← Nederland

VTH-Beleid Omgevingswet 2025-2028 (Eijsden-Margraten)

Kort samengevat

Dit beleidsplan beschrijft hoe de gemeente Eijsden-Margraten de komende jaren (2025-2028) haar taken op het gebied van Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving (VTH) uitvoert, als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Het plan legt de kaders, prioriteiten en ambities vast voor het beheer van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

VTH-Beleid Omgevingswet 2025-20281Managementsamenvatting Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 is het huidige VTH-beleid uit 2022 niet meer toereikend en actueel. Met de Omgevingswet zijn een aantal aspecten rondom Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving (VTH) veranderd. In hoofdstuk 3 wordt kort teruggekeken en worden de belangrijkste ontwikkelingen weergegeven. Het VTH-beleidsplan 2025-2028 borduurt voort op en vervangt het Integraal Omgevingsbeleidsplan VTH uit 2022. De kern van het beleidsplan uit 2022 staat nog steeds overeind. Dat geldt zowel voor een belangrijk deel van de bestuurlijke uitgangspunten en beleidskeuzes als voor de concrete handvatten die het bood voor de uitvoering. Het nieuwe beleid is bestuurlijk toegankelijker gemaakt door het op te knippen in twee delen: in het eerste deel is het beleidskader met uitgangspunten en beleidskeuzes en in het tweede deel omvat het uitvoeringskader waarin de operationele zaken zijn opgenomen. In hoofdstuk 4 zijn de bestuurlijke uitgangspunten benoemt. De inzet van VTH is nadrukkelijker verbonden aan de bredere opgaven van de gemeente uit het bestuursakkoord 2022-2026 en de bouwstenen voor de omgevingsvisie (Lijn50). De missie en visie sluiten aan bij het bestuursakkoord 2022-2026. Dat wil zeggen dat de inwoners en ondernemers centraal staan in het beleid en de uitvoering daarvan. Het beleid is gericht op de kwaliteit van de leefomgeving, het landschap en de economie met tevreden burgers, een tevreden bestuur en tevreden medewerkers. Voor het nieuwe VTH-beleidsplan is door VTH-medewerkers en beleidsmedewerkers gezamenlijk een omgevings- en risicoanalyse uitgevoerd. Hieruit zijn de volgende generieke doelstellingen en prioriteiten voor de uitvoering van de wettelijke VTH- taken naar voren gekomen (hoofdstuk5):. Het tegen gaan van strijdig gebruik en illegale (ver)bouw en sloop: prioriteit ligt bij erfgoed, strijdige bedrijfsactiviteiten (woonomgeving, bedrijfsterreinen) en illegale bewoning (bedrijfswoningen, vakantiewoningen etc.). Gebouwen en bouwsels in zijn constructief veilig en brandveilig: De prioriteit ligt bij constructief complexe bouwwerken, wooncomplexen, gebouwen waar bewoners of bezoekers minder zelfredzaam zijn, gebouwen met publieksfuncties (zoals scholen, winkels, horeca, overheidsgebouwen) en tijdelijke bouwwerken bij (grotere) evenementen Het minimaliseren van milieurisico’s. De prioriteiten voor de taken die bij de Omgevingsdienst Zuid-Limburg (ODZL) zijn belegd (meest milieurelevante bedrijven, toezicht verwijdering asbest) worden door de omgevingsdienst bepaald. De gemeente zet er wel op in dat bedrijven of activiteiten die mogelijk minder prioriteit krijgen van de ODZL maar toch voor overlast of milieudruk zorgen in de gemeente, voldoende aandacht krijgen. Voor milieutaken die de gemeente zelf uitvoert is een risicoanalyse gemaakt op basis van feitelijk overlast en ligging van bedrijven, klachten en getoond naleefgedrag. Indirect lever VTH een bijdrage bij de realisatie van de gemeentelijke opgaven (hoofdstuk 6): Bijdragen aan de woningbouwopgave: het ervoor zorgen dat er geen vertragingen zijn in het vergunningenproces, erop toezien dat alle nieuwbouw voldoet aan eisen van brandveiligheid, constructieve veiligheid en energiegebruik en het meedenken bij het benutten van de bestaande (woning)voorraad. Bijdragen aan het behoud en de verduurzaming van erfgoed: zorgen voor een goed zicht op de staat van onderhoud, het informeren van eigenaren over regels t.a.v. sloop en verbouw, het bij een vergunningaanvraag vanuit een breder perspectief (gebruiksmogelijkheden in relatie tot het financiële plaatje van een eigenaar, verduurzaming, etc.) adviseren van een eigenaar, door voldoende toezicht én het waar nodig handhavend op te treden. Als onherstelbare schade is aangericht aan unieke historische elementen kan de gemeente een bestuurlijke boete opleggen. Bijdragen aan de aanpak van ondermijning: VTH is vooral ‘oren en ogen’ voor OOV, neemt deel aan integrale controles (in het kader van het ACT!-team) en zet Bibob gericht in als er signalen zijn die kunnen wijzen op ondermijnende intenties van een initiatiefnemer. Bijdragen aan de transitie van de landbouw en ruimte bieden aan bedrijven: het bijdragen aan goed zicht op wat ontwikkelingen zijn op bedrijfsterreinen en in het buitengebied, het (samen met RO en Openbare Ruimte) meedenken met en adviseren van agrariërs die andere of aanvullende economische dragers voor hun bedrijf zoeken en ook het toezien op gemaakte afspraken en die ook handhaven. Bijdragen aan het behoud van natuur en landschap: zorgen dat agrarische ondernemers en inwoners voldoende bekend zijn met de regels (omgevingsplan, op te stellen landschapsplan), het samen met de natuur- en landschapspartners zicht houden op de ontwikkelingen en het aanscherpen van het handhavingsbeleid door het opleggen van een bestuurlijke boete wat betreft het aanbrengen van schade aan natuur en landschap. In de uitvoeringsstrategie (hoofdstuk 7) is vastgelegd hoe het VTH-instrumentarium wordt ingezet voor het realiseren van de doelstellingen en is als handvat in de praktijk. In de preventiestrategie is de nadruk gelegd op voorlichting aan de voorkant zodat burgers en bedrijven bekent zijn met de regels zodat inzet van de vergunningverlening soepeler verloopt en handhaving niet nodig is. De vergunning-, toezicht- en handhavingsstrategie zijn gedetailleerd uitgewerkt in het uitvoeringskader (deel 2 van het VTH-beleid). De gedoogstrategie wordt slechts in uitzonderlijke gevallen toegepast. De organisatie van het team VTH (hoofdstuk 8) bestaat momenteel uit 24 Fte. Dit is inclusief de ruimtelijke ordening, beleidsmedewerkers en teamregisseur. De verschillende fasen van de beleidscyclus zijn uitgewerkt zodat tot een gesloten cyclus aanwezig is. Tot slot is vastgelegd hoe de kwaliteit van de organisatie en de uitvoering zijn geborgd. Het uitvoeringskader. De uitwerking van de belangrijkste activiteiten uit het beleid is opgenomen in de bijlage bij dit beleidsplan, het Uitvoeringskader. Hierin zijn de uitvoeringskaders voor de vergunningverlening, toezicht en handhaving opgenomen. Per aspect is aangeven wat de centrale vraag is en welke strategie wordt gevolgd en wat het toetsingsniveau is. Zo is bijvoorbeeld uitgewerkt hoe een melding Wkb wordt getoetst en in welke gevallen handhavend wordt opgetreden bij gebouwen de onder de Wkb vallen. In het Uuitvoeringskader zijn tevens de risicoanalyses en sanctiestrategieën opgenomen. 2Inleiding 2.1Achtergrond Vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) zijn voor de gemeente Eijsden-Margraten belangrijke instrumenten in het beheer van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Met de vergunningverlening biedt de gemeente inwoners en ondernemers de mogelijkheid om initiatieven te realiseren: bedrijfsactiviteiten te ontwikkelen, te (ver)bouwen of evenementen te organiseren. Dit wel nadrukkelijk binnen kaders en voorwaarden vanwege de (brand)veiligheid, het milieu, erfgoed, natuur en landschap, gezondheid en leefbaarheid. En met het toezicht en de handhaving bewaakt de gemeente dat de voorwaarden ook worden nageleefd. 2.2Status beleidsplan Hoe de gemeente Eijsden-Margraten VTH de komende jaren gaat inzetten staat in het voorliggende VTH-beleidsplan 2025-2028. Het is een – wettelijk verplicht - richtinggevend document en legt het volgende bestuurlijk vast: De kaders waarbinnen de gemeente de vergunning-, toezicht- en handhavingstaken (VTH-taken) wil en moet uitvoeren; De algemene prioriteiten en ambities bij de uitvoering van de taken; De specifieke prioriteiten en ambities in relatie tot de gemeentelijke opgaven; De uitvoeringstrategie (hoe zet de gemeente VTH in?); De organisatie en borging van de uitvoering. Het VTH-beleidsplan is op vastgesteld door het college van B&W en ter kennisname aan de gemeenteraad aangeboden. Het plan is ook ter kennisname toegestuurd aan de Veiligheidsregio, de Omgevingsdienst Zuid-Limburg (ODZL), het OM en de provincie die - als Interbestuurlijk toezichthouder (IBT) – erop toeziet dat de gemeente aan haar wettelijke verplichting voldoet. 2.3Reikwijdte Het voorliggende beleidsplan heeft betrekking op de VTH-taken op basis van de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit die op 1 januari 2024 in werking zijn getreden en de daaraan gelieerde landelijke en lokale wet- en regelgeving: het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) en de Algemene verordening gemeente Eijsden-Margraten (Av). Meer specifiek gaat het om de inzet van VTH in relatie tot gebruik (omgevingsplan), sloop, (ver)bouw, brandveiligheid, milieubelastende activiteiten, cultureel erfgoed (monumenten), het rooien van monumentale of waardevolle bomen, natuurbescherming, en de aanleg van in- en uitritten. Daarnaast zijn gemeentelijke VTH-taken meegenomen die niet direct onder de Omgevingswet vallen maar waar de inzet van VTH wel ondersteunend is aan andere taken en bevoegdheden. Dat geldt onder andere voor de bestuurlijke aanpak van georganiseerde criminaliteit en het beheer van de openbare ruimte. De uitvoering van de taken gebeurt door de afdeling VTH van de gemeente Eijsden-Margraten. Dit met uitzondering van het toezicht op de brandveiligheid en de inzet bij milieubelastende activiteiten (MBA’

  1. s)die onder de zogenaamde ‘basistaken’ vallen1Dit is een pakket aan VTH-milieutaken die gemeenten verplicht door een omgevingsdienst moeten laten uitvoeren. Dat zijn vooral VTH-taken bij bedrijven met een zwaardere milieubelasting en de taken die betrekking hebben op slopen waarbij asbest vrij komt. Wettelijk vastgelegd in Bijlage 6 van het Omgevingsbesluit. Het toezicht op de brandveiligheid is belegd bij de Veiligheidsregio Zuid-Limburg (hierna: de Brandweer). De gemeente doet rond brandveiligheid wel zelf hercontroles en voert ook ad hoc controles uit. De VTH-taken die betrekking hebben op MBA’s die vallen onder het basistakenpakket, worden uitgevoerd door de Omgevingsdienst Zuid-Limburg (verder: ODZL2Voorheen de RUD Zuid-Limburg.) op basis van regionaal vastgesteld beleid (Uitvoerings- en handhavingsstrategie Zuid-Limburg3Op het moment van het tot stand komen van dit VTH-beleidsplan werkt de ODZL aan een actualisering van de strategie uit 2022.). De overige milieutaken (de zogenaamde ‘thuistaken’) voert de gemeente zelf uit. Deels raakt de inzet van VTH ook taken van andere afdelingen en is samenwerking nodig. Dat gaat onder andere om Openbare ruimte en OOV (waaronder aanpak ondermijning), Ruimtelijke ontwikkeling (Omgevingsplan) en Beleid en projecten (woningbouw, erfgoed, natuur en landschap, landbouw). 2.4Vernieuwde opzet Het VTH-beleidsplan 2025-2028 borduurt voort op en vervangt het Integraal Omgevingsbeleidsplan VTH uit 2022. De kern van het beleidsplan uit 2022 staat nog steeds overeind. Dat geldt zowel voor een belangrijk deel van de bestuurlijke uitgangspunten en beleidskeuzes als voor de concrete handvatten die het bood voor de uitvoering. De belangrijkste aanpassingen zijn als volgt: Een actualisering van tekst en inhoud waar het gaat om veranderingen ten gevolge van de Omgevingswet; Er is gekozen voor een meer compacte opzet van het beleidsplan om het bestuurlijk toegankelijker te maken. Zowel voor het college als voor de gemeenteraad. De meer operationele zaken – belangrijk voor de uitvoering – zijn nu in de bijlage opgenomen; De prioriteiten bij de inzet van VTH zijn nadrukkelijker gekoppeld aan de ambities en opgaven van de gemeente, onder andere zoals vastgelegd in het bestuursakkoord en in de bouwstenen voor de omgevingsvisie (Lijn50). De vraag is daarbij steeds: “wat is de bijdrage van VTH bijdragen aan het realiseren van deze opgaven?”; De uitvoeringsstrategie is op een aantal onderdelen nog wat verder geconcretiseerd, onder andere waar het gaat om de inzet van preventieve instrumenten, de Wkb en de handhaving. Daarnaast wordt met de uitvoeringsstrategie (deels) ook al geanticipeerd op het te actualiseren omgevingsplan, met name waar het gaat om (nu nog) strijdig gebruik; De VTH-beleidscyclus wordt nog beter gesloten. De uitvoering wordt niet alleen aan de opgaven gekoppeld, maar de resultaten van de uitvoering worden ook meer teruggekoppeld naar het beleid. Beleid en uitvoering zijn daardoor meer gelijkwaardig naast elkaar geplaatst. Beleidsvorming zal – zeker onder de Omgevingswet – mede tot stand komen door de ervaringen in de uitvoering. Het beleidsplan is opgesteld aan de hand van een reeks werkbijeenkomsten en gesprekken met het college, de medewerkers en leiding van de afdeling VTH en met beleidsmedewerkers RO, erfgoed, landbouw, natuur en landschap en OOV. 2.5Leeswijzer Het VTH-beleidsplan VTH is als volgt opgebouwd. Hoofdstuk 3 blikt kort terug op de afgelopen jaren en schetst de belangrijkste ontwikkelingen voor de komende jaren. Hoofdstuk 4 beschrijft de bestuurlijke kaders waarbinnen VTH wordt ingezet. Hoofdstuk 5 benoemt de algemene prioriteiten in de uitvoering en wat de ambities daarbij zijn. Gevolgd door hoofdstuk 6 waarin die inzet en prioriteiten worden gekoppeld aan de bredere gemeentelijke opgaven de komende jaren (‘wat draagt de inzet van VTH bij aan de realisatie van die opgaven?’). De algemene uitvoeringsstrategie staat in hoofdstuk 7. Tenslotte beschrijft hoofdstuk 8 hoe de uitvoering is georganiseerd, hoe de VTH-beleidscyclus eruitziet en hoe de kwaliteit van organisatie en uitvoering zijn geborgd. De uitwerking van de belangrijkste activiteiten uit het beleid is opgenomen in de bijlage bij dit beleidsplan, het Uitvoeringskader. Hierin zijn de uitvoeringskaders voor de vergunningverlening, toezicht en handhaving met de toetsstrategie en -niveaus opgenomen. Evenals de bijbehorende risicoanalyses en sanctiestrategieën. 3Terugblik en ontwikkelingen Ter voorbereiding op het nieuwe VTH-beleidsplan is kort teruggeblikt op de afgelopen jaren en is een nieuwe omgevings- en risicoanalyse uitgevoerd. Op basis daarvan is een aantal lessen benoemd voor de komende planperiode. 3.1Terugblik Bij de fusie tussen de voormalige gemeenten Eijsden en Margraten zijn twee beleidsplannen vastgesteld, één voor de vergunningverlening en één voor toezicht en handhaving. In 2017 zijn de plannen samengevoegd tot een uitgebreid integraal VTH-beleidsplan. De reden van de samenvoeging is dat er een duidelijke koppeling is tussen de twee taakgebieden. In 2022 is het integrale beleidsplan opnieuw vastgesteld met enkele wijzigingen. Reden om toen geen nieuw beleidsplan vast te stellen was de komst van de Omgevingswet die toen al meerdere malen was uitgesteld. 2024 is het eerste jaar onder de Omgevingswet en dit is het juiste moment om een nieuwe omgevings- en risicoanalyse uit te voeren en een nieuw beleidsplan op te stellen. Elk jaar werd/wordt een uitvoeringsprogramma opgesteld waarin de taken voor het komende jaar worden vastgelegd. Daarnaast wordt de noodzakelijke en benodigde capaciteit vastgesteld. Na afloop van het betreffende jaar, wordt een het jaarverslag beoordeeld hoe de realisatie van het uitvoeringsprogramma was verlopen en wordt beoordeeld of het beleid nog steeds actueel is. Daarnaast is hierin voor verschillende zaken een trendontwikkeling opgenomen. Vanaf 2018 zijn kritische prestatie-indicatoren (KPI’
