← Nederland

Besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente IJsselstein houdende regels omtrent beleid, toezicht en handhaving voor de peri

In het kort

Dit besluit van de gemeente IJsselstein regelt het beleid, toezicht en handhaving voor de periode 2020-2022, met een focus op de fysieke leefomgeving. Het beschrijft hoe de gemeente haar taken op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) uitvoert en borgt.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

Besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente IJsselstein houdende regels omtrent beleid, toezicht en handhaving voor de periode 2020-2022Daar waar het gebeurt aan de Hollandsche IJssel. 1.INLEIDING 2. ONTWIKKELINGEN TER SUGGESTIE: Integraal VTH-beleid, een plug-in model, Han De Haas – provincie Utrecht In onderstaande figuur wordt de integrale aanpak verbeeld in het plug-in-model integraal VTH-beleid. Integraal VTH-beleid vindt plaats binnen belangrijke bestuurlijke kaders. In dit integrale VTH-beleid komen op verschillende thema’s, onderwerpen samen die een relatie hebben naar de (fysieke) leefomgeving. Deze beleidsthema’s kunnen in het integrale VTH-beleid worden ‘ingeplugd’ (zoals een usb-stick in een computer). Denk hierbij aan thema’s als milieu, veiligheid, gezondheid en energie. Ter illustratie: binnen het energiebeleid zijn o.a. verplichtingen om energiebesparende maatregelen te treffen opgenomen. In het VTH-beleid kan de inzet van vergunningverlening en toezicht op het onderwerp energiebesparing op een integrale wijze worden ‘ingeplugd’. Op nieuwe wetgeving als de Omgevingswet en de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen kan via de ‘plug-in’ systematiek worden ingevoerd in het integrale VTH-beleid. Overall geldt voor het integrale VTH-beleid de Wet VTH en de daarvan afgeleide Verordening Kwaliteit VTH. Met deze ‘plug-in’ wordt de beleidscyclus (big eight) en de kwaliteit in het integrale VTH-beleid opgenomen. 3.MISSIE & VISIE 4.UITGANGSPUNTEN 5.DOELEN: VAN VISIE NAAR UITVOERING 6.OMGEVINGSANALYSE 7.PRIORITEITEN 8.STRATEGIEËN Uitwerking strategieën 9.VTH-ORGANISATIE 9.1Algemeen Besluitvorming op (vergunning)aanvragen, toezicht en handhaving zijn een kerntaak van de gemeente, die hierin duidelijk haar verantwoordelijkheden heeft en neemt. Bestuur, directie, leidinggevenden en de medewerkers van het team (de teams) hebben ieder hun eigen rol en verantwoordelijkheid. In bijlage 6 van de bijlagenbundel wordt dit nader uitgewerkt. Hieronder een korte beschrijving van de organisatie en kwaliteitscriteria die van toepassing zijn. 9.2Organisatie en financiën De uitvoering van de VTH-taken op het gebied van de Wabo is ondergebracht de ODrU. De gemeente is belast met enkele bijzondere wetten en de APV. In het uitvoeringsprogramma en het jaarverslag wordt de formatie die zich met de uitvoering van deze taken bezighoudt beschreven. De in de beleidsnota beschreven doelen en prioriteiten worden in beginsel uitgevoerd worden binnen het beschikbare budget. Indien blijkt dat de formatie bijstelling behoeft dan zal dit via de reguliere begrotingscyclus worden aangekaart. 9.3Kwaliteit(scriteria) Dit beleidsplan maakt onderdeel uit van de beleidscyclus zoals wettelijk vastgelegd in het Besluit omgevingsrecht (Bor). Door het volgen van deze beleidscyclus wordt een adequaat niveau van uitvoering van de VTH-taken in de organisatie geborgd. De kwaliteit van de uitvoering van deze taken wordt bovendien geborgd door de raad vastgestelde ‘Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht IJsselstein’. In deze verordening is aangegeven dat de gemeente bij de uitvoering van de VTH-taken als uitgangspunt de kwaliteitscriteria 2.2 hanteert. Zowel de toezichthouders, als de boa’s zijn aangewezen en aangesteld door het college van B&W voor de uitvoering van hun taken waarbij er op persoons- en functieniveau een scheiding is tussen vergunningverlening, toezicht en handhaving. Bij de activiteiten met betrekking tot milieu is bij de Omgevingsdienst regio Utrecht sprake van een roulatiesysteem waardoor niet jaren achterheen dezelfde ambtenaren bij dezelfde inrichtingen betrokken zijn. Ook bepalen de kwaliteitscriteria 2.2 op welke wijze de gemeentelijke organisatie borgt dat de uitvoering van de VTH-taken structureel op een adequaat niveau plaatsvindt. Instrumenten om deze kwaliteit te borgen, zijn bijvoorbeeld het VTH-beleid, jaarlijkse uitvoeringsprogramma’s, werkprocessen, protocollen en monitoring en verslaglegging. Vanuit haar taak tot Interbestuurlijk toezicht (IBT) ziet de Provincie hierop toe en de rapportages worden ter informatie aan de gemeenteraad gezonden. 10.MONITORING EN EVALUATIE Sluitstuk van de toepassing en uitvoering van het beleid en de diverse processen is de verantwoording over de inspanningen en -resultaten. Daarin staat de vraag centraal of de geleverde inspanningen hebben bijgedragen aan het realiseren van de gestelde doelen. Daarmee wordt de beleidscyclus gesloten. Het is dus belangrijk te weten of de ingezette maatregelen succesvol zijn geweest. Daarom moet beleid periodiek geëvalueerd en gemonitord worden. De evaluatie bestaat uit het beoordelen van jaarresultaten en het effect van de jaarresultaten op de uitgangspunten en doelstellingen uit het beleid. Ten aanzien van het beleid wordt periodiek monitoring toegepast om de tussenresultaten te beoordelen, wordt jaarlijks verslag gelegd over het jaarprogramma en tussentijds het beleid geëvalueerd. Hieronder worden monitoring, verantwoording en evaluatie van het beleid verder toegelicht. Monitoring Een goede registratie van handhavingszaken vergemakkelijkt het vervolgtraject (repressief toezicht en sancties) en verschaft inzicht in de hele keten vanaf een geconstateerde overtreding tot en met de naleving. Het voordeel hiervan is dat alle handhavingspartners profiteren van de informatie. Het registreren van kwantitatieve en kwalitatieve handhavingsgegevens is met name van belang voor het te voeren beleid, de in te zetten capaciteit en de verantwoording naar het bestuur en management. De voortgang van toezicht en handhaving wordt periodiek gemonitord. De monitoring geschiedt op basis van het uitvoeringsprogramma. Deze monitoring wordt gebruikt om te beoordelen of er voldoende voortgang wordt behaald in het HUP. ODRU en VRU rapporteren periodiek aan de gemeente over de behaalde resultaten. Verantwoording Na afloop van het kalenderjaar wordt een jaarverslag opgesteld voor het college, waarin tenminste over de volgende onderwerpen wordt gerapporteerd: de toepassing van het VTH-beleid en het uitvoeringsprogramma; het aantal geplande en bestede uren. De verantwoording vindt plaats aan de hand van het VTH-uitvoeringsprogramma. Het college maakt het jaarverslag bekend aan de gemeenteraad. Evaluatie Het college heeft op 29 maart 2016 de nota “Integraal Handhavingsbeleid IJsselstein 2016-2018” vastgesteld. Op 28 juni 2016 is dit beleid, na verwerking van de Landelijke handhavingsstrategie (LHS), geactualiseerd vastgesteld. In het kader van dit nieuwe VTH-beleid heeft er een evaluatie plaatsgevonden waarbij de leerpunten van de beleidsperiode 2016-2018 zijn meegenomen. De in deze periode doorgevoerde wetswijzigingen en de naar verwachting komende wijzigingen in wet- en regelgeving en beleid hebben ook hun plek gekregen in het nieuwe VTH-beleid. De evaluatie is als bijlage 8 van de bijlagenbundel toegevoegd. 11.SAMENWERKINGSPARTNERS Voor de realisatie van haar doelstellingen is de gemeente mede afhankelijk van andere partijen. Dit hoofdstuk beschrijft welke samenwerkingspartners en overlegvormen er zijn en hoe de samenwerking wordt gestructureerd. Omgevingsdienst - ODrU De Omgevingsdienst voert voor de gemeente IJsselstein milieu- en bouwtaken uit. De samenwerkingsafspraken tussen de ODrU en de gemeente IJsselstein liggen vast in een dienstverleningsovereenkomst (hierna: DVO). De ODrU rapporteert ieder kwartaal en ook jaarlijks over de voortgang van de uitvoering van haar taken. Ook stelt de ODrU jaarlijks een jaarplan/jaarprogramma op. Veiligheidsregio Utrecht De Veiligheidsregio Utrecht (hierna: VRU) adviseert de gemeente IJsselstein in het kader van de vergunningverlening op het gebied van brandveilig gebruik. Ook voert de VRU op dit gebied het toezicht uit. De samenwerkingsafspraken tussen de VRU en de gemeente IJsselstein liggen vast in een DVO. De VRU rapporteert jaarlijks over de uitgevoerde werkzaamheden en stelt jaarlijks in overleg met de gemeente IJsselstein een jaarplan/jaarprogramma op. Provincie Utrecht De provincie Utrecht heeft de (wettelijke) taak gekregen om de samenwerking tussen bestuursorganen op het gebied van de VTH-taken te coördineren. A. Samenwerkingsprogramma Het provincie-brede Samenwerkingsprogramma komt tot stand in overleg met de leden van het ambtelijk Provinciaal Milieuoverleg (hierna: PMO) en de onderliggende werkgroepen. B. Interbestuurlijk Toezicht (hierna: IBT) Hiernaast ziet de Provincie Utrecht toe op, of en in hoeverre gemeenten voldoen aan de wettelijke kwaliteitseisen, onder andere op het gebied van het omgevingsrecht. Het IBT richt zich zowel op de taken vergunningenverlening, toezicht en handhaving, als op ruimtelijke ordening, milieu, externe veiligheid en erfgoed/monumenten. In de provinciale verordening systematische toezichtinformatie is vastgelegd welke informatie de provincie van de gemeenten jaarlijks wil ontvangen op de onderdelen van het omgevingsrecht. Op basis van de aangeleverde informatie vindt de beoordeling plaats. Hierbij kan het oordeel uitkomen op ‘adequaat’, ‘redelijk adequaat’ of ‘niet adequaat’. Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden De samenwerking tussen de waterschappen en gemeenten heeft betrekking op het toezicht en handhaving van zaken die grondwater of oppervlaktewater gerelateerd zijn, zoals waterkwaliteit en -kwantiteit, medegebruik van openbaar water en nautisch toezicht op vaarbewegingen. Openbaar Ministerie In het geval strafrechtelijk optreden is vereist, bijvoorbeeld bij de vervolging van milieuovertredingen, waarbij sprake is van economische delicten, vindt afstemming plaats met het functioneel parket te Amsterdam. De vervolging van overtredingen openbare ruimte worden afgehandeld door het OM Midden-Nederland. Politie Het Milieuteam van de politie Midden Nederland valt voor wat betreft aansturing onder het functioneel parket Amsterdam. Op het gebied van strafrechtelijke milieuzaken zijn de milieu-agenten het eerste aanspreekpunt voor de gemeente. Daarnaast is de local office het vaste aanspreekpunt voor de gemeente, de Boa’s en de omgevingsdienst. Afhankelijk van de positionering van de overtreding in de matrix van de Landelijke handhavingstrategie komt het milieuteam vroeg of op een later moment in beeld. Regionaal overleg Samenwerkingsovereenkomst BOA’s Midden-Nederland De leden van de projectgroep VTH (18 gemeenten, ODRU, RUD, VRU en de Provincie Utrecht) komen al vanaf 2010 jaarlijks enkele keren bij elkaar om ervaringen te delen, kennis uit te wisselen en projecten af te stemmen. Het doel is om in gezamenlijkheid de kwaliteit en uniformiteit van VTH-beleid, VTH-jaarprogramma’s en VTH-evaluaties te vergroten. Samenwerkingsovereenkomst BOA`s Midden-Nederland Een samenwerkingsverband dat sinds 4 oktober 2016 bestaat tussen de gemeenten Bunnik, De Bilt, De Ronde Venen, Houten, Lopik, Montfoort, Nieuwegein, Stichtse Vecht, Utrecht, Utrechtse Heuvelrug, Vianen, IJsselstein en Zeist, dat betrekking heeft op de inzet van BOA’s en/of Awb-toezichtshouders/handhaver in het domein Openbare ruimte, onderdeel Drank- en horecawet. De BOA’s die aangesteld zijn bij één van de genoemde gemeenten gerechtigd is om zijn of haar opsporingsactiviteiten en -bevoegdheden uit te oefenen op het grondgebied van de andere genoemde gemeenten. De inzet van de BOA’s vindt uitsluitend plaats op basis van een namens Inlener en Uitlener goedgekeurde werkopdracht. BijlageaBijlagenbundel Leeswijzer Het gemeentelijke VTH-beleid bestaat uit twee onderdelen. Het eerste deel geeft op een visuele manier kort de hoofdlijnen wat voor de gemeente de visie, uitgangspunten, doelen, prioriteiten en strategieën zijn op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH). Het tweede deel ligt nu voor u. Het is een bijlagenboek waar de onderwerpen uit dit eerste deel gedetailleerd zijn uitgewerkt. Voorafgaand aan de bijlagen worden enkele ontwikkelingen besproken: Wet VTH en de Verordening Kwaliteit VTH In april 2016 is een wijziging van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden, waarmee verbeteringen van het VTH-stelsel een wettelijke verankering hebben gekregen. Op grond van de Wet VTH en de daarvan afgeleide Verordening Kwaliteit VTH hebben gemeenten de plicht een integraal vergunningen- en handhavingsbeleid te formuleren en dat jaarlijks uit te werken in uitvoeringsprogramma’s. Het college informeert de gemeenteraad en partners over het vastgestelde beleid, de uitvoeringsprogramma’s en doet daar jaarlijks verslag van. Verder evalueert het college de ingezette formatie en middelen. Per 1 juli 2019 is een nieuwe set kwaliteitscriteria van kracht geworden: de criteria 2.2 zijn nu leidend. Eén deskundigheidsgebied is aan de reeks toegevoegd. Die heeft betrekking op energie en duurzaamheid. Wet kwaliteitsborging voor het bouwen In mei 2019 is de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) door de Eerste Kamer aangenomen. Inwerkingtreding van de wet zal bij Koninklijk Besluit worden bepaald. Dit kan voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan op verschillende tijdstippen worden vastgesteld. Door deze wetswijziging wordt een nieuw stelsel van kwaliteitsborging voor het bouwen geïntroduceerd. Dit betekent dat bouwpartners zelf de kwaliteitsborging dienen te regelen en daarbij zelf maatregelen moeten nemen zodat aan het Bouwbesluit 2012 (per 1 januari 2021 * het “Besluit bouwwerken leefomgeving”) wordt voldaan. De gemeente beoordeelt als bevoegd gezag niet meer direct op deze aspecten maar wel op de ruimtelijke ordening, omgevingsveiligheid en de welstand van het te realiseren bouwwerk. De gemeente voert steekproeven uit en blijft verantwoordelijk voor de handhaving. Het werk verdwijnt niet, het wordt anders. Op 17 januari 2019 is een bestuursakkoord gesloten tussen het ministerie van Binnenlandse Zaken en de VNG over de implementatie en invoering van de wet. Het akkoord regelt de rol van de gemeente na invoering van de wet en bevat afspraken over de voorwaarden voor inwerkingtreding. Het