← Nederland

Integrale verordening sociaal domein gemeente Woudenberg 2024 (Woudenberg)

Kort gezegd

Deze verordening regelt de uitvoering van verschillende sociale wetten in de gemeente Woudenberg, met als doel burgers te ondersteunen bij zelfredzaamheid, participatie en inkomen, en jeugdigen te helpen opgroeien in een veilige omgeving. De nadruk ligt op de eigen verantwoordelijkheid van burgers en het versterken van hun eigen kracht en sociale netwerk.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Integrale verordening sociaal domein gemeente Woudenberg 2024Hoofdstuk1Algemene bepalingen Algemene bepaling Bij het nemen van besluiten op aanvragen wordt niet alleen acht geslagen op de wet en regelgeving, maar ook op het doel van de wetgeving en het effect van het besluit. Bij elk besluit wordt rekening gehouden met de volgende waarden en normen: Dat aan het gezin, als kern van de samenleving en de natuurlijke omgeving voor de ontplooiing en het welzijn van al haar leden en van de kinderen in het bijzonder, de nodige bescherming en bijstand dient te worden verleend opdat het zijn verantwoordelijkheden binnen de samenleving volledig kan dragen. Dat het kind geen schade leidt en kan opgroeien in een liefde- en begripsvolle gezinsomgeving. Dat burgers met een handicap en/of een chronische ziekte op voet van gelijkwaardigheid met anderen de toegang hebben tot de fysieke omgeving, tot vervoer, informatie en communicatie, met inbegrip van informatie- en communicatietechnologieën en –systemen, en tot andere voorzieningen en diensten. Dat de eigen verantwoordelijkheid van de burgers centraal staat om voor hun zelfredzaamheid, participatie en inkomen naar vermogen al het mogelijke te doen om deel te nemen aan de maatschappij, mede door inzet van personen uit hun sociale netwerk. Dat als het burgers niet lukt om zelf, of met hulp van de eigen omgeving en het aanbod uit de sociale basis, knelpunten op te lossen, de gemeente samen met partners hen helpt de juiste weg te wijzen of aanvullende (jeugd)hulp of ondersteuning te bieden. De ondersteuning is daarbij gericht op het zoveel mogelijk versterken van de eigen kracht van de burgers, het gezin of het sociale netwerk. Dat ondersteuningsvragen integraal worden benaderd. Niet de voorzieningen, maar de resultaten die de burger en/of het gezin wil bereiken staan centraal. Artikel1.Toepassing en begrippen 1.Deze verordening is van toepassing op het (integrale) proces rond de uitvoering van de Jeugdwet, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo), de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte zelfstandigen (IOAZ) en de beslistermijn van de Wet Gemeentelijke Schuldhulpverlening (WGS). 2.In deze verordening wordt onder de niet-gedefinieerde begrippen verstaan, wat daarmee in de Jeugdwet, de Wmo 2015 of de Participatiewet, IOAW, IOAZ of WGS wordt bedoeld. 3.In deze verordening wordt verder verstaan onder: Aanvraag: een verzoek om toekenning van een individuele voorziening in het kader van de Jeugdwet; een aanvraag als bedoeld in artikel 2.3.5 van de Wet maatschappelijke ondersteuning; een aanvraag als bedoeld in artikel 41 van de Participatiewet; een aanvraag als bedoeld in artikel 1 van de Wet Gemeentelijke Schuldhulpverlening. Algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is. Tevens die een passende bijdrage levert aan het realiseren van zelfredzaamheid of participatie en financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. Algemene voorziening: niet zijnde een individuele voorziening als bedoeld in de Jeugdwet een algemene voorziening als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo; een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15 van de Participatiewet. Andere voorziening (Jeugdwet) : voorziening anders dan in het kader van de Jeugdwet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen. Budgetperiode: de periode waar een pgb betrekking op heeft. Cliënt: een jeugdige of zijn ouders of pleegouders als bedoeld in artikel 1 van de Jeugdwet; een persoon als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo; een persoon als bedoeld in artikel 7 van de Participatiewet. Cliëntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo. College: college van burgemeester en wethouders. Financieel besluit: een door het college vastgestelde regeling, waar op grond van dezen verordening nadere regels en bedragen zijn gesteld. Gebruikelijke hulp: de hulp of de zorg die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de ouder(s), partners, huisgenoten of anderen uit het sociale netwerk, rekening houdend met de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen. Maatwerkvoorziening: een op de cliënt toegesneden aanvullende voorziening waarvoor een (verlengings)beschikking van het college nodig is; een maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo; een individuele voorziening als bedoeld in de Jeugdwet; een voorziening als bedoeld in artikel 7 van de Participatiewet. Melding: het stellen van een hulpvraag of een verzoek van een cliënt om toekenning van een individuele voorziening in het kader van de Jeugdwet; een melding als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 1 van de Wmo; een melding als bedoeld in artikel 44 van de Participatiewet. Nadere regels: een door het college vastgestelde regeling, waar op grond van deze verordening nadere regels zijn gesteld. Onderzoek: een onderzoek naar aanleiding van een melding in het kader van de Jeugdwet; een onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de Wmo; een onderzoek als bedoeld in artikel 53a van de Participatiewet. Pgb: persoonsgebonden budget: een bedrag waarmee inwoners zelf hun jeugdhulp, ondersteuning of hulpmiddel kunnen inkopen. Als bedoeld in artikel 8.1.1 van de Jeugdwet en artikel 2.3.6 van de Wmo. Pgb-plan: een plan opgesteld door (of namens) de cliënt en/of zijn wettelijke vertegenwoordiger(

  1. s)waaruit blijkt dat de besteding van het pgb voldoet aan de voorwaarden van de wet en/of deze verordening zo nodig aangevuld met voorwaarden die daar naar het oordeel van het college aan gesteld mogen worden. Plan van aanpak: het hulpverleningsplan, als bedoeld in de Jeugdwet (art. 1.1); al dan niet gecombineerd met het persoonlijk plan, als bedoeld in de Wmo of het familiegroepsplan, als bedoeld in de Jeugdwet; en/of een plan van aanpak voor één of meer personen, gerelateerd aan de Participatiewet. Sociaal netwerk: gezinsleden, (voormalig) partner, huisgenoot, familielid, vrienden of andere personen met wie de jeugdige of ouder een sociale relatie onderhoudt; van wie mogelijk sociale steun verwacht kan worden. Spoedeisend geval: een (onvoorziene) situatie die geen uitstel vraagt; Hoofdstuk2Integrale benadering Artikel2.Melding hulpvraag 1.Een melding als bedoeld in artikel 1 onder m van deze verordening kan schriftelijk of digitaal bij het college via Coöperatie De Kleine Schans worden ingediend. Meldingen in verband met aanvragen levensonderhoud op basis van de Participatiewet worden digitaal ingediend via werk.nl. 2.Het college bevestigt de ontvangst van de melding schriftelijk of per e-mail, tenzij cliënt heeft medegedeeld dit niet te wensen. In de ontvangstbevestiging is informatie opgenomen over de mogelijkheid van cliëntondersteuning, het keukentafelgesprek, een familiegroepsplan/persoonlijk plan en eventueel aanvullende informatie die bij de eerste afspraak moet worden meegenomen. 3.In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijke een passende tijdelijke maatregel of vraagt het college een machtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Jeugdwet. Artikel3.Vooronderzoek 1.Het college verzamelt alle voor het onderzoek als bedoeld in artikel 1 onder o, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie en maakt vervolgens zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek. 2.Het college zorgt ervoor dat cliënten een beroep kunnen doen op kosteloze cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is. 3.Hierbij brengt het college de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om binnen de wettelijke termijn een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet op te stellen of een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid van de Wmo. In het geval de cliënt daarom verzoekt, draagt het college zorg voor ondersteuning bij het opstellen van een familiegroepsplan of persoonlijk plan. 4.Voorafgaand aan het gesprek verschaft de cliënt het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover de cliënt op dat moment redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De cliënt verschaft inzage in een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. 5.Het college kan in overleg met de cliënt afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het eerste lid. Artikel4.Het gesprek 1.Het college onderzoekt in een gesprek met de cliënt en/of diens wettelijke vertegenwoordiger en/of een gewenst persoon uit het sociaal netwerk, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig: de behoeften, persoonskenmerken, eerder ingezette ondersteuning, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en situatie van het huishouden van de cliënt; het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning; Het vermogen om op eigen kracht of met het sociale netwerk een oplossing voor de hulpvraag te vinden; de mogelijkheden om, al dan niet naast de eigen kracht of met gebruikelijke hulp of andere voorzieningen of algemene voorzieningen of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn hulpvraag te beantwoorden; de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk een oplossing te vinden voor zijn hulpvraag; de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang; de mogelijkheid om, eventueel aanvullend op maatregelen zoals in lid c en d, een collectieve of individuele maatwerkvoorziening te verstrekken, waarbij collectieve maatwerkvoorzieningen voorliggend zijn aan op individuele maatwerkvoorzieningen; de wijze waarop een mogelijk toe te kennen maatwerkvoorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van participatie, zorg en onderwijs; hoe rekening zal worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de cliënt en zijn huishouden; welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 en 2.1.4a van de Wmo verschuldigd zal zijn, en de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze. Indien het een jeugdige betreft wiens ondersteuningsvraag naar verwachting ook na hun 18e jaar nog niet beantwoord is, de mogelijkheden tot zorgcontinuïteit of vervolgstappen, in afstemming met andere voorzieningen. 2.Als de cliënt een persoonlijk plan of een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 3, vierde lid aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan als eerste bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid. 3.Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt de cliënt toestemming om zijn persoonsgegevens te verwerken. Afhankelijk van de leeftijd wordt er bij een jeugdige om toestemming gevraagd aan de ouders of de jeugdige zelf, conform artikel 7.3.4. van de Jeugdwet. 4.Het college kan alleen in overleg met de cliënt en vertegenwoordigers afzien van een gesprek. 5.Het college kan, na toestemming van de cliënt en/of zijn ouder(
  2. s)informatie inwinnen bij andere instanties, zoals de huisarts of de onderwijsinstelling, en met deze in gesprek gaan over de aangewezen hulp. 6.Dit artikel is niet van toepassing op verwijzingen van de huisarts en de medisch specialist zoals bedoeld in artikel 2.6 onder e van de Jeugdwet. Artikel5.Advisering 1.Het college kan om deskundigenadvies vragen voor zover dit van belang is voor het onderzoek of de beoordeling van de aanvraag. 2.De cliënt dan wel zijn huisgenoot verleent zijn medewerking aan het onderzoek als bedoeld in het eerste lid voor zover die redelijkerwijs kan worden gevergd. Artikel6.Verslag (Wmo/Jeugdwet) 1.Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek, bedoeld in artikel 3 en 4 of stelt een plan van aanpak op waarbij rekening wordt gehouden met het eventuele persoonlijk plan of familiegroepsplan en het verzoek om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming meerkosten als bedoeld in hoofdstuk 5 van de verordening. 2.Het college verstrekt aan de cliënt een verslag van de uitkomsten van het onderzoek, tenzij deze heeft medegedeeld dit niet te wensen. 3.Opmerkingen of latere aanvullingen van de cliënt worden aan het verslag toegevoegd. Artikel7.Aanvraag 1.Inwoners kunnen een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk of digitaal indienen bij het college. Een aanspraak op grond van de Participatiewet kan ambtshalve (zonder aanvraag) worden vastgesteld. 2.Het college kan een ondertekend verslag van het gesprek aanmerken als aanvraag als de cliënt dit op het verslag e/o het plan heeft aangegeven en deze is voorzien van een dagtekening, de naam, het identiteitsbewijs (mits inzage niet eerder is verschaft) en de geboortedatum van de cliënt. Artikel8.Inhoud beschikking (Wmo/Jeugdwet) 1.In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt. De beschikking is mede gebaseerd op het plan van aanpak. Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: welke de te verstrekken maatwerkvoorziening is; wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; hoe de maatwerkvoorziening wordt verstrekt; Indien van toepassing de hoogte van de eigen bijdrage. 2.Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: voor welk resultaat het pgb kan worden aangewend; welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen; wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld; de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb; Indien van toepassing de hoogte van de eigen bijdrage. Artikel9.Algemene criteria maatwerkvoorziening 1.Een cliënt en/of zijn wettelijk vertegenwoordiger(