  2. s)toegevoegd aan het uitvoeringsprogramma en is de monitoring geoptimaliseerd. Om tussentijds de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering in beeld te krijgen en op het vlak van de uitvoering zaken te kunnen bijstellen, worden sinds 2019 kwartaalrapportages opgesteld. Zoals aangegeven wordt in de uitvoeringsprogramma’s gekeken naar de benodigde en beschikbare capaciteit. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van eigen en landelijke kengetallen. Op basis hiervan en de extra activiteiten als gevolg van de Omgevingswet is in de begroting 2023 besloten om de vaste formatie van VTH uit te breiden met 5 fte (waarvan 2 fte voor vergunningverlening, 2 fte voor ruimtelijke ordening en 1 fte voor milieu). Door krapte in de arbeidsmarkt en personele wisselingen is ook in 2024 nog (veel) gebruik gemaakt van externe inhuur. Jaarlijks wordt de gemeente in het kader van het interbestuurlijk toezicht (IBT) beoordeeld door de Provincie. Zij beoordeelt of de gemeente voldoet aan de wettelijke bepalingen. Deze zijn nu vastgelegd in paragraaf 7.2 (artikelen 7.2 t/m 7.) van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Bij de laatste beoordeling 2022/2023 is door de Provincie het volgende aangegeven: U heeft alle toezichtinformatie tijdig en volledig aangeleverd, waarvoor onze dank. Dit betreffen documenten zoals het Omgevingsbeleidsplan, het uitvoeringsprogramma 2023 en het VTH jaarverslag 2022. Het beleidsplan is een compleet beleidsstuk, waarin uitgebreid aandacht wordt besteed aan de risicoanalyse en nalevingsstrategieën. In het uitvoeringsprogramma staat duidelijk aangegeven welke activiteiten worden uitgevoerd en het verwachte aantal van die activiteiten. In het jaarverslag wordt vervolgens direct de relatie gelegd met het uitvoeringsprogramma. De KPI’s om de doelen te bereiken komen hierin goed naar voren. De financiële middelen zijn overzichtelijk in de bijbehorende collegebesluiten. De horizontale verantwoording is nagekomen doordat alle beleidsstukken ter kennisname zijn toegezonden aan de gemeenteraad. Uw gemeente behartigt de Wabo-taken in ruim voldoende mate. In verband met de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft de Provincie het toezicht in de wacht gezet om alle gemeenten de gelegenheid te bieden om het beleid te kunnen aanpassen. De gemeente heeft er ook in 2023 en 2024 zoveel mogelijk op ingezet de kwaliteitsborging te consolideren. Met het in werking treden van de Omgevingswet, de (zich aandienende) gemeentelijke opgave en veranderingen in de samenleving is er de noodzaak de prioriteiten, doelstellingen en (deels) de uitvoeringsstrategie te herijken. Daarbij hoort ook het (nog) beter sluiten van de beleids- en uitvoeringscyclus. 3.2Omgevings- en risicoanalyse Ter voorbereiding op het nieuwe VTH-beleidsplan is daarom om te beginnen een omgevings- en risicoanalyse uitgevoerd. Daarbij is aan de hand van de kaart van Eijsden-Margraten aan de hand van zes invalshoeken bekeken wat belangrijke ontwikkelingen waren en zijn, welke risico’s daar mogelijk aan verbonden zijn en wat de rol van VTH kan zijn bij het realiseren van bredere gemeentelijke opgaven. In de eerste plaats is de conclusie dat er de komende jaren in algemene zin in elk geval prioriteit moet liggen bij de volgende risico’s: Constructieve veiligheid en brandveiligheid blijven de aandacht vragen. De prioriteit moet liggen bij constructief complexe bouwwerken, wooncomplexen, gebouwen waar de zelfredzaamheid minder is en gebouwen met een publieksfunctie (zoals scholen, winkels, horeca etc.). Er wordt nog vaak gesloopt of ge- of verbouwd zonder vergunning of zonder de start of oplevering van de bouw de melden. En is er sprake van strijdig gebruik. Het laatste kan wel vaak gelegaliseerd worden. Op het eerste is meer zicht nodig. Op het tweede zal in de uitvoering mogelijk al meer geanticipeerd moeten worden op de actualisering van het omgevingsplan. De naleving van milieuregels door bedrijven is over het algemeen redelijk tot goed. Bij de milieucontroles die de gemeente uitvoert zal het accent vooral moeten liggen op het voorkomen en terugdringen van overlast voor de omgeving en waar aan de orde de opslag van gevaarlijke stoffen. In de tweede plaats dat VTH kan bijdragen aan het realiseren van een aantal bredere gemeentelijke opgaven. Uit de omgevings- en risicoanalyse komen als belangrijkste naar voren: Bijdragen aan de woningbouwopgave: het ervoor zorgen dat er geen vertragingen zijn in het vergunningenproces, erop toezien dat alle nieuwbouw voldoet aan eisen van brandveiligheid, constructieve veiligheid en energiegebruik en het meedenken bij het benutten van de bestaande (woning)voorraad. Bijdragen aan het behoud en de verduurzaming van erfgoed: zorgen voor een goed zicht op de staat van onderhoud, het informeren van eigenaren over regels t.a.v. sloop en verbouw, het bij een vergunningaanvraag vanuit een breder perspectief (gebruiksmogelijkheden in relatie tot het financiële plaatje van een eigenaar, verduurzaming, etc.) adviseren van een eigenaar, door voldoende toezicht én het waar nodig handhavend op te treden. Als onherstelbare schade is aangericht aan unieke historische elementen kan de gemeente een bestuurlijke boete opleggen. Bijdragen aan de aanpak van ondermijning: VTH is vooral ‘oren en ogen’ voor OOV, neemt deel aan integrale controles (in het kader van het ACT!-team) en zet Bibob gericht in als er signalen zijn die kunnen wijzen op ondermijnende intenties van een initiatiefnemer. Bijdragen aan de transitie van de landbouw en ruimte bieden aan bedrijven: het bijdragen aan goed zicht op wat ontwikkelingen zijn op bedrijfsterreinen en in het buitengebied, het (samen met RO en Openbare Ruimte) meedenken met en adviseren van agrariërs die andere of aanvullende economische dragers voor hun bedrijf zoeken en ook het toezien op gemaakte afspraken en die ook handhaven. Bijdragen aan het behoud van natuur en landschap: zorgen dat agrarische ondernemers en inwoners voldoende bekend zijn met de regels (omgevingsplan, op te stellen landschapsplan), het samen met de natuur- en landschapspartners zicht houden op de ontwikkelingen en het aanscherpen van het handhavingsbeleid waar het gaat om het aanbrengen van onherstelbare schade aan natuur en landschap. 3.3Lessen voor het VTH-beleid 2025-2028 Op basis van de terugblik en vernieuwd omgevings- en risicoanalyse zijn er de volgende aandachtspunten voor het VTH-beleid 2025-2028: Er is meer en beter zicht nodig op wat er op bedrijfsterreinen en in het buitengebied gebeurt; Het is belangrijk VTH vroegtijdig te betrekken bij de ontwikkeling van nieuw beleid waaronder het omgevingsplan en de landschapsvisie; In de uitvoering van de VTH-taken waar mogelijk te anticiperen op het te actualiseren omgevingsplan; Vanuit VTH meedenken met initiatieven om te zoeken naar nieuwe economische dragers in het buitengebied en de kernen, binnen de grenzen van het (te actualiseren) omgevingsplan; Daarbij wel de balans houden tussen veel ruimte bieden aan de voorkant en meedenken met een initiatiefnemer enerzijds en de eigen verantwoordelijkheid van een initiatiefnemer en het trekken van een streep daar waar willens en wetens regels worden overtreden en schade wordt aangericht; Het daarop actualiseren van de uitvoeringsstrategie wat betreft de inzet van preventie, de wijze van advisering, het organiseren van de ‘oren en ogen’ van de gemeente en het waar nodig aanscherpen van het handhavingsbeleid; Kritisch kijken naar de beschikbare capaciteit en deskundigheid, het laatste vooral ook waar het gaat om erfgoed. Optimaliseren van de monitoring zodat de stand van zaken actueel is. 4Bestuurlijke uitgangspunten De juridische basis voor de uitvoering van de VTH-taken bestaat uit landelijke en lokale wet- en regelgeving. De belangrijkste zijn: Omgevingswet; Omgevingsbesluit; Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl); Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl); Besluit activiteiten leefomgeving (Bal); Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb); Wet milieubeheer; Hoofdstuk 3 Algemene verordening gemeente Eijsden-Margraten (Av); Omgevingsplan Eijsden-Margraten; Omgevingsverordening Provincie Limburg. De inzet van VTH in de planperiode 2025-2028 gebeurt vanuit een vijftal beleidskaders: de focus op risico’s en de aansluiting op de bestuurlijke opgaven, het meebewegen met de Omgevingswet, een transparante en consequente uitvoeringsstrategie, het sluiten en kantelen van de beleidscyclus en het borgen van de kwaliteit van de uitvoering. 4.1Focus op risico’s en aansluiting bij de bestuurlijke opgaven Bij de uitvoering van de VTH-taken werkt de gemeente risicogestuurd. Aan de hand van een risicoanalyse worden prioriteiten gesteld in beleid en uitvoering. De beleidsmatige prioriteiten liggen bij risico’s verbonden aan strijdig gebruik, illegaal (ver)bouwen, constructieve veiligheid, brandveiligheid en welstand (erfgoed). Voor milieubelastende activiteiten (Mba’
  3. s)uit het basistakenpakket zijn de risicoanalyse en prioriteiten regionaal door de ODZL bepaald. De gemeente zal daarbij kritisch volgen of die prioriteiten ook voldoende in lijn zijn met waar in de gemeente milieudruk wordt ervaren. Voor de milieutaken die de gemeente zelf uitvoert is een aparte risicoanalyse opgesteld. De inzet van VTH is nadrukkelijker verbonden aan de bredere opgaven van de gemeente uit het bestuursakkoord 2022-2026 en de bouwstenen voor de omgevingsvisie (Lijn50). De missie en visie sluiten aan bij het bestuursakkoord 2022-2026. Dat wil zeggen dat de inwoners en ondernemers centraal staan in het beleid en de uitvoering daarvan. Gericht op de kwaliteit van de leefomgeving, het landschap en de economie met tevreden klanten, een tevreden bestuur en tevreden medewerkers. De gemeente investeert daartoe in de relatie met inwoners, ondernemers en andere partners om samen een sterke en veerkrachtige gemeenschap te vormen. Van daaruit zijn de voor VTH meest relevante opgaven: De woningbouwopgave; Het behoud en verduurzaming van cultureel erfgoed; Landbouw en economie; Natuur en landschap; Aanpak ondermijning. De inzet van VTH draagt bij aan het realiseren van die opgaven. Dat is echter niet altijd goed zichtbaar. In het VTH-beleidsplan 2025-2028 wordt die relatie nadrukkelijker gelegd: Voor welke opgaven en ambities ligt er een duidelijke relatie met de inzet van VTH? Wat en hoe draagt de inzet van VTH bij aan de realisatie van die opgaven en ambities? In de hoofdstukken 4 en 5 van het beleidsplan zijn de risicogestuurde prioriteiten en de aansluiting bij de bestuurlijke opgaven nader uitgewerkt. 4.2Verder implementeren met de Omgevingswet en de Wkb Het in werking treden van de Omgevingswet en de Wkb heeft een aantal consequenties voor de uitvoering van de VTH-taken gehad. De belangrijkste veranderingen zijn: Bij de afweging over een vergunningaanvraag verandert het principe van ‘nee, tenzij’ in ‘ja, mits’; De Omgevingswet zet in op het mogelijk maken van initiatieven met in achtneming van een evenwichtige toedeling van functies in een gebied. Dit sluit ook aan bij de bestuurlijke visie van de gemeente; Het proces van het behandelen van conceptverzoeken en om een vergunning aan te vragen is volledig gedigitaliseerd; dit heeft zowel consequenties voor de aanvrager als voor de gemeente; Termijn waarop standaard moet worden beschikt is verkort tot 8 weken geldt nu voor meer gevallen; dit zet extra druk op de organisatie en de uitvoering; Een vergunning wordt niet meer automatisch verleend als de beslistermijn is verstreken; Het bouwtoezicht maakt gefaseerd en gedeeltelijk plaats voor controle door marktpartijen (zogenaamde ‘kwaliteitsborgers’). Het gemeentelijke bouwtoezicht zal daarmee (op termijn) verminderen. Het toezicht op het gebruik (omgevingsplan) en het bouwtoezicht op complexere bouwwerken en monumenten blijft. Het toezicht op brandveiligheid blijft bij de Brandweer. Het omgevingsplan van de gemeente Eijsden-Margraten is een belangrijk kader voor de uitvoering van de VTH-taken. Hierin zijn de regels voor bouwen, ruimtelijke ordening (voorheen in het bestemmingsplan), milieu en erfgoed geïntegreerd4Het gaat om een tijdelijk Omgevingsplan dat van rechtswege geldt en alle voorheen geldende bestemmingsplannen onderdeel van uitmaken.. De Omgevingswet verplicht elke gemeente om een eigen omgevingsplan op te stellen. Het omgevingsplan van de gemeente Eijsden-Margraten is online in te zien via het Omgevingsloket. De voorbereiding op het in werking treden van de Omgevingswet was een behoorlijke inspanning voor de organisatie. Dat wil zeggen het (her)inrichten van de werkprocessen, de veranderde werkwijze en het actualiseren van de diverse toetsen en indieningsvereisten. De gemeente had al geanticipeerd op de komst van de Omgevingswet. Bijvoorbeeld in het niet meer zelf uitvoeren van het toezicht op constructieve veiligheid bij nieuwbouw die nu onder de Wkb valt, maar door dit uit te besteden. Toch zal de uitvoering van de Omgevingswet de komende jaren nog aandacht vragen. Bijvoorbeeld bij de afstemming van de werkprocessen, het werken met de Omgevingstafel, de praktijk van de Wkb en doorontwikkeling van de monitoring. 4.3Een transparante en consequente uitvoeringsstrategie Uitgangspunt van het bestuursakkoord is een transparant bestuur met dienstverlening dicht bij de mensen. Dat houdt in voldoende in verbinding staan met de inwoners, ondernemers en verenigingen. Maar ook voldoende vertrouwen wekken en consequent zijn in beleid en uitvoering. Dat geldt ook voor de inzet van VTH. De volgende principes zijn daarbij leidend: De gemeente biedt bij de vergunningverlening op basis van het omgevingsplan aan inwoners en ondernemers voldoende ruimte om initiatieven mogelijk te maken; De naleving van landelijke, provinciale en lokale wet- en regelgeving staat daarbij echter niet ter discussie. Waar regels worden overtreden volgt de gemeente de in dit VTH-beleidsplan beschreven handhavingsstrategie, gebaseerd op de Landelijk handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO)5Het college heeft zich op 24-10-2023 al geconformeerd aan de LSHO.; De gemeente zet in op preventie, dat wil zeggen het dienstbaar zijn en het voorkomen van overtredingen. Het eerste door de mogelijkheid te bieden voor overleg, het indienen van conceptverzoeken, klantcontacten, de website en een directe telefoonlijn voor VTH. Het tweede door te zorgen dat burgers en ondernemers op de hoogte zijn van de regels, dat de regels en vergunningvoorschriften duidelijk, doelgericht en proportioneel zijn. En dat wordt voorkomen dat situaties escaleren en handhavend optreden nodig is. Voorlichting (mondeling en/of via website), bemiddeling of (maatschappelijke) ondersteuning kunnen daarbij instrumenten zijn. Bij de inzet van preventie hebben ook andere afdelingen van de gemeente een rol; De prioriteiten in de uitvoering sluiten aan bij de gemeentelijke opgaven en worden daar gelegd waar de kans op overtredingen en de risico’s voor de leefomgeving het grootst zijn. Signalen van andere afdelingen, partnerorganisatie (ODZL, Brandweer), inwoners, bedrijven en instellingen spelen een belangrijke rol in het houden van zicht op risico’s; Er wordt ingezet op een verdergaande versterking van de informatiepositie van de gemeente. De gemeente heeft een dashboard waarin de uitvoering wordt gemonitord en bijgestuurd. Het dashboard is ook de basis voor de rapportage aan het college en de gemeenteraad. Dit wordt doorontwikkeld zodat ook meer op het realiseren van de ambities en doelstellingen kan worden gemonitord en gerapporteerd. De uitvoeringsstrategie is nader uitgewerkt in hoofdstuk 6 en de bijlage (uitvoeringskader) van dit VTH-beleidsplan. 