akkoord gaat uit van invoering per 2021, tegelijk met de Omgevingswet. Die invoering zal gefaseerd plaatsvinden. Er wordt gestart met de seriematige nieuwbouw. Het eindbeeld van het Rijk is dat uiteindelijk alle categorieën bouwwerken overgaan naar de private sector. Afhankelijk van de precieze vorm waarin de voorstellen worden doorgevoerd, leidt dit op middellange termijn tot consequenties voor de gemeente. Met de invoering van de Omgevingswet zal zowel beleidsmatig als op het niveau van de uitvoering hierop worden ingespeeld. Via jaarlijkse verslaglegging wordt de gemeenteraad geïnformeerd. Omgevingswet De Omgevingswet is een fundamentele herziening van het omgevingsrecht en huidige wetgeving. Volgens planning zal de Omgevingswet in 2021 in werking treden. * Op 1 april 2020 werd echter door de Minister van Milieu en Wonen de invoeringsdatum uitgesteld. Dat uitstel geldt ook voor de Wet kwaliteitsborging bouwen. In de Omgevingswet zullen alle wettelijke bepalingen, besluiten en regelingen opgaan die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. De wet heeft als maatschappelijke doelen (artikel 1.3 Omgevingswet) het in onderlinge samenhang: bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Gemeenten, provincies en waterschappen krijgen binnen de Omgevingswet meer ruimte om hun eigen beleid te bepalen. Het bestuur van de provincie stelt daartoe een omgevingsvisie en omgevingsverordening vast. Ook het gemeentebestuur stelt een omgevingsvisie op met daarin het gewenste resultaat voor de fysieke leefomgeving. Vervolgens is er voor de gemeente de opdracht om een gebiedsdekkend omgevingsplan, met functietoedeling en met regels voor activiteiten op te stellen. In aansluiting op dit omgevingsplan worden toezichts- en handhavingsinstrumenten ingezet. Daar waar mogelijk wordt in dit beleidsplan voorgesorteerd op de doelstelling uit de Omgevingswet. Dit nieuwe stelsel voor de fysieke leefomgeving heeft meerdere gevolgen voor de taakuitvoering van vergunningverlening, toezicht en handhaving. De gemeente bereidt zich daar via een implementatieprogramma op voor. In dit implementatieprogramma is ook de samenwerking met de Utrechtse partners opgenomen. Voor het vergunningverleningsproces en de dienstverlening heeft de inwerkingtreding van de Omgevingswet aanzienlijke gevolgen. Een belangrijk aspect is dat de duur van de vergunningenprocedure wijzigt en dat alle aanvragen moeten in principe via de reguliere procedure binnen 8 weken worden afgehandeld. Ook de wijze waarop vergunningaanvragen getoetst worden verandert. De Omgevingswet vraagt om een integrale afweging, met als uitgangspunt: ‘Hoe kunnen we dit initiatief mogelijk maken?’ Bij vergunningaanvragen met meerdere bevoegde gezagen wordt er één aangewezen als coördinator van het afhandelingsproces. Dit zal meestal de gemeente zijn. De Omgevingswet gaat uit van een gelijkwaardige informatiepositie voor alle betrokkenen, waaronder de initiatiefnemer. Dit houdt in dat de geldende regels begrijpelijk ontsloten moeten worden en dat er zaakgericht gewerkt moet worden. Op die manier kunnen initiatiefnemers het vergunningverleningsproces volgen. Verder wordt participatie bij een vergunningaanvraag verplicht. Deze eis verplicht initiatiefnemers om informatie te verschaffen over de wijze waarop de belangen van belanghebbenden zijn gehoord en hoe het resultaat daarvan is verwerkt in het plan. Dit alles vraagt om een zorgvuldig proces. Een proces van overleg over het initiatief met bestuurlijke partners, ketenpartners en belanghebbenden. In het geval van een complexe aanvraag zal dat naar verwachting niet binnen 8 weken kunnen worden doorlopen. In samenwerking met de Utrechtse partners gaan we deelnemen aan pilots om via het model van de Omgevingstafel een uitgebreider vooroverleg in te richten dat het begeleiden van een aanvraag Omgevingswetproof maakt. Veiligheid De gemeenteraad heeft 29 januari 2019 een Integraal Veiligheidsplan (IVP) vastgesteld. In dit IVP zijn de doelen vastgesteld op het terrein van veiligheid. Het IVP is daarmee een goede basis voor de operationele inzet op lokale veiligheidsprioriteiten door de gemeente, politie en andere organisaties. Omdat de gemeenteraad het IVP vaststelt is de raad in de gelegenheid om sturing te geven aan de uitvoering van het veiligheidsbeleid. Verder heeft de burgemeester op het terrein van het veiligheidsbeleid bijzondere wettelijke bevoegdheden. Hierover legt de burgemeester verantwoording af aan de gemeenteraad. In relatie tot het veiligheidsbeleid is ook de afstemming met de Veiligheidsregio Utrecht (VRU) aan de orde. Op grond van artikel 15 lid 2 van de Wet op de veiligheidsregio wordt door de VRU een regionaal risicoprofiel (RRP) opgesteld. Het RRP

(2019)wordt in afstemming met de partners actueel gehouden. In het RRP is een overzicht van de risicovolle situaties opgenomen die tot een brand, ramp of crisis kunnen leiden, inclusief een overzicht van de soorten branden, rampen en crises die zich kunnen voordoen. Verder wordt in het RRP een analyse gemaakt waarin de weging en inschatting van de gevolgen van de soorten branden, rampen en crises zijn opgenomen. Het RRP dient als basisinformatie voor het beleidsplan van de VRU. In het beleidsplan van de VRU worden afwegingen gemaakt over de aanwezige en mogelijk toekomstige risico’s en hoe risico’s en crises kunnen worden beheerst. Het RRP en het VRU-beleidsplan hebben een wisselwerking naar het gemeentelijke veiligheidsbeleid. Op gemeentelijke kaarten zijn in afstemming met de VRU de objecten geïnventariseerd die een mogelijk risico vormen voor de omgeving dan wel een kwetsbare locatie betreft. Op de thema’s externe veiligheid, kwetsbare objecten en cultureel erfgoed en recreatie zijn de risico’s vastgelegd. Ook deze inventarisatie en analyse heeft een directe relatie naar het IVP en raakt het VTH-beleid voor de fysieke leefomgeving. Relevante onderdelen uit het RRP en het VRU-beleidsplan en het IVP zijn integraal afgewogen in dit VTH-beleid. Gezondheidsbeleid Gezondheidsbeleid is al een gemeentelijke taak maar wordt met de komst van de Omgevingswet geïntegreerd in het omgevingsplan. Een van de hoofddoelen van de Omgevingswet is om gezondheid een plek te geven binnen de fysieke leefomgeving. Want de fysieke leefomgeving heeft invloed op de gezondheid van burgers. De inrichting van de omgeving kan hiertoe bijdragen. Denk bijvoorbeeld aan: een gezondere leefomgeving (bijvoorbeeld levensloopbestendig wonen, meer bewegen, sociale veiligheid, ontmoeten, groen, gezonde lucht, geluidkwaliteit); het verminderen van gezondheidsverschillen. De Omgevingswet biedt gemeenten en provincies de mogelijkheid om expliciet en vroegtijdig gezondheid en (fysieke) veiligheid te betrekken bij planvorming en beslissingen, die gaan over de fysieke leefomgeving. Bijvoorbeeld door vergunningen te weigeren vanwege ernstige gezondheidsrisico’s (artikel 5.32 Ow). De vraag is nog hoe dat precies gedaan moet worden. Met dit VTH-beleidsplan en de ontwikkeling van omgevingsplannen en het opdoen van ervaringen met de Omgevingstafel starten we met de invoering van dit nieuwe aspect van het gezondheidsbeleid. Op het gebied van gezondheidsbeleid kent de Drank- en Horecawet (DHW) de verplichting om een preventie- en handhavingsplan op te stellen. Het plan Preventie en Handhavingsplan Alcohol gemeente IJsselstein is vastgesteld op 22 mei 2014. In dit plan legt de gemeenteraad vast hoe de gemeente invulling geeft aan de toezichts- en handhavingstaak in het kader van de DHW. Het preventie- en handhavingsplan dient elke vier jaar gelijktijdig met de vaststelling van de nota gemeentelijk gezondheidsbeleid te worden vastgesteld (artikel 13 lid 2 Wet publieke gezondheid). Ook dit preventie- en handhavingsplan op basis van de DHW raakt het VTH-beleid voor de fysieke leefomgeving en wordt daarom met dit VTH-beleid afgestemd. Op 1 januari 2021 wordt de DHW vervangen door de Alcoholwet. Bijlage 1: Lijst met veel gebruikte afkortingen Wetgeving en besluiten AMvB Algemene Maatregel van Bestuur APV Algemene Plaatselijke Verordening Awb Algemene wet bestuursrecht Bor Besluit omgevingsrecht Bro Besluit ruimtelijke ordening BSBm Bestuurlijke Strafbeschikking milieu BWT Bouw- en woningtoezicht DVO Dienstverleningsovereenkomst HUP HandhavingsUitvoeringsProgramma LHS Landelijke Handhavingstrategie MDW (project) Marktwerking Deregulering en Wetgevingskwaliteit Mor Ministeriële regeling omgevingsrecht RO Ruimtelijke Ordening TUO Taakuitvoeringsovereenkomst VVGB Verklaring van geen bedenkingen Wabo Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Wbb Wet Bodembescherming Wet RGT Wet revitalisering generiek toezicht Wet VTH Wet vergunningen, toezicht en handhaving Wgr Wet gemeenschappelijke regelingen Wm Wet milieubeheer Wro Wet ruimtelijke ordening Organisaties NVWA Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit HDSR Hoogheemraadschap ‘De Stichtse Rijnlanden’ IenW Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ILT Inspectie Leefomgeving en Transport IPO Interprovinciaal Overleg ODRU Omgevingsdienst regio Utrecht OM Openbaar Ministerie PMO Provinciaal Milieuoverleg RUD Regionale Uitvoeringsdienst VNG Vereniging Nederlandse Gemeenten VROM (voormalig) Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer VRU Veiligheidsregio Utrecht Bijlage2:Begrippenlijst Begrip Toelichting Ambtelijke waarschuwing of constateringsbrief Brief naar aanleiding van een controle waarbij een overtreding is vastgesteld. In de brief wordt aangegeven welke maatregelen getroffen moeten worden om de overtreding te beëindigen en binnen welke termijn (hersteltermijn) dit moet zijn uitgevoerd. In deze brief worden eventuele sancties aangekondigd of wordt geadviseerd met betrekking tot preventie en zorgplicht. Beginselplicht tot handhaving Uitgangspunt dat het bevoegd gezag verplicht is om op te treden bij een geconstateerde overtreding. De term ‘beginselplicht’ impliceert dat er omstandigheden kunnen zijn om van handhaven en/of het opleggen van een sanctie af te zien. Dit is in het recht geregeld via artikel 5:5 Awb (het bestuursorgaan legt geen bestuurlijke sanctie op voor zover voor de overtreding een rechtvaardigingsgrond bestond) en artikelen 39 en verder van het Wetboek van strafrecht (strafuitsluitingsgronden). Uit de rechtspraak volgt voorts dat overwogen kan worden van handhaven af te zien als er concreet zicht op legalisatie bestaat, of wanneer handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien. Begunstigingstermijn (artikel 5:24 lid 2 en artikel 5:32a lid 2 Awb) Termijn die wordt gesteld in een bestuursdwang- of dwangsombeschikking waarbinnen de overtreder de overtreding ongedaan kan maken zonder dat de last wordt geeffectueerd. Belangenafweging Bij de voorbereiding van besluiten moet het bevoegd gezag de betrokken belangen afwegen. Aan de ene kant kunnen dit bijvoorbeeld zijn de persoonlijke, economische en financiële belangen van een overtreder. Aan de andere kant de gemeentelijke taak om toezicht te houden op de naleving van wet- en regelgeving, veiligheid, voorkomen dat een dergelijke overtreding op meerdere locaties in de gemeente plaatsvindt (precedentwerking) en dergelijke. Mede op basis van deze belangenafweging bepaalt het bevoegd gezag of er handhavend wordt opgetreden, welke termijn er wordt gehanteerd en/of er een sanctie wordt opgelegd. Bestuurlijk Omgevingsberaad Centraal bestuurlijk overleg over het stelsel VTH onder leiding van de Minister van IenW, gericht op afstemming van de verschillende taken en verantwoordelijkheden. Aan het Bestuurlijk Omgevingsberaad doen in ieder geval mee: de ministers van IenW en VenJ, drie vertegenwoordigers van de omgevingsdiensten, vertegenwoordigers van de bevoegde overheden en het OM. Bestuurlijke boete Een boete die door een daartoe bevoegde overheidsdienst zonder tussenkomst van het OM of een rechter kan worden opgelegd. Het CJIB verzorgt de inning en incasso van bestuurlijke boetes van diverse overheidsdiensten. Bestuursdwangbeschikking (last onder bestuursdwang) (artikelen 5:21 t/m 5:31c Awb) Bestuursdwang is het optreden door het bevoegd gezag tegen een overtreding op kosten van de overtreder. De definitie van last onder bestuursdwang in de Awb luidt: ’Onder last onder bestuursdwang wordt verstaan: de herstelsanctie inhoudende: a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en b. de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.’ Artikel 5:25 Awb bepaald dat de kosten van toepassing van bestuursdwang op de overtreder verhaald kunnen worden. Tegen een bestuursdwangbeschikking kan bezwaar worden gemaakt, een voorlopige voorziening worden gevraagd (mits bezwaar is ingediend) en (hoger) beroep worden ingesteld. Bevinding Waarneming die ten aanzien van een bepaald onderwerp van onderzoek tijdens een inspectie wordt gedaan. Na beoordeling ervan kunnen bevindingen leiden tot de kwalificatie wel/geen overtreding. Bevoegd gezag Het bestuursorgaan dat bevoegd is een handhavingsbesluit te nemen of een besluit te nemen op een aanvraag om omgevingsvergunning. Doorgaans is dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente. Dwangsombeschikking (last onder dwangsom) (artikel 5:31d t/m 5:36 Awb) Een last onder dwangsom betekent dat een overtreding binnen een bepaalde periode ongedaan moet worden gemaakt. Als dit niet binnen die periode is gebeurd, dan moet de overtreder een boetebedrag (dwangsom) betalen. Een last onder dwangsom is bedoeld om de overtreding ongedaan te maken of verdere overtreding of een herhaling van de overtreding te voorkomen. De definitie van een last onder dwangsom in de Awb luidt als volgt: Onder last onder dwangsom wordt verstaan: de herstelsanctie inhoudende: a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en b. de verplichting tot betaling van een geldsom indien de last niet of niet tijdig of onvolledig wordt uitgevoerd. Tegen een last onder dwangsombeschikking kan bezwaar worden gemaakt, een voorlopige voorziening worden gevraagd (mits bezwaar is ingediend) en (hoger) beroep worden ingesteld. Fysieke leefomgeving De fysieke leefomgeving omvat de inrichting van de woonwijk/gemeente inclusief de wegen, parken, industrieterreinen. De kwaliteit van de fysieke leefomgeving wordt deels bepaald door de milieukwaliteit. Gedoogbeschikking Een schriftelijk besluit van het bevoegde gezag tot het afzien van het gebruik van ter beschikking staande bestuursrechtelijke handhavingsinstrumenten voor een bepaalde termijn. Geheel of gedeeltelijke intrekking vergunning of ontheffing Naast een last onder dwangsom of last onder bestuursdwang kan een bestuursorgaan ook als sanctie de vergunning of ontheffing geheel of gedeeltelijk intrekken. Door intrekking van een vergunning of ontheffing ontneemt het bevoegde gezag de overtreder de juridische basis van zijn activiteit. Gelijkwaardige oplossing Er is sprake van een afwijking van (een of meerdere voorschriften van) een vergunning/ontheffing/vrijstelling, maar het door de rechtsregel beschermde belang wordt in dezelfde mate of beter gewaarborgd. Handhaven Door toezicht en het toepassen van bestuursrechtelijke-, strafrechtelijke- of privaatrechtelijke middelen bereiken dat geldende rechtsregels worden nageleefd. Handhaving Zorgen dat de regels worden nageleefd door voorlichting/preventie, sturen op zorgplicht, toezicht en handhaving. Handhavingsbeleid Dit is een beleid(snota) voor alle betrokken beleidsvelden. Daarin staat een beschrijving van de gemeentelijke prioriteiten, de doelen, de strategieën en de activiteiten. Het beleid is afgestemd met andere betrokken bestuursorganen ketenpartners). Handhavingsuitvoeringsprogramma Jaarprogramma waarin wordt omschreven welke toezicht- activiteiten er zullen worden uitgevoerd en welke handhavingsmiddelen zo nodig worden toegepast. Integrale handhaving Het afstemmen, samenbrengen en uitvoeren van handhavingsactiviteiten binnen verschillende taakvelden en/of organisaties. Legalisatie (concreet zicht