  3. s)kan in aanmerking komen voor een aanvullende collectieve of individuele maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet: op eigen kracht; met het sociale netwerk; met gebruikelijke hulp; met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen, waaronder in ieder geval wordt verstaan dienstverlening door het sociaal team, bijvoorbeeld het verstrekken van informatie, advies, coaching en kortdurende begeleiding; met gebruikmaking van algemene gebruikelijke voorzieningen; kan verminderen of wegnemen. 2.Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt als: de cliënt de aangevraagde voorziening heeft gerealiseerd of aangeschaft (voor
  4. of)na de melding maar nog voor de datum van besluit, tenzij: het college daarvoor uitdrukkelijk schriftelijk toestemming heeft verleend; of de noodzaak, adequaatheid en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen; of uit die beoordeling blijkt dat dit niet in eigen kracht is gerealiseerd; bovenstaande uitzonderingsgronden vervallen 3 maanden na de startdatum van de aangevraagde voorziening; daarna kan de maatwerkvoorziening niet meer met terugwerkende kracht worden toegekend. de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning geen aanleiding bestond en er geen belangrijke reden aanwezig was; het aanspreken van een aanvullende verzekering die is afgesloten, mogelijk is. 3.Ten aanzien van een maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid en participatie geldt dat een cliënt alleen voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt indien: de noodzaak tot ondersteuning voor de cliënt redelijkerwijs niet vermijdbaar was; de voorziening voorzienbaar was, maar van de cliënt redelijkerwijs niet verwacht kon worden maatregelen te hebben getroffen die de ondersteuningsvraag deels of geheel opgelost had. 4.Een cliënt die ingezetene is van Nederland met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet: op eigen kracht; Met het sociale netwerk; met gebruikelijke hulp; met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; dan wel met gebruikmaking van algemene/basisvoorzieningen, waaronder in ieder geval wordt verstaan dienstverlening door het sociaal team, bijvoorbeeld het verstrekken van informatie, advies, coaching en kortdurende begeleiding; met gebruikmaking van algemene gebruikelijke voorzieningen; kan verminderen of wegnemen. 5.De maatwerkvoorziening als bedoeld in het vorige lid levert, rekening houdend met het plan van aanpak als bedoeld in artikel 5 van de verordening en voor zover aanwezig het persoonlijk plan of familiegroepsplan, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt voldoende en op aanvaardbare wijze in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht op verantwoorde wijze te handhaven in de samenleving. 6.Het college beoordeelt de hulpvraag aan de hand van het gesprek en de genoemde onderwerpen als bedoeld in artikel 4 van deze verordening. 7.Om te zorgen dat een maatwerkvoorziening kan worden afgestemd op andere voorzieningen als bedoeld in artikel 12, van de verordening draagt het college zorg voor afspraken met onder meer: partijen in het kader van gezondheidszorg; partijen in het kader van de algemene gebruikelijke voorzieningen gecertificeerde instellingen; instellingen die voorschoolse voorzieningen bieden; onderwijsinstellingen voor primair-, voortgezet- en speciaal onderwijs; de betreffende gemeentelijke afdelingen. Artikel10.Regels voor persoonsgebonden budget (Wmo/Jeugdwet) Paragraaf10.1Voorwaarden pgb 1.Als een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, maar de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een door het college te verstrekken pgb, beoordeelt het college of wordt voldaan aan alle wettelijke voorwaarden om in aanmerking te komen voor een pgb zoals omschreven in artikel 2.3.6 Wmo 2015 en artikel 8.1.1 lid 2 Jeugdwet. 2.Het college beoordeelt of de cliënt, eventueel met behulp van zijn pgb-beheerder, in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen en het uitvoeren van de aan een pgb verbonden taken. De cliënt dient in zijn pgb-plan ten minste aan te geven: welke ondersteuning de cliënt nodig heeft; wat de cliënt met het pgb wenst in te kopen; waarom de cliënt de ondersteuning in de vorm van een pgb wenst te ontvangen; indien van toepassing: wie de cliënt heeft gemachtigd om zijn belangen ten aanzien van het pgb te behartigen en de aan het pgb verbonden taken uit te voeren; hoe de cliënt een keuze maakt voor een geschikte pgb-aanbieder; op welke wijze de kwaliteit van de ondersteuning is gewaarborgd; op welke wijze de cliënt de zorgverlener aanstuurt in de praktijk; op welke wijze de zorg wordt gecontroleerd; op welke wijze de cliënt een juiste administratie gaat bijhouden; hoe hij omgaat met geconstateerde onjuistheden. 3.Het college beoordeelt of de ondersteuning die de cliënt met het pgb wenst in te kopen naar het oordeel van het college van voldoende kwaliteit is en dus veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht is. De kwaliteit van de ondersteuning wordt getoetst door middel van het pgb-plan zoals omschreven in lid 4. Daarnaast dient de uitvoerder van de ondersteuning te beschikken over een recente VOG (afgiftedatum ligt maximaal 3 maanden voor indiening pgb-plan). De budgethouder is verplicht om gebruik te maken van de op zijn situatie van toepassing zijnde modelovereenkomst van de Sociale Verzekeringsbank. 4.De cliënt en/of pgb-beheerder is verplicht ten aanzien van het waarborgen van de kwaliteit van de ondersteuning een pgb-plan op te stellen. Het college kan een format voor dit pgb-plan vaststellen. In het pgb-plan staat in ieder geval omschreven: welke zorgverlener de zorg gaat verlenen; wie de directe zorgverlener(
  5. s)is; wat de deskundigheid is van de directe zorgverlener(s); wie de directe zorgverlener(
  6. s)kan vervangen bij afwezigheid; welke doelen behaald moeten worden; welke concrete acties ingezet worden om de gestelde doelen te bereiken; waar en wanneer de ondersteuning gaat plaatsvinden. 5.De kwaliteit van de met het pgb ingekochte professionele ondersteuning voldoet minimaal aan de eisen die de gemeente stelt aan de gecontracteerde zorgaanbieders die vergelijkbare ondersteuning leveren, hierbij moeten pgb-aanbieders voldoen aan de volgende criteria: ingeschreven staan in het handelsregister; adequaat opgeleid personeel in dienst hebben; een VOG van alle werknemers (en eventueel vrijwilligers) kunnen overleggen; beschikken over een volledig geïntegreerd kwaliteitssysteem dat voldoet aan de landelijke eisen; een verklaring betalingsgedrag belastingdienst kunnen tonen; een afschrift van de meest recente jaarrekening - of in het geval van een ZZP’er een balans en een winst- en verliesrekening -kunnen tonen; verzekerd zijn tegen beroeps- en/of bedrijfsaansprakelijkheid. 6.Een pgb is alleen mogelijk indien naar het oordeel van het college wordt voldaan aan alle voorwaarden om in aanmerking te komen voor een pgb en: er geen weigeringsgrond van toepassing is zoals omschreven in artikel 10.4; in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het ondersteuningsplan opgenomen beoogde resultaat; er op geen enkele manier druk is uitgeoefend om de dienstverlening, in welke vorm dan ook, van deze persoon of organisatie te betrekken. 7.Het niet voldoen aan de kwaliteitseisen heeft tot gevolg dat het college de aanvraag van de cliënt voor ondersteuning in de vorm van een pgb afwijst. Het college kan de pgb-aanbieder een waarschuwing met een redelijke hersteltermijn geven, of de pgb-aanbieder niet (langer) accepteren in het kader van een pgb. Paragraaf10.2Voorwaarden pgb voor ondersteuning door informele aanbieder 1.Alvorens de cliënt een aanvraag doet voor een voorziening, wordt van hem verwacht dat hij eerst een beroep doet op zijn familie en vrienden. Er wordt geen pgb verstrekt waarvan het gebruikelijk is dat de activiteiten door het sociaal netwerk worden verricht, zoals: (sociale) activiteiten ondernemen met de cliënt; het doen van de boodschappen: lichte huishoudelijke taken; eenvoudige hulp bij de administratie; het maken van afspraken en/of het meegaan naar afspraken met specialisten; vervoer naar afspraken met specialisten. 2.Een cliënt heeft de mogelijkheid om dienstverlening te betrekken van een persoon of organisatie behorende tot het sociale netwerk: als de cliënt een gelijkwaardig of beter resultaat kan behalen als iemand uit het sociale netwerk de zorg verleent ten opzichte van een professionele aanbieder en; als dit leidt tot volwaardige dienstverlening die passend is aan de hulpvraag van de cliënt. Paragraaf10.3Voorwaarden pgb-beheerder 1.Het beheren van het pgb kan door zowel de cliënt als door een pgb-beheerder worden uitgevoerd. Indien de pgb-beheerder het pgb gaat beheren, dan zijn de regels over het pgb beheer waar cliënt wordt genoemd van overeenkomstige toepassing op de pgb-beheerder. 2.Het college acht een persoon niet in staat de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren indien bij hem sprake is van een of meerdere van de volgende omstandigheden: problematische schuldenproblematiek; aangetoonde fraude begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag; ernstige verslavingsproblematiek; een aanmerkelijke verstandelijke beperking; een ernstig psychiatrisch ziektebeeld; een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis; het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift; niet zelfstandig zorg kunnen dragen voor het opstellen van het pgb-plan; signalen van overbelasting; twijfels op overige gronden over de pgb-vaardigheid, zoals opgenomen in artikel 10.1 lid 2. 3.Onverlet het bepaalde in het vorige lid wordt een pgb-beheerder alleen geacht de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze te kunnen uitvoeren indien: hij eerste of tweedegraads bloed-of aanverwant is van de cliënt of tot het sociaal netwerk behoort; hij door de rechtbank is aangesteld als mentor, curator of bewindvoerder; hij niet tevens uitvoerder is van de ondersteuning die met het pgb wordt ingekocht; er geen sprake is van een (financiële) relatie tussen de pgb-beheerder en de pgb-aanbieder; er geen sprake is van is van belangenverstrengeling tussen de pgb-beheerder en de pgb-aanbieder. er sprake is van voldoende nabijheid in de vorm van fysieke aanwezigheid en tijd; hij de belangen van de cliënt voldoende kan behartigen zoals omschreven in artikel 10.1 lid 2; hij de aan een pgb verbonden taken kan uitvoeren zoals omschreven in artikel 10.1. lid 2. 4.Een cliënt krijgt maximaal twee keer de mogelijkheid om een pgb-beheerder aan te dragen. Indien geen geschikte pgb-beheerder wordt aangedragen, zal de aanvraag voor ondersteuning in de vorm van een pgb worden afgewezen. Paragraaf10.4pgb niet mogelijk 1.Het college weigert een pgb te verstrekken als het college eerder een beslissing heeft herzien of ingetrokken omdat: de cliënt of zijn pgb-beheerder onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; de cliënt of zijn pgb-beheerder niet heeft voldaan aan de aan de maatwerkvoorziening of het pgb verbonden voorwaarden; de cliënt of zijn pgb-beheerder het pgb niet of voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor het is bestemd. 2.Het college verstrekt geen pgb als: er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 1.3. het een pgb behandeling binnen het informele netwerk van de cliënt in het kader van jeugdhulp betreft. deze dient als inkomstenderving voor (boven)gebruikelijke hulp die geboden wordt binnen het eigen huishouden of het sociale netwerk. de cliënt of zijn gewenste pgb-beheerder ongeschikt wordt geacht op basis van de voorwaarden paragraaf 10.3 lid 2. 3.Het college verstrekt geen pgb voor vervoer als de cliënt in deze behoefte kan voorzien door gebruik te maken van het collectief vervoer. 4.Het college verstrekt geen pgb voor zover deze is bedoeld voor bemiddelings- of administratiekosten of een combinatie hiervan, in verband met de aanvraag of uitvoering van het pgb, of een combinatie hiervan, al dan niet in combinatie met de kosten van de pgb-beheerder. 5.Het college verstrekt geen pgb voor ondersteuning van een pgb-aanbieder die fraude heeft gepleegd. 6.Het college verstrekt geen pgb voor ondersteuning van een zorgverlener indien er twijfels zijn over de integriteit van de zorgverlener, wat zich in ieder geval voordoet indien de zorgverlener: betrokken is geweest bij strafbare feiten of overtredingen heeft begaan die de veiligheid en de kwaliteit van de ondersteuning in gevaar brengen; verdacht is geweest van strafbare feiten dan wel daarvoor veroordeeld is geweest; bestuursrechtelijke en/of fiscaalrechtelijke boetes opgelegd heeft gekregen; bestuursrechtelijke handhavingsmaatregelen opgelegd heeft gekregen in de vorm van een last onder bestuursdwang en/of dwangsom; er sprake is van feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de pgb-aanbieder en/of zijn directie en/of de aan hen gelieerde vennootschappen een zakelijk samenwerkingsverband onderhouden met derden die in relatie staan tot strafbare feiten of daarvan verdacht worden; zich niet professioneel gedraagt. Hiervan is onder andere sprake indien de pgb-aanbieder zich intimiderend opstelt, geen voorbeeldfunctie toont of incidenten hebben plaatsgevonden binnen de uitvoering van zijn functie. 