4.4Sluiten en kantelen beleidscyclus Het meebewegen met de Omgevingswet en meer focus op de bijdrage van VTH aan de gemeentelijke opgaven, betekent ook het anders aankijken tegen de VTH-beleids- en uitvoeringscyclus, ook wel BIG8 genoemd. De BIG8 beschrijft hoe beleid- en uitvoering samenhangend worden beheerd. Beginnend bij een omgevings- en risicoanlayse (wat speelt er in de gemeente en is relevant voor de inzet van VTH?) en het vastleggen van prioriteiten en doelstellingen en hoe de gemeente VTH gaat inzetten. Dit moet worden vertaald in een uitvoeringsprogramma en de organisatie. De uitvoering wordt gemonitord en waar nodig bijgestuurd. Over de resultaten van deze uitvoering wordt gerapporteerd en de uitvoering en resultaten worden geëvalueerd. De uitkomsten daarvan kunnen leiden tot de bijstelling van de omgevings- en risicoanalyse en eventueel doelstellingen en strategie. De cyclus is dan rond. Vaak wordt in de BIG8 de beleidscyclus boven de uitvoeringscyclus geplaatst. Dat kan de indruk wekken dat beleid ‘boven’ de uitvoering staat. Zeker onder de Omgevingswet zal beleid vorm (moeten) krijgen vanuit de ontwikkelingen in de gemeenschap. Het gaat er dus niet alleen om dat de uitvoering aansluit bij het beleid, maar dat er vanuit de uitvoering ook een terugkoppeling is naar beleid. Dat geldt voor het VTH-beleid, maar bijvoorbeeld ook naar beleid van de bredere opgaven: de ontwikkelingen in de agrarische sector (welke behoeften blijken bij vergunningaanvragen?), de aanpak van ondermijning (wat zien toezichthouders?) of het behoud van het cultureel erfgoed. De gewenste praktijk is een (meer) gelijkwaardige en samenhangende relatie tussen beleid in brede zin en uitvoering van VTH. Met andere woorden, een gekantelde BIG8 is een betere weergave van de (gewenste) beleids- en uitvoeringscyclus. In een verbetering van het samenspel tussen beleid en uitvoering wordt in 2025-2028 nadrukkelijk geïnvesteerd. 4.5Het borgen van de kwaliteit van de uitvoering De uitvoering van de VTH-taken moet voldoen aan wettelijk vastgelegde kwaliteitscriteria. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt in ‘procescriteria’ en ‘robuustheidscriteria’. De procescriteria leggen vast waaraan het beleids- en uitvoeringscyclus moet voldoen. Daarbij horen de volgende instrumenten: Een VTH-beleidsplan waarin de bestuurlijke en beleidsmatige kaders en (op basis van een risicoanalyse) de prioriteiten zijn vastgesteld en waarin is beschreven hoe de uitvoering is geborgd (uitvoeringsstrategie); Een jaarlijks op te stellen uitvoeringprogramma en verslag; Een systeem van monitoring en bijstelling. Naast deze procescriteria zijn er ‘robuustheidscriteria’. Hierin is vastgelegd welke deskundigheid in voldoende mate beschikbaar moet zijn om de VTH-taken uit te voeren. Dat gaat om meer algemene functies als die van vergunningverlener of toezichthouder en om specialistische functies met kennis op het gebied van duurzaamheid, cultuurhistorie of stedenbouw. Voor de ODZL, die het grootste deel van de VTH-milieutaken uitvoert voor de gemeente Eijsden-Margraten, gelden specifieke eisen voor deskundigheid op onder andere het gebied van geluid, bodem, (afval)water, externe veiligheid en lucht. De gemeente voldoet aan de procescriteria en de robuustheidscriteria. Dit binnen het principe van ‘comply or explain’. Op enkele kleinere onderdelen is het lastig om zelfstandig aan de robuustheidseisen te voldoen. Waar nodig worden gelijkwaardige oplossingen gezocht (inhuur) of wordt uitgelegd waarom het niet voldoen geen significant risico in zicht houdt. Dat wordt ook peil gehouden en waar nodig in verband met nieuwe ontwikkelingen vindt verdere professionalisering plaats. In hoofdstuk 7 is uitgewerkt hoe de gemeente de kwaliteit van de uitvoering ook de komende jaren wil borgen waar nodig verbeteren. 5Prioriteiten en doelstellingen wettelijke taken Bij de inzet van VTH werkt de gemeente risico-gestuurd. Dat wil zeggen in de prioriteitstelling en de wijze waarop VTH wordt gezet. Bij de prioriteitstelling in de uitvoering van de wettelijke VTH-taken kijkt de gemeente vooral naar de volgende risico’s: Risico’s die samenhangen met illegaal (ver)bouwen; Risico’s van strijdig en illegaal gebruik; Risico’s in verband met constructieve veiligheid; Brandveiligheidsrisico’s. Milieurisico’s. De bouw- en milieuactiviteiten en de brandveiligheid zijn aan de hand van risicoanalyses in verschillende risico-categorieën ingedeeld. De risicocategorie bepaalt waaraan en hoe gedetailleerd een aanvraag wordt getoetst en (hoe) het toezicht wordt uitgevoerd. Deze systematiek is ook de afgelopen jaren gevolgd. In de bijlage van dit VTH-beleidsplan, het Uitvoeringskader, zijn de toetsmatrices opgenomen die de gemeente gebruikt bij de uitvoering. Dit hoofdstuk beschrijft wat de komende jaren voor deze risico-categorieën de prioriteiten zijn en wat daarbij de doelstellingen zijn. Deze doelstellingen worden jaarlijks geconcretiseerd in het uitvoeringsprogramma (‘wat in dat jaar bereiken?’) en daar worden ook indicatoren voor ontwikkeld in het dashboard. De uitvoeringsstrategie komt in hoofdstuk 6 aan de orde. 5.1Illegale (ver)bouw en strijdig of illegaal gebruik De gemeente biedt inwoners, ondernemers en organisatoren van evenementen ruimte om initiatieven mogelijk te maken. Als een initiatief niet binnen het Omgevingsplan past, zal de gemeente afwegen of er toch ruimte is om dit (deels) mogelijk te maken. Hierbij wordt meegewogen dat de huidige bestemmingsplannen veelal verouderd zijn en erg beperkende maatregelen opleggen. Waarbij in het toekomstige omgevingsplan veel van deze beperkingen mogelijk zullen worden opgeheven. Daarbij geldt wel een belangrijke eigen verantwoordelijkheid van initiatiefnemers. Dat wil zeggen dat ze (ver)bouwen, milieubelastende activiteiten (Mba’
  4. s)uitvoeren of evenementen organiseren in overeenstemming met de geldende regels: ze vragen een vergunning aan of dienen een melding in voor ze starten met bouwen of slopen en ze leven de voorschriften na. Het bouwen zonder vergunning of in afwijking van de vergunning is onwenselijk en kan risico’s met zich meebrengen. Bijvoorbeeld qua brandveiligheid of constructieve veiligheid. Maar het kan ook betekenen een (onomkeerbare) aantasting van monumentale waarden of ‘verrommeling’ van de buurt. Ook strijdig of illegaal gebruik van bouwwerken is niet gewenst. Het kan tot onveilige of ongezonde situaties leiden. Bijvoorbeeld bij gebruik van een pand voor (illegale) bewoning dat niet geschikt is voor bewoning, het uitvoeren van brandgevaarlijke activiteiten in een woonomgeving of activiteiten in een bedrijfspand dat daar niet voor bedoeld is. Het kan leiden tot verstoring en verrommeling van de omgeving, veiligheidsrisico’s (ondermijning) of tot oneerlijke concurrentie. Het toezicht is het belangrijkste instrument dat de gemeente heeft om zicht en grip te houden op illegale (ver)bouw en strijdig of illegaal gebruikt. Dat toezicht kan plaats vinden in het kader van het bouwproces, in het kader van periodieke controles of projecten of naar aanleiding van meldingen of klachten van inwoners. De prioriteit ligt daarvoor bij de gemeente op: Illegale verbouw aan of sloop van monumenten en erfgoed in algemene zin; Strijdige bedrijfsactiviteiten in de woonomgeving; Illegale of strijdige bewoning van bedrijfspanden of bedrijfswoningen; Strijdig gebruik van vakantiewoningen; Strijdige bedrijfsactiviteiten op bedrijfsterreinen; Doelstelling van het VTH-beleid 2025-2028 waar het gaat om illegale (ver)bouw of strijdig gebruik: Het voorkomen en waar nodig herstellen van illegale (ver)bouw en strijdig gebruik door te zorgen dat burgers en ondernemers bekend zijn met de regels die gelden voor (ver)bouw en gebruik, door erop toezien dat die regels worden nageleefd en daar waar nodig te handhavend op te treden. 5.2Constructieve veiligheid en brandveiligheid Bouwwerken moeten veilig zijn. Dat wil zeggen qua constructie en qua brandveiligheid. Bij de toetsing van vergunningaanvragen en het toezicht en de handhaving leggen de gemeente en de Brandweer de prioriteit op bouwwerken met een verhoogde kwetsbaarheid: Constructief complexe (grote) bouwwerken; Wooncomplexen; Bouwwerken waar gebruikers minder zelfredzaam zijn (zoals zorginstellingen); Gebouwen met publieksfuncties (zoals scholen, winkelcentra, overheidsgebouwen, horeca); Bouwsels (tijdelijke bouwwerken) bij (grotere) evenementen; Monumentale panden die niet verloren mogen gaan. In de vernieuwde risicoanalyse, die de gemeente heeft overgenomen van de Veiligheidsregio (lees brandweer) wordt daarbij naast de gebouwkenmerken uitgegaan van het menselijk gedrag (zoals zelfredzaamheid), intrinsieke brandveiligheidsrisico’s (gebruik, installaties etc.), de omgeving (impact brand) en interventiemogelijkheden (zoals bereikbaarheid). Hierbij ligt de hoogste prioriteit en daarmee ook de hoogste controlefrequentie bij gebouwen met een woon/zorgfunctie, met een celfunctie en bijeenkomstfuncties met kinderen (zoals kinderopvang). Het gaat hierbij om bouwwerken waar de gemeente in de periode 2025-2028 verantwoordelijk blijft voor de bouwtechnische toetsing en het bouwtoezicht. Bij deze bouwwerken vindt altijd een integrale bouwtechnische toets plaats, wordt integraal gecontroleerd en heeft herstel van eventuele afwijkingen hoogste prioriteit. Dat geldt ook voor sloopactiviteiten waarbij een aanliggend/belendend (monumentaal) pand aanwezig is. Bij bouwwerken die nu onder de Wkb vallen toetst de gemeente alleen de volledigheid van de rapportages en of de kwaliteitsborger heeft onderzocht of er Bijzondere Lokale Omstandigheden (BLO) zijn6Als BLO’s in in de gemeente Eijsden-Margraten worden gedacht aan bouwen op mergel en mergeltunnels rond Cadier en Keer en Bemelen, de aanwezigheid van onontplofte munitie, benutten aardwarmte in grondwaterbeschermingsgebieden, bouwen op hellingen met erosie, de zinkverontreiniging onder Eijsden.. Dat gaat onder andere om eengezinswoningen, twee-onder-een-kap woningen, rijtjeswoningen en bedrijfsgebouwen voor zover die niet meldingsplichtig zijn voor brandveiligheid en voor milieu niet vergunningplichtig zijn. Hoe het stelsel van kwaliteitsborging gaat functioneren is nog niet helemaal duidelijk. Het is verstandig te monitoren hoe de praktijk zich ontwikkelt en indien nodig een specifiek handhavingsbeleid op te stellen voor bouwwerken die vallen onder de Wkb. Bij overige bouw- en sloopactiviteiten hanteert de gemeente een risicomatrix om de intensiteit van de toetsing en het toezicht te bepalen. Zie hiervoor hoofdstuk 1 van het Uitvoeringskader. In hoofdstuk 6 en het Uitvoeringskader zijn de gevolgen van de Wkb verder toegelicht. Doelstelling van het VTH-beleid 2025-2028 waar het gaat om (brand)veiligheid: Gebouwen en bouwsels in Eijsden-Margraten zijn brandveilig en constructief veilig. De prioriteit ligt bij gebouwen met een verhoogde kwetsbaarheid in de gebruiksfase. Dat wordt bereikt door ervoor te zorgen dat burgers, ondernemers en organisatoren van evenementen bekend zijn met de regels die daarvoor gelden, door vergunningaanvragen van prioritaire (ver)bouwactiviteiten integraal te toetsen en te controleren en daar waar nodig handhavend op te treden. 5.3Milieurisico’s De gemeente Eijsden-Margraten is een groene gemeente met overwegend agrarische bedrijven en bedrijven in het Midden- en Kleinbedrijf (MKB). In totaal zijn er circa 950 bedrijven in Eijsden-Margraten die milieubelastende activiteiten uitvoeren en onder de milieuregelgeving vallen. Er zijn drie bedrijfsterreinen met voornamelijk MKB-bedrijven. Deze hebben overwegend een beperkte milieubelasting die vooral in de directe omgeving hinder kan veroorzaken. Dit met uitzondering van drie bedrijven die onder de zogenaamde Seveso-richtlijn vallen (PQ Silicas B.V, Curfs Logistics en EverZinc) waar de provincie bevoegd gezag is7Seveso-bedrijven (voorheen BRZO-bedrijven) zijn bedrijven die met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen werken en/of die hebben opgeslagen.. Voor circa 250 van deze relatief meest milieubelastende bedrijven is de uitvoering van VTH-taken qua milieu wettelijk verplicht bij de ODZL8Voorheen de RUD Zuid-Limburg belegd. De overige bedrijven worden door de gemeente zelf gecontroleerd. De milieudruk in de gemeente is in hoofdzaak lokaal en gaat vooral om lokale geluid- en geuroverlast van (agrarische) bedrijven. Meer in het algemeen heeft de gemeente te maken met de volgende milieurisico’s: Een grote (historische) zinkverontreiniging in de bodem die nagenoeg het gehele grondgebied van Eijsden, Gronsveld en Oost-Maarland omvat; Milieudruk vanuit België, dat wil zeggen op de waterkwaliteit (via de Maas) en de luchtkwaliteit9In de kern Eijsden is een meetpunt luchtkwaliteit ingericht. en geuroverlast (via de Maasvallei vanuit Visé); Veiligheidsrisico’s verbonden aan transport via het spoor, de weg en via buisleidingen; Natuur die onder druk staat door stikstofdepositie en het gebruik van kunstmest. Op belangrijk deel van deze milieurisico’s heeft de gemeente geen directe invloed. De prioriteiten van de inzet van VTH liggen op: Geur en geluidsoverlast in de woonomgeving; Het veilig slopen van asbest (waarvan de uitvoering door de ODZL gebeurt); De aandacht voor het spanningsveld tussen (nieuwe) bebouwing en spuitzones; Zorgen voor beter zicht op bedrijfsactiviteiten. De inzet van de gemeente is om in de prioriteitstelling van de ODZL ook voldoende aandacht te krijgen voor bedrijven die mogelijk laag in de regionale prioriteitenlijst staan maar waar lokaal wel lokaal grote milieuhinder wordt ervaren (lokale aandachtsbedrijvenlijst). De doelstelling van het VTH-beleid 2025-2028 waar het gaat om de milieutaken die de gemeente zelf uitvoert: Bedrijven geven geen overlast voor de leefomgeving. Dat wordt bereikt door ervoor te zorgen dat ondernemers bekend zijn met de regels die daarvoor gelden, door te controleren en door waar nodig handhavend op te treden. De prioriteit van de gemeente ligt daarbij op basis van de risicoanalyse primair bij bedrijven die geur, stof en/of geluidsoverlast geven. Dat gaat vooral om agrarische bedrijven, autobedrijven, horeca en transportbedrijven. 