Besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam houdende regels omtrent maatschappelijke ondersteuning (Nadere regels maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2021)Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, gelet op de artikelen 2.1, tiende lid; 3.1, derde lid; 4.1, vierde lid; 4.12, derde lid; en 5.3.2, zesde lid, van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2015, besluit de volgende regeling vast te stellen: Nadere regels maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2021 Leeswijzer Deze Nadere regels zijn een uitwerking van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2015 (hierna Wmo-verordening 2015) en vormen samen met de genoemde verordening en het Financieel besluit de basis van de wijze waarop de gemeente Amsterdam de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) uitvoert. Wanneer in de Nadere regels wordt gesproken over de Amsterdammer wordt daarmee de doelgroep bedoeld waarop de Nadere regels betrekking hebben. Dit kunnen naast inwoners van Amsterdam en hun mantelzorgers ook, indien het om opvang of beschermd wonen gaat, inwoners van andere gemeenten zijn. In de Nadere regels wordt zoveel mogelijk de volgorde van de Wmo-verordening 2015 aangehouden en wordt er verwezen naar de toepasselijke artikelen van de Wmo-verordening 2015. In hoofdstuk 1 wordt na de inleiding ingegaan op de doelgroep en worden de belangrijkste uitgangspunten voor het Amsterdamse voorzieningenaanbod toegelicht. Daarnaast staat in dit hoofdstuk informatie over de bijdrage in de kosten. In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de toegangsprocedure die de Amsterdammer doorloopt om tot een oplossing van zijn probleem te komen. In hoofdstuk 3 en 4 A. worden respectievelijk de algemene en maatwerkvoorzieningen toegelicht. Per voorziening is de inhoud omschreven en staat opgenomen wanneer een Amsterdammer ervoor in aanmerking komt. Hoofdstuk 4 A. gaat daarnaast in op het persoonsgebonden budget (Pgb). In hoofdstuk 4 B. wordt de financiële tegemoetkoming meerkosten toegelicht. Hoofdstuk1Algemene bepalingen 1.1Inleiding Vanaf 1 januari 2015 voorziet de gemeente Amsterdam binnen het kader van de Wmo 2015 in ambulante ondersteuning, dagbesteding, kortdurend verblijf, beschermd wonen en doventolkzorg. Deze voorzieningen vormen samen met het aanbod dat voor 1 januari 2015 al bestond, waaronder woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen, rolstoelen, hulp bij het huishouden en opvang, het Amsterdams Zorgstelsel. Hiertoe behoren ook de voorzieningen sociale basis in de stadsdelen en cliëntondersteuning. De gemeente Amsterdam is verantwoordelijk voor het bredere terrein van de zelfredzaamheid en participatie. Zij zoekt daarbij zorgvuldig naar de balans tussen de verantwoordelijkheid van inwoners zelf en de verantwoordelijkheid van de gemeente om hen daarbij te ondersteunen. Amsterdammers hebben meer dan voorheen de regie over hun eigen leven en dragen ook bij aan het leven van anderen, omdat de gemeente ervan overtuigd is dat de samenleving daar sterker van wordt. Samen met zijn omgeving vormt de Amsterdammer de dragende samenleving die het uitgangspunt vormt bij het zoeken naar een oplossing van een ondersteuningsvraag. De eigen kracht en het gebruik van talenten en mogelijkheden om zelf oplossingen te vinden voor problemen is het uitgangspunt en wordt door de gemeente gefaciliteerd en gestimuleerd, bijvoorbeeld door de sociale basis in de wijk en het ondersteunen van mantelzorg. Amsterdammers zijn zelf verantwoordelijk voor de manier waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven. De gemeente verwacht dat zij hierbij, waar mogelijk, rekening houden met te verwachten problemen en dat inwoners van Amsterdam elkaar, naar vermogen, bijstaan. 1.2Amsterdams Zorgstelsel De gemeente heeft ter ondersteuning daarvan het Amsterdams Zorgstelsel ingericht. In dit stelsel zijn voorzieningen ingebed in de wijken. Allereerst zijn er voorzieningen sociale basis en algemene voorzieningen (zie hoofdstuk 3) die voor alle Amsterdammers beschikbaar zijn. De sociale basis biedt Amsterdammers, hun mantelzorgers en vrijwilligers een breed en laagdrempelig aanbod van activiteiten en ondersteuning in de eigen buurt of wijk om de eigen regie te versterken. Daarnaast zijn er algemene voorzieningen. Deze voorzieningen zijn voor eenieder toegankelijk. De algemene voorzieningen worden onder meer geleverd na intake door wijkzorg. Wijkzorg is een netwerk van samenwerkende zorgaanbieders en aanbieders van maatschappelijke dienstverlening in de wijk. Voor Amsterdammers die zich ondanks de aangeboden ondersteuning in de wijk niet kunnen redden of niet kunnen meedoen, biedt de gemeente, deels via wijkzorg, zogenoemde maatwerkvoorzieningen dan wel financiële tegemoetkomingen meerkosten (zie hiervoor hoofdstuk 4 A en 4 B). In het Amsterdams Zorgstelsel is er bijzondere aandacht voor mantelzorgers van Amsterdammers en voor cliëntondersteuning. Om de taken als mantelzorger langer vol te kunnen houden kan de mantelzorger gebruik maken van het aanbod in de sociale basis. Om overbelasting van de mantelzorger te voorkomen kunnen algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen aan de Amsterdammer worden verstrekt. Als overbelasting van een mantelzorger dreigt wordt naar de individuele situatie gekeken en samen naar een passende oplossing gezocht. De Amsterdammer kan zich voor en tijdens een onderzoek bij laten staan door een onafhankelijke cliëntondersteuner. Deze cliëntondersteuner heeft als opdracht het belang van de cliënt te behartigen. 1.3Doelgroep en inhoud van de verordening De doelgroep (artikel 1.2 Wmo-verordening 2015) De doelgroep van de Wmo-verordening 2015 bestaat uit Amsterdammers met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen. Ook mantelzorgers kunnen voor vormen van ondersteuning in aanmerking komen. Zij moeten dan mantelzorger zijn van een inwoner van de gemeente Amsterdam. Voor opvang en beschermd wonen kunnen ook inwoners van andere gemeenten met een ondersteuningsvraag op dit gebied zich melden bij de gemeente Amsterdam. Andersom kunnen ook inwoners van de gemeente Amsterdam bij andere gemeenten terecht voor opvang en beschermd wonen. De uitvoering van de taken op grond van de Wmo en van de aanpalende Jeugdwet (18-/18+) en Participatiewet wordt op elkaar afgestemd. Omdat de uitvoering van deze wetten vanaf 2015 bij de gemeente is belegd, kan de ondersteuning aan cliënten op deze gebieden, als er overlap is, beter op elkaar aansluiten. Hierbij staat het belang van de cliënt voorop. De gemeente houdt hierbij rekening met de begrenzingen die voortvloeien uit privacywetgeving. Hiervoor worden protocollen opgesteld. Inhoud verordening In de Wmo-verordening 2015 is de verantwoordelijkheid van de gemeente vastgelegd voor het ondersteunen van de zelfredzaamheid en participatie van mensen met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen. Die ondersteuning moet erop gericht zijn dat mensen zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven. Voor mensen met psychische of psychosociale problemen of voor mensen die, al dan niet in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, de thuissituatie hebben verlaten, voorziet de gemeente in de behoefte aan beschermd wonen en opvang. In deze Nadere regels is het kader dat is vastgelegd in de Wmo-verordening 2015 verder uitgewerkt. In de verordening en ook in deze Nadere regels is daarbij een belangrijke rol weggelegd voor het proces om tot een oplossing te komen. Dit proces wordt beschreven in hoofdstuk 2. 1.4Wijze van verstrekking van voorzieningen Bij een maatwerkvoorziening kan het gaan om ondersteuning in natura, om ondersteuning in de vorm van een persoonsgebonden budget (hierna ook Pgb) of om een financiële tegemoetkoming. Bij een verstrekking in natura kan het gaan om goederen, producten of diensten. Bij hulp bij het huishouden, ambulante ondersteuning, logeeropvang, maatschappelijke opvang, beschermd wonen en dagbesteding betekent dit dat de Amsterdammer wordt aangemeld bij één van de aanbieders met wie de gemeente een contract heeft. Bij voorzieningen op het gebied van wonen, rolstoelen en vervoer betekent het dat de gemeente ervoor zorgt dat de geïndiceerde voorziening wordt geleverd bij de Amsterdammer thuis. Om Amsterdammers de mogelijkheid te bieden om zelf regie te voeren en ondersteuning in te kopen die in inhoud en/of vorm (nog) niet door de gemeente is ingekocht, wordt een Pgb geboden als alternatief. Een Pgb is mogelijk als de Amsterdammer kan motiveren dat dit gewenst is en duidelijk kan aangeven hoe het Pgb bijdraagt aan het oplossen van de ondersteuningsvraag (zie ook paragraaf 4.2). De Wmo geeft gemeenten tevens de bevoegdheid om burgers financieel tegemoet te komen als zij als gevolg van een chronische ziekte of een beperking aannemelijke meerkosten moeten maken. In artikel 4.12 van de Wmo-verordening 2015 staat beschreven waarvoor een financiële tegemoetkoming in de meerkosten wordt verstrekt (zie paragraaf 4.8, 4.10 en hoofdstuk 4 B). 1.5Bijdrage in de kosten (eigen bijdrage) Compensatie gebruikskosten Voor voorzieningen in de sociale basis, algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen kunnen aanbieders een bijdrage vragen voor algemeen gebruikelijke kosten. Het gaat bijvoorbeeld om gebruikskosten die de cliënt ook thuis zou hebben gehad zoals een maaltijd in de sociale basis of voor drogen en wassen van kleding als deze geen onderdeel is van de toegekende voorziening. De bijdrage is maximaal de hoogte van de uitgespaarde kosten. Aanbieders maken deze kosten zichtbaar voor de betrokken Amsterdammers. Bijdrage in de kosten voor algemene voorzieningen Voor de algemene voorzieningen kleine woningaanpassingen, het stoelenproject en crisisopvang wordt geen eigen bijdrage in de kosten gevraagd. Voor de algemene voorziening beschermd vervoer geldt een ritbijdrage, die betaald wordt aan de vervoerder. De hoogte van de ritbijdrage is vastgelegd in de verordening. Voor de algemene voorzieningen kortdurende opvang en passantenpension geldt een inkomensonafhankelijke eigen bijdrage in de kosten die betaald wordt aan de instelling. De hoogte van deze bijdrage is vastgelegd in de verordening. Voor de algemene voorziening noodopvang dakloze gezinnen geldt een eigen bijdrage in de kosten. De hoogte van deze bijdrage is vastgelegd in de verordening. De bijdrage wordt betaald aan de instelling, daar waar gezinnen op locaties van instellingen verblijven en wordt betaald aan de gemeente indien gezinnen verblijven in een hotel. Als gezinnen een uitkering ontvangen via WPI, kan op hun verzoek afgesproken worden om de eigen bijdrage op de uitkering in te houden. Bijdrage in de kosten voor maatwerkvoorzieningen Voor de maatwerkvoorzieningen opvang, beschermd wonen, logeeropvang, woonruimteaanpassingen, roerende woonvoorzieningen, uitraasruimte, hulp bij het huishouden, vervoersvoorzieningen, aanpassingen aan vervoersvoorzieningen en vervoerskostenvergoedingen geldt een eigen bijdrage in de kosten. De bijdrage geldt niet voor voorzieningen voor kinderen tot 18 jaar. Hoe de hoogte van de bijdrage wordt berekend is vastgelegd in het Financieel besluit. Voor deze bijdrage berekent het Centraal Administratie Kantoor (CAK) de hoogte en int het bedrag. Voor opvang stelt het college de eigen bijdrage in de kosten vast. Voor cliënten die in de maatschappelijke opvang verblijven en een uitkering van Werk, Participatie en Inkomen (WPI) ontvangen int WPI het bedrag; voor alle anderen int de aanbieder. Ook voor slachtoffers van huiselijk geweld int de aanbieder de eigen bijdrage. Wanneer meerdere Amsterdammers gebruik maken van één voorziening, wordt de bijdrage berekend over de kosten gedeeld door het aantal bijdrageplichtige gebruikers. Voor de maatwerkvoorziening collectief vervoer geldt een ritbijdrage, die betaald wordt aan de vervoerder. De hoogte van de ritbijdrage is vastgelegd in de verordening. Er wordt geen eigen bijdrage in de kosten gevraagd voor ambulante ondersteuning, dagbesteding, rolstoelen, noodzakelijke aanpassingen aan rolstoelen en vervoersvoorzieningen, rij- en gewenningslessen, onderhoud, keuring en reparatie, en voor de financiële tegemoetkomingen die zijn opgenomen in paragraaf 4.8 en 4.10. Overgangsregeling 18-/18+ Vanaf het moment dat een Amsterdammer 18 jaar wordt geldt voor maatwerkvoorzieningen vanuit de Wmo een eigen bijdrage. Dit geldt niet voor woonruimteaanpassingen die de Amsterdammer al had voordat hij 18 jaar werd. Voor een eerder verstrekte traplift wordt de bijdrage berekend over de restwaarde. Hoofdstuk2Toegang 2.1Algemeen In dit hoofdstuk wordt de route beschreven die een Amsterdammer doorloopt om tot een oplossing van zijn ondersteuningsvraag te komen. Door deze route te beschrijven in de Wmo-verordening 2015 (hoofdstuk 2) en Nadere regels wordt een uniforme werkwijze vastgelegd en weet de Amsterdammer wat hij kan verwachten van de gemeente. Het streven is om de Amsterdammer op het niveau van participatie en zelfredzaamheid te brengen dat bij zijn situatie past. Uitgangspunt daarbij is zijn situatie voordat hij getroffen werd door zijn beperkingen, alsmede de situatie van Amsterdammers in vergelijkbare omstandigheden en in dezelfde leeftijdscategorie die geen beperkingen hebben. Soms moet de Amsterdammer zich er bij neer leggen dat er belemmeringen blijven, of dat hij zich enige beperkingen zal moeten getroosten. 2.2Melding (artikel 2.1 Wmo-verordening 2015) Een Amsterdammer met een ondersteuningsvraag op het gebied van zijn zelfredzaamheid of deelname aan het maatschappelijk verkeer, zal op zoek gaan naar een oplossing. In veel gevallen zal hij zelf in staat zijn ondersteuning te organiseren door een beroep te doen op een mantelzorger of vrijwilliger. Wanneer hij niet in staat is op eigen kracht een oplossing te organiseren dan kan de Amsterdammer zich melden bij de gemeente voor informatie, advies en/of ondersteuning. De Amsterdammer kan zich voor zijn ondersteuningsvragen op de volgende plaatsen melden. Voor hulp bij het huishouden, ambulante ondersteuning, dagbesteding of logeeropvang kan de Amsterdammer zich melden bij een zorgaanbieder of maatschappelijk dienstverlener die onderdeel is van het wijkzorgnetwerk of bij het Sociaal Loket. Voor woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen kan de Amsterdammer zich melden bij de Wmo Helpdesk of bij het Sociaal Loket. Voor beschermd wonen en maatschappelijke opvang kan de ingezetene van Nederland die in Amsterdam ondersteuning zoekt zich melden bij de Centrale Toegang voor maatschappelijke opvang of beschermd wonen. Wanneer opvang nodig is vanwege acute somatische problematiek die niet adequaat behandeld kan worden in de reguliere opvang kan de Amsterdammer, na indicatie door een GGD-arts, worden aangemeld voor de ziekenboeg. Opname in de ziekenboeg is altijd tijdelijk. Als er twijfels zijn over de meldplaats kan de Amsterdammer ook contact opnemen met het Sociaal Loket. Zij gaan in gesprek met de Amsterdammer en kunnen adviseren over de juiste route. De Amsterdammer kan zijn ondersteuningsvraag op verschillende manieren bij de gemeente melden. Hij kan dit persoonlijk doen, telefonisch, schriftelijk of per mail. De Amsterdammer kan hierbij een persoonlijk plan aanleveren, waarin hij aangeeft wat hij denkt nodig te hebben om maatschappelijk te kunnen meedoen en zelfredzaam te zijn. De medewerker die de melding aanneemt zal in eerste instantie informatie en advies geven. Als er daarna nog een vraag voor ondersteuning is, wordt de melding geregistreerd en wordt een onderzoek gestart. Een Amsterdammer kan zich voor en tijdens het onderzoek laten bijstaan door iemand uit zijn eigen omgeving of een onafhankelijke cliëntondersteuner. 