7.Verstrekking in de vorm van persoonsgebonden budget vindt niet of niet langer plaats als: op grond van aanwijzingen die tijdens het onderzoek duidelijk zijn geworden het ernstige vermoeden bestaat dat de cliënt en/of zijn pgb-beheerder problemen zal hebben bij het omgaan met een pgb; er sprake is van vastgesteld oneigenlijk gebruik of misbruik van een pgb in het verleden; er naar het oordeel van het college andere, zwaarwegende, bezwaren bestaan tegen de verstrekking. Paragraaf10.5Hoogte pgb 1.De hoogte van een pgb, niet zijnde beschermd wonen, wordt vastgesteld op basis van het pgb-plan, het te bereiken resultaat (doel) of het aantal geïndiceerde uren dan wel een tijdeenheid naar rato daarvan of het aantal geïndiceerde dagdelen of etmalen in natura. 2.De hoogte van het pgb bedraagt niet meer dan het maximum van de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate oplossing, tenzij de cliënt aantoont dat met het toe te kennen pgb de geïndiceerde maatwerkvoorziening niet kan worden ingekocht. 3.De gedifferentieerde tarieven voor hulpverleners zijn opgebouwd uit verschillende kostencomponenten, zoals salaris, vervanging tijdens vakantie, verzekeringen en reiskosten (all-in tarief). 4.Het college kan een pgb, welke betrekking heeft op een periode voorafgaande aan de aanvraag weigeren, tenzij: het college vaststelt dat de aanvraag niet eerder ingediend kon worden; en de cliënt aantoont verplichtingen met derden te zijn aangegaan die onherroepelijk zijn; en het college tot het oordeel komt dat de verleende ondersteuning noodzakelijk is. 5.Voor de goedkoopst passende bijdrage hanteert het college gedifferentieerde maximumtarieven die zijn afgeleid van de tarieven waarvoor het college de geïndiceerde diensten heeft ingekocht: 90% voor een daartoe opgeleide professional in dienst van zorgaanbieder; 75% voor een professional die werkzaam is als zelfstandig werkend ondernemer of via een arbeidsovereenkomst; 50% voor personen uit het sociaal netwerk, indien er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. voor personen uit het sociaal netwerk, indien er wel sprake is van een arbeidsovereenkomst, geldt als ondergrens de hoogste periodiek voor de benodigde hulp in de desbetreffende CAO, vermeerderd met de vakantiebijslag en tegenwaarde van de verlofuren als het gaat om hulp uit het sociaal netwerk. Het tarief uit lid 5d. is ook van toepassing op personen die niet uit het sociale netwerk komen, maar ook niet voldoen aan het bepaalde in lid 5a en 5b. de tegemoetkoming voor een hulp uit het sociaal netwerk als bedoeld in artikel 2 van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015 bedraagt maximaal € 141,-- per kalendermaand, voor zover van toepassing aangevuld met een tegemoetkoming voor schoonmaakmiddelen, levensmiddelen, kleding of reiskosten ten behoeve van de hulp overeenkomstig de door het college daarvoor vastgestelde bedragen. 6.In het door het college jaarlijks vast te stellen Financieel besluit wordt per ondersteunende dienst een omschrijving en daarbij behorend tarief opgenomen. Uitgangspunt is het tarief waarvoor de desbetreffende dienst in natura is ingekocht. 7.De hoogte van het pgb voor woonvoorzieningen en hulpmiddelen bedraagt in ieder geval niet meer dan het maximum van de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst passende bijdrage waaronder inbegrepen de instandhoudingskosten of andere bijkomende kosten en is toereikend voor het inkopen daarvan. De hoogte van het pgb voor het gebruik van individueel (rolstoel)taxivervoer wordt vastgesteld op bedragen op jaarbasis. Daarbij geldt dat het pgb toereikend is voor deelname aan het maatschappelijk verkeer. Het college kan op het jaarbedrag dan ook een korting toepassen indien sprake is van: verblijf in een instelling op grond van de Wet langdurige zorg; een samenvallende vervoersbehoefte; een beperkte (zelfstandige) vervoersbehoefte; andere aanwezige vervoersvoorzieningen of vervoersmogelijkheden. 8.Het college stelt het pgb voor een woningaanpassing vast op basis van een programma van eisen. Daarbij kan het college bijkomende noodzakelijke kosten in aanmerking nemen. 9.Het college kan de hoogte van het pgb vaststellen op basis van een offerte indien de geïndiceerde maatwerkvoorziening waaronder inbegrepen de instandhoudingskosten of andere bijkomende kosten niet valt binnen het assortiment van gecontracteerde aanbieders 10.Het college stelt nadere regels over de omvang van de budgetperiode van hulpmiddelen. 11.De hoogte van het pgb voor beschermd wonen vloeit voort uit het voor de cliënt van toepassing zijnde zorgarrangement. De hoogte van het pgb wordt vastgesteld op basis van het aantal geïndiceerde uren, het geldende uurtarief zoals bedoeld in sub. b van dit artikel en het pgb-plan; De hoogte van het pgb-uurtarief voor professionals in dienst van een instelling wordt gebaseerd op de tarieven zoals vastgesteld bij de inkoop van zorg in natura (ZIN); Het pgb-uurtarief bedraagt 90% van het uurtarief ZIN. Jaarlijks worden deze tarieven geïndexeerd conform de inkoopafspraken zoals gehanteerd bij de inkoop van ZIN (Beschermd Wonen) en door het college vastgesteld in het financieel besluit; Indien sprake is van overgangsrecht geldt een tarief van 75% van het van toepassing zijnde zorginstellingstarief; Het werkelijk toe te kennen pgb wordt afgestemd op de ondersteuningsbehoefte, dat volgt uit het plan van aanpak en de hiermee samenhangende kosten. Paragraaf10.6Onderscheid formele en informele hulp 1.Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van personen uit het sociaal netwerk van de budgethouder: personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007), en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of; personen die aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of; personen die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG-register) en/of artikel 5.2.1 van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp. 2.Als de hulp wordt verleend door een andere persoon dan beschreven in lid 1 onder a, b of c, is sprake van informele hulp. Artikel11.Opschorting, beëindiging en wijziging 1.Het college kan een toegekende aanspraak op een maatwerkvoorziening dan wel (uitbetaling van) pgb geheel of gedeeltelijk beëindigen, dan wel de inzet (levering) daarvan tijdelijk geheel of gedeeltelijk (laten) opschorten indien: niet wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld op grond van de wet of bij of krachtens de verordening; de cliënt wordt opgenomen of gaat wonen in een instelling, tenzij dat gebeurt in het kader van de te bieden jeugdhulp of ondersteuning op grond van de Wmo; de cliënt of zijn vertegenwoordiger(
  7. s)zich niet houdt aan de verplichtingen verbonden aan de maatwerkvoorziening of de verplichtingen die rechtstreeks voortvloeien uit het toegekende pgb; de cliënt is overleden; de gemeente Woudenberg op grond van het woonplaatsbeginsel niet meer verantwoordelijk is voor het bieden van (jeugd)hulp. Artikel11a.Opschorting betaling uit het pgb 1.Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting voor ten hoogste dertien weken van betalingen uit het pgb als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de Wmo. 2.Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onder b. 3.Het college stelt de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van het verzoek op grond van het eerste en tweede lid. Artikel11.bHerziening of intrekking 1.Onverminderd artikel 8.1.2 van de Jeugdwet en artikel 2.3.8 van de Wmo doet cliënt of diens vertegenwoordiger onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een maatwerkvoorziening of tegemoetkoming meerkosten. 2.Onverminderd artikel 8.1.4 van de Jeugdwet en artikel 2.3.10 van de Wmo kan het college een beslissing aangaande een voorziening geheel of gedeeltelijke herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat: de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; de cliënt naar het oordeel van het college niet langer op de voorziening, of op het pgb is aangewezen; de voorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten; de cliënt langer dan vier weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Zorgverzekeringswet; de cliënt niet voldoet aan de voorwaarden van de maatwerkvoorziening of het pgb; de cliënt de voorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor het is bestemd. 3.Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. 4.Het college kan een besluit als bedoeld in het eerste lid herzien of intrekken indien blijkt dat de jeugdige niet of onvoldoende heeft voldaan aan de verplichtingen genoemd in de wet of die bij of krachtens deze verordening van toepassing zijn waaronder inbegrepen het niet nakomen van de verplichtingen die rechtstreeks voortvloeien uit een dienstverleningsovereenkomst. Artikel11c.Terugvordering en verrekening 1.Het college kan nadat het besluit tot toekenning van een maatwerkvoorziening, tegemoetkoming meerkosten dan wel pgb is herzien of ingetrokken: het ten onrechte of tot een te hoog bedrag betaald pgb terugvorderen; geheel of gedeeltelijk de geldswaarde van een maatwerkvoorziening in natura terugvorderen; de ten onrechte ontvangen tegemoetkoming terugvorderen 2.Het college kan de kosten van de maatwerkvoorziening, het pgb of de tegemoetkoming meerkosten terugvorderen in geval van een onverschuldigde betaling. 3.De wijze waarop de terugvordering geïnd wordt, kan verrekening zijn. De hoogte van het na verrekening resterende (periodieke) bedrag moet in redelijke verhouding staan tot de ondersteuning in de zelfredzaamheid en participatie. 4.Voor zover sprake is van de wettelijke terugvorderingsbepaling kan het college het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel invorderen. Dat geeft een executoriale titel. Bij andere terugvorderingsgronden moet de invordering langs civielrechtelijke weg plaatsvinden. 5.Het college maakt gebruik van de in de Zorgovereenkomst SVB opgenomen derdenbeding, wanneer sprake is van toerekenbaar tekortschieten van de pgb -zorgaanbieder, ook als de budgethouder niets te verwijten valt. Artikel11d.Fraudepreventie en controle 1.Het college zet in op fraudepreventie. Onderdeel daarvan is de wijze waarop het college cliënten en diens wettelijk vertegenwoordigers informeert over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening (in natura of in de vorm van een pgb) zijn verbonden en over de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik. 2.Het college beoordeelt, al dan niet steekproefsgewijs, de besteding van de pgb’s conform het pgb-plan. Tevens beoordeelt het college of de pgb-houder en/of cliënt nog voldoet aan de criteria om voor een pgb in aanmerking te komen. 3.Fraude of vermoedens van fraude worden afgehandeld volgens het vigerende fraudebeleidskader. 4.Het college wijst een toezichthouder aan die belast is met het houden van toezicht op de naleving van de Wmo, waaronder wordt begrepen de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en (onterecht) niet-gebruik van de Wmo. Hoofdstuk3Voorzieningen Artikel12.Algemene voorzieningen 1.Een algemene voorziening op het gebied van ondersteuning en dienstverlening die wordt aangeboden door maatschappelijke organisaties en door de markt vrij toegankelijk is voor iedere inwoner van de gemeente Woudenberg. 2.Een algemene voorziening kan zich richten op collectief vervoer, collectieve of individuele begeleiding, dagbesteding en voorzieningen gericht op preventie van en ondersteuning bij opvoed- en opgroeivragen. Algemene voorzieningen bestaan onder andere uit: Voorzieningen gericht op ondersteuning bij opvoed- en opgroeivragen Voorzieningen gericht op (sociale) participatie van jeugdigen Voorzieningen gericht op (mentale) weerbaarheid in de sociale basisstructuur Voorzieningen gericht op een positieve gezondheid van jeugdigen Voorzieningen gericht op cultuur, sport en bewegen van jeugdigen Sociaal Team voor hulpverlening bij opvoed- en opgroeivragen. 3.Om vast te stellen of een cliënt behoort tot de doelgroep kan het college een lichte toegangstoets uitvoeren. 4.Een lichte toegangstoets kan ook worden uitgevoerd door de aanbieder van de algemene voorziening. 5.Collectieve voorzieningen gaan voor op individuele voorzieningen. Artikel13.Maatwerkvoorzieningen: vormen van jeugdhulp 1.De volgende vormen van niet vrij-toegankelijke jeugdhulp zijn beschikbaar: Hulp voor jeugdigen vanuit de ondersteuningsstructuur van de school. Hulp voor jeugdigen met (ernstige) opvoed- en opgroeiproblemen die niet preventief of door Coöperatie De Kleine Schans geboden kan worden; Hulp voor jeugdigen met psychische klachten of stoornissen (voorkomen, behandelen, stabiliseren, genezen); Hulp voor jeugdigen met een verstandelijke beperking; Begeleiding en persoonlijke verzorging jeugdigen; Respijtzorg/logeren. 2.Hulp die vanuit de ondersteuningsstructuur van de school wordt aangeboden is voorliggend aan andere vormen van jeugdhulp; mits passend. 3.Hulp die collectief aangeboden kan worden is voorliggend aan jeugdhulp die individueel aangeboden wordt; mits passend. 