Subsidieregeling Leefomgeving landelijk gebied provincie Utrecht Gedeputeerde Staten van Utrecht; Gelet op het gestelde in de Algemene subsidieverordening provincie Utrecht 2022, de Beleidsregel exploitatiesubsidies en de Beleidsregel subsidiabele kosten projectsubsidies en de Beleidsregel Toezicht en naleving subsidies; Overwegende dat: het met het oog op de overzichtelijkheid, uniformiteit en onderlinge samenhang wenselijk is om verschillende subsidieregelingen voor activiteiten die bijdragen aan de provinciale doelen op het gebied van de leefomgeving, te bundelen in één subsidieregeling; het voor de begrijpelijkheid en de vermindering van de administratieve druk van belang is dat de subsidieregeling zo eenvoudig mogelijk is; deze subsidieregeling als beleidsgrondslag heeft: de Omgevingsvisie provincie Utrecht en de Omgevingsverordening provincie Utrecht; de Landbouwvisie provincie Utrecht 2018 en de Samenwerkingsagenda Landbouw; het Utrechts Programma Landelijk Gebied 1.0; de Natuurvisie provincie Utrecht en het bijbehorende Supplement biodiversiteit; het Interprovinciaal Wolvenplan 2019 en addendum 2023; de Regionale Veenweidenstrategie Utrechtse Veenweiden; het Uitvoeringsprogramma Regionale Veenweidenstrategie Utrechtse Veenweiden 2023-2024; en het Strategisch bosbeleid; Besluiten de volgende subsidieregeling vast te stellen: Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1.1Begripsbepalingen Voor de omschrijving van de begrippen die in deze subsidieregeling worden gebruikt, wordt verwezen naar de bijlage bij dit hoofdstuk. Artikel1.2Toepassingsbereik hoofdstuk 1 Dit hoofdstuk is van toepassing op alle subsidies die op grond van deze subsidieregeling worden verstrekt, tenzij in de hoofdstukken 2 en volgende anders is bepaald. Artikel1.3Financiële vorm van de subsidie De subsidie wordt in de vorm van een geldbedrag verstrekt. Artikel1.4Subsidieaanvraag De aanvraag wordt digitaal ingediend, met gebruikmaking van het daarvoor beschikbare aanvraagformulier op het subsidieportaal van de provincie Utrecht. Artikel1.5Verlenging beslistermijn 1.Een besluit op een subsidieaanvraag wordt binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag verzonden aan de aanvrager. Deze termijn kan met maximaal 13 weken worden verlengd. 2.Als er sprake is van een subsidieplafond en de wijze van verdeling wordt bepaald op basis van de kwaliteit van de aanvraag of op basis van loting, wordt een besluit op een subsidieaanvraag binnen 13 weken na afloop van de aanvraagperiode verzonden. Deze termijn kan met maximaal 13 weken worden verlengd. Artikel1.6Weigeringsgronden In aanvulling op het gestelde in artikel 4:6 van de AsvpU wordt subsidie ook geweigerd: voor zover voor de subsidiabele activiteiten reeds subsidie is verstrekt; in dat geval wordt de subsidie zoveel lager verstrekt als noodzakelijk om betaling boven de werkelijke kosten of maximale vergoeding op grond van Europese regels te voorkomen; voor zover de activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd, voortvloeit uit een wettelijk opgelegde verplichting. Artikel1.7Verplichtingen 1.In de subsidieverleningsbeschikking kunnen aan de subsidieontvanger naast de verplichtingen in deze subsidieregeling, nog andere verplichtingen worden opgelegd die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie. 2.Als een subsidie is aangemerkt als toelaatbare staatssteun, voldoet de subsidieontvanger aan de voorwaarden die de Europese Commissie daaraan heeft gesteld. Artikel1.8Niet subsidiabele kosten De volgende kosten zijn in ieder geval niet subsidiabel tenzij in het betreffende hoofdstuk anders is bepaald: verrekenbare of compensabele heffingen, lasten en belastingen zoals BTW; kosten van bodemsanering voor zover verhaal op de vervuiler of een beroep op fondsen mogelijk is; kosten voor reguliere activiteiten, structurele ondersteuning of het afdekken van exploitatietekorten van activiteiten en organisaties; kosten die gemaakt zijn voor de indieningsdatum van de subsidieaanvraag. Hoofdstuk2Aankoop en ontpachting NNN-gronden Artikel 2.1 Subsidiecriteria
- In het kader van het provinciale meerjarendoel 2.1.1 “het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verder gerealiseerd (groter van oppervlakte)” kan subsidie worden verstrekt voor projecten met activiteiten die zijn gericht op: de verwerving van grond voor te ontwikkelen natuur en te ontwikkelen natuur buiten zoekgebied en het vestigen van een kwalitatieve verplichting als bedoeld in artikel 2.5, derde lid, onder e; de beëindiging van een pachtovereenkomst of erfpacht op grond voor te ontwikkelen natuur en te ontwikkelen natuur buiten zoekgebied of reeds aanwezige natuur en het vestigen van de kwalitatieve verplichting als bedoeld in artikel 2.5, derde lid, onder e.
- Subsidie wordt slechts verstrekt als de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, voldoen aan de volgende criteria: percelen buiten het zoekgebied als bedoeld in het eerste lid, onder a, zijn op basis van een ecologische onderbouwing en na advies van de Kopgroep Akkoord van Utrecht geschikt bevonden om op voorzienbare termijn toe te voegen aan het NNN; op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, vindt duurzaam natuurbeheer plaats of wordt voldoende aannemelijk gemaakt dat er duurzaam natuurbeheer zal plaatsvinden. Artikel 2.2 Subsidieontvangers (doelgroep)
- Subsidie als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, kan worden verstrekt aan een ieder.
- Subsidie als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, kan worden verstrekt aan de eigenaar van de grond. Artikel 2.3 Openstelling
- Gedeputeerde Staten kunnen een of meerdere keren per jaar een openstellingsbesluit vaststellen voor het verstrekken van subsidies op grond van dit hoofdstuk.
- In het openstellingsbesluit, bedoeld in het eerste lid, regelen Gedeputeerde Staten: de aanvraagperiode; het subsidieplafond. Artikel 2.4 Aanvraag
- De verdeling van het beschikbare budget vindt plaats op basis van volgorde van ontvangst met inachtneming van artikel 2.2 AsvpU.
- Een subsidieaanvraag voor de subsidiabele activiteit, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a,wordt uiterlijk op de dag voor het passeren van de notariële akte van levering ingediend.
- Een subsidieaanvraag voor de subsidiabele activiteit, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b,wordt uiterlijk op de dag voor de beëindiging van de erfpacht of van de pachtovereenkomst ingediend.
- Bij de subsidieaanvraag wordt een inrichtingsschets gevoegd, bestaande uit: een schets van de uitgangssituatie; een schets van de te treffen inrichtingsmaatregelen die aansluiten bij prioriteiten op de ambitiekaart in het natuurbeheerplan; de oppervlakte waarop de maatregelen zullen worden uitgevoerd; de met de maatregelen beoogde eindsituatie van het terrein, waarbij minimaal het beoogde beheertype en de oppervlakte daarvan worden aangegeven; en een kaart met ligging percelen. Artikel 2.5 Verplichtingen
- De subsidieontvanger is verplicht: binnen twaalf weken na subsidieverlening zorg te dragen voor de verwerving dan wel het pachtvrij of erfpachtvrij maken van het terrein waarvoor hij subsidie ontvangt; het verworven dan wel pachtvrij of erfpachtvrij gemaakte terrein direct na verwerving dan wel pachtvrij of erfpachtvrij maken als natuur te beheren; het verworven dan wel pachtvrij of erfpachtvrij gemaakte terrein in te richten conform het definitieve inrichtingsplan; het verworven dan wel pachtvrij of erfpachtvrij gemaakte terrein na inrichting te beheren overeenkomstig het type, bedoeld in het vierde lid, onder e; het terrein voor een ieder kosteloos open te stellen tussen zonsopgang en zonsondergang op ten minste 358 dagen per jaar; eventuele opbrengsten van economische activiteiten van het project ten goede te laten komen aan het project; te overleggen en samen te werken met de beheerders van omliggende natuurterreinen om tot een samenhangend beheer te komen; en, bij het bevoegd gezag een aanvraag in te dienen tot wijziging van het omgevingsplan inhoudende dat het terrein enkel als natuur mag worden gebruikt.
- Op verzoek van de subsidieontvanger kan de termijn, genoemd in het eerste lid, aanhef en onder a, worden verlengd tot een door Gedeputeerde staten te bepalen termijn.
- Binnen twee weken na verlening van de subsidie sluit de subsidieontvanger met de provincie Utrecht een overeenkomst als bedoeld in artikel 4:36 van de Algemene wet bestuursrecht, waarin worden opgenomen: de verplichting tot uitwerking van het definitief inrichtingsplan en de termijn waarbinnen deze uitwerking gereed dient te zijn en de goedkeuring door Gedeputeerde Staten dient te zijn verkregen; de verplichting tot inrichting van het verworven dan wel pachtvrij of erfpachtvrij gemaakte terrein en de termijn waarbinnen deze inrichting dient plaats te vinden; de verplichting van de eigenaar van de grond om de betreffende grond niet te gebruiken ofte doen gebruiken als landbouwgrond en overigens datgene na te laten wat de ontwikkelingen de daaropvolgende instandhouding van het te realiseren natuurbeheertype dan wellandschapsbeheertype in gevaar brengt of kan verstoren; dat de verplichtingen, bedoeld onder c, zullen overgaan op degene die het verworven dan wel pachtvrij of erfpachtvrij gemaakte terrein onder algemene of bijzondere titel zullen ver-krijgen en eveneens gelden voor degene die van de rechthebbende een recht op het gebruik van de grond verkrijgen; dat de verplichtingen, bedoeld onder c en d, als kwalitatieve verplichting zullen worden in-geschreven in de openbare registers en de termijn waarbinnen deze inschrijving dient plaatste vinden.
- Het definitieve inrichtingsplan, bedoeld in het derde lid, onder a, omvat: een beschrijving van de uitgangssituatie; een omschrijving van de te treffen inrichtingsmaatregelen; de oppervlakte waarop de maatregelen zullen worden uitgevoerd; de motivering voor het treffen van de betreffende maatregelen; de met de maatregelen beoogde eindsituatie van het terrein, waarbij minimaal het beoogde beheertype en de oppervlakte daarvan worden aangegeven; een beschrijving van de in stand te houden, te verbeteren, aan te leggen of te verwijderen wegen en paden; een tijdplanning waarbinnen de inrichtingsmaatregelen worden gerealiseerd; een gespecificeerde begroting; één of meerdere topografische of digitale kaarten met een schaal van ten hoogste 1:10.000,waarop de grenzen van het terrein zijn aangegeven. Digitale gegevens dienen te worden aangeleverd als GIS-bestand in de vorm van een shapefile. Gedeputeerde Staten kunnen nadere technische specificaties vaststellen waaraan deze bestanden moeten voldoen; en een beschrijving van de wijze waarop de aanvrager na het treffen van de inrichtingsmaatregelen de (beoogde) beheertypen en habitattypen verder zal ontwikkelen en beheren.
- De subsidieontvanger is vrijgesteld van de verplichting, bedoeld in het eerste lid, aanhef en ondere, indien: sluiting nodig is bij of krachtens de Omgevingswet uitgewerkt in het Besluit activiteiten leefomgeving; het terrein naar zijn aard buiten machte van de subsidieontvanger niet toegankelijk is; er een bescherming van de persoonlijke levenssfeer noodzakelijk is tot een maximum vaneen hectare; of het terrein vrijgesteld is op grond van het natuurbeheerplan.
- Het is subsidieontvanger niet toegestaan om de verworven terreinen te vervreemden, in erfpacht uit te geven of daarop zakelijke rechten te vestigen, behoudens toestemming door Gedeputeerde Staten.
- De subsidieontvanger is bij vervreemding, verpachting of vestiging van zakelijke rechten verplicht de ingevolge dit hoofdstuk verstrekte subsidie binnen een termijn van zes maanden terug te betalen aan de provincie Utrecht, tenzij hiervan in de toestemming als bedoeld in het zesde lid ontheffing is verleend.
- Als de subsidieontvanger ook andere economische activiteiten verricht dan de activiteiten genoemd in artikel 2.1, is hij verplicht een gescheiden boekhouding te voeren overeenkomstig punt 44 van de EU-kaderregeling inzake staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst(2012/C 8/03).
- De subsidieontvanger bewaart de administratie en alle documenten inzake een aan hem verstrekte subsidie gedurende een periode van ten minste tien jaar nadat de subsidie is verleend. Artikel 2.6 Aanvraag tot vaststelling
- Bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie worden een afschrift van de aanvraag tot wijziging van het omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, onder h, en een afschrift van de kwalitatieve verplichting als bedoeld in artikel 2.5, derde lid, onder e, overlegd.
- Bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt een afschrift van de notariële akte van levering van het terrein verstrekt.
- Bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, wordt een afschrift van een schriftelijke overeenkomst tot beëindiging van de pachtovereenkomst, een afschrift van de uitspraak van de pachtkamer tot ontbinding van de pachtovereenkomst als bedoeld in artikel 7:377 Burgerlijk Wetboek verstrekt of een bewijsstuk waaruit blijkt dat afstand in de zin van art. 3:81 lid 2 sub c BW van het recht van erfpacht is gedaan.
- Indien sprake is van economische activiteiten, wordt bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie een overzicht verstrekt van de wijze waarop de opbrengsten, bedoeld in artikel 2.5 lid 1 onder f, ten goede zijn gekomen aan het project
- Gedeputeerde Staten stellen subsidies ingevolge de DAEB-kaderregeling vast op basis van prestaties en gerealiseerde kosten. Artikel 2.7 Hoogte van de subsidie
- De subsidie als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, bedraagt ten hoogste: 100% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, aanhef, en onder a toten met h en j tot en met l; 100% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 2.8, eerste lid, aanhef en onder i, meteen maximum van € 5.000,-; Artikel 2.8 Subsidiabele kosten
- Voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, zijn de volgende kosten subsidiabel, mits deze aantoonbaar zijn en voldoen aan artikel 4.8 van de AsvpU en de Beleidsregel projectsubsidies: waardevermindering van de grond; de taxatie door een onafhankelijke taxateur; de kosten voor het kadastraal recht en het registratierecht; de veiling; de notaris; de inschrijving in de openbare registers; overdrachtsbelasting; BTW, voor zover niet verrekenbaar; bodemonderzoek; bemiddeling; kosten voor de afkoop van landinrichtingsrente, voor zover niet meegenomen in de waardevermindering, bedoeld onder a; kosten van het opstellen van een controleverklaring door een accountant, als deze noodzakelijk is voor de verantwoording.
- Voor de activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, zijn de volgende kosten subsidiabel, mits deze aantoonbaar zijn en voldoen aan het gestelde in artikel 4.8 van de AsvpU en de Beleidsregel projectsubsidies: het vrijmaken van (erf)pacht van het terrein tegen een reële vergoeding, blijkend uit een taxatie door een onafhankelijke taxateur; de taxatie door een onafhankelijke taxateur; de notaris; het doorhalen van het recht van erfpacht. Artikel 2.9 Staatssteun Als sprake is van staatssteun, gebeurt dit met inachtneming van het Besluit van de Europese Commissie van 3 juni 2022, C
(2022)3485, met betrekking tot steunmaatregel SA.64168 (2022/N). Hoofdstuk3Leefgebieden bedreigde soorten Artikel 3.1Subsidiecriteria
- In het kader van het provinciale meerjarendoel 2.2.2 “de biodiversiteit in stad en platteland is verbeterd” kan subsidie worden verstrekt voor activiteiten voor uitvoeringsprojecten ten behoeve van behoud, uitbreiding, herstel of verbetering van de leefgebieden van de Utrechtse aandachtsoorten en rode lijstsoorten.
