← Nederland

Verordening Sociaal Domein gemeente Meppel (Meppel)

In het kort

Deze verordening regelt de uitvoering van diverse sociale wetten in de gemeente Meppel, met als doel een actuele en toepasbare basis te bieden voor besluiten in het sociaal domein. Het zorgt ervoor dat inwoners ondersteuning kunnen krijgen op verschillende levensgebieden.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

Verordening Sociaal Domein gemeente MeppelDe R a a d van de gemeente Meppel; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d.15 november 2023, nr.1597571/1824553; Overwegende: Dat de Verordening Sociaal Domein gemeente Meppel een goede actuele en goed toepasbare regeling moet zijn waarop de besluiten in het sociaal domein kunnen worden gebaseerd Gelet op de artikelen 147, 149 en 150 van de gemeentewet en artikel 4:23, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht; Gelet op de bepalingen in specifieke wetgeving over maatschappelijke voorzieningen, te weten; Participatiewet, Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 Jeugdwet Gelet op de bepalingen in specifieke wetgeving over gemeentelijke taken in het sociaal domein, te weten; Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen Wet inburgering 2021 Wet gemeentelijke anti-discriminatievoorzieningen Wet gemeentelijke schuldhulpverlening Gelet op de bepalingen in specifieke wetgeving over gemeentelijke taken in het onderwijs; Wet op de expertisecentra Wet op het primair onderwijs Wet voortgezet onderwijs 2020 Gelet op het advies van: de Adviesraad Sociaal Domein b e s l u i t : de Verordening Sociaal Domein gemeente Meppel vast te stellen de Verordening Sociaal Domein gemeente Meppel, zoals laatstelijk gewijzigd op 30 maart 2023, in te trekken. Hoofdstuk1Algemene bepalingen 1.1.Toepassingsbereik Deze verordening is van toepassing op de uitvoering van de Antidiscriminatiewet, de Jeugdwet, de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen, Wet op de expertisecentra,de Wet op het primair onderwijs (WPO), de Wet voortgezet onderwijs 2020, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015(Wmo 2015), Wet inburgering, de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Gemeentewet. 1.2.Algemene Definities 1.Alle in deze verordening gebruikte begrippen moeten worden geduid en begrepen volgens de definities van de wetten waarop deze verordening is gebaseerd. 2.Specifieke definities zoals geduid in de navolgende artikelen gaan voor op de algemene begrippen zoals benoemd in het derde lid. 3.Algemene begrippen; Inwoner: ingezetene van de gemeente Meppel als bedoeld in artikel 2 Gemeentewet, die als zodanig is geregistreerd in de basisregistratie personen en die gebruik maakt of wil maken van een van de een deze verordening behandelde voorzieningen. College: het college van burgemeester en wethouders van Meppel Consulent: medewerker in dienst van de gemeente Meppel die belast is met het onderzoek voor een te nemen besluit en het opstellen van een beschikking 1.3.Definities maatschappelijke voorzieningen en jeugdhulp Algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal is bestemd voor mensen met een handicap of beperking, die daadwerkelijk verkrijgbaar is en die een passende bijdrage levert aan zelfredzaamheid of participatie terwijl deze betaalbaar is voor iemand met een minimuminkomen. Algemene voorziening: aanbod van activiteiten of diensten dat toegankelijk is, zonder dat eerst een onderzoek wordt gedaan naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van gebruikers. Het betreft een voorziening die door of in opdracht van de gemeente is getroffen en die voorziet in activiteiten of het leveren van diensten. Centrumgemeente: Een gemeente die namens gemeente Meppel wettelijke taken uitvoert op grond van de Wmo2015. PGB-plan: een plan waarin de inwoner aangeeft wat hij wil inkopen met een aangevraagd PGB, welk bedrag hij daar voor nodig heeft en welk bedrag per zorgverlener of leverancier zal worden besteed Collectief vervoer: systeem van vervoer door middel van deeltaxi’s waarvan het gebruik mede als maatwerkvoorziening kan worden verstrekt en waar mee kan worden gereisd op vertoon van een persoonlijke pas. Eigen bijdrage: bijdrage in de kosten zoals bedoeld in artikel 1.4 en 1.4a Wmo2015 Gespreksverlag: een schriftelijke vastlegging van het onderzoek dat wordt uitgevoerd in het kader van een vraag om jeugdhulp Programma van eisen: overzicht van eisen waaraan een hulpmiddel moet voldoen om te kunnen worden ingezet als maatwerkvoorziening Voorliggende voorziening: een voorziening die verstrekt kan worden op grond van andere wetgeving dan de Wmo2015, de Jeugdwet of de Participatiewet en die daarom voorgaat op een verstrekking op basis van de genoemde wetten. Wmo Ondersteuningsplan: een schriftelijke vastlegging van het onderzoek dat wordt uitgevoerd na een Wmo melding. Zelfzorg: eigen zorg van de inwoner voor het lichamelijk en mentaal welbevinden 1.4.Definities uitkeringen Participatiewet/Ioaw/Ioaz benadelingsbedrag: netto-uitkering waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan ten gevolge van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan; Doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7 lid 1 onder a Participatiewet die het college ondersteunt bij de arbeidsinschakeling Inkomen: totaal van het inkomen als bedoeld in artikel 31, 32 en 33 Participatiewet norm: toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de Participatiewet, of grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 5 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen voor zover sprake is van een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; Plan van aanpak: plan gericht op de arbeidsinschakeling of re-integratie dat het college samen met een uitkeringsgerechtigde opstelt. Referteperiode: een periode van 36 maanden voorafgaand aan de ingangsdatum waarop een persoon een verzoek indient voor een individuele inkomenstoeslag. uitkering: algemene bijstand op grond van de Participatiewet of een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. 1.5.Definities leerlingenvervoer aangepast vervoer: vervoer per besloten busvervoer, schoolbusvervoer, taxi, taxibus, bustaxi of touringcar; afstand: afstand tussen de woning en de school, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg; begeleider: ouder of persoon die door de ouders wordt ingezet om de leerling tijdens het vervoer te begeleiden; deskundige: onafhankelijk medisch of pedagogisch deskundige; eigen vervoer: vervoer per eigen motorvoertuig of fiets; gehandicapte leerling: een leerling als bedoeld in dit artikel, die door een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap niet, of niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken; inkomen: inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, in het peiljaar, bedoeld in artikel 4, zevende lid, van de Wet op het primair onderwijs; leerling: de leerling die is ingeschreven bij een school als bedoeld in dit artikel; ontwikkelingsperspectief: een voor de leerling van het primair onderwijs, speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs dan wel voortgezet onderwijs vastgesteld plan als bedoeld in artikel 40a van de Wet op het primair onderwijs, artikel 41a van de Wet op de expertisecentra of artikel 2.44 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, dat door het bevoegd gezag en na op overeenstemming gericht overleg met de ouders is opgesteld. Ingeval van het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs adviseert hierin de commissie voor de begeleiding dan wel de commissie van onderzoek; openbaar vervoer: voor een ieder openstaand personenvervoer; opstapplaats: plaats aangewezen door het college, vanaf waar de leerling gebruik kan maken van het vervoer. ouders: ouder(s), voogden of verzorgers van de leerling; reistijd: totale tijdsduur die ligt tussen het verlaten van de woning en de aanvang van de schooldag volgens de schoolgids, minus maximaal 10 minuten, indien en voor zover de leerling het schoolgebouw met bijbehorend terrein gewoonlijk eerder bereikt dan de schoolgids aangeeft, dan wel de totale tijdsduur die ligt tussen het einde van de schooldag volgens de schoolgids en de aankomst bij de woning, plus een eventuele wachttijd voor het openbaar vervoer of maximaal 10 minuten bij gebruikmaking van aangepast vervoer; samenwerkingsverband: voor het primair onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18a van de Wet op het primair onderwijs; voor het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 28a van de Wet op de expertisecentra; of voor het voortgezet onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 2.47 van de Wet voortgezet onderwijs 2020; school: de schoollocatie waar de leerling onderwijs volgt. Dit is: het primair onderwijs: basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs; het speciaal onderwijs: school voor speciaal onderwijs of het speciaal onderwijs binnen een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra; het voortgezet speciaal onderwijs: school voor voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs binnen een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra; of het voortgezet onderwijs: school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020; stage : een integraal onderdeel van een opleiding waarbij de leerling in de praktijk leert; toegankelijke school: school waarop de leerling is aangewezen van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school; vervoer: openbaar vervoer, aangepast vervoer of eigen vervoer tussen de woning dan wel de opstapplaats en de school dat plaatsvindt in aansluiting op het begin en einde van de schooldag volgens de schoolgids, tenzij de structurele handicap van een leerling die aansluiting onmogelijk maakt; vervoersvoorziening: bekostiging van de goedkoopst mogelijke wijze van openbaar vervoer voor de leerling en zo nodig diens begeleider; gehele of gedeeltelijke bekostiging van de door het college noodzakelijk geachte vervoerkosten van de leerling en zo nodig diens begeleider; of aanbieding van aangepast vervoer dat de gemeente verzorgt of doet verzorgen; woning: plaats waar de leerling feitelijk en structureel verblijft. 1.6.Definities wet Inburgering Inburgeringsplichtige: persoon, bedoeld in artikel X, 2e t/m 5e lid van de wetswijziging van de wet van 13 september 2012 tot wijziging van de Wet inburgering (2012, 430). 1.7.Melding en onderzoek 1.Bij een melding door of namens een inwoner doet het college onderzoek naar de hulpbehoefte en de omstandigheden van de persoon of het gezin van de inwoner. In het onderzoek wordt aandacht besteed aan omstandigheden op het gebied van wonen, financiën, zelfzorg en welzijn, sociaal netwerk en dagbesteding. 2.De melding waarop een onderzoek volgt in de zin van artikel 2.3.2. vierde lid Wmo2015 wordt schriftelijk bevestigd. 3.Als er een wettelijke aanvraagprocedure geldt zonder voorafgaand onderzoek door het college, dan wordt de inwoner of de melder daar naar verwezen. 4.Voorafgaand aan het aannemen van een melding wordt een triage uitgevoerd om vast te stellen of en hoe het contact kan worden opgevolgd, en hoe zonodig aan de inwoner beknopt advies kan worden gegeven wat hij gelet op de aard van de gestelde vraag kan doen of bij welke aangewezen partij hij hulp kan krijgen zonder verwijzing door de gemeente. 5.Als de inwoner dat wil wordt informatie over hem of haar uit aanvragen op grond van verschillende wetten in het sociaal domein samengevoegd en betrokken in het onderzoek. 6.De gemeentelijke organisatieonderdelen in het sociaal domein werken met elkaar samen als één team in de behandeling van aanvragen, meldingen en vragen van inwoners op het gebied van de Jeugdwet, de Wmo2015, de Participatiewet, de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, de Leerplichtwet, de Wet publieke gezondheid, de Wet op het primair onderwijs, de Wet voortgezet onderwijs 2020 en de Wet op de expertisecentra. 7.Wanneer de situatie daar om vraagt, of de inwoner dat wenst, en de beoordeling van de aanspraak op een aangevraagde voorziening zonder uitgebreid onderzoek als bedoeld in lid 1 kan worden gedaan, kan worden afgezien van dat onderzoek. 1.8.Onafhankelijke cliëntondersteuning 1.Het college zorgt ervoor dat inwoners een beroep kunnen doen op een kosteloze cliëntondersteuning waarbij het belang van de inwoner uitgangspunt is. 2.Het college zorgt voor de inzetbaarheid van cliënt ondersteuners van verschillende organisaties. 3.Het college stelt een subsidieregeling vast waarin regels worden gesteld voor de verdeling van middelen voor de bekostiging van professionele cliëntondersteuners in de gemeente. De regeling kent een subsidieplafond. 4.Cliëntondersteuning moet voldoen aan nader door het college vast te stellen richtlijnen die ten minste beschrijven: Op welke manier ondersteuners voor cliënten vindbaar en benaderbaar zijn Op welke manier ondersteuners hun ondersteuning uitvoeren Op welke manier ondersteuners aan inwoners kenbaar maken op welk vlak hun kennis en ervaring ligt 5. Het college wijst inwoners en mantelzorgers actief op de mogelijkheden van cliënt ondersteuning. 1.9.Hardheidsclausule 1.In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet beslist het college. 2.Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen in deze verordening als strikte toepassing daarvan leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. 3.Deze hardheidsclausule is niet van toepassing op besluiten die worden gebaseerd op de Wmo2015 en de Jeugdwet. 1.10Innovatie (experimenten) 1.Het college kan, als experiment in het kader van het onderzoeken en toepassen van mogelijkheden om de participatie te bevorderen, afwijken van het bepaalde in deze verordening. 