2.3Onderzoek (artikel 2.2 Wmo-verordening 2015) Vormen van onderzoek Goed onderzoek is de basis voor het vaststellen van de ondersteuningsvraag. Hierbij is maatwerk het uitgangspunt en het is aan de Amsterdammer om te bepalen welke vorm van contact het meest recht doet aan zijn vraag. Dat kan zijn aan het loket of bij een aanbieder middels een huisbezoek en telefonisch. Wanneer een Amsterdammer zich voor het eerst met een vraag bij de gemeente meldt, ligt het voor de hand dat er één of meerdere gesprekken worden gevoerd en kan een huisbezoek de aangewezen vorm zijn. Bij complexere ondersteuningsvragen zal face-to-face contact het uitgangspunt zijn. Ook indien degene die de melding telefonisch in ontvangst neemt de indruk krijgt dat er een complexere ondersteuningsvraag of meervoudige problematiek is, zal verder onderzoek, eventueel ook aan huis, plaatsvinden zo nodig vanuit meerdere disciplines. Bij een Amsterdammer met een eenvoudige ondersteuningsvraag kan dit onderzoek beknopt zijn en kan het gesprek ook telefonisch plaatsvinden. Hierbij valt te denken aan een verzoek om toegang tot beschermd vervoer en aan een verzoek om verlenging van een eerder toegekende voorziening. Indien informatie over de Amsterdammer en zijn medische en/of sociale situatie al voor handen is en leidt tot adequate ondersteuning, is het onnodig om hem te belasten met een uitgebreid onderzoek. In overleg met de Amsterdammer kan hier dan van af worden gezien. Als er een persoonlijk plan is aangeleverd door de Amsterdammer zal dit worden betrokken bij het onderzoek. Het hier beschreven onderzoek richt zich op ondersteuningsvragen die onder de Wmo-verordening 2015 vallen. Uiteraard kan een Amsterdammer ook andere ondersteuningsvragen hebben. Deze vragen worden tijdens het gesprek wel besproken en zo mogelijk opgelost, maar vallen niet onder de reikwijdte van deze Nadere regels en zijn daarom niet opgenomen in de hieronder beschreven stappen. Het onderzoek wordt binnen zes weken uitgevoerd. Mocht omwille van de zorgvuldigheid, bijvoorbeeld omdat informatie bij derden moet worden opgevraagd of omdat er sprake is van een complexe hulpvraag, de termijn van zes weken niet gehaald worden dan wordt hierover gecommuniceerd met de cliënt en kan deze termijn worden verlengd. Vraagverheldering Allereerst richt het onderzoek zich op het verduidelijken van wat de Amsterdammer graag wil en waarom, wat goed gaat en wat niet meer lukt. Middels vraagverheldering moet duidelijk worden wat de onderliggende reden is dat de Amsterdammer of zijn mantelzorger de vraag stelt. Zo nodig wordt de Amsterdammer ondersteund bij het duidelijk formuleren van zijn hulpvraag. De vraagverheldering bestaat uit één of meerdere gesprekken. Door het geven van adequate informatie en een passend advies kan in sommige situaties het probleem al eenvoudig worden opgelost. Het resultaat hiervan is een antwoord op zijn hulpvraag waardoor de Amsterdammer geholpen is en verder kan zonder de inzet van een Wmo voorziening. Indien de hulpvraag niet door middel van informatie en advies kan worden opgelost wordt het onderzoek naar een passende oplossing voortgezet. Reikwijdte Wmo In het onderzoek wordt vervolgens vastgesteld of de vraag onder de reikwijdte van de Wmo valt: is er behoefte aan ondersteuning ten behoeve van de zelfredzaamheid; is er behoefte aan ondersteuning ten behoeve van participatie; is er behoefte aan beschermd wonen of opvang; is er behoefte aan ondersteuning van de mantelzorger. Doel ondersteuning vaststellen Als duidelijk is wat de vraag is en dat deze onder de reikwijdte van de Wmo valt, is het van belang om samen met de Amsterdammer of zijn mantelzorger vast te stellen wat het te behalen resultaat is. Dus: wanneer vindt iemand dat zijn ondersteuningsvraag voldoende is opgelost en is dat een realistisch doel. Oplossingsmogelijkheden Als er overeenstemming is over het te behalen resultaat wordt gekeken naar hoe het resultaat bereikt kan worden. Daarbij wordt eerst gekeken wat iemand zelf kan oplossen, een maatwerkvoorziening wordt alleen ingezet als daar een noodzaak voor is. De hiërarchie in het afwegingskader is in onderstaande opsomming aangegeven en wordt daaronder toegelicht. Eigen kracht Sociaal netwerk Andere wetgeving Basisvoorziening Algemene voorziening Maatwerkvoorziening Financiële tegemoetkoming meerkosten 1. Eigen kracht De Wmo is bedoeld om de eigen kracht te versterken en alle Amsterdammers, met of zonder beperking, te stimuleren om hun talenten en mogelijkheden te zien en in te zetten om ondersteuningsvragen op te lossen. Door hier in het vraagverhelderingsgesprek ruimte en aandacht aan te geven, door bijvoorbeeld oplossingsmogelijkheden aan te reiken of samen te zoeken naar een geschikte oplossing, kunnen mensen hun eigen kracht benutten en vergroten. Eigen kracht kan ook betekenen zelf betalen. Soms kan een ondersteuningsvraag worden opgelost met het aanschaffen van een algemeen gebruikelijke voorziening. Een algemeen gebruikelijke voorziening is een voorziening die niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking, die daadwerkelijk beschikbaar is, een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is en die financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. Dit betekent dat iedereen deze voorziening zelf moet bekostigen. Het verstrekken van dergelijke voorzieningen op grond van de Wmo is dan niet redelijk en strookt niet met de doelstelling van de wet. Wat algemeen gebruikelijk is wordt beïnvloed door maatschappelijke ontwikkelingen. Deze zijn aan verandering onderhevig. In de tijd kan een voorziening die eerst niet als algemeen gebruikelijk werd gezien wel algemeen gebruikelijk worden. Het aanbod en de prijzen van voorzieningen in gewone winkels speelt hierbij een rol, maar ook jurisprudentie (uitspraken van rechters). Voorbeelden van een algemeen gebruikelijke voorziening zijn een tandem, openbaar vervoer, thermostatische kranen en het lid zijn van een vereniging of club. Indien een algemeen gebruikelijke voorziening met aanpassingen een adequate oplossing biedt voor een probleem komen, in overeenstemming met een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, alleen de aanpassingen in aanmerking voor vergoeding. 2. Sociaal netwerk Het sociale netwerk verwijst naar de sociale context waarin de Amsterdammer leeft. Het beslaat het gezin, familie, vrienden, de buurt waarin iemand woont, zijn werkomgeving en de sociale groepen waartoe de Amsterdammer behoort. Het netwerk is vaak bereid om (een deel van) de ondersteuning te bieden of voor de Amsterdammer te organiseren. Deze ondersteuning geboden vanuit het sociale netwerk wordt in sommige gevallen mantelzorg genoemd. Mantelzorg is ondersteuning die mensen langdurig en onbetaald verlenen aan een persoon met beperkingen uit hun directe omgeving. De ondersteuning wordt geboden vanuit de persoonlijke band die mantelzorgers hebben met degene die zij ondersteunen. Om overbelasting te voorkomen wordt vanuit de gemeente ondersteuning geboden aan mantelzorgers. Datgene wat nodig is om de mantelzorger (tijdelijk) te ontlasten in een situatie van (dreigende) overbelasting, kan onderdeel uitmaken van een maatwerkvoorziening. Van belang hierbij is de balans tussen draagkracht en draaglast. Binnen het sociaal netwerk kan ook gebruikelijke hulp aan de orde zijn. Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de partner, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Gebruikelijke hulp is niet vrijblijvend. Het gaat hierbij om de normale dagelijkse zorg, zoals taken die bij een gezamenlijk huishouden horen, administratie, schoonmaken, bezoek aan familie, instanties of een arts. Onder huisgenoot wordt verstaan: een persoon die ofwel op basis van een familieband, ofwel op basis van een bewuste keuze, één huishouden vormt met de persoon die beperkingen ondervindt. Een huisgenoot is bijvoorbeeld een inwonend kind, maar zijn ook inwonende ouders. Of er sprake is van inwoning wordt naar de concrete feitelijke situatie beoordeeld. In beginsel is alle hulp door ouders, door partners onderling, door inwonende kinderen en/of andere huisgenoten gebruikelijk als er sprake is van een kortdurende situatie met uitzicht op een dusdanig herstel van het probleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid, dat ondersteuning daarna niet langer is aangewezen. Daarbij gaat het over het algemeen over een periode van maximaal drie maanden. Als het gaat om een chronische situatie is de hulp van een volwassene gebruikelijk wanneer die hulp door iemand uit de leefeenheid wordt geboden bij maatschappelijke participatie en het bezoeken van familie, vrienden, huisarts enzovoorts en het overnemen van taken die bij een gezamenlijk huishouden horen, zoals het doen van de administratie. Het leren omgaan van derden met de Amsterdammer met een beperking, chronisch psychische of psychiatrische aandoening is gebruikelijke hulp. Van ouders wordt bijvoorbeeld verwacht dat ze professionals instrueren hoe om te gaan met de beperkingen van hun kind. In alle gevallen zal zorgvuldig getoetst worden of er sprake is van niet-gebruikelijke hulp. Er zijn uitzonderingen mogelijk op het uitgangspunt van gebruikelijke hulp, al dan niet tijdelijk. Te denken valt aan situaties waarin: de huisgenoot lang en/of frequent afwezig moet zijn bijvoorbeeld in verband met werk en het zorg voor kinderen betreft; de huisgenoot geobjectiveerde beperkingen heeft en niet in staat kan worden geacht tot het verrichten of aanleren van taken behorende tot gebruikelijke hulp; de huisgenoot overbelast is of dreigt te raken; de hulpvrager een korte levensverwachting heeft. Aanvullende informatie over gebruikelijke hulp is te vinden in hoofdstuk 4. 3. Andere wetgeving Wetten als de Wet langdurige zorg (Wlz), de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Jeugdwet kunnen voorliggend zijn op ondersteuning vanuit de Wmo. De verantwoordelijkheid van de gemeente houdt op als iemand een blijvende behoefte aan permanent toezicht heeft of 24 uur per dag zorg in de nabijheid nodig is. De zorg valt dan onder de Wlz, ook als de Amsterdammer zelfstandig woont en ambulante ondersteuning, dagbesteding, logeeropvang of hulp bij het huishouden nodig heeft. Wanneer de blijvende behoefte aan permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in nabijheid voortkomt uit psychiatrische problematiek dan vallen ambulante ondersteuning, dagbesteding, logeeropvang of hulp bij het huishouden wel onder de Wmo. Dit geldt ook Voor de doelgroep beschermd wonen geldt dat binnen de Wmo voorzien kan worden in permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in nabijheid. Voorts kan het zijn dat medicijnen of een behandeling de behoefte aan ondersteuning of een deel daarvan wegnemen. Deze worden vergoed vanuit de Zvw en zijn voorliggend. Voor ondersteuningsvragen van Amsterdammers jonger dan 18 jaar op het gebied van zelfredzaamheid en participatie is de Jeugdwet voorliggend, met uitzondering van woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelvoorzieningen. 4. Voorzieningen sociale basis De sociale basis is het aanbod van activiteiten en voorzieningen in de wijken om de dragende samenleving zo goed mogelijk te laten functioneren ter versterking van de eigen kracht en het netwerk van Amsterdammers. De sociale basis maakt mede de onderlinge hulp en ondersteuning van Amsterdammers mogelijk. Het aanbod is toegankelijk voor alle Amsterdammers, zowel Amsterdammers met een ondersteuningsvraag als Amsterdammers die ondersteuning willen en/of kunnen bieden. De sociale basis omvat: Informatie en advies Ondersteuning ter versterking van vrijwillige inzet en informele netwerken Ondersteuning ter activering, participatie en talentontwikkeling Ondersteuning voor mantelzorgers Collectieve ondersteuning 5. Algemene voorziening Een algemene voorziening is een aanbod van diensten of activiteiten dat zonder indicatie toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning. De meeste algemene voorzieningen zijn voor de Amsterdammer die er gebruik van maakt gratis. Voor het beschermd vervoer wordt een ritbijdrage gevraagd. Een Amsterdammer die naar het oordeel van de gemeente voor een specifieke vorm van ondersteuning gebruik kan maken van een algemene voorziening, komt daarmee niet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening voor die ondersteuning. In hoofdstuk 3 zijn de algemene voorzieningen opgenomen die (een deel van) de ondersteuningsvraag op het gebied van zelfredzaamheid, participatie, opvang en beschermd wonen kunnen oplossen. 6. Maatwerkvoorziening Een Amsterdammer kan voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komen als andere oplossingen niet of niet voldoende tot een oplossing leiden. Voor een maatwerkvoorziening is een individuele toekenning nodig. Het kan zijn dat de gemeente een andere organisatie vraagt om de beoordeling voor de individuele toekenning te doen. Voor maatwerkvoorzieningen geldt in een aantal gevallen een bijdrage in de kosten. In hoofdstuk 4 A. zijn de maatwerkvoorzieningen opgenomen die door de gemeente worden ingezet ter ondersteuning van de zelfredzaamheid, participatie, opvang of beschermd wonen. 7.Financiële tegemoetkoming meerkosten Een Amsterdammer met een chronische ziekte of beperking met een laag inkomen kan in aanmerking komen voor een vergoeding van meerkosten als gevolg van de beperking. Voor de financiële tegemoetkoming meerkosten is een individuele toekenning nodig. De beoordeling en uitbetaling van de tegemoetkoming meerkosten gebeurt (met uitzondering van de sportvoorzieningen) door Werk, Participatie en Inkomen (WPI). Casemanagement Casemanagement kan worden geboden aan Amsterdammers die zeer complexe problemen hebben op het gebied van maatwerkvoorzieningen. Of die in omstandigheden verkeren waarbij uitgebreider onderzoek moet worden gedaan om een goed beeld van de situatie en de daaruit voortvloeiende aanvraag te krijgen. Een beperkt aantal Amsterdammers wordt jaarlijks op basis van door het college vastgestelde criteria geselecteerd door een adviesbureau voor deze intensieve begeleiding. De Wmo-melding wordt in dat geval door een multidisciplinair samengesteld team van medewerkers van de gemeente en externe adviseurs beoordeeld. Tijdens de verdere afhandeling van de melding, aanvraag en levering vindt intensieve begeleiding plaats door een casemanager. Indicatiestelling door een extern adviseur is een standaard onderdeel van de afhandeling van de aanvraag. 