Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Lansingerland houdende regels omtrent sociaal domein (Verordening Sociaal Domein gemeente Lansingerland)Hoofdstuk1.Algemene bepalingen Artikel1:1Begripp
Artikel4
:1Begrippen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening (dienst, activiteit of andere maatregel) waarvan, gelet op de omstandigheden, aannemelijk is dat de inwoner daarover, ook als hij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken; bijdrage in de kosten: bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4 en 2.1.4a van de wet; maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen: ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen, ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen, ten behoeve van beschermd wonen en opvang; meerkosten: kosten die uitgaan boven de kosten die als algemeen gebruikelijk zijn te beschouwen; uitvoeringsbesluit: Uitvoeringsbesluit Wmo; wet: Wet maatschappelijke ondersteuning
- Artikel4:2Overige Alle begrippen die in dit hoofdstuk worden gebruikt en niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet maatschappelijke ondersteuning, het Uitvoeringsbesluit maatschappelijke ondersteuning en de Algemene wet bestuursrecht. Paragraaf4.2.Procedure Artikel4:3Criteria voor maatwerkvoorziening 1.Een inwoner komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid of participatie: ter compensatie van de beperkingen, chronische, psychische, fysieke of psychosociale problemen, als gevolg waarvan de inwoner niet voldoende in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en voor zover de inwoner deze beperkingen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen; als de maatwerkvoorziening, rekening houdend met de uitkomsten van het in het hoofdstuk twee bedoelde onderzoek, een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. 2.Tijdens een onderzoek naar de inzet van een maatwerkvoorziening wordt eerst onderzocht of de gewenste resultaten behaald kunnen worden op eigen kracht; met gebruikelijke hulp; met mantelzorg; met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen; met gebruikmaking van algemene voorzieningen; met gebruikmaking van andere voorzieningen. 3.Voorzieningen die worden verstrekt dienen de goedkoopst passende voorziening te zijn. 4.Een inwoner komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening voor de periode die noodzakelijk is om het gewenste resultaat te bereiken. Artikel4:4Voorwaarden en weigeringsgronden 1.Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt: indien de hulpvrager geen inwoner is van de gemeente Lansingerland; een uitzondering hierop vormen inwoners die hun laatste woonadres in Lansingerland hebben, maar (tijdelijk) gebruik maken van vrouwenopvang of een vorm van maatschappelijke opvang; voor zover voor de noodzaak tot ondersteuning een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat; voor zover de inwoner op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk de beperkingen kan wegnemen; voor zover de inwoner met gebruikmaking van algemene voorzieningen de beperkingen kan wegnemen; indien de voorziening algemeen gebruikelijk is; indien er een voorliggende voorziening is; indien het een voorziening betreft waarover de inwoner al beschikt of kan beschikken vóór de melding tenzij er alsnog melding is gedaan binnen 30 dagen nadat er over de voorziening wordt beschikt of kan worden beschikt en de noodzaak van de voorzieningen redelijkerwijs nog is vast te stellen; indien de gevraagde voorziening al eerder op grond van een wettelijke bepaling of regeling is verstrekt en de afschrijftermijn nog niet verstreken is; indien de inwoner, na onderzoek, nalatigheid en onverantwoordelijk handelen kan worden verweten, in het gebruik van een geboden voorziening. 2.Geen maatwerkvoorziening in de vorm van een woonvoorziening wordt verstrekt: voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen; ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen, ADL-clusterwoningen en gehuurde kamers, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting; voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, anders dan voorzieningen ten behoeve van de toegankelijkheid van deze ruimte; indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is; indien de inwoner niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college; Indien de aanvraag voorzienbaar was op basis van de beperking die inwoner ondervindt. 3.Als er meerdere adequate voorzieningen zijn waarmee inwoner in zijn vervoersbehoefte kan voorzien, dan wordt er gekozen voor de goedkoopste. Het primaat hierbij ligt bij de collectieve vervoersvoorziening. Artikel4:5Oproep personen Het college is bevoegd om ten behoeve van het onderzoek de inwoner of bij gebruikelijke hulp de personen die tot de leefeenheid van de inwoner behoren: uit te nodigen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te bevragen; op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door één of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen bevragen; voor zover dit van belang is voor de beoordeling van de aanspraak op een maatwerkvoorziening. Artikel4:6Beschikking 1.In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening, wordt aangegeven of deze als voorziening in natura of als persoonsgebonden budget wordt verstrekt en op welke wijze bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. 2.Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura vermeldt de beschikking in ieder geval: welke maatwerkvoorziening verstrekt wordt en wat het beoogde resultaat daarvan is; de ingangsdatum, de omvang en duur van de verstrekking; of een bijdrage in de kosten verschuldigd is. 3.Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van persoonsgebonden budget vermeldt de beschikking in ieder geval: aan welk resultaat het persoonsgebonden budget kan worden besteed; welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het persoonsgebonden budget; wat de hoogte van het persoonsgebonden budget is en hoe dit tot stand is gekomen; de ingangsdatum, de omvang en duur van de verstrekking; de wijze van verantwoording van de besteding van het persoonsgebonden budget, en of een bijdrage in de kosten verschuldigd is. Artikel4:7Persoonsgebonden budget 1.Om voor een pgb in aanmerking te komen dient de inwoner in een persoonlijk pgb-plan toe te lichten dat een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb aantoonbaar tot een goede, doelmatige en effectieve ondersteuning leidt. De inwoner maakt hiermee een bewuste keuze voor het pgb. 2.Indien voldaan wordt aan de voorwaarden onder lid 1 kan het pgb aangewend worden als beloning aan iemand in het sociale netwerk indien de zorg de gebruikelijke hulp overstijgt. 3.Het tarief voor een pgb: is gebaseerd op de frequentie van de in te zetten ondersteuning en/of het resultaat, en hangt af van de uitvoering. Er wordt rekening gehouden met een verschil tussen professionele inzet (beroepsmatig) en niet-professionele inzet (informele hulp); is toereikend om effectieve en kwalitatief goede ondersteuning in te kopen, en; bedraagt ten hoogste de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst passende maatwerkvoorziening in natura. 4.In het geval de maatwerkvoorziening een hulpmiddel betreft wordt het bedrag aangevuld met een bedrag voor het onderhoud gedurende de duur van de verstrekking. 5.De hoogte van het pgb voor dienstverlening is opgebouwd uit verschillende kostencomponenten zoals salaris, vervanging tijdens vakantie, verzekeringen en reiskosten; 6.Een pgb dient door de inwoner binnen drie maanden na toekenning te worden aangewend ten behoeve van het resultaat waarvoor het is verstrekt. 7.De hoogte van het pgb is afhankelijk van de persoon die de dienstverlening uitoefent. Het tarief: is gebaseerd op de frequentie van de in te zetten ondersteuning en hangt af van de uitvoering er wordt rekening gehouden met een verschil tussen gediplomeerde en niet-professionele inzet; is toereikend om effectieve en kwalitatief goede ondersteuning in te kopen, en; bedraagt ten hoogste de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate maatwerkvoorziening in natura. 8.pgb bedragen worden jaarlijks geïndexeerd, afgerond op hele euro’s: Niet professionele hulpverlening: overeenkomstig de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex van het CBS (peildatum oktober van het lopende jaar). Professionele hulpverlening: volgens indexatiepercentages die contractueel zijn vastgelegd in contracten voor zorg in natura, gebaseerd op het OVA percentage (Overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkeling peildatum juli). pgb voorzieningen: overeenkomstig de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex van het CBS (peildatum oktober van het lopende jaar). Artikel4:8Hoogte Persoonsgebonden budget 1.Niet-professionele hulpverleners Hulpverleners die als niet-professioneel worden aangemerkt en mensen uit het sociaal netwerk krijgen het volgende tarief: Individuele begeleiding: maximaal € 21,00 per uur; Kortdurend verblijf: maximaal € 32,00 per etmaal (tegemoetkoming in de kosten) Hulp bij het huishouden: maximaal € 21,00 per uur 2.Hulpmiddelen De bedragen voor een pgb voor een hulpmiddel worden bepaald als tegenwaarde van het hulpmiddel dat de aanvrager op dat moment ontvangen zou hebben als het in natura zou zijn verstrekt. Was dat een niet nieuwe voorziening geweest, dan wordt de tegenwaarde daarop gebaseerd met een looptijd gelijk aan de verkorte afschrijvingstermijn, rekening houdend met onderhoud en verzekering. Was de naturaverstrekking een nieuwe voorziening geweest, dan wordt de tegenwaarde daarop gebaseerd, rekening houdend met een eventueel door de gemeente te ontvangen korting en rekening houdend met onderhoud en verzekering. Het pgb voor een sportrolstoel of andere sportvoorziening is mede bestemd als tegemoetkoming in aanschaf, het onderhoud, de reparaties en de aanpassingen van de voorziening voor een periode van 3 jaar en bedraagt maximaal € 3.
- Tenzij de aanvrager kan aantonen dat dit bedrag niet kostendekkend is, in dat geval is sprake van maatwerk. 3.Verhuizing Het pgb voor een verhuizing bedraagt maximaal € 2.
- Tenzij de aanvrager kan aantonen dat dit bedrag niet kostendekkend is, in dat geval is sprake van maatwerk. 4.Toegankelijk maken woning Het pgb dat maximaal verstrekt wordt voor het toegankelijk maken van een woning bedraagt € 2.
