Provinciale Commissie voor de Fysieke Leefomgeving (PCFL) geen overwegende bezwaren bestaan en die beantwoorden aan de eisen van een goede ruimtelijke onderbouwing een dergelijke verklaring af te geven. Gemeenten kunnen een aanvraag om een algemene verklaring van geen bezwaar gelijktijdig indienen met het verzoek om advies van de provinciale diensten of de PCFL over een ruimtelijk plan van de gemeente. Wij verlenen alleen medewerking op basis van een positief advies van de provinciale dienst en/of de PCFL. Onder ruimtelijke plannen verstaan wij zowel (voor)ontwerp-bestemmingsplannen, (ontwerp-) structuurplannen, als ruimtelijke beleidsdocumenten voor specifieke ruimtelijke onderwerpen. Wat dit laatste betreft kan worden gedacht aan een nota over zomerhuizen, een regeling voor aan- en bijgebouwen, etc. Voor een structuurplan geven wij een verklaring van geen bezwaar alleen af, als de ruimtelijke ontwikkeling op een voldoende concreet schaalniveau is omschreven. Aan de geldigheid van een door ons af te geven verklaring verbinden wij een maximale termijn. De geldigheidsduur van een algemene verklaring voor een (voor)ontwerp-bestemmingsplan bepalen wij op maximaal 2 jaar. De geldigheidsduur van een algemene verklaring van geen bezwaar ten behoeve van een structuurplan en van ruimtelijk relevante beleidsdocumenten, stellen wij op maximaal 3 jaar. Aan de afgifte van een algemene verklaring van geen bezwaar verbinden wij standaard de volgende voorwaarden: • projecten waarvoor vrijstelling zal worden verleend dienen met het betreffende plan c.q. beleidsdocument in overeenstemming te zijn. Indien daarin nadien belangrijke wijzigingen zijn aangebracht, vallen deze niet onder het toepassingsbereik van de algemene verklaring van geen bezwaar, tenzij wij dit alsnog op verzoek van het gemeentebestuur hebben aangegeven; • de algemene verklaring van geen bezwaar geldt niet voor projecten die betrekking hebben op een beschermd stads- en dorpsgebied, zoals vermeld in de Memorie van Toelichting bij de wetswijziging; • wij geven geen algemene verklaring van geen bezwaar af voor vastgestelde bestemmingsplannen waartegen bij ons bedenkingen zijn ingediend. b. provinciale vrijstellingenlijst Het tweede lid van artikel 19 WRO geeft ons de bevoegdheid om met instemming van de VROM Inspecteur projecten aan te wijzen waarvoor Burgemeester en Wethouders vrijstelling kunnen verlenen. Wij streven ernaar om deze bevoegdheid maximaal te benutten. Hierdoor zal een wezenlijke bijdrage kunnen worden geleverd aan de vergroting van de beleidsruimte van gemeenten met tevens, door verkorting van de procedures, een vermindering van de lasten voor het bestuur en de burgers. Wij hebben (bouw)projecten opgenomen, die binnen de grenzen van de geldende regelgeving en het ruimtelijk beleid van Rijk en provincie, als een gemeentelijke aangelegenheid kunnen worden beschouwd. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen projecten in het stedelijk gebied en het buitengebied. projecten in het stedelijk gebied (bebouwde kom) A.1 het geheel of gedeeltelijk vernieuwen, veranderen, vervangen en uitbreiden van bestaande woningen/woongebouwen, mits het aantal woningen gelijk blijft; A.2 het geheel of gedeeltelijk vernieuwen, veranderen, vervangen en uitbreiden van andere gebouwen dan woningen/woongebouwen met uitzondering van gebouwen waarin bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend, dit mits de bestaande functie/bestemming behouden blijft en mits het aantal bestaande gebouwen gelijk blijft; A.3 het realiseren van projecten voor kleinschalige lokale maatschappelijke voorzieningen van educatieve, sociaal-medische en levensbeschouwelijke aard, dit met uitzondering van projecten op een bedrijfsterrein; A.4 de incidentele aanleg van nieuwe kleinschalige parkeervoorzieningen en kleinschalige groenvoorzieningen, mits deze niet samenhangen met een nieuwe planmatige uitbreiding; A.5 het realiseren van projecten voor openbare nutsvoorzieningen, voorzieningen voor het openbaar vervoer of het wegverkeer met een maximum oppervlak van 50 m2; A.6 wijziging van het gebruik van bestaande bedrijfsgebouwen, kantoren, winkels en bijzondere gebouwen voor woonbebouwing, mits passend in de overeengekomen woningbouwprogrammering; A.7 wijziging van het gebruik van een bestaand gebouw naar winkel mits passend in een detailshandelsvisie en gesitueerd in een winkelconcentratiegebied, naar kantoor mits niet in strijd met het mobiliteitsbeleid en naar bijzondere doeleinden (zoals een school, bejaardenhuis, of gezondheidscentrum) mits niet gesitueerd op een bedrijfsterrein. projecten in het landelijk gebied (buitengebied) B.1 incidentele woningen, passend binnen het buurtschappenbeleid. Als blijkt dat er veel meer vrijstellingen worden verleend dan in de afgelopen jaren, zullen wij de vrijstellingen weer zelf gaan beoordelen. De grens ligt bij een aantal van 20 vrijstellingen per jaar voor de gehele provincie Overijssel. Wanneer er een totaal van 15 woningen wordt bereikt, zullen gemeenten daarover een signaal ontvangen. De kwartaallijsten moeten een deugdelijke motivering bevatten over de aanvaardbaarheid in relatie tot de voorwaarden uit hoofdstuk 4 2.7.
- Als blijkt dat gemeenten ons beleid niet naleven en onterecht vrijstelling verlenen voor woningbouw in buurtschappen, kan dat (per gemeente) leiden tot verwijdering uit de vrijstellingenlijst. Dat geldt ook voor situaties waarin de motivering achterwege blijft of (inhoudelijk) tekort schiet; B.2 beperkte agrarische bebouwing zoals schuilgelegenheid en mestopslag buiten het bouwperceel, voorzover niet al geregeld in het bestemmingsplan en zoals bedoeld in de Handreiking (paragraaf 2.4.6, punt 1); B.3 geheel of gedeeltelijke vernieuwing of verandering alsmede vervangende nieuwbouw van een bestaande en bestemde (recreatie)woning. Vervanging kan alleen plaatsvinden op dezelfde plek; B.4 uitbreiding van een bestaande als zodanig bestemde (recreatie)woning, mits de uitbreiding plaatsvindt op gronden aansluitend aan de (recreatie)woning, de functie niet wijzigt en als de inhoud niet meer bedraagt dan maximaal in het provinciaal beleid is voorgeschreven, of zoveel minder als in het gemeentelijk beleid is aangehouden; B.5 bouw of uitbreiding van een bijgebouw bij een bestaande als zodanig bestemde woning, mits de uitbreiding plaatsvindt op gronden aansluitend aan de woning en mits de gezamenlijke oppervlakte van de aanwezige bijgebouwen niet meer bedraagt dan maximaal in het provinciaal beleid is voorgeschreven, of zoveel minder als in het gemeentelijk beleid is aangehouden; B.6 het eenmalig uitbreiden van een bestaand niet agrarisch bedrijf met maximaal 15%, maar alleen voorzover het geldende bestemmingsplan daar niet in voorziet. toepassingsvoorwaarden voor vrijstellingenlijst Van de in de lijst genoemde mogelijkheden mag geen gebruik worden gemaakt indien het project: • in strijd is met relevante wetgeving onder meer op het gebied van water, milieu en externe veiligheid; • in strijd is met rijks- en provinciaal beleid (provinciale plannen voor ruimte, water en milieu en/of de Handreiking); • onevenredige afbreuk doet aan of onevenredige hinder/beperkingen oplevert voor aangrenzende of nabije functies en bestemmingen; • zich niet verdraagt met aangrenzende activiteiten en bestemmingen. Verder is cumulatieve toepassing per categorie voor een project (het zogeheten "knippen" van een project) niet toegestaan. Voor de in lijst vermelde projecten moet een verklaring van geen bezwaar worden aangevraagd als sprake is van een monument, of als het project gelegen is in of gevolgen kan hebben voor een natuurgebied, de Ecologische Hoofdstructuur, een milieubeschermingsgebied, een archeologisch waardevol gebied of een (toekomstig) beschermd stads- en dorpsgebied. 3.3 Artikel 19, lid 3 WRO In artikel 19, lid 3 WRO is aan Burgemeester en Wethouders de bevoegdheid toegekend om verzoeken om vrijstelling autonoom, dat wil zeggen zonder tussenkomst van ons college en van de VROM, inspectie Oost, te verlenen. De in lid 3 bedoelde en bij algemene maatregel van bestuur aangeduide gevallen zijn opgenomen in artikel 20 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) en zijn voor alle gemeenten gelijk. Artikel 20 Bro heeft betrekking op de bouw- en uitbreidings-mogelijkheden van in het algemeen ondergeschikte planologische betekenis. Verder kan binnen aangegeven grenzen vrijstelling worden verleend voor een gebruiksverandering. Het gaat in dit artikel om gevallen waarvoor eenmalig vrijstelling kan worden verleend. Cumulatieve toepassing is niet mogelijk. Verder wijzen wij er op dat sommige onderdelen van de vrijstellingsregeling in artikel 20 Bro ruim geredigeerd zijn (zie lid 1, onder a, sub 3 en onder e) waardoor bij maximale benutting strijd kan ontstaan met diverse terreinen van het rijks- en provinciaal beleid (onder meer perifere detailhandel en mobiliteit). Wij dringen er op aan een zodanig gemeentelijk vrijstellingsbeleid te ontwikkelen dat het rijks- en provinciaal beleid in acht wordt genomen. 4 Provinciaal planologisch beleid 4.1 Stedelijk gebied 4.1.1 Inleiding en algemene principes In dit deel over het stedelijk gebied wordt allereerst stilgestaan bij twee algemene principes die voor het hele stedelijk gebied gelden. De hoofdprincipes hebben betrekking op locatiekeuze en ruimtelijke kwaliteit en gelden voor onder andere wonen, bedrijventerreinen en detailhandel. Zij geven aan waar bij de stads- en dorpsuitbreidingen rekening mee moet worden gehouden. Ruimtelijke kwaliteit speelt natuurlijk ook bij bestaande situaties. Wij zullen de bestemmingsplannen voor de ontwikkeling van het stedelijk gebied toetsen aan de hand van gemeentelijke visies, met tenminste aandacht voor de locatiekeuze en de ruimtelijke kwaliteit. 4.1.2 Locatiekeuze (algemeen 1)
- Stedelijke ontwikkelingen als wonen, werken en (sport)voorzieningen mogen in principe de belemmeringslijnen en contouren uit het streekplan niet overschrijden.
- De locatiekeuze wordt verder bepaald door aspecten als de ruimtelijke kwaliteit, mobiliteit, locatiebeleid, etc. Wij vragen in het bijzonder aandacht voor het aspect veiligheid. belemmeringen bij uitbreiding De locatiekeuze voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen ligt primair bij gemeenten. Dat neemt niet weg dat er belemmeringen zijn aangegeven. Zie hiervoor paragraaf 4.1.4.
