← Nederland

Provinciale Milieuverordening Noord-Holland (Noord-Holland)

Kort samengevat

Deze wet regelt milieuzaken in de provincie Noord-Holland, met een focus op het actualiseren van bestaande regels en het beschermen van specifieke gebieden tegen geluidsoverlast en andere milieubedreigingen. Het omvat bepalingen voor inspraak, ontheffingen van rioleringsplicht en het gebruik van gesloten stortplaatsen.

Wat het regelt

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Provinciale Milieuverordening Noord-HollandProvinciale Staten van Noord-Holland; overwegende dat het gewenst is de Provinciale milieuverordening Noord-Holland te actualiseren; gelezen de voordracht van gedeputeerde staten; gelet op artikel 1.2 van de Wet milieubeheer; besluiten vast te stellen de volgende verordening: Provinciale milieuverordening Noord-Holland Hoofdstuk1Algemeen Artikel1.1 (begripsbepaling) In deze verordening wordt verstaan onder: de wet: de Wet milieubeheer; provinciaal milieubeidsplan: het provinciaal milieubeleidsplan als bedoeld in artikel 4.9 van de wet; provinciaal milieuprogramma:het provinciale milieuprogramma als bedoeld in artikel 4.14 van de wet; milieubeschermingsgebieden:gebieden waarin de kwaliteit van een of meerdere milieuaspecten bijzondere bescherming behoeft en die als zodanig zijn aangewezen in artikel 4.1.2, 5.1.2 en 6.1 van deze verordening. De aanwijzing geschiedt ter bescherming van het milieu en in het bijzonder ter bescherming van de belangen als aangeduid in hoofdstuk 4, 5 en 6; Artikel1.2 (kaarten) De kaarten genoemd in artikel 4.1.2, aanwijzing stiltegebieden; artikel 5.1.2, aanwijzing beschermingsgebieden met het oog op de waterwinning; artikel 6.1, aanwijzing aardkundige monumenten, worden op elektronische wijze bekendgemaakt. Artikel1.3(Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling (ARO)) Vervallen. Hoofdstuk2Inspraak Artikel2.1 (inspraak) 1.De in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure is van toepassing op de voorbereiding van: een provinciaal milieubeleidsplan; de wijziging van een provinciaal milieubeleidsplan; een provinciaal milieuprogramma; een wijziging van de provinciale milieuverordening. 2.De terinzagelegging geschiedt tevens ter secretarie van de in de provincie gelegen gemeenten. 3.Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in het eerste lid, onder d, indien dit besluit geen wijzigingen van beleidsinhoudelijke aard bevat. Hoofdstuk3Algemeen provinciaal milieubeleid Titel 3.1 Ontheffing rioleringsplicht Artikel3.1.1 1.De aanvraag om ontheffing als bedoeld in artikel 10.33, derde lid van de wet wordt in vijfvoud ingediend. 2.De aanvraag bevat ten minste de volgende gegevens en bescheiden: het gemeentelijk rioleringsplan bedoeld in artikel 4.22 van de wet of, indien het plan nog niet is vastgesteld, een overzicht van de aanwezige voorzieningen en de overige gegevens, bedoeld in artikel 4.22, tweede lid van de wet, voor dat deel van de gemeente waarop de aanvraag om ontheffing betrekking heeft; een overzicht van de lozingssituatie in dat deel van de gemeente waarop de aanvraag om ontheffing betrekking heeft; de gevolgen voor het milieu wanneer geen voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater worden getroffen; alternatieve voorzieningen voor verwerking van het afvalwater van desbetreffende percelen; indien over het voornemen van de gemeente tot het achterwege laten van de voorzieningen overleg is gevoerd met de betrokken beheerder als bedoeld in artikel 1.1 van de Waterwet: de resultaten van dat overleg. Artikel3.1.2 1.Op de voorbereiding van een beschikking op de aanvraag om ontheffing als bedoeld in artikel 10.33, derde lid, van de wet, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat het ontwerpbesluit en de stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor de beoordeling van het ontwerp eveneens ter inzage liggen ten kantore van de betrokken gemeente; en een ieder zijn zienswijze bij gedeputeerde staten kan indienen. 2.Gedeputeerde staten stellen de betrokken beheerder als bedoeld in artikel 1.1 van de Waterwet, in de gelegenheid advies uit te brengen met betrekking tot de aanvraag tot vrijstelling en het daarop te nemen besluit. Titel3.2Gebruik van na 1996 gesloten stortplaatsen Artikel3.2.1 Deze titel is uitsluitend van toepassing op de door gedeputeerde staten aangewezen gesloten stortplaatsen. Artikel3.2.2 In deze titel wordt verstaan onder: gesloten stortplaats: een stortplaats als bedoeld in artikel 8.47, eerste lid, onder b, van de wet; nazorgvoorzieningen: de voorzieningen ter bescherming van het milieu, bedoeld in artikel 8.49, eerste en tweede lid, van de wet; Werk: een werk als bedoeld in artikel 1 Besluit bodemkwaliteit. Artikel3.2.3 1.Het is verboden in, op, onder of over een plaats waar de in artikel 8.49 van de wet bedoelde zorg met betrekking tot een gesloten stortplaats wordt uitgevoerd: werken te maken of te behouden; stoffen of voorwerpen, niet zijnde afvalstoffen, te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen; andere dan de onder a of b bedoelde handelingen te verrichten indien die handelingen de uitvoering van de maatregelen, bedoeld in artikel 8.49, eerste lid, van de wet, kunnen belemmeren, dan wel de nazorgvoorzieningen kunnen beschadigen. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op: het treffen van maatregelen als bedoeld in artikel 8.49 van de wet; handelingen die betrekking hebben op het oprichten, veranderen of in werking hebben van een inrichting of op het veranderen van de werking daarvan. Artikel3.2.4 1.Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van het in artikel 3.2.3, eerste lid, gestelde verbod indien het belang dat de gesloten stortplaats geen nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt, zich daartegen niet verzet. 2.Aan een ontheffing kunnen in ieder geval voorschriften worden verbonden die tot doel hebben: de bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen te garanderen; aantasting van de nazorgvoorzieningen te voorkomen; te voorkomen dat de uitvoering van maatregelen, bedoeld in artikel 8.49, eerste lid van de wet anderszins wordt belemmerd. 3.Het eerste en het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 2.1 en artikel 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Artikel3.2.5 1.De aanvraag voor de ontheffing, bedoeld in artikel 3.2.4, wordt in vijfvoud bij gedeputeerde staten ingediend. 2.In de aanvraag worden, onverminderd het bepaald in artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht, de volgende gegevens vermeld: het voorgenomen gebruik van de gesloten stortplaats en van het grondgebied waarin nazorgvoorzieningen zijn gelegen; het adres, de kadastrale aanduiding en een kadastrale kaart, die uiterlijk drie maanden voor de aanvraag van de ontheffing door het kadaster is afgegeven, waarop het grondgebied van het voorgenomen gebruik als bedoeld onder a is aangegeven; de naam en het adres van een ieder die een zakelijk of een persoonlijk recht heeft op het grondgebied bedoeld onder b; een overzicht van de benodigde vergunningen, meldingen en toestemmingen om het voorgenomen gebruik te kunnen realiseren; de maatregelen die worden getroffen om: de bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen te garanderen; aantasting van de nazorgvoorzieningen te voorkomen; anderszins de uitvoering van de nazorg niet te belemmeren; de wijze van evaluatie van en rapportage over de uitvoering van de onder e bedoelde maatregelen. Artikel3.2.6 Afvalzorg Bodemservice B.V. geniet een uitsluitend recht als bedoeld in onderdeel a van artikel 2.24 van de Aanbestedingswet

(2012)met betrekking tot de uitvoering van nazorgmaatregelen ter zake van op of na 1 september 1996 gesloten stortplaatsen. Na afgifte van een verklaring van gedeputeerde staten tot sluiting van een stortplaats als bedoeld in de wet wordt de provincie verantwoordelijk voor de uitvoering van de nazorgmaatregelen van deze stortplaats. Deze nazorgmaatregelen worden onder voorwaarden opgedragen aan Afvalzorg Bodemservice B.V. Hoofdstuk4Voorkomen of beperken geluidhinder Titel 4.1 Algemene bepalingen Artikel4.1.1 (begripsbepaling) In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: toestel en motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet geluidhinder; openbare weg: weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994, met uitzondering van die wegen die krachtens de Wegenverkeerswet 1994 alleen openstaan voor voetgangers of fietsers. gebouw: gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet; gehandicaptenvoertuig: een gehandicaptenvoertuig als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen; schip: schip als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Scheepvaartverkeerswet; waterscooter: waterscooter als bedoeld in artikel 1.01, onderdeel A, onder 18°, van het Binnenvaartpolitiereglement. luchtvaartuig: luchtvaartuig als bedoeld in artikel 21 van het Besluit burgerluchthavens. Artikel4.1.2 (aanwijzing stiltegebieden) 1.Als gebieden waarvoor regels gelden voor het voorkomen of beperken van geluidhinder, zogenaamde stiltegebieden, zijn aangewezen: De Slufter; Texel-Oost; Waddenzeegebied; Texel-West Hooge Berg; Wieringen-Noord; Wieringen-Zuid; Robbenoordbosch; Wieringermeer-Noord; Amstelmeer; Het Zwanenwater; Petten; het Grootslag-Oost; De Weere; Schoorlse duinen; Het Grootslag-West; Weidegebied Venhuizen en polder De Drieban; Bergermeer e.o.; Duingebied Bergen-Egmond; De Wogmeer; Schermerhorn en Mijzen; Duingebied Egmond-Binnen; Eilandspolder; IJsselmeerkust Zeevang; Duingebied Castricum; vervallen; Starnmeerpolder; vervallen; Polder Wormer, Jisp en Neck; Polder Ilperveld; Varkensland en Broekpolders; Kennemerduinen; Ransdorp, Holysloot; Amsterdamse Waterleidingduinen; Eemmeer; Vechtplassen en –polders; Polder De Ronde Hoep; Bovenkerkerpolder; De Wijde Blik; Loenderveensche Plas; Breukeleveensche-of Stille Plas. 2.De in lid 1 benoemde gebieden zijn op de bij deze verordening behorende kaarten als stiltegebied aangegeven. 3.Gedeputeerde Staten dragen er zorg voor dat de in lid 1 benoemde gebieden als zodanig goed zichtbaar zijn aangeduid door middel van borden, waarvan het model door hen wordt vastgesteld. 4.De in het eerste lid bedoelde borden worden geplaatst langs alle verharde openbare wegen en vaarwegen die tot het gebied toegang geven dan wel daaraan grenzen, op of nabij de grens van het gebied. Artikel4.1.3 (zorgplicht) 1.Ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten in een stiltegebied geluid wordt voortgebracht in zodanige mate dat de heersende natuurlijke rust in dat gebied kennelijk is of wordt verstoord, is verplicht dergelijk handelen achterwege te laten – behoudens voor zover dat in ingevolge van bepalingen in dit hoofdstuk uitdrukkelijk is toegestaan – dan wel, indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde de verstoring te voorkomen. 2.Het eerste lid is niet van toepassing voor zover artikel 1.1a, van de wet van toepassing is. Titel 4.2 Richtwaarden Artikel4.2.1 (richtwaarde geluidniveau geluidsbronnen binnen stiltegebied) 1.Als richtwaarde voor het maximaal toelaatbare geluidsniveau vanwege een geluidsbron die binnen een stiltegebied is gesitueerd en geen onderdeel uitmaakt van een inrichting, geldt een geluidsniveau van 35 dB(A) LAeq,24h op 50 meter van de geluidsbron. 2.Als richtwaarde voor het maximaal toelaatbare geluidsniveau vanwege een inrichting binnen een stiltegebied geldt een geluidsniveau van 35 dB(A) LAeq,24h op een afstand van 50 meter vanaf de grens van de inrichting. Artikel4.2.2 (besluitvorming bevoegd gezag) Met de richtwaarde, genoemd in artikel 4.2.1 houdt het bevoegd gezag rekening: bij gebruik van de bevoegdheden in het kader van de Wet ruimtelijke ordening; bij gebruik van de bevoegdheden in een gemeentelijke verordening als bedoeld in artikel 108, eerste lid, van de Gemeentewet; bij gebruik van de bevoegdheden tot het treffen van verkeersmaatregelen op basis van de Wegenverkeerswet 1994; bij gebruik van de bevoegdheden, krachtens artikel 2.4 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht met betrekking tot de activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel e, en 2.1, eerste lid, onderdeel i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; en bij het gebruik van de bevoegdheden tot het opleggen van maatwerkvoorschriften als bedoeld in artikel 8.42 van de wet. Artikel4.2.3 (afwijken van de richtwaarde) 1.Het bevoegd gezag kan bij het gebruik van een bevoegdheid als bedoeld in artikel 4.2.2 voor zover sprake is van zwaarwegende maatschappelijke belangen afwijken van de in artikel 4.2.1 genoemde richtwaarden. 2.Onder een zwaarwegend maatschappelijk belang als bedoeld in het eerste lid wordt in ieder geval verstaan een aangelegenheid van nationale veiligheid of nationale en regionale infrastructuur, waarbij uit onderzoek is gebleken dat er geen alternatieve locaties of tracés voorhanden zijn en waarvoor geldt dat, bij onontkoombaarheid van de afwijking van de richtwaarde, deze zo minimaal mogelijk is. Titel4.3Verbodsbepalingen, vrijstellingen en ontheffing Artikel4.3.1(verboden activiteiten in stiltegebieden) 1.In een stiltegebied is het verboden om een toestel te gebruiken, indien daardoor de ervaring van de natuurlijke geluiden kan worden verstoord. 2.Een toestel als bedoeld in het eerste lid is in elk geval: een airgun en andere knalapparatuur; een motorisch aangedreven werktuig met bijbehorende transportmiddelen, te gebruiken bij seismologisch onderzoek, opsporingsonderzoek naar of ontginning van bodemstoffen; een omroepinstallatie, sirene, hoorn en ander vergelijkbaar toestel, bestemd voor het versterken of voortbrengen van geluid; een modelvliegtuig, modelboot en modelauto, indien aangedreven door een verbrandingsmotor; een vuurwapen; of een gemotoriseerd luchtvaartuig. 3.In een stiltegebied is het verboden: een muziekinstrument of een ander vergelijkbaar geluidsapparaat, al dan niet gekoppeld aan een geluidsversterker, te gebruiken, waarvan het hoogste geluidsniveau op een afstand van 50 meter meer dan 35 dB(A) LAeq,1h bedraagt; met een motorrijtuig te rijden buiten de openbare weg of andere voor bestemmingsverkeer openstaande wegen of terreinen; een toertocht voor motorrijtuigen te houden of daaraan deel te nemen; met een waterscooter te varen; met een schip te varen met een hogere snelheid dan 9 kilometer per uur, indien het wordt voortbewogen door een verbrandings- of explosiemotor, met uitzondering van het stiltegebied Waddenzee waarvoor een maximale snelheid van 20 kilometer per uur geldt; vuurwerk te gebruiken. Artikel4.3.2(vrijstellingen) 1.De verboden, gesteld in artikel 4.3.1, gelden niet voor een activiteit die rechtstreeks verband houdt met: de uitoefening van normale werkzaamheden in het kader van land-, tuin- of bosbouw of beroepsmatige visserij; de openbare drinkwater- of energievoorziening; de aanleg, het onderhoud of de exploitatie van infrastructurele of telecommunicatiewerken; de bouw of het onderhoud van gebouwen; de bescherming, het onderhoud of het beheer van een gebied, inclusief dijkwerkzaamheden; de openbare veiligheid of de afwending van dreigend gevaar; de uitoefening van een functie met opsporingsbevoegdheid; of de opsporing van een mens of dier in levensbedreigende omstandigheden en/of ten behoeve van het verlenen van spoedeisende medische hulp. 2.De verboden, gesteld in artikel 4.3.1, gelden niet voor: het gebruik van een toestel dat wordt gebruikt in of bij een woonhuis en waarbij het hoogste geluidsniveau op een afstand van 50 meter van dat woonhuis of toestel niet meer dan 35 dB(A) LAeq,1h bedraagt; het gebruik van een vuurwapen, indien dat wordt gebruikt: 1°. door een persoon met opsporingsbevoegdheid in de uitoefening van zijn functie; 2°. in geval van nood; 3°. bij of krachtens de Flora- en faunawet, met inachtneming van de toepasselijke voorschrift het gebruik van een gehandicaptenvoertuig voor het vervoer van een minder valide; een toertocht met elektrisch aangedreven motorrijtuigen; het varen met een elektrisch aangedreven vaartuig; het gebruik van vuurwerk indien dat: 1°. noodzakelijk is ter oproeping van personen of ter afwending van dreigend gevaar; 2°. plaatsvindt ter gelegenheid van de jaarwisseling gedurende een bij het Vuurwerkbesluit aangewezen period beheer en schadebestrijding met knalapparatuur waarbij het aantal knallen maximaal 3 per uur is. Indien binnen 300 meter nog een knalapparaat in gebruik is, geldt voor deze apparaten gezamenlijk het maximum van 3 knallen per uur; of het parkeren van een motorvoertuig. 3.De richtwaarde voor geluidbronnen als bedoeld in artikel 4.2.1., eerste lid geldt niet voor bestaande wegen door stiltegebieden. 4.De richtwaarden als bedoeld in artikel 4.2.1 gelden niet voor de activiteiten waarvoor een vrijstelling geldt in het eerste en tweede lid van dit artikel. Artikel 4.3.3 Ontheffing 1.Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van de verboden, gesteld in artikel 4.3.1, indien het belang van de heersende natuurlijke rust in dat gebied zich daartegen niet verzet. 2.Gedeputeerde staten kunnen een ontheffing van de in artikel 4.3.1 vervatte verboden intrekken, indien het belang van de heersende natuurlijke rust in dat gebied dat vereist. 3.Een ontheffingsaanvraag wordt in ieder geval getoetst aan de volgende criteria: nut en noodzaak; plaats van de activiteit en mate van verstoring; en tijdsduur en periode waarbinnen de activiteit zich afspeel 4.In een stiltegebied kan slechts ontheffing worden verleend voor in totaal 12 activiteiten per kalenderjaar, elk met een maximale tijdsduur van 24 uur. 5.Een afschrift van een verleende ontheffing wordt toegezonden aan de gemeente waarbinnen de activiteit wordt verricht. Hoofdstuk4AMaatwerkvoorschrift windturbines Artikel4A.1(begripsbepaling) In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: windturbine: een door wind aangedreven bouwwerk met een rotordiameter van ten minste 5 meter of een ashoogte van ten minste 7 meter waarmee energie wordt opgewekt, inclusief de bij dit bouwwerk behorende infrastructurele voorzieningen, met uitzonderingen van traditionele windmolens of replica’s hiervan; referentieniveau omgevingsgeluid: het niveau dat 95% van de tijd wordt overschreden conform het bepaalde in de ICG publicatie IL-HR-15-01