- Subsidie wordt slechts verstrekt als de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, voldoen aan de volgende criteria: de resultaten van de activiteiten zijn relevant en bruikbaar voor instandhouding en ontwikkeling van aandachtsoorten en rode lijstsoorten of hun leefgebieden; er wordt inzichtelijk gemaakt wat het effect van de voorgenomen activiteiten is op deze soorten in het projectgebied; voor zover er plant- en zaaigoed wordt gebruikt, geldt voor bomen en struiken dat deze autochtoon zijn, voor zaden van kruiden geldt dat zij inheems en van regionale afkomst zijn. Artikel 3.2 Subsidieontvangers (doelgroep)
- Subsidie kan worden verstrekt aan: een natuurlijk persoon; een rechtspersoon; een samenwerkingsverband waaraan tenminste één rechtspersoon deelneemt.
- Als het een samenwerkingsverband, bedoeld in het eerste lid, onder c, betreft: wordt subsidie aangevraagd door een, door dat samenwerkingsverband aan te wijzen deelnemer met rechtspersoonlijkheid; draagt het project de instemming van alle deelnemers van het samenwerkingsverband. Artikel 3.3 Aanvraag
- Subsidieaanvragen kunnen het gehele jaar worden ingediend.
- De verdeling van het beschikbare budget vindt plaats op basis van volgorde van ontvangst met inachtneming van artikel 2.2 AsvpU.
- Bij de subsidieaanvraag worden de volgende gegevens en stukken gevoegd: ondersteunend kaartmateriaal; een beschrijving van de wijze waarop beheer en onderhoud worden geborgd; als er sprake is van een samenwerkingsverband van meerdere deelnemers, een document waaruit de instemming blijkt van alle deelnemers van het samenwerkingsverband; als voor de activiteiten toestemming en medewerking vereist zijn van de eigenaar van het leefgebied, of van degene die krachtens overeenkomst of zakelijk recht gerechtigd is tot het gebruik van het leefgebied, een document waaruit die toestemming blijkt. Artikel 3.4 Weigeringsgronden Subsidie wordt geweigerd als: het aangevraagde subsidiebedrag minder bedraagt dan € 5000,-; het project onvoldoende aantoonbaar bijdraagt aan het versterken of beschermen van het leefgebied van de populatie van de betreffende aandachtsoort of rode lijstsoort; het gaat om activiteiten voor weidevogels die door andere regelingen reeds gefinancierd kunnen worden; het project gefinancierd kan worden door de Subsidieregeling kwaliteitsimpuls natuur en landschap provincie Utrecht, de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer provincie Utrecht 2016 of hoofdstuk 7 (Kleine landschapselementen) van deze subsidieregeling; de activiteit een beheermaatregel betreft. Artikel 3.5 Verplichtingen De subsidieontvanger is verplicht: de activiteiten, bedoeld in artikel 3.1, uiterlijk 3 jaar na de datum van de subsidieverlening te realiseren; de resultaten van de activiteiten minimaal 6 jaar na aanleg in stand te houden door beheer en onderhoud; voor zover in het project verspreidingsgegevens van soorten worden verzameld, deze op te nemen in de Nationale Databank Flora en Fauna; bij het verzoek tot vaststelling van de subsidie de resultaten middels een monitoringsverslag bij te voegen dat minimaal bevat: een omschrijving of weergave van de startsituatie; een omschrijving van de uitgevoerde werkzaamheden; een omschrijving en/of weergave van de eindsituatie. Artikel 3.6 Subsidieplafond Het subsidieplafond voor 2025 bedraagt € 300.000,-. Artikel 3.7 Hoogte van de subsidie
- De subsidies bedragen minimaal € 5000,-.
- Voor activiteiten die worden uitgevoerd buiten het stedelijk gebied bedraagt de hoogte van de subsidie maximaal 95% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 60.000,-.
- Voor activiteiten binnen het stedelijk gebied bedraagt de hoogte van de subsidie: maximaal 95% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 30.000,- voor niet-gemeentelijke eigendommen of terreinen die de gemeente niet in erfpacht heeft; maximaal 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 30.000,- voor gemeentelijke eigendommen of terreinen die de gemeente in erfpacht heeft.
- In afwijking van het gestelde in het tweede lid kan de subsidie worden verhoogd tot maximaal € 100.000,- voor activiteiten buiten het stedelijk gebied die naar het oordeel van GS een extra grote bijdrage leveren aan behoud, uitbreiding, herstel of verbetering van de leefgebieden van de Utrechtse aandachtsoorten en rode lijstsoorten. Artikel 3.8 Subsidiabele kosten
- De volgende kosten voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3.1 zijn subsidiabel, mits deze aantoonbaar zijn en voldoen aan artikel 4.8 van de AsvpU en de Beleidsregel projectsubsidies: kosten voor inzet van eigen personeel, externe inhuur en uitbesteding van diensten; kosten voor materialen, hulpmiddelen, apparatuur en gebouwen; kosten voor vrijwilligers voor zover er daadwerkelijk een vergoeding voor wordt betaald tot een maximum van wat belastingvrij kan worden uitgekeerd; kosten voor communicatie en draagvlakvergroting gericht op de inwoners van de provincie Utrecht, ter bevordering van hun betrokkenheid bij de Utrechtse aandachtsoorten en rode lijstsoorten en de mogelijkheid tot beleving van natuur in dat kader, tot maximaal 10% van de subsidiabele kosten; kosten voor scholing van beheerders in relatie tot de gesubsidieerde activiteiten tot maximaal 20% van de subsidiabele kosten; kosten voor onvoorziene omstandigheden tot maximaal 5% van de uitvoeringskosten; legeskosten die gemaakt worden voor vergunningen of ontheffingen die nodig zijn voor de te subsidiëren activiteit, behalve als deze gemaakt worden door een overheid.
- De volgende kosten zijn niet subsidiabel: interne loonkosten van een gemeente of waterschap; kosten voor aanschaf van machines. Hoofdstuk4Bestrijding en beheersing invasieve exoten Artikel 4.1Subsidiecriteria
- In het kader van het provinciale meerjarendoel 2.2.2 “de biodiversiteit in stad en platteland is verbeterd” kan subsidie worden verstrekt voor activiteiten, gericht op het bestrijden of beheersen van invasieve exoten dan wel herstel van biodiversiteit na schade veroorzaakt door een of meer invasieve exoten, in de vorm van: uitvoering van bestrijdings-, beheers- en herstelprojecten alsmede onderzoek naar bestrijdings-, beheers- en herstelmethoden in: leefgebieden van Utrechtse aandachtsoorten; het Natuurnetwerk Nederland (NNN); KRW-oppervlaktewaterlichamen; Natura 2000-gebieden; Weidevogelkerngebieden; Ganzenrustgebieden; Groene contour; Waterparels; Kleine landschapselementen; Waardevolle houtopstanden buiten de bebouwde kom; het opstellen van een gebiedsplan voor bestrijdings- beheersings- en herstelprojecten zoals genoemd onder a; het betrekken van burgers bij de bestrijdings- beheersings- en herstelprojecten zoals genoemd onder a; veldonderzoek om de kosten van de activiteit te kunnen inschatten.
- Subsidie wordt slechts verstrekt als de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, voldoen aan de volgende criteria: de activiteit is gericht op bestrijding en beheersing van, dan wel het herstel van biodiversiteit na schade door één of meer van de volgende invasieve exoten: uitheemse rivierkreeftsoorten; Reuzenberenklauw (Heracleum mantegazzianum); Reuzen- of Springbalsemien (Impatiens glandulifera); Aziatische duizendknopen; Grote waternavel (Hydrocotyle ranunculoides); Ongelijkbladig vederkruid (Myriophyllum heterophyllum); Waterwaaier of Cabomba (Cabomba caroliniana); Watercrassula (Crassula helmsii); Kleine waterteunisbloem of Postelein waterlepeltje (Ludwigia peploides subsp. Montevidensis); Waterteunisbloem (Ludwigia grandiflora); uitvoering van bestrijdings-, beheers- en herstelprojecten alsmede onderzoek naar bestrijdings- en beheersmethoden hebben betrekking op locaties waar de soorten, genoemd in het tweede lid, onder a, de biodiversiteit negatief kunnen beïnvloeden of hebben beïnvloed; en aannemelijk wordt gemaakt dat de activiteit in hoge mate zal bijdragen aan het blijvend terugdringen van desbetreffende invasieve exoot op de beoogde locatie, tenzij de activiteit onderzoek naar één of meer bestrijdingsmethoden betreft waarvan de effectiviteit juist onderzocht zal worden.
- Een activiteit als bedoeld in het eerste lid, onder a, gericht op herstel van biodiversiteit na schade veroorzaakt door een of meer invasieve exoten, komt uitsluitend voor subsidie in aanmerking als benodigd plant- en zaaigoed dat wordt gebruikt om het ecosysteem weerbaarder te maken tegen exoten, inheems, autochtoon en van regionale afkomst is.
- Een gebiedsplan als bedoeld in het eerste lid, onder b, komt uitsluitend voor subsidie in aanmerking als het desbetreffende gebiedsplan betrekking heeft op: één of meer invasieve exoten, genoemd in het tweede lid onder a, met uitzondering van uitheemse rivierkreeften; één van de volgende mogelijkheden: het totale grondgebied van een gemeente; het stroomgebied van een of meer waterlopen dat wordt beheerd door het waterschap en eventueel andere partijen.
- Activiteiten gericht op uitheemse invasieve rivierkreeftsoorten, komen uitsluitend voor subsidie in aanmerking als het een onderzoek naar bestrijdings- en beheersmethoden betreft.
- In afwijking van het eerste lid, onder a, komen onderzoeksprojecten ook voor subsidie in aanmerking als ze niet op locaties plaatsvinden, genoemd in het eerste lid, onder a, mits ze aantoonbaar een nieuwe of gecombineerde methode betreffen die bedoeld is om bij succes (mede) toe te passen op locaties waar de biodiversiteit wel negatief wordt beïnvloed door één van de invasieve exoten, genoemd in het tweede lid, onder a. Artikel 4.2 Subsidieontvangers
- Subsidie kan worden verstrekt aan: rechtspersonen; een samenwerkingsverband van rechtspersonen; een samenwerkingsverband van ten minste één rechtspersoon en natuurlijke personen.
- Als het samenwerkingsverband, bedoeld in het eerste lid, onder b en c, geen rechtspersoonlijkheid bezit: wordt subsidie aangevraagd door een, door dat samenwerkingsverband aan te wijzen deelnemer met rechtspersoonlijkheid; draagt het project de instemming van alle deelnemers van het samenwerkingsverband. Artikel 4.3 Aanvraag
- Subsidieaanvragen kunnen het gehele jaar worden ingediend.
- De verdeling van het beschikbare budget vindt plaats op basis van volgorde van ontvangst met inachtneming van artikel 2.2 AsvpU.
- Bij een subsidieaanvraag worden de volgende gegevens en stukken gevoegd: een projectplan dat in ieder geval beschrijft waar het project of programma wordt uitgevoerd, welke invasieve exoten worden bestreden, welke inheemse biodiversiteit daarvan zal profiteren en hoe, welke maatregelen daarvoor worden uitgevoerd, welke planning is voorzien, op welke wijze de gerealiseerde vermindering van aantallen invasieve exoten in stand worden gehouden en hoe de effecten van de maatregelen worden gemonitord; ondersteunend kaartmateriaal; als er sprake is van een samenwerkingsverband van meerdere deelnemers, een document waaruit de instemming blijkt van alle deelnemers van het samenwerkingsverband; als gebruik wordt gemaakt van een De-minimisverordening, een volledig ingevulde en ondertekende De-minimisverklaring. Artikel 4.4 Weigeringsgronden Subsidie wordt geweigerd als: de activiteit een algemene beheermaatregel betreft, tenzij sprake is van activiteiten als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, onder a; de activiteit betrekking heeft op: toepassing van glyfosaat om invasieve exoten te bestrijden of te beheersen; verspreidingsonderzoek naar invasieve exoten zonder dat de bestrijding of beheersing van die exoten deel uitmaakt van de subsidieaanvraag; het periodiek inzaaien van terreinen en de daarmee gepaard gaande werkzaamheden; sier- en groenteteelt; privé tuinen, tenzij deze direct grenzen aan gebieden, genoemd in artikel 4.1, eerste lid, onder a. en de in die tuinen voorkomende exoten, genoemd in artikel 4.1, tweede lid, onder a, een bedreiging vormen voor de biodiversiteit in die gebieden. Artikel 4.5 Verplichtingen De subsidieontvanger is verplicht: de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt, uiterlijk vijf jaar na de datum van de subsidieverlening te realiseren, met een verlengingsmogelijkheid van maximaal vijf jaar; in geval van uitvoerings- en onderzoeksactiviteiten als omschreven in artikel 4.1, eerste lid, onder a, het voorkomen van de bestreden invasieve soort(en) op de projectlocatie (bij aanvang van het project) op te laten nemen in de Nationale Databank Flora en Fauna; na afloop van uitvoeringsactiviteiten de resultaten van de gesubsidieerde activiteiten middels een monitoringsverslag te delen met de provincie Utrecht. Het monitoringsverslag dient gemaild te worden naar subsidiebiodiversiteit@provincie-utrecht.nl en minimaal de volgende componenten te bevatten: een omschrijving en/of weergave van de startsituatie (voorkomen/groeiareaal, effect op biodiversiteit); een omschrijving van de uitgevoerde werkzaamheden of bestrijdingsmethode en de praktische uitvoerbaarheid daarvan; een omschrijving en/of weergave van de eindsituatie. Artikel 4.6 Subsidieplafond Het subsidieplafond bedraagt in het jaar 2025 € 500.000,-, waarvan: € 300.000, - voor de ‘Utrechtse lijst-soorten’ Aziatische duizendknopen en watercrassula; € 200.000, - voor de Unielijstsoorten reuzenberenklauw, reuzen- of springbalsemien, grote waternavel, ongelijkbladig vederkruid, waterwaaier of cabomba, kleine waterteunisbloem of postelein waterlepeltje, de waterteunisbloem en de uitheemse rivierkreeftsoorten. Artikel 4.7 Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt: maximaal 100% van de subsidiabele kosten voor activiteiten als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, onder a, tot een maximum van € 40.000,- voor de bestrijding van de Unielijstsoorten reuzenberenklauw, reuzen- of springbalsemien, grote waternavel, ongelijkbladig vederkruid, waterwaaier of cabomba, de uitheemse rivierkreeftsoorten en waterteunisbloem en postelein waterlepeltje/kleine waterteunisbloem, en tot een maximum van € 60.000,- voor de bestrijding van Aziatische duizendknopen en de watercrassula; maximaal 100% van de subsidiabele kosten voor activiteiten als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, onder b, tot een maximum van € 10.000,-; maximaal 100% van de subsidiabele kosten voor activiteiten als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, onder c, tot een maximum van € 10.000,-; maximaal 100% van de subsidiabele kosten voor activiteiten als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, onder d, tot een maximum van € 10.000,-; maximaal € 100.000,- cumulatief bij meerdere aanvragen door dezelfde subsidieontvanger per jaar. Artikel 4.8 Subsidiabele kosten
- De volgende kosten voor de activiteiten, bedoeld in artikel 4.1, zijn subsidiabel, mits deze aantoonbaar zijn en voldoen aan artikel 4.8 van de AsvpU en de Beleidsregel projectsubsidies: kosten die gemaakt zijn voordat de aanvraag is ontvangen, als ze aantoonbaar zijn gemaakt na 1 januari 2022; kosten voor inzet van eigen personeel, externe inhuur en uitbesteding van diensten; kosten voor materialen, hulpmiddelen, apparatuur en gebouwen; kosten voor vrijwilligers alleen als hier daadwerkelijk een vergoeding voor wordt betaald tot een maximum van wat belastingvrij kan worden uitgekeerd; legeskosten die gemaakt worden voor vergunningen of ontheffingen die nodig zijn voor de te subsidiëren activiteit, behalve als deze gemaakt worden door een overheid.
