Inleiding
- Voorwoord Voor u liggen de beleidsregels en algemene regels met betrekking tot de inrichting van het watersysteem welke door het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het hoogheemraadschap van Rijnland op 10 mei 2011 na inspraak definitief zijn vastgesteld. Naast deze beleidsregels voor inrichting watersysteem heeft Rijnland ook beleidsregels voor waterkeringen en peilafwijkingen.
- Inleiding Rijnland is verantwoordelijk voor het waterbeheer, inclusief de afvalwaterzuivering en de waterstaatkundige veiligheid in een gebied dat globaal is gelegen tussen Wassenaar, Gouda, Amsterdam en IJmuiden. Een gebied van bijna 120.000 ha met 1,3 miljoen inwoners en ca. 40 gemeenten. In het beheersgebied ligt een fijnmazig stelsel oppervlaktewateren met een totale lengte van bijna 12.000 km en 100.000 waterstaatkundige objecten, zoals duikers, bruggen en sluizen. Via vergunningverlening en handhaving stelt Rijnland eisen aan activiteiten die het watersysteem in dit beheersgebied kunnen beïnvloeden. De basis hiervoor is de zogenoemde Keur: een set van gebod- en verbodsbepalingen. Deze bepalingen zijn uitgewerkt in een aantal specifieke beleidsregels en algemene regels. Tevens worden de beleidsregels bij de toetsing van ruimtelijke plannen en bij het uitwerken van watergebied- en inrichtingsplannen als uitgangspunten ofwel als waterhuishoudkundige toetsingscriteria gehanteerd.
- Beleidsregels Beleidsregels zijn regels met een wettelijke status die gerelateerd zijn aan algemene wettelijke bevoegdheden of aan concrete wetten en verordeningen waarvan de uitvoering aan de betreffende overheid is opgedragen. In de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is aangegeven dat het vaststellen van een beleidsregel leidt tot een verlichte motiveringsplicht bij het verlenen van vergunningen. Het hoogheemraadschap van Rijnland handelt als bestuursorgaan in overeenstemming met de beleidsregel, tenzij dat voor één of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. In dat geval wordt gemotiveerd van de beleidsregel afgeweken. Het bestuur kan als hoge uitzondering dus gemotiveerd afwijken van de beleidsregels. Het is niet mogelijk en niet wenselijk om voor alle situaties beleidsregels te ontwikkelen. Voor die situaties waarvoor geen beleidsregels zijn vastgesteld, beslist het dagelijks bestuur van het hoogheemraadschap van Rijnland aan de hand van de in het concrete geval geldende feiten en omstandigheden.
- Algemene regels Er kunnen zich ook situaties voordoen waarin de effecten van werken of werkzaamheden in het watersysteem, onder bepaalde condities, zodanig gering zijn dat bij voorbaat vaststaat dat altijd vergunning zal worden verleend. In die situaties kan worden besloten in een algemene regel te beschrijven onder welke voorwaarden voor dergelijke werken en werkzaamheden geen vergunning meer wordt vereist, met andere woorden het in de keur vermelde verbod niet meer geldt. Om toch inzicht in de uitvoering van werken en werkzaamheden te kunnen hebben dient degene die van plan is een werk, als genoemd in de algemene regels, aan te leggen c.q. uit te voeren, dit minimaal 2 weken voordat met de uitvoering wordt begonnen te melden bij het hoogheemraadschap.
- Beleidsregels versus algemene regels In de beleidsregels zijn alle bepalingen opgenomen waaraan moet worden voldaan, inclusief een toelichting per artikel waarom betreffende bepaling in het leven is geroepen. Elke aanvraag die via de vergunningprocedure binnenkomt wordt aan de beleidsregels getoetst. De beleidsregels vormen hierdoor het kader voor de door het dagelijks bestuur te verrichten belangenafweging bij de vergunningaanvraag. De algemene regels zijn gebaseerd/afgeleid van de beleidsregels. De algemene regels zijn vooral bedoeld om het voor de initiatiefnemer (burger of gemeente) eenvoudiger te maken. Als aan de voorwaarden zoals gesteld in de algemene regels wordt voldaan mag de initiatiefnemer direct aan de slag. Wel moet worden voorkomen dat er door het onzorgvuldig toepassen van de algemene regels er onverhoopt schade aan het watersysteem ontstaat. De algemene regels moeten daarom zo eenvoudig en helder als mogelijk zijn. Wil de initiatiefnemer een werk aanleggen dat niet voldoet aan de voorwaarden zoals gesteld in de algemene regel, dan kan altijd nog vergunning via de normale procedure worden aangevraagd, waarbij aan de beleidsregels wordt getoetst. Een aantal bestaande beleidsregels is direct of alleen met minimale aanpassing omgezet tot algemene regel. Voor de duidelijkheid zal waar nodig worden vermeld waar het schakelpunt tussen de algemene regel en de beleidsregel zich bevindt, met andere woorden wanneer kan worden volstaan met een melding en wanneer niet (meer). Naast een watervergunning kunnen ook nog andere vergunningen en/of ontheffingen van Rijnland dan wel andere bestuursorganen nodig zijn. Ook kan het zijn dat u werken of werkzaamheden bij andere bestuursorganen moeten worden gemeld. Rijnland zal de aanvrager wijzen op mogelijk andere noodzakelijke vergunningen en/of ontheffingen. Wel worden aanvragers er nadrukkelijk op gewezen dat het verwerven van informatie over de benodigde vergunningen en toestemmingen een eigen verantwoordelijkheid is.