(1981). Artikel4A.2(maatwerkprocedurevoorschrift) In gebieden waarin het referentieniveau van het omgevingsgeluid L95 gedurende de nachtperiode (23.00 – 07.00 uur) 40 dB(A) of lager is onderzoekt het bevoegde gezag of in verband met bijzondere lokale omstandigheden bij maatwerkvoorschrift normen met een andere waarde als bedoeld in artikel 3.14a, derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer kunnen worden vastgesteld. Indien uit onderzoek als bedoeld in het eerste lid blijkt dat normen met een andere waarde als bedoeld in artikel 3.14a, derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer mogelijk en noodzakelijk zijn worden deze bij maatwerkvoorschrift vastgesteld. Hoofdstuk5Grondwaterbescherming met het oog op waterwinning Titel 5.1 Algemene bepalingen Artikel5.1.1 (begripsbepaling) 1.In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: achtergrondwaarde, baggerspecie, grond, IBC-bouwstof, kwaliteitsklasse wonen, kwaliteitsklasse A en werk: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Besluit bodemkwaliteit dan wel de Regeling bodemkwaliteit; boorput: met daartoe geschikte werktuigen aangebrachte put, daaronder begrepen een in de grond gecontroleerd en mechanisch aangebrachte sondering; buisleiding: buisleiding voor het transport van gas (met uitzondering van aardgas), olie of chemicaliën alsmede een leiding voor het transport van elektriciteit die wordt gekoeld met olie of chemicaliën; drinkwaterbedrijf: drinkwaterbedrijf als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de drinkwaterwet; extensieve beweiding: beweiding door maximaal anderhalf grootvee-eenheden per hectare per kalenderjaar; grond-of funderingswerken: een werk in de bodem, daaronder begrepen het plaatsen of verwijderen van palen, damwanden of folies; NRB: de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten; een niet-toelaatbare voor het grondwater schadelijke stof: een stof die is aangewezen in bijlage 1, waaronder mede wordt verstaan een andere stof die, of een mengsel dat een in bijlage 1 aangewezen stof als bestanddeel bevat; een potentieel voor het grondwater schadelijke stof: een stof die behoort tot een categorie als bedoeld in artikel 9.2.3.1, tweede lid, van de wet; verwaarloosbaar bodemrisico: verwaarloosbaar bodemrisico: een situatie als bedoeld in de NRB waarin door een goede afstemming van bodembeschermende voorzieningen en bodembeschermende maatregelen de kans op een verandering van de bodemkwaliteit, ten gevolge van een immissie van een stof, verwaarloosbaar is gemaakt. Artikel5.1.2 (aanwijzing beschermingsgebieden) 1.Als gebieden waarvoor regels gelden ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning, worden aangewezen: Hooge Berg (Texel); Bergen; Noord-Kennemerland; Zuid-Kennemerland; Amsterdamse Waterleidingduinen; ’t Gooi; Loosdrecht; Waterleidingplas, Loenderveensche Plas Oost en Waterleidingkanaal; Bethunepolder. 2.De in het eerste lid aangewezen gebieden kunnen bestaan uit één of meer waterwingebieden, een grondwaterbeschermingsgebied I of II. Deze zijn op de bij deze verordening behorende kaarten als zodanig aangegeven. 3.Het betrokken drinkwaterbedrijf plaatst langs alle openbare wegen en vaarwateren die toegang geven tot een grondwaterbeschermingsgebied, dan wel daaraan grenzen, op of nabij de grenzen van het gebied, borden waarvan het model is vastgesteld in bijlage 1, onderdeel C Artikel5.1.3 (zorgplicht) 1.Ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten de kwaliteit van het grondwater in een gebied dat in artikel 5.1.2 is aangewezen, kan worden geschaad, is verplicht dergelijk handelen achterwege te laten – behoudens voor zover dat ingevolge de bepalingen van dit hoofdstuk uitdrukkelijk is toegestaan – dan wel, indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die schade te voorkomen, dan wel indien die schade niet kan worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. 2.In geval van een verontreiniging of een direct dreigende verontreiniging van het grondwater behoort tot de maatregelen bedoeld in het eerste lid, in ieder geval dat degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten, terstond gedeputeerde staten en de directeur van het drinkwaterbedrijf informeert. 3.Het eerste en tweede lid zijn niet van toe-passing voor zover artikel 9.2.1.2 of artikel 10.1, eerste, tweede of derde lid, van de wet of artikel 13 van de Wet bodembescherming van toepassing is; met betrekking tot inrichtingen tenzij in deze verordening anders is bepaald. Titel 5.2 Waterwingebieden Inrichtingen Artikel5.2.1(inrichtingen) 1.Het is verboden in een waterwingebied een inrichting op te richten of in werking te hebben indien die inrichting behoort tot een categorie die is aangewezen in bijlage I van het Besluit omgevingsrecht. 2.Het is verboden in een waterwingebied een inrichting of de werking ervan als bedoeld in het eerste lid te veranderen, indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat die verandering wat betreft haar aard of omvang nadelige gevolgen heeft voor de kwaliteit van het grondwater met het oog op de water-winning. 3.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor de eigenaar of exploitant van een drinkwaterbedrijf, indien het in werking hebben van de inrichting noodzakelijk is voor de openbare drinkwatervoorziening. Activiteiten buiten inrichtingen Artikel5.2.2(activiteiten buiten inrichtingen) 1.Het is in waterwingebieden verboden: stoffen, combinaties van stoffen of vloeistoffen, preparaten of andere producten, in welke vorm dan ook, te hebben, te gebruiken, te vervoeren of op of in de bodem te brengen, waarvan degene die die handeling verricht, weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat ze, op of in de bodem gebracht of gerakend, de bodem verontreinigen of kunnen verontreinigen; een constructie of werk van welke aard dan ook op of in de bodem op te richten, tot stand te brengen, aan te leggen, te hebben of te gebruiken, als daarmee verspreiding of lozing van hetgeen is bedoeld onder a, in de bodem of aantasting van de beschermende werking van bodemlagen ontstaat of kan ontstaan; grond of baggerspecie toe te passen waarvan de kwaliteit de achtergrondwaarde overschrijdt; werken tot stand te brengen of handelingen te verrichten waardoor direct of indirect warmte of koude aan de bodem wordt onttrokken of toegevoegd. 2.Onder de in het eerste lid, onder a, bedoelde stoffen worden in elk geval begrepen aardolie en aardolieproducten, afvalstoffen, IBC-bouwstoffen, meststoffen als bedoeld in de Meststoffenwet, gewasbeschermingsmiddelen en biociden als bedoeld in de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden en de stoffen opgenomen in Bijlage 4, onderdeel A. 3.Onder de in het eerste lid, onder b, bedoelde constructies of werken worden in elk geval begrepen boorputten, grond-en funderingswerken, wegen, parkeergelegenheden voor motorvoertuigen, kampeerterreinen, recreatiecentra, leidingen, installaties, opslagreservoirs, begraafplaatsen en terreinen voor de uitstrooiing van as. 4.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor: het oprichten en hebben van boorputten voor de controle van het grondwater ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening; aardgasleidingen die dienen voor huishoudelijk gebruik; het toepassen van strooizout ten behoeve van de gladheidbestrijding; hetgeen is bedoeld in het eerste lid, onder a, voorzover dit aanwezig is in en benodigd is voor het doen functioneren van motorvoertuigen, motorwerktuigen of bromfietsen; het vervoeren van hetgeen is bedoeld in het eerste lid, onder a, voorzover dit gebeurt in afgesloten en vloeistofdichte tanks of in een deugdelijke gesloten verpakking, mits deugdelijk geladen, afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden en op zodanige wijze dat geen gevaar voor verspreiding of verstuiving bestaat; het hebben of gebruiken van geringe hoeveelheden van hetgeen is bedoeld in het eerste lid, onder a, niet zijnde gewasbeschermingsmiddelen of biociden, bij woningen en andere gebouwen, die dienen of gediend hebben voor normaal gebruik ter plaatse of afkomstig zijn van normaal gebruik van die woningen of gebouwen, mits bewaard in een deugdelijke verpakking en afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden; het op of in de bodem brengen van dierlijke meststoffen als gevolg van extensieve beweiding; het verspreiden van baggerspecie die vrijkomt bij regulier onderhoud van watergangen, over het aangrenzend perceel met inachtneming van het Besluit bodemkwaliteit; het onderzoeken en saneren van de bodem met inachtneming van de Wet bodembe¬scherming. 5.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor de eigenaar of exploitant van een drinkwaterbedrijf, indien de betreffende activiteit of gedraging noodzakelijk is voor de openbare drinkwatervoorziening. Titel 5.3 Grondwaterbeschermingsgebieden I en II Inrichtingen Artikel5.3.1(niet toegelaten categorieën van inrichtingen) Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied een inrichting op te richten of in werking te hebben, indien die inrichting behoort tot één of meer van de categorieën die zijn aangewezen in bijlage 1, onderdeel D. Artikel5.3.2(instructies voor omgevingsvergunningen voor inrichtingen) 1.Dit artikel heeft uitsluitend betrekking op een inrichting die behoort tot een categorie die is aangewezen in bijlage I van het Besluit omgevingsrecht en die is gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied waarin een bodembedreigende activiteit wordt ondernomen, en waarvoor een omgevingsvergunning voor een inrichting is vereist. 2.Het bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid, in ieder geval de volgende voorschriften: een voorschrift met een gelijke inhoud als artikel 5.1.3, eerste en tweede lid (zorgplicht); het voorschrift dat bodembeschermende voorzieningen en bodembeschermende maatregelen worden getroffen waarmee een verwaarloosbaar bodemrisico wordt gerealiseerd; het voorschrift dat in de inrichting een niet-toelaatbare voor het grondwater schadelijke stof als bedoeld in artikel 5.1.1, onder f, niet aanwezig mag zijn; het voorschrift dat in de inrichting van een potentieel voor het grondwater schadelijke stof als bedoeld in artikel 5.1.1, onder g, niet meer dan de hierna aangegeven hoeveelheden aanwezig mag zijn: in geval van een giftige of anderszins schadelijke stof als bedoeld in bijlage 4, onderdeel B, tabel B.1.1 of tabel B.1.2: de voor die stof in die tabel aangegeven drempelwaarde; in geval van een andere potentieel voor het grondwater schadelijke stof, zijnde een tot vloeistof gekoeld gas of een vloeistof: niet meer dan 5 m3 per opslageenheid; in geval van een andere potentieel voor het grondwater schadelijke stof, zijnde een visceuze of vaste stof: niet meer dan 5000 kilogram per opslageenheid. het voorschrift dat indien in de inrichting een potentieel voor het grondwater schadelijke stof aanwezig is, de onder b bedoelde bodembeschermende voorzieningen en bodembeschermende maatregelen de hoogst mogelijke vorm van bescherming bieden, waaronder in ieder geval wordt verstaan dat: volledig gesloten procesapparatuur of procesapparatuur met geïntegreerde lekdetectie wordt toegepast; proces en opslag vrij van de grond boven een vloeistofdichte vloer of een lekbak plaatsvindt; tussentijds bodemonderzoek met een tenminste tweemaal hogere frequentie plaatsvindt dan op basis van de NRB wordt aanbevolen, doch tenminste eenmaal per vijf jaar. voorschriften met een gelijke inhoud als die van de artikelen 5.3.5 tot en met 5.3.11, voor zover die regels betrekking hebben op de in het eerste lid van dit artikel bedoelde bodembedreigende activiteit. Daarbij wordt bepaald dat als voor een activiteit als bedoeld in die artikelen een omgevingsvergunning is vereist, de melding tegelijkertijd met de aanvraag om die vergunning wordt gedaan. 3.In afwijking van het bepaalde in het tweede lid, onder c, kan het bevoegd gezag bepalen dat een stof wel aanwezig mag zijn indien deze deel uitmaakt van: een geneesmiddel in de zin van Richtlijn 2001/83/EG of een geneesmiddel voor diergeneeskundig gebruik in de zin van Richtlijn 2001/82/EG; cosmetische producten waarop de Richtlijn 76/768/EEG van toepassing is; de volgende brandstoffen en olieproducten: benzine en dieselbrandstof als bedoeld in Richtlijn 98/70/EG, derivaten van minerale oliën, bestemd voor gebruik als brandstof in mobiele of vaste verbrandingsinstallaties, brandstoffen die in een gesloten systeem worden verkocht (bijvoorbeeld flessen vloeibaar gas); kunstschilderverven die onder Verordening (EG) nr. 1272/2008 vallen; asbest, erioniet en vuurvaste keramische vezels; derivaten van aardolie of minerale oliën die in overeenstemming met de geldende wet-en regelgeving worden gebruikt in wegverhardingen of dakbedekkingen (bijvoorbeeld asfalt). 4.In afwijking van het bepaalde in het tweede lid, onder d, 2° en 3°, kan het bevoegd gezag bepalen dat de aanwezigheid van een grotere hoeveelheid van de daar bedoelde stof per opslageenheid is toegestaan als die stof – getoetst volgens de beoordelingsmethodiek die is opgenomen in bijlage 4, onderdeel B, sub B.2, – naar hoedanigheid, mobiliteit en persistentie toelaatbaar is. Artikel5.3.3(regels voor niet-omgevingsvergunningplichtige inrichtingen) 1.Dit artikel heeft uitsluitend betrekking op een inrichting die behoort tot een categorie die is aangewezen in bijlage I van het Besluit omgevingsrecht en die is gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied, waarin een bodembedreigende activiteit wordt ondernomen, en waarvoor geen omgevingsvergunning voor een inrichting is vereist. 2.Degene die een inrichting als bedoeld in het eerste lid, drijft, treft de bodembeschermende voorzieningen en bodembeschermende maatregelen waarmee een verwaarloosbaar bodemrisico wordt gerealiseerd. 3.Het is verboden dat in de inrichting een niet-toelaatbare voor het grondwater schadelijke stof als bedoeld in artikel 5.1.1, onder h, aanwezig is. 4.Het in het derde lid gestelde verbod geldt niet indien de stof deel uitmaakt van: wen geneesmiddel in de zin van Richtlijn 2001/83/EG of een geneesmiddel voor diergeneeskundig gebruik in de zin van Richtlijn 2001/82/EG; osmetische producten waarop de Richtlijn 76/768/EEG van toepassing is; de volgende brandstoffen en olieproducten: benzine en dieselbrandstof als bedoeld in Richtlijn 98/70/EG, derivaten van minerale oliën, bestemd voor gebruik als brandstof in mobiele of vaste verbrandingsinstallaties, brandstoffen die in een gesloten systeem worden verkocht (bijvoorbeeld flessen vloeibaar gas); kunstschilderverven die onder Verordening (EG) nr. 1272/2008 vallen; asbest, erioniet en vuurvaste keramische vezels; derivaten van aardolie of minerale oliën die in overeenstemming met de geldende wet-en regelgeving worden gebruikt in wegverhardingen of dakbedekkingen (bijvoorbeeld asfalt). 5.In de inrichting mag van een potentieel voor het grondwater schadelijke stof als bedoeld in artikel 5.1.1, onder i, niet meer dan de hierna aangegeven hoeveelheden aanwezig zijn: in geval van een giftige of anderszins schadelijke stof als bedoeld in bijlage 1, onderdeel B, tabel B.1.1 of tabel B.1.2: de voor die stof in die tabel aangegeven drempelwaarde; in geval van een andere potentieel voor het grondwater schadelijke stof, zijnde een tot vloeistof gekoeld gas of een vloeistof: niet meer dan 5 m3 per opslageenheid; in geval van een andere potentieel voor het grondwater schadelijke stof, zijnde een visceuze of vaste stof: niet meer dan 5000 kilogram per opslageenheid.