- Tenzij de aanvrager kan aantonen dat dit bedrag niet kostendekkend is, in dat geval is sprake van maatwerk. 5.Tijdelijke huisvesting In de gemeente Lansingerland worden de werkelijke kosten van huur van de door betrokkene bewoonde woning vergoed voor zover het de meerkosten betreft. 6.Vervoerskosten Het pgb bedraagt voor een vervoersvoorziening maximaal: Taxikostenvergoeding € 2.016 per jaar Rolstoeltaxikostenvergoeding € 2.486 per jaar Tenzij de aanvrager aantoont dat dit niet kostendekkend is. 7.Aanpassingen eigen auto Het pgb voor noodzakelijke aanpassingen en in aanmerking komende kosten voor een eigen auto bedraagt 100% van de noodzakelijke kosten op basis van de goedkoopste compenserende voorziening. 8.Aanpassing van een scootmobiel en rolstoel Het pgb bedraagt 100% van de noodzakelijke kosten op basis van de goedkoopste compenserende voorziening. Onder de noodzakelijke kosten worden ook verstaan de kosten van verzekering, onderhoud, reparatie en stalling. Paragraaf4.3Bijdrage in de kosten Artikel4:9Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen of pgb’s 1.Een inwoner is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening of pgb, zolang de inwoner van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt. 2.De bijdragen voor maatwerkvoorzieningen of pgb zijn gelijk aan de kostprijs, tot aan ten hoogste €19,00 per maand per huishouden, tenzij overeenkomstig artikel 2.4.1a, vijfde lid, van de wet of hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 geen of lagere eigen bijdrage is verschuldigd. 3.Een inwoner is een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van collectief vervoer, bestaande uit een opstaptarief van € 0,96 (per enkele reis) en een bedrag van € 0,14 per kilometer. 4.In afwijking van het eerste lid is geen eigen bijdrage verschuldigd voor de volgende maatwerkvoorzieningen: Rolstoelen Een maatwerkvoorziening in natura of een persoonsgebonden budget ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige inwoner tot het achttiende levensjaar. (in uitzonderlijke gevallen) verstrekking, onderhoud en reparatie voor een voorziening die in een algemene ruimte wordt ingezet. Niet AOW-gerechtigde meerpersoonshuishoudens. Voor deze groep is de eigen bijdrage op nihil gesteld. De maatwerkvoorziening arbeidsmatige dagbesteding voor inwoners met een indicatie beschut werk die op de wachtlijst staan voor een beschutte werkplek. De maatwerkvoorziening Wmo-begeleiding groep met het doel activering naar re-integratie voor bijstandsgerechtigde inwoners voor een begeleidingstraject van maximaal 116 dagdelen, onafhankelijk van de duur genoemd in de indicatie. 5.De kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura is bepaald door de contractuele afspraken tussen de gemeente en de aanbieder. Paragraaf4.4Kwaliteit en veiligheid Artikel4:10Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning 1.Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen door: voldoende deskundigheid van beroepskrachten; afstemming van de ondersteuning op de persoonlijke situatie van de cliënt; afstemming van de ondersteuning op andere vormen van zorg en hulp; erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden handelen in overeenstemming met de professionele standaard. 2.Het college kan nadere regels stellen over verdere eisen aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. 3.Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks klantervaringsonderzoek en het zo nodig in overleg met de inwoner ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. Artikel4:11Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden 1.Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren diensten, in ieder geval rekening met: de aard en omvang van de te verrichten taken; de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie; een redelijke toeslag voor overheadkosten; een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; en kosten voor bijscholing van personeel, de marktprijs van de voorziening, indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de leverancier worden gevraagd, zoals: aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening; instructie over het gebruik van de voorziening; onderhoud van de voorziening, en verplichte deelname in bepaalde samenwerkingsverbanden. Artikel4:12Meldingsregeling calamiteiten en geweld 1.Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de levering van een voorziening door een aanbieder en heeft daartoe een toezichthouder als bedoeld in artikel 6.1 van de wet aangewezen. 2.Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthouder. 3.De toezichthouder doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Paragraaf4.5Waardering en ondersteuning van mantelzorgers Artikel4:13Waardering en ondersteuning mantelzorgers 1.Het college draagt zorg voor een jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers en voor de ondersteuning van mantelzorgers ter voorkoming van overbelasting, bijvoorbeeld door ondersteunende diensten, respijtzorg en emotionele steun. 2.Mantelzorgers van cliënten in de gemeente kunnen door middel van een melding bij het college voor het ontvangen van een jaarlijkse blijk van waardering in aanmerking worden gebracht. 3.De jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers heeft een waarde van ten hoogste € 60.000 en wordt door het college jaarlijks na overleg met het steunpunt mantelzorg vastgesteld. 4.Het college kan bij nadere regeling regels stellen over op welke wijze zorg wordt gedragen voor de jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Paragraaf4.6Klachten, medezeggenschap en inspraak Artikel4:14Klachtregeling 1.Aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor de afhandeling van klachten van inwoners ten aanzien van maatwerkvoorzieningen. 2.Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Artikel4:15Medezeggenschap 1.Aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van maatwerkvoorzieningen. 2.Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Paragraaf4.7Blijverslening Artikel4:15aBegrippen In deze paragraaf wordt verstaan onder: aanvrager: een woningeigenaar die een aanvraag voor een Blijverslening doet. Bij twee of meer eigenaren gelden deze gezamenlijk als aanvrager. Blijverslening: een lening die, na toewijzing door het college, door SVn kan worden verstrekt aan een aanvrager ten behoeve van de financiering van de door het college aanvaarde werkelijke kosten van de maatregelen, die worden getroffen in de woning ten behoeve van een (toekomstige) zorgvraag van de inwoner. maatregelen: maatregelen en voorzieningen gericht op woningaanpassing. SVn: Stichting Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeenten, statutair gevestigd te Hoevelaken en kantoorhoudende te Amersfoort, financiële dienstverlener, geregistreerd onder AFM–vergunningnummer
- werkelijke kosten: de kosten van materialen en werkzaamheden voor zover noodzakelijk voor het treffen van maatregelen, eventueel vermeerderd met de bijkomende kosten voor het verkrijgen van de Blijverslening en de kosten van door een deskundig vakbedrijf terzake van deze maatregelen in rekening gebrachte arbeidsuren en verminderd met de van derden ontvangen of nog te ontvangen tegemoetkomingen (subsidies) in deze kosten. Artikel4:15bBlijverslening en toepassingsbereik 1.Het college kan de consumptieve of hypothecaire verstrekking van een Blijverslening voorlopig toewijzen aan een aanvrager, die blijkens zijn aanvraag voldoet aan de volgende voorwaarden. De aanvrager is een woningeigenaar met een zorgvraag die aanpassing van de woning vereist of een woningeigenaar die de woning levensloopbestendig wil maken. Ten minste een van de aanvragers van een Blijverslening die consumptief wordt verstrekt is jonger dan 76 jaar op het moment van het indienen van de aanvraag Blijverslening. De aanvrager bewoont de woning waarvoor een Blijverslening wordt aangevraagd zelf. 2.Het college kan de consumptieve of hypothecaire verstrekking van een Blijverslening voorlopig toewijzen, indien de aanvraag betrekking heeft op realiseerbare maatregelen die aantoonbaar bijdragen aan het aanpassen van de woning aan een zorgvraag of het levensloopbestendig maken van een woning. 3.Het college kan de voorwaarden in dit artikel in lid 1 onder a en in lid 2 nader uitwerken. Artikel4:15cBudget voor Blijversleningen 1.Het budget voor de uitkering van Blijversleningen bedraagt € 75.375,- per jaar. 2.Het college kent alleen Blijversleningen toe voor zover het vastgestelde budget hiervoor toereikend is. Artikel4:15dHoogte Blijverslening 1.Het college verstrekt Blijversleningen consumptief met een hoogte van minimaal € 2.500,- en maximaal € 10.000,-. 2.Het college verstrekt Blijversleningen hypothecair met een hoogte van minimaal € 2.500,- en maximaal € 30.000,-. 3.Het college bepaalt of er bij de Blijverslening die hypothecair wordt verstrekt een deel aflossingsvrij is toegestaan. Artikel4:15eGronden voor afwijzing van een aanvraag of het intrekken van een toewijzing 1.Het college wijst een aanvraag af of trekt een toewijzingsbesluit Blijverslening in, indien: Er niet is voldaan aan de bij of krachtens deze verordening gestelde voorschriften en/of bepalingen. Het budget niet toereikend is om de aanvraag te honoreren. Er niet is voldaan aan de voorschriften en/of bepalingen van SVn, zoals die op het moment van aanbieden door SVn zijn opgenomen in de dan geldende SVn Informatiemap, die door SVn wordt uitgereikt aan de aanvrager bij het sluiten van de overeenkomst van geldlening. SVn een negatieve krediettoets uitbrengt. De Blijverslening is toegekend of vastgesteld op grond van onjuiste gegevens. De aanvraag bij het college is ingediend ná het treffen van de maatregelen. 2.Het college onderzoekt uit het oogpunt van rechtmatigheid, al dan niet steekproefsgewijs, de besteding van de Blijverslening. Paragraaf4.8Slotbepalingen Artikel4:16Nadere regels en hardheidsclausule 1.In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin dit onderdeel niet voorziet, beslist het college. 2.Het college kan nadere regels stellen over de uitvoering van dit onderdeel. 3.Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de inwoner afwijken van de bepalingen van dit onderdeel indien toepassing van dit onderdeel tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Hoofdstuk5.Jeugdhulp Artikel5:1Begrippen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: ouder: ouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder; individuele voorziening: op de jeugdige of zijn ouders toegesneden voorziening als bedoeld in artikel 2, tweede lid; voorliggende voorziening: voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 2, eerste lid; pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8:1:1 van de wet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of zijn ouders, dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken; wet: Jeugdwet. Artikel5:2Vormen van jeugdhulp 1.De volgende voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: preventieve diensten ten behoeve van opgroeien en opvoeden, zoals: informatie, advies en training jeugdgezondheidszorg opvoedondersteuning lichte ambulante jeugd- en opvoedhulp 2.De volgende individuele voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: extramurale begeleiding, daghulp en ondersteunende mantelzorg voor licht verstandelijk beperkte jeugdigen; basis-GGZ en specialistische GGZ diagnostiek en behandeling in het kader van dyslexiezorg; pleegzorg; opname in de zin van bed en behandeling, via: open residentiële hulp basis; gesloten residentiële hulp binnen behandelsetting; gesloten jeugdhulp - JeugdzorgPlus; gesloten klinische opname; ambulante behandeling of ondersteuning in de thuissituatie; ambulante behandeling en ondersteuning in de thuissituatie in combinatie met (medische) dag-behandeling; blijvende of langdurige ondersteuning buiten de thuissituatie die niet ambulant kan worden verleend, in combinatie met vervangende opvoeding; crisishulp; forensische jeugdhulp opgelegd door de kinderrechter; Artikel5:3Toegang Jeugdhulp 1.Het college zorgt voor de inzet van Jeugdhulp via de toegang (zie hoofdstuk 2). 