Welstandsnota gemeente Deventerwelstands - en reclamebeleid - 1 oktober 2014 de gemeente telt twee keer zoveel buren als burgers... Voorwoord Als u wilt bouwen of reclame wilt maken, krijgt u in veel gevallen te maken met het begrip ‘welstand’. Welstand heeft als doel een prettige leefomgeving te behouden en te versterken, door burgers vroegtijdig te laten kennismaken met de welstandscriteria en eventueel bouwplannen beter te laten afstemmen op deze criteria. U wilt natuurlijk zoveel mogelijk vrijheid bij het inrichten van uw erf, maar tegelijkertijd wilt u dat uw buren geen ontsierende gebouwen in de tuin zetten. Want wat de buren doen, is niet alleen bepalend voor de waarde van uw huis (of ander onroerend goed), maar bepaalt ook mede of u zich prettig voelt. In grote lijnen weet iedereen wat wel en niet acceptabel is. Dit biedt echter voor u (en voor de gemeente) onvoldoende houvast. Daarom is deze welstandsnota opgesteld. De criteria in deze nota spitsen zich toe op de plaatsing, de vorm, de kleur en het materiaalgebruik van een (nieuw) gebouw of reclame-uiting. Dit houdt niet in dat er overal even ‘zwaar’ wordt getoetst. Hoe meer privé des te meer vrijheid een burger heeft met zijn of haar bouwplan. In bepaalde gebieden, zoals de beschermde stads- en dorpsgezichten, zullen echter alle plannen aan de Planadviesraad Welstand, Monumenten en Beschermd Stadsgezicht (hierna Planadviesraad genoemd) worden voorgelegd. Naast de duidelijkheid die voorliggende nota over het onderwerp welstand moet bieden, waren de voorgaande welstandsnota’s (van Deventer en de voormalige gemeente Bathmen) toe aan een herziening. Er bestonden daarnaast veel aparte beleidsnota’s die nu in één rapport zijn ondergebracht. Het wordt zo een stuk overzichtelijker. Ten slotte luidt onze boodschap: raadpleeg voordat u een bouwplan opstelt, ook in het geval u geen vergunning nodig heeft, deze nota. Hoe deze nota werkt, leest u in het eerste hoofdstuk. 1.0Inleiding Dit hoofdstuk geeft antwoord op de volgende vragen: Waarvoor dient een welstandsnota? (paragraaf 1.1) Hoe verhoudt deze nota zich tot ander beleid? (paragraaf 1.2) Wanneer heeft u een vergunning nodig en welke welstandscriteria gelden er dan? (paragraaf 1.3) Waaruit bestaat een vergunningaanvraag? (paragraaf 1.4) Wat voor criteria zijn er in de nota opgenomen? (paragraaf 1.5) Wordt elk bouwplan even zwaar beoordeeld? (paragraaf 1.6) Hoe is deze nota opgebouwd? (paragraaf 1.7) 1.1Waarvoor dient een welstandsnota? Met deze nota wordt het behouden en versterken van de ruimtelijke kwaliteit van de gemeente Deventer beoogd. Bepalend voor de ruimtelijke kwaliteit zijn onder meer het uiterlijk van individuele gebouwen en bouwwerken, de kwaliteit van het totaalbeeld van de gebouwen en bouwwerken en de erfinrichting. De welstandstoets is een belangrijk instrument voor de sturing van deze kwaliteiten. De kwaliteit van het bebouwde gebied is door bewust en meestal zorgvuldig handelen van particulieren en overheid door de eeuwen heen ontstaan. Sinds een eeuw is deze zorg voor de architectonische kwaliteit ook nadrukkelijk een overheidstaak. Daarbij is het gemeentelijke welstandstoezicht het belangrijkste instrument geweest. Het bevorderen van de ruimtelijke kwaliteit is dan ook een onderwerp van permanente zorg en aandacht van het gemeentebestuur. In voorliggende welstandsnota heeft de gemeente het kader voor de welstandstoetsing vastgesteld, door middel van criteria waar nieuwe bouwplannen op grond van het aspect ‘welstand’ (het uiterlijk van een gebouw) aan moeten voldoen. In deze nota wordt met een bouwplan alleen een uitwendige aanpassing van een gebouw bedoeld, en niet inpandige verbouwingen. Naast een toetsingskader wil de gemeente potentiële indieners van bouwplannen en hun ontwerpers inspireren en uitdagen om plannen te ontwikkelen die de ruimtelijke kwaliteit van de gemeente ten goede komen. Naast criteria voor bouwplannen zijn er in deze nota ook richtlijnen opgenomen voor de inrichting van erven in het landelijk gebied. Reclame Reclame vormt een apart onderdeel in deze nota. Reclame komt door de hele gemeente voor, zij het dat er concentraties zijn in gebieden met veel detailhandel en andere bedrijvigheid. De reclamecriteria zijn daarom onderverdeeld in verschillende gebieden en bestemmingen. Op de reclamekaart (zie bijlage) zijn de gebieden weergegeven. De criteria zijn verwoord in hoofdstuk 5 van deze welstandsnota 1.2Hoe verhoudt deze nota zich tot ander beleid? Welstandsbeleid is eigenlijk de ‘finishing touch’ van het ruimtelijk beleid: het ligt in het verlengde van bestemmingsplannen en andere ruimtelijke beleidsstukken. Bestemmingsplan Het bestemmingsplan regelt onder meer de functie en het ruimtebeslag van bouwwerken. Bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan geeft, kunnen niet door welstandscriteria worden teniet gedaan. De architectonische vormgeving van bouwwerken valt buiten de reikwijdte van het bestemmingsplan en wordt exclusief door de welstandsnota geregeld. Het welstandsadvies kan zich richten op de gekozen invulling binnen de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. In een situatie waarin een bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan, kan toch een negatief welstandsadvies worden gegeven als de gekozen architectonische oplossing te sterk afbreuk doet aan de ruimtelijke beleving van het betreffende gebied. Uiteraard moet in zo’n geval de welstandsnota daartoe de argumentatie leveren. Voorbeeld Een klein voorbeeld kan de relatie tussenbestemmingsplanen welstandsnota wellicht verduidelijken. Als hetbestemmingsplaneengebouwvan 20 m hoog mogelijk maakt, kan de welstandstoets hier niets aan veranderen. Welstand kan tot het oordeel komen dat dit eigenlijk te hoog is, maar dat valt dan buiten haar competenties. Wel kan welstand vervolgens de uitgangspunten verwoorden voor de vormgeving van zo’n gebouw. Beeldkwaliteitsplannen bij nieuwe gebiedsontwikkeling De welstandsnota vormt ook het kader voor de welstandstoetsing bij nieuwe gebiedsontwikkelingen of herontwikkelingen, tenzij een nieuwe ontwikkeling sterk afwijkt van het geldende gebiedstype of de grootte van het gebied vraagt om een gedetailleerder toetsingskader. In dat geval kan voor het betreffende gebied een beeldkwaliteitsplan worden opgesteld. Het beeldkwaliteitsplan vormt, na vaststelling door de gemeenteraad, het kader voor de welstandstoetsing. In de ontwikkelfase van deze gebieden wordt de welstand aan de hand van het beeldkwaliteitsplan getoetst. In de lijn van de welstandsnota zullen deze criteria zo concreet en objectief mogelijk geformuleerd moeten worden. Dat geeft ontwikkelende partijen vooraf duidelijkheid. Zij zijn immers aan zet om binnen de criteria van welstand een bouwplan te ontwikkelen. De toetsing vindt plaats door de Adviesraad als onafhankelijk adviseur als de plannen gereed zijn. Het is daarom belangrijk om de Adviesraad om advies te vragen over de werkbaarheid van het beeldkwaliteitsplan voor de vaststelling ervan. Bij de vaststelling van het beeldkwaliteitsplan door de gemeenteraad zal ook vastgesteld moeten worden op welke wijze het ontwikkelde gebied na afloop van de ontwikkeling, in de beheerfase, wordt opgenomem op de welstandskaart. Daarvoor moet in het beeldkwaliteitsplan opgenomen worden wat de grenzen van het gebied zijn en welke gebiedscriteria van toepassing worden in de beheerfase. Monumentenbeleid Dan is er het monumentenbeleid van het Rijk, de provincie en de gemeente. Monumenten Voor het slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van beschermde monumenten (inclusief interieurdelen), of voor het zodanig herstellen of (laten) gebruiken van het monument waardoor het wordt ontsierd of in gevaar wordt gebracht, is een omgevingsvergunning vereist (artikel 2.1, lid 1, onder f, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht). Voordat een vergunning wordt afgegeven, zal de Planadviesraad om advies worden gevraagd. Bij de beoordeling van een monument worden in ieder geval betrokken de redegevende beschrijvingen uit het aanwijzingsbesluit, het bouwhistorisch rapport en het cultuurhistorisch waardeoverzicht. Het bouwhistorisch rapport is een indieningsvereiste voor de omgevingsvergunning. Beschermde stads- en dorpgezichten Een beschermd stads- of dorpsgezicht is een groep van objecten en gebouwen die van rijkswege (ingevolge de Monumentenwet 1988) of op grond van gemeentelijk beleid is beschermd. Het zijn gebieden met een hoge cultuurhistorische waarde. De aanwijzing als beschermd gezicht is verwerkt in een bestemmingsplan, doordat er ter plaatse meer eisen (regels) worden gesteld aan de rooilijn, de bebouwingsschaal en het bebouwingsbeeld van gebouwen. Algemeen uitgangspunt ten aanzien van een beschermd gezicht is het beschermen en zo mogelijk versterken van de cultuurhistorische en ruimtelijke waarden in het gebied. In een vanuit Rijkswege beschermd stads- of dorpsgezicht is het daarom verboden een bouwwerk zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders te verbouwen of (gedeeltelijk) af te breken. Alle bouwplannen in het van rijkswege aangewezen beschermd stadsgezicht waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, worden voorgelegd aan de Planadviesraad. In Deventer is de binnenstad vanuit het Rijk aangewezen als beschermd stadsgezicht. In het bestemmingsplan voor het beschermde stadsgezicht van Deventer zijn behalve zaken als de goot- en bouwhoogte ook criteria opgenomen voor de gevellijn, gevelbreedte en dergelijke. Voor het beschermd stadsgezicht van Deventer is het Beeldkwaliteitsplan ‘Kwaliteit voor ogen’ opgesteld. In het Beeldkwaliteitsplan ‘Kwaliteit voor ogen’ worden de specifieke kwaliteiten van de binnenstad uiteengezet en worden de criteria voor alle bouwwerken benoemd. Het Beeldkwaliteitsplan ‘Kwaliteit voor ogen’ moet daarom worden gezien als onderdeel van deze welstandsnota. Voor het Beeldkwaliteitsplan ‘Kwaliteit voor ogen’ klikt u hier. In de bijlage is een kaart opgenomen waarin alle beschermde gezichten zijn aangegeven. In het welstandbeleid geldt voor de beschermde gezichten bijzondere toetsing (niveau 1). In de praktijk betekent het voor de aanvrager dat bij de beoordeling van een bouwplan extra wordt gekeken naar de aanwezige waarden en of het bouwplan past in het beschermde gezicht. De redengevende omschrijvingen van de beschermde gezichten zijn opgenomen in de bijlagen. Alle plannen in de beschermde gezichten worden voorgelegd aan de Adviesraad Welstand. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Op 1 oktober 2010 zijn de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit omgevingsrecht (Bor) in werking getreden. Met deze wet heeft de Tweede Kamer de mogelijkheden voor vergunningvrij bouwen vergroot. De Wabo en het Bor geven aan welke bouwplannen (en welke andere activiteiten) vergunningplichtig zijn en vormen daarmee de basis voor de welstandstoetsing. Alleen vergunningplichtige bouwwerken kunnen namelijk vooraf door de gemeente op welstand worden getoetst. Algemeen Plaatselijke Verordening In de Algemeen Plaatselijke Verordening (APV) zijn gemeentelijke regels vastgelegd over onder andere de openbare orde en veiligheid. Onderdeel hiervan vormen zaken die gaan over (incidenteel) particulier gebruik van de openbare ruimte, bijvoorbeeld terrassen, uitstallingen en reclame. Voor het aanbrengen van reclame is een omgevingsvergunning ‘activiteit handelsreclame’ vereist. Echter, in veel gevallen is het aanbrengen van reclame door het geheel van de constructie tevens een bouwactiviteit. In dat geval is een omgevingsvergunning voor zowel de ‘activiteit bouw’ als ‘activiteit handelsreclame’ vereist. Wat betreft het onderdeel reclame zijn in deze welstandsnota aanvullende criteria geformuleerd. 1.3Wanneer heeft u een vergunning nodig en welke welstandscriteria gelden er dan? In het schema op de volgende pagina wordt weergegeven op welke manieren de welstandstoetsing kan plaats vinden. Afhankelijk van het type bouwwerk, dient u als burger of bedrijf een bouwplan in bij de gemeente. Er worden drie typen bouwplannen onderscheiden. Deze worden in het navolgende toegelicht. Vergunningvrije bouwwerken (artikel 2, bijlage II van het Bor) De eerste categorie bouwplannen zijn de kleinschalige ingrepen in het achtererfgebied, het plaatsen van dakramen, zonnepanelen en dergelijk. In alle gevallen zijn er echter op grond van het Bor voorwaarden aan verbonden, met name over de omvang! Het bestemmingsplan vormt voor deze categorie bouwwerken geen toetsingskader. Ook gelden er geen welstandscriteria. Vergunningvrije bouwwerken onder voorwaarden (artikel 3, bijlage II van het Bor) Onder deze categorie vallen de bouwplannen die vergunningvrij zijn als ze voldoen aan de voorwaarden uit artikel 3, bijlage II van het Bor en passen binnen de regels van het geldende bestemmingsplan (of andere planologische regeling). Dergelijke bouwplannen worden ook niet vooraf door de gemeente op welstand getoetst (met uitzondering van dakkapellen in het voordakvlak). Op verzoek kan het plan wél worden getoetst. Er zijn namelijk wel criteria voor kleine bouwplannen opgesteld (zie hoofdstuk 2). U wordt aanbevolen deze criteria vooraf te raadplegen. De regels met betrekking tot onder meer veiligheid en gezondheid uit het Bouwbesluit en het burenrecht zoals vastgelegd in het Burgerlijk Wetboek gelden ook nog steeds. Als u gaat (ver)bouwen moet u er dus zelf voor zorgen dat u aan deze regels voldoet. Vergunningplichtige bouwwerken Is het plan niet vergunningvrij, dan is er sprake van een ‘regulier’ bouwplan en moet er een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk worden aangevraagd (hierna te noemen ‘vergunning’). Dergelijke plannen worden door de gemeente aan verschillende beleidsdocumenten en wet- en regelgeving getoetst. In ruimtelijk opzicht is het bestemmingsplan een belangrijk document (zie paragraaf 1.2). Daarnaast zal het bouwplan worden getoetst aan de criteria voor kleine bouwplannen of de gebiedscriteria (of eventueel de algemene criteria) uit deze welstandsnota. Bij het beoordelen van een bouwplan kijkt de gemeente of de criteria in acht zijn genomen zoals die in deze nota zijn vastgelegd. Als een plan voor de realisatie van een woning op één of meerdere onderdelen in strijd is met de gebiedscriteria, zal het plan worden voorgelegd aan de Adviesraad Welstand. Deze zal het plan in relatie tot de omgeving nader beoordelen. Ook plannen voor bijzondere gebouwen, zoals scholen, zorgcentra e.d. worden aan de Adviesraad Welstand voorgelegd. Als het plan voldoet aan ‘redelijke eisen van welstand’ en voldoet aan overige (beleids) regels zal de vergunning afgegeven worden. Voldoet het daar niet aan, dan is het plan – afgezien van de mogelijkheid tot aanhouding – niet akkoord. Het is daarom van belang om in een vroeg stadium de welstandsnota te raadplegen, zodat u niet achteraf voor verassingen komt te staan. Als u toch een bouwwerk realiseerd die niet voldoet aan de criteria, kan de gemeente handhavend optreden! Dat wil