  1. In afwijking van het bepaalde in het vijfde lid, onder b en c, is de aanwezigheid van een grotere hoeveelheid van de daar bedoelde stof per opslageenheid toegestaan als die stof – getoetst volgens de beoordelingsmethodiek die is opgenomen in bijlage 4, onderdeel B, sub B.2 – naar hoedanigheid, mobiliteit en persistentie toelaatbaar is; 7.Indien in een inrichting als bedoeld in het eerste lid, een potentieel voor het grondwater schadelijke stof aanwezig is, bieden de in het tweede lid bedoelde bodembeschermende voorzieningen en bodembeschermende maatregelen de hoogst mogelijke vorm van bescherming, waaronder in ieder geval wordt verstaan dat volledig gesloten procesapparatuur of procesapparatuur met geïntegreerde lekdetectie wordt toegepast; proces en opslag vrij van de grond boven een vloeistofdichte vloer of een lekbak plaatsvindt; tussentijds bodemonderzoek met een tenminste tweemaal hogere frequentie plaatsvindt dan op basis van de NRB wordt aanbevolen, doch tenminste eenmaal per vijf jaar. 8.De artikelen 5.1.3, eerste en tweede lid, 5.3.5 tot en met 5.3.11 en 5.4.5 zijn van toepassing op een inrichting als bedoeld in het eerste lid. 9.Bij het melden bedoeld in artikel 8.41, eerste lid, van de wet wordt medegedeeld welke potentieel voor het grondwater schadelijke stoffen in de inrichting aanwezig zijn of zullen zijn en welke bodembeschermende voorzieningen en maatregelen zijn of worden getroffen. 10.Indien ten aanzien van een inrichting een algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 8.40 van de wet van toepassing is en niet een melding op grond van artikel 8.41 van de wet is voorgeschreven, geeft degene die de inrichting drijft, kennis van de in het zesde lid bedoelde gegevens. Artikel 5.4.3 van deze verordening is op deze melding van toepassing. Het in de eerste volzin bepaalde is niet van toepassing ten aanzien van een inrichting type A als bedoeld in het besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer. 11.Het tweede tot en met zevende lid is niet van toepassing op degene die een inrichting drijft, voor zover op grond van een algemene maatregel van bestuur of een ministeriële regeling de in die leden bedoelde voor schriften reeds voor die inrichting gelden met het oog op de waterwinning. Activiteiten buiten inrichtingen Artikel5.3.4(werkingssfeer) De artikelen 5.3.5 tot en met 5.3.11 hebben uitsluitend betrekking op activiteiten die in een grondwaterbescher¬mingsgebied en buiten een inrichting worden ondernomen tenzij in deze verordening anders is bepaald. Artikel5.3.5(boorputten en grond-of funderingswerken) 1.Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben. Het verbod geldt niet voor: boorputten voor de controle van het grondwater ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening; het onderzoeken of saneren van de bodem in het kader van de Wet bodembescherming; of tijdelijke bronbemaling ten behoeve van de uitvoering van werken, mits het BRL SIKB 2100 en protocol 2101 in acht wordt genomen; brandputten voor de levering van bluswater in het geval van een calamiteit zoals berm-, bos en heidebranden. 2.Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden grond-of funderingswerken uit te voeren of te hebben op een diepte van drie meter of meer onder het maaiveld. Het verbod geldt niet voor graafwerkzaamheden en het inbrengen van palen indien wordt voldaan aan de volgende algemene voorschriften: bij graafwerkzaamheden: indien grond wordt verwijderd en het bodemprofiel wordt aangevuld tot tenminste drie meter onder het maaiveld zoals dat aanwezig was voorafgaand aan de graafwerkzaamheden, en aansluitend op eventueel aangelegde kunstwerken; voor het inbrengen van palen: indien uitsluitend gebruik gemaakt wordt van: grondverdringende gladde geprefabriceerde palen zonder verbrede voet; in de grond gevormde palen waarbij een hulpbuis wordt gebruikt die niet plaatselijk verbreed is, grondverdringend wordt ingebracht en niet wordt getrokken; of schroefpalen. 3.Van het voornemen tot het oprichten van een boorput of het uitvoeren van grond-of funderingswerken waarbij toepassing wordt gegeven aan de in het tweede lid bedoelde voorschriften, doet degene die de activiteit onderneemt, een melding. Ten aanzien van de melding is artikel 5.4.3 van toepassing. Artikel5.3.6(buisleidingen) Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied een buisleiding te leggen, te hebben, te vervangen, te veranderen of te verleggen. Artikel5.3.7(afstromend water) 1.Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden om afstromend water op of in de bodem te lozen. Het verbod geldt niet ten aanzien van gebouwen: indien geen bouwmaterialen worden gebruikt die tot gevolg hebben dat hetgeen is bedoeld in artikel 5.2.2, eerste lid, onder a, door afspoelen of uitloging in het afstromend water kan komen, of indien afstromend water uitsluitend infiltreert via een doelmatig werkend zuiveringssysteem; bij aanleg of bij reconstructie van wegen: indien het afstromend water uitsluitend infiltreert via een doelmatig werkend zuiveringssysteem. ten aanzien van bestaande wegen en (on)verharde parkeerplaatsen: zolang er een aanleiding is vanuit geconstateerde vervuilingen 2.Van het voornemen tot het lozen van afstromend water op of in de bodem doet degene die de activiteit onderneemt, een melding. Ten aanzien van de melding is artikel 5.4.3 van toepassing 3.Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden afstromend water via diepinfiltratie in het grondwater te lozen. Artikel5.3.7a (gewasbeschermingsmiddelen en biociden) (reservering) Artikel5.3.8(meststoffen) 1.Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied meststoffen op of in de bodem te brengen. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor het op of in de bodem brengen van: dierlijke meststoffen; anorganische meststoffen als bedoeld in het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet; compost als bedoeld in het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet; kalkmeststoffen als bedoeld in het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet. Artikel5.3.9(begraafplaatsen) Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied een begraafplaats of uitstrooiveld als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging of een dierenbegraafplaats aan te leggen. Artikel5.3.10(energietoevoeging en -onttrekking 1.Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied werken tot stand te brengen of handelingen te verrichten waardoor direct of indirect warmte en/of koude aan de bodem wordt onttrokken of toegevoegd. 2.Onder een handeling als bedoeld in het eerste lid wordt in ieder geval begrepen het oprichten, in exploitatie nemen of hebben van alle soorten bodemenergiesystemen. Artikel5.3.11(IBC-bouwstoffen, verontreinigde grond en baggerspecie) 1.Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied IBC-bouwstof toe te passen. 2.Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied grond of baggerspecie toe te passen. 3.Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor de toepassing van grond of bagger-specie: op of in de bodem: indien de kwaliteit van de grond of baggerspecie de achtergrondwaarde niet overschrijdt, dan wel de maximale waarden van de kwaliteitsklasse wonen niet overschrijdt, de kwaliteit van de ontvangende bodem gelijk is aan of slechter is dan de kwaliteitsklasse wonen en de grond of baggerspecie uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is; in oppervlaktewater: indien de kwaliteit van de grond of baggerspecie de achtergrondwaarde niet overschrijdt, dan wel de maximale waarden van de kwaliteitsklasse A. niet overschrijdt, de kwaliteit van de ontvangende waterbodem gelijk is aan of slechter is dan de kwaliteitsklasse A en de grond of baggerspecie uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is; bij toepassing in een omvang van meer dan 5000 m3 indien wordt aangetoond dat de risico’s op verontreiniging van het grondwater voor de betreffende drinkwaterwinning niet toenemen, de grond of baggerspecie uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is en de kwaliteit van de grond of baggerspecie bij een toepassing op of in de bodem de maximale waarden van de kwaliteitsklasse wonen niet overschrijdt; bij een toepassing in oppervlaktewater de maximale waarden van de kwaliteitsklasse A niet overschrijdt; voor zover het betreft baggerspecie die vrijkomt bij regulier onderhoud van watergangen: op het aangrenzend perceel, met het oog op het herstellen of verbeteren van die percelen. 4.Van het voornemen tot een toepassing als bedoeld in het derde lid, onder a, b en c, doet degene die de activiteit onderneemt, een melding. De melding van het voornemen tot een toepassing als bedoeld in het derde lid, onder c, bevat de resultaten van locatiespecifiek onderzoek op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de risico’s op verontreiniging van het grondwater voor de betreffende drinkwaterwinning niet toenemen. Ten aanzien van de melding is artikel 5.4.3 van toepassing. Titel5.4Overige bepalingen Artikel5.4.1(beperkingen instructieverplichting) De verplichtingen van artikel 5.3.2, tweede lid tot het verbinden van voorschriften aan de omgevingsvergunning voor een inrichting gelden niet: ten aanzien van een inrichting voor zover voor degene die de inrichting drijft, de in dat artikel bedoelde voorschriften gelden of aan de vergunning dienen te worden verbonden op grond van een algemene maatregel van bestuur of een ministeriële regeling; voor een omgevingsvergunning voor een inrichting ten aanzien waarvan Onze Minister of de Minister van Economische Zaken het bevoegd gezag is. Artikel5.4.2(relatienotagebied) Deze titel is niet van toepassing op de agrarische bedrijfsvoering in gebieden als bedoeld in artikel 1.2, vijfde lid, laatste vol¬zin, van de wet. Artikel5.4.3(meldingen) 1.Indien in deze verordening het doen van een melding conform dit artikel is voorgeschreven, wordt de melding schriftelijk gedaan en wordt in de melding aangegeven: de naam en het adres van degene die de melding doet; de dagtekening; een beschrijving van de activiteit waarop de melding betrekking heeft; een of meer kaarten op een zodanige schaal dat een duidelijk beeld wordt verkregen van de plaats waar de activiteit zal plaatsvinden; op welke wijze aan de bodembeschermende voorschriften wordt voldaan. 2.De melding wordt gedaan uiterlijk vier weken voordat tot handeling waarop de melding betrekking heeft, wordt overgegaan. 3.Een melding ingevolge een voorschrift dat aan een omgevingsvergunning voor een inrichting is verbonden, wordt gedaan aan het bevoegd gezag. Een melding ingevolge artikel 5.3.3, tiende lid, wordt gedaan aan burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak is of zal zijn gelegen. In andere gevallen wordt de melding gedaan aan gedeputeerde staten. 4.Het bestuursorgaan bevestigt de ontvangst van de melding en stuurt onverwijld een afschrift van de melding aan het drinkwaterbedrijf. Het geeft uiterlijk binnen zes weken na de ontvangst van de melding schriftelijk zijn oordeel of op basis van die gegevens verwacht mag worden dat wordt voldaan aan de voorschriften, waarop de melding betrekking heeft. 5.Indien het bestuursorgaan niet binnen de in het vierde lid bedoelde termijn aan degene die de melding heeft gedaan een bericht als daar bedoeld heeft gezonden, wordt zijn oordeel geacht instemmend te zijn. 6.De aanvang van de daadwerkelijke uitvoering van de werkzaamheden waarop de melding betrekking heeft, wordt minimaal twee weken voor de uitvoering van de werkzaamheden schriftelijk aan het bestuursorgaan gemeld. 7.Indien niet binnen zes maanden na de verzending van de in het tweede lid bedoelde melding met de handeling waarop die melding betrekking had, is begonnen, dient opnieuw een melding te worden gedaan. Artikel5.4.4(ontheffingen) 1.Indien in een bijzonder geval het algemeen belang de uitvoering van een activiteit waarop een verbod betrekking heeft, noodzakelijk maakt, kunnen gedeputeerde staten zo nodig in afwijking van artikel 9.3, eerste lid, ontheffing verlenen van de in de artikelen 5.3.5, 5.3.6, 5.3.7, 5.3.11 opgenomen verboden. Aan de ontheffing worden de voorschriften verbonden die de hoogst mogelijke vorm van bescherming voor de kwaliteit van het grondwater bieden. 2.In aanvulling op de gegevens bedoeld in artikel 9.9, tweede lid, vermeldt de aanvrager in de aanvraag om ontheffing het algemeen belang dat met de uitvoering van de activiteit is gediend. 3.Gedeputeerde staten stellen naast de in artikel 9.11 genoemde organen de inspecteur en het drinkwaterbedrijf in de gelegenheid advies uit te brengen naar aanleiding van de aanvraag om ontheffing en naar aanleiding van het voornemen ten beschikking te geven op grond van artikel 9.6 of 9.7 Artikel5.4.5(mogelijkheid tot afwijken van instructies) 1.Indien in een bijzonder geval het algemeen belang de uitvoering van een activiteit noodzakelijk maakt en de verplichting van de artikel 5.3.2, tweede lid tot het verbinden van voorschriften aan de omgevingsvergunning voor een inrichting daaraan in de weg staat, kan het bevoegd gezag van deze verplichting afwijken. Alsdan worden aan de vergunning de voorschriften verbonden die de hoogst mogelijke vorm van bescherming voor de kwaliteit van het grondwater bieden. 2.Het bevoegd gezag stelt de in artikel 9.11 genoemde organen, de inspecteur en het drinkwaterbedrijf in de gelegenheid advies uit te brengen naar aanleiding van het voornemen om toepassing te geven aan het eerste lid. Hoofdstuk6Bescherming aardkundige monumenten Artikel6.1(aanwijzing aardkundige monumenten) 1.Als gebieden waarvoor regels gelden ter bescherming van de aardkundige monumenten, zijn aangewezen: Duin: Westelijke Kuststrook Texel; Duinen tussen Den Helder en Petten, Zwanenwater; Duingebied van Schoorl en Bergen; Duingebied Noord-Kennemerland, Bergen-Egmond; Duingebied Egmond -Wijk aan Zee; Duinen Nationaal Park Zuid-Kennemerland, Amsterdamse Waterleidingduinen; Stuwwal: Oude land van Texel; Het eiland Wieringen; Stuwwallengebieden van het Gooi; Rivier: Waver, Vecht en Aetsveldsche polder; Veen: vervallen; Alkmaardermeer en Uitgeestermeer; Naardermeer; Zee: Oude Veer en Anna Paulownapolder; Buitendijkse zandplaten; Benningbroek West; Strandwal Spaarnwoude-Haarlemmerliede. 