2.Het college zorgt voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover genoemde jeugdhulp-aanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. 3.Het college informeert huisartsen, medisch specialisten en jeugdartsen welke jeugdhulp bij welke aanbieder gecontracteerd is dan wel waar deze informatie beschikbaar is. Artikel5:4Criteria voor het toekennen van individuele voorzieningen 1.Het college verleent een individuele voorziening binnen een arrangement van één of meerdere van de volgende resultaatgebieden: ondersteunen van het sociaal en persoonlijk functioneren; herstel, vermindering, stabilisatie stoornis jeugdige; opvoeding, versterken mogelijkheden ouders. 2.Het college zet de volgende ondersteuningselementen in wanneer deze aanvullend nodig zijn om de in het eerste lid genoemde resultaten te bereiken: vervangende opvoeding; dagbehandeling of dagbesteding; mantelzorgondersteuning. 3.Het college kan daarnaast zorgdragen voor een individuele voorziening in de vorm van een vervoers-voorziening voor het vervoer van een jeugdige van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden, indien deze voorziening noodzakelijk is in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid. 4.Het college stelt de omvang van de voorziening, bedoeld in het eerste lid, en de ondersteuningselementen, bedoeld in het tweede lid, vast in de intensiteitstreden “beperkt”, “midden” of “intensief”, dan wel een combinatie daarvan, afhankelijk van de omvang van de ondersteuningsbehoefte en de zorgzwaarte van de cliënt. Artikel5:5Aanvraag individuele voorziening of maatwerkvoorziening 1.Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening of individuele voorziening wordt ingediend door middel van ondertekening van het in artikel 2:4, tweede lid genoemde ondersteuningsplan waarin naast het gespreksverslag een ondersteuningsplan is opgenomen. 2.Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening of individuele voorziening kan ook via een daartoe ter beschikking gesteld aanvraagformulier worden ingediend. 3.In afwijking van het eerste en tweede lid, kan het college in het dringende belang van de cliëntbesluiten om een maatwerkvoorziening ambtshalve te verstrekken indien en zolang het niet mogelijk is dat hiervoor door of namens de cliënt een aanvraag wordt ingediend. 4.De cliënt ontvangt een beschikking op een aanvraag voor een maatwerkvoorziening of individuele voorziening waaruit concreet blijkt welke voorziening in natura of als pgb aan de cliënt wordt verstrekt; of op welke gronden deze wordt geweigerd. 5.Het bepaalde in lid 4 is van overeenkomstige toepassing indien de cliënt in het gesprek uitdrukkelijk kenbaar heeft gemaakt zich niet te kunnen verenigen met een beslissing op het gebied van basis-hulp zoals bedoeld in artikel 5.2, eerste lid. Artikel5:6Overige toegangsmogelijkheden jeugdhulp 1.Het college zorgt voor de inzet van jeugdhulp na verwijzing door de behandelend huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder. 2.Het college zorgt voor inzet van de jeugdhulp die de rechter of de gecertificeerde instelling nodigacht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel, die de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële inrichting nodigachten bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing, of die de gecertificeerde instellingnodig acht bij de uitvoering van jeugdreclassering. Artikel5:7Spoedeisende ondersteuning Het college kan in spoedeisende gevallen, daaronder begrepen de gevallen waarin terstond opvangnoodzakelijk is, al dan niet in verband met risico’s voor de veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, na een melding besluiten om onverwijld en zo nodig ambtshalve, een tijdelijke maatwerkvoorziening te verstrekken in afwachting van de uitkomst van het onderzoek, bedoeld in artikel 2:3 of de aanvraag van cliënt. Indien er sprake is van spoedeisende jeugdhulp, treft het college zo spoedig mogelijk een passende tijdelijke voorziening en vraagt het college zo nodig een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in artikel 6:1:3, juncto artikel 6:1:8, van de Jeugdwet. Artikel5:8:1Verlening arrangementen individuele voorzieningen jeugdhulp 1.Het college verleent een individuele voorziening binnen een arrangement van één of meerdere van de volgende resultaatgebieden: ondersteunen van het sociaal en persoonlijk functioneren; herstel, vermindering, stabilisatie stoornis jeugdige; opvoeding, versterken mogelijkheden ouders. 2.Het college zet de volgende ondersteuningselementen in wanneer deze aanvullend nodig zijn om de in het eerste lid genoemde resultaten te bereiken: vervangende opvoeding; dagbehandeling of dagbesteding; mantelzorgondersteuning. 3.Het college kan daarnaast zorgdragen voor een individuele voorziening in de vorm van een vervoersvoorziening voor het vervoer van een jeugdige van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden, indien deze voorziening noodzakelijk is in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid. 4.Het college stelt de omvang van de voorziening, bedoeld in het eerste lid, en de ondersteunings-elementen, bedoeld in het tweede lid, vast in de intensiteitstreden “beperkt”, “midden” of “intensief”, dan wel een combinatie daarvan, afhankelijk van de omvang van de ondersteuningsbehoefte en de zorgzwaarte van de cliënt. Artikel5:8:2Algemene criteria individuele voorziening voor jeugdhulp 1.Een jeugdige komt in aanmerking voor een individuele voorziening voor zover het college heeft vastgesteld dat de jeugdige geen of slechts ten dele een oplossing voor zijn hulpvraag kan vinden: op eigen kracht, al dan niet met zijn ouders of andere personen uit zijn netwerk; door gebruik te maken van een overige voorziening; of door gebruik te maken van de mogelijkheden in het kader van andere voorliggende voorzieningen of regelgeving. 2.Het college kent eveneens een individuele voorziening toe in de gevallen als bedoeld in artikel 5:5, eerste lid en artikel 5:
- Artikel5:8:3Aanvullende criteria voor het resultaatgebied sociaal en persoonlijk functioneren Een jeugdige kan in aanmerking komen voor een individuele voorziening binnen het resultaatgebied sociaal en persoonlijk functioneren als hij in het dagelijks functioneren beperkingen ondervindt in relatie tot een of meerdere van de volgende aspecten en de gebruikelijke zorg door de ouders hier niet in kan voorzien: het krijgen of behouden van structuur of regie; het aanleren van praktische vaardigheden; het behoud of de vergroting van de zelfstandigheid; het aanleren van sociale vaardigheden; het langdurig ondersteunen bij zijn functioneren en het al dan niet deels overnemen hiervan; het leren omgaan met zijn beperkingen. Artikel5:8:4Aanvullende criteria voor het resultaatgebied herstel, vermindering, stabilisatiestoornis jeugdige Een jeugdige kan in aanmerking komen voor een individuele voorziening binnen het resultaatgebied herstel, vermindering, stabilisatie stoornis jeugdige, als er bij hem in relatie tot één of meerdere van de volgende aspecten aanwijzingen zijn voor een tijdelijke of blijvende stoornis of beperking, of delict gedrag als gevolg van een stoornis of beperking waarvoor behandeling noodzakelijk is. het nodig hebben van diagnostiek als onderdeel van behandeling; het blijk geven van een behoefte aan stabilisering, vermindering, behandeling en opheffing van de stoornis of beperking en het leren omgaan hiermee; het verbeteren of stabiliseren van het functioneren van de jeugdige in één of meerdere domeinen zoals gezin en vrije tijd; het verlagen van recidiverisico. Artikel5:8:5Aanvullende criteria voor het resultaatgebied opvoeding en versterking mogelijkheden ouders Een jeugdige kan in aanmerking komen voor een individuele voorziening binnen het resultaatgebied opvoeding en versterking mogelijkheden ouders, als zijn ouders, afgemeten aan één of meerdere van de volgende aspecten, ondersteuning bij hun opvoedingsvaardigheden nodig hebben bij: het te allen tijde kunnen waarborgen van de veiligheid van de jeugdige; het stimuleren van de sociale en emotionele ontwikkeling van de jeugdige in de zin van het voorkomen van emotionele verwaarlozing; het kunnen omgaan met de specifieke kenmerken die horen bij de stoornis, ontwikkelingsstoornis of gedragsproblemen van de jeugdige; het kunnen aanpassen van het opvoedersgedrag bij de ontwikkelingsleeftijd van de jeugdige; het aandacht kunnen hebben en kunnen zorgdragen voor de gezondheid van de jeugdige; het kunnen zorgdragen voor deelname van de jeugdige aan onderwijs of vormen van daghulp; het kunnen ontwikkelen van een voor de jeugdige steunend netwerk. Artikel5:8:6Aanvullende criteria voor het ondersteuningselement vervangende opvoeding jeugdige Het college zet ondersteunende vervangende opvoeding voor de jeugdige in, als gedurende een behandelingssituatie hulp vanwege een of meerdere van de volgende omstandigheden niet in de thuissituatie kan worden geboden: de opvoedsituatie is niet veilig genoeg voor de jeugdige; de jeugdige vormt een gevaar voor zichzelf of de omgeving, welk gevaar niet door de opvoeders, al dan niet in combinatie met ambulante hulp, kan worden weggenomen; de noodzakelijke hulp aan de jeugdige kan niet in afdoende mate door de opvoeders of ambulante hulp worden geboden; vervangende opvoeding levert betere en effectievere hulp aan de jeugdige op. Artikel5:8:7Aanvullende criteria voor het ondersteuningselement dagbehandeling of dagbesteding Het college zet ondersteunende dagbehandeling of dagbesteding in, als een of meerdere van de volgende omstandigheden aan de orde zijn: vanwege een beperking of stoornis is het voor de jeugdige niet mogelijk om, al dan niet tijdelijk, deel te nemen aan onderwijs; de jeugdige heeft een stoornis of beperking die met dagbehandeling effectief te behandelen is; de jeugdige is gebaat bij het aanleren van vaardigheden in het kader van sociaal en persoonlijk functioneren, waaronder het verkrijgen van een dagstructuur. Artikel5.8.8.Aanvullende criteria voor het ondersteuningselement mantelzorgondersteuning Het college zet ondersteunende mantelzorg in, als de zorg aan de jeugdige een zodanig beslag legt op de draagkracht van de omringende opvoeders dat aanvullende ondersteuning noodzakelijk is, en zich een of meer van de volgende omstandigheden voordoen: de jeugdige heeft een verstandelijke beperking, gepaard gaande met beperkingen in het sociaal en persoonlijk functioneren; vanwege een lichamelijke