- Versiebeheer Versie 2.6 Op 17 februari 2009 heeft het college van D&H, na een inspraakprocedure, versie 2.6 vastgesteld. Versie 2.7 December
- Naar aanleiding van de Waterwet was het noodzakelijk administratieve wijzigingen door te voeren. Daarnaast zijn er enkele taalfouten uitgehaald en zijn enkele artikelen nader toegelicht. Versie 3.0 Op 7 december 2010 heeft het college van D&H de beleidsregels en algemene regels in concept vastgesteld. Van 20 januari 2011 tot en met 3 maart 2011 hebben deze ter inzage gelegen. Op 10 mei 2011 hebben D&H de regels in licht gewijzigde vorm vastgesteld. Als gevolg van de ingediende zienswijzen, wordt aan beleidsregel 4 (compensatie verhard oppervlak) een extra toelichting toegevoegd en wordt aan beleidsregel 11 (drijvende woningen) een extra artikel toegevoegd. Dit artikel maakt het mogelijk om in oppervlaktewateren breder dan 50 m voor drijvende woningen een breedte van meer dan 8 m toe te passen. Dit artikel was bij de herziening in 2009 juist naar aanleiding van inspraak opgenomen. Ambtshalve is een aantal verduidelijkingen in de toelichting op de regels opgenomen dan wel zijn tekstuele fouten gecorrigeerd. Voor enkele regels geldt dat het, naar aanleiding van ambtelijke opmerkingen, noodzakelijk wordt geacht deze inhoudelijk te wijzigen. Deze urgente wijzigingen betreffen: Beleidsregel 4 compensatie verhard oppervlak, artikel 6; Beleidsregel 11 drijvende woningen, artikel 6; Algemene regel 9 natuurvriendelijke oevers, artikel
- Deze regels zullen opnieuw als ontwerp ter inzage worden gelegd. Tot die tijd gelden de artikelen zoals opgenomen in deze versie van de regels. Voorts geldt dat het noodzakelijk wordt geacht om in de algemene regels 7 (terrassteigers) en 10 (drijvende woningen) enkele (kleine) wijzigingen aan te brengen. Dit leidt er echter toe dat deze algemene regels in zijn geheel opnieuw ter inzage zullen worden gelegd. Door deze algemene regels nu niet definitief vast te stellen, blijft het oude stelsel van kracht en is daarmee de bescherming van het functioneren van het watersysteem geborgd. Dit betekent in de praktijk dat vooralsnog alle terrassteigers en drijvende woningen vergunningplichtig blijven. Beleidsregel 1 Alternatieve waterberging
- Inleiding Rijnland is verantwoordelijk voor het waterbeheer in het gebied tussen Wassenaar, Gouda, Amsterdam en IJmuiden. Via vergunningverlening en handhaving stelt Rijnland eisen aan activiteiten die het watersysteem in dit beheergebied kunnen beïnvloeden. De basis hiervoor is de zogenoemde Keur: een set van gebod- en verbodsbepalingen. Deze bepalingen zijn nader uitgewerkt in beleidsregels en algemene regels. Beleidsregels vormen een toetsingskader bij vergunningverlening, algemene regels formuleren voorwaarden waarbinnen zonder vergunning werken mogen worden uitgevoerd. Deze notitie betreft de beleidsregel voor het toepassen van alternatieve waterberging. Na een inhoudelijke toelichting (paragrafen 2 en 3), volgt een overzicht van de artikelen uit deze beleidsregel (paragraaf 4). Deze artikelen worden in paragraaf 5 stuk voor stuk kort toegelicht. Het kan behulpzaam zijn om, naast deze notitie, ook de algemene toelichting op de beleidsregels en algemene regels te raadplegen. Verder is er een begrippenlijst, die uitleg geeft aan de vaktermen die gebruikt worden. Alle documentatie is te vinden op www.rijnland.net 2 Kader 2.1 Verbod in de Keur Op grond van de Keur 2009 (artikel 3.1.4, lid 2) is het verboden gebouwen, bouwwerken en dergelijke te plaatsen, onbebouwde/onverharde grond te verharden en werkzaamheden te verrichten als gevolg waarvan neerslag versneld tot afvoer komt. Hieronder is ook begrepen het aanbrengen en hebben van alternatieve waterberging. 2.2 Toepassingsgebied Deze beleidsregel is van toepassing op het gehele beheersgebied van het hoogheemraadschap van Rijnland. 2.3 Raakvlakken met ander beleid Beleidsregel 4 Compensatie verhard oppervlak; Beleidsregel 8 Minimaal oppervlak open water. 