  1. op)Het vooruitzicht dat een overtreding binnen de geldende regels toegestaan kan worden. Voorwaarde is dat er door de overtreder concreet om gevraagd moet worden, bijvoorbeeld door het aanvragen van een omgevingsvergunning. Motiveringsbeginsel In de Algemene wet bestuursrecht vastgelegd beginsel dat besluiten goed gemotiveerd moeten zijn, feiten moeten kloppen en de motivering logisch en begrijpelijk moet zijn. Nalevingstrategie Bestuurlijk vastgesteld document, waarin is vastgelegd met welke instrumenten naleving wordt gerealiseerd en welke rol handhaving daarbinnen speelt. Een nalevingstrategie bevat in ieder geval een toezichtstrategie, een sanctiestrategie en een gedoogstrategie. Normadressaat Natuurlijke of rechtspersoon voor wie een bepaalde norm of voorschrift geldt. Omgevingsdiensten Diensten van provincies en gemeenten voor de uitvoering van de VTH-taken. Overtreding Een afwijking van een rechtsregel, waarbij geen sprake is van een gelijkwaardige oplossing (zie artikel 5:1 lid 1 Awb). Preventieve handhaving Het al dan niet vergunning gebonden toezicht op activiteiten en/of gebruik, waarbij – ingeval van een overtreding – conform de landelijke handhavingsstrategie wordt ingezet op zorgplicht en preventie om herhaling van de overtreding te voorkomen. Preventiestrategie De strategie is gericht om burgers en ondernemers spontaan wet- en regelgeving te laten naleven. Privaatrechtelijke handhaving Handhaven op grond van civiel recht in plaats van bestuurs- en/of strafrecht. Dit gebeurt bijvoorbeeld als het om eigendomsrecht gaat. Programmatisch handhaven Een structurele en integrale aanpak van de handhaving. Daarbij zijn prioriteiten gesteld en de handhavingsactiviteiten op elkaar afgestemd. Bij een programmatische aanpak worden beleid en uitvoering van beleid opgevolgd door evaluatie en bijsturen. Het bevoegd gezag stelt een dergelijk uitvoeringsprogramma jaarlijks vast. Rechtsgelijkheid Rechtsbeginsel dat bepaalt dat gelijke gevallen gelijk dienen te worden behandeld en ongelijke verschillend naar mate van het verschil. Rechtvaardigingsgrond Omstandigheid die de wederrechtelijkheid van een handeling bij nader inzien wegneemt. Mogelijke reden om uiteindelijk geen sanctie op te leggen. Repressieve handhaving Met repressie wordt bedoeld het herstellen van situaties die in strijd zijn met de geldende wet- en regelgeving of een verleende vergunning. Sanctie Straf of maatregel die wordt toegepast als rechtsregels worden overschreden. Sanctiestrategie Bestuurlijk vastgesteld document, waarin de basisaanpak voor het bestuursrechtelijk- en strafrechtelijk optreden bij overtredingen is vastgelegd. De sanctiestrategie omvat ten minste: a. een op elkaar afgestemd bestuursrechtelijk – strafrechtelijk optreden tegen overtreding van de gestelde milieunormen; b. een passende reactie op geconstateerde overtredingen; c. een stringentere reactie bij voortduring van de overtreding; d. een regeling voor optreden tegen overtredingen door de eigen organisatie en andere overheden; e. transparantie over te stellen termijnen voor het opheffen van (standaard)overtredingen en over de zwaarte van sancties daarvoor. De systematiek van de landelijke handhavingsstrategie wordt hierbij toegepast. Schulduitsluitingsgrond Omstandigheid die de verwijtbaarheid van een handeling bij nader inzien wegneemt. Mogelijke reden om uiteindelijk geen sanctie op te leggen. Strafuitsluitingsgrond Er zijn twee categorieën strafuitsluitingsgronden: rechtvaardigheidsgronden en schulduitsluitingsgronden. Zie aldaar. Strafrechtelijke handhaving Strafrechtelijke handhaving betekent dat, na het opstellen van een proces-verbaal, strafvervolging wordt ingesteld. Toezicht Preventief toezicht is: controle op de naleving van regels/voorschriften zonder concrete aanwijzing dat van een strijdigheid sprake is. De controle is gericht op preventie en zorglicht. Repressief toezicht is: controle op de naleving van regels/voorschriften ten behoeve van opsporing van strijdigheden, ten einde eventueel daar met een sanctie op te reageren. Toezichthouder Toezichthouders zijn ambtenaren die door of namens het college op grond van de Algemene wet bestuursrecht / Wet algemene bepalingen omgevingsrecht benoemd zijn om te controleren of de rechtsregels worden nageleefd. Toezichtstrategie Bestuurlijk vastgesteld document, waarin is vastgelegd welke vormen van toezicht worden onderscheiden en wat de basiswerkwijze daarbij is. Voorlopige maatregel Een maatregel opgelegd door de rechter of de officier van justitie ter voorkoming van verdere overtreding van de wet. Voornemen last Schriftelijke waarschuwing van het bevoegde gezag waarin wordt aangekondigd dat, vanwege een geconstateerde overtreding, het voornemens is een bestuursrechtelijke sanctie op te leggen. In dit voornemen wordt – behoudens wettelijke uitzonderingen - een termijn gegeven waarbinnen de overtreder de gelegenheid krijgt om mondeling of schriftelijk zijn zienswijze naar voren te brengen op de voorgenomen bestuursrechtelijke sanctie. VTH Kwaliteitscriteria Kwaliteitscriteria die inzichtelijk maken hoe personeel en organisaties voldoen aan de wettelijke eisen met betrekking tot kwaliteit, waartoe de robuustheid van de organisatie behoren maar ook het opleidingsniveau van de uitvoerenden als het gaat om de uitvoering van VTH-taken. Wraken Op schriftelijke wijze aangeven dat het bestuursorgaan zich het recht voorbehoudt om handhavend op te treden, maar daar niet per direct aan toe komt. Zienswijze (artikel 4:8 Awb e.v.) De belanghebbenden kunnen hun visie geven op de vraag of er sprake is van een overtreding, of er goede redenen zijn handhaving (tijdelijk) achterwege te laten en op de vraag welke belangen daarmee gediend zouden zijn. Daarnaast kan gereageerd worden op voorgenomen dwangsombedragen en begunstigingstermijn voor zover deze bij het vragen van een zienswijze al bekend zijn. De zienswijze kan mondeling of schriftelijk worden ingediend bij het bevoegde gezag. Zorgvuldigheidsbeginsel In de Algemene wet bestuursrecht vastgelegd rechtsbeginsel, dat de overheid een besluit zorgvuldig moet voorbereiden en nemen: correcte handeling van de burger, zorgvuldig onderzoek naar de feiten en belangen, procedure goed volgen en deugdelijke besluitvorming. Bijlage3:Reikwijdte VTH-beleid Nr. Taakveld Onderdelen 1. Milieu Milieu-inrichtingen Aanbieden, storten of verbranden afvalstoffen Bodem Indirecte lozingen Klimaat 2. Bouwen en wonen Aanleg, bouw- en oprichtingsfase sloop (in de zin van de sloopmelding of vergunning) Verwijdering asbest Monumenten en archeologie BAG/Huisnummers Aanlegvergunning voor vellen houtopstand Illegale sloop, bouw of aanleg Woonkwaliteit/Onveilige bewoning arbeiders 3. Ruimtelijke ordening Illegaal gebruik van bouwwerken en gronden en overtreding van planregels 4. Brandveiligheid Adviestaak Wabo Advies brandveiligheid (waaronder evenementen) Toezicht tijdens de bouw Toezicht gebruik bouwwerken (zorginstellingen, bijeenkomst, onderwijs, sport, industrie, logies, kamerverhuur, winkel) 5. Openbare ruimte Afvalinzameling Algemene overlast (vernielingen, graffiti, etc.) Gebruik openbare ruimte en gemeentelijke eigendommen Hondenoverlast Parkeerexcessen Parkeren Reclame Standplaatsen Terrassen Uitstallingen Zwerfafval Markten Winkeltijdenwet 6. Overige activiteiten Klachten en meldingen Verzoeken tot handhaving Bijlage4:Wettelijke kader 4.1 Inleiding Hieronder staat een beknopte opsomming van landelijke en lokale wet- en regelgeving die een rol speelt in het VTH-beleid 2020-2022. 4.2 Gemeentewet Zoals al in de inleidende paragraaf is vermeld, staat in artikel 125 lid 2 en 3 van de Gemeentewet dat het college van B&W of de burgemeester een bevoegdheid heeft om handhavend op te treden. Letterlijk staat er dat het college of de burgemeester een last onder bestuursdwang kan opleggen. Wie een last onder bestuursdwang kan opleggen, mag in plaats hiervan op grond van artikel 5:32 lid 1 Awb ook een last onder dwangsom opleggen. Aan het bestuursorgaan die deze handhavend bevoegdheden heeft, worden in de Awb ook allerlei toezichtsbevoegdheden gegeven. Dit artikel in de Gemeentewet vormt dus de wettelijke basis voor het college of de burgemeester om toezicht uit te oefenen en de herstelsancties last onder bestuursdwang en last onder dwangsom op te leggen. Het college heeft de bevoegdheid om toezichthouders als zodanig te benoemen. Daarnaast stelt het college op grond van artikel 142 Wetboek van Strafvordering buitengewoon opsporingsambtenaren (Boa’
  2. s)aan. Deze Boa’s hebben opsporingsbevoegdheden. Naast de herstelsancties in het bestuursrecht kent het bestuursrecht ook een bestraffende sanctie. De wettelijke basis voor de raad om in een verordening op te nemen dat op overtreding van wettelijke voorschriften een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, is artikel 154b Gemeentewet. De Boa’s hebben de bevoegdheid om een bestuurlijke strafbeschikking aan te kondigen. Uiteindelijk legt de officier van justitie de strafbeschikking op. 4.3 Algemene wet bestuursrecht In de Awb (hoofdstuk 5) worden geen bevoegdheden tot het uitvoeren van toezicht en handhaving toebedeeld aan bestuursorganen, maar worden aan de hiertoe bevoegde bestuursorganen en daartoe aangewezen ambtenaren instrumenten gegeven (een gereedschapskist om mee te werken). De voornaamste handhavingsinstrumenten die beschreven staan, zijn de herstelsancties in titel 5.3 van hoofdstuk 5 te weten de last onder bestuursdwang (afdeling 5.3.1) en de last onder dwangsom (afdeling 5.3.2). Deze instrumenten bieden een bestuursorgaan de bevoegdheden om zelf de overtreding geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken of te beëindigen dan wel de overtreder een dwangsom op te leggen om dit zelf te doen. Daarnaast staat in titel 5.4 Awb een bestraffende sanctie opgenomen; te weten een bestuurlijke boete. Deze sanctie beoogt leed toe te voegen aan de overtreder en mag naast een herstelsanctie worden opgelegd. 4.4 Wet economische delicten Een toezichthouder kan bij het constateren van bepaalde overtreding ook kiezen voor het strafrechtelijke spoor. In de Wet economische delicten staan in artikel 1 en 1a veel verwijzingen naar wetsartikelen. Overtreding van die wettelijke artikelen is een delict in de zin van de Wet economische delicten (Wed). 4.5 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) De Wabo is een kaderwet waarmee bevoegd gezag (bij gemeente meestal het college van B&W) een (integraal) besluit tot vergunningverlening kan nemen waarbij diverse aspecten aan de orde kunnen komen met betrekking tot de fysieke leefomgeving (zoals ruimte, milieu, natuur alsook aspecten met betrekking tot bouwen, monumenten en brandveiligheid). In hoofdstuk 5 van de Wabo staan bepalingen over de uitvoering en handhaving van de Wabo. In artikel 5.2 Wabo staat een algemene bepaling opgenomen dat het bevoegde gezag zorg moet dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van bepalingen bepaald bij of krachtens de Wabo en een aantal in de Wabo genoemde wetten. In artikel 5.5. Wabo wordt daaraan toegevoegd dat het college zorg moet dragen voor een goede kwaliteit van de uitvoering en handhaving. 4.6 Besluit omgevingsrecht In hoofdstuk 7 van het BOR wordt onder meer invulling gegeven aan diverse bepalingen van hoofdstuk 5 (Uitvoering en handhaving) van de Wabo. In artikel 5.7 Wabo lid 1 staat dat in een AMvB regels worden gesteld over: een strategische en programmatische uitvoering en handhaving van het bepaalde bij of krachtens de betrokken wetten door de betrokken bestuursorganen; een onderling afgestemde uitoefening van bevoegdheden met betrekking tot de uitvoering en handhaving, bedoeld onder a, en de daarmee samenhangende werkzaamheden tussen de bij de handhaving betrokken bestuursorganen en de onder hun gezag werkzame toezichthouders alsmede over de afstemming van deze werkzaamheden op de werkzaamheden van de instanties die belast zijn met de strafrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens de betrokken wetten; over de prioriteitstelling bij de uitvoering en handhaving voor zover die prioriteitstelling van bovenregionaal belang is. In artikel 7.2 lid 5 en 6 van het BOR staat dat het Uitvoerings- en handhavingsbeleid tenminste inzicht moet geven in: de prioriteitenstelling met betrekking tot de uitvoering van de krachtens het eerste en tweede lid voorgenomen activiteiten; de methodiek die de bestuursorganen gebruiken om te bepalen of de krachtens het eerste en tweede lid gestelde doelen worden bereikt; de daarin opgenomen objectieve criteria voor het beoordelen van aanvragen voor en beslissen over een omgevingsvergunning en het afhandelen van meldingen, en de werkwijze bij vergunningverlening en het afhandelen van meldingen. de afspraken die door de bestuursorganen onderling en met de organen die belast zijn met de strafrechtelijke handhaving zijn gemaakt, over de samenwerking bij en de afstemming van de werkzaamheden; de wijze waarop het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de betrokken wetten bepaalde wordt uitgeoefend om de krachtens het eerste en tweede lid gestelde doelen te bereiken; de rapportage van de bevindingen van degenen die toezicht hebben uitgeoefend en het vervolg dat aan die bevindingen wordt gegeven, waarbij tevens aandacht wordt besteed aan de aard van de geconstateerde overtredingen; de wijze waarop bestuurlijke sancties alsmede de termijnen die bij het geven en uitvoeren daarvan worden gehanteerd en de strafrechtelijke handhaving onderling worden afgestemd, waarbij tevens aandacht wordt besteed aan de aard van de geconstateerde overtredingen; de wijze waarop de bestuursorganen handelen na overtredingen die zijn begaan door of in naam van die bestuursorganen of van andere organen behorende tot de overheid. Voor de basistaken die verplicht worden overgedragen aan een omgevingsdienst moet het Uitvoerings- en handhavingsbeleid bovendien regionaal zijn afgestemd. Bovenstaande verplichtingen gelden voor de activiteiten waarvan de uitvoering en handhaving verloopt via Hoofdstuk 5 van de Wabo. Wij hebben de kwaliteit van de taakuitvoering echter integraal geborgd in de Verordening VTH en daarmee gelden de verplichtingen voor alle VTH-taken. 