zeggen dat de gemeente eist dat het bouwwerk aangepast of gesloopt moet worden. Voorbeeld Een klein voorbeeld kan de relatie tussen bestemmingsplan en welstandsnota wellicht verduidelijken. Als het bestemmingsplan een gebouw van 20 m hoog mogelijk maakt, kan de welstandstoets hier niets aan veranderen. Welstand kan tot het oordeel komen dat dit eigenlijk te hoog is, maar dat valt dan buiten haar competenties. Wel kan welstand vervolgens de uitgangspunten verwoorden voor de vormgeving van zo’n gebouw. Bouwplannen van hoge architectonische waarde Er zijn bouwplannen die niet voldoen aan de gebiedsgerichte criteria, maar van een zodanige kwaliteit zijn dat de gemeente hier toch een positief advies over zou willen geven. De Adviesraad Welstand kan in zo’n geval gemotiveerd en schriftelijk adviseren af te wijken van de gebiedsgerichte criteria. In de praktijk betekent dit dat het betreffende plan ook op grond van de criteria voor architectonische kwaliteit wordt beoordeeld en dat de bijzondere schoonheid van het plan aan de hand hiervan overtuigend kan worden aangetoond. Het niveau van ‘redelijke eisen van welstand’ ligt in deze gevallen uiteraard hoog. Het is immers redelijk dat er hogere eisen worden gesteld aan de zeggingskracht en het architectonisch vakmanschap naarmate een bouwwerk zich sterker van zijn omgeving onderscheidt. Deze criteria zijn verwoord in hoofdstuk 6 van deze welstandsnota. Excessenregeling Ten slotte kunnen ook achteraf gebouwen die in extreme mate afwij- ken van de normale gang van zaken (excessen) worden onderworpen aan een beoordeling. Het moet dan gaan om bouwwerken waarvan de negatieve invloed op de omgeving breed wordt gedragen. Vaak heeft dit betrekking op vermeend vergunningvrije bouwwerken met een storende uitwerking op de omgeving door slecht materiaalgebruik, sterk afwijkend of contrasterend kleurgebruik of te opvallende of ondoelmatige reclame-uitingen et cetera. Deze excessenregeling voorziet dan achteraf in het ongedaan maken of herstellen van de schadelijke gevolgen van het betreffende bouwwerk. Burgemeester en wethouders kunnen de eigenaar aanschrijven en het bouwwerk laten verwijderen of aanpassen. Om te voorkomen dat men achteraf wordt geconfronteerd met de excessenregeling, kan de eigenaar van het te bouwen vergunningvrije bouwwerk toch laten toetsen door welstand, de vrijwillige welstandstoets (zie hoofdstuk 7). 1.4Waaruit bestaat een vergunningaanvraag? De aanvraag voor een vergunning dient vergezeld te gaan van ondersteunend materiaal, dat in woord en beeld voldoende inzicht geeft in de voorgenomen bouwwerkzaamheden. Vanzelfsprekend is de diepgang van dit ondersteunende materiaal afhankelijk van het belang van het bouwwerk. Het materiaal moet - en dit is ter beoordeling aan de Adviesraad Welstand - op overtuigende wijze aantonen dat het plan voldoet aan de criteria en dat het een uitwerking is van het beleid dat in deze nota door de gemeenteraad is vastgelegd. Om welk materiaal het gaat, is vastgelegd in de Regeling omgevingsrecht (Mor). Wanneer een bouwplan in het kader van het zogenaamde vooroverleg wordt aangeboden ter advisering, dienen daarbij door de planindiener de gegevens te worden aangeleverd zoals die op de gemeentelijke checklist indieningsvereisten bij vooroverleg zijn vermeld. 1.5welke criteria zijn er in de nota opgenomen? Voorliggende welstandsnota maakt onderscheid in vier soorten criteria: de criteria voor kleine bouwplannen, de gebiedscriteria, de algemene criteria en de reclamecriteria. Tevens worden in hoofdstuk 4 richtlijnen gegeven voor de inrichting van erven in het landelijk gebied. Criteria voor kleine bouwplannen Deze criteria zijn opgesteld voor veel voorkomende kleine bouwwerken en een aantal bijzondere bouwwerken. Ze zijn van belang voor aan- en uitbouwen, bijgebouwen in het stedelijk gebied, overkappingen, kozijn- en gevelwijzigingen, dakkapellen, dakopbouwen en antenne-installaties, zonnepanelen en woonwagens. Deze criteria hebben alleen betrekking op de vorm, de maatvoering, het materiaalgebruik en de kleur van het bouwwerk. De criteria voor kleine en bijzondere bouwwerken zijn voor het gehele gemeentelijke grondgebied gelijk. Gebiedscriteria De gebiedscriteria gelden voor de ‘reguliere’ bouwplannen en zijn verschillend per gebied. Het gemeentelijke grondgebied is in deze nota ingedeeld in zogenaamde ‘gebiedstypen’, zoals lintbebouwing, historisch centrum en wederopbouw in het stedelijk gebied en rivierenlandschap, het oude cultuurlandschap en het jonge ontginningenlandschap in het landelijk gebied. Een gebiedstype vertoont samenhang in de verschijningsvorm van de bebouwing, in de stedenbouwkundige opzet of in het type landschap. De gebouwen in een dergelijk gebied zijn voor een groot deel in dezelfde tijd gebouwd. Het gehele grondgebied van de gemeente is op deze manier ingedeeld. Op de welstandskaart is te zien tot welk type gebied een bepaalde locatie behoort. De gebiedscriteria dagen de planindieners uit zich bij het ontwerpen te laten inspireren door de beschreven kenmerken van de omgeving. Het is aan de indieners van bouwplannen om hun aanvraag te laten vergezellen van deugdelijk materiaal waarmee zij op overtuigende wijze aantonen aan de criteria te hebben voldaan. Algemene criteria (hardheidsclausule) Het kan voorkomen dat een plan niet voldoet aan de gebiedscriteria of deze niet toereikend zijn (bijvoorbeeld bij een bijzondere functie of in het geval van bijzondere architectonische ontwerpen). De Adviesraad Welstand kan echter van oordeel zijn dat het plan een positieve bijdrage levert aan de betreffende omgeving. Er kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een plan met gevels van een afwijkend materiaal dat wel perfect past in de maat en schaal van de omgeving. Daarom zijn in de nota algemene criteria opgenomen. De Adviesraad Welstand kan burgemeester en wethouders op grond van de algemene criteria adviseren toch met een plan akkoord te gaan. Er zijn in deze nota zoveel mogelijk concrete criteria gehanteerd, zodat er geen twijfel over bestaat wat wordt bedoeld. Middels een begrippenlijst achter in deze nota worden de termen gedefinieerd en soms voorzien van beeldmateriaal. Woorden die zijn opgenomen in de begrippenlijst zijn in de tekst onderstreept. Er komen desondanks criteria voor die niet bestaan uit absoluut geformuleerde regels. Bijvoorbeeld in het geval van kleurgebruik. Een absoluut criterium is weliswaar eenvoudig toetsbaar, maar is ook zeer dwingend. Het laat geen enkele ruimte voor creativiteit of eigen inbreng bij initiatiefnemer of ontwerper, het staat zelfs geen geringe afwijking toe. Daarom zijn bepaalde criteria voor interpretatie vatbaar. Ten aanzien van criteria waarin maatvoeringen zijn opgenomen, mag in de praktijk maximaal 10% van de maatvoering worden afgeweken. Reclamecriteria In deze nota zijn ook criteria opgenomen voor reclame-uitingen, zowel voor gevelreclame als voor vrijstaande reclame. Het doel daarvan is de ruimtelijke kwaliteit van een omgeving te waarborgen. Erfinrichtingsrichtlijnen Voor het landelijk gebied wordt naast de verschijningsvorm van bebouwing nadrukkelijk stilgestaan bij de inrichting van erven, omdat de erfinrichting voor de ruimtelijke kwaliteit zeer bepalend is. Bij een omgevingsvergunning gelden de ‘richtlijnen’ als inspiratiebron voor initiatiefnemers. Echter bij bestemmingsplanwijzigingen kunnen de richtlijnen worden gezien als gemeentelijk beleid en kan de gemeente aanvragers erop wijzen om aan deze richtlijnen te voldoen. De erfinrichtingsrichtlijnen zijn ook opgenomen om juist ruimte te bieden aan ondernemers/ agrariërs, omdat met een goede landschappelijke inpassing de 1.6Wordt elk bouwplan even zwaar beoordeeld? Het antwoord daarop is nee. In deze nota wordt namelijk onderscheid gemaakt in twee niveaus. Deze niveaus hebben te maken met de waarde die aan een gebied wordt gehecht. Langs bijvoorbeeld de uitvalswegen waar veel verkeer rijdt of publiek komt, wordt extra kritisch naar een bouwplan gekeken. Dit geldt bijvoorbeeld ook op cultuurhistorisch waardevolle plekken in het buitengebied. In het navolgende komen de twee niveaus aan bod. Niveau 1: bijzondere toetsing Op de kaart bijzondere toetsing en de kaart met beschermde stads- en dorpsgezichten zijn bepaalde wegen en gebieden van een specifieke aanduiding of arcering voorzien. De bouwplannen in deze gebieden zullen extra zwaar worden getoetst. Er gelden geen andere criteria voor de gebouwen, maar het is richting initiatiefnemers en plantoetsers een teken om op te letten. Alle plannen in het gebied waar een zwaardere toetsing geldt, zullen door de Planadviesraad of Adviesraad worden beoordeeld en in uitzonderlijke gevallen door de secretaris van de Planadviesraad. Bij de beoordeling van bouwplannen in deze gebieden zal nog meer de context van een plan in beeld moeten worden gebracht. Daarmee kan de Planadviesraad beoordelen of het bouwplan zich goed voegt in de omgeving. De algemene criteria (zie hoofdstuk 6) zullen naast de gebiedscriteria altijd van toepassing zijn. Niveau 2 : reguliere toetsing Deze toetsing beoogt minimaal de handhaving van de huidige kwaliteit van een gebied. Dat betekent voor nieuwe plannen, wijzigingen en toevoegingen dat deze moeten passen in de omgeving. Het overgrote deel van de bouwplannen wordt op dit (normale) niveau getoetst. De reguliere welstandstoets vindt in principe ambtelijke plaats. In uitzonderlijke gevallen zoals bij politieke gevoeligheid, belangenverstrengeling, partijdigheid of bij gebleken strijdigheid met de welstandscriteria uit deze nota, wordt advies gevraagd aan de Planadviesraad of diens gemandateerde. In alle gevallen kan op verzoek van de aanvrager, het college of ambtelijk toetser advies over een bouwplan worden gevraagd aan de Planadviesraad of diens gemandateerde. Daarnaast voldoet een bouwplan aan redelijke eisen van welstand als het overeenkomt met een trendsetter. We spreken van een trendsetter als: het bouwplan overeenkomt met eenzelfde bouwplan dat in de nabije omgeving of in dezelfde straat en bij eenzelfde gebouw/woning type in de afgelopen vijf jaar en met positief welstandsadvies is gerealiseerd of; er wordt aangesloten bij het goedgekeurde ontwerp van de architect van het oorspronkelijk bouwproject. 1.7Hoe is deze nota opgebouwd? De nota bestaat uit zeven hoofdstukken. In de navolgende hoofdstukken wordt het welstandsbeleid van de gemeente vertaald naar criteria. Hoofdstuk 2 bevat de criteria voor kleine bouwplannen. In hoofdstuk 3 komen per gebiedstype de gebiedscriteria voor het stedelijk gebied aan bod. Hetzelfde volgt in hoofdstuk 4 voor het landelijk gebied. Vervolgens wordt in hoofdstuk 5 ingegaan op de reclamecriteria en staan in hoofdstuk 6 de algemene criteria. In het laatste hoofdstuk is de excessenregeling opgenomen. 2.0Criteria voor kleine en bijzondere bouwplannen De gemeente heeft voor veel voorkomende kleine bouwplannen zulke heldere en meetbare eisen opgesteld, dat er geen misverstand over kan bestaan hoe er moet worden gebouwd om aan de welstandseisen te voldoen. Hiermee kan de afhandeling van deze bouwplannen eenvoudig verlopen. De criteria kunnen niet of nauwelijks individueel geïnterpreteerd worden en zijn daarmee niet voor discussie vatbaar. Een welstandstoets vindt niet plaats bij vergunningvrij bouwen. Desondanks kan de gemeente van mening zijn dat er sprake is van een extreem afwijkend gebouw dat kan worden aangeduid als een exces. De gemeente kan dan op grond van de Woningwet de eigenaar verplichten het bouwwerk aan te passen of te slopen. Om dit soort situaties te voorkomen is het verstandig om als initiatiefnemer van een bouwplan de criteria voor kleine bouwplannen wel vooraf te raadplegen. Voldoet uw bouwwerk daaraan dan zal er geen sprake zijn van een exces. Genoemde criteria kunnen nooit in de plaats treden of tot een wijziging leiden van de regels in het ter plaatse geldende bestemmingsplan. De criteria voor kleine en bijzondere bouwplannen zijn vooral opgesteld voor de bouwplannen in de gebieden waarop de reguliere toetsing van toepassing is. Voor panden binnen de beschermde stads- en dorpsgezichten en panden langs de wegen die op de kaart in rood zijn weergegeven geldt een bijzondere toetsing, deze plannen worden eveneens getoetst aan de hand van de gebiedscriteria. Wanneer sprake is van een monument is een omgevingsvergunning vereist en vindt de beoordeling plaats in het kader van die vergunning. De in dit hoofdstuk genoemde criteria kunnen dan enkel gelden als een leidraad. Veel voorkomende kleine bouwplannen Voor de volgende veel voorkomende bouwplannen zijn specifieke criteria opgesteld: Bijbehorende bouwwerken (aan- of uitbouwen, bijgebouwen, overkappingen); Kozijn- of gevelwijzigingen; Dakkapellen; Erf- of perceelsafscheidingen (grenzend aan openbaar toegankelijk gebied); Zonnecollectoren en -panelen. Veel voorkomende bijzondere bouwplannen Dakopbouwen; Antenne-installaties, schotels en masten; Woonwagens op woonwagenkampen. Systematiek Bij de criteria wordt onderscheid gemaakt tussen de voor- en achterkant van woningen. De voorkant is de voorgevel en de zijgevel, voor zover gelegen aan de weg of ander openbaar toegankelijk gebied. De achterkant is de achtergevel en de zijgevel die niet aan de weg of openbaar toegankelijk gebied grenst. Naar inhoud hebben de criteria, indien van toepassing, betrekking op de volgende aspecten: plaatsing; maatvoering; vormgeving; materiaalgebruik en kleur. Werkwijze Per categorie wordt een overzicht gegeven hoe burgemeester en wethouders met de welstandstoets aan de hand van de criteria voor kleine bouwplannen kunnen omgaan. Voldoet het bouwplan niet aan de daarvoor in dit hoofdstuk opgenomen criteria, dan wordt getoetst aan de voor het bouwplan geldende gebiedscriteria. Ook kan er voor worden gekozen om aan te sluiten bij een trendsetter. We spreken van een trendsetter als: het bouwplan overeenkomt met eenzelfde bouwplan dat in de nabije omgeving of in dezelfde straat en bij eenzelfde gebouw/woning type in de afgelopen vijf jaar en met positief welstandsadvies is gerealiseerd of; er wordt aangesloten bij het goedgekeurde ontwerp van de architect van het oorspronkelijk bouwproject. De hieronder vermelde bouwactiviteiten - voor zover (bouw) omgevingsvergunningplichtig - voldoen aan redelijke eisen van welstand als bedoeld in artikel 12 van de Woningwet indien ten minste wordt voldaan aan onderstaande criteria: AAN- OF UITBOUWEN Op de grond staand bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan op het voorerf of op het aan het openbaar toegankelijk gebied grenzende zijerf Criteria Plaatsing aangebouwd tegen de voorgevel van het hoofdgebouw of tegen een naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijgevel van het hoofdgebouw, dan wel tegen een bijbehorend bouwwerk; Maatvoering hoogte ten hoogste 0,3 m boven de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw; hoogte borstwering overeenkomstig borstwering in de gevel waaraan wordt gebouwd boeiboord niet hoger dan 0,3 