- van het streekplan, waarin onder andere wordt verwezen naar de belemmeringslijnen op de functiekaart van het streekplan en de contouren voor (enkele) kernen; zie kaart 27, 28 en 29 van het streekplan. Op de kaart zijn ook de uitbreidingsrichtingen voor de stadsgewesten aangegeven. In de toelichting bij het streekplan (T11) zijn de belemmeringen voor de grotere kernen nader beschreven. veiligheid Veiligheid komt in de Handreiking op verschillende plaatsen aan de orde. Het kan geen kwaad om op deze plaats te benadrukken dat wij sterk hechten aan een integrale en samenhangende benadering en beoordeling van de veiligheidsaspecten. Als de gemeentelijke plannen daar in onvoldoende mate blijk van geven, leidt dat tot onthouding van goedkeuring of het weigeren van een verklaring van geen bezwaar. In sommige situaties zal een veiligheidseffectrapportage uitkomst kunnen bieden. 4.1.3 Ruimtelijke kwaliteit (algemeen 2)
- In het streekplan zijn enkele ordenende principes geformuleerd voor het realiseren van ruimtelijke kwaliteit. Belangrijke principes zijn bijvoorbeeld stedenbouwkundige en landschappelijke vormgeving, duurzaamheid, efficiënt ruimtegebruik, archeologie, cultuurhistorie, architectuur, externe veiligheid, een verantwoorde milieusituatie, waterhuishoudkundige aspecten, emancipatie, sociale veiligheid en verkeersveiligheid.
- Van gemeenten wordt, vanwege het belang van een aantrekkelijk woon- en werkmilieu, verwacht dat zij in de planvorming expliciet aandacht besteden aan de ruimtelijke kwaliteit (motiveringsplicht). Het toenemende belang van ruimtelijke kwaliteit klinkt door in de beleidsnota's van Rijk en provincie. Op rijksniveau is dit te zien in het 1e deel van de vijfde Nota op de Ruimtelijke Ordening, de Nota De Architectuur van de Ruimte, de Nota Belvedere over het cultuurhistorisch beleid en ruimtelijke ordening en de Nota Mensen, Wensen, Wonen. In het streekplan is bij de stedelijke ontwikkeling als algemene doelstelling geformuleerd het veiligstellen van de ruimtelijke kwaliteit van Overijssel door een zorgvuldige en duurzame ontwikkeling van steden en dorpen, één en ander afgestemd op water en milieukwaliteiten. Daartoe is een aantal algemene principes geformuleerd voor het maken van gemeentelijke plannen. Een ruimtelijk plan is één van de instrumenten waarin de ruimtelijke kwaliteit kan worden vorm gegeven, beschermd en versterkt. Het is van groot belang om de ruimtelijke stedelijke kwaliteit vanaf het begin bij het opstellen van bestemmingsplannen te betrekken. ordenende principes De ordenende principes zijn terug te vinden onder paragraaf 4.1.4 van het streekplan. Het begrip ruimtelijke kwaliteit bestaat uit vele onderdelen. Die zullen soms ook onderling afgewogen moeten worden. Wij vinden het van belang dat gemeenten inzichtelijk maken hoe zij ruimtelijke kwaliteit willen realiseren. Dat geldt in het bijzonder voor het kiezen van locaties voor stedelijke ontwikkelingen. Wij zullen bij de beoordeling van ruimtelijke plannen nagaan of gemeenten voldoen aan de onderzoeks- en motiveringsplicht. Naast de al langer bekende principes, zoals bijvoorbeeld een logische aansluiting bij bestaand stedelijk gebied, een goede landschappelijke inpassing, een goede bereikbaarheid voor de verschillende verkeerscategorieën, het creëren van milieuhygiënisch optimale situaties en het onderbouwen van de kwantitatieve en kwalitatieve woningbehoefte, is een aantal nieuwe elementen toegevoegd, waarvoor wij nadrukkelijk aandacht vragen: • het principe van inbreiding boven uitbreiding; • efficiënt ruimtegebruik; • een medebepalende rol voor "water" bij de planvorming (locatiekeuze en inrichting); • de cultuurhistorische waarden en archeologische belangen, inpassing en hergebruik van karakteristieke gebouwen en behoud van industrieel erfgoed en "jonge" monumenten; • continue aandacht voor het handhaven en het creëren van een goede ruimtelijke kwaliteit in bestaand en nieuw stedelijk gebied, bijvoorbeeld door het (gelijktijdig) opstellen van een Welstandsnota. 4.1.3.1 Ruimtelijke inpassing, duurzaamheid, efficiënt ruimtegebruik en water
- Bij de verdere ontwikkeling van het stedelijk gebied gaat inbreiding voor uitbreiding.
- Duurzaamheid maakt vanaf het begin deel uit van de planvorming en planopzet.
- De waterhuishoudkundige aspecten spelen bij de planvorming (locatiekeuze en inrichting) een medebepalende rol. Het wordt ten zeerste aangeraden om de waterschappen daar in een vroeg stadium bij te betrekken. ruimtelijke inpassing en vormgeving Naast de milieuhygiënische noodzaak tot het aanhouden van afstanden tussen bedrijventerreinen en andere ruimtelijke functies, hechten wij ook aan een goede inpassing van bedrijven in hun omgeving. Dat betekent niet altijd dat het aanbrengen van een groenstrook, al dan niet met een vijver, toereikend is. Ook de inrichting en architectonische vormgeving van bedrijventerreinen en woongebieden kunnen aan de ruimtelijke kwaliteit bijdragen. duurzaamheid en efficiënt ruimtegebruik In het streekplan en het milieubeleidsplan is ons streven naar een duurzame ruimtelijke ontwikkeling benadrukt. Daarbij vragen wij in het bijzonder aandacht voor locaties voor bedrijven en woningen. Daar valt ook het revitaliseren en herstructureren van bestaande bedrijventerreinen onder. Het ruimtelijk plan is één van de instrumenten waarmee dat kan worden gerealiseerd. Via een zorgvuldige locatiekeuze en inrichting kunnen duurzame oplossingen tot stand worden gebracht en kan efficiënt grondgebruik worden bevorderd. Kortheidshalve verwijzen wij naar het in het streekplan opgenomen schema "streefbeelden duurzaamheid" en naar de aandachtspunten genoemd in de toelichting van het streekplan (T4). Duurzaamheid is een breed begrip en het ruimtelijk plan is niet het enige instrument om oplossingen tot stand te brengen. De mogelijkheden om via het ruimtelijk plan sturing te geven aan een duurzame ontwikkeling ontbreken soms. Aspecten als een verantwoord grondstoffengebruik, energie- en waterbesparende maatregelen, beperking bouw- en sloopafval, etc. zullen vaak op een andere wijze hun beslag moeten krijgen. Bijvoorbeeld in de uitvoering of bij het treffen van inrichtingsmaatregelen. water Het provinciale waterhuishoudingsplan legt de nadruk op het instandhouden en versterken van watersystemen. In het licht daarvan zullen voorgestelde locaties voor bedrijven en woningen mede beoordeeld worden op de effecten op het watersysteem zoals een verminderde "voeding" van het watersysteem door het verharden van oppervlak en verdroging ten gevolge van verlaagde ontwateringsbasis in het stedelijk gebied en vuilemissie. verwijzingen • Nationaal Pakket Duurzame Stedebouw. Nationaal Dubo Centrum
- • Nationale Pakketten Duurzaam Bouwen. Deze worden jaarlijks bijgewerkt. Vanaf
- • Het bestemmingsplan als instrument voor duurzame stedenbouw. Bureau BRO,
- • Duurzame stedelijke ontwikkeling. Grontmij Groep
- • Voorbeeldprojecten Duurzaam en energiezuinig bouwen. Ministerie van VROM. • Voorbeeldprojecten Stimuleringsprogramma Intensief Ruimtegebruik. Ministerie van VROM. • Nova Terra, tijdschrift/kwartaaluitgave over meervoudig ruimtegebruik en aanverwante zaken. In opdracht van Habiforum, expertisenetwerk meervoudig ruimtegebruik. Jaargang 1, nummer 1, november 2001 (Stedebouw & ruimtelijke Ordening). 4.1.3.2 Cultuurhistorie en de identiteit van steden en dorpen
- In gemeentelijke plannen wordt vanaf het begin van de planvorming rekening gehouden met cultuurhistorische waarden. Deze worden geïnventariseerd en het resultaat van de inventarisatie wordt vastgelegd in de plantoelichting. Daarbij wordt duidelijk op welke wijze de bescherming van de cultuurhistorische waarden is geregeld.