2.4.Verslag onderzoek (artikel 2.3 Wmo-verordening 2015) Naar aanleiding van het onderzoek wordt een verslag opgesteld. Afhankelijk van de soort voorziening kan de vorm van het verslag verschillen. Voor wijkzorg kan het verslag de vorm hebben van een ondersteuningsplan. Voor de doelgroep van maatschappelijke opvang en beschermd wonen heet dat een trajectplan. Voor woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen is het advies van het indicatieadviesbureau het verslag, dat desgewenst aan de Amsterdammer wordt opgestuurd. In het ondersteuningsplan worden door wijkzorg afspraken vastgelegd over de te behalen doelen, resultaten en activiteiten en de duur en frequentie van de ondersteuning. Het ondersteuningsplan biedt ruimte om ondersteuningsvragen op alle levensdomeinen op één plek in beeld te brengen. Daarnaast bevat het de doelen en hoe de Amsterdammer daar, eventueel met zijn sociale omgeving, zelf aan bij kan dragen. Het ondersteuningsplan wordt samen met de Amsterdammer en eventueel zijn mantelzorger opgesteld. Voor hulp bij het huishouden wordt altijd een ondersteuningsplan met een afsprakenoverzicht opgesteld. De geboden ondersteuning wordt niet zwaarder of langer ingezet dan nodig is. Uitgangspunt is dat jaarlijks opnieuw wordt bekeken of en zo ja welke afspraken er nodig zijn voor de inzet van wijkzorg. De Amsterdammer heeft binnen wijkzorg één regievoerder die optreedt als contactpersoon en tevens het ondersteuningsplan opstelt en beheert. Voor de doelgroep maatschappelijke opvang en beschermd wonen noemen we dit een trajecthouder. De Amsterdammer krijgt een kopie van het ondersteuningsplan en tekent het ter goedkeuring. Als de Amsterdammer en degene die het onderzoek heeft uitgevoerd het niet met elkaar eens zijn over het verslag of ondersteuningsplan, wordt eenmalig een nieuw onderzoek bij een andere medewerker aangeboden. Dat leidt tot een nieuw verslag of ondersteuningsplan. 2.5.Aanvraag (artikel 2.4 Wmo-verordening 2015) Op de aanvraag zal in beginsel binnen twee weken een besluit (beschikking) genomen moeten worden. Deze termijn is relatief kort omdat het voorwerk al in het onderzoek als hierboven beschreven is gebeurd. Onder omstandigheden kan het zo zijn dat er nader onderzoek gedaan moet worden naar bijvoorbeeld de specifieke aandoening en daardoor veroorzaakte beperkingen, om de juiste maatwerkvoorziening te bepalen. In dat geval kan de beslistermijn op grond van de Algemene wet bestuursrecht worden verlengd. Amsterdam schakelt in dat soort gevallen in principe een extern adviesorgaan in. Zodra tijdens het onderzoek naar aanleiding van de melding blijkt dat mogelijk sprake zal zijn van een (aanvraag voor een) maatwerkvoorziening, kan ook in die fase al dit externe adviesorgaan ingeschakeld worden, opdat de afhandelingstermijn zo kort mogelijk is en er geen onnodige bureaucratie ontstaat. De aanvraag voor een maatwerkvoorziening moet in beginsel schriftelijk worden ingediend, maar kan voor sommige voorzieningen ook mondeling of digitaal worden ingediend. Dit laatste kan de snelheid van afhandeling bevorderen. Deze optie wordt op termijn zo breed mogelijk ingezet, waar dat mogelijk is, met behoud van een zorgvuldige procedure en afhandeling. Op dit moment is de mondelinge aanvraag mogelijk voor Aanvullend Openbaar Vervoer en maatschappelijke opvang. Als de cliënt zijn maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget (Pgb) voor ambulante ondersteuning, dagbesteding, hulp bij het huishouden, beschermd wonen of logeeropvang wil aanvragen, dan moet hij hiervoor een aantal aanvullende gegevens aanleveren. Het gaat om de volgende stukken: een Pgb-plan, waarin de cliënt motiveert waarom hij een Pgb wens en aangeeft door wie de ondersteuning geleverd zal worden; een zorgplan, waarin de betrokken hulpverlener aangeeft welke bijdrage hij levert aan de doelen van de cliënt; een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) van de betrokken hulpverlener, tenzij de hulpverlener een familielid, tot in de vierde graad, is van de cliënt. Een aanvraag voor een financiële tegemoetkoming meerkosten moet door een cliënt digitaal of schriftelijk worden ingediend. 2.6.Beschikking (artikel 2.6 Wmo-verordening 2015) In de beschikking wordt het recht van de cliënt vastgelegd, evenals daarbij horende voorwaarden en verplichtingen. Als een voorziening voor een bepaalde tijd wordt toegekend wordt ook dat vermeld. In sommige gevallen wordt de omvang van het recht ook vermeld, bijvoorbeeld de hoogte van het toegekende Pgb-bedrag. Tegen de beschikking van de gemeente is, als de cliënt het er niet mee eens is, bezwaar bij de gemeente en beroep bij de rechtbank mogelijk. Hoofdstuk3Algemene voorzieningen 3.1Algemeen (artikel 3.1 Wmo-verordening 2015) Een algemene voorziening is in de wet als volgt gedefinieerd: Aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op het versterken van zelfredzaamheid en participatie, of op opvang. Algemene voorzieningen zijn derhalve voorzieningen die vrij toegankelijk zijn voor de doelgroep waarvoor de voorziening is bedoeld. De meeste algemene voorzieningen zijn voor de Amsterdammer die er gebruik van maakt gratis. Een Amsterdammer die naar het oordeel van de gemeente voor een specifieke vorm van ondersteuning gebruik kan maken van een algemene voorziening, komt daarmee niet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening voor die ondersteuning. Voorbeelden van algemene voorzieningen zijn maatschappelijke dienstverlening, het beschermd vervoer en kortdurende opvang voor daklozen. Zoals in de Wmo-verordening 2015 staat vermeld is niet bedoeld een limitatieve opsomming van algemene voorzieningen op te nemen in regelgeving. 3.2Voorzieningen sociale basis (artikel 3.2 Wmo-verordening 2015) a Productbeschrijving De sociale basis in de wijken dient ter versterking van de eigen kracht en het netwerk van Amsterdammers. Het betreft activiteiten met een preventief karakter. Ze stimuleren dat mensen ondanks beperkingen die zij ervaren kunnen meedoen aan het maatschappelijk sociaal leven (actief worden), helpen om sociaal isolement te doorbreken en eenzaamheid te bestrijden en versterken ontmoeting en samenleven in de wijk. De sociale basis in de wijken wordt vormgegeven onder verantwoordelijkheid van het Dagelijks Bestuur van de stadsdelen en sluit zoveel als mogelijk aan op de behoefte en kansen van een gebied. Het is belangrijk dat de sociale basis en wijkzorg in nauwe afstemming met elkaar een aanbod bieden in de wijk. Hierover zijn met het Dagelijks Bestuur van de stadsdelen goede afspraken gemaakt. De rol van de gemeente waaronder het Dagelijks Bestuur van de stadsdelen bestaat overigens niet zozeer uit het zelf (laten) leveren van voorzieningen, maar veeleer uit het mogelijk maken en faciliteren. Zo wordt gestimuleerd dat vrijwilligers zich inzetten en worden deze vrijwilligers ondersteund bijvoorbeeld in de koppeling met mensen die ondersteuning nodig hebben. Over het lokale aanbod is informatie beschikbaar op wijkniveau, onder meer via informele spreekuren in de wijk. In elk stadsdeel wordt de samenwerking bevorderd tussen actieve bewoners, vrijwilligersorganisaties, bewonersnetwerken en professionele organisaties, maar ook met bedrijven in de wijken, zodat deze elkaars kennis en kunde benutten en waar mogelijk bijdragen aan elkaars activiteiten. Voorbeelden van voorzieningen in de sociale basis zijn mantelzorgondersteuning, een Huis van de Wijk/buurthuis, maatjescontact, activiteiten rond ‘samen koken samen eten’, lotgenotencontact mantelzorgers en vrijwilligersorganisaties voor onderlinge hulp en steun. Bewoners kunnen, voor informatie over de wijze waarop de ondersteuning in hun stadsdeel geboden wordt, terecht bij het sociaal loket. b Voorliggende voorziening In het algemeen kan de zogenoemde dragende samenleving worden gezien als voorliggende voorziening. Maar ook het aanbod in de sociale basis zelf vormt in feite de mogelijke voorliggende voorziening op de verstrekking van verdergaande voorzieningen die de gemeente kan bieden. 3.3Maatschappelijke dienstverlening (artikel 3.3 Wmo-verordening 2015) aProductbeschrijving De maatschappelijke dienstverlening biedt in de hele stad een vergelijkbaar aanbod van professioneel georganiseerde ondersteuning aan Amsterdammers met een ondersteuningsvraag. Bij de maatschappelijke dienstverlening kunnen Amsterdammers met problemen terecht en worden ze met een kortdurende interventie geholpen deze op te lossen. De maatschappelijke dienstverlening kan ondersteunen op de levensdomeinen inkomen, huisvesting, gezinsrelaties, sociaal netwerk en maatschappelijke participatie. De ondersteuning wordt geboden op de locatie waar de maatschappelijke dienstverlening is gehuisvest. Als taken overgenomen moeten worden, onder begeleiding uitgevoerd of thuis getraind moeten worden, is ambulante ondersteuning passender. bVoorliggende voorziening In het algemeen kan de zogenoemde dragende samenleving worden gezien als voorliggende voorziening. Maar ook de maatschappelijke dienstverlening zelf vormt in feite de mogelijke voorliggende voorziening op de verstrekking van verdergaande voorzieningen die de gemeente kan bieden. 3.5Beschermd vervoer (artikel 3.5 Wmo-verordening 2015) a Productbeschrijving Het Beschermd vervoer is de enige algemene vervoersvoorziening, de andere collectieve vervoersvoorzieningen zijn maatwerkvoorzieningen en komen aan de orde in hoofdstuk 4 A. Het Beschermd vervoer vormt samen met het collectief vervoer het Aanvullend Openbaar Vervoer (AOV). Het collectief vervoer komt aan de orde in paragraaf 4.10.1a. Het Beschermd vervoer is een uitsluitend voor pashouders toegankelijk vervoerssysteem voor iedere Amsterdammer vanaf 75 jaar. In het Beschermd vervoer wordt geen begeleiding gegeven; mensen gaan zelf naar het voertuig en stappen zonder hulp in en uit. Cliënten worden opgehaald bij de deur van de woning of de ingang van het wooncomplex en afgezet bij de deur van het bestemmingsadres of de ingang van het complex. Het Beschermd vervoer maakt vervoer over alle afstanden mogelijk in de directe woon- en leefomgeving en biedt een actieradius van 25 kilometer hemelsbreed gerekend vanaf het woonadres volgens de Basisregistratie Personen (BRP), of zoveel meer dan nodig om vanaf het woonadres een bestemming binnen Amsterdam te bereiken. Jaarlijks kan bij de vaststelling van de gemeentebegroting besloten worden of een ritmaximering in het Beschermd vervoer wordt toegepast en, indien dit het geval is, wat de omvang daarvan is. Het vervoer wordt uitgevoerd in personenbusjes, personenauto’s of combi-voertuigen. De vervoerder bepaalt welk voertuig ingezet wordt en houdt daarbij rekening met de hulpmiddelen die de cliënt gebruikt tijdens het vervoer. Het materieel biedt de mogelijkheid om loophulpmiddelen, rolstoelen en scootmobielen te vervoeren. Per rit mag één reisgenoot meereizen. De reisgenoot maakt exact dezelfde rit als de pashouder, en betaalt ook dezelfde ritbijdrage. Het is cliënten niet toegestaan een reisgenoot mee te nemen die begeleiding van de chauffeur nodig heeft. Voor cliënten in het bezit van een OV-Begeleiderskaart geldt dat de begeleider als reisgenoot gratis meereist. Kinderen tot en met 3 jaar reizen gratis. Hulphonden en blindengeleidehonden mogen gratis meereizen. Kleine huisdieren mogen alleen mee als deze op schoot genomen kunnen worden, en reizen dan eveneens gratis mee. Groepsvervoer Personen die gebruik maken van het Beschermd vervoer kunnen groepsvervoer aanvragen. Groepsvervoer is vervoer van meer dan twee personen (cliënten en reisgenoten) van en/of naar hetzelfde adres. b Voorliggende oplossingen Er wordt enkel gekeken of een Amsterdammer ouder is dan 75 jaar. Er wordt niet beoordeeld of die Amsterdammer andere mogelijkheden heeft om in zijn vervoer te voorzien. Dit gebeurt als een maatwerkvoorziening voor vervoer wordt aangevraagd. 3.6Kleine woningaanpassingen (artikel 3.6 Wmo-verordening 2015) a Productbeschrijving Kleine woningaanpassingen betreffen douchezitjes of het verwijderen van eenvoudige (stof) drempels. Als er naast deze voorzieningen nog andere ondersteuning nodig is, wordt de melding in zijn geheel via de reguliere Wmo-procedure afgehandeld. b Voorliggende oplossingen Als de ondersteuningsvraag met een algemeen gebruikelijke voorziening, zoals een losse douchestoel, is op te lossen is een kleine woningaanpassing niet aan de orde. 3.7Kortdurende opvang, crisisopvang, passantenpension en noodopvang dakloze gezinnen (artikel 3.7 Wmo-verordening 2015) a Productbeschrijving Kortdurende opvang Kortdurende opvang is opvang voor mensen met een zorgvraag die dak- of thuisloos zijn en biedt gedurende het hele jaar kortdurend voltijd verblijf. . Toegang tot kortdurende opvang is afhankelijk van de mate van zelfredzaamheid en de binding met Amsterdam. Als binding met Amsterdam niet aanwezig is maar opvang wel noodzakelijk, dan moet de gemeente waar de persoon wel binding mee heeft opvang bieden. Voor mensen die niet zelfstandig in staat zijn zich bij die gemeente te melden, organiseert Amsterdam een warme overdracht. De verblijfsduur in de kortdurende opvang is in beginsel 3 maanden. Het verblijf in de kortdurende opvang kan worden verlengd indien: het nog niet gelukt is om basiszaken als een inkomen, zorgverzekering, briefadres en verwijzing naar zorg duurzaam op te starten, de cliënt nog in afwachting is van een besluit op zijn of haar aanvraag voor maatschappelijke opvang of beschermd wonen. Er zijn drie specifieke vormen van kortdurende opvang, waar toeleiding naar een traject niet de primaire doelstelling is. Het zijn: Stoelenproject: een basale vorm van onderdak gedurende de wintermaanden. Beperkte opvang en terugkeertrajecten voor niet-rechthebbenden die in een crisissituatie verkeren. Winterkoudeopvang: tijdelijke uitbreiding van het aantal plaatsen kortdurende opvang wanneer sprake is van extreme koude. Crisisopvang Crisisopvang betreft kortdurend verblijf op locaties waar kortdurende opvang wordt geboden. De GGD Amsterdam heeft de regie over deze plekken. Deze crisisopvang is naar zijn aard geen voorziening die je aanvraagt, waarna er een beoordeling en beschikking plaatsvindt; het gaat hierbij om kortdurend voltijd verblijf naar aanleiding van een crisissituatie, op specifiek voor dat doel bestemde plekken, voor maatschappelijke opvang gedurende drie dagen en voor opvang na huiselijk geweld gedurende tien dagen. Er wordt snel ingegrepen, en nadat de eerste crisis is bezworen wordt nader gekeken naar meer structurele hulp, waaronder de mogelijkheid van een maatwerkvoorziening opvang. Noodopvang dakloze gezinnen Noodopvang voor dakloze gezinnen is kortdurend voltijdverblijf voor Amsterdamse gezinnen die feitelijk acuut dak- en thuisloos zijn geworden. Deze opvang duurt maximaal drie maanden met eenmalig de mogelijkheid tot verlenging met nog eens drie maanden. Het doel van de opvang is dat betrokkenen en hun kinderen een plek hebben van waaruit zij de mogelijkheden voor een meer structurele oplossing kunnen zoeken. Het gezin dient mee te werken aan een traject dat gericht is op het opheffen van de situatie van dakloosheid en het herstel naar een zo zelfstandig mogelijk bestaan. In de noodopvang voor dakloze gezinnen wordt bij de melding, alsmede gedurende het hele verblijf, samen met de betrokkene(
