Welstandsnota 2018, Gemeente Groningen Herplaatsing van Gemeenteblad 2018, 78056 DEEL1.UITLEG DE WELSTANDSNOTA GRONINGEN Wie in Nederland wil bouwen of verbouwen, moet voldoen aan landelijke bouwregelgeving. Of het nu om een huis of bedrijf, een dakkapel of kozijn gaat: om de kwaliteit van bebouwing te garanderen heeft de rijksoverheid regels in de Woningwet
(2015)vastgelegd. Zo moeten bouwwerken passen in hun omgeving en mogen ze bijvoorbeeld geen gevaar opleveren voor de veiligheid en gezondheid van gebruikers. Voor het bouwen, verbouwen, slopen en gebruiken van gebouwen is daarom een omgevingsvergunning nodig. Kleine, ondergeschikte bouwwerken en ingrepen kunnen in sommige gevallen vergunningsvrij worden gebouwd. REDELIJKE EISEN VAN WELSTAND Aanvragen voor een omgevingsvergunning moeten volgens de Woningwet voldoen aan uiteenlopende regelgeving, zoals vastgelegd in bijvoorbeeld het bestemmingsplan (functie, plaats, afmetingen), het bouwbesluit (bouwtechniek), de bouwverordening (gemeentelijk beleid), het welstandsbeleid (uitstraling) en, in het geval van een beschermd monument, de Monumentenwet of gemeentelijke erfgoedverordening (bescherming). Ook stelt de Woningwet dat elke gemeente de samenstelling, inrichting en werkwijze van de welstandstoetsing in de bouwverordening moet vaststellen. In Groningen is de stadsbouwmeester verantwoordelijk voor de welstandstoets. Deze werkwijze is gebaseerd op artikel 6.2 lid 1 van het ‘Besluit omgevingsrecht’ waarin staat dat het college alleen een onafhankelijk welstandsadvies hoeft te vragen indien het dit noodzakelijk acht. De stadsbouwmeester is een door de gemeenteraad benoemde onafhankelijke deskundige, die aan het college van burgemeester en wethouders adviseert of aanvragen voldoen aan redelijke eisen van welstand. VIER GRADATIES CRITERIA Om een transparante en toegankelijke welstandstoetsing te stimuleren, zijn gemeentes verplicht het welstandsbeleid waaraan zij aanvragen toetsen, in beleid vast te leggen: de welstandsnota. De welstandsnota heeft als doel om de welstandsbeoordeling binnen een inhoudelijk en objectief kader te plaatsen, waarmee de rechtszekerheid van initiatiefnemers wordt gediend. Daarnaast waarborgt de welstandsnota de kwaliteit van de welstandstoetsing en biedt deze samenhang in gemeentelijk beleid dat zich richt op de kwaliteit van het stadsbeeld. De welstandsnota van de gemeente Groningen bestaat uit vier ‘gradaties’ criteria. Aan de basis liggen drie algemene criteria, waarmee zowel de kwaliteit van bouwwerken alsook de relatie van bouwwerken met de omgeving wordt getoetst (Deel
- Basis: De Algemene Groninger Criteria). Ook bevat de nota criteria die op het specifieke karakter van verschillende gebieden zijn gericht (Deel
- Verdieping: De Legenda van de Stad) en criteria die aanvragen van kleine ingrepen en verbouwingen vergemakkelijken (Deel
- Versnelling: De Sneltoetscriteria). Ten slotte zijn er criteria waarmee wordt beoordeeld of bouwwerken, ook vergunningsvrije, op buitensporige wijze afwijken van de omgeving, een negatieve invloed hierop hebben en dus in ernstige mate strijdig zijn met redelijke eisen van welstand (Deel
- Rem: De excessen-regeling). DRIJVENDE BOUWWERKEN Met de inwerkingtreding van de Wet verduidelijking voorschriften woonboten en de wijziging van het Bouwbesluit 2012 voor drijvende bouwwerken, is voortaan landelijke bouwregelgeving van toepassing op woonboten en andere drijvende objecten die hoofdzakelijk worden gebruikt voor verblijf. Ze worden aangemerkt als ‘drijvende bouwwerken’. Als gevolg daarvan moeten aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het plaatsen van een drijvend bouwwerk op een bepaalde plaats onder meer voldoen aan de gemeentelijke welstandsnota. Drijvende bouwwerken worden daarom eveneens getoetst aan de Algemene Groninger Criteria. BALANS TUSSEN INDIVIDUEEL EN ALGEMEEN BELANG Natuurlijk beoogt het welstandsbeleid om zo veel mogelijk aan individuele plannen en aanvragen tegemoet te komen. De criteria in de nota geven een richting aan: ze zijn geformuleerd als hulpmiddelen om aanvragen een bepaalde basiskwaliteit te geven, passend bij de omgeving waarin ze worden gebouwd – ze zijn geformuleerd kortom, om aanvragen tot op het niveau van redelijke eisen van welstand te brengen. Boven dit niveau van redelijkheid uitstijgen mag natuurlijk altijd! Tegelijkertijd probeert de gemeente echter het bestaande, unieke karakter van Groningen te behouden en versterken. Zo ontstaat een leefklimaat waarvan iedereen de vruchten kan plukken en draagt de kwaliteit van de stad als geheel bij aan de waarde van individuele projecten. Het welstandsbeleid vertegenwoordigt dus een balans tussen individueel en algemeen belang: het beoogt een stad die meer is dan de som van onze gedeelde, individuele inspanningen. DRIE VAKKUNDIGE BASISCRITERIA: CONTEXT, GEBOUW EN UITWERKING De basis van de Groninger welstandsnota wordt gevormd door drie Algemene Groninger Criteria: vakkundige richtlijnen die gezamenlijk het algemene denkkader voor de beoordeling van aanvragen vormen. De Algemene Groninger Criteria liggen dus ten grondslag aan elke planbeoordeling. Ze worden bij verschil van mening gehanteerd als ultieme argumentatiebron. Ze ‘bevragen’ bouwplannen op drie schaalniveaus, van groot naar klein:
(3)ondersteunt de wijze waarop het bouwwerk is gemaakt het beoogde ontwerpidee (materiaalgebruik en detaillering)? SAMENHANGEND ONTWERPIDEE Kort samengevat bestaat een kwaliteitsvolle omgeving volgens de Algemene Groninger Criteria uit samenhangende ruimtes en nooit uit losse elementen zonder onderling verband. Een bouwplan wordt daarom getoetst op de eenduidigheid, structuur en logica van het ontwerpidee van de aanvraag zelf, alsook op de relatie van het plan met de omgeving en de te verwachten ontwikkeling daarvan. Aanvragen dienen helder en logisch volgens dit ontwerpidee te worden uitgewerkt: materiaalgebruik, kleur en detaillering moeten het ontwerp ondersteunen. De Algemene Groninger Criteria hebben een algemeen karakter, maar vormen als het ware de ‘kapstok’ voor de beoordeling van aanvragen. Ze staan voor globale, meer alomvattende ontwerpprincipes, die bijdragen aan de basiskwaliteit van de bebouwing. De algemene criteria worden vooral toegepast bij belangrijke, publieke en ingrijpende bouwplannen, als de zorgvuldige inpassing van een plan in de omgeving tot een complexe architectonische ontwerpopgave leidt. EENVOUDIGE BASIS, BIJZONDERE AFWIJKING – VAN LEGENDA TOT SNELTOETS Hoewel de algemene criteria ruim en abstract van karakter zijn, is het basisidee van het welstandsbeleid in Groningen eigenlijk heel helder en eenvoudig: past een bouwplan goed bij de omgeving waarin het wordt gerealiseerd en gaat het bouwwerk op in de omringende bebouwing? Dan is het al snel goed! De criteria geven een richting aan die er vooral op uit is de kwaliteit van de bestaande situatie te handhaven of verbeteren. Aanvragen die dus overtuigend aansluiten op de ruimtelijke context, voldoen dan al snel aan redelijke eisen van welstand. Echter, de omgeving van een bouwwerk verschilt van plek tot plek: de historische binnenstad heeft bijvoorbeeld een ander karakter en andere kenmerkende kwaliteiten dan een nieuwbouwwijk aan de rand van de stad. ‘Goed aansluiten op de ruimtelijke context’ betekent dus in principe voor elke aanvraag iets anders. DE LEGENDA IS SPECIFIEK Om het principe van ‘bouwen in de context’ te verhelderen is een legenda van gebieden en bouwperiodes opgesteld, bestaand uit gebiedsgerichte criteria (3.1), beschermde stadsgezichten (3.2) en beeldkwaliteitsplannen (3.3). Ook zijn er voor verschillende typen veelvoorkomende kleine ingrepen sneltoetscriteria opgesteld, die de basisprincipes van het welstandsbeleid begrijpelijker en inzichtelijker maken. Naast de Algemene Groninger Criteria bestaat de nota dus uit criteria die specifiek ingaan op verschillende gebieden en typen aanvragen – criteria die de uitgangspunten van de Algemene Groninger Criteria naar specifieke gebieden en ingrepen vertalen. Ze dienen als hulpmiddelen, om aan te geven wanneer aanvragen in elk geval goed passen bij de omgeving waarin ze worden gerealiseerd en op basis van het welstandsbeleid derhalve geen bezwaar opleveren. DE GEBIEDEN OP DE WELSTANDSKAART De welstandskaart (Deel 3) toont de verschillende gebieden zoals die op basis van het welstandsbeleid zijn onderscheiden. Hoewel de welstandskaart een geografische indeling heeft, worden de gebieden grotendeels bepaald door het tijdperk waarin ze zijn ontstaan. De stad is zodoende een ‘lappendeken’ van gebiedsgerichte criteria. Door het gebruik van verschillende kleuren voor bouwperiodes zijn er duidelijk ruimtelijke eenheden in de kaart te herkennen. Toch heeft praktisch elke wijk of buurt een ‘gemengde’ legenda – vooral omdat de gebouwen van deze gebieden in verschillende periodes zijn ontstaan en daarmee verschillende architectuurstijlen vertegenwoordigen, of omdat ze verschillende functies hebben (en dus verschillende criteria behoeven voor de welstandstoets). Maar waar het om gaat is dat de gebieden van de gebiedsgerichte criteria een herkenbare groep bebouwing vertegenwoordigen, bijvoorbeeld omdat er een bepaald type huizen uit een bepaalde periode staat, of omdat het merendeel van de bebouwing uit bedrijfspanden bestaat. Elk gebied en elke bouwperiode heeft dus specifieke kenmerken en een eigen identiteit. De gebiedsgerichte criteria zijn gebaseerd op deze gedetailleerde kenmerken. Ze bestaan uit richtlijnen op de drie schaalniveaus van de Algemene Groninger Criteria (context, gebouw en uitwerking), aangevuld met beschrijvingen en verbeeldingen van de stedenbouwkundige en architectonische kenmerken van elk gebied. AFWIJKEN TOT OP GROTE HOOGTE Binnen de legenda van de stad nemen de beschermde stadsgezichten en beeldkwaliteitsplannen een bijzondere plaats in. Bij de eerste zijn de bestaande kenmerkende kwaliteiten van de omgeving zo specifiek en van een dusdanig niveau dat ze van algemeen belang worden geacht en wettelijk zijn beschermd. Bij beeldkwaliteitsplannen geldt daarentegen niet de bestaande maar juist de gewenste toekomstige situatie als vertrekpunt van de welstandstoets. Nog specifieker dan de beschermde stadsgezichten en de beeldkwaliteitsplannen zijn echter de criteria die zijn opgesteld voor veelvoorkomende, kleine ingrepen: de sneltoetscriteria. De sneltoetscriteria vormen concrete richtlijnen waaruit blijkt welke aanvragen in elk geval kunnen voldoen aan redelijke eisen van welstand en op basis van het welstandsbeleid geen bezwaar opleveren. Maar hoe specifiek de criteria ook zijn, allemaal zijn ze ter ondersteuning van de Algemene Groninger Criteria opgesteld: ze moeten het principe van ‘bouwen in de context’ bevorderen. Met afwijkende aanvragen uitstijgen boven de basis van deze gebiedsgerichte en sneltoetscriteria mag altijd, zolang de Algemene Groninger Criteria worden gerespecteerd. Ook van architectonisch bijzondere projecten die hun context overstijgen mag immers worden verwacht dat ze de omgeving niet ontkennen. WELSTAND EN HANDHAVING De gemeente ziet er natuurlijk op toe dat het welstandsbeleid conform de welstandsnota wordt nageleefd en gehandhaafd. Als er onterecht zonder vergunning is gebouwd of als er tijdens de uitvoering in afwijking van de vergunning wordt gebouwd, gebeurt dit in de vorm van ‘toetsing achteraf’, of met behulp van de repressieve criteria van de excessenregeling. De excessenregeling is van toepassing op bouwwerken die ernstig in strijd zijn met redelijke eisen van welstand. Dat is het geval wanneer iedereen kan zien dat het uiterlijk of de positie van een bouwwerk buitensporig afwijkt van de omgeving en grote afbreuk doet aan de ruimtelijke samenhang, kwaliteit en eigenheid van een plek. De regeling geldt ook voor (varende) bouwwerken die, bijvoorbeeld door gebrekkig onderhoud, ernstig verwaarloosd en vervallen zijn. De repressieve criteria bestaan uit een reeks richtlijnen die de absolute ondergrens van redelijke eisen van welstand vormt. EEN SOEPELE AFHANDELING Voor het aanvragen van een omgevingsvergunning zijn indieningsvereisten vastgelegd. Goede ruimtelijke analyses en een zorgvuldige verbeelding van het ontwerp in relatie tot de omgeving vormen daarbij een wezenlijk onderdeel van de welstandstoets. In de welstandsnota staan criteria waaraan aanvragen moeten voldoen om positief beoordeeld te kunnen worden. Aanvragers zijn verantwoordelijk voor de kwaliteit van zowel het ontwerp als de verbeelding van het ontwerp en de toelichting daarop. Het is aan aanvragers om te laten zien dat een plan aan de criteria en dus aan redelijke eisen van welstand voldoet. Om een overtuigend ontwerpidee te verbeelden en onderbouwen kunnen onder andere schetsen, tekeningen, 3D-visualisaties, fotomontages, maquettes en uitgewerkte details worden gebruikt. Hoe zorgvuldiger de indiening, hoe soepeler doorgaans de afhandeling. DEEL2.BASIS DE ALGEMENE GRONINGER CRITERIA De drie Algemene Groninger Criteria zijn vakkundige richtlijnen die gezamenlijk het algemene denkkader van de welstandsnota vormen. De Algemene Groninger Criteria liggen aldus ten grondslag aan elke planbeoordeling en worden dan ook, bij verschil van mening, gehanteerd als ultieme bron van argumentatie. De Algemene Groninger Criteria zorgen voor een toets op drie schaalniveaus: context, gebouw en uitwerking. Kort samengevat bestaat een kwaliteitsvolle omgeving volgens de Algemene Groninger Criteria uit samenhangende ruimtes en nooit uit losse elementen zonder onderling verband. Aan bouwwerken moet een overtuigend ontwerpidee ten grondslag liggen, passend bij het ontwerp-vraagstuk en de omgeving. Een bouwplan wordt daarom getoetst op de eenduidigheid, structuur en logica van het ontwerpidee van de aanvraag zelf, alsook op de relatie van het plan met de omgeving en de te verwachten ontwikkeling daarvan. Aanvragen dienen helder en logisch volgens dit ontwerpidee te worden uitgewerkt: materiaalgebruik, kleur en detaillering moeten het ontwerp ondersteunen. CRITERIUM 1 BOUWWERKEN HEBBEN EEN OVERTUIGEND ONTWERPIDEE EN LEVEREN EEN POSITIEVE BIJDRAGE AAN DE RUIMTELIJKE KWALITEIT VAN DE OMGEVING (EN DE TE VERWACHTEN ONTWIKKELING DAARVAN). Bouwvolumes vormen met hun gevels de wanden van de openbare ruimte en leveren daarmee een essentiële bijdrage aan de kwaliteit van de gebouwde omgeving. Naarmate de openbare betekenis van een bouwwerk of een plek groter is, worden daarom hogere eisen gesteld aan de kwaliteit van de bebouwing. Een kwaliteitsvolle omgeving bestaat uit samenhangende ruimtes – ruimtes die een overtuigende relatie met elkaar aangaan en die nooit zijn opgebouwd uit een opeenvolging van losse elementen zonder onderling verband. Van elk gebouw, ook van een gebouw dat contrasteert met de omgeving, mag worden verwacht dat het zorgvuldig is ontworpen, dat het een helder, geloofwaardig ontwerpidee heeft en dat het de omgeving niet ontkent. Als een gebouw of ingreep bovendien contrasteert met de