m, tenzij aangesloten wordt op een bestaande hogere maat; Vormgeving plat afgedekt; vormgegeven met een rechthoekige plattegrond; gevelindeling afgestemd op de architectuur van het hoofdgebouw; detaillering afgestemd op die van het hoofdgebouw; Materiaal-/en Kleurgebruik afgestemd op dat van het hoofdgebouw; gevelbekleding, afgestemd op de architectuur van het hoofdgebouw; gevels bestaan voor ten minste 20% van de totale geveloppervlakte uit openingen/glasvlak; bij tussenwoningen een dichte muur op erfgrens (muurdam) of met behulp van scheidende penant; geen felle kleuren. AAN- OF UITBOUWEN Op de grond staand bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan op het achtererf of op het niet aan het openbaar toegankelijk gebied grenzende zijerf Criteria Plaatsing aangebouwd tegen de achter- of zijgevel van het hoofdgebouw, dan wel tegen een bijbehorend bouwwerk; Maatvoering hoogte ten hoogste 0,3 m boven de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw; boeiboord niet hoger dan 0,3 m, tenzij aangesloten wordt op een bestaande hogere maat; Vormgeving plat afgedekt, met dien verstande dat een serre afgedekt mag zijn met een dak met een dakhelling tot 15°; vormgegeven met een rechthoekige plattegrond; gevelindeling afgestemd op de architectuur van het hoofdgebouw; detaillering afgestemd op die van het hoofdgebouw; Materiaal-/en Kleurgebruik afgestemd op dat van het hoofdgebouw; gevelbekleding afgestemd op de architectuur van het hoofdgebouw; bij tussenwoningen een dichte muur op erfgrens (muurdam) of met behulp van scheidende penant; geen felle kleuren. BIJGEBOUWEN OF OVERKAPPINGEN Op de grond staand bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan op het voorerf of op het aan het openbaar toegankelijk gebied grenzende zijerf Criteria Plaatsing vrijstaand; Maatvoering hoogte ten hoogste 0,3 m boven de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw; boeiboord niet hoger dan 0,3 m tenzij aangesloten wordt op een bestaande hogere maat; Vormgeving vormgegeven met een rechthoekige plattegrond; overkapping vormt een overdekte ruimte zonder, dan wel met ten hoogste één wand; bij een aangebouwde overkapping wordt de wand of wanden waar tegenaan gebouwd wordt gezien als één of meerdere wanden; gevelindeling afgestemd op de architectuur van het hoofdgebouw; detaillering afgestemd op die van het hoofdgebouw. Materiaal-/en Kleurgebruik afgestemd op dat van het hoofdgebouw; gevelbekleding, afgestemd op de architectuur van het hoofdgebouw; geen felle kleuren. BIJGEBOUWEN OF OVERKAPPINGEN Op de grond staand bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan op het achtererf of op het niet aan het openbaar toegankelijk gebied grenzende zijerf Criteria Plaatsing vrijstaand; Maatvoering hoogte ten hoogste 0,3 m boven de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw; boeiboord niet hoger dan 0,3 m tenzij aangesloten wordt op een bestaande hogere maat; Vormgeving overkapping vormt een overdekte ruimte zonder, dan wel met ten hoogste één wand; bij een aangebouwde overkapping wordt de wand of wanden waar tegenaan gebouwd wordt gezien als één of meerdere wanden; Materiaal-/en Kleurgebruik afgestemd op dat van het hoofdgebouw; gevelbekleding afgestemd op de architectuur van het hoofdgebouw; geen felle kleuren. KOZIJN- OF GEVELWIJZIGINGEN in de voorgevel of in de aan het openbaar toegankelijk gebied grenzende zijgevel Criteria Maatvoering profielmaten afgestemd op die van het hoofdgebouw; De oorspronkelijke neggematen blijven gehandhaafd; Vormgeving afmetingen van de bestaande gevelopeningen blijven gehandhaafd; Profielen van ramen en kozijnen afgestemd op die van het hoofdgebouw. Materiaal-/en Kleurgebruik geen felle kleuren; Dakopbouwen Criteria Een omgevingsvergunningplichtige dakopbouw voldoet in ieder geval aan redelijke eisen van welstand in de volgende gevallen: er wordt aangesloten bij een trendsetter in dezelfde straat, bij hetzelfde woningtype en die is gerealiseerd in de laatste vijf jaar met een verleende bouw- of omgevingsvergunning, of er wordt aangesloten bij het goedgekeurde ontwerp van de dakopbouw van de ontwerper van de oorspronkelijke woning of het oorspronkelijke bouwproject. DAKKAPELLEN Criteria Plaatsing in het geval van meerdere dakkapellen in hetzelfde bouwblok is de hoogte tussen de onder- en bovenkant van de dakkapel (hoogtemaatvoering) in het dakvlak overeenkomstig de trendsetter; minimaal 1 m dakvlak aan de bovenzijde en aan weerszijden (bij hoekkepers 0,5 m aan de bovenzijde en bij kilkepers 0,5 m aan de onderzijde van de dakkapel gemeten), en tussen 0,5 en 1 m aan de onderzijde van de dakkapel (alle maten verticaal gemeten); gekoppelde dakkapellen over maximaal twee woningen zijn toegestaan. In dat geval moet de detaillering en maatvoering van de dakkapellen gelijk zijn; bij een dwarskap is de afstand tot de voorgevel meer dan 1 m; niet meer dan één dakkapel per dakvlak; op bijgebouwen geen dakkapellen; Maatvoering breedte 50% van de breedte van het dakvlak met een maximum van 3 m aan de voorzijde; hoogte maximaal 1,5 m; overstekken afgestemd op de architectuur en detaillering van het hoofdgebouw; boeiboord niet hoger dan 0,3 m, tenzij aangesloten wordt aan een bestaande hogere maat; Vormgeving plat afgedekt of aangekapt in het geval van rieten kappen; indeling en profielen van kozijnen afgestemd op de architectuur van het hoofdgebouw; geen borstwering; detaillering afgestemd op die van het hoofdgebouw. Materiaal-/en Kleurgebruik afgestemd op dat van het hoofdgebouw; voorzijde geheel voorzien van ramen; geen felle kleuren. ERF- OF PERCEELAFSCHEIDINGEN Criteria Plaatsing geplaatst op de erfgrens, dan wel ten hoogste 0,3 m uit de erfgrens indien dat plaatsvindt met het oog op het aanbrengen van beplanting; Materiaal-/ en kleurgebruik afgestemd op dat van het hoofdgebouw; geen felle kleuren; geen golf-, beton- of damwandprofielplaten, rietmatten of vlechtschermen. ZONNECOLLECTOREN EN –PANELEN Criteria Plaatsing op schuine dakvlakken, binnen het dakvlak, conform de dakhelling van het dakvlak, zo vlak mogelijk en lijnvormig op het dakvlak; op een plat dak, ten minste 1 m achter de dakrand; ANTENNE-INSTALLATIES, SCHOTELS EN MASTEN Criteria Plaatsing vrijstaande masten: Langs grote verkeerswegen, bij parkeerplaatsen; benzinestations, knooppunten en viaducten. Het betreft hier dus situaties waar reeds van een concentratie van activiteiten sprake is, of situaties waar de schaal van de bestaande bebouwing vergelijkbaar is met die van antennemasten. Masten kunnen in sommige situaties ook als een baken gezien en ontworpen worden; op gebouwen, ten minste 1 m uit de dakrand vanaf de openbare ruimte gezien; Materiaal-/ en kleurgebruik gedekte kleuren of lichtgrijze tinten die goed bij de omgeving aansluiten; Vormgeving Slanke vormgeving zonder onnodige details, bij voorkeur in 'vakwerk' uitgevoerd; WOONWAGENS OP WOONWAGENKAMPEN Criteria Maatvoering gevelindeling en detaillering afgestemd op die van de overige woonwagens ter plaatse; Materiaal- en kleurgebruik afgestemd op dat van de overige woonwagens; geen felle kleuren. 3.0Gebiedscriteria stedelijk gebied 3.1De stedelijke deelgebieden In deze paragraaf volgt eerst een uiteenzetting van de opbouw van dit hoofdstuk. Daarbij wordt ingegaan op de gebiedsindeling, de gebiedsbeschrijvingen, het welstandsbeleid en de welstandscriteria. Gebiedsindeling Het gemeentelijke grondgebied is ten behoeve van deze welstandsnota opgedeeld in verschillende gebieden, wat heeft geresulteerd in de welstandskaart. Voor het stedelijk gebied (de stad Deventer en de dorpen) is de indeling in grote lijnen bepaald op basis van overeenkomsten in de verschijningsvorm van de bebouwing en de stedenbouwkundige opzet. Soms is er echter sprake van een gebied dat wordt gekenmerkt door verscheidenheid, waardoor de begrenzing van een gebied juist door deze eigenschap is bepaald. Een exacte methodiek is echter niet voorhanden, omdat er meestal sprake is van ruimtelijke overlap tussen gebiedstypen en er soms versnipperd bebouwing met een afwijkende verschijningsvorm in een gebied voorkomt. Het ‘stedelijk’ grondgebied van de gemeente Deventer wordt in deze welstandsnota verdeeld in de volgende gebieden (gebiedstypen): Historisch centrum Deventer stad Historische dorpsgebieden Lintbebouwing Mozaïek Jaren ’20-’30 - tuindorpen Wederopbouw Stempel stedenbouw - traditionele blokverkaveling Woonerven Thematische bebouwing Bedrijventerreinen Solitaire bebouwing De aanwijzing van de gebiedstypen is met name gericht op de toekomst en geeft antwoord op de vraag: wat is bij nieuw- of verbouw passend op deze locatie? De indeling is niet alleen tot stand gekomen op grond van de huidige verschijningsvorm van de bebouwing, maar geeft vooral de gewenste richting aan. In de bijlagen is de welstandskaart opgenomen. Gebiedsbeschrijving Per gebiedstype wordt eerst kort uiteengezet om welk gebied het gaat en waar deze in de gemeente voorkomt. Vervolgens zullen de voor het beeld bepalende kenmerken van de bebouwing, waarmee het gebied zich onderscheidt van andere gebieden, aan bod komen. Deze kenmerken kunnen te maken hebben met de positie van de bebouwing op de kavel, de massa en vorm van de bebouwing, de nokrichting, de architectonische kenmerken van de gevels, de detaillering en de kleur- en materiaaltoepassing. Welstandsbeleid Op basis van de gebiedsbeschrijving en de waardering wordt het welstandsbeleid geformuleerd. Daarin wordt kort uiteengezet welk bebouwingsbeeld de gemeente voor een bepaald gebied voor ogen heeft. Soms kan dat vooral behoud van het bestaande betekenen, maar een andere keer is juist expliciet gekozen voor ruimte voor creativiteit en vernieuwing. Openbare ruimte Per gebied wordt tevens een beschrijving van de openbare ruimte gegeven. De openbare ruimte bepaalt in grote mate de uiteindelijke sfeer in een gebied. Vanwege de belangrijke betekenis van de openbare ruimte wordt er een streefbeeld neergezet, waarin de uitgangspunten voor de inrichting van de openbare ruimte worden benoemd. Welstandscriteria De welstandscriteria waaraan de bouwplannen worden getoetst, zijn een resultante van de gebiedsbeschrijving, de waardering en het geformuleerde welstandsbeleid. Bij de criteria wordt onderscheid gemaakt in plaatsing, vorm, detaillering, materiaal en kleur: Plaatsing Hiermee wordt de ligging van de gebouwen op het perceel of ten opzichte van de weg en de omliggende bebouwing bedoeld. Het gaat hier dus om stedenbouwkundige aspecten. Daarbij is echter het bestemmingsplan richtinggevend. Vorm Hieronder vallen de criteria die betrekking hebben op de vorm die het gebouw in grote lijnen heeft, zoals het soort dak en de vorm van de plattegrond. Soms is een gebouw samengesteld uit meerdere volumes die ten opzichte van elkaar verspringen. In andere gevallen is sprake van een enkelvoudige hoofdvorm. Detaillering Onder detaillering wordt het gebruik van ornamenten of andere bouwkundige versieringen bedoeld. Materiaal Onder het kopje ‘materiaal’ wordt aangegeven uit welk materiaal de gevels, het dak en eventueel de kozijnen dienen te bestaan. Kleur Bij kleur wordt aangegeven welke kleur de gevel of het dak moet hebben. Soms gelden er ook criteria voor het kleurgebruik van kozijnen. 3.2Historisch centrum 3.2.1Gebiedsbeschrijving Het historisch centrum betreft in de welstandsnota het gebied binnen de vestingwerken van de stad Deventer, met uitzondering van de Raambuurt en het Boreelkazerneterrein. Het Rijsterborgherpark (ofwel Oude Plantsoen), dat op de oude vestingwerken ligt, is ook in dit gebied opgenomen. Het historisch centrum heeft behalve een centrumfunctie ook een belangrijke woonfunctie. Deventer kent een lange geschiedenis, wat terug is te zien in het historisch centrum. De bebouwing is gegroeid per pand en staat dicht op elkaar. In het stratenpatroon en in vele gebouwen zijn tal van signalen en symbolen uit het verleden te vinden. Veel oude bebouwing in Deventer is behouden gebleven, zoals het oudste stenen huis van Nederland. Vanwege de cultuurhistorische waarde is het centrum aangewezen als beschermd stadsgezicht. Gebouwkenmerken De bebouwing wordt gekenmerkt door rijke detaillering, diverse architectuurverschijnselen en het historische karakter. Beschermd stadsgezicht en monumenten Het historisch centrum is aangewezen als beschermd stadsgezicht en telt daarnaast veel rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten. Dit heeft een aantal gevolgen voor de verlening van vergunningen en dus ook voor de welstandstoets. Er zijn voor de binnenstad bestemmingsplannen vastgesteld, die de monumentale architectonische en stedenbouwkundige waarden van de binnenstad als geheel beschermen. Daarnaast is voor een pand dat op de monumentenlijst staat, bij iedere verandering een vergunning nodig. Hetzelfde geldt (met uitzondering van inpandige aanpassingen) voor gebouwen binnen een beschermd stads- of dorpsgezicht. 3.2.2Welstandsbeleid Het beleid in het historisch centrum is gericht op behoud van het historische karakter. Dit betekent niet dat op geen enkele plek vernieuwende architectuur wordt toegestaan. Vernieuwende architectuur is echter alleen toegestaan, mits dit gebeurt met respect voor de maat en schaal van de gebouwen in de omgeving. Naast de cultuurhistorische aspecten heeft de binnenstad een hoge belevingswaarde: hij bevat gebouwen en stedelijke ruimten die beeldbepalend zijn voor een groter gebied. Ten slotte is het een gebied waar veel mensen komen. Alle bouwplannen in het historisch centrum zullen door de gemeente moeten worden beoordeeld. 3.2.3Openbare ruimte Kenmerken openbare ruimte Door verbindingen vanuit de binnenstad naar het waterfront komt de ligging van Deventer aan de IJssel tot uiting. Bij de herinrichting van de openbare ruimte krijgt het centrum in alle facetten een unieke behandeling. De fraaie monumentale gevels van de binnenstad vormen de basis voor de inrichting van de openbare ruimte, verharding, verlichting, etc. Streefbeeld openbare ruimte De vormgeving van de straat is ingetogen, een genuanceerd gekleurde mix van gebakken klinkers. Speciale details in het kernwinkelgebied zijn de cortenstalen strip en de kolken. Verbijzondering komt voort uit de gevels door middel van ‘op maat’ toegevoegde natuursteen-stoepen. In het beeldkwaliteitsplan ‘Kwaliteit voor ogen’ wordt het streefbeeld voor de openbare ruimte nader uiteengezet. 3.2.4Criteria historisch centrum Bouwplannen in dit deelgebied worden getoetst aan de criteria die zijn opgenomen in het beeldkwaliteitsplan van het beschermd stadsgezicht ‘Kwaliteit voor Ogen’. Algemeen Een bouwplan sluit qua situering, vorm, detaillering, kleur- en materiaalgebruik aan op de kenmerken van de historische gebouwen in de omgeving en houdt rekening met verwachte ontwikkelingen in de omgeving, welke vastgelegd zijn in een vastgesteld bestemmingsplan. Die ontwikkeling is in het historisch centrum steeds gericht op behoud en herstel van de cultuurhistorische waarden. Bij verbouwingen van ondergeschikte aard worden de stijlkenmerken overgenomen van het oorspronkelijke gebouw. Deze stijlkenmerken komen tot uiting in hoogte-breedteverhoudingen, maatvoering van lijsten en overstekken, erkers en dakkapellen, profielen van ramen, kozijnen en neggen en kleurgebruik. Voor gebouwen met een andere functie dan wonen en/of winkel, zoals scholen, zorgcomplexen, sportvoorzieningen, kan worden afgeweken worden van de gebiedscriteria. In dat geval zal de Adviesraad Welstand aan de hand van de Algemene criteria uit hoofdstuk 6 het bouwplan beoordelen. In het kader van het welstandsbeleid is het niet toegestaan om beeldschermen aan de gevel of in de gevel te plaatsen. Reclame Voor reclame-uitingen gelden specifieke criteria, die beschreven staan in hoofdstuk