of zintuigelijke beperking is ondersteuning voor de jeugdige geboden; de jeugdige heeft een meervoudige beperking in de zin van een combinatie van een lichamelijke, verstandelijke- of zintuigelijke handicap, soms met moeilijk te reguleren gedragsproblematiek als gevolg van ernstige psychiatrische stoornissen; er is sprake van een chronische uitbehandelde psychiatrische aandoening of stoornis bij de jeugdige. Artikel5:8:9Waakvlamfunctie jeugdhulp De ondersteuning binnen de resultaatgebieden, genoemd in artikel 5:7:1 eerste lid, kan tevens de vorm hebben van een waakvlamfunctie, waarbij periodiek in de gaten wordt gehouden of het behaalde resultaat nog steeds aanwezig is en of er aanvullende ondersteuning binnen een resultaatsgebied nodig is. Artikel5:8:10Zeventien en een half-jarigen Het college kan een jeugdige, die de leeftijd van 18 jaar bijna heeft bereikt en naar verwachting een voort-durende behoefte aan ondersteuning zal hebben na het bereiken van de leeftijd van 18 jaar, een arrangement aanbieden op basis van de resultaatgebieden die worden aangeboden in het kader van de Wmo 2015, mits dit arrangement de jeugdige in voldoende mate ondersteunt. Artikel5:8:11Voortzetting jeugdhulp na 18 jaar Het college kan besluiten om de ondersteuning aan een jeugdige, als bedoeld in artikel 1:1, onder paragraaf 3 van de Jeugdwet, na het bereiken van de leeftijd van 18 jaar als een arrangement jeugdhulp voort te zetten of te hervatten, indien de ondersteuning niet, niet adequaat of niet volledig in de vorm van een arrangement op grond van de Wmo 2015 kan worden verstrekt. Het college kent een individuele voorziening toe voor zover in het ondersteuningsplan als bedoeld in artikel 2:4 wordt vastgesteld dat de jeugdige of zijn ouders: op eigen kracht of met andere personen uit zijn naaste omgeving geen oplossing voor zijn hulpvraag kan vinden; geen oplossing kan vinden voor zijn hulpvraag door, al dan niet gedeeltelijk, gebruik te maken van een overige of voorliggende voorziening. Artikel5:8aAfgifte beschikking 1.Het college legt de te verlenen individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, in alle gevallen vast in een beschikking aan de jeugdige of zijn ouders als bedoeld in artikel 5:
- 2.In uitzondering op lid 1 geeft het college enkel een beschikking af als de jeugdige of zijn ouders hierom verzoekt, wanneer de inzet van jeugdhulp plaatsvindt na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts. Artikel5:9Inhoud beschikking 1.In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. 2.Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de beschikking vastgelegd: welke de te verstrekken voorziening is en wat de omvang en het beoogde resultaat daarvan zijn; wat de ingangsdatum, omvang en duur van de verstrekking is; welke gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieder van jeugdhulp de voorziening verstrekt, en indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn. 3.Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking vastgelegd: voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend; welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; wat de hoogte van het pgb is en hoe deze is berekend; welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn; wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld; de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb, en dat de jeugdige of zijn ouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling doet van gewijzigde feiten en/of omstandigheden. Artikel5:10Regels voor persoonsgebonden budget Indien de jeugdige of zijn ouders dit wenst, verstrekt het college hun een pgb dat hem in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken. Conform artikel 8.1.1 van de Jeugdwet verstrekt het college aan de jeugdige of zijn ouders alleen een pgb, indien: de jeugdige of zijn ouders naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat is tot een redelijke waardering van de belangen ter zake dan wel met hulp uit hun sociale netwerk dan wel een curator, bewindvoerder, mentor of gemachtigde, in staat zijn de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren; naar het oordeel van het college de jeugdige of zijn ouders zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de individuele voorziening die wordt geleverd door een aanbieder, niet passend acht; en naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de inwoner van het budget wil betrekken, van goede kwaliteit is en bijdraagt aan het beoogde resultaat. De hoogte van een pgb wordt vastgesteld aan de hand van een door de jeugdige of zijn ouders opgesteld plan waarin in ieder geval uiteen is gezet: welke jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort de jeugdige of zijn ouders van het budget willen betrekken, en indien van toepassing, welke hiervan de jeugdige of zijn ouders willen betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk; wordt berekend op basis van een tarief of prijs: waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb de jeugdige of zijn ouders in staat stelt tijdig kwalitatief goede jeugdhulp van derden te betrekken; waarbij rekening is gehouden met redelijke overheadkosten van derden van wie de jeugdige of zijn ouders de jeugdhulp willen betrekken, en waarbij, voor zover van toepassing, rekening is gehouden met de in het derde lid gestelde voorwaarden betreffende het tarief onder welke de jeugdige of zijn ouders de mogelijkheid heeft om de betreffende jeugdhulp te betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopste adequate in de gemeente tijdig beschikbare individuele voorziening in natura. De persoon aan wie een pgb wordt verstrekt kan de jeugdhulp onder de volgende voorwaarden betrekken van een persoon die behoort tot het eigen sociale netwerk: het tarief of de prijs, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, onder 1°, bedraagt voor jeugdhulp verleend door een derde, niet zijnde op onverplichte basis verleende jeugdhulp door een hulp uit het sociale netwerk als bedoeld in artikel 8 van de Regeling Jeugdwet, bedraagt € 20,- per uur. deze persoon heeft aangegeven dat het leveren van de jeugdhulp voor hem niet tot overbelasting leidt, en tussenpersonen of belangbehartigers worden niet uit het pgb betaald. Het college stelt het tarief voor het pgb vast op basis van het door de jeugdige of zijn ouders ingediende plan met begroting over hoe hij het pgb gaat besteden, met inachtneming van artikel
- Het pgb kan alleen worden ingezet voor een persoon die behoort tot het sociale netwerk, indien: deze persoon een lager tarief krijgt betaald voor zijn diensten dan het ingevolge het derde lid vastgestelde tarief; deze persoon niet heeft aangegeven overbelast te zijn in het kader van de zorg voor de ontvanger van de pgb; het pgb niet zal worden gebruikt voor de betaling van tussenpersonen of belangenbehartigers; deze persoon op geen enkele wijze druk op de ontvanger heeft uitgeoefend bij diens beslissing en; het geen dienst is die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie; het niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep. Een uitzondering is de voorziening dyslexiezorg omdat voor zowel de toeleiding als het zorgverleningsproces strikte criteria zijn opgesteld Artikel5:11Opschorting betaling uit het pgb 1.Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van de persoon aan wie het pgb is verstrekt een ernstig vermoeden is gerezen dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 8:1:4, eerste lid, onder a, d of e, van de wet. 2.Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 14, derde lid, onder d. 3.Het college stelt de persoon aan wie het pgb is verstrekt schriftelijk op de hoogte van een verzoek als bedoeld in het eerste of tweede lid. Artikel5:12.Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen individuele voorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet 1.Het college informeert de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. 2.Onverminderd artikel 8:1:2 van de Jeugdwet doen de jeugdige of zijn ouders aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening of pgb. 3.Onverminderd artikel 8:1:4 van de Jeugdwet kan het college een beslissing aangaande een individuele voorziening in natura of pgb herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat: de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; de jeugdige of zijn ouders niet langer op de individuele voorziening in natura of op het daarmee samenhangende pgb zijn aangewezen; de individuele voorziening in natura of het pgb niet meer toereikend is te achten; de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden die zijn verbonden aan de individuele voorziening in natura of het pgb, of de jeugdige of zijn ouders de individuele voorziening in natura of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor het is bestemd. 4.Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van degene die opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens heeft verschaft geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten individuele voorziening in natura of het ten onrechte genoten pgb. 5.Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen drie maanden na toekenning niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden 6.Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van individuele voorzieningen en pgb’s met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en de recht- en doelmatigheid daarvan. 7.Als het college een beslissing op grond van het derde lid, onder a, heeft ingetrokken, kan het college bij dwangbevel geheel of gedeeltelijk het ten onrechte genoten pgb invorderen. Artikel5:13Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, rekening met: de aard en omvang van de te verrichten taken; de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie; een redelijke toeslag voor overheadkosten; een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; en kosten voor bijscholing van het personeel. Artikel5:14Vertrouwenspersoon 1.Het college zorgt ervoor dat inwoners een beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon. 2.Het college wijst inwoners erop dat zij zich desgewenst kunnen laten bijstaan door een onafhankelijke vertrouwenspersoon (Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg). Artikel5:15Klachtregeling Het college ziet er op toe dat jeugdhulpaanbieders over een klachtenregeling beschikken en ziet toe op de wijze van naleving van de klachtenregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks klanttevredenheid onderzoek. Artikel5:16Betrekken van ingezetenen bij het beleid 1.Het college betrekt de inwoners van de gemeente bij de voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp overeenkomstig krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend. 2.Het college stelt cliënten en vertegenwoordigers van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 3.Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. 4.Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede en derde lid. Artikel5:17Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de inwoner afwijken van de bepalingen in deze verordening, als toepassing van deze verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Hoofdstuk6.Werk, re-integratie en tegenprestatie Onderdeel 6.1 Werk en re-integratie Paragraaf6.1.