omgeving, dient het op alle schaalniveaus (context, gebouw en uitwerking) van buitengewoon hoge architectonische kwaliteit te zijn. CRITERIUM 2 DE SCHAAL EN SCHAALBELEVING VAN EEN BOUWWERK PASSEN BIJ HET ONTWERP- VRAAGSTUK EN BIJ DE OMGEVING WAARIN HET WORDT GEREALISEERD. ALS ER BINNEN EEN BESTAANDE (MONUMENTALE) CONTEXT WORDT GEBOUWD, BESTAAT ER EEN DUIDELIJK IDEE OVER DE RELATIE TUSSEN HET ONTWERP EN DE OMGEVING. Bouwwerken beschikken over een beheerst, weloverwogen en samenhangend stelsel van maatverhoudingen. De afmetingen en verhoudingen van de verschillende gevelonderdelen vormen samen een doeltreffende gevel- en gebouwcompositie, ze sluiten aan op de schaal en schaalverhoudingen van de ruimtelijke context. De compositie van het ontwerp wordt getoetst op de eenduidigheid, de structuur en de logica van het concept binnen de context van de bestaande en de te verwachten situatie. Het ontwerp van de gevel past bij het ontwerp-vraagstuk en legt zodoende een relatie met het gebruik van het bouwwerk. De gevelcompositie representeert kortom de functie (of functieverandering) van het bouwwerk. CRITERIUM 3 BOUWWERKEN ZIJN IN ARCHITECTUURSTIJL, VORM, MAATVERHOUDINGEN, MATERIALISATIE EN DETAILLERING CONSEQUENT UITGEVOERD. MATERIAALGEBRUIK, TEXTUUR, KLEUR EN LICHTWERKING ZIJN OPRECHT, ZE ONDERSTEUNEN HET KARAKTER VAN HET BOUWWERK EN ZIJN IN OVEREENSTEMMING MET HET ONTWERPIDEE. Verwijzingen naar stijlen en associaties met bepaalde bouwperiodes, gebouwtypen en architectuurprincipes worden consequent, bewust en zorgvuldig toegepast. Bij welstandstoetsing wordt gekeken naar de architectonische kwaliteit als uitgangspunt van vormgeving. Ontwerpen is een proces, waarin verschillende ontwerponderdelen samen leiden tot het definitieve plan. Als voorwaarde stelt de welstandsnota dat elk onderdeel mede op grond van vormgeving wordt bestudeerd. Een materiaal wordt bijvoorbeeld nooit alleen vanwege bouwfysische aspecten geaccepteerd, of een massa alleen vanwege programmatische eisen. De uitwerking en detaillering van een ontwerp moeten helder en logisch zijn en het gebouwconcept ondersteunen. DEEL3.VERDIEPING DE LEGENDA VAN DE STAD De legenda van de stad bestaat uit drie groepen criteria, gebaseerd op verschillende gebieden en bouwperiodes: de gebiedsgerichtecriteria, de criteria voor beschermde stadsgezichten en die voor beeldkwaliteitsplannen. De gebiedsgerichte criteria vormen de grondslag van de legenda van de stad. Heel Groningen is verdeeld in negen gebieden met gebiedsgerichte criteria: van de historische binnenstad tot de meest recente uitbreidingswijken, bedrijventerreinen en zelfs het groen in de gemeente. Een aantal deelgebieden van deze legenda is aangewezen als beschermd stadsgezicht: (onderdelen van) buurten of wijken waarvan de kenmerken zo specifiek en van zo’n hoog niveau zijn dat het stadsbeeld als geheel (en dus niet alleen de bebouwing) beschermd is. Ten opzichte van de negen gebieden voor gebiedsgerichte criteria vormen de beschermde stadsgezichten kortom een nog explicietere omschrijving van de context, waarmee het ‘bouwen in de context’ nog gerichter en belangrijker wordt. Tenslotte zijn voor een aantal deelgebieden beeldkwaliteitsplannen opgesteld. In tegenstelling tot de gebiedsgerichte criteria en de beschermde stadsgezichten zijn beeldkwaliteitsplannen niet gebaseerd op een bestaande situatie, maar op een gewenste toekomstige situatie. DEEL3.1GEBIEDSGERICHTE CRITERIA DE GEBIEDSGERICHTE CRITERIA ZIJN GEFORMULEERD OP BASIS VAN NEGEN GEBIEDEN. HET GROOTSTE DEEL VAN DE NEGEN GEBIEDEN VERTEGENWOORDIGT OPEENVOLGENDE BOUWPERIODES, WAARVAN DE BEBOUWING OP HOOFDLIJNEN GELIJKENIS VERTOONT. TWEE GEBIEDEN ZIJN GEBASEERD OP EEN FUNCTIONELE INDELING, OMDAT DEZE EEN WEZENLIJK ANDER KARAKTER HEBBEN DAN DE REST VAN DE STAD: BEDRIJVENTERREINEN EN GROEN. Natuurlijk is het zo dat de bebouwing in het ene gebied meer onderlinge overeenkomsten vertoont dan bebouwing in het andere. Vooral de gebieden die vóór de twintigste eeuw zijn ontstaan laten een divers bebouwingsbeeld zien. Toch vertonen ook deze gebieden een duidelijke karakteristiek, waarmee het mogelijk is om criteria te formuleren die het bouwen in de context vergemakkelijkt. Net zoals bij de sneltoetscriteria geldt voor de gebiedsgerichte criteria dat ze zijn opgesteld als hulpmiddelen voor de welstandstoets. Voldoet een aanvraag aan de gebiedsgerichte criteria? Dan past het bouwplan bij de omgeving waarin het wordt gebouwd en is het al snel goed. De criteria vormen richtlijnen die duidelijk maken in welke gevallen aanvragen in elk geval voldoen aan redelijke eisen van welstand. Hoe recenter een wijk gebouwd is, hoe homogener die vaak is en hoe eenduidiger de criteria uiteraard zijn. Elke wijk of buurt bestaat echter uit meerdere gebieden. De plattegrond van Groningen heeft zich tot een lappendeken gevormd omdat de stad zich voortdurend blijft ontwikkelen en bebouwing uit verschillende periodes vaak verschillende karakteristieken en kenmerken heeft. Daarom zijn voor elk gebied de stedenbouwkundige en architectonische kenmerken nauwkeurig beschreven en verbeeld, zodat duidelijk wordt wat het karakter van een wijk, buurt of deelgebied is. Het karakter van de wijk en de specifieke kenmerken van de architectuur vormen daarmee het vertrekpunt voor het bouwen in de context. Maar bebouwing slijt en kan door achterstallig onderhoud de omgeving negatief beïnvloeden. In het verleden gerealiseerde bouwwerken kunnen bovendien inmiddels als onwenselijk worden beschouwd of niet meer passen bij huidig beleid. We gebruiken daarom niet de bestaande situatie van de bebouwing als uitgangspunt, maar de kwaliteit van de karakteristiek die aan de bebouwing ten grondslag ligt. De bijbehorende criteria zijn op basis van de beschrijvingen en verbeeldingen van deze karakteristiek opgesteld en volgen de drie schaalniveaus van de Algemener Groninger Criteria: context, gebouw en uitwerking. GEBIEDSGERICHTE CRITERIA
- HISTORISCHE BINNENSTAD Het unieke karakter van de historische binnenstad heeft directe gevolgen voor de welstandstoets. De bebouwing is hier zo divers en de ruimtelijke verhoudingen zijn dermate gelaagd dat er voor het centrum nauwelijks een ‘algemene beschrijving’ te geven is, waaruit eenvoudig criteria te destilleren zijn. Er zijn daarvoor te weinig (of juist te veel) gemene delers. Daar komt bij dat het gehele stadscentrum vanwege haar grote cultuurhistorische waarde de status van beschermd stadsgezicht heeft, wat de bijzondere positie vergroot. Het centrum wordt gekenmerkt door een historische, gelaagde ruimtelijke structuur en kent een grote dynamiek, zowel door de eeuwen heen als in eigentijdse ontwikkelingen. Gevolg hiervan is een subtiele balans tussen contrasten en overeenkomsten, zowel in schaal, vorm, volume, geleding en textuur als in kleur. Voor de binnenstad is daarom een uitgebreid welstandskader opgesteld, dat recht doet aan de verscheidenheid en ruimtelijke gelaagdheid van de bebouwing. Hier wordt volstaan met een beschrijving van de hoofdlijnen ervan en met een opsomming van de gebiedsgerichte criteria, zoals die ook bij de overige gebieden van de legenda van de stad is gegeven. Naast het welstandskader voor de binnenstad geldt natuurlijk ook de toelichtende beschrijving van het beschermd stadsgezicht van de binnenstad als typering en uitgebreide omschrijving van zowel de ruimtelijke structuur als het bebouwingsbeeld. In hoofdstuk 3.2 zijn samenvattingen gemaakt van de toelichting op de acht beschermde stadsgezichten die Groningen rijk is. De gebiedsgerichte criteria voor de binnenstad richten zich in principe op drie basiskenmerken: de relatie van het bouwwerk met de historisch gegroeide, fijnmazige verkaveling en met de positie ervan in de stedenbouwkundige structuur; de relatie van het bouwwerk, zowel in compositie als materiaalgebruik, met de schaal van het gebied; en ten slotte een kwalitatief hoogwaardige en toekomstbestendige materiaaltoepassing en detaillering van het bouwwerk. De sterk samenhangende en fijnmazige structuur van de binnenstad zorgt voor een heel specifieke ruimtelijke context. Typerend voor de structuur is dat deze per pand is ontstaan en een grote diversiteit aan architectuur en architectuurstijlen laat zien. Zo helder en krachtig de middeleeuwse structuur is, zo uiteenlopend is de bebouwing in deze structuur. De overwegend fijnmazige verkavelingsstructuur van de binnenstad zorgt nog altijd voor de belangrijkste ruimtelijke kenmerken, terwijl de ontwikkeling van deze structuur per individueel pand het gevarieerde bebouwingsbeeld oplevert. Verschillen in kavelbreedte en bebouwingshoogte zorgen ervoor dat de oorspronkelijke structuur van de binnenstad goed te ervaren is. De differentiatie van de structuur draagt bij aan de verschillende karakteristieken per straat. De historisch gegroeide ruimtelijke structuur van de binnenstad vormt kortom de basis voor nieuwe ontwikkelingen. Tot de periode van de industriële revolutie was de bebouwing overwegend kleinschalig van karakter. Ontwikkelingen in materiaal en constructie zorgden vanaf het einde van de negentiende eeuw voor nieuwe mogelijkheden in de architectuur. Niet alleen de uitstraling van de bebouwing veranderde, ook het type bebouwing en de schaal ervan. Er ontstonden nieuwe functies met nieuwe soorten gebouwen in de binnenstad. De schaal en compositie van nieuwe bebouwing moet in overeenstemming met de historische structuur van de binnenstad worden gebracht. In de binnenstad dient zorgvuldig te worden omgegaan met de schaal en compositie van de bebouwing, de gevel en de kapvorm, zoals die in de straat aanwezig zijn. Maar ook de keuze van het materiaal, de toepassing ervan en de kleur moeten zorgvuldig op de context worden afgestemd. Hetzelfde geldt voor de detaillering. Daarnaast vormt een goede relatie tot de openbare ruimte een wezenlijk onderdeel van bebouwing in de binnenstad. De bebouwing in de binnenstad is hoogwaardig. Het spreekt vanzelf dat nieuwe bebouwing eveneens kwalitatief hoogwaardig moet zijn, passend bij de bestaande ruimtelijke kwaliteit en bestand tegen de tand des tijds. CRITERIA CONTEXT Bouwwerken gaan zorgvuldig om met de historisch gegroeide, fijnmazige en gedifferentieerde verkaveling, alsook met hun positie in de stedenbouwkundige (historisch-ruimtelijke) structuur. GEBOUW Bouwwerken gaan zorgvuldig om met schaal, compositie en materiaal; bouwwerken gaan zorgvuldig om met de schaal en compositie van gevels en kapvormen, overeenkomstig de gevels en kapvormen in de straat; bouwwerken staan op een overtuigende wijze op de grond; bouwinitiatieven maken een motiveerbare keuze tussen contrast en overeenkomst en zijn binnen het gekozen ontwerp-concept consequent en overtuigend uitgewerkt. UITWERKING Bouwwerken gaan zorgvuldig omgaan met materiaaltoepassing, kleur en detaillering; materiaalgebruik, detaillering en ornamentiek ondersteunen het ontwerp, zijn verfijnd en ondergeschikt aan de hoofdvorm; divers materiaalgebruik wordt nauwkeurig op elkaar afgestemd; afwijkend kleurgebruik is mogelijk, mits passend binnen het kleurenscala van ontwerp en context. Zie voor een uitvoerige beschrijving en karakterisering van de binnenstad de bijlage Welstandskader Binnenstad Groningen (groningen.nl/welstandsnota). GEBIEDSGERICHTE CRITERIA
- HISTORISCHE FRAGMENTEN Naast het stadscentrum kent vrijwel iedere grote stad diverse historische fragmenten die stammen uit de periode vóór de moderne stadsuitleg: lintbebouwing, kleine nederzettingen die oorspronkelijk buiten de stadsmuren lagen of oude dorpskernen die uiteindelijk door de uitdijende stad zijn ‘opgeslokt’. In structuur en vorm wijken deze linten en kernen vaak af van de omringende, moderne stadsstructuur. BEBOUWING IN LINTEN Linten zijn lange lineaire structuren waarlangs bebouwing is geplaatst. De lineaire structuur is altijd infrastructureel van aard en treedt op als een continu, ruimtelijk bindend element voor de aangelegen functies. Soms is dit een (uitvals)weg, in andere gevallen een dijk, een kanaal of een combinatie van weg en water. Linten zijn vaak aan beide zijden bebouwd, maar in sommige gevallen kan de bebouwing zich ook concentreren op één specifieke zijde. Historische lintbebouwing heeft zich altijd organisch en dus niet planmatig ontwikkeld. Diverse linten in de gemeente Groningen dragen een sterk landelijk en informeel karakter. Ze worden gekenmerkt door een rafelige rand van vrijstaande bebouwing, meestal bestaande uit boerderijen en landarbeiderswoningen. De kavels zijn relatief groot, wat zorgt voor een open structuur en zicht op het achterliggende (landelijke) gebied. De straten zijn niet tot nauwelijks geprofileerd en de overgangen tussen openbaar en privé zijn vaak onduidelijk. De bebouwing is individueel en objectgericht en kan in schaal en vormentaal sterk verschillen. Wel overheerst de traditionele, ambachtelijke verschijningsvorm. Latere invullingen kunnen hier (sterk) van afwijken, al blijven de structuur en het karakter van het lint vaak goed behouden door een zorgvuldige positionering en objectgerichte vormgeving. Nieuwbouw hoeft dus geen afbreuk te doen aan het historische, organisch gegroeide karakter van de linten. Stedelijke linten zijn aanzienlijk minder rafelig van structuur dan landelijke, maar doorgaans goed te herkennen door het onderscheid met omringende bebouwing en stedelijke structuren. Over het algemeen kan worden gesteld dat hun collectieve kwaliteit voortkomt uit een optelsom van individuele kwaliteiten. De staten zijn geprofileerd, de bebouwing is aaneengesloten en sluit meestal direct aan op de rooilijn. Voortuinen zijn daarmee zeldzaam. De realisatieperiode van de bebouwing in stedelijke linten wisselt sterk. In de loop der tijd is veel gesloopt en gebouwd, wat leidt tot een zeer gevarieerd architectonisch beeld. Hier en daar zijn (vroege) planmatige invullingen zichtbaar die een grotere architectonische eenheid vertonen dan de rest van de lintbebouwing. Kleinschalige (arbeiders)woningen en schippershuisjes worden afgewisseld met grotere invullingen, maar ook met winkels en (voormalige) bedrijfs- of industriebebouwing. De nadruk ligt op de individuele uiting. De gevels zijn merendeels verticaal geleed. Naast de diversiteit in vorm en architectuur wisselen ook de bebouwingshoogte en de kavelbreedte sterk. Openbare ruimte is zeldzaam. Stedelijke linten vertonen daarmee grote overeenkomsten met de niet-planmatige bebouwing. BEBOUWING IN KERNEN Vrijwel alle kernen hebben een gesloten karakter en kennen een duidelijk aanwijsbaar middelpunt: een centraal geplaatste kerk, een brink of een kruispunt van wegen. Hoe klein ook, ze bestaan altijd uit een vrij complex samenstel van wegen of straten. De opbouw van een kern is duidelijk het gevolg van organische groei en kan concentrisch zijn, of neigingen daartoe vertonen. Kernen zijn overwegend dichter bebouwd dan een lint, zeker in vergelijking tot de landelijke linten. Net als de stedelijke linten voegen bouwinitiatieven in kernen zich naar de rooilijn. Bij de aanwezigheid van voortuinen speelt de erfafscheiding een belangrijke rol. Hierdoor ontstaat een duidelijk onderscheid tussen openbaar en privé. De kernen vertonen wat bebouwing betreft veel overeenkomsten met de niet-planmatige uitbreidingen en de gevarieerde bebouwing in het stadscentrum, al is de schaal aanmerkelijk kleiner. CRITERIA CONTEXT In linten laten bouwinitiatieven de onbebouwde ruimte tussen de hoofdmassa’s intact; in kernen leveren bouwinitiatieven een bijdrage aan het gesloten bebouwingsbeeld; bouwinitiatieven vormen op architectonisch vlak een duidelijke toevoeging aan de diversiteit van de context; een afwijkende vormentaal gaat niet ten koste van de oorspronkelijke hiërarchie en karakteristiek van het gebied. GEBOUW Nieuwbouw heeft een compacte, eenduidige hoofdvorm; bouwinitiatieven maken een motiveerbare keuze tussen contrast en overeenkomst en zijn binnen het gekozen ontwerp-concept consequent en overtuigend uitgewerkt; de voorgevel is representatief, gericht op de straat of een andere belangrijke ontsluiting (bijvoorbeeld water); vooral in landelijke linten kent de voorgevel een kenmerkende individuele vormgeving; dichte gevels aan de straatkant(en) zijn ongewenst; de gevelopbouw is consequent en goed van verhouding; bij enkelvoudige bouwwerken en kleine ensembles sluit de gevelgeleding (horizontaliteit, verticaliteit) aan op die van de omliggende bebouwing. UITWERKING Details en ornamentiek ondersteunen het ontwerp, zijn verfijnd en ondergeschikt aan de hoofdvorm; divers materiaalgebruik wordt nauwkeurig op elkaar afgestemd; afwijkend kleurgebruik is mogelijk, mits passend binnen het kleurenscala van ontwerp en context. GEBIEDSGERICHTE CRITERIA