2.De duur van een experiment als bedoeld in het eerste lid is ten hoogste drie jaar. 3.Indien het experiment noodzaakt tot bijstelling van deze verordening kan de periode zoals genoemd in het tweede lid worden verlengd tot aan het moment van inwerkingtreding van de bijstelling. 1.11.Cliëntenparticipatie 1.Het college betrekt inwoners van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning (Jeugdwet, Wmo 2015 en Participatiewet), overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend. 2.Het college stelt inwoners vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 3.Het college zorgt ervoor dat inwoners kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. 4.Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede en derde lid. Hoofdstuk2Hoofdtaken sociaal domein (Maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp, participatie en inkomensvoorzieningen) 2.1Wmo2015 2.1.1Algemene voorzieningen 1.In de gemeente Meppel zijn de volgende algemene voorzieningen beschikbaar: Activeringscentrum de MensA Het Leer Werk centrum Een rolstoel of een scootmobiel uit de poolen van Reestoord; het Irenehuis; 't Anker; De Beemd en de Plataan. Een rolstoelfiets, gestald bij de Snippe i.s.m. de MensA. De stadsbus MUG. De dagopvang op werkdagen bij: De Plataan; de Buurtkamer en het Kerspel Stamtafels van Welzijn Mensenwerk. 2. De algemene voorzieningen zijn vrij toegankelijk voor eenieder maar kunnen een geringe bijdrage vragen in de kosten voor consumpties of gebruikte materialen of ritten die ter plekke moet worden voldaan. 2.1.2.Onderzoek Wmo hulpvraag 1.Het college gaat in samenspraak met de inwoner, diens vertegenwoordiger en eventuele mantelzorger of familieleden bepalen wat de hulpvraag is. 2.Het college kijkt samen met de inwoner naar wat nodig is om zo zorg-onafhankelijk mogelijk te worden en te blijven 3.Bij het bepalen van de hulpvraag wordt onderzoek gedaan binnen de leefdomeinen: wonen, financiën, zelfzorg, sociaal netwerk en dag invulling 4.Een zorgvuldig onderzoek omvat de volgende 5 stappen: Wat is de hulpvraag en vanuit welke wet onderzoeken: Wmo, Zvw of Wlz? Wat zijn de eigen mogelijkheden en beperkingen van de inwoner (lichamelijk en/of geestelijk)? Welke ondersteuning naar aard en omvang is nodig om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid en participatie? In hoeverre kunnen de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en algemene voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden? Welke problemen worden er na het doorlopen van de stappen a tot en met d nog ondervonden bij de zelfredzaamheid en participatie die met een maatwerkvoorziening kunnen worden opgelost? 5. Het college kan ter uitvoering van het onderzoek ook huisgenoten van de inwoner met een hulpbehoefte oproepen voor een gesprek of een onderzoek door een deskundige. 2.1.3.Criteria voor een maatwerkvoorziening 1.Een maatwerkvoorziening kan alleen worden toegekend als het onderzoek als bedoeld in artikel 2.1.2 de conclusie oplevert dat een maatwerkvoorziening noodzakelijk en geschikt is om zelfredzaam te zijn of om te kunnen participeren, er geen algemene of algemeen gebruikelijke voorziening beschikbaar is, en de inwoner de noodzaak tot ondersteuning redelijkerwijs niet had kunnen voorkomen en kunnen voorzien. 2.Een maatwerkvoorziening moet er voor zorgen dat een inwoner hierdoor zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven wonen. 3.Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder verstrekte maatwerkvoorziening, wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte maatwerkvoorziening technisch is afgeschreven, behalve in de volgende gevallen: De eerder verstrekte maatwerkvoorziening is verloren gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de inwoner kunnen worden toegerekend De inwoner komt geheel of gedeeltelijk tegemoet in de veroorzaakte kosten De eerder verstrekte maatwerkvoorziening is niet langer meer een oplossing voor de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning van de inwoner. 4. Het college houdt bij het bepalen welke maatwerkvoorziening wordt toegekend rekening met de omstandigheden, behoeften en mogelijkheden van de inwoner en kiest daarbij voor de meest adequate en goedkope oplossing. 5. Indien de aanvraag betrekking heeft op kosten voor maatschappelijke ondersteuning die de cliënt voorafgaand aan de aanvraag heeft gemaakt, kan het college hier slechts een voorziening voor verstrekken: als op het moment van de aanvraag nog steeds sprake is van de noodzaak voor het ondersteunen om zelfredzaam te zijn of om te kunnen participeren waarvoor de hulp is ingezet, en; voor zover het college de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen. De voorziening als bedoeld in lid 5 kan slechts betrekking hebben op gemaakte kosten over een periode van maximaal 3 maanden vóór de aanvraag. 2.1.4Het Wmo-ondersteuningsplan 1.Het onderzoek wordt afgerond met het opmaken van een Wmo ondersteuningsplan. 2.Het Wmo ondersteuningsplan bevat de resultaten die de inwoner wil bereiken om zijn hulpvraag op te lossen en een beschrijving op welke manier dat moet gaan. Dit geldt ook voor resultaten die met inzet van een maatwerkvoorziening moeten worden behaald. 3.Het onderzoek kan periodiek worden herhaald, bijvoorbeeld met het aflopen van een toegekende maatwerkvoorziening. 4.Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan worden gedaan door het Wmo ondersteuningsplan ondertekend terug te sturen naar het college. De inwoner kan daar opmerkingen en aanvullingen in opnemen. 2.1.5.Soorten maatwerkvoorzieningen De gemeente Meppel kent de volgende maatwerkvoorzieningen waarvoor zij met leveranciers afspraken heeft gemaakt voor het leveren van zorg of diensten in natura: Huishoudelijke ondersteuning Begeleidende ondersteuning Woonvoorzieningen Rolstoelvoorzieningen Vervoersvoorzieningen Sportvoorzieningen Kortdurend verblijf Beschermd wonen en maatschappelijke opvang 2.1.6.Beschermd wonen en maatschappelijke opvang door centrumgemeente 1.De uitvoering van de taken beschermd wonen en maatschappelijke opvang wordt namens het college gedaan door centrumgemeente Assen. Het college heeft daarvoor afspraken gemaakt met gemeente Assen in het convenant Beschermd Wonen en Maatschappelijke Opvang. 2.Op de uitvoering van de taken die de centrumgemeente uitvoert zijn de lokale regels van de centrumgemeente, bij voorrang op deze regeling, van toepassing. 2.1.7.( Gereserveerd )beschermd wonen vanaf 1-1-2025 2.1.8.(Gereserveerd) Beschermd thuiswonen 2.1.9.Collectief vervoer / taxivervoer (Wmo-vervoerpas) 1.Wanneer een inwoner een maatwerkvoorziening krijgt voor vervoer in een collectieve of individuele taxi is het aantal kilometers beperkt tot maximaal 1250 per jaar en maximaal 25 kilometer per rit. 2.Voor het gebruik van de vervoerpas is een eigen bijdrage verschuldigd per rit van € 1,01 (instaptarief) plus 0,18 eurocent per km. 3.Een medereiziger die meereist omdat de pashouder niet alleen kan reizen reist gratis mee. 4.Maximaal drie huisgenoten mogen meereizen met de pashouder. Zij betalen hetzelfde tarief per rit als de pashouder. 5.Maximaal 2 kinderen tot 5 jaar reizen gratis mee met de pashouder. 6.Een medereiziger die niet tot het huishouden behoort betaalt €0,45 per km. 7.Een blindegeleidehond of hulphond reist gratis mee. 8.De in dit artikel genoemde tarieven kunnen door het college op dezelfde manier worden verhoogd als de jaarlijkse indexering van OV tarieven. 2.1.10.Aanschaf en aanpassing van een aangepaste auto Een maatwerkvoorziening voor aanschaf of aanpassing van een auto wordt alleen onder de volgende voorwaarden verstrekt: Andere collectieve, algemene of maatwerkvoorzieningen zijn niet voldoende geschikt om in de ondersteuningsbehoefte van de inwoner te voorzien Een aanpassing of bijdrage in de aanschafkosten wordt alleen verstrekt voor auto’s die op het moment van de aanvraag niet ouder zijn dan drie jaar. 2.1.11.Kwaliteitscriteria voor maatwerkvoorzieningen en jeugdhulp 1.De verstrekte maatwerkvoorzieningen en jeugdhulpvoorzieningen moeten voldoen aan de kwaliteitscriteria zoals deze beschreven zijn in het Drents Kwaliteitskader Sociaal Domein 2019 (DKK). Onder verantwoorde hulp wordt verstaan dat het hulp is van‘goed’ niveau; hulp die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig, cliëntgericht is (en die is afgestemd op de reële behoefte van de cliënt en andere vormen van hulp). 2.Het college stelt, in overleg met de regio Drenthe, het DKK voor Meppel vast. 3.Bij de inkoop en aanbestedingsprocedure en bij toezicht is dit de leidraad waaraan wordt getoetst of de ingekochte maatwerkvoorzieningen voldoen aan de norm voor verantwoorde hulp. 4.Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen door: Het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt; Het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg; Erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werk handelen volgens professionele standaarden. 5. In situaties waarin toezicht wordt uitgeoefend op een maatwerkvoorziening die met een persoonsgebonden budget is ingekocht wordt ook getoetst aan het DKK. 2.1.12.Toezicht en handhavingskader Wmo 2015 en Jeugdwet 1.Het college wijst een toezichthouder aan die belast is met het houden van toezicht op de naleving van rechtmatige uitvoering van de Wmo 2015 en Jeugdwet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van deze wet. 2.Het college kan nadere regels vaststellen over de bevoegdheden van de toezichthouder 3.Het college houdt in het kader van de Wmo toezicht op de naleving van de eisen in artikel 2.1.11 door: periodieke overleggen met de aanbieders; continumeting cliëntervaring; als het nodig is in overleg met de cliënt ter plaatse de geleverde voorzieningen te controleren. 4.Steekproefsgewijs de bestedingen van PGB’s te controleren 5.De aangewezen toezichthouder heeft de bevoegdheid om: inlichtingen te vragen; (cliënten) administratie te vorderen bij de zorgverlener de administratie te vorderen van de cliënt of de PGB-beheerder identificatie te vragen; documenten en gegevens te lezen en gebruiken ergens naar binnen gaan (met uitzondering van woningen) te controleren of de zorgverlener zich aan de afspraken uit de toekenningsbeschikking of de raamovereenkomst of de uitvoeringsovereenkomst met het college houdt; te controleren of de overeenkomst (ondersteuningsinhoudelijk) die de cliënt of de PGB-houder heeft gesloten voldoet aan de gegevens en informatie die bij de aanvraag zijn gegeven. Iedereen is verplicht om mee te werken aan het onderzoek van de toezichthouder. 6. Het college stelt voor onderzoeksmethoden die vaak worden toegepast protocollen op. Het gaat in ieder geval om een protocol voor de inzet van huisbezoeken. De protocollen moeten ervoor zorgen dat er geen ongeoorloofde inbreuk op het privéleven van inwoners plaatsvindt. 7. Bij het uitvoeren van onderzoek zorgt het college ervoor dat inbreuk op persoonlijkheidsrechten, zoalsop de bescherming van het privéleven, niet verder gaat dan wat noodzakelijk, passend en wettelijk toegestaan is. 2.1.13.Normtijden huishoudelijke ondersteuning 1.Bij huishoudelijke ondersteuning wordt de omvang van de maatwerkvoorziening bepaald met behulp van Het Normenkader Huishoudelijke ondersteuning, uitgebracht door bureau HHM (kenmerk MW/22/1235 | juni 2019 – september 2022 ). 2.De normtijden zijn van toepassing op de volgende zes onderdelen die deel kunnen uitmaken van huishoudelijke ondersteuning: Schoon en leefbaar huis Wasverzorging Boodschappen Maaltijden Kindzorg Regie /organisatie en advies, instructie en voorlichting 2.1.14.Eigen bijdragen 1.Degene die een maatwerkvoorziening ontvangt is een periodieke eigen bijdrage verschuldigd. 2.De hoofdbewoner van een woning waarin ten behoeve van een jeugdig gezinslid aanpassingen worden aangebracht in de vorm van een maatwerkvoorziening is een periodieke eigen bijdrage verschuldigd. 3.De eigen bijdrage wordt berekend over maximaal de kosten die de gemeente betaalt aan leveranciers voor het ter beschikking stellen van de maatwerkvoorziening. 4.Bij PGB-maatwerkvoorzieningen wordt de bijdrage berekend over maximaal de hoogte van het PGB voor de maatwerkvoorziening. 5.De eigen bijdrage is verschuldigd zolang van de maatwerkvoorziening gebruik wordt gemaakt en het bedrag zoals genoemd in lid 3 of 4 niet is bereikt. 6.In afwijking van artikel 3.8, eerste lid, van het Uitvoeringbesluit Wmo 2015 is de bijdrage gelijk aan de kostprijs, tot aan ten hoogste het bedrag zoals genoemd in het op grond van dat artikel bepaalde bedrag per maand voor de ongehuwde inwoner of de gehuwde inwoner tezamen, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4a, vijfde lid, van de wet geen of een lagere bijdrage is verschuldigd. 7.Overeenkomstig artikel 2.1.4.a, vijfde lid van de wet is geen bijdrage verschuldigd door inwoners die ongehuwd of als gehuwd worden aangemerkt en van wie het (gezamenlijk) inkomen lager is dan 120% van de voor hun situatie geldende wettelijke bijstandsnorm. 8.De kostprijs van een maatwerkvoorziening voor het bepalen van de eigen bijdrage wordt bepaald: door een aanbesteding; na een consultatie in de markt, of in overleg met de aanbieder. 9. Een inwoner is een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van collectief vervoer, ter hoogte van € 0,18 per kilometer voor ritten tot en met 25 kilometer plus het instaptarief van € 0,90. Deze tarieven kunnen door het college jaarlijks worden verhoogd met het zelfde kostenstijgingspercentage dat wordt toegepast op tarieven van het openbaar (bus-) vervoer. Er wordt dus voor het collectief vervoer geen gebruik gemaakt van het abonnementstarief voor eigen bijdragen via het CAK. 2.1.15.Persoonsgebonden budget (PGB) 1.Het college verstrekt een PGB in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de Wmo2015. 