Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordoostpolder houdende regels omtrent maatschappelijke ondersteuning (Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Noordoostpolder 2020)Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordoostpolder; gelet op: titel 4:3 van de Algemene wet bestuursrecht; de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Noordoostpolder 2020; het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Noordoostpolder 2020; overwegende dat het college het voor de beoordelingsvrijheid bij de uitvoering van de wet noodzakelijk vindt om aan te geven op welke wijze daar mee wordt omgegaan en daartoe beleidsregels wenst vast te stellen; besluit de volgende beleidsregels vast te stellen Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Noordoostpolder 2020 Hoofdstuk1Algemene uitgangspunten 1.1Inleiding Beleidsregels ontlenen hun status aan artikel 4.81, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht: "Een bestuursorgaan kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde bevoegdheid." Bij beleidsregels gaat het om een bij besluit vastgestelde algemene regel niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift zoals de Verordening maatschappelijke ondersteuning. Beleidsregels gaan over de vaststelling van feiten, wetsinterpreterend beleid of over hoe bepalingen in de Verordening door het college worden toegepast. Concreet betekent dit voor de uitvoeringspraktijk dat alle (min of meer) gelijke gevallen op een gelijke manier worden afgehandeld volgens het door het college vastgestelde beleid dat als zodanig ook is bekendgemaakt middels publicatie. 1.2Begripsbepalingen In deze beleidsregels en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: Budgethouder: degene aan wie het pgb is toegekend (de cliënt), Budgetperiode: de periode waar een pgb betrekking op heeft, Derde: degene aan wie het pgb wordt besteed, Verordening: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Noordoostpolder 2020, Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Begrippen die in deze Beleidsregels worden gebruikt en niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet en de daarop gebaseerde lagere regelgeving, de Verordening, het Besluit maatschappelijke ondersteuning Gemeente Noordoostpolder 2020 en de Algemene Wet bestuursrecht (Awb). 1.3Goed samenhangend stelsel De beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Noordoostpolder strekken ertoe tot een goed samenhangend stelsel over de beoordeling van maatwerkvoorzieningen te komen voor inwoners van de gemeente die niet of nog niet zelf of met hulp van anderen in staat zijn tot zelfredzaamheid en/of participatie. De beleidsregels volgen in principe zoveel mogelijk de opbouw van de Verordening. Er zijn dus hoofdstukken over de verschillende terreinen waarop maatwerkvoorzieningen kunnen worden verstrekt en hoe de aanspraak daarop wordt beoordeeld. Kernbegrippen zijn: eigen verantwoordelijkheid; uitgaan van te bereiken resultaten; en het leveren van maatwerk. Hoofdstuk2Procedure Artikel 2.3.2 van de wet Artikel 2.3.3 van de wet Hoofdstuk 2 van de Verordening 2.1Inleiding De wet schrijft voor dat de burger met een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning zijn ondersteuningsvraag eerst moet melden bij het college. Dan bestaat er recht op een onderzoek. Het college kan op deze manier in samenspraak met de cliënt en zijn eventuele mantelzorger eerst zorgvuldig de ondersteuningsbehoefte en de mogelijke oplossingen in kaart brengen. De wet voorziet in voorwaarden waaraan een goed onderzoek ten minste moet voldoen en bepaalt welke onderwerpen in ieder geval in het onderzoek (na de melding van de hulpvraag) moeten worden meegenomen. Pas na het verstrekken van het verslag met de onderzoeksresultaten kan een aanvraag worden gedaan. De regels van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn niet van toepassing op de procedure van de melding en het onderzoek. Het onderzoek behoort wel tot de voorbereiding van het besluit (art. 3:2 van de Awb). Verordening De Verordening is voor wat betreft de toegang tot maatschappelijke ondersteuning procedureel ingericht zodat het voor de inwoners van de gemeente Noordoostpolder duidelijk is hoe het college te werk gaat nadat zij hun ondersteuningsvraag hebben gemeld. Daarbij kan de cliënt gebruik maken van cliëntondersteuning. De wet schrijft voor dat het college een verslag aan de cliënt verstrekt met daarin de onderzoeksresultaten van het vraagverhelderingsgesprek. Daaruit kan de cliënt afleiden of hij in aanmerking komt voor ondersteuning. Na de melding van de ondersteuningsvraag wordt de cliënt in de gelegenheid gesteld zijn eigen persoonlijk plan in te dienen. Daaruit kan het college afleiden waarom de cliënt van mening is dat hij ondersteuning van de gemeente nodig heeft. Verder heeft het college een voorlichtingsplicht. Die bestaat uit het informeren van de cliënt onder welke voorwaarden hij in aanmerking kan komen voor een persoonsgebonden budget (pgb) en wat de eventuele hoogte is van de bijdrage in de kosten voor voorzieningen. Nadat het vraagverhelderingsgesprek is afgerond kan de cliënt een aanvraag indienen. Daarvoor kan het verslag van het vraagverhelderingsgesprek worden gebruikt. Bij de beslissing op de aanvraag vormt het verslag en het eventueel ingediende persoonlijk plan van de cliënt het uitgangspunt. Criteria in de Verordening In de Verordening zijn diverse criteria vastgesteld. Die criteria verschillen naar gelang de aard van de ondersteuning waarop de cliënt is aangewezen. Het college baseert de beslissing op de aanvraag mede op basis van de Verordening. 2.2Spoedeisende situatie Aangezien het onderzoek zes weken in beslag kan nemen, moet het college tijdens het onderzoek na een melding in spoedeisende situaties onverwijld een passende tijdelijke maatregel nemen in afwachting van de uitkomsten van het vraagverhelderingsgesprek en de aanvraag van betrokkene (art. 2.3.3 van de wet). De noodzaak om een tijdelijke maatwerkvoorziening te verstrekken, zal slechts in bijzondere gevallen aanwezig zijn. Onder een spoedeisende situatie kan ook een tijdelijke indicatie vallen gedurende de periode van de beslissing op de aanvraag om een indicatie voor de Wet langdurige zorg (EK 2013/14, 33 841, G, p. 24). In die gevallen stelt het college een tijdelijke indicatie. Het ligt in die situatie voor de hand dat ook een tijdelijke indicatie wordt afgegeven voor persoonlijke verzorging en/of verpleging op grond van de Zorgverzekeringswet. Die indicatie wordt door de wijkverpleegkundige gesteld. 2.3Ondersteuningsvraag gericht op beschermd wonen en/of opvang De toegang voor maatschappelijke opvang en beschermd wonen loopt via de Centrale Toegang (CT) Flevoland. Ingeval van een melding met de behoefte aan dergelijke maatwerkvoorzieningen wordt de cliënt in principe doorverwezen naar de CT Flevoland. De GGD voert in opdracht van gemeente Almere een vraagverhelderinggesprek uit en maakt een gespreksverslag en ondersteuningsplan. Het expertteam van de CT is verantwoordelijk voor een professioneel inhoudelijk oordeel op het gespreksverslag en ondersteuningsplan, waarbij vanuit de verschillende expertises gekeken wordt. Deze expertises zijn de verslavingszorg, de GGZ, kennis van beschermd wonen, ambulante woonbegeleiding, maatschappelijke opvang en kennis van de licht verstandelijke beperking (LVB) doelgroep. Het expertteam overlegt (zonodig) met het college of toegang tot opvang of beschermd wonen noodzakelijk is. Gemeente Almere heeft mandaat om te beslissen op de aanvraag voor beschermd wonen. 2.4Persoonlijk plan en cliëntondersteuning Nadat de cliënt zich heeft gemeld wijst het college op de mogelijkheid om een persoonlijk plan in te dienen. De wet bepaalt dat een persoonlijk plan zeven dagen na de melding bij het college kan worden ingediend. Er kunnen zich individuele omstandigheden voordoen waardoor het college van deze termijn afwijkt. Zowel het college als de cliënt is er namelijk bij gebaat dat een persoonlijk plan voldoende inzichtelijk maakt op welke maatschappelijke ondersteuning de cliënt is aangewezen. Met het indienen van een persoonlijk plan is overigens niet gezegd dat het college gehouden is, indien een aanvraag wordt ingediend, (volledig) tegemoet te komen aan de wensen zoals die in dat plan zijn beschreven. Dat zal het college wel nader moeten motiveren bij de besluitvorming. Desgewenst kan de cliënt voor het opstellen van een persoonlijk plan gebruik maken van cliëntondersteuning. 2.5Cliëntondersteuning Cliëntondersteuning is onafhankelijke ondersteuning van de cliënt met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen (art. 1.1.1, eerste lid, van de wet). Een cliëntondersteuner kan de cliënt in het vraagverhelderingsgesprek helpen zijn ondersteuningsvraag te verwoorden en keuzes te maken. Het college moet ervoor zorgen dat deze cliëntondersteuning beschikbaar is voor hen die maatschappelijke ondersteuning nodig hebben of problemen hebben op andere terreinen binnen het sociale domein. Bij de melding van de ondersteuningsvraag wijst het college erop dat gebruik kan worden gemaakt van cliëntondersteuning. Verder moet het college er zorg voor dragen dat cliëntondersteuning en het beslissen op een aanvraag niet in één hand kunnen liggen. De cliëntondersteuner moet immers onpartijdig zijn en alleen in het belang van de cliënt te handelen. De cliëntondersteuner kan ook iemand uit het netwerk van cliënt of vanuit een belangenorganisatie of een professional in dienst van een welzijnsinstelling zijn, bijvoorbeeld een ouderenadviseur of een maatschappelijk werker. 2.6Signaleringsfunctie aanbieder Verder kan het college met aanbieders afspraken maken over het indienen van een ondersteuningsvraag namens cliënten. Het is logisch dat zij snel kunnen constateren dat de behoefte aan ondersteuning van een cliënt toeneemt, of daar tenminste aanleiding voor is dat aan te nemen (signaleringsfunctie). Ook kan er natuurlijk sprake zijn van een afname aan de behoefte aan ondersteuning. Het college doet in ieder geval onderzoek en er wordt zonodig een vraagverhelderingsgesprek gepland met de cliënt. De bevoegdheid om onderzoek te doen nadat een maatwerkvoorziening of een pgb is toegekend is overigens ook neergelegd in artikel 2.3.9 van de wet. 2.7Onderwerpen vraagverhelderingsgesprek De wet schrijft voor dat het college een onderzoek doet naar de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als de cliënt dat bij het college heeft gemeld. De onderwerpen die tijdens het vraagverhelderingsgesprek aan bod moeten komen zijn neergelegd in artikel 2.3.2, vierde lid, van de wet. Daarin staat dat het college onderzoekt: de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt; de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, onderscheidenlijk de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang; welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4, verschuldigd zal zijn. Tijdens het vraagverhelderingsgesprek wordt de cliënt ook geïnformeerd over het gebruik en oneigenlijk gebruik van maatwerkvoorzieningen, al dan niet in de vorm van een pgb en de manier waarop het college vorm kan geven aan de controle. 2.8Ondersteuning vragen Cliënten kunnen het moeilijk vinden om een ander te vragen iets voor hen te doen terwijl mensen in het netwerk vaak best bereid zijn iets voor een ander te betekenen, maar niet weten hoe ze dat moeten aankaarten. Dit kan onderwerp zijn van het vraagverhelderingsgesprek, waarbij het college kan ondersteunen bij het betrekken van personen uit de sociale omgeving. Van de cliënt mag worden verwacht dat hij de personen uit het sociaal netwerk vraagt of zij hem kunnen en willen ondersteunen of dat hij het college met deze personen in contact brengt. Deze personen kunnen ook worden uitgenodigd bij het vraagverhelderingsgesprek. 2.9Inlichtingen- en medewerkingsplicht Om het vraagverhelderingsgesprek volledig uit te kunnen voeren is het van belang dat de cliënt daaraan zijn medewerking verleend. In artikel 2.3.2, zevende lid, van de wet is bepaald dat de cliënt dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger het college de gegevens en bescheiden verschaft die voor daarvoor nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Deze verplichting geldt naar analogie van artikel 4:2 van de Awb. Artikel 2.3.8 van de wet bepaalt de inlichtingen- en medewerkingsplicht voor cliënten aan wie een maatwerkvoorziening is verstrekt, al dan niet in de vorm van een pgb. 2.10Beperking, chronisch psychisch probleem en psychosociaal probleem Beperking De wet bepaalt niet wat onder een beperking wordt verstaan. Onder een beperkingen kunnen aan de cliënt verbonden factoren worden verstaan die ertoe leiden dat de cliënt niet (volledig) in staat is tot zelfredzaamheid en participatie. Denk aan: ouderdomsklachten, ziekte, aandoening of DSM-5 problematiek. Zelfredzaamheid en participatie Zelfredzaamheid bevat twee elementen: het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL), het voeren van een gestructureerd huishouden. Participatie heeft betrekking op deelname aan het maatschappelijk verkeer. Dit wil zeggen zoveel mogelijk op gelijke voet met anderen mee kunnen doen aan de samenleving. Diagnose alleen geeft geen toegang Het feit dat de cliënt bekend is met een bepaalde diagnose, leidt niet zonder meer tot een noodzaak tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening. Het moet duidelijk zijn dat de cliënt door de beperkingen belemmerd wordt in de zelfredzaamheid en/of participatie én dat ‘voorliggende oplossingen’ niet passend zijn in de individuele situatie. Zie onder meer hoofdstuk 3 van deze beleidsregels. Chronisch psychisch probleem Psychische problemen hebben te maken met gevoelens en gedachten van mensen waarvoor vaak geen fysieke oorzaak is. Psychische problemen worden vastgesteld aan de hand van de DSM-5. Dat is een classificatiesysteem voor psychiatrische aandoeningen. De DSM-5 biedt een geclusterde beschrijving van alle stoornissen op basis van symptomen. Daaronder vallen bijvoorbeeld: Angststoornissen Depressie Persoonlijkheidsproblematiek Autisme Spectrum Stoornissen (ASS) Beoordeling hulpvraag Dat wil zeggen als uit het vraagverhelderingsgesprek blijkt dat de hulpvraag betrekking heeft op een chronisch psychisch probleem (DSM-5 problematiek), bijvoorbeeld een angststoornis, dan zal dat aannemelijk moeten worden door een diagnose. Is de aanvraag om een maatwerkvoorziening gericht op het oplossen van een chronisch psychisch probleem (DSM-5 problematiek), dan beoordeelt het college of de maatwerkvoorziening een therapeutisch karakter heeft. Psychosociaal probleem Psychosociale problematiek is een containerbegrip. Het gaat om problemen die cliënten kunnen ondervinden in hun relaties en contacten met andere mensen. De wetsgeschiedenis van de Wmo 2015 gaat niet concreet in op dit begrip. In de Wmo 2007 was dat wel het geval. Is het verlies van zelfstandig functioneren of een gebrek aan deelname aan het maatschappelijk verkeer het gevolg zijn van iemands problemen in zijn relatie met zijn sociale omgeving, dan is sprake van een psychosociaal probleem (TK 2004/05, 30 131, nr. 3, p. 29). Ongeacht de aard van de psychosociale problematiek, de beperkingen moet wel geobjectiveerd kunnen worden aan de hand van reguliere onderzoeksmethoden (bijv. CRVB:2019:2909 en CRVB:2019:1173). 