3 Toelichting van de activiteit Rijnland eist dat de toename van verharding wordt gecompenseerd door aanleg van open water (zie beleidsregel compensatie verhard oppervlak). In de praktijk blijkt dat het niet altijd mogelijk is extra oppervlaktewater ruimtelijk in te passen. Alternatieve waterberging door meervoudig ruimtegebruik zou dan uitkomst kunnen bieden. Aan alternatieve waterberging zitten echter twee kanten. Aan de ene kant kan alternatieve waterberging, mits goed ontworpen en onderhouden, een goed alternatief zijn voor de aanleg van open water. Aan de andere kant is er de zorg van de beheer(s)baarheid (handhaving): hoe valt bijvoorbeeld te garanderen dat een waterbergend grasdak over tien jaar niet toch een pannendak is geworden? Juist dit punt van beheer(s)baarheid is voor Rijnland aanleiding om vooralsnog voorzichtig en terughoudend om te gaan met alternatieve waterberging. Voor de toekomstvastheid van het watersysteem is en blijft het belangrijk dat er in elk peilvak voldoende open water is. Het aanleggen van alternatieve waterberging kan ertoe leiden dat de beperkte beschikbare ruimte die er nu nog is om open water aan te leggen in de toekomst verdwijnt. De opgave is dan ook om de aanleg van nieuw verhard oppervlak - als dit maar enigszins mogelijk is - te compenseren via extra waterberging in de vorm van open water. Maar als dit echt niet mogelijk is, bijvoorbeeld in een sterk verstedelijkt gebied of vanwege maatschappelijke druk, is alternatieve waterberging in principe een optie. Er zijn veel technieken voor alternatieve waterberging: grasdaken, kratten onder wegen, regentonnen, enzovoort. En de techniek ontwikkelt voortdurend door. Maar niet alle technieken zijn zonder meer geschikt. Enerzijds omdat ze zich nog niet hebben bewezen; dan is nader onderzoek gewenst. Anderzijds omdat er onaanvaardbare negatieve (bij)effecten kunnen optreden; dan worden ze ongeschikt bevonden. Geborgd dient te worden dat de toegepaste alternatieve bergingstechniek effectief, duurzaam en zonder veel onderhoud functioneert voor het gehele peilvak waarvan de alternatieve waterbergingstechniek deel uitmaakt. Om dit te kunnen beoordelen is een set algemene voorwaarden opgesteld. Deze algemene voorwaarden maken geen onderscheid tussen de situering van de verschillende systemen: zowel ondergrondse systemen als daksystemen worden getoetst met hetzelfde kader. Op aanvraag van de initiatiefnemer bekijkt Rijnland, door het toetsen aan de gestelde voorwaarden, of de voorgestelde alternatieve waterberging is in te passen in het peilvak in kwestie. Na goedkeuring van een alternatieve waterberging verleent Rijnland een watervergunning, waarmee onder andere de onderhoudsplicht van de alternatieve waterberging bij de grondeigenaren wordt gelegd. Op grond van deze onderhoudsplicht kan Rijnland handhaven op de alternatieve waterberging, op zowel publiek als privaat terrein. Tevens wordt in de watervergunning de lozing vanuit de waterberging meegenomen. Deze lozingen worden geregeld via art. 6.2 Waterwet. 4 Voorwaarden alternatieve waterberging Op grond van de Keur 2009 (artikel 3.1.4, lid 2) heeft het bestuur van Rijnland de volgende voorwaarden opgesteld voor het aanbrengen van alternatieve waterberging. Artikel 1: begripsomschrijving In deze voorwaarden wordt verstaan onder: Afvoerend oppervlak: het totale oppervlak dat op de alternatieve waterberging is aangesloten. Alternatieve waterberging: het op andere wijze dan door middel van open water bergen van (regen)wateroverschotten. Plasbermen of andere vormen van open waterberging die in de legger oppervlaktewateren zijn opgenomen (kernzone) vallen niet onder deze beleidsregel. Peilvak: een geografisch afgebakend gebied waar één en hetzelfde waterpeil wordt nagestreefd. d. Waterberging: het tijdelijk of langdurig bergen van (regen)wateroverschotten uit de omgeving. Wateropgave: de ruimtelijke en technische maatregelen die nodig zijn om de watersystemen op orde te brengen of te houden (te voldoen aan de in het kader van het Nationaal bestuursakkoord Water (NBW) afgesproken werknormen voor wateroverlast). Artikel 2: voorwaarden waaronder alternatieve waterberging is toegestaan Alternatieve waterberging mag alleen worden toegepast indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: In het gebied bevindt zich een minimum oppervlak aan open water van 5,2% voor veengebieden, 