- n)gezocht naar alternatieven om toch zelf te voorzien in onderdak, bijvoorbeeld via familie of binnen het sociale netwerk. Voor het verblijf in de noodopvang voor dakloze gezinnen geldt een aantal algemene voorwaarden. Dit houdt in dat het gezin: Minimaal de afgelopen twee jaar in Nederland heeft gewoond, met als meest recente woonplek Amsterdam; Zich inschrijft bij Woningnet en de inschrijving op tijd verlengt; In Woningnet wekelijks reageert op maximaal kansrijke woningen en daarbij geen voorkeur voor een bepaalde woning of buurt opgeeft; Gezien de lange wachtduur voor een sociale huurwoning in Amsterdam bereid is om te verhuizen naar een gemeente buiten Amsterdam; Meewerkt aan de persoonlijke begeleiding die het ontvangt in de noodopvang; Na ondertekening van de overeenkomst voor bemiddeling naar een passende woning, de aangeboden woning niet mag weigeren. Mocht er toch sprake zijn van een weigering dan zal per situatie bekeken moeten worden welke passende maatregelen worden getroffen, waarbij beëindiging van de voorziening een mogelijkheid is. Als uit onderzoek blijkt dat behandeling noodzakelijk is dan is deze voorziening voorliggend en wordt iemand daar naartoe verwezen. Passantenpension Mensen die dak- en thuisloos maar wel redelijk zelfredzaam zijn, kunnen door het stedelijk loket worden doorverwezen naar een passantenpension. Een passantenpension biedt hen in het kader van maatschappelijke opvang tijdelijk verblijf voor maximaal 6 maanden. De groep die hiervoor in aanmerking komt heeft deze stabiele huisvesting nodig om van daaruit op eigen kracht of met behulp van kortdurende ondersteuning vanuit maatschappelijk dienstverlening hun problemen op te kunnen oplossen. Naast bovenstaande producten biedt de maatschappelijke opvang ook de volgende producten: Inloop Inloop is het aanbieden van laagdrempelige dagopvang voor dak- en thuislozen in het kader van de maatschappelijke opvang. In de inloop wordt een cliënt een daginvulling geboden, door deel te nemen aan recreatieve of maatschappelijke activiteiten. Bezoekers van inlooplocaties kunnen zelf als vrijwilliger een deel van de activiteiten en het beheer van het inloophuis voor hun rekening nemen, onder toezicht van tenminste één professioneel staflid. Het doel van inloop is het signaleren van een andere ondersteuningsvraag, o.a. op het gebied van dagbesteding, het signaleren van veiligheidsrisico’s en het voorkomen van overlast op straat. Veldwerk Veldwerk is het outreachend en op signaal van derden bieden van kortdurende ondersteuning aan dak- en thuislozen die opvallen, dan wel overlast veroorzaken in het openbare domein. Het doel van veldwerk is het in beeld krijgen van verloedering dan wel overlast en het oplossen daarvan door een zorgkader te scheppen. Veldwerk heeft sterk het karakter van zorgtoeleiding: snel beoordelen wat er aan de hand is en daarna doorverwijzen naar een geschikt zorgkader, indien een zorgkader van toepassing is. Veldwerk wordt aangeboden door een stedelijk veldwerkteam dat voor de gehele stad werkt. Derde partijen zoals politie, stadsdeel, maatschappelijke en zorgpartners kunnen een signaal bij het veldwerkteam inbrengen. b Voorliggende oplossingen Er wordt samen met betrokkene bekeken of deze alternatieven heeft om tijdelijk te voorzien in onderdak, bijvoorbeeld via familie of een sociaal netwerk. 3.8Waardering mantelzorgers (artikel 3.8 Wmo-verordening 2015) Mantelzorgers woonachtig in Amsterdam, of zij die zorgen voor een Amsterdammer met een fysieke, chronische of psychische beperking komen voor waardering in aanmerking. De gemeente Amsterdam waardeert haar mantelzorgers jaarlijks op de dag van de mantelzorg. Hiervoor organiseren de Dagelijks Besturen van de stadsdelen activiteiten waar mantelzorgers aan kunnen deelnemen. Voor jonge mantelzorgers organiseert de gemeente een week van de jonge mantelzorger. Hoofdstuk4a. Maatwerkvoorzieningen 4.1Algemeen (artikel 4.1 Wmo-verordening 2015) Belangrijke uitgangspunten maatwerkvoorzieningen Een maatwerkvoorziening (artikel 1.1.1 Wmo) is op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd: ten behoeve van de zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen, ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen, ten behoeve van beschermd wonen en opvang. Hieronder worden een aantal uitgangspunten uitgewerkt die een belangrijke rol spelen bij de beoordeling van een maatwerkvoorziening. Goedkoopst adequaat (artikel 4.1, derde lid onder e Wmo-verordening 2015) Met het begrip goedkoopst adequaat wordt bedoeld ‘wat volgens objectieve maatstaven verantwoord en toereikend is’. Hiervan is sprake als een oplossing, mogelijk bestaand uit een combinatie van voorzieningen, de beperkingen die de persoon op een bepaald gebied ondervindt wegneemt, dan wel aanzienlijk vermindert. Hierbij hoeft een oplossing niet aan alle wensen van betrokkene, hoe invoelbaar deze wellicht mogen zijn, tegemoet te komen. In het geval dat meerdere voorzieningen als adequaat kunnen worden aangemerkt, wordt gekozen voor de goedkoopste voorziening. Noodzakelijk (artikel 4.1, derde lid onder b Wmo-verordening 2015) Noodzakelijk wil zeggen dat de persoon met beperkingen uitsluitend met behulp van de voorziening in staat blijft zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren. De voorziening moet om die reden nodig zijn; niet gewenst of gemakkelijk. Deze voorwaarde geldt voor alle maatwerkvoorzieningen. De noodzaak zal meestal een medische noodzaak zijn. De noodzakelijkheid kan zowel leiden tot een kortdurende als een langdurige verstrekking. Voor woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen is langdurig noodzakelijk een voorwaarde. Langdurig noodzakelijk wil zeggen dat de persoon met beperkingen niet alleen aangewezen moet zijn op een Wmo voorziening, maar dat dit tevens voor langere tijd geldt. Langdurig noodzakelijk heeft te maken met de aansluiting op het hulpmiddelendepot dat op basis van de Zorgverzekeringswet (Zvw) beschikbaar is. Uit dat hulpmiddelendepot kan gedurende drie maanden, éénmaal te verlengen met nog eens drie maanden, een hulpmiddel worden geleend. Na die periode bestaat de mogelijkheid het middel tegen betaling te huren. Dat wil evenwel niet zeggen dat de grens van langdurig noodzakelijk op zes maanden ligt. De grens wordt eerder bepaald door de vraag: gaat de beperking over of is het blijvend. Als iemand een probleem heeft dat acht of tien maanden zal duren maar daarna over zal zijn, mag er van worden uitgegaan dat geen sprake is van langdurige noodzaak. Dat geldt overigens niet bij een aanvrager die terminaal ziek is. Als de levensverwachting bijvoorbeeld vier maanden is, is duidelijk dat het probleem voor betrokkene blijvend is. Er wordt dan uitgegaan van langdurige noodzaak. Voorzienbaarheid (artikel 4.1, derde lid onder d Wmo-verordening 2015) Als een Amsterdammer kan voorzien dat er op termijn ondersteuning nodig is, gaat de gemeente ervan uit dat hij hierop anticipeert. Hierbij kan gedacht worden aan het tijdig zoeken van andere woonruimte of het sparen voor de nodige aanpassingen, maar ook aan het tijdig regelen van tijdelijke hulp na een operatie. Gericht op de persoon met beperkingen Een maatwerkvoorziening is gericht op de persoon met beperkingen. Hiermee wordt het volgende bedoeld: Er is altijd één individuele aanvrager die de maatwerkvoorziening aanvraagt, c.q. voor wie de maatwerkvoorziening aangevraagd wordt. De maatwerkvoorziening moet voor deze persoon noodzakelijk zijn in het kader van de Wmo; de maatwerkvoorziening moet op die persoon gericht zijn. Het is mogelijk dat een maatwerkvoorziening gedeeld wordt als twee of meer aanvragers hier individueel voor in aanmerking komen, bijvoorbeeld een traplift. De maatwerkvoorziening wordt alleen verstrekt ten behoeve van de persoon met beperkingen zelf. Medegebruik van maatwerkvoorzieningen is mogelijk. Voorbeelden daarvan zijn: aangepaste auto waarin anderen mee kunnen rijden; automatische deuropener aan de gemeenschappelijke toegangsdeur van een flat waar ook andere bewoners dan de persoon met beperkingen gebruik van maken. In principe worden maatwerkvoorzieningen verstrekt waarvan men zelfstandig gebruik kan maken. Wanneer de persoon met beperkingen de voorziening niet zonder hulp kan gebruiken, maar deze wel de enige adequate oplossing biedt voor het probleem, kan deze bij uitzondering worden toegekend. Bij co-ouderschap, waarbij het kind verdeeld over de tijd bij beide ouders verblijft, wordt in beginsel slechts één voorziening verstrekt. Van ouders wordt verwacht dat zij over roerende voorzieningen onderling afspraken maken. Persoonskenmerken, behoeften van de aanvrager en de financiële mogelijkheden Bij het vaststellen van de noodzaak van een maatwerkvoorziening wordt gekeken naar de persoonskenmerken, de behoeften en de financiële mogelijkheden van de Amsterdammer. Persoonskenmerken Relevante persoonskenmerken kunnen, afhankelijk van de belemmeringen die de Amsterdammer aandraagt, bijvoorbeeld zijn: de leeftijd; de gezondheidssituatie; de zelfstandigheid van de persoon; de mate waarin een persoon in staat is om zelf - eventueel met hulp van zijn huisgenoten en sociale netwerk - zaken te organiseren. Behoeften van de aanvrager De behoeften van de Amsterdammer spelen op twee manieren een rol. Allereerst wordt bekeken op welke terreinen hij belemmeringen ondervindt in zijn zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Onderzocht wordt wat de Amsterdammer wil met betrekking tot zijn zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie en op welke manier hij daarin belemmerd wordt. Vervolgens wordt beoordeeld in hoeverre deze wensen redelijk zijn en gecompenseerd moeten en kunnen worden. Voor het compenseren van de belemmeringen wordt gekeken welke oplossingen mogelijk zijn. Hierbij speelt opnieuw de behoefte van de Amsterdammer een rol en ook de achtergrond van de behoefte. Met deze behoeften wordt rekening gehouden, voor zover dat mogelijk is. Uiteindelijk wordt echter voor de goedkoopst adequate oplossing gekozen. Financiële mogelijkheden De financiële mogelijkheden van de Amsterdammer om zelf een oplossing aan te schaffen of te organiseren komen aan bod tijdens het onderzoek. Voor een aantal voorzieningen wordt een bijdrage in de kosten gevraagd. De Amsterdammer wordt in het onderzoek over beide zaken geïnformeerd om een goede afweging te kunnen maken. 4.2Persoonsgebonden budget (artikel 4.2 Wmo-verordening 2015) aProductbeschrijving Algemeen In de Wmo 2015 is het persoonsgebonden budget (Pgb) een gelijkwaardig alternatief voor ondersteuning in natura. Een Amsterdammer die een geïndiceerde maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget wenst, geeft dit gemotiveerd aan en hij stelt een zogenoemd Pgb-plan op, tenzij het een aanvraag voor een woonvoorziening, vervoersvoorziening of rolstoel betreft. In die gevallen is geen Pgb-plan nodig, en toetst het college de aanvraag en de aanvrager enkel op doelmatigheid, Pgb-vaardigheid en motivatie. Een persoonsgebonden budget kan worden verstrekt ten behoeve van een maatwerkvoorziening als bedoeld in hoofdstuk 4 A. van de Wmo-verordening 2015. Voor de aanvraag van een persoonsgebonden budget wordt gebruik gemaakt van het door het college vastgestelde Pgb-plan. De motivatie en Pgb-vaardigheid van de aanvrager van een persoonsgebonden budget en de doelmatigheid van het zorginhoudelijke voorstel wordt getoetst aan de hand van een door de aanvrager ingevuld Pgb-plan en een door de betrokken zorgverlener ingevuld zorgplan. Beide documenten vormen een onderdeel van het gesprek als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Wmo-verordening 2015. Indien er een Pgb-vertegenwoordiger is, wordt de Pgb-vaardigheid van die vertegenwoordiger getoetst. Hulp uit het sociale netwerk is geen vorm van vertegenwoordiging. Een cliënt die door iemand uit zijn sociale netwerk wordt geholpen bij het beheren van zijn Pgb, moet zelf bekwaam zijn. Als de cliënt het budgetbeheer door een Pgb-vertegenwoordiger laat uitvoeren, mag deze niet tevens de zorgverlener van de cliënt zijn, tenzij hiervoor door de gemeente toestemming is verleend. Er is sprake van professionele hulp als de werkzaamheden beroepsmatig uitgevoerd worden en de persoon ingeschreven staat bij de Kamer van Koophandel. De omschrijving van de bedrijfsactiviteiten van de onderneming moet aansluiten bij de te leveren diensten voor het Pgb. Er gelden voor zowel professionele als informele hulpverleners kwaliteitseisen. De cliënt dient zich ervan te vergewissen dat de betrokken hulpverlener(