- ORGANISCH ONTWIKKELDE UITBREIDINGEN UIT DE TWEEDE HELFT VAN DE NEGENTIENDE EEUW STEDENBOUWKUNDIGE KENMERKEN De stedenbouwkundige structuur van de niet-planmatige stadsuitbreidingen lijkt sterk op die van de binnenstad en is een duidelijk gevolg van organische groei. Bebouwing is er in diverse soorten en maten en haakt aan op pre-urbane sloten, kaden en wegen. Rechte en gebogen straten wisselen elkaar af. Ze zijn fragmentarisch ingevuld door particulieren, investeerders en bouwbedrijven. De rooilijn zorgt voor enige eenheid. Wat verkaveling betreft overheerst het gesloten bouwblok. De perceelbreedte binnen het blok varieert. De structuur van de bebouwing vormt zich naar de loop van de infrastructuur. Hoewel sommige straten op één hoogte zijn gerealiseerd, kan de bebouwingshoogte ook sterk wisselen: van enkellaagse bebouwing tot twee- en drielaagse bebouwing, al dan niet met een duidelijke kap. Onderling verspringen de daklijnen sterk. Het merendeel van de woningen is snel en goedkoop gerealiseerd. Deze projectmatige ensembles van minimaal twee of meer panden worden afgewisseld met individuele uitingen. Hoewel de woonbebouwing overheerst, is hier en daar ruimte voor afwijkende functies en bebouwing: kerken, scholen, bedrijfs- of winkelpanden. De laatste categorie bevindt zich hoofdzakelijk op hoeken en langs doorgaande straten. De openbare ruimte is kleinschalig. De bebouwing grenst direct aan de relatief smalle straten. Voortuinen zijn zeldzaam en komen eigenlijk alleen voor bij de duurdere woonhuizen, die zich bevinden langs prominentere staten met meer groen. Deze kennen aanzienlijk meer aandacht voor architectuur en detaillering. ARCHITECTONISCHE KENMERKEN De projectmatig ontwikkelde ensembles vertonen een hoge mate van architectonische eenheid. De ornamentiek kan per pand kleine verschillen vertonen, afhankelijk van de positie in het ensemble. Los van de ensembles is overwegend sprake van een grote architectonische diversiteit. Traditionele en ambachtelijke bebouwing wordt afgewisseld met eclectische en neo-renaissancistische bouwstijlen. Ook zijn aan de Amsterdamse School gerelateerde overgangsstijlen en bouwstijlen terug te vinden. Deze invullingen zijn van latere data en hebben zich gevoegd binnen de organisch gegroeide structuur. Op plekken waar duurdere woningen overheersen, is veelal sprake van een toename van de architectonische diversiteit. De opbouw van de gevels komt grotendeels overeen met die van de binnenstad. De geleding is klassiek: plint, middeldeel, gevelbeëindiging. De gevelverhoudingen kenmerken zich per pand meestal door een verticale geleding. De plasticiteit van de gevels komt voort uit portieken, erkers, balkons, loggia’s en dakkapellen. Over het algemeen geldt: hoe minder plasticiteit, hoe goedkoper de oorspronkelijke bouw. Hoekwoningen worden soms verbijzonderd als afsluiting van het bouwblok. Ornamenten bevinden zich boven de entrees en de raampartijen. VROEGE INVULLINGEN VAN HET PLAN MULOCK HOUWER De Schildersbuurt en delen van de Zeeheldenbuurt, maar ook de overgang van de Plantsoenbuurt in de Oranjebuurt en het begin van de Korrewegwijk nemen binnen de organisch gegroeide uitbreidingen een bijzondere plaats in. Dit is enerzijds het gevolg van de ontmoeting tussen niet-planmatige en planmatige woningbouw, anderzijds van de vroege, kavelgewijze invulling van Mulock Houwer’s Plan van Uitleg
(1906). Mulock Houwer nam de niet-planmatige ontwikkeling in de Schildersbuurt en de Zeeheldenbuurt op in zijn eerste Groninger uitbreidingsplan. In feite vormen deze gebieden de overgang van de organisch ontwikkelde uitbreidingen naar de vroege planmatige uitbreidingen, waardoor een bijzondere mix is ontstaan van planmatig opgezette woonblokken en individuele bebouwing op basis van een planmatig stratenpatroon. Soms is een enkel bouwblok opgebouwd uit zowel organisch en individueel ontwikkelde bebouwing als meer planmatige woonbebouwing; de scheiding van deze in essentie verschillende vormen van stedelijke uitbreidingen loopt dan dwars door het bouwblok. Ook zijn er blokken die zijn opgebouwd als een ‘lappendeken’ van individuele en kleinschalig planmatige woonbebouwing. Vooral de Schildersbuurt is op dit gebied exemplarisch. Hier stamt het merendeel van de bebouwing aan de Westersingel, de Nieuwe Blekerstraat, de Kraneweg en de Leeuwarderstraat, maar ook de lineaire bebouwing aan de A-weg en het Hoendiep uit de periode van vóór 1906. De straten zijn ingevuld door particulieren, bouwbedrijven en investeerders en sluiten daarmee qua karakter aan bij de organisch ontwikkelde uitbreidingen. Ook de Herman Colleniusstraat en de Taco Mesdagstraat kennen bebouwing uit de periode voor 1906. Latere invullingen voegen zich binnen de door Mulock Houwer geschetste bouwblokken. Er is hier sprake van een bovengemiddeld planmatig aangebrachte samenhang tussen architectuur, stedenbouw en openbare ruimte. De hoogte van de bebouwing is opgeschroefd naar drie of meer bouwlagen en vertoont een grotere eenheid dan de bebouwing uit de voorgaande periodes. De straten zijn breder en ‘rechtgetrokken’, en is er via de aanleg van pleinen en beplanting relatief veel aandacht voor de openbare ruimte. Veel straten hebben allure of een grote potentie daartoe. Deze kenmerkende eigenschappen horen bij 4. Vroege planmatige stedelijke uitbreidingen en worden in het volgende hoofdstuk beschreven. Typerende horizontaal gelede gevels met duidelijke architectonische eenheid zijn relatief zeldzaam in de Schildersbuurt. De bebouwing is divers en kent een grote verscheidenheid in architectuur, vorm en decoratie: Jugendstil, traditionele architectuur, neogotiek en architectuur in de geest van Berlage. Het merendeel van de woningen kent een verticale geleding en benadrukt daarmee de individualiteit, echter wel binnen de kaders van het gesloten bouwblok. De relatief zeldzame horizontaal gelede straatgevels stammen uit de jaren twintig en sluiten stilistisch aan bij de verstrakte Amsterdamse School-stijl, die zo typerend is voor de stad Groningen. RUIMTELIJKE DYNAMIEK In de jaren tachtig en negentig van de twintigste eeuw zijn op verschillende locaties nieuwe invullingen ontstaan, ofwel ter vervanging ofwel op de plek van voormalige bedrijfs- of industriebebouwing. Deze stadsvernieuwingslocaties (circa 1983-1992) komen in karakteristiek sterk overeen met de late voorbeelden uit 6. Planmatige woonerfwijken uit het laatste kwart van de twintigste eeuw en de vroege voorbeelden uit 7. Recente uitbreidingen van en grootschalige transformaties in de stad. Tegelijkertijd sluiten ze vaak erg goed aan op de bestaande stedenbouwkundige structuur. De meest recente invullingen in de Schildersbuurt stammen uit het laatste kwart van de twintigste eeuw. In de jaren zeventig van de twintigste eeuw werd op het terrein van een voormalige houtzagerij een nieuwe woonbuurt aangelegd. De buurt, bestaande uit de Mondriaanstraat en de Rubensstraat, draagt in architectuur en stedenbouw een zelfde ‘herbergzame’ sfeer als de wijken Beijum en Lewenborg en wordt daarom behandeld in de beschrijving van gebied 6. CONTEXT Bouwinitiatieven reageren op de wisselende bebouwingshoogte(
- n)in het gebied; grootschalige initiatieven houden rekening met de schaal van de omgeving en met de structuur van rooilijn, perceelbreedte en bouwhoogte. GEBOUW Nieuwbouw heeft een compacte, eenduidige hoofdvorm; de gevelopbouw is consequent, goed van verhouding en afgestemd op de verhoudingen van de omringende en aangrenzende bebouwing; de voorgevel is representatief en gericht op de straat; dichte gevels aan de straatkant(
- en)zijn ongewenst; de plint gaat een duidelijke, ruimtelijke relatie aan met de straat; bij enkelvoudige bouwwerken en kleine ensembles ligt de nadruk op de verweving tussen horizontale en verticale gevelgeleding; hoekbebouwing krijgt een meer dan gemiddelde aandacht en zoekt naar een architectonische vertaling van de bouwblokbegrenzing. UITWERKING Details en ornamentiek zijn verfijnd en ondergeschikt aan de hoofdvorm (ze ondersteunen het ontwerp); deur- en kozijngeleding en -profilering sluiten aan bij de architectuur; materiaal- en kleurgebruik dissoneert niet. GEBIEDSGERICHTE CRITERIA 4. VROEGE PLANMATIGE STEDELIJKE UITBREIDINGEN UIT DE EERSTE HELFT VAN DE TWINTIGSTE EEUW STEDENBOUWKUNDIGE KENMERKEN Vroege planmatige uitbreidingen kenmerken zich door een esthetische benadering van de stad, waarbij straten, pleinen en groen een sterk samenhangende ruimtelijke compositie vormen. Zichtlijnen zijn een belangrijk ingrediënt. Uitbreidingen hebben een duidelijk stedelijk karakter en kennen een hiërarchische opbouw van hoofdstraten en woonstraten, die vaak ook in bebouwingshoogte indicatief wordt uitgewerkt. Middels een directe relatie tussen beplanting, straatbreedte en gevelhoogte is sprake van grote aandacht voor compositie en straatprofilering. Het gesloten bouwblok vormt de basis van de uitbreidingen. In directe samenspraak met de architectuur van de blokken ‘organiseert’ het de openbare ruimte. Binnen de blokken liggen privé-tuinen of ruimtes voor semi-openbaar gebruik. De overgangen tussen openbaar en privé zijn hard en duidelijk: de gevel vormt de begrenzing, soms voorafgegaan door kleine privé-tuinen waarvan de erfafscheiding in de vorm van beplanting weer deel uitmaakt van het totaalontwerp. Sommige uitbreidingen uit deze periode kennen een apart deel, bestemd voor vrijstaande villabebouwing. De Oranjebuurt, met haar villabebouwing aan de rand van het Noorderplantsoen, is op dat gebied kenmerkend. Wat betreft structuur en architectuur lijkt deze bebouwing sterk op die van de eerste planmatige villawijken die ongeveer gelijktijdig gerealiseerd werden (Helpman). Ook worden deze wijken doorgaans gekenmerkt door een zorgvuldige stedelijke inpassing van bijzondere functies, zoals kerken, scholen en zwembaden, maar ook watertorens. Op een aantal plekken zijn daardoor hoogwaardige architectonische ensembles ontstaan, die nauw samenhangen met de stedenbouwkundige situatie. De meest bijzondere zijn beschreven in de hoofdstukken over de beschermde stadsgezichten. ARCHITECTONISCHE KENMERKEN De architectuur staat in dienst van het stedenbouwkundig beeld. Bouwblokken worden als één geheel ontworpen of zijn opgedeeld in eenduidige clusters. Aan de hoekpunten van de blokken is relatief veel aandacht besteed. Ze zijn verbijzonderd en gedetailleerd binnen de stijl van de rest van de gevel en versterken het karakter van het gehele blok. De architectuur is expressief en kenmerkt zich door een nadruk op horizontale geleding. Veel gevels kennen een klassieke opbouw van plint, middendeel en een in ritmiek afwijkende toplaag. De plint is soms verbijzonderd en uitgevoerd in gesinterde baksteen. De daken zijn plat of hebben de vorm van een lange doorlopende kap, evenwijdig aan de straat. Daklijsten zijn soms verbijzonderd. Herhaling, samenhang en ritmiek bepalen de kwaliteit van de gevel. Lange horizontale rijen van vensters, een doorlopende daklijst en de vorm van kozijnen en ingangspartijen bepalen in sterke mate het straat- en gevelbeeld. Ook balkons of erkers kunnen deel uitmaken van de gevelcompositie. De individuele uiting is daarbij duidelijk ondergeschikt aan het totaal. Vroege planmatig gebouwde ensembles vertonen zowel stedenbouwkundig als architectonisch een hoge mate van eenheid. Vooral de kozijngeleding is bepalend voor het gevelaanzicht en de kwaliteit van het totaal. Het gaat hier zowel om de dikte van de kozijnbalken als de roedenverdeling. Dit gaat ook op voor de entree en de materialisatie en detaillering van de voordeur. Ook het voeg- en metselwerk draagt sterk bij aan de expressiviteit van de architectuur. De vrijstaande villabebouwing toont weliswaar grote stilistische overeenkomsten met de bouwblokken, maar richt zich in eerste instantie op de kwaliteit van het object zelf. CRITERIA CONTEXT Nieuwe bebouwing is zich bewust van het straatbeeld en reageert in schaal, hoogte en vormgeving nadrukkelijk op de belendende en overliggende bebouwing; bouwinitiatieven houden nadrukkelijk rekening met de architectonische en stedenbouwkundige eenheid in het gebied; collectieve visuele kwaliteit gaat boven de individuele uiting. GEBOUW Nieuwbouw binnen een bestaande gevelwand met een duidelijke architectonische eenheid voegt zich naar de buurpanden en ‘heelt’ daarmee het totale gevelbeeld; de gevelopbouw is consequent en ritmisch van aard; balkons, erkers en andere uitspringende gebouwdelen zijn onderdeel van de ritmiek in de gevel; balkons, erkers en andere uitspringende gebouwdelen zijn ondergeschikt aan de hoofdvorm; hoekbebouwing krijgt meer dan gemiddeld aandacht en zoekt naar een architectonische vertaling van de bouwblokbegrenzing. UITWERKING Binnen een ensemble krijgen kozijnvorm en kozijngeleding extra aandacht; entreepartijen, deur- en kozijngeleding sluiten aan bij de architectuur en zijn (mede) bepalend voor de totale gevelgeleding; details en ornamentiek zijn verfijnd, ondergeschikt aan de hoofdvorm en benadrukken de gevelgeleding (ze ondersteunen het ontwerp); materiaalgebruik, kleur en detaillering zijn afgestemd op de context. GEBIEDSGERICHTE CRITERIA 5. STEMPEL- EN STROKENBOUW UIT DE JAREN 1950 – 1970 STEDENBOUWKUNDIGE KENMERKEN Dit gebiedstype