- Klikt u hier voor de reclamecriteria. 3.3Historische dorpsgebieden 3.3.1Gebiedsbeschrijving De gemeente Deventer kent enkele historische dorpsgebieden, zoals het centrum van Bathmen, het gebied bij de kerk in Schalkhaar en het oude centrum van Diepenveen. De bebouwing is gegroeid per pand en staat veelal redelijk dicht op elkaar en op de weg. Gebouwkenmerken Het beeld in deze gebieden wordt bepaald door gemengd vrijstaande en geschakelde kleinschalige (oude) bebouwing met over het algemeen een beslotenheid en een zekere variatie in bebouwing en openbare ruimte. De waarde van de dorpsgebieden is met name te vinden in de oorspronkelijke historische context en de cultuurhistorisch waardevolle objecten. Een deel van Diepenveen is een beschermd dorpsgezicht. 3.3.2Welstandsbeleid Het historische karakter is kwetsbaar voor ingrepen. Toch is een zekere flexibiliteit mogelijk zonder afbreuk te doen aan de kwaliteit van de omgeving. Vernieuwende architectuur wordt daarom niet uitgesloten, mits dit gebeurt met respect voor de maat en schaal van de gebouwen in de omgeving. Het is van belang dat scherpe contrasten worden vermeden. Alle bouwaanvragen binnen een beschermd dorpsgezicht zullen aan de Adviesraad Welstand worden voorgelegd om advies. 3.3.3Openbare ruimte Kenmerken openbare ruimte De openbare ruimte in de dorpen is van oorsprong eenvoudig en ingetogen. Het straatbeeld wordt bepaald door de historische bebouwing en de aanwezigheid van oude (laan)beplanting. Streefbeeld openbare ruimte De eenvoud van de openbare ruimte wordt gezocht in het profiel. Materialen zijn hoogwaardig, doch passend bij het informele karakter van het ‘dorpse’. Kleurgebruik is ingetogen. Beplantingen zijn bij voorkeur inheems. Modieuze materialen, strakke belijningen in de straat en strak vormgegeven elementen passen niet in de dorpskernen. Elementen als paaltjes, bolders en losse beplantingsbakken worden zoveel mogelijk vermeden. 3.3.4Criteria historische dorpsgebieden Plaatsing Met representatieve zijde naar de weg Centraal op de kavel; Hoekwoningen zijn meerzijdig georiënteerd; Vorm Eenvoudige hoofdvorm; Geen blinde gevels langs straten of openbare ruimte; Afgedekt met een traditionele kapvorm; Repetitie voorkomen; Geleding van de hoofdvorm (parcellering) om een kleinschalig beeld te bewerkstelligen of te behouden: Geen balkons aan de voorzijde; Detaillering Bestaande detaillering vormt het uitgangspunt bij sportvoorzieningen kan afgeweken worden van de verbouwingen; Verfijnde detaillering; Fijne boeiboorden of daklijsten; Materiaalgebruik Gevels Baksteen/pleisterwerk/topgevel kan van hout zijn; Dak Pannen (niet geglazuurd)/leien/riet; Kozijnen/lijsten Hout; Kunststof, indien het lijkt op hout (dezelfde profilering); Kleurgebruik Gevels Geen felle kleuren; Dak Rood/oranje/antraciet; Kozijnen/lijsten Geen felle kleuren; Algemeen Een bouwplan sluit qua situering, vorm, detaillering, kleur- en materiaalgebruik aan op de kenmerken van de historische gebouwen in de omgeving en houdt rekening met verwachte ontwikkelingen in de omgeving, welke vastgelegd zijn in een vastgesteld bestemmingsplan. Er is- Hoekwoningen zijn meerzijdig georiënteerd; echter geen sprake van herhaling / seriematige bouw. Bij verbouwingen van ondergeschikte aard worden de stijlkenmerken overgenomen van het oorspronkelijke gebouw. Deze stijlkenmerken komen tot uiting in hoogte-breedteverhoudingen, maatvoering van lijsten en kleinschalig beeld te bewerkstelligen of te behouden; overstekken, erkers en dakkapellen, profielen van ramen, kozijnen en neggen en kleurgebruik. Voor gebouwen met een andere functie dan wonen en/of winkel, zoals scholen, zorgcomplexen, sportvoorzieningen kan afgeweken worden van de gebiedscriteria. In dat geval zal de Adviesraad Welstand aan de hand van de Algemene criteria uit hoofdstuk 6 het bouwplan beoordelen. Bouwplannen in beschermde gezichten worden beoordeeld met behulp van de redengevende omschrijvingen, welke zijn opgenomen in bijlage
- In het kader van het welstandsbeleid is het niet toegestaan om beeldschermen aan de gevel of in de gevel te plaatsen. Reclame Voor reclame-uitingen gelden specifieke criteria, die beschreven staan in hoofdstuk
- Klikt u hier voor de reclamecriteria. 3.4Lintbebouwing 3.4.1Gebiedsbeschrijving 3.4.3 Openbare ruimte De lintbebouwing betreft hoofdzakelijk de bebouwing aan wegen waarlangs in de loop der tijd (vanaf circa 1900) bebouwing is ontstaan. In de stad Deventer gaat het onder meer om de Zwolseweg, de Brinkgreverweg en het oude dorpje Colmschate. In het geval van de Zwolseweg en de Brinkgreverweg gaat het om oude verbindingswegen met andere dorpen/steden. In de dorpen is vaak bij de kruispunten van (van oudsher) aanwezige doorgaande routes de eerste bebouwing ontstaan. Deze bebouwing breidde zich in lintvorm verder naar buiten uit. Veel van de bebouwingslinten zijn later opgenomen in nieuwe wijken (zoals Snipperling en Colmschate). Ook de kleine dorpjes in het buitengebied, zoals Loo en Lettele, vallen grotendeels onder deze categorie. Kenmerkend voor deze categorie zijn de open gebiedjes tussen en voor de bebouwing (de onbebouwde delen van de tuin en de onbebouwde percelen tussen de woningen). Gebouwkenmerken In bebouwingslinten is geen sprake van samenhangende bebouwing, maar meer van vrijstaande en pandsgewijs vormgegeven panden. De woningen zijn traditioneel vormgegeven en hebben naarmate ze dichterbij het buitengebied of in de dorpen zijn gelegen een steeds landelijker en soberder karakter. Dit komt tot uiting in asymmetrische indeling van gevels, traditioneel materiaalgebruik (steen/hout) en sober kleurgebruik. De bebouwing aan de linten dichterbij het centrum van Deventer is rijker gedetailleerd. Langs de linten staan relatief veel woningen met een mansardekap. 3.4.2Welstandsbeleid In dit gebied is ruimte voor verschillen en eigen smaak. Daarbij gelden echter een aantal voorwaarden om het specifieke beeld van lintbebouwing te behouden of te versterken. Deze zijn gericht op het ‘traditionele’ karakter. 3.4.3Openbare ruimte Kenmerken openbare ruimte De lintbebouwing ligt veelal aan oude verbindingswegen of in dorpskernen. De openbare ruimte is vaak een continue element, al dan niet beplant. Verbijzondering van de weg of straat ter plaatse van de lintbebouwing is niet vanzelfsprekend. Streefbeeld openbare ruimte Gezocht wordt naar een inrichting van de oude wegen als een geheel. In de aansluiting van de percelen op de weg of straat is ruimte voor individuele verschillen of variaties per lint. De linten in de dorpen worden ingericht volgens de principes van de historische dorpsgebieden (zie aldaar). 3.4.4Criteria lintbebouwing Plaatsing Met representatieve zijde naar de weg; Hoekwoningen zijn meerzijdig georiënteerd; Vorm Eenvoudige hoofdvorm; Nokrichting haaks of op evenwijdig aan de weg; Geen blinde gevels langs straten of openbare ruimte: Afgedekt met een traditionele kapvorm Andere vorm dan naastgelegen gebouwen; Voorgevel is asymmetrisch door de plaatsing en/of omvang Voor gebouwen met een andere functie dan wonen van de gevelopeningen; Geen balkons aan de voorzijde; Detaillering Bestaande detaillering vormt het uitgangspunt bij verbouwingen; Materiaalgegevens Gevels Baksteen/natuurlijke materialen/pleisterwerk; Dak Keramische pannen (bij voorkeur niet geglazuurd)/natuur leien/riet; Kozijnen Hout of kunststof indien het lijkt op hout (dezelfde profilering); Kleurgebruik Gevels Bruin/rood metselwerk; Geen felle kleuren; Andere tint dan naastgelegen gebouwen; Dak Bruin/rood/oranje/antractiet Algemeen Een bouwplan sluit qua situering, vorm, detaillering, kleur- en materiaalgebruik aan op de kenmerken van de gebouwen in de omgeving en houdt rekening met verwachte ontwikkelingen in de omgeving, welke vastgelegd zijn in een vastgesteld bestemmingsplan; Bij verbouwingen van ondergeschikte aard worden de stijlkenmerken overgenomen van het oorspronkelijke gebouw. Deze stijlkenmerken komen tot uiting in hoogte-breedteverhoudingen, maatvoering van lijsten en overstekken, erkers en dakkapellen, profielen van ramen, kozijnen en neggen en kleurgebruik. Voor gebouwen met een andere functie dan wonen en/of winkel, zoals scholen, zorgcomplexen, sportvoorzieningen kan afgeweken worden van de gebiedscriteria. In dat geval zal de Adviesraad Welstand aan de hand van de Algemene criteria uit hoofdstuk 6 het bouwplan beoordelen; met behulp van de redengevende omschrijvingen, welke Bouwplannen in beschermde gezichten worden beoordeeld zijn opgenomen in bijlage
- In het kader van het welstandsbeleid is het niet toegestaan om beeldschermen aan de gevel of in de gevel te plaatsen. Reclame Voor reclame-uitingen gelden specifieke criteria, die beschreven staan in hoofdstuk
- Klikt u hier voor de reclamecriteria. 3.5Mozaïek 3.5.1Gebiedsbeschrijving Dit gebied betreft de eerste uitbreiding van de stad Deventer buiten de vestingwerken. De wijken ‘Zandweerd’ (een deel) en ‘Voorstad’ maken deel uit van dit gebied. De bebouwing is soms planmatig tot stand gekomen, maar meestal gaat het om bebouwing die in de loop der tijd (zo rond 1900-1940) is ontstaan. Doordat veel woningen individueel zijn verbouwd (extra bouwlagen, toevoeging van dakkapellen, grotere ramen), is er sprake van veel variatie in het straatbeeld. De overwegend kleinschalige bebouwing staat dicht op de weg. Er is daarom weinig uitbreidingsruimte voor woningen en er is weinig groen. Nieuwe bebouwing, die ondergeschikt is aan het straatbeeld, maakt onderdeel uit van dit gebied. De grotere inbreidingen van na de Tweede Wereldoorlog maken echter geen onderdeel uit van dit gebied. Gebouwkenmerken Dit gebied wordt gekenmerkt door diversiteit; verschillende bouwhoogtes, verschillende voorgevelvormen, verschillende dakvormen en dergelijke. De gebouwen worden gekenmerkt door detailleringen, die typisch zijn voor de bouwperiode (zoals gemetselde lateien, speklagen, onderverdeelde ramen en versierde daklijsten). 3.5.2Welstandsbeleid De horizontaliteit van het straatbeeld dient behouden danwel versterkt te worden. Deze horizontaliteit bepaalt deels de samenhang in een straatbeeld en komt onder meer tot uiting in de speklagen, de daklijsten en trasramen. Er is ruimte voor individuele aanpassingen. 3.5.3Openbare ruimte Kenmerken openbare ruimte De straten zijn smal, woningen hebben geen of kleine voortuinen. Het straatbeeld wordt bepaald door het uiterlijk en de variatie van de bebouwing. Streefbeeld openbare ruimte De variaties in de bebouwing komen het best tot hun recht bij een rustig vormgegeven openbare ruimte. Het profiel is eenvoudig, à niveau in de smalste straten, rijbaan-langsparkeren-trottoir en eventueel bomen in de minder smalle straten. Materiaalgebruik gebakken klinker. Plaatsing Met representatieve zijde naar de weg; Aan de straatzijde; Bebouwing is aaneengesloten of met nauwe steegjes ertussen; Vorm Hoofdentree in de voorkant; Verticale gevelopeningen op de begane grond; Detaillering Horizontaliteit van het straatbeeld wordt benadrukt. Dit dient men te bewerkstelligen door: aanbrengen van een doorlopende horizontale strook (ook wel band genoemd). Bijvoorbeeld in de vorm van speklaag of een rand van metselwerk in een afwijkend patroon tussen de bouwlagen. Eventueel in combinatie met een trasraam; het aanbrengen van een daklijst; bouwlagen te accentueren; Onderverdeelde ramen behouden; Bestaande detaillering vormt het uitgangspunt bij verbouwingen; Materiaalgegevens Gevels Baksteen/pleisterwerk; Dak Pannen; Kozijnen Hout of kunststof indien het lijkt op hout (dezelfde profilering); Kleurgebruik Gevels Rood/bruin metselwerk; Bij pleisterwerk of schilderen van de gevel: geen felle kleuren, waarbij sluitstenen, banden en trasraam zichtbaar blijven; Andere tint dan naastgelegen gebouwen; Dak Oranje/rood/grijs/antraciet; Kozijnen Wit, waarbij de draaiende delen een donkere (gedekte) kleur mogen hebben; Algemeen Een bouwplan sluit qua situering, vorm, detaillering, kleur- en materiaalgebruik aan op de kenmerken van de gebouwen in de omgeving en houdt rekening met verwachte ontwikkelingen in de omgeving, welke vastgelegd zijn in een vastgesteld bestemmingsplan; Bij verbouwingen van ondergeschikte aard worden de stijlkenmerken overgenomen van het oorspronkelijke gebouw. Deze stijlkenmerken komen tot uiting in hoogte-breedteverhoudingen, maatvoering van lijsten en overstekken, erkers en dakkapellen, profielen van ramen, kozijnen en neggen en kleurgebruik. Voor gebouwen met een andere functie dan wonen en/of winkel, zoals scholen, zorgcomplexen, sportvoorzieningen kan afgeweken worden van de gebiedscriteria. In dat geval zal de Adviesraad Welstand aan de hand van de Algemene criteria uit hoofdstuk 6 het bouwplan beoordelen; Bouwplannen in beschermde gezichten worden beoordeeld met behulp van de redengevende omschrijvingen, welke Bouwplannen in beschermde gezichten worden beoordeeld zijn opgenomen in bijlage
- In het kader van het welstandsbeleid is het niet toegestaan om beeldschermen aan de gevel of in de gevel te plaatsen. Reclame Voor reclame-uitingen gelden specifieke criteria, die beschreven staan in hoofdstuk