6Bijdrage VTH aan de gemeentelijke opgaven De inzet van VTH levert ook en bijdrage de realisatie van de gemeentelijke opgaven zoals vastgelegd in het bestuursakkoord 2022-2026 en de bouwstenen voor de omgevingsvisie (Lijn50). De relatie tussen deze opgaven en VTH geldt vooral voor: Woningbouw(opgave); Behoud van cultureel erfgoed; Landbouw en economie; Natuur en landschap; Aanpak ondermijning. Dit hoofdstuk schetst wat en hoe VTH bijdraagt aan het realiseren van de gemeentelijk opgaven. 6.1Woningbouw(opgave) De gemeente Eijsden-Margraten heeft tot 2030 in het kader van de woondeal een woningbouwopgave van circa 1000 woningen waarvan de helft met een woon-zorgfunctie. Het gaat naar verwachting in totaal om drie grotere uitbreidingslocaties (onder andere de Bloesemgaard in Margraten) en meerdere kleine (zoals Oost-Maarland). De besluitvorming daarover moet nog plaatsvinden. Daarnaast is de verwachting dat er nog 300-400 woningen bijkomen vanuit de particuliere woningbouw. Qua verduurzaming en circulair bouwen stelt de gemeente geen specifieke eisen anders dan wat wettelijk verplicht is. De vergunningverlening is een belangrijke stap in de realisatie van de opgave en (particuliere) woningbouw. De woningmarkt is – ook in Eijsden-Margraten – krap. De taak en uitdaging voor VTH is om te zorgen dan vergunningprocedures tijdig worden doorlopen. En dat bij aanvragen van particulieren wordt meegedacht over de mogelijkheden. Dat geldt zowel voor bijvoorbeeld het verbouwen van leegkomende stallen tot woning als voor woningbouwprojecten waar mogelijk een spanningsveld ligt met milieunormen (spuitzones) of initiatieven die niet binnen het Omgevingsplan passen. De meeste nieuwbouwplannen vallen naar verwachting onder de Wkb. De beoordeling van de constructieve veiligheid gebeurt door een kwaliteitsborger en niet meer door de gemeente. De Wkb is in de periode 2025-2028 alleen van toepassing op bouwwerken met een gering risico (Gevolgsklasse 1, GK1). Dat wil zeggen bijvoorbeeld woonhuizen, rijtjeswoningen en kleine bedrijfsgebouwen. De personele gevolgen van de Wkb voor de gemeente Eijsden-Margraten zijn vooralsnog beperkt. De gemeente werkt al sinds 2014 met een prioriteringssysteem wat betreft het beoordelen van vergunningen en het bouwtoezicht. De toetsing van de bouwtechnische eisen en constructieve eisen vond plaats door externe inhuur. Dat betekent dat de nieuwbouwopgave waarschijnlijk niet tot een (grote) extra capaciteitsvraag zal leiden. Die (extra) inzet zal wel nodig zijn voor overige nieuwbouw (in het bijzonder kwetsbare gebouwen) en verbouw. VTH levert in de periode 2025-2028 een bijdrage aan de realisatie van de woningbouw(opgave) door: Actief aan de voorkant meedenken bij woningbouwplannen waar mogelijke problemen kunnen optreden in het vergunningproces? Ervoor te zorgen dat er bij de realisatie van de woningbouwopgave geen vertragingen ontstaan in het vergunningproces. Door erop toe te zien dat alle nieuwbouw die niet onder de Wkb valt, voldoet aan de eisen ten aanzien van constructieve en brandveiligheid; Door mee te denken over de mogelijkheden bij het benutten van de bestaande (woning)voorraad waar het gaat om woningdelen of tot woonfunctie herbestemming van vrijkomende (agrarische)bebouwing; Mee te denken over oplossingen waarbij er een spanningsveld is tussen de woningbouwbehoefte en het Omgevingsplan en/of milieuregels. 6.2Behoud en verduurzaming van het cultureel erfgoed In het bestuursakkoord en de bouwstenen voor de omgevingsvisie wordt het erfgoed – naast het landschap - als belangrijke cultuurhistorische en economische waarde bestempeld. De regels die gelden voor erfgoed zijn vastgelegd in de Algemene verordening van de gemeente en in beleidsregels voor het plaatsen van zonnepanelen op monumenten en in beschermde dorpsgezichten. De gemeente Eijsden-Margraten is rijk aan materieel en immaterieel cultureel erfgoed. In totaal zijn er circa 400 rijksmonumenten, vier Rijksbeschermde dorpsgezichten en circa 100 door de gemeente aangewezen beeldbepalende gebouwen (waaronder het Caltex-tankstation in Withuis). In de gemeente twee panden als gemeentelijk monument aangewezen10Dit is recentelijk gebeurd in verband met het (kunnen)verkrijgen van een renovatiesubsidie van de provincie Limburg.. Daarnaast is er in de gemeente divers archeologisch erfgoed (vuursteenmijnen, relicten van een Romeinse villa en een Spaans fort). De monumenten zijn overwegend in goede staat. Toch staan de monumenten in de gemeente onder druk. Door wisselingen van eigenaar, door functieveranderingen (zoals een hoeve herinrichten voor appartementenverhuur), leegstand of door achterstallig onderhoud. De inschatting is dat bij circa 10% van de monumentale panden sprake is van leegstand en/of achterstallig onderhoud. De oorzaken van het mogelijke verlies aan erfgoed zijn onder andere: Het ontbreken van kennis bij eigenaren, architecten en bouwbedrijven en deels het ontbreken van affiniteit met erfgoed; het ontbreken van (voldoende) middelen bij de eigenaar en/of het niet in aanmerking komen voor subsidieregelingen; De wachttijden bij de adviezen van de rijksdienst voor de monumentenzorg is (
  5. te)lang (5-6 maanden); Eigenaren beginnen met sloop of verbouwwerkzaamheden voordat een vergunning is aangevraagd; Soms wordt toch (deels) gesloopt of een monumentale boom gekapt, ondanks dat de gemeente geen toestemming hiervoor had gegeven. De schade is dan vaak onherstelbaar. VTH levert de komende jaren een bijdrage aan het behoud van het erfgoed door te zorgen: Voor een goed en actueel inzicht in de staat van de panden (instandhoudingsplicht), ook door de ‘oren en ogen’ van de gemeente goed te organiseren; Dat eigenaren goed zijn geïnformeerd en niet starten met slopen of verbouwen zonder de vereiste vergunning; De gemeente in staat is om eigenaren voldoende (snel) ten dienste te kunnen zijn bij een vergunningaanvraag; en daarbij ook vanuit een breder perspectief adviseert: de monumentale waarde en verduurzaming zijn belangrijk maar het moet ook passen binnen het financiële plaatje van de eigenaar (investering, exploitatiemogelijkheden); Voor voldoende toezicht en dat waar nodig ook te handhaven, zeker waar onherstelbare schade is ontstaan. 6.3Aanpak ondermijning Georganiseerde criminaliteit is alom aanwezig. Ook in Eijsden-Margraten. De gemeente heeft daarom samen met de andere Heuvellandgemeenten, de politie en het Regionaal Informatie- en ExpertiseCentrum (RIEC) de handen in elkaar geslagen om weerstand te kunnen bieden aan georganiseerde criminaliteit en ondermijning van de gemeenschap en de gemeente zelf. Er is een regionale analyse gemaakt van de mogelijk aanwezige criminaliteit (ondermijningsbeeld) en er zijn gezamenlijke prioriteiten gesteld en afspraken gemaakt in een regionaal Integraal Veiligheidsplan (IVP Heuvelland). Het opgestelde ondermijningsbeeld laat zien dat er vooralsnog geen structurele zaken spelen in de gemeente. Dat wil zeggen niet zo manifest als in bijvoorbeeld de (grotere) Limburgse steden. Het gaat vooralsnog om incidenten. Zoals het aantreffen van een wietplantage, het dumpen van drugsafval of zoals recentelijk het aantreffen van grondstoffen voor de productie van drugs . Toezichthouders en de politie komen wel regelmatig zaken tegen waarvan niet helemaal duidelijk is of er wat speelt. Dat kan gaan om bedrijfsverzamelgebouwen met onduidelijke bedrijfsactiviteiten, mogelijke witwaspraktijken waar contact geld omgaat of het buitengebied waar geen goed zicht op is. De primaire verantwoordelijkheid voor de zogenaamde bestuurlijke aanpak van georganiseerde criminaliteit en ondermijning ligt bij het team Openbare Orde en Veiligheid (OOV). Het team is ook de eerste lijn naar de politie en het RIEC en vanuit de gemeente eerste partner in het ACT!-team. Het team voert onder andere ook de Bibob-toetsen uit. De rol van VTH bij de het tegengaan van ondermijning is vooral ondersteunend. Daarbij gaat het in hoofdzaak om het volgende: Oren en ogen zijn voor OOV bij het uitvoeren van bedrijfsbezoeken (of het behandelen van vergunningaanvragen); Het mee uitvoeren van integrale controles of uitvoeren van projecten binnen het ACT! Team; het door de Heuvelland in het leven geroepen interventieteam; Het conform de beleidsregels laten uitvoeren van een Bibob-toets als er rond een initiatief(nemer) signalen zijn die kunnen wijzen op ondermijnende activiteiten; Bijdragen aan de bewustwording van ondernemers door bij controlebezoeken bijvoorbeeld te wijzen op ondermijningsrisico’s en waar ze meer informatie (en steun) kunnen krijgen. 6.4Landbouw en economie Hoewel een groot deel van het grondgebied van Eijsden-Margraten een agrarische functie heeft, is de lokale economie divers van samenstelling. De gemeente zelf is een van de grootste werkgevers. Daarna komen de landbouw en de vrijetijdseconomie. De overige economie bestaat uit een mix van bouwnijverheid, detailhandel, zorg- en onderwijsfuncties, dienstverlening et cetera. Belangrijk zijn vooral de verschuivingen in de landbouw en het door de gemeente meer willen inzetten op de vrijetijdseconomie. Het aantal bedrijven in de landbouw neemt af (naar schatting met 30% in de afgelopen 10 jaar), de schaalgrootte neemt (deels) toe en de aard van de bedrijven verandert. Door milieuregels (stikstof) worden de rundveehouderijen beperkt en de traditionele fruitteelt is – in de wereldmarkt – niet meer rendabel. De agrarische sector zoekt naar nieuwe economische dragers. Die worden veelal gezocht in andere agrarische activiteiten, bijvoorbeeld inzetten op wijnbouw, overgaan op het houden van paarden of inzet boslandbouw. Of door het geheel of gedeeltelijk overschakelen naar de vrijetijdseconomie. Dat wil zeggen het hebben van een mini-camping bij de hoeve of het verbouwen van een stal of (een deel van) de hoeve tot verblijfsaccommodatie voor toeristen. In het bestuursakkoord is vastgelegd dat de gemeente met dergelijke initiatieven ruimhartig wil omgaan en de vrijetijdseconomie moet worden gestimuleerd. Deels gebeurt de overschakeling door de eigenaar van de boerderij en landbouwgronden zelf. Deels worden die ook verkocht of verhuurd. Dat laatste leidt soms tot klachten omdat minder rekening wordt gehouden met de lokale gebruiken. Of omdat nieuwe inwoners niet alleen rust en ruimte aantreffen maar ook de geur van landbouwhuisdieren en aanwezigheid van landbouwvoertuigen. De bedrijfsterreinen zitten zo goed als vol. Bedrijven vertrekken, gaan failliet en er komen nieuwe bedrijven. Ook in bedrijfsverzamelgebouwen. Of garageboxen waar bedrijfsactiviteit wordt ontwikkeld. Daar is weinig zicht op. Niet duidelijk of daar risico’s door ontstaan qua ondermijning, verloedering (veiligheid), brandveiligheid of milieu. De rol van VTH ligt enerzijds bij de vergunningverlening. Maar anderzijds ook bij het meedenken met een eigenaar wat de mogelijkheden zijn. Dat is ook de lijn van de nieuwe nota Landbouw. Ook in het Omgevingsplan dient dit te worden meegenomen. Het is wel belangrijk dat een eigenaar dat gesprek ook aangaat met de gemeente. In de praktijk komt het echter ook voor dat al wordt gestart met sloop, kap, (ver)bouw, aanleg voordat een vergunning is aangevraagd of dat er verkeerd wordt geploegd. Dat kan leiden tot (onherstelbare) schade aan het landschap. En als (
  6. te)veel bestaande bebouwing geschikt wordt gemaakt voor verhuur aan toeristen bestaat ook het risico van ‘spookgehuchten’. Vroeg-signalering is daarom belangrijk. Door regelmatig toezicht te houden en ’oren en ogen’ van de gemeente, de ODZL en de brandweer beter te benutten. Dat geldt ook voor de bedrijfsterreinen waar onvoldoende zicht op is. De bijdrage van VTH aan de ontwikkeling van landbouw en economie bestaat uit: Het goed organiseren van de ‘oren en ogen’ zodat de gemeente zicht houdt op (gewenste en ongewenste) ontwikkelingen in het buitengebied en op bedrijfsterreinen; Het meedenken met en (preventief) adviseren van agrariërs die andere of aanvullende economische dragers zoeken voor hun bedrijf. Dit in samenspraak met het team Ruimtelijke Ontwikkeling en de afdeling Openbare Ruimte en met de omgeving; Het toezicht houden op en waar nodig handhaven van de naleving van de afspraken. 6.5Natuur en landschap Het grondgebied van de gemeente Eijsden-Margraten is een cultuurlandschap. Dat is ontstaan vanaf de Romeinse tijd. Het landschap is omgevormd van bos naar de nu typische structuur met hagen, boomgaarden, bosschages en holle wegen. En traditioneel met vooral relatief kleine gemengde agrarische bedrijven. Het gebied is natuur- en cultuurhistorisch van groot belang. Het college vindt het een ‘vijfsterrenlandschap’ en benadrukt in het bestuursakkoord het belang van het behoud. Op dit moment wordt gewerkt aan een (nieuw) landschapsontwikkelingsplan. Daarin zullen keuzes gemaakt moeten worden (bijvoorbeeld in lijn met de scenario’s uit het bouwstenen voor de omgevingsvisie in Lijn50). Er ligt een grote druk op het landschap. De boomgaarden zijn economisch niet meer rendabel. De veehouderijen worden beperkt door stikstofregels (ook in relatie tot de Natura-2000 gebieden). Dat leidt tot schaalvergroting (stallen, gebouwen, kavels, voertuigen) en verandering van functies. En daardoor ook tot aantasting van natuur en landschap: holle wegen zijn lastig voor de grotere landbouwmachines, hagen maken plaats voor prikkeldraad en bomen worden – zonder toestemming – rigoureus gesnoeid of gekapt. Kleinere agrariërs verpachten hun land aan grotere agrariërs die vaak geen binding hebben met het (directe) gebied. De laatste hebben ook minder een ‘boodschap’ aan de omgeving. Dat drukt op de leefbaarheid. Natuur en agrarische gebruik waren altijd met elkaar verbonden maar komen nu ook in een spagaat. Dat speelt al enige tijd maar is de afgelopen 10 jaar versneld. De effecten op de natuur zijn – zeker op sommige plaatsen – goed zichtbaar. Bijvoorbeeld de randen van de Natura-2000 gebieden. De oorzaak is daarbij echter niet alleen de uitstoot van ammoniak maar ook het gebruik van kunstmest. En ingrepen in de natuur zijn vaak onomkeerbaar. Bestuurlijke handhaving in de vorm van een herplantplicht brengt een gekapte monumentale boom niet terug. Strafrechtelijke handhaving komt in de praktijk niet of nauwelijks voor omdat het voor de politie en het OM geen prioriteit heeft. Dit geldt ook in zijn algemeenheid voor de inzet van de politie en het OM. Overtredingen blijven daardoor onbestraft. De bijdrage van VTH aan het behoud en de ontwikkeling van natuur en landschap is: Zorgen dat (agrarische) ondernemers en inwoners voldoende bekend zijn met de regels en kaders zoals onder meer vast te leggen in het landschapsplan; Zorgen voor een goed zicht op wat er gebeurt in het buitengebied en daarvoor de oor en oogfunctie intern (buitendiensten) en extern (partners als de natuur- en landschapsorganisaties) goed organiseren; Het ontwikkelen van een specifiek handhavingsbeleid en instrumentarium dat vooral strikt toeziet op ingrepen in het landschap die onomkeerbaar zijn. Zoals het kappen van monumentale bomen of het verwijderen van hagen. En daarop ook strikt te handhaven 7Uitvoeringsstrategie Leidend voor de wijze waarop het VTH-instrumentarium wordt ingezet is de ‘uitvoeringsstrategie’. Het vastleggen hiervan voor de Omgevingswet is een wettelijke verplichting. De uitvoeringstrategie bestaat uit een aantal onderdelen: Preventiestrategie Vergunningstrategie Toezichtstrategie Handhavingsstrategie Gedoogstrategie Voor de uitvoering zijn kritische prestatie-indicatoren (KPI’