4.7 VTH-verordening De gemeenteraad heeft op grond van artikel 5.4 lid 1 aanhef en onder b Wabo een Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht vastgesteld. Deze verordening heeft betrekking op de kwaliteit van de uitvoering en handhaving van de wetten (onder andere de Wabo, Wet ruimtelijke ordening, Wet milieubeheer, Natuurbeschermingswet) voor wat betreft alle VTH-taken. In de VTH-verordening is bepaald dat op de uitvoering en de handhaving van de taken de kwaliteitscriteria van toepassing zijn. 4.8 Drank- en Horecawet In de Drank- en Horecawet (DHW) is in het centrale artikel 3 een vergunningsplicht opgenomen voor het ter plaatse bedrijfsmatig verstrekken van alcohol (zoals in horecabedrijven) of voor gebruik elders dan ter plaatse (zoals in slijterijen). Daarnaast bevat de wet onder meer verbodsbepalingen en ontheffingsbepalingen. In artikel 41 - 44 DHW zijn bepalingen opgenomen over het toezicht. In artikel 41 is onder meer bepaald dat in een gemeente de daartoe aangewezen ambtenaren (BOA (‘s)) belast zijn met toezicht. In aanvulling op de Awb krijgen deze ambtenaren extra bevoegdheden in artikel 42 DHW. 4.8 Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. In deze wet zijn opgegaan de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en Faunawet en de Boswet. In hoofdstuk 7 van deze wet is handhaving geregeld. In dit hoofdstuk staat onder andere welke bestuursorganen zijn belast met toezicht en handhaving. Er worden handhavingsinstrumenten genoemd en een koppeling gemaakt met de Wabo. 4.9 Algemene Plaatselijke Verordening (APV) In de Algemene Plaatselijke Verordening heeft de gemeenteraad bepalingen opgenomen die betrekking hebben op openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid en bescherming van milieu in de openbare ruimte. De APV bevat ook bepalingen over voor publiek toegankelijke gebouwen (denk aan horeca) en over activiteiten die van invloed zijn op de openbare ruimte. De hogere wettelijke regelingen zijn de bovengrens van de APV en de private sfeer van burgers is de ondergrens. Met andere woorden de raad mag via de APV in principe niks regelen dat al in hogere wetgeving staat en mag in principe niet ingrijpen in de private sfeer van burgers. De nuances die hierin zitten, worden hier niet behandeld. 4.10 Parkeerverordening In de parkeerverordening zijn diverse vergunningplichten en verbodsbepalingen met ontheffingsmogelijkheden opgenomen. De verordening Parkeerverordening IJsselstein 2018 is op 1 maart 2018 inwerking getreden. Op overtreding van deze verbodsbepalingen kunnen bestuurlijke strafbeschikkingen door de gemeentelijke BOA’s worden aangekondigd en worden opgelegd door het OM. De gemeentelijke Boa’s (mits daarvoor aangewezen) zijn (naast onder andere politie en OM) belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de verordening. Bijlage5:Bestuurlijk kader In de begroting 2020 en verder zijn bedragen opgenomen voor de uitvoering van het werk rondom vergunningverlening, toezicht en handhaving. Er wordt gewerkt binnen dit VTH-beleidskader. Dat is gebaseerd op een risicomatrix, die van dit beleid deel uitmaakt. De beschikbare financiën zijn voldoende om de taken adequaat uit te voeren, hetgeen blijkt uit de jaarlijkse check hierop door de provincie Utrecht. Dit is het zgn. interbestuurlijk toezicht (IBT). Bijlage6:Bestuur en organisatie Besluitvorming op (vergunning)aanvragen, toezicht en handhaving zijn een kerntaak van de gemeente, die hierin duidelijk haar verantwoordelijkheden heeft en neemt. Bestuur, directie, leidinggevenden en de medewerkers van het team (de teams) hebben ieder hun eigen rol en verantwoordelijkheid. Ook bij de samenwerkings- (keten-) partners. Het management en de directie hebben onder andere als taak interne processen aan te sturen. Daarvoor is het nodig om het (gewenste) verloop van primaire werkprocessen inzichtelijk te maken, te structureren en te bewaken. Naast de bestuurlijke verantwoordelijkheid, zal duidelijk moeten zijn wie operationeel verantwoordelijk is voor toezicht en handhaving (wie is verantwoordelijk voor de activiteit, (tussen)resultaten en besluitvormingsmomenten). In het kader van deze beleidsnota past het dan ook om de diverse rollen en verantwoordelijkheden van de actoren nader te beschrijven. 6.1 De rol van de gemeenteraad Als taken van de gemeenteraad binnen het VTH-beleid kunnen worden genoemd: het op de politieke agenda plaatsen van het onderwerp vergunningverlening, toezicht en handhaving; het scheppen van randvoorwaarden - zoals formatie en budget - waarbinnen het beleid kan worden ontplooid; het uitdragen van de gemeentelijke handhavingsvisie. 6.2 De rol van de burgemeester en het college van burgemeester en wethouders Voor het handhavingsbeleid is een belangrijke rol weggelegd voor de portefeuillehouder ‘openbare orde en veiligheid’ en ‘handhaving’, uiteraard binnen de verantwoording op het niveau van het college van burgemeester en wethouders. De burgemeester heeft ook een eigen wettelijke verantwoordelijkheid voor de openbare orde en veiligheid. Voorts is de burgemeester bestuurlijk verantwoordelijk voor het verkrijgen van structureel draagvlak en ‘medeaansturing’ van de lokale politie via het zogenaamde driehoeksoverleg. Bovendien is hij eerstverantwoordelijk bij rampen en zware ongevallen. Het college stelt het VTH-beleid, het jaarverslag en het jaarprogramma vast. 6.3 De rol van de wethouders Actieve steun en betrokkenheid van het hele college bij het VTH-beleid is van groot belang. Vergunningverlening, toezicht en handhaving hebben namelijk raakvlakken met bijna alle gemeentelijke werkvelden en loopt doorgaans door alle portefeuilles. Dit betekent dat collegeleden zich bewust moeten zijn van VTH-aspecten met betrekking tot hun portefeuille. 6.4 De rol van directie en management Vergunningverlening, toezicht en handhaving hebben raakvlakken met bijna alle gemeentelijke werkvelden. Een actieve bijdrage hiervan is dan ook belangrijk en voor directie en management is dan ook een rol weggelegd, daar waar het betreft: het betrekken van het totale management bij het integraal VTH-beleid; het zorg dragen voor een goede coördinatie en samenwerking tussen de verschillende beleidsvelden; de aanjaagfunctie bij ontwikkelingen die van invloed zijn op het beleid. 6.5 De rol van (keten)- samenwerkingspartners Het doel is samen met politie, justitie, burgers, bedrijven en instellingen verder te werken aan vergunningverlening, toezicht en handhaving. Eenieder zal daarom op zijn of haar eigen verantwoordelijkheid worden aangesproken; elk individu, elke organisatie kan namelijk op eigen wijze in meer of mindere mate een bijdrage leveren aan een veilige leefomgeving. De samenwerking op verschillende niveaus zal de komende periode worden geïntensiveerd, waarbij zoveel mogelijk wordt aangesloten bij bestaande overlegvormen. 6.6 Coördinatie en afstemming Bij nieuwe plannen voor bedrijfsvestigingen of het bouwen van bedrijven moeten vaak meerdere vergunningsprocedures worden doorlopen. Daarnaast zal in het bijzonder bij handhavingszaken, duidelijkheid moeten worden gegeven in de achtergronden ten aanzien van de te voeren handhavingsstrategie en zullen er in het kader van regionale handhavingsacties, samengewerkt moeten worden. Het is van groot belang dat procedures goed op elkaar worden afgestemd. Via regelmatige overleggen met de andere gemeentelijke disciplines, worden alle te doorlopen procedures op elkaar afgestemd. Dit bevordert de eenduidigheid en daarmee de consistentie van het gemeentelijk beleid tegenover burgers, bedrijven en instellingen. In de regio Utrecht ontmoeten de beleidsmedewerkers of coördinatoren Vergunningen, Toezicht en Handhaving elkaar periodiek rondom thema’s als opleidingen, het VTH-beleid en producten als jaarverslag en jaarprogramma. Doel is onderlinge ambtelijke afstemming en doorontwikkeling producten op basis van kwaliteit. Indachtig de Omgevingswet wordt deze samenwerking verder geïntensiveerd. Bijlage7:De Big-8 Cyclus De BIG-8 cyclus geeft een spoorboekje voor kwaliteit. Stap voor stap wordt via een zich steeds herhaald proces gewerkt aan kwaliteit van beleid en uitvoering van VTH-taken. Dit gebeurt in zeven stappen. Dat klinkt afwijkend. De stap programma en organisatie komt echter in beide cirkels voor en verbindt de cirkels. De BIG 8-cyclus bestaat uit twee cirkels. Hieronder staat een afbeelding van de BIG-8 cyclus. Figuur 1: De Big-8 Cyclus De linker cirkel is de cirkel voor borging van kwaliteit van beleid, de rechter cirkel staat voor borging van de kwaliteit van uitvoering. De cirkels raken elkaar bij de stap Uitvoering en organisatie waarin het jaarlijkse VTH-uitvoeringsplan wordt opgesteld. 7.1 Overzicht van de stappen Stap 1. Rapportage en evaluatie: Hierin worden de omgevingsanalyse, de risicoanalyse, het jaarverslag en evaluatie als het ware samengebracht en vormen input Strategisch beleidskader (stap 2). Stap 2. Strategisch beleidskader Hoofdstukken 2 en 3 van het VTH-beleid. Hierin krijgen de missie en visie en worden vervolgens doelstellingen vastgelegd die de organisatie wil behalen ten aanzien van deze prioriteiten. Stap 3: Strategie: Strategieën worden opgesteld om de gestelde doelen te behalen. In het VTH beleid zijn in hoofdstuk 6 een preventiestrategie, een toezichtstrategie, een sanctiestrategie en een gedoogstrategie opgenomen die in diverse bijlagen in de Bijlagenbundel zijn uitgewerkt. Dat geldt ook voor de landelijke handhavingsstrategie. Stap 4. Programma en organisatie: De stap die de beide cirkels verbindt. Dit is het jaarlijkse VTH-uitvoeringsplan dat is afgestemd op de gemeentelijke organisatie (en formatie). Welke VTH-taken worden er concreet uitgevoerd? Wat is de noodzakelijke formatie en zijn de benodigde financiële middelen? Het VTH-uitvoeringsplan is een apart document en staat niet in het VTH-beleid. Stap 5. Werkwijze: Hier worden procedures, protocollen en dergelijke worden beschreven. Dit wordt uitgewerkt in diverse bijlagen in de Bijlagenbundel en het VTH-uitvoeringsplan. Stap 6. Uitvoering: Dit zijn de vergunningen die daadwerkelijk verleend worden en de toezicht- en handhavingstaken die worden uitgevoerd. Stap 7. Monitoring: De gemeente monitort met een geautomatiseerd systeem de resultaten en de voortgang van de uitvoering van het beleid en het VTH-uitvoeringsplan. In hoofdstuk 8 van het VTH-beleid wordt naar deze stap verwezen (hoofdstuk 8 VTH-beleid). Evaluatie: Periodiek wordt de uitvoering van het VTH-uitvoeringsplan in het daaropvolgende VTH-uitvoeringsplan geëvalueerd en beoordeeld of dit aanleiding is tot bijstelling van het VTH-beleid. Dit kan leiden tot bijstelling van de doelen en prioriteiten (paragraaf 5.2 en hoofdstuk 8 VTH-beleid). Bijlage8:Evaluatie Integraal Handhavingsbeleid 8.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt het Integraal Handhavingsbeleid 2015 - 2018 geëvalueerd. Het beleid beperkte zich tot handhaving van de regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving zoals: bouwen, ruimtelijke ordening, milieu, brandveiligheid en de openbare ruimte. 8.2 Evaluatie integraal en regionaal opgepakt Deze evaluatie is tot stand gekomen met input van de Omgevingsdienst regio Utrecht. 8.3 Relatie tot de Wabo Deze evaluatie is onderdeel van de wettelijk voorgeschreven beleidscyclus (‘Big Eight’). De evaluatie ziet op de periode 2015–2018 en is mede gebaseerd op de jaarverslagen met betrekking tot de uitvoering van de handhaving in deze beleidsperiode. 8.4 Evaluatie handhavingsbeleid Hieronder worden de belangrijkste evaluatiepunten van het handhavingsbeleid beschreven. Denk daarbij aan elementen die zeker gecontinueerd moeten worden of onderwerpen die juist in het nieuwe beleid niet of anders geformuleerd moeten worden. Hieronder de evaluatiethema’s die vervolgens in sub-paragrafen worden uitgewerkt: afstemmen sanctiestrategie (§ 8.4.1); heroverweging toezichtstrategie (§ 8.4.2); afwikkeling klachten en verzoeken om handhaving (§ 8.4.3); benoeming handhavingsprojecten (§ 8.4.4); investeren in regionale samenwerking (§ 8.4.5); beleidsmatige afstemming en organisatorische inbedding beleid (§ 8.4.6); evaluatie beleidsdoelstellingen (§ 8.4.7). 8.4.1 Afstemmen sanctiestrategie De sanctiestrategie is in hoofdlijnen regionaal afgestemd en eenduidig. Met de implementatie van de Landelijke Handhaving Strategie (LHS) in 2016 is hier verder een vervolg aan gegeven. 8.4.2 Heroverweging toezichtstrategie In het beleid zijn meerdere vormen van toezicht beschreven. In de praktijk wordt integraal toezicht nog als complex ervaren. Dit betekent dat de doelstellingen reëel moeten zijn maar de ambitie is om, bijvoorbeeld thematisch en projectmatig, intensievere vormen van integraal toezicht na te streven. Ketentoezicht wordt actief opgepakt met partners. Denk aan vervoerscontroles, tussenopslag van asbest, bodem en grondstromen. Samenwerking op landelijk niveau vindt plaats via bij ODNL – bijv. asbest. Hierin zijn naast de omgevingsdiensten ook landelijke partijen aanwezig. Ook vindt er periodieke afstemming plaats tussen partners en worden er gezamenlijke controles uitgevoerd. Denk bijvoorbeeld aan vuurwerk (VRU), grote lozers (Waterschappen) en bedrijven met risicovolle activiteiten. Er moet blijvend worden geïnvesteerd om de integraliteit van toezicht en handhaving nader vorm te geven. ODrU en VRU hebben hiertoe bijvoorbeeld een intentieovereenkomst gesloten. Gebiedsgericht toezicht is niet uitgevoerd. Dit wordt in deze nieuwe beleidsperiode alsnog in uitvoering gebracht. 