- De volgende kosten zijn niet subsidiabel: interne loonkosten van een gemeente of waterschap; kosten voor waardedaling van grond of opbrengstderving; kosten voor de aanleg, beheer en onderhoud van verharde constructies en gebouwen; kosten voor machines, gereedschap en materialen, tenzij deze speciaal bedoeld zijn om invasieve exoten te bestrijden of te beheersen; kosten voor onvoorziene omstandigheden. Artikel 4.9 Staatssteun
- Subsidie aan een agrariër wordt verstrekt met inachtneming van artikel 14 van de Landbouwvrijstellingsverordening.
- Subsidie aan een niet-agrariër wordt verstrekt met inachtneming van artikel 25 van de Algemene Vrijstellingsverordening. Hoofdstuk5Beleefbare natuur Artikel5.1Subsidiecriteria 1.In het kader van het provinciale meerjarendoel 2.3.1 “de betrokkenheid van inwoners bij natuur is groter en de samenwerking tussen bij natuur betrokken partijen is beter” kan subsidie worden verstrekt voor de volgende activiteiten: het ontwikkelen en aanbieden van communicatie uitingen; het ontwikkelen en uitvoeren van educatieve projecten; het ontwikkelen en uitvoeren van activiteiten die bijdragen aan de versterking van draagvlak voor natuurbeleid; het uitvoeren van natuur- en landschapsgericht onderzoek; het ontwikkelen en uitvoeren van activiteiten die bijdragen aan de beleving van natuur; het plaatsen van voorzieningen die bijdragen aan natuurbeleving. 2.Subsidie wordt slechts verstrekt als de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, voldoen aan de volgende criteria: de activiteiten hebben een bovenlokaal niveau door zich te richten op ten minste drie woonkernen; de activiteiten bevorderen de natuurbeleving van inwoners en bezoekers van de provincie Utrecht, anders dan enkel de ontvangers van de subsidie of een kleine selecte groep. Artikel 5.2 Subsidieontvangers (doelgroep) 1.Subsidie kan worden verstrekt aan: natuurlijke personen; rechtspersonen; een samenwerkingsverband van rechtspersonen; een samenwerkingsverband van ten minste één rechtspersoon en natuurlijke personen. 2.Als het samenwerkingsverband, bedoeld in het eerste lid, onder c en d, geen rechtspersoonlijkheid bezit: wordt subsidie aangevraagd door een deelnemer van het samenwerkingsverband met rechtspersoonlijkheid; draagt het project de instemming van alle deelnemers van het samenwerkingsverband. Artikel5.3Aanvraag 1.Subsidieaanvragen kunnen het gehele jaar worden ingediend. 2.De verdeling van het beschikbare budget vindt plaats op basis van volgorde van ontvangst met inachtneming van artikel 2.2 AsvpU. 3.Als gebruik wordt gemaakt van een De-minimisregeling, moet een volledig ingevulde en ondertekende De-minimisverklaring bij de subsidieaanvraag worden gevoegd. 4.Als er sprake is van een samenwerkingsverband van meerdere deelnemers, een document waaruit de instemming blijkt van alle deelnemers van het samenwerkingsverband. Artikel5.4Weigeringsgronden Subsidie wordt geweigerd als het aangevraagde subsidiebedrag minder bedraagt dan € 2.500,-. Artikel5.5Subsidieplafond Het subsidieplafond bedraagt in het jaar 2025 € 300.000,-. Artikel5.6Hoogte van de subsidie 1.De subsidie bedraagt minimaal € 2.500,- en maximaal € 50.000,-. 2.De subsidie bedraagt maximaal 90% van de subsidiabele kosten. Artikel5.7Subsidiabele kosten 1.De volgende kosten voor de activiteiten, bedoeld in artikel 5.1 zijn subsidiabel, mits deze aantoonbaar zijn en voldoen aan artikel 4.8 van de AsvpU en de Beleidsregel projectsubsidies: voorbereidingskosten die tot maximaal 18 maanden voor het indienen van de aanvraag gemaakt zijn, tot een maximum van 15% van de projectkosten; kosten voor inzet van eigen personeel, externe inhuur en uitbesteding van diensten; kosten voor materialen, hulpmiddelen, apparatuur en gebouwen; kosten voor de inzet van vrijwilligers; kosten onvoorzien tot een maximum van 7% van de projectsom; legeskosten, die gemaakt worden voor vergunningen of ontheffingen die nodig zijn voor de te subsidiëren activiteit, behalve als deze gemaakt worden door een overheid. Artikel5.8Staatssteun De subsidie is geen staatssteun als deze verleend wordt onder de van toepassing zijnde De-minimisverordening. Hoofdstuk6Groen doet Goed Artikel6.1Subsidiecriteria 1.In het kader van het provinciale meerjarendoel 2.3.1 “de betrokkenheid van inwoners bij natuur is groter en de samenwerking tussen bij natuur betrokken partijen is beter” kan subsidie worden verstrekt voor de volgende activiteiten: natuureducatie, natuurbeleving of voedseleducatie voor kinderen, bij voorkeur uit versteende wijken; coördinatie en organisatie van de gezamenlijke onder a bedoelde activiteiten. 2.Subsidie wordt slechts verstrekt als met betrekking tot de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, voldaan wordt aan de volgende criteria: de gemeentelijke trekker van Groen doet Goed participeert in het netwerk van Groen doet Goed in de provincie Utrecht; waar mogelijk zijn terreinbeheerders betrokken bij de activiteiten; uit het Jaarplan blijkt dat naast de bijdrage van de provincie ten minste eenzelfde bedrag aan cofinanciering en/of eigen bijdrage beschikbaar is. 3.In afwijking van artikel 1.8, onder c, kunnen de subsidiabele activiteiten, genoemd in het eerste lid, tot de reguliere activiteiten behoren van de subsidieontvanger. Artikel6.2Subsidieontvangers (doelgroep) 1.Subsidie wordt slechts verstrekt aan de in de bijlage bij dit hoofdstuk (Bijlage organisaties Groen doet Goed) genoemde: gemeenten; rechtspersonen die natuureducatie en natuurbeleving verzorgen namens een gemeente. 2.De in het eerste lid genoemde bijlage maakt onlosmakelijk onderdeel uit van dit hoofdstuk. Artikel6.3Aanvraag 1.Subsidieaanvragen kunnen het gehele jaar worden ingediend. 2.In afwijking van artikel 4.4, eerste en vierde lid, van de AsvpU, wordt bij de subsidieaanvraag slechts het Jaarplan gevoegd dat is aangeleverd aan IVN Natuureducatie ter voorbereiding van deze aanvraag. Artikel6.4Verplichtingen De subsidieontvanger is verplicht monitoringsgegevens en teksten voor het gezamenlijke Jaarverslag Groen doet Goed aan te leveren aan IVN Natuureducatie. Artikel6.5Subsidieplafond Het subsidieplafond bedraagt voor 2025 € 150.000,-. Artikel6.6Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt €15.000,-. Artikel6.7Subsidiabele kosten Voor de activiteiten, bedoeld in artikel 6.1, zijn de kosten subsidiabel, die aantoonbaar zijn en voldoen aan artikel 4.8 van de AsvpU. Hoofdstuk7Kleine landschapselementen Paragraaf 7.1 Aanleg en herstel kleine landschapselementen Artikel7.1.1Subsidiecriteria 1.In het kader van de provinciale meerjarendoelen 2.1.3 “natuurgebieden zijn beter met elkaar verbonden”, 2.2.2 “de biodiversiteit in stad en platteland is verbeterd”, 2.1.4 “het areaal bos buiten de NNN en de Groene Contour is vergroot” kan subsidie worden verstrekt voor de volgende activiteiten: aanleg en herstel van kleine landschapselementen als bedoeld in de bijlage bij dit hoofdstuk, binnen het leefgebied dooradering, zoals begrensd in het natuurbeheerplan; aanleg en herstel van kleine landschapselementen als bedoeld in de bijlage bij deze regeling, binnen alle deelgebieden op kaart 1 ‘Te ontwikkelen natuur’ in het natuurbeheerplan. 2.Subsidie wordt slechts verstrekt als de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, voldoen aan de beschrijving, afbakening en voorschriften die zijn opgenomen in de bijlage bij dit hoofdstuk. Artikel7.1.2Subsidieontvangers (doelgroep) 1.Subsidie kan worden verstrekt aan de volgende Collectieven voor agrarisch natuurbeheer: Boerennatuur Rijn, Vecht & Venen, Agrarische Natuur en Landschapsvereniging De Lopikerwaard e.o., Coöperatie BoerenNatuur Utrecht Oost U.A., Collectief Alblasserwaard Vijfheerenlanden Coöperatie U.A en Collectief Eemland. 2.Als eindbegunstigde van de subsidie worden grote ondernemingen uitgesloten. Artikel7.1.3Openstelling 1.Gedeputeerde Staten kunnen een of meerdere keren per jaar een openstellingsbesluit vaststellen voor het verstrekken van subsidies op grond van dit hoofdstuk. 2.In het openstellingsbesluit, bedoeld in het eerste lid, regelen Gedeputeerde Staten: een nadere omschrijving van de doelgroep; het subsidieplafond; de aanvraagperiode. Artikel7.1.4Aanvraag De verdeling van het beschikbare budget vindt plaats op basis van volgorde van ontvangst met inachtneming van artikel 2.2 AsvpU. Artikel7.1.5Weigeringsgronden Subsidie wordt geweigerd: voor aanleg en herstel van kleine landschapselementen op bouwkavels of tuinen, tenzij het om een in het landelijk gebied gelegen bouwkavelgrens of tuingrens gaat die voor maximaal 10% deel uitmaakt van een groter landschapselement dat via deze regeling wordt aangelegd of hersteld; voor aanleg en herstel van kleine landschapselementen op gronden in eigendom van waterschappen, gemeenten of andere overheden; voor aanleg en herstel van kleine landschapselementen die dienen tot uitvoering van wettelijke verplichtingen of een bestaand convenant, een bestaande regeling of afspraak; als op de landbouwgrond of het natuurterrein nog verplichtingen rusten op grond van deze regeling of enige andere regeling, op grond waarvan een subsidie is verstrekt met betrekking tot agrarisch natuurbeheer of natuurbeheer; als de subsidieaanvrager een onderneming is die in financiële moeilijkheden verkeert, als bedoeld in de Communautaire richtsnoeren inzake staatssteun voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (PbEU 2014/C 249/01). Artikel7.1.6Verplichtingen De subsidieontvanger is verplicht: de gesubsidieerde activiteiten gedurende tenminste 12 jaren in stand te houden en te beheren; een eindrapportage op te leveren die een beschrijving en de oppervlakte van de aangelegde landschapselementen bevat en een GIS-kaart met daarop een overzicht en locatie van de gerealiseerde landschapselementen. Artikel7.1.7Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten. Artikel7.1.8Subsidiabele kosten De volgende kosten voor de activiteiten, bedoeld in artikel 7.1.1 zijn subsidiabel, mits deze aantoonbaar zijn en voldoen aan artikel 4.8 van de AsvpU en de Beleidsregel projectsubsidies: loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde, kosten voor de voorbereiding van aanleg en herstel, zoals het werven van deelnemers; loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde, kosten voor aanleg en herstel; legeskosten die gemaakt worden voor vergunningen of ontheffingen die nodig zijn voor de te subsidiëren activiteit, tot een maximum van 20% van de subsidiabele kosten. Artikel7.1.9Staatssteun Als sprake is van staatssteun, gebeurt dit met inachtneming van het Besluit van de Europese Commissie van 26 oktober 2018, C
(2018)6937, met betrekking tot steunmaatregel SA.44848 (2017/N) (Catalogus Groenblauwe diensten). Paragraaf 7.2 Aanleg van kleine landschapselementen met functieverandering van grond Artikel7.2.1Subsidiecriteria 1.In het kader van de provinciale meerjarendoelen 2.1.3 “natuurgebieden zijn beter met elkaar verbonden”, 2.2.2 “de biodiversiteit in stad en platteland is verbeterd” en 2.1.4 “het areaal bos buiten de NNN en de Groene Contour is vergroot” kan subsidie worden verstrekt voor de volgende activiteit: de combinatie van de aanleg van kleine landschapselementen L01.02, L01.03, L01.04, L01.06, L01.10, L01.11 en L01.12 als bedoeld in de bijlage bij dit hoofdstuk, die zich bevinden binnen het leefgebied dooradering, begrensd in het natuurbeheerplan, met functieverandering van de percelen, of gedeelten daarvan, voor deze kleine landschapselementen. 2.Subsidie wordt slechts verstrekt als de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, voldoen aan de volgende criteria: de percelen zijn gedurende vijf jaar voorafgaand aan het indienen van de aanvraag onafgebroken in gebruik geweest voor de primaire landbouwproductie; de percelen waarvoor subsidie voor functieverandering van de grond wordt aangevraagd, zijn gedurende vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag geregistreerd bij RVO als landbouwgrond; de betrokken landbouwproductiecapaciteit wordt gesloopt of onherroepelijk gesloten; de totale oppervlakte van de aan te leggen landschapselementen bedraagt per grondeigenaar minimaal 2500 m² of de totale lengte van landschapselementen L1.03, L1.06 en L1.10 is meer dan 500 meter; in afwijking van d. mag de vereiste 500 meter aaneengesloten liggen op aangrenzende percelen van twee verschillende eigenaren; de kleine landschapselementen voldoen aan de beschrijving, afbakening en voorschriften die zijn opgenomen in de bijlage bij dit hoofdstuk; er is een taxatie van de waardevermindering van de betreffende grond bij functieverandering in opdracht van de provincie Utrecht uitgevoerd voorafgaand aan de aanvraag. Artikel7.2.2Subsidieontvangers (doelgroep) 1.Subsidie kan worden verstrekt aan de volgende Collectieven voor agrarisch natuurbeheer: Boerennatuur Rijn, Vecht & Venen, Agrarische Natuur en Landschapsvereniging De Lopikerwaard e.o., Coöperatie BoerenNatuur Utrecht Oost U.A., Collectief Alblasserwaard Vijfheerenlanden Coöperatie U.A. en Collectief Eemland. 2.Als eindbegunstigde van de subsidie worden grote ondernemingen uitgesloten. Artikel7.2.3Openstelling 1.Gedeputeerde Staten kunnen een of meerdere keren per jaar een openstellingsbesluit vaststellen voor het verstrekken van subsidies op grond van dit hoofdstuk. 