2.Er wordt geen PGB verstrekt voor kosten die de inwoner voorafgaand aan de aanvraag al heeft gemaakt en achteraf niet is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was. 3.Wanneer een inwoner heeft aangegeven dat hij zijn maatwerkvoorziening in wil zetten met behulp van een PGB, maakt het college met hem afspraken over: Welke maatwerkvoorziening met het PGB wordt ingekocht en waarom deze passend is; Wie deze maatwerkvoorziening levert; Wat de kosten zijn van deze maatwerkvoorziening; Waarom hij de maatwerkvoorziening in de vorm van een PGB wil ontvangen; Hoe invulling wordt gegeven aan het beheer van het PGB; Hoe de kwaliteit geborgd is aan de hand van de kwaliteitscriteria zoals opgenomen in het DKK. De besteding van het budget. De inwoner levert hiervoor een ingevuld PGB-plan aan. 4. Het college legt de in het derde lid genoemde afspraken vast in het Wmo ondersteuningsplan als bedoeld in artikel 2.1.4. Het PGB-plan als bedoeld in het derde lid wordt aan het Wmo ondersteuningsplan toegevoegd en maakt daar deel van uit. 5. De persoon aan wie een PGB wordt verstrekt kan de maatwerkvoorziening, uitgezonderd behandeling, betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk, mits deze persoon: meerderjarig is, en veilige, doelmatige en cliëntgerichte hulp verleent, die is afgestemd op de reële behoefte van de inwoner, en deze persoon heeft aangegeven dat de hulp aan de inwoner voor hem niet tot overbelasting leidt. 6. Een PGB dient door de inwoner binnen drie maanden na toekenning te worden aangewend ten behoeve van het doel waarvoor het is verstrekt. 7. Een PGB is alleen bestemd voor het betalen van loonkosten van een hulpverlener of het aanschaffen van hulpmiddelen volgens het programma van eisen van ergotherapeut of anders. 8. Een PGB beheerder mag niet ook hulpaanbieder zijn. 9. Een PGB beheerder moet bekwaam zijn om het PGB te beheren. Het college kan van een beoogde PGB beheerder verlangen dat deze een vaardigheidstest doet. De beoogd PGB beheerder moet in dat geval slagen voor de vaardigheidstest voordat een PGB kan worden verleend. 10. Een PGB wordt alleen verstrekt voor de maatwerkvoorzieningen zoals genoemd in artikel 2.1.5. 11. Het bedrag waarvoor een PGB wordt verstrekt wordt berekend in vergelijking met de kosten die verbonden zouden zijn aan de verstrekking van een maatwerkvoorziening in natura, bepaald op de manier van artikel 2.1.2. 12. Bij een PGB voor maatschappelijke ondersteuning met inschakeling van een professional wordt de vergoeding bepaald op 75% van het tarief voor de kosten van zorg in natura, zoals het college die inkoopt. 13. Bij een PGB voor maatschappelijke ondersteuning met inschakeling van een persoon uit het sociaal netwerk wordt de vergoeding als volgt bepaald: Bij huishoudelijke hulp: het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij hulp bij het huishouden van de voor de betreffende periode geldende cao VVT, te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren. Bij begeleiding: het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij FWG 30 van de voor de betreffende periode geldende cao VVT, te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren. 14. Bij een PGB voor een hulpmiddel wordt de hoogte bepaald op basis van de aanschaf en installatie kosten zodat het voldoet aan het programma van eisen, verhoogd met een bedrag voor het periodiek onderhoud en eventuele verzekering voor wettelijke aansprakelijkheid. 15. Bij een PGB voor een woningaanpassing wordt de hoogte bepaald op basis beoordeling van offertes met inachtneming van de doelmatigste, adequaatste en goedkoopste oplossing. 16. Het PGB mag niet worden gebruikt om een PGB beheerder of tussenpersoon te betalen. 2.1.16.Opschorting betalingen uit het PGB 1.Het college kan beslissen tot een geheel of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het PGB voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de Wmo2015. 2.Het college kan beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het PGB voor de duur van de opname als de inwoner langer dan een door het college vastgestelde periode verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet. 3.Indien het college een besluit neemt op grond van het eerste en/of tweede lid van dit artikel, wordt de PGB-houder daarover schriftelijk geïnformeerd. 2.1.17.Regels voor het aanwijzen van professionele PGB-zorgaanbieders Als professionele PGB-aanbieders van maatschappelijke ondersteuning kwalificeren aanbieders die: Niet door toezichthouders zijn gesignaleerd wegens het verlenen van ondeskundige zorg, handelen in strijd met de wet, misleiding, fraude of uitbuiting van het personeel; Een kwaliteitszorgsysteem hanteren, waarbij onder andere de cliënttevredenheid wordt getoetst; Aangesloten zijn bij een professioneel collectief; Een duidelijke regeling voor hulpverlening in periode van ziekte of vakantie hanteren; Verzekerd zijn voor beroepsaansprakelijkheid/bedrijfsaansprakelijkheid voor minimaal €1.250.000,-- per gebeurtenis en €2.500.000,-- per jaar; Voldoen aan specifieke opleidingseisen gericht op het verlenen van maatschappelijke ondersteuning; Beschikken over een adequate klachtenregistratie; Zich richting de belastingdienst gedragen als een zelfstandig ondernemer blijkend uit een of meer aangiften inkomstenbelasting over de afgelopen 3 jaar. Beschikken over een inschrijving in de Kamer van Koophandel als zorgaanbieder gericht op maatschappelijke ondersteuning; 2.1.18.Intrekking en terugvordering van maatwerkvoorzieningen 1.Als een maatwerkvoorziening door het college wordt ingetrokken op grond van de wet, kan deze voorziening door het college worden teruggevorderd. Een hulpmiddel dat in eigendom of in bruikleen is verstrekt moet dan worden teruggeleverd door de inwoner. 2.Als een huis met een woningaanpassing wordt verkocht en de waarde van het huis is gestegen door de woningaanpassing, wordt de hoogte van de waardestijging bepaald door het verschil tussen de waarde van het huis met de gerealiseerde woonvoorziening en de waarde van het huis als ware de woonvoorziening niet gerealiseerd. 2.1.19.Voorwaarden bij kortdurend verblijf in een instelling (adempauzeregeling*) 1.De ondersteuning kortdurend verblijf in een instelling is gericht op de volgende resultaten: Voorkomen of verminderen van overbelasting van een mantelzorger en / of Stimuleren dat de inwoner zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven wonen 2. Deze ondersteuning kan worden ingezet als voldaan is aan de volgende voorwaarden: De inwoner is langdurig aangewezen op meer dan gebruikelijke hulp en De maatwerkvoorzieningen ondersteuning en begeleiding bieden onvoldoende een oplossing en De inwoner en zijn mantelzorger kunnen geen aanspraak maken op voorliggende voorzieningen om overbelasting te voorkomen. 3. De omvang is maximaal 3 etmalen per week 2.1.20.Jaarlijkse waardering mantelzorgers 1.Er is een jaarlijkse blijk van waardering in natura voor mantelzorgers in de gemeente ter waarde van tenminste € 50,-- 2.Het college kan het in het eerste lid jaarlijks verhogen met het in de begroting gehanteerde kostenstijgingspercentage. 2.1.21.Regels over verhouding kwaliteit en prijs van ingekochte diensten voor maatwerkvoorzieningen 1.Om te waarborgen dat er een goede verhouding is tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de dienst stelt het college stelt bij het aanbesteden of inkopen van diensten voor de levering van maatwerkvoorzieningen de volgende zaken vast: Een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met een derde; of Een reële prijs die geldt als ondergrens voor: Een inschrijving en het aangaan van de overeenkomst met de derde, en De vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 2. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet, en rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 3. Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen: de kosten van de beroepskracht; redelijke overheadkosten; kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; reis en opleidingskosten; indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. 4. Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad. 5. Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat. 2.1.22.Tarieven wmo voorzieningen voor zover nog niet elders benoemd 1.De bijdrage in de aanschafkosten van een aangepaste auto is € 920 per gebruiksjaar, te verstrekken ineens tot de maximale gebruiksduur. 2.De bedragen in dit artikel worden jaarlijks verhoogd met de indexering die de gemeenteraad bij de programmabegroting toepast bij de begroting voor de sociale voorzieningen. 2.1.23.Financiële tegemoetkomingen In plaats van een maatwerkvoorziening kan het college aan een inwoner een financiële tegemoetkoming verstrekken op grond van artikel 2.1.7 van de Wmo2015 in de volgende gevallen: De vanwege zelfredzaamheid of participatie noodzakelijke kosten van een verhuizing De vanwege zelfredzaamheid of participatie noodzakelijke meerkosten van een hulpmiddel om zichzelf door middel van spierkracht te verplaatsen, mits de inwoner zelf zorgdraagt voor onderhoud en reparaties van het hulpmiddel. 2.1.24.Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning 1.Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van alle voorzieningen met meer dan 50 klanten. 2.Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders. 2.1.25.Klachtenregeling wmo-aanbieders 1.Iedere aanbieder van een maatwerkvoorziening is verplicht om te beschikken over een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten. 2.De aanbieder zorgt ervoor dat de informatie over de klachtenregeling goed kenbaar is voor zijn cliënten. 2.2.Jeugdwet 2.2.1.Vormen van jeugdhulp 1.De volgende vormen van algemene voorzieningen zijn beschikbaar: Lichte vormen van opvoed- en opgroeiondersteuning Korte ambulante zorg Maatschappelijk werk Vrijwilligersinitiatieven 2. De volgende vormen van individuele voorzieningen zijn beschikbaar: Gespecialiseerde ambulante zorg Open (semi)-residentiële zorg Pleegzorg Dagbehandeling Spoedeisende zorg Gesloten jeugdhulp Jeugd-lvg Jeugd-ggz 2.2.2.Toegang jeugdhulp via een arts of gecertificeerde instelling 1.Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, gecertificeerde instelling, medisch specialist en jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover genoemde jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. 2.Het college maakt afspraken met de huisartsen, medisch specialisten, jeugdartsen en gecertificeerde instellingen over de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de verwijzing, als bedoeld in artikel 2.6 eerste lid, onderdeel e van de wet en in lid 1 van dit artikel, plaatsvindt. 3.In de afspraken met de huisartsen wordt geregeld hoe de inzet van een praktijkondersteuner (poh) plaatsvindt 4.Als de jeugdige of ouders daarom verzoeken kan een beslissing van een verwijzer door het college in een beschikking aan hen worden uitgereikt. 2.2.3.Toegang jeugdhulp via de gemeente 1.Voor jeugdigen of ouders met een hulpvraag zijn algemene voorzieningen vrij toegankelijk. 2.Een aanvraag voor een individuele voorziening kan schriftelijk, voorzien van een handtekening, worden ingediend bij het college. 3.Het college legt de te verlenen individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking. 4.De jeugdige of zijn ouders moeten zich binnen 3 maanden na de besluitdatum hebben gemeld bij een jeugdhulpaanbieder of zijn gestart met de besteding van het PGB aan het doel waarvoor het is verstrekt. 5.Het college wijst de jeugdige en/of zijn ouder op de mogelijkheid gebruik te maken van onafhankelijke cliëntondersteuning. 6.Buiten kantoortijden zet Spoed4Jeugd, indien dit aan de orde is, passende spoedhulp in. 7.Het college stelt het recht op jeugdhulp vast na een schriftelijke aanvraag. 8.Het college kan bepalen dat de aanvraag geschiedt met behulp van een door het college vastgesteld en beschikbaar gesteld aanvraagformulier. 9.Een gespreksverslag kan, als er een handtekening op staat, dienen als schriftelijke aanvraag. 10.Als de aanvraag betrekking heeft op kosten voor jeugdhulp die de jeugdige of ouder voorafgaand aan de aanvraag heeft gemaakt, kan het college hier slechts een individuele voorziening voor verstrekken: als op het moment van de aanvraag nog steeds sprake is van opgroei- of opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen waarvoor de hulp is ingezet, en; voor zover het college de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen. 11. De voorziening als bedoeld in lid 10 kan slechts betrekking hebben op gemaakte kosten over een periode van maximaal 3 maanden vóór de aanvraag. 2.2.4Onderzoek 1.Het college onderzoekt in een gesprek met de jeugdige of zijn ouders zo spoedig mogelijk en voor zover nodig in het kader van de hulpvraag: de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige of zijn ouders en het probleem of de hulpvraag; het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp; het vermogen van de jeugdige of zijn ouders om zelf of met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de hulpvraag te vinden; de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere voorziening; de mogelijkheden om de hulpvraag te beantwoorden door het inzetten van een algemene voorziening; de mogelijkheden om een individuele voorziening te verstrekken; de mogelijkheden om te kiezen voor een PGB, waarbij de jeugdige en/of ouder in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze; de wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk en inkomen; hoe rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders. 2. Het college verzamelt alle voor het gesprek van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de jeugdige of zijn ouder en zijn situatie. 