2.11Therapeutisch karakter Blijkt uit het vraagverhelderingsgesprek dat er met de maatwerkvoorziening primair een medisch of therapeutisch doel is gediend, dan heeft de gevraagde voorziening een therapeutisch karakter. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn bij een aanvraag om ondersteuning (begeleiding) of een PTTS-hulphond. In RBOBR:2019:478 legt de medisch adviseur van het college in kwestie uit dat een behandeling kan aangrijpen op verschillende aspecten van een ziekte en de daaruit voortkomende problemen en dat de behandeling verschillende doelen kan hebben. Daarbij zijn vier manieren van behandeling beschreven, te weten het aangrijpen op: de aandoening zelf; de stoornissen; op de beperkingen die door de stoornissen ontstaan; en op de handicap die de cliënt ervaart als gevolg van de beperkingen. Beoogde doelen maatwerkvoorziening De met de inzet van de PTSS-hulphond (in RBOBR:2019:478) beoogde doelen hebben volgens de medisch adviseur allen betrekking op aangrijpingspunt 2.: behandeling van de stoornissen, te weten het verminderen van de angst- en paniekklachten en/of zorgen voor stabilisatie. Deze therapeutische doelen hebben (bij positief effect) weliswaar mede tot gevolg dat het de zelfredzaamheid en met name de participatie van cliënt zal bevorderen, maar dit betreft slechts een secundair gevolg. In het algemeen is het zo dat (vrijwel) elke behandeling die positief aanslaat tot gevolg zal hebben dat de zelfredzaamheid en/of participatie van degene die de behandeling ondergaat wordt bevorderd. De beoogde doelen van de inzet van bijvoorbeeld een PTSS-hulphond zijn dan primair gericht op de behandeling van de stoornissen van cliënt en hebben daarmee een therapeutische functie (zie ook RBGEL:2018:5165). Weigeren maatwerkvoorziening Omdat de behandeling van stoornissen niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015 valt, zal het college de aanvraag om een maatwerkvoorziening met een therapeutisch karakter weigeren. Een uitzondering kan aan de orde zijn bij cliënten die, blijkens een verklaring van een deskundige, zijn uitbehandeld. 2.12De aanvraag Vanaf het moment dat de cliënt een aanvraag indient, is er sprake van enige vorm van juridisering. Dit heeft met name tot doel om de rechtszekerheid van de cliënt te waarborgen. Het college beslist in principe binnen twee weken op de aanvraag. Pas na verstrekking van een gespreksverslag met eventueel een ondersteuningsplan kan een aanvraag voor een maatwerkvoorziening worden gedaan, tenzij het onderzoek (het vraagverhelderingsgesprek) niet binnen zes weken is uitgevoerd (art. 2.3.2, negende lid, van de wet). Om onnodige administratieve lasten voor zowel de cliënt als het college te voorkomen kan een gespreksverslag met eventueel ondersteuningsplan voorzien van de NAW-gegevens én een handtekening van de cliënt, als aanvraag worden aangemerkt. 2.13Advisering Voor de uitvoering van de wet kan het zijn dat het college advies moet vragen omdat het zelf niet ter zake deskundig is. In het algemeen geldt dat het college allereerst een standpunt moet innemen of het zelf over de deskundigheid beschikt om de aanspraak op een maatwerkvoorziening te kunnen beoordelen. Daarvoor moet het college zelf in staat zijn: de beperkingen op het gebied van de zelfredzaamheid en/of participatie vast te stellen (wettelijk toetsingskader); te beoordelen of er in het individu gelegen omstandigheden zijn die het recht op een pgb in de weg staan (wettelijke voorwaarden); de goedkoopst passende bijdrage (maatwerkvoorziening) te indiceren en te selecteren zonodig aan de hand van de door een arts (of iemand die functioneert op vergelijkbaar niveau) vastgestelde (medische) beperkingen; zaken van technische aard te beoordelen, zoals die bij woningaanpassingen aan de orde kunnen zijn. Denk bijvoorbeeld aan de mogelijkheden van een inpandige woningaanpassing in plaats van een aanbouw. Advies vragen Als vuistregel geldt dat, als dat oordeel betrekking heeft op een medische kwalificatie van lichamelijke of geestelijke gebreken en de beperkingen die daaruit kunnen voortvloeien, het college in beginsel niet ter zake kundig zal zijn (vergelijk CRVB:2012:BY0324). Afhankelijk van de aard van de problematiek moet het college de cliënt laten oproepen door een deskundige die (zonodig) op het niveau van een arts functioneert. Het college kan advies vragen gedurende de procedure (melding, onderzoek of alvorens te beslissen op de aanvraag). Ook indien het college het besluit heroverweegt als bedoeld in artikel 2.3.9 van de wet kan er aanleiding om advies op te vragen. Het college is dus niet verplicht om advies op te vragen. Zie verder hoofdstuk 15 bij deze beleidsregels. 2.14Maatwerk Een cliënt die zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de gemeente Noordoostpolder komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening in verband met de door hem ondervonden beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet: op eigen kracht; met gebruikelijke hulp; met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen, dan wel met gebruikmaking van een algemeen gebruikelijke zaak of dienst, kan verminderen of wegnemen. Passende bijdrage Bij de beslissing op de aanvraag om een maatwerkvoorziening gaat het om maatwerk. Uit de wet volgt dat de maatwerkvoorziening een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid en/of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. Dat wil zeggen dat het bij het bieden van maatwerk om een resultaatverplichting van het college gaat. Het resultaat kan op verschillende manieren worden bereikt. Daarom is het bij het vraagverhelderingsgesprek van groot belang dat het onderzoek zich richt op het bereiken van een resultaat. Dit in samenspraak met de cliënt, zijn eventuele mantelzorger of andere personen uit het sociaal netwerk. Het resultaat van de ondersteuning zal waar mogelijk én nodig zo veel mogelijk moeten aansluiten bij de wensen en mogelijkheden van de cliënt zelf en zijn sociale omgeving. Niveau van maatschappelijke ondersteuning De verplichting van het college om een maatwerkvoorziening te verstrekken, gaat niet zo ver dat de cliënt in exact dezelfde of wellicht zelfs betere positie wordt gebracht dan waarin hij verkeerde voor hij de ondersteuning nodig had (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 149). Het behoeft geen toelichting dat dit in bepaalde gevallen ook helemaal niet mogelijk is. De gevraagde ondersteuning moet in een redelijke verhouding staan tot wat de situatie van de cliënt was voor hij ondersteuning nodig had. Wat redelijk is laat zich niet vertalen in beleidsregels; het gaat immers om maatwerk. Het gaat er om dat de cliënt in aanvaardbare mate in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid en/of participatie zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving (vergelijk CRVB:2012:BV5448). 2.15Weigeren aanvraag maatwerkvoorziening De wet kent slechts één weigeringsgrond. Het college is bevoegd om een aanvraag om een maatwerkvoorziening te weigeren als de cliënt een indicatie heeft of kan krijgen tot de Wet langdurige zorg (Wlz) maar daaraan geen medewerking wenst te verlenen, behoudens de uitzonderingsbepalingen (art. 2.3.5, zesde lid en art. 8.6a van de wet). Opgemerkt wordt dat de hier bedoelde uitzonderingen niet gelden als de ondersteuningsvraag betrekking heeft op: ondersteuning, dagactiviteiten of kortdurend verblijf. Dat wil zeggen dat het college bij de melding van ondersteuningsvraag altijd onderzoekt of de cliënt in aanmerking kan komen voor een Wlz-indicatie, tenzij er geen enkele aanleiding is om dat aan te nemen. Wijziging 1 januari 2020 Per 1 januari 2020 worden de Wlz-uitvoerders ook verantwoordelijk voor het individueel gebruik van mobiliteitsmiddelen (zoals aangepaste rolstoelen) van verzekerden die zonder behandeling in een instelling verblijven op grond van de Wlz (Stb. 2019, 438). Per die datum ontvangen alle verzekerden die in een instelling verblijven en een nieuw mobiliteitshulpmiddel nodig hebben, dat op grond van de Wlz. De uitzonderingsbepaling van artikel 8.6a onderdeel b van de wet is daarmee niet meer van toepassing. De Minister van VWS heeft wel afspraken gemaakt met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en Zorgverzekeraars Nederland dat gemeenten verantwoordelijk blijven voor onderhoud, aanpassing en reparatie van het vóór 1 januari 2020 verstrekte mobiliteitshulpmiddel tot aan het moment dat het hulpmiddel vervangen moet worden. De VNG heeft gemeenten over deze afspraken geïnformeerd in de ledenbrief van 2 oktober 2019. Wijziging 1 januari 2021 Verder wordt nog opgemerkt dat het hebben van een psychiatrische grondslag alleen op dit moment geen toegang geeft tot de Wlz (art. 3.2.1 Wlz). Er is wel een wetswijziging aangekondigd die daar verandering in aanbrengt. De beoogde inwerkingtreding is 1 januari 2021. Maatschappelijke participatie en Wlz Volgens de Centrale Raad van Beroep kunnen de Wmo 2015 en de Wlz naast elkaar bestaan (CRVB:2018:3933). Dat wil zeggen dat het college verantwoordelijk kan zijn voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening als de beperkingen van de verzekerde betrekking heeft op maatschappelijke participatie. Dat valt namelijk niet binnen de reikwijdte van de Wlz. Denk bijvoorbeeld aan de Regiotaxi voor verzekerden die in een Wlz-instelling verblijven. Beoordeling Eerst beoordeelt het college of aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 2.3.5, zesde lid, van de wet is voldaan. Dat wil zeggen: heeft de cliënt een Wlz-indicatie of kan hij daarvoor in aanmerking komen. Is dat het geval, dan wordt beoordeeld of er sprake is van een uitzondering als bedoeld in artikel 8.6a van de wet. Is dat niet het geval, dan doet het college onderzoek (zie hierna). Onderzoek (vraagverhelderingsgesprek) De procedure van artikel 2.3.2 van de wet moet in zo’n situatie volledig worden doorlopen. Daaruit zal moeten blijken wat het doel, inhoud en omvang van de ondersteuningsvraag is en de noodzaak van ondersteuning op grond van de Wmo 2015. Toepassing kan-bepaling Opgemerkt wordt dat de grondslag voor de beslissing op de aanvraag gebaseerd moeten worden op artikel 2.3.5, zesde lid, van de wet en dus gebaseerd is op de kan-bepaling van dat lid. Dat wil ook zeggen dat het college niet hoeft te beoordelen of de betreffende maatvoorziening een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven (art. 2.3.5, derde lid tweede volzin, van de wet). Het gaat er om of het college in redelijkheid tot het besluit (afwijzen of toekennen) heeft kunnen komen (CRVB:2018:3933 en CRVB:2019:3171). 2.15.1Outillagemiddelen Wlz-instelling Voor de uitleg van het begrip outillage kan worden aangesloten bij het algemene spraakgebruik. Het gaat om datgene waarmee een Wlz-instelling is uitgerust ter operationalisatie van zijn doelstelling. De inrichting van een instelling moet zijn uitgerust met die standaardvoorzieningen die nodig zijn om de doelgroep waarop de instelling zich richt adequaat te kunnen verzorgen. Daarbij is van belang of de gevraagde voorziening door meerdere mensen, eventueel na elkaar en met een geringe individuele aanpassing, te gebruiken is of dat sprake is van een op het individu toegesneden voorziening, die alleen na een kostbare aanpassing door verschillende personen na elkaar te gebruiken is (CRVB:2013:CA0312 Wmo). Hoofdstuk3Beoordeling van de aanspraak Artikel 2.3.5 van de wet Hoofdstuk 4 van de Verordening Besluit maatschappelijke ondersteuning 3.1Inleiding De cliënt die zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de gemeente Noordoostpolder kan aanspraak maken op ondersteuning van de gemeente Noordoostpolder. Door de toevoeging ‘zal hebben’ wordt cliënten niet de mogelijkheid ontnomen naar de gemeente Noordoostpolder te verhuizen. Verwezen wordt naar de begripsbepaling van hoofdverblijf in de Verordening. Wel zal de cliënt bij de keuze van een woning nadrukkelijk rekening moeten houden met de aanwezige of redelijkerwijs te verwachten beperkingen. Het gaat om situaties waarin het voor de hand ligt dat de cliënt op korte termijn problemen in de woning van zijn keuze zal gaan ondervinden. Onder een korte termijn wordt in ieder geval een periode van een jaar verstaan. 3.2Algemene uitgangspunten Eigen kracht Het college meent dat de eigen kracht een belangrijk onderdeel vormt van de beoordeling of iemand is aangewezen op een maatwerkvoorziening. Daaronder wordt dat verstaan wat naar oordeel van het college binnen het vermogen van de cliënt ligt om zelf tot verbetering van zijn zelfredzaamheid en/of participatie te komen. De cliënt zal zich -in een door het college te beoordelen mate- moeten inspannen om dat aan te wenden wat binnen zijn eigen bereik ligt om zelf in zijn behoefte op het gebied van maatschappelijke ondersteuning te voorzien. Zo zou iemand bijvoorbeeld maatschappelijk nuttige activiteiten kunnen verrichten om zijn participatieprobleem aan te pakken. Het verrichten van dergelijke activiteiten is echter niet verplicht. Onder eigen kracht kan ook letterlijk de eigen kracht worden verstaan. Denk bijvoorbeeld aan het in staat zijn om bepaalde huishoudelijke taken (deels) zelf uit te voeren. Daarbij zal het college bijvoorbeeld rekening kunnen houden met een (rustiger) tempo waarbinnen dat gebeurt maar ook met redelijkerwijs in acht te nemen leefregels waardoor de huishoudelijke taken verspreid over de week kunnen worden uitgevoerd. Gebruikelijke hulp Gebruikelijke hulp heeft alleen betrekking op personen die binnen de leefeenheid van de cliënt vallen (zie begripsbepalingen van de Verordening). Als naar oordeel van het college gebruikelijke hulp kan worden verlangd, bestaat er geen (of slechts gedeeltelijk) aanspraak op een maatwerkvoorziening. Zie verder hoofdstuk 4 van deze beleidsregels. Mantelzorg Mantelzorg is niet afdwingbaar. Maar het ontvangen van mantelzorg kan bijdragen aan het in staat zijn tot zelfredzaamheid en participatie. Het is daarom van groot belang dat het college tijdens het onderzoek ook nagaat of, en zo ja welke ondersteuningsbehoefte de mantelzorger heeft zodat de taken kunnen worden volgehouden. Zie verder hoofdstuk 5 van deze beleidsregels. Personen uit het sociale netwerk Bij het sociaal netwerk gaat het om personen uit de huiselijke kring. Daaronder kunnen een familielid, huisgenoot, (voormalig) echtgenoot of andere personen vallen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt. Ook het bieden van ondersteuning door personen uit het sociale netwerk is niet afdwingbaar. Wel is het zo dat het in principe aan cliënt is om zijn sociale netwerk te vragen of zij hem kunnen en willen ondersteunen opdat zijn beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie worden verminderd of weggenomen. Gebruikmaking algemene voorzieningen De wet geeft het college opdracht om algemene voorzieningen te treffen. Een algemene voorziening is een aanbod van diensten of activiteiten die, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is. Algemene voorzieningen zijn gericht op maatschappelijke ondersteuning (art. 1.1.1, eerste lid, van de wet). De wetgever heeft met algemene voorzieningen beoogd dat het in de daarvoor geschikte situaties een voorliggend en volwaardig alternatief is voor een maatwerkvoorziening (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 34). Algemene voorzieningen kunnen volgens de wetgever ook een belangrijke bijdrage leveren aan het meer inclusief maken van de samenleving, zodat mensen met beperkingen zoveel mogelijk in staat worden gesteld om op gelijke voet te participeren (TK 2013/14, 33 841, nr. 34, p. 21). Uit onderzoek kan blijken dat gebruikmaking van een algemene voorziening voor de cliënt als passende oplossing kan worden aangemerkt. Daarvoor hoeft de cliënt geen aanvraag in te dienen; gebruikmaking van algemene voorzieningen kan zonder indicatie. 