8.4.3 Afwikkeling klachten en verzoeken om handhaving Een substantieel deel van de handhavingscapaciteit bij de taakvelden “bouwen en milieu” wordt in beslag genomen door de behandeling van klachten van inwoners. Deze- maar ook overige klachten vloeien veelal voort uit conflicten tussen buren onderling en niet zo zeer door overige algemene vormen van overlast. Beleidsmatig betekent dit een directe relatie en efficiënte uitvoering tussen risico’s, prioriteiten, capaciteit en doelen. Praktisch gevolg daarvan is besloten om naast de verzoeken om handhaving alleen klachten op te pakken die betrekking hebben op veiligheid. Dit raakt zowel de taakuitvoering van de ODrU als die van Stadstoezicht, Provides en Stichting Pulse. Er wordt in toenemende mate samengewerkt met ketenpartners, zoals Provides, Stichting Pulse en Stadstoezicht om deze te betrekken bij klachten en woonoverlast. In deze nieuwe beleidsperiode moet hier nog verder in worden geïnvesteerd. De samenwerking is inmiddels bekend als “overleg zorg- en woonoverlast”. 8.4.4 Benoeming handhavingsprojecten De uitvoering van de handhaving wordt meer bepaald door input en minder door output. Met andere woorden, wat er in de maatschappij gebeurt wordt al dan niet ad hoc opgepakt in plaats van met een risicogerichte, programmatische sturing van toezicht en handhaving vanuit regelgeving en beleid. Dit valt niet te voorkomen maar door middel van het concreet benoemen van prioriteiten en projecten die binnen de beleidsperiode worden opgepakt kan (organisatorisch) efficiënter worden gehandeld. Hierbij zijn de risico’s die voortvloeien uit de risicomodule meer bepalend dan voorheen. Dit impliceert dat de ambtelijke capaciteit effectiever kan worden ingezet. 8.4.5 Investeren in regionale samenwerking In de afgelopen beleidsperiode is de samenwerking tussen de gemeenten binnen de regio ‘De Waarden’ en de ODrU en VRU geïntensiveerd. Zo is op initiatief van deze samenwerking een provinciaal overleg geïnitieerd. In dit overleg wordt provincie breed overlegd over nieuwe ontwikkelingen en worden de ‘VTH-cyclusdocumenten’ voorbereid en op elkaar afgestemd. Ambtelijke vertegenwoordigers uit Bunnik, Lopik, Oudewater, Utrecht en de ODrU vormen de ambtelijke kern- of voorbereidingsgroep. Het is wenselijk om bij de samenwerking met deze handhavingspartners vooral te investeren in concrete situaties of projecten. Onze gemeente gaat met ingang van 2020 ook actief participeren in deze voorbereidingsgroep. 8.4.6 Beleidsmatige afstemming en organisatorische inbedding beleid In het nieuwe VTH-beleid moet nog sterker de nadruk liggen op de integrale werkwijze. Met behoud van de functiescheiding moeten beleid, besluitvorming, toezicht en handhaving eenduidig zijn en blijven. Dit loopt vooruit op de doelstellingen van de Omgevingswet en geeft nader vorm aan de relatie tussen “vergunningverlening” en “toezicht en handhaving”. 8.4.7 Evaluatie beleidsdoelstellingen In het Integraal Handhavingsbeleid 2015-2018 zijn doelstellingen geformuleerd. Volgens de hoofddoelstelling is handhaving niet een opzichzelfstaand onderdeel, maar vormt het een belangrijk onderdeel van de publieke taak en is het onlosmakelijk verbonden met het vergunning- en melding stelsel binnen de Nederlandse wet- en regelgeving. Volgens artikel 21 van onze Grondwet: "De zorg van de overheid is gericht op de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu." Deze algemene doelstelling is vervolgens gespecificeerd en vertaald naar vier soorten doelstellingen: Inputdoelstellingen; Outputdoelstellingen; Kwaliteitsdoelstellingen; Naleefdoelstellingen. 8.5 Overige In de achterliggende periode heeft er door ontwikkelingen op het grensvlak van het bestuursrecht en strafrecht en (fysieke) leefomgeving en openbare orde en veiligheid een zekere verschuiving plaatsgevonden in het takenpakket. Er is meer samenwerking noodzakelijk tussen de diverse handhavingsinstanties, ook op lokaal niveau. Bijv. waar zaken rondom “handhaving” ook raakvlakken heeft met “ondermijning”. Dit wordt in de komende beleidsperiode verder uitgewerkt. 8.6 Samenvatting In de beleidsperiode 2015-2018 is, naar aanleiding van nieuwe wet- en regelgeving, voor het eerst echt ervaring opgedaan met beleidsmatig én integraal toezicht en handhaving. Uit de jaarverslagen en doelstellingen blijkt dat het leren en implementeren niet altijd met die snelheid is verwezenlijkt dan was voorgenomen. In de komende beleidsperiode zal dit proces, ook in regionaal verband, verder worden uitgewerkt. Bijlage9:Omgevingsanalyse gemeente IJsselstein Het doel van de omgevingsanalyse is om sturing te geven aan de inspanningen van het toezicht en de handhaving. De probleemanalyse vormt daarmee de basis voor het stellen van prioriteiten, het formuleren van doelstellingen en het uiteindelijk vaststellen van een uitvoeringsprogramma. 9.1 Algemeen De stad IJsselstein is een landelijke en groene gemeente, gelegen ten westen van de stad Utrecht. IJsselstein kent ruimt 34.000 inwoners en is bekend vanwege haar monumentale binnenstad en de mediatoren. Naast de vele monumenten kent IJsselstein ook veel, gezellige horecabedrijven en terrassen. Elke vrijdag is er een middag- en avondmarkt, die bezoekers vanuit ruime omstreken trekt. IJsselstein is Baroniestad en kent een rijke historie en mede daardoor talrijke gemeentelijke- en Rijksmonumenten. Ook archeologisch is het een belangrijke plaats, hetgeen vooral in de binnenstad tot uiting komt. Die binnenstad kent een beschermd stadsgezicht. Figuur 2: Kaart gemeente IJsselstein (Maps) Naast historie is de ligging van IJsselstein aan de A2 van groot belang, een tactische uitvalsbasis voor ondernemers. IJsselstein is ook Zenderstad, vanwege de aanwezigheid van de grootste mediatoren van ons land. Industrieel gezien is de stad, gelegen langs de Hollandse IJssel, bekend van de meubelindustrie. Ook al is die nu beperkt tot één bedrijf. De stad kent meerdere – kleine – industrieterreinen met een gevarieerd aanbod aan bedrijvigheid. Recent is een omvangrijk vleesverwerkend bedrijf gevestigd. In de nabije toekomst zal het nieuwe bedrijvenpark ‘De Kroon’ gerealiseerd worden direct gelegen aan de A2. 9.2 Specificatie per taakveld 9.2.1 Specificatie Milieu Binnen het bedrijvenbestand bevinden zich enkele grotere industriële bedrijven, waarvan één meer dan gemiddeld aandacht heeft in verband met aanhoudende geuroverlast. Medio 2020 zal dit probleem zijn opgelost, zo is de verwachting. In de gemeente is tevens één vuurwerkverkoop- en opslagpunt aanwezig, waarvoor de gemeente bevoegd gezag is. Er vindt in deze beleidsperiode een verschuiving plaats van bevoegd gezag (provincie naar gemeente) voor een aantal milieutaken, waaronder enkele bodemtaken. 9.2.2 Specificatie Bouwen en wonen & Ruimtelijke ordening In de gemeente IJsselstein worden jaarlijks ongeveer 200 omgevingsvergunningen aangevraagd. Het grootste gedeelte van de aangevraagde omgevingsvergunningen heeft betrekking op de activiteit “bouwen”. Verder zijn er aanvragen gedaan die betrekking hebben op sloop, monumenten/archeologie, aanleggen en overige activiteiten die vallen onder bouwen en wonen en ruimtelijke ordening. Tijdens de aankomende beleidsperiode is er sprake van de overgang naar de Omgevingswet. Hierdoor zal er een toename zijn van vergunningsvrij bouwen. Het aantal vergunningplichtige activiteiten zal afnemen. Momenteel is er ook sprake van de stikstof- en PFAS-problematiek, met gevolg dat er met name voor grote bouwprojecten er een extra aandachtspunt is voordat er gerealiseerd wordt. Toezicht en handhaving komt te vallen onder de “Wet kwaliteitsborging bouwen”. Dat betekent een volledig andere werkwijze voor het bouw- en gebruikstoezicht. 9.2.3 Specificatie Brandveiligheid (bouwwerken en evenementen) Het objectenbestand van onze gemeente, waarmee de VRU uitvoering geeft aan de taakuitvoeringsovereenkomst (TUO) bestaat uit objecten en evenementen met een verhoogd risico, zoals vergunning- en melding plichtige bouwwerken brandveilig gebruik, evenementen, gebruik brandbeveiligingsverordening en bouwwerken algemeen gebruik. Deze laatste categorie objecten bestaat voor een groot deel uit industriegebouwen welke opgenomen zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Het objectenbestand, waarvoor de gemeente als bevoegd gezag verantwoordelijk is, wordt continu geactualiseerd. Naast toezicht heeft het bestuur van de VRU gekozen voor een accent op gerichte communicatie over veiligheid, onder de noemer “Stimulerende Preventie”. Daarbij wordt actief en gericht gewerkt aan bewustwording over veiligheid, bieden van handelingsperspectief en uiteindelijk gedragsbeïnvloeding. Daarmee wordt beoogd incidenten te voorkomen en – als die plaatsvinden - minder slachtoffers en minder schade als gevolg te hebben. Deze preventieve activiteit sluit aan op de doelstelling uit de landelijke handhavingsstrategie, die in dit beleid is opgenomen. 9.2.4 Specificatie Openbare Ruimte Binnen het taakveld APV en bijzondere wetten wordt toezicht gehouden op verschillende terreinen. Voorbeelden hiervan zijn: controle (coördinatie) vóór en tijdens (grotere) evenementen; controle op het onjuist aanbieden en/of storten van afval in de openbare ruimte; controle op het onjuist plaatsen van objecten op en langs de openbare weg; controle op illegale reclame langs de openbare weg; controle op parkeerexcessen buiten de zone van betaald parkeren; controle op hondenoverlast. De gemeente is sedert 2013 verantwoordelijk voor de uitvoering van de Drank- en Horecawet. De burgemeester is daarin bevoegd gezag voor de vergunningverlening, het toezicht op de naleving en de handhaving van de wet- en regelgeving. Het ‘Preventie- en handhavingsplan Drank- en Horecawet’ is mei 2014 vastgesteld en de ‘Sanctiestrategie Drank- en Horecawet en horeca-exploitatie’ is van november 2013. 9.3 Cijfermatige onderbouwing prioriteiten 9.3.1 Methodiek risicomodule Voor het uitvoeren van de risicoanalyse is gebruik gemaakt van een methodiek die ontwikkeld is door de ANTEA Groep. Met behulp van de Risicomodule is het kwantitatieve deel van de probleemanalyse uitgevoerd. In het onderstaande figuur is de Risicomodule schematisch weergegeven. Centraal in de systematiek van de Risicomodule staat de formule: RISICO = KANS maal EFFECT. Deze formule is een internationaal geaccepteerde en veel gebruikte methode om een adequate inschatting te kunnen maken van de benodigde prioriteit van (onder andere) handhavingstaken. Het risico wordt berekend door de scores van het negatief effect te vermenigvuldigen met de kans op niet naleving. De volgende aspecten worden gescoord: Negatief effect: Hoe groot zijn de negatieve gevolgen als regels niet worden nageleefd; Kans op niet-naleving: Hoe groot is de kans dat een doelgroep de regels niet naleeft? De elementen [KANS] en [EFFECT] zijn opgebouwd uit allerlei thema's en variabelen. De thema's zijn standaard van toepassing op elk taakveld, de variabelen binnen een thema zijn per taakveld verschillend. De thema’s die de negatieve effecten omvatten zijn: Fysieke veiligheid (o.a. gevaar indicatie VNG, opslag en gebruik gevaarlijke stoffen); Hinder & leefbaarheid (hinder als gevolg van geur, geluid, licht, stof en verkeer); Duurzaamheid (bodem, water, afval, verbruik van gas en elektra); Volksgezondheid (gebruik toxische stoffen, locatie met asbest, emissie naar lucht). De thema’s die de kans op niet-naleving omvatten zijn: Attitude (politieke gevoeligheid, klachten, houding & gedrag); Nalevingstabel (spontane naleving van gedragsregels); Ervaringscijfers (naleving tijdens toezicht in afgelopen drie jaar). Aan de variabelen zijn scores toegekend die uitdrukking geven aan het risico van een bepaalde taak of object. Op basis van een automatisch rekenmodel komt de totaalscore tot stand. De risico's (conceptprioriteiten) die op basis van de risicomodule zijn bepaald, zijn voorgelegd aan de medewerkers van de gemeente resp. ODRU en VRU naar taakveld. Hierbij zijn de onderlinge wegingen aangepast op de praktijksituatie in IJsselstein. Alle criteria kunnen zwaarder of lichter gewogen worden. Dit hangt af van de aanwezigheid van gegevens. Wat je niet weet, kun je ook niet beoordelen. De risicomodule wordt om die reden periodiek geëvalueerd en aangepast. Deze totaalscore bepaalt in feite de prioriteit. Voor de VRU-taken is ook van het Prevap-model gebruik gemaakt. De risicomodule is uitgevoerd voor de taakvelden milieu, ruimtelijke ordening, bouwen, bestaande bouw (gebiedstoezicht), brandveiligheid, APV en bijzondere wetgeving. Per taakveld is de methodiek gevuld met de specifieke gegevens van IJsselstein. Ieder taakveld heeft zodoende eigen prioriteiten. Per risicoanalyse zijn de prioriteiten bepaald. Dat wil niet zeggen dat de hoogste prioriteiten per taakveld automatisch de hoogste prioriteit krijgen in de integrale prioritering. 9.3.2 Indeling prioriteiten In de risicomodule krijgen objecten of taken een kleur toegekend op basis van hun eindscore. Hoe groter de score, des te groter het risico. De prioriteitenstelling uit de risicomodule moet richting geven aan de inzet van mensen, middelen, de frequenties van toezicht en handhaving en de aspecten waarop tijdens het toezicht wordt gelet. De prioriteitenstelling wil zeggen dat overal aandacht aan wordt besteed, alleen met een verschillende handhavingsinzet. Klachten en verzoeken om handhaving worden eveneens getoetst aan dit beleid, hetgeen kan inhouden dat aan laag-prioritaire zaken niet direct aandacht wordt geschonken. Uiteraard wordt dit wel met de klager gecommuniceerd. In de risicomodule worden vijf kleuren gebruikt: rood, oranje, geel, lichtgroen en donkergroen. De kleur bepaalt welke inzet gepleegd wordt op dat object of die taak. Hieronder een korte omschrijving wat betreft inzet en behandeling per kleur. De weging voor APV-taken is gebaseerd op bevindingen uit de voorbije jaren en dus volledig gebaseerd op de werkelijke situatie. Categorie Omschrijving Rood = Zeer groot risico Oranje = Groot risico - Structurele toekenning van een volledige capaciteit. - Toezicht op en handhaving van overtredingen: proactief beleid Geel = Beperkt risico - Inzet van een gemiddelde capaciteit. - Toezicht en handhaving projectmatig, gebieds- en steekproefsgewijs. - Nader onderzoek naar oorzaak overtredingen. Lichtgroen = Klein risico Donkergroen = Zeer klein risico - Inzet van een zeer beperkte capaciteit. - Registreren en analyseren van incidenten. Verder een gerichte inzet van de capaciteit op effecten in naleefgedrag met als doel het vergroten van de voorbeeldfunctie (bijv. door vooraankondigingen controles in media en publicatie van uitgevoerde controle- en handhavingsacties). - Altijd controle indien er sprake is van een cluster van incidenten. 