2.De aardkundige monumenten zijn op de bij deze verordening behorende kaarten als zodanig aangegeven en toegelicht. Artikel6.2(zorgplicht) 1.Ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten de kwaliteit van een aardkundig monument kan worden geschaad, is verplicht dergelijk handelen achterwege te laten – behoudens voor zover dat ingevolge de bepalingen van dit hoofdstuk uitdrukkelijk is toegestaan – dan wel, indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die schade te voorkomen, dan wel indien die schade niet kan worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. 2.In geval van een aantasting of een direct dreigende aantasting, behoort tot de maatregelen bedoeld in het eerste lid, in ieder geval dat degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten, terstond gedeputeerde staten informeert. 3.Het eerste en tweede lid zijn niet van toe-passing voor zover artikel 1.1a, van de wet van toepassing is. Artikel6.3(verbod behoudens ontheffing) 1.Het is verboden in of op een in artikel 6.1 genoemd aardkundige monument, handelingen te verrichten, die het aardkundig monument kunnen aantasten. 2.Onder de in het eerste lid genoemde handelingen, worden in ieder geval begrepen: Betreden met voertuigen met hoge wiellasten (>40kN) en hoge bandspanningen (200kPA (2 bar)) die ondergrondverdichting veroorzaken; installeren van bodemenergiesystemen; ontgronden, egaliseren en afgraven voor commerciële doeleinden; ondergrondse infrastructuur; permanente peilverlagingen; storten op of in de bodem of het bedrijven van een stortplaats; graven; natuurbouwprojecten, niet vallend onder de projecten als genoemd in artikel 6.5, eerste lid, onderdeel c. 3.Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid indien naar hun oordeel het aardkundig monument door de beoogde handeling minimaal zal worden aangetast. 4.Onverminderd het derde lid kunnen gedeputeerde staten voor zover sprake is van zwaarwegende maatschappelijke belangen, ontheffing verlenen van het verbod om handelingen te verrichten als bedoeld in het eerste lid. 5.Onder een zwaarwegend maatschappelijk belang als bedoeld in het vierde lid wordt in ieder geval verstaan een aangelegenheid van nationale veiligheid of nationale en regionale infrastructuur, waarbij uit onderzoek is gebleken dat er geen alternatieve locaties of tracés buiten het aardkundig monument voorhanden zijn en waarvoor geldt dat, bij onontkoombaarheid van de aantasting, deze zo minimaal mogelijk is. Artikel6.4(vrijstelling) 1.De volgende activiteiten worden vrijgesteld van het verbod als bedoeld in artikel 6.3, lid 1: Bebouwing en activiteiten binnen een bouwvlak toegestaan op grond van een onherroepelijk geworden bestemmingsplan; particuliere tuinaanleg op een bebouwd perceel; onderhoud en revisie aan bestaande boven- en ondergrondse infrastructuur; agrarische activiteiten op agrarische percelen; installeren, reviseren, onderhoud van winmiddelen binnen het AM ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening en noodvoorzieningen; wettelijk verplicht bodemonderzoek en -sanering. 2.Artikel 6.3, eerste en tweede lid, zijn niet van toepassing op aardkundige monumenten op Texel in de woonkernen Den Hoorn, Den Burg, De Waal, Oosterend en Oost. Artikel6.5(melding) 1.Voor handelingen, die bijdragen aan de instandhouding van het Aardkundig Monument, welke opgenomen zijn in een door gedeputeerde staten goedgekeurd ‘Beheerplan’ voor het gebied waar het AM onderdeel van is, kan worden volstaan met het indienen van een melding bij gedeputeerde staten. Het betreft in elk geval de volgende handelingen: dynamisch duin- en kustbeheer; grondverzet; natuurbouwprojecten ten behoeve van de instandhouding van het aardkundig monument. 2.De melding wordt uiterlijk 4 weken vóór aanvang van de handelingen als bedoeld in het eerste lid ingediend. Artikel6.6(voorschriften en procedure) 1.Aan de ontheffing, bedoeld in artikel 6.3 derde of vierde lid, kunnen voorschriften worden verbonden in het belang van de bescherming of instandhouding van het aardkundig monument. 2.Op de voorbereiding van een beschikking op een aanvraag om ontheffing, dan wel tot wijziging of intrekking van een ontheffing, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Hoofdstuk7Bodemsanering Artikel7.1.1(begripsbepalingen) In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: saneringsplan: een plan als bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de Wet bodembescherming; evaluatieverslag: een verslag als bedoeld in artikel 39c, eerste lid, van de Wet bodembescherming; nazorgplan: een nazorgplan als bedoeld in artikel 39d van de Wet bodembescherming. Artikel7.1.2(wijze van melden) 1.Het rapport van het nader onderzoek als bedoeld in artikel 29 van de Wet bodembescherming, het saneringsplan, het evaluatie-verslag, het nazorgplan en de melding als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wet bodembescherming worden met de daarbij behorende stukken in viervoud bij gedeputeerde staten ingediend, waarbij gebruik wordt gemaakt van een door gedeputeerde staten vastgesteld formulier.
  2. Voor de melding, bedoeld in artikel 28 eerste lid, van de Wet bodembescherming wordt op het formulier als bedoeld in het eerste lid in aanvulling op de gegevens bedoeld in artikel 28, tweede lid, van de Wet bodembescherming in ieder geval vermeld: het adres, de kadastrale aanduiding en de ligging van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt; de naam en het adres van degene die een zakelijk of een persoonlijk recht heeft op het grondgebied, bedoeld onder a, alsmede van de gebruiker daarvan; de naam en het adres van degene in wiens opdracht de sanering zal plaatsvinden dan wel handelingen zullen worden verricht ten gevolge waarvan de verontreiniging van de bodem wordt verminderd of verplaatst. Artikel7.1.3(inhoud saneringsplan) 1.Onverminderd het bepaalde in artikel 39, eerste lid, van de Wet bodembescherming worden in het saneringsplan de volgende gegevens vermeld: Algemene gegevens het adres, de kadastrale aanduiding en de ligging van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt; een kadastrale kaart, welke ten hoogste dertien weken voor de indiening van het saneringsplan door het kadaster is afgegeven, waarop het geval van verontreiniging is aangegeven; een uittreksel van het kadaster waaruit de huidige eigendomssituatie blijkt, welke ten hoogste dertien weken voor de indiening van het saneringsplan door het kadaster is afgegeven; het huidige en voorgenomen gebruik van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt, alsmede de bestemming die op dit grondgebied rust volgens het vigerende bestemmingsplan; de naam en het adres van degene die een zakelijk of een persoonlijk recht heeft op het grondgebied, bedoeld onder 10, alsmede van de gebruiker daarvan; de naam en het adres van degene in wiens opdracht de sanering zal plaatsvinden; de naam en het adres van degene die de sanering feitelijk uitvoert; een overzicht van de bij de uitvoering van de sanering belanghebbende natuurlijke en echtspersonen; een tijdschema met een planning van de werkzaamheden, waarbij in ieder geval de datum is aangegeven waarop met de sanering naar verwachting zal worden begonnen; een specificatie van de bij de uitvoering van de sanering betrokken bedrijven en instanties, voor zover deze ten tijde van het indienen van het saneringsplan bekend zijn; een overzicht van de benodigde vergunningen, meldingen en toestemmingen om het werk te kunnen uitvoeren; indien de sanering in fasen wordt uitgevoerd, als bedoeld in artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming: de voorgenomen fasering, alsmede de argumentatie om de sanering gefaseerd uit te voeren; indien een deelsanering wordt uitgevoerd, als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de Wet bodembescherming: de redenen daarvoor. Keuze saneringsvariant de argumentatie voor de gekozen saneringsvariant met het saneringsdoel. De te nemen maatregelen een beschrijving van de maatregelen die de sanering mogelijk moeten maken; een beschrijving van de te treffen (geo)hydrologische en andere technische voorzieningen met de gekozen dimensionering en de invloed hiervan op de omgeving; een beschrijving van maatregelen die milieuhygienisch ongewenste effecten als gevolg van de sanering voorkomen of zoveel mogelijk beperken; indien verontreinigde grond zal worden afgegraven of verontreinigd grondwater zal worden onttrokken: de te verwachten hoeveelheid af te graven grond dan wel te ontrekken hoeveelheid grondwater; indien de grond of het grondwater geheel of gedeeltelijk niet zal worden gereinigd: de redenen daarvoor; een weergave van de ontgravingscontour en het grondwateronttrekkingssysteem: vanuit bovenaanzicht bezien, aangegeven op een kadastrale kaart, welke ten hoogste dertien weken voor de indiening van het saneringsplan door het kadaster is afgegeven; vanuit zijaanzicht bezien; gegevens over de kwaliteit en kwantiteit van de eventueel te gebruiken aanvulgrond; gegevens over de bestemming van overige verontreinigde stoffen die, naast de verontreinigde grond, vrijkomen bij de sane-ring; een beschrijving van de wijze waarop de voortgang van de grondwatersanering wordt gecontroleerd en hoe over de voortgang wordt gerapporteerd; een beschrijving van de wijze waarop de milieukundige begeleiding van de sane-ring plaatsvindt, waartoe in elk geval behoort: het bijhouden van een logboek. 2.Onverminderd het bepaalde in artikel 39, eerste lid, van de Wet bodembescherming kan het vermelden in het saneringsplan van gegevens als bedoeld in het eerste lid achterwege blijven indien: bij de indiening van het plan wordt aangegeven welke gegevens ontbreken, daarbij de reden wordt aangegeven waarom die gegevens ontbreken, en die gegevens niet noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het saneringsplan. 3.Het eerste lid is niet van toepassing op een saneringsplan dat betrekking heeft op een sanering van de bodem ten aanzien waarvan artikel 9, vijfde lid, van het Besluit tank-stations milieubeheer van toepassing is. Artikel7.1.3a(inhoud saneringsplan waterbodem)
  3. In een geval als bedoeld in artikel 63c, eerste lid, van de Wet bodembescherming bevat het saneringsplan de gegevens als bedoeld in artikel 6.1.3, eerste lid, alsmede de volgende gegevens: bij A. Algemene gegevens de naam en de functie van het oppervlaktewaterlichaam; de wijze waarop de beheerder van het watersysteem waarin zich de verontreiniging bevindt – voorzover deze niet zelf met de sanering is belast – bij de uitvoering van de sanering wordt betrokken; bij C. De te nemen maatregelen de hoeveelheid te verwijderen bagger-specie, onderverdeeld in de hoeveelheid onderhoudsbaggerspecie en de hoeveelheid saneringsbaggerspecie. 2.In een geval als bedoeld in artikel 63c, eerste lid, van de Wet bodembescherming is artikel 6.1.3, tweede lid, van overeenkomstige toe-passing. Artikel7.1.4(meldingsplichten) 1.Degene die de sanering feitelijk uitvoert op grond van een saneringsplan waarmee gedeputeerde staten op basis van artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming hebben ingestemd, meldt uiterlijk een week voor de feitelijke aanvang van de grondsanering, respectievelijk de grondwatersanering schriftelijk bij gedeputeerde staten de aanvangsdatum van de grondsanering, respectievelijk de grondwatersanering. 2.Indien de grondsanering respectievelijk de grondwatersanering niet zal worden gestart op de overeenkomstig het eerste lid gemelde aanvangsdatum of de overeenkomstig dit lid aangepaste aanvangsdatum, meldt de in het eerste lid bedoelde persoon dit onverwijld schriftelijk aan gedeputeerde staten, onder opgave van de nieuwe aanvangsdatum. Indien de nieuwe aanvangsdatum op dat moment nog niet bekend is, meldt de in het eerste lid bedoelde persoon de nieuwe aanvangsdatum minimaal twee weken voor deze datum schriftelijk aan gedeputeerde staten. 3.Indien bij de sanering ontgraving van verontreinigde grond plaatsvindt, stelt de in het eerste lid bedoelde persoon uiterlijk twee dagen voorafgaand aan het tijdstip waarop over het hele gebied van de ontgraving de einddiepte bereikt zal worden en tot aanvulling van de ontgraving zal worden overgegaan gedeputeerde staten van dat tijdstip op de hoogte. Bij ontgraving en aanvulling in gedeeltes, geldt voornoemde verplichting tot melding per gedeelte. 4.De in het eerste lid bedoelde persoon meldt de beëindiging van de grondsanering, respectievelijk de grondwatersanering binnen een week na beëindiging van de grondsanering, respectievelijk de grondwatersanering schriftelijk aan gedeputeerde staten. 5.Indien sprake is van een grondsanering, respectievelijk grondwatersanering waarbij door Gedeputeerde staten is ingestemd met een gefaseerde aanpak overeenkomstig artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming, wordt de beeindiging van iedere afzonderlijke fase op de in het vierde lid beschreven wijze gemeld. 6.Indien de in het eerste lid bedoelde persoon niet degene is die het saneringsplan heeft ingediend, geldt een in het eerste, tweede, vierde en vijfde lid van dit artikel bedoelde verplichting tot melding niet indien degene die het saneringsplan heeft ingediend, die melding overeenkomstig het in het betreffende lid bepaalde heeft gedaan. 