3. Ter voorbereiding van het gesprek, verschaft de jeugdige of zijn ouder aan het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen 4. Het college kan, met instemming van de jeugdige of zijn ouders, informatie inwinnen bij andere instanties, zoals de huisarts, en met deze in gesprek gaan over de problemen en de meest aangewezen hulp. 5. Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor de beoordeling van de aanvraag, degene door of namens wie een aanvraag is ingediend of bij gebruikelijke hulp diens relevante huisgenoten: 6. op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te bevragen; 7. op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door één of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen bevragen en/of onderzoeken. 8. Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouder afzien van een gesprek. 9. Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van de uitkomsten van het onderzoek in de vorm van het gespreksverlag. Ouders hebben de gelegenheid om binnen een overeengekomen termijn hierop te reageren en deze reacties worden indien gewenst toegevoegd aan het verslag. 2.2.5.Inzet jeugdhulp 1.De afgestemde hulp en ondersteuning wordt zodanig ingezet dat dit (indien van toepassing) leidt tot: Opheffen van een situatie die voor de jeugdige en zijn ouders en/of de omgeving levensbedreigend is, of met grote waarschijnlijkheid leidt tot ernstige gezondheidsschade; Stabilisatie van een crisissituatie, anders dan bedoeld onder a; Voldoende mate van duurzame zelfredzaamheid van de jeugdige en zijn ouders, voor zover dat binnen het vermogen ligt; Voldoende mate van meedoen in de (lokale) samenleving voor de jeugdige en zijn ouders, voor zover dat binnen het vermogen ligt. 2. Het college weegt bij de afstemming van hulp en ondersteuning de volgende aspecten mee: de behoefte aan hulp en ondersteuning van de jeugdige en zijn ouders of het gezin, alsmede de eigen kracht en mogelijkheden van het sociale netwerk; welke volgorde van inzet van hulp en ondersteuning naar verwachting het meeste effect sorteert en in hoeverre hulp en ondersteuning gelijktijdig kan of moet worden ingezet; welke (informele) hulp en ondersteuning leidt tot de minste kosten op lange termijn. 3. Indien de jeugdige en/of zijn ouders weigeren mee te werken aan ondersteuning als bedoeld in het vorige lid, is het college niet gehouden een individuele voorziening toe te kennen of voort te zetten op grond van deze verordening. 4. Indien een jeugdige van 16 jaar of ouder die hulp op grond van de Jeugdwet ontvangt naar alle waarschijnlijkheid na het achttiende levensjaar hulp of ondersteuning nodig heeft vanuit een wettelijke kader als bedoeld onder artikel 2.1.5., is het college er voor verantwoordelijk om: voor het achttiende levensjaar zodanige hulp en ondersteuning te bieden dat de benodigde hulp en ondersteuning vanaf het achttiende jaar zo beperkt mogelijk kan zijn, en de continuïteit van hulp en ondersteuning te waarborgen voor zover dat nodig is. 2.2.6.Regels voor het PGB 1.Het college verstrekt een PGB voor jeugdhulp in overeenstemming met artikel 8.1.1 van de Jeugdwet. 2.Er wordt geen PGB verstrekt voor kosten die de jeugdige of zijn ouder voorafgaand aan de aanvraag al heeft gemaakt en achteraf niet is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was. 3.Wanneer een jeugdige of zijn ouder heeft aangegeven dat hij zijn ondersteuning in wil zetten met behulp van een PGB, maakt het college met de jeugdige of zijn ouder via een door hen opgesteld PGB-plan afspraken over: Welke ondersteuning met het PGB wordt ingekocht en waarom deze ondersteuning passend is; Wie deze ondersteuning levert; Wat de kosten zijn van deze ondersteuning; Waarom het aanbod in zorg in natura (ZIN) niet passend is; Hoe invulling wordt gegeven aan het budgethouderschap Hoe de kwaliteit geborgd is aan de hand van de kwaliteitscriteria zoals opgenomen in het Drents Kwaliteitskader. 4. Het college legt de in het derde lid genoemde afspraken vast in het gespreksverslag. 5. De hoogte van het PGB wordt door het college als volgt berekend: Volgens de geldende kostprijs van de bouwsteen voor toegekende jeugdhulp voor hulp in natura die het college verschuldigd is bij de reguliere inkoop. Voor jeugdhulp verleend door een informele hulp 45% van de geldende kostprijs van de bouwsteen voor toegekende jeugdhulp in natura die het college verschuldigd is bij de reguliere inkoop. 6. De persoon aan wie een PGB wordt verstrekt kan de jeugdhulp, uitgezonderd behandeling, betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk, mits deze persoon: meerderjarig is, en veilige, doelmatige en cliëntgerichtheid jeugdhulp verleent, die is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of zijn ouders, en deze persoon heeft aangegeven dat de zorg aan de jeugdige of ouders voor hem niet tot overbelasting leidt. 7. Een PGB dient door de jeugdige of zijn ouders binnen drie maanden na toekenning te worden aangewend ten behoeve van het doel waarvoor het is verstrekt. 8. Een PGB is alleen bestemd voor het betalen van loonkosten van een hulpverlener. 9. Een PGB beheerder mag niet ook hulpaanbieder zijn 10. Een PGB beheerder moet bekwaam zijn om het PGB te beheren. Het college kan van een beoogde PGB beheerder verlangen dat deze een vaardigheidstest doet. De beoogd PGB beheerder moet in dat geval slagen voor de vaardigheidstest voordat een PGB kan worden verleend. 11. Het PGB mag niet worden gebruikt om een PGB beheerder of tussenpersoon te betalen. 12. De tegemoetkoming voor hulp uit het sociaal netwerk als bedoeld in artikel 8ab van de Regeling Jeugdwet kan worden toegekend voor informele hulp in de vorm van een logeervoorziening of kortdurend verblijf. De hoogte van de tegemoetkoming wordt bepaald aan de hand van een door het college vast te stellen bedrag per etmaal en kan maximaal €141 per kalendermaand bedragen. 13. Het college kan het maximale bedrag als bedoeld in lid 12 jaarlijks verhogen met het prijsindexeringspercentage dat wordt toegepast in de begroting voor het onderdeel sociale voorzieningen. 2.2.7.Opschorting betalingen uit het PGB 1.Het college kan beslissen tot een geheel of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het PGB voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van een jeugdige of ouder een ernstig vermoeden is gerezen dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 8.1.4. Jeugdwet. 2.Het college kan beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het PGB voor de duur van de opname als de jeugdige of ouder langer dan een door het college vastgestelde periode verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet. 3.Indien het college een besluit neemt op grond van het eerste en/of tweede lid van dit artikel, wordt de PGB-houder daarover schriftelijk geïnformeerd. 2.2.8Onderscheid formele en informele hulp 1.Bij toekenning van een PGB wordt onderscheid gemaakt tussen formele- en informele hulp. 2.Als formele hulp kwalificeren aanbieders van professionele jeugdhulp die: Niet door toezichthouders zijn gesignaleerd wegens het verlenen van ondeskundige zorg, handelen in strijd met de wet, misleiding, fraude of uitbuiting van het personeel; Een kwaliteitszorgsysteem hanteren, waarbij onder andere de cliënttevredenheid wordt getoetst; Aangesloten zijn bij een professioneel collectief; Een duidelijke regeling voor hulpverlening in periode van ziekte of vakantie hanteren; Verzekerd zijn voor beroepsaansprakelijkheid/bedrijfsaansprakelijkheid voor minimaal €1.250.000,-- per gebeurtenis en €2.500.000,-- per jaar; Voldoen aan specifieke opleidingseisen gericht op het verlenen van jeugdhulp; Beschikken over een adequate klachtenregistratie; Zich richting de belastingdienst gedragen als een zelfstandig ondernemer blijkend uit een of meer aangiften inkomstenbelasting over de afgelopen drie jaar. Beschikken over een inschrijving in de Kamer van Koophandel als aanbieder gericht op het leveren van jeugdhulp; Een verklaring omtrent het gedrag (VOG), niet ouder dan drie maanden, kunnen overleggen volgens het screeningsprofiel “(gezins) voogd bij voogdij instellingen, reclasseringsmedewerker, raadsonderzoeker en maatschappelijk werker; Zijn geregistreerd in het beroepsregister jeugd (SKJ) of BIG; 3.Indien de jeugdhulp geboden wordt door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad van de budgethouder, is altijd sprake van informele hulp. 4.Indien de hulp wordt verleend door een andere persoon dan beschreven in lid 2, is sprake van informele hulp. 2.2.9.Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, rekening met: de aard en omvang van de te verrichten taken; de voor de sector toepasselijke CAO - schalen in relatie tot de zwaarte van de functie; een redelijke toeslag voor overheadkosten; een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; kosten voor bijscholing van het personeel. 2.2.10Vertrouwenspersoon 1.Het college zorgt ervoor dat jeugdigen, ouders en pleegouders een beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon. 2.Het college wijst jeugdigen en ouders erop dat zij zich desgewenst kunnen laten bijstaan door een onafhankelijke vertrouwenspersoon. 2.2.11.Regeling zak- en kleedgeld 1.Het college stelt ten behoeve van de jeugdige op wie een kinderbeschermingsmaatregel van toepassing is, waarbij het voor de voogd waar de jeugdige onder toezicht staat, blijkt dat het duurzaam onmogelijk is om zelf van de onderhoudsplichtige ouders een bijdrage voor zak- en kleedgeld te ontvangen, een vervangende bijdrage ter beschikking gelijk aan maximaal de geldende wettelijke kinderbijslag volgens de Algemene kinderbijslagwet 2.Het college toetst de situatie aan de volgende punten: Het kind staat onder toezicht van een gezinsvoogd en kan niet meer thuis wonen. Een vertegenwoordiger van de plek waar het kind woont heeft minimaal één keer de ouder(

  1. s)aangeschreven en deze gewezen op de financiële verantwoordelijkheid en / of; De ouders kunnen voor minimaal 6 maanden niet voldoen aan hun financiële verantwoordelijkheid. Dit toetst de gemeente aan het gezamenlijk inkomen en vermogen van de ouders en /of; Het is in het belang van het kind om het contact over de bijdrage met ouders te vermijden en / of; De ouders wonen op een onbekende plaats. 3.De gezinsvoogd vraagt de bijdrage aan. In de aanvraag maakt de gezinsvoogd de situatie duidelijk aan de hand van de punten die in lid 2 worden genoemd. 2.2.12Medezeggenschap bij aanbieders van jeugdhulp 1.Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van alle voorzieningen met meer dan 50 klanten. 2.Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders. 2.3.Participatiewet /IOAW/IOAZ (maatregelen niet geüniformeerde verplichtingen) 2.3.1.Opleggen van een maatregel (bij niet geüniformeerde verplichtingen) 1.Het college legt overeenkomstig deze verordening een maatregel op indien de belanghebbende naar het oordeel van het college: Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid van de Participatiewet; de uit de Participatiewet voortvloeiende verplichtingen, met uitzondering van artikel 17, eerste lid, niet of onvoldoende nakomt; een verplichting als bedoeld in artikel 13, tweede en vierde lid, IOAW/IOAZ of een op grond van hoofdstuk III IOAW/IOAZ aan de uitkering verbonden verplichting niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de IOAW/IOAZ; een inkomen zou hebben kunnen verwerven uit of in verband met arbeid als bedoeld in artikel 20 IOAW/IOAZ. 2. Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert. Ook wordt beoordeeld of de met de maatregel te dienen doelen niet onevenredig zijn met de nadelige gevolgen voor de inwoner. 2.3.2. Niet meewerken aan een taaltoets Als een inwoner niet meewerkt aan het afleggen van een taaltoets als bedoeld in artikel 18b, tweede lid van de Participatiewet, wordt een maatregel opgelegd van: 20% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand; 40% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand als de inwoner zich binnen 12 maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een maatregel is toegepast vanwege het niet meewerken aan het afleggen van een taaltoets opnieuw schuldig maakt aan dezelfde verwijtbare gedraging; 100% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand als belanghebbende zich binnen 12 maanden na bekendmaking van een besluit in de zin van artikel 2.3.1., lid 1 onderdeel b, van deze verordening, opnieuw schuldig maakt aan dezelfde verwijtbare gedraging. 2.3.3. Gedragingen Participatiewet Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op grond van de artikelen 9, 9a en 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: eerste categorie; het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie. tweede categorie; het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan als bedoeld in artikel 44a van de Participatiewet. het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9, eerste lid, of 55 van de Participatiewet, voor zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27jaar, gedurende vier weken na een melding als bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid, van de Participatiewet, voor zover deze verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet. het niet of niet tijdig voldoen aan een oproep om op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen, in verband met arbeidsinschakeling. het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet. het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet. geen uitvoering geven aan de door het college opgelegde verplichting om ingeschreven te staan bij vijf uitzendbureaus. derde categorie; het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet. 2.3.4.Gedragingen Ioaw en Ioaz Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op grond van de artikelen 37 en 38 van de IOAW of de artikelen 37 en 38 van de IOAZ niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; tweede categorie: het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling; het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW/IOAZ, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening; het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW/IOAZ niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de IOAW/IOAZ; het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de IOAW/IOAZ; geen uitvoering geven aan de door het college opgelegde verplichting om ingeschreven te staan bij vijf uitzendbureaus; derde categorie: het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen; het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW/IOAZ, voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening; gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren. 2.3.5.Hoogte en duur van de maatregel 1.De maatregel, bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 2.3.3. en 2.3.4. wordt vastgesteld op: 20% van de norm gedurende één maand bij gedragingen van de eerste categorie; 50% van de norm gedurende één maand bij gedragingen van de tweede categorie; 100% van de norm gedurende één maand bij gedragingen van de derde categorie. 