- De "gewone" bebouwde en onbebouwde omgeving biedt evenzeer kansen en aanknopingspunten voor het versterken van de ruimtelijke kwaliteit en het versterken van de identiteit, verscheidenheid en uitstraling van dorpen en steden. Het Rijk en de provincie zetten in op een groter gewicht van het cultuurhistorisch belang in de ruimtelijke afwegingen. Ontwikkelingen, zoals het Verdrag van Malta, verplichten bovendien tot het verrichten van onderzoek en het in acht nemen van cultuurhistorische waarden. Het gaat ons niet alleen om het behoud, maar ook om het ontwikkelingsgericht omgaan met die waarden: cultuurhistorie als inspiratiebron voor het versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Dit is niet alleen van waarde voor de leefbaarheid van de woonomgeving, maar ook van economisch belang als vestigingsfactor en als trekker voor recreatie en toerisme. elementen van toetsing Cultuurhistorie omvat vele aspecten zoals het archeologisch erfgoed, (archeologische) monumenten, landschappelijke elementen en structuren, stedenbouwkundige structuren en delen van de infrastructuur. Het is ondoenlijk om vooraf uniforme aandachtspunten aan te geven. Elke situatie vergt haar eigen benadering en cultuurhistorie omvat vele componenten. De archeologische aspecten horen daar nadrukkelijk bij. Voor een eerste oriëntatie dienen de Archeologische Monumentenkaart (inventarisatie van archeologische waarden) en de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (inventarisatie van archeologische verwachtingen) te worden geraadpleegd. Het binnen een plangebied aanwezige cultuurhistorische erfgoed moet worden behouden en vormt de basis voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Het gaat ons niet alleen om de erkende monumenten. De "gewone" bebouwde en onbebouwde omgeving biedt ook aanknopingspunten. Het streekplan spreekt in dat verband over "vernieuwing door verandering". Hergebruik als instrument voor het versterken van de identiteit of uitstraling van steden en dorpen, zuinig ruimtegebruik en duurzaamheid. Dat kan ook door een combinatie van nieuwbouw en revitalisering van bestaande bouwwerken zoals scholen, fabriekscomplexen, kerkgebouwen, etc. De wijze van bescherming via het bestemmingsplan is afhankelijk van de karakteristiek van de cultuurhistorische elementen of gebieden, maar ook van de strategieën instandhouding, aanpassing en vernieuwing. Het gaat om maatwerk. Aspecten waar wij tenminste naar zullen kijken zijn: (archeologische) rijksmonumenten, (toekomstige) gemeentelijke monumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten (kaart 5 van het streekplan), cultuurhistorisch waardevolle of karakteristieke bebouwingsstroken, gebouwen en onderdelen van dorpskernen alsmede bekende en te verwachten archeologische waarden. Wanneer er volgens de Archeologische Monumentenkaart sprake is van archeologische terreinen van (zeer) hoge waarde ligt een aanlegvergunningstelsel in de rede. De rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek heeft modelvoorschriften voor een aanlegvergunningenstelsel opgesteld. Voor de wettelijk beschermde archeologische monumenten geldt een apart beschermingsregime op grond van de Monumentenwet. De minister van OC&W is daarbij bevoegd gezag. verwijzingen • Cultuurhistorische waarden in het bestemmingsplan. Supplement
- Leergang Op dezelfde leest. Nirov-sectie Ruimtelijk Beleid en Recht i.s.m. de bestuursacademie Nederland. Den Haag, september
- • De cultuurhistorische @tlas Overijssel. Het Oversticht. Thans deels beschikbaar, wordt uitgebreid. • Steenwijk: markt < -- > stad, beeldkwaliteit in het historisch centrum van Steenwijk. Het Oversticht,
- • In voorbereiding zijnde wijziging Monumentenwet, ter implementatie van het Verdrag van Malta. • Uitvoeringsprogramma provinciaal cultuurbeleid 2002-
- • Nota Belvedere. Diverse ministeries. Juli
- • Indicatie Kaart Archeologische Waarden. ROB, november
- • Het verhaal van kosten van archeologisch onderzoek. Gemeentestem 2001,
- 4.1.3.3 Sociale veiligheid en emancipatie
- Wij vragen gemeenten om in een zo vroeg mogelijk stadium van de planvorming van ruimtelijke en infrastructurele projecten aandacht te besteden aan sociale veiligheid en emancipatie. Sociale veiligheid omvat zaken als overlast, verloedering, bereikbaarheid, verkeersveiligheid, en toegankelijkheid voor bijvoorbeeld ambulance, politie en brandweer. De praktische doorwerking van aspecten als sociale veiligheid vindt veelal plaats op het niveau van de inrichting van woonbuurten en openbare ruimten of de uitvoering en het beheer daarvan. Bestemmingsplannen zijn daar meestal te globaal voor en zijn slechts in zeer beperkte mate te gebruiken voor het realiseren van een sociaal veilig woon- en leefklimaat. De ruimtelijke ordening kan een bijdrage leveren aan de emancipatie. Ruimtelijke structuren in gemeentelijke plannen kunnen voorwaarden scheppen voor individuen om een zelfstandig bestaan te leiden. Uit een oogpunt van emancipatie dient bij het projecteren van bestemmingen waar mogelijk te worden gestreefd naar verweving van functies in het stedelijk gebied. De verschillende functies kunnen zodanig worden gesitueerd, dat een goede en sociaal veilige bereikbaarheid van voorzieningen,via openbaar en privévervoer, mogelijk is. 4.1.4 Mobiliteit, locatiebeleid, parkeren en verkeersveiligheid
- Bij de situering en inrichting van nieuwe locaties voor wonen, werken en voorzieningen moeten mobiliteitseffecten en verkeersveiligheid nadrukkelijk in de belangenafweging worden betrokken. Daarbij is het streven gericht op het bevorderen van het gebruik van fiets en openbaar vervoer en het beperken van (de groei van) de automobiliteit.
- Publieksaantrekkende voorzieningen en bedrijven met een hoge arbeidsintensiteit, waaronder kantoren(complexen), zijn goed bereikbaar met het openbaar vervoer en gesitueerd aan belangrijke fietsroutes. Het provinciaal Verkeers- en Vervoersplan en het streekplan zijn vastgesteld voordat (het eerste deel van) de Vijfde Nota (concept) werd gepubliceerd. Daarom werken wij voor een deel nog met de "oude" terminologie. Dat neemt niet weg dat het streekplan in vergelijking met vroeger meer ruimte biedt voor lokaal maatwerk: de aangegeven normen zijn indicatief en kunnen aan de hand van de feitelijke ruimtelijke omstandigheden worden gehanteerd. Dit laat onverlet dat het ongewenst is om zelfstandige kantoren(complexen) en andere grootschalige publieksaantrekkende voorzieningen te situeren op locaties die niet of nauwelijks met het openbaar vervoer bereikbaar zijn. Tot voor kort stond het mobiliteits- en locatiebeleid van het Rijk vooral in het teken van het terugdringen van het groeiende autogebruik. In de praktijk deden zich echter verschillende knelpunten voor. Het Rijk zet inmiddels in op een bredere doelstelling: een zodanige vestiging van bedrijven en voorzieningen dat een optimale bijdrage wordt geleverd aan de vitaliteit van steden en dorpen. Die vitaliteit omvat meer dimensies dan alleen de voormalige bereikbaarheidskenmerken zoals onder andere economische ontwikkelingsmogelijkheden, ruimtelijke kwaliteit en kwaliteit van de leefomgeving. De Vijfde Nota (concept) gaat dan ook uit van een integraal locatiebeleid voor bedrijven en voorzieningen, inclusief detailhandel. Er zijn drie typen milieus voor bedrijfsvestigingen: centrummilieus, specifieke werkmilieus en gemengde milieus. Een aantal concrete rijksnormen komt te vervallen. Daarvoor in de plaats komen randvoorwaarden waaraan gemeenten, provincie en kaderwetgebieden bij de verdere uitwerking moeten voldoen zoals het bevorderen van het intensief ruimtegebruik en functiemenging. Het provinciaal mobiliteits- en locatiebeleid is onder andere terug te vinden in het provinciaal Verkeers- en Vervoersplan
(1998)en in het streekplan. De concentratie van wonen en werken en de ordening en inrichting van woon- en werkgebieden moeten/kunnen bijdragen aan het gebruik van meer milieuvriendelijk vervoer. Naast de aspecten zoals genoemd in het kader richten wij ons op het instandhouden en verbeteren van de bereikbaarheid en een verschuiving van het wegtransport naar goederenvervoer over rail en water. Voor bedrijvigheid wordt het principe gehanteerd van "het juiste bedrijf op de juiste plek". De locatiekeuze en het vestigingsbeleid zijn daarom gericht op het afstemmen van het bereikbaarheidsprofiel van locaties en het mobiliteitsprofiel van bedrijven en voorzieningen. locatiekeuze Wij zullen bestemmingsplannen met nieuwe woon-, werk- en voorzieningslocaties beoordelen op hun consequenties voor het gebruik van het openbaar vervoer, de fiets en de auto. De toelichting bij deze plannen zal daarom ook aan het mobiliteitsaspect aandacht moeten geven. Mede met het oog op de beperking van de groei van de automobiliteit dienen de vijf grote steden A-, B- en C-locaties te ontwikkelen. In het streekplan (paragraaf 4.1.3.2.
- en toelichting (T10)) is deze differentiatie/ typologie nader uitgewerkt. Aan de hand van de feitelijke ruimtelijke omstandigheden kan per stad en per locatie maatwerk worden geleverd. In de kernen buiten de grote steden hoeven geen afzonderlijke A-, B- en C-locaties te komen. Wel zullen in deze kernen arbeidsintensieve bedrijven, kantoren en publieksaantrekkende voorzieningen bij (knooppunten van) openbaar vervoer moeten worden gesitueerd. De bereikbaarheid per (brom)fiets moet goed zijn. bestemmingsregeling Om een goede doorwerking van het mobiliteits- en locatiebeleid te krijgen zal in de bestemmingsplanvoorschriften een duidelijke koppeling met het mobiliteitsprofiel van de toelaatbare bedrijven moeten worden gelegd. Bijvoorbeeld door het opnemen van de koppeling in de doeleindenomschrijving of de eventuele beschrijving in hoofdlijnen. parkeernormen Het Streekplan Overijsel 2000+ biedt bij de invulling van het locatiebeleid meer dan voorheen ruimte voor maatwerk en een marktconforme benadering. Voor de zogenaamde A- en B-locaties zijn indicatieve parkeernormen opgenomen. Als op A- en B-locaties van de parkeernormering wordt afgeweken, dient er per bedrijf (of groep van bedrijven) een vervoersmanagementplan gemaakt te worden. Het gewicht van de afwijking bepaalt de diepte van het vervoersplan. Bij relatief geringe afwijkingen kunnen gemeenten met een korte en doeltreffende motivering volstaan. Wij zullen de afwijking van de parkeernormering ook bezien in het licht van het streven naar een efficiënt en zuinig grondgebruik. Afwijking van de norm is bespreekbaar als de parkeergelegenheid in de vorm van een gebouwde voorziening in het gebouw wordt gerealiseerd (bijvoorbeeld een parkeerkelder of op het dak) of als een parkeergarage uit meerdere lagen bestaat, al dan niet ten behoeve van meerdere bedrijven. flankerend (parkeer)beleid Het streekplan wijst op de noodzaak van flankerend (parkeer)beleid voor de omgeving. De parkeernormering vormt slechts een bescheiden onderdeel in een samenhangend parkeerbeleid voor het gehele plangebied en wellicht nog daarbuiten. Het flankerend beleid omvat een complex van samenhangende maatregelen. Voorbeelden zijn parkeerbeleid bij gronduitgifte, vervoersmanagement, betaald parkeren, verkeersmaatregelen en fysieke belemmeringen. Met dit soort maatregelen kan langparkeren op en buiten de A- of B-locaties worden voorkomen. Ook het vreemdparkeren in woongebieden en op de openbare weg in of direct buiten het plangebied moet worden tegengegaan. Het bewonersparkeren wordt veilig gesteld. verkeersveiligheid In 1997 zijn onder de term Duurzaam Veilig in een convenant tussen het Rijk, de provincies, de gemeenten en de waterschappen principeafspraken gemaakt over de verkeersveiligheid. Binnen dat kader hebben wij een streefbeeld wegencategorisering van het provinciale wegennet vastgesteld. Dit streefbeeld is in het streekplan opgenomen. De andere wegbeheerders passen hun categoriseringsplannen binnen en buiten de bebouwde kom daarop aan. De consequenties daarvan moeten blijken uit de bestemmings- en of bouwplannen van de gemeente. verwijzingen • Voorkomen blijft beter.... Mogelijkheden voor een verkeersveilige ruimtelijke ordening. (Zie ook de checklist onder bijlage 1.) Ministerie van Verkeer en Waterstaat.
- 4.1.5 Woningbouw
- De mogelijkheden voor woningbouw dienen afgestemd te zijn op de bevolkingsspreiding, het verstedelijkingsbeleid uit het streekplan en daarop gebaseerde programmering van de provinciale woningbouw.
- Behalve in de stadsgewesten en netwerksteden dienen bestemmingsplannen voor uitbreiding van de woonbebouwing met een looptijd van 6 jaar of langer, gefaseerd plaats te vinden. Een fasering kan achterwege blijven wanneer tussen gemeente en provincie overeenstemming bestaat over het gemeentelijke woonplan, de gemeente eigenaar is van de gronden en deze zelf (gefaseerd) uitgeeft.
- De woningbouwplannen in de stadsgewesten/netwerksteden en de streekkernen zijn afgestemd op de gedifferentieerde vraag van de woonconsument. Dit moet blijken uit de resultaten van (regionaal) onderzoek naar de woningbehoefte.