7.Indien gedeputeerde staten ten aanzien van de bodem onder oppervlaktewater, voor de inwerkingtreding van de Waterwet, hebben vastgesteld dat er sprake is van een ernstig en spoedeisend geval, zijn de bovengenoemde leden van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van het derde lid. Artikel7.1.5(wijziging saneringsplan) Bij een melding inzake wijziging van het saneringsplan als bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Wet bodembescherming dienen de volgende gegevens te worden verstrekt: alle gegevens die afwijken van het saneringsplan, waarmee gedeputeerde staten op grond van artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming hebben ingestemd; de inhoud van de wijziging; de reden van de wijziging; de gevolgen van de wijziging voor de oorspronkelijk beoogde sanerings-doelstelling en de ter uitvoering daarvan te treffen saneringsmaatregelen. Artikel7.1.6(evaluatieverslag) 1.Degene die de bodem heeft gesaneerd dan wel een fase van de sanering heeft uitgevoerd als bedoeld in artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming biedt uiterlijk dertien weken na beëindiging van de saneringswerkzaamheden het evaluatieverslag aan gedeputeerde staten aan. 2.Onverminderd het bepaalde in artikel 39c, eerste lid, van de Wet bodembescherming worden in het evaluatieverslag de volgende gegevens vermeld: het adres, de kadastrale aanduiding en de ligging van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt; een kadastrale kaart, die de actuele situatie weergeeft, met daarop ingetekend de contour van de bodemverontreiniging en de contour van de uitgevoerde grondsanering, respectievelijk grondwatersanering; een korte omschrijving van de kwaliteit van de bodem voor het uitvoeren van de sanering, waaronder mede begrepen een beschrijving van de aard en omvang van de verontreiniging; gegevens over het verloop van de sane-ring, waaronder in elk geval: de relevante data van de uitvoering; een beschrijving van de uitvoering van de sanering, voor zover deze wijzigingen betreft van onderdelen van het saneringsplan waarmee is ingestemd, alsmede de reden voor deze wijzigingen, die zijn gemeld ingevolge artikel 39, vierde lid, van de Wet bodembescherming; een beschrijving van de uitvoering van de sanering naar aanleiding van aanwijzingen ingevolge artikel 38, vierde lid, en 39, vijfde lid, van de Wet bodembescherming die een wijziging inhouden van onderdelen van het saneringsplan waarmee is ingestemd; een beschrijving van de getroffen saneringsmaatregelen, waaronder afmetingen van ontgravingen, de analyseresultaten van de controlegrondmonsters, depotmonsters, in-en effluentmonsters en monsters uit waarnemingsfilters; de daadwerkelijk gemaakte saneringskosten, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen de kosten van onderzoek en de kosten van sanering. 3.Indien na de sanering nog verontreiniging in de bodem aanwezig is gebleven: een beschrijving van deze verontreiniging, als bedoeld in artikel 39c, eerste lid, onder b, van de Wet bodembescherming met hierbij een verwijzing naar het nazorgplan, bedoeld in artikel 39d, eerste lid, van de Wet bodembescherming dat op deze verontreiniging ziet en dat tegelijkertijd met het evaluatieverslag wordt ingediend bij gedeputeerde staten. 4.Onverminderd het bepaalde in artikel 39c, eerste lid, van de Wet bodembescherming kan het vermelden in het evaluatieverslag van gegevens als bedoeld in het tweede lid achterwege blijven indien: bij de indiening van het evaluatieverslag wordt aangegeven welke gegevens ontbreken, daarbij de reden wordt aangegeven waarom die gegevens ontbreken, en die gegevens niet noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het evaluatieverslag. Artikel7.1.7(nazorgplan)
  4. Onverminderd het bepaalde in artikel 39d, eerste en tweede lid, van de Wet bodembescherming worden in het nazorgplan de volgende gegevens vermeld: Algemene gegevens het adres, de kadastrale aanduiding en de ligging van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt; een kadastrale kaart, die de actuele situatie weergeeft, met daarop ingetekend de contour van de bodemverontreiniging en de contour van de uitgevoerde grondsanering, respectievelijk grondwatersanering; het huidige en toekomstige gebruik van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt, alsmede de bestemming die op dit grondgebied rust volgens het vigerende bestemmingsplan; een overzicht van bij de nazorg betrokken personen en instanties, waartoe in elk geval behoren: naam-en adresgegevens, taken en verantwoordelijkheden; indien een ander dan degene die de bodem heeft gesaneerd in het nazorgplan wordt aangewezen als degene die is belast met de uitvoering van de nazorgmaatregelen: de door betrokken partijen ondertekende contractuele afspraken die gelden en waaruit blijkt dat diegene zich tot de uitvoering hiervan verbindt. Aanvangssituatie een globale beschrijving van de sanering en de reden voor de achtergebleven verontreiniging; een beschrijving van de aard, de omvang, de mate en de ligging van de achtergebleven verontreiniging van de grond en het grondwater, waartoe in elk geval behoort: een kadastrale kaart, die de actuele situatie weergeeft, met daarop de achtergebleven verontreiniging; indien isolerende voorzieningen zijn aangebracht: een beschrijving van de aard van deze voorzieningen, inclusief kaartmateriaal met daarop de ligging van deze voorzieningen (dwarsdoorsnede en bovenaanzicht); indien de restverontreiniging wordt gemonitord: een beschrijving van het monitoringssysteem, inclusief kaartmateriaal met daarop de plaats en filterstelling van de monitoringspeilbuizen (dwarsdoorsnede en bovenaanzicht); een beschrijving van het grondgebied waarop de verontreiniging zich bevindt en haar omgeving, waaronder in ieder geval: de bodemopbouw, de geohydrologie en de aanwezigheid van kwetsbare objecten en activiteiten in de omgeving; een kaart met daarop aangegeven de aanwezige kabels en leidingen in het gebied waar de achtergebleven verontreiniging zich bevindt. Gebruiksbeperkingen indien gebruiksbeperkingen noodzakelijk zijn: een beschrijving van deze beperkingen, met bijbehorend kaartmateriaal (bovenaanzicht); Nazorgmaatregelen de doelstelling van de nazorg; een beschrijving van de nazorgmaatregelen en de nazorgvoorzieningen, alsmede de verwachte levensduur daarvan; indien isolerende voorzieningen zijn aangebracht: een beschrijving van de wijze waarop de aangebrachte isolerende voorzieningen worden beheerd en onderhouden, de wijze en frequentie van de controle op het functioneren van de voorzieningen en de criteria waarmee dit wordt beoordeeld, en de wijze waarop gehandeld wordt als de voorzieningen niet naar behoren functioneren; indien de restverontreiniging wordt gemonitord: een beschrijving van de wijze waarop en de frequentie waarmee de restverontreiniging wordt gemonitord, hoe de resultaten worden geïnterpreteerd de wijze waarop de monitoringsinstrumenten worden beheerd en onderhouden en hoe gehandeld wordt als de verwachte resultaten niet worden bereikt; een beschrijving van hoe wordt gehandeld bij calamiteiten; een overzicht van de benodigde vergunningen, meldingen en toestemmingen om de nazorg te kunnen uitvoeren. Rapportage en evaluatie de tijdstippen waarop over de resultaten van de nazorg aan het bevoegd gezag verslag wordt gedaan. Financiële aspecten een begroting van de kosten van de nazorgmaatregelen, inclusief de eventueel noodzakelijke vervangingen van de voorzieningen. 2.Onverminderd het bepaalde in artikel 39d, eerste en tweede lid, van de Wet bodem bescherming kan het vermelden in het zorgplan na van gegevens als bedoeld eerste lid achterwege blijven indien: bij de indiening van het plan wordt aangegeven welke gegevens ontbreken, daarbij de reden wordt aangegeven waarom die gegevens ontbreken, en die gegevens niet noodzakelijk zijn de beoordeling van het nazorgplan. Artikel7.1.8(saneringen in opdracht van de provincie) 1.Voordat gedeputeerde staten overgaan tot sanering van een geval van ernstige verontreiniging stellen zij een saneringsplan vast. 2.Nadat gedeputeerde staten de sanering of een fase van de sanering als bedoeld in artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming van een geval van ernstige verontreiniging hebben uitgevoerd, stellen zij een evaluatieverslag vast. 3.Indien na de uitvoering van de sanering een verontreiniging in de bodem aanwezig is gebleven en in het evaluatieverslag, bedoeld in het tweede lid, is aangegeven dat beperkingen in het gebruik van de bodem of maatregelen als bedoeld in artikel 39c, eerste lid onder f, van de Wet bodembescherming noodzakelijk zijn, stellen gedeputeerde staten een nazorgplan vast. 4.Op de voorbereiding van een beschikking voor de in dit artikel bedoelde saneringen op grond van artikel 29 van de Wet bodembescherming en van een besluit tot vaststelling van een saneringsplan, respectievelijk een evaluatieverslag en een nazorgplan is de in de afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toe-passing. 5.Gedeputeerde staten kunnen besluiten dat de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure niet wordt toegepast indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat aan de toepassing van die procedure geen behoefte bestaat. 6.Indien gedeputeerde staten toepassing geven aan het vijfde lid, doen zij hiervan mededeling in een of meer dag-, nieuws-of huis aan-huisbladen. 7.Met betrekking tot de inhoud van het saneringsplan, respectievelijk het evaluatieverslag en het nazorgplan zijn de artikelen 39, eerste lid, respectievelijk 39c, eerste lid en 39d, tweede lid, van de Wet bodembescherming en de artikelen 6.1.3, respectievelijk 6.1.6 en 6.1.7 van overeenkomstige toepassing. Artikel7.1.9(nazorgmaatregelen) Afvalzorg Bodemservice B.V. geniet een uitsluitend recht als bedoeld in onderdeel a van artikel 2.24 van de Aanbestedingswet
(2012)met betrekking tot afkoop van langdurige nazorgmaatregelen van achtergebleven bodemverontreiniging. Indien na sanering door of namens de provincie verontreiniging in de bodem is achtergebleven en hierop nazorgmaatregelen noodzakelijk zijn die op basis van langdurige afkoopafspraken door of namens de provincie worden uitgevoerd of van de provincie worden overgenomen, worden deze maatregelen onder voorwaarden opgedragen aan Afvalzorg Bodemservice BV. Hoofdstuk 7a Ontgassen Artikel 7a.1 (begripsbepaling) In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: ADN: Europees Verdrag inzake het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren (Trb. 2001, 67); binnenschip: schip als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Binnenvaartwet; vaarweg: voor het openbaar verkeer met schepen openstaand water in de zin van artikel 1.01, onder D, onder 5°, van het Binnenvaartpolitiereglement; ladingtank: tank vast verbonden met een binnenschip waarvan de wanden hetzij door de scheepsromp zelf, hetzij door van de scheepsromp onafhankelijke wanden zijn gevormd; restladingdamp: damp die na het lossen in de ladingtank achterblijft; stoffen: chemische elementen, verbindingen daarvan dan wel mengsels van die elementen of verbindingen; ontgassen: afvoeren van restladingdamp uit een ladingtank waarbij restladingdampen terechtkomen in de open lucht; schipper: persoon als bedoeld in artikel 1.2.1 van deel 1 van het ADN; vervoerder: de onderneming, bedoeld in 1.2.1 van deel 1 van het ADN; UN-nummer: een getal van vier cijfers dat een gevaarlijke stof identificeert tijdens het transport, zoals vastgelegd in de Recommendations on the Transport of Dangerous Goods van de Verenigde Naties. Artikel 7a.2 (verbod ontgassen) Het is de vervoerder en de schipper verboden een ladingtank met restladingdampen van: benzeen (UN-nummer 1114), ruwe aardolie (UN-nummer 1267) voor zover met meer dan 10% benzeen, aardoliedestillaten N.E.G. met meer dan 10% benzeen of aardolieproducten N.E.G met meer dan 10% benzeen (UN 1268), brandstof voor straalvliegtuigen met meer dan 10% benzeen (UN 1863), brandbare vloeistoffen, N.E.G. met meer dan 10% benzeen (UN 1993), of koolwaterstoffen, vloeibaar met meer dan 10% benzeen (UN 3295) vanaf een binnenschip varend te ontgassen. Gedeputeerde Staten kunnen andere stoffen dan genoemd in het eerste lid aanwijzen waarop het in dat lid bepaalde van overeenkomstige toepassing is, indien dit in het belang van de bescherming van het milieu is of deze stoffen gezondheidsschadelijke eigenschappen bevatten. Artikel 7a.3 (minimumconcentratie restladingsdampen) Van een restladingdamp als bedoeld in artikel 7a.2, eerste lid, is sprake bij een concentratie van die damp groter dan of gelijk aan 10% van de onderste explosiegrens van de desbetreffende stof. Gedeputeerde Staten zijn bevoegd het percentage, genoemd in het eerste lid, te verlagen. Artikel 7a.4 (voorafgaande belading) Het verbod, bedoeld in artikel 7a.2, eerste lid, is niet van toepassing indien kan worden aangetoond dat de drie voorafgaande ladingen in de desbetreffende ladingtank niet bestonden uit stoffen als genoemd in artikel 7a,2, eerste lid, dan wel indien kan worden aangetoond dat de desbetreffende ladingtank bij de voorafgaande belading voor meer dan 95% gevuld was met een andere stof dan vermeld in artikel 7a.2, eerste lid, of aangewezen krachtens het tweede lid van dat artikel. Artikel 7a.5 (veiligheidsredenen) Het verbod, bedoeld in artikel 7a.2, eerste lid, is niet van toepassing, wanneer het ontgassen plaatsvindt: om redenen van drukverevening die om redenen van veiligheid moet plaatsvinden; tijdens of na een calamiteit met het binnenschip, indien het ontgassen om redenen van veiligheid noodzakelijk is. Artikel 7a.6 (overeenkomstige toepassing) Het bepaalde in de artikelen 7a.3, 7a.4 en 7a.5 is van overeenkomstige toepassing voor zover sprake is van een stof als bedoeld in artikel 7a.2, tweede lid. Artikel 7a.7 (vrijstelling) Gedeputeerde Staten kunnen vrijstelling verlenen van het verbod, gesteld in artikel 7a.2, eerste lid, voor daarbij aan te geven categorieën van gevallen. Artikel 7a.8 (ontheffing) Gedeputeerde Staten kunnen met inachtneming van artikel 7a.6 ontheffing verlenen van het verbod, gesteld in artikel 7a.2, eerste lid. Artikel 7a.9(nadere regels) Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen met betrekking tot de in dit hoofdstuk geregelde onderwerpen. Hoofdstuk8Aanwijzing industrieterreinen van regionaal belang Artikel8.1 (aanwijzing industrieterreinen van voor regionaal belang) Als industrieterreinen van regionaal belang als bedoeld in artikel 163, tweede lid, van de Wet geluidhinder zijn aangewezen de volgende gezoneerde industrieterreinen: Westpoort gelegen in de gemeente Amsterdam; Zaandammer- en Achtersluispolder gelegen in de gemeente Zaanstad; IJmond gelegen in de gemeenten Velsen, Beverwijk en Heemskerk; Schiphol-Oost gelegen in de gemeente Haarlemmermeer, en De Pijp gelegen in de gemeente Beverwijk. Hoofdstuk9Ontheffingen en omgevingsvergunningen Artikel9.1 Van de bepalingen van deze verordening en van de daarvan deel uitmakende bijlagen kan een ontheffing als bedoeld in artikel 1.3 van de wet worden verleend voor zover dat bij die bepalingen is aangegeven. Dit hoofdstuk is van toepassing op de totstandkoming van de beschikking op de aanvraag tot het geven van een ontheffing en van de beschikking tot wijziging of intrekking van een ontheffing. Bij het verplicht aanhaken van een ontheffing bij de omgevingsvergunning, is dit hoofdstuk eveneens van toepassing. Artikel9.2 1.Het bevoegd gezag houdt bij de beslissing op de aanvraag om ontheffing in ieder geval rekening met: het voor hem geldende milieubeleidsplan; de richtwaarden voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de gedraging waarvoor ontheffing wordt gevraagd, gevolgen kan hebben, voor zover de verplichting om daarmee rekening te houden is vastgelegd in hoofdstuk