  7. s)opgesteld om de realisatie van de uitvoeringsstrategie te kunnen monitoren en waar nodig bij te sturen. Deze worden nog verder doorontwikkeld. In de kern is de strategie die de gemeente Eijsden-Margraten volgt bij de inzet van VTH als volgt; in het Uitvoeringskader is deze in detail uitgewerkt. 7.1Preventiestrategie Voorkomen is beter dan genezen. Aan de voorkant zaken goed regelen. Als bijvoorbeeld een illegale verbouwing van een monumentaal pand wordt stilgelegd levert dat waarschijnlijk niet alleen veel ‘gedoe’ op, maar brengt het voor de gemeente én de initiatiefnemer ook (hoge) kosten met zich mee. Bovendien bestaat de kans dat een deel van de monumentale waarde al verloren is gegaan. Het is belangrijk dat burgers en ondernemers goede voorlichting krijgen over wat de regels zijn, wat de mogelijkheden zijn om een initiatief (toch) te realiseren én wat de gevolgen van het niet naleven van regels zijn. Preventie kan door: Voorlichting gericht op bekendheid met de regels en mogelijkheden; Voorlichting gericht op informatie over steun die een initiatiefnemer kan krijgen, bijvoorbeeld over provinciale of landelijke subsidiemogelijkheden bij het renoveren van een monument; Voorlichting gericht op een vergroting van het bewustzijn van bijvoorbeeld brandveiligheidsrisico’s (inwoners) of ondermijningsrisico’s (bedrijven); Bemiddeling aanbieden daar waar er klachten of conflicten zijn of dreigen rond een initiatief of activiteit; Het goed organiseren van de ‘oor en oog’ functie, ook van de Brandweer en de ODZL. Dat kan door breed te kijken, door periodiek een ‘schouw’ te houden of langs te rijden, bijvoorbeeld op bedrijfsterreinen, het buitengebied of rond monumenten; vroeg-signalering is belangrijk om te voorkomen dat schade kan ontstaan of er handhavend moet worden opgetreden; Samenwerking zoeken, bijvoorbeeld op bedrijfsterreinen waar het gaat om het terugdringen van ‘verrommeling’ en illegaal gebruik van panden. Voorlichting kan met algemene informatie via de website, het beantwoorden van vragen of het actief geven van voorlichting en het advies aan individuele inwoners of ondernemers, het geven van voorlichting aan ‘realiserende partijen’ (architecten, bouwbedrijven etc.) of doelgroepen (bedrijven op een bedrijfsterrein, agrariërs of verenigingen die evenementen organiseren). Een goede preventiestrategie kan alleen slagen bij een goede samenwerking met andere afdelingen en taakvelden. Het is belangrijk dat er duidelijke kaders voor wat de ambities van de gemeente zijn en welke ruimte er is voor initiatieven. Bijvoorbeeld in een landschapsvisie of in het Omgevingsplan. Daarbij is een goede toets van de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid voor VTH een belangrijk aandachtspunt. In het jaarlijkse uitvoeringsprogramma wordt vastgelegd hoe in dat jaar concreet wordt ingezet op preventie en wat daarmee moet worden bereikt. 7.2Vergunningstrategie Activiteiten die onder de Omgevingswet of lokale regelgeving (zoals de Av) vallen moeten voldoen aan voorwaarden. Soms is een vergunning nodig. Bijvoorbeeld bij nieuwbouwprojecten, verbouwingen aan monumenten of voor grotere evenementen. Voor minder ingrijpende activiteiten, zoals een kleine verbouwing, volstaat vaak (maar niet altijd) alleen het melden dat de activiteit wordt uitgevoerd. Dat dat laatste ook daadwerkelijk gebeurt is belangrijk zodat de gemeente eventueel een controle kan uitvoeren. Meer specifiek heeft de gemeente de volgende taken als het gaat om vergunningverlening: Het verlenen, weigeren, wijzigen of (gedeeltelijk) intrekken van een vergunning of ontheffing; Het behandelen van een melding; Het besluiten over maatwerkvoorschriften en/of gelijkwaardigheid. Vergunningverlening levert een bijdrage aan het verbeteren van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving en het naleven van de regels die van toepassing zijn. Voor het bepalen van de acceptabele kwaliteit moeten de verschillende belangen tussen de voorgenomen activiteiten en de gevolgen voor de fysieke leefomgeving zorgvuldig zijn afgewogen. De belangrijkste toetsingskaders zijn het omgevingsplan, het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl, voor bouwen), het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal, voor milieu), de VNG Handreiking Activiteiten en milieuzonering en Omgevingswet en de jurisprudentie. Vergunningen moeten kwalitatief goed zijn. Dat houdt enerzijds in dat ze voldoende ruimte bieden aan een te nemen initiatief en de omgevingskwaliteit borgen. Anderzijds moet een vergunning de initiatiefnemer de handvatten bieden om de gestelde regels na te leven en moet de vergunning handhaafbaar zijn. Vergunningen die door of namens11Bijvoorbeeld door de ODZL. de gemeente Eijsden-Margraten zijn verleend, voldoen aan de volgende eisen: De vergunningen zijn in overeenstemming met de (landelijke, provinciale en lokale12Algemene Verordening gemeente Eijsden-Margraten, 1-1-2024) wet- en regelgeving; De vergunningverlening gebeurt in de geest van de Omgevingswet (“ja mits” i.p.v. “nee tenzij”); Er vindt een integrale afweging plaats; Het vergunningproces is transparant en juridisch correct en wordt binnen de wettelijke termijnen afgerond; De vergunningen zijn opgesteld in duidelijke en begrijpbare taal. Het algemene uitgangspunt is dat de initiatiefnemer een eigen verantwoordelijkheid heeft in het aanleveren van een goede en volledige, dat wil zeggen ontvankelijke, aanvraag. In het kader van de preventiestrategie zal de gemeente daarom zorgen dat regels voldoende duidelijk zijn. Waar nodig worden particuliere aanvragers ook ondersteund in het vooroverleg. De gemeente hanteert voor de beoordeling van een aanvraag een toetsingskader met verschillende toets-niveaus. Daarbij wordt onder andere gekeken naar de ruimtelijke inpasbaarheid, constructieve veiligheid, brandveiligheid, omgevingsveiligheid, welstand, milieu en gezondheid. Bij activiteiten met een laag risico vindt geen toetsing of alleen toetsing van uitgangspunten plaats. Bij activiteiten met een hoog risico wordt integraal of steekproefsgewijs getoetst. In de praktijk betekent dit dat vooral bij nieuw- en verbouw van woongebouwen, publiekstoegankelijke gebouwen en grondgebonden woningen, sloop en verbouw aan (Rijks)monumenten en sloop met asbest integraal worden getoetst. Bij vrijstaande bijgebouwen met een woonfunctie, aan-, uit en verbouw bij woon- en bedrijfsfunctie en bouwwerken geen gebouw zijnde, vindt alleen toetsing van uitgangspunten plaats. Door het in werking treden van de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen vervalt gefaseerd een deel van de bouwtechnische toetsing door de gemeente. Dat geldt in de planperiode van 2025-2028 vooralsnog alleen voor de nieuwbouw van kleinere bouwwerken (woningen, kleine bedrijfspanden etc.). In plaats hiervan vindt toetsing door een zogenaamde kwaliteitsborger plaats die een borgingsplan opstelt dat voor aanvang van de bouw moet worden overlegd aan de gemeente. Voor overige bouwwerken blijft de gemeente verantwoordelijk voor de bouwtechnische toetsing. Wat betreft de constructieve veiligheid gebeurt de toetsing van de laatstgenoemde categorieën (gevolgklasse 1) door het in werking treden van de Omgevingswet niet meer door de gemeente maar door kwaliteitsborgers. In voorkomende gevallen besluit de gemeente conform het vastgestelde gemeentelijke Bibob-beleid om een Bibob-toets uit te voeren. Dat wil zeggen als er signalen zijn dat de vergunning mogelijk gebruikt wordt om criminele of illegale activiteiten mogelijk te maken. De Bibob-toets wordt uitgevoerd door OOV. In hoofdstuk 1 van het Uitvoeringskader is het toetsingskader voor de beoordeling van vergunningaanvragen in detail uitgewerkt. 7.3Toezichtstrategie Toezicht is belangrijk om zicht te houden op de naleving van wet- en regelgeving en om waar nodig (handhavend) te kunnen optreden. Daarnaast draagt toezicht bij aan het zicht houden en krijgen op ontwikkelingen en resultaten van de inzet en het op basis daarvan afwegen of de strategie effectief is. Of dat bepaalde ontwikkelingen een signaal kunnen zijn voor andere afdelingen om in actie te komen en eventueel het beleid bij te stellen. Bijvoorbeeld waar het gaat om de wensen van agrariërs bij vergunningaanvragen en het beleid ten aanzien van de landbouwtransitie. De uitvoering van het toezicht vindt op verschillende manieren plaats: programmatisch, tijdens en volgend op het bouw- of sloopproces, thematisch/projectmatig, naar aanleiding van meldingen, handhavingsverzoeken of klachten of als vervolg op een eerdere controle of handhavingsbesluit. Sommige controles zijn altijd onaangekondigd. Bijvoorbeeld na het stilleggen van bouw- of sloopwerkzaamheden, bij (vermoeden van) strijdig gebruik of ondermijnende criminele activiteiten13In zo’n geval zal een controle in de regel samen met de politie worden uitgevoerd. (drugspand, illegale bewoning, etc.). De prioriteiten in het toezicht zijn bepaald aan de hand van een omgevings(risico)analyse en de gemeentelijke opgaven. Deze worden jaarlijks in het uitvoeringsprogramma nader gespecificeerd of bijgesteld. Bijvoorbeeld op basis van nieuwe inzichten, ontwikkelingen (beleid, wetgeving, samenleving) of ervaringen uit het toezicht in het jaar ervoor. Bij een overtreding weegt de toezichthouder de ernst van de overtreding én de reden van de overtreding af. Niet of onvoldoende naleven kan een bewuste keuze zijn van degene die wordt gecontroleerd. Maar kan ook een gevolg zijn van het onvoldoende kennen van de regels. Het uitvoeren van een controle is een gelegenheid om waar nodig aanvullende voorlichting te geven. Daar staat tegenover dat als de overtreding een groot risico voor bijvoorbeeld (brand)veiligheid of gezondheid inhoudt of er al schade aan een monument of het landschap is aangericht, treedt de handhavingsstrategie in werking. In het Uitvoeringskader is de toezichtstrategie verder uitgeschreven. 7.4Handhavingsstrategie Uitgangspunten In de handhavingsstrategie van de gemeente Eijsden-Margraten is het uitgangspunt dat de overtreding ongedaan gemaakt wordt en eventuele schade wordt hersteld. Bij de handhaving onderscheidt de gemeente wel een aantal gradaties. Afhankelijk van de situatie zal de gemeente in eerst aanleg het gesprek aangaan met de overtreder. Maar als een overtreding een acuut gevaar met zich meebrengt, er onherstelbare schade is aangericht, er sprake is van recidive (herhaalde overtreding) of niet meewerken aan herstelafspraken, treedt de gemeente altijd handhavend op. Bij onherstelbare schade (monument, landschap) of bij het starten met slopen na een sloopmelding zonder dat er al een vergunning is verleend, wordt handhavend opgetreden. De gemeente gaat onderzoeken in hoeverre de bestuurlijke boete hiertoe een aanvullend instrument kan zijn. Indien dit zal worden ingezet zal hiervoor aanvullend beleid worden opgesteld. Beschikbare instrumenten De gemeente heeft verschillende juridische instrumenten tot haar beschikking om te handhaven. Bestuursrechtelijk zijn dat een last onder dwangsom (LOD), een last onder bestuursdwang (LOB), het schorsen of intrekken van een vergunningen, het opleggen van een bestuurlijke boete of het uitoefenen van verscherpt toezicht. Bij een dreigende overtreding of een dreigende illegale situatie kan de gemeente, in bepaalde situaties wanneer de overtreding zeer waarschijnlijk gaat plaatsvinden, een preventieve last onder dwangsom of bestuursdwang opleggen. Algemene lijn De strategie die de gemeente Eijsden-Margraten volgt na een overtreding is in lijn met de LHSO. Het college heeft zich daaraan bij besluit van 25 augustus 2023 geconformeerd. De LHSO gaat uit van een aantal stappen: Het kwalificeren van een overtredingssituatie: de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving én de typering van de overtreder (van ‘goedwillend’ tot ‘crimineel’) Het bepalen van eventueel verzwarende aspecten: onomkeerbaarheid situatie, herhaalde overtreding, financieel gewin overtreder, andere strafbare feiten etc. Het bepalen van de interventie: van ‘aanspreken’ tot ‘bestuurs- en strafrechtelijk ingrijpen’. Eventuele afstemming tussen de betrokken handhavingspartners en andere instanties Het vastleggen van de afspraken en het optreden zelf. Er kan sprake zijn van een afwijking van de voorschriften, maar dat er maatregelen zijn getroffen die tot hetzelfde beschermingsniveau leiden (gelijkwaardigheid). Als op een andere wijze dezelfde veiligheid, bescherming van de gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en bescherming van het milieu wordt gerealiseerd, zal de gemeente een ‘besluit gelijkwaardige voorziening’ nemen. Er zijn ook situaties waarbij er formeel sprake is van een overtreding, er geen gelijkwaardige oplossing is, maar waarbij de illegale situatie in principe wel vergunbaar is. In dat geval wordt de overtreder uitgenodigd om een vergunningaanvraag in te dienen. Is dat niet aan de orde maar is de overtreder wel bereid de schade te herstellen, dan worden daar afspraken over gemaakt en termijnen voorgesteld. Daarbij kan de gemeente toch een sanctie opleggen als ‘stok achter de deur’. Die wordt pas geëffectueerd als de gemaakte afspraken niet zijn nagekomen. Daar waar sprake is van aanzienlijke of dreigende (onomkeerbare) grote schade en bij herhaalde overtredingen wordt conform de LHSO ook het strafrecht (politie en OM) ingeschakeld. Bij (onherstelbare) schade aan onder andere monumenten of landschap die geen prioriteit hebben bij politie en OM, zal de gemeente eigen beleid ontwikkelen voor het opleggen van bestuurlijke boetes. Handhaving Wkb Bij bouwwerken die onder de Wkb vallen treedt in de volgende gevallen de handhavingsstrategie in werking: Het ontbreken van een melding bij bouwwerken in Gevolgklasse 1; Het dossier dat gemeente krijgt aangereikt is niet volledig; De kwaliteitsborger is niet meer bevoegd om kwaliteitsborging uit te voeren; Er is een wijziging van Gevolgklasse tijdens de bouw; De kwaliteitsborger kan geen verklaring afgeven. Gemeente of andere overheid als overtreder Als de gemeente zelf in overtreding is (constructie, brandveiligheid, gebruik, welstand) wordt dezelfde lijn gevolgd. In eerste instantie wordt het management en/of college geïnformeerd en in de gelegenheid gesteld de overtreding te beëindigen, deze in de toekomst te voorkomen en zo nodig de schade te herstellen. 7.5Gedoogstrategie In zeer uitzonderlijke situaties kan de gemeente afgezien van handhaving en de overtreding gedogen. Dat is altijd aan een termijn gebonden en niet langer dan strikt genomen noodzakelijk. Conform het landelijke beleidskader gedogen (Gedogen in Nederland, 1996) hanteert de gemeente daarbij de volgende lijn: De activiteit is verantwoord uit het oogpunt van bescherming van de fysieke leefomgeving; Er bestaat concreet uitzicht op legalisatie van de activiteit; Een ontvankelijke vergunningaanvraag is ingediend én een voorlopige inschatting is gemaakt waaruit blijkt dat de activiteit vergunbaar is, indien vooruitlopend op besluitvorming omtrent vergunningverlening wordt afgezien van handhaving; Er dient sprake te zijn van bijzondere omstandigheden die afzien van handhaving in het concrete geval rechtvaardigen. De gemeente gedoogt niet als er sprake is van herhaalde overtredingen en/of calculerend gedrag, er sprake is van strijdigheid met andere wet- en regelgeving, als er gebouwd is zonder of in afwijking van de vergunning (die niet legaliseerbaar