- In de plattelandsgemeenten zijn de bouwplannen met name gericht op de eigen woningvraag. Het gaat daarbij primair om starters, ouderen en mensen die door hun werk zijn aangewezen op een kern.
- Voordat tot uitbreiding van het stedelijk gebied wordt besloten, worden eerst de mogelijkheden voor een optimale benutting van het bestaand stedelijk gebied bezien. In het provinciaal beleid ligt het accent sterk op de ontwikkeling van de stadsgewesten/netwerksteden en de streekcentra Hardenberg en Steenwijk. In deze bundelingsgebieden dienen steeds ruim voldoende bouwmogelijkheden aanwezig te zijn om in de regionale vraag naar woonruimte te voorzien. Daarbij is het noodzakelijk dat een aantrekkelijk woonmilieu wordt geschapen. Het aanbod dient goed aan te sluiten bij de vraag. Via herstructurering en transformatie zullen ook bestaande woongebieden bij moeten dragen aan het versterken van de aantrekkelijkheid van de steden. Nieuwbouw en herstructurering zullen steeds in samenhang worden bezien. fasering Voor woningbouwplannen waarvoor op grond van de programmering een looptijd van meer dan 6 jaar geldt, is fasering vereist. Deze fasering kan juridisch vorm krijgen door het plan te knippen in een gedetailleerde woonbestemming voor de eerste 5 jaar en een globale, nader uit te werken woonbestemming ex artikel 11 van de WRO. Het criterium is dat het tempo van uitwerken wordt bepaald door de behoefte aan uitbreiding op basis van het streekplan, de provinciale woningbouwprogrammering en de gemeentelijke woonplannen. doelgroepenbeleid De bevolkingsspreiding uit het streekplan en de functiedifferentiatie van de kernen bepalen de mogelijkheden voor woningbouw. In de toelichting bij bestemmingsplannen moet aandacht worden besteed aan de kwalitatieve aspecten van de woningbouw. Het gaat om afstemming op de gedifferentieerde vraag voor zowel de aanpassing van de bestaande als de nieuwe woongebieden. In de plattelandskernen gaat het daarbij vooral om starters, ouderen en mensen die door hun werk zijn aangewezen op het platteland. Een aantal groepen op de woningmarkt vraagt specifieke aandacht: mensen met een gering inkomen, statushouders, asielzoekers en wagenbewoners. Speciaal aandacht vragen de zorgvragende groepen, ouderen en gehandicapten. De afstemming tussen wonen en zorg is hier erg belangrijk. Daarbij is sprake van een proces van extramuralisering: ouderen en gehandicapten wonen steeds meer en langer zelfstandig. Aan de woonruimte en de woonomgeving van deze groepen worden specifieke eisen gesteld. In het gemeentelijk beleid zullen deze groepen dan ook grote aandacht vragen. woonplannen/volkshuisvestingsplannen Uit het voorgaande wordt duidelijk dat de bestemmingsplannen niet alleen kwantitatief maar vooral ook kwalitatief om een gedegen onderbouwing vragen. Wij zijn van mening dat dit het beste kan met gemeentelijke beleidsplannen voor het wonen. Op dit onderdeel voeren wij een sterk stimulerend beleid. Ook voor een breed en samenhangend gemeentelijk volkshuisvestingsbeleid zijn woonplannen onontbeerlijk. Gemeenten dienen deze plannen aan ons voor te leggen, zodat een toetsing aan de regionale beleidsuitgangspunten plaatsvindt. In de toelichting bij de bestemmingsplannen kan dan worden volstaan met een verwijzing naar het gemeentelijk woonplan. Deze worden bij voorkeur in (sub)regionaal verband opgesteld en besproken; woningmarkten functioneren immers steeds meer regionaal. Om de regionale afstemming te bevorderen is een (ambtelijk) regionaal platform wonen voor Twente en voor West-Overijssel ingesteld. programmering De programmering van de woningbouw zal betrekking moeten hebben op zowel kwalitatieve als kwantitatieve aspecten. Wij zullen periodiek een woningbouwprogramma op subregionaal niveau opstellen. De gemeenten binnen deze subregio's krijgen de mogelijkheid om - binnen de kaders van het streekplan - tot een nadere verdeling van de woningbouw binnen de subregio te komen. Wanneer de gemeenten deze verdeling niet kunnen of willen maken, dan geeft de provincie de verdeling op gemeentelijk niveau. De woningbouwprogrammering zal uitgangspunt zijn bij het opstellen en beoordelen van woningbouwplannen. inbreiding gaat voor uitbreiding Bij uitbreidingsplannen zal, ook omwille van efficiënt ruimtegebruik, middels onderzoek aangetoond moeten worden dat er onvoldoende inbreidingsmogelijkheden zijn om in de vraag te voorzien. Dit moet uit de toelichting van het bestemmingsplan blijken. De bestaande woningvoorraad en woonomgeving worden aangepast aan de veranderende vraag. Daarom is het nodig steeds een relatie te leggen tussen de nieuwbouw en de veranderingen in bestaande woongebieden Voorts zal duidelijk moeten zijn of de woningbouw voor de kern wel binnen het totale gemeentelijke woningbouwprogramma past. 4.1.6 Bedrijventerreinen 4.1.6.1 Situering, omvang en uitgifte
- De aard en omvang van geprojecteerde bedrijventerreinen zijn in overeenstemming met de ruimtelijke hoofdstructuur en de gewenste stedelijke ontwikkeling uit het streekplan.
- De uitbreiding van bedrijventerreinen dient regionaal te zijn afgestemd binnen het programmeringsoverleg.
- Bestemmingsplannen worden beoordeeld aan de hand van de uitgifte van de laatste tien jaar en de mogelijke noodzaak tot fasering.
- In de plantoelichting wordt ingegaan op de economische noodzaak en efficiënt ruimtegebruik. Daaruit moet onder andere blijken in hoeverre gemeenten hebben gekeken naar de mogelijkheden voor een intensiever grondgebruik. Binnen het streekplan past een gedifferentieerd aanbod van bedrijventerreinen, passend bij aard en schaal van de kern en met aandacht voor de ruimtelijke kwaliteit. Hoofdlijn van beleid in het streekplan is een versterking van de positie van de Netwerksteden Twente, Zwolle/Kampen en de Stedendriehoek Apeldoorn-Deventer-Zutphen. Ook wordt, ter versterking van de regionale positie, gestreefd naar een gunstige economische ontwikkeling van de kernen Hardenberg en Steenwijk. Het streekplan geeft verder aan dat de relatie tussen economische groei en milieubelasting verder moet worden doorbroken. De bestemmingsregeling voor bedrijven dient uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening een in milieuhygiënisch opzicht aanvaardbare situatie te garanderen. Anderzijds moet bij het projecteren van gevoelige functies zoals bijvoorbeeld woningbouw rekening worden gehouden met bestaande of geplande bedrijven. Overigens is niet alle werkgelegenheid gehuisvest op afzonderlijke bedrijventerreinen. In dergelijke gevallen (bijvoorbeeld in woonwijken) zal het ruimtelijk plan maatwerk moeten leveren. programmeringsoverleg Het provinciaal beleid is er op gericht om voor ieder type bedrijvigheid een passend terrein te kunnen aanbieden. Dit houdt echter niet in dat elke kern alle typen van bedrijvigheid moet kunnen huisvesten; intergemeentelijke en regionale afstemming is bij differentiatie van groot belang omdat hiermee thematisering en segmentering per terrein kan worden bereikt en overaanbod kan worden voorkomen. Met het oog daarop is in de verschillende regio's in 1998 een programmeringsoverleg gestart: een samenwerkingsverband tussen provincie en betrokken gemeenten. De afspraken over omvang, uitgifte en typering van bedrijventerreinen kunnen eventueel worden omgezet in een uitwerking van het streekplan. de fasering wordt vastgelegd in een bestemmingsplan Het streekplan geeft aan, dat wij ons bij de beoordeling van bestemmingsplannen baseren op de uitgifte van de laatste tien jaar. De gemeente mag de helft hiervan in voorraad hebben en tevens in bestemmingsplannen ruimte hebben voor uitbreiding van dezelfde omvang. In uitzonderlijke gevallen is afwijking toegestaan. Een bestemmingsplan dient dan ook inzicht te geven in de wijze van uitgifte van een bedrijventerrein. Een correctie zal plaatsvinden als uitgifte niet overeenkomstig het streekplan of de functie van de kern heeft plaatsgevonden en/of niet is afgestemd in het programmeringsoverleg. Als de gronduitgifte van nieuw bedrijventerrein niet door de gemeente zal plaatsvinden en de plancapaciteit een langere looptijd heeft dan 5 jaar, zal het bestemmingsplan daar op in moeten spelen. Dit om ongewenste ontwikkelingen tegen te gaan. In zo'n situatie zijn wij van mening dat de bedrijfsbestemming met rechtstreekse bouwtitel maximaal de uitgifte in 5 jaar mag omvatten en dat de plancapaciteit voor de periode erna geregeld dient te worden met een globale bestemming die door Burgemeester en Wethouders overeenkomstig artikel 11 WRO wordt uitgewerkt. inbreiding gaat voor uitbreiding Ook omwille van een efficiënt grondgebruik moet nadrukkelijker gekeken worden naar de mogelijkheden voor een intensiever grondgebruik op bedrijventerreinen. 4.1.6.2 Milieuzonering, bedrijvenlijst en flexibiliteit
- Bij het projecteren van bedrijfsbestemmingen dient milieuoverlast te worden voorkomen. Zie hiervoor paragraaf 4.3.
- Het gebruik van de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering wordt dringend aanbevolen. Soms wordt gesteld dat een bestemmingsplan met een positieve bedrijvenlijst niet flexibel genoeg is. Een bevoegdheid tot vrijstelling of wijziging kan dat bezwaar wegnemen zodat de vestiging van bedrijven mogelijk is als deze: • niet in de bedrijvenlijst zijn genoemd, maar qua aard en milieuhinder gelijkwaardig zijn aan de bij recht toegelaten bedrijven; • zijn ingedeeld in een hogere dan de bij recht toegestane categorie mits wordt aangetoond dat die qua aard en milieuhinder gelijkwaardig zijn aan de bij recht toegelaten bedrijven en met dien verstande dat dit alleen geldt voor situaties waarin bij recht de categorieën 1 tot en met 3 zijn toegestaan. Flexibiliteit in categorie 4, om ook bedrijven uit de categorieën 5 en 6 uit de VNG-brochure toe te staan, kan alleen door het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid worden verkregen. Gelet op de aard van de milieuhinder en de voor die bedrijven geldende afstandsmaten is terughoudendheid vereist. 4.1.6.3 Bedrijfswoning
- Per bedrijf wordt maximaal één bedrijfswoning toegestaan als die noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering. Bedrijfswoningen op zwaardere bedrijventerreinen worden bij voorkeur geweerd. Moderne communicatietechnieken maken het steeds minder noodzakelijk om bij een bedrijf te wonen. Omdat er uit de aanwezigheid van bedrijfswoningen beperkingen kunnen voortvloeien voor de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven dient met het toestaan van bedrijfswoningen terughoudend omgegaan te worden. De eis van een doelmatige bedrijfsvoering dient onderdeel uit te maken van het ruimtelijk plan. Op terreinen met zwaardere bedrijfscategorieën (categorie 4 en 5 VNG-brochure) verdient het naar onze mening de voorkeur om bedrijfswoningen te weren. Enerzijds vanwege eventuele beperkingen voor de omringende bedrijven en omdat een efficiënte verkaveling wordt bemoeilijkt. Anderzijds omdat het woon- en leefklimaat op een dergelijk terrein uit milieuhygiënisch oogpunt te wensen overlaat. Als een bedrijfswoning wordt toegestaan zal het bestemmingsplan oneigenlijk gebruik en het ontstaan van pseudo-bedrijfsbebouwing (grote woning met klein bedrijfsgebouw) tegen moeten gaan. Dit kan onder meer door voor te schrijven dat de woning onderdeel moet zijn van het bedrijfsgebouw of daarmee verbonden is, een maximale inhoudsmaat voor de woning en een minimum inhoud voor het bedrijfsgebouw vast te stellen, of een koppeling te leggen tussen de minimale oppervlakte aan bedrijfsgebouwen en de (maximale) oppervlakte van de woning. 4.1.7 Detailhandel
- De (uitbreiding en omvang van de) detailhandel in een kern past binnen de Provinciale Ruimtelijke Hoofdstructuur en sluit aan bij de functie van de kern in het provinciaal beleid.