3.3Algemeen gebruikelijk Artikel 2.3.5 lid 3 Wmo 2015 is per 1 januari 2020 gewijzigd en bepaalt ook dat als de cliënt de beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie - naar oordeel van het college - met een algemeen gebruikelijke zaak of dienst kan verminderen of wegnemen, dat er geen maatwerkvoorziening verstrekt hoeft te worden. Ratio Deze bepaling heeft als doel te voorkomen dat een maatwerkvoorziening wordt verstrekt terwijl, gelet op de omstandigheden van de cliënt met beperkingen, aannemelijk is dat deze zou (hebben kunnen) beschikken over een algemeen gebruikelijke zaak of dienst als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Een zaak of dienst is voor de cliënt als aanvrager algemeen gebruikelijk als deze: normaal in de handel verkrijgbaar is; en niet specifiek is bedoeld voor mensen met beperkingen; en niet substantieel duurder is dan vergelijkbare producten; en naar geldende maatschappelijke normen past binnen het normale bestedingspatroon van de cliënt. Het is ter beoordeling aan het college of er op het moment van de aanvraag sprake is van een zaak of dienst die naar geldende maatschappelijke opvattingen tot het gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van een persoon als de cliënt (aanvrager) behoort. Hierbij is het inkomen in principe niet van belang (vergelijk RBARN:2012:BX8032, CRVB:2018:1250 en CRVB:2019:3205). Bij structurele kosten zoals de maaltijdservice of de boodschappendienst kan dat anders zijn. Het college beoordeelt dan of de dienst beschikbaar is, een passende oplossing biedt en financieel draagbaar is. Uit de jurisprudentie blijkt overigens wel dat deze kosten ook passend worden geacht voor personen met een inkomen op het sociaal minimum (bijv. CRVB:2014:4276, CRVB:2017:1302, CRVB:2018:2182 en CRVB:2018:3093). Beoordelingskader De eerste drie vragen hebben betrekking op de vraag of de zaak of dienst algemeen gebruikelijk is. De vraag onder punt vier gaat over het antwoord op de vraag of de zaak of dienst voor de persoon als de cliënt algemeen gebruikelijk is. Het college beoordeelt de hier bovengenoemde vragen in hun onderlinge samenhang. Het enkele feit dat een zaak of een dienst normaal in de handel verkrijgbaar is wil nog niet zeggen dat het naar geldende maatschappelijke normen voor de persoon van de cliënt past binnen zijn normale bestedingspatroon. Dat vraagt dus telkens om een oordeel hoe het verstrekken van een maatwerkvoorziening aan een cliënt zich verhoudt tot de aanschaf (lees ook het kunnen beschikken) over een dergelijke zaak door een vergelijkbare persoon zonder beperkingen. Niet al te strikt Aan de andere kant wordt nadrukkelijk opgemerkt dat de beoordeling van de eerste drie geformuleerde vragen door het college niet al te strikt moet worden gelezen. Het feit dat de cliënt niet zonder meer een elektrische fiets zou aanschaffen betekent niet dat het toch geen algemeen gebruikelijke zaak voor hem/haar kan zijn. Bovendien is de beoordeling of iets algemeen gebruikelijk is ook afhankelijk van technische ontwikkelingen en nieuwe algemeen maatschappelijke normen. Het spreekt voor zich dat de cliënt het pgb budget niet mag besteden aan een voor hem algemeen gebruikelijke zaak of dienst (zie art. 9.2, eerste lid, van de Verordening). Vervanging Het toepassen door het college van het criterium “algemeen gebruikelijk” kan ook te maken hebben met een reguliere vervanging van zaken. Immers, algemene gebruikelijke zaken worden door personen met en zonder beperkingen vervangen als deze (technisch) zijn afgeschreven. Zie verder onder renovatie. Renovatie Renovatie heeft betrekking op roerende of onroerende zaken die technisch of economisch zijn afgeschreven en onder normale omstandigheden ook vervangen zouden moeten worden (afschrijftermijn). In het Besluit maatschappelijke ondersteuning worden de afschrijftermijnen van een aantal zaken genoemd. Voor personen met en zonder beperkingen geldt dat zaken na verloop van tijd moeten worden vervangen of aangepast aan de eisen van de tijd. Zaken (roerend of onroerend) die zijn afgeschreven kunnen algemeen gebruikelijk worden geacht. Voorbeelden zijn aanpassingen van badkamers (inclusief sanitair en kranen) of keukens. Omdat het bij een renovatie om relatief hoge kosten kan gaan, kan het inkomen van de cliënt een rol spelen bij de vraag of de aanpassing algemeen gebruikelijk is voor de cliënt (CRVB:2019:3535). Betaalbaarheid condensdroger In CRVB:2005:AT8015 oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat het kunnen beschikken over een condens droger, in de omstandigheden van belanghebbende, als algemeen gebruikelijk moet worden aangemerkt. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat een condens droger niet een specifiek voor 'gehandicapten' ontwikkeld product is. Een onverwachts optredende noodzaak Wanneer er sprake is van een plotseling optredende noodzaak tot aanschaf of vervanging van een zaak en deze zijn oorsprong vindt in de beperkingen van de cliënt, kan dat een omstandigheid zijn waarom deze voor de persoon als de cliënt toch niet algemeen gebruikelijk is. Denk vooral aan plotseling opgetreden beperkingen en de cliënt om die reden niet had kunnen voorzien dat hij aangewezen zou zijn op een dergelijke zaak. Wat onder plotseling wordt verstaan is in ieder geval afhankelijk van de algemene levensduur van de betreffende zaak. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat de cliënt vóór zijn ondersteuningsbehoefte een gewone fiets heeft aangeschaft en binnen de reguliere vervangingstermijn van die fiets aangewezen is op een elektrische fiets. Meerkosten Noodzakelijke meerkosten bij de aanschaf van een zaak die voor een persoon als de aanvrager algemeen gebruikelijk is, kunnen soms toch onder de ondersteuningsplicht van het college vallen. Voorbeelden hiervan zijn: Meerkosten van een aankleedblad of aankleedtafel. De aanpassingen aan een bakfiets die nodig zijn voor bijvoorbeeld het vervoer van de buggy of zuurstoffles. Geveerde zijwielen aan een fiets. Dit is geen limitatief overzicht, er zijn meer voorbeelden denkbaar. Privaatrechtelijke verbintenis In het kader van de beoordeling door het college of de aanvraag gericht is op een algemeen gebruikelijke zaak, kan betekenis toekomen als er op grond van een privaatrechtelijke verbintenis aanspraak bestaat op het realiseren daarvan. Het college kan in die gevallen verlangen dat de cliënt deze aanspraak naar volle vermogen te gelde probeert te maken. Dat is algemeen gebruikelijk om te doen (vergelijk CRVB:2011:BQ4115). Denk bijvoorbeeld aan een situatie waarin de cliënt mag verwachten dat de woning in overeenstemming is of wordt gebracht met de contractuele bepalingen of de eisen die in het algemeen aan een woning mogen worden gesteld (CRVB:2013:2509). Denk bijvoorbeeld aan het oplossen van vocht en schimmelplekken. Is de aanvrager de eigenaar van de woning zal hij dat zelf moeten realiseren. 3.4Overige voorliggende oplossingen In paragraaf 2.7 staan de onderwerpen die het college onderzoekt als de cliënt zijn ondersteuningsvraag heeft gemeld. In paragraaf 2.12 staat het wettelijk beoordelingskader waarop de beslissing van de aanvraag om een maatwerkvoorziening door het college wordt gebaseerd. Dat roept de vraag op of andere faciliteiten in Noordoostpolder ook onder het beoordelingskader kunnen vallen. Het zal namelijk niet altijd zo zijn dat het college deze ’faciliteiten’ heeft gecontracteerd als algemene voorziening en daarom niet precies bekend is waaruit deze bestaan. Denk bijvoorbeeld aan een inloopmiddag bij een buurthuis die activiteiten organiseert in het kader van dagbesteding of vrijwilligers die als boodschappenmaatje kunnen fungeren. Het kan ook gaan om vrijwilligers bij een manege. Denk in dat kader ook aan een rijinstructeur die een cliënt kan helpen (CRVB:2018:3348). Dergelijke faciliteiten tellen wel mee in het beoordelingskader. Het kan namelijk zo zijn dat deze faciliteiten een passende oplossing bieden voor de beperkingen die de cliënt ondervindt in zijn zelfredzaamheid en/of participatie. Omdat de partijen die faciliteiten bieden niet zijn gecontracteerd zal het college in het individuele geval moeten vaststellen waaruit de activiteiten van bijvoorbeeld het buurthuis bestaan en of de activiteiten een passende oplossing zijn voor de problemen die de cliënt heeft. Wanneer het gaat om vrijwilligers zal het college moeten vaststellen dat zij beschikbaar en geschikt zijn. 3.5Eigen verantwoordelijkheid In de Wmo 2015 is de eigen verantwoordelijkheid van burgers nog meer verankerd en wordt daarom betrokken bij het onderzoek en de beslissing op aanvraag. Zelf of met anderen Als het college van oordeel is dat de cliënt zijn eigen verantwoordelijkheid kan nemen (lees: de beperkingen zelf kan oplossen), dan wordt de aanvraag om ondersteuning afgewezen. Het spreekt voor zich dat het college dat telkens in het individuele geval moet beoordelen. In hoeverre medewerking kan worden gevergd van de cliënt, diens huisgenoten, zijn mantelzorger of hulpverlener of van anderen in diens omgeving, zoals familieleden, is dan ook afhankelijk van de individuele situatie. In de onderstaande tekst staan voorbeelden genoemd die zijn gebaseerd op de jurisprudentie die onder de Wmo oud tot stand is gekomen. Aangenomen wordt dat ‘de uitkomsten’ van deze uitspraken ook van toepassing zijn op de Wmo 2015. Het gesprek na de melding van de ondersteuningsvraag In het gesprek met de cliënt kunnen allerlei oplossingen worden besproken die kunnen leiden tot het oplossen dan wel verminderen van de beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie. Hierna staan een aantal voorbeelden genoemd wanneer dat de cliënt in staat kan worden geacht zijn zelfredzaamheid en/of participatie te verbeteren. Herinrichting woning Van de cliënt kan worden gevergd dat de woning zodanig wordt ingericht of heringericht zodat wordt voorkomen dat een woningaanpassing moet worden verleend (vergelijk CRVB:2011:BQ8290 en CRVB:2016:429). Aanspreken woningeigenaar Van de cliënt mag worden verwacht dat hij de woningeigenaar regelmatig met goede pogingen aanspreekt om gebreken in de woning te doen wegnemen. Is er mede gelet op de gezondheidstoestand van de cliënt binnen redelijkerwijs aanvaardbaar tijdsbestek geen uitzicht op opheffing van die gebreken, dan zal het college een maatwerkvoorziening al dan niet in de vorm van een financiële maatwerkvoorziening (verhuiskostenvergoeding) moeten verstrekken (CRVB:2013:2509). Voorliggende voorziening Zoals gezegd speelt de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt in de Wmo 2015 een hele belangrijke rol. Dat betekent dat het in principe onder de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt valt om een beroep te doen op een ‘andere wettelijke regeling’ waarmee aanspraak bestaat gelet op het oog op de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning (zie bepaling in de Verordening). Denk aan het afsluiten van en/of gebruik te maken van een aanvullende zorgverzekering ook al is die niet in alle gevallen dekkend (vergelijk CRVB:2013:CA1427). Denk bijvoorbeeld ook aan gebruikmaking van (laagdrempelig toegankelijke) paramedische zorg als bedoeld in de Zvw vanwege lichamelijke of psychische klachten (CRVB:2011:BT7241). Onder de eigen verantwoordelijkheid valt ook de inzet van gelden uit een dergelijke aanspraak met het oog op een specifieke bestemming. Denk bijvoorbeeld aan een vervoerskostenvergoeding op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (vergelijk CRVB:2012:BV9433). Risicosfeer Het is niet mogelijk limitatief te bepalen wanneer sprake is van omstandigheden die als ‘risicosfeer’ worden aangemerkt en daarmee voor rekening moeten blijven van de cliënt. In voorkomende gevallen betekent dit concreet dat de aanvraag om een maatwerkvoorziening kan worden geweigerd. Het gaat in ieder geval over keuzes die de cliënt maakt of heeft gemaakt die hem door het college kunnen worden tegengeworpen (vergelijk CRVB:2014:1161 en CRVB:2013:BZ7735). Denk bijvoorbeeld aan de aankoop van een woning die niet geschikt is in verband met de iemands beperkingen of verhuizen naar een woning waarvan te voorzien is dat daarin beperkingen zullen worden ondervonden (CRVB:2019:2951 en CRVB:2019:290). Dat is bijvoorbeeld het geval als de cliënt rolstoelgebruiker is en verhuist naar een woning met een trap maar zonder traplift. In de Verordening is verder nader invulling gegeven aan de bedoelde omstandigheden die betrekking hebben op de risicosfeer van de cliënt in geval van aanvragen om woningaanpassingen of een traplift. 3.6Primaat collectieve maatwerkvoorziening De hoofdregel volgens de Verordening is dat het primaat van de collectieve maatwerkvoorziening geldt, zoals collectief vervoer (Regiotaxi). Bij de beoordeling door het college of het primaat kan worden toegepast, wordt altijd gekeken naar de individuele omstandigheden van het geval. Het genoemde primaat was al bekend onder de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG) en de Wmo 2007. De Regiotaxi kan in de omstandigheden van het individuele geval bijvoorbeeld als passende bijdrage worden aangemerkt om de cliënt in staat te stellen tot zelfredzaamheid en participatie. 