  1. 2.Het bevoegd gezag neemt bij de beslissing op de aanvraag om ontheffing, en indien van toepassing een omgevingsvergunning, in ieder geval in acht de grenswaarden voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de gedraging waarvoor ontheffing wordt gevraagd, gevolgen kan hebben, voor zover de verplichting tot het in acht nemen daarvan is vastgelegd in hoofdstuk
  2. Artikel9.3 1.Een ontheffing, en indien van toepassing een omgevingsvergunning, kan worden verleend, indien het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing, en indien van toepassing een omgevingsvergunning is verleend, zich daartegen niet verzet. 2.De ontheffing, en indien van toepassing een omgevingsvergunning, wordt geweigerd indien door het stellen van voorschriften niet voldoende kan worden tegemoet gekomen aan het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing, en indien van toepassing een omgevingsvergunning, wordt gevraagd. 3.De ontheffing, en indien van toepassing een omgevingsvergunning, wordt in ieder geval geweigerd, indien verlening daarvan niet in overeenstemming zou zijn met hetgeen overeenkomstig artikel 9.2, tweede lid, in acht moet worden genomen. Artikel9.4 1.Aan een ontheffing, en indien van toepassing een omgevingsvergunning, worden de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing of een omgevingsvergunning wordt verleend. 2.Met betrekking tot de ontheffing, en indien van toepassing een omgevingsvergunning, en de hieraan te verbinden voorschriften zijn de artikelen 2.22, eerste en vijfde lid, en tweede lid juncto artikel 2.14, eerste lid, onder a, onder 5°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en 5.5, eerste, vierde en vijfde lid, 5.7, tweede en vijfde lid, en 5.9 van het Besluit omgevingsrecht van overeenkomstige toepassing. Artikel9.5 Een ontheffing, en indien van toepassing een omgevingsvergunning, geldt voor degene aan wie zij is verleend en voor zijn rechtsopvolgers, tenzij bij de ontheffing, en indien van toepassing een omgevingsvergunning, anders is bepaald. Artikel9.6 1.Op aanvraag van de houder van een ontheffing en indien van toepassing een omgevingsvergunning kan het bevoegd gezag voorschriften, die aan de ontheffing en omgevingsvergunning zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog voorschriften aan de ontheffing en de omgevingsvergunning verbinden. 2.Het bevoegd gezag kan – anders dan op aanvraag van de houder – voorschriften die aan een ontheffing, en indien van toepassing een omgevingsvergunning, zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog voorschriften aan een ontheffing en een omgevingsvergunning verbinden in het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing en een omgevingsvergunning is verleend. Artikel9.7 1.Het bevoegd gezag kan een ontheffing, en indien van toepassing een omgevingsvergunning, geheel of gedeeltelijk intrekken op aanvraag van de houder van de ontheffing en omgevingsvergunning, indien het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing of de bepaling waarvoor een omgevingsvergunning is verleend, zich daartegen niet verzet. 2.Het bevoegd gezag kan – anders dan op aanvraag van de houder-een ontheffing, en indien van toepassing een omgevingsvergunning, geheel of gedeeltelijk intrekken indien: het gebruik maken van de ontheffing of de omgevingsvergunning ontoelaatbaar nadelige gevolgen heeft voor het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing of waarvoor een omgevingsvergunning is verleend, en toepassing van artikel 9.6 redelijkerwijs daarvoor geen oplossing biedt; gedurende drie jaar geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de ontheffing of omgevingsvergunning; bij de ontheffing is bepaald dat zij niet geldt voor de rechtsopvolgers van degene aan wie zij is verleend: de houder van de ontheffing niet meer degene is die de gedraging waarvoor ontheffing is verleend, uitvoert; indien het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing, en indien van toepassing een omgevingsvergunning, dat vereist. Artikel9.8 Met betrekking tot de totstandkoming van een beschikking op grond van artikel 9.6 of 9.7 zijn artikel 1.3, derde lid, van de wet en de artikelen 9.2 tot en met 9.4 van overeenkomstige toepassing. Artikel9.9 1.Een aanvraag om een ontheffing, en indien van toepassing een omgevingsvergunning, op de voorbereiding waarvan de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, wordt in vijfvoud ingediend bij het bevoegd gezag. Een aanvraag om een ontheffing van, of een omgevingsvergunning voor, een of meer verboden, vervat in hoofdstuk 9, wordt in zevenvoud ingediend. Andere aanvragen worden in drievoud ingediend, tenzij in deze verordening anders is bepaald. 2.Een aanvraag bevat in ieder geval: een beschrijving van de gedraging waarvoor een ontheffing, en indien van toe-passing een omgevingsvergunning, wordt verzocht, daaronder begrepen gegevens omtrent constructie, afmetingen en het gebruik van installaties of andere werken; een of meer kaarten op een zodanige schaal dat een duidelijk beeld wordt verkregen van de plaats waar de gedraging zal plaatsvinden; een opgave van de hoeveelheid, de aard en de samenstelling van stoffen ten aanzien waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze van belang zijn voor de nadelige gevolgen voor het milieu die de gedraging kan veroorzaken, alsmede van de te verwachten emissies. Artikel9.10 1.Indien afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is met betrekking tot de totstandkoming van de beschikking op de aanvraag om een ontheffing, en indien van toepassing een omgevingsvergunning, stelt het bevoegd gezag in de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van de beschikking op de aanvraag: burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de gedraging waarvoor ontheffing of een omgevingsvergunning wordt gevraagd, plaatsvindt of zal plaatsvinden, in gevallen waarin deze niet het bevoegd gezag zijn, of gedeputeerde staten, in gevallen waarin ontheffing of een omgevingsvergunning wordt gevraagd voor een gedraging die plaats vindt of zal plaatsvinden in een milieubeschermingsgebied, en deze niet het bevoegd gezag zijn. 2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het voornemen een beschikking te nemen als bedoeld in artikel 9.6 of 9.
  3. Artikel9.11 In het geval een aanvraag om ontheffing, en indien van toepassing een omgevingsvergunning, of een voornemen een beschikking te geven op grond van artikel 9.6 of 9.7, betrekking heeft op een in hoofdstuk 5 gesteld verbod, stelt het bevoegd gezag de inspecteur, burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de gedraging waarvoor ontheffing wordt gevraagd, plaatsvindt of zal plaatsvinden, en de grondwateronttrekker in de gelegenheid advies uit te brengen naar aanleiding van die aanvraag respectievelijk over dat voornemen. Hoofdstuk10Vergoeding van kosten en schade Artikel10.1 Dit hoofdstuk is van toepassing op de totstandkoming van beschikkingen van Gedeputeerde staten ingevolge artikel 4.2 en ingevolge artikel 4.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht met betrekking tot de vergoeding van kosten of schade door het van toepassing worden van bepalingen van deze verordening. Artikel10.2 De aanvraag om vergoeding van kosten of schade bevat ten minste de volgende gegevens: de bepalingen van deze verordening door het van toepassing worden waarvan de aanvrager zich voor kosten ziet gesteld, dan wel schade lijdt; de aard en de omvang van de kosten dan wel de schade; de wijze waarop de kosten dan wel de schade naar het oordeel van de verzoeker dienen te worden vergoed en, zo een vergoeding in geld wordt gewenst, het bedrag dat naar zijn oordeel voor vergoeding in aanmerking komt. Artikel10.3 1.Gedeputeerde staten kunnen deskundigen aanwijzen die zijn belast met het adviseren inzake het geven van een beschikking als bedoeld in artikel 10.
  4. 2.Gedeputeerde staten kunnen het advies inwinnen van de in het eerste lid bedoelde deskundigen omtrent een aanvraag om vergoeding of omtrent het voornemen tot een toekenning daarvan uit eigen beweging.
  5. Indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, wordt de aanvrager van de beschikking in de gelegenheid gesteld aan die deskundigen zijn aanvraag toe te lichten. Indien gedeputeerde staten voornemens zijn uit eigen beweging een beschikking te geven, wordt degene tot wie de beschikking zal zijn gericht, in de gelegenheid gesteld zijn opvattingen omtrent het voornemen aan de deskundigen kenbaar te maken. 4.Indien de aanvraag om vergoeding of het voornemen tot de toekenning daarvan uit eigen beweging betrekking heeft op kosten dan wel schade door het van toepassing worden van bepalingen van hoofdstuk 5, en deskundigen zijn aangewezen die zijn belast met het adviseren inzake de toekenning van die vergoeding, wordt de betrokken grondwateronttrekker in de gelegenheid gesteld zijn opvattingen over die aanvraag of dat voornemen aan die deskundigen kenbaar te maken. 5.De deskundigen brengen advies uit inzake: de vraag of de kosten zijn gemaakt, dan wel de schade is geleden door het van toepassing worden van bepalingen van deze verordening; de omvang van de kosten dan wel de schade; de vraag of de kosten dan wel de schade niet of niet geheel ten laste van de benadeelde behoren onderscheidenlijk behoort te blijven; de vraag in hoeverre op een andere wijze in een redelijke vergoeding is of kan worden voorzien; de vraag of er aanleiding is voor maatregelen of voorzieningen waardoor de kosten dan wel de schade, anders dan door een vergoeding in geld, kunnen onderscheidenlijk kan worden beperkt of ongedaan gemaakt; de hoogte van de toe te kennen vergoeding. 6.De deskundigen brengen hun advies zo snel mogelijk uit aan gedeputeerde staten, doch in elk geval binnen dertien weken na ontvangst van het verzoek om advies. Gedeputeerde staten zenden een afschrift van het advies aan degene tot wie de beschikking zal zijn gericht, en in een geval als bedoeld in het vierde lid, tevens aan de grondwateronttrekker. Gedeputeerde staten vermelden daarbij de termijn waarbinnen zij hun opvattingen omtrent het advies aan hen kenbaar kunnen maken. Artikel10.4 Indien geen toepassing is gegeven aan artikel 10.3, tweede lid, en de aanvraag om vergoeding of het voornemen tot de toekenning daarvan uit eigen beweging betrekking heeft op kosten dan wel schade door het van toepassing worden van bepalingen van hoofdstuk 5, stellen gedeputeerde staten de betrokken grondwateronttrekker in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen voordat zij hieromtrent een beslissing nemen. Artikel10.5 1.Indien het gezag als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, gedeputeerde staten verzoekt in te stemmen met de toekenning van een vergoeding van kosten dan wel schade door het aan een omgevingsvergunning voor een inrichting verbinden van voorschriften, waarvan de inhoud is aangegeven in hoofdstuk 4, 5 of 6, gaat dat verzoek tenminste vergezeld van: indien dat gezag een aanvraag om een vergoeding heeft ontvangen: een afschrift van die aanvraag en de daarbij gevoegde stukken; indien de grondwateronttrekker schriftelijk zijn opvattingen over de aanvraag of het voornemen om een vergoeding toe te kennen heeft kenbaar gemaakt: een afschrift van die opvattingen; indien dat gezag een advies van deskundigen als bedoeld in artikel 4.2, derde lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht heeft ingewonnen: een afschrift van dat advies; het ontwerp van de beschikking houdende de toekenning van een vergoeding, dan wel, indien dat gezag de beschikking reeds heeft gegeven: een afschrift van die beschikking. 2.Indien bij het verzoek niet een afschrift van de opvattingen van de grondwateronttrekker is gevoegd, stellen gedeputeerde staten hem in de gelegenheid zijn zienswijze over het verzoek naar voren te brengen 3.Gedeputeerde staten geven de beschikking op het verzoek om instemming uiterlijk vier maanden na ontvangst van dat verzoek, of, indien toepassing wordt gegeven aan artikel 10.3, tweede lid, binnen zeven maanden na ontvangst van het verzoek. Hoofdstuk11Handhaving Artikel11.1 1.Een gedraging in strijd met een voorschrift dat is verbonden aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing, is verboden.