2. De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd opnieuw schuldig maakt aan een eenzelfde verwijtbare gedraging uit dezelfde of een hogere categorie. 3. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd, wordt gelijk gesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, als bedoeld in artikel 2.3.4., tweede lid. 4. Indien binnen twaalf maanden na de bekendmaking van het besluit waarbij een maatregel is opgelegd als genoemd in het eerste lid, belanghebbende zich nog tweemaal schuldig maakt aan een eenzelfde verwijtbare gedraging uit dezelfde of een hogere categorie, dan wordt door het college aan belanghebbende een maatregel opgelegd van honderd procent van de norm gedurende maximaal drie maanden. 5. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 2.3.4., tweede lid. 2.3.6.Door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde arbeid 1.Het college weigert de uitkering blijvend naar de mate waarin de belanghebbende die arbeid in dienstbetrekking heeft aanvaard uit of in verband met deze arbeid inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 IOAW/IOAZ zou hebben kunnen verwerven indien: aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de belanghebbende ter zake een verwijt kan worden gemaakt; de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd. 2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, weigert het college de uitkering overeen periode van 26 weken gedeeltelijk door het bedrag van de uitkering te verlagen met 50% van het inkomen, bedoeld in de eerste zin van het eerste lid, indien het eindigen van de dienstbetrekking belanghebbende niet in overwegende mate kan worden verweten. 2.3.7.Niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid Het college weigert de uitkering blijvend naar de mate waarin de belanghebbende met het verrichten van arbeid inkomen zou hebben kunnen verwerven als bedoeld in of op grond van artikel 8 IOAW/IOAZ indien de belanghebbende: nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden; door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt. 2.3.8.Duur maatregel bij schending geüniformeerde arbeidsverplichting 1.Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de maatregel honderd procent van de norm gedurende één maand. 2.Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in artikel 18,vierde lid, van de Participatiewet, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet, bedraagt de verlaging honderd procent van de norm gedurende twee maanden. 2.3.9.Beleidsregels inkeerregeling 1.Het college stelt beleidsregels vast waarin het de inkeerregeling, als bedoeld in artikel 18, elfde lid, van de participatiewet, nader invult. 2.Op basis van deze beleidsregels heroverweegt het college de op grond van artikel 18, vijfde, zesde, zevende of achtste lid van de participatiewet opgelegde maatregel, indien belanghebbende het college daarom verzoekt. 2.3.10.Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid 1.Een maatregel wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet wordtafgestemd op het benadelingsbedrag, tenzij het benadelingsbedrag niet kan worden vastgesteld. 2.De maatregel wordt vastgesteld op 20% van de norm gedurende één maand indien het benadelingsbedrag niet kan worden vastgesteld. 3.De maatregel wordt vastgesteld op 100% van de norm gedurende één maand indien sprake is van een benadelingsbedrag. 4.Indien het bedrag van de maatregel op grond van het derde lid hoger zou zijn dan het benadelingsbedrag, is het bedrag van de maatregel, in afwijking van het derde lid, gelijk aan het benadelingsbedrag doch niet lager dan 20% van de norm. 5.De duur van de maatregel als bedoeld in het tweede lid en derde lid wordt met één maand verlengd, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd opnieuw een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan betoont. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd,wordt gelijk gesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, als bedoeld in artikel 6, tweede lid van de Participatiewet. 6.Onder tekortschietend besef voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in het eerste lid wordt onder andere verstaan: het niet alles in het werk stellen om een boedelscheiding tot stand te brengen; het verkopen van het woon en/of bedrijfspand beneden de WOZ-waarde; het te snel interen van vermogen op grond van de Participatiewet; onderbedeling bij echtscheiding; te late of geen aanvaarding van een voorliggende voorziening op grond van artikel 15 van de participatiewet; het door eigen schuld verliezen van het recht op een uitkering; het feitelijk niet kunnen beschikken over een voorliggende voorziening op grond van artikel 15 van de Participatiewet omdat een bestuurlijke boete daarmee is verrekend zonder rekening te houden met de beslagvrije voet vanwege recidive; bij nadere overeenkomst geen aanspraak maken op de door de rechter toegekende alimentatie; het niet hebben van een op grond van de Zorgverzekeringswet verplichte basisverzekering. 2.3.11.Zeer ernstige misdragingen 1.Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de Participatiewet en/of de IOAW/IOAZ als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van de Participatiewet en artikel 37 lid 1 onder g van de IOAW/IOAZ, wordt een maatregel opgelegd van 50% van de norm gedurende één maand. 2.De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd opnieuw schuldig maakt aan een eenzelfde verwijtbare gedraging. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd, wordt gelijk gesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, als bedoeld in artikel 6, tweede lid van de Participatiewet. 3.Onder zeer ernstige misdragingen als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt onder andere verstaan: extreem verbaal geweld; discriminatie; ernstige intimidatie (uitoefenen van psychische druk); zaakgericht fysiek geweld (vernielingen); mensgericht fysiek geweld; overige/combinatie van agressievormen. 2.3.12.Niet nakomen van overige verplichtingen 1.Als een belanghebbende een door het college opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, wordt een maatregel opgelegd. De maatregel wordt vastgesteld op: 20% van de norm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling; 20% van de norm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand; 40% van de norm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand; 100% van de norm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand. 2. Als een belanghebbende een door het college opgelegde budgetteringsplicht als bedoeld in artikel 57,onderdeel a, van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, wordt een maatregel opgelegd van 20% van de norm gedurende één maand. 3. De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd opnieuw schuldig maakt aan een eenzelfde verwijtbare gedraging. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd, wordt gelijk gesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, als bedoeld in artikel 6, tweede lid van de Participatiewet. 4. Indien binnen twaalf maanden na de bekendmaking van het besluit waarbij een maatregel is opgelegd als genoemd in het eerste lid, belanghebbende zich nog tweemaal schuldig maakt aan een eenzelfde verwijtbare gedraging, dan wordt door het college aan belanghebbende een maatregel opgelegd van honderd procent van de norm gedurende maximaal drie maanden. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 6, tweede lid. 2.3.13.Horen van belanghebbende 1.Voordat een maatregel wordt opgelegd wordt een belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. 2.Het horen van een belanghebbende kan achterwege blijven als: de vereiste spoed zich daartegen verzet; belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengenen zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid, of belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te willen maken. 2.3.14.Afzien van het opleggen van een maatregel 1.Het college ziet af van het opleggen van een maatregel als: elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, of de gedraging meer dan één jaar voor constatering daarvan door het college heeft plaatsgevonden. 2. Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel als het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. 3. Als het college afziet van het opleggen van een maatregel op grond van dringende redenen, wordt een belanghebbende hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld. 2.3.15.Ingangsdatum en tijdvak van een maatregel 1.De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor die belanghebbende geldende norm, tenzij de verordening anders bepaalt. 2.Een maatregel kan met terugwerkende kracht worden opgelegd over de periode waarop de gedraging betrekking heeft gehad of over de periode waarin de gedraging heeft plaatsgevonden als een maatregel overeenkomstig het eerste lid niet mogelijk is omdat de bijstand en/of uitkering is beëindigd of ingetrokken. 2.3.16.Berekeningsgrondslag 1.Een maatregel wordt toegepast op de norm. 2.In afwijking van het eerste lid kan de maatregel worden toegepast op de bijzondere bijstand als aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet. 2.3.17.Samenloop van gedragingen 1.Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt één maatregel opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de maatregel wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste maatregel is gesteld. 2.Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van één of meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke maatregel opgelegd. Deze maatregelen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is. 3.Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van zowel een in deze verordening of artikel18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, wordt geen maatregel opgelegd, voor zover voor die schending een bestuurlijke boete wordt opgelegd. 4.Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke maatregel opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is. 2.3.18.Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ Als het college de uitkering op grond van artikel 20 van de IOAW/IOAZ blijvend of tijdelijk weigert en de gedraging die tot deze weigering heeft geleid tevens op grond van deze verordening tot een verlaging zou kunnen leiden, blijft een verlaging ter zake van die gedraging achterwege. 2.3.19.Het besluit tot opleggen van een maatregel In het besluit tot het opleggen van een maatregel worden in ieder geval vermeld: de reden van de maatregel; de duur van de maatregel; het bedrag of percentage waarmee de bijstand of uitkering wordt verlaagd of geweigerd; en indien van toepassing, de reden om af te wijken van de standaardmaatregel. 2.3.20.(gereserveerd) Bestrijding misbruik 2.3.21.Terugvordering ten onrechte verstrekte uitkeringen Het college maakt gebruik van de wettelijke bevoegdheden tot herziening en terugvordering van ten onrechte verstrekte uitkeringen. De vordering kan worden verhoogd met de bruto belastingen premies die daarover door het college zijn afgedragen 2.4.Participatiewet/ Ioaw/Ioaz (toeslagen) 2.4.1.Doelgroep individuele inkomenstoeslag Tot de doelgroep van deze regeling behoren personen van 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die langdurig een laag inkomen, geen in aanmerking te nemen vermogen en geen uitzicht op inkomensverbetering hebben, als bedoeld in artikel 36, eerste lid van de Participatiewet, én ten tijde van aanvraag in de gemeente Meppel woonachtig zijn. 2.4.2.Langdurig laag inkomen Een persoon heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet als gedurende de referteperiode het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 105% van de voor hem in zijn situatie toepasbare bijstandsnorm. 2.4.3.Hoogte individuele inkomenstoeslag 1.Voor de individuele inkomenstoeslag is een bedrag van € 444,00 per kalenderjaar vastgesteld voor alleenstaanden, alleenstaande ouders en gehuwden. 2.Het bedrag in het eerste lid kan door het college jaarlijks worden geïndexeerd met 1,5%. Het bedrag wordt afgerond op hele euro’s. 2.4.4.Inhoud van een tegenprestatie Als tegenprestatie gelden onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die additioneel van aard zijn, voor zover die werkzaamheden: naar zijn aard niet zijn gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt; niet zijn bedoeld als re-integratie-instrument; worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de organisatie waarin ze worden verricht; en geen arbeid verdringend karakter hebben, noch een financieel gewin tot doel hebben. 