3.7Kortdurend en ontwikkelingsgericht De maatwerkvoorziening kan ook voor een kortdurende periode worden verstrekt. De maatwerkvoorziening wordt dan ontwikkelingsgericht verstrekt hetgeen aansluit bij de bedoeling van de wetgever. Met ontwikkelingsgerichte ondersteuning wordt beoogd de zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt te versterken, verbeteren of behouden. Daaronder kan ook toeleiding naar algemene voorzieningen of voorliggende voorzieningen worden verstaan. Verder kan kortdurende ondersteuning ook aan de orde zijn als degene van wie gebruikelijke hulp wordt gevergd dat (nog) niet kan, maar dat wel kan leren. 3.8Geheel aan maatregelen Onder omstandigheden kan een maatwerkvoorziening ook een op maat van de persoon gesneden afgestemd geheel van maatregelen zijn. Daarbij kan het gaan om vormen van hulp die beschikbaar zijn ter ondersteuning van verschillende cliënten, maar ook om op maat voor iemand bedachte oplossingen. Deze kunnen ook betrekking hebben op de afstemming van de maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 2.3.5, vijfde lid, van de wet. Hoofdstuk4Gebruikelijke hulp Artikel 1.1.1 van de wet (begripsbepaling) Artikel 4.2 van de Verordening (beoordeling aanspraak) 4.1Inleiding Gebruikelijke hulp is in de wet gedefinieerd als hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten (art. 1.1.1, eerste lid, van de wet). Gebruikelijke hulp strekt zich daarom alleen uit tot personen die met de cliënt woonachtig zijn in een woning. De zogeheten leefeenheid bestaat uit de bewoners die gemeenschappelijk een woning bewonen met het oog op een huishouden te voeren. Onder een huisgenoot wordt iedere andere persoon verstaan die tot de leefeenheid van de cliënt kan worden gerekend. Dat wil zeggen dat volwassen huisgenoten alleen bij een commerciële huurders- of kostgangersrelatie geen deel uitmaken van de leefeenheid. Het gaat om personen die een (pension)kamer huren via een (huur)overeenkomst. In zo’n overeenkomst kan overigens wel zijn staan dat ruimten voor gemeenschappelijk gebruik door de huurder of kostganger moeten worden schoongehouden. In dat geval stemt het college de omvang van de ondersteuning daarop af. Dat wil overigens niet zeggen dat als er geen contractuele bepalingen zijn opgenomen over het schoonmaken, dat het college meer huishoudelijke ondersteuning moet verstrekken. Voor zover er sprake is van meer vervuiling vanwege intensiever gebruik door de huurder of kostganger, dan valt dat buiten de omvang van de indicatie. 4.2Beleidsuitgangspunten In de wet staat voorop dat door het college allereerst wordt bezien of en in hoeverre iemand zelf dan wel met gebruikelijke hulp in staat is zijn problemen (beperkingen) op te lossen of te verminderen. In onze samenleving wordt het normaal geacht dat de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten waar nodig en mogelijk hun rol nemen in het huishouden, zeker daar waar er sprake is van een huisgenoot met een beperkte zelfredzaamheid. Gebruikelijke hulp vloeit rechtstreeks voort uit de sociale relatie, waarin het voeren van een gemeenschappelijk huishouden een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het functioneren van dat huishouden met zich brengt. Gebruikelijke hulp is dan ook de normale, dagelijkse hulp die partners of ouders en inwonende kinderen geacht worden elkaar onderling te bieden. 4.3Objectief afwegingskader Het is wenselijk om een objectief afwegingskader vast te stellen wat betreft de afbakening en inzet van gebruikelijk hulp om te voorkomen dat in voorkomende gevallen sprake is van toeval of van willekeur. Het college neemt daarbij een aantal uitgangspunten over zoals die golden in AWBZ. Voor wat betreft het overnemen van huishoudelijke taken blijven de regels gelden zoals onder de Wmo 2007. Onder gebruikelijke hulp wordt in ieder geval verstaan: het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van huishoudelijke taken; het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van de (financiële) administratie; het bieden van ondersteuning bij activiteiten of bezigheden die naar oordeel van het college volgens algemene aanvaardbare opvattingen tot de levenssfeer van personen van de leefeenheid behoren. Hiermee is geen limitatieve opsomming beoogd. Andere ondersteuning kan naar oordeel van het college ook volgens algemene aanvaardbare opvattingen als gebruikelijke hulp worden aangemerkt. Dat is ook afhankelijk van de individuele situatie. Uitgaande van de ondersteuningsvraag van de cliënt worden tijdens het vraagverhelderingsgesprek de problemen geïnventariseerd die de cliënt heeft in zijn zelfredzaamheid en/of participatie. Op basis van die inventarisatie beoordeelt het college welke ondersteuning nodig is. Pas dan kan op juiste wijze worden vastgesteld of gebruikelijke hulp mag worden verwacht van huisgenoten (bijv. CRVB:2018:3243 en CRVB:2018:3108). 4.4Beoordelingskader gebruikelijke hulp Huishoudelijke taken Volgens algemeen aanvaardbare opvattingen wordt het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van huishoudelijke taken verwacht van huisgenoten. Dat is in lijn met de vaste jurisprudentie (bijv. CRVB:2019:2616, CRVB:2018:2721, RBGEL:2018:2007, CRVB:2016:4351, CRVB:2015:3198). Het college zal - als het onderzoek daartoe aanleiding geeft - vast moeten (laten) stellen of de huisgenoot in staat is de huishoudelijke taken over te nemen. Dat kan bijvoorbeeld met een medisch advies (zie hoofdstuk 15 van de beleidsregels). Dat de huisgenoot weigert om huishoudelijke taken te verrichten, maakt niet dat het college, met toepassing van de hardheidsclausule, gehouden is om huishoudelijke ondersteuning toe te kennen (CRVB:2016:3665). Er kunnen zich ook situaties voordoen dat de huisgenoot, gelet op diens beschikbaarheid, de taken niet kan overnemen omdat het gaat om niet-uitstelbare taken. Overige taken of activiteiten Zoals gezegd bestaat het bieden van gebruikelijke hulp niet alleen uit het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van huishoudelijke taken. Bij de beoordeling of sprake is van gebruikelijke hulp zich baseert het college op de volgende feiten en omstandigheden: De aard, omvang en te verwachten duur van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt. De aard van de relatie van de persoon binnen de leefeenheid met de cliënt, tenzij het huishoudelijke ondersteuning betreft. De leeftijd en de ontwikkelingsfase van inwonende kinderen. De leerbaarheid van de cliënt en/of de personen van wie gebruikelijke hulp kan worden gevergd. Ad. 1 De aard, omvang en te verwachten duur van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt Het college inventariseert als eerste de hier genoemde omstandigheden. De aard De aard van de ondersteuningsbehoefte kan zeer divers zijn. De cliënt kan bijvoorbeeld aangewezen zijn op hulp bij: Zelfzorg; de thuisadministratie; het plannen of ondernemen van dagelijkse activiteiten in het kader van participatie; of problematisch gedrag. De mate van zelfredzaamheid is enerzijds afhankelijk van de beperkingen die de cliënt daarbij ondervindt. De mate waarin de cliënt ondersteuning nodig heeft zal eerst geïnventariseerd moeten worden (CRVB:2018:373). Anderzijds wordt de mate van zelfredzaamheid bepaald door wat de cliënt wel zelf kan al dan niet met hulp van anderen of met gebruikmaking van bijvoorbeeld algemene voorzieningen. Het college houdt in ieder geval rekening met hulp bij of het overnemen van activiteiten of taken die naar algemene aanvaardbare opvattingen onderling aan elkaar kan worden geboden. Zie verder onder het kopje ‘de aard van de relatie van de persoon binnen de leefeenheid met de cliënt’ van deze beleidsregels. De omvang Ook de omvang van de ondersteuningsbehoefte kan divers van aard zijn. Die zal eerst geïnventariseerd moeten worden, voordat kan worden beoordeeld of er sprake kan zijn van gebruikelijke hulp (CRVB:2018:373). De vraag of het gaat om uitstelbare of niet-uitstelbare ondersteuning is daarbij ook van belang. De cliënt kan bijvoorbeeld aangewezen zijn op ondersteuning bij het vervoer of de administratie of aansporing nodig hebben bij zelfzorg. De omvang van de ondersteuning kan onder de normale routine van de leefeenheid vallen. Denk bijvoorbeeld aan het uitzoeken en klaarleggen van kleding, het gezamenlijk eten, samen er op uit, et cetera. In die gevallen zal de hulp al snel als gebruikelijke hulp kunnen worden aangemerkt. Ook kan de cliënt zijn aangewezen op permanent toezicht hetgeen zware eisen zal stellen aan de persoon die dat toezicht biedt. Permanent toezicht of 24 uurs ondersteuning in de nabijheid valt niet onder gebruikelijke hulp. De vraag is dan of deze persoon nog in staat is om daarnaast gebruikelijke hulp te bieden, zoals het uitvoeren van huishoudelijke taken. De totale omvang (en aard) van de ondersteuningsbehoefte kan met zich meebrengen dat voor het uitvoeren van een deel van de taken of activiteiten niet meer van gebruikelijke hulp kan worden gesproken. Dat deel wordt als boven-gebruikelijk aangemerkt. Zijn er geen andere oplossingen beschikbaar, dan kan het college een maatwerkvoorziening verstrekken. Kortdurende of een langdurige ondersteuningsbehoefte Afhankelijk van de aard van de beperking kan er een kortdurende of een langdurige ondersteuningsbehoefte bestaan bij de cliënt. Bij een kortdurende ondersteuningsbehoefte is er uitzicht op herstel in de mate van de zelfredzaamheid van de cliënt. In het algemeen geldt hiervoor een periode van drie maanden. Bij langdurig gaat het om een situatie waarbij de ondersteuningsbehoefte naar verwachting langer dan drie maanden aanwezig zal zijn. Het kan gaan om hulp bij of het overnemen van activiteiten of taken die naar algemene aanvaardbare opvattingen tot de (persoonlijke) levenssfeer behoort en dat om die reden geacht wordt onderling aan elkaar te worden geboden. Legen en reinigen toiletemmer Is er geen noodzaak voor het verstrekken van een tweede toilet op de eerste verdieping, dan kan worden volstaan met losse toiletstoel. Ook als de cliënt daar echter geen gebruik van wenst te maken, dan mag van een partner/echtgenoot en/of inwonende meerderjarige kinderen toch worden verwacht dat zij het legen en reinigen van de toiletemmer als gebruikelijke hulp verrichtten (CRVB:2019:1334). Dat is natuurlijk anders als wordt vastgesteld dat zij niet in staat zijn om dat te doen. Ad. 2. De aard van de relatie van de persoon binnen de leefeenheid met de cliënt Als algemeen uitgangspunt geldt dat huisgenoten elkaar onderling gebruikelijke hulp bieden. Immers huisgenoten binnen de leefeenheid voeren een huishouden met elkaar. Dat maakt hen ook verantwoordelijk voor het functioneren van het huishouden. Het college moet wel rekening houden met de aard van de relatie die de persoon binnen de leefeenheid heeft met de cliënt. Dat betekent dat er onderscheid kan bestaan tussen wat van echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar als gebruikelijke hulp kan worden aangemerkt, tussen kinderen ten opzichte van hun ouders en huisgenoten die bijvoorbeeld geen bloedverwantschap hebben met de cliënt. Algemene aanvaardbare opvattingen in de persoonlijke levenssfeer Het college houdt wel rekening met hulp bij of het overnemen van activiteiten of taken die naar algemene aanvaardbare opvattingen onderling aan elkaar geacht wordt geboden te worden. Voorbeelden zijn hulp: bij een bezoek aan de familie, vrienden, huisarts, et cetera. Denk ook aan het vervoer; bij of het overnemen van taken die tot een huishouden behoren zoals de thuisadministratie; aan derden, die behoren tot de omgeving van de cliënt, in het omgaan met de beperkingen van de cliënt. Denk aan familie, vrienden, leerkracht, etc.; van ouders aan kinderen, waaronder ook toezicht, bij activiteiten zoals zwemmen of andere activiteiten die kinderen normaal gesproken doen en waar zij door hun ouders bij begeleid worden. Verwezen wordt naar Bijlage 4 Richtlijn gebruikelijke hulp van ouder(
- s)voor minderjarige kinderen bij deze beleidsregels. Echtgenoten/partners Als uitgangspunt geldt dat van echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar in ieder geval meer wordt verwacht in het kader van gebruikelijke hulp dan van kinderen ten opzichte van hun ouders. Dat heeft te maken met wat gebruikelijk is volgens algemene aanvaardbare opvattingen; de onderhoudsplicht. Zo wordt het normaal geacht dat de ene partner de ander aanspoort tot bijvoorbeeld zelfzorg. Kinderen en ouders Het algemene principe van de verantwoordelijkheid voor de leefeenheid geldt ook voor de hulp of ondersteuning van kinderen aan hun ouders. Voor kinderen ten opzichte van hun ouders kan dat voor begeleiding anders liggen. Het hoeft niet in alle gevallen zo te zijn dat het volgens algemene aanvaardbare opvattingen gebruikelijk is dat kinderen hun ouder(
- s)begeleiding bieden. Daarbij kan de mate en aard van de beperkingen in combinatie met de noodzakelijke aansporing tot bijvoorbeeld zelfzorg bepalend zijn. Huisgenoten ten opzichte van elkaar Het algemene principe van de verantwoordelijkheid voor de leefeenheid geldt ook voor de hulp of ondersteuning van huisgenoten ten opzichte van elkaar. Gelet op aard van de relatie (bijvoorbeeld niet familierechtelijk) kan het zijn dat het volgens algemene aanvaardbare opvattingen niet gebruikelijk is dat ene huisgenoot de ander aanspoort tot zelfzorg. Daarbij kan de mate en aard van de beperkingen in combinatie met de noodzakelijke aansporing tot bijvoorbeeld zelfzorg bepalend zijn. Ouders en kinderen Ouders hebben een plicht en het recht om hun minderjarig kind te verzorgen, op te voeden en te onderhouden (art. 1:247 en 1:395a van het Burgerlijk Wetboek). Onder verzorging en opvoeding worden mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. De zorgplicht van ouder(
- s)strekt zich in ieder geval uit over: verzorging, begeleiding en opvoeding die de ouder(
- s)normaal gesproken geeft aan het kind, waaronder ook de ‘zorg’ bij kortdurende ziekte met uitzicht op herstel. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp voor de kinderen over. Zie voor opvang van kinderen hoofdstuk 6 van deze beleidsregels. Verwezen wordt ook naar Bijlage 4 Richtlijn gebruikelijke hulp van ouder(
- s)voor minderjarige kinderen bij deze beleidsregels. Thuisadministratie Voor begeleiding bij of het overnemen van de thuisadministratie geldt dat het binnen de algemeen aanvaarde opvattingen valt dat partners de thuisadministratie van elkaar overnemen als een van hen dat niet (meer) kan (bijv. RBDHA:2018:10620 en RBZWB:2017:6072). Onder het doen van de thuisadministratie valt in ieder geval de postverzorging, de betaling van rekeningen en dergelijke. Het kan ook zijn dat de huisgenoot en de cliënt dat gezamenlijk doen. In die situatie biedt de huisgenoot ondersteuning bij de thuisadministratie. Ook van ouder(