1,8% voor kleigebieden, of 4,3% voor zandgebieden (zie kaartenbijlage 4; Bodem Rijnland) In het gebied zijn geen of onvoldoende mogelijkheden om extra open water te creëren. Alternatieve waterberging mag alleen worden ingezet ter compensatie van de aanleg van extra verhard oppervlak en niet als vervanging van bestaand open water. Artikel 3: situering De alternatieve waterberging moet binnen de directe omgeving van oppervlaktewater en in de directe omgeving van de te compenseren toename van de verharding worden aangelegd. Artikel 4: toeslagfactor omvang berging De door de alternatieve waterberging gerealiseerde m3's moeten met een factor 0,9 worden vermenigvuldigd voordat ze van het totale aantal vereiste m3's mogen worden afgetrokken. Artikel 5: maximum alternatieve waterberging Minimaal 80% van de totale waterberging van het peilvak moet blijven bestaan uit traditionele waterberging in oppervlaktewater, maximaal 20% kan gerealiseerd worden als alternatieve waterberging. Artikel 6: minimale bergingscapaciteit De alternatieve waterberging dient een minimale bergingscapaciteit van 50 m³ te bevatten. Artikel 7: afvoercapaciteit De afvoer van de alternatieve waterberging moet kleiner of gelijk zijn aan 1,7 l/s/ha afvoerend oppervlak. Tenzij de afvoercapaciteit van betreffende waterstaatkundige eenheid lager is, dan geldt dat de afvoercapaciteit van de alternatieve waterberging maximaal gelijk mag zijn aan deze afvoercapaciteit. Artikel 8: drempelhoogte De drempelhoogte van een noodoverloop dient in de boezem minimaal op NAP -0,35 m te liggen. Voor oppervlaktewateren in polders ligt de drempelhoogte minimaal op een hoogte gelijk aan de maximale peilstijging (gerelateerd aan een voorkomensfrequentie van 1 maal per 100 jaar) + 0,10 meter. Artikel 9: simpele technieken Indien mogelijk dienen ‘simpele' alternatieve waterbergingstechnieken te worden toegepast, die alleen werkzaam zijn via zwaartekracht. Artikel 10: waterkwaliteit en leefomgeving Alternatieve waterbergingen mogen geen schadelijke effecten hebben op de waterkwaliteit of de leefomgeving. Artikel 11: beheer- en onderhoudsplan De initiatiefnemer dient een beheer- en onderhoudsplan te leveren dat voldoet aan de volgende eisen: Het te verrichten onderhoud wordt aangegeven en toegelicht. Bijvoorbeeld het nakijken van het waterbergingssysteem, herstellen van mankementen, doorspuiten leidingen, verwijderen van drijfvuil/sliblaag. De onderhoudsperiode en frequentie worden aangegeven, zonodig uitgesplitst in specifieke onderdelen van het waterbergingssysteem. De initiatiefnemer specificeert wie het onderhoud gaat verrichten: privé, uitvoerende instantie of uitbesteding. Per specifieke situatie en voorgesteld alternatief kunnen hierop aanvullingen worden geëist. Artikel 12: controleerbaar De aanwezigheid en werking van de alternatieve waterberging dient controleerbaar te zijn door Rijnland. Artikel 13: onderhoudsplicht De eigenaar van de grond waarop de alternatieve waterberging is gelegen, is onderhoudsplichtig voor de alternatieve bergingsvoorziening. Artikel 14: eventuele aanvullende voorwaarden Afhankelijk van het type waterberging en/of gebied kunnen aanvullende voorwaarden worden gesteld. 5Toelichting per artikel Toelichting artikel 1: begripsomschrijving Zie ook de uitgebreide Rijnlandse begrippenlijst (bijlage 1) waarin tekeningen en bronverwijzingen zijn opgenomen. Toelichting artikel 2: voorwaarden waaronder alternatieve waterberging is toegestaan Als gezegd: voor de toekomstvastheid van het watersysteem is en blijft het belangrijk dat er in elk peilvak voldoende open water is. Het aanleggen van alternatieve waterberging kan ertoe leiden dat de beperkte beschikbare ruimte die er nu nog is om open water aan te leggen in de toekomst verdwijnt. De opgave is dan ook om de aanleg van nieuw verhard oppervlak - als dit maar enigszins mogelijk is - te compenseren via extra waterberging in de vorm van open water. Maar als dit echt niet mogelijk is, bijvoorbeeld in een sterk verstedelijkt gebied of vanwege maatschappelijke druk, is alternatieve waterberging in principe een optie. Het is aan de initiatiefnemer om aan te tonen dat er geen fysieke