  8. is)of belangen van derden zwaarder wegen dan het belang van de initiatiefnemer. Als de gemeente een situatie gedoogt, gebeurt dat uitdrukkelijk en schriftelijk, wordt het gedogen beperkt in omvang en tijd, is sprake van een zorgvuldige kenbare belangenafweging en vindt er controle plaats op het naleven van de afspraken. 8Organisatie, beleids- en uitvoeringscyclus en kwaliteitsborging Het is belangrijk de kwaliteit van de organisatie en uitvoering van de VTH-taken is geborgd. In dit hoofdstuk staat samengevat hoe de uitvoering van de VTH-taken is georganiseerd, hoe de gemeente de beleids- en uitvoeringsscyclus beheert en hoe de gemeente de kwaliteit van de uitvoering borgt. 8.1Organisatie en samenwerking Interne organisatie De uitvoering van de VTH-taken in het kader van het omgevingsrecht gebeurt door het team VTH van de afdeling Ruimtelijke ontwikkeling en bouwen (ROB). De organisatie van de gemeente en de formatie van het team VTH zijn als volgt: Het team heeft een formatieve bezetting van ruim 24 fte. Daarnaast is er budget beschikbaar voor eigen taakuitvoering (toezicht milieu, bodem, advieskosten en Omgevingsplannen). Dit is exclusief het budget dat beschikbaar is voor de VTH-taken (en overige milieutaken) die de ODZL voor de gemeente uitvoert. Voor 2025 bedraagt het budget voor de basistaken door de ODZL ruim € 502.000,00. hoofdtaak fte Aanvullend budget Administratie 2,06 Vergunningen 7,66 € 11.850 advieskosten Toezicht en handhaving 4,00 € 20.000 (milieu) € 5.000 advieskosten Milieu 1,00 Bodem - € 38.884 Cultureel erfgoed 0,78 Ruimtelijke ordening 5,78 € 43.000 advieskosten Beleid, kwaliteitszorg 2,00 Team regisseur 1,00 Totaal 24,28 fte € 118.734 Interne en externe samenwerking De interne samenwerking vindt vooral plaats met de teams Openbare Ruimte & OOV (afdeling Openbare ruimte), Ruimtelijke ontwikkeling en Beleid & projecten (afdeling samenleving). Bij de uitvoering van de VTH-taken werkt de gemeente vooral samen met de volgende partners. Veiligheidsregio Zuid-Limburg (brandweer): De brandweer voert voor de gemeente het toezicht op brandveiligheid uit, evenals de advisering ten aanzien van brandveiligheid bij bouwaanvragen en evenementen. Daarnaast wordt samen met de brandweer ingestoken op preventie, dat wil zeggen het geven van voorlichting. Omgevingsdienst Zuid-Limburg (ODZL): De ODZL voert voor de gemeente de wettelijk verplichte VTH-taken op het gebied van milieu uit en voorziet de ODZL de gemeente waar nodig met specialistisch (milieu)advies op aanvraag. Waterschap Limburg: Voor specifieke werkzaamheden en activiteiten is een vergunning nodig van het Waterschap. Bij een buitenplanse omgevingsplanactiviteit met een waterbelang heeft het waterschap een adviesrol. Politie en het Openbaar Ministerie: partner als het gaat om de strafrechtelijke handhaving. De provincie Limburg adviseur en verlener van toestemming / instemming waar het gaat om vergunningen voor activiteiten in een natuurbeschermingsgebied. Rijksdienst voor cultureel erfgoed (RCE): Adviseur bij vergunningaanvragen die betrekking hebben op rijksmonumenten. Geneeskundige Hulpverleningsorganisaties in de Regio (GHOR) partner /adviseur als het gaat om evenementen. Personele en financiële middelen De beschikbare personele en financiële middelen zijn de basis voor de uitvoering. Deze zijn geborgd in de meerjarenbegroting. Binnen de gemeente is er een formatie van 24,28 fte voor de uitvoering van de Omgevingswet. In het uitvoeringsprogramma wordt jaarlijks berekend of de formatie en financiële middelen voldoende is om de wettelijke taken uit te voeren en de doelstellingen uit dit VTH-beleid te realiseren. Daarmee is de uitvoering financieel geborgd. 8.2Beleidscyclus Eén van de kwaliteitscriteria voor een professionele organisatie op het gebied van VTH is het vorm en inhoud geven aan een cyclisch proces. Op basis van behaalde resultaten van het achterliggende jaar en de zich in dat jaar voorgedane ontwikkelingen wordt gekeken naar de consequenties voor de voorliggende jaren. Uitgangspunt bij het opzetten van deze cyclus zijn het jaarverslag met evaluatie en het uitvoeringsprogramma tot een programma dat in detail één jaar vooruitkijkt. Beleidskader De eerste stap in het beleidsproces is het voorbereiden en voorleggen van prioriteiten en meetbare doelstellingen aan de directie en college en het nemen van besluiten over de te stellen doelen op het gebied van de VTH-taken. De uitgevoerde beleidsevaluatie legt de basis voor deze stap. De basis hiervoor is een omgevings- en risicoanalyse. Uitvoeringskader In deze stap worden prioriteiten en doelstellingen worden vertaald in een concrete aanpak en uitvoeringsstrategie. Voor de uitvoering van de vergunningverlening worden prioriteiten en doelstellingen vertaald in een set van objectieve criteria voor de toetsing van vergunningaanvragen. Voor de toezichts- en handhavingstaken worden prioriteiten gesteld (wat, wanneer, hoe vaak en hoe controleren?) en vastgelegd hoe de gemeente omgaat met overtredingen. Centraal in deze stap staat het toewijzen van de noodzakelijke capaciteit en financiële middelen die nodig zijn om de gestelde doelen te kunnen bereiken. Hiertoe worden organisatorische condities gesteld en een systematiek van interne borging ingericht voor de wijze waarop werkzaamheden beheerst kunnen worden uitgevoerd. De bouwstenen voor deze stap zijn de resultaten van de beleidsevaluatie, de prioriteiten daaruit, doelstellingen voor de komende periode en overeenstemming over te voeren strategieën. Eén en ander wordt uitgewerkt in een jaarlijks op te stellen uitvoeringsprogramma. Organiseren Hier gaat het om een goede voorbereiding van de af te geven vergunning en het uit te voeren controlebezoek door eerst te kijken naar de resultaten van eerdere vergunningverleningsprocedures met gelijke initiatiefnemers en van eerdere controlebezoeken, de meldingen, klachten en incidenten, eventuele rapportageverplichtingen, van toepassing zijnde nalevingstrategieën, etc. Uitvoeren Dit element betreft de voorzieningen voor de uitvoering van de te verlenen vergunningen en het controlebezoek zelf (inclusief de hieruit volgende acties). Monitoring Het volgende onderdeel van de beleidscyclus is de monitoring van diverse zaken die relevant zijn voor bijsturing in de operationele cyclus (bijvoorbeeld het aantal/de aard/de complexiteit van de te verwachte vergunningen of het aantal gerealiseerde controles, het bestede aantal uren, etc.) of als input voor de beleidsevaluatie (zoals de verbetering of verslechtering van het naleefgedrag van bedrijven of de milieukwaliteit in de regio). Rapportage en evaluatie In essentie betreft deze stap het analyseren van allerlei relevante elementen dan wel veranderingen voor de VTH-taken. Hierbij moet bijvoorbeeld worden gedacht aan wijzigingen in het beleid en takenpakket. Voor de vergunningverlening specifiek betreft dit bijvoorbeeld een analyse van het aantal te verwachten vergunningaanvragen en meldingen, en wijzigingen in het huidige en toekomstige inrichtingenbestand inclusief de mate van actualiteit van de vergunningen of meldingen. Voor Toezicht en Handhaving zijn dit bijvoorbeeld de verbetering of verslechtering van het naleefgedrag van burgers en ondernemers en de ontwikkeling van het aantal klachten / klachtenpatroon en de ontwikkeling van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Evaluatie vindt jaarlijks plaats. Deze beleidsnota wordt in z’n geheel herzien na 4 jaar, tenzij eerder noodzakelijk vanwege gewijzigde regelgeving. In het jaarverslag VTH wordt de evaluatie en de eventuele aanpassingen hierop verwoord in één document. Dit werkt sneller en efficiënter. 8.3Kwaliteitsborging Het borgen van de kwaliteit van de organisatie en uitvoering is een wettelijke eis. Algemene uitgangspunten Burgemeester en wethouders beoordelen de kwaliteit van de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten in het licht van daarvoor door hen gestelde doelen in de uitvoerings- en handhavingsstrategie. De doelen in de uitvoerings- en handhavingsstrategie voor de betrokken wetten hebben in ieder geval betrekking op: de dienstverlening; de uitvoeringskwaliteit van diensten en producten; de financiën; Op de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten door of in opdracht van burgemeester en wethouders zijn de actuele kwaliteitscriteria van toepassing die in landelijke samenwerking tussen bevoegde gezagen ontwikkeld en beschikbaar gesteld zijn inzake de beschikbaarheid en de deskundigheid van organisaties die met de kwaliteit van de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten zijn belast. Voor de gemeente Eijsden-Margraten gaat dit om de eigen organisatie en de ODZL waar het gaat om de basistaken milieu14Het zich conformeren aan de kwaliteitsborging door de ODZL is vastgelegd in de gemeentelijke verordening uitvoering en handhaving Omgevingsrecht van 1 janauri 2024. Zie link.. Over de naleving van de kwaliteitscriteria doen burgemeester en wethouders jaarlijks mededeling aan de gemeenteraad. Voor zover de kwaliteitscriteria niet zijn of konden worden nageleefd, doen burgemeester en wethouders daarvan gemotiveerd opgave volgens het principe ‘comply of explain’. Principes bij de kwaliteitsborging Het uitvoeringsprogramma en de werkprocessen, het personeel, de communicatie en de bedrijfsvoering zijn de thema’s die moeten leiden tot professioneel werken. Hierbij speelt het borgen van de behaalde kwaliteit een grote rol. Bij deze borging ligt het accent bij zeggen wat je doet, doen wat je zegt en laten zien dat je doet wat je zegt. Kortom het beheersen van de kwaliteit. Bij het beheersen of het controleren van de kwaliteit wordt nagegaan of datgene gebeurt wat binnen de organisatie is afgesproken. Daarnaast speelt hier ook de kwaliteit van de medewerker een belangrijke rol. Voldoet de medewerker aan de kwaliteitscriteria wat betreft opleiding- en kennisniveau. Afgesproken normen en procedures worden bewaakt en beoordeeld wordt of de dienstverlening aan de eisen voldoet. Er wordt nagegaan of de opgelegde eisen ook zijn gehaald. Het regelmatig bijstellen van normen en procedures is dan ook een belangrijke opgave in het kader van de kwaliteitsborging. In het kader van de kwaliteitsborging speelt een zestal aspecten een rol: Het eerste aspect betreft de kwaliteitscontrole op medewerkersniveau. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen audits, om na te gaan of processen lopen zoals afgesproken, én inhoudelijke controles, om na te gaan of werkzaamheden inhoudelijk (op het juiste niveau) worden uitgevoerd en resultaten vanuit klantperspectief goed verwoord zijn. Kwaliteitsborging heeft daarnaast betrekking op de actualiteit van de probleem- en risicoanalyse, die ten grondslag ligt aan het Integrale Omgevingsbeleidsplan. De toetsing vindt in principe jaarlijks plaats bij de stap rapportage & evaluatie naar aanleiding van de monitoring. Een structurele controle vindt om de vier jaar plaats bij de complete actualisatie van het Integrale Omgevingsbeleidsplan. Wanneer wet- en regelgeving indringend wijzigt en gevolgen heeft voor de analyse dan wel dat uit de evaluatie van het jaarprogramma blijkt dat structurele bijstelling noodzakelijk is, zal de frequentie worden bijgesteld. Het derde deel van de kwaliteitsborging heeft betrekking op verbeteringsmechanismen voor het bijstellen van processen en de kwaliteit. Er vindt jaarlijks een auditing plaats van de werkprocessen en protocollen. Deze worden indien nodig op- en bijgesteld. Hierbij wordt per protocol een logboek bijgehouden. Het vierde aspect ten aanzien van kwaliteitsborging heeft betrekking op het aantal medewerkers en het aantal “vlieguren” per deskundigheidsgebied, zoals dit is aangegeven in het onderdeel Kritieke massa van de Kwaliteitscriteria 2.3. In het kader van de beoordelingscyclus wordt het opleidings- en kennisniveau van de medewerkers bijgehouden. Afhankelijk van de uitvoeringstaken of veranderende werkzaamheden zal bijscholing c.q. omscholing hierbij aan de orde komen. Eén en ander wordt bijgehouden in het personeelsdossier. Het vijfde en een belangrijk aspect is de kwaliteitsborging op organisatorisch niveau. Binnen de organisatie dient een persoon te worden aangewezen als directievertegenwoordiger die verantwoordelijk is voor het ontwikkelen en in stand houden van een kwaliteitssysteem. Dit betreft alleen het proces en niet de inhoud. Hierbij hoort een jaarlijkse evaluatie, directiebeoordeling en eventuele bijstelling. Realistische invulling Ten aanzien van het vierde punt wordt het volgende opgemerkt: Bij de uitgangspunten van de kwaliteitscriteria speelt de workload geen rol. Dit zou betekenen dat voor elk deskundigheidsgebied minimaal 2 medewerkers ter beschikking hebben. Dit is echter niet realistisch gezien het werkaanbod op bepaalde deskundigheidsgebieden omdat bepaalde activiteiten slechts enkele malen per jaar voorkomen. Daarom passen wij het principe toe van “comply or explain” of te wel “pas toe of leg uit” toe. Op grond van de verordening kwaliteit moet het college jaarlijks verantwoording afleggen over de kwaliteit, kwaliteitsborging en eventuele maatregelen. Voor de komende planperiode zijn de beschikbare capaciteit binnen het team VTH en de deskundigheid op het vlak van erfgoed belangrijke aandachtspunten. BijlageUitvoeringkader bij het VTH-beleidsplan 2025-2028 1Uitvoeringskader vergunningverlening 1.1Algemeen kader In het Uitvoeringskader wordt voor de belangrijkste activiteiten het beleid uitgewerkt. Het beleid heeft betrekking op de wijze waarop de gemeente vorm en inhoud geeft aan de aannemelijkheidstoets. Per activiteit of onderdeel daarvan wordt de volgende opbouw van de uitwerking aangehouden: Inleiding: toelichting op basis van het hoe en waarom van een taak of product. Centrale vraag: vraag die het Omgevingsbeleidsplan moet beantwoorden. Strategie: uitgangspunten voor het beleid én de uitwerking van de factoren op basis waarvan keuzen worden gemaakt. Beleid: de keuzen ten aanzien van prioriteiten en diepgang. Preventiestrategie De gemeente