2.In het openstellingsbesluit, bedoeld in het eerste lid, regelen Gedeputeerde Staten: een nadere omschrijving van de doelgroep; het subsidieplafond; de aanvraagperiode. Artikel 7.2.4 Aanvraag Bij de subsidieaanvraag worden de volgende gegevens en stukken gevoegd: een inrichtingsplan met minimaal informatie over: locatie, soortkeuze en ontwerp; toelichting op bijdrage aan biodiversiteit en ecologisch verbindende functie gekozen plantmateriaal, inclusief herkomst; terreinvoorbereiding en aanplant; bescherming, onderhoud en beheer; oplevering; kostenraming; één of meer topografische of digitale kaarten met een schaal van ten hoogste 1:10.000, waarop de grenzen van de landbouwgrond waarvoor de subsidie wordt aangevraagd, zijn aangegeven, alsmede op die landbouwgrond gelegen wegen en paden. Digitale kaarten worden aangeleverd als GIS-bestand in de vorm van een shapefile; als op de landbouwgrond waarvoor een subsidie functieverandering wordt aangevraagd, een recht van hypotheek is gevestigd, een verklaring van geen bezwaar van de natuurlijke of rechtspersoon die het recht van hypotheek toekomt. Artikel7.2.5Weigeringsgronden Subsidie wordt geweigerd: voor aanleg van kleine landschapselementen op bouwkavels of tuinen; voor aanleg van kleine landschapselementen op gronden in eigendom van waterschappen, gemeenten of andere overheden; voor aanleg van kleine landschapselementen die dienen tot uitvoering van wettelijke verplichtingen of een bestaand convenant, een bestaande regeling of afspraak; als subsidie wordt aangevraagd door een onderneming die niet aan de relevante Unienormen of nationale wet- en regelgeving voldoet en op basis daarvan hun productie hoe dan ook moet stopzetten; als de subsidieaanvrager een onderneming is die in financiële moeilijkheden verkeert, als bedoeld in de Communautaire richtsnoeren inzake staatssteun voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (PbEU 2014/C 249/01); als op de landbouwgrond of het natuurterrein nog verplichtingen rusten op grond van deze regeling of enige andere regeling, op grond waarvan een subsidie is verstrekt met betrekking tot agrarisch natuurbeheer of natuurbeheer. Artikel7.2.6Verplichtingen De eindbegunstigde is verplicht: binnen twaalf weken na verlening van de subsidie met de provincie Utrecht een overeenkomst af te sluiten, waarin is opgenomen: \ de kwalitatieve verplichting als bedoeld in artikel 6:252 van het Burgerlijk Wetboek dat de eigenaar de grond niet gebruikt of doet gebruiken als landbouwgrond, het terrein beheert overeenkomstig het landschapselement zoals genoemd in artikel 7.2.1, eerste lid, en datgene nalaat wat de veiligstelling van het landschapsbeheertype kan verstoren; en dat deze verplichting zal overgaan op al degenen die het terrein onder bijzondere of algemene titel zullen verkrijgen en dat mede gebonden zullen zijn al degenen die van de rechthebbende een recht op gebruik van het terrein zullen krijgen; binnen vier weken nadat de overeenkomst tot stand is gekomen, op kosten van de provincie Utrecht, de overeenkomst in de openbare registers in te laten schrijven als kwalitatieve verplichting ten aanzien van het terrein; een afschrift van de kwalitatieve verplichting binnen vier weken na inschrijving in de openbare registers toe te zenden aan Gedeputeerde Staten van Utrecht; het betreffende element door de provincie Utrecht op te laten nemen op de kaart landschapselementen op afgewaardeerde grond, welke valt onder de Omgevingsverordening met bijbehorende activiteitenregels; op de uit productie genomen gronden binnen twee jaar na subsidieverlening landschapselementen te realiseren, en wel zodanig dat nadelige milieueffecten worden voorkomen. Tot dan moeten de cultuurgronden in een goede landbouw- en milieuconditie worden gehouden overeenkomstig artikel 13 van de Verordening (EU) 2021/2115 en de toepasselijke uitvoeringsbepalingen. Artikel7.2.7Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten. Artikel7.2.8Subsidiabele kosten De volgende kosten voor de activiteiten, bedoeld in artikel 7.2.1 zijn subsidiabel, mits deze aantoonbaar zijn en voldoen aan artikel 4.8 van de AsvpU en de Beleidsregel projectsubsidies: loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde, kosten voor de voorbereiding van aanleg, zoals het werven van deelnemers; loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde, kosten voor aanleg; het verschil tussen de marktwaarde voor en na de aanleg. De marktwaarde van de landbouwgrond en de marktwaarde van de grond na aanleg worden bepaald op basis van een taxatie die in opdracht van de provincie Utrecht wordt uitgevoerd door een onafhankelijk taxateur. Bij de taxatie wordt als peildatum gehanteerd de eerste dag van de maand waarin de aanvraag volledig is; legeskosten, die gemaakt worden voor vergunningen of ontheffingen die nodig zijn voor de te subsidiëren activiteit, behalve als deze gemaakt worden door een overheid en tot een maximum van 20% van de subsidiabele kosten. Artikel7.2.9Staatssteun Als sprake is van staatssteun, gebeurt dit met inachtneming van het Besluit van de Europese Commissie van 26 oktober 2018, C
(2018)6937, met betrekking tot steunmaatregel SA.44848 (2017/N) (Catalogus Groenblauwe diensten). Hoofdstuk8Verplaatsing landbouwbedrijven [gereserveerd] Hoofdstuk9Niet-productieve investeringen agrarisch natuurbeheer Artikel9.1Subsidiecriteria In het kader van het meerjarendoel 2.2.1 “door effectief en efficiënt beheer van bestaande bos-, natuur- en agrarische gebieden worden de kwaliteiten beter vastgehouden en ontwikkeld” kan subsidie worden verstrekt voor de volgende activiteiten: herstel-, inrichtings- of beheermaatregelen voor natuur, landschap en biodiversiteit ten behoeve van de uitvoering van een afgegeven of nog af te geven subsidiebeschikking agrarisch natuurbeheer op basis van de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer provincie Utrecht
- Artikel9.2Subsidieontvangers (doelgroep) Subsidie kan worden verstrekt aan een Collectief voor agrarisch natuurbeheer werkzaam in de provincie Utrecht. Artikel9.3Openstelling 1.Gedeputeerde Staten kunnen een of meerdere keren per jaar een openstellingsbesluit vaststellen voor het verstrekken van subsidies op grond van dit hoofdstuk. 2.In het openstellingsbesluit, bedoeld in het eerste lid, regelen Gedeputeerde Staten: een nadere omschrijving van de doelgroep; een nadere omschrijving van de subsidiabele activiteiten; het subsidieplafond; de aanvraagperiode. en de wijze van verdeling. Artikel9.4Aanvraag 1.De verdeling van het beschikbare budget vindt plaats op basis van volgorde van ontvangst met inachtneming van artikel 2.2 AsvpU. 2.Als gebruik wordt gemaakt van een De-minimisregeling, moet een volledig ingevulde en ondertekende De-minimisverklaring bij de subsidieaanvraag worden gevoegd. Artikel9.5Weigeringsgronden Subsidie wordt geweigerd als reeds voor dezelfde activiteiten subsidie is verleend op basis van de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer provincie Utrecht
- het aangevraagde subsidiebedrag minder bedraagt dan € 5000,-. Artikel9.6Verplichtingen De subsidieontvanger is verplicht: de gesubsidieerde activiteiten in te zetten ten behoeve van de uitvoering van een afgegeven of nog af te geven subsidiebeschikking agrarisch natuurbeheer op basis van de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer provincie Utrecht 2016 of een opvolger van deze verordening; de gesubsidieerde activiteiten tenminste zes jaar in stand te houden. Artikel9.7Hoogte van de subsidie 1.De hoogte van de subsidie bedraagt minimaal € 5.000,-; 2.De subsidie bedraagt maximaal 100 procent van de subsidiabele kosten. Artikel9.8Subsidiabele kosten De volgende kosten voor de activiteiten, bedoeld in artikel 9.1 zijn subsidiabel, mits deze aantoonbaar zijn en voldoen aan artikel 4.8 van de AsvpU en de Beleidsregel projectsubsidies: voorbereidingskosten die tot maximaal 18 maanden voor het indienen van de aanvraag gemaakt zijn tot een maximum van 15% van de projectkosten; kosten voor inzet van eigen personeel, externe inhuur en uitbesteding van diensten; kosten voor materialen, hulpmiddelen, apparatuur en gebouwen; legeskosten, die gemaakt worden voor vergunningen of ontheffingen die nodig zijn voor de te subsidiëren activiteit, behalve als deze gemaakt worden door een overheid. Artikel9.9Staatssteun De subsidie is geen staatssteun als deze verleend kan worden onder de van toepassing zijnde De-minimisverordening. Hoofdstuk10Agroforestry Artikel10.1Subsidiecriteria 1.In het kader van het provinciale meerjarendoel 2.1.4 “het areaal bos buiten het NNN en de Groene Contour is vergroot” kan subsidie worden verstrekt voor de aanleg van agroforestry, waaronder voedselbossen, op gronden met een agrarische functie gelegen binnen de provincie Utrecht. 2.De activiteiten, genoemd in het eerste lid, komen uitsluitend voor subsidie in aanmerking als aan de volgende criteria wordt voldaan: het perceel waarop de bomen en/of meerjarige houtige gewassen worden aangeplant, heeft een minimale oppervlakte van één hectare; en er wordt een minimum van 30 bomen of meerjarige houtige gewassen per hectare aangeplant: zo veel mogelijk evenredig verspreid over het perceel; aan randen van het perceel, de watergangen of de perceelscheidingen; of als lijnvormige elementen op het perceel in één of meer rijen van ieder minimaal 20 meter. Artikel10.2Subsidieontvangers (doelgroep) Subsidie kan uitsluitend worden verstrekt aan rechtspersonen, eenmanszaken, maatschappen en vennootschappen onder firma (VOF) die actief zijn in de landbouwsector en ingeschreven met een SBI-code beginnend met 01.1 tot en met 01.
- Artikel10.3Aanvraag 1.Subsidieaanvragen kunnen het gehele jaar worden ingediend. 2.De verdeling van het beschikbare budget vindt plaats op basis van volgorde van ontvangst met inachtneming van artikel 2.2 AsvpU. 3.Bij de aanvraag worden de volgende gegevens verstrekt: offertes voor de kosten, genoemd in artikel 10.8, onder a en b; een GIS-kaart waarop de ligging van het perceel is aangegeven; een projectplan dat minimaal informatie bevat over: huidige landbouwactiviteiten; vorm en omschrijving van het agroforestry systeem; motivering keuze agroforestry systeem; activiteitenbeschrijving en planning; beplantingsplan; en risico's van het project. 4.Als gebruik wordt gemaakt van een De-minimisregeling, moet een volledig ingevulde en ondertekende De-minimisverklaring bij de subsidieaanvraag gevoegd worden. 5.Als voor de activiteiten toestemming en medewerking vereist zijn van de eigenaar van het perceel, of van degene die krachtens overeenkomst of zakelijk recht gerechtigd is tot het gebruik van het perceel, dient bij de subsidieaanvraag een document gevoegd te worden waaruit toestemming blijkt voor de realisatie en instandhouding van de gerealiseerde agroforestry voor ten minste de termijn genoemd in artikel 10.5, onder c. Artikel10.4Weigeringsgronden Subsidie wordt geweigerd: als het aangevraagde subsidiebedrag minder bedraagt dan € 5.000,-; voor zover op de landbouwgrond nog verplichtingen rusten op grond van deze regeling of enige andere regeling op grond waarvan een subsidie is verstrekt met betrekking tot aanleg van agroforestry; voor aanleg van agroforestry die dient tot uitvoering van wettelijke of contractuele verplichtingen, een bestaand convenant, een bestaande regeling of overeenkomst; voor realisatie van agroforestry op gronden in eigendom van waterschappen, gemeenten of andere (semi-)overheden; voor het planten van: invasieve soorten zoals opgenomen in (de meest recente versie van) de Unielijst horende bij Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten; soorten genoemd in het Uitvoeringsprogramma Invasieve Exoten 2022 - 2026 van de provincie Utrecht. Artikel10.5Verplichtingen De subsidieontvanger is verplicht: de aanplant ten behoeve van agroforestry binnen 24 maanden na de datum van het besluit tot subsidieverlening te realiseren; de aanplant ten behoeve van agroforestry te realiseren passend binnen het geldende omgevingsplan; de gesubsidieerde activiteiten gedurende tenminste 12 jaren in stand te houden en te beheren na de datum van aanplant. Artikel10.6Subsidieplafond Het subsidieplafond bedraagt voor 2025 tot en met 2028 jaarlijks € 250.000,-. Artikel10.7Hoogte van de subsidie 1.De subsidie bedraagt minimaal € 5.000,- en maximaal € 20.000,-. 2.De hoogte van de subsidie bedraagt maximaal 75% van de subsidiabele kosten. Artikel10.8Subsidiabele kosten De volgende kosten voor de activiteiten, bedoeld in artikel 10.1 zijn subsidiabel, mits deze aantoonbaar zijn en voldoen aan artikel 4.8 van de AsvpU en de Beleidsregel projectsubsidies: de kosten van de aankoop van bomen en meerjarige houtige gewassen ten behoeve van agroforestry; de kosten voor de aankoop van toebehoren voor de aanleg en instandhouding van de bomen en meerjarige houtige gewassen; de kosten van huur van machines in verband met de aanplant; directe loonkosten in verband met de aanplant en/of aan derden betaalde kosten voor de aanplant; aan derden betaalde kosten voor advies en ondersteuning ten behoeve van het aanslaan en een goede opbouw van de aanplant, voor maximaal 2 jaar en tot maximaal € 500,-; legeskosten tot een maximaal bedrag van € 500,-, die gemaakt worden voor vergunningen of ontheffingen die nodig zijn voor de te subsidiëren activiteit. Artikel10.9Staatssteun De subsidie is geen staatssteun als deze verleend kan worden onder de van toepassing zijnde De-minimisverordening. Hoofdstuk11Utrechtse Monitor Duurzame Landbouw Melkveehouderij 2025-2028 Artikel11.1Subsidiecriteria 1.In het kader van provinciale meerjarendoel 2.4.1 “de landbouw is meer circulair, natuurinclusief, klimaatneutraal en economisch rendabel” kan subsidie worden verstrekt voor deelname van melkveehouders aan de Utrechtse Monitor Duurzame Landbouw in de periode 2025 tot en met
- 2.Subsidie wordt slechts verstrekt als de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, voldoen aan de volgende criteria: het project wordt uitgevoerd in de provincie Utrecht; het project is gericht op het versterken van de biodiversiteit en kringlooplandbouw; het project komt ten goede aan het platteland of de agrarische sector in de provincie Utrecht; het project leidt, met behulp van onafhankelijk kennisdeling, tot een geringer grondstoffengebruik en een meer gesloten kringloop alsmede tot meer biodiversiteit, blijkend uit een praktijkscan van de nulsituatie per deelnemer; de deelnemers aan de UDML zijn evenredig verdeeld over de werkgebieden van de Utrechtse collectieven, waarbij wordt rekening gehouden met de spreiding van de deelnemers aan de UMDL 2024-2027 en het aantal melkveebedrijven dat in het werkgebied gevestigd is; zo mogelijk worden vier van elk van de volgende typen bedrijven geselecteerd: gangbaar en gecertificeerd biologisch. 3.De praktijkscan, bedoeld in het tweede lid, onder d: beschrijft de nulsituatie van de deelnemer op basis van de vijftien indicatoren van de Utrechtse Monitor Duurzame Landbouw Melkveehouderij, opgenomen in de bijlage bij dit hoofdstuk, onderdeel A, B en C. De nulsituatie heeft betrekking op het jaar voorafgaand aan de uitvoering van het project; beschrijft per jaar tenminste drie maatregelen die de deelnemer wil uitvoeren om een hogere totaalscore te halen dan in de nulsituatie; en maakt een realistische inschatting van de score per Kritische Prestatie Indicator (KPI) die de deelnemer verwacht te behalen gedurende de looptijd van het project, uitgesplitst per jaar. 4.Elke deelnemer scoort ten minste 300 punten in de praktijkscan van de nulsituatie, bedoeld in het derde lid, onder a, om voor een beloning door het collectief in aanmerking te komen. Artikel11.2Subsidieontvangers (doelgroep) 1.Subsidie kan worden verstrekt aan: een Collectief voor agrarisch natuurbeheer; of een samenwerkingsverband van twee of meer Collectieven voor agrarisch natuurbeheer; 2.Als een samenwerkingsverband als bedoeld in het eerste lid, onder b, geen rechtspersoonlijkheid bezit: wordt subsidie aangevraagd door één Collectief voor agrarisch natuurbeheer; en draagt het project de instemming van de andere deelnemers van het samenwerkingsverband, blijkend uit een samenwerkingsverklaring. Artikel11.3Aanvraag 1.Subsidieaanvragen kunnen worden ingediend tot 28 januari