mogelijkheden tot het graven van water aanwezig zijn. Wel dient er een minimale hoeveelheid open water in het betreffende peilvak aanwezig te zijn, voordat alternatieve waterberging mag worden toegepast, zie ook de beleidsregel ‘Minimaal oppervlak open water'. De bodemkaart in kaartenbijlage 4 is een globale weergave van de oorspronkelijke aanwezige bodem. Op lokaal niveau kan als gevolg van bouw- en woonrijp maken de bodemopbouw zijn gewijzigd. Indien dat het geval is, zal worden bepaald welk percentage moet worden gehanteerd. Toelichting artikel 3: situering Een alternatieve techniek kan water bergen of vasthouden, maar in beide gevallen moet de technische voorziening geleidelijk of op een bepaald moment worden geleegd. Hiervoor is in de nabije omgeving (straal van circa 50 meter) oppervlaktewater nodig, waarop het water - met of zonder voortransport - kan worden afgevoerd. Een alternatieve waterberging wordt aangelegd als compensatie voor de versnelde afwatering als gevolg van de toename van verharding. Vanwege het niet-afwentelen principe is het van belang de alternatieve waterberging in de nabijheid (binnen een straal van circa. 50 meter) en in hetzelfde peilvak als deze nieuwe verharding aan te leggen. Toelichting artikel 4: toeslagfactor omvang berging Het risico dat de alternatieve waterberging faalt, is te verminderen door de waterberging met behulp van een veiligheidsfactor te dimensioneren (toeslagfactor). Hierdoor wordt de waterberging groter dan strikt noodzakelijk is. Dat is gewenst omdat dit anticipeert op vermindering van de waterbergingscapaciteit door sedimentatie van vervuiling en/of bevriezing. Toelichting artikel 5: maximum alternatieve waterberging Het toepassen van alternatieve waterberging heeft een aantal risico's: Onzeker is of over bijvoorbeeld 25 jaar de alternatieve waterberging nog wel goed functioneert. Controle op alternatieve waterberging is lastig (arbeidsintensief): welke garanties zijn er bijvoorbeeld om ervoor te zorgen dat een grasdak over een aantal jaren niet (illegaal) vervangen wordt door een pannendak? Daarnaast geldt dat oppervlaktewater naast de functie van waterberging nog andere functies heeft, zoals afwatering, ecologie, grondwaterbeheersing en beleving, waar rekening mee moet worden gehouden. Om deze redenen wordt er dan ook per peilvak een maximum gesteld aan alternatieve waterberging. Toelichting artikel 6: minimale bergingscapaciteit Om versnippering van de waterberging te voorkomen en in verband met het doelmatig werken van de handhaving wordt een bepaalde hoeveelheid minimale bergingscapaciteit voorgeschreven. Ervan uitgaande dat een vergunning in ieder geval moet worden aangevraagd bij 500 m2 extra verharding; van een neerslaggebeurtenis van 1 keer in de 100 jaar van 92 mm/dag (neerslagduur 48 uur + 10% klimaatverandering) en de toeslagfactor van 0,9, moet een alternatieve waterberging dus minimaal 50 m3 groot te zijn. Het bij elkaar optellen van bijvoorbeeld 100 regentonnen van elk 0,5 m3 is niet toegestaan. Toelichting artikel 7: afvoercapaciteit De functie van de alternatieve waterberging is tijdelijk water te bergen. Om ervoor te zorgen dat de waterberging ook duurzaam tijdig (voor de volgende bui) leeg is, moet er water vanuit de waterberging afgevoerd worden naar het oppervlaktewater. Deze afvoer mag niet te groot zijn, omdat hiermee het peilvak belast wordt en het functioneren van de waterberging wordt beperkt. Bij continue afvoer onder vrij verval (waterberging boven polderpeil) hangt de grootte van de afvoer van de waterberging af van de pompcapaciteit van het poldergemaal, het totale polderoppervlak en het verharde oppervlak dat afwatert naar de waterberging. Hiermee wordt het peilvak niet extra belast aangezien dat op het moment dat er een hoeveelheid water vanuit de berging in het peilvak komt er gelijktijdig zo'n zelfde hoeveelheid water door het poldergemaal weer uit gepompt wordt. Toelichting artikel 8: drempelhoogte Voorkomen moet worden dat als gevolg van hoge waterstanden water vanuit het watersysteem de bergingslocatie instroomt. Er mag ook gewerkt worden met terugslagkleppen, in dat geval is geen minimale drempelhoogte vereist. Toelichting