- Klikt u hier voor de reclamecriteria. 3.6Jaren ’20-’30 - tuindorpen 3.6.1Gebiedsbeschrijving In dit gebiedstype liggen de wijken waarin zowel diversiteit van bebouwing als planmatig ontwikkelde woningbouw voorkomt. De tuindorpen vormen bijzondere ensembles in dit gebied. Dit zijn complexen die zowel stedenbouwkundig als architectonisch met veel zorg zijn ontworpen. De tuindorpen bestaan vaak uit een optelsom van veel kleine plannetjes, die gerealiseerd zijn vanaf de jaren ‘20 van de twintigste eeuw, om een tegenwicht te bieden aan de verpauperde arbeiderswoningen. Soms werden zij opgezet door sociaal voelende ondernemers, andere tuindorpen zijn gebouwd door woningcorporaties. De woonbuurtjes worden bijzonder gewaardeerd vanwege de samenhang en de relatie tussen bebouwing en openbare ruimte. In de loop der jaren is de oorspronkelijke inrichting van deze wijken vaak gewijzigd om tegemoet te komen aan de behoefte aan parkeerplaatsen. Voorbeelden van tuindorpen in Deventer zijn Hof van Colmschate/ Sluiswijk, het Knutteldorp en de Raambuurt. Overige wijken, zoals De Hoven, zijn wijken met meer diversiteit in het straatbeeld. Gebouwkenmerken De ‘overwegende’ gebouwkenmerken zijn de flinke kappen (soms samengestelde kappen) met gebakken pannen met zinken goten en met meestal een overstek. Houten erkers en dakkapellen en ambachtelijk gemaakte onderverdeelde houten kozijnen en ramen zijn voorzien van gebroken wit schilderwerk. Soms zijn er metselwerkversieringen en omlijstingen. 3.6.2Welstandsbeleid Het beleid binnen deze gebiedstype is tweeledig. Enerzijds zijn er wijken met veel diversiteit (zoals de Hoven) en anderzijds bevatten de tuindorpen juist veel samenhang. In de wijken met veel diversiteit is er meer vrijheid voor individuele aanpassingen. Binnen de tuindorpen ligt de nadruk op behoud van het collectieve karakter en de eenheid van de wijk. De samenhang in de tuindorpen kan worden verstoord wanneer woningen individueel worden gerenoveerd of gewijzigd. 3.6.3Openbare ruimte Kenmerken openbare ruimte De straten zijn van oudsher rechtlijnig en betrekkelijk smal tot zeer breed. Huizen hebben vrijwel allen een voortuin, oorspronkelijk voorzien van een tuinmuur of tuinhaag. De overgang tussen privé en openbaar gebied is van grote invloed op het straatbeeld. Streefbeeld openbare ruimte Herstel van het rechtlijnig tracé van de straten. In de smallere straten geldt een standaard profiel met parkeervakken en trottoirs. In de bredere straten wordt de ruime opzet benadrukt door een brede rijbaan waarop wordt geparkeerd. Materiaalgebruik gebakken klinker. In een aantal straten staan bomen. Buurtparkjes worden groen ingericht. Tuinhagen of bakstenen muurtjes worden aanbevolen. 3.6.4Criteria jaren ‘20-’30-tuindorpen Plaatsing Met representatieve zijde naar de weg; Aan de straatzijde; In de rooilijn; Vorm Eenvoudige hoofdvorm; Nokrichting haaks op of evenwijdig aan de weg; Afgedekt met een traditionele kapvorm; Hoofdentree in de voorkant; Dakoverstek; Detaillering Seriematige bebouwing: detaillering sluit aan bij het betreffende bouwblok; Bestaande detaillering vormt het uitgangspunt bij verbouwingen; Daklijsten; Materiaalgebruik Gevels Baksteen Seriematige bebouwing: materiaal sluit aan bij het betreffende bouwblok; Dak Pannen Seriematige bebouwing: materiaal sluit aan bij het betreffende bouwblok; Kozijnen Hout Kunststof, indien het lijkt op hout (dezelfde pofilering) Kleurgebruik Gevels Rood/bruin Geen felle kleuren Schilderen van bakstenen gevels is niet toegestaan tenzij passend bij de architectuur Seriematige bebouwing: kleur sluit aan bij het betreffende bouwblok; Dak Oranje/rood/antraciet; Seriematige bebouwing: materiaal sluit aan bij het betreffende bouwblok; Algemeen Ontwerpseries herkenbaar houden; Een bouwplan sluit qua situering, vorm, detaillering, kleur- en materiaalgebruik aan op de kenmerken van de gebouwen in de omgeving en houdt rekening met verwachte ontwikkelingen in de omgeving, welke vastgelegd zijn in een vastgesteld bestemmingsplan. Bij verbouwingen van ondergeschikte aard worden de stijlkenmerken overgenomen van het oorspronkelijke gebouw. Deze stijlkenmerken komen tot uiting in hoogte-breedteverhoudingen, maatvoering van lijsten en overstekken, erkers en dakkapellen, profielen van ramen, kozijnen en neggen en kleurgebruik. Voor gebouwen met een andere functie dan wonen en/of winkel, zoals scholen, zorgcomplexen, sportvoorzieningen kan afgeweken worden van de gebiedscriteria. In dat geval zal de Adviesraad Welstand aan de hand van de Algemene criteria uit hoofdstuk 6 het bouwplan beoordelen; Bouwplannen in beschermde gezichten worden beoordeeld met behulp van de redengevende omschrijvingen, welke zijn opgenomen in bijlage
- In het kader van het welstandsbeleid is het niet toegestaan om beeldschermen aan de gevel of in de gevel te plaatsen. Reclame Voor reclame-uitingen gelden specifieke criteria, die beschreven staan in hoofdstuk
- Klikt u hier voor de reclamecriteria. 3.7Wederopbouw 3.7.1Gebiedsbeschrijving In Deventer liggen enkele wijken die in deze nota worden gerekend tot de ‘wederopbouwgebieden’. Dit gebiedstype duidt op de wijken die in de periode 1945-1965 zijn gebouwd. Het is een periode van vernieuwing door het toepassen van nieuwe materialen en werkwijzen. Het stedenbouwkundig ontwerp kenmerkt zich door nieuwe verkavelingspatronen, een nieuwe wijkopbouw en een steeds belangrijkere rol van het verkeer. Het patroon is eenvoudig en de woningen zijn gebouwd in rijtjes, veelal bestaande uit drie of meer woningen. De straathoeken zijn open, waarbij de woningen veelal een duidelijk onderscheid hebben tussen de voor- en zijgevel. Gebouwkenmerken De planmatig gerealiseerde rijtjes worden gekemerkt door een uniforme, ingetogen uitstraling. De hoofdvorm van de rijtjeswoningen is eenvoudig; weinig of geen aanbouwen, erkers of dakkapellen. Er is weinig of geen sprake van houten gevelbeplating. Bij gebouwen met andere functies zoals scholen, fabrieken en ziekenhuizen komen typische stijlkenmerken in het metselwerk terug, zoals bij het voormalig St. Jozefziekenhuis. Andere typische kenmerken zijn de metselwerkbeëindiging van de goten, schoorstenen, versierde voordeur en bovenramen. 3.7.2Welstandsbeleid Het beleid voor dit gebied is behoud van de waardevolle kenmerken, waaronder metselwerkbeëindigingen en de eenvoudige hoofdvormen. Binnen enkele wijken is dit beeld verstoord door een gebrek aan eenheid (in de openbare ruimte) en de inrichting van de voortuinen. Daar zijn aanpassingen en revitalisering (per straat of wijk) meer op hun plaats. 3.7.3Openbare ruimte Kenmerken openbare ruimte De straten zijn rechtlijnig en betrekkelijk smal. Huizen hebben vrijwel allen een voortuin. De overgang tussen privé en openbaar gebied is van grote invloed op het straatbeeld. Kwetsbaar in het straatbeeld zijn de straathoeken met zijgevels en zijkanten van achtertuinen. Streefbeeld openbare ruimte Herstel van het rechtlijnig tracé van de straten en een standaard profiel: rijbaan, langs parkeren, trottoir. Materiaalgebruik gebakken klinker. Bomen in het straatprofiel (aantal straten) zorgen voorNde menselijke maat en de samenhang van de buurt. Speciale ontwerpaandacht dient te worden besteed aan de straathoeken met zijgevels. 3.7.4Criteria wederopbouw Plaatsing Met representatieve zijde naar de weg; Aan de straatzijde; In de rooilijn; Vorm Geen blinde gevels langs straten of openbare ruimte; Seriematige bebouwing: kapvorm en nokrichting identiek aan bouwblok; Hoofdentree in de voorkant; Geen of minimale dakoverstek; Grote gevelopeningen/ ramen; Enkelvoudige hoofdvorm; Detaillering Seriematige bebouwing: detaillering sluit aan bij het betreffende bouwblok; Bestaande detaillering vormt het uitgangspunt bij verbouwingen; Verfijnde detaillering; Geen grove boeiboorden of daklijsten; Materiaalgebruik Gevels Baksteen; Geen kunststof of plaatmateriaal; Bij voorkeur geen kunststof voor hemelwaterafvoeren; Seriematige bebouwing: materiaal sluit aan bij het aan de hand van de Algemene criteria uit hoofdstuk 6 het betreffende bouwblok; Dak Pannen; Seriematige bebouwing: materiaal sluit aan bij het betreffende bouwblok; Kleurgebruik Gevels Bruin/Lichtrood; Geen felle kleuren; Seriematige bebouwing: kleur sluit aan bij het betreffende bouwblok; Dak Oranje/rood/grijs/antraciet; Seriematige bebouwing: kleur sluit aan bij het betreffende bouwblok; Algemeen Ontwerpseries herkenbaar houden; Een bouwplan sluit qua situering, vorm, detaillering, kleur- en materiaalgebruik aan op de kenmerken van de gebouwen in de omgeving en houdt rekening met verwachte ontwikkelingen in de omgeving, welke vastgelegd zijn in een vastgesteld bestemmingsplan. Bij verbouwingen van ondergeschikte aard worden de stijlkenmerken overgenomen van het oorspronkelijke gebouw. Deze stijlkenmerken komen tot uiting in hoogte- breedteverhoudingen, maatvoering van lijsten en overstekken, erkers en dakkapellen, profielen van ramen, kozijnen en neggen en kleurgebruik. Voor gebouwen met een andere functie dan wonen en/of winkel, zoals scholen, zorgcomplexen, sportvoorzieningen kan afgeweken worden van de gebiedscriteria. In dat geval zal de Adviesraad Welstand aan de hand van de Algemene criteria uit hoofdstuk 6 het bouwplan beoordelen; Bouwplannen in beschermde gezichten worden beoordeeld met behulp van de redengevende omschrijvingen, welke zijn opgenomen in bijlage
- In het kader van het welstandsbeleid is het niet toegestaan om beeldschermen aan de gevel of in de gevel te plaatsen. Reclame Voor reclame-uitingen gelden specifieke criteria, die beschreven staan in hoofdstuk
- Klikt u hier voor de reclamecriteria. 3.8Stempel stedenbouw – traditionele blokverkaveling 3.8.1Gebiedsbeschrijving In navolging op de wederopbouwwijken, ontstonden in de jaren ’60 en ’70 veel (planmatig ontworpen) woonwijken die worden gekenmerkt door terugkerende formatie van bouwblokken (zogenaamde stempels). Deze bouwblokken bestaan uit enkel etagebouw, een combinatie van etagebouw en laagbouw of enkel laagbouw. De zogenaamde open stempels bestaan uit enkel etagebouw, de gebouwen staan bijna alzijdig in het groen. De woonkamer en balkons zijn aan de zonzijde gelegen, tevens aan een gemeenschappelijke groene buitenruimte. Bij de dichte stempels vormen etagebouw en laagbouw samen de stempel; de openbare ruimte is stenig. De laagbouwstempels lijken veel op de latere woonerven. In Deventer zijn het de buitenste wijken in het noordwesten van de stad (zoals Platvoet, Borgele en grote delen van Keizerslanden) die onder deze categorie vallen. Ook delen van Bathmen vallen onder deze categorie. Gebouwkenmerken Anders dan bijvoorbeeld de woningen in de wederopbouwwijken worden de rijenwoningen in dit gebied gekenmerkt door meer dakoverstekken, grotere aanbouwen aan de straatzijde en vaak iets ruimere woningen en tuinen. Toch is er nog wel sprake van een neutrale vormgeving; sober kleurgebruik, weinig detaillering en veel herhaling. Ook de hoogbouw/etagebouw is sober gedetailleerd en heeft een gedekte kleurstelling. 3.8.2Welstandsbeleid Het beleid is in deze gebieden gericht op flexibiliteit. Er is ruimte voor veranderingen en aanpassingen die de individualiteit van de woningen benadrukken. Wanneer op een zorgvuldige manier de kleur of het materiaal van de gevels van woningen verandert, krijgt de straat een levendiger beeld. Het is wel van belang dat het beeld rustig blijft, door ingetogen kleuren toe te passen en de vlakke voorgevel te behouden. Kleinere woninguitbreidingen aan de straatzijde kunnen namelijk de rust en de samenhang binnen het bebouwingsbeeld verstoren. 3.8.3Openbare ruimte Kenmerken openbare ruimte Open stempels (etagebouw) Deze buurten zijn ruim opgezet, brede grasbermen en semi-openbare parkjes tussen de bouwblokken. De basis bestaat uit gazons en vrijstaande bomen of boomgroepen. Inmiddels is een deel van de openbare ruimte verhard en in gebruik als parkeerruimte. Gesloten stempels (etagebouw en laagbouw) De ruimte tussen de etagebouw wordt gevuld door rijtjes laagbouw. De openbare ruimte is stenig. Een buurtpark, vaak centraal in de buurt gelegen, is de enige groene ruimte. Laagbouwstempels De woonblokken zijn langs een ‘rondweg’ gesitueerd en rondom een centraal gelegen buurtpark. De ‘rondweg’ is breed, omdat het ook vaak een busroute is. Zijstraten hebben een standaard profiel of hebben het karakter van een woonerf (zie 3.9 Woonerven). Soms zijn huizenrijtjes aan smalle voetgangerspaden gelegen. De bergingen zijn dan aan de voorzijde gesitueerd, grenzend aan de openbare ruimte. Er is een onduidelijke scheiding van privé en openbaar, voor- en achterzijden. Streefbeeld openbare ruimte Open stempels De ruimte wordt zo veel mogelijk parkachtig ingericht, waar nodig door het opnieuw ordenen van functies. Het parkeren wordt zo veel mogelijk in de woonstraten georganiseerd, zodat de parkruimte een verblijfsfunctie krijgt ipv een achterkantfunctie. Het concept wordt in een ‘nieuw jasje’ gestoken, door aanleg van aantrekkelijke wandelpaden en toevoeging van parkfuncties van deze tijd. Materiaalgebruik voor de straten is een betonstraatsteen en 30x30 trottoirtegels. Dichte stempels De straten zijn stenig. Een standaard profiel bestaat uit een rijbaan, langs parkeren en trottoirs. Materiaalgebruik is betonstraatsteen en 30x30 trottoirtegels. Het buurtpark is groen en lommerrijk, vrij in te vullen met sport-, spel- en verblijfsvoorzieningen of aanleidingen, kunstuitingen e.d. Laagbouwstempels De rommeligheid van de buurt is gebaat bij de rust van een eenduidig vormgegeven rondweg. De overmaat in de rondweg wordt ingezet voor het ontwikkelen van een mooi en herkenbaar profiel. Woonstraten hebben een standaard profiel met trottoirs of worden vormgegeven als woonerven (zie aldaar). 3.8.4Criteria stempel stedenbouw - traditionele blokverkaveling Laagbouw Plaatsing Met representatieve zijde naar de weg; In de Rooilijn; Vorm Eenvoudige hoofdvorm; Seriematige bebouwing: kapvorm en nokrichting identiek aan bouwblok; Geen blinde gevels langs straten of openbare ruimte; Hoofdentree in de voor- of zijkant; Herhaling van de gevelindeling; Materiaalgebruik Dak Pannen; Seriematige bebouwing: materiaal sluit aan bij het betreffende bouwblok; Kleurgebruik Gevels Geen felle kleuren; Dak Overeenkomstig bouwblok; Etagebouw Kleurgebruik Geen felle kleuren; Algemeen Ontwerpseries herkenbaar houden. Een bouwplan sluit qua situering, vorm, detaillering kleur- en materiaalgebruik aan op de kenmerken van de gebouwen in de omgeving en houdt rekening met verwachte ontwikkelingen in de omgeving, welke vastgelegd zijn in een vastgesteld bestemmingsplan. Bij verbouwingen van ondergeschikte aard worden de stijlkenmerken overgenomen van het oorspronkelijke gebouw. Deze stijlkenmerken komen tot uiting in hoogte- breedteverhoudingen, maatvoering van lijsten en overstekken, erkers en dakkapellen, profielen van ramen, kozijnen en neggen en kleurgebruik. Voor gebouwen met een andere functie dan wonen en/of winkel, zoals scholen, zorgcomplexen, sportvoorzieningen kan afgeweken worden van de gebiedscriteria. In dat geval zal de Adviesraad Welstand aan de hand van de Algemene criteria uit hoofdstuk 6 het bouwplan beoordelen; Bouwplannen in beschermde gezichten worden beoordeeld met behulp van de redengevende omschrijvingen, welke zijn opgenomen in bijlage
- In het kader van het welstandsbeleid is het niet toegestaan om beeldschermen aan de gevel of in de gevel te plaatsen. Reclame Voor reclame-uitingen gelden specifieke criteria, die beschreven staan in hoofdstuk