- 2.De verdeling van het beschikbare budget, met inachtneming van artikel 2.3 AsvpU, vindt plaats op basis van de kwaliteit van de aanvragen (tender). 3.In aanvulling op het gestelde in artikel 4.4 van de AsvpU worden bij de subsidieaanvraag ook de volgende gegevens en stukken gevoegd: informatie waaruit blijkt dat de subsidieaanvrager aantoonbaar: beschikt over ervaring op het gebied van adviesverstrekking; beschikt over hiertoe gekwalificeerd en opgeleid personeel; en betrouwbaar is gebleken op de gebieden waarover zij advies verstrekt; een projectplan met in ieder geval: de wijze waarop wordt voldaan aan de vereisten in dit hoofdstuk ; de wijze waarop de deelnemer wordt begeleid door middel van de praktijkscan, groepsbijeenkomsten en coaching; de bevindingen en wijze waarop jaarlijks de borging door middel van een steekproef bij 10% van de deelnemers wordt uitgevoerd door een onafhankelijke partij; als gebruik wordt gemaakt van een De-minimisverordening, een volledig ingevulde en ondertekende De-minimisverklaring; als er sprake van een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 11.2, tweede lid, een document waaruit de instemming van de samenwerkende Collectieven voor agrarisch natuurbeheer blijkt. Artikel11.4Weigeringsgronden Subsidie wordt geweigerd als het aangevraagde subsidiebedrag minder bedraagt dan € 25.000,-. Artikel11.5Verplichtingen De subsidieontvanger is verplicht: het project binnen drie maanden na verlening van de subsidie te starten; een overeenkomst te sluiten met de deelnemers aan de UMDL op volgorde van binnenkomst. Voor het bepalen van de volgorde van binnenkomst van de deelnemers geldt het moment waarop de ondertekende en volledig ingevulde deelnemersovereenkomst, inclusief bijbehorende documenten, bij het collectief zijn aangeleverd. ervoor zorg te dragen dat uit de overeenkomst blijkt: dat aan de deelnemer slechts een zodanig bedrag wordt verstrekt dat over een periode van drie belastingjaren het plafond voor De-minimissteun niet wordt overschreden; de bereidheid van de deelnemer tot deelname aan het project gedurende in totaal vier jaar; dat de deelnemer de subsidieaanvrager machtigt de gegevens uit de databases Centrale Database KringloopWijzer, RVO gecombineerde opgave en SCAN-ICT van BoerenNatuur in te zien en op te vragen, die ten minste nodig zijn om de vijftien indicatoren, opgenomen in de bijlage bij dit hoofdstuk, te kunnen monitoren; het project af te ronden met een eindverslag binnen vijf jaar na het uitvoeren van de praktijkscan van de nulsituatie; voor iedere deelnemer jaarlijks de beloning vast te stellen, conform de berekening, opgenomen in bijlage bij dit hoofdstuk, onderdeel B en C, tot een maximum van € 5.000 per deelnemer per jaar; de beloning, na schriftelijke goedkeuring van het voorgangsverslag door de provincie, jaarlijks uiterlijk 15 december uit te betalen aan de deelnemers; jaarlijks de bevindingen en de resultaten (inclusief de praktijkscan anoniem per bedrijf met de scores per KPI) van het project UMDL 2025-2028 voor de provincie Utrecht toegankelijk te maken; een administratie bij te houden van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onder b, van de Awb en deze desgevraagd aan gedeputeerde staten over te leggen; interne procedures te hebben vastgesteld ten behoeve van de bescherming van concurrentiegevoelige en persoonsgegevens van de deelnemende melkveehouders; de bevindingen en de resultaten van het project anoniem toegankelijk te maken voor derden, zoals voor onderzoek, monitoring en evaluaties, mits de provincie Utrecht daartoe toestemming heeft verleend. Publicatie van bevindingen en resultaten van het project is alleen toegestaan na akkoord van de provincie Utrecht, adviesgroep en de bestuurlijk begeleidingsgroep UMDL. in alle communicatie uitingen en bijeenkomsten over de UMDL Melkveehouderij, het logo van de provincie Utrecht op te nemen en te vermelden dat de provincie Utrecht hieraan subsidie heeft verleend. Artikel11.6Subsidieplafond Het subsidieplafond bedraagt voor de periode 2025 tot en met 2028 € 4.487.660, waarvan € 127.660,- specifiek voor klimaat. Artikel11.7 Hoogte van de subsidie 1.De subsidie bedraagt minimaal € 25.000,- 2.De hoogte van de subsidies bedraagt maximaal 100 procent van de subsidiabele kosten. Artikel11.8Subsidiabele kosten De volgende kosten zijn subsidiabel: kosten voor de activiteiten, bedoeld in artikel 11.1, die aantoonbaar zijn en voldoen aan artikel 4.8 van de AsvpU; de beloningen aan de deelnemers; BTW, voor zover niet verrekenbaar. Artikel11.9Voortgangsrapportages Op grond van de artikelen 1.4 en 6.3 AsvpU wordt de verantwoording door subsidieontvanger gedaan via een jaarlijkse voortgangrapportage over het lopende en indien van toepassing over het nog niet gerapporteerde deel van het voorafgaande jaar. De rapportage, inclusief over de uitgevoerde borging, praktijkscan (met voorgenomen maatregelen) en kennisuitwisselingsactiviteiten, wordt uiterlijk 1 oktober ingediend bij de provincie via het door de provincie vastgestelde format voortgangsverslag. Deze rapportage bevat: een voorstel voor de uitbetaling aan de deelnemers op de volgende manier: het overleggen van een praktijkscan per deelnemende melkveehouder (anoniem) van de gemaakte inschatting vooraf en de definitieve score per KPI, overeenkomstig het daartoe door de provincie vastgestelde format “praktijkscan eindsituatie”; de praktijkscan eindsituatie waaruit blijkt in welke mate de doelstellingen en maatregelen voor de KPI’s uit de praktijkscan van de nulsituatie per deelnemer, per jaar zijn behaald; de additionele vastlegging en beloning van CO2-equivalent, voor de KPI’s onder 6, 10 en 11 in bijlage B en C bij dit hoofdstuk; een beschrijving van de activiteiten (inclusief bodem-, water-, mest-, gras- en/of kuilanalyses) met een vergelijking tussen de begroting en daadwerkelijke uitgaven; bewijsstukken als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Landbouwvrijstellingsverordening, waaruit de gerealiseerde kosten blijken. Artikel11.10Staatssteun 1.De subsidieontvanger verstrekt de beloning aan de deelnemers in de vorm van De-minimissteun. 2.De subsidie wordt verstrekt met in achtneming van artikel 22 van de Landbouwvrijstellingsverordening. Hoofdstuk12Utrechtse Monitor Duurzame Landbouw Fruitteelt 2025-2028 Artikel12.1Subsidiecriteria 1.In het kader van provinciale meerjarendoel 2.4.1 “de landbouw is meer circulair, natuurinclusief, klimaatneutraal en economisch rendabel” kan subsidie worden verstrekt voor deelname van fruittelers aan de Utrechtse Monitor Duurzame Landbouw in de periode 2025 tot en met
- 2.Subsidie wordt slechts verstrekt als de activiteiten, zoals bedoeld in het eerste lid, voldoen aan de volgende criteria: het project wordt uitgevoerd in de provincie Utrecht; het project is gericht op het versterken van de biodiversiteit en kringlooplandbouw; het project komt ten goede aan het platteland of de agrarische sector in de provincie Utrecht; het project leidt, met behulp van onafhankelijk kennisdeling, tot een geringer grondstoffengebruik en een meer gesloten kringloop alsmede tot meer biodiversiteit, blijkend uit een praktijkscan van de nulsituatie per deelnemer aan de Utrechtse Monitor Duurzame Landbouw Fruitteelt; deze deelnemers zijn evenredig verdeeld over de fruitteelt gebieden Kromme Rijnstreek, Utrechtse Waarden en Vijfheerenlanden en maximaal drie buiten deze gebieden in de provincie Utrecht.
- De praktijkscan, bedoeld in het tweede lid, onder d: beschrijft de nulsituatie van de deelnemer op basis van de zeventien indicatoren van de Utrechtse Monitor Duurzame Landbouw Fruitteelt, opgenomen in de bijlage bij dit hoofdstuk, onderdeel A, B en C. De nulsituatie heeft betrekking op het jaar voorafgaand aan de uitvoering van het project; beschrijft per jaar tenminste drie maatregelen die de deelnemer wil uitvoeren om een hogere totaalscore te halen dan in de nulsituatie; en maakt een realistische inschatting van de score per Kritische Prestatie Indicator (KPI) die de deelnemer verwacht te behalen gedurende de looptijd van het project, uitgesplitst per jaar; Elke deelnemer scoort ten minste 300 punten in de praktijkscan van de nulsituatie, bedoeld in het derde lid onder a, om voor een beloning door het collectief in aanmerking te komen. Artikel12.2Subsidieontvangers (doelgroep) 1.Subsidie kan worden kan worden verstrekt aan: een Collectief voor agrarisch natuurbeheer; of een samenwerkingsverband van twee of meer Collectieven voor agrarisch natuurbeheer; 2.Als een samenwerkingsverband als bedoeld in het eerste lid, onder b, geen rechtspersoonlijkheid bezit: wordt subsidie aangevraagd door één Collectief voor agrarisch natuurbeheer; en draagt het project de instemming van de andere deelnemers van het samenwerkingsverband, blijkend uit een samenwerkingsverklaring. 3.Voor subsidie komen in aanmerking de collectieven die actief zijn in de fruitteeltgebieden Vijfheerenlanden, de Utrechtse Waarden en de Kromme Rijnstreek. Artikel12.3Aanvraag 1.Subsidieaanvragen kunnen worden ingediend tot 28 januari
- 2.De verdeling van het beschikbare budget, met inachtneming van artikel 2.3 AsvpU, vindt plaats op basis van de kwaliteit van de aanvragen (tender). 3.In aanvulling op het gestelde in artikel 4.4 van de AsvpU, worden bij de subsidieaanvraag ook de volgende gegevens en stukken gevoegd: informatie waaruit blijkt dat de subsidieaanvrager aantoonbaar: beschikt over ervaring op het gebied van adviesverstrekking; beschikt over hiertoe gekwalificeerd en opgeleid personeel; en betrouwbaar is gebleken op de gebieden waarover zij advies verstrekt; een projectplan met in ieder geval: de wijze waarop wordt voldaan aan de vereisten in deze paragraaf; de wijze waarop de deelnemer wordt begeleid door middel van de praktijkscan, groepsbijeenkomsten en coaching; de bevindingen en wijze waarop jaarlijks de borging door middel van een steekproef bij 10% van de deelnemers wordt uitgevoerd door een onafhankelijke partij; als gebruik wordt gemaakt van een De-minimisverordening, een volledig ingevulde en ondertekende De-minimisverklaring; als er sprake van een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 12.2, tweede lid, een document waaruit de instemming van de samenwerkende Collectieven voor agrarisch natuurbeheer blijkt. Artikel12.4Weigeringsgronden Subsidie wordt geweigerd als het aangevraagde subsidiebedrag minder bedraagt dan € 25.000,-. Artikel12.5Verplichtingen De subsidieontvanger is verplicht: het project binnen drie maanden na verlening van de subsidie te starten; een overeenkomst te sluiten met de deelnemers aan de UMDL op volgorde van binnenkomst. Voor het bepalen van de volgorde van binnenkomst van de deelnemers geldt het moment waarop de ondertekende en volledig ingevulde deelnemersovereenkomst, inclusief bijbehorende documenten, bij het collectief zijn aangeleverd. ervoor zorg te dragen dat uit de overeenkomst blijkt: dat aan de deelnemer slechts een zodanig bedrag wordt verstrekt dat over een periode van drie belastingjaren het plafond voor De-minimissteun niet wordt overschreden; de bereidheid van de deelnemer tot deelname aan het project gedurende in totaal vier jaar; waarin de deelnemer de subsidieaanvrager machtigt de benodigde bedrijfsgegevens te mogen gebruiken en machtigt om de RVO gecombineerde opgave en SCAN-ICT van BoerenNatuur in te zien en op te vragen, die ten minste nodig zijn om de zeventien indicatoren, opgenomen in de bijlage bij dit hoofdstuk, te kunnen monitoren; het project af te ronden met een eindverslag binnen vijf jaar na het uitvoeren van de praktijkscan van de nulsituatie; voor iedere deelnemer jaarlijks de beloning vast te stellen, conform de berekening, opgenomen in bijlage bij dit hoofdstuk, onderdeel B en C, tot een maximum van € 5.000 per deelnemer per jaar; de beloning, na schriftelijke goedkeuring van het voorgangsverslag door de provincie, jaarlijks uiterlijk 15 december uit te betalen aan de deelnemers; jaarlijks de bevindingen en de resultaten (inclusief de praktijkscan anoniem per bedrijf met de scores per KPI) van het project UMDL 2025-2028 voor de provincie Utrecht toegankelijk te maken; een administratie bij te houden van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onder b, van de Awb en deze desgevraagd aan gedeputeerde staten over te leggen; interne procedures te hebben vastgesteld ten behoeve van de bescherming van concurrentiegevoelige en persoonsgegevens van de deelnemende fruittelers; de bevindingen en de resultaten van het project anoniem toegankelijk te maken voor derden, zoals voor onderzoek, monitoring en evaluaties, mits de provincie Utrecht daartoe toestemming heeft verleend. Publicatie van bevindingen en resultaten van het project is alleen toegestaan na akkoord van de provincie, adviesgroep en de bestuurlijk begeleidingsgroep UMDL. in alle communicatie uitingen en bijeenkomsten over de UMDL Fruitteelt, het logo van de provincie Utrecht op te nemen en te vermelden dat de provincie Utrecht hieraan subsidie heeft verleend. Artikel12.6Subsidieplafond Het subsidieplafond bedraagt voor de periode 2025 tot en met 2028 € 752.340, waarvan € 22.340,- specifiek voor klimaat. Artikel 12.7 Hoogte van de subsidie 1.De subsidie bedraagt minimaal € 25.000,-. 2.De hoogte van de subsidie bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten. Artikel12.8Subsidiabele kosten De volgende kosten zijn subsidiabel: kosten voor de activiteiten, bedoeld in artikel 12.1, die aantoonbaar zijn en voldoen aan artikel 4.8 van de AsvpU; de beloningen aan de deelnemers; BTW, voor zover niet verrekenbaar. Artikel12.9Voortgangsrapportages De verantwoording door subsidieontvanger gedaan via een voortgangrapportage over het lopende en indien van toepassing over het nog niet gerapporteerde deel van het voorafgaande jaar. De rapportage, inclusief de uitgevoerde borging en kennisuitwisselingsactiviteiten, wordt uiterlijk 1 oktober ingediend bij de provincie via het door de provincie vastgestelde format voortgangsverslag. Deze rapportage bevat: een voorstel voor de uitbetaling aan de deelnemers op de volgende manier: het overleggen van een praktijkscan per deelnemende melkveehouder (anoniem) van de gemaakte inschatting vooraf en de definitieve score per KPI de bijlagen A, B en C bij dit hoofdstuk, overeenkomstig het daartoe door de provincie vastgestelde format “praktijkscan eindsituatie”; de praktijkscan eindsituatie waaruit blijkt in welke mate de doelstellingen en maatregelen voor de KPI’s uit de praktijkscan van de nulsituatie per deelnemer, per jaar zijn behaald; de additionele vastlegging en beloning van de CO2-equivalent, voor de KPI onder 15 in bijlage B en C bij dit hoofdstuk; een beschrijving van de activiteiten (inclusief bodem-, water- en/of mestanalyses) met een vergelijking tussen de begroting en daadwerkelijke uitgaven; bewijsstukken als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Landbouwvrijstellingsverordening, waaruit de gerealiseerde kosten blijken. Artikel12.10Staatssteun 1.De beloning aan de deelnemers wordt door de subsidieontvanger verstrekt in de vorm van De-minimissteun. 