- s)wordt verwacht dat zij de thuisadministratie van een inwonend meerderjarig kind overnemen. Bij inwonende kinderen tot 23 jaar kan een uitzondering gelden voor het overnemen van de thuisadministratie van hun (alleenstaande) ouder. Het bieden van gebruikelijke hulp bij de thuisadministratie moet overigens niet verward worden met personen die niet (meer) in staat zijn om financiële beslissingen te nemen en daardoor in de problemen komen. Op die grond kan de Kantonrechter bewindvoering uitspreken omdat ‘derden’ misbruik zouden kunnen maken van de situatie van de cliënt. Begeleiding gericht op zelfzorg Onder zelfzorg worden algemene dagelijkse levensverrichtingen (adl) verstaan zoals: lichaamsreiniging, zich kleden, eten en drinken, medicijnen innemen, etc. Van echtgenoten/partners mag bij een kortdurende ondersteuningsbehoefte in ieder geval worden verwacht dat de een de ander aanspoort tot het uitvoeren van deze adl-activiteiten in het kader van gebruikelijke hulp. Onder aansporen wordt het aanmoedigen verstaan om een activiteit uit te voeren. Dat wil zeggen het helpen herinneren opdat de cliënt zich bijvoorbeeld gaat douchen of aankleden. Onder aansporen in het kader van gebruikelijke hulp valt niet het structureel (voortdurend) moeten activeren van de cliënt. Bij een langdurige ondersteuningsbehoefte van de cliënt wordt gebruikelijke hulp van de echtgenoot/partner verwacht voor zover het activiteiten betreft die hen gezamenlijk aangaan, zoals het eten en drinken. Bij andere adl-activiteiten overlegt het college met de cliënt en zijn partner/echtgenoot wat redelijk is (vergelijk CRVB:2018:3243). Dat uitgangspunt geldt ook voor ouders voor hun meerderjarige inwonende kinderen. Van inwonende meerderjarige kinderen wordt in principe niet verwacht dat zij hun ouder(
- s)aansporen tot zelfzorg. Begeleiding bij het doen van aankopen Van de echtgenoot/partner ten opzichte van elkaar wordt verwacht dat zij elkaar ondersteuning bieden bij het doen van aankopen. Onder gebruikelijke hulp valt dan ook het overnemen van deze activiteiten voor zover een van hen daartoe niet meer in staat is. Denk bijvoorbeeld aan: kleding kopen, vakantie boeken, boodschappen doen of andere normale aankopen. Daarmee is overigens nadrukkelijk niet uitgesloten dat van meerderjarige inwonende kinderen niet ook mag worden verwacht dat zij hun ouder(
- s)incidenteel begeleiding bieden bij bijvoorbeeld het boodschappen doen. Datzelfde geldt ook voor ouders voor hun meerderjarige inwonende kinderen. Begeleiding bij structureren van de dag/week Van echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar wordt verwacht dat zij elkaar ondersteuning bieden bij activiteiten die hen ook gezamenlijk kunnen aangaan. Dat kan door het maken en bespreken van een dag-of weekplanning. Daarin staat de volgorde waarin activiteiten plaats vinden en de dag of het dagdeel waarin de activiteit zal worden gedaan. Denk bijvoorbeeld aan: Bezoek aan de huisarts, tandarts, specialist, Regelen van dagelijkse zaken zoals: de hond uitlaten, postverwerking, e.d., Bezoek aan familie, Deelname aan geïndiceerde groepsondersteuning (brengen en/of opgehaald worden). Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Dergelijke activiteiten kunnen onder meer betrekking hebben op het sociaal functioneren van de cliënt en het aanbrengen van structuur in de thuissituatie. In geval van ouders en hun meerderjarige kinderen overlegt het college met de cliënt en zijn ouders wat redelijk is (vergelijk CRVB:2018:3243). Begeleiding bij participatie Onder participatie wordt onder meer verstaan: bezoek aan de familie, vrienden, kerk of moskee, huisarts/ziekenhuis, winkelen, deelname maatschappelijke activiteiten, etc. Daaronder wordt ook het vervoer verstaan, het gaat immers om (incidentele) verplaatsingen die in het algemeen gepland kunnen worden. Daar kunnen huisgenoten onderling afspraken over maken. Onder vervoer kan ook begeleiding bij gebruikmaking van het Openbaar Vervoer worden verstaan. Zoals gezegd geldt in het algemeen dat van echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar meer wordt verwacht dan van inwonende kinderen voor hun ouders. Dat wil zeggen dat van een inwonend meerderjarig kind wel mag worden verwacht dat het incidentele vervoer of begeleiding bij het vervoer aan de cliënt (zijn ouder) wordt geboden. Denk bijvoorbeeld aan een bezoek aan de huisarts of vrienden/familie. Het is dan ook niet ongebruikelijk als daarvoor een vrije dag van het werk moet worden genomen. Individuele vervoersbehoefte, geen gebruikelijke hulp De cliënt kan ook een individuele lokale vervoersbehoefte hebben en om die reden niet voor alle ondersteuning afhankelijk kan (mag) zijn van zijn huisgenoten in het kader van gebruikelijke hulp. In die gevallen kan het verstrekken van een vervoersvoorziening of tegemoetkoming in de kosten voor het gebruik van eigen auto aan de cliënt zijn aangewezen. Ad. 3.De leeftijd en de ontwikkelingsfase van inwonende kinderen Als de cliënt thuiswonende kinderen heeft, dan gaat het college er in beginsel van uit dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en de ontwikkelingsfase, een bijdrage kunnen leveren aan het overnemen van huishoudelijke werkzaamheden. Dat sluit aan bij het algemene uitgangspunt van gebruikelijke hulp. Zie verder Bijlage 1 Normtijden huishoudelijke ondersteuning bij de beleidsregels. Ad. 4.De leerbaarheid van de cliënt en/of de personen van wie gebruikelijke hulp kan worden gevergd Het kan voor komen dat er (tijdelijk) geen gebruikelijke hulp kan worden gevergd. Een reden kan zijn dat de huisgenoot niet weet op welke manier zij gebruikelijke hulp kan of moet verlenen, maar dat wel kan aanleren. Denk bijvoorbeeld aan situaties waarin men wordt geconfronteerd met een ondersteuningsbehoefte van de cliënt door niet eerder aanwezige beperkingen zoals een niet aangeboren hersenletsel (NAH) of (beginnende) dementie. Of een huisgenoot die bijvoorbeeld nooit heeft geleerd huishoudelijke werkzaamheden uit te voeren, maar wel leerbaar is. Het college kan dan tijdelijk een maatwerkvoorziening inzetten om de gebruikelijke hulp aan te leren. Redenen als 'niet gewend zijn om’ of ‘geen huishoudelijke werk willen en/of kunnen verrichten' leiden niet tot een indicatie voor het overnemen van huishoudelijke taken. Geen gebruikelijke hulp verlangen Voor zover een partner, ouder, volwassen kind en/of elke andere volwassen huisgenoot geobjectiveerde beperkingen heeft en/of kennis dan wel vaardigheden mist om gebruikelijke hulp aan de cliënt te bieden en deze vaardigheden niet kunnen worden aangeleerd wordt van hen geen gebruikelijke hulp verwacht. 4.5Uitzonderingen op het bieden van gebruikelijke hulp In de volgende situaties gaat het college er in principe van uit dat de huisgenoot (tijdelijk) geen gebruikelijke hulp biedt of kan bieden: de cliënt heeft een zeer korte levensverwachting; de huisgenoot is overbelast of dreigt dat te geraken; de huisgenoot heeft beperkingen en/of mist de kennis/vaardigheden om gebruikelijke hulp uit te voeren en kan deze vaardigheden niet aanleren; de huisgenoot is voor aaneengesloten periode(
- n)niet aanwezig vanwege activiteiten elders met een verplichtend karakter; of er is naar het oordeel van het college sprake van bijzondere omstandigheden. Hieronder kan bijvoorbeeld een stapeling van ondersteunings- en/of zorgtaken worden verstaan. In voorkomende gevallen kan het college ook al dan niet tijdelijk een maatwerkvoorziening verstrekken zodat de cliënt en zijn huisgenoot in de gelegenheid worden gesteld een oplossing te vinden. Denk bijvoorbeeld aan kinderopvang. 4.6Boven-gebruikelijke hulp Verder kan het zijn dat de naar algemene aanvaardbare opvattingen gebruikelijk hulp substantieel wordt overschreden. Denk aan de situatie van een langdurige ondersteuningsbehoefte in combinatie met het uitvoeren van huishoudelijke werkzaamheden en/of het bieden van noodzakelijke begeleiding. Ook kan de zorg van ouders voor kinderen boven-gebruikelijk zijn. In vergelijking tot gezonde kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel kan deze zorg substantieel worden overschreden. In voorkomende gevallen kan een maatwerkvoorziening zijn aangewezen, tenzij (bij kinderen) aanspraak bestaat op begeleiding of persoonlijke verzorging op grond van de Jeugdwet. 4.7De verhouding tussen de draaglast en de draagkracht De vraag is of in individuele situaties van een uitzondering sprake is op grond waarvan toch taken of activiteiten in het kader van gebruikelijke hulp moeten worden overgenomen. Eén van de redenen daarvoor kan zijn dat degenen van wie wordt verwacht dat zij gebruikelijke hulp bieden, overbelast zijn (geraakt) en niet meer in staat is dat te doen. Steeds moet duidelijk zijn hoe de overbelasting zich uit en wat deze inhoudt. De met de overbelasting gepaard gaande klachten moeten duidelijk beschreven worden. In voorkomende gevallen kan het opnemen van contact met de huisarts over de ouder, partner of huisgenoot helpen om daarover een oordeel te vormen. Verwezen wordt naar Bijlage 3 Onderzoek naar (dreigende) overbelasting van deze beleidsregels. Omvang planbare en onplanbare hulp Soms is het duidelijk dat de ouder, partner of huisgenoot overbelast is, maar soms ook niet. Niet alleen de omvang van de planbare hulp, maar ook de mate van de noodzaak tot het continu aanwezig zijn om onplanbare hulp te bieden is van invloed op de belastbaarheid van de degene die geacht wordt gebruikelijke hulp te verlenen. Met andere woorden: het uitvoeren van enkele taken op vooraf afgesproken momenten is vaak minder belastend dan het uitvoeren van dezelfde taken waarbij continue aanwezigheid en alertheid gevraagd wordt van degene die geacht wordt gebruikelijke hulp te verlenen. Het college zal bij de beoordeling over (dreigende) overbelasting ook rekening moeten houden met de gebruikelijke zorg in het kader van verpleging en verzorging op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) of Jeugdwet. Het kan dus zijn dat deze zorg of hulp wordt verleend zonder dat aanspraak wordt gedaan op de betreffende wet. Dreigende overbelasting Wordt een beroep gedaan op (dreigende) overbelasting van de huisgenoot moet de cliënt dat aannemelijk maken. Op het college rust dan de plicht daar onderzoek naar in te stellen. De betreffende huisgenoot is dan overigens wel verplicht zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek. Weigert hij dit, dan kan het recht op een maatwerkvoorziening mogelijk niet worden vastgesteld. Voorkomen of oplossen overbelasting Wanneer er bij de huisgenoot, die geacht wordt gebruikelijke hulp te verlenen, eigen mogelijkheden zijn om de (dreigende) overbelasting op te heffen zullen deze aangewend moeten worden. Er kan sprake zijn van (dreigende) overbelasting vanwege het zelf onbetaald leveren van geïndiceerde zorg (verpleging en/of verzorging). In die gevallen kan het college overleggen of dat voor deze zorg aanspraak wordt gemaakt op de Zorgverzekeringswet zodat de (dreigende) overbelasting kan worden opgeheven. Voor zover de (dreigende) overbelasting wordt veroorzaakt door maatschappelijke activiteiten (buiten de gebruikelijke hulp) al dan niet in combinatie met een fulltime school- of werkweek, gaat het verlenen van gebruikelijke hulp voor op die maatschappelijke activiteiten. Het spreekt voor zich dat de schoolprestatie daar niet onder mogen lijden. Zie ook Bijlage 3 Onderzoek naar (dreigende) overbelasting bij deze beleidsregels. Hoofdstuk5Mantelzorg Artikel 1.1.1 van de wet (begripsbepaling) Artikel 4.1, eerste lid, van de Verordening (beoordeling aanspraak) Artikel 6.4 van de Verordening 5.1Inleiding Gebruikelijke hulp en mantelzorg zijn elkaar uitsluitende begrippen. Bij mantelzorg wordt de normale (gebruikelijke) hulp in zwaarte, duur en/of intensiteit overschreden. Mantelzorg kan worden verleend door een huisgenoot maar ook door uitwonende kinderen of een andere persoon uit het sociale netwerk van de cliënt. Dat wil zeggen dat in die gevallen geen sprake is van gebruikelijke hulp dan wel boven-gebruikelijke hulp. 5.2Wettelijk begrip In de wet wordt mantelzorg als volgt beschreven: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zvw, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep (art. 1.1.1, eerste lid, van de wet). 5.2.1Niet verzilveren van een aanspraak Uit de begripsbepaling van mantelzorg volgt dat de hulp of zorg die door de mantelzorger wordt geboden een wettelijke aanspraak vertegenwoordigd. Die aanspraak kan betrekking hebben op de Wmo 2015, verpleging en/of verzorging zoals bedoeld in de Zvw of hulp aan een jeugdige op grond van de Jeugdwet. Bij mantelzorg is het dus zo dat die aanspraak niet wordt verzilverd. 5.2.2Afstemmen Het college mag bij het bepalen van de ondersteuning die iemand nodig heeft, rekening houden met de mantelzorg die hij ontvangt (CRVB:2017:17 en CRVB:2017:3209). Dit neemt overigens niet weg dat het bieden van mantelzorg (onbetaald) vrijwillig is. Ook zal het college oog moeten hebben voor de ondersteuning die nodig is om de inzet van mantelzorg structureel mogelijk te laten zijn dan wel voor wat nodig is om de mantelzorger (af en toe) te kunnen ontlasten. Dat gebeurt in ieder geval tijdens het vraagverhelderingsgesprek. 5.3Ondersteuning mantelzorg De ondersteuning aan de mantelzorger geeft geen aanspraak op een maatwerkvoorziening (RBNHO:2017:1022). Het college moet wel onderzoek doen naar de vraag of er behoefte is aan ondersteuning zodat de mantelzorger de taken uit kan blijven voeren. Dat behoort tot de wettelijke de opdracht. Daarnaast zijn er lokale of mogelijk regionale organisaties die daarin iets voor mantelzorgers kunnen betekenen. 5.3.1Hulpmiddelen Bij het bepalen van hulpmiddelen houdt het college rekening met de belangen van mantelzorgers, zoals bij tilliften en andere hulpmiddelen die door mantelzorgers bediend moeten worden. Ook kan het zijn dat de mantelzorger niet of moeizaam in staat is om de rolstoel te duwen. Omdat de zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening het uitgangspunt is, kan duwondersteuning op de rolstoel worden verstrekt. 