betreft planmatige woongebieden met een duidelijke ruimtelijke hiërarchie van hoofdstraten, woonstraten, pleinen en openbaar groen, zowel op buurt- als wijkniveau. Wijken zijn ontworpen als autonoom functionerende eenheden met een eigen wijkcentrum en een grote diversiteit aan woningtypen. Functies en voorzieningen zijn centraal geclusterd, op wijk- en op buurtniveau (kerken, scholen, winkels, sportvelden, bejaardentehuizen). In latere jaren zijn hier en daar wijkoverstijgende voorzieningen toegevoegd. Vanaf de kaart zijn de wijken als autonome ruimtelijk eenheden goed te herkennen. Groene zones, vaak gecombineerd met gericht geplaatste bebouwing, markeren de wijkgrens. De bebouwing is homogeen, eenvoudig en bestaat uit middelhoge hoogbouwstroken met portiek- of galerijontsluiting en tweelaagse eengezins- of bejaardenwoningen met of zonder kap. De stempels en stroken vervangen het bouwblok als structurerend element. Wijkplattegronden laten een herhaling van dezelfde stedenbouwkundige ensembles zien. Sommige wijken (onder andere Corpus den Hoorn, De Wijert, Coendersborg) kennen een ‘gouden rand’ van vrijstaande villabebouwing en grote twee-onder-een-kappers. Variaties in de verkaveling zijn zichtbaar aan de randen en de centrumgebieden: de plekken waar in de oorspronkelijke plannen de buurt- en wijkvoorzieningen werden ondergebracht. Op het niveau van wijk en buurt maakt de afwisseling in bebouwingshoogte deel uit van het totaalconcept. Hier en daar zorgt hoogbouw voor een accent of verbijzondering, vaak bedoeld als markering van een wijk- of buurtcentrum. Hoogbouwaccenten en andere bijzondere bebouwing kunnen ook worden ingezet als een markering van een wijkentree of een centrale (groen)zone. Net als in de voorgaande periode ligt in de naoorlogse stedenbouw een grote nadruk op openbaarheid en collectief gebruik. Met uitzondering van de gouden randjes en de in stroken gerealiseerde eengezinswoningen zijn privé-tuinen relatief zeldzaam. Corpus den Hoorn en Coendersborg nemen vanwege hun hoge percentage grondgebonden woningen een bijzondere positie in: zij kennen een meer dan gemiddeld aantal privé-tuinen. De strook- en stempelbebouwing staat veelal vrij in een groene, openbaar toegankelijke omgeving en is georiënteerd op zon en lichttoetreding. De openbare ruimte is zo ontworpen dat ze een directe en niet te verbreken relatie met de bebouwing aangaat. ARCHITECTONISCHE KENMERKEN In tegenstelling tot veel architectuur uit de voorgaande periode is de gevel niet langer een op zichzelf staand esthetisch geheel. Het achterliggend programma bepaalt in sterke mate het gevelbeeld, zeker in het geval van de gestapelde strokenbouw. Hoewel onderdeel van een groot geheel, zijn de wooneenheden in vrijwel alle gevallen vanuit de gevel afleesbaar. Materialisatie, etagescheidingen, puien, balkons en kozijnen bepalen de geleding. Veel van de stroken kennen een duidelijke plint waarin souterrains zijn opgenomen. Daarboven bevinden zich de gevelvlakken. Veel plinten gaan een duidelijke relatie aan met het maaiveld, bijvoorbeeld in de vorm van bergingen, entrees, grondgebonden woningen op de benedenlaag, bedrijven, garages of doorgangen. Het merendeel van deze programma’s versterkt de kwaliteit van de openbare ruimte. Strokenbouw kent over de volle lengte dezelfde hoogte en wordt aan de kopse kanten over het algemeen begrensd door een blinde muur. De ontsluiting vindt plaats via portieken of galerijen. De naoorlogse wijk haalt zijn architectonische kwaliteit niet zozeer uit het detail, maar uit de doordachte herhaling van gestandaardiseerde elementen. Ritmiek en lijnenspel zijn daarbij essentieel en bepalen voor een belangrijk deel de architectonische kwaliteit. Dit geldt vooral voor de strokenbouw. Van hiërarchie is hier nauwelijks sprake; een gevolg van de gestandaardiseerde woningplattegronden. Architectonische accenten zijn bescheiden of blijven achterwege. Naast de stroken zijn ook de eengezins- en bejaardenwoningen in dit gebiedstype sterk functioneel van opzet. Ze vertonen weinig architectonische diversiteit. Deze is voorbehouden aan de voorzieningen en hoogbouwaccenten. Ook in de gouden randjes zijn hier en daar interessante woningen aan te treffen die zich onttrekken aan het homogene beeld. Een uitzondering op de architectonische homogeniteit vormt de vroege naoorlogse bebouwing, die wat betreft architectuur, detaillering en materiaalgebruik aanmerkelijk rijker is. De integratie van beeldende kunst in het gevelbeeld, bijvoorbeeld als accent boven een portiek, komt hier geregeld voor. Goede voorbeelden zijn de naoorlogse invullingen van het plan Berlage en de wijken Corpus den Hoorn en De Wijert. In latere wijken daalt de aandacht voor de architectonische kwaliteit en wordt bovendien het materiaalgebruik armer als gevolg van de vergaande standaardisatie. Selwerd, Paddepoel en Vinkhuizen zijn wat dat betreft kenmerkend. RUIMTELIJKE DYNAMIEK Vanaf midden jaren 1990 is een groot deel van de naoorlogse wijken vernieuwd. Vooral delen van Vinkhuizen, Paddepoel, Selwerd en Corpus den Hoorn hebben hierdoor wat bebouwing betreft een ander karakter gekregen. Een deel van deze naoorlogse wijken is daarom inmiddels ondergebracht bij 7. Recente uitbreidingen van en grootschalige transformaties in de stad. In de meeste gevallen volgen de uitbreidingen of transformaties van de naoorlogse wijken de kenmerken en aanbevelingen zoals die zijn beschreven bij gebied 7. Overigens wordt er in de nieuwbouw van de transformatiegebieden binnen deze wijken vaak gerefereerd aan kenmerken die typisch zijn voor het naoorlogse bouwen, zowel op architectonisch als op stedenbouwkundig niveau; in sommige gevallen wordt het principe van de stempel overgenomen, in andere gevallen de kenmerkende horizontale gevelgeleding van rijwoningen en portiekflats, terwijl in weer andere gevallen juist de architectuurtaal inspiratie is voor vernieuwingen. De hoofdstructuur van de naoorlogse wijken is bovendien in grote lijnen gehandhaafd, ondanks de vele transformaties. De nieuwbouw- en transformatiegebieden liggen kortom nog steeds als eilanden in de context van de naoorlogse wijken en dienen zodoende wel als onderdeel hiervan te worden beschouwd. DE WIJERT De vroeg-naoorlogse wijk De Wijert- Noord (1957-1962) is een schoolvoorbeeld van een zogenaamde stempelwijk. De wijk is gebaseerd op de wijkgedachte, een gedachtengoed dat als basis diende voor de stedenbouw uit het midden van de twintigste eeuw. Vanwege de kwaliteit van het consequente ontwerp heeft de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) de wijk aangewezen als één van de naoorlogse woonwijken van nationaal belang. Deze nationale waardering voor De Wijert-Noord leidde in 2016 tot een intentieverklaring tussen de gemeente Groningen en de RCE om de cultuurhistorische kernkwaliteiten van wijk een rol te laten spelen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Dit betekent dat nieuwe ontwikkelingen rekening houden met de architectonische en stedenbouwkundige identiteit van de wijk. In de Reviusstraat en Camphuysenstraat zijn bijvoorbeeld portieketagewoningen van De Huismeesters in samenspraak met de gemeente (cultuurhistorie en stedenbouw) gerenoveerd, met behoud van architectonische kwaliteit. Ook nieuwbouw aan de P.C. Hooftlaan is passend in de bestaande stempel uitgevoerd. CRITERIA CONTEXT Bouwinitiatieven worden altijd beoordeeld op de schaal van het gehele ensemble; wanneer gerealiseerd als onderdeel van een stempel of een ander ensemble van stroken, dient er sprake te zijn van een duidelijke relatie tussen de afzonderlijke delen van de stempel; nieuwe invullingen houden rekening met de bestaande planmatig aangebrachte maat, schaal en hoog- laag-verhoudingen in het gebied. GEBOUW Wanneer het binnengebied een openbaar karakter draagt, zijn binnen een stempel of een ander ensemble van stroken nieuwe invullingen alzijdig; ieder bouwwerk heeft een heldere en herkenbare hoofdvorm die, afhankelijk van de functie, refereert aan de vormentaal in het gebied; gestapelde strookbebouwing wordt gerealiseerd met een duidelijk herkenbare plint; de plint reageert op het maaiveld en draagt positief bij aan de ruimtelijke kwaliteit en beleving van de openbare ruimte; strookbebouwing wordt gerealiseerd als een architectonische eenheid en legt de nadruk op de horizontale gevelgeleding; de gevelopbouw is consequent, ritmisch en in verhouding met de structuur van de gevels van de bebouwing in de directe omgeving; de gevel gaat in ritmiek en geleding een relatie aan met het achterliggende programma (functie, plattegrond). UITWERKING Materiaalgebruik, kleur en detaillering worden afgestemd op de hoogste aanwezige visuele kwaliteit in de directe omgeving, inclusief het bouwwerk zelf; materiaal- en kleurgebruik dissoneert niet; nieuwbouw in de laat-naoorlogse wijken (Selwerd, Paddepoel en Vinkhuizen) kent een hoger detailleringsniveau en een hoogwaardiger materiaal- en kleurgebruik dan de bestaande en de oorspronkelijke context. GEBIEDSGERICHTE CRITERIA 6. PLANMATIGE WOONERFWIJKEN UIT HET LAATSTE KWART VAN DE TWINTIGSTE EEUW STEDENBOUWKUNDIGE KENMERKEN Het merendeel van de wijken uit de jaren zeventig is gebaseerd op het woonerfconcept, waarmee het doorgaande verkeer uit de woonbuurten gehouden werd. Geknikte straten en verkeersdrempels moesten de snelheid van het verkeer remmen. Wijken kennen hierdoor een sterk vertakte plattegrond waarvan de woonstraten merendeels eindigen in doodlopende erven. De traditionele scheiding tussen verkeersstromen middels trottoirbanden is in de woonstraten en woonerven vervangen door informele scheidingen van bielzen, bomen en houten paaltjes. Gestreefd werd om bestaande elementen en structuren op te nemen in de wijkplattegrond. Een duidelijke ruimtelijke hiërarchie ontbreekt. De stedenbouw is informeel en kent zachte overgangen tussen privé, semi-openbaar en openbaar. De rooilijn is vervangen door het overgangsgebied. Waar wel rooilijnen aanwezig zijn, verspringen deze regelmatig. Er is veel aandacht besteed aan de inrichting van de (groene) woonomgeving. Laagbouw en kleinschaligheid is de norm. Monumentaliteit wordt vermeden. Als een reliek van de naoorlogse bouw zijn alleen in de wijkcentra hoogbouwaccenten en andere gestapelde bouw te vinden. Deze winkelcentra zijn veelal gecombineerd met andere wijkvoorzieningen, waaronder scholen en gezondheidscentra. Hoewel getracht werd ieder deel van de wijk een eigen karakter te geven – om zo de herkenbaarheid en herbergzaamheid te vergroten – komen veel wijken uit deze periode erg uniform over. Woningen zijn duidelijk planmatig aangelegd, vaak in rijen en met verspringende rooilijnen. Een strakke ritmiek binnen de ensembles, zo kenmerkend voor de voor- en naoorlogse architectuur, ontbreekt. Eenheid ontstaat wel door de relatief uniforme bebouwingshoogte en de toepassing van vergelijkbare architectonische elementen en materialen. Woningen zijn hierdoor niet zozeer identiek, maar wel erg gelijksoortig. ARCHITECTONISCHE KENMERKEN Veel van de architectuur uit deze periode is ontleend aan het gedachtegoed van de Forumbeweging: een meer individuele benadering van de architectuur als reactie op het als star, schraal en onpersoonlijk geachte functionalisme. De architectuur wordt vaak aangeduid als ‘structuralistisch’. De hardheid van het modernisme diende doorbroken te worden. Het was het tijdperk van de zachte overgangen, schakelingen, trappen, open portieken, terrassen en de uit- en inbouwen. Bovendien was er sprake van een terugkeer naar traditionele vormen en materialen: baksteen, hout, steile pannendaken en kleinere raampartijen. Veelvoorkomend zijn ook betonnen lateien en kolommen. Het materiaalgebruik is zeker niet expliciet. Monumentaliteit, architectonische expressie en fijnmazige detaillering zijn zeldzaam. Structuralistische architectuur is overwegend kleinschalig. Gevels kennen geen duidelijke hiërarchische opbouw en bevatten veel verspringende elementen. Muur en dakvlakken worden geregeld onderbroken en kennen daardoor geen duidelijk afleesbare ritmiek. De nadruk ligt op informaliteit. Bij rij aan rij geplaatste woningen wordt de hoofdvorm niet benadrukt. Veel woningen kennen geen duidelijke voor- of achterkant. Hoeken zijn overwegend niet verbijzonderd. De stadsvernieuwing in de oude stad laat een vergelijkbare vormentaal zien als de bebouwing in de nieuwe woonwijken buiten het centrum. Bebouwing in de stad is wel vaak hoger en vormt meer eenduidige straatwanden. Het voegt zich veelal binnen de historische structuur van de stad. CRITERIA CONTEXT De context maakt dat de inpassing van individuele aanpassingen goed mogelijk is. GEBOUW De opbouw van de gevels is consequent en goed van verhouding. UITWERKING De omgeving vormt geen directe referentie, maar materiaalgebruik en detaillering zijn in overeenstemming met het karakter van de wijk, namelijk gebruikmakend van baksteen, dakpannen en hout. GEBIEDSGERICHTE CRITERIA 7. RECENTE UITBREIDINGEN VAN EN GROOTSCHALIGE TRANSFORMATIES IN DE STAD STEDENBOUWKUNDIGE KENMERKEN Aan de stedenbouw wordt in deze periode een belangrijke rol toegedicht. Daarbij wordt gezocht naar een sterke samenhang tussen architectuur, stedenbouw en landschap. Sinds de vroege jaren 1990 is ook sprake van thematiserende en metaforische stedenbouw. Zo refereert De Held in haar structuur aan de wierde en heeft de stad met Waterland een eco-woonwijk. Ook het plan voor CiBoGa is gethematiseerd maar draagt ten opzichte van de stadsrandlocaties wel een heel duidelijk (binnen)stedelijk karakter. Belangrijk kenmerk is de teruggekeerde heldere hiërarchische structuur en het onderscheid tussen openbaar en privé. Uitbreidingen zijn afwisselend maar duidelijk geënsceneerd. Woon- en hoofdstraten zijn goed van elkaar te onderscheiden. Eveneens kenmerkend is de centrale ontsluitingsas. Straten zijn vooral in de vroege wijken recht en duidelijk geprofileerd. Rooilijnen vervangen de overgangsgebieden uit de jaren 1970. De plannen zijn rationeel van opzet. Realisatie heeft vaak via deelplannen plaatsgevonden. Veel aandacht is besteed aan de inrichting en aankleding van de openbare ruimte. Architectuur, stedenbouw en landschapsontwerp gaan hand in hand en zijn in sterke samenhang tot elkaar ontwikkeld. Gestreefd wordt naar de creatie van ensembles die via de openbare ruimte tot een eenheid worden gesmeed. Ordening vindt onder meer plaats op grond van bebouwingshoogte en typologie. De strook en het bouwblok zijn terug, evenals de architectonische aandacht voor de hoekoplossing. Net als bij naoorlogse uitbreidingen gaat de plint van de (strook)bebouwing een duidelijke ruimtelijke en functionele relatie aan met het maaiveld. Uitbreidingen haken meestal aan op bestaande voorzieningen in aangrenzende wijken. In het geval van Corpus den Hoorn Zuid (Hoornse Meer) is mede gekozen voor een eigen voorzieningencentrum dat door een centrale ligging en de architectonische (hoogbouw)accenten duidelijk herkenbaar is. In de meest recente