4.Het college kan nadere regels vaststellen over welke overige en maatwerk voorzieningen op basis van het eerste lid beschikbaar zijn. Artikel14.Maatwerkvoorzieningen: vormen van Wmo 1.De volgende vormen van (individuele) niet vrij-toegankelijke Wmo ondersteuning zijn beschikbaar: Dagactiviteit, vervoer en begeleiding Hulp bij het huishouden Respijtverblijf in een instelling Ondersteuning bij het wonen Ondersteuning bij deelname maatschappelijk verkeer Beschermd wonen en maatschappelijke opvang 2.Het college verleent een maatwerkvoorziening gericht op ondersteuning bij deelname aan het maatschappelijk verkeer zijnde een kortingspas (gebruikerspas) Regiotaxi – Collectief vraagafhankelijk vervoer, waarvoor de cliënt een ritbijdrage is verschuldigd voor het zich lokaal (15 tot 20 km rondom de woning) kunnen verplaatsen. 3.Het college kan nadere regels vaststellen over welke overige en individuele voorzieningen op basis van het eerste lid beschikbaar zijn. Artikel15.Maatwerkvoorzieningen: vormen Participatiewet en IOAW/IOAZ 1.Ondersteuning bij arbeidsinschakeling kan bestaan uit praktische hulp, advies, doorverwijzing naar andere organisaties of uit het aanbieden van één of meerdere voorzieningen die gelijktijdig of achtereenvolgend ingezet kunnen worden. 2.Het college van burgemeester en wethouders kan aan de cliënt voorzieningen aanbieden in de vorm van onder andere: werkervaringsplaats; sociale activering; scholing; ondersteuning bij aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt; participatievoorziening beschut werk; persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen; proefplaatsing loonkostensubsidie; werkvoorzieningen; ondersteunende instrumenten, waaronder kinderopvang, schuldhulpverlening, onderzoeken door deskundigen, taal- en beroepsgerichte scholing, nazorg etc; 3.k. Het college kan een vergoeding verstrekken voor kosten die gemaakt zijn in het kader van de re-integratie, zoals: jobcoaching; vervoersvoorziening; noodzakelijke intermediaire activiteit bij visuele of motorische handicap; meeneembare voorzieningen. 4.Het college kan nadere regels vaststellen over de vorm van de in het tweede lid genoemde voorzieningen en de wijze waarop deze voorzieningen worden verstrekt. Artikel16.Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden 1.Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: een vast budget bij een taakgerichte financiering of een vaste prijs per product, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; of een reële prijs die geldt als ondergrens voor: een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 2.Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet, en rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 3.Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen: de kosten van de beroepskracht; redelijke overheadkosten; kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; reis en opleidingskosten; indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen Artikel17.Klachtregeling 1.Klachten van cliënten die betrekkingen hebben op gedragingen jegens hen van personen die namens het college meldingen en aanvragen als bedoeld in deze verordening behandelen, dienen ingediend te worden bij Coöperatie De Kleine Schans. 2.Voor de in lid 1 bedoelde klachten is de klachtenregeling van Coöperatie De Kleine Schans van toepassing. 3.Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten. Hoofdstuk4Specifieke bepalingen Jeugdwet Artikel18.Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts 1.Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover genoemde jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. 2.Als de jeugdige en/of zijn ouder(
  8. s)hierom verzoeken, legt het college de te verlenen maatwerk voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking. 3.De verplichting van het college om de beschikking af te geven vervalt drie maanden na de besluitdatum, tenzij de jeugdige of diens ouders zich voor die tijd hebben aangemeld bij een jeugdhulpaanbieder, dan wel een overeenkomst hebben gesloten met de aanbieder waarvoor het pgb is afgegeven. 4.Het college kan nadere regels stellen over de invulling van het in het eerste lid genoemde. Artikel19.Vertrouwenspersoon jeugd 1.Het college zorgt ervoor dat jeugdigen en (pleeg)ouders een beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon. 2.Het college wijst jeugdigen en (pleeg)ouders erop dat zij zich desgewenst kunnen laten bijstaan door een onafhankelijke vertrouwenspersoon. Hoofdstuk5Specifieke bepalingen Wmo Artikel20aPrimaat en kortdurende maatschappelijke ondersteuning 1.Het college kan maatschappelijke ondersteuning verlenen als collectieve – en/of individuele maatwerkvoorziening. Daarbij ligt het primaat bij de collectieve maatwerkvoorziening, tenzij dat niet als goedkoopst passende bijdrage kan worden aangemerkt. 2.Het college kan een maatwerkvoorziening kortdurend verlenen indien de cliënt of de personen van wie gebruikelijke hulp kan worden gevergd leerbaar zijn. De maatschappelijke ondersteuning is gericht op het versterken, verbeteren of behouden van de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt. Daaronder kan ook toeleiding naar algemene voorzieningen of voorliggende voorzieningen worden verstaan. Artikel20bSpecifieke criteria maatwerkvoorzieningen 1.Er bestaat slechts aanspraak op een maatwerkvoorziening voor zover: deze langdurig noodzakelijk is om de cliënt in aanvaardbare mate in staat te stellen tot zelfredzaamheid en participatie mede met het oog op het zo lang mogelijk op verantwoorde wijze in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen; deze als goedkoopst passende bijdrage is aan te merken; deze in overwegende mate op de cliënt is gericht. 2.Geen aanspraak op een maatwerkvoorziening bestaat indien: de beperkingen van de cliënt met een voor hem als algemeen gebruikelijk te beschouwen voorziening (zaak of dienst) kunnen worden opgelost dan wel verminderd; een maatwerkvoorziening als die waarop de aanvraag betrekking heeft reeds in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling is verleend en daarvan de normale afschrijvingstermijn nog niet is verstreken, tenzij de eerder vergoede of verleende voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen; de cliënt in redelijkheid van hem te vergen mogelijkheden heeft om zelf of met hulp van anderen voor een passende oplossing te zorgen voor de beperkingen in diens zelfredzaamheid en participatie. de cliënt, gelet op de noodzaak tot maatschappelijke ondersteuning, aanspraak kan maken op een voorliggende voorziening. Artikel21.Regels voor bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen met uitzondering van de bij verordening aangewezen algemene voorzieningen 1.De bijdrage is maximaal gelijk aan de kostprijs van de voorziening. 2.Het college zorgt ervoor dat de actuele bedragen bekend worden gemaakt in het financieel besluit. Artikel22.Regels voor bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen, pgb’s en bij verordening aangewezen algemene voorzieningen 1.Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening dan wel pgb, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt 2.Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een bij verordening aangewezen algemene voorziening zolang de cliënt van deze voorziening gebruik maakt. 3.De bijdragen voor maatwerkvoorzieningen of pgb en voor bij verordening aangewezen algemene voorzieningen, zijn gelijk aan de kostprijs, tot aan ten hoogste het door het Rijk vastgestelde abonnementstarief, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4a, vijfde lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 of hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 geen of een lagere bijdrage is verschuldigd. 4.De bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt. 5.In de gevallen, bedoeld in artikel 2.1.4b tweede lid, van de Wmo worden de bijdragen voor een maatwerkvoorziening of pgb door CAK vastgesteld en geïnd. 6.De kostprijs van een: Maatwerkvoorziening of bij verordening aangewezen algemene voorziening is gelijk aan de prijs waarvoor de gemeente de voorziening afneemt van of aanschaft bij een (gecontracteerde) aanbieder, inclusief de bijkomende kosten waaronder instandhoudingskosten. Maatwerkvoorziening in de vorm van een hulpmiddel of woningaanpassing wordt tevens bepaald door de wijze van beschikbaarstelling van de voorziening (bruikleen, huur of eigendom) pgb is gelijk aan het totale bedrag van het pgb. 7.Voor de in lid 3 bedoelde eigen bijdrage kan naar de regels van de Verordening bijzondere bijstand een beroep op bijzondere bijstand worden gedaan. 8.In afwijking van het eerste lid is geen bijdrage verschuldigd voor volgende maatwerkvoorzieningen: sportvoorzieningen; bezoekbaar/logeerbaar maken van een woning; tijdelijke huisvesting; huurderving; het verwijderen van een woonvoorziening; woonsanering; verhuis- en herinrichtingskosten. 9.In afwijking van artikel 2.1.4a, vierde lid, van de Wmo is de cliënt met een indicatie voor het collectief vraagafhankelijk vervoer een rittarief per zone verschuldigd in de kosten voor het gebruik daarvan en de paskosten. Deze kosten bedragen maximaal het tarief, zoals dit geldt voor het openbaar vervoer, waarbij de aanbieder het rittarief int. Artikel23.Criteria financiële tegemoetkoming 1.Het college kan een financiële maatwerkvoorziening verlenen die gericht is op een tegemoetkoming in de kosten die verband houden met: De toepassing van het primaat van verhuizen; Het gebruik van een eigen auto voor deelname aan het maatschappelijk verkeer; Het plaatsen van een losse woonunit Andere maatregelen indien geen maatwerkvoorziening in natura verleend wordt of kan worden verleend en geen pgb wordt verstrekt. 2.De financiële maatwerkvoorziening voor verhuiskosten en/of inrichtingskosten wordt niet eerder uitbetaald nadat de cliënt is verhuisd naar een door het college geschikt bevonden woning. 3.Het college stelt de hoogte van de bedragen vast in het Financieel Besluit. Artikel24.Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen 1.Het college kan in overeenstemming met het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de Wmo op aanvraag aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming verstrekken ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie. 2.Het college stelt bij nadere regeling de hoogte van de tegemoetkoming vast voor: taxikosten rolstoeltaxikosten een autoaanpassing aanschaf en onderhoud van een sportvoorziening het bezoekbaar maken van een woning. Artikel25.Kwaliteitseisen 1.Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door: het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt; het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg, hulp en ondersteuning; erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard; voor zover van toepassing, erop toe te zien dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten tenminste voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in de toepasselijke sector erkende keurmerken. 2.Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. Artikel26.Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid 1.Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maat-werkvoorzieningen en pgb’s met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan. Artikel27.Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning 1.Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van alle voorzieningen. 2.Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Artikel28.Meldingsregeling calamiteiten en geweld maatschappelijke ondersteuning 1.Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan. 2.Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar. 3.De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de Wmo, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Artikel29.Jaarlijkse waardering mantelzorgers 1.Mantelzorgers van cliënten in de gemeente kunnen door middel van een melding bij het college voor het ontvangen van een jaarlijkse blijk van waardering in aanmerking worden gebracht. Hoofdstuk6Specifieke bepalingen Participatiewet Artikel30.Begrippen 1.Alle begrippen die in dit hoofdstuk gebruikt worden en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 2.Dit hoofdstuk verstaat onder: Wet: de Participatiewet; Doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, lid 1 onder a, van de wet; Anw’er: belanghebbende die een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet ontvangt en die als werkloze werkzoekende staat ingeschreven bij het UWV WERKbedrijf; Niet-uitkeringsgerechtigde (Nugger): een belanghebbende als bedoeld in artikel 6 lid 1 onder a van de Participatiewet, maar 18 jaar of ouder. Tegenprestatie: het verrichten van naar vermogen en door het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige activiteiten die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt; Belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Indien het een gehuwde betreft, wordt onder belanghebbende elk van de gehuwden verstaan (artikel 1:2 lid 1 Algemene wet bestuursrecht); WTOS: de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten; WSF 2000: de Wet studiefinanciering 2000; Referteperiode: een periode van 36 maanden voorafgaand aan de peildatum; Peildatum: de dag waarop het recht op individuele inkomenstoeslag ontstaat, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om individuele inkomenstoeslag aan te vragen; Inkomen: totaal van het inkomen, bedoeld in artikel 32 van de Participatiewet, en de algemene bijstand; Bijstandsnorm: toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de Participatiewet, of grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 van de IOAW of artikel 5 van de IOAZ voor zover sprake is van een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ; Benadelingsbedrag: netto-uitkering waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan ten gevolge van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan; Uitkering: algemene bijstand op grond van de Participatiewet of een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ. interne werkbegeleiding: door een collega geboden dagelijkse werkbegeleiding op de werkvloer omdat de werknemer anders niet in staat is zijn werkzaamheden uit te voeren, en waarbij sprake is van meer dan de gebruikelijke begeleiding van een werknemer op een werkplek; jobcoaching: door een erkende deskundige geboden methodische ondersteuning aan personen met een arbeidsbeperking en aan werkgevers, gericht op het behouden van werk; overige voorzieningen: voorzieningen als bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder f, van de wet; persoonlijke ondersteuning bij werk: ondersteuning als bedoeld in artikel 10, eerste en derde lid, van de wet en begeleiding op de werkplek als bedoeld in artikel 10da van de wet; praktijkroute: het proces om de persoon, behorend tot de doelgroep, toegang tot het doelgroepenregister te laten verkrijgen op basis van loonwaarde vaststelling op de werkplek; voorziening: door het college noodzakelijk geachte voorziening, gericht op arbeidsinschakeling waaronder mede wordt begrepen persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van opgedragen taken; werkgever: degene die op basis van een arbeidsovereenkomst de bevoegdheid heeft om de arbeid van een werknemer gedurende een overeengekomen periode aan te wenden in zijn organisatie. Werknemer: persoon die op basis van een arbeidsovereenkomst arbeid verricht bij de werkgever, daaronder begrepen een persoon als bedoeld in artikel 10d eerste of tweede lid van de wet met wie de werkgever een dienstbetrekking is aangegaan, dan wel dit van plan is. Paragraaf6.1Re-integratie Artikel30a.Evenwichtige verdeling en evaluatie 1.Het college kan de voorzieningen in deze verordening, bedoeld in inzetten ten behoeve van de doelgroep. 