5.3.2Overbelasting van de mantelzorger Respijtzorg in de vorm van een (tijdelijke) maatwerkvoorziening kan ook worden ingezet om overbelasting van mantelzorgers te voorkomen en/of op te vangen. Van cliënt en mantelzorger mag in principe worden verwacht dat zij (eventueel met ondersteuning) onderzoek doen naar mogelijkheden om de overbelasting te voorkomen of te verminderen. De inzet van andere personen uit het sociale netwerk of eventueel vrijwilligers kunnen hierin ook een rol spelen. De belangen en de draagkracht/draaglast van de mantelzorger worden hierbij meegewogen (zie Bijlage 3 Onderzoek naar (dreigende) overbelasting bij deze beleidsregels). Inzet van (tijdelijke) respijtzorg kan de draagkracht van de mantelzorger versterken. 5.3.3Wet langdurige zorg Ook kan mantelzorg worden verleend aan een thuiswonende verzekerde met een indicatie op grond van de Wlz. In die gevallen heeft het college geen ondersteuningsplicht voor de mantelzorger. Mogelijk kan voor deze verzekerden aanspraak bestaan op logeeropvang in een instelling (art. 3.1.1, eerste lid onder g, van de Wlz). Wel kunnen deze verzekerden mogelijk gebruik maken van algemene voorzieningen. 5.4Respijtzorg De maatwerkvoorziening beoogt in eerste instantie de cliënt zelf passende te ondersteunen. Maatwerkvoorziening zijn immers in overwegende mate individueel gericht (zie art. 4.3, eerste lid onder c, van de Verordening). Het college houdt in het algemeen rekening met wat de cliënt aan mantelzorg heeft of mogelijk zou kunnen krijgen. Dat betekent dat de cliënt (tijdelijk) aangewezen kan zijn op een maatwerkvoorziening op de momenten dat de mantelzorger niet in de gelegenheid is hem deze ondersteuning te bieden. Dat is respijtzorg. Denk bijvoorbeeld aan dagactiviteiten. Respijtzorg moet worden onderscheiden van: de ondersteunende maatregelen die nodig zijn om een mantelzorger goed zijn werk te kunnen laten doen, en de maatschappelijke ondersteuning (eventueel in de vorm van een maatwerkvoorziening) die een mantelzorger nodig heeft voor zijn eigen zelfredzaamheid en participatie. De mantelzorger is dan zelf cliënt en zal de hulpvraag moeten melden bij het college waarna een onderzoek (het vraagverhelderingsgesprek) plaatsvindt. Het ligt niet voor de hand dat deze situaties snel zullen leiden tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening. De maatwerkvoorziening als respijtzorg wordt altijd aan de cliënt toegekend die daar mogelijk een bijdrage in de kosten voor verschuldigd is. Opgemerkt wordt nog dat het college ook een maatwerkvoorziening kan verstrekken die erop is gericht dat de mantelzorger leert omgaan met de beperkingen van de cliënt. 5.5Kortdurend verblijf De wet kent één specifieke maatwerkvoorziening die door het college kan worden verstrekt om de mantelzorger te ontlasten Het gaat om kortdurend verblijf (art. 1.1.1, eerste lid, van de wet). Het college beoordeelt wel eerst of de cliënt in aanmerking kan komen voor een indicatie voor de Wlz. Nadat is vastgesteld dat de mantelzorger van de cliënt moet worden ontlast geldt nog een ander criterium. De cliënt is door het (tijdelijk/deels) wegvallen van de mantelzorg aangewezen op ondersteuning die gepaard gaat met voortdurend toezicht of 24 uurs ondersteuning in de nabijheid. Daarnaast is het zo dat geen sprake is van het bieden van noodzakelijke geneeskundige zorg. In dat geval zal de cliënt namelijk een beroep moeten doen op Eerstelijns verblijf op grond van de Zorgverzekeringswet. Het is ook mogelijk dat de cliënt op grond van zijn aanvullende zorgverzekering in aanmerking kan komen voor kortdurend verblijf. 5.5.1Accommodatie en vervoer Het kortdurend verblijf wordt geboden in een instelling of accommodatie van een door het college goedgekeurde aanbieder. Onder deze maatwerkvoorziening is zonodig ook het vervoer naar de locatie begrepen waar het kortdurend verblijf wordt geboden. Het is niet aannemelijk dat de cliënt zelf in staat is de accommodatie te bereiken. Dit vervoer wordt in ieder geval noodzakelijk geacht indien de mantelzorger niet in staat is de cliënt te brengen (en te halen) en er ook geen andere vervoersmogelijkheden zijn. 5.5.2Omvang en duur Kortdurend verblijf kan voor een etmaal per week worden verstrekt. Het is niet vereist dat het kortdurend verblijf slechts voor wekelijks (of maandelijks) gebruik kan worden toegekend. Afhankelijk van de omstandigheden in het individuele geval kunnen de periodieke aanspraken ook voor aaneengesloten gebruik van maximaal 52 etmalen per kalenderjaar worden toegekend en gebruikt. Denk bijvoorbeeld aan de situatie waarin de mantelzorger op vakantie wil. Het college kan afwijken van de gestelde norm. Bij de beoordeling van de aanspraak houdt het college in het algemeen rekening met de vraag of de cliënt aanspraak kan maken op Eerstelijns verblijf op grond van de Zorgverzekeringswet of een indicatie op grond van de Wet langdurige zorg. 5.6Mantelzorgwoning Woningen dus ook mantelzorgwoningen worden niet als maatwerkvoorziening verstrekt. Tijdens de wetsbehandeling van de Wmo 2015 is aangegeven dat initiatieven als mantelzorgwoningen aandacht verdienen en waar mogelijk belemmeringen tot plaatsing te worden verminderd. Zo zijn de regels voor omgevingsvergunningvrij bouwen vereenvoudigd. Daartoe is het Besluit omgevingsrecht gewijzigd (Stb. 2014, nr. 333). In voorkomende gevallen moet afstemming worden gezocht met het cluster Vergunningen, Toezicht en Handhaving omdat, zoals gezegd, de regels hierover zijn gewijzigd. Hoofdstuk6Ondersteuning en dagactiviteiten Hoofdstuk 6 van de Verordening 6.1Inleiding Met de maatwerkvoorzieningen ondersteuning en dagactiviteiten wordt invulling gegeven aan het wettelijke begrip begeleiding. Daaronder worden activiteiten verstaan gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven (art. 1.1.1, eerste lid, van de wet). Het bieden van dagactiviteiten kan een vorm zijn van begeleiding, die bijdraagt aan de zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt, zodat deze langer in de eigen leefomgeving kan blijven. Dit omvat structurele tijdsbesteding met een welomschreven doel waarbij een cliënt actief wordt betrokken en wat hem zingeving verleent. Als dat nodig is valt hieronder ook het vervoer naar en van de dagactiviteiten. Daarnaast valt de huishoudelijke ondersteuning onder dit hoofdstuk. 6.2Zelfredzaamheid en participatie Zelfredzaamheid bevat twee elementen: het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen (adl), het voeren van een gestructureerd huishouden. Participatie heeft betrekking op deelname aan het maatschappelijk verkeer. Dit wil zeggen zoveel mogelijk op gelijke voet met anderen mee kunnen doen aan de samenleving. Om de dagelijkse handelingen en praktische zaken uit te kunnen voeren moet de cliënt daar lichamelijk toe in staat zijn maar ook over vaardigheden beschikken. De vaardigheid is het vermogen om een handeling bekwaam uit te voeren of een probleem op te lossen. Vaardigheid op een of ander gebied wordt veelal vergaard door praktische ervaring, door korte of langere tijd regelmatig te oefenen. 6.3Algemene uitgangspunten De Verordening bepaalt dat het college de maatwerkvoorziening kan combineren met eigen kracht, ondersteuning vanuit het sociaal netwerk en vrijwilligers. Daarnaast geldt onverkort dat het college boordeelt of er sprake is van gebruikelijke hulp. Verder geldt als uitgangspunt dat een collectieve maatwerkvoorziening in principe voor gaat op een individuele maatwerkvoorziening. De achtergrond daarvan is onder meer dat een collectief aanbod goedkoper is dan een individueel aanbod. Het college is immers niet gehouden meer dan de goedkoopst passende bijdrage te verlenen (zie art. 4.3, eerste lid onder b, van de Verordening). Verder kan het natuurlijk ook zo zijn dat een collectieve maatwerkvoorziening eenvoudigweg een beter passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt. 6.4Mate van de beperkingen Het college beoordeelt op basis van de aard en de mate van de beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie op welke maatwerkvoorziening de cliënt is aangewezen. Uitgangspunt is dat het college zich op het standpunt kan stellen dat de maatwerkvoorziening daar een passende bijdrage aan levert. Dat is vanzelfsprekend telkens afhankelijk van de individuele situatie. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in drie categorieën: middel, zwaar en intensief. De categorieën zijn gebaseerd op de indeling in klassen en de tarievenstructuur van de Nederlandse Zorg Autoriteit in 2014. Om te bepalen welke categorie wordt toegekend, beoordeelt het college het aantal uren ondersteuning of het aantal dagdelen dagactiviteiten dat minimaal nodig is. Aan de inzet van de categorie zwaar of intensief kan een termijn worden verbonden waarop de ondersteuning wordt afgeschaald naar de categorie middel. In het Besluit maatschappelijke ondersteuning is een overzicht opgenomen van de tarifering in natura. Het gaat om: ondersteuning, ondersteuning speciaal, dagactiviteiten en begeleiding gericht op zelfzorg. De cliënt kan beperkingen ondervinden op verschillende terreinen. 6.5Verschillende terreinen Ook is het zo dat de cliënt op één of meerdere terreinen beperkingen in zelfredzaamheid en/of participatie kan ondervinden. Voorbeelden zijn: sociale redzaamheid bewegen en verplaatsen probleemgedrag psychisch functioneren geheugen- en oriëntatiestoornissen 6.5.1Samenwerking en afstemming maatwerkvoorziening (arbeidsinschakeling) Tijdens het vraagverhelderingsgesprek komt ook de mogelijke samenwerking aan bod met andere partijen (art. 2.3.2, vierde lid onder f van de wet). Bijvoorbeeld de wijkverpleegkundige in het kader van de Zorgverzekeringswet of een medewerker van de gemeente Noordoostpolder zelf in het kader van de uitvoering van de Participatiewet. Valt de cliënt namelijk onder de doelgroep van de Participatiewet, dan kan samenwerking maar ook afstemming van de maatwerkvoorziening op grond van de wet zijn aangewezen (art. 2.3.5, vijfde lid, van de wet). Denk aan de situatie dat de cliënt beschikt over arbeidsvermogen en voor zijn arbeidsinschakeling aanspraak kan maken op een voorziening op grond van de Participatiewet (art. 7, eerste onder a, van de Participatiewet). Arbeidsvermogen Artikel 1 van het Besluit loonkostensubsidie bepaalt wat onder mogelijkheden tot arbeidsparticipatie wordt verstaan. Iemand heeft mogelijkheden tot arbeidsparticipatie als die persoon: een taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie; over basale werknemersvaardigheden beschikt; aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur; en ten minste vier uur per dag belastbaar is of ten minste twee uur per dag belastbaar is en in staat is per uur ten minste een bedrag te verdienen dat gelijk is aan het minimumloon per uur. Arbeidsmatig karakter Voor de cliënt die nog niet beschikt over arbeidsvermogen kan het college dagactiviteiten verstrekken waarin activiteiten worden aangeboden met een arbeidsmatig karakter. De uitvoering van de Wmo 2015 dient dan als opstapje richting betaald werk. Zie ook onder resultaten participatie in 6.6.2 van deze beleidsregels. Bij de beoordeling van de resultaten van de dagactiviteiten kan het zijn dat het college deze maatwerkvoorziening afschaalt omdat de cliënt aanspraak kan maken op ondersteuning bij zijn arbeidsinschakeling op grond van de Participatiewet. 6.5.1Sociale redzaamheid Bij sociale redzaamheid gaat het om de volgende aspecten: begrijpen wat anderen zeggen een gesprek voeren zich begrijpelijk maken initiëren en uitvoeren van eenvoudige taken kunnen lezen, schrijven en rekenen communicatiehulpmiddel gebruiken dagelijkse bezigheden problemen oplossen en besluiten nemen dagelijkse routine regelen zelf geld beheren initiëren en uitvoeren van complexere taken zelf administratieve zaken bijhouden 6.5.2Activiteiten dagelijks leven/zelfzorg in combinatie met ondersteuning De adl is gericht op het verlenen van hulp vooral bestaande uit: in en uit bed komen aan- en uitkleden bewegen lopen gaan zitten en weer opstaan lichamelijke hygiëne toiletbezoek eten/drinken medicijnen innemen ontspanning sociaal contact Het spreekt voor zich dat de beperkingen bij de adl/zelfzorg ook opgelost kunnen worden door het verstrekken van een hulpmiddel, zoals een tillift. 6.5.3Bewegen en verplaatsen Bij zich bewegen en verplaatsen gaat het om de volgende aspecten: lichaamspositie handhaven grove hand- en armbewegingen maken fijne handbewegingen maken lichtere voorwerpen tillen gecoördineerd bewegingen maken met benen en voeten lichaamspositie veranderen trap op en af gaan zonder hulp(middelen) zich verplaatsen met hulp(middelen) voortbewegen binnenshuis, zonder hulp(middelen) gebruik maken van openbaar vervoer eigen vervoermiddel gebruiken voortbewegen buitenshuis zonder hulp(middelen) korte afstanden lopen zwaardere voorwerpen tillen Het spreekt voor zich dat de beperkingen in het bewegen en verplaatsen ook opgelost kunnen worden door het verstrekken van een hulpmiddel, zoals een rolstoel. 6.5.4Gedragsproblemen Bij gedragsproblemen gaat het om de volgende aspecten: destructief gedrag (gericht op zichzelf en/of de ander, zowel letterlijk als figuurlijk) dwangmatig gedrag lichamelijk agressief gedrag manipulatief gedrag verbaal agressief gedrag zelfverwondend of zelfbeschadigend gedrag grensoverschrijdend seksueel gedrag 6.5.5Psychisch functioneren Bij psychisch functioneren gaat het om de volgende aspecten: Concentratie geheugen en denken perceptie van omgeving 6.5.6Oriëntatiestoornissen Bij oriëntatiestoornissen gaat het om de volgende aspecten: oriëntatie in persoon oriëntatie in ruimte oriëntatie in tijd oriëntatie naar plaats 6.6Resultaten Ondervindt de cliënt beperkingen in zijn zelfredzaamheid en/of participatie én zijn er geen ‘voorliggende oplossingen’ mogelijk, dan verstrekt het college een maatwerkvoorziening. Er zijn verschillende resultaten mogelijk die met de maatwerkvoorziening worden of kunnen worden bereikt. Hierna worden een aantal voorbeelden genoemd. 6.6.1Resultaten thuisadministratie Client heeft overzicht van de administratie/ administratie op orde Client betaalt tijdig rekeningen Financiële situatie van cliënt is in balans Indien aanwezig, dan is schuldenproblematiek beheersbaar (en indien beheersbaar, dan kan de schuldenlast verminderen) 6.6.2Resultaten participatie (plannen van dagelijkse activiteiten) Cliënt heeft een zinvolle (verplichte) dagbesteding Cliënt heeft onbetaald werk met ondersteuning Cliënt heeft onbetaald werk zonder ondersteuning Cliënt heeft betaald werk met ondersteuning Cliënt heeft betaald werk zonder ondersteuning Mantelzorg is ontlast 6.6.3Resultaten zelfzorg (ondersteuning ADL) Cliënt is in staat zichzelf te verzorgen (denk aan eten en drinken) Cliënt draagt schone kleding Cliënt ziet er in het algemeen verzorgd uit (zich wassen) Cliënt komt afspraken met zorgprofessionals (zoals huisarts, tandarts, medisch specialist) na. 6.6.4Resultaten opbouwen van sociaal netwerk cliënt Cliënt heeft gezond sociaal netwerk en vervult daarbinnen een passende sociale rol Cliënt is in staat een beroep te doen op personen in zijn/haar sociaal netwerk Cliënt kan eigen problematiek in relatie tot sociale netwerk hanteren Bij bemoeizorg: cliënt staat open voor opbouw sociaal netwerk 6.7Activiteiten ondersteuning De aanbieder kan het bieden van ondersteuning in de vorm van verschillende activiteiten doen. Praktische hulp en ondersteuning bij het uitvoeren van dan wel het ondersteunen bij of oefenen van handelingen dan wel vaardigheden die gericht zijn op de zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt. Deze activiteiten kunnen betrekking hebben op het versterken, verbeteren, behouden of ondersteunen in de beperkingen op het regelvermogen van de cliënt. Hieronder kan ook vallen: het inslijpen van aangeleerde vaardigheden en gedrag in het dagelijkse leven door herhaling en/of methodische interventie. In het algemeen worden deze activiteiten persoonlijk (individueel) geboden, waar mogelijk kortdurend en primair gericht op het (her)krijgen van zelfregie (indien mogelijk) in het kader van zelfredzaamheid en participatie. 