uitbreidingen ligt de nadruk ook op de individuele uiting. Bebouwing is vaak afwisselender. Over het algemeen zijn de verbanden losser en vertonen de ensembles intern een grotere variëteit. Een vrijstaand karakter en individualiteit kan worden gesuggereerd met (ritmische) verspringingen in de rooilijn. Het stratenpatroon is vaak speelser en bochtiger. ARCHITECTONISCHE KENMERKEN Hoewel de modernistische invloeden de overhand hebben, zijn uitbreidingen uit deze periode architectonisch vaak rijker dan hun voorgangers. Dit uit zich onder meer in het materiaal- en kleurgebruik (hout, metaal, diverse kleuren baksteen en verschillende andere materialen). Wel vindt de variatie plaats binnen een duidelijke compositie. Het treedt op als bindend element binnen een ensemble of accentueert de gevelgeleding (plint, middendeel, daklijst). Ook erfafscheidingen zijn vaak meegenomen in het architectonisch ontwerp. Blok- en strookbebouwing laat een duidelijke architectonische eenheid zien. De overeenkomst met vooroorlogse en vroeg-naoorlogse strokenbouw is groot. De nadruk in de gevels ligt op de horizontale geleding. De individuele woning is hieraan ondergeschikt. De ritmiek in kozijnen en ontsluitingen bepaalt voor een belangrijk deel de kwaliteit van de totale gevel. Veel gevels zijn gepleisterd (wit of in lichte, pastelachtige kleuren) of opgetrokken uit (meerkleurige) baksteen. Soms is een combinatie van beide zichtbaar: pleisterwerk en baksteen. Als een duidelijke referentie aan het ‘licht, lucht en ruimte’ van de modernisten zijn platte daken en grote raamoppervlakken veelvoorkomend. Het merendeel van de architectuur is strak en geabstraheerd De architectonische invulling van de latere uitbreidingen is vaak bijzonder divers. Kenmerkend is een rijk, soms zelfs explosief vorm-, kleur- en materiaalgebruik. De bebouwing is hier overwegend vrijstaand, half vrijstaand of in rijen. Hoogbouw vindt plaats in de vorm van strategisch geplaatste urban villa’s. Uitbreidingen met een sterkere stedenbouwkundige onderligger laten ook invullingen zien met een duidelijke architectonische eenheid. Vaak is daarbij het midden gezocht tussen collectiviteit en individualiteit en ligt de nadruk in de gevel zowel op de horizontale als de verticale geleding. De suggestie van individualiteit binnen een collectieve context kan ook op andere manieren uitgewerkt zijn, bijvoorbeeld via de plaatsing van de woning op de kavel en de aansluiting op de aangrenzende bebouwing. In de bestaande stad hecht de architectuur zich via morfologische referenties sterk aan de context, vooral op het vlak van stedenbouw. Architectonisch is sprake van een grote variatie: van duidelijk postmoderne uitingen die ook in hun opbouw refereren aan de context tot enigszins autonome, neo-modernistische invullingen. CRITERIA CONTEXT Bouwinitiatieven respecteren eventuele hiërarchische stedenbouwkundige structuren; bouwinitiatieven houden rekening met eventuele samenhang tussen architectuur, stedenbouw en landschapsarchitectuur; wanneer gerealiseerd binnen of als onderdeel van een ensemble, dient sprake te zijn van een duidelijke relatie tussen de afzonderlijke delen. GEBOUW Wanneer gerealiseerd in een rij is de collectieve visuele kwaliteit van het geheel belangrijker dan de individuele kwaliteit van de woning; gevels grenzend aan de openbare ruimte zijn representatief van aard; de opbouw van de gevel is consequent en goed van verhouding; bouwwerken hebben een heldere en herkenbare hoofdvorm; wanneer gerealiseerd als bouwstrook ligt de nadruk op de horizontale geleding; in gebieden met een meer dan gemiddelde samenhang tussen architectuur, stedenbouw en landschap maken erfafscheidingen en schuurtjes nadrukkelijk deel uit van het architectonisch ontwerp. Wanneer de bovengenoemde relatie met het architectonisch ontwerp ontbreekt, terwijl de erfafscheidingen of schuurtjes grenzen aan de openbare ruimte, wordt dit als exces beschouwd. UITWERKING Kleur- en materiaalvariatie vinden plaats binnen een duidelijke compositie en richten zich op de accentuering van de gevelgeleding en de architectonische eenheid; materiaalgebruik, kleur en detaillering worden afgestemd op de aangrenzende en overliggende bebouwing. GEBIEDSGERICHTE CRITERIA 8. BEDRIJVENTERREINEN EN KANTOORLOCATIES TYPEBESCHRIJVING Bedrijven- en industrieterreinen kennen een veelal rationele inrichting en zijn sterk monofunctioneel van aard. Ze zijn primair gericht op de huisvesting van bedrijven. Oudere terreinen hebben vaak een duidelijke relatie met water- en spoorweginfrastructuur, terwijl de meer recente terreinen sterk gericht zijn op het wegverkeer. Dit geldt ook voor de recentere kantoorlocaties. Voor alle terreinen binnen deze categorie geldt dat infrastructuur (en een goede ontsluiting) een leidend inrichtingsprincipe is geweest. De oudere bedrijventerreinen zijn overwegend kleinschalig van omvang (tot circa 10 hectare) en bebouwing. Ze laten vaak een intensief ruimtegebruik zien. Meer recente terreinen omvatten tenminste 50 hectare (Driebond), uitlopend tot ruim 250 hectare (Westpoort). Pure kantoorlocaties komen voor in diverse schaalgroottes. In de directe nabijheid van de stad zijn ze vaak gemengd met woonbebouwing. Daarbuiten neemt hun schaal toe en overheerst de monofunctie. De kantoorlocaties zijn vaak beter aangesloten op en meer onderdeel van de stedelijke structuur dan bedrijventerreinen, die als geïsoleerde enclaves langs de snelweg liggen. De publieke betekenis van kantoorlocaties (waar bijvoorbeeld ook onderwijs- en zorggebouwen toe behoren) is daardoor hoger. De onderlegger voor bedrijventerreinen bestaat over het algemeen uit een hoofdontsluitingsas waaraan volgens een rasterstructuur zijstraten zijn gekoppeld. De bedrijven zijn aan zowel de primaire hoofdas als de secundaire wegenstructuur gevestigd, meestal volgens een rechte rooilijn. Bij de oudere terreinen is de openbare ruimte vrijwel geheel verhard. Groen is zeldzaam. Op recentere terreinen wordt de hoofdas soms juist begeleid door een groenstrook. De terreinen Euvelgunne, Eemspoort en Westpoort worden zelfs omzoomd of doorsneden door een ecologische zone. Het idee is de terreinen zo het karakter van een ‘werklandschap’ mee te geven. De randen van recente, aan weginfrastructuur gekoppelde bedrijventerreinen zijn vaak van belang als zichtlocatie. De gebouwen alhier kennen een meer dan gemiddelde representatieve uitstraling. Een deel van de bedrijventerreinen kent een speciale thematiek of hoofdfunctie. Historisch gezien waren er de terreinen van de beide suikerfabrieken. In het zuidoosten van de stad bevindt zich de milieuboulevard, (in)gericht op milieubelastende activiteiten. Een deel van bedrijventerrein Driebond richt zich specifiek op autoverkoop. Een vroeg voorbeeld van een locatie voor kantoren en dienstverlening is het Academisch Ziekenhuis, dat zich heeft ontwikkeld langs de vroegere standsrand. Andere voorbeelden uit verschillende perioden en van verschillend karakter zijn het stationsgebied, het Zernike-complex, Kempkensberg en de meubelboulevard. Voorbeelden van locaties die exemplarisch zijn voor de vermenging van bedrijven, kantoren en dienstverlening zijn Kranenburg en de Sontweg. Kranenburg wordt getypeerd als bedrijventerrein, maar biedt plaats voor representatieve functies met dienstverlening als hoofdfunctie. Bedrijventerrein Sontweg valt op door de menging tussen bedrijven met een grote publieke functie, zoals IKEA, en bedrijven met een sterk industrieel karakter, zoals de containerterminal. RUIMTELIJKE DYNAMIEK Vanaf de jaren tachtig zijn veel oude bedrijventerreinen herontwikkeld. Oude industriefuncties zijn vervangen door woonbebouwing. Goede voorbeelden zijn de reeds genoemde terreinen in de Oranjewijk, maar ook de invulling van het voormalige Aagrunol-terrein (de Meeuwen). In de nabije toekomst zullen diverse andere bedrijventerreinen een reconstructie ondergaan. Het gaat hier vooral om kleinere terreinen die ooit aan de rand van de stad werden ontwikkeld, maar nu zijn opgeslokt door de uitbreidende stad. Het merendeel wordt herontwikkeld tot woon- of woonwerkgebied (Antillenstraat, De Vogels, Damsterdiep, Eemskanaal, Ulgersmaweg). Aanmerkelijk grootschaliger is de ontwikkeling van CiBoGa en het Europapark. Beide terreinen worden herontwikkeld tot hoogkwalitatieve gebieden met functies als wonen, kantoren, sport en detailhandel. Uiteindelijk zullen de locaties zodanig van kleur verschieten dat zij niet langer onder de categorie bedrijventerrein vallen. In de afgelopen decennia zijn eisen ten aanzien van de verschijningsvorm en de relatie met de omgeving vaak gezien als belemmerend voor de economische aantrekkelijkheid van een bedrijventerrein. De visuele kwaliteit van bedrijventerreinen is hierdoor vaak onder de maat. Om deze terreinen ook in de toekomst aantrekkelijk te houden, is een omslag nodig. De visuele kwaliteit en de representativiteit van bedrijven- en industrieterreinen moet omhoog. Natuurlijk wordt daarbij onderscheid gemaakt tussen locaties met een belangrijke publieke uitstraling, zoals zichtlocaties, en bedrijven die minder in het zicht liggen. Maar ook voor deze laatste categorie is een visuele basiskwaliteit vereist. Het regime is natuurlijk minder ‘strikt’ dan elders in de stad, maar ook voor ondernemers is een aantrekkelijke werkomgeving essentieel. Dat gaat zowel op vanuit persoonlijk oogpunt en het oogpunt van hun werknemers als vanuit commerciële overwegingen. CRITERIA CONTEXT Bouwinitiatieven respecteren de rationele stedenbouwkundige structuren van hoofdas en secundaire wegen; bebouwing op terreinen die zijn ontwikkeld als werklandschap haken aan op de daar aanwezige landschappelijke structuur; de bebouwing houdt rekening met zichtlijnen die van belang zijn voor de oriëntatie en leesbaarheid van het terrein; de randen van bedrijventerreinen en kantoorlocaties verdienen extra aandacht; de overgang van bedrijventerreinen naar het landelijk gebied of stedelijk groen moet zorgvuldig worden vormgegeven; bebouwing in deze zones past bij het groene, landschappelijke karakter van de omgeving. GEBOUW KANTOORLOCATIES Bouwwerken hebben een alzijdig, representatief karakter; bouwwerken dragen bij aan een positieve uitstraling van de openbare ruimte; bebouwing kent een duidelijke hoofdvorm; de opbouw van de gevels is consequent en goed van verhouding; erfafscheidingen, parkeerterrein en reclame worden als integraal onderdeel van het ontwerp beschouwd. BEDRIJVENTERREINEN Aan de openbare ruimte grenzende gevels dienen representatief te zijn. UITWERKING KANTOORLOCATIES Materiaalgebruik, kleur en detaillering ondersteunen het ontwerp en worden nadrukkelijk op elkaar afgestemd. BEDRIJVENTERREINEN Materiaalgebruik, kleur en detaillering dissoneren niet. GEBIEDSGERICHTE CRITERIA 9. GROEN TYPEBESCHRIJVING Net als ‘Bedrijventerreinen en kantoorlocaties’ zijn de gebiedsgerichte criteria voor ‘Groen’ gebaseerd op het functionele onderscheid van deze gebieden met de rest van de stad, in plaats van op een kenmerkende bouwperiode. Het groengebied valt uiteen in twee subgroepen: parken enerzijds en grootschalig groen, sportterreinen en landelijk gebied anderzijds. De eerste parken ontstonden in de loop van de negentiende eeuw, al dateert het Sterrebos, destijds nog buiten de stad, uit de achttiende eeuw. De parken waren aanvankelijk vooral gericht op stadsverfraaiing, de aanleg ging doorgaans gepaard met de bouw van prominente herenhuizen. Na de Vestingwet van 1874 ontstond een sterke groei van parkaanleg, waarbij de voormalige bolwerken werden omgevormd tot groene wandelpromenades, veelal in Engelse landschapsstijl. Met de negentiende-eeuwse park- en plantsoenaanleg werden natuur en landschap geleidelijk geïntegreerd in de stedenbouwkundige discipline. Groningen kent vijf grote stadsparken en een groot aantal kleinere buurten wijkplantsoenen. De vijf grote stadsparken hebben elk een heel eigen karakter: Noorderplantsoen, Stadspark, Paterswoldsemeer, Park Noorddijk en Westpark. Onder parken verstaan we eveneens planmatig aangelegde groenvoorzieningen en tuinen: het Nieuwe Kerkhof en Guyotplein, het Martinikerkhof en de Prinsentuin, het Sterrebos, het Oosterpark, het Pioenpark en het Molukkenplantsoen, maar ook grote begraafplaatsen zoals de Selwerderhof, de Zuiderbegraafplaats en het Esserveld, net als de tuinen van Coendersborg en Groenestein. De voornaamste parken kennen een aantal markante paviljoens en geïntegreerde voorzieningengebouwen (urinoirs, muziekpaviljoen), maar afgezien daarvan is de bebouwing in parken vaak eenvoudig en bescheiden. Voor het grootschalig groen, de sportparken en het landelijk gebied geldt dat deze zich overwegend aan de oude en nieuwe randen van de stad bevinden. Veel sportgebieden en wijkgroen vervullen een bufferfunctie tussen infrastructuur, bedrijventerrein en woongebieden. Het zijn vaak extensieve groene gebieden met een duidelijk functioneel karakter. De inrichting is utilitair en simpel. De bebouwing op sportterreinen is doorgaans eenvoudig en sterk functioneel. Het landelijk gebied bevindt zich vooral ten noorden, noordwesten en oosten van de stad. Groningen wordt omringd door verschillenden landschapstypen, die allemaal van grote waarde zijn voor de kwaliteit en ervaring van de stad. De gebieden zijn dun bevolkt, bebouwing is schaars. Aan de noorden noordwestzijde van de stad is de landschappelijke openheid van het wierdenlandschap kenmerkend. De oostzijde kenmerkt zich daarentegen door de overgang tussen veen en klei. In het noorden en noordwesten van de stad komt individuele en licht geclusterde bebouwing voor, in de vorm van boerderijen en individuele woningen die vrij in het landschap staan, soms op wierden. Aan de oostzijde is bebouwing in linten kenmerkend. CRITERIA CONTEXT Bouwinitiatieven zetten in op het behoud en de versterking van het groene, landschappelijke karakter van het gebied; nieuwe invullingen respecteren de oorspronkelijke karakteristiek en structuur van het gebied, worden landschappelijk ingepast en voegen zich naar de landschapsstructuur; bouwwerken sluiten aan op het functionele karakter van het gebied; bouwwerken respecteren zichtlijnen in het groengebied en de visuele en ruimtelijke relatie tussen het groengebied en de omgeving; bouwwerken sluiten aan op zichtassen, waterpartijen of centrale ontsluitingen; bouwwerken contrasteren niet met het groene karakter van het gebied. GEBOUW PARKEN Bouwwerken zijn nadrukkelijk alzijdig; ruimtelijke afscheidingen worden gerealiseerd met natuurlijke middelen en passen bij het karakter van het park (bomenrijen, heggen, sloten of een combinatie daarvan); voor markante, beeldbepalende bebouwing is de oorspronkelijk karakteristiek uitgangspunt voor verbouw of aanpassingen. GROOTSCHALIG GROEN, SPORTTERREINEN EN LANDELIJK GEBIED Bebouwing is eenvoudig en heeft een heldere hoofdvorm; nieuwbouw refereert aan de heersende typologie; de oriëntatie van de bebouwing volgt de landschapsstructuur; de opbouw van de