Eijsden-Margraten hanteert, zoals aangegeven bij de uitgangspunten, de zogenaamde “aanpak aan de voorkant”. Deze aanpak komt sterk naar voren bij de vergunningverlening. De gemeente stimuleert potentiële aanvragers actief na te gaan of aanvragen of meldingen nodig zijn en ten behoeve van de afhandeling te komen tot goed uitgewerkte aanvragen. Dit doet zij op twee manieren, namelijk via: Voorlichting en informatievoorziening, bijvoorbeeld in de vorm van de directe telefoonlijn met VTH en de website. Vooroverleg in de vorm van conceptverzoeken of de omgevingstafel. Het overleg stelt een potentiële aanvrager in de gelegenheid om de haalbaarheid van een initiatief na te gaan zonder veel kosten te maken en het plan tot in detail uit te werken. De gemeente heeft als doelstelling de burger/ c.q. aanvrager optimaal te informeren. Toetsstrategie De toetsstrategie geeft op hoofdlijnen aan op welke wijze de gemeente vergunningsaanvragen en meldingen technisch beoordeelt. Voor de meeste activiteiten heeft een risicoanalyse plaatsgevonden. De risicoanalyse heeft plaatsgevonden door vergunningsaanvragen en meldingen in logische categorieën te verdelen en deze te koppelen aan thema’s waarop vervolgens de gemeente de wet- en regelgeving moet toepassen. Per categorie per thema is nagegaan wat het risico is. Dit risico is vertaald naar de wijze van beoordelen. Uitgangspunt toetsstrategie De toetsstrategie heeft een directe relatie met de toezichtstrategie vanwege het uitgangspunt: ‘Wat we buiten (toezicht) belangrijk vinden, vinden we ook binnen (toets) belangrijk’. Toetsniveaus De toetsniveaus worden bij de diverse activiteiten nader belicht. Toetsen op adequaat niveau is het algemene uitgangspunt bij vergunningverlening. Het adequate niveau is in de werkprogramma’s gelijkgesteld aan het representatieve niveau. Hierbij geldt een representatieve toets, waarbij een aantal representatieve onderdelen van tekeningen en berekeningen kritisch bekeken en eventueel rekenkundig gecontroleerd worden. Deze representatieve toets wordt uitgevoerd door een plantoetser die voldoet aan de Kwaliteitscriteria 2.1 en ruim voldoende kennis en ervaring heeft met de materie. Het toetsniveau ‘adequaat’ of ‘representatief’ als uitgangspunt is feitelijk het gemiddelde erkende minimumniveau van toetsing. Kleine objecten zullen een lager toetsniveau hebben en de grotere en meer risicovolle objecten zullen minimaal representatief getoetst worden. Tabel 1: Omschrijving toetsniveaus Niveau Werkniveau Omschrijving Aanvulling gemeente 4 Integraal toetsen Alles controleren. Gecontroleerd wordt of de uitgangspunten die zijn aangeleverd om het betreffende aspect te kunnen toetsen in de juiste vorm zijn. Van ieder te toetsen aspect wordt nagegaan of de uitgangspunten juist zijn en worden de uitkomsten gecontroleerd en indien nodig nagerekend. Het betreft uitgangspunten op alle onderdelen die aan de hand van specifieke projecttekeningen berekeningen, rapportages worden gecontroleerd. Narekenen als dit nodig wordt geacht 3 Representatief toetsen Controle van de belangrijkste onderdelen. Gecontroleerd wordt of de uitgangspunten op de stukken die zijn aangeleverd om het betreffende aspect te kunnen toetsen in de juiste vorm zijn. Van ieder te toetsen aspect wordt nagegaan of de uitgangspunten juist zijn en of de uitkomsten plausibel zijn. De na te rekenen aspecten worden bepaald op basis van de resultaten van de visuele toets. Het betreft uitgangspunten ten aanzien van de meest kritische onderdelen die aan de hand van specifieke projecttekeningen berekeningen, rapportages worden gecontroleerd 2 Visueel toetsen Kloppen de uitgangspunten en lijken de uitkomsten aannemelijk? Gecontroleerd wordt of de uitgangspunten op de stukken die zijn aangeleverd om het betreffende aspect te kunnen toetsen in de juiste vorm zijn. Van ieder te toetsen aspect wordt nagegaan of de uitgangspunten juist zijn en of de uitkomsten plausibel zijn. Het betreft uitgangspunten die aan de hand van algemene projecttekeningen via meten en eenvoudige berekeningen zijn te controleren 1 Uitgangspunten toets Bevatten de stukken voldoende informatie over de uitgangspunten? Gecontroleerd wordt of de globale uitgangspunten op de stukken, die zijn aangeleverd om het desbetreffende aspect te kunnen toetsen, in voldoende mate en in samenhang zijn weergeven. Indien gegevens niet aanwezig zijn de ontvankelijkheidtermijn is verstreken zonder dat de gemeente hiervan melding heeft gegeven, dan kan de vergunning hier niet meer op worden aangehouden/geweigerd. Het betreft uitgangspunten die eenvoudig van de algemene projecttekening zijn af te lezen, bijvoorbeeld verwijzing naar een NEN norm en materiaalaanduiding. 0 Geen Er vindt geen controle op het onderdeel plaats Het hanteren van toetsniveaus heeft vooral betrekking op aanvragen voor zogenaamde aflopende omgevingsplanactiviteiten en de technische bouwactiviteit. De vergunning wordt aangevraagd en mogelijk verleend, hierna vindt de uitvoering plaats en de activiteit is gereed. Er is geen sprake van een beheer- of gebruiksfase. Voor het beoordelen van aanvragen aan de thema’s in wet- en regelgeving worden, afhankelijk van de risico’s verschillende werkniveaus gehanteerd. De werkniveaus geven de mate van diepgang aan waarop wordt beoordeeld. Deze methodiek is overgenomen van het project Collectieve Kwaliteitsnormering Bouwvergunningen dat in het verleden door de grotere gemeenten in Nederland is geïnitieerd. Verder is gekeken naar de maatschappelijke ontwikkelingen op het gebied van vergunningsvrije activiteiten15Voorheen verenigd in het Platform Bouw en Woningtoezicht Grote gemeenten, nu onderdeel van de Vereniging Bouw- en Woningtoezicht Nederland. Eijsden-Margraten is hier lid van.. Activiteiten met een doorlopend karakter zijn activiteiten, die een beheer- of gebruiksfase kennen. Het betreft dan vooral de activiteiten: het uitvoeren van milieubelastende activiteiten (mba’
  9. s)en het brandveilige gebruik van bouwwerken 1.2Bouwactiviteit (bouwtechnische deel) ex nieuwbouw GK1 Inleiding Het (ver)bouwen van een bouwwerk is één van de activiteiten die valt onder de Omgevingswet en waarvoor vaak een omgevingsvergunning nodig is. Aanvragen voor deze activiteit worden naast de genoemde toetsingskaders beoordeeld op ontvankelijkheid. Op grond van de Omgevingswet art.5.1 lid 1 onder a is het verboden om te bouwen zonder vergunning van burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning). In 2.25 en 2.26 van het Bbl is dit verder uitgewerkt; de uitzonderingen staan in 2.27 Bbl. De meeste toetsingskaders voor aanvragen voor de technische bouwactiviteit ligt vast in het Bbl. Het is echter onmogelijk om 100% aan dit kader te toetsen. Vanuit de gedachte van de aannemelijkheidstoets is dit ook niet noodzakelijk. Voor de toetsing van aanvragen voor de bouwactiviteit is het daarom noodzakelijk tot een lokaal toetsingskader te komen dat aangeeft hoe de gemeente Eijsden-Margraten aannemelijk maakt of aan wet- en regelgeving wordt voldaan. Dit toetsingskader komt tot stand door de volgende vraag te beantwoorden. Centrale vraag Welke bouwwerken worden met welke diepgang technisch beoordeeld? Strategie De gemeente Eijsden-Margraten sluit aan bij de visie van de Vereniging Bouw- en Woningtoezicht (VBT) op het beoordelen van een aanvraag van een omgevingsvergunning activiteit (ver)bouwen. Onder het motto ‘100% toetsen kunnen we niet’ ontwikkelden deze gemeenten een systeem dat laat zien hoe en wat er wel getoetst wordt. Het beleidsplan maakt gebruik van onderdelen van de ontwikkelde methodiek. Daarnaast is ook gekeken naar het vergunningsvrij bouwen. Vergunningsvrije bouwwerken worden in geheel niet getoetst. De verantwoording dat deze voldoen aan het Bbl ligt geheel bij de uitvoerder. Dat geldt ook voor bouwwerken die vallen onder gevolgklasse 1 zoals vermeld in art.2.17 Bbl; de verantwoordelijkheid ligt ook daar bij de initiatiefnemer die een kwaliteitsborger moet aanstellen. Bouwwerktypologie De intensiteit van toetsing wordt allereerst afhankelijk gesteld van het type bouwwerk. Het type bouwwerk is op dit moment al geen onbekende factor binnen het taakveld van de fysieke omgeving. Op grond van de kenmerken van een bouwwerk wordt bijvoorbeeld bepaald of een aanvraag om omgevingsvergunning nodig is. Een ander voorbeeld zijn de technische eisen waaraan bouwwerken moeten voldoen. Bij deze eisen wordt onderscheid gemaakt naar soort bouwwerk. Bij het te ontwikkelen beleid kan dan ook niet om deze factor heen. Immers een tuinhuisje vraagt bijvoorbeeld een andere benadering dan een appartementengebouw. Er is gekozen voor de indeling zoals weergegeven in tabel 1.2.1. Per type bouwwerk is apart beleid geformuleerd ten aanzien van de technische toetsing van de aanvraag omgevingsvergunning. Thema’s wet- en regelgeving De intensiteit van toetsing wordt ook afhankelijk gesteld van de onderdelen van het bouwwerk ( thema’s uit wet- en regelgeving), die in het geding zijn. In tabel B zijn de technische onderdelen / thema’s weergegeven. In combinatie met vooral het type bouwwerk wordt de mate van belangrijkheid van de verschillende thema’s beoordeeld. Werkniveaus De intensiteit of zwaarte van toetsing wordt afhankelijk gesteld van ingeschatte risico’s (thema naar type bouwwerk). Het beleid bestaat uit overeenstemming over de diepgang waarop werkzaamheden uitgevoerd moeten worden. Er wordt gewerkt met vooraf gedefinieerde werkniveaus. Zie tabel 1.2.1. Risicoanalyse en conversie naar werkniveau De risicoanalyse van bouwwerkcategorie per thema en de conversie van de uitkomsten naar het te hanteren werkniveau zijn terug te vinden in bijlage 1.1. Tabel 1.2.1: bouwwerkcategorieën Nr. Naam type / categorie Omschrijving 1 Vrijstaande bijgebouwen (bij een woonfunctie) Berging, tuinhuisje, schuur, garage, container, schuilstal/ duiventil 2 Aan-, uit- en verbouwen bij een woonfunctie en bedrijfsfunctie. Aan-/uitbouwen en kleine verbouwingen bij woonfunctie en bedrijfsfunctie met 1 bouwlaag van niet-ingrijpende aard 3 Nieuwbouw en verbouw woongebouw , ingrijpend vergroten, veranderen of vernieuwen woongebouw; projectmatige bouw vanaf 4 woningen, 4 Bouw van woningen/ aan-, uit- en verbouwingen bij woonfunctie met verhoogd risico Vrijstaande woningen, appartementen, vakantieappartementen, verbouw niet-woning tot woning; splitsen woning bij niet woonfunctie 5 Nieuwbouw en verbouw industrie en bedrijfsgebouwen gevolgklasse 2 Klasse 1: Verbouwen bedrijfsgebouw in totaal 1000 m2 (werkzaamheden van minder ingrijpende aard), aan /uitbouwen en verbouwingen bij woonfunctie met een “verhoogd risico” Klasse 2: Nieuwbouw en verbouw industrie met “verhoogd” risico bijvoorbeeld gelijkwaardigheid 6 Nieuwbouw en verbouw publiektoegankelijke bouwwerken gemeenschapshuis, kerkgebouw, ontmoetingsruimten, school/ leslokaal, winkels, showroom, café, horecabedrijf/gebouw, logiesgebouwen, bejaardencentra 7 Bouwwerken geen gebouw zijnde Overkapping, erfafscheiding/ hekwerk, carport, privé zwembad, lichtreclame, reclamebord/ zuil, mast, zend- en ontvangstinstallatie, airco-installaties, warmtepompen, zonnecollectoren, e.d. Tabel 1.2.2: thema’s wet- en regelgeving Thema wet- en regelgeving Toelichting 1. Constructieve veiligheid Algemene sterkte van de constructie, sterkte bij brand en vloerafscheidingen par. 4.2.1 en 4.2.2 Bbl 2. Gebruiksveiligheid Overbrugging van hoogteverschillen, trappen, hellingbaan, draairichting van ramen en deuren par. 4.2.3 en 3.2.4 Bbl 3. Brandveiligheid Ontstaan van brand, ontwikkeling en uitbreiding van brand, ontstaan en verspreiding van rook, vluchtroutes, ontruimingsalarm, brandmelding, bestrijding van brand, ontstaan en beperking van ongevallen par 4.2.6 t/m 4.2.14 Bbl en par. 4.7.5 t/m 4.7.8 4. Sociale veiligheid Toegang tot bouwwerk en inbraakpreventie par. 4.2.16 en 4.7.10 Bbl 5. Gezondheid (Geluid) Geluid van buiten, geluid van installaties, geluid tussen ruimten en galm par. 4.3.1 t/m 4.3.4 Bbl 6. Gezondheid (Vocht) Wering van vocht van buiten en binnen, gebrek aan hygiëne par. 4.3.5 Bbl 7. Gezondheid (Ventilatie) Luchtverversing, spuivoorziening, afvoer van rook en toevoer van verbrandingslucht par. 4.3.6 t/m 4.3.8Bbl 8. Gezondheid (Beperking invloed schadelijke stoffen / dieren) Toepassing schadelijke materialen en binnendringen schadelijke stoffen uit de grond. Bescherming tegen muizen en ratten. Bij het formuleren van het beleid is dit thema opgevat als het controleren van de aanlegdiepte par. 4.3.9 en afd. 6.3 Bbl 9. Gezondheid (Daglicht) Toetreding van daglicht par. 4.3.10 Bbl 10. Toegankelijkheid Toegankelijkheid en bereikbaarheid voor rolstoelgebruikers, vrije doorgang, verkeersroutes, bereikbaarheid bouwwerken, bereikbaarheid gebouwen voor gehandicapten par. 4.6.1 t/m 4.6.3 Bbl 11. Bruikbaarheid ruimten Aanwezigheid en omvang van ruimten in een gebouw par. 4.5.1 et/m 4.5.6 Bbl 12. Opstelplaatsen Aanwezigheid en plaats van aanrecht en waar apparaten zoals kooktoestel en warmwatertoestel worden opgesteld par. 4.5.7 Bbl 13 Duurzaamheid Isolatie, luchtdoorlatendheid en andere (installatie)voorzieningen die de energieprestatie positief beïnvloeden par. 4.4.1 t/m 4.4.4 Bbl 14 Bouwwerkinstallaties Voorzieningen voor verlichting, gas, water, elektra en afvoer van huishoudelijk afvalwater / hemelwater par. 4.7.1 t/m 4.7.4 15 bouw- en sloopwerkzaamheden Voorkomen onveilige situaties, hinder / overlast tijdens uitvoering en scheiden van afval par. 7.1.2 t/m 7.2.3 Bbl Beleid Op basis van de zojuist genoemde beleidsonderdelen is per type bouwwerk de diepgang van toetsing bepaald. Deze is samengevat in de volgende tabel. Het werkniveau van toetsing betreft het aanvangsniveau. Het principe dat is gekoppeld aan de werkniveaus is het principe van ‘opbouwen van vertrouwen’. De gemeente Eijsden-Margraten inventariseert bij een aangegeven thema de risico-elementen en gaat hierbij na wat van een plan de cruciale secties zijn. Voorbeelden van secties zijn een bouwlaag, een woningtype, een gebouwvleugel, een trappenhuis, een galerij of een specifieke ruimte. De elementen van de cruciale secties worden op het afgesproken werkniveau getoetst. Afhankelijk van het vertrouwen dat hieruit blijkt kan voor repeterende elementen het werkniveau worden opgeschaald. De tabel is gesorteerd naar type bouwwerken en thema’s met de hoogste score. Het hanteren van het ‘principe van vertrouwen’ betekent dat een bouwwerk in wezen nooit 100% wordt getoetst, tenzij uitwerking en presentatie van het plan daartoe echt aanleiding geeft. Tabel 1.2.3 Toetsmatrix (kwalitatief programma) Categroie Omgevingsveiligheid Brandveiligheid Constructieve veiligheid[1] Gebruiksveiligheid bouwwerkinstallaties gezondheid (Ventilatie) bruikbaarheid (Ruimten) Gezondheid (Daglicht) Duurzaamheid gezondheid (Geluid) Toegankelijkheid gezondheid (Vocht) Opstelplaatsen Gezondheid (Beperking schadelijke stoffen) Sociale veiligheid Nieuwbouw en verbouw woongebouw 3 4 4 3 3 3 3 3 3 3 3 2 2 2 1 1 Nieuwbouw en verbouw publiek-toegankelijke bouwwerken 6 4 4 3 3 3 3 3 3 3 3 3 2 1 1 0 Nieuw- en verbouw grondgebonden woningen 4 4 2 2 2 2 3 2 3 3 3 2 2 1 1 1 Nieuwbouw en verbouw industrie en bedrijfsgebouwen 5 4 4 3 3 2 2 3 2 2 1 1 2 1 0 0 Aan, uit en verbouwen bij een woonfunctie en bedrijfsfunctie. 