artikel 9: simpele technieken In verband met duurzaamheid hebben ‘simpele' technieken, die werken op basis van de zwaartekracht, de sterke voorkeur. Zodra gewerkt wordt met pompen etc., is er extra kans op falen als gevolg van storingen. Toelichting artikel 10: waterkwaliteit en leefomgeving' Alternatieve waterbergingen mogen geen schadelijke effecten hebben op de waterkwaliteit of de leefomgeving. Dit geldt zowel voor de waterkwaliteit en ecologie als de overige (milieuhygiënische) omgevingsaspecten, zoals stank, geluid, en zicht. Ook kindveiligheid is een belangrijk aandachtspunt. Toelichting artikel 11: beheer- en onderhoudsplan Het goed beheren en onderhouden van de alternatieve waterberging is noodzakelijk om het risico op falen te verminderen. Hiervoor wordt de alternatieve waterberging gecontroleerd en zonodig gehandhaafd, zodat het geen risico is voor het watersysteem. Toelichting artikel 12: controleerbaar Bij de eisen die gesteld worden aan de techniek dient rekening te worden gehouden met de mogelijke belemmeringen voor de handhaving. Handhaving is noodzakelijk om het (langdurig) functioneren van de waterberging te waarborgen. Objecten waar onder, op of in een alternatieve waterberging aanwezig is dienen zonder toestemming van derden door Rijnland te kunnen worden geïnspecteerd. Toelichting artikel 13: onderhoudsplicht Om de waterbergende functie van de alternatieve waterberging te garanderen wordt de onderhoudsplicht bij de eigenaar van de grond gelegd waarop de alternatieve waterberging is gelegen. Op grond van die onderhoudsplicht kan Rijnland handhaven op de alternatieve waterberging, op zowel publiek als privaat terrein. Naast periodieke handhaving, kan handhaving plaatsvinden op ad hoc basis, bijvoorbeeld ingeval van een geconstateerd gebrek aan het functioneren van de voorziening. Toelichting artikel 14: eventuele aanvullende voorwaarden Gezien de vele vormen van alternatieve waterberging kunnen aanvullende eisen noodzakelijk zijn, voor zover andere regelgeving niet al voorziet, om negatieve gevolgen voor bijvoorbeeld de waterkwantiteit en de waterkwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater te voorkomen. Beleidsregel 2 Beschermingszone 1 Inleiding Rijnland is verantwoordelijk voor het waterbeheer in het gebied tussen Wassenaar, Gouda, Amsterdam en IJmuiden. Via vergunningverlening en handhaving stelt Rijnland eisen aan activiteiten die het watersysteem in dit beheergebied kunnen beïnvloeden. De basis hiervoor is de zogenoemde Keur: een set van gebod- en verbodsbepalingen. Deze bepalingen zijn nader uitgewerkt in beleidsregels en algemene regels. Deze notitie betreft de beleidsregel voor de zogenoemde beschermingszones langs de oppervlaktewateren. Na een inhoudelijke toelichting (paragrafen 2 en 3), volgt een overzicht van de formele artikelen uit deze beleidsregel (paragraaf 4). Deze artikelen worden in paragraaf 5 stuk voor stuk kort toegelicht. Het kan behulpzaam zijn om, naast deze notitie, ook de algemene toelichting op de beleidsregels en algemene regels te raadplegen. Verder is er een begrippenlijst, die uitleg geeft aan de vaktermen die gebruikt worden. Alle documentatie is te vinden op http://www.rijnland.net/. 2 Kader 2..1 Verbod in de Keur Op grond van de Keur 2009 (artikel 3.1.1) is het verboden in, op, onder en boven waterstaatswerken werken aan te brengen of te hebben en stoffen, voorwerpen aan te brengen of te hebben op andere dan daarvoor bestemde plaatsen. Hieronder zijn ook begrepen de beschermingszones. 2.2 Toepassingsgebied Het toepassingsgebied van deze beleidsregel is de beschermingszone van primaire en overige oppervlaktewateren. De situering van primaire en overige oppervlaktewateren met bijbehorende kern- en beschermingszones is in de legger oppervlaktewateren vastgelegd; zie http://www.rijnland.net/beleid/legger/item_