- Uitgangspunt is dat de vestiging van reguliere detailhandel buiten de bebouwde kom niet is toegestaan, behalve als nevenactiviteit van agrarische bedrijvigheid in ter plaatse vervaardigde of bewerkte producten.
- Bij uitbreiding of vestiging ligt de nadruk op concentratie van detailhandel in winkelgebieden. Het projecteren en realiseren van voorzieningen voor detailhandel is van grote invloed op de ruimtelijke ontwikkeling en de kwaliteit van steden en dorpen. Gelet op de daarmee samenhangende verkeers- en vervoersaspecten is dit ook van grote invloed op de kwaliteit van de groene ruimte. De dynamiek in de detailhandel is de afgelopen jaren sterk toegenomen, met als gevolg: schaalvergroting, verdergaande segmentatie en concentratie, andere winkelformules en locatievoorkeuren. Daarom is beleidsontwikkeling en regulering noodzakelijk. In (het eerste deel van) de Vijfde Nota (concept) heeft het Rijk kenbaar gemaakt niet langer afzonderlijk ruimtelijk beleid voor detailhandel te willen formuleren, maar dit te integreren in het beleid voor bedrijven en voorzieningen. Daarmee wordt meer ruimte geboden voor regionale differentiatie en lokaal maatwerk. Het Rijk legt de primaire verantwoordelijkheid voor het detailhandelsbeleid bij de gemeenten. Provincies en gemeenten zullen het nieuwe locatiebeleid binnen de randvoorwaarden van het Rijk operationeel moeten maken. Dit in de vorm van een visie op de ontwikkeling van vestigingsmilieus voor bedrijven en voorzieningen (inbegrepen detailhandel). Vestigingen buiten de rode contouren (weidewinkels en dergelijke) zijn niet toegestaan. uitgangspunten Streekplan Overijssel 2000+ • een verdere revitalisering en bundeling van hoogwaardige en gespecialiseerde voorzieningen met een groot verzorgingsbereik in en bij de grote steden; • de ontwikkeling van een detailhandelsstructuur in de overige kernen moet binnen het verstedelijkingsprofiel passen; • de vestiging van reguliere detailhandel buiten de bebouwde kom is niet toegestaan; • bij uitbreiding van het winkelvloeroppervlak wordt concentratie in of bij (bestaande) winkelgebieden voorgestaan; • vestiging buiten winkelgebieden is mogelijk als dit binnen of aan de rand van het stads- of dorpsgebied plaatsvindt en er sprake is van specifieke omstandigheden zoals ruimte voor specifieke branches, bijzondere winkelformules en/of gebrek aan ruimte in of grenzend aan de bestaande winkelgebieden. 4.1.7.1 Onderzoek en detailhandels(structuur)visie
- Een substantiële uitbreiding van het winkelareaal gaat gepaard met een nader onderzoek. De resultaten van dat onderzoek maken deel uit van de toelichting van het ruimtelijk plan.
- De uitbreiding mag niet tot een onevenredige aantasting van de bestaande verzorgingsstructuur leiden.
- Almelo, Deventer, Enschede, Hengelo, Zwolle en de streekcentra Hardenberg en Steenwijk dienen over een detailhandelsvisie te beschikken. De overige grotere kernen stellen een detailhandelsvisie op bij relatief grote ingrepen in de bestaande detailhandelsstructuur. Schaalvergroting en nieuwe vormen van detailhandel vragen, naast revitalisering van bestaande centra, om een belangenafweging en om een afweging van nieuwe locaties. Gemeenten zijn primair verantwoordelijk voor de leefbaarheid en vitaliteit op hun grondgebied en moeten de randvoorwaarden voor vestiging van detailhandel formuleren. De algemene onderzoeksverplichting van artikel 9 van het Besluit op de ruimtelijke ordening kan verplichten tot het verrichten van een distributie-planologisch onderzoek. De ruimtelijke ordening heeft niet ten doel de onderlinge concurrentieverhoudingen te regelen, maar de structuur van de verzorging. De spreiding van voorzieningen in kernen en regio's dient in voldoende mate gegarandeerd te blijven. De aard en de omvang van het onderzoek zullen afhangen van de omvang van de gewenste ontwikkeling. Gemeenten moeten aantonen dat de uitbreiding niet tot een onevenredige aantasting van de bestaande verzorgingsstructuur leidt en dat deze past bij de functie van de kern in het provinciaal beleid. Daarbij wordt tevens aandacht besteed aan het gemeentelijk beleid voor (bestaande) buiten het centrum gelegen winkelvestigingen. Wij vinden een detailhandelsvisie een goed middel om het gemeentelijk beleid inzichtelijk te maken. Een dergelijke visie kan natuurlijk onderdeel zijn van een gemeentelijk structuurplan of -visie. In een detailhandelsvisie komen aan de orde: • de gewenste kwaliteit die door de gemeente voor de betreffende kern wordt voorgestaan. Dit gegeven de functie van de kern in het streekplan; • de verhouding van detailhandelsvestigingen in het stads- of dorpscentrum in relatie tot vestigingen in stadsdeel-, wijk- en/of buurtcentra en vestigingen aan de rand van het stedelijk gebied, bijvoorbeeld op bedrijventerreinen. Daarbij zal inzichtelijk moeten worden gemaakt welke branches/aanvullingen in het centrum gewenst en mogelijk zijn en voor welke branches/specifieke formules vestiging in de periferie aanvullend mogelijk is. In het streekplan is al aangegeven dat de vijf steden Almelo, Deventer, Enschede, Hengelo en Zwolle en de streekcentra Hardenberg en Steenwijk over een detailhandelsvisie dienen te beschikken. Daarin wordt onder meer aandacht besteed aan de regionaal verzorgende positie van deze kernen. Daarnaast dient ook de regionale afstemming op het gebied van detailhandel in de stedelijke netwerken plaats te vinden. De overige grotere kernen dienen een detailhandelsvisie op te stellen bij relatief grote ingrepen in de bestaande detailhandelsstructuur. Het kan daarbij gaan om een uitbreiding van het winkelvloeroppervlak en/of om een situering buiten het centrum. Indien sprake is van een specifieke omstandigheid zoals verruiming van de hieronder genoemde specifieke branches, dient naast een analyse en onderzoek, tevens een onderbouwing plaats te vinden vanuit een detailhandelsstructuurvisie. 4.1.7.2 Specifieke branches/formules
- Voor specifieke situaties of branches is vestiging op perifere locaties (buiten een centrum) toelaatbaar. In afwijking van het algemene principe van concentratie van detailhandelsvestigingen in of aansluitend aan winkelgebieden, is voor specifieke situaties of branches vestiging op perifere locaties zoals bijvoorbeeld een industrieterrein toegestaan. In een detailhandelsvisie kan het hiervoor relevante gemeentelijk beleid worden toegelicht. Branches waarvoor dit al jarenlang geldt, zijn onder meer: • detailhandel in op het eigen bedrijf vervaardigde goederen als ondergeschikte nevenactiviteit van industrie en ambacht; • detailhandel in volumineuze goederen zoals auto's, boten, caravans, keukens, badkamers, landbouwwerktuigen, grove bouwmaterialen, bouwmarkten met een maximum verkoopvloeroppervlak van 1.500 m2; • tuincentra; • individuele meubeltoonzalen met een oppervlakte van maximaal 1500 m2 verkoop-vloeroppervlak per zaak. Deze uitzonderingen dienen niet bij recht maar met een vrijstellingsbevoegdheid ex artikel 15, eerste lid van de WRO in het bestemmingsplan te worden geregeld. Op gemeentelijk niveau wordt afgewogen of de voorgenomen vestiging niet tot een onevenredige aantasting van de bestaande verzorgingsstructuur zal leiden. Uitgangspunt is detailhandel, gerelateerd aan de functie van de kern. Gelet op de regionale functie van meubelboulevards en dergelijke dient voorkomen te worden, dat door de vestiging van meerdere individuele meubeltoonzalen naast elkaar, meubelboulevards ontstaan in kernen zonder een regionaal verzorgende functie. De vestiging van bedrijven in de foodsector op perifere locaties is in het algemeen uitgesloten. In het verleden stond onder de bovenstaande opsomming ook de detailhandel in brand- en explosiegevaarlijke stoffen. Het spreekt voor zich dat voor het toestaan hiervan specifieke, op veiligheid gerichte, aandacht nodig is. speciale formules Voor bouwmarkten en individuele meubeltoonzalen groter dan 1.500 m2 verkoopvloeroppervlakte achten wij de regeling van artikel 15, lid 2 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening noodzakelijk, omdat deze vaak een regionale uitstraling hebben en afbreuk kunnen doen aan voorzieningen in de omgeving. Tot nu toe werd naast het begrip perifere detailhandelsvestigingen (PDV), tevens het begrip grootschalige detailhandelsvestigingen (GDV) gebruikt. Bij GDV's is de schaal, en niet direct de branchesoort van de vestiging bepalend. De vestiging moet een verrijking van het aanbod betekenen en een dimensie toevoegen aan het reguliere aanbod. Wij rekenen onder een GDV ook een Factory Outlet Centre en thematische grootschalige detailhandelsvoorzieningen, zoals meubelboulevards, themacentra voor wooninrichting, etc. Voor de GDV's hanteren wij de volgende uitgangspunten: • de vestiging van deze specifieke vormen wordt gezien het (boven)regionale karakter alleen toegestaan in Almelo, Deventer, Enschede, Hengelo en Zwolle; • de realisering moet passen in een regionale detailhandels(structuur)visie, opgesteld met de omringende gemeenten en de provincie, waarbij de effecten van de voorgenomen vestiging op de bestaande voorzieningenstructuur in de stad en voor de regio inzichtelijk worden gemaakt; • gelet op de publieksaantrekkende werking dient de locatie niet alleen voor auto's maar ook met openbaar vervoer goed bereikbaar te zijn; • deze voorzieningen worden met een aparte regeling in het bestemmingsplan opgenomen. 4.1.7.3 Brandstofverkooppunten en stationslocaties