2.De subsidie wordt verstrekt met in achtneming van artikel 22 van de Landbouwvrijstellingsverordening. Hoofdstuk13 [gereserveerd] Hoofdstuk14Beperking Bodemdaling Utrechtse Veenweiden Paragraaf 14.1 Innovatie en kennisontwikkeling Artikel14.1.1Subsidiecriteria 1.In het kader van provinciale meerjarendoel 3.5.1 “er is meer kennis beschikbaar om bodemdaling en broeikasgasuitstoot te beperken” kan subsidie worden verstrekt voor activiteiten die zijn gericht op innovatie en kennisontwikkeling op het gebied van het beperken van bodemdaling op gronden met agrarisch gebruik in de veenweidengebieden en het beperken van de ongewenste neveneffecten van bodemdaling of bodemdaling beperkende maatregelen. 2.Subsidie wordt slechts verstrekt als de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, bijdragen aan het ontwikkelen van kennis over en innovatie van één of meer van de volgende mogelijkheden: het verhogen van de grondwaterstand in grasland ten behoeve van het tegengaan van bodemdaling; het aanpassen van de bodemsamenstelling ten behoeve van het tegengaan van bodemdaling; transitie naar landbouwkundig gebruik met hoge grondwaterstand; water vasthouden in agrarische percelen als overgangszone rondom natuurgebieden op veenbodem; onderzoek naar het ontwikkelen van nieuwe verdienmodellen voor de agrarische sector; onderzoek naar ongewenste effecten van bodemdaling remmende maatregelen en hoe deze te voorkomen; onderzoek naar het duurzaam in stand houden van waterinfiltratiesystemen; monitoring van de effecten van de uitrol van bewezen maatregelen. 3.Het project moet van belang zijn voor alle ondernemingen die in de betrokken specifieke landbouw- of bosbouwsector of sub-sector actief zijn met vergelijkbare grondsamenstelling. 4.In afwijking van artikel 1.8, onder c, kunnen de subsidiabele activiteiten, genoemd in het eerste lid, tot de reguliere activiteiten behoren van de subsidieontvanger. Artikel14.1.2Subsidieontvangers (doelgroep) 1.Subsidie kan worden verstrekt aan: terreinbeherende organisaties (TBO’s); onderzoeksinstellingen op het gebied van bodemdaling; gemeenten; waterschappen; een samenwerkingsverband van rechtspersonen; een samenwerkingsverband van ten minste één rechtspersoon en natuurlijke personen. 2.Als het samenwerkingsverband, bedoeld in het eerste lid, onder e en f, geen rechtspersoonlijkheid bezit: wordt subsidie aangevraagd door een deelnemer van het samenwerkingsverband met rechtspersoonlijkheid; draagt het project de instemming van alle deelnemers van het samenwerkingsverband. Artikel14.1.3aanvraag 1.Subsidieaanvragen kunnen het gehele jaar worden ingediend. 2.De verdeling van het beschikbare budget vindt plaats op basis van volgorde van ontvangst met inachtneming van artikel 2.2 AsvpU. 3.Als er sprake is van een samenwerkingsverband van meerdere deelnemers, een document waaruit de instemming blijkt van alle deelnemers van het samenwerkingsverband. Artikel14.1.4Weigeringsgronden Subsidie wordt geweigerd als: er sprake is van het herhalen van reeds gedaan onderzoek; er onvoldoende is aangetoond dat er sprake is van technische en/of economische haalbaarheid van het onderzoek; de subsidieaanvrager een onderneming is die in financiële moeilijkheden verkeert, als bedoeld in de Communautaire richtsnoeren inzake staatssteun voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (PbEU 2014/C 249/01). Artikel14.1.5Verplichtingen De subsidieontvanger is verplicht: in alle communicatie uitingen over projecten die met deze regeling worden gesubsidieerd, het logo van de provincie Utrecht op te nemen en te vermelden dat de provincie Utrecht daaraan subsidie heeft verleend; op de eigen website het door de provincie Utrecht gesubsidieerde project bekend te maken en het projectplan daarop beschikbaar te stellen; de onderzoeksresultaten en meetgegevens van het project na afloop gratis voor eenieder beschikbaar te stellen op de eigen website en beschikbaar te houden gedurende ten minste vijf jaar na afronding van het gesubsidieerde project; de activiteit niet te starten voordat de aanvraag voor een bijdrage is ingediend; de activiteit binnen een termijn van 5 jaar na de subsidieverstrekking te realiseren. Artikel14.1.6Subsidieplafond Het subsidieplafond bedraagt € 700.000,- voor het jaar
- Artikel14.1.7Hoogte van de subsidie 1.De subsidie bedraagt maximaal € 700.000,-. 2.De hoogte van de subsidie bedraagt maximaal 100 procent van de subsidiabele kosten. Artikel14.1.8Subsidiabele kosten Voor de activiteiten, bedoeld in artikel 14.1.1 zijn de volgende kosten subsidiabel, mits deze aantoonbaar zijn en voldoen aan het gestelde in artikel 4.8 van de AsvpU en artikel 38 van de LVV: personeelskosten voor onderzoekers, technici en ander ondersteunend personeel voor zover zij zich met het onderzoeksproject bezighouden; kosten van apparatuur en uitrusting voor zover en zolang deze worden gebruikt voor het project. Wanneer deze apparatuur en uitrusting niet tijdens hun volledige levensduur voor het project worden gebruikt, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd; overheadkosten en andere operationele uitgaven, waaronder die van materiaal, leveranties en soortgelijke producten, die rechtstreeks uit het project voortvloeien; noodzakelijke herstelkosten na afronding van het project welke aan dat project direct toerekenbaar zijn; legeskosten, die gemaakt worden voor vergunningen of ontheffingen die nodig zijn voor de te subsidiëren activiteit, behalve als deze gemaakt worden door een overheid. Artikel14.1.9Staatssteun De subsidie wordt verstrekt conform de algemene en procedurele bepalingen van de Landbouwvrijstellingsverordening van Hoofdstuk I en II en artikel 38 LVV ‘Steun voor onderzoek en ontwikkeling in de landbouw- en bosbouwsector’ uit Hoofdstuk III. Paragraaf 14.2 Bewustwording en draagvlak Artikel14.2.1Subsidiecriteria 1.In het kader van het provinciale meerjarendoel 3.5.1 “er is meer kennis beschikbaar om bodemdaling en broeikasgasuitstoot te beperken” kan subsidie worden verstrekt voor de volgende activiteiten die zijn gericht op kennisuitwisseling en voorlichting op het gebied van het beperken van bodemdaling op gronden met agrarisch gebruik in de veenweidengebieden, het beperken van de nadelige effecten van bodemdaling of bodemdaling beperkende maatregelen: het ontwikkelen van onderwijscurriculum voor toekomstige agrariërs of omscholing in verband met een bedrijf in veenweidegebied, ten behoeve van het op gang brengen van de transitie vanuit de basis; het vergaren en delen van kennis en zorgdragen voor beklijven van kennis over bodemdaling, de maatregelen daartegen en het creëren van draagvlak voor de aanpak, met als doelgroep diegenen die de maatregelen moeten nemen, dan wel die daar direct ondersteuning aan geven; het bevorderen van de deskundigheid bij de eindgebruikers over het gebruik van het aangelegde systeem, na aanleg van het waterinfiltratiesysteem; het ontwikkelen van algemeen communicatiemateriaal; zoals onder meer brochures en filmpjes, met als doel het informeren van algemeen publiek over aanpak bodemdaling. 2.Aan de subsidiecriteria, bedoeld in het eerste lid, kan worden voldaan door middel van de organisatie van beroepsopleiding, acties voor de verwerving van vaardigheden, waaronder opleidingscursussen, workshops en coaching, demonstratieactiviteiten en voorlichtingsacties. 3.De aanvraag dient betrekking te hebben op een of meer van de activiteiten zoals genoemd in het eerste lid onder a tot en met c. 4.De subsidie wordt slechts verstrekt als de activiteiten worden uitgevoerd of begeleid door een deskundige op het gebied van bodemdaling. 5.In afwijking van artikel 1.8, onder c, kunnen de subsidiabele activiteiten, genoemd in het eerste lid, tot de reguliere activiteiten behoren van de subsidieontvanger. Artikel14.2.2Subsidieontvangers (doelgroep) 1.Subsidie kan worden verstrekt aan: gemeenten; waterschappen; onderwijsinstellingen waar tenminste agrarisch onderwijs wordt gegeven; kenniskringen of studiekringen die tot doel hebben kennis en draagvlak over bodemdaling te vergroten; een samenwerkingsverband van rechtspersonen; een samenwerkingsverband van ten minste één rechtspersoon en natuurlijke personen. 2.Als het samenwerkingsverband, bedoeld in het eerste lid, onder e en f, geen rechtspersoonlijkheid bezit: wordt subsidie aangevraagd door een deelnemer van het samenwerkingsverband met rechtspersoonlijkheid; draagt het project de instemming van alle deelnemers van het samenwerkingsverband. Artikel14.2.3Aanvraag 1.Subsidieaanvragen kunnen het gehele jaar worden ingediend. 2.De verdeling van het beschikbare budget vindt plaats op basis van volgorde van ontvangst met inachtneming van artikel 2.2 AsvpU. 3.Als er sprake is van een samenwerkingsverband van meerdere deelnemers, een document waaruit de instemming blijkt van alle deelnemers van het samenwerkingsverband. Artikel14.2.4Weigeringsgronden Subsidie wordt geweigerd als de subsidieaanvrager een onderneming is die in financiële moeilijkheden verkeert, als bedoeld in de Communautaire richtsnoeren inzake staatssteun voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (PbEU 2014/C 249/01). Artikel14.2.5Verplichtingen De subsidieontvanger is verplicht: in alle communicatie uitingen over projecten die met deze regeling worden gesubsidieerd, het logo van de provincie Utrecht worden op te nemen en te vermelden dat de provincie Utrecht daaraan subsidie heeft verleend; op de eigen website het door de provincie Utrecht gesubsidieerde project bekend te maken en het projectplan daarop beschikbaar te stellen; de resultaten van het project, waaronder eventueel voorlichtingsmateriaal, moeten na afloop gratis voor eenieder beschikbaar te stellen op de eigen website en de resultaten daar beschikbaar te houden gedurende ten minste vijf jaar vanaf de einddatum of na afronding van het gesubsidieerde project; de activiteit niet te starten voordat de subsidieaanvraag is ingediend; de activiteit binnen een termijn van vijf jaar na de subsidieverstrekking te realiseren. Artikel14.2.6Subsidieplafond Het subsidieplafond bedraagt € 100.000,- voor het jaar
- Artikel14.2.7Hoogte van de subsidie De hoogte van de subsidie bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten. Artikel14.2.8Subsidiabele kosten Voor de activiteiten, bedoeld in artikel 14.2.1 zijn de volgende kosten subsidiabel, mits deze aantoonbaar zijn en voldoen aan het gestelde in artikel 4.8 van de AsvpU en artikel 21 van de Landbouwvrijstellingsverordening: De kosten van de organisatie van beroepsopleiding, acties voor de verwerving van vaardigheden, waaronder opleidingscursussen, workshops, conferenties en coaching, demonstratieactiviteiten en voorlichtingsacties. Als het gaat om demonstratieprojecten in verband met investeringen: de kosten van de bouw, verwerving, inclusief leasing, of verbetering van onroerende goederen, waarbij grond alleen in aanmerking komt voor zover de kosten daarvan niet hoger zijn dan 10% van de totale in aanmerking komende kosten van de betrokken concrete actie; de kosten van de koop of huurkoop van machines en uitrusting, tot maximaal de marktwaarde van de activa; algemene kosten in verband met de onder a. en b. bedoelde uitgaven, zoals voor het inschakelen van architecten, ingenieurs en adviseurs en voor advies over ecologische en economische duurzaamheid, met inbegrip van haalbaarheidsstudies; haalbaarheidsstudies blijven in aanmerking komen, zelfs wanneer op basis van de resultaten daarvan geen uitgaven uit hoofde van het bepaalde a. en b. worden gedaan; de aankoop of ontwikkeling van computersoftware. Artikel14.2.9Staatssteun De subsidie wordt verstrekt conform de algemene en procedurele bepalingen van de Landbouwvrijstellingsverordening van Hoofdstuk I en II en artikel 21 LVV ‘Steun voor kennisuitwisselings- en voorlichtingsacties’ uit Hoofdstuk III. Paragraaf 14.3 Uitrol van bewezen maatregelen Artikel14.3.1Subsidiecriteria 1.In het kader van het provinciale meerjarendoel 3.5.2 “door uitvoeren maatregelen via gebiedsprocessen is bodemdaling en broeikasgasuitstoot verminderd” kan subsidie worden verstrekt voor de volgende activiteiten die zijn gericht op het beperken van bodemdaling op gronden met agrarisch gebruik in de veenweidengebieden door middel van het verhogen van de grondwaterstand in de zomer door de aanleg van waterinfiltratiesystemen, al of niet gepaard gaande met peilverhoging van het oppervlaktewater, voor de volgende activiteiten: het maken van een projectplan voor de waterinfiltratiesystemen, inclusief eventueel benodigde onderzoeken; het aanleggen van waterinfiltratiesystemen (WIS) op grasland, dan wel het daar upgraden van een passieve WIS (PWIS) naar een actieve WIS (AWIS); het aanleggen van een toereikend monitoringssysteem om zicht te houden in de werking van de waterinfiltratiesystemen; het plegen van groot onderhoud aan de waterinfiltratiesystemen. 2.Subsidie wordt slechts verstrekt als de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, voldoen aan de volgende criteria: minimaal 60% van de daarvoor geschikte percelen met agrarisch gebruik binnen een peilvak wordt voorzien van waterinfiltratiesystemen; het aan te leggen waterinfiltratiesysteem voldoet aan de KIWA richtlijn BRL 1411; de activiteiten zijn effectief en kostenefficiënt; in het projectplan zijn de effecten op de vermindering van de broeikasgasuitstoot doorgerekend volgens de methode Somers; bij actieve WIS wordt niet actief water afgevoerd bij hoge grondwaterstanden, tenzij het voor een paar dagen noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering; de activiteiten benoemd in het eerste lid onder b. en c. worden in samenhang uitgevoerd. Artikel14.3.2Subsidieontvangers (doelgroep) 1.Subsidie kan worden verstrekt aan: gemeenten; waterschappen; een samenwerkingsverband van rechtspersonen; een samenwerkingsverband van ten minste één rechtspersoon en natuurlijke personen. 