- s)aan deze kwaliteitseisen voldoen. De kwaliteitseisen zijn opgenomen in bijlage 5. Combinatie van zorg in natura en persoonsgebonden budget Als een cliënt meerdere maatwerkvoorzieningen nodig heeft, is het mogelijk dat hij de ene voorziening in natura ontvangt en de andere voorziening met een Pgb zelf regelt. Het is níet mogelijk om één maatwerkvoorziening deels in natura en deels in de vorm van een Pgb te ontvangen. De beschikking De toekenningsbeschikking van het college aan de budgethouder bevat naast de in artikel 2.6 van de Wmo-verordening 2015 genoemde informatie de mededeling dat de zorgovereenkomst door de Sociale Verzekeringsbank wordt doorgezonden aan de belastingdienst. Voorzieningen Hulp bij het huishouden Het ondersteuningsplan voor hulp bij het huishouden bevat een afsprakenoverzicht waarin voor de doelen uit het ondersteuningsplan wordt beschreven wat nodig is aan huishoudelijke activiteiten en hoe deze worden bereikt; Het ondersteuningsplan met het afsprakenoverzicht is de basis voor het aantal punten dat wordt toegekend op grond waarvan het Pgb-budget wordt vastgesteld (voor uitleg zie artikel 4.2 lid 3 onder h van de verordening en bijlage 2 van deze Nadere regels). De budgethouder bepaalt met zijn hulpverlener de feitelijke inzet. Woonvoorzieningen De hoogte van het persoonsgebonden budget voor woonvoorzieningen wordt vastgesteld op het bedrag zoals vermeld in de door het college geaccepteerde offerte. Bij berekening van de kosten van een woonruimteaanpassing is het uitrustingsniveau van een sociale huurwoning bepalend. Vervoersvoorzieningen Bij koop van een individuele vervoersvoorziening wordt het persoonsgebonden budget vastgesteld op de hoogte van de goedkoopst adequate voorziening. Het budget wordt indien nodig verhoogd met een bedrag voor onderhoud of verzekering. De bedragen voor het persoonsgebonden budget worden gebaseerd op de gemeentelijke uitgaven voor de voorzieningen in natura. De volgende maatwerkvoorzieningen worden alleen als persoonsgebonden budget verstrekt. Gebruik taxi of vervoer door derden. Gebruik rolstoeltaxi of vervoer door derden. Gebruik taxi of vervoer door derden naast gebruik van fiets, scootmobiel of (elektrische) rolstoel. Aanpassing aan een eigen vervoermiddel. Rolstoelen Bij koop van een rolstoel wordt het persoonsgebonden budget vastgesteld op de hoogte van de goedkoopst adequate voorziening. Het budget wordt indien nodig verhoogd met een bedrag voor onderhoud of verzekering. De bedragen voor het persoonsgebonden budget worden gebaseerd op de gemeentelijke uitgaven voor de voorzieningen in natura. Ambulante ondersteuning De hoogte van het persoonsgebonden budget is afhankelijk van de mate van ondersteuning. Hierbij gelden de volgende uitgangspunten: Vinger aan de polscontact, om de Amsterdammer in beeld te houden, waarbij toetsend contact plaatsvindt met als doel de preventie van toename van de zorgvraag en signalering van risico op terugval: uitgangspunt 6 uur per jaar. Meer of minder uren kunnen worden toegekend als de noodzaak daartoe onderbouwd wordt. Licht intensieve ondersteuning als toetsen en adviseren nodig zijn: uitgangspunt 1,75 uur per week. Meer of minder uren kunnen worden toegekend als de noodzaak daartoe onderbouwd wordt. Matig intensieve ondersteuning als naast toetsen en adviseren ook instructie nodig is: uitgangspunt 4,5 uur per week. Meer of minder uren kunnen worden toegekend als de noodzaak daartoe onderbouwd wordt. Hoog intensieve ondersteuning als bovendien toezicht nodig is om inzicht en overzicht te houden: uitgangspunt 6 uur per week. Extra uren kunnen beargumenteerd worden toegekend als de noodzaak daartoe onderbouwd wordt. Dagbesteding Indien de aanvrager voldoet aan de criteria dan wordt dagbesteding toegekend. Voor de hoogte van het budget is het uitgangspunt 6 dagdelen per week. Extra dagdelen kunnen beargumenteerd worden toegekend als de noodzaak daartoe onderbouwd wordt. Onderstaande bepalingen geven aan wat het maximaal aantal toe te kennen dagdelen per resultaat per week is. Meedoen in de samenleving: minimaal 1 dagdeel en maximaal 9 dagdelen Meewerken in de samenleving: minimaal 3 dagdelen en maximaal 9 dagdelen Arbeidsmatige activering: minimaal 5 dagdelen en maximaal 9 dagdelen Met het resultaat ‘de mogelijkheid tot inlopen’ worden Amsterdammers bereikt die zich niet zelf bij wijkzorg melden en vaak professionele ondersteuning mijden waarvoor een melding of aanvraag nodig is. Gezien het karakter van dit resultaat is verstrekking als persoonsgebonden budget niet mogelijk. Indien geïndiceerd wordt een financiële tegemoetkoming voor vervoer naar dagbesteding toegekend. Zie paragraaf 4.10.8 voor meer informatie. Beschermd wonen Voor het vaststellen van de hoogte van een persoonsgebonden budget vormen de GGZ-C Zorgzwaartepakketten (ZZP) 3 tot en met 5 conform de AWBZ 2014 het maximum. Voor cliënten in een gezamenlijk wooninitiatief bestaat de mogelijkheid om een toeslag toe te kennen; voor de bestedingsmogelijkheden van deze toeslag wordt aangesloten bij de mogelijkheden die de gelijksoortige toeslag op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) biedt. De indicatiesteller bepaalt aan de hand van het Pgb-plan en het gesprek daarover voor welke onderdelen de cliënt in aanmerking komt. Bepalend hierbij is de mate waarin de cliënt bescherming en ondersteuning nodig heeft. Ambulante ondersteuning maakt altijd onderdeel uit van een Pgb voor beschermd wonen. De noodzaak van persoonlijke verzorging, verpleging, hulp bij het huishouden, dagbesteding en vervoer wordt separaat door de indicatiesteller bepaald. De mate waarin een cliënt dagbesteding nodig heeft, wordt bepaald aan de hand van de behoefte van de cliënt aan ondersteuning bij het verkrijgen van een dagstructuur. De noodzaak voor het bieden van vervoer door de gemeente hangt ervan af of de cliënt redelijkerwijs in staat is zelf vervoer te regelen. De indicatiesteller kan gemotiveerd afwijken van de ondersteuningswens die de cliënt in zijn Pgb-plan heeft opgenomen. Logeeropvang De hoogte van het Pgb wordt gebaseerd op een bedrag per etmaal. Het Pgb kan besteed worden om te logeren bij een professionele aanbieder van logeeropvang (bijvoorbeeld een instelling of logeerhuis). bVoorwaarden voor verstrekking In het onderstaande worden een aantal voorwaarden, beperkingen en afwijkingsmogelijkheden vastgesteld en waar nodig toegelicht. Besteding buiten Amsterdam De budgethouder kan het persoonsgebonden budget voor ten hoogste dertien weken per kalenderjaar inzetten voor betaling van zorg te verlenen tijdens zijn verblijf buiten Amsterdam. De budgethouder kan het persoonsgebonden budget voor ten hoogste zes weken per kalenderjaar inzetten voor betaling van zorg, te verlenen tijdens zijn verblijf buiten Nederland. Het college kan op aanvraag de in het eerste en tweede lid bedoelde termijn verlengen. Op besteding buiten Amsterdam zijn overigens alle verplichtingen met betrekking tot het persoonsgebonden budget van toepassing. In afwijking van het eerste en het tweede lid kan een persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden niet buiten Amsterdam worden besteed. Experimenteerruimte Het college kan in het kader van onderzoek naar nieuwe zorgvormen voorzieningen toekennen via een persoonsgebonden budget die bij wijze van experiment afwijken van deze Nadere regels. De afwijkingsbevoegdheid kan omvatten dat de voorziening voor een afwijkende periode wordt toegekend, dat de zorg in inhoud en/of vorm afwijkt, dat een monitoring- en evaluatieprocedure wordt bepaald of dat een voorziening tussentijds wordt gewijzigd. De hoogte van persoonsgebonden budget wordt bepaald aan de hand van het Pgb-tarief voor de Wmo-voorziening die het meest tegemoetkomt aan de ondersteuningsvraag. Toelichting op de experimenteerruimte Hierbij wordt gedacht aan de situatie waar voor een cliënt het huidige, bestaande aanbod niet heeft gezorgd voor de beoogde ondersteuning of verbetering van de situatie. Het is dan mogelijk om bij wijze van experiment andere, nieuwe vormen van zorg uit te proberen, om te kijken of de cliënt zo adequater ondersteund kan worden. Beperkingen keuzevrijheid In een aantal gevallen is er in beginsel geen keuze voor een persoonsgebonden budget. Er is in aanvulling op artikel 4.2 lid 2 Wmo-verordening geen keuze voor een persoonsgebonden budget als: Het een toekenning betreft voor een plek in opvang, het collectief vervoer, een auto, autobus of gesloten buitenwagen, of voor hulp bij het huishouden OGGZ of Bijzondere schoonmaak. Het een toekenning betreft voor een voorziening die reeds in natura is verstrekt of een aanpassing daaraan. De persoon met beperkingen jonger is dan 18 jaar en het een aanvraag betreft voor een roerende woonvoorziening, vervoersvoorziening of een rolstoel. Voorzienbaar is dat in de (medische) situatie van de persoon met beperkingen zich binnen de looptijd van het persoonsgebonden budget een ingrijpende wijziging voordoet en het een aanvraag betreft voor een roerende woonvoorziening, vervoersvoorziening of een rolstoel. Aan de persoon met beperkingen door het college intensieve deskundige begeleiding (casemanagement) is toegekend voor het indienen van een aanvraag en het een aanvraag betreft voor een roerende woonvoorziening, vervoersvoorziening of een rolstoel. Toelichting op de beperkingen In bovenstaande situaties wordt vanuit efficiencyoverwegingen de keuze voor een persoonsgebonden budget beperkt. Deze overwegingen zijn de volgende: Onder efficiencyoverwegingen kan ook het verantwoord laten functioneren van het collectief vervoerssysteem en de opvang vallen. Het college heeft een zwaarwegend financieel belang om rechthebbenden te laten deelnemen aan deze voorzieningen ten einde ze in stand te houden, en daarnaast bestaat het risico op dubbele kosten. Het betreft unieke en dure voorzieningen die in geval van in natura verstrekking door de gemeente worden geleased. Vanwege de leaseconstructie zou een persoonsgebonden budget waarmee een aanvrager zelf een vergelijkbare voorziening kan verwerven altijd hoger zijn dan de gemeentelijke uitgave in natura. Bovendien zijn er praktische problemen met het vaststellen van een budget voor onderhoud en verzekering, omdat de kosten sterk zijn gerelateerd aan het gebruik. Dit geldt voor auto, autobus en gesloten buitenwagen. De producten Hbh OGGZ en Hbh Bijzondere schoonmaak worden veelal verstrekt aan personen met een psychische beperking en problemen op meerdere leefgebieden, waarover onvoldoende regie gevoerd kan worden. Het betreft bovendien zorgproducten die niet op de reguliere markt te verkrijgen zijn. Daarnaast dient de uitvoerder van deze zorgproducten specifieke competenties te bezitten om de taken en werkzaamheden uit te kunnen voeren. Met name het actief kunnen signaleren van problemen en veranderingen of het motiveren van de cliënt om mee te helpen. De uitsluiting van een aanpassing aan een reeds in natura verstrekt middel voorkomt dat één voorziening twee eigenaren krijgt. Voor een reeds verstrekt middel dat nog adequaat is wordt geen persoonsgebonden budget verstrekt. De voorziening zal kortere tijd adequaat zijn dan de looptijd van het budget. Bij de in natura verstrekking kunnen de in deze situatie verstrekte voorzieningen worden herverstrekt. Omdat herverstrekking van een door een cliënt met een persoonsgebonden budget gekocht middel zeer complex, zo niet onmogelijk is, ontstaan hoge extra kosten. Dit treedt op bij voorzieningen voor kinderen, voor zover die voorzieningen ‘mee moeten groeien’, en bij mensen bij wie te voorzien is dat de (medische) situatie zich binnen de looptijd van het budget ingrijpend zal wijzigen. De combinatie van een persoonsgebonden budget met intensieve begeleiding maakt dat de functie van casemanager anders en moeilijker wordt. De casemanager heeft onder andere als taak het afstemmen van beslissingen en leveringen van voorzieningen van de gemeentelijke backoffices en leveranciers voor mensen in complexe situaties. Als een cliënt zou kiezen voor verstrekking in de vorm van een persoonsgebonden budget, dan zou de casemanager zich ook bezig moeten gaan houden met begeleiding van mensen bij het verwerven van voorzieningen op de vrije markt, waarbij de afstemming op genoemde punten wordt bemoeilijkt. 4.3 Ambulante ondersteuning (artikel 4.3 Wmo-verordening 2015) a Productbeschrijving Ambulante ondersteuning wordt geboden aan Amsterdammers met een ondersteuningsvraag op het gebied van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie en vindt plaats op individuele basis of in groepsverband. Ambulante ondersteuning is gericht op het verhogen van de kwaliteit van leven en op persoonlijke ontplooiing van de individuele Amsterdammer waarbij de zelfredzaamheid,en de maatschappelijke participatie wordt bevorderd, gestabiliseerd of ondersteuning wordt geboden bij achteruitgang. Dit wordt bereikt door het behalen van concrete resultaatafspraken. Hierbij wordt altijd rekening gehouden met individuele omstandigheden en mogelijkheden. Ambulante ondersteuning kan na informatie en advies en vraagverheldering zowel kort- als langdurig en in meer of mindere mate intensief geboden worden. Indien er sprake is van uitsluitend kortdurende inzet van ambulante ondersteuning, minder dan 12 weken, wordt een verslag gemaakt. Voor ambulante ondersteuning voor een periode van 12 weken of langer, wordt een verslag in de vorm van een ondersteuningsplan opgesteld. Ambulante ondersteuning kent drie te bereiken resultaten: Grip op het dagelijks leven en persoonlijk functioneren Opbouwen en onderhouden sociaal netwerk Deelnemen aan het maatschappelijk leven Het ontlasten van mantelzorgers kan onderdeel uitmaken van de resultaten. Grip op het dagelijks leven en persoonlijk functioneren Dit resultaat richt zich op het bieden van ondersteuning bij het uitvoeren en structureren van dagelijkse, praktische vaardigheden op alle voor de Amsterdammer relevante levensgebieden. Het hebben of het creëren van een stabiele leefsituatie waarbij de administratie en andere zaken op orde zijn, maakt hiervan onderdeel uit. De Amsterdammer wordt, waar nodig, ondersteund bij het uitvoeren van activiteiten, het aanleren van vaardigheden en het nemen van besluiten. Als de Amsterdammer tijdens het werken aan doelen uit het ondersteuningsplan beperkingen ondervindt door zijn gedrag, kan het verkrijgen van inzicht in het effect van dit gedrag onderdeel uitmaken van de ondersteuning. Opbouwen en onderhouden sociaal netwerk Dit resultaat richt zich op het bieden van ondersteuning bij het aangaan en onderhouden van sociale contacten, om eenzaamheid te voorkomen en het sociale netwerk te vergroten, zodat het sociale netwerk van de Amsterdammer ook zoveel mogelijk steun en een positieve bijdrage aan de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt kan leveren. Het verkrijgen van inzicht in het effect van het sociale netwerk op het persoonlijk functioneren van de Amsterdammer kan onderdeel van de ambulante ondersteuning zijn. Deelnemen aan het maatschappelijk leven Dit resultaat betreft het bieden van ondersteuning bij participatie in de samenleving. De Amsterdammer wordt ondersteund bij het realiseren en behouden van wat hij wil en kan bijdragen aan de samenleving. Denk hierbij bijvoorbeeld aan deelnemen aan buurtactiviteiten, groepsactiviteiten, vrijwilligerswerk, betaald werk, dagbesteding, opleiding, etc. De Amsterdammer krijgt ondersteuning bij het vinden en ondernemen van passende activiteiten waarmee hij (zo goed mogelijk) in staat is om deel te nemen aan het maatschappelijke leven. Inzet van ambulante ondersteuning kan leiden tot de inzet van de Wmo voorziening dagbesteding. b Voorwaarden voor verstrekking Ambulante ondersteuning wordt geboden aan Amsterdammers die beperkingen hebben bij het zelfstandig functioneren of zonder de ondersteuning risico lopen om hun zelfredzaamheid te verliezen. Als de ondersteuningsvraag op het gebied van zelfredzaamheid en participatie niet met voorliggende voorzieningen is op te lossen, kan een aanvraag worden gedaan voor ambulante ondersteuning. Bij de beoordeling van deze aanvraag blijft het versterken van de eigen kracht en het inzetten van de voorliggende oplossingen het uitgangspunt. Als de noodzaak voor het inzetten van ambulante ondersteuning is vastgesteld worden met de Amsterdammer in een verslag of ondersteuningsplan de afspraken vastgelegd. In een ondersteuningsplan staan de beoogde resultaten, doelen en activiteiten. Tevens wordt vastgelegd voor welke