- Klikt u hier voor de reclamecriteria. 3.9Woonerven 3.9.1Gebiedsbeschrijving De woonerven in Deventer betreffende wijken die zijn ontstaan in de jaren ’70 en begin jaren ‘80 en worden gekenmerkt door een introverte en besloten opzet en diversiteit in de vorm van de bebouwing. Het stratenpatroon is grillig en kent weinig doorgaande wegen. Er is meestal geen duidelijk onderscheid tussen privé en openbaar, evenmin van duidelijke voor- en achterzijden. Er grenzen veel tuinen aan openbaar gebied, hetgeen veel informele erfafscheidingen tot gevolg heeft. Typisch zijn ook de garages en bergingen, die vaak aan de voorzijde, grenzend aan het openbaar gebied zijn gesitueerd. Een deel van de wijk Colmschate en de wijk Noorderenk in Bathmen behoren onder andere tot dit gebied. Gebouwkenmerken De architectuur is per bouwblok samenhangend, maar de diversiteit in het gevelbeeld is groot door de afwisselingen in voorgevellijnen, bouwhoogten en gevelindelingen. De dakvlakken zijn vaak geleed en eindigen vaak in lage goten aan de erfzijde. Rustige kleuren en materialen overheersen. Er komt veel hout aan de gevels voor, meestal voorzien van een traditionele kleur. 3.9.2Welstandsbeleid Het accent ligt op behoud van de samenhang per bouwblok. Kleinere woninguitbreidingen aan de straatzijde kunnen de rust en de samenhang binnen het bebouwingsbeeld verstoren. 3.9.3Openbare ruimte Kenmerken openbare ruimte De afzonderlijke erven zijn vaak ingericht op de directe woonbehoeften van de omliggende woningen. Er is vaak weinig hiërarchie in de openbare ruimte. Plantsoenen zijn vaak dicht beplant. Streefbeeld openbare ruimte Het woonerf als een krachtig tijdsbeeld is een bruikbaar gegeven. Het streven is naar een helder ontwerp per erf en een onderlinge samenhang door terugkerend gebruik van materialen. Hiërarchie wordt bereikt door de doorgaande wijkontsluiting met een eenduidig en herkenbaar profiel. 3.9.4Criteria woonerven Plaatsing Hoekwoningen zijn meerzijdig georiënteerd; Vorm Geen blinde gevels langs straten of openbare ruimte; Geen enkelvoudige hoofdvorm; Detaillering Seriematige bebouwing: detaillering sluit aan bij het betreffende bouwblok; Materiaalgebruik Gevels Samenstelling van meerdere materialen (delen van hout of kunststof); Seriematige bebouwing: materiaal sluit aan bij het betreffende bouwblok; Dak Pannen; Seriematige bebouwing: materiaal sluit aan bij het betreffende bouwblok; Algemeen Toegepaste bakstenen en dakpannen sluiten in vorm aan bij het betreffende bouwblok; Kleurgebruik Gevels Geen felle kleuren; Seriematige bebouwing; kleur sluit aan bij het betreffende bouwblok; Dak Oranje/rood/antraciet; Seriematige bebouwing: kleur sluit aan bij het betreffende bouwblok; Kozijnen en houten delen Traditionele kleuren; Seriematige bebouwing: kleur sluit aan bij het betreffende bouwblok; Algemeen Ontwerpseries herkenbaar houden. Een bouwplan sluit qua situering, vorm, detaillering, kleur- en materiaalgebruik aan op de kenmerken van de gebouwen in de omgeving en houdt rekening met verwachte ontwikkelingen in de omgeving, welke vastgelegd zijn in een vastgesteld bestemmingsplan. Bij verbouwingen van ondergeschikte aard worden de stijlkenmerken overgenomen van het oorspronkelijke gebouw. Deze stijlkenmerken komen tot uiting in hoogte- breedteverhoudingen, maatvoering van lijsten en overstekken, erkers en dakkapellen, profielen van ramen, kozijnen en neggen en kleurgebruik. Voor gebouwen met een andere functie dan wonen en/of winkel, zoals scholen, zorgcomplexen, sportvoorzieningen kan afgeweken worden van de gebiedscriteria. In dat geval zal de Adviesraad Welstand aan de hand van de Algemene criteria uit hoofdstuk 6 het bouwplan beoordelen. Bouwplannen in beschermde gezichten worden beoordeeld met behulp van de redengevende omschrijvingen, welke zijn opgenomen in bijlage
- In het kader van het welstandsbeleid is het niet toegestaan om beeldschermen aan de gevel of in de gevel te plaatsen. Reclame Voor reclame-uitingen gelden specifieke criteria, die beschreven staan in hoofdstuk
- Klikt u hier voor de reclamecriteria. 3.10Thematische bebouwing 3.10.1Gebiedsbeschrijving De thematische bebouwing betreft zowel de uitbreidingswijken van de jaren ’80 tot heden, als de stedelijke inbreidingen. Beide typen gebieden worden gekenmerkt door de uitgesproken architectonische vormgeving. Ze zijn een reactie op de sobere naoorlogse architectuur en stedenbouw. Ook de veranderende volkshuisvestingsopgave is hier van invloed. De woningnood is achter de rug en er wordt meer marktconform gebouwd. De erven zijn klein in relatie tot de bouwvolumes. In de stedenbouwkundige opzet van de wijken krijgen de verschillende thema’s een bewuste plek toegewezen. Er worden weer echte woonstraten en woonblokken gemaakt, waarbij de voorzijde is gericht naar de straat en in de binnengebieden aan de achterzijde de private achtertuinen zijn gelegen. Bij de ontwikkeling van nieuwe woongebieden en complexen worden architecten en ontwikkelaars steeds meer gevraagd om een ontwerp voor erfafscheidingen en optionele uitbreidingen als erkers, dakkapellen en serres mee te nemen in het totaalplan. Voorbeelden van wijken die tot deze categorie behoren, zijn de Vijfhoek in Deventer en de Bathmense enk in Bathmen. Gebouwkenmerken Er wordt naar alle voorgaande perioden ‘teruggegrepen’, waardoor er geen sprake is van bepaalde typische gebouwkenmerken. De gebouwen of bouwblokken zijn individueel vormgegeven en zijn op de straat gericht. 3.10.2Welstandsbeleid Het beleid is gericht op het bouwen binnen de geest van de wijk- of buurtopzet en het behoud van de samenhang in architectuur. Het is vooral van belang dat verbouwingen of nieuwe bijgebouwen passen bij de architectuur van het hoofdgebouw. Bij volledige nieuwbouw zal het straatbeeld in ogenschouw moeten worden genomen. Dit zal per straat andere criteria opleveren. Bij verbouwingen van een woning in een bouwblok, zullen de vormgeving, het kleur- en materiaalgebruik van het desbetreffende bouwblok leidend zijn. 3.10.3Openbare ruimte Kenmerken openbare ruimte De openbare ruimte is onderdeel van een totaalplan. Het begrip openbare ruimte wordt breed geïnterpreteerd. Het is niet meer alleen een ruimte voor verkeer en parkeren. Het is een verblijfsruimte, van meet af aan ontworpen om te spelen, te zitten, een ommetje te maken, er van te genieten als van een publieke voortuin. Nieuwe waarden als natuur, ecologie en hemelwaterinfiltratie zijn mee ontworpen. Streefbeeld openbare ruimte Traditionele straten zijn aangevuld met bredere ruimten tussen de woonblokken, ontstaan door bijvoorbeeld een bijzondere positionering van een bouwvolume. Materiaal- en kleurgebruik voor paden, verharde oppervlakken en straatmeubilair is afgestemd op het materiaalgebruik in de gebouwen. Met name in de stedelijke inbreidingen vindt de openbare ruimte aansluiting bij de naastgelegen gebiedstypen. 3.10.4Criteria thematische bebouwing Plaatsing Met representatieve zijde naar de weg; Vrijstaand: centraal op de kavel; In de rooilijn; Vorm Geen blinde gevels langs straten of openbare ruimte; Hoofdentree in de voor- of zijkant; Seriematige bebouwing: vorm sluit aan bij het betreffende bouwblok; Detaillering Bestaande detaillering vormt het uitgangspunt bij verbouwingen; Seriematige bebouwing: detaillering sluit aan bij het betreffende bouwblok; Materiaalgebruik Gevels Seriematige bebouwing: materiaal sluit aan bij het betreffende bouwblok; Vrijstaand: materiaal past in het straatbeeld; Dak Seriematige bebouwing: materiaal sluit aan bij het betreffende bouwblok; Vrijstaand: materiaal past in het straatbeeld; Kleurgebruik Gevels/dak Seriematige bebouwing: kleur komt overeen met het betreffende bouwblok Vrijstaand: geen felle kleuren; Algemeen Ontwerpseries herkenbaar houden; Bij verbouwingen van ondergeschikte aard worden de stijlkenmerken overgenomen van het oorspronkelijke gebouw. Deze stijlkenmerken komen tot uiting in hoogte-breedte verhoudingen, maatvoering van lijsten en overstekken, neggen en kleurgebruik. Een bouwplan sluit qua situering, vorm, detaillering, kleur- en materiaalgebruik aan op de kenmerken van de gebouwen in de omgeving en houdt rekening met verwachte ontwikkelingen in de omgeving, welke vastgelegd zijn in een vastgesteld bestemmingsplan. Voor gebouwen met een andere functie dan wonen en/of winkel, zoals scholen, zorgcomplexen, sportvoorzieningen kan afgeweken worden van de gebiedscriteria. In dat geval zal de Adviesraad Welstand aan de hand van de Algemene criteria uit hoofdstuk 6 het bouwplan beoordelen. Bouwplannen in beschermde gezichten worden beoordeeld met behulp van de redengevende omschrijvingen, welke zijn opgenomen in bijlage
- In het kader van het welstandsbeleid is het niet toegestaan om beeldschermen aan de gevel of in de gevel te plaatsen. Reclame Voor reclame-uitingen gelden specifieke criteria, die beschreven staan in hoofdstuk
- Klikt u hier voor de reclamecriteria. 3.11Bedrijventerreinen 3.11.1Gebiedsbeschrijving De meeste bedrijven in Deventer zijn geclusterd op het bedrijventerrein Bergweide en Kloosterlanden aan de zuidoostzijde van de stad. Een bedrijventerrein of bedrijvenpark is vooral bedoeld om bedrijfsactiviteiten uit te voeren. Het uiterlijk van de bebouwing is vaak ondergeschikt aan de functie. Kantoren hebben vaak een representatiever karakter. Gebouwkenmerken De bebouwing op bedrijventerreinen heeft een minder geordend karakter. Doorgaans bestaat een bedrijf uit één of meerdere hallen met een kantoorgedeelte aan de straatzijde. De hallen zijn meestal bekleed met of opgetrokken uit plaatmateriaal, de kantoren zijn soms opgetrokken van baksteen of zijn bekleed met een andere steenachtige afwerking. Materiaal en kleur bepalen het beeld. Minder sprekend zijn de gevelindeling en details. Bij ‘zelfstandige’ kantoren, die als grote moderne panden op eigen kavels zijn geplaatst, wordt vaker gebruik gemaakt van hoogwaardige materialen en bijzondere vormen. 3.11.2Welstandsbeleid Het beleid is gericht op behoud en versterking van het straatbeeld. Een zachte overgang van openbare ruimte - gebouw is van belang. Dit kan worden bereikt door het aanbrengen van een voorportaal, luifels of een overgang naar lagere bouwvolumes richting de voorzijde van het gebouw. Ook het ontwerp van de tuin/terrein kan hier aan bijdragen. 3.11.3Openbare ruimte Kenmerken openbare ruimte De openbare ruimte is functioneel. Wegprofiel, bochtstralen en inritten zijn in ontwerp en materiaalgebruik geschikt voor intensief en zwaar verkeer. Straten hebben vaak aan een of twee zijden een brede berm, bestaande uit een afwisselend beeld van parkeervakken en heesters of gras. De hoofdontsluitingswegen zijn vaak met bomen beplant. In de dorpen zijn de bedrijventerreinen vaak onderdeel van het dorpssilhouet. Ze vinden aansluiting bij de ruimtelijke karakteristieken van het dorp en het omliggende landschap. Streefbeeld openbare ruimte Eenheid in het gebied wordt bewaard door eenduidigheid in bermbreedtes, materiaalgebruik en de keuze voor beplantingen. Bij verbouwingen of nieuwbouw dienen rooilijnen te worden afgeleid van de meest voorkomende maatvoeringen in de betreffende straat. Bij de dorpse bedrijventerreinen worden landschapselementen als lanen, houtwallen en bosjes ingezet. In het Havenkwartier is de openbare ruimte bijvoorbeeld sterk gericht op het havenkarakter. Dat komt tot uiting in robuuste materialen en het contact met het water op een industriële manier: stoer, chic mag. Op andere locaties kunnen waterbeheer en beplantingen van openbare ruimte en kantoorterreinen of – tuinen zich richten op de aanwezige landschappelijke structuren of elementen. 3.11.4Criteria bedrijventerreinen Plaatsing Met representatieve zijde naar de weg. Indien meerdere zijden van gebouw aan de weg liggen, dan meerzijdig georienteerd; Kantoor aan de straatzijde; Centraal op de kavel; Vorm Geen blinde gevels langs straten of openbare ruimte; Kantoor is qua uiterlijk anders en meer representatief dan omringende gebouwen op het perceel; Lagere bouwhoogte richting openbare ruimte; Detaillering Bestaande detaillering vormt het uitgangspunt bij verbouwingen; Kleurgebruik Felle kleuren zijn toegestaan tot maximaal de helft van het geveloppervlak; Algemeen Een bouwplan sluit qua situering, vorm, detaillering, kleur- en materiaalgebruik aan op de kenmerken van de gebouwen in de omgeving en houdt rekening met verwachte ontwikkelingen in de omgeving, welke vastgelegd zijn in een vastgesteld bestemmingsplan. Bij verbouwingen van ondergeschikte aard worden de stijlkenmerken overgenomen van het oorspronkelijke gebouw. Bouwplannen in beschermde gezichten worden beoordeeld met behulp van de redengevende omschrijvingen, welke zijn opgenomen in bijlage
- In het kader van het welstandsbeleid is het niet toegestaan om beeldschermen aan de gevel of in de gevel te plaatsen. Reclame Voor reclame-uitingen gelden specifieke criteria, die beschreven staan in hoofdstuk
- Klikt u hier voor de reclamecriteria. 3.12Solitaire bebouwing 3.12.1Gebiedsbeschrijving In de gemeente komen grote gebieden voor waarin de bebouwing individueel is vormgegeven. Het gaat daarbij om (sport)parken, villawijken, instellingen, grote open gebieden tussen verschillende wijken, grote winkelgebieden en dorpsgebieden waar de woningen individueel zijn vormgegeven. De gebouwen stammen uit verschillende perioden. Door het overwegend groene karakter van de omgeving hebben de karakterverschillen van de gebouwen beperkte invloed op het beeld van de openbare weg. Een deel van Park Braband, een villapark in Schalkaar, heeft de status van beschermd dorpsgezicht. Op de welstandskaart is het betreffende gebied omkaderd. Gebouwkenmerken De gebouwen hebben een overwegend grote massa. De verschijningsvorm varieert, omdat de gebouwen in verschillende perioden zijn gebouwd, maar ook omdat behalve woningen veel andere functies voorkomen. Dergelijke gebouwen zijn niet (alleen) vanwege esthetiek op een bepaalde manier vormgegeven, maar vaak geeft de vormgeving ook de functie van het gebouw weer. 3.12.2Welstandsbeleid Voor dit gebied is het vooral van belang dat verbouwingen of nieuwe bijgebouwen passen bij de architectuur van het hoofdgebouw. Bij nieuwbouw is het van belang dat de woningen individueel zijn vormgegeven (herhaling vermijden). Er is binnen dit gebied veel vrijheid, zolang de kwaliteit op zich maar voldoende is. De gebouwen worden vooral beoordeeld in de relatie tot de omgeving en de functie. Er zijn weinig welstandscriteria op van toepassing, omdat elk gebouw afzonderlijk kan worden vormgegeven. Omdat bij de welstandstoetsing vooral de relatie met het openbaar gebied van belang is, worden alle bouwplannen in dit gebied voorgelegd aan de Adviesraad Welstand. Ook alle bouwplannen binnen het beschermd dorpsgezicht zullen aan de Adviesraad Welstand worden voorgelegd. 3.12.3Openbare ruimte Kenmerken openbare ruimte De robuuste groene omgeving, bestaande uit zowel openbaar als particulier grondgebied, is de belangrijkste eigenschap van de (openbare) ruimte. Het karakter van het groen is specifiek aan de locatie. Het is sterk gerelateerd aan de cultuurhistorie van de plek en het onderliggende landschap. Streefbeeld openbare ruimte De landschappelijke kenmerken van de locatie en de directe omgeving zijn leidend bij de (her)inrichting van de openbare ruimte en particuliere terreinen. Dat zijn bijvoorbeeld landgoedbeplantingen, lanen, houtwallen, de openheid van het rivierenlandschap en beplantingen. 3.12.4Criteria solitaire bebouwing Plaatsing Met representatieve zijde naar de weg; Vorm Geen blinde gevels langs straten of openbare ruimte; Andere vorm dan gebouwen op naastgelegen percelen; Detaillering Bestaande detaillering vormt het uitgangspunt bij verbouwingen; Kleurgebruik Gevels Geen felle kleuren; Dak Geen felle kleuren; Algemeen Een bouwplan sluit qua situering, vorm, detaillering, kleur- en materiaalgebruik aan op de kenmerken van de gebouwen in de omgeving en houdt rekening met verwachte ontwikkelingen in de omgeving, welke vastgelegd zijn in een vastgesteld bestemmingsplan. Bij verbouwingen van ondergeschikte aard worden de stijlkenmerken overgenomen van het oorspronkelijke gebouw. Deze stijlkenmerken komen tot uiting in hoogte-breedte verhoudingen, maatvoering van lijsten en overstekken, erkers en dakkapellen, profielen van ramen, kozijnen en neggen en kleurgebruik; Bouwplannen in beschermde gezichten worden beoordeeld met behulp van de redengevende omschrijvingen, welke zijn opgenomen in bijlage