gevel is consequent en goed van verhouding; de functie van het bouwwerk is duidelijk afleesbaar; ruimtelijke afscheidingen worden gerealiseerd met natuurlijke middelen en passen bij het karakter van het park (bomenrijen, heggen, sloten of een combinatie daarvan); afscheidingen binnen dezelfde omgeving zijn gelijksoortig van aard; hekwerken worden uitgevoerd in een hoogwaardig, duurzaam materiaal en zijn transparant van karakter. UITWERKING Materiaal- en kleurgebruik sluiten aan bij het karakter van de omgeving; van markante, beeldbepalende bebouwing is het bestaande materiaalgebruik en de bestaande detaillering uitgangspunt voor verbouw of aanpassingen. GROOTSCHALIG GROEN, SPORTTERREINEN EN LANDELIJK GEBIED In het landelijk gebied zijn materiaalgebruik en detaillering verfijnd en ondergeschikt aan de hoofdvorm (ze ondersteunen het ontwerp); divers materiaalgebruik is mogelijk, zolang dit zorgvuldig op elkaar wordt afgestemd. DEEL3.2BESCHERMDE STADSGEZICHTEN GRONINGEN KENT ACHT BESCHERMDE STADSGEZICHTEN: STADSDELEN WAARVAN DE BESTAANDE KWALITEIT EN UITSTRALING ZO HOOG IS EN WAARVAN DE SAMENHANG TUSSEN DE ONTSTAANSGESCHIEDENIS EN DE ARCHITECTUUR EN STEDENBOUW ZO STERK IS, DAT HET GEHEEL VAN BEBOUWING, STRATEN, OPENBARE RUIMTE EN GROEN ALS ENSEMBLE IS BESCHERMD. DE HIER GEPRESENTEERDE SAMENVATTINGEN ZIJN GEBASEERD OP DE OORSPRONKELIJKE TOELICHTINGEN BIJ HET BESLUIT TOT AANWIJZING VAN DE BESCHERMDE STADSGEZICHTEN. De beschermde stadsgezichten zijn vanaf begin jaren 1990 aangewezen en vormen in feite een verdere verdieping van de gebiedsgerichte criteria. Dat is omdat ze de context van de bestaande situatie nog specifieker en nog concreter beschrijven. Omdat de beschermde stadsgezichten een wettelijke status hebben, geldt bovendien dat afwijken van deze context lastiger is dan bij de gebiedsgerichte criteria. Het basisniveau ligt met andere woorden hoger – uitstijgen boven dit niveau wordt moeilijker. Bouwen binnen de kwaliteit van de bestaande context is daarom essentieel. Omdat de beschermde stadsgezichten een andere status hebben dan de gebiedsgerichte criteria, is de beschrijving ervan in de welstandsnota ook net anders. De beschrijvingen hier zijn samenvattingen van de oorspronkelijke toelichtingen op de aanwijzing. Omdat de beschermde stadsgezichten vaak een zeer specifieke geschiedenis vertegenwoordigen, beperken de omschrijvingen zich hier tot de hoofdlijnen van de ruimtelijke structuur en het bebouwingsbeeld. Elke beschrijving is opgebouwd uit een ontwikkelingsschets, een omschrijving van het huidige ruimtelijk karakter en bebouwingsbeeld, evenals een toelichtende typering en de te beschermen waarden. De typeringen van de beschermde stadsgezichten vormen dus extra criteria voor het bouwen in de context. Voor een uitputtende toelichting op de stadsgezichten wordt verwezen naar de oorspronkelijke aanwijzingen, waarvan de toelichting een nauwgezette omschrijving en karakterisering bevat. De toelichtingen dienen als uitgangspunt voor het beschermingsbelang. Het doel van de aanwijzing is om de karakteristieke structuur en ruimtelijke kwaliteit van het gebied, die samenhangt met de historische ontwikkeling ervan, te onderkennen als zwaarwegend belang bij de verdere ontwikkeling. De aanwijzing beoogt een basis te zijn voor een ruimtelijke ontwikkeling die inspeelt op de aanwezige kwaliteiten, daarvan gebruik maakt, erop voortbouwt en mogelijk versterkt. Voor de toelichtingen op de beschermde stadsgezichten wordt verwezen naar groningen.nl/welstandsnota. De oorspronkelijke toelichtingen vormen uiteraard altijd het vertrekpunt voor het beschermingsbelang als onderdeel van de welstandstoets. BESCHERMD STADSGEZICHT 1. BINNENSTAD Inleiding De hier gepresenteerde samenvatting is gebaseerd op de ‘toelichting bij het besluit tot aanwijzing van de binnenstad van Groningen als beschermd stadsgezicht’. Voor de oorspronkelijke toelichting wordt verwezen naar groningen.nl/welstandsnota. De oorspronkelijke toelichting vormt uiteraard altijd het vertrekpunt voor het beschermingsbelang als onderdeel van de welstandstoets. Het beschermd stadsgezicht van de binnenstad wordt in hoofdlijnen bepaald door het binnen de zeventiende-eeuwse vesting gelegen gebied, inclusief de laat negentiende-eeuwse singel- en parkaanleg. Kenmerken van de ruimtelijke hoofdstructuur zijn het noord-zuid gerichte stratenpatroon, de haaks daarop gelegen pleinenreeks, de diepenring, de planmatige zeventiende-eeuwse stadsuitbreiding en de tot plantsoen of singel getransformeerde voormalige vestingwerken aan de noord- en zuidzijde. De structuur is helder, maar kent een grote ruimtelijke diversiteit; het bebouwingsbeeld is overwegend samenhangend en historisch waardevol, een groot deel van de bebouwing bezit nog een historisch waardevolle karakteristiek. Het beschermd stadsgezicht van de binnenstad vertegenwoordigt in principe één van de bouwperiodes, zoals die zijn onderscheiden voor de gebiedsgerichte criteria van de legenda van de stad, te weten: 1. Historische binnenstad. ONTWIKKELINGSSCHETS Groningen is ontstaan op de noordelijkste punt van de Hondsrug, tussen de rivieren de A en de Hunze. In tegenstelling tot de noordelijk gelegen wierdendorpen kan de structuur van Groningen verklaard worden vanuit de kenmerken van een dubbel esdorp. Als onderdeel van de route over de Hondsrug omvat het stratenpatroon twee noord-zuid gerichte wegen: de Boteringestraat-Herestraat en de Ebbingestraat-Oosterstraat. Dwars op dit patroon lopen vanaf de vroege ontwikkeling al wegen in oostelijke (Poelestraat) en westelijke richting (naar de A). Het gebied rond het Martinikerkhof ontwikkelt zich tot kerkelijk, bestuurlijk en militair centrum, terwijl het gebied rond de Grote Markt vanaf het begin door de agrarische functie wordt gekenmerkt. Door de toenemende handelsactiviteit, als gevolg van de gunstige ligging, ontwikkelt de ruimtelijke structuur van de stad zich snel. Rond 1200 heeft deze al een omvang die weinig kleiner is dan het gebied tussen de huidige diepen. In de nederzetting wordt de ruimtelijke opbouw al bepaald door drie kenmerken: de Grote Markt, de Vismarkt en het noord-zuid gerichte stratenpatroon. Het beloop van de oudste stadsomwalling volgt globaal de lijn van Vishoek via Muurstraat, Hofstraat, Schoolstraat, Carolieweg, naar de noordzijde van de Nieuwstad. Vanwege het karakter van de pre-stedelijke agrarische nederzetting, het verloop van de doorgaande noord- zuidroutes en de vorm van de pleinwanden is het niet voor de hand liggend dat de centraal gelegen Grote Markt planmatig is aangelegd. Het gebied rond de Vismarkt kan als handelsplaats worden gekenmerkt, gericht op de rivier de A. Het noord-zuid gerichte stratenpatroon wijst op de oorspronkelijk natuurlijke ligging op de Hondsrug en de verbinding van de stad met de bijbehorende landbouwgronden. Opvallend in de structuur van de stad tot dan toe: de stedenbouwkundig onbetekenende positie, aan de periferie van de stad, van de St. Walburgkerk als militair-bestuurlijk centrum – een indicatie dat het zwaartepunt van de stedelijke ontwikkeling ten gunste van de handelsactiviteit in westelijke richting verschoof. Van de dertiende tot de vijftiende eeuw zorgen verbeteringen aan de vestingwerken alsmede een groot aantal waterbouwkundige wijzigingen voor de verdere ruimtelijke ontwikkeling van de stad. Rond 1260 wordt een verbinding met de Hunze gegraven, een verbinding die rond 1350 wordt verbeterd met de aanleg van het Schuitendiep. Vanaf 1424 vindt de aanleg van het Damsterdiep plaats, waardoor een directe verbinding met de Eems tot stand komt. De verbeteringen aan de stadswal gaan gepaard met beperkte vergroting van de stad; in 1337, als de stad een stenen ommuring krijgt, vindt er geringe uitbreiding in zuidoostelijk richting plaats. De stad breidt zich hierbij uit tot de huidige Bruine Ruiterstraat en Torenstraat. Rond 1470 wordt er aan de buitenzijde van de stadsmuur een nieuwe aarden wal aangelegd. De verbeteringen aan wal en water worden in de zestiende eeuw verfijnd. Rond 1523 wordt het Lopende Diep gegraven, waardoor het water van de Hunze ook direct op het Reitdiep afstroomt. De waterverbinding in westelijke richting wordt verbeterd; het Hoendiep wordt van 1569–1570 gegraven. Het verloop van de Raam- en Prinsenstraat duidt op de aanwezigheid van een aantal opeenvolgende dwangburchten, waaruit het militaire belang van Groningen in de zestiende eeuw blijkt, maar verder hebben deze geen blijvende invloed op de stadsplattegrond uitgeoefend. Tussen 1616–1637 wordt het ZuiderdiepKattendiep gegraven, in 1637 wordt het Schuitendiep als Winschoterdiep tot aan Winschoten verlengd. In de zeventiende eeuw zorgen militaire motieven weer voor de belangrijkste ruimtelijke ingreep: de aanleg van een nieuw verdedigingsstelsel, met vrijwel een verdubbeling van de stadsoppervlakte tot gevolg. De aanleg wordt tussen 1608 en 1624 uitgevoerd. Het nieuwe stelsel is opgebouwd uit een 7000 meter lange aarden wal, met onderwal en natte gracht, zeventien bastions, zeven poorten en vijf waterpoorten. Het vormt een combinatie van de in die periode geldende militairwetenschappelijke denkbeelden over stadsuitleg en een meer praktische benadering van voor handen zijnde zandgronden ten noorden van de stad. Een regelmatig stratenpatroon van noord-zuid en oost-west gerichte straten sluit aan op de voornaamste noord-zuidstraten uit de middeleeuwse stad (Ebbinge-, Boteringe- en Kijk in ’t Jatstraat). Uitzonderingen in de structuur zijn de Ossenmarkt en het Nieuwe Kerkhof, die eveneens de geometrische principes van de uitleg representeren. De zeventiende-eeuwse uitleg blijft ruim twee eeuwen de basis voor de groei van Groningen. Pas in 1874 worden de vestingwallen geslecht, op een klein deel aan de noordwestzijde van de stad na, dat uiteindelijk tot plantsoen wordt omgevormd. In de beloop van de Melkweg en de oostzijde van de Westerhaven is nog de vorm van de oorspronkelijke bastions te herkennen, net als bij de Parklaan in het Zuiderpark en de Oude Stationsweg. Aan de zuidzijde wordt de stad verfraaid met groene singels met villa’s en herenhuizen. Bij de singelaanleg is de zuidelijke stadsgracht vergraven tot een breed verbindingskanaal tussen de nieuwe Westerhaven en de Oosterhaven (en Eemskanaal). Ook in het Zuiderpark vindt villabouw plaats. Aan de oostzijde van de stad wordt de Oostersingel aangelegd, waarlangs in 1903 het Academisch ziekenhuis verrijst. Rond de Bloemsingel, aan de noordoostelijke zijde van de stad, verschijnt de uitbreiding van de in 1854 opgerichte gasfabriek. Vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw komt het proces van ‘verwinkeling’ langs de hoofdstraten op gang. Nog in 1850 is de Herestraat een chique woonstraat met hier en daar een winkel; een halve eeuw later is de situatie omgekeerd. Het stadsbeeld verandert door het verdwijnen van kenmerkende ruimtelijk elementen en het verschijnen van nieuwbouw. Overbodig geworden waterwegen worden gedempt (vanaf 1879 het Zuiderdiep, in 1912 het Boterdiep, in 1953 het Damsterdiep en in 1962 de Westerhaven). In de twintigste eeuw vindt een aantal ontwikkelingen plaats die de plattegrond van de stad ingrijpend hebben gewijzigd: rondom het Martinikerkhof door het vergroten van het Provinciehuis, de verbinding van de St. Jansstraat en de St. Walburgstraat, alsook de restauratie van de Martinitoren (waarvoor twee huizen naast de toren aan de Grote Markt worden afgebroken). Ook de herinrichting van Grote Markt en omgeving na de Tweede Wereldoorlog vormt een belangrijke wijziging op de structuur van de binnenstad. Schaalvergroting en meer ruimte voor het verkeer kenmerken deze naoorlogse ingreep. De historisch-ruimtelijke structuur blijft in de twintigste eeuw echter grotendeels behouden, en wordt zelfs op een aantal plekken hersteld. HUIDIG RUIMTELIJK KARAKTER EN BEBOUWINGSBEELD De ruimtelijke structuur van de hierboven beschreven ontwikkelingsfasen zijn nog altijd goed te herkennen: de oudste middeleeuwse kern, de uitleg en de aanleg van de vestingwerken in de zeventiende eeuw, met de geleidelijke invulling van de gronden sindsdien, alsook de transformatie van de vestingwerken aan het einde van de negentiende eeuw. Overgangen tussen deze ontwikkelingen zijn meestal vloeiend. Zelfs de grens tussen de binnenstad en de omliggende ‘jongere’ uitbreidingswijken is niet altijd even duidelijk, al is de structuur van historische toegangswegen naar de stad overwegend bewaard gebleven. Desondanks is de historische binnenstad als een afzonderlijke ruimtelijke eenheid herkenbaar, die bovendien een overwegend historisch, gaaf nederzettingspatroon laat zien. Het stedelijk gebied kenmerkt zich door aaneengesloten bebouwing, overwegend smalle, licht gebogen straten en een, als gevolg daarvan, sterke ruimtelijke begrenzing. Contrastwerking van de smalle straten met de al dan niet pleinachtige grote ruimtes versterkt de beslotenheid. Het bebouwingsbeeld kenmerkt zich verder door een schaal en vormgeving die past bij de historische karakteristiek. De cultuurhistorische waarde van de bebouwing is hoog, getuige het groot aantal beschermde monumenten. Binnen het gehele stadsgezicht is het patroon van staten en waterwegen (inclusief de profilering ervan) in samenhang met de afmeting en schaal van de bebouwing van belang. CRITERIA NADERE TYPERING TE BESCHERMEN WAARDEN Binnen een zo afwisselend gebied als de binnenstad van Groningen is sprake van een diversiteit aan te beschermen historisch-ruimtelijke waarden. Een uitgebreide uiteenzetting van de verschillende beschermingsbelangen is beschikbaar in de toelichting op de oorspronkelijke aanwijzing uit 1991. Hier wordt volstaan met de hoofdlijnen. De Grote Markt wordt vooral bepaald door de naoorlogse reconstructie, waarbij bebouwingsschaal en ruimtebegrenzing aanmerkelijk zijn gewijzigd. Op grote monumenten als de Martinikerk en -toren en het stadhuis na is enkel de zuidzijde door historisch beloop, schaal, bebouwingsbeeld en de smalle doorgang van de Gelkingestraat voor de karakteristiek van belang. In schril contrast met de steenachtige Grote Markt staat het besloten, groene karakter van het Martinikerkhof. Het karakter van deze ruimte wordt bepaald door de ligging in de luwte van de kerk, de smalle toegangen, de samenhangende, overwegend historische bebouwing en de groene parkachtige inrichting. Ook de ruimte ten zuiden van de Martinikerk behoort tot het Martinikerkhof, al is de afzonderlijke plaats die deze zone in de historische stadsstructuur inneemt niet meer goed afleesbaar. Anders dan de Grote Markt en het Martinikerkhof heeft de langgerekte vorm van de Vismarkt een duidelijke oost-west-richting. De Vismarkt wordt gekenmerkt door een gesloten bebouwingsbeeld, een smalle oostzijde en een bijzondere westelijke afsluiting, met de Korenbeurs en de daarachter oprijzende A-kerk. De zuidzijde is kleinschaliger gebleven dan de noordzijde. De noordzijde van het A-kerhof sluit nauw aan op de noordzijde van de Vismarkt. Tussen de