2 0 1 1-2 1-2 1 1-2 1-2 1-2 1 1 1-2 1 1 0 0 Bouwwerken geen gebouw zijnde 7 1-4 1-2 1-2 1-2 1-2 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 Vrijstaande bijgebouwen bij een woonfunctie 1 0 1 1-2 1 1 1-2 0 0 0 0 0 0 0 0 0 De gemeente Eijsden-Margraten besteedt niet aan alle technische onderdelen / thema’s, die volgens wet- en regelgeving van toepassing zijn, aandacht. Er is een duidelijk verschil in aandacht waar te nemen tussen de verschillende bouwwerkcategorieën: Bij nieuw- en verbouw van woongebouwen, publiekstoegankelijke bouwwerken en grondgebonden woningen worden zo goed als alle thema’s beoordeeld. Bij industrie- en bedrijfsgebouwen en aan-, uit- en verbouwen wordt een twee- à drietal thema’s niet beoordeeld. Bij de overige bouwwerkcategorieën (1, 2 en 7) vindt in principe alleen een uitgangspuntentoets plaats. Vaak zijn dit bouwwerken die indien gelegen op een andere locatie, als vergunningsvrij zijn aan te merken. De verantwoordelijkheid dat deze gebouwen voldoen aan het Bbl wordt in dit geval dan ook gelegd bij de aanvrager. Dit zijn de rood aangegeven werkniveaus. Indien er sprake is van een afwijkend bouwwerk dat nooit vergunningsvrij zal zijn gelet op afmetingen en dergelijke, gelden de werkniveaus aangegeven in zwart. Eén en ander is ter beoordeling door de behandelaar van de aanvraag. Ten aanzien van de thema’s kan worden geconcludeerd dat de kernbepalingen bestaan uit: Omgevingsveiligheid, brandveiligheid, gebruiksveiligheid, bouwwerkinstallaties, ventilatie, bruikbaarheid ruimten en daglicht: zij worden bij minimaal 5 bouwwerkcategorieën minimaal op niveau 2 beoordeeld. duurzaamheid, toegankelijkheid en vocht: zij worden bij minimaal 4 bouwwerkcategorieën minimaal op niveau 2 beoordeeld. Het toetsbeleid wordt geflankeerd door aanvullend beleid. In dit verband wordt in het bijzonder gewezen op enkele aspecten: Het toetsbeleid betekent dat een aanscherping heeft plaatsgevonden van de ontvankelijkheidseisen voor de technische voorschriften. Er is een landelijke Omgevingsregeling die aangeeft welke gegevens en bescheiden aanwezig moeten zijn op het moment van indiening van een aanvraag. In relatie tot het beleid voor toetsing is nagegaan hoe per bouwwerkcategorie moet worden omgegaan met de landelijke vereisten. Dit heeft ertoe geleid dat er voor de verschillende bouwwerkcategorieën verschillende minimale gegevens en bescheiden zijn samengesteld in zogenaamde checklijsten. De indieningsvereisten per bouwwerkcategorie zijn opgenomen in bijlage 3 van het Uitvoeringskader. Op basis van het toetsbeleid is nadrukkelijker geformuleerd dat uitwerking van de thema’s met een werkniveau van 1 of hoger correct op de tekeningen behorende bij de aanvraag moet staan. Het stellen van voorwaarden in de beschikking op deze thema’s wordt aan banden gelegd. Dit betekent dat aanvragers nadrukkelijker gevraagd zullen worden om tekeningen en berekeningen voordat vergunningverlening plaatsvindt aan te passen. Hiervoor zal voor zover noodzakelijk het instrument van verdaging van het besluit worden ingezet. Met deze beleidslijn wordt aangesloten bij de jurisprudentie dat in de vergunning alleen voorschriften van ondergeschikte aard mogen worden opgenomen. Bovendien wordt voorkomen dat nog niet geregelde vraagstukken worden doorgeschoven naar de volgende fase, namelijk de controle op de uitvoering van de werkzaamheden. Zowel de vergunninghouder als toezichthouder van de gemeente krijgen op die manier te maken met minder verrassingen. Zoals aangegeven wordt in het toetsbeleid tevens gekeken naar de mogelijkheid op vergunningsvrij zijn van een bouwwerk, indien het zou zijn gelegen op een andere locatie. Dan vindt enkel een uitganspuntentoets (werkniveau 1) plaats en wordt de verantwoordelijkheid bij de uitvoerder neergelegd. In navolging hierop zullen ook in de voorschriften geen nadere eisen worden opgenomen ten aanzien van het meldmomenten binnen het bouwproces als het indienen van nadere bescheiden achteraf. Wel zal een service aan de aanvrager worden aangeboden om op zijn verzoek het bouwwerk te komen controleren. 1.3Beoordeling constructieve aspecten ex nieuwbouw GK1 Inleiding Beoordeling van het constructief hoofdprincipe van een aanvraag bouwactiviteit (niet zijnde gevolgklasse 1). Constructieve veiligheid is naast brandveiligheid een belangrijk thema. In het vorige hoofdstuk is dit onderdeel slechts samengevat. In de Omgevingsregeling wordt aangegeven dat vooraf inzicht moet worden gegeven in het hoofdprincipe van de constructie. Detailtekeningen en berekeningen mogen na afgifte van de vergunning worden ingediend. Centrale vraag Hoe wordt omgegaan met de toets van het constructieve hoofdprincipe bij de aanvraag om vergunning? Strategie Als uitgangspunt is geformuleerd dat, afhankelijk van het bouwwerk, vooraf gegevens moeten worden ingediend die aannemelijk maken, dat wordt voldaan aan de eisen van constructieve veiligheid. De gegevens moeten worden beoordeeld door een ter zake deskundig persoon, waarbij de diepgang van beoordeling vooraf is afgesproken. Beleid Het beleid is terug te vinden in de tabellen op de volgende pagina. De eerste tabel is voor een belangrijk gedeelte gebaseerd op het Kennisportaal Constructieve Veiligheid (KPCV, zie link). De bouwwerkcategorieën voor de activiteit verbouwen zijn teruggebracht tot een tweetal categorieën. Aangegeven is welke bescheiden voor de ontvankelijkheid moeten worden ingediend en wie verantwoordelijk is voor de beoordeling. In de tweede tabel is aangegeven op welk niveau de gegevens inhoudelijk worden beoordeeld. In deze tabel is aangesloten bij de indeling in gebruiksfuncties zoals opgenomen in het Bbl en de werkniveaus zoals al eerder toegelicht. De werkniveaus zijn per gebruiksfunctie per constructief onderwerp weergegeven. Tabel 1.3.1 In te dienen constructieve bescheiden Type bouwwerk Te overleggen gegevens Categorie 1: Bouwwerkcategorie 1, 2 en 7 Geen verdere vereisten op constructief gebied. Aan de hand van goede bouwkundige tekeningen en toetsingsrichtlijnen vindt de beoordeling plaats. Er wordt naar gestreefd de beoordeling zoveel mogelijk vooraf te laten plaatsvinden, met andere woorden er worden geen aanvullende voorwaarden meer in de vergunning opgenomen. Bij twijfel moet worden opgeschaald naar categorie 2. Categorie 2: Overige bouwwerkcategorieën Bij aan-/uitbouwen ook hoofdgebouw weergeven Tekeningen van de definitieve hoofdopzet van de constructie van alle verdiepingen inclusief een globale maatvoering. Sonderingen met voorlopig funderingsadvies. Schematisch funderingsoverzicht met gekozen aanlegniveaus of palenplan met globale plaatsing, aantallen en paalpuntniveaus. Plattegronden van vloeren en daken, inclusief globale maatvoering. Overzichtstekeningen (1:100) van constructies in staal, beton geprefabriceerd beton, hout, inclusief stabiliteitsvoorzieningen en dilataties. Principe details van karakteristieke constructieonderdelen (1:20/1:10/1:5) inclusief maatvoering. Schriftelijke toelichting op het Definitief ontwerp van de constructies waaruit met name blijkt: Constructie methoden en materialen; De aangehouden belastingen en belastingtypen; Het stabiliteitsprincipe; Omschrijving van de hoofddraagconstructie met bij voorkeur een beschrijving van de robuustheid/redundantie daarvan (2e draagweg); Toelichting op de integratie van brandwerendheidseisen in het ontwerp; De constructieve samenhang binnen soortgelijke en tussen verschillende soorten constructies. Tabel 1.3.2 Toetsingsmatrix (kwalitatief programma) Artikel bouwbesluit Woonfunctie, woonwagens Woonfunctie: overig Bijeenkomst functie Celfunctie Gezondheidszorgfunctie Industriefunctie Kantoorfunctie Logiesfunctie Onderwijsfunctie Sportfunctie Winkelfunctie Overige gebruiksfuncties 2.1 Belastingen en uitgangspunten 3 3 3 3 3 3 3 3 3 3 3 1/2/3 2.1 Fundering 3 3 3 3 3 2 3 3 3 3 3 1/2/3 2.1 Onderbouw 3 3 3 3 3 2 3 3 3 3 3 1/2/3 2.1 Hoofddraagconstructie 3 3 3 3 3 2 3 3 3 3 3 1/2/3 2.1 Vloeren en daken 3 3 3 3 3 2 3 3 3 3 3 1/2/3 2.1 Niet hoofddraagconstructie 2 2 2 2 2 2 2 2 2 2 2 1/2/3 2.2 Sterkte bij brand 3 3 3 3 3 3 3 3 3 3 1/2/3 Bouwwerkcategorie Eijsden-Margraten 3-4 6 6 6 5 6 3 6 6 6 7 1.4Melding Wet kwaliteitsborging (gevolgklasse 1 nieuwbouw) Inleiding Met het inwerkingtreding van de Omgevingswet is tevens de Wet kwaliteitsborging inwerking getreden. Dit betekent dat voor bouwwerken die onder deze gevolgsklasse vallen geen bouwtechnische toets meer plaats vindt door de gemeente maar dat dit moet worden ingevoerd door gecertificeerde kwaliteitsborgers. Vooralsnog geldt dit alleen voor nieuwbouw. In het Bbl zijn de soort gebouwen waarvoor dit geldt opgenomen ( link Artikel 2.17 Besluit bouwwerken leefomgeving). Voordat het gebouw in gebruik mag worden genomen is een gereedmelding noodzakelijk. Centrale vraag Hoe vindt de beoordeling van een bouwmelding plaats? Strategie Beoordeling vindt plaats op basis van wat gesteld is in Artikel 2.19 Bbl (Artikel 2.19 Besluit bouwwerken leefomgeving) en voor de gereedmelding in artikel 2.21 Bbl (Artikel 2.21 Besluit bouwwerken leefomgeving). Valt het bouwwerk onder de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb)? Dan moet de initiatiefnemer een bouwmelding indienen via het Omgevingsloket minimaal 4 weken voordat met de bouw wordt gestart. Tegelijk met de bouwmelding wordt ook informatie gegeven over stikstof en veiligheid via een informatieplicht. Afhankelijk van de situatie wordt in de risico beoordeling rekening gehouden met de bijzondere lokale omstandigheden. Deze omstandigheden , zoals bijvoorbeeld de aanwezigheid van ondergrondse gangen, ligging in een natura 2000 gebied, het grondwaterbeschermingsgebied e.d, worden door het college vastgesteld en bekendgemaakt.. Daarna geldt ook een informatieplicht over de start en het einde van de bouwwerkzaamheden. De bouwmelding moet de volgende gegevens bevatten (artikel 2.19 Bbl): naam, adres en telefoonnummer van degene die het bouwwerk bouwt naam, adres en telefoonnummer van een gemachtigde (als die de melding indient) e-mailadres (als melding elektronisch plaatsvindt) van degene die het bouwwerk bouwt of gemachtigde dagtekening adres, kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit plaatsvindt beschrijving van de bouwactiviteit inclusief gebruiksfunctie van het bouwwerk wie de kwaliteitsborger is en met welk instrument voor kwaliteitsborging de kwaliteitsborger werkt risicobeoordeling borgingsplan In de praktijk zal het noodzakelijk zijn om ruim voor het doen van een bouwmelding op tijd een kwaliteitsborger in te schakelen. Deze kan dan het bouwplan beoordelen en een risicobeoordeling en borgingsplan vaststellen Binnen de termijn van 4 weken wordt de melding beoordeeld of deze compleet is. Beoordeelt de gemeente binnen 4 weken dat de bouwmelding onvolledig is? Dan moet de melder de bouwmelding aanvullen. Er geldt dan een nieuwe termijn van 4 weken (vanaf de datum dat de melding volledig
  10. is)voordat de bouw kan starten. Er is geen publicatie van een bouwmelding in bijvoorbeeld dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen. Ingebruikname bouwwerk Vóór het in gebruik nemen van een bouwwerk moet eerst een gereedmelding naar de gemeente. Dit moet ten minste 2 weken voor het in gebruik nemen van het bouwwerk (artikel 2.21 Bbl). Met een gereedmelding controleert de gemeente of de kwaliteitsborging is uitgevoerd volgens de regels. En dat het bouwwerk naar het oordeel van de kwaliteitsborger voldoet aan de bouwtechnische regels van het Bbl. Het is mogelijk om 1 gereedmelding te doen voor meerdere bouwwerken op hetzelfde terrein of op terreinen die met elkaar samenhangen. De beoordeling van de ingediende melding vindt plaats aan de hand van de Bbl-regels die op het moment van indiening gelden. De gereedmelding bestaat uit: naam, adres en telefoonnummer van degene die de bouwmelding heeft gedaan adres, kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waar de bouwactiviteit is uitgevoerd dagtekening de verklaring van de kwaliteitsborger informatie (als die van belang
  11. is)die ingaat op de getroffen maatregelen in het borgingsplan om bouwtechnische risico's te voorkomen of te beperken aanduiding van de gebruiksfuncties, verblijfsgebieden, verblijfsruimten en de afmetingen en de bezetting van alle ruimten, inclusief totaaloppervlakten per gebruiksfunctie informatie waaruit blijkt dat het bouwwerk voldoet aan de regels over: bouwconstructie luchtverversing energiezuinigheid milieuprestatie informatie over brandveiligheid (dezelfde informatie als die nodig is bij een melding brandveilig gebruik in artikel 6.8, lid 1, onder d, onder 4° en 5° Bbl) informatie over toegepaste gelijkwaardige maatregelen Klik hier voor uitleg over dit begrip (opent in popup) (artikel 4.7 van de Omgevingswet) De gemeente beoordeelt de verklaring van de kwaliteitsborger en de overige onderdelen van het dossier bevoegd gezag. Bij een onvolledige gereedmelding informeert de gemeente de indiener hierover. Het in gebruik nemen van het bouwwerk kan dan nog niet. Dat kan pas 2 weken nadat alle informatie die hoort bij de gereedmelding, bij de gemeente is. Zijn er strijdigheden tijdens of na afronding van de bouw? Dan wordt het handhavingstraject gestart. 1.5Omgevingsplanactiviteit bouwwerken (OPA) Inleiding De Omgevingswet maakt bij het bouwen van een bouwwerk onderscheid tussen een technisch en ruimtelijk deel. Dat levert 2 activiteiten op: de technische bouwactiviteit (zie punt 1.2) en de omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Deze scheiding wordt 'de knip' genoemd. Het ruimtelijk deel van de bouwactiviteit, de omgevingsplanactiviteit bouwwerken, gaat over de toets van de aanvraag aan de regels voor de fysieke leefomgeving. Voorbeelden zijn de bouwhoogte en het bebouwingspercentage. Er zijn ook regels over het uiterlijk van een bouwwerk (welstand) en de toegekende functies aan locaties. Wordt voldaan aan de regels en is er geen sprake van een vergunningsvrij geval, dan is een vergunning Omgevingsplan activiteit bouwwerken noodzakelijk, kortweg OPA genoemd. Centrale vraag Welke bouwwerken worden beoordeeld? Strategie Elke aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt getoetst aan het Omgevingsplan. Zolang de gemeente in het omgevingsplan zelf nog geen regels heeft gesteld over het bouwen bouwwerken, gelden de regels voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken uit de “bruidsschat omgevingsplan”. Beleid De gemeente heeft de bevoegdheid om in het omgevingsplan regels te stellen aan de ruimtelijke aspecten van een bouwwerk. Deze regels zien op de locatie van het bouwwerk, oppervlakte, inhoud en gebruik van het bouwwerk en het uiterlijk van het bouwwerk. Dit kunnen algemene regels zijn waarmee het bouwen en gebruiken van een bouwwerk wordt gereguleerd. De regels kunnen ook een meldingsplicht of vergunningplicht voor het bouwen of gebruiken van het bouwwerk inhouden. Vergunningvri

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.