6.8Resultaat ondersteuning bij regie/ zorg over het huishouden De cliënt heeft een gestructureerd huishouden door (het aanleren van) het zelf uitvoeren van huishoudelijke taken of door het tijdelijk overnemen hiervan. Het college kan de te verstrekken maatwerkvoorziening combineren met het (tijdelijk) overnemen van de huishoudelijke werkzaamheden en/of het bieden van begeleiding bij het zelf uitvoeren daarvan. Verder is het zo dat degene die de begeleiding biedt contact moet hebben met degene die de huishoudelijke werkzaamheden overneemt van de cliënt om tot goede afstemming van de te bieden maatschappelijke ondersteuning te komen. Dat kan ook met de huisgenoot zijn die gebruikelijk hulp biedt. De indicatie voor de maatwerkvoorziening, bestaande uit het (tijdelijk) overnemen van de huishoudelijke werkzaamheden en/of het bieden van begeleiding bij het zelf uitvoeren daarvan, wordt alleen dan verstrekt als geen sprake is van gebruikelijke hulp, een algemene voorziening geen passende bijdrage is en er verder geen andere personen in het netwerk zijn is die deze taken kunnen overnemen. 6.9Activiteiten bij regie/ zorg over het huishouden De maatwerkvoorziening ondersteuning bij regie/ zorg over het huishouden kan bestaan uit de volgende activiteiten: Organisatie van het huishouden Het (samen met de cliënt) kunnen bepalen welke huishoudelijke werkzaamheden wanneer worden gedaan (regievoering over het huishouden) waaronder in incidentele gevallen het verzorgen van brood- en/of warme maaltijden. Daaronder kan ook het aanreiken of klaarzetten van de maaltijden vallen. Het aanleren van taken aan cliënten die leerbaar zijn Het gedurende een beperkt tijdsbestek (8 weken) instructie geven over huishoudelijke werkzaamheden en/ of het plannen van huishoudelijke werkzaamheden (aanleren vaardigheden). Betreft het aanleren van taken aan cliënten die leerbaar zijn. Het kunnen opvangen en verzorgen van jonge kinderen In de praktijk gaat het om ondersteuning die per direct moet kunnen worden ingezet en vaak buiten de reguliere werktijden om, aangezien in andere gevallen de kinderopvang (waaronder ook een gastouder) een passende oplossing is of dat kan zijn. In zeer uitzonderlijke gevallen kan het (tijdelijk) overnemen van schoonmaaktaken, zoals stofzuigen en wasverzorging onder de maatwerkvoorziening ondersteuning bij regie/ zorg over het huishouden vallen. Dit geldt met name in situaties waarbij het niet wenselijk of haalbaar is dat een cliënt meerdere ondersteuners heeft. Denk hierbij aan zorgmijders. Dan is het wenselijk, dat één ondersteuner zowel de schoonmaakondersteuning als de ondersteuning bij regie/ zorg uitvoert. 6.10Schoonmaakondersteuning Schoonmaakondersteuning is de zorg voor het schoonhouden van de woning, op orde hebben van het huishouden, de zorg voor schoon beddengoed, ander linnengoed en schone kleding. De indicatie voor de maatwerkvoorziening schoonmaakondersteuning bestaat uit: licht en zwaar huishoudelijk werk, verzorging kleding/linnengoed en het doen van boodschappen voor het dagelijks leven. Schoonmaakondersteuning kan betrekking hebben op een aantal resultaten. 6.10.1Resultaat een schoon en leefbaar huis Iedereen moet gebruik kunnen maken van een schone huiskamer, een schone slaapkamer, een schone keuken, een schone badkamer en toilet en een schone gang, schoon volgens de algemeen gebruikelijke hygiënische normen. Leefbaar staat voor opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. Om een schoon en leefbaar huis te realiseren zal huishoudelijk werk moeten worden uitgevoerd. Concreet gaat het om taken zoals stofzuigen van de woning, het schoonmaken van de badkamer, keuken, toilet en het dweilen van vloeren. Persoonlijke omstandigheden en behoeften kunnen het in sommige gevallen noodzakelijk maken hiervan af te wijken. 6.10.2Resultaat schone en draagbare kleding Iedereen moet gebruik kunnen maken van schone en draagbare kleding. Bij het wassen gaat het uitsluitend over het sorteren, wassen en drogen en wegleggen van de normale kleding voor alledag en overig textiel. En in bepaalde situaties het strijken van de normale kleding voor alledag. Hierbij is het uitgangspunt dat zo min mogelijk kleding gestreken wordt. Er worden geen lakens, theedoeken, zakdoeken, ondergoed, etc. gestreken. 6.10.3Resultaat boodschappen voor het dagelijks leven Iedereen moet kunnen beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften. Tot de goederen voor primaire levensbehoeften worden boodschappen gerekend die nodig zijn voor dagelijkse levensbehoeften. Hieronder vallen levensmiddelen, toiletartikelen en schoonmaakmiddelen, zaken die dagelijks/wekelijks worden gebruikt. Grotere inkopen, zoals kleding en duurzame goederen zoals (huishoudelijke) apparaten, vallen hier niet onder. 6.11Beleidsuitgangspunten huishoudelijke ondersteuning Bij beoordeling hanteert het college de volgende beleidsuitgangspunten. Eigen kracht/eigen verantwoordelijkheid Gebruikelijke hulp Hulp van personen uit het sociaal netwerk en mantelzorg Gebruik van algemene voorzieningen Algemeen gebruikelijke zaken en/of diensten Het bereiken van resultaten Normtijden 6.12Eigen kracht Algemeen Onder eigen kracht wordt het vermogen verstaan een oplossing te vinden voor de beperkingen die de cliënt ondervindt. Onder eigen kracht wordt ook het feitelijk in staat zijn tot het deels zelf uitvoeren van huishoudelijke activiteiten verstaan. Onder eigen kracht wordt ook de eigen verantwoordelijkheid verstaan. Daaronder vallen: de aanwezigheid (lees ook: aanschaf) van algemeen gebruikelijke voorzieningen, zo efficiënt mogelijke medewerking, et cetera (zie verder hierna). Eigen kracht: met inachtneming van leefregels Activiteiten die door de cliënt zelf kunnen worden uitgevoerd behoren uiteraard tot de eigen verantwoordelijkheid (lees ook: eigen kracht). Iemand ondervindt in zo’n geval geen beperkingen die het college met een maatwerkvoorziening moet compenseren. Het kan ook zijn dat de cliënt met inachtneming van bepaalde leefregels niet of slechts gedeeltelijk is aangewezen op huishoudelijke ondersteuning (vergelijk CRVB:2011:BP1804 en CRVB:2018:2721). Eigen kracht: zo efficiënt mogelijk Een andere vorm van het benutten van eigen mogelijkheden (lees ook: eigen verantwoordelijkheid) is het verlenen van medewerking, zodat de huishoudelijke ondersteuning zo efficiënt mogelijk kan worden geboden. Van de cliënt mag worden verwacht dat hiermee rekening wordt gehouden. Denk bijvoorbeeld aan de inrichting van de woning, (aanschaf van) gordijnen die - voordat de ramen aan de binnenkant gewassen kunnen worden - eerst verwijderd moeten worden, (
- te)volle vensterbanken, kasten met allerlei kleinheden, etc. 6.13Eigen verantwoordelijkheid Houden van huisdieren Heeft de cliënt huisdieren, dan hanteert het college het volgende uitgangspunt. In het algemeen geldt dat het hebben van huisdieren niet hoeft te leiden tot meer inzet van huishoudelijke ondersteuning (CRVB:2019:2585). Het ligt ook niet voor de hand dat een cliënt dit van het college verwacht. Wenst de cliënt dit wel, dan zal hij omstandigheden moeten aanvoeren waarom het college moet afwijken van het hiervoor genoemde uitgangspunt. Als de cliënt is aangewezen op een zogeheten hulphond, die is verstrekt op grond van de Zvw, zal het college daar wel rekening mee moeten houden (RBGEL:2018:1741). Gesaneerde woning Verder is het zo dat er wordt uitgegaan van een gesaneerde woning, ingeval van bijvoorbeeld huisstofmijtallergie. Is de cliënt allergisch voor bijvoorbeeld vogels of katten, en worden deze dieren nog wel steeds door de cliënt gehouden, dan geldt in principe geen ondersteuningsplicht voor het college voor het ‘meerwerk’ die dat met zich meebrengt. Dit zijn keuzes die in het kader van de eigen verantwoordelijkheid moeten worden beschouwd. 6.14Hulp van personen uit het sociaal netwerk en mantelzorg De wet bepaalt dat als de cliënt hulp krijgt of kan krijgen van personen uit zijn sociale netwerk waaronder mantelzorg, er geen of slechts een aanvullende ondersteuningsplicht voor het college bestaat. Hulp van deze personen is echter niet afdwingbaar. Dat geldt ook voor het bieden van mantelzorg (CRVB:2017:17). 6.15Gebruikelijke hulp De leefeenheid is primair verantwoordelijk voor het eigen huishouden en de hoe de huishoudelijke activiteiten worden verdeeld en uitgevoerd. Volgens algemeen aanvaardbare opvattingen wordt het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van huishoudelijke taken verwacht van huisgenoten. Dat is in lijn met de vaste jurisprudentie (bijv. CRVB:2019:2616, CRVB:2018:2721, RBGEL:2018:2007, CRVB:2016:4351, CRVB:2015:3198). Het college zal - als het onderzoek daartoe aanleiding geeft - vast moeten (laten) stellen of de huisgenoot in staat is de huishoudelijke taken over te nemen, al dan niet onder aansturing van de cliënt (CRVB:2019:2616). Dat kan bijvoorbeeld met een medisch advies (zie hoofdstuk 15 van deze beleidsregels). Dat de huisgenoot weigert om huishoudelijke taken te verrichten, maakt niet dat het college, met toepassing van de hardheidsclausule, gehouden is om huishoudelijke ondersteuning toe te kennen (CRVB:2016:3665). Er kunnen zich ook situaties voordoen dat de huisgenoot de taken niet kan overnemen omdat het gaat om niet-uitstelbare taken. Dit gelet op de beschikbaarheid van de huisgenoot. Zie hoofdstuk 4 van deze beleidsregels. 6.16Uitstelbare/ niet-uitstelbare taken Het spreekt voor zich dat voor het oordeel of gebruikelijke hulp kan worden geboden ook afhankelijk is van de vraag of het gaat om uitstelbare of niet-uitstelbare ondersteuning. Dit met het oog op de beschikbaarheid van de huisgenoot. Beschikbaarheid huisgenoot Het kan voor komen dat de huisgenoot regelmatig niet aanwezig is vanwege activiteiten elders met een verplichtend karakter. Denk bijvoorbeeld aan de reguliere werkzaamheden. Schoonmaakwerkzaamheden en de was In geval van schoonmaakwerkzaamheden zal het meestal gaan om uitstelbare taken. Dit betekent dat de huishoudelijke activiteiten in de avond of het weekend uitgevoerd kunnen worden. Zijn deze taken echter niet-uitstelbaar en is de huisgenoot niet beschikbaar, dan kan daarvoor een maatwerkvoorziening worden verstrekt. Broodmaaltijd Een broodmaaltijd kan één keer per dag worden bereid en klaargezet. De tweede broodmaaltijd wordt dan gelijk gemaakt en in koelkast klaargezet. Dat is in lijn met de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep qua aard en frequentie (bijv. CRVB:2016:2960). 6.17Algemeen gebruikelijk Als algemeen uitgangspunt geldt dat de cliënt beschikt over algemeen gebruikelijke zaken, waarmee de huishoudelijke ondersteuning zo efficiënt mogelijk kan worden geboden. Denk aan een stofzuiger, een wasmachine, schoonmaakmiddelen, een dweil, etc. (vergelijk CRVB:2015:1503). Het gaat in dit geval ook om bepaalde zaken, die het mogelijk maken dat de cliënt een deel van de huishoudelijke activiteiten zelf kan uitvoeren. Bijvoorbeeld stof afnemen met een plumeau. Het kan ook zijn dat met een algemeen gebruikelijke zaak of dienst een aanspraak (deels) wordt voorkomen. Denk bijvoorbeeld aan de aanschaf van een wasdroger of het plaatsen van de wasmachine en/of droger op een verhoging of in een ruimte die (wel) bereikbaar is voor de cliënt, zodat hij (een deel van) de was zelf kan doen (vergelijk CRVB:2005:AT8015). Daarnaast kunnen algemeen gebruikelijke diensten als voorliggende oplossing worden aangemerkt voor het verstrekken van schoonmaakondersteuning. Denk aan: de boodschappendienst, kant en klaar maaltijden van de supermarkt of de maaltijdservice. Het college beoordeelt of de algemeen gebruikelijke dienst: beschikbaar en geschikt is en financieel draagbaar is voor de cliënt. Zie verder paragraaf 3.3 van deze beleidsregels. 6.18Algemene voorzieningen Uit het onderzoek kan blijken dat gebruikmaking van een algemene voorziening een passende oplossing is voor de beperkingen, die door de cliënt worden ondervonden. Dat brengt met zich mee dat de cliënt niet of slechts gedeeltelijk is aangewezen op een maatwerkvoorziening. Denk bijvoorbeeld aan scootmobielpool uitleenpunten die door het college zijn gecontracteerd. 6.19Normtijden huishoudelijke ondersteuning Huishoudelijke ondersteuning valt uiteen in twee maatwerkvoorzieningen: schoonmaakondersteuning (voorheen HH1) en ondersteuning bij regie/zorg over het huishouden (voorheen HH2). De indicatie voor huishoudelijke ondersteuning vindt plaats op basis van specifieke (deel)taken die overgenomen dienen te worden, de gebruiksruimten en het aantal personen in het huishouden. Dit alles op basis van de persoonlijke omstandigheden en kenmerken van de cliënt. De normtijden die gehanteerd worden zijn gebaseerd op onderzoek van Onderzoeksbureau HHM. De onderzoeken van HHM hebben bij een twintigtal verschillende gemeenten plaatsgevonden en zijn representatief om de gemeentelijke normtijden huishoudelijke hulp aan te toetsen. Voor gemeentelijke normtijden huishoudelijke ondersteuning wordt verwezen naar Bijlage 1 Normtijden huishoudelijke ondersteuning en Bijlage 2 Normtijden HHM vs normtijden gemeente Noordoostpolder per 2017 bij deze beleidsregels. Indirecte tijd behelst de tijd die de hulp per bezoek besteedt aan aankomst, vertrek, administratie en sociale interactie met de cliënt. Het college onderzoekt welke activiteiten moeten worden overgenomen van de cliënt voor het bereiken van de resultaten, hoeveel tijd dat kost (conform de normtijdentabel) en hoe vaak dit moet worden gedaan (conform de normtijden tabel). Daar waar de individuele situatie dat noodzaakt kan gemotiveerd van de richtlijn worden afgeweken. De uitkomst in uren kan leiden tot meer of minder uren dan onder de Normtijden HHM het geval zou zijn geweest. De gemeentelijke normtijden zijn verder verfijnd ten opzichte van de vorige normtijden en betrekken op basis van de Wmo 2015 het zelf organiserend vermogen van de cliënt en zijn zelfredzaamheid. Delen van de activiteiten waarbij de cliënt wordt ondersteund, kunnen wellicht wél zelf door de cliënt worden uitgevoerd (bijv. cliënt kan zelf wasmachine en droger laden en klein wasgoed opvouwen, hij heeft echter wel hulp nodig bij het vouwen en opruimen van het grote wasgoed en het strijken). Uitgangspunt is dat de cliënt altijd de ondersteuning ontvangt die noodzakelijk is gelet op zijn beperkingen. 