marktenreeks en het Gedempte Zuiderdiep is de structuur van noord-zuid gerichte straten het sterkst, met een negental op ongeveer 75 meter van elkaar parallel lopende straten. Hun middeleeuwse oorsprong komt tot uiting in het golvende beloop en de geleidelijke, geringe vernauwingen en verbredingen in het profiel. De relatief ondiepe bouwblokken zijn dwars op de straat verkaveld; dwarsstraten zijn ondergeschikt en onregelmatig. De middeleeuwse stad ten noorden van de markten kent in beginsel dezelfde noord-zuid gerichte structuur van hoofdstraten met ondergeschikte dwarsverbindingen, al is de regelmaat hier minder en de maat van de blokken groter. De Oude Boteringestraat is in deze structuur door de vele gave historische binnenstadhuizen van bijzondere waarde. Rondom de gehele middeleeuwse stad is het verloop van de oorspronkelijke muurstraten nog altijd goed te herkennen. Ook de rondom de middeleeuwse stad gelegen diepenring vormt een nog steeds herkenbare ruimtelijke en structurele begrenzing van het oudste stadsgedeelte. Over vrijwel de gehele lengte wordt de diepenring door een aaneengesloten tweezijdige bebouwing begrensd. Het historisch-ruimtelijk meest hoogwaardige deel is de A, die zich kenmerkt door een duidelijke begrenzing van de ruimte, met hoge, deels smalle pakhuizen en voorname woonhuizen. Ook het gedempte deel, het Zuiderdiep, is door het brede, gebogen verloop nog duidelijk herkenbaar als een doorlopende historische grenslijn. Naast de historische kern van de binnenstad kent het stadsgezicht nog twee gebieden met een eigen kwaliteit: de zeventiende-eeuwse uitleg en de negentiende-eeuwse singelgordel. De zeventiende-eeuwse uitleg ontleent zijn historisch-stedenbouwkundige waarde vooral aan de uitzonderlijke geometrische structuur. Met uitzondering van de zuidrand heeft de bebouwing van dit stadsdeel vrijwel geheel een negentiende- en twintigste-eeuwse karakteristiek. Bijzondere open ruimtes vormen de Ossenmarkt met het Guyotplein en het Nieuwe Kerkhof. De negentiende-eeuwse singelgordel op de voormalige zuidelijke stadswal is van een geheel andere aard. De bijzondere stedenbouwkundige opzet en ruimtelijke kwaliteit van dit gebied zijn overwegend bewaard gebleven. De hoofdstructuur wordt bepaald door een gebogen reeks singels, negentiende-eeuwse villa’s en herenhuizen en een open, met kastanjebomen begrensde groenstrook als bindend element. ALGEMENE KARAKTERISTIEKEN De volgende meer algemene karakteristieken kunnen worden geformuleerd. De bebouwing is overwegend aaneengesloten gebouwd, de panden omvatten doorgaans twee of drie bouwlagen met een kap. De nokrichting van de daken in de oude stad – veelal zadeldaken, al dan niet afgeknot en voorzien van eindschilden – staat vrijwel altijd loodrecht op de straat. De historische bebouwing is opgetrokken in baksteen, al dan niet gepleisterd, vertind of geschilderd; de kappen zijn bedekt met gebakken pannen. In samenhang met het sterk aanwezige negentiende-eeuwse uiterlijk komen veel lijstgevels voor; de indeling bestaat vaak uit verticaal gerichte raamopeningen. Er is een grote mate van individualiteit binnen de bebouwingskarakteristiek. AANWIJZING De binnenstad van Groningen is ontstaan als agrarische nederzetting op het noordelijk einde van de Hondsrug en heeft zich door de gunstige ligging vanaf de middeleeuwen ontwikkeld tot een bestuurs- en handelscentrum voor een ruime omgeving. De historische ontwikkeling heeft geleid tot een kenmerkende ruimtelijke opbouw, met als voornaamste kenmerken een noord-zuid gericht stratenpatroon met dwars daarop een reeks pleinen, een omringend grachtenstelsel, een planmatige zeventiende-eeuwse stadsuitbreiding en een negentiende-eeuwse singel- en plantsoenaanleg. Een groot deel van de binnenstedelijke bebouwing bezit een historische karakteristiek, die bijdraagt aan het overwegend samenhangende en waardevolle bebouwingsbeeld. De binnenstad is van algemeen belang vanwege de schoonheid en de ruimtelijk structurele samenhang. BESCHERMD STADSGEZICHT 2. VERLENGDE HEREWEG Inleiding De hier gepresenteerde samenvatting is gebaseerd op de ‘toelichting bij het besluit tot aanwijzing van het beschermde stadsgezicht Verlengde Hereweg gemeente Groningen’. Voor de oorspronkelijke toelichting wordt verwezen naar groningen.nl/welstandsnota. De oorspronkelijke toelichting vormt uiteraard altijd het vertrekpunt voor het beschermingsbelang als onderdeel van de welstandstoets. In het verlengde van de Herestraat ligt ten zuiden van de historische binnenstad de Verlengde Hereweg, de oude uitvalsweg over de Hondsrug. Het deel ten zuiden van de voormalige Helperlinie maakte tot 1915 deel uit van het dorp Helpman (gemeente Haren). Langs deze historische uitvalsweg ontwikkelde zich sinds het einde van de negentiende eeuw bebouwing van villa’s en landhuizen. Het beschermd stadsgezicht van de Verlengde Hereweg vertegenwoordigt in principe één van de bouwperiodes, zoals die zijn onderscheiden voor de gebiedsgerichte criteria van de legenda van de stad, te weten: 2 Historische fragmenten. ONTWIKKELINGSSCHETS De (Verlengde) Hereweg is van oudsher de belangrijkste zuidelijke uitvalsweg van Groningen. Door de gunstige ligging op de Hondsrug ontstond langs deze weg al vroeg bebouwing, aanvankelijk in de vorm van borgen en buitenplaatsen van adellijke families die ver van de weg aflagen. Een voorbeeld hiervan is landgoed Groenestein. Langs de weg zelf stonden kleine boerderijen en moeskerswoningen met tuinderijen. Vanaf het midden van de negentiende eeuw fungeerde de weg als ontwikkelingsas waarlangs welgestelden en adellijke families uit de stad royale villa’s en landhuizen lieten bouwen, vaak omringd door parkachtige tuinen. De eerste villa’s werden gebouwd als buitenverblijf, waar men in de zomer verpoosde. De toon werd in 1871 gezet met Villa Gelria. Na de eeuwwisseling nam de trek vanuit de stad naar het zuiden in versneld tempo toe. Verdichting van het lint vond plaats door de bouw van een groot aantal permanent bewoonde villa’s met fraai aangelegde tuinen, tussen de reeds bestaande landhuizen. Het merendeel van de grotere villa’s kreeg na de Tweede Wereldoorlog een kantoorfunctie. HUIDIG RUIMTELIJK KARAKTER EN BEBOUWINGSBEELD De Verlengde Hereweg ten zuiden van de kom van Helpman wordt gekenmerkt door gave, luxe en representatieve bebouwing langs een cultuurhistorisch belangrijke uitvalsroute van de stad. Kenmerkend is de karakteristiek van vrijstaande villabebouwing op zeer ruime kavels langs de door bomenrijen omzoomde Verlengde Hereweg. De tuinen zijn weelderig, bevatten forse boombeplanting of heesters en de erfafscheidingen bestaan uit grote heggen of ijzeren hekwerken. De gaaf bewaard gebleven bebouwing aan weerszijden van de Verlengde Hereweg vormt een goede afspiegeling van de typologische ontwikkelingen in de villabouw uit de periode 1870-1940. De bebouwing bevat overwegend twee bouwlagen met een kapverdieping. De architectuur is bijzonder rijk, wat heeft geleid tot de aanwijzing van een groot aantal monumenten. De strakke symmetrie die de vroege buitenhuizen in neoclassicistische of eclectische stijl kenmerkt, wordt geleidelijk aan losgelaten. Rond 1900 ontwikkelt zich een type villa met vrije plattegrond, schilderachtige contouren en rustieke ornamentiek. De plattegronden worden onregelmatig, er ontstaan villa’s met een mengeling van Chalet-stijl en Art Nouveau. De villa’s hebben een rustiek, schilderachtig karakter door de toepassing van afwisselend wit pleisterwerk, rode baksteen, in- en uitspringende gevelvlakken met serres en decoratieve baksteenversieringen. Rond 1915 komt een villatype naar voren dat sterker gericht is op een representatief voorkomen en teruggrijpt op de traditie van de laat zeventiende- eeuwse en vroeg achttiende-eeuwse Hollandse baksteenbouw. Kenmerkend is een eenvoudig rechthoekig bakstenen bouwlichaam onder een groot schilddak, waarbij de nadruk ligt op massa, volume en materiaalgebruik. De strakke symmetrie wordt doorbroken door erkers, inpandige balkons, loggia’s en ingangsportalen. Ook zijn er villa’s die teruggrijpen op het type landhuis dat beïnvloed is door het Engelse country house, met het platteland als inspiratiebron. CRITERIA NADERE TYPERING TE BESCHERMEN WAARDEN Kenmerkend voor de ruimtelijke kwaliteit van de Verlengde Hereweg is de historisch gegroeide samenhang tussen enerzijds de monumentale, vrijstaande bebouwing van bijzonder karakteristieke buitenhuizen en villa’s op ruime kavels en, anderzijds, de parkachtige omgeving met forse boombeplanting, bijzondere tuinaanleg, heggen en andere groenvoorzieningen. De gaaf bewaard gebleven bebouwing is karakteristiek voor de ontwikkeling van de villabouw uit de periode 1870–1940. Typerend zijn: de historische gegroeide samenhang tussen de monumentale villabebouwing op ruime kavels en de parkachtige tuinen met forse boombeplanting, bijzondere tuinaanleg, heggen, achter- en zijpaden, alsmede overige groenvoorzieningen; het ruime profiel van de Verlengde Hereweg: groene achtertuinen, al dan niet voorzien van achterpaden – villabebouwing – grote voortuinen, al dan niet met boombeplanting – voorerfafscheiding, bestaande uit heggen en ijzeren hekwerken – trottoir – fietspad – groenstrook met lage en hoge groenbeplanting (lindebomen) – rijbaan; de lineaire ontwikkeling van de bebouwing aan weerszijden langs de Verlengde Hereweg en de toenemende verdichting van de bebouwing in het zuidelijke deel; de individuele setting van royale villa’s op ruime kavels met een grote variatie in architectuur; de architectonische waarde en gaafheid van een groot aantal villa’s, inclusief tuinaanleg; de zichtas over de Verlengde Hereweg naar het zuiden en noorden; de begroeide zij- en achterpaden tussen en achter de erfafscheidingen van de nummers 171–191; de twee zijpaden aan de oostzijde, het Hilghepad en het Espad, als waardevolle landschappelijke elementen, kenmerkend voor het eslandschap; de ruimtelijke relatie van het zuidoostelijke gedeelte met de hierachter gelegen villabuurt, wat zich onder andere uit in de verkaveling en het villatype. AANWIJZING De Verlengde Hereweg is een mooi voorbeeld van een historisch belangrijke uitvalsroute en ontwikkelingsas, waarlangs in de tweede helft van de negentiende eeuw en het begin van de twintigste eeuw zeer luxe en representatieve bebouwing tot stand kwam, bestaande uit een buitengewoon karakteristieke reeks van villa’s en landhuizen in een groene setting. De Verlengde Hereweg is als zodanig van belang wegens stedenbouwkundige en architectonische, alsmede cultuurhistorische en landschappelijke waarden, en sluit aan op het eveneens beschermde gezicht Rijksstraatweg in de gemeente Haren. BESCHERMD STADSGEZICHT 3. SCHILDERSBUURT Inleiding De hier gepresenteerde samenvatting is gebaseerd op de ‘toelichting bij het besluit tot aanwijzing van het beschermde stadsgezicht Schildersbuurt gemeente Groningen’. Voor de oorspronkelijke toelichting wordt verwezen naar groningen.nl/welstandsnota. De oorspronkelijke toelichting vormt uiteraard altijd het vertrekpunt voor het beschermingsbelang als onderdeel van de welstandstoets. Het beschermd stadsgezicht van de Schildersbuurt wordt begrensd door de Westersingel in het oosten, het Reitdiep in het noorden, de Friesestraatweg in het westen en de Aweg in het zuiden. De Schildersbuurt verenigt in principe drie belangrijke bouwperiodes, zoals die zijn onderscheiden voor de gebiedsgerichte criteria van de legenda van de stad: 2. Historische fragmenten, 3. Organisch ontwikkelde uitbreidingen uit de tweede helft van de negentiende eeuw en 4. Vroege planmatige uitbreidingen uit de eerste helft van de twintigste eeuw. Daarnaast kent de buurt bebouwing van de naoorlogse stempel- en strokenbouw, maar deze is voor de structuur en typische kenmerken van de wijk niet bepalend. ONTWIKKELINGSSCHETS De Schildersbuurt kent verschillende, goed te onderscheiden bouwperiodes en -stijlen. Het stadsgezicht is een gaaf voorbeeld van een laat negentiende-eeuwse, vroeg-twintigste-eeuwse uitbreiding: de stedenbouwkundige structuur is helder en goed bewaard gebleven, de architectuur gevarieerd maar samenhangend. Een van de voornaamste kenmerken van de buurt is dat deze de overgang van een ‘spontane’ naar een planmatige stedelijke ontwikkeling vertegenwoordigt. De ontstaansgeschiedenis van de buurt laat drie goed afleesbare fasen zien: de periode 1880–1900, de periode 1900–1913 en de periode 1913–1940. De eerste periode wordt gekenmerkt door: losse, karakteristieke en goed te herkennen bebouwing op de voormalige vestingwerken, te midden van een parkachtige groenaanleg (de neogotische, voormalige universiteitsbebouwing); arbeidersbebouwing langs de oorspronkelijke uitvalsroute van de Aweg, alsook langs de parallel aan de Aweg aangelegde Nieuwe Blekerstraat (de karakteristieke arbeiderswoningen van één laag met een kap); pakhuizen en bedrijfsbebouwing langs de Aweg; de revolutiebouw voor de particuliere verhuur langs de Leeuwarderstraat (een of twee lagen met een kap). In tegenstelling tot de eerste periode wordt de periode van 1900–1913 gekenmerkt door de van gemeentewege gereguleerde bebouwing tussen de Aweg en de Kraneweg. Dit deel wordt wel de ‘oude’ Schildersbuurt genoemd, vertoont grote samenhang en is van meet af aan opgezet als wijk voor de beter gesitueerden. Het kenmerkt zich door: een rechthoekig stratenpatroon met lange straten in oost-westrichting (de H.W. Mesdagstraat en de Jozef Israëlsstraat) en korte straten in noord-zuidrichting (de Herman Colleniusstraat en de Taco Mesdagstraat); ongelijkvormige pleinen als kruisingen (het ovaalvormige H.W. Mesdagplein met plantsoen en het ruitvormige Jozef Israëlsplein); de zorgvuldige afstemming van de breedte van de straten op de hoogte van de bebouwing, als onderdeel van de opzet van de wijk. De laatste periode, die van 1913–1940, volgt in grote lijnen het rechthoekige stratenpatroon ten zuiden van de Kraneweg en wordt vanzelfsprekend de ‘nieuwe’ Schildersbuurt genoemd (aangelegd op basis van de het Algemeen Uitbreidingsplan 1906). Dit deel wordt gekenmerkt door: in beheer van de gemeente voor ambtenaren gebouwde woningen van twee of drie lagen, al dan niet met kap, vaak door Groninger architecten in een sobere Amsterdamse Schoolstijl; een bescheiden plein met plantsoen (het Taco Mesdagplein), door het terugrooien van de Taco Mesdagstraat; de watertoren uit 1913. De hoofdstructuur van de wijk is grotendeels goed bewaard gebleven, al zijn sommige straten, voornamelijk de uitvalswegen, in de afgelopen eeuw van karakter veranderd: de Aweg, de Westersingel, de Dr. C. Hofstede de Grootkade en het begin van de Kraneweg. HUIDIG RUIMTELIJK KARAKTER EN BEBOUWINGSBEELD De structuur wordt bepaald door een regelmatig stratenpatroon, afgewisseld met pleinen; afwijkingen op dit patroon zijn het gevolg van oorspronkelijke ruimtelijke structuren, zoals de vestingwerken (Melkweg) of de vroege, niet-planmatig aangelegde straten (Nieuwe Blekersstraat); de wijk wordt in