  6. Een gedraging in strijd met een krachtens artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming gegeven beschikking omtrent het saneringsplan en de daaraan verbonden voorwaarden, alsmede een gedraging in strijd met op grond van artikel 27, tweede lid, van de Wet bodembescherming gegeven aanwijzingen dan wel in strijd met op grond van artikel 37, derde lid, van de Wet bodembescherming vastgestelde tijdelijke beveiligingsmaatregelen, is verboden. Artikel11.2 Een gedraging in strijd met artikel 3.2.3, eerste lid, 4.1.4, eerste lid, 5.1.3, eerste lid, 6.2, eerste lid, 7.1.4, 7.1.6 of 7a.2; een verbodsregel uit hoofdstuk 4, 5 of 6; een krachtens artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming gegeven beschikking omtrent het saneringsplan en de daaraan verbonden voorwaarden; een op grond van artikel 27, tweede lid, van de Wet bodembescherming gegeven aanwijzing, of een op grond van artikel 37, derde lid, van de Wet bodembescherming vastgestelde beveiligingsmaatregel, is een strafbaar feit. Hoofdstuk12Slot- overgangsbepalingen Artikel12.1 De Provinciale milieuverordening Noord-Holland tranche 6a wordt ingetrokken. Artikel12.2 Deze verordening treedt in werking op de dag na die van publicatie in het provinciaal blad. Artikel12.3 Deze verordening wordt aangehaald als: Provinciale Milieuverordening Noord-Holland. Artikel12.4 (verleende ontheffingen) 1.Ontheffingen die zijn verleend op grond van artikel 9.4 van deze verordening zoals die gold voor het tijdstip waarop dit artikel in werking is getreden, worden gelijk gesteld aan een ontheffing op grond van hoofdstuk
  7. 2.Ontheffingen die zijn verleend op grond van artikel 11.2 van deze verordening zoals die gold voor het tijdstip waarop dit artikel in werking is getreden, worden gelijk gesteld aan een ontheffing op grond van hoofdstuk
  8. Artikel12.5 (overgangsrecht inrichtingen in waterwingebieden 1.Het in artikel 5.2.1 gestelde verbod tot het in werking hebben van een inrichting in een waterwingebied is niet van toepassing op een inrichting die onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 5.2.1 in overeenstemming met de voor die inrichting op dat moment geldende regels van deze verordening in werking is. 2.Ten aanzien van een inrichting als bedoeld in het eerste lid blijven de op dat moment geldende regels van deze verordening van toepassing voor een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning voor een inrichting is verleend: totdat de in het vierde lid bedoelde voorschriften in werking zijn getreden; voor een inrichting waarvoor geen omgevingsvergunning voor een inrichting is vereist: tot de in het vijfde lid bedoelde dag. 3.Het is verboden een inrichting als bedoeld in het eerste lid of de werking van een dergelijke inrichting te veranderen indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat die verandering naar aard of omvang nadelige gevolgen kan hebben voor de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning. 4.Indien voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid een omgevingsvergunning voor een inrichting is verleend, verbindt het bevoegd gezag binnen vier jaar na de inwerkingtreding van dit artikellid aan de vergunning de voorschriften die zijn bedoeld in artikel 5.3.2, tweede lid. Het bevoegd gezag bepaalt daarbij dat de betreffende voorschriften eerst in werking treden met ingang van de eerste dag van het achtste jaar na de inwerkingtreding van dit artikellid, met uitzondering van het voorschrift bedoeld in artikel 5.3.2, tweede lid, aanhef en onder e, 3° (tussentijds bodemonderzoek) dat direct in werking treedt als het besluit van het bevoegd gezag in werking treedt. Artikel 5.4.5 is van toepassing.
  9. Indien voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid geen omgevingsvergunning voor een inrichting is vereist, zijn artikel 5.3.3, tweede tot en met tiende lid, en artikel 5.4.5 van toepassing met ingang van de eerste dag van het achtste jaar na de inwerkingtreding van die artikelen, met uitzondering van het voorschrift bedoeld in artikel 5.3.3, zevende lid, aanhef en onder c, (tussentijds bodemonderzoek) dat direct in werking treedt. Artikel12.6(overgangsrecht activiteiten buiten inrichtingen in waterwingebieden) Het in artikel 5.2.2, eerste lid, onder b gestelde verbod tot het hebben en gebruiken van een constructie of een werk in een waterwingebied is niet van toepassing op een constructie of een werk die respectievelijk dat onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 5.2.2 in overeenstemming met de daarvoor tot op dat moment geldende regels van deze verordening werd gehouden of gebruikt. Indien de constructie of het werk bestaat uit een gebouw, een weg of een andere verharding is artikel 5.3.7 van overeenkomstige toepassing vanaf het moment dat de constructie of het werk wordt onderworpen aan herstructurering of groot onderhoud. Artikel12.7 (overgangsrecht verboden inrichtingen in grondwaterbeschermingsgebieden) 1.Het in artikel 5.3.1 gestelde verbod tot het in werking hebben van een inrichting in een grondwaterbeschermingsgebied is niet van toepassing op een inrichting die onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 5.3.1 in overeenstemming met de voor die inrichting tot op dat moment geldende regels van deze verordening in werking is. 2.Artikel 12.6, tweede tot en met vijfde lid, is van toepassing. Artikel12.8 (overgangsrecht niet-verboden inrichtingen in grondwaterbeschermingsgebieden)
  10. Indien voor een inrichting als bedoeld in artikel 5.3.2 onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van dat artikel een omgevingsvergunning voor een inrichting van kracht is, verbindt het bevoegd gezag binnen vier jaar na de inwerkingtreding van dat artikel aan de vergunning de in dat artikel bedoelde voorschriften. Het bevoegd gezag bepaalt daarbij dat de betreffende voorschriften eerst in werking treden met ingang van de eerste dag van het achtste jaar na de inwerkingtreding van dat artikel, met uitzondering van het voorschrift bedoeld in artikel 5.3.2, tweede lid, aanhef en onder e, 3° (tussentijds bodemonderzoek) dat direct in werking treedt. Artikel 5.4.5 is van toepassing. 2.Artikel 5.3.3 is voor een inrichting die onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van dat artikel met inachtneming van de op dat moment geldende regels van deze verordening in werking is, van toepassing met ingang van de eerste dag van het achtste jaar na de inwerkingtreding van dat artikel, met uitzondering van het voorschrift bedoeld in artikel 5.3.3, zevende lid, aanhef en onder c (tussentijds bodemonderzoek) dat direct in werking treedt. Voor de inrichting blijven de bedoelde geldende regels van toe-passing tot het in de vorige volzin aangegeven tijdstip. Artikel12.9 (overgangsrecht activiteiten buiten inrichtingen in grondwaterbeschermingsgebieden) 1.De artikelen 5.3.5, 5.3.7 en 5.3.10 zijn niet van toepassing op een activiteit die onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van het op de activiteit betrekking hebbende artikel wordt ondernomen in overeenstemming met de voor die activiteit op dat moment geldende regels op grond van deze verordening. Voor de activiteit blijven de bedoelde geldende regels van toepassing. 2.Het in artikel 5.3.6 gestelde verbod met betrekking tot het hebben van een buisleiding is niet van toepassing op een buisleiding die voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze bepaling is aangelegd met een ontheffing op grond van artikel 10.3.2.3 van deze verordening zoals die gold voor het tijdstip waarop dit artikel in werking is getreden. Het in artikel 5.3.6 gestelde verbod voor het vervangen, veranderen of verleggen van een buisleiding geldt niet voor een buisleiding als bedoeld in de vorige volzin, indien met een door een deskundige opgestelde risicoanalyse is aangetoond dat de kans op grondwaterverontreiniging door dat vervangen, veranderen of verleggen gelijk blijft of kleiner wordt ten opzichte van de daaraan voorafgaande situatie. Van het voornemen tot het vervangen, veranderen of verleggen van de buisleiding doet degene die de activiteit onderneemt, een melding. Ten aanzien van de melding is artikel 5.4.3 van toepassing. 3.Het in artikel 5.3.9 gestelde verbod met betrekking tot een begraafplaats, een uitstrooiveld en een dierenbegraafplaats geldt niet voor het hebben van een begraafplaats, een uitstrooiveld of een dierenbegraafplaats, die respectievelijk dat onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 5.3.9 overeenkomstig de daarvoor op dat moment geldende regels op grond van deze verordening wordt gehouden. Het verbod geldt evenmin voor het uitbreiden van een begraafplaats en een uitstrooiveld als bedoeld in de vorige zin, indien voor die uitbreiding de Inspectierichtlijn Wet op de lijkbezorging van de Inspectie van de Volksgezondheid voor de Milieuhygiëne Staatstoezicht op de Volksgezondheid, laatste druk, in acht wordt genomen, voor zover die richtlijn van belang is voor de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning. Degene die een begraafplaats of een strooiveld uitbreidt, doet daarvan een melding aan gedeputeerde staten. Artikel 5.4.3 is op deze melding van toepassing. Artikel12.10 (overgangsrecht lopende vergunning-en ontheffingprocedures) 1.Indien de aanvraag tot het geven, wijzigen of intrekken van een omgevingsvergunning is ingediend of het ambtshalve voornemen daartoe is bekend gemaakt voor het tijdstip waarop dit artikel in werking treedt, blijft het voor dat tijdstip ten aanzien van zodanige vergunningen in deze verordening bepaalde van toepassing tot het tijdstip waarop de beschikking onherroepelijk is geworden. Met betrekking tot een vergunning die met toe-passing van de vorige volzin is tot stand gekomen, zijn de artikelen 12.5, 12.7 en 12.8 , van overeenkomstige toepassing. 2.Indien de aanvraag tot het geven, wijzigen of intrekken van een ontheffing op grond van een artikel in hoofdstuk 10, van deze verordening is ingediend of het ambtshalve voornemen daartoe is bekend gemaakt voor het tijdstip waarop dit artikel in werking treedt, blijft het voor dat tijdstip ten aanzien van zodanige ontheffingen en de intrekking daarvan geldende recht van toepassing tot het tijdstip waarop de beschikking onherroepelijk is geworden. Met betrekking tot een ontheffing die met toepassing van de vorige volzin is tot stand gekomen, zijn de artikelen 12.6 en 12.9 van overeenkomstige toepassing. Provinciale Staten van Noord-Holland,J.W. Remkes, voorzitter.H.W.M. Oppenhuis de Jong, provinciesecretaris.PROVINCIALE MILIEUVERORDENING NOORD-HOLLAND (PMBV) ZEVENDE TRANCHE - Toelichting De toelichting bestaat uit: Inhoudsopgave tranche 7 Inleiding Aanleiding voor de vernieuwing van deze verordening Globale inhoud en opbouw van de PMV Toelichting per hoofdstuk Inhoudsopgave tranche 7 HOOFDSTUK
  11. ALGEMEEN HOOFDSTUK
  12. INSPRAAK HOOFDSTUK
  13. ALGEMEEN PROVINCIAAL MILIEUBELEID HOOFDSTUK
  14. VOORKOMEN OF BEPERKEN VAN GELUIDHINDER HOOFDSTUK
  15. GRONDWATERBESCHERMING MET HET OOG OP DE WATERWINNING HOOFDSTUK
  16. BESCHERMING AARDKUNDIGE MONUMENTEN HOOFDSTUK
  17. BODEMSANERING HOOFDSTUK
  18. AANWIJZING INDUSTRIETERREINEN VAN REGIONAAL BELANG HOOFDSTUK
  19. ONTHEFFINGEN HOOFDSTUK
  20. VERGOEDING VAN KOSTEN EN SCHADE HOOFDSTUK
  21. HANDHAVING HOOFDSTUK
  22. OVERGANGS-EN SLOTBEPALINGEN BIJLAGEN Bijlage 1 (Grondwaterbescherming met het oog op de waterwinning) 1 Inleiding 1.1 Algemeen Ingevolge artikel 1.2 van de Wet milieubeheer (de Wet) dienen Provinciale Staten een verordening ter bescherming van het milieu vast te stellen. In dat kader is de Provinciale milieuverordening tranche 7 Noord-Holland (PMV) opgesteld. Regels voor Milieubeschermingsgebieden Centraal in de PMV staat het begrip ‘milieu’
  23. Zoals voorgeschreven in de Wet, bevat deze verordening voor twee categorieën van gebieden regels: enerzijds ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning in bij de verordening aangewezen gebieden Grondwaterbeschermingsgebieden); anderzijds inzake het voorkomen of beperken van geluidhinder in bij de verordening aangewezen gebieden (Stiltegebieden). Daarnaast zijn in deze PMV regels opgenomen ter bescherming van aardkundige monumenten
  24. Deze gebieden die de PMV beoogt te beschermen in het kader van de grondwaterkwaliteit, stilte en aardkundige monumenten, kunnen worden aangeduid als milieubeschermingsgebieden. Overige Onderwerpen De PMV geeft verder regels ten aanzien van onderwerpen, die van meer dan gemeentelijk belang zijn en als zodanig niet op lokaal niveau thuishoren. Dit betreft regels over ontheffing riolerings-plicht, bodemsanering (voor zover gedeputeerde staten bevoegd gezag zijn), gebruik van na 1996 gesloten afvalstortplaatsen en industrieterreinen van regionaal belang zijn aangewezen. 1.2 Onderscheid inrichtingen en activiteiten buiten inrichtingen In de verordening wordt een onderscheid gemaakt tussen activiteiten buiten inrichtingen en activiteiten in inrichtingen. Dit vloeit voort uit het systeem van de Wet milieubeheer dat beperkingen stelt aan de mogelijkheid om in de verordening regels te stellen met betrekking tot inrichtingen. Dit systeem brengt met zich mee dat: voor activiteiten buiten inrichtingen in de verordening regels kunnen worden gesteld op grond van artikel 1.2, tweede lid, onder a van de Wet milieubeheer; in de verordening de oprichting, verandering of het in werking hebben van aangewezen categorieën van inrichtingen kan worden verboden (artikel 1.2, zesde lid, onder b, Wet milieubeheer); voor niet omgevingsvergunningplichtige inrichtingen in de verordening regels kunnen worden gesteld (artikel 1.2, zesde lid, onder a, Wet milieubeheer); voor wel omgevingsvergunningplichtige inrichtingen instructies kunnen worden gegeven die het bevoegd gezag – niet zijnde de Minister van VROM of de Minister van EZ – bij de vergunningverlening in acht moet nemen (artikel 1.3c Wet milieubeheer). Een bijzondere positie wordt ingenomen door inrichtingen die worden gedreven door het drinkwaterbedrijf. Verwacht mag worden dat het drinkwaterbedrijf zich (ook in de winzone) tenminste houdt aan de normen voor grondwaterbeschermingsgebieden en dat de zorgplicht in acht wordt genomen. Het college van B&W zal daar bij vergunningverlening op moeten letten. 1.3 Digitale kaartviewer Voor de toepassing van deze verordening is een zo duidelijk mogelijke begrenzing van de gebieden waarvoor de regels gelden noodzakelijk. De kaarten zijn om die reden opgenomen in een digitale kaartviewer, waardoor de gebruiker door het toepassen van verschillende ondergronden en zoomfuncties goed kan bekijken of een locatie wel of niet in een bepaald beschermingsgebied valt. 1 Dit begrip staat voor het fysieke milieu, de fysieke omgeving van de mens in al zijn verschijningsvormen. Daartoe behoort per definitie ook natuur en landschap. 2 Op grond van artikel 1.2, vierde lid Wet milieubeheer kan in de verordening worden bepaald dat bepaalde regels gelden ten aanzien van aan te wijzen delen van het grondgebied. 2 Aanleiding voor de vernieuwing van deze verordening Er zijn diverse redenen om de PMV aan te passen: Grondwater Het Interprovinciaal Overleg (IPO) heeft een nieuw een hoofdstuk grondwaterbescherming voorbereid, dat bij het opstellen van deze PMV vrijwel gereed was. De ‘oude’ PMV tranche 6a was moeilijk toegankelijk en weinig transparant. Het nieuwe IPO-model is ook qua opzet en indeling een aanzienlijke verbetering ten opzichte van de bestaande PMV, en speelt in op veel van de geconstateerde bezwaren. Noord-Holland neemt dit ontwerp nu over als basis voor een wijziging van de eigen PMV, vooruitlopend op de vaststelling van het IPO-model. Door het IPO-model te volgen blijft Noord-Holland (in navolging van Noord-Brabant, die dit reeds heeft doorgevoerd) bovendien zoveel mogelijk in lijn met andere provincies wanneer deze – naar verwachting – in de nabije toekomst dit model eveneens invoeren. Aardkundige monumenten Het beleid voor de bescherming van de 17 Aardkundige Monumenten (AM) is in 2006 voor het eerst in de PMV opgenomen. Voorheen stond in een bijlage van de PMV een tabel, waarin was aangegeven welke handelingen niet zijn toegestaan in de AM. Deze tabel diende als beleidskader. Bij de evaluatie van het AM-beleid in 2008/2009 is gebleken dat dit beleids-/toetsingskader niet toereikend is bij de ontheffingsaanvragen. Het biedt onvoldoende houvast bij het beoordelen van aanvragen en maakte niet inzichtelijk waarom een ontheffing wel of niet kon worden verleend. Scheiding afvalstoffen Bij deze wijziging vervallen tevens de regels met betrekking tot het scheiden van afvalstoffen. Gebleken is dat deze regelgeving niet vereist is in de PMV. Het laten vervallen van de regels past uitstekend in het kader van deregulering en het schrappen van overbodige regels. Een uitgebreidere toelichting treft u hieronder aan. Structuur De structuur van de PMV met bijbehorende bijlagen is ingrijpend gewijzigd, zodat een integrale nieuwe PMV wordt vastgesteld. De PMV is opgeschoond en bevat technische correcties zonder de strekking van die onderdelen te veranderen. 3 Globale inhoud en opbouw van de PMV Procedurele bepalingen zijn te vinden in de hoofdstukken 1, 2, 9, 10, 11 en