Artikel6
:1Begrippen In dit onderdeel wordt verstaan onder: doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, sub a, van de Participatiewet; grote afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs niet mogelijk binnen een half jaar; korte afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs mogelijk binnen een half jaar. Paragraaf6.1.2Beleid en financiën Artikel6:2Evenwichtige verdeling en financiering 1.Het college kan de voorziening bedoeld in artikelen 6:5, 6:7, 6:8 en 6:12 aanbieden aan personen die behoren tot de doelgroep met een korte afstand tot de arbeidsmarkt. 2.Het college kan de voorzieningen bedoeld in de artikelen 6:5, 6:6, 6:8, 6:9, 6:10, 6:11 en 6:12 aanbieden aan personen die behoren tot de doelgroep met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. 3.Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan: de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar, en de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg. 4.Het college zendt elke vier jaar aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid van het beleid. Het verslag bevat in ieder geval het oordeel van de Adviesraad Sociaal Domein. Artikel6:3Budget- en subsidieplafonds 1.Het college kan in beleidsregels een of meer subsidie- of budgetplafonds vaststellen voor de verschillende voorzieningen die in dit onderdeel worden genoemd. Een door het college ingesteld subsidie- of budgetplafond vormt een weigeringsgrond bij de aanspraak op een specifieke voorziening. 2.Het college kan een plafond instellen voor het aantal personen dat in aanmerking komt voor een specifieke voorziening. Paragraaf6.1.3Voorzieningen Artikel6:4Algemene bepalingen over voorzieningen 1.Het college stelt ter nadere uitvoering van deze verordening beleidsregels vast waarin wordt vastgelegd welke voorzieningen, waaronder ondersteunende voorzieningen, het college in ieder geval kan aanbieden en de voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in dit onderdeel geen nadere bepalingen zijn opgenomen. 2.Het college kan een voorziening beëindigen als: de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de Participatiewet, de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet nakomt; de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep; de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in dit onderdeel genoemde voorziening, tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, sub a, onder 2 van de Participatiewet; naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling; de voorziening naar het oordeel van het college niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de voorziening; de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening; de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in dit onderdeel worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. Artikel6:5Werkstage 1.Het college kan een persoon een werkstage gericht op arbeidsinschakeling aanbieden als deze behoort tot de doelgroep. 2.Het doel van een werkstage is het opdoen van werkervaring of het leren functioneren in een arbeidsrelatie. 3.Het college plaatst de persoon uitsluitend als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. 4.In een schriftelijke overeenkomst wordt in ieder geval vastgelegd: het doel van de werkstage, en de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt. Artikel6:6Sociale activering 1.Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering voor zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening. 2.Het college stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die persoon. 3.Het college stelt in beleidsregels nadere voorwaarden op voor het aanbieden van sociale activering voor zover daarover in deze verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen. Artikel6:7Detacheringsbaan 1.Het college kan zorgen voor toeleiding van een persoon die behoort tot de doelgroep naar een dienstverband met een werkgever, gericht op arbeidsinschakeling. 2.De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd bij een onderneming. De detachering wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen zowel de werkgever en inlenende organisatie als tussen de werknemer en inlenende organisatie. 3.Een werknemer wordt uitsluitend geplaatst als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. Artikel6:8Scholing en training 1.Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een scholings- of trainingstraject aanbieden. 2.Een scholing- of trainingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende eisen: De ingezette scholing of training moet resulteren in een reële verhoging van de kansen op de arbeidsmarkt; De scholing of training is noodzakelijk om algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden; en Scholing of training wordt niet ingezet indien een persoon in het jaar voorafgaand aan het verzoek om scholing of training al met succes een beroepsgerichte scholing heeft afgerond. 3.Het eerste lid is niet van toepassing op personen als bedoeld in artikel 7, derde lid, sub a, van de Participatiewet. Artikel6:9Participatieplaats 1.Het college kan een persoon van 27 jaar of ouder met recht op algemene bijstand overeenkomstig artikel 10a van de Participatiewet onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten. 2.Het college zorgt ervoor dat de te verrichten additionele werkzaamheden worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst die wordt ondertekend door het college, de werkgever en de persoon die de additionele werkzaamheden gaat verrichten. 3.De premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de Participatiewet bedraagt € 100,- per zes maanden, mits in die zes maanden voldoende is meegewerkt aan het vergroten van de kans op inschakeling in het arbeidsproces. Artikel6:10Participatievoorziening beschut werk 1.Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een persoon uit de doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking een zodanige mate van begeleiding op en aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat van een reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij deze persoon in dienst neemt. 2.Het college kan voor personen uit de doelgroep een advies inwinnen bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voor de beoordeling of zij uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. 3.Om de in artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet, bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken zet het college de volgende ondersteunende voorzieningen in: fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving, uitsplitsing van taken of aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur. 4.Het college stelt het aantal plekken voor beschut werk beschikbaar conform het jaarlijkse voorschrift in de ministeriële regeling. Het college stelt niet meer plekken voor beschut werk beschikbaar dan het minimum aantal in het jaarlijkse voorschrift in de ministeriële regeling. 5.Het college biedt de voorziening beschut werk aan personen met een indicatie beschut werk op volgorde van de datum van de indicatie beschut werk. 6.Het college bepaalt welke voorzieningen worden aangeboden aan personen met een indicatie beschut werk wanneer het aantal beschikbare beschutte werkplekken in een jaar reeds is vervuld. 7.Tot het moment van aanvang van de dienstbetrekking op een beschutte werkplek, kan het college aan personen uit de doelgroep een werkstage aanbieden zoals bedoeld in artikel 6:5. Artikel6:11Ondersteuning bij leer-werktraject Het college kan ondersteuning aanbieden aan een persoon uit de doelgroep ten aanzien van wie het college van oordeel is dat een leer-werktraject nodig is, voor zover deze ondersteuning nodig is voor het volgen van een leer-werktraject en het personen betreft: van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd, of van 18 tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald. Artikel6:12Persoonlijke ondersteuning Aan een persoon die behoort tot de doelgroep kan het college persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van de aan die persoon opgedragen taken aanbieden in de vorm van tijdelijke, langdurige of structurele begeleiding als hij zonder persoonlijke ondersteuning niet in staat is de aan hem opgedragen taken te verrichten. Artikel6:13No-riskpolis Vervallen Artikel6:14Werkgeverscheque 1.Het college kan een vergoeding in de vorm van een werkgeverscheque verstrekken aan een werkgever die met een werknemer met een grote afstand tot de arbeidsmarkt een arbeidsovereenkomst sluit. 2.De werkgeverscheque wordt uitsluitend verstrekt als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing plaatsvindt. 3.De werkgeverscheque wordt niet verstrekt als de werkgever op grond van een andere regeling aanspraak maakt op financiële tegemoetkomingen in verband met de indiensttreding van de werknemer. 4.Het college legt de hoogte van de werkgeverscheque en verdere voorwaarden vast in beleidsregels. Artikel6:15Uitstroompremie 1.Het college kan eenmalig een uitstroompremie toekennen aan een langdurig werkloze die duurzaam uitstroomt naar algemeen geaccepteerde arbeid en daardoor niet langer recht heeft op algemene bijstand. 2.Een langdurig werkloze in de zin van het eerste lid is een persoon die gedurende een aaneengesloten periode van twaalf maanden of langer op een uitkering aangewezen is of is geweest. 3.Onder duurzaam in de zin van het eerste lid wordt verstaan een dienstverband van tenminste zes aaneengesloten maanden. Paragraaf6.1.4Slotbepalingen Artikel6:16Hardheidsclausule Indien hiervoor gegronde redenen zijn, kan het college ten gunste van een persoon uit de doelgroep afwijken van de bepalingen in dit onderdeel. Artikel6:17Overgangsrecht Vervallen Onderdeel 6.2 Tegenprestatie Paragraaf6.2.