9.3.3 Bestuurlijke prioriteiten De uitwerking van de bestuurlijke prioriteiten is terug te zien in het overzicht uit de risicomodule. Omwille van de dynamiek van een risicomodule zijn deze vormgegeven als addenda in het handhavingsbeleid. Op basis van de jaarlijkse evaluatie kan de risicoanalyse, en daarmee ook de prioriteitsstelling aangepast worden vastgesteld. De risicomodule is opgenomen in bijlage 12. Bijlage10:Toelichting risicoanalyse en prioritering 10.1 Inhoud Risicomodule De Risicomodule geeft inzicht in risico’s met betrekking tot effecten en naleefgedrag. De volgende criteria zijn in de modules opgenomen: APV Fysieke veiligheid / Hinder/ Leefbaarheid aantal personen aanwezig aanwezigheid van (tijdelijke) bouwwerken of attracties aanwezigheid gevaarlijke stoffen bereikbaarheid en ontvluchting verspreiding van afval(stoffen) veroorzaken van geluidhinder veroorzaken van geurhinder verkeer aantrekkende werking verstoring natuurwaarden veroorzaken zwerfafval Volksgezondheid gebruik/aanwezigheid verdovende middelen drankgebruik Bouw- en woningtoezicht Fysieke veiligheid / Hinder/ Leefbaarheid aantal personen aanwezig complexiteit van de constructie wijziging in gebruik en/of functie vrijkomen gevaarlijke stoffen bij sloop impact op de beeldkwaliteit verloedering en sociale onveiligheid afval en verstoring gevolgen openbare orde/veiligheid/gezondheid monumentale waarde brandveiligheid bekendheid gebouwen gevaarlijke stoffen in het kader van brand gevaar voor belendingen (brandoverslag) Duurzaamheid duurzaamheid materiaalgebruik levensduur gebouw energie- en waterverbruik hoeveelheid bedrijfsafval hoeveelheid gevaarlijk afval Volksgezondheid gevaarlijke stoffen bij sloop (asbest) toegankelijkheid/bereikbaarheid ventilatie daglicht slaapfunctie vervuilde grond (PFAS) Milieu Fysieke veiligheid / Hinder/ Leefbaarheid gevaarindicatie VNG bevi-inrichting: ja of nee? opslag en gebruik gevaarlijke stoffen risicoregistratie RIVM (RRGS) ja of nee? geluidsafstanden/-belasting geurafstanden stofproductie (luchtkwaliteit) lichthinder/ visuele hinder verkeer aantrekkende werking Duurzaamheid aantasting woongenot/leefbaarheid verstoring natuurwaarden veroorzaken zwerfafval Volksgezondheid gebruik en opslag toxische stoffen locatie met asbest ja of nee emissie naar lucht vervuilde grond (PFAS) Ruimtelijke ordening Fysieke veiligheid / Hinder/ Leefbaarheid opslag gevaarlijke stoffen veiligheid constructie brandveiligheid gebouw bereikbaarheid aantasting leefomgeving (beeldkwaliteit) verloedering overlast illegale bewoners/gebruiker aantasten woongenot toename parkeerdruk/verkeer aantrekkende werking invloed milieucontour Duurzaamheid toename bouwwerken/verhard oppervlak afname oppervlakte aan water schade aan waardevol gebied Volksgezondheid ligging binnen zonering gezondheidsrisico’s algemeen Naleving Attitude, per taakveld ingevuld: politieke gevoeligheid fraudegevoeligheid klachten interne organisatie Tafel van Elf, per taakveld ingevuld: kennis van regels kosten/baten (kosten vergunning in relatie tot voordeel overtreding) mate van acceptatie van regels normgetrouwheid doelgroep informele controle (kans op controle door niet-overheid) informele meldingskans (kans op melding of klacht door derde) controlekans (kans op controle door overheid) detectiekans (kans op constatering overtreding tijdens controle) selectiviteit (kans op thematische controle) sanctiekans (kans op sanctie na constatering overtreding) sanctie-ernst Ervaringscijfers, per taakveld ingevuld: naleefpercentage ernst van de overtreding snelheid herstelsanctie aantal opgelegde dwangsommen Alle criteria kunnen zwaarder of lichter gewogen worden. Dit hangt af van de aanwezigheid van gegevens. Wat je niet weet, kun je ook niet beoordelen. De risicomodule wordt om die reden periodiek geëvalueerd en aangepast. De volledige lijst met resultaten van de risicoanalyse zijn per taakveld weergegeven. De risico’s zijn ingedeeld in vijf categorieën, van zeer groot tot klein risico. De risicomodules van de vier taakvelden zijn per taakveld gerangschikt naar prioriteit. Hoe interpreteer je zo’n risicoanalyse? Het betekent niet: categorie V pakken we op, categorie III wegen we eerst af en categorie I doen we niets mee. Er zal altijd een inhoudelijke afweging gemaakt worden. De risicomodule geeft slechts aan waar de risico’s die gepaard gaan met een overtreding het grootst zijn, en waar de kans op een overtreding het grootst is. Daaruit kun je afleiden waar toezicht het meest nodig is, en hoe je handhavend optreden moet (/kan) inrichten. Met andere woorden: tegen een overtreding in categorie I zal sneller, ‘harder’ en daadkrachtiger worden opgetreden dan een overtreding in categorie III of IV. Ook hier geldt dat dit in beginsel zo is, maar dat na een belangenafweging de praktijk altijd anders kan zijn. Het kan dus zo zijn dat een bepaalde inrichting één keer in de tien jaar wordt gecontroleerd, maar dat tegen een overtreding fors wordt opgetreden. Het kan ook andersom: er wordt op een perceel ergens twee keer per jaar gecontroleerd maar treedt niet op tegen een overtreding elders. De risicoanalyse heeft dus invloed op zowel preventief als repressief handhaven. De preventieve aspecten worden enerzijds vertaald in een toezichtsprotocol omtrent het controleren van vergunde activiteiten, anderzijds in een perceels (-of inrichtingsgewijs) controleprogramma over meerdere jaren. Voor gevallen in de categorie II t/m V geldt dat er ook projectmatig kan worden opgetreden. Dit kan het geval zijn als blijkt dat er grote aantallen van bepaalde overtredingen worden vermoed of geconstateerd, gewijzigde inzichten, jurisprudentie of wetgeving daartoe noopt of wanneer dit een efficiencyvoordeel oplevert. Een verdere verfijning van prioriteiten is altijd maatwerk en niet effectief om van tevoren in een prioriteitsstelling vast te leggen. 10.2 Toelichting prioritering Per risicoanalyse zijn de prioriteiten bepaald. Dat wil niet zeggen dat de hoogste prioriteiten per taakveld automatisch de hoogste prioriteit krijgen in de integrale prioritering. De verschillende prioriteiten zijn naast elkaar gelegd en ten opzichte van elkaar nogmaals beoordeeld en ingedeeld door de vakspecialisten. Bijlage11:Uitleg/ toelichting ‘Tafel van Elf’ 11.1 Naleving in dimensies De Tafel van Elf is een samenhangende opsomming van dimensies die bepalend zijn voor de naleving van regelgeving. De Tafel van Elf is ontstaan vanuit de praktische behoefte om inzicht te krijgen in de factoren die de gehoorzaamheid van mensen aan regelgeving bepalen en de invloed die rechtshandhaving daarop heeft. De basis wordt gevormd door een combinatie van in de literatuur voorkomende sociaal-psychologische, sociologische en criminologische theorieën, aangevuld met algemene inzichten en praktijkervaringen op het terrein van de rechtshandhaving. De dimensies van de Tafel van Elf moeten worden beschouwd als gedragswetenschappelijke variabelen die nalevingsgedrag beïnvloeden. Door ze systematisch na te lopen, vormen ze een hulpmiddel voor de wetgever om te komen tot naleefbare wetgeving. 11.2 De Tafel van Elf als wetgevingsinstrument De Tafel van Elf kan toegepast worden als ondersteunende checklist bij de totstandkoming van wetgeving. Dit geldt temeer wanneer het gedrag van mensen bijdraagt aan te bereiken beleidsdoelen. De Tafel van Elf is dan ook van toepassing op een groot deel van de beleidsinstrumentele wetgeving en ook op enkele delen van het strafrecht. De Tafel van Elf is hiermee een hulpmiddel bij de totstandkoming van wetgeving. In het kader van het project Marktwerking Deregulering en Wetgevingskwaliteit (MDW) wordt de Tafel van Elf bij het onderdeel ‘toetsing van voorgenomen regelgeving’ aangeboden als checklist om een aantal vragen te beantwoorden die betrekking hebben op de verwachte mate van naleving van de (toekomstige) wetgeving. Deze vragen moeten beantwoord worden in de toelichting bij de regeling (in geval van een wet respectievelijk AMvB aangeduid als memorie of nota van toelichting). Het doel ervan is om inzichtelijk te maken wat de verschillende (neven-)effecten zijn van de voorgestelde regelgeving. Een goede, heldere toelichting op de verwachte mate van naleving verhoogt bovendien de kwaliteit van een wetsvoorstel. Aan de hand van de Tafel van Elf worden hierna aanwijzingen gegeven over hoe een toelichting ten aanzien van deze aspecten op te bouwen. Er wordt verder op gewezen dat er meerdere instrumenten voor de wetgever beschikbaar zijn zoals bijvoorbeeld de ‘ketenbenadering’ van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu en de ‘Aanwijzingen voor de Regelgeving’ van de Directie Wetgeving van het Ministerie van Justitie. Deze uitleg handelt alleen over de Tafel van Elf. De Tafel van Elf is ontwikkeld door de Inspectie voor de Rechtshandhaving van het Ministerie van Veiligheid en het Sanders Instituut van de Erasmus Universiteit Rotterdam. 11.3 Inhoud Tafel van Elf Dimensies voor spontane naleving T1 Kennis van regels T2 Kosten/baten T3 Mate van acceptatie T4 Gezagsgetrouwheid doelgroep T5 Informele controle Controle dimensies T6 Informele meldingskans T7 Controlekans T8 Detectiekans T9 Selectiviteit Sanctie dimensies T10 Sanctiekans T11 Sanctie-ernst Op de volgende pagina’s worden deze elf ‘tafels’ verder uitgewerkt en toegelicht. Met de toepassing van de Tafel van Elf is rekening gehouden bij de opbouw van de landelijke handhavingsstrategie. Dimensies van spontane naleving 1. kennis van regels Soms is de regelgeving vaag of complex. Het wordt niet begrepen door de doelgroep. Hier prevaleert communicatie boven sanctioneren 2. kosten en baten Hier is calculerend gedrag aan de orde: is een overtreding lonend? Hier past sanctioneren en communiceren, maar dan als ‘naming and shaming’ 3. mate van acceptatie Wordt het beleid door de doelgroep (burger of bedrijf) onderschreven? Betrek belangengroepen bij de formulering van het beleid. 4. normgetrouwheid doelgroep Het gaat hier om respect en vertrouwen. Een moeilijk te beïnvloeden dimensie, waarbij rekening moet worden gehouden met een sterke individualisering van de maatschappij 5. niet-overheidscontrole De door de doelgroep ingeschatte kans op een positieve- of juist een negatieve sanctionering van hun gedrag. In deze categorie bevindt zich de bewuste overtreder met een calculerend gedrag. Handhavingsdimensies 6. meldingskans De door de doelgroep ingeschatte kans dat een overtreder door een derde wordt gemeld (het verzoek om handhaving of klacht) en dat er vervolgens door de overheid daadwerkelijk wordt opgetreden 7. controlekans De kans dat daadwerkelijk wordt gecontroleerd wordt ingeschat door de doelgroep. Als de overheid “bekend staat” als één, die nauwelijks controleert of sanctioneert dan geeft dat aan het begaan van overtredingen een onjuiste impuls. Handhavingsbeleid moet stellig zijn en uitvoeringsresultaat laten zien. Communicatie van handhavingsresultaat werkt in die zin weer preventief 8. detectiekans Als er wordt gecontroleerd, dan kan niet altijd alles worden waargenomen. In controlerapporten gaan wij altijd uit “van het moment van de controle, voor zover wij hebben kunnen vaststellen”. Die laatste zin staat symbool voor de detectiekans, dikwijls behorend bij de calculerende overtreder 9. selectiviteit Bij dit item behoort het uitvoeren van toezicht op basis van een naleefstrategie, waarbij recidivisten nadrukkelijker en frequenter worden gecontroleerd. De categorie “bewuste overtreders” calculeren de pakkans al in bij de dimensies controlekans respectievelijk detectiekans 10. sanctiekans In deze categorie zit het bewuste calculerende gedrag van een potentiële overtreder. De overheid kan na constatering van overtredingen sancties opleggen. Dit gebeurt echter niet altijd. Dit hangt af van zaken als het sepotbeleid, de bewijsbaarheid van overtredingen en het eventuele gedoogbeleid. Daardoor is het relevant te beoordelen in hoeverre de doelgroep verwacht straf te krijgen voor bepaalde overtredingen, ofwel naar de gepercipieerde sanctiekans. 11. sanctie-ernst De hoogte van een sanctie heeft direct te maken met de hoogte van een dwangsom en/of de impact van bestuursdwang respectievelijk de gevolgen van een proces-verbaal. Ook kosten gerechtelijke kosten kunnen een rol spelen. Het proces van sanctieoplegging kan ook bijkomende, immateriële nadelen hebben zoals het verlies van reputatie. De hoogte en ernst van de verschillende soorten sancties zal niet op alle doelgroepen dezelfde impact hebben. De snelheid en zekerheid van sanctieoplegging kan die impact vergroten, bijv. via het beleid van lik-op-stuk. Bijlage12:Risicoanalyse van de taakvelden APV, bestaand gebruik, milieu, bouwen, RO en brandveiligheid 12.1 Risicogericht en integraal In beginsel zijn wij verplicht de naleving van alle wet- en regelgeving te bevorderen. Omdat er veel regelgeving is en niet alles even belangrijk of risicovol is, worden er via omgevings-, probleem- en risicoanalyses prioriteiten voorgesteld om deze met voorrang op te pakken. Wij zijn ook verplicht volgens de wet VTH 1 Hoofdstuk 5 Wabo en hoofdstuk 7 Bor om een probleem- en risicoanalyse op te stellen. In deze wet staat namelijk: “het VTH-beleid gebaseerd dient te zijn op een analyse van de problemen die zich kunnen voordoen met betrekking tot de naleving van regelgeving”. Verder staat daarin dat de analyse “inzicht geeft in de gevolgen voor de fysieke leefomgeving van overtredingen en de kansen dat overtredingen zullen plaatsvinden”. Met de risicoanalyse proberen wij de beperkte capaciteit daar in te zetten waar de prioriteiten het hoogst zijn. Deze keuzes werken we uit in onze jaarlijkse uitvoeringsprogramma’s. Op basis van dit nieuwe VTH beleid is dat voor het eerst in het VTH programma 2020. 12.1.1 Wat is een “risicoanalyse” Kort gezegd is een risicoanalyse een overzicht van bekende of mogelijke risico’s die de omgeving van de gemeente in brede zin kunnen beïnvloeden. Een risicoanalyse is een methode waarbij nader benoemde risico's worden bepaald door het combineren van de kans dat een dreiging (op deze thema’