periode en met welke frequentie de ondersteuning wordt ingezet. Het uitgangspunt is dat de geboden ondersteuning niet zwaarder of langer wordt ingezet dan nodig is. Uitgangspunt is dat jaarlijks een evaluatie plaatsvindt of, en zo ja welke afspraken er nodig zijn voor de inzet van ambulante ondersteuning. Bij ambulante ondersteuning wordt eerst gekeken naar wat de Amsterdammer zelf kan en welke ondersteuning zijn sociale netwerk kan bieden. De mate van zelfredzaamheid van de Amsterdammer wordt onderzocht en gestimuleerd. Op basis daarvan wordt vastgesteld welke ondersteuning vanuit de gemeente aanvullend noodzakelijk is. Het inzetten van eigen kracht Hierbij kan in dit kader gedacht worden aan het handhaven van voorzieningen die al ingezet waren, zoals een belastingadviseur. Denk ook aan praktische oplossingen, zoals het kopen van een agenda en het plakken van briefjes ter herinnering aan taken. Het vergroten van de inzet van het eigen sociale netwerk Onderzocht wordt op welke wijze de Amsterdammer door zijn netwerk ondersteund kan worden, bijvoorbeeld door familieleden, vrienden of buren. Het gaat hier allereerst om de zogenoemde gebruikelijke hulp (zie ook hoofdstuk 2). Gebruikelijke hulp is de normale, dagelijkse begeleiding die partners, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten geacht worden elkaar onderling te bieden (zie hoofdstuk 2.3). Daarnaast wordt in het persoonlijke netwerk van de Amsterdammer gezocht naar aanvullende ondersteuning op basis van vrijwilligheid of wederkerigheid. Hierbij kan gedacht worden aan één van de kinderen die de Amsterdammer helpt bij het maken van en begeleiden naar afspraken, een tante die ondersteunt bij de administratie of buren die telefonisch de ‘vinger aan de pols’ houden. Ook kan gedacht worden aan een maatje die de Amsterdammer ergens heen begeleidt, een telefooncirkel en het inschakelen van een sport-, muziek- of andere vereniging. Een beroep doen op andere wetgeving Indien een Amsterdammer een Wlz indicatie heeft of daarvoor in aanmerking komt, vindt de benodigde individuele begeleiding in het kader van de Wlz plaats en niet in het kader van de Wmo. Het gebruik maken van voorzieningen sociale basis Bij het aanbod in de sociale basis kan bijvoorbeeld gedacht worden aan ondersteuning vanuit een Huis van de Wijk/buurthuis of de inzet van vrijwilligers. Tot slot staat hieronder een aantal afbakeningen met betrekking tot ambulante ondersteuning. Afbakening ambulante ondersteuning en maatschappelijke dienstverlening Maatschappelijke dienstverlening is een voorliggende voorziening op ambulante ondersteuning. Bij de maatschappelijke dienstverlening in de wijken kunnen Amsterdammers op een laagdrempelige manier met kortdurende problemen terecht, bijvoorbeeld bij problemen met het omgaan met geld of omgaan met conflictsituaties. Amsterdammers worden geholpen deze te ordenen en op te lossen zodat ze het voortaan zelf weer kunnen. Maatschappelijke dienstverlening vindt plaats op de locatie waar de maatschappelijke dienstverlening is gehuisvest. Als taken overgenomen moeten worden, onder begeleiding uitgevoerd of thuis getraind moeten worden, dan is ambulante ondersteuning passender. Afbakening ambulante ondersteuning en hulp bij het huishouden Hulp bij het huishouden betreft het overnemen van huishoudelijke activiteiten die de Amsterdammer niet meer zelf kan uitvoeren, al dan niet in combinatie met de regievoering over deze activiteiten. Regievoering over het huishouden kan inhouden dat de huishoudelijke hulp de Amsterdammer actief stimuleert huishoudelijke activiteiten uit te voeren waarbij toezicht nodig is. Bij de Amsterdammer die uitsluitend beperkingen ervaart ten aanzien van het doen van het huishouden wordt de voorziening hulp bij het huishouden ingezet. Als de Amsterdammer alleen regie over huishoudelijke taken nodig heeft en geen hulp bij het huishouden, wordt ambulante ondersteuning ingezet. Hierbij valt te denken aan het plannen en voorbespreken van huishoudelijke activiteiten waarna de Amsterdammer deze zelfstandig kan uitvoeren. Een ambulant ondersteuner voert geen huishoudelijke taken uit. Afbakening persoonlijke verzorging Wmo en persoonlijke verzorging Zorgverzekeringswet Persoonlijke verzorging betreft meestal het overnemen van zelfzorg die de Amsterdammer niet meer zelf kan doen, al dan niet in combinatie met de regievoering over deze activiteiten. Het gaat bijvoorbeeld om in- en uit bed gaan, wassen, lichamelijke verzorging, bewegen, toiletgang, eten/drinken, aan- en uitkleden. Als er sprake is van het structureren, organiseren of aansporen van persoonlijke verzorging door een regieprobleem kan dit onderdeel uitmaken van de ambulante ondersteuning binnen de Wmo. In dit geval heeft de Amsterdammer naar verwachting ook beperkingen bij de uitvoering en regievoering van andere dagelijkse activiteiten waarvoor ambulante ondersteuning nodig is. In alle andere situaties valt persoonlijke verzorging onder de Zorgverzekeringswet. Inname, attenderen op, aanreiken en toedienen van medicatie zijn altijd handelingen binnen de persoonlijke verzorging onder de Zorgverzekeringswet. Het toekennen van alléén persoonlijke verzorging is vanuit de Wmo niet mogelijk. Afbakening ambulante ondersteuning Wmo en behandeling Zorgverzekeringswet Behandeling binnen de Zorgverzekeringswet betreft werken aan geformuleerde verbeterdoelen op een gestructureerde en methodische manier. Hiervoor is specifieke (para)medische deskundigheid vereist van bijvoorbeeld een fysio- of ergotherapeut, psycholoog of psychiater. Behandeling kan gericht zijn op herstel van ziekte, aandoening of beperking, maar ook op het voorkomen van verergering. Onder behandeling valt ook het leren omgaan met (de gevolgen van) een ziekte, aandoening of beperking en het aanleren van nieuw gedrag. Als het gaat om oefenen, ondersteuning bij inslijten van vaardigheden, handelingen, gedrag en ondersteuning bij het aanbrengen van structuur of het voeren van regie, kan dit ook onder ambulante ondersteuning vallen. De vaardigheden, handelingen en gedrag kunnen in een (para)medisch voortraject als onderdeel van behandeling al aangeleerd zijn. Behandeling en ambulante ondersteuning kunnen naast elkaar bestaan en elkaar versterken. Behandeling kan invloed hebben op de intensiteit en duur van de ambulante ondersteuning. Van de Amsterdammer wordt verwacht dat hij zo optimaal mogelijk gebruik maakt van bestaande behandelmogelijkheden. Bij twijfel of er nog behandeling mogelijk is, kan een medisch advies worden opgevraagd. Afbakening ambulante ondersteuning en beschermd wonen Wmo Als de Amsterdammer gebruik maakt van de voorziening beschermd wonen, geldt dat geen ambulante ondersteuning ingezet kan worden. Beschermd wonen is namelijk een totaalpakket waarbij de ondersteuning (bij beschermd wonen begeleiding genoemd) al 24 uur per dag beschikbaar is. ~ 4.4Dagbesteding (artikel 4.4 Wmo-verordening 2015) aProductbeschrijving Dagbesteding is een Wmo-voorziening die geboden wordt aan Amsterdammers die als gevolg van een beperking of specifieke omstandigheid onvoldoende zelfredzaam zijn op het gebied van een zinvolle invulling van de dag, het hebben van sociale contacten en maatschappelijke deelname. Dagbesteding begeleidt de Amsterdammer bij het bevorderen en behouden van zelfredzaamheid en biedt begeleiding bij achteruitgang van zelfredzaamheid. Een cliënt kan ook in aanmerking komen voor dagbesteding als overbelasting van mantelzorgers daarmee wordt voorkomen. Dagbesteding wordt aangeboden in een groep, of is gericht op het hebben van contacten met meerdere personen. De begeleiding is deskundig in het bieden van passende activiteiten, structuur, toezicht en/of zorg en richt zich daarnaast ook op een afgewogen samenstelling van de groep en de omgeving waarin de dagbesteding plaatsvindt. Van de Amsterdammer wordt verwacht dat hij zelf regelt dat hij op de afgesproken momenten aanwezig is op de dagbestedingslocatie. Dagbesteding kent vier te bereiken resultaten: de mogelijkheid tot inlopen, meedoen in de samenleving, meewerken in de samenleving en arbeidsmatige activering. Deze resultaten hebben een logische opbouw in de mate van prestaties die de Amsterdammer per resultaat kan behalen. De mogelijkheid tot inlopen Dit resultaat biedt een laagdrempelige inloopmogelijkheid voor het zinvol invullen van de dag. De Amsterdammer heeft hier de mogelijkheid tot het vinden van een beschutte omgeving in combinatie met sociaal contact. Met deze inloop worden Amsterdammers bereikt die zich niet zelf bij wijkzorg melden en vaak professionele ondersteuning mijden waarvoor een melding of aanvraag nodig is. Er is deskundige begeleiding aanwezig voor het herkennen van problematiek en om vertrouwen te wekken, om zorg te starten, ook als de Amsterdammer daar nog weerstand tegen heeft. Het doel van de inloop kan ook zijn dat er een ondersteuningsplan wordt opgesteld of doorverwijzing plaatsvindt. Meedoen in de samenleving Dit resultaat biedt de Amsterdammer ondersteuning in groepsverband om (duurzame) sociale contacten op te bouwen, te onderhouden en mee te doen in Amsterdam. Het tegengaan van sociaal isolement en eenzaamheid, het hebben of creëren van een stabiele dagstructuur en het oefenen van vaardigheden kunnen doelen van de ondersteuning zijn. De Amsterdammer wordt ondersteund en in staat gesteld om met een zekere regelmaat naar een veilige en bekende dagbestedingslocatie te komen. Als de Amsterdammer dit wil, wordt hij ondersteund om talenten te ontwikkelen of uit te breiden. Meewerken in de samenleving Het resultaat meewerken in de samenleving is bedoeld om Amsterdammers in staat te stellen zingevende activiteiten, zoals vrijwilligerswerk te verrichten. Er wordt voor de Amsterdammer een actieve en veilige dagbestedingsplek gecreëerd voor het opbouwen of behouden van een levensritme en arbeidstijden. Het ontwikkelen van voor de Amsterdammer zinvolle activiteiten kan hier onderdeel van zijn. Arbeidsmatige activering Bij arbeidsmatige activering krijgt de Amsterdammer ondersteuning bij het ontwikkelen of behouden van arbeidsmatige vaardigheden én bij het beroep passende sociale en communicatieve vaardigheden. Dat gebeurt in een veilige beroepsmatige omgeving. De activiteiten worden uitgevoerd in groeps- of teamverband of individueel waarbij het hebben van contact met anderen een beoogd doel is. Arbeidsmatige activering richt zich op het aanleren en toepassen van werknemersvaardigheden en bij uitstek op doorstroom naar vormen van betaald werk. b Voorwaarden voor verstrekking Dagbesteding wordt geboden aan Amsterdammers die beperkingen hebben bij een zinvolle tijdsbesteding met sociale contacten en maatschappelijk verkeer. Als de ondersteuningsvraag op het gebied van dagbesteding niet met voorliggende voorzieningen is op te lossen, kan een aanvraag worden gedaan voor de maatwerkvoorziening dagbesteding. Bij de beoordeling van deze aanvraag blijft het versterken van de eigen kracht en de het inzetten van voorliggende oplossingen het uitgangspunt. Het resultaat de mogelijkheid tot inlopen is als uitzondering op de andere resultaten van dagbesteding toegankelijk zonder aanvraag, voorafgaand gesprek of ondersteuningsplan, maar kan daar wel toe leiden. Gezien het karakter van dit resultaat is verstrekking als persoonsgebonden budget niet mogelijk. Uitgangspunt in het vraagverhelderingsgesprek is dat bij Amsterdammers vanaf 18 jaar tot aan de pensioengerechtigde leeftijd de mogelijke inzet van arbeidsmatige activering als eerste wordt beoordeeld en daarnaast ook het kunnen functioneren in een groep of in contact met anderen. Het best passende resultaat wordt ingezet. De toeleiding naar betaald werk is leidend. Amsterdammers tot 18 jaar kunnen bij uitzondering, met een overdracht vanuit de Jeugdwet en/of de Participatiewet, ook dagbesteding vanuit de Wmo ontvangen. De resultaten de mogelijkheid tot inlopen en meedoen in de samenleving zijn uitsluitend in groepsverband mogelijk. De geboden ondersteuning wordt niet zwaarder of langer ingezet dan nodig is. Uitgangspunt is dat jaarlijks een evaluatie plaatsvindt of, en zo ja welke afspraken er nodig zijn voor de inzet van dagbesteding. Als het vervoer naar dagbesteding vanwege beperkingen niet zelfstandig mogelijk is, dient de Amsterdammer eerst een beroep te doen op de inzet van het sociaal netwerk of andere informele oplossingen. Als deze opties niet voorhanden zijn dan bespreekt hij mogelijke vervoersalternatieven met de zorgaanbieder, die vanuit gemaakte afspraken met de gemeente Amsterdam een passende vervoersoplossing zal bieden. In het geval van een Pgb is een financiële tegemoetkoming voor vervoer van en naar dagbesteding mogelijk (zie paragraaf 4.10.8). Bij dagbesteding wordt eerst gekeken naar wat de Amsterdammer zelf kan en welke ondersteuning zijn sociale netwerk kan bieden. De mate van zelfredzaamheid van de Amsterdammer wordt onderzocht en gestimuleerd. Op basis daarvan wordt vastgesteld welke ondersteuning vanuit de gemeente aanvullend noodzakelijk is. Het inzetten van eigen kracht Hierbij kan gedacht worden aan oplossingen die iemand al had ingezet voordat de beperking optrad, het deelnemen aan activiteiten voor en door bewoners in de buurt, aansluiting vinden bij verenigingen of clubs, het volgen van cursussen, het uitbouwen van hobby’s, het zoeken van vrijwilligerswerk, onderwijs of een reguliere baan. Het vergroten van de inzet van het eigen sociale netwerk Hierbij kan gedacht worden aan familieleden, vrienden of kennissen die een vorm van dagbesteding organiseren voor de Amsterdammer, zoals iemand die een vast dagdeel op bezoek komt, iemand die de Amsterdammer meeneemt naar een sociale gelegenheid of een vrijwilliger die wekelijks met de Amsterdammer gaat wandelen. Voor zover het gebruikelijk is dat partners, ouders, inwonende kinderen en/of andere huisgenoten elkaar bepaalde begeleiding bieden, is ondersteuning vanuit de Wmo niet aan de orde. Een beroep doen op andere wetgeving De Wet langdurige zorg (Wlz) en de Zorgverzekeringswet (Zvw) kunnen voorliggend zijn op ondersteuning vanuit de Wmo. De Wlz kan voorliggend zijn als blijvend 24 uur per dag zorg in de nabijheid en/of permanent toezicht nodig is. De Zvw kan voorliggend zijn als behandeling mogelijk is. Wanneer de doelgroep te maken heeft met meervoudige domeinoverstijgende problematiek op het terrein van de Jeugdwet, de Wet maatschappelijke ondersteuning of de Participatiewet wordt voor een goede afstemming van de ondersteuning gezorgd. Het gebruik maken van aanbod in de sociale basis Voorzieningen in de sociale basis kunnen een oplossing bieden voor de problemen op het gebied van dagbesteding. Hierbij kan gedacht worden aan activiteiten voor en door bewoners zoals eettafels, koffieochtenden en wandelgroepen. Maar ook aan activiteiten gericht op het met elkaar kennis laten maken van mensen uit de buurt, stadsdeel of buurtgebonden voorzieningen zoals Algemene Ontmoetingscentra (AOC) en ‘een huis van de buurt’. Tot slot staat hieronder nog een aantal afbakeningen met betrekking tot dagbesteding. Afbakening dagbesteding met ambulante ondersteuning Ambulante ondersteuning en dagbesteding onderscheiden zich in de te behalen resultaten en de aard van de begeleiding. Daar waar ambulante ondersteuning zich richt op de beperkingen bij het zelfstandig functioneren van de Amsterdammer die zonder ondersteuning risico loopt om de zelfredzaamheid te verliezen, richt dagbesteding zich op het hebben van sociale contacten en zinvolle activiteiten. Daarbij vindt de begeleiding bij ambulante ondersteuning individueel plaats en bij dagbesteding in groepsverband of in ieder geval in contact met anderen. Afbakening dagbesteding Wmo en dagbesteding Wlz en Zvw Als de Amsterdammer een Wlz-indicatie heeft dan is de daaruit gefinancierde dagbesteding voorliggend op dagbesteding uit de Wmo. Na of tijdens Zvw-behandeling kan de Amsterdammer behoefte hebben aan dagbesteding. Als de zelfredzaamheid van de Amsterdammer naar verwachting onvoldoende blijft dan is ondersteuning vanuit de Wmo een mogelijkheid. Het betreft dan ondersteuning bij sociale en maatschappelijke participatie van de cliënt, als het gaat om toepassen, ondersteunen bij inslijten of behouden van vaardigheden/handelingen. 