2.Als het samenwerkingsverband, bedoeld in het eerste lid, onder c en d, geen rechtspersoonlijkheid bezit: wordt subsidie aangevraagd door een deelnemer van het samenwerkingsverband met rechtspersoonlijkheid; draagt het project de instemming van alle deelnemers van het samenwerkingsverband. Artikel14.3.3.Aanvraag 1.Subsidieaanvragen kunnen het gehele jaar worden ingediend. 2.De verdeling van het beschikbare budget vindt plaats op basis van volgorde van ontvangst met inachtneming van artikel 2.2 AsvpU. 3.In aanvulling op het gestelde in artikel 4.4 van de AsvpU, wordt bij de subsidieaanvraag ook een projectplan gevoegd, dat ten minste omvat: een omschrijving van de activiteiten in fases en tijd; een omschrijving van de begeleiding bij de uitvoering; een omschrijving van de organisatie van de financiële stromen; de randvoorwaarden, afhankelijkheden, risico’s en beheersmaatregelen van het project; het gewenste resultaat (aantal hectares en deelnemers en type systeem); een uitsplitsing van het subsidiebedrag over de deelnemers; de deskundigheidsbevordering en de wijze waarop dit wordt vormgegeven; een beschrijving van meekoppelkansen die er zijn voor maatregelen ten behoeve van andere opgaven, naast bodemdaling. 4.Bij het opstellen van het projectplan worden waterschap, gemeente en provincie Utrecht betrokken. 5.Als er sprake is van een samenwerkingsverband van meerdere deelnemers, een document waaruit de instemming blijkt van alle deelnemers van het samenwerkingsverband. Artikel14.3.4Weigeringsgronden Subsidie wordt geweigerd als de subsidieaanvrager een onderneming is die in financiële moeilijkheden verkeert, als bedoeld in de Communautaire richtsnoeren inzake staatssteun voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (PbEU 2014/C 249/01). Artikel14.3.5Verplichtingen De subsidieontvanger is verplicht: in alle communicatie uitingen over projecten die met deze regeling worden gesubsidieerd, het logo van de provincie Utrecht op te nemen en te vermelden dat de provincie Utrecht daaraan subsidie heeft verleend; op de eigen website het door de provincie Utrecht gesubsidieerde project bekend te maken en het projectplan daarop beschikbaar te stellen; de resultaten van het project na afloop gratis voor eenieder beschikbaar te stellen op de eigen website en de resultaten daar beschikbaar te houden gedurende ten minste vijf jaar vanaf de einddatum of na afronding van het gesubsidieerde project; de activiteit binnen een termijn van 5 jaar na de subsidieverstrekking te realiseren; de aangelegde systemen minstens 10 jaar na aanleg in werking te houden; na de aanleg van waterinfiltratiesystemen digitale GIS-kaarten beschikbaar te stellen waarop ten minste wordt aangegeven op welke percelen deze systemen zijn aangelegd, de aard van het systeem en de drainafstand; voorzieningen aan te brengen om te kunnen controleren of het systeem het gewenste effect heeft op de grondwaterstand. Artikel14.3.6Subsidieplafond Het subsidieplafond bedraagt € 6.000.000,- voor het jaar
- Artikel14.3.7Hoogte van de subsidie 1.De subsidie bedraagt maximaal € 500.000,- per landbouwbedrijf. 2.De hoogte van de subsidie bedraagt maximaal 100 procent van de subsidiabele kosten. Artikel14.3.8Subsidiabele kosten 1.Voor de activiteiten, bedoeld in artikel 14.3.1, zijn de kosten subsidiabel, mits deze aantoonbaar zijn en voldoen aan het gestelde in artikel 4.8 van de AsvpU: Voor de activiteiten, bedoeld in artikel 14.3.1, eerste lid, onder b, c en d zijn subsidiabel: uitgaven met betrekking tot investeringen in landbouwbedrijven, zoals genoemd in artikel 14 lid 3, onder e, van de Landbouwvrijstellingsverordening; de kosten van de aanleg van waterinfiltratiesystemen, waarbij het betreft het buizenstelsel, voorzieningen voor het beschermen van het systeem en voorzieningen om te controleren of het systeem werkt. In het geval van AWIS betreft het daarnaast eventuele pomppunten en de energievoorziening daarvan (liefst zonnepanelen). legeskosten, die gemaakt worden voor vergunningen of ontheffingen die nodig zijn voor de te subsidiëren activiteit, behalve als deze gemaakt worden door een overheid. 2.De volgende kosten zijn niet subsidiabel: de kosten voor energie, dagelijks beheer en onderhoud inclusief storingen; de kosten die voortvloeien uit verhoging van het oppervlakte waterpeil; de kosten voor certificering; de kosten voor het nemen van bodemdaling remmende maatregelen op natuurgronden, recreatieterreinen of tuinen bij woningen. Artikel14.3.9Staatssteun De subsidie wordt verstrekt conform de algemene en procedurele bepalingen van de Landbouwvrijstellingsverordening van Hoofdstuk I en II en artikel 14 LVV ‘Steun voor met de primaire landbouwproductie verband houdende investeringen in landbouwbedrijven’ uit Hoofdstuk III. Hoofdstuk15Wolfwerende rasters Artikel15.1Subsidiecriteria 1.In het kader van het provinciale meerjarendoel 2.2.3 “de balans tussen ingrepen/faunabeheer en instandhoudingsdoelen bewaken en verbeteren” kan subsidie worden verstrekt voor het verminderen en voorkomen van schade door wolven aan hoefdieren in het door GS aangewezen leefgebied zoals aangegeven in de bijlage bij dit hoofdstuk door de volgende activiteiten: het aanschaffen en plaatsen of aanpassen van een vaste wolfwerende afrastering als bedoeld in de BIJ12 Faunaschade Preventiekit, module wolven; het aanschaffen en plaatsen van een verplaatsbare wolfwerende afrastering als bedoeld in de BIJ12 Faunaschade Preventiekit van BIJ12, module wolven; of het aanschaffen en plaatsen van een automatisch oprolsysteem bij een verplaatsbaar wolfwerende afrastering met draden. 2.Subsidie wordt slechts verstrekt als de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, voldoen aan de volgende criteria: de vaste wolfwerende afrastering wordt geplaatst binnen de begrenzing van het door GS aangewezen leefgebied wolf binnen de provincie Utrecht; de gehele afrastering voldoet aan de Faunaschade Preventiekit, module wolven. Artikel15.2Subsidieontvangers (doelgroep) Subsidie kan uitsluitend worden verstrekt aan een bestaande hoefdierhouder die aantoont dat begrazing door zijn aangewezen hoefdieren in de provincie Utrecht plaatsvindt binnen het voor de wolf door GS aangewezen leefgebied. Terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties komen niet voor subsidie in aanmerking. Artikel 15.3 Aanvraag 1.Een aanvraag voor subsidie kan het gehele jaar worden ingediend. 2.Voordat een subsidieaanvraag wordt ingediend, wordt advies gevraagd aan de wolvenconsulent van de provincie Utrecht ten behoeve van de aan te vragen afrastering en het onderhoud daarvan. 3.De verdeling van het beschikbare budget vindt plaats op basis van volgorde van ontvangst met inachtneming van artikel 2.2 AsvpU. 4.Aanvragen mogen zowel voor als na de plaatsing van het raster worden ingediend, mits de kosten zijn gemaakt op of na 26 mei
- 5.In afwijking van artikel 4.4 van de AsvpU worden bij de subsidieaanvraag de volgende gegevens en stukken gevoegd: een gespecificeerde factuur of facturen van de onder artikel 15.1 genoemde subsidiabele activiteiten inclusief bewijs van betaling als het raster al is geplaatst of een voor akkoord ondertekende, gespecificeerde en geaccordeerde offerte als het raster nog niet is geplaatst op het moment dat de aanvraag wordt ingediend; de berekening van het aangevraagde subsidiebedrag, met behulp van de Rekenhulp Subsidiebedrag Wolfwerende Rasters; een fotoverslag waaruit blijkt dat het raster voldoet aan de BIJ12 Faunaschade Preventiekit, module wolven; en kadastraal nummer van het perceel waar de wolfwerende afrastering is of wordt gerealiseerd. 6.Als gebruik wordt gemaakt van een De-minimisregeling, moet een volledig ingevulde en ondertekende De-minimisverklaring bij de subsidieaanvraag worden gevoegd. Artikel 15.4 Weigeringsgronden Subsidie wordt geweigerd als: de maatregelen zijn gerealiseerd of aangebracht voor 26 mei 2023; een wolfwerende afrastering wordt geplaatst op of rond een perceel dat enkel als natuur mag worden gebruikt, met uitzondering van een verplaatsbare wolfwerende afrastering, bestemd voor gebruik op percelen van terreinbeherende organisaties. Artikel15.5Verplichtingen De subsidieontvanger is verplicht: het advies van de wolvenconsulent op te volgen; binnen 3 maanden na subsidieverlening de activiteiten, bedoeld in artikel 15.1 uit te voeren; de wolfwerende afrastering en toebehoren minimaal vijf jaren in gebruik te houden na de datum van verlening van de subsidie; de wolfwerende afrastering en toebehoren minimaal vijf jaren te onderhouden na de datum van verlening van de subsidie; als het raster nog niet is geplaatst, binnen 14 dagen na plaatsing een fotoverslag aan de provincie Utrecht toe te zenden, waaruit blijkt dat het raster voldoet aan de BIJ12 Faunaschade Preventiekit, module wolven. Artikel15.6Subsidieplafond Het subsidieplafond bedraagt in 2025 € 100.000,- Artikel15.7Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt (in totaal) maximaal € 20.000,- per hoefdierhouder en kan niet meer bedragen dan de daadwerkelijk te maken of gemaakte kosten. Dit betreft een optelsom van alle subsidies verstrekt aan de hoefdierhouder op grond van dit hoofdstuk. Artikel15.8Subsidiabele kosten De volgende kosten zijn niet subsidiabel: loonkosten en materiaalkosten voor het plaatsen van wolfwerende afrastering; advieskosten van derden; onderhoudskosten van wolfwerende afrastering; kosten ten behoeve van het gereed maken van de omgeving voor wolfwerende afrastering; opslagkosten van afrastering; legeskosten. Artikel15.9Staatssteun De subsidie is geen staatssteun als deze verleend kan worden onder de van toepassing zijnde De-minimisverordening. Hoofdstuk16Leefbaarheid in het landelijk gebied en kleine kernen Artikel16.1Subsidiecriteria 1.In het kader van het 2.5.1 “de leefbaarheid van het landelijk gebied en de kleine kernen is beter” kan subsidie worden verstrekt voor de volgende activiteiten: investeringen in een bestaande fysieke locatie, niet zijnde nieuwbouw, die bijdragen aan de sociale cohesie; het organiseren en uitvoeren van een activiteit ter bevordering van de sociale cohesie; het versterken van een organisatie die structureel activiteiten ter bevordering van de sociale cohesie verzorgt. 2.Subsidie wordt slechts verstrekt als de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, voldoen aan de volgende criteria: de activiteit vindt plaats in het landelijk gebied of een kern tot 10.000 inwoners; er is sprake van actieve betrokkenheid van bewoners in de omgeving; de activiteiten in het eerste lid , onder a en b, zijn gericht op een publiek toegankelijke locatie of activiteit. Artikel16.2Subsidieontvangers (doelgroep) Subsidie kan worden verstrekt aan natuurlijke personen en aan publieke en private rechtspersonen met uitzondering van grote ondernemingen. Artikel16.3Aanvraag 1.Subsidieaanvragen kunnen het gehele jaar worden ingediend. 2.De verdeling van het beschikbare budget vindt plaats op basis van volgorde van ontvangst met inachtneming van artikel 2.2 AsvpU. 3.In aanvulling op het gestelde in artikel 4.4 van de AsvpU, worden bij een subsidieaanvraag voor een investering als bedoeld in artikel 16.1 , eerste lid, onder a, van meer dan € 25.000,- ook een exploitatieplan en een onderhoudsplan gevoegd. 4.Als gebruik wordt gemaakt van een De-minimisregeling, wordt tevens een volledig ingevulde en ondertekende De-minimisverklaring met de subsidieaanvraag meegestuurd. Artikel16.4Weigeringsgronden Subsidie wordt geweigerd als het aangevraagde subsidiebedrag minder bedraagt dan € 5000,-. Artikel 16.5 Subsidieplafond Het subsidieplafond bedraagt in het jaar 2025 € 300.000,-. Artikel16.6Hoogte van de subsidie 1.De subsidie bedraagt minimaal € 5000,-. 2.De subsidie bedraagt maximaal 25% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 200.000,-. 3.In afwijking van het gestelde in het tweede lid bedraagt de subsidie maximaal 50% van de subsidiabele kosten als deze maximaal € 50.000 bedragen. 4.Minimaal 10% van de subsidiabele kosten dient door een eigen financiële bijdrage of cofinanciering gedekt te worden. Artikel16.7Subsidiabele kosten De volgende kosten voor de activiteiten, bedoeld in artikel 16.1, zijn subsidiabel, mits deze aantoonbaar zijn en voldoen aan artikel 4.8 van de AsvpU en de Beleidsregel projectsubsidies: voorbereidingskosten (bijvoorbeeld voor opstellen projectplan, advies, vergunningen, bestek en ondernemersplan) die tot maximaal 18 maanden voor het indienen van de aanvraag gemaakt zijn en tot een maximum van 15% van de subsidiabele kosten; kosten voor inzet van eigen personeel, externe inhuur en uitbesteding van diensten; kosten voor materialen, hulpmiddelen, apparatuur en gebouwen; bijdrage in natura in de vorm van arbeid van vrijwilligers voor zover de te verstrekken subsidie niet meer bedraagt dan de werkelijke kosten die tot een uitgaande kasstroom leiden; legeskosten die gemaakt worden voor vergunningen of ontheffingen die nodig zijn voor de te subsidiëren activiteit, behalve als deze gemaakt worden door een overheid. Artikel16.8Staatssteun De subsidie is geen staatssteun als deze verleend kan worden onder de van toepassing zijnde De-minimisverordening. Hoofdstuk17Slotbepalingen Artikel 17.1 Intrekking Ingetrokken worden: Uitvoeringsverordening aankoopsubsidie NNN-gronden provincie Utrecht; Subsidieregeling Agenda Vitaal Platteland provincie Utrecht; Subsidieregeling wolfwerende rasters provincie Utrecht 2023; “ Subsidieregeling Beperking Bodemdaling (SRBB) Utrechtse Veenweiden” van de provincie Utrecht. Artikel17.2Overgangsrecht Subsidies die zijn aangevraagd of verstrekt vóór de datum van inwerkingtreding van deze subsidieregeling of een wijziging hiervan, worden behandeld overeenkomstig de op dat moment geldende regelgeving. Artikel17.3Inwerkingtreding Deze subsidieregeling treedt in werking op 1 januari