  3. s)zich voordoet en de gevolgen daarvan. Een wat technische benadering: risico= kans (naleefbeeld, overtredingenbeeld) x gevolg. In deze benadering is ook het naleefbeeld voor de verschillende taakvelden van de gemeente in kaart gebracht. Risicoanalyses worden voor veel beleidsterreinen opgezet vanuit een fasering waarin als eerste stap de wettelijke taken van het bevoegd gezag op een rijtje worden gezet en in dezelfde stap wordt ingegaan op het geografisch (werk)gebied en de specifieke kenmerken van dat gebied. Vervolgens wordt ingegaan op: Een beknopte probleemanalyse “vergunningverlening” De (bekende of veronderstelde) maatschappelijke problemen/overtredingsoorten in het betreffende taakveld, de oorzaak daarvan, de ernst van de problemen Het voorstel waarop de komende periode inzet gepleegd wordt. In schema: het proces van omgevings-, probleem- en risicoanalyse in drie fasen Risicoanalyses kunnen in hoofdzaak op twee manieren worden uitgevoerd: 12.1.1.1 Kwantitatieve methode De risico's worden gekwantificeerd via onderzoek, beleidsevaluatie, expertmeetings en in meetbare criteria weergegeven. Dit vergt nauwkeurig onderzoek en gedetailleerde registratie op naleefcriteria gedurende lange tijd. Voor het eerst zijn deze per taakveld in het vorige VTH beleid opgesteld, het zogenaamde “Antea model”. Die analyse en methodiek vormt nog steeds het fundament voor de bepaling van de prioriteiten voor de komende periode. 12.1.1.2 Kwalitatieve methode Er worden op basis van ervaringen van medewerkers en andere bronnen bekende en mogelijke risico’s geanalyseerd en geformuleerd. Deze methode is toegepast in de actualisatie van de risicoanalyse van 2016-2018 en weergegeven in de tabel Top tien per taakveld. In de geactualiseerde analyse is als methodiek gekozen voor de kwalitatieve methode per taakveld, dat wil zeggen dat vooral ingegaan wordt op het taakveld en de voorgestelde prioriteiten. Hierbij is gebruik gemaakt van wat de medewerkers van de gemeente en de ODRU voor de komende periode nodig vinden op basis van de resultaten van de afgelopen jaren en overige bronnen (bijvoorbeeld jaarverslagen). Deze methodiek hanteert de gemeente voor alle taakvelden. Deze risicoanalyse is te vinden in 12.3 Kwalitatieve risicoanalyse Antea
(2016). 12.1.1.3 Wat leverde de geactualiseerde analyse op? We kregen een actueel inzicht in de ontwikkelingen, problemen en risico’s in onze gemeente. De prioriteiten die we eerder vaststelden blijken op basis van het risico, met enkele aanpassingen, ook voor de komende periode voorrang in het werk te moeten krijgen. 12.1.1.4 Vergunningverlening en risicobepaling De vergunningenstrategie en de risicoanalyse voor dit taakveld is nieuw ten opzichte van het vorige beleid. Bij het verlenen van nieuwe vergunningen vindt risicobepaling en prioriteitenstelling plaats aan de hand van de strategie voor vergunningverlening bij nieuwe aanvragen en het actualiseringsbeleid voor bestaande milieuvergunningen. Bij het bepalen van de risico’s bij nieuwe beschikkingen of revisievergunningen houden wij rekening met de complexiteit en aard van de vergunningen. Bij aanvragen willen wij komen tot een goed bij de omgeving passend kader voor de aangevraagde activiteiten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen: omvang en aard van aangevraagde activiteiten; de specifieke omgeving waar die activiteiten worden uitgevoerd; beoordeling van de aanvrager op naleefgedrag en integriteit (Bibob). met als resultaat een beschikking op maat, passend in de omgeving. NB: Op basis van de Wet Bibob heeft de gemeente Bibob-beleid vastgesteld. Toepassing van dit beleid vindt plaats middels vergunningverlening en toezicht/handhaving bij inrichtingen waarvoor de gemeente bevoegd gezag is op grond van de Wabo. Jaarlijks wordt in het VTH- programma (als basis voor de opdracht aan de ODRU) ook ingegaan op de actualisering van met name milieuvergunningen, met als resultaat een overzicht van aantal, volgorde en prioritering van de actualisaties en de benodigde capaciteit die voor de actualisatie vereist is. Een actueel vergunningenbestand (milieu) draagt namelijk bij aan het verlagen van de milieudruk en verbetering van naleefgedrag. Een actuele milieuvergunning met daarin verwerkt de laatste stand der techniek en kennis is beter toetsbaar en handhaafbaar. Voor het actueel houden van het vergunningenbestand milieu heeft de gemeente het volgende beleid: Het vergunningenbestand milieu wordt in de actualisatietoets specifiek beoordeeld op: Is er sprake van nieuwe wet- en regelgeving waardoor vergunningen binnen een in die wet gestelde termijn aanpassing behoeven? Vergunningendossiers van tien jaar oud worden getoetst op inhoud, actualiteit van de voorschriften en overzichtelijkheid. 12.1.1.5 Toezicht en handhaving en risicobepaling Met betrekking tot de prioriteiten uit de vorige beleidsperiode (Antea model) worden geen grote wijzigingen voorgesteld. De beschikbaar gekomen resultaten uit voorgaande jaren gaven geen aanleiding tot grote wijzigingen. Ook de jaarverslagen en de beleidsevaluatie van de ODRU bevatten geen aanleiding tot grote veranderingen in de prioriteitenlijst. De volgende prioriteiten worden toegevoegd: Corona impact: “gezondheid” i.c.m. horeca, koppeling aan APV toezicht, terrassen en brandveiligheidstoezicht dit aspect meenemen; Brandveiligheid: de risicoanalyse is vooral gericht op bouwwerken waar mensen verblijven. De afgelopen jaren is gebleken dat bij afvalbedrijven en veehouderijen het vaakst brand is dus preventief toezicht bij die bedrijven is op zijn plaats. (wetgeving: Bouwbesluit en bij gevaarlijk afval aanvullend milieuvoorschriften ter preventie van brand i.c.m toezicht op noodplannen etc.); Duurzaamheid: rijks- en gemeentelijke prioriteit bij de prioriteiten bouw- gebruik en milieu. Het collega heeft duurzaamheid als belangrijk punt benoemd. Het is dan ook logisch dat dit onderwerp in de komende VTH-plannen een belangrijke rol speelt. Een aanvraag voor een omgevingsvergunning moet vanaf 1 januari 2020 voldoen aan de eisen voor bijna energie-neutrale gebouwen (BENG). Dit geldt voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw. Utiliteitsbouw is bijvoorbeeld een kantoor, of een grote school of zorginstelling. Voor nieuwe overheidsgebouwen geldt een eerdere datum: 1 januari 2019 omdat de overheid een voorbeeldrol heeft. 12.1.1.6 Toelichting Gasloos bouwen Nieuwe woningen krijgen in principe geen gasaansluiting meer. Dit heeft het kabinet besloten en geldt voor bouwaanvragen die na 1 juli 2018 zijn gedaan. Deze maatregel staat in de Wet voortgang energietransitie. Het Bouwbesluit 2012 is ook hierop aangepast. In het Bouwbesluit (en straks het Besluit bouwwerken leefomgeving) staan de eisen waaraan alle bouwwerken moeten voldoen. 12.1.1.7 Toelichting Toezicht energie bedrijven Elk bedrijf (inrichting) is verplicht om energiebesparende maatregelen, te nemen die een maximale terugverdientijd hebben van 5 jaar. Dit staat in het Activiteitenbesluit. Als alle maatregelen genomen zijn, wordt het volgende per inrichting ca. bespaard: 10% (10.000 m³) gas en; 15% (75.000 kWh). NB: Bij vergunningbedrijven staan energievoorschriften in de omgevingsvergunning milieu. 12.1.18 Prioriteiten per taakveld In de risicoanalyse van Antea Group wordt er gesproken over een vijftal risico klassen, van zeer klein risico (donker groen) tot zeer groot risico (rood). In de nieuwe top 10 prioriteiten is daar van afgeweken en wordt er enkel gesproken over groot risico (rood) en middelgroot risico (oranje). In de tabel op de volgende pagina is de ‘nieuwe’ top 10 prioriteiten per taakveld in te zien. Hierin heeft er een kleine verschuiving plaatsgevonden t.o.v. de eerdere prioritering uit 2016-2018 die op de achtergrond blijft gelden. Zo hebben we de afgelopen jaren geen grote ontwikkelingen in onze gemeente gehad dat er nieuwe risico’s zijn ontstaan. Wel hebben we de afgelopen jaren gezamenlijk, als gemeente en raad, nieuwe ambities vastgesteld, met als gevolg dat er een kleine verschuiving van focus heeft plaatsgevonden. De twee onderdelen die van kleur zijn veranderd zijn: Illegale bouw wonen Cat. III > € 1.000.000 (grote wooncomplexen/seriematige woningbouw) Van oranje naar rood; Reden hiervoor is dat we in onze woonvisie hebben gesteld 2500 woningen te realiseren. Hiermee is de kans groter geworden de komende jaren dat er in deze categorie gebouwd zal gaan worden – en is het risico ook groter. Om die reden is het van belang om hier strakker toezicht op te houden. Vergunning drank- en horecawet Van oranje naar rood; Met een score van 34,7 (vanaf 35 rood) in de eerdere risicoanalyse uit 2016, is deze afgerond naar boven toe en heeft daarmee een groot risico klasse toegekend gekregen. Tabel: risicoanalyse - Top 10 prioriteiten per taakveld 12.1.2 Samenvatting risicomodule APV / Bijzondere wetten - Stadstoezicht Een risicoanalyse voor de taken, die zijn ondergebracht bij Stadstoezicht is niet wettelijk verplicht, zoals dat wel is voorgeschreven bij het bouw- en milieutoezicht. Er is ook een duidelijk verschil in de aard van de werkzaamheden. In de tabel: risicoanalyse - 10 prioriteiten per taakveld is de top 10 van grootste risico’s te vinden. Daarnaast is er een overzicht gemaakt van alle taken die worden uitgevoerd door stadstoezicht. Stadstoezicht is vrijwel uitsluitend actief in het domein van de openbare orde en veiligheid, terwijl het overig toezicht zich bevindt in de gebouwde omgeving van de fysieke leefomgeving. Omwille van de integraliteit is echter het taakveld van Stadstoezicht wel (zij het beperkt) opgenomen in dit VTH-beleid. Het takenpakket is samengesteld op basis van bestuurlijke prioriteiten en signalen uit de bevolking. Die zijn samengevat in het eerder vastgestelde handhavingsuitvoeringsprogramma. Onderstaand zijn deze taken weergegeven: Aandachtspunt: Voorkomende overtreding(en) / activiteiten ter handhaving: APV (waar onder evenementen) - er worden goederen gestald op een weg - standplaatsen - vergunningen standplaatsen - vergunning inzameling geld of goederen - er wordt geluidshinder veroorzaakt - er is gekapt zonder vergunning of melding - het houden van een betoging zonder vergunning - niet naleven voorschriften van vergunning voor demonstratie - exploitatievergunning - draaiorgel - vergunning bruikbaarheid van de weg artikel 2:10 APV - straatartiest - venten - spandoek plaatsen - ontheffing vuur stoken - evenementen categorie A - evenementen categorie B - evenementen categorie C - kermis organiseren - openbare manifestaties - autocross - snuffelmarkt - ontheffing kampeerterrein - Afsteken (professioneel) vuurwerk - uitstalling exploiteren - aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg - In- en uitrit 2:12 APV - stankoverlast - tijdelijke gebruiksvergunning - verwijzingsborden, ontheffing DHW - er wordt alcohol verstrekt aan 18- - vergunning niet actueel - geen SVH diploma - leidinggevende niet op vergunning - ontbreken exploitatievergunning - niet naleven schenktijden - niet naleven sluitingstijden - omgeving wordt niet schoon gehouden - geen klachtenlijn Horeca - er wordt een Besloten Partij (BPA) gehouden waar dat niet mag - verkeerde medewerker heeft bardienst - ontbreken barinstructie voor medewerker - vergunning, melding is niet in orde - 1x/4jr basiscontrole bij drankverstrekkers - Regionale samenwerking in toezicht en handhaving DHW Markt (toezicht) - toezicht (Zwerf)afval - inzamelen afval zonder vergunning - dumpingen afval klein (verkeerd aanbieden huisvuil) - dumpingen grofvuil Parkeeroverlast - lang parkeren grote voertuigen (caravans e.d.) - parkeren vrachtauto's in woongebied - parkeerexcessen (Mulderfeiten) - parkeren grote voertuigen/uitzicht belemmerende voertuigen - parkeren van voertuigen van een autobedrijf e.d. - parkeren kampeermiddelen - parkeren van reclamevoertuigen - controle parkeervergunningen afdeling II Parkeerverordening IJsselstein 2018 - controle verbodsbepalingen afdeling III Parkeerverordening IJsselstein 2018 Wrakken - Autowrakken - Fietswrakken Jeugdoverlast - overlast van hangjongeren Hondenoverlast - honden lopen los waar dat niet is toegestaan - verontreiniging van honden - gevaarlijke honden (op advies van politie) - houden van hinderlijke en schadelijke dieren Reclame - reclamemateriaal verspreiden - reclame tijdelijk in de openbare ruimte - plaatsen van voorwerpen op of aan de weg i.s.m. publieke functie (niet tijdelijke reclame) Terrassen - terras exploiteren Integraal surveillance - snoeproute middelbare scholen - slooproute horeca - overlast van fietsen en bromfietsen - fiets en voetgangersgebied - assistentie hulpdiensten - ongeluk, afzetting, tram overgang, auto vast, etc. - burenruzies - assisteren sluiten (drugs)panden Digitaal opkoop register (DOR) - vrijstelling met betrekking tot het verkoopregister Basisregistratie personen (BRP) controles - controle (i.s.m. politie, brandweer en ODrU) Administratie - dagrapportage - proces-verbaal - aannemen/-horen klachten - evaluatie - terugkoppeling klachten Nieuwe taken vanaf 2020: - cameratoezicht - (meer) weekenddiensten De bestaande formatie wordt in deze beleidsperiode uitgebreid met één formatieplaats, specifiek voor het voeren van cameratoezicht. Onderzocht wordt in hoeverre ook de taken van parkeerservice binnen ons Stadstoezicht kunnen worden opgenomen. De werkzaamheden van onze buitengewoon opsporingsambtenaren zijn zodanig binnen het team verdeeld dat er geen solo-functies zijn. Surveillances zijn ook dikwijls in koppels in verband met de veiligheid, zeker in de avond- en nachturen. In deze beleidsperiode wordt de inzet van Stadstoezicht aangepast aan de actuele behoefte, gebaseerd op de ervaringen van de voorbije jaren. Dat wordt vervolgens geborgd in een nieuw handhavingsuitvoeringsprogramma. Samenwerking met ketenpartners zal steeds op effectiviteit worden bezien. 12.2 Probleemanalyse en prioriteiten (2016-2018) De opgestelde risicoanalyse en prioritering borduurt voort op de risicoanalyse en prioritering van het eerdere handhavingsbeleid uit 2016-
  1. Voor de volledigheid is de destijds opgestelde risicoanalyse en de prioriteit in dit VTH-beleid opgenomen. Wettelijk kader: Besluit omgevingsrecht Artikel 7.2 Handhavingsbeleid
  2. Het handhavingsbeleid is gebaseerd op een analyse van de problemen die zich naar het oordeel van het bestuursorgaan kunnen voordoen met betrekking tot de naleving van het bij of krachtens de betrokken wetten bepaalde in de gevallen waarin de zorg voor de handhaving daarvan aan hem is opgedragen.