6.20Werkwijze selectie van een aanbieder De cliënt wordt door het college de mogelijkheid geboden om te kiezen uit de door de gemeente gecontracteerde aanbieders. De cliënt krijgt daarvoor een overzicht van de aanbieders. De selectie van een aanbieder vindt plaats op basis van de volgende criteria: keuze van de cliënt; indien de cliënt geen voorkeur heeft: de aanbieder die het meest geschikt is voor het bieden van hulp /ondersteuning voor de specifieke casus naar het oordeel van het college; indien de cliënt geen voorkeur heeft en bij gelijke geschiktheid van aanbieders voor de specifieke casus: de prijs van de dienstverlening; in geval van gelijke geschiktheid en gelijke tarieven zal de opdracht per toerbeurt aan een aanbieder worden toegewezen. Dit alles onder de voorwaarde van beschikbaarheid van de ondersteuning bij de aanbieder. 6.21Afbakening Zorgverzekeringswet en Wmo 2015 De behoefte aan (alleen) verzorging zoals die tot 1 januari 2015 ten laste van de AWBZ werd verleend, kan echter ook meer in het verlengde van de behoefte aan begeleiding liggen. Het gaat bij deze verzorging om mensen die behoefte hebben aan ondersteuning bij de adl. Deze verzorging houdt geen verband met de behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop. Deze behoefte aan ondersteuning bij adl komt met name voor bij mensen met een verstandelijke of zintuiglijke beperking of psychiatrische problematiek. Deze vorm van ondersteuning bij adl is niet naar de Zvw overgeheveld, maar per 1 januari 2015 gepositioneerd onder de Wmo 2015. Als cliënten een lichamelijke aandoening krijgen waardoor een geneeskundige zorgvraag ontstaat, zullen zij zowel verpleging als hun bij de geneeskundige hulpvraag behorende verzorging vanuit de Zvw ontvangen. Verder blijft voor cliënten die begeleiding en adl-ondersteuning krijgen via de Wmo 2015, de overige medische zorg vanzelfsprekend onder de te verzekeren prestaties Zvw vallen. Hoofdstuk7Beschermd wonen Hoofdstuk 6 van de Verordening 7.1Inleiding De Wmo 2015 definieert beschermd wonen als volgt: het wonen in een accommodatie van instelling met daarbij behorend toezicht en begeleiding gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen, bestemd voor personen met psychische of psychosociale problemen, die niet in staat zijn zich te handhaven in de samenleving (art. 1.1.1, eerste lid, van de wet). 7.2Doelstelling De doelstelling is om voor mensen in een beschermde woonvorm het leven daar waar mogelijk te normaliseren en het perspectief op herstel, ontwikkeling en integratie in de samenleving, te bevorderen. Mensen in een beschermde woonvorm hebben primair behoefte aan structuur en begeleiding en voor hen is de nabijheid van een arts niet - meer - noodzakelijk. 7.3Doelgroep beschermd wonen Het gaat bij de indicatie voor beschermd wonen om een specifieke doelgroep die vanwege psychische of psychosociale problemen niet in staat zijn zich te handhaven in de samenleving (zie art. 2.3.5, vierde lid, van de Wmo 2015). De cliënt is om die reden aangewezen op verblijf in een beschermende woonomgeving met bijbehorend toezicht en begeleiding. De personenkring van beschermd wonen is niet beperkt tot cliënten met een psychiatrisch ziektebeeld. De noodzaak voor een beschermende woonomgeving wordt, zo blijkt uit de begripsbepaling, (mede) bepaald aan de hand van de aanwezigheid van risico’s: het voorkomen van verwaarlozing; en/of maatschappelijke overlast; en/of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen. Het toezicht is noodzakelijk ter voorkoming van één of meer van de hiervoor genoemde risico’s en bestaat uit een (noodzakelijke) behoefte aan meerdere en onplanbare ondersteuningsmomenten per etmaal op essentiële terreinen dagelijks leven. 7.4Noodzaak beschermde woonomgeving Hoewel het ligt voor de hand dat de doelgroep ook beperkingen ondervindt in de zelfredzaamheid en/of participatie, is het bij de indicatie voor beschermd wonen van belang dat eerst wordt beoordeeld of de cliënt is aangewezen op een beschermde woonomgeving. Het gaat om ondersteuning van mensen bij wie de op participatie gerichte ondersteuning vanuit een beschermde woonomgeving centraal staat, inclusief het bieden van de beschermde woonomgeving zelf. Dat wil zeggen de doelgroep beschermd wonen kan (nog) niet zelfstandig wonen, zonder de directe nabijheid van 24 uur per dag toezicht of ondersteuning. 7.4.1Toezicht Bij de beschermende woonomgeving is toezicht inbegrepen. Het kan gaan om een noodzaak tot van permanent (actief) toezicht en passief toezicht. Permanent (actief) toezicht (24 uurs wakend/slapend) Het gaat om onafgebroken toezicht en actieve observatie gedurende het gehele etmaal, waardoor tijdig kan worden ingegrepen als de situatie daar aanleiding toe geeft. Bij cliënten die permanent toezicht nodig hebben, kan immers op ieder moment iets (ernstig) misgaan. Actieve observatie heeft als doel dreigende ontsporing in het gedrag of de gezondheidssituatie vroegtijdig te signaleren, waardoor tijdig ingegrepen kan worden en escalatie van onveilige/ gevaarlijke/(levens)bedreigende gezondheids- en/of gedragssituaties kan worden voorkomen. Passief toezicht Het kan ook gaan om de beschikbaarheid van ondersteuning die hoofdzakelijk bestaat uit passief toezicht. Er is geen noodzaak tot permanente actieve observatie. Het toezicht is nodig op zowel geplande als ongeplande ondersteuningsmomenten, waarbij de ondersteuners het initiatief moet nemen. Het gaat om ondersteuning in de nabijheid. 7.5Indicatie beschermd wonen Het college kan een indicatie voor beschermd wonen verstrekken waarbij rekening wordt gehouden met de mate waarin de cliënt problemen ondervindt bij het zich kunnen handhaven in de samenleving en de daarbij behorende beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie. 7.5.1Beschermd wonen (midden) Het gaat bij de indicatie beschermd wonen midden om cliënten met een (complexe) aandoening die daar in het dagelijks leven beperkingen door ondervinden. Vaak zijn zij bekend met een psychiatrische stoornis. Er is zorg, begeleiding, bescherming en stabiliteit nodig in een veilige en weinig eisende woonomgeving. Deze intensieve zorg en begeleiding is gericht op het omgaan met deze beperkingen (cognitief en psychisch), het beheersbaar houden en gaandeweg doen afnemen van gedragsproblematiek. Deze begeleiding is continue aanwezig. Sociale redzaamheid Voor wat betreft de sociale redzaamheid hebben deze cliënten in het algemeen dagelijks leven intensieve begeleiding nodig. Er zijn forse beperkingen bij het onderhouden van sociale relaties en het invullen van de dag. Er zijn forse beperkingen in de vaardigheden die nodig zijn voor het oplossen van problemen, het nemen van besluiten en bij het uitvoeren van eenvoudige en wat complexere taken. Tevens kan er bij aanvang van de zorg sprake zijn van een beperkt zelfinzicht in hun eigen aandeel in (interactie)problemen en/of kan het ontbreken aan motivatie om doelgericht te gaan werken aan (herstel)doelen. Begeleiding is nodig bij beheren van geld en verrichten van administratieve handelingen. Deze cliënten reizen doorgaans met begeleiding. Inzet begeleiding en dagbesteding Het minimaal aantal uur dat gemiddeld per week aan directe individuele begeleiding wordt geboden voor het beschermd wonen Midden is vier uur. Verder geldt gemiddeld minimaal vier dagdelen dagbesteding of passende activering per week die aansluit bij de hersteldoelen van de cliënt, waarbij werk en onderwijs voorliggend zijn aan dagbesteding. Wonen in de beschermd wonen accommodatie met continue begeleiding, slapende wacht in de nacht Op cliëntniveau wordt gerealiseerd: Begeleiding gericht op stabilisatie, continuering van situatie en ontwikkeling waar mogelijk van herstel van de zelfregie. In eerste instantie beheersbaar houden en gaandeweg doen afnemen van gedragsproblematiek. Realiseren van geregelde deelname aan dagbestedingsactiviteiten. 7.5.2Beschermd wonen (hoog) Het gaat bij de indicatie beschermd wonen hoog om cliënten met een actieve (complexe) aandoening, vaak in combinatie met ernstig gedragsproblematiek, een somatische aandoening, een lichamelijke handicap, een verstandelijke beperking en/of een verslaving. Vaak zijn zij bekend met een psychiatrische stoornis. Deze cliënten zijn beperkt gevoelig en gemotiveerd voor begeleiding en correctie, hebben geen inzicht in hun eigen aandeel bij (interactie)problemen en er is een relatief beperkt leervermogen. Er is sprake van verbaal agressief gedrag, manipulatie, dwangmatig, destructief en reactief gedrag (o.a.) met betrekking tot interactie. Er is zeer intensieve zorg, begeleiding, bescherming en stabiliteit nodig in een veilige en weinig eisende woonomgeving (gecontroleerde in- en uitgang). Deze intensieve zorg en begeleiding is gericht op het (in de eerste instantie) overnemen van taken op alle levensterreinen, het leren omgaan waar mogelijk met de beperkingen (cognitief en psychisch), het beheersbaar houden en gaandeweg doen afnemen van gedragsproblematiek en is continue aanwezig. Deze begeleiding is tevens waar mogelijk gericht op het ontwikkelen van zelfregie en zelfredzaamheid. Sociale redzaamheid Voor wat betreft de sociale redzaamheid hebben deze cliënten in het algemeen dagelijks leven intensieve begeleiding nodig. Deze cliënten zijn nauwelijks in staat om sociale relaties te onderhouden en invulling te geven aan de dag. Er ontbreken vaardigheden die nodig zijn voor het oplossen van problemen, het nemen van besluiten en bij het uitvoeren van eenvoudige en wat complexere taken. Het aanleren van deze vaardigheden is bijna niet mogelijk. Begeleiding en/of overnemen van het beheren van geld en verrichten van administratieve handelingen is nodig. Cliënten reizen met begeleiding. Inzet begeleiding en dagbesteding Het minimaal aantal uur dat gemiddeld per week aan directe individuele begeleiding wordt geboden voor het beschermd wonen Hoog is zeven uur. Verder geldt gemiddeld minimaal vier dagdelen dagbesteding of passende activering per week die aansluit bij de hersteldoelen van de cliënt, waarbij werk en onderwijs voorliggend zijn aan dagbesteding. Wonen in de beschermd wonen accommodatie met continue intensieve begeleiding, wakende wacht in de nacht/ 24 uur per dag direct aanwezig Op cliëntniveau wordt gerealiseerd: Intensieve begeleiding gericht op stabilisatie, beheersbaar houden van situatie. Ontwikkeling waar mogelijk en ondersteuning bij achteruitgang. Beheersbaar houden van gedragsproblematiek. Realiseren van geregelde deelname aan dagbestedingsactiviteiten. 7.5.3Beschut Wonen Het gaat bij de indicatie van de tussenvoorziening Beschut Wonen om een uitstroomproduct van beschermd wonen die voor maximaal voor één jaar ingezet kan worden. Beschut Wonen is gericht op zelfstandig wonen met eventueel ambulante begeleiding. Het gaat om wonen in een accommodatie waarbij een beroep gedaan kan worden op 24- uurs zorg. Deze cliënten hebben een psychiatrische/ psychische aandoening, mogelijk in combinatie met een verstandelijke beperking. Op het gebied van de psychiatrische aandoening is stabiliteit behaald, echter is het nog noodzakelijk dat er dagelijks contact is met de cliënt om dit te monitoren. Eventueel middelengebruik van de cliënt staat herstel richting het vergroten van de zelfredzaamheid niet in de weg. Het gebruik is onder controle en werkt niet ontwrichtend voor de groep/ medebewoners. De cliënt is overwegend in staat om zelf een beroep op zorg/ begeleiding te kunnen doen. De cliënt heeft eventuele medicatie in eigen beheer en is therapietrouw (behandeling en medicatie). Wel is de cliënt nog deels afhankelijk van de structuur van de woonvorm en maakt (wekelijks) gebruik van de voorzieningen van de woonvorm. De cliënt beheerst basale adl-vaardigheden. Het gaat om vaardigheden gericht op het behouden van de lichamelijke veiligheid en welzijn (wassen, aankleden, lichamelijke verzorging, aankleden, voeden, toiletbezoek) en het zelfstandig fysiek kunnen verplaatsen. De cliënt beheerst minimale instrumentele adl-vaardigheden. Het gaat om vaardigheden gericht op veilig en duurzaam functioneren in zijn/haar omgeving: koken, vervoeren, inkopen doen, huishoudelijk werk, administratie, medicatie innemen en het gebruiken van apparaten en producten. Wanneer de cliënt dat nodig heeft worden ze op de juiste manier gebruikt. Hoofdstuk8Ondersteuning gericht op het wonen en in en om de woning verplaatsen Hoofdstuk 7 van de Verordening (ondersteuning gericht op het wonen) 8.1Inleiding Uitgangspunt is dat iedereen in Nederland zelf voor een woning moet zorgen. Een woning kan zowel een eigen woning zijn als een huurwoning. Ook een woonwagen en een woonschip met vaste stand- of ligplaats wordt gezien als een woning, zie daarvoor ook de begripsbepaling van een woning in de Verordening. Woningen die niet geschikt en bedoeld zijn om het gehele jaar te bewonen (zoals vakantiewoningen zonder gedoogvergunning, hotels en pensions) vallen niet onder het begrip ‘eigen woning’. Ook instellingen die gericht zijn op het verstrekken van zorg zijn geen woning. Verder geldt dat men normaal gebruik moet kunnen maken van de woning. Het gaat om de ruimtes waarop de cliënt is aangewezen voor het verrichten van elementaire woonfuncties (eten, koken wassen en slapen). Onder omstandigheden kan het normale gebruik van de woning zich uitstrekken tot de berging, de toegang tuin of balkon van de woning. Afhankelijk van de woonfunctie en het daadwerkelijke noodzakelijke gebruik daarvan kunnen maatwerkvoorzieningen worden verstrekt voor de bereikbaarheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid van de woning. Verder is het zo dat bij de beoordeling van de aanvraag beperkende voorwaarden en/of weigeringsgronden aan de orde kunnen zijn. In dat kader wordt ook nog opgemerkt dat in de Verordening verschillende begrippen aan de orde kunnen zijn. Zo bepaalt de Verordening dat onder een woonvoorziening een woningaanpassing (als bedoeld in de wet) wordt verstaan maar ook een hulpmiddel gericht op het normale gebruik van de woning. Deze begripsbepaling is van belang omdat een traplift niet als woningaanpassing kan worden g