Artikel6
:18Begrippen In dit onderdeel wordt verstaan onder: grote afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs niet mogelijk binnen een half jaar; korte afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs mogelijk binnen een half jaar; mantelzorg: langdurige zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt; belanghebbende: iemand die een uitkering ontvangt op grond van de Participatiewet, IOAW of IOAZ. Paragraaf6.2.2Beleid Artikel6:19Verslag over beleid
- Het college zendt elke vier jaar aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid van het beleid.
- Het verslag, zoals bedoeld in het eerste lid, bevat het oordeel van de Adviesraad Sociaal Domein. Paragraaf6.2.3Tegenprestatie naar vermogen Artikel6:20Inhoud van een tegenprestatie 1.Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover die werkzaamheden: naar hun aard niet zijn gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt; niet zijn bedoeld als re-integratie-instrument; worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de organisatie waarin ze worden verricht; en niet leiden tot verdringing. 2.Het college stelt ter nadere uitvoering van deze verordening beleidsregels vast waarin wordt vastgelegd welke aanvullende werkzaamheden het college in ieder geval kan aanbieden en de voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in deze verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen. Artikel6:21Het opdragen van een tegenprestatie 1.Het college kan een belanghebbende met een grote afstand tot de arbeidsmarkt een tegenprestatie opdragen. 2.Het college kan een belanghebbende met een korte afstand tot de arbeidsmarkt uitsluitend een tegenprestatie opdragen indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen 3.Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het college rekening met de volgende factoren: de tegenprestatie moet naar vermogen kunnen worden verricht door een belanghebbende; de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een belanghebbende moeten in aanmerking worden genomen. Artikel6:22Duur en omvang van een tegenprestatie 1.De tegenprestatie wordt opgedragen voor de maximale duur van 13 weken. 2.De tegenprestatie wordt opgedragen voor maximaal 20 uur per week. 3.De tegenprestatie kan binnen een periode van 12 maanden slechts twee keer worden opgedragen. 4.Het college kan met verwijzing naar artikel 6:21 lid 3 ook besluiten geen tegenprestatie op te leggen. Artikel6:23Uitzonderingen Vervallen Artikel6:24Geen werkzaamheden voorhanden 1.Het college draagt geen tegenprestatie op indien geen werkzaamheden voorhanden zijn die kunnen worden ingezet als tegenprestatie. 2.Indien het college geen tegenprestatie opdraagt omdat geen werkzaamheden voorhanden zijn, beoordeelt het college binnen vier maanden of op dat moment wel werkzaamheden voorhanden zijn die kunnen worden ingezet als tegenprestatie. Onderdeel 6.3 Loonkostensubsidie Artikel6:25Vaststelling wie tot doelgroep loonkostensubsidie behoort 1.Het college kan vaststellen of een persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. 2.Hierbij neemt het college de volgende criteria in acht: een persoon moet behoren tot de doelgroep zoals omschreven in artikel 7, eerste lid, sub a, van de Participatiewet; die persoon is niet in staat met voltijdse arbeid het wettelijk minimumloon te verdienen, en die persoon heeft mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. 3.Voorafgaand aan de vaststelling zoals bedoeld in het eerste lid, kan het college een voormeting uitvoeren. 4.Het college kan een derde inschakelen die het college adviseert met betrekking tot het oordeel of een persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort. Deze derde neemt daarbij de in het tweede lid neergelegde criteria in acht. Artikel6:26Vaststelling loonwaarde 1.Het college gebruikt de in de bijlage omschreven wijze om de loonwaarde van een persoon vast te stellen. 2.Het college kan een derde inschakelen die het college adviseert met betrekking tot de vaststelling van de loonwaarde van een persoon. Deze derde neemt daarbij de in de toelichting van deze verordening omschreven methode in acht. Hoofdstuk7.Inkomen Onderdeel 7.1 Individuele inkomenstoeslag Artikel7:1Begrippen In dit onderdeel wordt verstaan onder: inkomen: totaal van het inkomen, bedoeld in artikel 32 van de Participatiewet, en de algemene bijstand; peildatum: datum waarop een persoon individuele inkomenstoeslag aanvraagt; referteperiode: periode van drie jaar voorafgaand aan de peildatum. Artikel7:2Indienen verzoek Een verzoek als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet, wordt ingediend middels een door het college vastgesteld formulier. Artikel7:3Langdurig laag inkomen Een persoon heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet als gedurende de referteperiode het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 100 procent van de toepasselijke bijstandsnorm. Artikel7:4Hoogte individuele inkomenstoeslag 1.Een individuele inkomenstoeslag bedraagt per kalenderjaar: € 402,- voor een alleenstaande; € 510,- voor een alleenstaande ouder; € 571,- voor gehuwden; 2.Als één van de gehuwden is uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag ingevolge de artikelen 11 of 13, eerste lid, van de Participatiewet, komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. 3.Voor toepassing van het eerste en tweede lid is de situatie op de peildatum bepalend. 4.De bedragen genoemd in het eerste lid worden jaarlijks geïndexeerd overeenkomstig de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek. De bedragen worden naar boven afgerond op hele euro’s. Artikel7:5Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen in dit onderdeel, indien toepassing daarvan leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Onderdeel 7.2 Individuele studietoeslag Artikel7:6Indienen verzoek Een verzoek als bedoeld in artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet, wordt ingediend middels een door het college vastgesteld formulier. Artikel7:7Dringende redenen Vervallen Artikel7:8Eenmaal per studiejaar individuele studietoeslag verlenen Een persoon kan eenmaal binnen een studiejaar in aanmerking komen voor een individuele studietoeslag. Artikel7:9Hoogte individuele studietoeslag 1.Een individuele studietoeslag bedraagt € 1.848,- per periode van 12 maanden. 2.Het bedrag genoemd in het eerste lid wordt jaarlijks geïndexeerd conform de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek. De bedragen worden naar boven afgerond op hele euro's. Artikel7:10Betaling individuele studietoeslag Een individuele studietoeslag wordt in 12 maandelijkse termijnen van € 154,- uitbetaald. Onderdeel 7.3 Afstemming Paragraaf7.3.
Artikel7
:11Begrippen In dit onderdeel wordt verstaan onder: benadelingsbedrag: netto-uitkering waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan ten gevolge van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan; bijstandsnorm: toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, sub c, van de Participatiewet, of grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 5 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen voor zover sprake is van een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; uitkering: algemene bijstand op grond van de Participatiewet of een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. Artikel7:12Het handhavingsbeleid 1.Het college biedt iedere vier jaar een beleidsplan handhaving aan de gemeenteraad aan met daarin het te voeren beleid op het gebied van handhaving, bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van de Participatiewet en de te verwachten resultaten en rapporteert hierover jaarlijks aan de gemeenteraad. 2.Indien de gemeenteraad of het college daartoe aanleiding ziet, kan besloten worden tot het eerder aanpassen van het handhavingsplan. Artikel7:13Het besluit tot opleggen van een verlaging In het besluit tot het opleggen van een verlaging van de uitkering als bedoeld in artikel 18, tweede, vijfde, zesde, zevende en achtste lid, van de Participatiewet, de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen worden in ieder geval vermeld: de reden van de verlaging; de duur van de verlaging; het bedrag of percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd, en indien van toepassing, de reden om af te wijken van de standaardverlaging. Artikel7:14Horen van belanghebbende 1.Voordat een verlaging wordt opgelegd wordt een belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. 2.Het horen van een belanghebbende kan achterwege blijven als: de vereiste spoed zich daartegen verzet; belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid, of belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te willen maken. Artikel7:15Afzien van verlaging 1.Het college ziet af van een verlaging als: elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, of de gedraging meer dan één jaar voor constatering daarvan door het college heeft plaatsgevonden. 2.Het college kan afzien van een verlaging als het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. 3.Als het college afziet van een verlaging op grond van dringende redenen, wordt een belanghebbende hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld. Artikel7:16Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging 1.Een verlaging wordt toegepast op de uitkering of bijzondere bijstand die is verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet over de kalendermaand volgend op de maand waarin het besluit tot het opleggen van de verlaging aan een belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor die belanghebbende geldende bijstandsnorm. 2.Een verlaging kan met terugwerkende kracht worden toegepast op de uitkering over de periode waarop de gedraging betrekking heeft gehad of over de periode waarin de gedraging heeft plaatsgevonden als een verlaging overeenkomstig het eerste lid niet mogelijk is omdat de uitkering is beëindigd of ingetrokken of als de uitkering over die periode nog niet is uitbetaald. 3.Als een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan worden gelegd als gevolg van de beëindiging of intrekking van de uitkering, wordt de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is uitgevoerd, alsnog opgelegd als belanghebbende binnen de termijn, bedoeld in artikel 7:15, eerste lid, sub b, opnieuw een uitkering ontvangt. Artikel7:17Berekeningsgrondslag 1.Een verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm. 2.In afwijking van het eerste lid kan een verlaging worden toegepast op de bijzondere bijstand als: aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet, of de verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie met zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding geeft. 3.Bij toepassing van het tweede lid, sub a, moet in de paragrafen 6.1.2, 6.1.3 en 6.1.4 van deze verordening ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘bijstandsnorm inclusief de op grond van artikel 12 van de Participatiewet verleende bijzondere bijstand’. 