- Detailhandel bij brandstofverkooppunten en stationslocaties moet ondergeschikt blijven aan de hoofdfunctie. De omvang is afhankelijk van de omvang van de hoofdactiviteit en dient gerelateerd te worden aan de bestaande verzorgingsstructuur. De detailhandel bij verkooppunten van motorbrandstoffen en stationslocaties moet in omvang beperkt blijven, omdat anders onevenredige afbreuk kan worden gedaan aan de verzorgingsstructuur in de kern en er ongewenste neveneffecten kunnen optreden. De detailhandel dient ondergeschikt te zijn aan de hoofdfunctie. De ruimtelijke uitstraling van brandstofverkooppunt of station moet overeind blijven. De detailhandel mag alleen plaatsvinden binnen de gebouwen met als hoofdbestemming "brandstofverkooppunt" of "station". Voor detailhandel in tankstations binnen of nabij stedelijk gebied met een omvang van meer dan 75 m2, is een aanvullend onderzoek naar de gevolgen voor de bestaande verzorgingsstructuur in de kern noodzakelijk. 4.1.8 Prostitutiebeleid
- Voor het uitsluiten of (in aantal) beperken van prostitutiebedrijven is een goede ruimtelijke onderbouwing nodig. Dit zal moeten blijken uit de toelichting van het bestemmingsplan. Het bordeelverbod is sinds de wijziging van het Wetboek van Strafrecht van 1 oktober 2000 verleden tijd. Prostitutie is daardoor één van de vele vormen van legale dienstverlening of bedrijvigheid. Het is niet de bedoeling dat het bordeelverbod via de achterdeur van het bestemmingsplan opnieuw wordt geïntroduceerd. Het normale (streekplan)beleid voor bedrijvigheid, centrumvoorzieningen en dienstverlening is van toepassing. Voor uitzonderingen of uitsluitingen is een ruimtelijke motivering vereist. Wij raden gemeenten aan om gebruik te maken van de mogelijkheden die de APV biedt voor het reguleren van prostitutie en daarbij zorg te dragen voor een goede afstemming met het ruimtelijk beleid. verwijzingen • Handboek lokaal prostitutiebeleid. VNG, december
- • Prostitutie: voorwerp van gemeentelijke zorg. Prof. H. Hennekens. Gemeentestem no
- 4.2 Groene ruimte 4.2.1 Inleiding en algemene principes De groene ruimte in Overijssel verandert ingrijpend en in een relatief snel tempo. Het streekplan gaat uitgebreid in op de noodzaak om die veranderingen in goede banen te leiden. Wij zullen eerst stilstaan bij twee algemene principes voor de inrichting van de groene ruimte: de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid en een gebiedsgerichte ontwikkeling (plattelandsvernieuwing). Daarna worden de hoofdlijnen van het voorgestane ruimtelijk beleid nader uitgewerkt en geconcretiseerd. Belangrijke uitgangspunten zijn het voorkomen van een verdere verstedelijking of verstening, het tegengaan van een sluipende verrommeling of aantasting van het landschap, het dichtslibben van open ruimten alsmede behoud, bescherming en versterking van bestaande waarden en ruimtelijke kwaliteiten van het platteland. Wij vinden dat noodzakelijk. Er zijn immers genoeg voorbeelden waaruit blijkt dat de kwaliteit, de identiteit en het karakter van het platteland in toenemende mate onder druk staan. Dat neemt niet weg dat er voldoende ruimte moet worden geboden voor bestaande en nieuwe functies die bij kunnen dragen aan het behoud en de ontwikkeling van de groene ruimte. Gebiedsgericht beleid is daarbij van groot belang. Dan denken wij niet alleen aan bijvoorbeeld reconstructieplannen maar ook aan een gemeentelijke visie op de ontwikkeling van de eigen groene ruimte. 4.2.2 Hoofdlijnen van ruimtelijk beleid (algemeen 1)
- De in het streekplan aangegeven zonering van de groene ruimte bevat de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid en vormt een belangrijk kader voor het opstellen van plannen voor het buitengebied. hoofdlijnen ruimtelijk beleid De belangrijkste opgave is het vinden van evenwicht tussen het bieden van ontwikkelingsruimte voor economische functies zoals landbouw en recreatie en het koesteren en ontwikkelen van de natuur en het cultuurlandschap in Overijssel. Daarbij gelden de volgende uitgangspunten: Een samenhangende en waar mogelijk elkaar versterkende ontwikkeling van bestaande en nieuwe functies "passend" binnen de groene ruimte.
- Ontwikkelingsmogelijkheden voor een economisch en milieuhygiënisch duurzame landbouw.
- Instandhouden, herstellen en ontwikkelen van een grote rijkdom aan natuurwaarden (biodiversiteit), geconcentreerd in de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur, met de bijbehorende water- en milieuomstandigheden.
- Versterking van de landschappelijke kwaliteit en bescherming van het cultureel erfgoed.
- Behoud en versterking van het voorzieningenniveau ook voor recreatie en toerisme.
- Goede onderlinge afstemming tussen ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden en de waterhuishouding.
- Instandhouding, herstel en ontwikkeling van bossen en landgoederen.
- Nieuwe bebouwing en grondgebruiksvormen, niet functioneel gebonden aan de groene ruimte, zijn in principe niet toelaatbaar. Uitbreiding van niet functioneel gebruik wordt tegengegaan. zonering De uitgangspunten van het ruimtelijk beleid voor de groene ruimte zijn in het streekplan uitgewerkt in drie elkaar aanvullende sporen: zonering, een thematische beleidsbeschrijving en een beleidsmatige gebiedsbeschrijving. Deze sporen vormen samen een belangrijk kader voor het opstellen van bestemmingsplannen. Zij worden hier behandeld onder één noemer: zonering. Het streekplan onderscheidt voor het landelijk gebied op basis van gebiedskenmerken vier zones. In de zone landelijk gebied I ligt het accent bij de landbouw; in zone IV bij de natuurwaarden. De zones II en III liggen in gebieden waar landbouw, natuur en landschap en recreatie in meer of mindere mate naast elkaar kunnen voorkomen. Bij elke zone hoort een hoofdkoers. De hoofdkoers heeft betrekking op ontwikkelingsmogelijkheden voor aspecten als landbouw, landschap, bos, water, milieu, natuur, recreatie. Deze aspecten worden nader uitgewerkt in een thematische beleidsbeschrijving die elementen bevat zoals vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing, landelijk wonen en niet-functioneel aan de groene ruimte gebonden ruimtebeslag. De aanwezige basiskwaliteiten binnen een gebied (zone) zijn medebepalend voor de ontwikkelingsmogelijkheden. De zonering wordt in het streekplan verder verfijnd aan de hand van een beleidsmatige gebiedsbeschrijving voor Twente, de IJsselvallei, Noordoost- en Noordwest-Overijssel. De samenhang tussen het stedelijk en het landelijk gebied is daarbij van groot belang. In deze gebiedsbeschrijvingen zijn tevens de relevante regionale doelstellingen vanuit het waterhuishoudingsplan en het milieubeleidsplan beschreven. 4.2.3 Gebiedsgericht beleid, reconstructieplannen (algemeen 2)
- De toelichting van ruimtelijke plannen voor het buitengebied bevatten een visie op de ontwikkeling van de groene ruimte met aandacht voor de ruimtelijke kwaliteit en een duurzame ontwikkeling van het platteland alsmede de sociale kwaliteit en de leefbaarheid.
- De gemeenten houden daarbij rekening met het (in ontwikkeling zijnde) gebiedsgericht beleid van de provincie.
- Voor de reconstructiegebieden wordt specifiek beleid ontwikkeld. Dit kan tot afwijking van de in deze Handreiking genoemde uitgangspunten van beleid leiden. Wij streven naar een gezond en duurzaam platteland en kennen veel waarde toe aan de kwaliteit, de identiteit en het karakter van het landschap en het voorkomen van een verdere verstedelijking. Deze doelstellingen zijn niet altijd even makkelijk te verenigen. Het is lang niet altijd mogelijk om daar vooraf, bijvoorbeeld op het niveau van het streekplan, vorm aan te geven. Een gewenste ontwikkeling vraagt om maatwerk, flexibiliteit en een concrete gebiedsvisie op het niveau van een bestemmingsplan. Gemeenten en provincie dienen bij de toekomstige ontwikkeling en uitvoering van de groene ruimte zoveel mogelijk uit te gaan van een samenhangende en gebiedsgerichte aanpak; op maat, integraal en in samenspraak met direct betrokkenen. Doelstellingen daarbij zijn: het versterken van de ruimtelijke kwaliteit, een duurzame plattelandseconomie en het versterken van de sociale kwaliteit (leefbaarheid). De invulling is in sterke mate afhankelijk van de problematiek in een bepaald gebied. Wij willen daar op inspelen in het kader van de reconstructie, ruimte voor ruimte en de Regionale Ontwikkeling Overijssel (ROO) en gemeenten ruimte bieden voor initiatieven die bijdragen aan een versterking van de ruimtelijke kwaliteit en het vernieuwingsbeleid voor het platteland. Gemeenten worden te zijner tijd geïnformeerd over de gevolgen van het reconstructieplan voor de toetsing van bestemmingsplannen en bouwplannen ex artikel 19 WRO. Wij zullen dan nader ingaan op de verhouding tussen het reconstructieplan, het bestemmingsplan en het streekplan. 4.2.4 Landbouw 4.2.4.1 Nieuwvestiging/verplaatsing agrarische bedrijven
- Het toekennen van een nieuw agrarisch bouwperceel voor volwaardige en duurzame agrarische bedrijven is mogelijk binnen de zones I en II. Nieuwvestiging of verplaatsing van landbouwbedrijven in zone III is alleen mogelijk als onderdeel van een gebiedsgerichte aanpak waarbij per saldo een meerwaarde wordt bereikt en de gebiedskwaliteiten worden versterkt.
- Bij het toekennen van een nieuw agrarisch bouwperceel wordt nagegaan in hoeverre het gebruik van vrijkomende agrarische bebouwing c.q. bouwpercelen tot de mogelijkheden behoort. Dit zal uit een gedegen onderzoek moeten blijken.