2.5.Participatiewet/Ioaw en Ioaz Tegenprestatie en arbeidsinschakeling 2.5.1.Het opdragen van een tegenprestatie 1.Het college kan een inwoner een tegenprestatie opdragen. 2.Het college stelt ter uitvoering van deze verordening beleidsregels vast waarin wordt aangegeven wanneer sprake is van verdringing op de arbeidsmarkt. 3.In afwijking van het eerste lid draagt het college geen tegenprestatie op aan de inwoner die: aantoonbaar vrijwilligerswerk verricht dat naar aard en omvang minimaal vergelijkbaar is met een tegenprestatie als bedoeld in deze verordening; mantelzorg verricht voor zover het verrichten van die mantelzorg naar het oordeel van het college redelijkerwijs noodzakelijk is; een belanghebbende snel toegang tot de arbeidsmarkt heeft. 4. Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het college rekening met de volgende factoren: Het vermogen om een tegenprestatie te verrichten; De persoonlijke situatie en individuele omstandigheden; Het verrichten van mantelzorg of vrijwilligerswerk. 5. Een inwoner dient zelf met een voorstel te komen voor een passende tegenprestatie, zodat de hij invloed heeft op de invulling van de tegenprestatie. 6. Indien een inwoner dit nalaat bepaalt het college zelf de inhoud van de tegenprestatie. 2.5.2.Duur en omvang van een tegenprestatie 1.De tegenprestatie wordt opgedragen voor de duur van 12 maanden. 2.Na de periode als genoemd in het eerste lid wordt de duur verlengd met 12 maanden, nadat de consulent heeft beoordeeld of de omstandigheden en situatie van de belanghebbende verder onveranderd zijn gebleven. 3.De tegenprestatie wordt opgedragen voor maximaal 8 uren per week. 2.5.3.Voorzieningen gericht op re-integratie en arbeidsinschakeling (PW/IOAW/IOAZ) 1.Het college biedt aan inwoners ondersteuning bij de re-integratie naar de arbeidsmarkt voor zover het college deze ondersteuning noodzakelijk vindt. 2.Het college onderzoekt de individuele wensen, acties gericht op vergroting van zelfstandigheid, mogelijkheden en capaciteiten van een belanghebbende om de ondersteuning zo doelmatig en duurzaam mogelijk te realiseren. Waar mogelijk wordt rekening gehouden met individuele wensen. Het college legt dat vast in het plan van aanpak van de belanghebbende. 3.Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en functionele beperkingen van een inwoner. De omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van die inwoner en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan: de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar; en de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg. 4. Een voorziening is mogelijk ten behoeve van organisaties met of zonder winstoogmerk. 2.5.4.Algemene bepalingen over voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling 1.Het college stelt desgewenst via een plan al bedoeld in artikel 44a Pw en na overleg met de belanghebbende vast welke voorziening wordt aangeboden aan een inwoner uit de doelgroep. 2.Het college bepaalt de voorwaarden waaronder de voorziening wordt aangeboden bijvoorbeeld een budgetplafond of een bijdrage door de persoon uit de doelgroep. 3.Het college kan een voorziening beëindigen als: de inwoner die aan de voorziening deelneemt zijn verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de Participatiewet, de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet nakomt; de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep; de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze verordening genoemde voorzieningen, tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet; de voorziening naar het oordeel van het college niet langer voldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling; de voorziening naar het oordeel van het college niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de voorziening; de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening, of; de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. 2.5.5.Vormen van ondersteuning tot arbeidsinschakeling De volgende vormen van maatwerkvoorzieningen zijn beschikbaar: Sociale activering Scholing Werkervaringsplek en proefplaatsing Participatieplaats Participatievoorziening beschut werk Detacheringsbaan Ondersteuning bij leer-werktraject Persoonlijke ondersteuning Verwervingskosten (tussen gemeente en werkgever) Indienstnemingssubsidie personen behorend tot de doelgroep 2.5.6.Sociale activering 1.Het college kan een inwoner die behoort tot de doelgroep activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering. 2.Het college stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van de inwoner. 3.Het college biedt de activiteiten uitsluitend aan als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. 2.5.7.Scholing 1.Het college kan een inwoner die behoort tot de doelgroep scholing aanbieden 2.De scholing kan worden aangeboden in de vorm van subsidie of een verstrekking in natura. 3.Een scholingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende eisen: Het gaat de capaciteiten van de inwoner niet te boven en; Het vergroot de kansen van de inwoner op de arbeidsmarkt. 2.5.8.Werkervaringsplaats en proefplaatsing 1.Het college kan een inwoner uit de doelgroep een werkervaringsplek of proefplaatsing aanbieden als er een overbrugging noodzakelijk is tot de reguliere arbeidsmarkt. 2.Het doel van een werkervaringsplek is het opdoen van werkervaring of het leren functioneren in een arbeidsrelatie. Het doel van een proefplaatsing is het beoordelen of een inwoner voldoende competenties heeft voor een beoogde werkplaats. 3.Een werkervaringsplek kan worden aangeboden voor maximaal 6 maanden. Indien de arbeidsmarktkansen worden vergroot, kan dit eenmalig worden verlengd. Partijen sluiten een schriftelijke overeenkomst. In de overeenkomst wordt in ieder geval vastgelegd: het doel van de werkervaringsplek; en de werkzaamheden; en de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt. 4. Een proefplaatsing duurt maximaal twee maanden. Voorwaarden voor het verkrijgen van een proefplaatsing zijn: De proefplaatsing wordt gedurende twee maanden aansluitend uitgevoerd, met maximaal één verlenging van vier maanden, en; De proefplaatsingsduur is gekoppeld aan een dienstverband, en; Er worden alleen werkzaamheden verricht die passen binnen het doel en de opzet van de proefplaatsing, en; Er is een overeenkomst gesloten over de proefplaatsing, en; De werkgever geeft schriftelijk zijn intentie aan om de inwoner bij goed functioneren na de proefplaatsing voor minimaal 6 maanden, zonder proeftijd, in dienst te nemen. Als de werkzaamheden tijdens de proefplaatsing worden onderbroken wegens ziekte, tellen deze dagen niet meer voor de totale periode in lid 4 en 4a. 5. Het college plaatst de inwoner niet als hierdoor de concurrentieverhoudingen onverantwoord worden beïnvloed of verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. 6. Het college vergewist zich ervan voor de plaatsing dat de aansprakelijkheids- en ongevallen risico’s ten behoeve van de inwoner zijn afgedekt. 2.5.9.Participatieplaats 1.Het college kan een inwoner van 27 jaar of ouder met recht op algemene bijstand overeenkomstig artikel 10a van de Participatiewet onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten. 2.Het college zorgt ervoor dat de te verrichten additionele werkzaamheden worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst die wordt ondertekend door het college, de werkgever en de persoon die de additionele werkzaamheden gaat verrichten. 3.De overeenkomst voor een participatieplaats wordt gesloten voor maximaal twee jaar en kan maximaal twee keer worden verlengd met een jaar. 4.De premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de wet bedraagt 10% van de gehuwdennorm ex artikel 21 onder b Pw, zoals deze geldt op 1 januari van het lopende kalenderjaar, afgerond op hele euro's naar boven per zes maanden, mits in die zes maanden voldoende is meegewerkt aan het vergroten van de kans op inschakeling in het arbeidsproces. 5.Het college vergewist zich ervan voor de plaatsing dat de aansprakelijkheids- en ongevallen risico’s ten behoeve van de inwoner zijn afgedekt. 2.5.10.Participatievoorziening beschut werk 1.Het college biedt de voorziening beschut werk aan: aan een inwoner van wie is vastgesteld dat deze alleen in een beschutte omgeving én onder aangepaste omstandigheden, de mogelijkheid heeft tot arbeidsparticipatie én deze inwoner, behoort tot de doelgroep; of aan een inwoner aan wie het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een uitkering verstrekt. 2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid krijgt een persoon van wie is vastgesteld dat deze alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en waarvoor een andere voorziening niet passend is en die nog niet in aanmerking is gekomen voor een beschutte werkplek omdat het aantal geraamde beschutte werkplekken in één jaar al is gerealiseerd, voorrang op personen van wie later is vastgesteld dat zij alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. 3. Om de in artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet, bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken zet het college de volgende ondersteunende voorzieningen in: fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving, uitsplitsing van taken of aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur. 4. Het college biedt de volgende voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling aan tot het moment dat de dienstbetrekking beschut werk aanvangt: dagbesteding of scholing, of vrijwilligerswerk, of schuldhulpverlening, of andere vormen van maatschappelijke participatie of werk. Omdat er nog geen geschikte beschutte werkplek is gevonden, of omdat de opgelegde taakstelling voor de gemeente Meppel, door het Rijk, is behaald in het betreffende kalenderjaar. De taakstelling mag 155 uur hoger zijn dan de opgelegde taakstelling van dat betreffende jaar. 2.5.11.Detacheringsbaan 1.Het college kan zorgen voor toeleiding van een inwoner die behoort tot de doelgroep naar een dienstverband met een werkgever waaronder een detacheerder. 2.Een werknemer wordt uitsluitend geplaatst als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beinvloed of er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. 2.5.12.Ondersteuning bij leer-werktraject Het college kan overeenkomstig artikel 10f van de wet ondersteuning bieden aan een inwoner uit de doelgroep voor wie volgens het college een leer-werktraject nodig is, voor zover deze ondersteuning nodig is voor het volgen van een leer-werktraject en het inwoners betreft: Van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd, of; Van achttien tot zevenentwintig jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald. 2.5.13.Persoonlijke ondersteuning 1.Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk aanbieden aan personen die behoren tot de doelgroep. 2.Persoonlijke ondersteuning bij werk als bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt overeenkomstig artikel 2.5.14 tot en met 2.5.28. 2.5.14.Voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen 1.Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen verstrekken ten behoeve van een persoon met een arbeidsbeperking. 2.Bij de toekenning van persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen gelden, onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.3 en 2.5.4, de volgende voorwaarden: de persoon behoort tot de doelgroep en is minimaal achttien jaar oud, tenzij hij VSO/PRO-onderwijs heeft genoten; de persoon kan zonder deze vorm van ondersteuning niet aan het arbeidsproces deelnemen; de werkgever biedt een dienstbetrekking aan van minimaal zes maanden, met een minimale arbeidsduur van 12 uur per week; het betreft geen Arbo-taak waarvoor de werkgever verantwoordelijk is; het betreft geen meeneembare voorziening die tot de standaarduitrusting van de werkgever behoort of algemeen gebruikelijk is in een organisatie; er is naar het oordeel van het college geen sprake van een werkplekaanpassing die in zijn algemeenheid van de werkgever kan worden verlangd; en de kosten van de voorziening(
  2. en)zijn naar het oordeel van het college proportioneel, dat wil zeggen dat de investering in de voorziening moet opwegen tegen de [maatschappelijke] opbrengsten van uitstroom naar werk. 2.5.15.Aanvraagprocedure persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen 1.Een aanvraag om persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen kan bij het college worden ingediend door de persoon of zijn werkgever. Het college kan hiervoor een aanvraagformulier vaststellen. 2.Het college onderzoekt, zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen acht weken na de aanvraag, de mogelijkheden en ondersteuningsbehoefte van de persoon. 3.Het college kan een deskundig oordeel en advies inwinnen, als de beoordeling van een aanvraag dit vereist. 4.Het college bepaalt na overleg met de persoon, en indien van toepassing met de werkgever, welke ondersteuning of voorziening(