- Artikel17.4Citeertitel Deze subsidieregeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling Leefomgeving landelijk gebied provincie Utrecht. Aldus vastgesteld in de vergadering van Gedeputeerde Staten van Utrecht van 10 december 2024.Voorzitter, mr. J.H. OostersSecretaris, mr. drs. A.G. Knol-van Leeuwen Bijlage bij hoofdstuk 1, artikel 1.1 Begripsbepalingen aangewezen hoefdieren: runderen, schapen, geiten, varkens, paardachtigen (paard, pony, ezel en kruisingen hiervan), alpaca’s; aangewezen leefgebied wolf: door gedeputeerde staten van Utrecht vastgesteld gebied waar een wolf zich na zes maanden aanwezigheid gevestigd heeft en daarmee het risico op schade door een gevestigde wolf aannemelijk en voorzienbaar is, begrenzing zoals opgenomen in de bijlage bij hoofdstuk 15 van deze regeling. agrariër: zie landbouwer agrarisch gebruik: al dan niet bedrijfsmatig in gebruik voor landbouw; Agroforestry, ook wel boslandbouw: een vorm van landbouw waarbij meerjarige houtige gewassen (bomen en struiken) bewust geïntegreerd worden met de teelt van gewassen of dierlijke productiesystemen, vanwege de (beoogde) ecologische en economische voordelen; ANLb: subsidie agrarisch natuur en landschapsbeheer; AsvpU: Algemene subsidieverordening provincie Utrecht 2022; AVP: Agenda Vitaal Platteland; Awb: Algemene wet bestuursrecht; AWIS: Actief Water Infiltratie Systeem. Stelsel van drainagebuizen waar water ingepompt wordt om water te infiltreren in een perceel; Aziatische duizendknopen: Japanse Duizendknoop (Fallopia japonica) , Sachalinse duizendknoop (Fallopia sachalinensis) en Boheemse duizendknoop (Fallopia x bohemica); Basisvoorziening: fysieke voorziening, zoals een gebouw, een gedeelte of de buitenruimte van een gebouw, of een openbaar gebied waar voor iedereen toegankelijke activiteiten in het sociaal domein plaatsvinden die bijdragen aan de leefbaarheid. Voorbeelden hiervan zijn dorpshuizen en multifunctionele centra; bedrijfsverplaatsing: verplaatsing van een landbouwbedrijf waarbij de bedrijfsactiviteiten op de oorspronkelijke locatie worden beëindigd en elders worden voortgezet; Beleidsregel subsidiabele kosten projectsubsidies: beleid van GS waarin is aangegeven welke kosten bij projectsubsidies wel of niet subsidiabel zijn; Beschermde soorten Wnb: soorten die op grond van de artikelen 11.37, 11.46 en 11.54 Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) wettelijk beschermd zijn; bestaande hoefdierhouder: bedrijfsmatige of hobbymatige houder van aangewezen hoefdieren die deze dieren voor 26 mei 2023 had geregistreerd in het Identificatie- en registratiesysteem van dieren, gevestigd in de provincie Utrecht of gebruikmakend van gronden voor begrazing door deze hoefdieren in de provincie Utrecht. Op 26 mei 2023 is de wolf via DNA analyse met zekerheid vastgesteld in de provincie Utrecht; biodiversiteit: de verscheidenheid aan plant- en diersoorten en de samenhang tussen die soorten; bodemdaling: bodemdaling en de daarmee verband houdende uitstoot van broeikasgassen uit veenbodems; bosreservaten: bosreservaat De Heul bij het Leersumse Veld en bosreservaat Galgenberg bij Amerongen. Voormalig cultuurbos waar het beheer is stopgezet en de bosontwikkeling wordt gevolgd; Catalogus Groenblauwe Diensten: set van steunmaatregelen waaraan de Europese Commissie met het goedkeuringsbesluit SA.44848 (2017/N)goedkeuring heeft verleend; Centrale Database KringloopWijzer: database met bedrijfseigen kringloopwijzer gegevens van een melkveehouder, die jaarlijks ingevuld en gevalideerd worden via www.mijnkringloopwijzer.nl; Collectief voor agrarisch natuurbeheer: een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid bestaande uit landbouwers en andere grondgebruikers van landbouwgrond, die beschikt over een certificaat collectief agrarisch natuurbeheer, overeenkomstig de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer provincie Utrecht 2016; DAEB Kaderregeling: EU-kaderregeling inzake staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst (PbEU 2012, C 8); De-minimissteun: steun die voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling van aanmelding als opgenomen in de betreffende De-minimisverordening; De-minimisverordening: Verordening betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 VWEU op de De-minimissteun (Verordening (EU) Nr. 2023/2831, PbEU L van 15.12.2023) of Verordening betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 VWEU op de De-minimissteun in de landbouwsector (Verordening (EU) Nr. 1408/2013, PbEU L352/9) bij subsidie aan een onderneming actief in de primaire productie, verwerking of afzet van landbouwproducten; (erkend) deskundige: persoon die door beroep, studie of ervaring in het bijzonder bevoegd is tot het beoordelen van een zaak of het uitvoeren van een taak, vaak van specialistische aard; Diergezondheidswetgeving: Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid; drainageplan: plan waarin wordt aangegeven hoe het waterinfiltratiesysteem wordt aangelegd, inclusief een kaart met de locaties van de verschillende typen systemen en een doorrekening van de verwachte vermindering van de CO2-emissie; eindbegunstigde: degene die de door de provincie Utrecht verstrekte subsidie of deel daarvan ontvangt van de subsidie-ontvanger; Faunaschade Preventiekit, module wolven: overzicht van preventieve maatregelen om schade door wolven te voorkomen en te beperken zoals gepubliceerd op de website van BIJ12; fruitteler: ondernemer die appels, peren en/of kersen teelt; functieverandering: omzetten van landbouwgrond naar natuurterrein door het wijzigen van het gebruik van de grond van landbouw naar natuur of landschapselement en het vestigen van een kwalitatieve verplichting; ganzenrustgebieden: gebieden binnen de provincie Utrecht die door Gedeputeerde Staten als ganzenrustgebieden zijn aangewezen. Zij zijn bedoeld om overwinterende ganzen rust te bieden in perioden dat buiten deze gebieden ganzen opzettelijk verstoord dan wel verjaagd mogen worden met ondersteunend afschot; gebruiksgerechtigde: pachter van landbouwgrond op basis van een reguliere pachtovereenkomst of een erfpachter van landbouwgrond op basis van een overeenkomst van erfpacht, waarvan de resterende looptijd tenminste 10 jaar bedraagt; Groen doet Goed: programma dat er op is gericht kinderen in de leeftijd van 4 – 12 jaar bij natuur te betrekken en natuur te laten beleven. In dit programma werken de provincie Utrecht, een aantal gemeenten en IVN Natuureducatie samen zoals nader uitgewerkt op de website Groen doet goed - Groen doet goed en de daarop volgende webpagina’s van het programma Groen doet goed Utrecht met de tekst zoals die luidt op het moment van in werking treden van dit besluit; Groen doet Goed netwerk: netwerk van de gemeentelijke trekkers van Groen doet Goed in de provincie Utrecht; Groene contour: gebieden die van belang worden geacht voor het functioneren van het NNN, maar die (nog) niet onder het NNN zelf vallen en waar op vrijwillige basis nieuwe natuur gerealiseerd kan worden. Na realisatie van deze nieuwe natuur wordt die opgenomen in het NNN; groot onderhoud: onderhoud dat valt buiten normaal regulier onderhoud voor het “dagelijkse” beheer van het waterinfiltratie systeem; grote ondernemingen: ondernemingen die niet voldoen aan de criteria die zijn opgenomen in bijlage 1 van de Landbouwvrijstellingsverordening (Verordening (EU) nr. 2022/2472 van de Europese Commissie van 14 december 2022, PbEU L327/1); herstel i.h.k.v. Invasieve exoten: maatregelen gericht op het herstellen van schade aan biodiversiteit veroorzaakt invasieve exoten, het optimaliseren en weerbaar maken van ecosystemen tegen vestiging van invasieve exoten herstel na verwijderen invasieve exoten en nazorg. De maatregelen zorgen er ook voor dat inheemse soorten en hun leefgebieden in stand blijven en kunnen herstellen naar ‘de oorspronkelijke waarden’; hervestigingslocatie: locatie waar het verplaatste landbouwbedrijf wordt voortgezet; hoefdiersoort: een van de soorten van de aangewezen hoefdieren; runderen, schapen, geiten, varkens, alpaca's en paard(-achtigen); icoonsoort: Utrechtse aandachtsoort waarvan het zwaartepunt van het verspreidingsgebied in de provincie Utrecht gelegen is; Identificatie- en Registratiesysteem van dieren: door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland beheerde Identificatie- en Registratiesysteem van elke Nederlandse landbouwhuisdierenhouder met een uniek Bedrijfsnummer (UBN); invasieve exoten: dieren, planten en micro-organismen die door menselijk handelen in een nieuw gebied terechtkomen (zoals Nederland) en die bij vestiging en verspreiding schade kunnen veroorzaken; jonge landbouwer: landbouwer die jonger is dan 40 jaar op 31 december van het jaar waarin de steun wordt aangevraagd, die bedrijfshoofd is en beschikt over de vereiste passende opleiding of vaardigheden; kleine kern: een woonkern met een inwonertal tot maximaal 10.000 inwoners conform de actuele gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); kleine landschapselementen: qua oppervlakte of volume beperkte groene componenten in het landschap, die bijdragen aan de opbouw, structuur, invulling, identiteit en belevingswaarde van dat landschap, die niet onder hoofdstuk 11 van het Besluit Activiteiten Leefomgeving vallen en die als zodanig zijn aangewezen door de provincie. Bijvoorbeeld bepaalde kleine bosjes en houtwallen, meidoornhagen in uiterwaarden, statige lanen, rijen knotwilgen, beeldbepalende bomen, bloemrijke akkerranden, alsmede bepaalde natuurvriendelijke slootkanten en poelen; koepelorganisatie: vereniging of stichting waarin een aantal belangenorganisaties vertegenwoordigd zijn. Een koepelorganisatie bundelt de belangen van haar leden; Kringlooplandbouw: een vorm van duurzame landbouw waarbij de kringloop van stoffen gesloten is. Dit houdt in dat alle stoffen die door de landbouw uit een gebied verdwijnen ook weer teruggebracht worden in het gebied. Het betreft landbouw met zuinig gebruik van grondstoffen en energie en het zo min mogelijk belasten van klimaat, milieu en natuur; KRW: Kaderrichtlijn Water, richtlijn 2000/60/EG van het Europees parlement en de raad van 23 oktober 2000, met als doel de kwaliteit van oppervlakte- en grondwater in Europa te waarborgen; KRW-oppervlaktewaterlichamen: bepaalde, op kaart vastgelegde oppervlaktewateren van aanzienlijke omvang, zoals meren, waterbekkens, stromen, rivieren, kanalen, delen van een stroom, rivier of kanaal, overgangswateren dan wel stroken kustwater; landbouwbedrijf: een eenheid die grond, gebouwen en voorzieningen omvat die voor de primaire landbouwproductie worden gebruikt; landbouwer: een ondernemer die producten voortbrengt door middel van het telen van gewassen of het houden van dieren; landbouwproductiecapaciteit: grond die bij RVO geregistreerd is als grond in landbouwkundig gebruik; landbouwsteunkader: Richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden (2022/C 485/01); Landbouwvrijstellingsverordening: Verordening (EU) nr. 2022/2472 van de Commissie van 14 december 2022 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard, PBEU L327/1 van 21 december 2022; landelijk gebied: gebied buiten het stedelijk gebied, zie Atlas provincie Utrecht: in bijlage 1 van de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer provincie Utrecht 2016 opgenomen en nader beschreven landschapsbeheertype; leefbaarheid: gaat over de aantrekkelijkheid van een gebied of gemeenschap om er te wonen, leven, sporten, elkaar te ontmoeten, te spelen, elkaar hulp te vragen en dergelijke; marktwaarde: waarde van de grond vastgesteld in overeenstemming met de Mededeling van de Commissie betreffende het begrip “staatssteun” in de zin van artikel 107, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (2016/C 262/01) in het vrije economische verkeer vastgesteld door een onafhankelijk taxateur, gebaseerd op algemeen aanvaarde marktindicaties en taxatiecriteria; meerjarendoel: doel uit de doelenboom van de provincie Utrecht, zoals gebruikt in de planning- en controlcyclus; melkveehouder: eigenaar van melk- en kalfkoeien, waarvan de melkkoeien minimaal éénmaal hebben gekalfd en die voor de melkproductie worden gehouden; methode Somers: model dat op basis van onder andere bodemtype, peil en type water infiltratie systeem (WIS) de CO2 uitstoot kan uitrekenen; Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF): Natuurdatabank van Nederland. De NDFF bundelt, uniformeert en valideert natuurgegevens in Nederland. De gegevens brengen in beeld wat er bekend is over de verspreiding van planten- en diersoorten; Natura 2000-doelen: doelen voor bepaalde beschermde soorten en habitats van Natura 2000-gebieden die zijn vastgelegd in de aanwijzingsbesluiten van die gebieden; Natura 2000-gebieden: door Europa beschermde natuurgebieden die tezamen het Natura 2000-netwerk vormen en waarin bepaalde habitats en (dier)soorten met hun natuurlijke leefomgeving beschermd worden om de biodiversiteit te behouden; natuurbeheer: beheer van grond met als doel de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten; natuurbeheerplan: plan als bedoeld in artikel 1.3 van de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer provincie Utrecht zoals geldend op het moment van de subsidieaanvraag; natuurbeheertype: in bijlage 2 van de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer provincie Utrecht 2016 opgenomen en nader beschreven natuurbeheertype; natuurtoestemming: onherroepelijke vigerende omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e van de Wet jo. artikel 4.6, eerste lid, aanhef en onder e van het Omgevingsbesluit of op basis van advies en instemming met het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.25, eerste lid, aanhef en onder e Omgevingsbesluit; of onherroepelijke vigerende vergunning op grond van de Wet natuurbescherming of Natuurbeschermingswet 1998, dan wel onherroepelijke vigerende vergunning; of geldende melding op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht artikel 2.1 eerste lid onder e of artikel 2.1 eerste lid onder i (omgevingsvergunning voor het onderdeel milieu), de Wet milieubeheer of de Hinderwet; of niet vergunningplichtig, maar voldoend aan artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming; of vallend onder artikel 9.4, achtste lid van de Wet natuurbescherming; of toegestaan op de Europese referentiedatum en die niet is vervallen of geëxpireerd; niet productieve investering: investering die niet leidt tot een aanzienlijke stijging van de waarde of de rentabiliteit van het (landbouw)bedrijf; nieuwbouw: bebouwing tot 3 jaar na oplevering; NNN: Natuurnetwerk Nederland, het samenhangende netwerk van bestaande en nog aan te leggen natuurgebieden. De provincies stellen de begrenzing vast. Voor de provincie Utrecht is deze te vinden in het provinciale Natuurbeheerplan, op de betreffende webkaart aangeduid als ‘Nog te ontwikkelen natuur’; omgevingsverordening: de vigerende omgevingsverordening van de provincie Utrecht; onderneming in moeilijkheden: onderneming ten aanzien waarvan zich ten minste één van de omstandigheden voordoet als bedoeld in of artikel 2 punt 18 van Verordening (EU) nr. 651/2014; paardachtige: paard, pony, ezel of zebra; praktijkscan: toets van de bedrijfsgegevens aan de Utrechtse Monitor Duurzame Landbouw; programma: plan dat door Gedeputeerde Staten wordt vastgesteld op grond van artikel 3.4 van de Omgevingswet; publiek toeganke