hoofdzaak gekenmerkt door gesloten bouwblokken; hoekpanden zijn vaak voorzien van een accent (erker, toren) of een winkel op de begane grond; de architectuur staat op diepe kavels en bestaat doorgaans uit twee of drie bouwlagen, al dan niet met kap; de tuinzijde van de blokken kent een grote mate van openheid, met balkons, serres en veranda’s; de straatwanden zijn als geheel aan de rooilijn gebonden en kennen ten opzichte van de achterzijde een meer gesloten karakter; ze vormen een front; de architectuur kent neostijlen, maar is voornamelijk gebaseerd op de Art Nouveau, zij het een sobere vorm ervan. Binnen de door de gemeente gereguleerde aaneengesloten bebouwing is veel variatie in gevelindeling, -geleding, decoratie en steensoorten en -kleuren. SPECIFIEK KARAKTER STRATEN WESTERSINGEL: monumentale individuele herenhuizen of ensembles, neorenaissance en eclecticisme, metselwerk met gepleisterde ornamentiek in vensters en kroonlijsten. H.W. MESDAGSTRAAT: hoofdas, relatie straat, bebouwing en beplanting: karakter van een laan. Complexmatig bebouwde blokken van twee of drie lagen met kap; gekleurde baksteen, geveldecoraties (tegeltableau) en balkons, loggia’s of erkers. Vaak is er sprake van een souterrain. JOZEF ISRAËLSSTRAAT: vergelijkbaar van opzet met de H.W. Mesdagstraat, maar smaller van profiel. De bebouwing aan het Jozef Israëlsplein bevat karakteristieke topgevels. TACO MESDAGSTRAAT en HERMAN COLLENIUSSTRAAT: vergelijkbaar met de H.W. Mesdagstraat en de Jozef Israëlsstraat, maar minder aangesloten gevelfronten door het stratenpatroon van de wijk. KRANEWEG: individuele herenhuizen en ensembles met een zeer gevarieerd architectuurbeeld: eclecticisme, neorenaissance, Art Nouveau, Amsterdamse School. CRITERIA NADERE TYPERING TE BESCHERMEN WAARDEN De Schildersbuurt is door de zorgvuldige samenhang tussen stedenbouw, architectuur en openbare ruimte van hoge kwaliteit, mede door het gevarieerde straatbeeld. Karakteristiek zijn de ruime profielen van straten en pleinen, de architectonische kwaliteit van de bebouwing en de samenhang hiervan met de stedenbouwkundige opzet. Het gevarieerde bebouwingsbeeld van aaneengesloten panden, strak in de rooilijn van rechte straten, heeft het oorspronkelijke karakter grotendeels behouden. Typerend zijn: de strakke rechthoekige stedenbouwkundige structuur van het zuidelijk deel, onderbroken door pleinen; de heldere aansluiting van de stedenbouwkundige structuur van het noordelijk deel op het zuidelijk deel en de architectonisch samenhangende bebouwing uit de periode 1913–1940; de contour van de voormalige Kranedwinger als restant van de historische vestingstructuur (Melkweg, Blekerstraat) de cultuurhistorische en architectonische waarde van de twee op dit terrein gelegen universiteitslaboratoria te midden van een parkachtige omgeving; de lineaire stroken arbeiderswoningen aan de Nieuwe Blekerstraat als restant van de vroegste, niet-planmatig opgezette ontwikkeling van de wijk; de profielen van de hoofdstraten (Westersingel, Kraneweg, H.W. Mesdagstraat, Jozef Israëlsstraat, Herman Colleniusstraat): bebouwing – erfafscheiding met stoepen en hekwerken – trottoir met boombeplanting – straat. het over het algemeen genomen tot in detail goed bewaard gebleven, vroeg-twintigste-eeuwse architectuurbeeld en de ensemblewaarde van gehele straatwanden, waarin neostijlen, eclecticisme, Art Nouveau en een strakke Amsterdamse School aanwezig zijn; de ensemblewaarde van bebouwing langs de H.W. Mesdagstraat, het H.W. Mesdagplein, de Jozef Israëlsstraat, het Jozef Israëlsplein en de Herman Colleniusstraat; de ensemblewaarde van de eclectische bebouwing aan de Westersingel en de ruimtelijke relatie met het Noorderplantsoen en de Westerhaven; de ensemblewaarde en het gedifferentieerde bebouwingsbeeld van de Kraneweg; de zicht-as over het H.W. Mesdagplein richting Reitdiep en watertoren; de zicht-as over de Westersingel richting Reitdiep en Noorderplantsoen; de cultuurhistorisch en architectonische waarde en de situering van de monumentale pakhuizen aan de Aweg in relatie met het Hoendiep; de stedenbouwkundig-historische waarde van het Reitdiep. AANWIJZING De Schildersbuurt is een gaaf voorbeeld van een stadswijk uit het begin van de twintigste eeuw, met een goed bewaard gebleven strakke stedenbouwkundige structuur en architectonisch samenhangende, gevarieerde bebouwing. De ruime profielen van de hoofdstraten en pleinen ondersteunen de ruimtelijke kwaliteit van de wijk, die als zodanig van belang is vanwege de stedenbouwkundige, architectuurhistorische en cultuurhistorische waarde. BESCHERMD STADSGEZICHT 4. ZUIDERPARK Inleiding De hier gepresenteerde samenvatting is gebaseerd op de ‘toelichting bij het besluit tot aanwijzing van het beschermde stadsgezicht Zuiderpark gemeente Groningen’. Voor de oorspronkelijke toelichting wordt verwezen naar groningen.nl/welstandsnota. De oorspronkelijke toelichting vormt uiteraard altijd het vertrekpunt voor het beschermingsbelang als onderdeel van de welstandstoets. Het Zuiderpark is een klein villagebied, grenzend aan de zuidzijde van de historische binnenstad van Groningen. Het wordt afgebakend door het Verbindingskanaal, de Hereweg, de Parklaan en de Oosterweg. Het villapark is planmatig opgezet en bestaat uit zes ongelijkvormige ‘velden’, voorzien van veel groen en bebouwd met diverse vrijstaande en dubbele villa’s. Een laan met aaneengesloten herenhuizen sluit het park in het zuiden af. De bebouwing werd in fasen uitgevoerd in de periode 1880-1905 en heeft tegenwoordig voor het merendeel een kantoorfunctie. Het beschermd stadsgezicht van de binnenstad vertegenwoordigt in principe één van de bouwperiodes, zoals die zijn onderscheiden voor de gebiedsgerichte criteria van de legenda van de stad, te weten: 1. Historische binnenstad. ONTWIKKELINGSSCHETS Het Zuiderpark wordt getekend door de vroegere buitengracht van een van de bastions van de vestingwerken. Het gebied is in 1880 opgehoogd met grond die bij de aanleg van het Verbindingskanaal vrijkwam. De grond werd in de vorm van een gering aantal percelen aan welgestelde bewoners verkocht. In datzelfde jaar werd een ruim verkavelingsplan opgesteld, waarin veel groenvoorzieningen waren opgenomen. Op ieder perceel mocht slechts één huis van ten minste 100 m2 worden gebouwd, bewoond door maximaal twee gezinnen. Er waren gedetailleerde gemeentelijke voorschriften opgesteld ten aanzien van de situering van de villa’s en de verhouding tussen bebouwd en onbebouwd. De kavels moesten door ijzeren hekken van de openbare weg worden afgescheiden. Het Zuiderpark onderscheidt zes velden met een tamelijk losse groepering van diverse vrijstaande en dubbele villa’s. De zes velden zijn opgedeeld in 17 te bebouwen percelen. De straten kregen een gebogen verloop. Direct na de verkoop van de percelen in 1880 werd de bouw van de villa’s ter hand genomen. De bebouwing kwam in drie fasen tot stand: 1880-1882, 1890-1895 en in de periode rond de eeuwwisseling. Na de Tweede Wereldoorlog is de oorspronkelijke woonfunctie voor circa 70% veranderd in een kantoorfunctie. In een paar gevallen zijn delen van de tuin opgeofferd aan parkeerplaatsen. In de jaren zestig van de twintigste eeuw is een villa gesloopt en vervangen door een kantoorgebouw. HUIDIG RUIMTELIJK KARAKTER EN BEBOUWINGSBEELD Het ruimtelijk karakter en bebouwingsbeeld van het villapark zijn zeer herkenbaar en gaaf bewaard gebleven. Kenmerkend is de driehoekige vorm van het gebied, waarin zes groene velden liggen, met daarop los gegroepeerd enkele of dubbele villa’s. De gebogen straten en de in het groen gegroepeerde villa’s geven het Zuiderpark een romantisch, parkachtig karakter. Kenmerkend is de verhouding tussen het bebouwde en onbebouwde terrein: villa – groen – openbare weg – groen – randbebouwing. In de loop van de Parklaan is de voormalige ‘vooruitgeschoven’ gracht van de vestingwerken te herkennen; de singelachtige bebouwing aan de westzijde van de Parklaan bestaat uit een nagenoeg aaneengesloten gevelwand van herenhuizen met twee bouwlagen, al dan niet met souterrain of kapverdieping; de bebouwing aan de Parklaan is nadrukkelijk gemaakt om het park visueel te scheiden van de daarachter liggende arbeidersbuurt; het bebouwingsbeeld is classicistisch en eclectisch, met veel gepleisterde gevels en een rijke ornamentiek van deur- en raamkozijnen, balkons en kroonlijsten; het oostelijk deel van de Parklaan bestaat uit een gesloten wand van herenhuizen met twee of drie bouwlagen en een kap; hier is de architectonische vormgeving sober, schoon metselwerk overheerst het gevelbeeld, afgewisseld met bepleisterde raamomlijstingen. het bebouwingsbeeld van de villa’s op de groene ‘eilanden’ wordt gekenmerkt door rechthoekige bouwvolumes van overwegend twee bouwlagen en een souterrain, al dan niet met afgeknotte kap; de bouwmassa’s zijn verlevendigd met serres, erkers, loggia’s en balkons; de bouwkundige ontwikkeling is af te lezen aan de diverse bouwstijlen: 1880-1882: neoclassicisme en eclecticisme; 1890-1895: neorenaissance; 1895-1905: Chalet-stijl, Art Nouveau. CRITERIA NADERE TYPERING TE BESCHERMEN WAARDEN De goed bewaarde villabebouwing en de groene eilandstructuur met gebogen stratenpatroon bepalen het hoogwaardige karakter van dit bijzondere villapark, dat werd aangelegd op de zuidelijke vestingterreinen. Het architectuurbeeld is bijzonder rijk en gaaf bewaard gebleven, wat heeft geleid tot de aanwijzing van een groot aantal monumenten in het gebied. De bebouwing is zeer gevarieerd en toont een staalkaart van bouwstijlen tijdens het fin de siècle. Kenmerkend zijn: de gaafheid van het ruimtelijk concept binnen de historische contouren van de voormalige zuidelijke vestingwerken, bestaande uit zes velden in een groene eilandstructuur; de eilandstructuur en de individuele setting van villa’s op ruime kavels met een grote variatie in architectuur; het ruime profiel: groene achtertuinen – villabebouwing – voortuinen, al dan niet met boombeplanting – ijzeren hekwerken als erfafscheiding – openbaar voetpad met boombeplanting; de rijke architectuur van een groot aantal villa’s; het scherpe contrast van het open parkachtige karakter van het villagebied met enerzijds de gesloten, in de rooilijn geplaatste bebouwing aan de Parklaan en anderzijds de openheid naar het Verbindingskanaal; de tuinen met bomen die de bouwmassa’s omringen en die in veel gevallen worden omzoomd door voor de bouwtijd karakteristieke hekwerken; de visuele relatie met het Verbindingskanaal en de verschillende zichtassen vanuit het park naar het Verbindingskanaal. AANWIJZING Het Zuiderpark is een gaaf voorbeeld van een villapark uit het laatste kwart van de negentiende eeuw, met een bijzonder ruimtelijk concept. Het concept is gebaseerd op de historische contouren van de voormalige zuidelijke vestingwerken, met een architectonisch samenhangende hoogwaardige bebouwing die een stijlkaart van bouwstijlen uit die periode vertegenwoordigt. Het Zuiderpark is van belang uit stedenbouwkundig, cultuurhistorisch, architectuurhistorisch en landschappelijk oogpunt. BESCHERMD STADSGEZICHT 5. OOSTERPOORT-OOST Inleiding De hier gepresenteerde samenvatting is gebaseerd op de ‘toelichting bij het besluit tot aanwijzing van het beschermde stadsgezicht Oosterpoort-Oost gemeente Groningen’. Voor de oorspronkelijke toelichting wordt verwezen naar groningen.nl/welstandsnota. De oorspronkelijke toelichting vormt uiteraard altijd het vertrekpunt voor het beschermingsbelang als onderdeel van de welstandstoets. De Oosterpoortwijk is gelegen ten zuidoosten van de historische binnenstad van Groningen en wordt begrensd door het Verbindingskanaal en de Oosterhaven in het noordwesten, het Winschoterdiep in het oosten, de Meeuwerderbaan in het zuidoosten en de Hereweg en de spoorlijn naar Zwolle in het westen en zuidwesten. De wijk wordt doorsneden door de Meeuwerderweg; het deel ten westen hiervan is gebouwd vanaf 1870, het deel ten oosten tussen 1890-1910. Vanwege de stedenbouwkundige betekenis, de gaafheid van het architectonische beeld en de betekenis voor de geschiedenis van de eind negentiende-eeuwse volkswoningbouw is het deel ten oosten van de Meeuwerderweg beschermd als stadsgezicht. Het stadsgezicht van de Oosterpoort vertegenwoordigt één van de periodes zoals die zijn onderscheiden voor de gebiedsgerichte criteria van de legenda van de stad, te weten: 3. Organisch ontwikkelde uitbreidingen uit de tweede helft van de negentiende eeuw. ONTWIKKELINGSSCHETS De Oosterpoort behoort tot de eerste grootschalige uitbreidingen buiten de zeventiende-eeuwse vestingterreinen van Groningen. De wijk is aangelegd voor arbeiders en kleine zelfstandigen. Het landelijke karakter dat het gebied tot 1850 kenmerkte, heeft uiteindelijk in grote mate de vorm en grootte van de ruimtelijke structuur bepaald. Particuliere grondeigenaren en ondernemers namen het initiatief tot de aanleg van staten, waarbij de gemeente voorwaarden stelde; als gevolg van de woningnood werd het negeren hiervan echter gedoogd. Vanaf 1898 kwam de Annastraat tot stand, in 1899 de Jan Gouveneurstraat, de Van Julsinghastraat en de Nieuwstraat. Het stratenpatroon volgde de oorspronkelijke gebogen sloten, die afwaterden op het Winschoterdiep. Het bouwproces bestond uit particuliere bouwplannen, waarmee een straat gaandeweg werd volgebouwd. Voor het gebied ten zuiden hiervan werd een door de gemeente vastgesteld stratenplan in de jaren 1898 -1899 uitgevoerd: de Verlengde Frederikstraat, het ruitvormige Frederiksplein, de verlengde Nieuwstraat, de Hendrikstraat, de Joachim Altinghstraat en de Van Sijsenstraat. Hier vond speculatie- of revolutiebouw plaats: goedkope woningen voor de verhuur. In 1909–1910 werd het meest zuidelijke deel ingevuld: de Van Sijsenstraat en de Nieuwstraat werden doorgetrokken tot de Meeuwerderbaan. In dit stratenpatroon is iets meer variatie aangebracht. Een deel van het blok tussen de Van Sijsenstraat en de Verlengde Nieuwstraat werd teruggelegd ten opzichte van de rooilijn, waardoor pleinvormige ruimtes zijn ontstaan. Door invoering van de Woningwet in 1901 werd de overheidsbemoeienis groter, waardoor een aantal collectieve blokken sociale woningbouw is ontstaan in het zuidoosten van de Oosterpoort. Hoewel kaalslag na de oorlog grotendeels is voorkomen, heeft een aantal blokken tussen het Winschoterdiep en de Nieuwstraat plaatsgemaakt voor nieuwbouw. Langs de Meeuwerderbaan is in 1969 voor de aanleg van de zuidelijke ringweg bebouwing gesloopt, terwijl een bouwblok aan de Paulus Lamanstraat in de jaren na 1980 vanwege de slechte bouwkundige staat is vervangen door nieuwbouw. HUIDIG RUIMTELIJK KARAKTER EN BEBOUWINGSBEELD Het ruimtelijk karakter en het bebouwingsbeeld van de Oosterpoort- Oost zijn zeer gaaf bewaard gebleven. Het noordelijke deel wordt bepaald door een vrij regelmatig stratenpatroon van veelal licht gebogen, oost-west lopende straten. Het kenmerkende straatprofiel bestaat uit: gesloten gevelwand – trottoir, al dan niet voorzien van