  3. en)het beste kunnen bijdragen aan de arbeidsinschakeling. 5.Het college onderzoekt, voor zover nodig en gelet op de omstandigheden van de persoon, in daartoe voorkomende gevallen de mogelijkheden om door samenwerking met andere partijen, onder meer op het gebied van (publieke) gezondheid, jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, schuldhulpverlening, welzijn en wonen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde integrale dienstverlening met het oog op de arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 1, of de wijze van voortgezette persoonlijke ondersteuning, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 2, van de wet. 2.5.16.Inhoud beschikking persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen Het college geeft in een beschikking tot toekenning van persoonlijke ondersteuning of een overige voorziening in ieder geval aan: welke persoonlijke ondersteuning of overige voorziening wordt verstrekt; als subsidie wordt verstrekt, wat de omvang is van het subsidiebedrag; de duur en intensiteit van de ondersteuning; de ingangsdatum van de ondersteuning of overige voorziening; als de verstrekking afwijkt van wat is aangevraagd, wat de reden is van afwijking; en voor zover van toepassing, welke andere ondersteuning of voorziening relevant is, of kan zijn, waaronder de wijze waarop de persoon integraal kan worden ondersteund. 2.5.17.Jobcoaching 1.Het college kan ambtshalve of op aanvraag jobcoaching in natura verstrekken door middel van een jobcoach die werkzaam is in een dienstverband bij of in opdracht van de gemeente OF een derde, die de gemeente voor de uitvoering van de jobcoaching heeft ingeschakeld. 2.Het college kan jobcoaching in de vorm van een subsidie toekennen aan de werkgever voor: Externe jobcoaching: de werknemer wordt begeleid door een gecertificeerde jobcoach van een externe organisatie. De gemeente koopt dit in bij een jobcoachorganisatie; Interne jobcoaching: De werknemer wordt intern door een collega begeleid die qua kennis en ervaring voldoet aan de eisen die we stellen aan de externe jobcoach, als genoemd in artikel 2.5.19 De werknemer wordt door een externe jobcoach begeleid die wordt ingehuurd door de werkgever. De werkgever kan voor beide vormen van interne jobcoaching vergoeding aanvragen bij de gemeente. 3. Als er sprake is van een gemeentelijke jobcoach wordt de werknemer begeleid door een jobcoach van de gemeente die de werknemer heeft geplaatst. De werkgever krijgt hiervoor dan geen vergoeding. 4. De in het eerste of tweede lid genoemde ondersteuning kan ook worden aangeboden met het oog op het verrichten van werkzaamheden, anders dan in dienstverband, zoals bij een proefplaats of een leer-werktraject. 2.5.18.Specifieke voorwaarden toekenning jobcoaching bij werk 1.De aanvraag voor jobcoaching moet binnen twee maanden na de ingangsdatum van de dienstbetrekking zijn ontvangen, tenzij voorafgaand aan of op het moment van aanvang van het dienstverband de noodzaak voor die jobcoaching redelijkerwijs nog niet bekend kon zijn. 2.Het college besluit op basis van individueel maatwerk, waarbij de aard, omvang, duur en intensiteit van de jobcoaching wordt gewogen. 2.5.19.Kwaliteit en inzet bij jobcoaching 1.Een jobcoach die de persoonlijke ondersteuning bij werk verzorgt moet voldoen aan de volgende kwaliteitseisen: Beschikken over minimaal hbo werk en denkniveau, een jobcoach opleiding en ervaring op het gebied van jobcoaching. 2. Een uitzondering op de gestelde voorwaarden van het eerste lid geldt voor situaties waarin een werknemer met baan en bijbehorende jobcoach binnenkomt bij de gemeente, als gevolg van verhuizing of een stageplek vanuit het VSO/PRO onderwijs. 3. De in te zetten jobcoaching wordt bepaald op basis van de volgende begeleidingsregiems: licht, midden, intensief met een maximale duur van drie jaar Licht: jaar 1, 6%, jaar 2, 3% en jaar 3, 3% van het aantal overeengekomen werkuren Midden: jaar 1, 10%, jaar 2, 5%, en jaar 3, 3% van het aantal overeengekomen werkuren Intensief: jaar 1, 15%, jaar 2, 7,5%, en jaar 3, 6% van het aantal overeengekomen werkuren 4. Het college kan van de in het derde lid bedoelde regimes afwijken voor zover toepassing daarvan, gelet op het belang dat beoogt te worden beschermd, leidt tot onbillijkheid van overwegende aard. 2.5.20.Subsidievoorwaarden voor jobcoaching 1.Het college kan op aanvraag subsidie voor het organiseren van jobcoaching verlenen aan de werkgever. 2.Subsidie voor het organiseren van jobcoaching kan, met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 2.5.17 tot en met 2.5.19, worden verleend als: de jobcoaching bestaande uit een individueel trainings- of inwerkprogramma en een systematische begeleiding van de persoon behorend tot de doelgroep, gericht op het kunnen uitvoeren van de aan hem opgedragen taken, wordt geborgd door middel van een coachingsplan; de omvang en de kwaliteit van de georganiseerde jobcoaching passend is; de continuïteit van de jobcoaching geborgd is; en de persoon voor wie de subsidie wordt gevraagd daarvan op de hoogte is en schriftelijk instemt met het organiseren van jobcoaching door de werkgever. 3. Voor externe jobcoaching wordt een maximaal tarief gehanteerd excl. btw per uur gelijk aan de vergoeding die het UWV verstrekt. Deze bedragen worden jaarlijks op 1 juli en 1 januari geïndexeerd (conform indexeringspercentage UWV). 2.5.21.Interne werkbegeleiding 1.Als een persoon uit de doelgroep voor het kunnen verrichten van werk is aangewezen op begeleiding die de gebruikelijke begeleiding door de werkgever en andere werknemers aanzienlijk te boven gaat, kan het college een subsidie verlenen aan de werkgever voor de aangetoonde meerkosten die verbonden zijn aan het organiseren van de interne werkbegeleiding. 2.Het college kan aan de werkgever ambtshalve of op aanvraag een (Harrie-) training aanbieden voor een of meer medewerkers om hen in staat te stellen aan personen behorend tot de doelgroep interne werkbegeleiding te bieden 2.5.22.Specifieke voorwaarden toekenning vervoersvoorziening 1.Het college kan een vervoersvoorziening toekennen aan een persoon die door zijn beperking niet zelfstandig naar zijn werkplek, proefplaats of opleidingslocatie kan reizen. Deze vervoersvoorziening kan zowel in natura als in de vorm van een vergoeding in geld worden verstrekt. 2.Het college biedt een vervoersvoorziening aan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: de persoon kan door zijn beperking niet zelfstandig reizen of gebruik maken van het openbaar vervoer; en het vervoer is beperkt tot woon-werkverkeer. 3. De hoogte van de vergoeding in geld hangt af van het aantal dagen dat moet worden gewerkt en bedraagt het in de markt reguliere tarief voor openbaar vervoer. 4. Het college brengt een eventueel bedrag voor een vervoersvoorziening van de werkgever aan de werknemer in mindering op de te verstrekken vervoersvoorziening. 2.5.23.Specifieke voorwaarden meeneembare voorzieningen 1.Het college kan een meeneembare voorziening toekennen, als dit nodig is voor de persoon om te kunnen werken. 2.Er is geen limitatieve lijst van voorzieningen. In principe kan elk product als een meeneembare voorziening worden beschouwd als de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer aantoonbaar is. 3.De meeneembare voorziening wordt in principe in bruikleen beschikbaar gesteld. In bijzondere gevallen kan het college besluiten de voorziening in eigendom te verstrekken. 2.5.24.Verwervingskosten Het college kan aan een inwoner een vergoeding voor verwervingskosten bieden. 2.5.25.Indienstnemingssubsidie personen behorend tot de doelgroep 1.Het college kan een indienstnemingsubsidie verstrekken aan werkgevers die met een persoon behorend tot de doelgroep een arbeidsovereenkomst sluiten. 2.De indienstnemingsubsidie is mogelijk ten behoeve van arbeidsplaatsen in organisaties met of zonder winstoogmerk. 3.De indienstnemingsubsidie moet worden aangevraagd voor de ingangsdatum van de arbeidsovereenkomst. Voor het aanvragen van de indienstnemingsubsidie dient de werkgever gebruik te maken van een daarvoor vastgestelde formulier. 4.De indienstnemingsubsidie bedraagt ten hoogste 50 procent van de loonkosten gedurende de arbeidsperiode maar maximaal 1 jaar. 5.Het college bepaalt bij de subsidieverlening de tijdstippen en wijze van uitbetaling. Het college kan voorschotten verstrekken op de subsidie welke worden verrekend met de vaststelling. 6.De subsidie wordt uitsluitend verstrekt als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed, geen verdringing plaatsvindt en voldaan wordt aan Europese regelgeving. 2.5.26.Vaststelling doelgroep loonkostensubsidie 1.Het college stelt vast of een inwoner behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. 2.Hierbij neemt het college de volgende criteria in acht: een inwoner moet behoren tot de doelgroep zoals omschreven in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet; en die inwoner is niet in staat met voltijdse arbeid het wettelijk minimumloon te verdienen; en die inwoner heeft mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. 3. Het college kan advies inwinnen over het oordeel of de aanvrager tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort. De adviseur neemt daarbij de in het tweede lid neergelegde criteria in acht. 2.5.27.Specifiek aanvraagproces loonkostensubsidie 1.Het college verstrekt overeenkomstig artikel 10d, van de wet, ambtshalve of op aanvraag, loonkostensubsidie aan de werkgever die voornemens is een dienstbetrekking aan te gaan met een persoon die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. In geval van een aanvraag zijn het tweede tot en met het vijfde lid van dit artikel van toepassing. 2.Een aanvraag voor loonkostensubsidie wordt, als het een persoon betreft die nog niet behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, ook beschouwd als een aanvraag om vast te stellen of de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, bedoeld in artikel 10c, eerste lid, onder a, van de wet. Als deze aanvraag is gedaan na het begin van de dienstbetrekking voor een persoon als bedoeld in artikel 10d, tweede lid, van de wet, wordt de vaststelling of de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie bepaald door middel van de Praktijkroute. 3.Het college stelt binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag de loonwaarde vast, tenzij in overleg met de werkgever toepassing wordt gegeven aan artikel 10d, vijfde lid, van de wet. 4.Het college neemt bij het verstrekken van de loonkostensubsidie het preferente proces loonkostensubsidie in acht. 2.5.28.Vaststelling loonwaarde 1.Het college maakt gebruik van de loonwaardemethode om de loonwaarde van een inwoner te bepalen. Het college neemt het advies van het werkbedrijf over het hanteren van een loonwaarde methode in overweging. 2.De loonwaardemethode is een objectieve meting van competenties gebaseerd op kennis van werknemers aan de onderkant van de arbeidsmarkt. De definitieve bepaling van de loonwaarde vindt eerst plaats na bedrijfsbezoek. De bepaling van loonwaarde wordt vastgelegd In een schriftelijk rapport met advies. 3.Een loonwaarde wordt Individueel bepaald als iemand aan 2 criteria voldoet: de persoon behoort tot de doelgroep; er is een werkgever die werk tegen een bepaald cao salaris aanbiedt. 4. De loonwaarde wordt bepaald aan de hand van het Inkomen dat ter beschikking wordt gesteld op basis van de cao van de werkgever, afgezet tegen de prestatiemogelijkheid van de inwoner om een arbeidsprestatie te leveren. 5. Het college kan advies inwinnen over de vaststelling van de loonwaarde van een persoon uit de doelgroep. Men neemt daarbij de in lid 2 en 3 omschreven methode in acht. Hoofdstuk3Leerlingenvervoer, onderwijsvoorzieningen en kinderopvang 3.1.Leerlingenvervoer 3.1.1.Doelstelling Dit hoofdstuk heeft tot doel op basis van een beoordeling op grond van in de verordening bepaalde criteria en op basis van een onderzoek naar de individuele situatie van de leerling een gehele of gedeeltelijke bekostiging toe te kennen aan de ouders voor het goedkoopst passend vervoer van de leerling van de woning dan wel de opstapplaats naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor de leerling en terug met inachtneming van het bepaalde in deze verordening. 3.1.2.Aanvraagprocedure 1.Een aanvraag voor een vervoersvoorziening wordt gedaan in de gemeente waar de leerling zijn woning heeft, door indiening bij het college van een volledig ingevuld en door de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling ondertekend papieren of digitaal formulier, voorzien van de op het formulier vermelde gegevens. 2.Als dit voor een juiste beoordeling van de aanvraag noodzakelijk is, kan het college de ouders verzoeken aanvullende gegevens te verstrekken. 3.De gegevens voortvloeiend uit de aanvraag voor een vervoersvoorziening worden slechts gebruikt om de aanvraag te kunnen beoordelen en uitvoering te kunnen geven aan de vervoersvoorziening voor de leerling. 4.Het college besluit binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag voor een vervoersvoorziening. 5.Het college kan het in het vorige lid bedoelde besluitvormingstermijn met ten hoogste vier weken verdagen. Het college stelt de aanvrager hiervan schriftelijk in kennis. 6.Als een vervoersvoorziening wordt toegekend geldt deze: wanneer het een bekostiging betreft, met ingang van de door de ouders verzochte datum, met dien verstande dat de datum niet ligt vóór de datum van ontvangst van de aanvraag; wanneer het aanbieding van aangepast vervoer betreft, met ingang van een datum die zo mogelijk aansluit bij de door de ouders verzochte datum. 3.1.3.Gesprek over zelfstandigheid en zelfredzaamheid bij de aanvraag 1.Bij de beoordeling van een aanvraag voor een vervoersvoorziening voor de leerling en eventueel een begeleider, wordt rekening gehouden met de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling en die van het gezin. 2.Het college kan bij een aanvraag in een gesprek, met de ouders, desgewenst de leerling en een deskundige, de noodzakelijk te achten vervoersvoorziening onderzoeken als bedoeld in de onderzoeksfase 3.Bij gewijzigde omstandigheden kan het gesprek als bedoeld in het tweede lid opnieuw plaatsvinden. 4.Het college betrekt in het gesprek tenminste de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling en de dichtstbijzijnde toegankelijke school als bedoeld in artikel 3.1.7. 