  3. Het handhavingsbeleid geeft inzicht in: a. de prioriteitenstelling met betrekking tot de uitvoering van de krachtens het eerste lid voorgenomen activiteiten; b. de methodiek die het bestuursorgaan hanteert om te bepalen of de krachtens het eerste lid gestelde doelen worden bereikt. Het doel van de probleemanalyse is om sturing te geven aan de inspanningen van het toezicht en de handhaving. De probleemanalyse vormt daarmee de basis voor het stellen van prioriteiten, het formuleren van doelstellingen en het uiteindelijk vaststellen van een uitvoeringsprogramma. De probleemanalyse bestaat uit een omgevingsanalyse (beschrijvend gedeelte) en een risicoanalyse (cijfermatig gedeelte). 12.2.1 Wettelijk kader toezicht en handhaving De verantwoordelijkheid voor toezicht vloeit voort uit wettelijke verplichtingen, zoals bijvoorbeeld artikel 5.2 lid 1 Wabo en artikel 125 Gemeentewet. In de jurisprudentie is een ontwikkeling naar de plicht tot handhaving te bespeuren, met name wanneer derden de overheid vragen op te treden. De handhavingsplicht wordt als het ware geactiveerd door een handhavingsverzoek van een derde-belanghebbende. Alleen indien of de mogelijkheid bestaat tot legalisering, of er sprake is van bijzondere omstandigheden, zou van handhaving mogen worden afgezien. De zorg voor de naleving valt uiteen in twee deeltaken, namelijk toezicht en handhaving. 12.2.2 Gebiedsbeschrijving IJsselstein 12.2.2.1 Historie De stad IJsselstein is een landelijke en groene gemeente, gelegen ten westen van de stad Utrecht. IJsselstein is bekend van de monumentale binnenstad en de mediatoren. De monumentale binnenstad van IJsselstein is tot beschermd stadsgezicht aangewezen. Naast de vele monumenten kent IJsselstein ook veel, gezellige horecabedrijven en terrassen. Elke vrijdag is er een middag- en avondmarkt, die bezoekers vanuit ruime omstreken trekt. IJsselstein is Baroniestad en kent een rijke historie en mede daardoor talrijke gemeentelijke- en Rijksmonumenten. Ook archeologisch is het een belangrijke plaats, hetgeen vooral in de binnenstad tot uiting komt. Die binnenstad kent een beschermd stadsgezicht. 12.2.2.2 Ondernemen in IJsselstein De ligging van de stad, langs de A2 is van groot belang voor ondernemend IJsselstein. IJsselstein is ook Zenderstad, vanwege de aanwezigheid van de grootste mediatoren van ons land. Industrieel gezien is de stad, gelegen langs de Hollandse IJssel, bekend van de meubelindustrie. Ook al is die nu beperkt tot één bedrijf. De stad kent meerdere – kleine – industrieterreinen met een gevarieerd aanbod aan bedrijvigheid. Recent is een omvangrijk vleesverwerkend bedrijf gevestigd. Er is nog een beperkte mogelijkheid tot uitbreiding van de bedrijventerreinen. 12.2.3 Specificatie per taakveld 12.2.3.1 Specificatie Milieu Binnen het bedrijvenbestand waarvoor de gemeente bevoegd gezag is, zijn 6 bedrijven met een verhoogd risico. Het betreft in het bijzonder twee voormalige provinciale bedrijven, 2 LPG-tankstations en enkele grotere industriële bedrijven. Binnen de gemeente zijn 3 vuurwerkverkoop- en opslagpunt aanwezig, waarvoor de gemeente bevoegd gezag is. Inmiddels zijn overal in het land de RUD’s operationeel en zijn ook provinciale milieutaken aan die organisaties overgedragen. Voor IJsselstein zijn die taken ondergebracht bij de ODRU. De vergunningsituatie bij de IJsselsteinse bedrijven is dekkend. Bestaande vergunningen worden tijdig geactualiseerd, waarbij de toepassing van de best beschikbare technieken voorop staat. Toezicht op de naleving van de gestelde voorschriften ter bescherming van het milieu vindt periodiek plaats op basis van de eerder genoemde risicoanalyse en het HUP. 12.2.3.2 Specificatie BWT en Ruimtelijke ordening In de gemeente IJsselstein worden er jaarlijks ongeveer 200 omgevingsvergunningen aangevraagd. Daarvan heeft 65% betrekking op bouwen, 10% op slopen, 10% op monumenten/archeologie, 6% aanleggen en 9% op overige activiteiten die vallen onder bouwen en wonen en ruimtelijke ordening. In deze beleidsperiode worden minder grote bouwwerken verwacht maar wel een toename van vergunningvrij bouwen, asbestsaneringen en kleinere vergunningplichtige werken. 12.2.3.3 Specificatie brandveilig gebruik bouwwerken en evenementen Het objectenbestand van de gemeente IJsselstein waarmee de VRU uitvoering geeft aan de Taakuitvoeringsovereenkomst (TUO) bestaat uit objecten en evenementen met een verhoogd risico, zoals vergunning- en meldingsplichtige bouwwerken brandveilig gebruik, evenementen, gebruik brandbeveiligingsverordening en bouwwerken algemeen gebruik. Deze laatste categorie objecten bestaat voor een groot deel uit industriegebouwen welke opgenomen zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Het objectenbestand, waarvoor de gemeente als bevoegd gezag verantwoordelijk is, wordt continu geactualiseerd. Naast toezicht heeft het bestuur van de VRU gekozen voor een accent op gerichte communicatie over veiligheid, onder de noemer “Stimulerende Preventie”. Daarbij wordt actief en gericht gewerkt aan bewustwording over veiligheid, bieden van handelingsperspectief en uiteindelijk gedragsbeïnvloeding. Daarmee wordt beoogt incidenten te voorkomen en – als die plaatsvinden - minder slachtoffers en minder schade als gevolg te hebben. Deze preventieve activiteit sluit aan op de doelstelling uit de landelijke handhavingsstrategie, die in dit beleid is opgenomen. 12.2.3.4 Specificatie APV, afvalstoffenverordening en bijzondere wetgeving Binnen het taakveld APV en bijzondere wetten wordt toezicht gehouden op verschillende terreinen. Voorbeelden hiervan zijn: Controle (coördinatie) voor en tijdens (grotere) evenementen; Controle op de naleving van horecaregels, naast hetgeen wordt uitgevoerd conform het uitvoeringsplan 2016 “Preventie en Handhaving Alcohol”; Controle op het onjuist aanbieden en het storten en verbranden in strijd met de regels van afval in de openbare ruimte; Controle op het onjuist plaatsen van objecten op en langs de openbare weg; ontrole op illegale reclame in de openbare weg; Controle op parkeerexcessen buiten de zone van betaald parkeren; Controle op hondenoverlast. 12.2.4 Cijfermatige onderbouwing 12.2.4.1 Methodiek risicomodule Voor het uitvoeren van de risicoanalyse is gebruik gemaakt van een methodiek die ontwikkeld is door de ANTEA Groep. Met behulp van de risicomodule is het kwantitatieve deel van de probleemanalyse uitgevoerd. In het onderstaande figuur is de risicomodule schematisch weergegeven. Figuur: Risicomodule IJsselstein Centraal in de systematiek van de risicomodule staat de formule: RISICO = KANS maal EFFECT. Deze formule is een internationaal geaccepteerde en veel gebruikte methode om een adequate inschatting te kunnen maken van de benodigde prioriteit van (onder andere) handhavingstaken. Het risico wordt berekend door de scores van het negatief effect te vermenigvuldigen met de kans op niet naleving. De volgende aspecten worden gescoord: Negatief effect: Hoe groot zijn de negatieve gevolgen als regels niet worden nageleefd? Kans op niet-naleving: Hoe groot is de kans dat een doelgroep de regels niet naleeft? De elementen [KANS] en [EFFECT] zijn met behulp van Antea Group opgebouwd uit allerlei thema's en variabelen. De thema's zijn standaard van toepassing op elk taakveld, de variabelen binnen een thema zijn per taakveld verschillend. De thema’s die de negatieve effecten omvatten zijn: Fysieke veiligheid (o.a. gevaarsindicatie VNG, opslag en gebruik gevaarlijke stoffen); Hinder & leefbaarheid (hinder als gevolg van geur, geluid, licht, stof en verkeer); Duurzaamheid (bodem, water, afval, verbruik van gas en elektra); Volksgezondheid (gebruik toxische stoffen, locatie met asbest, emissie naar lucht). De thema’s die de kans op niet-naleving omvatten zijn: Attitude (politieke gevoeligheid, klachten, houding & gedrag); Nalevingstabel (spontane naleving van gedragsregels); Ervaringscijfers (naleving tijdens toezicht in afgelopen drie jaar). Aan de variabelen zijn scores toegekend die uitdrukking geven aan het risico van een bepaalde taak of object. Op basis van een automatisch rekenmodel komt de totaalscore tot stand. De risico's (conceptprioriteiten) die op basis van de risicomodule zijn bepaald, zijn voorgelegd aan de medewerkers van de gemeente resp. ODRU en VRU naar taakveld. Hierbij zijn de onderlinge wegingen aangepast op de praktijksituatie in IJsselstein. Alle criteria kunnen zwaarder of lichter gewogen worden. Dit hangt af van de aanwezigheid van gegevens. Wat je niet weet, kun je ook niet beoordelen. De risicomodule wordt om die reden periodiek geëvalueerd en aangepast. Deze totaalscore bepaalt in feite de prioriteit. Voor de VRUtaken is ook van het Prevapmodel gebruik gemaakt. De risicomodule is uitgevoerd voor de taakvelden milieu, ruimtelijke ordening, bouwen, bestaande bouw (gebiedstoezicht), brandveiligheid, APV en bijzondere wetgeving. Per taakveld is de methodiek gevuld met de specifieke gegevens van IJsselstein. Ieder taakveld heeft zodoende eigen prioriteiten. Per risicoanalyse zijn de prioriteiten bepaald. Dat wil niet zeggen dat de hoogste prioriteiten per taakveld automatisch de hoogste prioriteit krijgen in de integrale prioritering. 12.2.5 Indeling prioriteiten In de risicomodule krijgen objecten of taken een kleur toegekend op basis van hun eindscore. Hoe groter de score, des te groter het risico. De prioriteitenstelling uit de risicomodule moet richting geven aan de inzet van mensen, middelen, de frequenties van toezicht en handhaving en de aspecten waarop tijdens het toezicht wordt gelet. De prioriteitenstelling wil zeggen dat overal aandacht aan wordt besteed, alleen met een verschillende handhavingsinzet. Klachten en verzoeken om handhaving worden eveneens getoetst aan dit beleid, hetgeen kan inhouden dat aan laag-prioritaire zaken geen aandacht wordt geschonken. Uiteraard wordt dit wel met de klager gecommuniceerd. In de risicomodule worden vijf kleuren gebruikt: rood, oranje, geel, lichtgroen en donkergroen. De kleur bepaalt welke inzet gepleegd wordt op dat object of die taak. Hieronder een korte omschrijving wat betreft inzet en behandeling per kleur. Categorie Omschrijving Rood = Zeer groot risico Oranje = Groot risico Structurele toekenning van een volledige capaciteit. Toezicht & handhaving van overtredingen: proactief beleid Geel = Beperkt risico Inzet van een gemiddelde capaciteit. Toezicht en handhaving projectmatig, gebieds- en steekproefsgewijs. Nader onderzoek naar oorzaak overtredingen. Lichtgroen = Klein risico Donkergroen = Zeer klein risico Inzet van een zeer beperkte capaciteit. Registreren en analyseren van incidenten. Verder een gerichte inzet van de capaciteit op effecten in naleefgedrag met als doel het vergroten van de voorbeeldfunctie (bijv. door vooraankondigingen controles in media en publicatie van uitgevoerde controle- en handhavingsacties). Altijd controle indien er sprake is van een cluster van incidenten. 12.2.6 Bestuurlijke prioriteiten De uitwerking van de bestuurlijke prioriteiten is terug te zien in het overzicht uit de Risicomodule. Omwille van de dynamiek van een risicomodule zijn deze opgenomen als bijlagen (bijlage 5) in het handhavingsbeleid 2016-
  4. 12.3 Kwalitatieve risicoanalyse Antea
(2016)Bijlage13:Preventiestrategie 13.1 Preventiestrategie Preventiestrategie is de strategie die primair ziet op het bevorderen van spontane naleving van wet- en regelgeving. Belangrijke elementen van de preventiestrategie zijn voorlichting (communicatiestrategie) en de wijze van toezicht (toezichtstrategie). Handhaving is meer dan het corrigeren van overtredingen door het opleggen van herstellende en/of bestraffende sancties. Aan toezicht en handhaving gaan een acceptatieproces (van de gestelde norm, door burgers en bedrijven) vooraf. Dit vergt een gedegen vorm van communicatie. Zo kan er actief voorlichting worden gegeven wanneer blijkt dat bepaalde regelgeving onvoldoende bekend is. Ook kan ingespeeld worden op ontwikkelingen wanneer blijkt dat in een bepaalde branche (of objectencategorie) calculerend gedrag voorkomt. Om inzicht te krijgen in de redenen van overtreden van wet- en regelgeving wordt gebruik gemaakt van de ‘Tafel van Elf’ van het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid. Deze methodiek sluit aan bij de Landelijke Handhavingstrategie (LHS). Met name bij de overtredingen in de lichte segmenten (A1, A2 en B1) is gekozen voor een aanpak middels preventie en communicatie. De Tafel van Elf is een wetenschappelijk ontwikkeld model die inzage geeft in de redenen waarom mensen de regels overtreden. De methode laat zien dat er vóór het daadwerkelijke sanctietraject voldoende mogelijkheden zijn om middels gerichte communicatie overtredingen te voorkomen, danwel helderheid over normen te verstrekken (mochten die onvoldoende helder zijn). De Tafel van Elf probeert het activeren van het sanctietraject te voorkomen door een verhoogde inzet op preventie. Dat wordt in onderstaande methode toegelicht: Figuur 4: Tafel van Elf Onderin de piramide staan werkwijzen die een breed en langdurig effect hebben, het meest inwerken op ‘norm-internalisatie’ (het eigen maken van de norm) en het minst belastend zijn voor burgers en bedrijven. Helemaal in de punt ziet u handhaving in de vorm van controleren en sanctioneren. Dit is met name van belang als een stok achter de deur. De ervaring leert dat effecten van sancties alleen gunstig zijn zolang de handhaving actief is. Bovendien gaat het om een aanpak die doorgaans ingrijpender is voor burgers en bedrijven. Daarnaast is handhaving voor de overheid een kostbaar middel dat gedoseerde inzet vergt. De Tafel van Elf beschrijft dimensies van spontane naleving. De dimensies uit de Tafel van Elf vormen daarom de basis van de preventiestrategie. Dat wordt verder vormgegeven onder invloed van de LHS. Zo wordt eenduidig sanctionerend opgetreden indien –ondanks preventie en communicatie– toch sprake is van een (herhaling van) een overtreding. De elf dimensies voor naleving van wetgeving zijn ondergebracht in twee groepen, elk met hun eigen uitwerking op de neiging tot naleving. De bovenste twee onderdelen van de Tafel van Elf (zie figuur 4 en bijlage 11) omvatten de daadwerkelijke inzet van toezicht en handhaving. In bijlage 11 zijn de verschillende dimensies benoemd en verder uitgewerkt. In het Handhavingsuitvoeringsprogramma wordt uitgewerkt op welke wijze en op welke onderdelen onze gemeente actief communiceert. Hierin wordt opgenomen in welke concrete gevallen de gemeente wel of niet actief communiceert over haar toezicht- en handhavingstaken. Onderdeel van preventiestrategie is verder het inschakelen van buurtbemiddeling of de toepassing van mediation. Dit is aanvulling op de Tafel van Elf. In geval van klachten kan buurtbemiddeling een sterkere oplossingskracht hebben dan de inzet van toezicht & handhaving. Waar mogelijk zetten we deze vorm van preventie in. Bijlage14:Communicatiestrategie Vanuit het verleden is handhaving is veelal gericht op de beïnvloeding van gedrag van burgers of bedrijven, zodat deze wet- en regelgeving naleven. Deze beïnvloeding zal succesvoller zijn naarmate handhaving is gestoeld op kennis over dit gedrag en de oorzaken ervan. Ook in het gehele VTH-beleid groeit het besef dat adequate naleving van regelgeving kan worden bevorderd door de inzet van informatie en communicatie waarbij de doelen zijn de bevordering van naleving van regelgeving met als hoger doel verbetering, behoud en/of vergroting van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving. Als de doelgroep niet op de hoogte is van de regels, deze niet goed begrijpt, of onjuist interpreteert, kan regelgeving niet correct worden nageleefd. Voorlichting kan deze specifieke doelgroep(en) informeren over het bestaan van de regels en de juiste toepassing ervan. Als er minder onbedoelde fouten worden gemaakt bij de naleving, blijft er meer capaciteit beschikbaar voor toezicht en handhaving van overtredingen die de meeste impact hebben op de veiligheid(sbeleving) en impact op het woon-, werk- en leefklimaat. De communicatie vindt zo gericht mogelijk plaats aan de hand van de volgende communicatievormen: Algemene communicatie: via websites en/of (lokale) media zo veel mogelijk mensen informeren over de regels en de toepassing daarvan. Doelgroepgerichte/gebiedsgerichte communicatie: een doelgroep of gebied informeren over de specifieke regels die voor gebied van toepassing zijn. Individuele communicatie: persoonlijke voorlichting aan een burger of bedrijf over de regels en de toepassing ervan (Omgevingsloket). IJsselstein communiceert actief: wij kijken naar de mogelijkheden en kansen binnen de wettelijke kaders; wij lichten inwoners en bedrijven begrijpelijk voor bij complexe en veranderende wetgeving; wij creëren bewustwording van de wet- en regelgeving; wij communiceren over goede voorbeelden; wij communiceren over het vergunningenplan; wij leggen verantwoording af over onze resultaten en die van onze uitvoeringspartners; wij stemmen onze communicatie af op de info-behoefte van de doelgroep; wij stimuleren naleefgedrag door middel van communicatie; wij beantwoorden vragen over aanvragen zo snel mogelijk en begrijpelijk en communiceren van tevoren wanneer het antwoord komt; wij communiceren ook van buiten naar binnen en willen weten welke behoefte er leeft bij onze doelgroep. Bijlage15:Vergunningenstrategie 15.1 Inleiding Dit hoofdstuk beschrijft de strategieën voor vergunningverlening voor diverse activiteiten. Vanuit een risicoanalyse en de prioriteitenstelling volgt een bepaald toetsingsniveau voor diverse activiteiten. In dit beleidsplan worden de toetsingsprotocollen per taakveld gespecificeerd zodat het toetsingsproces transparant en voorspelbaar is voor zowel de gebruikers als voor de klanten. Voor wat betreft de activiteit bouwen is er een toetsingskader opgesteld (Bijlage 27) en voor de toetsing aan het bouwbesluit een toetsmatrix van kracht (zie bijlage 28). Het bevoegd gezag handelt op grond van een strategie en objectieve criteria voor het beoordelen en beslissen over een omgevingsvergunning en het afhandelen van meldingen, ter uitwerking van de in de wet bepaalde criteria. In deze strategie is vastgelegd welke vormen van vergunningverlening worden onderscheiden en wat de basiswerkwijze daarbij is, mede ten aanzien van aanvragen die in strijd zijn met het bestemmings- dan we

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.