4.Bij toepassing van het tweede lid, sub b, moet in de paragrafen 6.1.2, 6.1.3 en 6.1.4 van deze verordening ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘de verleende bijzondere bijstand’. Paragraaf7.3.2Niet nakomen van de niet-geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling Artikel7:18Gedragingen Participatiewet Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de artikelen 9 en 9a van de Participatiewet niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; tweede categorie: het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9, eerste lid, of 55 van de Participatiewet, voor zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na een melding als bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid, van de Participatiewet, voor zover deze verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet. derde categorie: het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet; het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, sub b, van de Participatiewet niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet; het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, sub c, van de Participatiewet. Het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de Participatiewet. Artikel7:19Gedragingen IOAW en IOAZ Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de artikelen 37 en 38 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 37 en 38 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; tweede categorie: het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling; het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, sub e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 36, eerste lid, en artikel 37, eerste lid, sub e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening; het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om, in verband met de arbeidsinschakeling, op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen. derde categorie: het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, sub f, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 37, eerste lid, sub f, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, sub e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 37, eerste lid, sub e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 38, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; gedragingen die de arbeidsinschakeling belemmeren; Het niet of onvoldoende meewerken aan een door het college aangeboden voorziening gericht op het verkleinen van de afstand tot de arbeidsmarkt, zoals bijvoorbeeld een groepsworkshop of een werkervaringsplaats. vierde categorie: het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen; het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid; het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, sub e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, sub e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening. Artikel7:20Hoogte en duur van de verlaging De verlaging, bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 7:18 en 7:19, wordt vastgesteld op: 10% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de eerste categorie; 30% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de tweede categorie; 50% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de derde categorie; 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de vierde categorie. Paragraaf7.3.3Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling Artikel7:21Duur verlaging bij schending geüniformeerde arbeidsverplichting Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de verlaging 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand. Artikel7:22Verrekenen verlaging 1.Het bedrag van de verlaging, bedoeld in artikel 7:21, wordt toegepast over de maand van oplegging van de afstemming en de volgende twee maanden. 2.Als sprake is van een verlaging op grond van artikel 18, vierde lid, sub a, van de Participatiewet, vindt geen verrekening als bedoeld in het eerste lid plaats. Paragraaf7.3.4Overige gedragingen die leiden tot een verlaging Artikel7:23Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid 1.Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet, artikel 20, tweede lid IOAW of artikel 20, eerste lid IOAZ wordt afgestemd op het benadelingsbedrag. 2.De verlaging wordt vastgesteld op: 30% van de bijstandsnorm gedurende één maand als het benadelingsbedrag niet is vast te stellen; 30% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een benadelingsbedrag tot € 2.000,-; 50% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een benadelingsbedrag vanaf € 2.000,- tot € 4.000,-; 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een benadelingsbedrag van € 4.000,- of hoger. 100% van de bijstandsnorm van de eerste volledige kalendermaand na toekenning van de uitkering, als een belanghebbende direct voorafgaand aan de aanvraag verwijtbaar werkloos is geworden. 3.In afwijking van het eerste lid kan bijstand worden verschaft in de vorm van een lening i.p.v. een gift als de belanghebbende voorafgaand aan de algemene bijstand onverantwoord heeft ingeteerd op het vermogen (meer dan anderhalf keer de toepasselijke bijstandsnorm) en daarmee niet meer in het bestaan kan voorzien. Artikel7:24Zeer ernstige misdragingen Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de Participatiewet als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van die wet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen kan een verlaging worden opgelegd van: 60% van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het uitoefenen van verbaal geweld tegen de in het eerste lid genoemde personen; 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het uitoefenen van fysiek geweld tegen materiële zaken en bij mondelinge of schriftelijke bedreigingen gericht tegen de in het eerste lid genoemde personen; 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het uitoefenen van fysiek geweld tegen de in het eerste lid genoemde personen. Artikel7:25Niet nakomen van overige verplichtingen Als een belanghebbende een door het college opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, wordt een verlaging toegepast. De verlaging wordt vastgesteld op: 20% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling; 20% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand; 40% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand; 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand. Paragraaf7.3.5Samenloop en recidive Artikel7:26Samenloop van gedragingen 1.Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere in dit onderdeel of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld. 2.Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van één of meerdere in dit onderdeel of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is. 3.Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van zowel een in dit onderdeel of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, wordt geen verlaging opgelegd, voor zover voor die schending een bestuurlijke boete wordt opgelegd. 4.Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van zowel een in dit onderdeel of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is. Artikel7:27Recidive 1.Als een belanghebbende zich binnen 24 maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in de artikelen 7:18, 7:19, 7:23, 7:24 of 7:25 opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of hogere categorie, wordt telkens de duur van de verlaging verdubbeld. 2.Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet, bedraagt de verlaging 100% van de bijstandsnorm gedurende twee maanden. Paragraaf7.3.6Blijvende of tijdelijke weigering IOAW/IOAZ Artikel7:28Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ Als het college de uitkering op grond van artikel 20, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 20, tweede lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen blijvend of tijdelijk weigert en de gedraging die tot deze weigering heeft geleid tevens op grond van deze verordening tot een verlaging zou kunnen leiden, blijft een verlaging ter zake van die gedraging achterwege. Hoofdstuk8.Slotbepalingen Artikel8:1Nadere regels Voor zover noodzakelijk voor de uitvoering van deze verordening, kan het college nadere regels vaststellen. Artikel8:2Evaluatie Over het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt halfjaarlijks gerapporteerd. Het college zendt hiertoe elk half jaar een rapportage over de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk naar de gemeenteraad. Artikel8:3Inwerkingtreding Deze verordening treedt op 1 januari 2020 in werking. Artikel8:4Intrekken oude verordeningen De volgende verordeningen worden met de inwerkingtreding van deze verordening ingetrokken: Verordening Sociaal Domein 2019 T18.13977 zoals vastgesteld op 21 februari 2019. Artikel8:5Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: “Verordening Sociaal Domein gemeente Lansingerland”. Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Lansingerland in de openbare raadsvergaderingvan 19 december 2019.De griffier, drs. Marijke WalhoutToelichting Verordening Sociaal Domein 2019 gemeente Lansingerland
De bepalingen in dit hoofdstuk spreken voor zich. 2Toegang Artikel 2:1 Begrippen De definitie van melding is nodig omdat dit begrip niet of verschillend gedefinieerd is in de drie wetten. In de Participatiewet is het moment van melding van belang voor de aanvraag en de ingangsdatum van de uitkering. In de Wmo is het moment van melding het moment waarop het onderzoek start. Aangezien de toegang zoals in dit hoofdstuk gedefinieerd de toegang betreft voor het totale sociale domein is de definiëring van de melding in de toegang van groot belang. Uit het eerste contact tussen een inwoner en een toegangspartij moet blijken of er sprake is van een informatieve vraag of dat een onderzoek nodig is om de ondersteuningsvraag helder te krijgen. In dat laatste geval maakt de toegangspartij een afspraak voor het gesprek. De datum van het (eerste) gesprek geldt als de melding van de ondersteuningsvraag en de start van het onderzoek. Het gesprek zal in veel gevallen meerdere gesprekken omvatten, omdat complexe situaties niet in één gesprek te doorgronden zijn. Die situaties vragen om een dieper onderzoek naar ‘de vraag achter de vraag’. In de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) staan een aantal definitiebepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals: ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid, van de Awb) en ‘beschikking’ (artikel 1:2 van de Awb). Artikel 2:2 Verzoek tot ondersteuning Dit artikel regelt een zorgvuldige en uniforme werkwijze voor de toegang tot ondersteuning, ongeacht of de inwoner zich tot een door de gemeente aangewezen toegangspartij of tot de gemeente zelf wendt. De gemeente zelf is tijdens het onderzoek ook een toegangspartij. De inwoner kan met een verzoek tot ondersteuning terecht bij één van de toegangspartijen. Dit eerste contact kan digitaal, aan een loket of telefonisch plaatsvinden. Het verzoek kan door of namens de inwoner worden gedaan, wat betekent dat ook iemand uit de omgeving van de inwoner als vertegenwoordiger kan optreden. Een inwoner