5.Wanneer de leerling de leeftijd van negen jaar bereikt, kan het college in overleg met de ouders, desgewenst de leerling en in samenhang met het eventuele ontwikkelingsperspectief een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan opstellen, waarin de weg naar zelfstandig reizen naar school wordt beschreven alsmede de mogelijkheden van de leerling. Dit plan maakt onderdeel uit van het besluit. 6.In het persoonlijk vervoersontwikkelingsplan kan het college ondersteuning bieden om de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling te bevorderen. 3.1.4.Algemene voorwaarden voor toekenning van de vervoersvoorziening 1.Ten behoeve van het schoolbezoek kent het college aan de ouders van de in de gemeente verblijvende leerling op aanvraag een vervoersvoorziening toe met inachtneming van het bepaalde in deze verordening. 2.Als het college toepassing geeft aan het eerste lid, verlangt het college van de ouders aan wie slechts een gedeeltelijke bekostiging van de vervoerskosten toekomt, betaling van een bijdrage tot ten hoogste het bedrag dat de ouders volgens het bepaalde in deze verordening moeten bijdragen aan de kosten van het vervoer. Weigering tot of nalatigheid in de betaling van de in de vorige volzin bedoelde bijdrage doet de aanspraak op de vervoersvoorziening vervallen. 3.De bepalingen in deze verordening laten onverlet de verantwoordelijkheid van de ouders voor het schoolbezoek van hun kinderen. 4.Als de leerling een meerderjarige en handelingsbekwame leerling is, wordt de vervoersvoorziening op aanvraag toegekend aan de leerling. 5.Het college bepaalt bij de toekenning van de vervoersvoorziening de wijze en het tijdstip van de verstrekking dan wel de uitbetaling, alsmede de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening. 6.Het college kan aan de toekenning van een vervoersvoorziening nadere voorwaarden verbinden. 7.Het college verstrekt een vervoersvoorziening voor het vervoer van de leerling van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school en terug. 8.Het college kan ten behoeve van de uitvoering van deze verordening nadere regels stellen. 3.1.5.Herziening, opschorting, intrekking of terugvordering van de vervoersvoorziening 1.De ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling zijn verplicht wijzigingen, die van invloed kunnen zijn op de toegekende vervoersvoorziening, onder vermelding van de datum van wijziging, direct schriftelijk mede te delen aan het college. 2.Als sprake is van een wijziging die van invloed is op de toegekende vervoersvoorziening, vervalt de aanspraak daarop en kent het college al dan niet opnieuw een vervoersvoorziening toe. 3.Als de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling niet voldoen aan het bepaalde in het eerste lid, en het college een wijziging als bedoeld in het tweede lid vaststelt, waardoor blijkt dat ten onrechte een vervoersvoorziening is verstrekt, vervalt de aanspraak op de vervoersvoorziening terstond en kent het college al dan niet opnieuw een vervoersvoorziening toe. Het college deelt het besluit schriftelijk mee aan de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling. 4.Het college kan een besluit als bedoeld in deze verordening herzien, opschorten dan wel intrekken, als het college vaststelt dat: niet of niet meer is of wordt voldaan aan de voorwaarden en verplichtingen gesteld bij of krachtens deze verordening; beschikt is op grond van gegevens waarvan gebleken is dat die gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een ander besluit zou zijn genomen; de verstrekte vervoersvoorziening niet meer de meest passende vervoersvoorziening is; sprake is van onaanvaardbaar wangedrag door de leerling gedurende het verblijf in het aangepast vervoer; of het vervoeren van de leerling leidt tot een onveilige situatie in het aangepast vervoer. 5. De verantwoordelijkheid voor het gedrag van de minderjarige leerling gedurende het verblijf van de leerling in het aangepaste vervoer berust bij de ouders. 6. Ten onrechte genoten bekostiging kan van de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling worden teruggevorderd, dan wel worden verrekend bij een eventuele nieuw verstrekte vervoersvoorziening. 3.1.6.Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school 1.Een vervoersvoorziening wordt toegekend over de afstand tussen de woning van de leerling dan wel de opstapplaats en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school, tenzij vervoer naar een verder weggelegen school voor de gemeente minder kosten met zich mee brengt en de ouders met het vervoer naar die school schriftelijk instemmen. 2.Met inachtneming van het bepaalde in het voorgaande lid wordt eveneens een vervoersvoorziening verstrekt over de afstand tussen de woning of de opstapplaats en: de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is; of een andere speciale school voor basisonderwijs in het onder a bedoelde samenwerkingsverband, als het vervoer naar die school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen dan het vervoer naar de speciale school voor basisonderwijs als bedoeld onder a. 3. Als de ouders vanwege een specifieke onderwijskundige behoefte van de leerling een vervoersvoorziening aanvragen naar een school op een grotere afstand, dan de dichtstbijzijnde toegankelijke school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen, wordt deze slechts toegekend als is voldaan aan de volgende voorwaarden: aan het college is door de ouders genoegzaam aangetoond wat de specifieke en noodzakelijke onderwijskundige onderwijsbehoefte van de leerling is; aan het college is door de ouders genoegzaam aangetoond dat de beoogde school de dichtstbijzijnde school is die het noodzakelijk specifieke onderwijsaanbod kan bieden. 3.1.7.Afstandsgrens 1.Een vervoersvoorziening wordt toegekend als de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor: basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs meer bedraagt dan vijf kilometer; speciaal basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs meer bedraagt dan vijf kilometer; of speciaal onderwijs meer bedraagt dan vijf kilometer. 2. Een vervoersvoorziening wordt toegekend aan gehandicapte leerlingen als de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor: basisonderwijs en speciaal basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs of voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020 meer bedraagt dan nul kilometer; of speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra meer bedraagt dan vijf kilometer 3. In aanvulling op lid 2 moet aan burgemeester en wethouders genoegzaam worden aangetoond dat het een gehandicapte leerling betreft. Zo nodig kunnen burgemeester en wethouders hierover advies vragen aan een onafhankelijk medisch deskundige. 3.1.8.Aanwijzing opstapplaats 1.Het college kan bij het verstrekken van aangepast vervoer een opstapplaats aanwijzen van waaruit de leerling gebruik maakt van de vervoersvoorziening. 2.De ouders dragen er zorg voor dat de leerling naar en op de opstapplaats wordt begeleid als dit noodzakelijk is. 3.Het college wijst geen opstapplaats aan als door de ouders wordt aangetoond dat begeleiding van de leerling door henzelf of anderen onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een andere oplossing niet mogelijk is. 4.Het college wijst geen opstapplaats aan als het gebruik van een opstapplaats leidt tot hogere kosten dan aangepast vervoer vanaf de woning van de leerling. 3.1.9.Peildatum leeftijd leerling Voor het verstrekken van een vervoersvoorziening op basis van artikel 3.1.16. is de leeftijd van de leerling op 1 augustus van het schooljaar waarop de vervoersvoorziening betrekking heeft bepalend. 3.1.10.Andere vergoedingen De aanspraak op een toelage, voor zover die voor de betreffende leerling betrekking heeft op de reiskosten, wordt op een bekostiging in mindering gebracht, dan wel als eigen bijdrage in rekening gebracht. 3.1.11.Schooltijden en wachttijden 1.Bekostiging van het aangepast vervoer vindt plaats op standaard schooldagen en schooltijden, zoals deze zijn opgenomen in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt. 2.Ingeval er binnen een school sprake is van verschillende lesroosters binnen de vaste schooltijden, kan het college besluiten met de inzet van het aangepaste vervoer een wachttijd aan te houden van één of meerdere lesuren, om zodoende aan te sluiten op het reguliere leerlingenvervoer. 3.Het aangepast vervoer op schooldagen en schooltijden die afwijken van de in de schoolgids genoemde dagen en tijden wordt niet bekostigd, tenzij de ouders bewijs overleggen waaruit blijkt dat de structurele handicap van een leerling de aansluiting op de standaard schooltijden onmogelijk maakt. 3.1.12.Tijdelijk verblijf buiten de gemeente 1.Het college kan een tijdelijke vervoersvoorziening voor een periode van maximaal zes weken toekennen aan de ouders van een leerling, die als gevolg van een crisissituatie tijdelijk buiten de gemeente verblijft, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan: de leerling blijft zijn eigen school bezoeken; in de periode, voorafgaand aan het tijdelijke verblijf buiten de gemeente, is een vervoersvoorziening toegekend op grond van deze verordening; en de intentie bestaat dat de leerling terugkeert naar de oorspronkelijke gemeente. 2. Het besluit waarin de vervoersvoorziening is toegekend voorafgaand aan een tijdelijke vervoersvoorziening wordt opgeschort met ingang van de datum van tijdelijk verblijf buiten de gemeente en herleeft weer zodra de leerling terugkeert in de gemeente, tenzij de geldigheidsduur van dit besluit is verstreken. 3.1.13.Vervoersvoorziening naar stageadres 1.Als er al aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening naar een school voor voortgezet speciaal onderwijs of een school voor voortgezet onderwijs kan op verzoek een vervoersvoorziening worden toegekend voor het vervoer naar een stageadres. Hiervoor wordt een afzonderlijke aanvraag ingediend. 2.De vervoersvoorziening naar een stageadres wordt slechts toegekend als er wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: de stage is onderdeel van het onderwijsprogramma zoals opgenomen in de schoolgids van de school of in het stagecontract; de stagetijden komen overeen met de reguliere schooltijden; de stage vindt plaats op één stageadres; en Vervoer naar het stageadres brengt evenveel of minder kosten met zich mee dan vervoer naar de school. 3. Een vervoersvoorziening wordt slechts toegekend over de afstand tussen de woning van de leerling dan wel de opstapplaats en het dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke stageadres. 4. Het college kan het stagecontract opvragen. 3.1.14.Verstrekking van de vervoersvoorziening 1.Het college betrekt bij de verstrekking van de vervoersvoorziening het eventuele persoonlijk vervoersontwikkelingsplan of vervoersadviezen van deskundigen die voor de onderzoekfase van belang zijn. 2.Als begeleiding in het vervoer vereist is, vergoedt het college de vervoerskosten die verbonden zijn aan de begeleiding van de leerling in het vervoer en de extra heenreis en retourreis van de begeleider. 3.1.15.Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per fiets 1.Als voldaan is aan de afstandsgrens genoemd in artikel 3.1.8., eerste lid, verstrekt het college aan de ouders van de leerling die een school voor primair onderwijs of speciaal onderwijs bezoekt bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer. Voor het bepalen van de kosten wordt gebruik gemaakt van de routebepaling op de website www.9292.nl. 2.Als aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in het eerste lid en de leerling naar het oordeel van het college, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per (aangepaste) fiets, verstrekt het college de ouders bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets. 3.De kilometervergoeding voor de fiets is gelijk aan €0,10 per kilometer gemeten langs de kortste afstand volgens de ANWB routeplanner. 3.1.16.Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer of vervoer per fiets ten behoeve van een begeleider 1.Burgemeester en wethouders verstrekken aan de ouders van de leerling, die een school bezoekt bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer of vervoer per fiets van de leerling en een begeleider van de leerling als: voldaan is aan de afstandsgrens genoemd in artikel 3.1.8., eerste lid, de leerling jonger dan negen jaar is en door de ouders ten behoeve van het college genoegzaam wordt aangetoond dat de leerling niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken; of de gehandicapte leerling. 2. De kilometervergoeding voor de fiets is gelijk aan €0,10 per kilometer gemeten langs de kortste afstand volgens de ANWB routeplanner. 3. Als een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt, komen slechts de kosten van het vervoer ten behoeve van één begeleider voor bekostiging in aanmerking. 3.1.17.Vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer Het college verstrekt een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school bezoekt, als: aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in de artikelen 3.1.15. of 3.1.16. en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug, meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht; aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in de artikelen 3.1.15. of 3.1.16. en openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel van het college al dan niet onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per fiets; aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 3.1.16.en door de ouders ten behoeve van het college genoegzaam wordt aangetoond dat begeleiding van de leerling door henzelf of anderen onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een andere oplossing niet mogelijk is; of de leerling, naar het

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.