2.Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan: de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar; en de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg. 3.Het college zendt tweejaarlijks aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze verordening in de praktijk. 4.Het college verzamelt voor het verslag systematisch informatie over: het bijstandsvolume; uitstroomcijfers; en cijfers m.b.t. banenafspraak en beschut werk. Artikel31.Budget- en subsidieplafonds 1.Het college kan bij uitvoeringsbesluit één of meerdere subsidie- en budgetplafonds vaststellen voor de verschillende voorzieningen. Een door het college ingesteld subsidie- of budgetplafond vormt een weigeringsgrond bij de aanspraak op een specifieke voorziening. 2.Het college kan bij uitvoeringsbesluit een plafond instellen voor het aantal personen dat in aanmerking komt voor een specifieke voorziening. Artikel32.Algemene bepalingen over re-integratievoorzieningen 1.Het college kan een voorziening weigeren als: de persoon ten behoeve van wie de voorziening zou worden verstrekt niet behoort tot de doelgroep; de persoon onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek dat nodig is voor het beoordelen van het recht op de voorziening; de persoon een beroep kan doen op een voorziening op basis van een andere wettelijke regeling, waardoor er sprake is van een voorliggende voorziening; de voorziening naar het oordeel van het college onvoldoende bijdraagt aan de arbeidsinschakeling; of er niet wordt voldaan aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. 2.Het college kan een voorziening beëindigen als: De persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de wet, de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet nakomt; De persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep; De persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze verordening genoemde voorzieningen, tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, onder 2° van de wet; Naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling De voorziening naar het oordeel van het college niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de voorziening; De persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening of; De persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. 3.Het college biedt het beste instrument tegen de laagste kosten, houdt bij het voorzieningenaanbod rekening met andere voorzieningen die in het kader van het sociaal domein beschikbaar zijn en stemt het aanbod, als dat nodig is, intern af zodat het optimaal bijdraagt aan een integrale ondersteuning van de persoon. Het college houdt bij de afstemming ook rekening met voorzieningen op grond van andere wettelijke regelingen en stemt dit af in het plan van aanpak, bedoeld in artikel 44a van de wet. Artikel33.Beperkingen Anw-ers en Nuggers 1.Anw-ers en Nuggers hebben recht op ondersteuning indien: het netto-inkomen van de alleenstaande, de alleenstaande ouder of de gehuwden lager is dan 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, zoals bedoeld in artikel 5 aanhef en sub c van de Participatiewet en zij minimaal 24 uur per week beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt. 2.De ondersteuning bij arbeidsinschakeling voor Anw-ers en Nuggers wordt verstrekt in de vorm van een renteloze geldlening, met uitzondering van vergoedingen voor reiskosten in verband met het re-integratietraject en voor kosten voor de voor kinderopvang. 3.Terugbetaling van de lening start na beëindiging van het re-integratietraject conform de beleidsregels terugvordering en verhaal. 4.Het college kan na afloop van het re-integratietraject afwijken van de terugbetalingsverplichting op grond van individuele bijzondere omstandigheden van belanghebbende. 5.Deze beperkingen gelden niet voor Anw-ers en Nuggers die behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 6 lid 1 aanhef en onder e van de wetvoor zover het betreft de inzet van loonkostensubsidie en persoonlijke ondersteuning. 6.Het college kan nadere regels stellen. Artikel34.Werkervaringsplaats Vervallen Artikel35.Sociale activering 1.Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering: Voor zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening; of gericht op het voorkomen van sociaal isolement. 2.Het college stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die persoon. 3.Het college biedt de activiteiten uitsluitend aan als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. Artikel35a.Detacheringsbaan 1.Het college kan door detachering zorgen voor toeleiding van een persoon die behoort tot de doelgroep naar een dienstverband met een werkgever, gericht op arbeidsinschakeling. 2.De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd bij een onderneming. De detachering wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen zowel de werkgever en inlenende organisatie als tussen de werknemer en inlenende organisatie. Artikel36.Scholing 1.Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een scholingstraject aanbieden. 2.Een scholingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende eisen: Het scholingstraject vergroot de kansen op arbeid; en Er is geen mogelijkheid tot uit ’ Rijkskas bekostigd onderwijs. Artikel36a.Participatieplaats 1.Het college kan een persoon van 27 jaar of ouder met recht op algemene bijstand overeenkomstig artikel 10a van de wet onbeloonde additionele werkzaamheden in het kader van de tegenprestatie laten verrichten (zie artikel 8a, lid 1b van de wet). 2.Het college zorgt ervoor dat de te verrichten additionele werkzaamheden worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst die wordt ondertekend door het college, de werkgever en de persoon die de additionele werkzaamheden gaat verrichten. 3.De premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de wet bedraagt € 50,- per zes maanden, mits in die zes maanden voldoende is meegewerkt aan het vergroten van de kans op inschakeling in het arbeidsproces. Artikel37.Aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt Het college kan ondersteuning aanbieden aan personen, zoals bedoeld in artikel 10f, onder a, van de wet ten aanzien van wie het college van oordeel is dat dit nodig is in het kader van de aansluiting onderwijs – arbeidsmarkt. Artikel38.Participatievoorziening beschut werk 1.Het college verstrekt om de in artikel 10b, eerste lid, van de wet, bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken de volgende voorzieningen: fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving; uitsplitsing van taken; of aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur. 2.Het college kan aan personen van wie is vastgesteld dat zij uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben, tot het moment van aanvang van de dienstbetrekking, bedoeld in artikel 10b, eerste lid, van de wet, daarnaast o.a de volgende voorzieningen aanbieden: sociale activering als bedoeld in artikel 5; scholing als bedoeld in artikel 7; persoonlijke ondersteuning als bedoeld in artikel 10; of schuldhulpverlening als bedoeld in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. Artikel38a.Werkgeverssubsidie 1.Het college kan, anders dan de loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de wet een incidentele subsidie van maximaal 375 euro verstrekken aan werkgevers die met iemand uit de doelgroep als bedoeld in deze verordening, een overeenkomst sluiten gericht op arbeidsinschakeling dan wel participatie en activering. 2.Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de voorziening als bedoeld in het eerste lid. Deze hebben in ieder geval betrekking op: De specifieke doelgroepen waarvoor subsidie kan worden verleend; De hoogte en duur van de subsidie; Het recht op de subsidie gerelateerd aan de omvang van de dienstbetrekking; Wijze van betaalbaar stellen; Het maximaal aantal/maximale bedrag aan te verstrekken subsidies per werkgever. 3.De subsidie wordt uitsluitend verstrekt als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing plaatsvindt. 4.De subsidie wordt niet verstrekt als er voor dezelfde werknemer een loonkostensubsidie wordt verstrekt. 5.Een werkgeverssubsidie zoals bedoeld in het eerste lid wordt niet verstrekt als de werkgever op grond van een andere regeling aanspraak maakt op financiële tegemoetkomingen in verband met de indiensttreding van de werknemer. Artikel39.Persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen 1.Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk in de vorm van jobcoaching in natura verstrekken door middel van een jobcoach die in opdracht van de gemeente of een derde, waarbij de gemeente de uitvoering van de jobcoaching heeft ingekocht. 2.Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk in de vorm van een subsidie toekennen aan de werkgever voor: jobcoaching door een interne of externe jobcoach; of interne werkbegeleiding door een interne werkbegeleider. 3.De in het eerste of tweede lid genoemde ondersteuning kan ook worden aangeboden met het oog op het verrichten van werkzaamheden, anders dan in dienstverband, zoals bij een proefplaats of een leer-werktraject. Artikel39a.Voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen. 1.Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen verstrekken ten behoeve van een persoon met een arbeidsbeperking. 2.Bij de toekenning van persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen gelden, onverminderd het bepaalde in artikel 4, de volgende voorwaarden: de persoon behoort tot de doelgroep en is minimaal achttien jaar oud, tenzij hij VSO/PRO-onderwijs heeft genoten; de werkgever biedt een dienstbetrekking aan van minimaal zes maanden. het betreft geen Arbo-taak waarvoor de werkgever verantwoordelijk is; het betreft geen meeneembare voorziening die tot de standaarduitrusting van de werkgever behoort of algemeen gebruikelijk is in een organisatie; er is naar het oordeel van het college geen sprake van een werkplekaanpassing die in zijn algemeenheid van de werkgever kan worden verlangd; en de kosten van de voorziening(
  9. en)zijn naar het oordeel van het college proportioneel, dat wil zeggen dat de investering in de voorziening moet opwegen tegen de maatschappelijke en persoonlijke opbrengsten van uitstroom naar werk. Artikel39b.Aanvraagprocedure persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen. 1.Een aanvraag om persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen kan bij het college worden ingediend door de persoon of zijn werkgever. Het college kan hiervoor een aanvraagformulier vaststellen. 2.Het college bepaalt na overleg met de persoon, en indien van toepassing met de werkgever, welke ondersteuning of voorziening(