- Nieuwvestiging van een niet grondgebonden bedrijf in open en landschappelijk kwetsbaar gebied is onaanvaardbaar. Ook het toelaten van andere agrarische activiteiten zoals boom- en champignonkwekerijen, kan onverenigbaar zijn met de in een gebied voorkomende natuur- en landschapswaarden. voorwaarden voor nieuwvestiging: duurzame en volwaardige bedrijven Een goede ruimtelijke ordening staat de nieuwvestiging van agrarische bedrijven toe in die situaties waarin sprake is van voldoende zicht op de ontwikkeling tot een duurzaam en volwaardig bedrijf. Van doorslaggevend belang is de verwachting of een bestaand agrarisch bedrijf gedurende de planperiode blijft voortbestaan. Volwaardige en duurzame agrarische bedrijven moeten voldoende ruimte krijgen voor de voortzetting en ontwikkeling van het bedrijf. Door het Landbouw Economisch Instituut wordt, in overeenstemming met ontwikkelingen op Europees niveau, niet langer gerekend met sbe's maar met nge's. Een nge is een rekeneenheid waarmee de economische betekenis van een bedrijf en van afzonderlijke productierichtingen binnen een bedrijf kan worden weergegeven. Agrarische bedrijven met een omvang/productie van circa 70 nge's en meer hebben goede perspectieven. Voor de toetsing op volwaardigheid is de concrete bedrijfssituatie bepalend. Daarbij spelen overwegingen als de aard, de inrichting, de omvang en de continuïteit van het bedrijf een belangrijke rol. Nieuwe bouwpercelen ten behoeve van nevenberoep of kleinschalige agrarische bedrijven (zoals een productiegerichte paardenhouderij met slechts enkele dieren of een kleine kwekerij) zijn onaanvaardbaar. Dit leidt tot onnodige verdichting en versnippering van het buitengebied. Paragraaf 4.2.4.2 gaat over omvang, situering en omschrijving van het bouwperceel. onderscheid in agrarische bedrijven In sommige gevallen zal het nodig zijn om de aard of het type agrarisch bedrijf mee te nemen in de overwegingen met betrekking tot de aanvaardbaarheid van de nieuwvestiging. Een onderscheid naar bedrijfstak is mogelijk als dat terug te voeren valt tot ruimtelijk relevante overwegingen. Aspecten die daar een rol in kunnen spelen zijn: milieunormen met een ruimtelijke relevantie, concentratie, hoogte en volume van bebouwing en landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden. Zie ook 4.2.4.3 over glastuinbouw. vooruitblik nieuwe Reconstructie-, Stank- en Ammoniakwet Het beleid voor de veehouderijen wordt sterk beïnvloed door de ontwikkelingen die plaatsvinden binnen het kader van de Reconstructiewet, de Stankwet en de Ammoniakwet. De Reconstructiewet moet een impuls geven aan de kwaliteit van het landelijk gebied in de concentratiegebieden. Voor Overijssel betreft dit Salland en Twente. De wet beoogt een gecoördineerde aanpak van de problemen in de concentratiegebieden en kent daarom meerdere doelstellingen: een duurzame landbouw; sterkere natuur; ontwikkeling van bos en natuur; verbetering van de recreatieve mogelijkheden, de waterhuishouding en de waterkwaliteit; verlaging van de milieubelasting; verbetering van de infrastructuur, het woon- en werkklimaat en de economische structuur. De reconstructie zal ook bij moeten dragen aan een verlaging van de veterinaire risico's. In artikel 11 van de Reconstructiewet is aangegeven waaraan een reconstructieplan moet voldoen. Zo kent het reconstructieplan een onderverdeling in vier gebieden: landbouwontwikkelings-, verwevings-, extensiveringsgebieden en varkensvrije zones. Beoogd eindresultaat is onder andere een verbetering van de stankhinderproblematiek. Bij het opstellen van een reconstructieplan moet de Ammoniakwet in acht worden genomen. Doelstelling van de Ammoniakwet is het beschermen van voor verzuring gevoelige bos- en natuurgebieden. Daarbij geldt een zoneringsbeleid voor kwetsbare gebieden, en een zone van 250 meter daaromheen. Hierbinnen mogen zich geen nieuwe veehouderijen vestigen en voor bestaande veehouderijen wordt een toename van de emissie verboden. Voor de grondgebonden melkveehouderij wordt deels een uitzondering gemaakt. 4.2.4.2 Agrarische bouwpercelen
- Bestaande volwaardige agrarische bedrijven, waarvan verwacht mag worden dat de bedrijfsmatige activiteiten tijdens de planperiode blijven bestaan, komen in aanmerking voor een agrarisch bouwperceel van maximaal 1 ha. Uitbreiding tot 1.5 ha is mogelijk met een op het gebied toegesneden wijzigingsbevoegdheid.
- Bestaande kleinere agrarische bedrijven kunnen in aanmerking komen voor een bouwkavel op maat.
- Bij de situering en bepaling van de omvang van het agrarisch bouwperceel wordt rekening gehouden met de milieuaspecten en -wetgeving, landschappelijke waarden, zonering en omgevingskenmerken.
- Een onderscheid in typen agrarische bedrijven kan uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening doelmatig of zelfs noodzakelijk zijn. Er kan vanwege voorkomende natuur- en landschapswaarden aanleiding bestaan om boomkwekerijen en niet-grondgebonden bedrijven als champignonkwekerijen van de agrarische bestemming uit te sluiten. Voor glastuinbouw is een specifiek concentratiebeleid opgesteld (4.2.4.3)
- Op het agrarisch bouwperceel zijn ter verbreding van de economische basis van bestaande agrarische bedrijven onder voorwaarden nevenactiviteiten toegestaan. bouwpercelen voor nieuwe en bestaande (kleinere) agrarische bedrijven Het is belangrijk dat volwaardige en duurzame agrarische bedrijven (zie paragraaf 4.2.4.1) de ruimte krijgen die zij nodig hebben. Deze bedrijven moeten in staat zijn om te anticiperen op ontwikkelingen zoals schaalvergroting en extensivering van de landbouw of de noodzaak van aanvullende voorzieningen vanwege nieuwe wettelijke regels voor milieu, dierenwelzijn en -gezondheid. Dat kan door het opnemen van een bevoegdheid tot het wijzigen van de vorm of situering van een bouwperceel of het vergroten van het bouwperceel tot maximaal 1.5 ha. Dit uiteraard altijd in relatie tot het omringende gebied. Het bestemmen van agrarische bedrijven geschiedt bij voorkeur met de methode van bouwpercelen of bouwblokken. Wij vinden het mede voor de kwaliteit, afwisseling en beleving van het buitengebied van belang dat ook kleinere bestaande agrarische bedrijven (als nevenfunctie) kunnen voortbestaan. Dit willen wij tot uitdrukking brengen in het toekennen van kleinere bouwpercelen. Ook hier is het aantal nge's een hulpmiddel én is de concrete bedrijfssituatie van doorslaggevend belang. Als vuistregel geldt dat bedrijven met een omvang van circa 40 nge's tot 70 nge's in aanmerking komen voor een bouwperceel met een omvang van 0,5 tot 1 ha. Bedrijven kleiner dan 40 nge's waarbij nog wel sprake is van een reële bedrijfsvoering, krijgen een bouwperceel dat is afgestemd op de aanwezige bebouwing met beperkte uitbreidingsmogelijkheden (15%). onderscheid in agrarische bedrijven Voor het vestigen van een agrarisch bouwblok ten behoeve van glastuinbouw, boomkwekerijen en niet-grondgebonden bedrijven zoals champignonkwekerijen en (soms) de intensieve veehouderij moet in ruimtelijke plannen duidelijk worden gemaakt waarom de vestiging van een bouwblok op een bepaalde locatie acceptabel is. Als (nieuw)vestiging op grond van ruimtelijk relevante factoren niet mogelijk of wenselijk is, worden dergelijke bedrijven in de begripsbepaling of de doeleindenomschrijving uitgezonderd van de bestemming "agrarisch bedrijf” zodat zij (ook) niet in de plaats kunnen treden van een ander, bestaand agrarisch bedrijf. nevenactiviteiten op het agrarisch bedrijf In het kader van gebiedsgericht beleid, plattelandsvernieuwing en reconstructie wordt gezocht naar mogelijkheden voor nevenactiviteiten ter verbreding van de economische basis van bestaande agrarische bedrijven. Dit kan bijdragen aan de leefbaarheid en de ontwikkeling van het recreatief medegebruik van het landelijk gebied. Activiteiten die in het verlengde liggen van het agrarisch bedrijf, zoals verkoop van eigen producten, zijn binnen de agrarische bestemming toegestaan. Het starten met een nevenactiviteit op een agrarisch bouwperceel, zonder een directe relatie met de agrarische bedrijfsactiviteiten, is onder voorwaarden toegestaan. De activiteiten worden in principe binnen de bestaande agrarische bedrijfsbebouwing uitgeoefend, zijn kleinschalig van omvang en niet gericht op productie, passen bij de kwaliteit en de schaal van het desbetreffende gedeelte van het buitengebied (landschap), zijn van ondergeschikt belang aan de agrarische hoofdfunctie, veroorzaken geen aanmerkelijke toename van de verkeersbelasting, zijn infrastructureel goed inpasbaar, en werpen geen belemmeringen op voor de agrarische activiteiten. Wij denken dan aan gebruiksgerichte paardenhouderijen, overnachtingsmogelijkheden, agro-toerisme, educatieve doeleinden, natuurbeheer, waterbeheer, dagrecreatie en kleinschalige horeca met ontbijt- en lunchmogelijkheid, theetuin, terras, speeltuin, huifkartochten, etc. De toelaatbaarheid is afhankelijk van het te leveren maatwerk en de betekenis voor de ruimtelijke kwaliteit. Bedrijven zoals aannemers-, detailhandels- en transportbedrijven zijn evenals industriële bedrijven uitgesloten. De nevenactiviteit mag geen aanleiding zijn om het agrarisch bouwperceel te vergroten, het bedrijf te splitsen of een tweede bedrijfswoning toe te staan. verwijzingen • KB Lochem 11 maart 1996, Bouwrecht 1996,
- Het kan noodzakelijk zijn om het bestemmingsplan naast de milieuwetgeving te hanteren. In casu had differentiatie in de agrarische bouwblokken (ligging, omvang, aard) in de rede gelegen gezien de ligging ten opzichte van bossen en natuurgebieden (verzuring). 4.2.4.3 Glastuinbouw en boogkassen glastuinbouw als hoofdtak
- Nieuwvestiging van glastuinbouwbedrijven is slechts toegestaan in de Koekoekspolder in de gemeente Kampen. Incidenteel is nieuwvestiging mogelijk bij bestaande kleine concentraties in zone I.
- Voor de bestaande glastuinbouwbedrijven zijn slechts uitbreidingsmogelijkheden binnen de zones I en II. Uitbreiding van glastuinbouwbedrijven in zone III is alleen mogelijk wanneer dit binnen de hoofdkoers past en deel uitmaakt van een gebiedsgerichte aanpak. Ons beleid voor de ontwikkeling van de glastuinbouw is gericht op concentratie in de Koekoekspolder. Door concentratie zijn de negatieve effecten op de omgeving en het landschap beter in de hand te houden. Dit heeft als bijkomend voordeel dat gebruik wordt gemaakt van dezelfde infrastructuur, transportsystemen e.d. De kassencultuur is de laatste jaren sterk in ontwikkeling. Wij zoeken daarom binnen zone I naar een geschikte locatie voor het projectmatig ontwikkelen van een geconcentreerde vestiging van tenminste enkele tientallen bedrijven. De ontwikkeling van een dergelijk gebied is slechts mogelijk met een streekplanherziening. glastuinbouw als neventak of ondersteunende teelt
- Glastuinbouw als neventak is bij recht toelaatbaar tot een omvang van maximaal 500 m2 in de zones I en II, mits de karakteristieke landschapskenmerken niet onevenredig worden aangetast.