  25. Voor de materiële regels is een onderscheid gemaakt in regels die voor de gehele provincie gelden (het "algemeen provinciaal milieubeleid") en regels voor milieubeschermingsgebieden. In de voorgaande versie van de PMV waren de regels voor de grondwaterbescherming grotendeels in bijlagen ondergebracht. Gelet op de gedetailleerdheid van de regels (met veel middelvoorschriften) was dit een logische keuze. In deze PMV zijn de regels voor de grondwaterbescherming eenvoudiger en compacter geworden, met name door de keuze voor doelvoorschriften. Het is nu mogelijk de regels zoveel mogelijk in de verordening zelf op te nemen. Hiermee wordt een grotere transparantie en toegankelijkheid beoogd. Voor de stiltegebieden is gekozen om eenzelfde indeling te gaan volgen als voor grondwaterbescherming. De regels stonden in de oude PMV verdeeld over 3 hoofdstukken, een bijlage en een verouderd Provinciaal Blad (de toestellenlijst). Vanuit de praktijk van de vergunningverlening leverde dat onduidelijkheid op. Daarom is nu gekozen de regels bij elkaar te brengen in één hoofdstuk. Inhoudelijk is de regelgeving echter niet aangepast. Slechts op een paar punten zijn wijzigingen aangebracht om in te spelen op de actualiteit, zoals het wel toestaan van fluistervaren en het verbieden van waterscooters. Zoals gesteld is het onderdeel grondwaterbescherming gebaseerd op een nieuw ontwerp van het IPO. De overige onderdelen zijn gebaseerd op het eerder in interprovinciaal (IPO) verband ontwikkelde model-PMV. Qua vormgeving en systematiek, maar ook inhoudelijk, bestaat er nu een grote mate van overeenkomst tussen dit IPO-model en de Noord-Hollandse PMV. Provincies hebben overigens de mogelijkheid van het model af te wijken; van die mogelijkheid is voor deze PMV op onderdelen gebruik gemaakt. Enerzijds heeft Noord-Holland een aantal onderwerpen toegevoegd, die niet in alle provincies zijn opgenomen. Anderzijds heeft Noord-Holland voor de wel opgenomen onderdelen hier en daar eigen regionale invulling voor de regelgeving. 4 Toelichting per hoofdstuk 4.1 Toelichting Hoofdstuk 1: Algemeen 4.1.1 Toelichting Artikel 1.1 Dit artikel is aangepast op basis van het IPO-model PMV. Enkele begrippen komen inmiddels niet meer voor in de PMV en zijn daarmee vervallen, onder andere omdat de artikelen inzake het gescheiden houden van bedrijfsafvalstoffen vervallen en daarmee ook bijlage
  26. Door herziening van de hoofdstukken over grondwaterbescherming, stiltegebieden en aardkundige monumenten, is er geen apart hoofdstuk meer in de PMV gewijd aan de milieubeschermingsgebieden. De bijlage 4 waarbij deze gebieden werden aangewezen, is verplaatst naar de hoofdtekst. De aanduiding als zodanig blijft relevant om een onderscheid te maken tussen regels voor de gehele provincie en regels voor eenmilieubeschermingsgebied waar één of meer van de genoemde te beschermen waarden zijn. De overige onderdelen zijn zodanig vernummerd, dat weer sprake is een doorlopende nummering zonder vervallen onderdelen. 4.1.2 Toelichting Artikel 1.2 Dit artikel is aangepast in verband met de verwijzing naar de elektronische beschikbaarheid via internet (www.noord-holland.nl) van de bij de verordening behorende kaarten in de kaartviewer van de PMV. 4.1.3 Toelichting Artikel 1.3 Dit artikel is toegevoegd in verband met de nieuwe rol van de Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling (ARO) ten aanzien van hun advisering aan gedeputeerde staten bij ontheffingen van verboden handelingen in aardkundige monumenten, vanwege een zwaarwegend maatschappelijk belang. Dit is nader toegelicht in hoofdstuk 6 van de PMV en paragraaf 4.6.3.3 van deze toelichting. 4.2 Toelichting Hoofdstuk 2: Inspraak 4.2.1 Toelichting Artikel 2.1 Bepaalde plannen en besluiten dienen bekend te worden gemaakt, zodat belanghebbenden hun zienswijze hierop kunnen geven. Kennisgeving van het ontwerp van een plan of besluit gebeurt door publicatie in een of meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze. Vervolgens wordt het ontwerp ter inzage gelegd in het provinciehuis en bij de in de provincie gelegen gemeenten. De kennisgeving vermeld waar en wanneer het ontwerpplan en de daarop betrekking hebbende stukken ter inzage zullen liggen, wie in de gelegenheid worden gesteld hun zienswijze naar voren te brengen en op welke wijze dat moet geschieden. Een belanghebbende kan schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren te brengen. In de kennisgeving zal duidelijk moeten worden aangegeven op welke wijze gereageerd kan worden. In artikel 2.1 van deze verordening wordt de hiervoor geschetste procedure van overeenkomstige toepassing verklaard op besluiten tot: een provinciaal milieubeleidsplan; de wijziging van een provinciaal milieubeleidsplan; een provinciaal milieuprogramma; een wijziging van de provinciale milieuverordening. Bij de voorbereiding betrekken gedeputeerde staten de overheidsorganen, instellingen en organisaties die het meest een belang hebben bij de in het plan te behandelen onderwerpen. Hiertoe behoren in elk geval: de colleges van gedeputeerde staten van de aangrenzende provincies; de overheidsorganen waaraan provinciale bevoegdheden zijn overgedragen bij de uitoefening waarvan met het plan rekening moet worden gehouden, en de inspecteur milieuhygiëne. Dit zijn minimumvereisten, het staat gedeputeerde staten vrij ook andere personen en instanties bij de voorbereiding van het plan te betrekken indien zij dat ter vergroting van het draagvlak of anderszins noodzakelijk vinden. In de praktijk zal al in een vroegtijdig stadium van het planningsproces worden overlegd met andere overheidsorganen en de belangrijkste doelgroepen van het provinciale milieubeleid. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan gemeenten, waterschappen, de industrie en de landbouw. Zodra provinciale staten een besluit hebben vastgesteld, wordt dit bekendgemaakt overeenkomstig afdeling 3.6 Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de van toepassing zijnde artikelen in de Wet milieubeheer
  27. Op grond van artikel 3:42 Awb gebeurt de bekendmaking door kennisgeving van het plan of de zakelijke inhoud ervan in een van overheidswege uitgegeven blad, of een dag-, nieuws-of huis-aan-huisblad, dan wel op andere geschikte wijze. Artikel 4.11, tweede lid, Wet milieubeheer eist dat de kennisgeving in de Staatscourant wordt geplaatst. De publicatie in de Staatscourant is alleen verplicht voor de vaststelling van het provinciale milieubeleidsplan. Tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking van de vaststelling van het plan wordt hiervan mededeling gedaan aan degenen die een zienswijze naar voren hebben gebracht
  28. Desgewenst kan volstaan worden met een mededeling via dagbladen etc.
  29. Afdeling 3.4 Awb eist niet dat expliciet op de ingebrachte zienswijzen wordt besloten. Uit de motivering van het besluit moet blijken wat het bestuursorgaan met de ingebrachte zienswijzen heeft gedaan. Andere overheidsorganen, instellingen en organisaties die bij de voorbereiding van het plan betrokken zijn geweest, kunnen ook van de vaststelling van het plan op de hoogte worden gesteld. Aan een adviseur moet worden medegedeeld dat van zijn advies wordt afgeweken
  30. 4.3 Toelichting Hoofdstuk 3: Algemeen provinciaal milieubeleid In dit hoofdstuk gaat het om het algemene materiële provinciale milieubeleid. Regels die in dit hoofdstuk worden gesteld gelden voor het gehele gebied van de provincie. 4.3.1 Schrappen regels gescheiden houden van bedrijfsafval Titel 4.2 van de provinciale milieuverordening had betrekking op het gescheiden houden van bedrijfsafvalstoffen
  31. De regelgeving in de provinciale milieuverordening past niet meer bij de elders gestelde eisen. Het werkt eerder verwarrend dan dat het ondersteuning biedt. In de praktijk wordt aan deze regelgeving geen toepassing meer gegeven. De ondersteunende rol is ondertussen vervaagd. Oorzaken hiervoor zijn: in de PMV stond een gedetailleerde lijst terwijl de gescheiden te houden bedrijfsafvalstoffen in het Activiteitenbesluit algemeen staan beschreven. De algemene beschrijving gaat uit van een redelijke afvalscheiding, als uitgelegd in het Landelijk afvalbeheerplan; de lijst in de PMV was zo uitgebreid, dat deze niet overeen kwam met het landelijk beleid; voor afval ontvangende inrichtingen kunnen regels in de vergunning worden opgenomen en is de PMV niet nodig; de gebruikte Nederlandse afvalstofcodelijst is in 2002 vervangen door de Europese afvalstofcodelijst en wordt in de praktijk niet meer gebruikt. De regelgeving in de PMV past daardoor niet meer bij de door het rijk gestelde eisen. Er is geen behoefte meer aan regelgeving in de PMV met betrekking tot het gescheiden houden van bedrijfsafval. De artikelen 4.2.1 en 4.2.2 en bijlage 3 kunnen vervallen. Het laten vervallen van de regels past uitstekend in het kader van deregulering en het schrappen van overbodige regels. 3 In de Wet milieubeheer staan de procedures voor de besluiten tot vaststelling van een provinciaal milieubeleidsplan (artikel 4.10 en 4.11), een provinciaal milieuprogramma (artikel 4.15) en de provinciale milieuverordening (artikel 1.4) in diverse artikelen. 4 Artikel 3:43, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht. 5 Overeenkomstig artikel 3:12, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht.6 Ingevolge het eerste lid van artikel 3:43 Algemene wet bestuursrecht. 7 De regels in de provinciale milieuverordening met betrekking tot het gescheiden houden van bedrijfsafvalstoffen waren nog van kracht op grond van het overgangsrecht van artikel XVII van de Wet van 21 juni 2001 tot wijziging van de Wet milieubeheer (structuur beheer afvalstoffen). Volgens dit overgangsrecht bleven regels in provinciale verordeningen over deze onderwerpen van kracht, totdat een algemene maatregel van bestuur dit zou regelen. 4.3.2 Toelichting titel 3.1 (ontheffing rioleringsplicht) Op grond van artikel 10.33 van de Wet milieubeheer kunnen gedeputeerde staten ontheffing verlenen aan gemeenten van de zorgplicht voor de inzameling en het transport van afvalwater (rioleringsplicht) dat vrijkomt binnen de gemeente. Deze verordening schrijft voor: welke gegevens de aanvraag tot ontheffing moet bevatten; dat de procedure van afdeling 3.4 Awb van toepassing is; dat de betrokken waterbeheerders (kwaliteitsbeheerder en kwantiteitsbeheerder) in de gelegenheid moeten worden gesteld advies uit te brengen. 4.3.3 Toelichting Titel 3.2 (gebruik van gesloten stortplaatsen) Algemeen In Titel 8.3 van de wet is met betrekking tot gesloten stortplaatsen een regeling opgenomen die tot doel heeft te waarborgen dat zodanige maatregelen worden getroffen dat de gesloten stortplaats geen nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt dan wel dat de grootst mogelijke bescherming wordt geboden tegen nadelige gevolgen. De maatregelen staan beschreven in artikel 8.49 van de wet. Ter uitvoering van deze maatregelen stelt de exploitant van de stortplaats een nazorgplan op, dat de instemming behoeft van gedeputeerde staten (GS). Vervolgens zijn als gevolg van artikel 8.50 van de wet GS belast met de uitvoering van de maatregelen. Oude situatie In de oude situatie kon het college van B&W het bevoegd gezag zijn voor een activiteit op een gesloten stortplaats, terwijl GS de taak hadden te zorgen voor de instandhouding van nazorgvoorzieningen (bestuurlijk en financiële nazorg). In de Wet milieubeheer is vastgelegd dat in de PMV geen rechtstreeks werkende regels voor inrichtingen mochten worden opgenomen. Hierop was alleen een uitzondering gemaakt voor enerzijds inrichtingen in grondwaterbeschermingsgebieden (met het oog op de grondwaterkwaliteit) en anderzijds het opleggen van een verbod voor de oprichting van inrichtingen in deze gebieden. De uitzondering was er niet ten aanzien van activiteiten op stortplaatsen. Instructieregels in de PMV konden niet waarborgen dat voor elke activiteit voor elke stortplaats de nazorgvoorzieningen beschermd bleven. WABO Met de inwerkingtreding van de Wabo is een knelpunt opgelost ten aanzien van deze beperkte invloed van provincies op activiteiten op en nabij een gesloten stortplaats. Op grond van artikel 3.4 van het Besluit algemene bepalingen omgevingsrecht (Bor) zijn gedeputeerde staten het bevoegd gezag ten aanzien van een omgevingsvergunning voor een activiteit in, op, onder of over een gesloten stortplaats. Een omgevingsvergunning is verplicht voor een inrichting op/onder/over een gesloten stortplaats. Voor elke andere activiteit op/onder/over een dergelijke locatie, waarvoor geen omgevingsvergunningplicht geldt is een ontheffing in het kader van de PMV verplicht. Deze haakt aan bij de omgevingsvergunning. Dit houdt in dat gedeputeerde staten in dat geval een omgevingsvergunning verlenen en daarbij voorschriften opnemen, die in het kader van de ontheffing vereist z

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.