  10. en)het beste kunnen bijdragen aan de arbeidsinschakeling. 3.Het college onderzoekt, voor zover nodig en gelet op de omstandigheden van de persoon, in daartoe voorkomende gevallen de mogelijkheden om door samenwerking met andere partijen, onder meer op het gebied van (publieke) gezondheid, jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, schuldhulpverlening, welzijn en wonen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde integrale dienstverlening met het oog op de arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 1, of de wijze van voortgezette persoonlijke ondersteuning bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 2, van de wet. 4.Het college neemt middels een beschikking het besluit op de aanvraag. Artikel39c.Inhoud beschikking persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen Het college geeft in een beschikking tot toekenning van persoonlijke ondersteuning of een overige voorziening in ieder geval aan: welke persoonlijke ondersteuning of overige voorziening wordt verstrekt; als subsidie wordt verstrekt, wat de omvang is van het subsidiebedrag; de duur en intensiteit van de ondersteuning; de ingangsdatum van de ondersteuning of overige voorziening; als de verstrekking afwijkt van wat is aangevraagd, wat de reden is van afwijking; en voor zover van toepassing, welke andere ondersteuning of voorziening relevant is, of kan zijn, waaronder de wijze waarop de persoon integraal kan worden ondersteund. Artikel39d.Persoonlijke ondersteuning bij werk. 1.Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk in de vorm van jobcoaching in natura verstrekken door middel van een jobcoach die in opdracht van de gemeente of een derde, waarbij de gemeente de uitvoering van de jobcoaching heeft ingekocht. 2.Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk in de vorm van een subsidie toekennen aan de werkgever voor: jobcoaching door een interne of externe jobcoach; of interne werkbegeleiding door een interne werkbegeleider. 3.De in het eerste of tweede lid genoemde ondersteuning kan ook worden aangeboden met het oog op het verrichten van werkzaamheden, anders dan in dienstverband, zoals bij een proefplaats of een leer-werktraject. Artikel39e.Specifieke voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk. 1.De aanvraag voor persoonlijke ondersteuning bij werk moet binnen 8 weken na de ingangsdatum van de dienstbetrekking zijn ontvangen, tenzij voorafgaand aan of op het moment van aanvang van het dienstverband de noodzaak voor die ondersteuning redelijkerwijs nog niet bekend kon zijn. 2.Het college besluit op basis van individueel maatwerk, waarbij de aard, omvang, duur en intensiteit van de persoonlijke ondersteuning wordt gewogen. Artikel39f.Jobcoaching 1.Een jobcoach die de persoonlijke ondersteuning bij werk verzorgt moet voldoen aan de kwaliteitseisen zoals opgenomen in de Bijlage (Erkenningseisen Jobcoach 2023). 2.De in te zetten jobcoaching wordt bepaald op basis van de volgende begeleidingsregimes: licht (3%), midden (6%) en zwaar (10%). De inzet wordt periodiek; minimaal 1 keer per jaar geëvalueerd. Naar aanleiding hiervan kan het begeleidingsregime worden aangepast. 3.Het college kan van de in het tweede lid bedoelde maximale percentages afwijken voor zover toepassing daarvan, gelet op het belang dat beoogt te worden beschermd, leidt tot onbillijkheid van overwegende aard. 4.Het college kan jobcoaching beëindigen indien de jobcoaching langer duurt dan twee jaar. Artikel39g.Subsidie voor het organiseren van jobcoaching 1.Het college kan op aanvraag subsidie voor het organiseren van jobcoaching verlenen aan de werkgever. 2.Subsidie voor het organiseren van jobcoaching kan, met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 14c tot en met 14h, worden verleend als: de omvang en de kwaliteit van de georganiseerde jobcoaching passend is; de continuïteit van de jobcoaching geborgd is; en de persoon voor wie de subsidie wordt gevraagd daarvan op de hoogte is. 3.Het college houdt voor jobcoaching een maximumtarief per uur tot maximaal het UWV tarief voor jobcoaching waarbij het college zorgdraagt voor de kenbaarheid van de voor het betreffende jaar van toepassing zijnde tarieven. 4.De subsidie voor jobcoaching heeft een maximum duur van twee jaar. Artikel39h.Jobcoaching in natura 1.Het college kan ambtshalve, of op aanvraag, jobcoaching in natura aanbieden. 2.Bij aanvragen om jobcoaching in natura en de voorbereiding van een beschikking op de aanvraag is het bepaalde in de artikelen 14c tot en met 14h van overeenkomstige toepassing. Artikel39i.Interne werkbegeleiding Als een persoon uit de doelgroep voor het kunnen verrichten van werk is aangewezen op begeleiding die de gebruikelijke begeleiding door de werkgever en andere werknemers aanzienlijk te boven gaat, kan het college een subsidie verlenen aan de werkgever voor de aangetoonde meerkosten die verbonden zijn aan het organiseren van de interne werkbegeleiding. Artikel39j. Specifieke voorwaarden toekenning vervoersvoorziening 1.Het college kan een vervoersvoorziening toekennen aan een persoon die door zijn beperking niet zelfstandig naar zijn werkplek, proefplaats of opleidingslocatie kan reizen. Deze vervoersvoorziening kan in de vorm van een vergoeding in geld worden verstrekt op basis van openbaar vervoer tarieven. 2.Het college biedt een vervoersvoorziening aan als het vervoer is beperkt tot woon-werkverkeer. 3.De hoogte van de vergoeding in geld hangt af van het aantal dagen dat moet worden gewerkt en bedraagt het in de markt reguliere tarief voor een taxi of een andere vorm van vervoer. 4.Het college brengt een eventueel bedrag voor een vervoersvoorziening van de werkgever aan de werknemer in mindering op de te verstrekken vervoersvoorziening. Artikel39k.Specifieke voorwaarden noodzakelijke intermediaire activiteit bij visuele of motorische handicap Het college kan een voorziening in de vorm van een intermediaire activiteit toekennen die gericht is op de vervanging of ondersteuning van een door ziekte of gebrek geheel of gedeeltelijk ontbrekende visuele of motorische lichaamsfunctie. Artikel39l. Specifieke voorwaarden meeneembare voorzieningen 1.Het college kan een meeneembare voorziening toekennen, als dit nodig is voor de persoon om te kunnen werken, mits er geen aanspraak gemaakt kan worden op een voorliggende voorziening. 2.Er is geen limitatieve lijst van voorzieningen. In principe kan elk product als een meeneembare voorziening worden beschouwd als de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer aantoonbaar is. 3.De meeneembare voorziening wordt in principe in bruikleen beschikbaar gesteld. In bijzondere gevallen kan het college besluiten de voorziening in eigendom te verstrekken. Artikel39m.Specifieke voorwaarden werkaanpassingen Het college kan een aanpassing van de werkplek toekennen aan een persoon, als dit noodzakelijk is om zijn werk uit te voeren, mits dit niet door de werkgever vergoed wordt of er aanspraak gemaakt kan worden op een voorliggende voorziening. In beginsel kan daarbij elk product als een werkplekaanpassing worden beschouwd als de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer Artikel40.Proefplaatsing Vervallen Artikel41.Loonkostensubsidie en loonwaarde 1.Het college stelt vast of een persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. Hierbij neemt het college de volgende criteria in acht: een persoon moet behoren tot de doelgroep zoals omschreven in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet, die persoon is niet in staat met voltijdse arbeid het wettelijk minimumloon te verdienen en die persoon heeft mogelijkheden tot arbeidsparticipatie; of een persoon moet behoren tot de doelgroep zoals omschreven in artikel 10d, tweede lid, van de Participatiewet. 2.Het college stelt de loonwaarde van een belanghebbende vast, indien een werkgever voornemens is met deze persoon een dienstbetrekking aan te gaan. 3.Het college stelt de loonwaarde vast op grond van het rapport van de door de gemeente in te schakelen loonwaardedeskundige. 4.Indien de loonwaarde van een persoon nog niet is vastgesteld, kan het college gedurende maximaal zes maanden een forfaitaire loonkostensubsidie toekennen, indien reeds is vastgesteld dat een persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie en de werkgever bereid is de persoon reeds een dienstverband aan te bieden. 5.De forfaitaire loonkostensubsidie bedraagt 50% van het WML tot het moment dat de loonwaarde is vastgesteld. Vanaf de maand volgend op de vaststelling van de loonwaarde wordt de forfaitaire loonkostensubsidie omgezet naar de definitieve loonkostensubsidie. 6.Een dienstverband met forfaitaire loonkostensubsidie kan volgen op een proefplaatsing, indien tijdens de proefplaatsing de vaststelling van de loonwaarde nog niet heeft kunnen plaatsvinden. Artikel41a.Loonkostensubsidie kwetsbare werknemers 1.Het college kan een loonkostensubsidie, anders dan de loonkostensubsidie bedoeld in artikel 41 van deze verordening, verstrekken aan werkgevers die met een kwetsbare werknemer een arbeidsovereenkomst sluiten. 2.De loonkostensubsidie, bedoeld in het eerste lid, bedraagt ten hoogste 50 procent van de loonkosten gedurende 6 maanden met mogelijkheid tot verlenging tot 24 maanden ten behoeve van de kwetsbare werknemer. 3.Onder kwetsbare werknemer wordt verstaan de persoon die: voorafgaand aan de indienstneming gedurende 6 maanden geen reguliere betaalde betrekking heeft kunnen behouden; en geen startkwalificatie bezit; of ouder is dan 50 jaar; of alleenstaande ouder is; of de Nederlandse taal in woord niet op B1 niveau beheerst. 4.De loonkostensubsidie wordt uitsluitend verstrekt als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. 5.De loonkostensubsidie wordt niet verstrekt als de werkgever op grond van een andere regeling aanspraak maakt op financiële tegemoetkomingen in verband met de indiensttreding van de werknemer of als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de persoon ook zonder loonkostensubsidie kan worden aangenomen voor dat werk. Artikel41b.Specifiek aanvraagproces loonkostensubsidie 1.Het college verstrekt overeenkomstig artikel 10d, van de wet, ambtshalve of op aanvraag, loonkostensubsidie aan de werkgever die een dienstbetrekking aan gaat met een persoon die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. In geval van een aanvraag zijn het tweede tot en met het vijfde lid van dit artikel van toepassing. 2.De loonkostensubsidie, overeenkomstig met lid 1 van artikel 14b wordt niet met terugwerkende kracht verleend. 3.Een aanvraag voor loonkostensubsidie wordt, als het een persoon betreft die nog niet behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, ook beschouwd als een aanvraag om vast te stellen of de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, bedoeld in artikel 10c, eerste lid, onder a, van de wet. Als deze aanvraag is gedaan na het begin van de dienstbetrekking voor een persoon als bedoeld in artikel 10d, tweede lid, van de wet, wordt de vaststelling of de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie bepaald door middel van de Praktijkroute. 4.Het college stelt binnen 6 maanden na ontvangst van de aanvraag de loonwaarde vast, tenzij in overleg met de werkgever toepassing wordt gegeven aan artikel 10d, vijfde lid, van de wet. 5.Het college neemt bij het verstrekken van de loonkostensubsidie het (administratieve proces zoals weergegeven in de Bijlage) in acht. Artikel41c.Uitstroompremie 1.Het college kan eenmalig een uitstroompremie van 450 euro toekennen aan een langdurig werkloze die uitstroomt door werkaanvaarding en daardoor niet langer recht heeft op een uitkering van het college. 2.Onder een langdurig werkloze wordt verstaan: een persoon die gedurende een aaneengesloten periode van twaalf maanden of langer op een uitkering van het college aangewezen is geweest. 3.Onder werkaanvaarding wordt verstaan: in loondienst; regulier of gesubsidieerd, de start van Artikel41d.Proefplaats 4.Het college kan een loonkostensubsidie, anders dan de loonkostensubsidie bedoeld in hoofdstuk 3A, verstrekken aan werkgevers die met een kwetsbare werknemer een arbeidsovereenkomst sluiten. 5.De loonkostensubsidie, bedoeld in het eerste lid, bedraagt ten hoogste 50 procent van de loonkosten gedurende 12 maanden met mogelijkheid tot verlenging tot 24 maanden ten behoeve van de kwetsbare werknemer. 6.Onder kwetsbare werknemer wordt verstaan de persoon die: voorafgaand aan de indienstneming gedurende 6 maanden geen reguliere betaalde betrekking heeft kunnen behouden; en geen startkwalificatie bezit; of ouder is dan 50 jaar; of alleenstaande ouder is; of de Nederlandse taal in woord niet op B1 niveau beheerst. 7.De loonkostensubsidie wordt uitsluitend verstrekt als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. 8.De loonkostensubsidie wordt niet verstrekt als de werkgever op grond van een andere regeling aanspraak maakt op financiële tegemoetkomingen in verband met de indiensttreding van de werknemer of als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de persoon ook zonder loonkostensubsidie kan worden aangenomen voor dat werk. Artikel42.Werkvoorzieningen Vervallen Artikel43.Aanspraak op ondersteuning Vervallen Artikel44.Verplichtingen van de cliënt 1.Een persoon die behoort tot de doelgroep, als bedoeld in de wet, die deelneemt aan een voorziening is gehouden te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wet en deze verordening, alsmede aan de verplichtingen die het college van burgemeester en wethouders aan de aangeboden voorziening heeft verbonden. 2.Indien een persoon als bedoeld in het eerste lid, die deelneemt aan een voorziening, niet voldoet aan de in het eerste lid genoemde verplichtingen, dan kan het college diens uitkering of inkomensvoorziening verlagen conform hetgeen hierover is bepaald in de Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Woudenberg 2015. 