4.6Opvang en Beschermd wonen 4.6.1Maatschappelijke opvang (artikel 4.5, eerste lid Wmo-verordening 2015) a Productbeschrijving In de maatschappelijke opvang zijn in Amsterdam vijf clusters van voorzieningen te onderscheiden: Begeleid wonen met reguliere (niet- intensieve) begeleiding Groepswonen met reguliere (niet- intensieve) begeleiding Intramuraal (24 uurs) met reguliere (niet- intensieve) begeleiding Gezinsopvang Meerzorg (specifieke opvang voor mensen met somatische problematiek) Toegang wordt beoordeeld door de Centrale Toegang aan de hand van de criteria in de verordening en aan de hand van de zelfredzaamheidsmatrix. De Centrale Toegang is samengesteld uit instroomfunctionarissen en trajecthouders van aanbieders en medewerkers van de GGD Amsterdam. Na toelating tot de maatschappelijke opvang worden cliënten toegewezen aan een cluster van voorzieningen. De GGD Amsterdam bepaalt aan de hand van een stedelijke wachtlijst wanneer welke cliënt geplaatst wordt. Voor slachtoffers van huiselijk geweld wordt voorzien in crisisopvang. Deze duurt in beginsel maximaal zes weken; in uitzonderingsgevallen kunnen daar zes weken bij komen. Het doel van de crisisopvang is dat de slachtoffers en eventueel hun kinderen tot rust komen en bedenken welke stappen er voor de toekomst nodig zijn. Het eerste wat er in de crisisopvang gebeurt, is bekijken hoe groot het actuele risico op geweld is. Als het erop lijkt dat de problemen uit de hand lopen, bekijkt de hulpverlener welke actie er nodig is. Dat gebeurt altijd samen met het slachtoffer en met eventuele kinderen. Als de veiligheid dat toelaat wordt ook de pleger van het geweld hierbij betrokken. Bij acute dreiging of geweld kan de politie worden ingeschakeld. In levensbedreigende situaties kunnen cliënten, in overleg met de gezinshulpverlener, opgevangen worden in een ‘Safe House’ of op een andere locatie elders in het land. bVoorwaarden voor verstrekking De Wmo-verordening 2015 noemt in de artikelen 4.1 en 4.5 lid 1 een aantal criteria. Eerst wordt beoordeeld of iemand in aanmerking komt voor maatschappelijke opvang. Die beoordeling vindt plaats op basis van toelatingscriteria. De toegang tot opvang in Amsterdam is voorbehouden aan een persoon die: De Nederlandse nationaliteit heeft, of als vreemdeling rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000. Toelichting In uitzonderlijke situaties wordt ook aan ‘niet rechthebbenden’ tijdelijk toegang verleend tot de maatschappelijke opvang. Het gaat om situaties die mensonterend zijn, of waarbij zonder opvang kinderen (jonger dan 18 jaar) op straat zouden moeten verblijven. Grondslag hiervoor is de werking van internationale mensenrechtenverdragen, met name artikel 8 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Tegelijkertijd is sprake van een cliënt die feitelijk of residentieel dakloos is, al dan niet voorafgaand aan opname in een (psychiatrische) kliniek, of aan detentie, en beperkt zelfredzaam is op meerdere door het college aan te wijzen leefgebieden, en niet beschikt over alternatieven die de situatie van feitelijke of residentiële dakloosheid op kunnen heffen. Toelichting Om vast te kunnen stellen of iemand feitelijk dan wel residentieel dakloos is wordt de woongeschiedenis van een cliënt in kaart gebracht, waar mogelijk ondersteund door gegevens uit de Basisregistratie Personen (BRP). Zeer beperkte zelfredzaamheid betreft in hoofdzaak de leefgebieden psychiatrie en verslaving. Dit wordt in beeld gebracht met behulp van de zogenoemde Zelfredzaamheidsmatrix (ZRM). Met de ZRM kan een intaker een gestandaardiseerde beoordeling geven van de zelfredzaamheid van een persoon. Onder zelfredzaamheid wordt daarbij verstaan: het vermogen om zich te kunnen redden in de huidige situatie op het gespecificeerde levensdomein. Het betreft daarbij de volgende levensdomeinen: inkomen, dagbesteding, huisvesting, gezinsrelaties, geestelijke gezondheid, fysieke gezondheid, verslaving, ADL vaardigheden, sociaal netwerk, maatschappelijke participatie en justitie. Als een persoon voldoet aan bovenstaande criteria, wordt vervolgens beoordeeld in welke plaats die persoon de meeste kans heeft op een succesvol traject. Binding is daarbij het sleutelbegrip. Tegelijkertijd voorkomt dit criterium dat mensen in grote aantallen zich voor opvang wenden tot Amsterdam, en de toch al hoge druk op de voorzieningen en woningmarkt onevenredig groot worden. Als Amsterdam de aangewezen plek voor opvang is wordt vervolgens bij de plaatsing altijd voor de lichtst mogelijke oplossing gekozen, passend bij de mogelijkheden van de cliënt. Dat betekent dat plaatsing in het cluster begeleid wonen de voorkeur heeft boven plaatsing in een van de andere clusters. Er worden drie aspecten betrokken bij de vaststelling of iemand binding heeft met de regio Amsterdam: regiobinding, zorgkader en sociaal netwerk. Deze aspecten wegen even zwaar. Regiobinding Om vast te kunnen stellen of een persoon regiobinding heeft wordt de BRP geraadpleegd. Indien de BRP geen uitkomst biedt moet de cliënt aantonen dat hij/zij in de afgelopen drie jaar twee jaar in Amsterdam verbleef (bijvoorbeeld middels brieven van officiële instanties/bankafschriften/justitieel verleden, contacten met hulpverleners). Zorgkader Het gaat hier om afwegingen als: Waar is cliënt aantoonbaar bekend bij de hulpverlening of in behandeling bij een (GGZ) zorgaanbieder, en is daarbij sprake van een duurzame relatie? Heeft de cliënt specifieke zorg nodig die niet wordt aangeboden in de regio waar de aanvrager binding mee heeft en die wel in Amsterdam beschikbaar is? Sociaal netwerk Dit gaat om de afweging of het sociaal netwerk van de cliënt in Amsterdam (familie, vrienden), positieve invloed heeft op een succesvol traject in Amsterdam. Ook een eventuele in Amsterdam doorgebrachte periode in het verleden wordt hier bij betrokken. Landelijke toegankelijkheid (4.5, vierde lid Wmo-verordening 2015) Als uit de beoordeling blijkt dat een cliënt niet in Amsterdam maar in een andere regio moet worden opgevangen, dan vindt vanuit Amsterdam overdracht plaats naar die andere regio. De reikwijdte van die overdracht strekt zich uit van verwijzing tot en met persoonlijke begeleiding naar de betreffende gemeente. Dit is afhankelijk van de mate van zelfredzaamheid van de cliënt. Amsterdam volgt hiermee de handreiking landelijke toegankelijkheid en regiobinding maatschappelijke opvang van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Hardheidsclausule Voor gevallen, anders dan die benoemd voor vreemdelingen zonder verblijfstatus (zie hierboven voor de uitgangspunten daarbij), is voorzien in een hardheidsclausule voor uitzonderlijke omstandigheden waarbij de betrokken persoon kort gezegd overal tussen wal en schip dreigt te vallen. Dit is een individuele beoordeling en daarvoor is de afwijkingsbevoegdheid bij het college belegd. 4.6.2Hulp en opvang na huiselijk geweld (artikel 4.5, tweede lid Wmo-verordening 2015) a Productbeschrijving Voor slachtoffers van huiselijk geweld wordt voorzien in opvang en de bijbehorende begeleiding. Opvang via een noodbed, maximaal vijf dagen, is bedoeld voor volwassenen en hun eventuele kinderen die als gevolg van ernstig geweld de thuissituatie acuut moeten verlaten. Voor slachtoffers van huiselijk geweld wordt voorzien in crisisopvang voor in beginsel zes weken met als doel slachtoffers en eventueel hun kinderen tot rust te laten komen en verder te werken aan stabilisatie en analyse van de problematiek. Plaatsing in een safehouse vindt plaats bij acuut (levens)gevaar. Ambulante hulpverlening voor slachtoffers van huiselijk geweld kent verschillende aspecten. Allereerst het geven van informatie en advies zodat cliënt zelfstandig veilig verder kan. Daarnaast zijn er lichte, middelzware en intensieve trajecten die tot doel hebben dat in het gezin geen huiselijk geweld meer voorkomt en/of dat de gezinsleden hebben geleerd hoe ze op niet-gewelddadige manier om kunnen gaan met conflicten en andere aanleidingen tot huiselijk geweld. Ambulante hulpverlening omvat ook nazorg zodat cliënt zelfstandig verder kan leven en zelf zorg kan dragen voor de veiligheid van zichzelf en het gezin. bVoorwaarden voor verstrekking De toegang tot hulp en opvang na huiselijk geweld, kent afwijkende criteria die zijn vastgelegd in de Wmo-verordening in artikel 4.5 lid 2. Veiligheid is het belangrijkste criterium. 4.6.3Beschermd wonen (artikel 4.5, derde lid Wmo-verordening 2015) a Productbeschrijving Beschermd wonen gaat om het bieden van onderdak en begeleiding aan personen van 18 jaar en ouder met een psychische aandoening en/of verstandelijke beperking die (nog) niet geheel zelfstandig kunnen functioneren binnen de samenleving. Centraal staat op participatie gerichte ondersteuning vanuit een beschermende woonomgeving. De voorzieningen voor beschermd wonen worden in Amsterdam onderverdeeld in vier clusters: Begeleid wonen met intensieve begeleiding Groepswonen met intensieve begeleiding Intramuraal (24-uurs) met intensieve begeleiding Meerzorg (specifieke opvang voor mensen met somatische problematiek) Persoonlijke verzorging en verpleging kunnen onderdeel zijn van de voorziening beschermd wonen. Toegang wordt beoordeeld door de Centrale Toegang aan de hand van de criteria in de Wmo-verordening 2015 en aan de hand van beslisbomen die deze criteria vertalen in een handleiding. De Centrale Toegang is samengesteld uit instroomfunctionarissen en trajecthouders van aanbieders en medewerkers van de GGD Amsterdam. Na toelating tot beschermd wonen worden cliënten toegewezen aan een cluster van voorzieningen. De GGD Amsterdam bepaalt aan de hand van een stedelijke wachtlijst wanneer welke cliënt geplaatst wordt. Indien er een wachttijd is voor plaatsing, verwijst de Centrale Toegang naar overbruggingszorg. bVoorwaarden voor verstrekking De Wmo-verordening 2015 noemt in de artikelen 4.1 en 4.5 lid 3 een aantal criteria. Van belang is, dat de Centrale Toegang bij de beoordeling tot toegang altijd voor de lichtste oplossing kiest, passend bij de mogelijkheden van de cliënt. Dat betekent dat plaatsing in het cluster begeleid wonen de voorkeur heeft boven plaatsing in een van de andere clusters. De toegang tot beschermd wonen in Amsterdam is voorbehouden aan een persoon die: De Nederlandse nationaliteit heeft, of als vreemdeling rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000. Toelichting Cliënt dient de noodzakelijke documenten te overleggen (geldig identiteitsbewijs, verblijfsstatus). Tegelijkertijd sprake is van een cliënt die een psychiatrische aandoening heeft en/of een verstandelijke beperking, en waarbij er voor hem sprake is van noodzaak tot bescherming van zichzelf of zijn omgeving, waarbij die noodzaak direct voortkomt uit de psychiatrische aandoening en/of de verstandelijke beperking, en die niet beschikt over alternatieven die de noodzaak voor beschermd wonen op kunnen heffen. Toelichting Uitgangspunt: de huidige cliëntgroep (in 2014) heeft de AWBZ-indicatie zorgzwaartepakket (ZZP) C; psychiatrische aandoening is daarvoor een grondslag. In de wettekst wordt ook de grondslag psychosociaal genoemd. Die laatstgenoemde groep kan: als sprake is van dakloosheid en beperkte zelfredzaamheid vallen onder de doelgroep voor de opvang; als geen sprake is van dakloosheid ondersteund worden in de thuissituatie (dus lichter Wmo-aanbod, zoals ambulante ondersteuning; als geen sprake is van beperkte zelfredzaamheid maar wel van dakloosheid gebruik maken van lichter Wmo-aanbod, zoals maatschappelijke dienstverlening. De criteria beogen enerzijds het benoemen van de cliëntgroep voor de Wmo en tegelijkertijd afbakening naar: lichtere groepen (voormalige ZZP 1 en 2 GGZ, huidige MO) zwaardere groepen (huidige GGZ ZZP B, die tot de doelgroep van de Wlz dan wel Zvw behoren) andere problematiek die op de voorgrond staat (bijvoorbeeld somatiek) Daarom hanteert Amsterdam de volgende criteria: noodzaak van bescherming die voortvloeit uit psychiatrische aandoening en/of verstandelijke beperking afbakening naar Wlz en naar lichtere groepen de psychiatrische aandoening moet leiden tot de noodzaak tot bescherming, dus: er moet een noodzaak tot bescherming zijn hiermee worden lichtere cliëntgroepen uitgesloten die moet direct verbonden zijn aan de psychiatrische aandoening en/of de verstandelijke beperking (zoals nu wordt omgegaan met dominante problematiek) ter voorkoming dat mensen waarbij somatiek op de voorgrond staat onbedoeld aanspraak gaan maken op beschermd wonen Het criterium dat geen noodzaak tot 24-uurs toezicht (nabijheid) van behandelaar is, is bedoeld ter verduidelijk van de afbakening met de Wlz. Doel van het benadrukken dat er geen alternatieven zijn, is ter afbakening naar het eigen netwerk, maar ook ten opzichte van ‘lichtere’ vormen van maatschappelijke opvang. Als een persoon voldoet aan bovenstaande criteria wordt, indien het een persoon betreft die vanwege een psychiatrische aandoening een noodzaak tot bescherming heeft, vervolgens beoordeeld in welke gemeente die persoon de meeste kans heeft op een succesvol traject. Binding is daarbij het sleutelbegrip. Er worden drie aspecten betrokken bij de vaststelling of iemand binding heeft met de regio Amsterdam. Alle drie soorten binding worden even zwaar gewogen en dienen primair om vast te stellen in welke plaats de aanvrager het meeste kans heeft op een succesvol traject. Het gaat om: - regiobinding - zorgkader - sociaal netwerk Deze bindingtoets is niet van toepassing op een persoon die vanwege een verstandelijke beperking bescherming nodig heeft. Alleen ingezetenen van de gemeente Amsterdam met een verstandelijke beperking kunnen een beroep doen op de functie beschermd wonen binnen Amsterdam. Regiobinding Om vast te kunnen stellen of een persoon regiobinding heeft wordt het BRP geraadpleegd. Indien het BRP geen uitkomst biedt moet de cliënt aantonen dat hij/zij in de afgelopen drie jaar twee jaar in Amsterdam verbleef (bijvoorbeeld middels brieven van officiële instanties/bankafschriften/justitieel verleden, contacten met hulpverleners). Zorgkader Het gaat hier om afwegingen als: Waar is cliënt aantoonbaar bekend bij de hulpverlening of in behandeling bij een (GGZ) zorgaanbieder, en is daarbij sprake van een duurzame relatie? Heeft de cliënt specifieke zorg nodig die niet wordt aangeboden in de regio waar de aanvrager binding mee heeft en die wel in Amsterdam beschikbaar is? Sociaal netwerk Dit gaat om de afweging of het sociaal netwerk van de cliënt in Amsterdam (familie, vrienden), positieve invloed heeft op een succesvol traject in Amsterdam. Ook een eventuele in Amsterdam doorgebrachte periode in het verleden wordt hier bij betrokken. Landelijke toegankelijkheid Als uit de beoordeling blijkt dat een cliënt niet in Amsterdam maar in een andere regio moet worden opgevangen, dan vindt vanuit Amsterdam overdracht plaats naar die andere regio. Amsterdam volgt hierin de Handreiking en beleidsregels landelijke toegang beschermd wonen van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). 