- In het kader van het welstandsbeleid is het niet toegestaan om beeldschermen aan de gevel of in de gevel te plaatsen. Reclame Voor reclame-uitingen gelden specifieke criteria, die beschreven staan in hoofdstuk
- Klikt u hier voor de reclamecriteria. 4.0Gebiedscriteria landelijk gebied 4.1Landschappelijke deelgebieden In deze paragraaf volgt eerst een uiteenzetting van de opbouw van dit hoofdstuk. Daarbij wordt ingegaan op de gebiedsindeling, de gebiedsbeschrijving, de richtlijnen voor erfinrichting en welstandscriteria voor bebouwing. Gebiedsindeling Het gemeentelijke grondgebied is ten behoeve van deze welstandsnota opgedeeld in verschillende gebieden, wat heeft geresulteerd in de welstandskaart. Voor het landelijk gebied hebben het landschapsontwikkelingsplan1Een plus voor het landschap van Salland. Landschapsontwikkelingsplan gemeenten Deventer, Raalte, Olst-Wijhe
(2008). (LOP) en de omgevingsvisie2Omgevingsvisie Overijssel. Visie en uitvoeringsprogramma voor de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van de provincie Overijssel
(2009). als basis gediend. Het landelijk grondgebied van de gemeente Deventer wordt in deze welstandsnota verdeeld in de volgende gebieden: Het rivierenlandschap Het oude cultuurlandschap Het jonge ontginningenlandschap Het buitengebied van Deventer is een mozaïek van landschapstypen. Het reliëf en de bodemgesteldheid waren bepalend voor de inrichting van het landschap. Op de dekzandruggen ontstonden aaneengesloten escomplexen en individuele kampontginningen. De lagergelegen broekgebieden zijn ontgonnen na de aanleg van de Sallandse weteringen. Grote delen van het gebied bleven tot in de negentiende eeuw in gebruik als heide of gemeenschappelijk weiland. In de loop van de negentiende eeuw zijn de gemeenschappelijke markegronden verdeeld en ontgonnen (jonge ontginningenlandschap). Sterke begrenzingen bestaan niet, doordat de diverse landschapstypen in elkaar overvloeien. Het rivierenlandschap kent een heldere begrenzing doordat deze buitendijks is gelegen (de IJssel en uiterwaarden). Het overige buitengebied van Deventer kent een brede variatie aan landschapstypen zoals het hoevenlandschap, open enken, natte laagtes, landgoederen en heide- en broekontginningen. Voor de bruikbaarheid van deze welstandsnota is een indeling in het oude cultuurlandschap en het jonge ontginningenlandschap gehanteerd. Het oude cultuurlandschap Het oude cultuurlandschap bestaat uit oude nederzettingen en ontginningen. Dit gebeurde met name op de hogere gronden aangezien de laagtes te nat waren. Beplantingen, zoals houtsingels, dienden ter afscheiding van de percelen en als veekering. Oude landgoederen hadden een positie in een bosrijke omgeving. Het oude cultuurlandschap bestaat dan ook grotendeels uit een hoevenlandschap. In dit hoevenlandschap zijn open (bolle) enken gelegen en natte (holle) laagtes. De indeling van het oude cultuurlandschap komt overeen met de indeling in dekzandruggen en het weteringenlandschap uit het LOP3Een plus voor het landschap van Salland. Landschapsontwikkelingsplan gemeenten Deventer, Raalte, Olst-Wijhe
(2008). en de indeling in het oude hoevenlandschap, essenlandschap en maten- en flierenlandschap uit de omgevingsvisie4Omgevingsvisie Overijssel. Visie en uitvoeringsprogramma voor de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van de provincie Overijssel
(2009).. Het jonge ontginningenlandschap Het jonge ontginningenlandschap bestaat uit vrij recente ontginningen in de lage, natte delen van het plangebied. De ontgonnen heide- en broekgebieden hebben hierbij een rationeel karakter (rechtlijnige percelen en kavels). De bebouwing heeft een functionele opzet met veelal een rechthoekig woonhuis met zadeldak, met achter het woonhuis de bedrijfskavel. De indeling in het jonge ontginningenlandschap komt overeen met de indeling in dekzandruggen, het weteringenlandschap en dekzandlaagtes uit het LOP¹ en de indeling in het oude hoevenlandschap, essenlandschap, maten- en flierenlandschap en jonge heide- en broekontginningenlandschap uit de omgevingsvisie². Aangezien het buitengebied van Deventer uit een mozaïek van landschapstypen bestaat, is het mogelijk dat in het oude cultuurlandschap jonge ontginningen zijn gelegen (in de natte laagtes) en in het jonge ontginningenlandschap kunnen oude, waardevolle enken zijn gelegen met daaromheen oude boerderijen. Voor het hoevenlandschap, de open enken, de natte laagtes (met waterlopen) en de oude landgoederen gelden de richtlijnen en criteria die beschreven staan onder het oude cultuurlandschap. Voor heide- en broekontginningen, jonge landgoederen (met rationele opzet) en recenter ontgonnen percelen in de natte laagtes (indien deze een rationele opzet kennen) gelden de richtlijnen en criteria die beschreven staan onder het jonge ontginningenlandschap. Gebiedsbeschrijving Per gebiedstype wordt eerst uiteengezet om welk gebied het gaat. Vervolgens zullen de voor het beeld bepalende kenmerken van het landschap en de bebouwing, waarmee het gebied zich onderscheidt van andere gebieden, aan bod komen. De kenmerken van het landschap komen tot uiting in een beschrijving van de structuur van beplanting en wegen, de aanwezigheid van water, de aanwezigheid van reliëf en de situering van erven. De landschappelijke kenmerken zijn beschreven, omdat in deze welstandsnota ook richtlijnen zijn opgenomen voor de erfinrichting. De bebouwingskenmerken kunnen te maken hebben met de massa en vorm van de bebouwing, de nokrichting, de architectonische kenmerken van de gevels, de detaillering en de kleur- en materiaaltoepassing. Reikwijdte De reikwijdte van het document is beperkt tot het (agrarische) erf. De welstandsnota geeft richtlijnen en criteria voor ontwikkelingen op erf- en bebouwingsniveau. Voor de indeling in landschappelijke deelgebieden is het dan ook van belang dat wordt gekeken naar de samenhang van de bebouwing met het landschap. Voor de landgoederen zijn de ruimtelijke karakteristieken en de ruimtelijke kwaliteit vastgelegd in de notitie “De Deventer Landgoederen, beschrijving en waardering”. Bij de richtlijnen voor landgoederen wordt in deze welstandsnota verwezen naar deze notitie. Erfinrichting Ontwikkelingen in het landelijk gebied hebben een grote invloed op de gebiedskarakteristieken van het landschap. Bij de realisatie van nieuwe erven, uitbreidingen van bestaande erven of bij functieveranderingen op bestaande erven is er sprake van een verandering in de verschijningsvorm van het erf en het landschap. Het is daarom belangrijk dat deze veranderingen rekening houden met aanwezige landschappelijke kwaliteiten, waarbij de erven een meerwaarde kunnen betekenen voor de ruimtelijke kwaliteit van het gebied. Op erfniveau zijn drie factoren bepalend voor een goede samenhang tussen het erf en het landschap: de ontwikkelingsrichting van het erf, de bouwrichting en de erfbeplanting. In de paragraaf ‘erfinrichting’ worden de richtlijnen afgestemd op de landschappelijke kwaliteiten, waarbij ruimte wordt geboden voor ontwikkelingen op het erf. Richtlijnen en welstandscriteria Richtlijnen voor erfinrichting De richtlijnen voor de inrichting van het erf zijn opgenomen als inspiratiebron voor plannenmakers (initiatiefnemers van bouwplannen), maar zullen ook dienen als toetsingskader voor nieuwe bestemmingsplannen. In de inleiding wordt hier nader op ingegaan. Richtlijnen voor erfinrichting spitsen zich toe op de vorm van de kavel, erfafscheidingen, positie van elementen, verhogingen, vergravingen en erfbeplanting. Welstandscriteria voor bebouwing De welstandscriteria voor bebouwing bevatten de criteria waaraan de bouwplannen worden getoetst. Bij de criteria wordt onderscheid gemaakt in plaatsing, vorm, detaillering, materiaal- en kleurgebruik: Plaatsing Hiermee wordt de ligging van de gebouwen op het perceel of ten opzichte van de weg en de omliggende bebouwing bedoeld. Daarbij is echter het bestemmingsplan richtinggevend. Vorm Hieronder vallen de criteria die betrekking hebben op de vorm die het gebouw in grote lijnen heeft, zoals het soort dak en de vorm van de plattegrond. Soms is een gebouw samengesteld uit meerdere volumes die ten opzichte van elkaar verspringen. In andere gevallen is sprake van een enkelvoudige hoofdvorm. Detaillering Onder detaillering wordt het gebruik van ornamenten of andere bouwkundige versieringen bedoeld. Materiaal Onder het kopje ‘materiaal’ wordt aangegeven uit welk materiaal de gevels en het dak dienen te bestaan. Kleur Bij kleur wordt aangegeven welke kleur de gevel of het dak moet hebben. Soms gelden er ook criteria voor het kleurgebruik van kozijnen. 4.2Het rivierenlandschap In deze paragraaf wordt een beschrijving gegeven van het gebied (paragraaf 4.2.1), wordt beschreven hoe bebouwing landschappelijk kan worden ingepast (paragraaf 4.2.2) en worden de criteria voor gebouwen benoemd (paragraaf 4.2.3). 4.2.1Gebiedsbeschrijving Ligging en ontstaan Het rivierenlandschap bestaat uit een buitendijks en een binnendijks gebied. In deze paragraaf wordt alleen de IJssel en uiterwaarden behandeld, oftewel het buitendijkse gebied. De IJssel is de structuurdrager voor dit deelgebied. De dynamiek van de rivier bepaalt de verschijningsvorm van het landschap. Niet alleen per jaar, maar vooral ook per seizoen. Tegenwoordig spelen met name natuurontwikkeling en waterberging de voornaamste rol in de uiterwaarden. Op de historische kaarten is te zien hoe de stad Deventer zich richting het zuiden heeft uitgebreid langs de rivier de IJssel. Het bedrijventerrein heeft een haven gekregen en water wordt vastgehouden in diverse plassen en kolken langs de rivier. De westkant is door de jaren heen vrijwel onveranderd gebleven. De loop van de Oude IJssel vormt hier een duidelijke gemeentegrens. De grootste verandering is de opdeling van de aaneengesloten uiterwaarden, door de aanleg van de snelweg A1. Natuurontwikkeling vindt met name plaats in de Ossenwaard. De rondom de rivier gelegen gronden, de uiterwaarden, vormen een duidelijke landschappelijke eenheid met de rivier. De dijken vormen markante begrenzingen van het deelgebied. Beplanting in het landschap komt voor in natuurreservaten, rondom kolken en langs oude rivierlopen. Deze karakteristieken zorgen voor een duidelijk verschil in verschijningsvorm met de aangrenzende landschapstypen. De erven De Sallandse erven hebben veelal een traditionele indeling in voor-, zij- en achterf. Hier geldt een heldere scheiding in gebouwen en gebruik van het voorerf (nutstuin, moestuin, siertuin en fruitgaard) en het achtererf (functionaliteit). Gebouwkenmerken De dynamiek van de rivier heeft ervoor gezorgd dat bebouwing van het gebied vrijwel niet heeft plaatsgevonden. Enkele erven hebben zich op de hogere zandgronden (rivierduinen) gevestigd in de uiterwaarden, zoals De Worp, Johannahoeve en Schoenmakershoeve. Een deel van een rivierduin ten westen van de N337 is opgenomen onder het oude cultuurlandschap doordat de huidige verschijningsvorm aansluit op het bos Rande (gelegen in het oude cultuurlandschap). Het landelijk gebied van Deventer wordt gekenmerkt door Sallandse boerderijen. In het rivierenlandschap komen met name de volgende twee gebouwtypen voor: het hallehuis-boerderijtype en het T-huis/L-vorm boerderijtype. De bebouwingen hebben een kenmerkende kap, met vaak een wolfseind voor en een dakschild achter. De dakbedekking bestaat meestal uit pannen of riet, of een combinatie daarvan. De schoorsteen zit vaak in het linker dakvlak. Veelal komen gepleisterde gevels voor met de voordeur vaak links in de voorgevel. Bij het hallehuis-boerderijtype komen vaak kleinere bijgebouwen voor op het erf (waaronder hooibergen). Bij T-huizen is meestal sprake van een aangebouwde (varkens)schuur en zijn architectonische details veelal sober. Het losgekoppelde woonhuis is veelal recenter toegevoegde bebouwing en is vooral te vinden in de recenter ontgonnen natte laagtes in het oude cultuurlandschap en in het jonge ontginningenlandschap (zie paragraaf 4.5.3). Landschapstype De IJssel en uiterwaarden Het is een zeer open gebied met een afwisselende verkaveling, microreliëf en incidenteel bebouwing. Het microreliëf wordt vooral gekenmerkt door restanten van oude rivierlopen van de IJssel, richels, droge geulen en doorbraakkolken. Het gebied heeft dan ook een rijke cultuurhistorische betekenis. De in de uiterwaarden gelegen bebouwing heeft vaak een rijke erfbeplanting waardoor het contrast met het open landschap wordt versterkt. 2000 1911 1957 Erfinrichting: de IJssel en uiterwaarden Aandachtspunt Onvoldoende erfbeplanting voor een besloten karakter van het gehele erf. Aandachtspunt Onvoldoende erfbeplanting voor een besloten karakter van het gehele erf. Goede landschappelijke inpassing Voldoende erfbeplanting, grillige kavelvorm en compact erf. 4.2.2Erfinrichting Ondanks dat er incidenteel sprake is van erven in de uiterwaarden kunnen deze een grote impact hebben op de beleving van het gebied. Nieuwe erven zijn niet toegestaan in de uiterwaarden, echter uitbreidingen van huidige erven of functieveranderingen betekenen een nieuwe rol van het erf in de uiterwaarden. Het microreliëf zorgt voor een grillige kavelvorm van erven. Deze karakteristiek dient intact te blijven. Rationele kavelvormen dienen te worden voorkomen. De mate van erfbeplanting kan variëren van transparante erfbeplanting tot een meer besloten erfbeplanting. Dit is afhankelijk van de mate van bebouwing, waarbij met name dient te worden gelet op de lengte en hoogte van de nieuwe bebouwing en de beeldbepalendheid van het gebouw. [1] Ontwikkelingsrichting van het erf ontwikkelingsrichting erf Het rivierenlandschap kenmerkt zich door een variënde verkaveling. Door zandwinning en het aanwezige microreliëf heeft de verkaveling een grillig patroon. De ontwikkelingsrichting van het erf kan dan ook naar diverse richtingen plaatsvinden. Hierbij is het belangrijk dat de woonzone in stand wordt gehouden als voorerf. Deze dient dus niet te worden omgeven door bedrijfsmatige toevoegingen. [2] Bouwrichting De erven kennen variatie in de bouwrichting van de gebouwen. Deze zijn zowel in de breedte als in de diepte van het erf gelegen. Doordat het landschap een grillige verkaveling kent en de erven een variabele ontwikkelingsrichting hebben, is het mogelijk de bouwrichting te variëren. Hierbij dient het uitgangspunt te zijn dat het erf zijn compacte indeling behoudt. compactheid erf [3] Erfbeplanting Het landschap heeft een kenmerkende openheid. Deze straalt rust en ruimte uit. Het voorzien van de erven met een rijke aanplant van gebiedseigen beplanting geeft een sterk contrast tussen het besloten erf en het open landschap. Dit contrast komt de rustige uitstraling van het landschap ten goede. De kwaliteit van het uiterwaardenlandschap is zijn rustige uitstraling, waarin waterberging en natuurontwikkeling een voorname rol spelen. De invloed van bebouwing dient dan ook beperkt te blijven, wil deze dit beeld niet verstoren. Een enkele bomenrij is hierbij onvoldoende om het erf op te nemen in het landschap. Erfinrichtingsrichtlijnen Uitgangspunt is het handhaven, herstellen en versterken van de karakteristieke openheid en het microreliëf van het rivierenlandschap. Ontwikkelingen op erven dienen opgevangen te worden door transparante tot meer besloten erfbeplanting. Erfindeling Compact; Ontsluiting Eén erftoegangsweg; Zonering van het erf Het erf dient een representatief voorerf, met daarop de bedrijfswoning, te hebben (voor informatie over de indeling van gebouwen op het erf, zie paragraaf 4.5.1, zonering van het erf); Relatie bebouwing Bebouwing dient een zekere samenhang te hebben. Dat moet blijken uit de plaatsing, materialisering en/of de vormgeving; Erfafscheidingen Opvallende terreinafscheidingen, zoals hekwerken en muren, moeten worden voorkomen. Bij voorkeur wordt hierbij gebruikgemaakt van beplanting en/of sloten; Verhogingen Gelet op de karakteristiek van het deelgebied zijn beperkte verhogingen van het erf toegestaan, indien het vanuit waterhuishoudkundig oogpunt noodzakelijk is; Vergravingen Vergravingen voor een van buiten bereikbare garage of kelder zijn niet wenselijk en mogen in ieder geval niet zichtbaar zijn vanaf de openbare weg; Positie elementen Bedrijfsmatige elementen (zoals silo’