3.Indien een niet-uitkeringsgerechtigde of een Anw-er, die gebruik maakt van een voorziening, niet voldoet aan de in het eerste lid genoemde verplichtingen, dan kan het college van burgemeester en wethouders de kosten van de voorziening geheel of gedeeltelijk verhalen op deze cliënt. Artikel45.Inkomstenvrijlating In alle gevallen waarin zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel 31 tweede lid onder n van de wet, is sprake van een vrijlating die bijdraagt aan de arbeidsinschakeling. Paragraaf6.2Individuele Studietoeslag Artikel46.Doelgroep Individuele Studietoeslag Vervallen Artikel47.Hoogte, duur en uitbetaling van de toeslag Vervallen Artikel48.Nadere uitvoeringsregels Het college kan bij uitvoeringsbesluit nadere regels stellen in het belang van een zorgvuldige uitvoering van de Individuele Studietoeslag. Paragraaf6.3Tegenprestatie Artikel49.Inhoud van een tegenprestatie 1.Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover die werkzaamheden: naar zijn aard niet zijn gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt; niet zijn bedoeld als re-integratie instrument; worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de organisatie waarin ze worden verricht; en niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. 2.De premie, bedoeld in artikel 10a zesde lid van de wet, bedraagt €50,- per zes maanden, mits in die zes maanden voldoende is meegewerkt aan het vergroten van de kans op inschakeling in het arbeidsproces. 3.Het college kan ter nadere uitvoering van deze verordening een beleidsplan vaststellen, waarin wordt vastgelegd welke aanvullende werkzaamheden het college in ieder geval kan aanbieden en de voorwaarden die daarbij gelden, voor zover daarover in deze verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen. Artikel50.Het opdragen van een tegenprestatie Bij het opdragen van een tegenprestatie betrekt het college de volgende factoren: het vermogen van de belanghebbende om een tegenprestatie te verrichten; de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een belanghebbende; de persoonlijke wensen en kwaliteiten van een belanghebbende; als een belanghebbende al maatschappelijke activiteiten of vrijwilligerswerk verricht, moet daarmee rekening worden gehouden. Artikel51.Duur en omvang van een tegenprestatie De tegenprestatie wordt opgedragen voor de maximale duur van drie maanden per jaar gedurende acht tot 24 uur per week. Artikel52.Mantelzorg Het college draagt geen tegenprestatie op indien een belanghebbende mantelzorg verricht voor zover het verrichten van mantelzorg naar het oordeel van het college redelijkerwijs noodzakelijk is. Paragraaf6.4Individuele Inkomenstoeslag Artikel53.Indienen verzoek Een verzoek als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet, wordt ingediend middels een door het college vastgesteld formulier. Artikel54.Langdurig laag inkomen 1.Een persoon heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet als gedurende de referteperiode het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 130% van de toepasselijke bijstandsnorm. 2.Niet voor de individuele inkomenstoeslag komt in aanmerking de belanghebbende die een opleiding volgt als bedoeld in de WTOS, dan wel een studie volgt als genoemd in de WSF 2000. Artikel55.Hoogte individuele inkomenstoeslag 1.De individuele inkomenstoeslag bedraagt eenmalig per jaar: Voor een alleenstaande 40% van de toepasselijke bijstandsnorm. Voor een alleenstaande ouder 40% van 90% van de toepasselijke bijstandsnorm voor gehuwden of samenwonenden. Voor gehuwden of samenwonenden 40% van de toepasselijke bijstandsnorm. 2.Als één van de gehuwden is uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag ingevolge de artikelen 11 of 13, eerste lid, van de Participatiewet, komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. 3.Voor toepassing van het eerste en tweede lid is de situatie op de peildatum bepalend. 4.De in het eerste lid genoemde bedragen worden jaarlijks in december aangepast aan de bijstandsnorm, naar boven afgerond op hele euro’s en bekendgemaakt via het gemeentenieuws. Paragraaf6.5Afstemming 6.5.1 Algemene bepalingen Artikel56.Het besluit tot opleggen van een verlaging In het besluit tot het opleggen van een verlaging van de uitkering als bedoeld in de artikelen 9a, twaalfde lid, en 18, tweede, vijfde en zesde lid, van de Participatiewet, de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de IOAW en de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de IOAZ worden in ieder geval vermeld: de reden van de verlaging; de duur van de verlaging; het bedrag of percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd, en indien van toepassing, de reden om af te wijken van de standaardverlaging. Artikel57.Horen van belanghebbende 1.Voordat een verlaging wordt opgelegd wordt een belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. 2.Het horen van een belanghebbende kan achterwege blijven als: de vereiste spoed zich daartegen verzet; belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid, of belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te willen maken. Artikel58.Afzien van verlaging 1.Het college ziet af van een verlaging als: elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, of de gedraging meer dan een jaar voor constatering daarvan door het college heeft plaatsgevonden. 2.Het college kan afzien van een verlaging als het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. 3.Als het college afziet van een verlaging op grond van dringende redenen, wordt een belanghebbende hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld. 4.Bij een eerste verwijtbare gedraging kan het college besluiten een waarschuwing te geven. Deze waarschuwing telt mee bij de vaststelling van recidive. Artikel59.Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging 1.Een verlaging wordt toegepast op de uitkering of bijzondere bijstand die is verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet over de kalendermaand volgend op de maand waarin het besluit tot het opleggen van de verlaging aan een belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor die belanghebbende geldende bijstandsnorm. 2.Indien de verlaging niet kan worden opgelegd omdat de bijstand of uitkering is beëindigd, dan wordt de maatregel alsnog gerealiseerd door middel van herziening van de eerder verstrekte bijstand. De herziening kan niet worden toegepast over een ander tijdvak dan waarop de verwijtbare gedraging betrekking heeft. Artikel60.Berekeningsgrondslag 1.Een verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm. 2.In afwijking van het eerste lid kan een verlaging worden toegepast op de bijzondere bijstand als: aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet, of de verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie met zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding geeft. 3.Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel a, moet in de paragrafen 6.5.2, 6.5.3 en 6.5.4 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘bijstandsnorm inclusief de op grond van artikel 12 van de Participatiewet verleende bijzondere bijstand’. 4.Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel b, moet in de paragrafen 6.5.2, 6.5.3 en 6.5.4 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘de verleende bijzondere bijstand’. 6.5.2Niet nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling Artikel61.Gedragingen Participatiewet Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de artikelen 9, 9a, 17, tweede lid, 55 en 56a van de Participatiewet niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: a. eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; het niet nakomen van de in artikel 56a, tweede lid, van de Participatiewet neergelegde verplichting om gedurende een periode van zes maanden, gerekend vanaf de dag waarop het recht op bijstand ontstaat, mee te werken aan het door het college in naam van de belanghebbende verrichten van betalingen uit de toegekende bijstand van huur, gas, water en stroom en de verplichte zorgverzekering; b. tweede categorie: het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de Participatiewet; het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9, eerste lid, of 55 van de Participatiewet, voor zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na een melding als bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid, van de Participatiewet, voor zover deze verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet; het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet; het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet; het niet meewerken aan een taaltoets als bedoeld in artikel 18b lid 2 van de Participatiewet. c. derde categorie: het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen in de gemeente van inwoning voor zover dit niet al geregeld is in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet. Artikel62.Gedragingen IOAW en IOAZ Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde arbeid niet wordt verkregen, behouden of een verplichting op grond van de artikelen 37 en 38 van de IOAW of de artikelen 37 en 38 van de IOAZ niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; tweede categorie: het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling; het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW of de artikelen 36, eerste lid, en artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAZ, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening; het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW of artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAZ niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de IOAW of artikel 38, eerste lid, van de IOAZ; het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de IOAW of artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de IOAZ; derde categorie: het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen; het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid; het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW en de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAZ, voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening; aan de beëindiging van de dienstbetrekking van belanghebbende een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en belanghebbende ter zake een verwijt kan worden gemaakt, of; de dienstbetrekking van belanghebbende is beëindigd door of op zijn verzoek zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd, of; belanghebbende nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden, of; belanghebbende door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt. Artikel63.Hoogte en duur van de verlaging De verlaging, bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 61 en 62 van de verordening, wordt vastgesteld op: 10% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de eerste categorie; 20% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de tweede categorie; 100% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de derde categorie. 6.5.3Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling Artikel64.Duur verlaging bij schending geüniformeerde arbeidsverplichting Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de verlaging 100 procent van de bijstandsnorm gedurende een maand. Artikel65.Verrekenen verlaging Het bedrag van de verlaging, bedoeld in artikel 64, wordt toegepast over de maand van oplegging van de maatregel en de volgende twee maanden als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. 6.5.4Overige gedragingen die leiden tot een verlaging Artikel66.Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid 1.Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet wordt afgestemd op het benadelingsbedrag. 2.De verlaging wordt vastgesteld op: 10% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij een benadelingsbedrag tot € 1000; 20% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij een benadelingsbedrag vanaf € 1000 tot € 2000; 40% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij een benadelingsbedrag vanaf € 2000 tot € 4000; 100% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij een benadelingsbedrag van € 4000 of hoger. 3.Onder ‘tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan’ wordt in ieder geval begrepen het op onverantwoorde wijze besteden van vermogen, het niet tijdig aanvragen van een voorliggende voorziening, het onvoldoende solliciteren voorafgaand aan de bijstandsverlening, het doen van een schenking, voorafgaand aan of tijdens de bijstandsverlening, voor zover bijstandsverlening redelijkerwijs was te voorzien en het niet of onvoldoende verzekerd zijn tegen gebruikelijke risico’s, zoals brand, ziekte of wettelijke aansprakelijkheid. Artikel67.Zeer ernstige misdragingen 1.Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de Participatiewet als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van die wet, wordt een verlaging opgelegd van: 100% van de bijstandsnorm gedurende een maand, bij het uitoefenen van fysiek geweld tegen de in het eerste lid genoemde personen; 50% van de bijstandsnorm gedurende een maand, bij het uitoefenen van fysiek geweld tegen materiële zaken en bij mondelinge of schriftelijke bedreigingen gericht tegen de in het eerste lid genoemde personen. 2.Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het college, zijn ambtenaren of de personen die werken in opdracht van het college, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, wordt een verlaging opgelegd van: 100% van de bijstandsnorm gedurende een maand, bij het uitoefenen van fysiek geweld tegen de in het tweede lid genoemde personen; 50% van de bijstandsnorm gedurende een maand, bij het uitoefenen van fysiek geweld tegen materiële zaken en bij mondelinge of schriftelijke bedreigingen gericht tegen de in het tweede lid genoemde personen. 