die een verzoek om een uitkering wil doen, moet zich rechtstreeks bij de gemeente melden. Dit is vastgelegd in de beleidsregels. De toegangspartij is wettelijk verplicht de inwoner te wijzen op de mogelijkheid om een persoonlijk plan in te leveren. Dit plan zal dan betrokken worden bij het onderzoek. De toegangspartij dient de inwoner ook te wijzen op de mogelijkheid om voor het onderzoek gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning. Ten behoeve van een zorgvuldige dossiervorming maakt de toegangspartij een dossier aan in het eigen systeem en maakt een afspraak met de inwoner voor het gesprek. Tijdens het gesprek doet de toegangspartij onderzoek naar de situatie van de inwoner op basis van de leefdomeinen uit de landelijke zelfredzaamheidmeter. Artikel 2:3 Het onderzoek In dit artikel is bepaald hoe het onderzoek is opgebouwd en wat daarbij van de toegangspartij en van de inwoner gevraagd wordt. Ook alle informatie die voor een zorgvuldig onderzoek noodzakelijk is, zoals gebruikmaking van algemene voorzieningen, de voorkeuren van de inwoner en de mogelijkheid tot een pgb komt aan de orde. Tenslotte is de identificatieplicht opgenomen, omdat de wet vereist dat de identiteit van de inwoner met een ondersteuningsvraag wordt vastgesteld. De regels met betrekking tot de privacy van betrokkenen en gegevensuitwisseling die gelden op grond van de Jeugdwet, Wet maatschappelijke ondersteuning en de Algemene verordening gegevensbescherming zijn van toepassing op de gehele onderzoeksprocedure. De verzameling van gegevens vindt plaats op basis van de uitgangspunten van de Visie gegevensdeling domein samenleving. De toegangsmedewerker bepaalt of het uitvragen, uitwisselen en vastleggen van gegevens doelmatig is, in proportie en of er een alternatief is. Artikel 2:4 Het ondersteuningsplan Deze bepaling is opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en een zorgvuldige procedure. De invulling van deze verslagplicht is vormvrij. Het ondersteuningsplan kan gezien worden als een verslag omdat hierin inventarisatie van alle knelpunten, gewenste resultaten en oplossingen zijn opgenomen. Het ondersteuningsplan is een integraal plan waarin rekening gehouden wordt met het totale pakket aan voorzieningen. Er is ruimte voor de inwoner om ook op een later moment in het onderzoek zijn eigen inbreng naar voren te brengen. In lid 5 is toegevoegd dat uitsluitend het college gebruik kan maken van de wettelijke bevoegdheid om gegevens ten behoeve van het onderzoek te verzamelen. In de praktijk zal hier alleen gebruik van gemaakt worden bij een aanvraag voor een maatwerkvoorziening, bij voorkeur met toestemming van de inwoner. De niet-gemeentelijke toegangspartijen hebben deze bevoegdheid niet en zullen daarvoor dus altijd toestemming van de inwoner nodig hebben. Artikel 2:5 De aanvraag voor een individuele of een maatwerkvoorziening Een aanvraag is nodig om een beschikking voor een individuele of maatwerkvoorziening te verkrijgen. Het college is op grond van de Awb artikel 4.1 bevoegd tot het beslissen op een aanvraag. Een ondertekend ondersteuningsplan niet ouder dan drie maanden kan gelden als een aanvraag. Een aanvraag in het kader van de Participatiewet en de Jeugdwet kan via een aanvraagformulier gedaan worden. In de Wmo 2015 is bepaald dat op een aanvraag altijd een onderzoek voorafgegaan moet zijn. Beslistermijnen Awb In de verordening is geen termijn opgenomen om te beslissen op een aanvraag. De regeling in de Awb geldt onverkort voor aanvragen in het kader van de Jeugdwet en de Participatiewet. In artikel 4:13 van de Awb is bepaald dat een beschikking dient te worden gegeven binnen een redelijke termijn van acht weken na ontvangst van de aanvraag. Indien een beschikking niet binnen acht weken kan worden gegeven, dient het bestuursorgaan dit binnen deze termijn aan de aanvrager mede te delen en daarbij een redelijk termijn te noemen waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien (artikel 4:14, derde lid, van de Awb). In de Wmo 2015 is, in afwijking van de Awb, bepaald dat er op een Wmo aanvraag een beslistermijn van twee weken geldt. De termijn wordt voorafgegaan door een onderzoekstermijn van maximaal zes weken. De termijnen zijn maximumtermijnen. Indien nodig kan op een verzoek tot ondersteuning binnen enkele dagen een individuele of maatwerk voorziening worden verstrekt (spoedprocedure). Het onderzoek volgt dan achteraf. In complexe situaties kan in het belang van een zorgvuldig onderzoek een langere termijn nodig zijn. Bijvoorbeeld als een advies van een deskundige van belang is om de meest passende ondersteuning te kunnen inzetten. Artikel 2:7 Expertteam De Algemene wet bestuursrecht geeft enige algemene bepalingen over (externe) advisering. In artikel 3:5 lid 1 staat dat onder adviseur verstaan wordt: een persoon of college, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het adviseren inzake door een bestuursorgaan te nemen besluiten en niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan. Het college dient één of meer adviseurs aan te wijzen om in het kader van de wetten advies uit te brengen. In de verordening wordt niet opgenomen wie de adviseur is. Men kan immers meerdere adviseurs in verschillende, zelfs wisselende situaties hebben, wat een eenduidige vermelding onmogelijk maakt. 3Adviesraad Sociaal Domein Inspraak en medezeggenschap In dit onderdeel van de verordening zijn bepalingen opgenomen over inspraak en medezeggenschap bij de gemeente. De mogelijkheid tot inspraak en medezeggenschap tegenover de aanbieder is al geregeld in artikel 4.2.4 e.v. van de Jeugdwet. Regeling van de inspraak en medezeggenschap is verplicht op grond van artikel 2.10 van de wet in samenhang met artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015. In artikel 2.10 (in de redactie van de Nota van wijziging op het wetsvoorstel Wmo 2015 van 12 maart 2014, kamerstukken II 22841, nr. 35) worden de artikelen 2.1.3, derde lid, en 2.5.1 (jaarlijks klantentevredenheid onderzoek) van de Wmo 2015 van overeenkomstige toepassing verklaard. Ingevolge artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015 dient bij verordening te worden bepaald op welke wijze ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van deze wet. Verwezen wordt naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat eenzelfde inspraakprocedure geldt voor meerdere terreinen. De inspraak geldt voor alle inwoners. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning. 4Maatschappelijke ondersteuning Artikel 4:1 Begrippen Ad. a Algemeen gebruikelijke voorziening Het is niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt, waarvan gelet op de omstandigheden van de inwoner, aannemelijk is te achten dat deze daarover, ook als hij of zij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken (zie o.a. CRvB 03-07-2001, nr. 00/764 WVG, CRvB 16-04-2008, nr. 06/4668 WVG, CRvB 14-07-2010, nr. 09/562 WVG en Rechtbank Arnhem 16-08-2012, nr. AWB 11/5564). De beoordeling of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de inwoner ziet op het beantwoorden van de vraag of de inwoner over de voorziening zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Bij die beoordeling kunnen, zo blijkt uit de jurisprudentie, de volgende criteria een rol spelen: Is de voorziening gewoon te koop? Is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten die algemeen gebruikelijk worden geacht? Is de voorziening specifiek voor personen met een beperking ontworpen? Artikel 4:3 Criteria voor maatwerkvoorziening In dit artikel is het algemene afwegingskader dat in deze Wmo centraal staat nogmaals uiteengezet. De nadruk ligt, nog meer dan onder de Wmo 2007, op de eigen kracht en hulp van anderen. De maatwerk-voorziening vormt slechts het sluitstuk van de maatschappelijke ondersteuning. In artikel 2.1.3 lid 2 sub a van de wet is bepaald dat de raad bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan vaststellen of een inwoner voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. In de memorie van toelichting op deze bepaling (TK 2013-2014, 33 841, nr. 3, blz. 134) wordt aangegeven dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoor-ziening op maatwerk aankomt. Gemeentelijke vrijheid is nodig omdat de behoeften van inwoners per gemeente kunnen verschillen en de sociale en fysieke infrastructuur per gemeente anders is. Ook het aanbod van algemene voorzieningen is niet in iedere gemeente gelijk. Het is daarom niet mogelijk of wenselijk dat in de verordening limitatief wordt geregeld welke maatwerk-voorzieningen worden verstrekt. De gemeente moet wel aan de hand van geschikte en toepasbare criteria meer in detail en concreet nader afbakenen in welke gevallen iemand een maatwerkvoorziening kan krijgen. In dit artikel is deze verplichting uitgewerkt. In lid 3 van dit artikel is de volgorde van inzet van de verschillende ondersteuningsmogelijkheden bepaald. Een maatwerkvoorziening zal pas ingezet worden als de ondersteuning niet op een andere manier kan worden gerealiseerd. In lid 4 is bepaald dat het college kan volstaan met de goedkoopst passende voorziening. De voorziening die wordt verstrekt hoeft niet de goedkoopste voorziening te zijn. De gemeente onderzoekt in de eerste plaats welke voorzieningen het meest passend zijn en daarna welke het goedkoopst. Met nadruk wordt hierbij gesteld dat met het begrip passend bedoeld wordt: volgens objectieve maatstaven nog toereikend. Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening passender maken, komen in principe niet voor vergoeding in aanmerking. Daarbij kan een overweging zijn dat de bruikbaarheid van een voorziening niet alleen door technische en functionele aspecten bepaald wordt. Tevens is het denkbaar dat een product dat duurder is dan een vergelijkbaar product, langer meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Wat betreft het kwaliteitsniveau waarvan uitgegaan kan worden, moge het duidelijk zijn dat bij een verantwoord, maar ook niet meer dan dat, niveau dient te worden aangesloten. Ter verduide-lijking een voorbeeld: als een rolstoel de meest passende voorziening voor een inwoner is, heeft die inwoner soms aanvullende wensen omtrent kleur of uitvoering. Deze aanvullende wensen maken de voorziening niet passender of doelmatiger, maar brengen meestal extra kosten met zich mee. Deze extra kosten komen in dat geval voor rekening van de inwoner. Lid 5 is met name in het licht van een maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden of begeleiding toegevoegd. De maatwerkvoorziening wordt ingezet om de gewenste resultaten uit het ondersteuningsplan te behalen. Daarnaast wordt bepaald wanneer het resultaat behaald zou kunnen worden. Op dat moment eindigt de ondersteuning of zal een nieuw ondersteuningsplan worden opgesteld. In de beschikking is de duur van het ondersteuningstraject opgenomen. Dit kan maximaal voor 5 jaar zijn. Artikel 4:4 Voorwaarden en weigeringsgronden In rechtbankjurisprudentie is inmiddels herhaaldelijk bepaald dat afwijzingsgronden, wil er een beroep op kunnen worden gedaan, een grondslag in de verordening