4.7Logeeropvang (artikel 4.6 Wmo-verordening 2015) a Productbeschrijving Bij logeeropvang (voorheen kortdurend verblijf genoemd) gaat de Amsterdammer logeren bij een professionele aanbieder van logeeropvang, bijvoorbeeld in een instelling of logeerhuis. Het doel hiervan is het overnemen van de gebruikelijke hulp of de zorg van de mantelzorger die overbelast dreigt te raken. Aanvullend op deze logeeropvang kan ook overige noodzakelijke zorg en ondersteuning geboden worden. Het gaat dan bijvoorbeeld om persoonlijke zorg en verpleging vanuit de Zvw en de ambulante ondersteuning of dagbesteding vanuit de Wmo. De inzet van deze voorzieningen tijdens het logeren verschilt per Amsterdammer en de mogelijkheden van het logeeradres. Logeeropvang kan een aaneengesloten periode of terugkerend enkele dagen per week zijn. Voor aaneengesloten logeeropvang, bijvoorbeeld ten behoeve van vakantie van de mantelzorger, geldt een maximum van 6 weken. Voor terugkerende logeeropvang geldt een maximum van drie etmalen per week. Logeeropvang kent de volgende twee te bereiken resultaten: het bieden van veilige logeeropvang in een huiselijke omgeving om overbelasting van mantelzorger(
- s)te voorkomen en waarborging van primaire en dagelijkse levensbehoeften van de cliënt. Logeeropvang betreft altijd beide resultaatgebieden. Het bieden van veilige logeeropvang in een huiselijke omgeving om overbelasting van mantelzorger(
- s)te voorkomen Binnen dit resultaat wordt de zorg van de mantelzorger tijdelijk overgenomen door een professionele aanbieder, bijvoorbeeld een instelling of een logeerhuis. De mantelzorger wordt hierdoor ontlast. Het karakter van het logeeradres is zoveel mogelijk veilig en huiselijk. De mantelzorger kan door de inzet van logeeropvang eigen activiteiten plannen en uitvoeren. Hiermee wordt de mantelzorger ondersteund om zijn mantelzorgtaken langdurig vol te houden. Waarborging van primaire en dagelijkse levensbehoeften voor de cliënt Binnen dit resultaat wordt ondersteuning geboden bij het uitvoeren en structureren van dagelijkse, praktische vaardigheden tijdens het verblijf. De inzet van overige noodzakelijke zorg en ondersteuning verschilt per Amsterdammer en de mogelijkheden van het logeeradres. b Voorwaarden voor verstrekking Logeeropvang kan worden ingezet voor Amsterdammers die gezien hun zorgbehoefte aangewezen zijn op zorg met intensief toezicht, waardoor er gedurende langere tijd meer dan gebruikelijke hulp nodig is. Ontlasting van de persoon die gebruikelijke hulp of mantelzorg aan de Amsterdammer levert, is noodzakelijk; zonder de inzet van logeeropvang dreigt overbelasting. Logeeropvang is aanvullend op het wonen in de thuissituatie. Bij logeeropvang wordt eerst gekeken naar wat de Amsterdammer zelf kan en welke ondersteuning zijn sociale netwerk kan bieden. De mate van zelfredzaamheid van de Amsterdammer wordt onderzocht en gestimuleerd. Vervolgens wordt gekeken naar de inzet van aanbod uit de sociale basis, algemene voorzieningen en voorliggende voorzieningen vanuit andere wetgeving. Pas daarna wordt vastgesteld of en zo ja welke ondersteuning vanuit de gemeente aanvullend noodzakelijk is. Het inzetten van eigen kracht Hierbij kan in dit kader gedacht worden aan het installeren van domotica hulpmiddelen waardoor de Amsterdammer gedurende een aantal uren alleen in huis kan blijven. Mogelijk kan alarmering of video op afstand de mantelzorger de gelegenheid bieden om even weg te gaan. Het vergroten van de inzet van het eigen sociale netwerk Iemand uit het eigen netwerk kan de zorg gedurende een aantal uren overnemen. Deze hulp is vrijwillig. Als het gaat om de normale, dagelijkse begeleiding die partners, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten geacht worden elkaar onderling te bieden, is sprake van gebruikelijke hulp. Zie hoofdstuk 2 voor meer informatie over gebruikelijke hulp. Een beroep doen op andere wetgeving Zorgverzekeringswet (Zvw) Wanneer een Amsterdammer aangewezen is op verblijf dat medisch noodzakelijk is in verband met geneeskundige zorg, kan logeeropvang op grond van de basisverzekering van de Zvw ingezet worden. Dit wordt eerstelijnsverblijf genoemd (Elv). Hierbij valt te denken aan tijdelijk verblijf na een medische ingreep. Verblijf met geneeskundige zorg valt buiten de gemeentelijke taken. Ook als er sprake is van palliatief terminale zorg is er sprake van verblijf op grond van de Zvw. Eerstelijns verblijf Zvw is voorliggend op logeeropvang vanuit de Wmo Wet langdurige zorg (Wlz) Wanneer een Amsterdammer een indicatie heeft in het kader van de Wlz of op basis van zorgzwaarte daarvoor in aanmerking komt en nog thuis woont, dient kortdurend verblijf op grond van de Wlz aangevraagd te worden.Kortdurend verblijf Wlz is voorliggend op logeeropvang vanuit de Wmo. Het gebruik maken van voorzieningen in de sociale basis en algemene voorzieningen De Amsterdammer kan mogelijk meedoen aan welzijnsactiviteiten, waardoor de mantelzorger een paar uur respijt heeft. Ook kan ondersteuning worden geboden om het dagelijks leven van mensen zo zelfstandig mogelijk in te richten of kan een vrijwilliger gevonden worden die een paar uren de zorg voor de Amsterdammer over kan nemen. Als de noodzaak voor logeeropvang op grond van de Wmo is vastgesteld, wordt bekeken hoeveel etmalen dit nodig is om overbelasting van de mantelzorger te voorkomen. Het uitgangspunt is dat de geboden logeeropvang niet langer wordt ingezet dan nodig is. Met de Amsterdammer worden in een ondersteuningsplan afspraken vastgelegd over de doelen die worden nagestreefd, de activiteiten die worden ingezet, de te bereiken resultaten, en hoe lang en frequent de logeeropvang wordt ingezet. Uitgangspunt is dat jaarlijks opnieuw wordt bekeken of, en zo ja welke afspraken er nodig zijn voor de inzet van logeeropvang. Tot slot staat hieronder nog een afbakening met betrekking tot logeeropvang. Het gebruik maken van de maatwerkvoorzieningen ambulante ondersteuning of dagbesteding De Amsterdammer kan mogelijk een beroep doen op ambulante ondersteuning en/of dagbesteding, waardoor de mantelzorger wordt ontlast. Hierbij is het uitgangspunt dat de maatwerkvoorziening die het best past bij de situatie van de Amsterdammer en diens mantelzorger de voorkeur heeft. Logeeropvang kan worden ingezet naast ambulante ondersteuning en/of dagbesteding. 4.8Woonvoorzieningen (artikel 4.7 Wmo-verordening 2015) Inleiding Normaal gebruik van de woning Woonvoorzieningen worden verstrekt om beperkingen bij het normale gebruik van de woning te compenseren. Het normale gebruik van de woonruimte omvat de elementaire woonfuncties, dat zijn de activiteiten die de gemiddelde bewoner in zijn woning in elk geval verricht. Het gaat daarbij om eten bereiden, slapen, lichaamsreiniging, essentiële huishoudelijke werkzaamheden, zoals kleding wassen, aan- en uitkleden en het wassen en verschonen van een geheel van zijn verzorger(
- s)afhankelijk kind. Voor een kind is spelen zonder gevaar voor de eigen gezondheid ook een elementaire woonfunctie. Problemen die een persoon met beperkingen ondervindt bij het normale gebruik van de woonruimte moeten door de verstrekking van woonvoorzieningen worden opgelost. Het streven zal in beginsel erop gericht zijn de problemen geheel weg te nemen of aanzienlijk te verminderen. Om verschillende redenen zal dat niet altijd zo kunnen zijn. Die redenen kunnen gelegen zijn in de persoon met beperkingen, dan wel in de aard van de woonruimte. Uitzondering op het beginsel dat woonvoorzieningen worden versterkt ter compensatie van problemen bij het normale gebruik van de woning vormt de uitraaskamer. Deze voorziening heeft tot doel het tot rust doen brengen van personen met een specifieke beperking. Bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar De woonruimte moet bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar zijn en mag geen aantoonbare problemen in het normale gebruik opleveren. Met bereikbaar wordt bedoeld dat de persoon met beperkingen zonder hulp vanaf de openbare weg tot de toegangsdeur van de woonruimte kan komen. Toegankelijk betekent dat de persoon met beperkingen zonder hulp in de woonruimte kan komen. Met bruikbaar wordt bedoeld dat de persoon met beperkingen zelfstandig alle binnen de woonruimte gebruikelijke activiteiten kan verrichten, zonder problemen te ondervinden veroorzaakt door de bouwkundige aard van de woning. Een woonvoorziening wordt alleen toegekend indien deze de woonruimte bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar maakt voor de persoon met beperkingen, door het wegnemen of aanzienlijk verminderen van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning. Er moet sprake zijn van een rechtstreeks oorzakelijk verband tussen de ondervonden (naar objectieve maatstaf aanwezige) problemen, en een of meer bouwkundige of woontechnische kenmerken van de betreffende woning. Ook moeten de problemen in of bij de woning zelf ondervonden worden. Geluids- of geuroverlast, problemen met buren, onveiligheidsgevoelens en allergie ten gevolge van omgevingsfactoren buiten de woning zijn in principe geen redenen voor verstrekking van een woonvoorziening. Er worden ook geen voorzieningen verstrekt met het doel overlast voor derden te beperken. De woonruimte Onder woonruimte wordt verstaan: een woning met uitzondering van kamers die zelfstandig verhuurd worden; een woonwagen als bedoeld in de Woningwet; een woonschip op een ligplaats, zijnde een woonschip en een ligplaats als bedoeld in de Huisvestingswet; een verblijf van een binnenschip als domicilie is gekozen in Amsterdam, blijkens het openbaar register voor schepen. Bij de woonruimte horen ook de toegang tot de woonruimte zelf, tot de tuin en tot het balkon, voor zover daarbij daadwerkelijk problemen worden ondervonden op het gebied van de toegankelijkheid. Ook kan worden voorzien in een stalling voor een vervoersvoorziening. Reguliere parkeerplaatsen vallen echter niet onder het begrip ‘woning’; de toegang tot het trottoir evenmin. Hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen en kamerverhuur zijn uitgesloten om in aanmerking te komen voor een woonvoorziening. Er worden geen woonvoorzieningen verstrekt aan Amsterdammers die in een Wlz-instelling verblijven. Hierop wordt een uitzondering gemaakt, namelijk het logeer- en bezoekbaar maken van een andere woonruimte dan de instelling waar de Amsterdammer woont (zie verder onder 4.8.2 ‘Woonruimteaanpassingen’). Amsterdammers die met een Wlz-indicatie zelfstandig wonen en hun eigen woonlasten betalen, kunnen in aanmerking komen voor woonvoorzieningen. Aan bewoners van sloopwoningen en kraakpanden worden alleen eenvoudige, losse, her te gebruiken woonvoorzieningen verstrekt, aangezien het hier gaat om woningen, waarbij de verdere woonduur op losse schroeven staat. Bij verhuizing naar een onzelfstandige woonruimte is het slechts mogelijk voor woonvoorzieningen in aanmerking te komen, indien de woonruimte deel uitmaakt van een woongebouw of een woning, geheel of gedeeltelijk verhuurd ten behoeve van groepswonen door ouderen, personen met beperkingen of een daarmee vergelijkbare woonvorm. De bewoners dienen te beschikken over een individueel huurcontract of (mede)eigenaar te zijn. Voor specifiek op gehandicapten en ouderen gerichte woongebouwen zijn voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige extra kosten kunnen worden meegenomen uitgesloten. Achterstallig onderhoud De gemeente is niet gehouden voorzieningen te verstrekken als de ondervonden problemen te wijten zijn aan achterstallig onderhoud, dan wel het gevolg zijn van het feit dat de woning niet voldoet aan de op dat gebied geldende wettelijke voorschriften. Integrale beoordeling Bij een indicatiestelling voor woonvoorzieningen wordt integraal beoordeeld in hoeverre hulp bij het huishouden, begeleiding of compensatie vanuit de Wlz of Zvw kunnen voorzien in respectievelijk compensatie en oplossing van de ondervonden woonproblematiek. Verder wordt beoordeeld in hoeverre de problematiek kan worden opgelost door redelijkerwijs te vergen inspanningen van huisgenoten, inclusief het treffen van redelijkerwijs te vergen oppasmaatregelen van ouders of verzorgers. Ook wordt rekening gehouden met algemeen gebruikelijke oplossingen als een andere organisatie van taken en een herschikking van de inrichting dan wel wijziging van de opstelling van inrichtingselementen in de woning. Bij de indicatie voor woonruimteaanpassingen wordt beoordeeld welke aanpassingen noodzakelijk zijn om de gehele woonruimte langdurig geschikt te maken. Ook wordt beoordeeld of de aanpassingen technisch uitvoerbaar zijn. Primaat verhuizen Onder woonvoorzieningen vallen naast aanpassingen in de woning ook een aantal vergoedingen, waaronder een financiële tegemoetkoming bij een verhuizing. Als vast is komen te staan dat compensatie geboden moet worden c.q. een voorziening moet worden toegekend dan biedt het college deze door de goedkoopst adequate voorziening te verstrekken. Voorwaarde om voor subsidiëring van een woonruimteaanpassing in aanmerking te komen is dan ook dat er geen goedkoper alternatief realiseerbaar is door verhuizing of aangepaste inrichting. Uitgangspunt is dat verhuizen het primaat heeft. Het primaat verhuizen houdt in dat verhuizen naar een geschikte woonruimte voorrang heeft boven woonruimteaanpassingen, wanneer de kosten van de aanpassingen naar verwachting hoger zijn dan het in het Financieel besluit vastgelegde bedrag. Als een meer geschikte woonruimte beschikbaar