3.Er is sprake van een zeer ernstige gedraging indien belanghebbende agressief gedrag vertoont, waarbij er sprake is van verwijtbaarheid en dit gedrag in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel kan worden beschouwd. Artikel68.Niet nakomen van overige verplichtingen Als een belanghebbende een door het college opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, wordt een verlaging toegepast. De verlaging wordt vastgesteld op 10% gedurende een maand. 6.5.5Samenloop, recidive en controle Artikel69.Samenloop van gedragingen 1.Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld. 2.Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van één of meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is. 3.Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, wordt geen verlaging opgelegd, voor zover voor die schending een bestuurlijke boete wordt opgelegd. 4.Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is. Artikel70.Recidive 1.Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in de artikelen 61, onder b of c, 62, onder b of c, 66, eerste lid, of 68 van de Participatiewet opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt telkens de duur van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld. 2.Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in de artikelen 61, onder a, 62, onder a of 67 van de Participatiewet opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt telkens de hoogte van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld. 3.Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet, bedraagt de verlaging honderd procent van de bijstandsnorm gedurende twee maanden. Artikel71.Controle tijdens en na beëindiging van de bijstand Het college voert heronderzoeken uit om de rechtmatigheid van de uitkering te controleren, evenals onderzoeken naar de reden van beëindiging van de uitkering, binnen door het college nader te bepalen termijnen en neemt op basis daarvan besluiten met betrekking tot de rechtmatigheid van de uitkering en de wederzijds tussen het college en de belanghebbende resterende verplichtingen en de afhandeling daarvan. Artikel72.Controlemiddelen 1.In het beleidsplan Hoogwaardige Handhaving kan het college de wijze van controle beschrijven en de handelwijze bij inconsistenties; 2.Het college maakt ter controle voorts gebruik van bestandsvergelijkingen met actuele gegevens en van samenloopsignalen die daaruit voortkomen; 3.Het college onderzoekt overige signalen en tips die relevant zijn voor het recht op bijstand. Hoofdstuk7Beslistermijn schuldhulpverlening Artikel73.Beslistermijn schuldhulpverlening De beschikking tot schuldhulpverlening of de afwijzing ervan, bedoeld in artikel 4a, eerste lid, van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, wordt genomen binnen een termijn van acht weken na de dag waarop het eerste gesprek, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van die wet, heeft plaatsgevonden. Hoofdstuk8Hardheidsclausule, betrekken van ingezetenen bij het beleid en slotbepalingen Artikel74.Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van cliënt afwijken van hetgeen bij deze verordening is bepaald, voor zover toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel75.Betrekken van ingezetenen bij het beleid 1.Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende het sociaal domein. 2.Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende het sociaal domein te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende het sociaal domein, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 3.Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. 4.De raad legt in de verordening Adviesraad Sociaal Domein de werkwijze zoals beschreven in het tweede en derde lid. Artikel76.Inwerkingtreding en citeertitel 1.Deze verordening treedt in werking op 1 maart 2024 en vervangt de Integrale verordening sociaal domein Woudenberg 2023. 2.Deze verordening wordt aangehaald als: Integrale verordening sociaal domein gemeente Woudenberg 2024. Toelichting op de Verordening sociaal domein Woudenberg In deze toelichting wordt de verordening artikelsgewijs toegelicht. In de algemene bepaling worden de visie achter deze verordening en de ontwikkelingen voor de toekomst geschetst. De toepasselijke wetten in het sociaal domein vormen geen samenhangende eenheid. Wij staan voor de opdracht, waar sprake is van een inwoner of een gezin, tot een integrale benadering te komen. Bij het nemen van besluiten zal acht moeten worde geslagen op het doel van de wetgeving en het effect van het besluit op de andere leefdomeinen, en de zorgplicht die de gemeente heeft. Waar de regelgeving lijkt te conflicteren zijn er de grondwaarden die dominant zijn voor het te nemen besluit. Deze grondwaarden zijn verwoord in de onderdelen 1 t/m 3 in deze algemene bepaling. De grondwaarden 1 en 2 zijn ontleend aan het Verdrag inzake de Rechten van het kind. Onder kind wordt verstaan ieder mens jonger dan 18 jaar. Keuzen die gemaakt worden op het terrein van het sociaal domein mogen er niet toe leiden dat een kind niet actief kan deelnemen aan de samenleving of niet in staat is een bevrediging, volwaardig en behoorlijk leven te leiden of noodzakelijke (aangepaste) (gezondheids)zorg, onderwijs, training en sport en spel ontbeert. Vergelijkend hiermee is de toegankelijkheid van wat wordt aangeboden in onze leefdomeinen voor gehandicapten en chronisch zieken. Grondwaarde 3 is ontleend aan het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. De onderdelen 4 t/m 6 komen voort uit de door de gemeenteraad van Woudenberg vastgestelde visie op het sociaal domein. Van inwoners wordt verwacht dat zij maatschappelijk participeren en ook anderen in staat stellen deel te nemen aan het maatschappelijk leven. Eigen kracht en verantwoordelijkheid zijn daarbij het uitgangspunt voor zowel de inwoner die een probleem ondervindt als wel zijn/haar netwerk. Als gemeente faciliteren we algemene voorzieningen die eigen kracht, participatie en het helpen van elkaar mogelijk maken. Als het inwoners niet lukt om zelf of met hulp van de eigen omgeving, knelpunten op te lossen, helpt de gemeente samen met partners de juiste weg te wijzen of ondersteuning te bieden. We sturen er op dat deze ondersteuning zo veel als mogelijk is gericht op het versterken van de eigen kracht van de inwoner, het gezin en het sociaal netwerk. Waar mogelijk houden inwoners daarbij de regie, zij kunnen immers zelf het beste aangeven wat ze willen en nodig hebben. Het kiezen voor een integrale benadering van ondersteuningsvragen wordt nu ondersteund door een integrale verordening voor het sociaal domein. Deze draagt bij aan het vinden van integrale antwoorden op ondersteuningsvragen. Echter voor het gehele sociale domein is niet één wet, maar worden diverse wetten gehanteerd. Ondanks dat heeft de gemeente in deze verordening voor de drie aparte wetten (Jeugdwet, Wmo en Participatiewet) integraal beschreven wat de manier van benadering van ondersteuningsvragen is. In aparte hoofdstukken zijn de onderdelen uitgewerkt die specifiek voor één wet gelden. Het totaal van deze hoofdstukken geeft kaders voor de besluitvorming op een aanvraag. De verordening geeft invulling aan één integraal proces in het sociaal domein met als vertrekpunt: ‘één individu of gezin, één plan’. De vraag staat centraal in één proces, waarbij wordt gezocht naar maatwerk en verbinding op het gehele sociale domein (ongeacht de vraag van de inwoner en het terrein waarbinnen de vraag valt). Inwoners die zich met ondersteuningsvragen bij de gemeente melden, kunnen van de gemeente verwachten dat zij goed onderzoek verricht en dat dit onderzoek in goede samenspraak met de inwoners om wie het gaat uitgevoerd wordt. Samen met betrokkenen komt de gemeente tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening. In de verordening staan een aantal bepalingen op basis waarvan het college kan afwijken van hetgeen in de verordening geregeld is. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Toepassing en begrippen In dit artikel zijn bepalingen gedefinieerd, die niet in de landelijke Jeugdwet, Wmo of Participatiewet voorkomen en/of die kenmerkend zijn voor de situatie in onze gemeente. Artikel 41 van de Participatiewet ziet zowel op aanvragen levensonderhoud als bijzondere bijstand. Artikel 44 van de Participatiewet ziet op inkomen. Artikel 53a van de Participatiewet ziet op de eenmalige gegevensuitvraag via SUWI en wordt uitgevoerd tijdens het rechtmatigheidsonderzoek. In de verordening 2020 is het begrip algemeen gebruikelijke voorziening toegevoegd (art. 1 lid b). In de verordening wordt wel over zo’n soort voorziening gesproken maar een definitie ontbrak. Aangezien dit leidde tot onduidelijkheid is deze nu wel opgenomen. Met de nieuwe uitspraak van de rechter (ECLI:NL:CRVB:2019:3535) lijkt de CRvB een meer objectieve invulling te geven aan de vraag of iets algemeen gebruikelijk is. De CRvB geeft aan dat een voorziening algemeen gebruikelijk is als deze: niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; daadwerkelijk beschikbaar is; een passende bijdrage levert aan het realiseren van zelfredzaamheid of participatie en; financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. De rechtbank heeft zich eveneens uitgelaten over de aanvraagprocedure in de Jeugdwet (Rechtbank Rotterdam 18-3-2020, ECLI:NL:RBROT:2020:2333). De gemeente in deze uitspraak had een integrale verordening Wmo en Jeugdwet. Uit deze verordening volgde dat pas een aanvraag voor jeugdhulp kon worden ingediend, nadat een melding was gedaan. Dit is conform de procedure zoals die in de Wmo 2015 is vastgelegd. De rechtbank oordeelt echter dat deze bepaling bij een verzoek om jeugdhulp in strijd is met de Awb en daarom verbindende kracht mist. Dit betekent dat een aanvraag op grond van de Jeugdwet ook zonder melding als aanvraag moet worden behandeld. Hoofdstuk 2. Integrale benadering De integrale benadering is van essentieel belang om met inwoner(
  11. s)en het/de betrokken team(
  12. s)te komen tot het verhelderen van de vraag, die de inwoner heeft op één of meerdere gebieden binnen het sociaal domein. Artikel 2. Melding hulpvraag In dit artikel staat beschreven hoe een inwoner een hulpvraag kan stellen aan de gemeente. Een hulpvraag kan binnen komen bij de Coöperatie De Kleine Schans. De vragen kunnen schriftelijk of digitaal worden gesteld. Ook kan iemand anders namens de inwoner (op verzoek van de inwoner) om hulp vragen. Voor aanvragen levensonderhoud in het kader van de Participatiewet worden meldingen digitaal gedaan via werk.nl. Uitzonderingen op deze regel zijn mogelijk als mensen digitaal niet vaardig zijn. Te denken valt bijvoorbeeld aan vergunninghouders of laaggeletterden. Artikel 3. Vooronderzoek In het vijfde lid wordt gesproken over het overleggen van de noodzakelijke gegevens. De gemeente werkt volgens de richtlijnen van de Wet Bescherming Persoonsgegevens om de privacy van de inwoner te waarborgen. Het tweede lid is een uitwerking van de wettelijke verplichting van het college om cliëntondersteuning te bieden aan inwoners met een hulpvraag (artikel 2.2.4 lid 1 van de Wmo). De wet adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om hierover bij verordening een regeling op te stellen. De bepaling uit de wet is toch in de verordening opgenomen vanwege het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van inwoners te geven. Hierbij is benadrukt dat de cliëntondersteuning voor de inwoner kosteloos is. In de memorie van toelichting bij artikel 2.2.4 van de Wmo is vermeld dat gemeenten hiermee de opdracht hebben in ieder geval een algemene voorziening voor cliëntondersteuning te realiseren, waar inwoners met een hulpvraag informatie en advies kunnen krijgen. Ook uitgebreide vraagverheldering alsmede kortdurende en kortcyclische ondersteuning bij het maken van keuzes op diverse levensterreinen maken daarvan deel uit. Overeenkomstig artikel 2.3.2 lid 3 van de Wmo is bepaald dat het college de inwoner na de melding van de hulpvraag inlicht over de mogelijkheid van gratis cliëntondersteuning. Cliëntondersteuning kan worden geleverd door een partij die de gemeente heeft gecontracteerd, maar een inwoner kan zich ook laten ondersteunen door iemand uit het eigen netwerk. Artikel 4. Gesprek Het gesprek over de hulpvraag kan overal in de gemeente plaatsvinden, zoals bij de inwoner thuis. In dit artikel staat een aantal punten genoemd die in het gesprek aan de orde kunnen komen. Er zijn nog meer punten die behandeld kunnen worden, afhankelijk van de hulpvraag. Bijvoorbeeld de financiële situatie van de inwoner. Ten aanzien van lid 1, d wordt in de onderzoeksfase ook rekening gehouden met het huidige informele netwerk en de rol die sociale contacten spelen bij het huishouden. Ten aanzien van lid 1, h wordt de voorkeur gegeven aan inzet van collectieve maatwerkvoorzieningen als aanvulling op maatregelen in eigen kracht of met het sociaal netwerk; ten opzichte van individuele maatwerkvoorzieningen. Uiteraard gaat dit alleen op als de collectieve voorziening even goed of beter past bij de behoefte van de cliënt, vergeleken met de individuele voorziening. Artikel 5. Advisering Als dat voor het onderzoek nodig is, kan een externe adviseur worden gevraagd op bepaalde aspecten van het onderzoek te adviseren. Het gaat dan bijvoorbeeld om de beoordeling van iemands medische of psychische situatie in relatie tot de ondersteuningsvraag. Dat kan het geval zijn

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.