- 3 Toelichting van de activiteit Op basis van de Keur zijn in de legger langs alle oppervlaktewateren beschermingszones gedefinieerd (zie figuur hieronder). Beide zones leggen een beperking op aan het gebruik van schaarse ruimte. Beschermingszones zijn noodzakelijk om de volgende redenen: Beschermingzones beschermen de waterhuishoudkundige functies van de kernzone (aanvoer en afvoer). Beschermingszones maken het mogelijk het onderhoud efficiënte en tegen relatief lage kosten vanaf de kant uit te voeren. Vanuit de beschermingszones kan Rijnland snel en efficiënt de oppervlaktewateren inspecteren. De beschermingszones hebben een functie in het ontvangen van alle uit het oppervlaktewater afkomstige ongerechtigheden. Om het onderhoud en de inspectie vanaf de kant te kunnen uitvoeren, moet de beschermingszone vrij zijn van bebouwing en beplanting. In de praktijk blijkt echter dat het, vooral in stedelijk gebied, moeilijk handhaafbaar is de beschermingszone vrij toegankelijk te houden. Op de beschermingszone is op vele plekken - al dan niet illegaal - bebouwing aanwezig: erfafscheidingen, schuurtjes, beplanting, enzovoort. De huidige situatie is jarenlang gedoogd en valt dus niet zonder meer terug te draaien. Strikte handhaving van het verbod om beschermingszones te bebouwen, zou ook zeker op maatschappelijke weerstand stuiten. Het verbod betreft bijvoorbeeld tuinafscheidingen en andere bebouwingen. Dit is voor veel mensen een bezwaar omdat iedereen vrij toegang zou hebben tot de betreffende percelen als er geen erfafscheidingen zijn. Ook is het onveilig om kinderen te laten spelen in een tuin aan het water, zonder hek. Een strikte omgang met de beschermingszones komt bovendien niet tegemoet aan de maatschappelijke behoefte om te wonen aan het water. De wensen van de gebruiker zijn juist gericht op gebruik van schaarse ruimte en waarde van de grond. Dit kan leiden tot conflicten met de gemeenten, terwijl Rijnland juist de samenwerking opzoekt om de eigen doelen te bereiken. Gezien de tegenstrijdige belangen is nuancering op het verbod op bouwen in de beschermingszone noodzakelijk: enerzijds is er het belang van doelmatige inspectie en onderhoud van oppervlaktewateren, anderzijds zijn er de maatschappelijke belangen. Het bestuur van Rijnland kiest voor een basisverbod in de Keur. De beschermingszones langs oppervlaktewateren blijven zoals ze zijn. In de legger wordt dan ook langs alle oppervlaktewateren een beschermingszone gedefinieerd. Rijnlands bestuur heeft besloten dat in specifieke gevallen afgeweken kan worden van de beleidslijn dat alle beschermingszones vrij toegankelijk moeten zijn om het onderhoud van de kant te kunnen uitvoeren. Het Rijnlandse gebied is zo divers dat er geen eenduidige oplossingen is voor het vrij toegankelijk houden van de beschermingszones. Maatwerk en flexibiliteit van zowel de aanvrager als Rijnland zijn noodzakelijk voor een aanvaardbare oplossing. 4 Voorwaarden beschermingszones Op grond van de Keur 2009 (artikel 3.1.1) heeft het bestuur van Rijnland de volgende voorwaarden opgesteld voor de beschermingszones. Artikel 1: begripsomschrijving In deze voorwaarden wordt verstaan onder: Beschermingszone: zone binnen het gebied dat onder werking van de Keur valt en die als zodanig in de legger is opgenomen. Insteek: de snijlijn van het schuine oevertalud (oeverhelling) met het horizontaal gelegen maaiveld. Onderhoudsplicht: de aansprakelijkheid voor onderhoud van bij het waterschap in beheer zijnde objecten, zoals in de legger of in voorschriften bij ontheffingen is aangegeven. Onderhoudsplichtigen: natuurlijke personen of rechtspersonen die verantwoordelijk zijn voor het onderhoud van waterkeringen, wateren, oevers, werken of bergingsvoorzieningen voor water of regenwater. Ontvangstplicht: Conform het Besluit Bodemkwaliteit is het mogelijk om verspreidbare onderhoudsspecie, specie die voldoet aan de normen zoals gesteld in het Besluit Bodemkwaliteit, nat of ingedroogd te verspreiden. De plicht tot het ontvangen van verspreidbare baggerspecie, op basis van de Waterwet artikel 5.16 en Keur artikel 4, geldt voor de kadastrale eigenaren van de percelen gelegen aan het oppervlaktewater (aangelanden) ongeacht de eventueel aanwezige fysieke belemmeringen. Baggerspecie met een dusdanige kwaliteit dat verspreiden niet mag zal op kosten van de onderhoudsplichtigen moeten worden afgevoerd. Overige oppervlaktewateren: oppervlaktewateren met een voornamelijk lokale transportfunctie en/of die een zekere