- s)dienen, indien mogelijk, geclusterd te worden. Bij voorkeur worden bedrijfsmatige elementen zoveel mogelijk inpandig opgenomen in de bedrijfsgebouwen of tussen bedrijfsgebouwen; Positie van de bebouwing Variabel, reagerend op het microreliëf en de grillige verkaveling. Transparante tot besloten uitstraling van het erf, (afhankelijk van de bouwmassa) met bomenrijen, bomengroepen, solitairen of (meidoorn)hagen. Geen bedrijfsmatige toevoegingen in de woonzone; Informele/natuurlijke uitstraling van erfbeplanting op de bedrijfskavel; Gebruik van gebiedseigen landschapselementen en beplantingssoorten. landschapselement als erfbeplanting 4.2.3Criteria rivierenlandschap BEBOUWINGSCRITERIA Plaatsing Variërend (zie bouwrichting van gebouwen, paragraaf 4.2.2); Vorm Het dakvlak van het gebouw dient beeldbepalend te zijn en een rustige vormgeving te krijgen (voor informatie over de uitstraling van gebouwen op het erf, zie paragraaf 4.5.2, uitstraling (bedrijfs)bebouwing); Gebouwen dienen te zijn voorzien van een dakoverstek; Enkelvoudige hoofdvorm met eventueel daaraan ondergeschikte delen; Woning: traditionele kapvorm; Bedrijfsgebouwen: bij een asymmetrische bouw dient hoogste bouwlaag op het erf georiënteerd te zijn; Bedrijfsgebouwen (stallen): zadeldak (andere stalvormen via de Adviesraad Welstand). Detaillering Bestaande detaillering vormt het uitgangspunt bij verbouwingen; Sobere detaillering; Materiaalgebruik Gevels Woning: rood/grijs/zwart; Dak Woning: rood/grijs/zwart; Kozijnen Bedrijfsgebouwen: kozijnen met negge en witte windveer toepassen.; Kleurgebruik Gevels Woning: rood/roodbruin Bedrijfsgebouwen: gedekte/donkere kleur, die afwijkt van de kleur van het dak; Dak Woning: rood/grijs/zwart; Bedrijfsgebouwen: gedekte/donkere kleur, die afwijkt van de kleur van de gevel; Algemeen Bij verbouwingen van ondergeschikte aard worden de stijlkenmerken overgenomen van het oorspronkelijke gebouw. Deze stijlkenmerken komen tot uiting in hoogte-breedteverhoudingen, maatvoering van lijsten en overstekken, erkers en dakkapellen, profielen van ramen, kozijnen en neggen en kleurgebruik. Voor gebouwen met een andere functie dan wonen en/of winkel, zoals scholen, zorgcomplexen, sportvoorzieningen kan afgeweken worden van de gebiedscriteria. In dat geval zal de Adviesraad Welstand aan de hand van de Algemene criteria uit hoofdstuk 6 het bouwplan beoordelen. Voor reclame-uitingen gelden specifieke criteria, die beschreven staan in hoofdstuk 5. Klikt u hier voor de reclamecriteria; Bouwplannen in beschermde gezichten worden beoordeeld met behulp van de redengevende omschrijvingen, welke zijn opgenomen in bijlage 3. Overige bouwwerken (zoals silo’
- s)dienen een donkere gedekte kleur te hebben. In het kader van het welstandsbeleid is het niet toegestaan om beeldschermen aan de gevel of in de gevel te plaatsen. BEBOUWINGSRICHTLIJNEN Vorm De goothoogte van bedrijfsgebouwen dient zo laag mogelijk te blijven (zie paragraaf 4.5, Achtergrondinformatie); Hergebruik gebouwen Bij voorkeur worden bestaande (waardevolle) gebouwen hergebruikt voor een nieuwe functie, waardoor het oorspronkelijke karakter van de gebouwen/het erf behouden blijft. Het in stand houden van een deel van de bedrijfsgebouwen voorkomt het ongewenst krimpen van streekeigen ensembles. Bij functieverandering is het van belang dat het nieuwe erf minder groot is dan het oorspronkelijke erf. Het oppervlak aan verharding mag niet toenemen. Karakteristieke panden Uitgangspunt is dat alle nieuwe bebouwing, wat betreft de goothoogte en positie op het erf, ondergeschikt is aan karakteristieke waardevolle panden/boerderijen. Dit betreft in ieder geval bijgebouwen en eventuele bedrijfsgebouwen. Als er een nieuw woongebouw wordt opgericht, dient deze visueel ondergeschikt te zijn aan het karakteristieke waardevolle pand. Dit kan worden bereikt door middel van plaatsing van deze gebouwen achter het karakteristieke waardevolle pand/ boerderij, door het hanteren van een lagere goot (waarbij de nok juist hoger kan zijn) en/of door het aanbrengen van erfbeplanting. Vernieuwende architectuur Het wordt aangemoedigd dat de architectuur op een vernieuwende manier omgaat met deze criteria, zolang deze recht doet aan een beeldbepalend dakvlak en een rustige uitstraling. 4.3Het oude cultuurlandschap In deze paragraaf wordt een beschrijving gegeven van het gebied (paragraaf 4.3.1), wordt beschreven hoe bebouwing landschappelijk kan worden ingepast (paragraaf 4.3.2) en worden de criteria voor gebouwen benoemd (paragraaf 4.3.3). 4.3.1Gebiedsbeschrijving Ligging en ontstaan Het oude cultuurlandschap wordt gevormd door dekzandruggen en natte laagtes. Van oudsher zijn hier de eerste nederzettingen te vinden. Het landschap heeft dan ook een hoge cultuurhistorische betekenis. Door de hoge, droge omstandigheden zijn hier veel landschapselementen te vinden en karakteristieke oude boerderijen. Landschapskenmerken Het oude cultuurlandschap is een mozaïek van landschapstypen. Elk landschapstype heeft zijn eigen kenmerken en kwaliteiten, deze staan verderop toegelicht. Het oude hoevenlandschap bepaalt grotendeels de uitstraling van het oude cultuurlandschap door de grote hoeveelheden landschapselementen (bosschages, houtsingels en dergelijke). Meer verspreid gelegen zijn de open enken, de natte laagtes en de landgoederen (met bospercelen). Deze gelden vooral als belangrijke structuurdragers voor het buitengebied van Deventer, aangezien deze niet alleen zijn gelegen rondom het oude hoevenlandschap, maar tevens in de jonge heide- en broekontginningen. De erven De Sallandse erven hebben veelal een traditionele indeling in voor-, zij- en achterf. Hier geldt een heldere scheiding in gebouwen en gebruik van het voorerf (nutstuin, moestuin, siertuin en fruitgaard) en het achtererf (functionaliteit). Met name in het oude cultuurlandschap vindt men veel streekeigen erven. Gebouwkenmerken Het landelijk gebied van Deventer wordt gekenmerkt door Sallandse boerderijen. In het oude cultuurlandschap komen met name de volgende twee gebouwtypen voor: het hallehuis-boerderijtype en het T-huis/L-vorm boerderijtype. Het losgekoppelde woonhuis is veelal recenter toegevoegd en is vooral te vinden in de recenter ontgonnen natte laagtes (zie paragraaf 4.5.3). Binnen het oude cultuurlandschap komen geen wezenlijke verschillen voor in stijlkenmerken van de bebouwing op (agrarische) erven. De bebouwingen hebben een kenmerkende kap, met vaak een wolfseind voor en een dakschild achter. De dakbedekking bestaat meestal uit pannen of rietendak of een combinatie daarvan. De schoorsteen zit vaak in het linker dakvlak. Veelal komen gepleisterde gevels voor met de voordeur vaak links in de voorgevel. Bij het hallehuis-boerderijtype komen vaak kleinere bijgebouwen voor op het erf (waaronder hooibergen). Bij T-huizen is meestal sprake van een aangebouwde (varkens) schuur en zijn architectonische details veelal sober. Landschapstype: oude hoevenlandschap Het oude hoevenlandschap kenmerkt zich door zijn kleinschalige karakter. Dit heeft te maken met vele opgaande (lineaire) beplantingen, zoals bosschages, houtwallen, houtsingels, bomenrijen, struweelranden en bomenlanen. Binnen dit landschappelijke raamwerk van beplantingen zijn de erven gelegen. Doordat het opgaand groen onderling is verbonden, bestaat er een aangename samenhang tussen de bebouwing en het landschap. De erven worden opgenomen in het groen, in plaats van beeldbepalend te zijn. Het aanwezige reliëf zorgt ervoor dat de bebouwing zich heeft verspreid over het gebied. De wegen/lanen passen zich aan op het aanwezige reliëf en hebben een bochtig verloop. De afwisseling van hoger gelegen gronden en nattere laagtes is de basis voor de kenmerkende grillige verkaveling van de oude ontginningen. Het landschap is tevens van grote cultuurhistorische waarde. Op vele erven staan gebiedskarakteristieke gebouwen/boerderijen, het gebied herbergt vele monumentale bomen en historische verbindingswegen, zoals zandpaden. Landschapstype: open enken Historisch gezien, onderscheiden de enken zich door de karakteristieke openheid en het glooiende reliëf. Enken, ook wel essen genoemd, zijn in het landschappelijke raamwerk van het oude hoevenlandschap gelegen. De grootte van de enken is variërend. Nederzettingen hebben zich beperkt tot de flanken van de enken. Veelal is er sprake van een besloten openheid omdat de open enken grenzen aan het landschappelijke raamwerk van het oude hoevenlandschap. Hierdoor waren oorspronkelijk de randen van de enken sterk aangezet met opgaand groen (bosranden, houtwallen en dergeljike). Tegenwoordig staan deze groene randen onder druk. De erven dienen onderdeel te zijn van een groene rand, waarbij de openheid van de enken behouden blijft. Net zoals het oude hoevenlandschap hebben de enken een hoge cultuurhistorische waarde door de bolgelegen percelen en de bijzondere bodemkwaliteit met archeologische waarden. Enkele waardevolle enken zijn: de Letterler enk, de Bathmense Enk, de Essenerenk en de Linder enk. Landschapstype: natte laagtes Binnen het reliëfrijke landschap van het oude hoevenlandschap en de hogere enken zijn nattere laagtes gelegen. In deze nattere laagtes zijn de weteringen en waterlopen gelegen die zorgen voor de afwatering van het gebied. Deze hebben veelal een recht verloop. De enige natuurlijke beek in het buitengebied van Deventer is de Dortherbeek, die een enigszins meanderend verloop heeft. Kenmerkende weteringen en waterlopen zijn: de Soest- en Zandwetering, de Borgerler leide en de Averlosche leide. De nattere laagtes worden, net zoals de enken, gekenmerkt door hun openheid. In plaats van een bolle ligging hebben de laagtes een holle ligging. Door de nattere omstandigheden is hoog opgaand groen beperkt gebleven. Lineaire beplantingen, zoals struweel, komen wel voor en kunnen de open flanken van de natte laagtes opdelen in kleinere eenheden. Veelal hebben deze beplantingen Het oude hoevenlandschap kenmerkt zich door zijn kleinschalige karakter. Dit heeft te maken met vele opgaande (lineaire) beplantingen, zoals bosschages, houtwallen, houtsingels, bomenrijen, struweelranden en bomenlanen. Binnen dit landschappelijke raamwerk van beplantingen zijn de erven gelegen. Doordat het opgaand groen onderling is verbonden, bestaat er een aangename samenhang tussen de bebouwing en het landschap. De erven worden opgenomen in het groen, in plaats van beeldbepalend te zijn. Het aanwezige reliëf zorgt ervoor dat de bebouwing zich heeft verspreid over het gebied. De wegen/lanen passen zich aan op het aanwezige reliëf en hebben een bochtig verloop. De afwisseling van hoger gelegen gronden en nattere laagtes is de basis voor de kenmerkende grillige verkaveling van de oude ontginningen. Het landschap is tevens van grote cultuurhistorische waarde. Op een ondergeschikte maat ten opzicht van de beplantingen van het oude hoevenlandschap. Dit maakt de overgang van de natte, lage gronden naar de hogere, droge gronden zichtbaar. De nederzettingen zijn van oudsher op de overgang van de hogere gronden (dekzandrug) naar de lagere gronden (dekzandlaagte) gelegen. Kenmerkend is dan ook het overwegend onbebouwde karakter van de natte laagtes. Tegenwoordig zijn er tevens erven in de laagtes gelegen door het ontginnen van de natte laagtes. Landgoederen Er komen vele landgoederen voor in het gebied. Deze hebben een grote impact op de verschijningsvorm van het landschap. Grote stukken aaneengesloten bospercelen en bosschages zijn onderdeel van landgoederen. De landgoederen zorgen dan ook voor een sterk besloten karakter binnen het kleinschalige karakter van het oude hoevenlandschap. De landhuizen en buitenplaatsen hebben een sterke relatie met de aanwezige bospercelen/bosschages en zijn veelal op belangrijke zichtlijnen georiënteerd. Het landschap heeft veelal ook een statige uitstraling door lange lijnen van laanbeplantingen die eindigen op de as van het landhuis. Binnen het complex aan landgoederen komen vele monumentale bomen en historische verbindingswegen (zandpaden) voor. Landhuizen en buitenplaatsen gaan vaak al eeuwen terug en herbergen vele streekeigen bebouwingskenmerken. Door hun karakteristieke gevels en ruime opzet binnen opgaand groen, hebben de landhuizen en buitenplaatsen een hoge cultuurhistorische betekenis. Erfinrichting: oude hoevenlandschap Aandachtspunt Onvoldoende erfbeplanting rondom bedrijfskavel en onduidelijk voorerf. Aandachtspunt Onvoldoende erfbeplanting rondom bedrijfskavel en een rechthoekige kavelvorm. Goede landschappelijke inpassing Voldoende erfbeplanting, grillige kavelvorm en compact erf. 4.3.2Erfinrichting Erfinrichting in het oude hoevenlandschap Het kenmerkende kleinschalige karakter van het oude hoevenlandschap is onder druk komen te staan, doordat ontwikkelingen in het buitengebied steeds grootschaliger zijn geworden. Toegevoegde bebouwing (met name stallen) is niet alleen breder en langer geworden, maar ook hoger. Dit maakt de nieuwe bebouwingen beeld