- De oppervlakte glastuinbouw voor de ondersteunende teelt bedraagt maximaal 500 m
- In het kader van de plattelandsontwikkeling komt het steeds vaker voor dat bestaande agrarische bedrijven ook bedrijfsmatige activiteiten met glas gaan ontplooien. Bij glastuinbouw als neventak of als ondersteunende teelt mag geen onevenredige aantasting van de landschappelijke waarden optreden. De omvang van de kassen wordt daarom beperkt tot 500 m2 en alleen toegestaan binnen de primaire agrarische gebieden. Dit met uitsluiting van gebieden met een open landschapsstructuur. Met ondersteunende teelt wordt bedoeld glastuinbouw als onderdeel van de agrarische bedrijfsvoering. Het gaat dan veelal om ondersteunende teelt voor de vollegrondstuinbouw of bij boomkwekerijen. De ontwikkeling tot hoofdtak of solitaire vestiging moet worden voorkomen. Dit geldt voor zowel de neventak als de ondersteunende teelt. De kassen moeten zoveel mogelijk aansluiten bij de bestaande bebouwing. In het bestemmingsplan dient dit te worden vastgelegd. boogkassen
- Het beleid voor de gewone glastuinbouw is ook van toepassing op de (kunststof) boogkassen hoger dan 1.20 meter. Ook hier is een onderscheid tussen hoofdtak en ondersteunde teelt vereist.
- Het plaatsen van lage boogkassen wordt beperkt tot een bepaalde periode van het jaar (september t/m april) en tot een oppervlakte van ten hoogste 20 % van het totale bedrijfsareaal. De afgelopen jaren is het gebruik van boogkassen met plastic afdekmateriaal sterk toegenomen. Ze verschijnen in alle vormen en maten. Aanvankelijk ging het om betrekkelijk eenvoudige constructies met een beperkte omvang en een seizoensgebonden gebruik. De boogkassen ontwikkelen zich de laatste jaren tot grotere, permanente en in de bodem verankerde bouwvergunningsplichtige constructies. Hoge en lage boogkassen kunnen de visuele kwaliteiten van het landschap aantasten. Wij verwachten dat het gebruik van deze boogkassen in de toekomst nog verder toeneemt. Gezien de ruimtelijke consequenties maken wij een onderscheid tussen de hoge boogkassen en de lagere constructies voor tijdelijk (seizoensgebonden) gebruik als bescherming tegen vorst en neerslag en voor het verruimen van het oogstseizoen. Het plaatsen van lage boogkassen is alleen toegestaan voor tijdelijk gebruik en tot maximaal 20 % van het totale bedrijfsareaal voor de teelt in de open lucht. Omdat voor de lage, tijdelijke boogkassen geen bouwvergunning nodig is, dient de regeling ondergebracht te worden in de gebruiksbepalingen. De boogkassen moeten zoveel mogelijk aansluiten op de aanwezige bedrijfsbebouwing. Dit wordt in het bestemmingsplan vastgelegd. zonering glastuinbouw Het is van belang om bij de situering van de glastuinbouw rekening te houden met de effecten voor gevoelige functies en bestemmingen zoals bijvoorbeeld woningbouw. Aanknopingspunten voor bijvoorbeeld afstanden of assimilatieverlichting, zijn te vinden in het op 1 april 2002 in werking getreden Besluit glastuinbouw. 4.2.4.4 Paardenhouderijen en maneges
- De productiegerichte paardenhouderij wordt beschouwd als een agrarisch bedrijf.
- Gebruiksgerichte paardenhouderijen en handelsstallen worden niet als een agrarisch bedrijf aangemerkt. Beide categorieën kunnen zich alleen op vrijkomende agrarische bedrijven vestigen.
- Als (tevens) sprake is van manegeachtige activiteiten wordt vestiging in beginsel alleen toegestaan binnen vrijkomende bedrijven gelegen aansluitend aan of in de stadsrandzone. productiegericht versus gebruiksgericht Productiegerichte paardenhouderijen houden zich vooral bezig met het produceren van paarden zoals te doen gebruikelijk in hengstenstations, paarden- en pony(op)fokbedrijven. Daartegenover staan de gebruiksgerichte paardenhouderijen. Hier staat de recreërende mens centraal. De activiteiten hebben een verkeersaantrekkende werking en vaak ontstaan er kleine horecagelegenheden en andere voorzieningen. Wij denken dan aan pension, wedstrijdstallen, maneges, verhuurbedrijven, oefenaccommodaties, africhtingsbedrijven, training- en handelsstallen, etc. In de praktijk komen regelmatig mengvormen voor. Op het moment dat de gebruiksgerichte vorm gaat overheersen gelden de voorwaarden voor een gebruiksgerichte paardenhouderij. binnen- en buitenrijbanen Bij vestiging van een gebruiksgerichte paardenhouderij wordt de binnenrijbaan in beginsel gevestigd binnen de bestaande bebouwing. Nieuwbouw is alleen mogelijk als de binnenrijbaan niet binnen de bestaande bebouwing kan worden gerealiseerd. Dit moet worden aangetoond. Daarbij geldt als aanvullende voorwaarde dat er een aanmerkelijke sanering van de aanwezige bebouwing plaatsvindt; minimaal de helft van de al dan niet losstaande bedrijfsgebouwen. Een buitenrijbaan wordt zoveel mogelijk in aansluiting op de (voormalige) agrarische bedrijfsbebouwing gerealiseerd. Aantasting van natuur of landschap moet worden voorkomen. zonering vanwege het leefmilieu In de VNG-brochure wordt aandacht besteed aan de zonering van paardenhouderijen en maneges. Zie bijvoorbeeld de SBI-codes 0122 en 9261.
- Zowel wat betreft geur, stof als geluid kan sprake zijn van overlast. Gemeenten geven aan op welke wijze rekening is gehouden met de indicatieve afstand van 50 meter. Dit geldt ook voor situaties waarin de aard van het bedrijf of van de omliggende woonbebouwing wellicht een grotere afstand zouden vereisen. 4.2.4.5 Agrarische bedrijfswoning
- Bij een volwaardig agrarisch bedrijf is een bedrijfswoning toegestaan. De bedrijfswoning moet noodzakelijk zijn voor de huisvesting van een persoon die daadwerkelijk en duurzaam met de dagelijkse bedrijfsvoering is belast.
- De inhoud van een bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 750 m
- Op locaties waar al twee (voormalige) bedrijfswoningen aanwezig zijn, bedraagt de maximale inhoud voor de tweede woning ook 750 m
- Een tweede bedrijfswoning wordt in beginsel niet toegestaan. Voor uitzonderingsgevallen is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Als extra toezicht noodzakelijk is wordt eerst gekeken of dit op te vangen is door inwoning of, als dat niet mogelijk is, de inhoud van de dienstwoning uit te breiden tot maximaal 900 m
- noodzaak van een (tweede) bedrijfswoning De technische ontwikkelingen in de agrarische sector hebben de laatste jaren een enorme vlucht genomen. Eén en ander heeft tot gevolg dat het aantal te bewerken s.b.e.'s per arbeidskracht sterk toeneemt. De noodzaak tot een tweede bedrijfswoning loopt bovendien verder terug door ontwikkelingen op het gebied van (tele)communicatie, computergestuurde systemen, verdergaande mechanisering, signaleringssystemen, automatische beveiliging e.d. Daar komt bij dat tweede bedrijfswoningen (op termijn) vaak leiden tot een verdergaande en niet-functionele verstening van het buitengebied. Ook kunnen ze een belemmering vormen voor de ontwikkelingen van de bestaande landbouw. Kortom: er is vanuit landbouwkundig oogpunt amper of geen noodzaak voor een tweede bedrijfswoning én landschappelijk gezien is het beter om daar geen medewerking aan te verlenen. Het realiseren van een tweede bedrijfswoning kan slechts bij hoge uitzondering worden toegestaan: alleen als dat blijvend noodzakelijk is voor een duurzame en doelmatige voortzetting van het agrarisch bedrijf. Dit moet worden aangetoond. Beide ondernemers dienen in dat geval fulltime werkzaam te zijn op het agrarisch bedrijf. De ondernemers dienen aannemelijk te maken dat het bedrijf beschikt over een toekomstperspectief van tenminste 10 jaar. De leeftijd van de ondernemers speelt hierbij een belangrijke rol. Bovendien moet zijn gebleken dat het onmogelijk is huisvesting te vinden in een dichtbij gelegen kern of woning elders in het buitengebied. Dit wordt van geval tot geval beoordeeld. Bij een fruitteeltbedrijf, een akkerbouwbedrijf, de varkenshouderij, de pluimveesector, de glastuinbouw, de champignonteelt e.d. zal daarvan vrijwel nooit sprake zijn. Het gaat hooguit om bedrijven met erg veel melkkoeien, zoogkoeien, fokzeugen en fokpaarden. Daarbij geldt dat het bedrijf duurzaam arbeid moet bieden aan tenminste twee volwaardige arbeidskrachten. Als wij instemmen met een tweede woning zal de situering daarvan een duidelijke relatie moeten hebben met het bedrijf. Dit komt het best tot uitdrukking door de woning op het bouwperceel te vestigen en via het bestaande bedrijf te laten uitwegen. Voor de goede orde merken wij nog op dat aanverwante of andere niet agrarische (neven)activiteiten nooit tot het ontstaan van een tweede bedrijfswoning mogen leiden. Ook niet als zij voortkomen uit de plattelandsvernieuwing. inhoudsmaat (inclusief kelders) en inwoning De inhoudsmaat van 600 m3 is in deze Handreiking verruimd tot 750 m
- Situaties waarin eventueel (tijdelijk) extra toezicht is vereist kunnen daardoor met inwoning worden opgelost. Huisvesting voor de rustende boer dient eveneens binnen deze 750 m3 plaats te vinden. De uitbreiding mag in geen geval leiden tot twee afzonderlijke woningen. De verschijningsvorm van de woning blijft ongewijzigd: geen twee clusters van bebouwing maar één bouwmassa met het uiterlijk van één woning. Woningen, deels in gebruik voor inwoning, kunnen later niet worden bestemd tot een dubbele woning. 4.2.4.6 Agrarische bebouwing buiten het bouwperceel
- Agrarische bebouwing buiten het bouwperceel wordt toegestaan tot een maximale oppervlakte van 100 m
- Het gaat dan om schuil- of melkstallen, veldschuren.
- Mest moet op het bouwperceel worden opgeslagen. Als dit om milieuhygiënische redenen niet mogelijk is en het bouwperceel niet kan worden vergroot of gewijzigd, is afwijking toegestaan. Mestopslag buiten het agrarisch bouwperceel is mogelijk voor de gebundelde opslag van een aantal bedrijven. Deze opslagplaatsen zijn maximaal 4 meter hoog en de maximale hoeveelheid opgeslagen mest bedraagt 5.000 m
- Mestopslag buiten het bouwperceel geschiedt met een wijzigingsbevoegdheid.
- De mestopslag wordt uitgesloten voor locaties in of nabij gebieden met landschappelijke en natuurlijke waarden of nabij (toekomstige) woon- of recreatieterreinen 4.2.5 Natuur en landschap 4.2.5.1 Landschap en cultuurhistorie
- Bij planvorming en uitvoering wordt rekening gehouden met het landschap. Dit geldt ook voor de waarden van gebieden met een karakteristieke openheid. De voor besloten en kleinschalige landschappen typerende beplanting blijft behouden.
- Behoud van onverharde en half verharde wegen en paden is van groot belang voor het landschapsbeeld en de toeristisch-rec