drooglegging (ontwatering) dienen te geven. Primaire oppervlaktewateren: Oppervlaktewateren met een belangrijke functie (een regionaal belang) in de wateraan- en afvoer en/of waterberging en/of voor de instandhouding van de waterkering. Straatmeubilair: Meubilair conform de Wegenverkeerswet, voorzieningen ten behoeve van straatverlichting, plaatsaanduiding, bewegwijzering. Artikel 2: bebouwen/beplanten beschermingszones langs primaire wateren Het bebouwen en/of beplanten van de beschermingszones langs primaire oppervlaktewateren is toegestaan indien: het betreffende oppervlaktewater varend kan worden onderhouden. de wijziging van de wijze van onderhoud geen negatieve gevolgen heeft voor de (ecologische) waterkwaliteit (conform algemene zorgplicht, Flora- en faunawet). de onderhoudskosten met niet meer dan 25 % van de oorspronkelijke onderhoudskosten zullen toenemen. Indien de meerkosten met meer dan 25 % van de oorspronkelijke onderhoudskosten toenemen, kunnen de meerkosten boven de 25 % worden afgekocht. Artikel 3: bebouwen/beplanten beschermingszones langs overige wateren Het bebouwen en/of beplanten van de beschermingszones langs overige oppervlaktewateren is toegestaan indien: het betreffende oppervlaktewater varend kan worden onderhouden; de wijziging van de wijze van onderhoud geen negatieve gevolgen heeft voor de (ecologische) waterkwaliteit (conform algemene zorgplicht, Flora- en faunawet). de onderhoudsverplichtingen van de overige onderhoudsplichtigen niet worden verzwaard. Artikel 4: inrichtingseisen voor onderhoud vanaf de kant Indien onderhoud vanaf de kant plaatsvindt, gelden de volgende inrichtingseisen: Primaire oppervlaktewateren: ter weerszijden van het oppervlaktewater dient een strook van 5 meter, gemeten vanaf de insteek, vrijgehouden te worden voor onderhoud en inspectie tot een hoogte van minimaal 4 meter ten opzichte van het maaiveld. Overige oppervlaktewateren: ter weerszijden van het oppervlaktewater dient een strook van 2 meter, gemeten vanaf de insteek, tot een hoogte van minimaal 4 meter ten opzichte van het maaiveld, vrijgehouden te worden voor onderhoud en inspectie. Straatmeubilair en bomen die in de beschermingszone worden aangebracht, dienen op onderlinge afstand van ten minste 10 meter te worden geplaatst. Artikel 5: inrichtingseisen voor varend onderhoud In het geval van varend onderhoud geldende volgende inrichtingseisen: minimale breedte oppervlaktewater: 6 meter (op de waterlijn); minimale waterdiepte: 0,75 meter; minimale vrije lengte (vrij van kunstwerken) oppervlaktewater: 250 meter; voldoende plaatsen waar een onderhoudsboot in en uit het water kan worden gehaald in situaties met hindernissen (kunstwerken). Artikel 6: aanvullende bepalingen varend onderhoud Bij de beoordeling of varend onderhoud mogelijk is, dient niet alleen te worden gekeken naar de kosten maar ook naar praktische zaken zoals bereikbaarheid en de voor- en nadelen van de maaiboot en de maaikorf. Artikel 7: toegankelijkheid Bij de beoordeling van bestemmingsplannen en herinrichtingsplannen moet rekening worden gehouden met de toegankelijkheid van oppervlaktewateren. Woonwijken en industrieterreinen dienen bij voorkeur zo te worden ontworpen en aangelegd dat een beschermingszone niet geclaimd of bebouwd kan worden door derden. 5 Toelichting per artikel Toelichting artikel 1: begripsomschrijving Zie ook de uitgebreide Rijnlandse begrippenlijst (bijlage 1) waarin tekeningen en bronverwijzingen zijn opgenomen. Toelichting artikel 2: bebouwen/beplanten beschermingszones langs primaire wateren Uitvoering van efficiënt onderhoud van primaire oppervlaktewateren moet te allen tijde gewaarborgd zijn. Dit betekent het volgende: In principe blijven de nog vrij toegankelijke beschermingszones gehandhaafd. Het hoogheemraadschap treedt handhavend op indien bebouwing en/of beplanting van de beschermingszone het uitvoeren van het onderhoud in de weg staat en er geen alternatieven zoals varend onderhoud mogelijk zijn. Het hoogheemraadschap hanteert een uitstervingsbeleid: het verwijderen van bestaande vergunde obstakels die het onderhoud momenteel in de weg staan. Bebouwen en/of beplanten van de beschermingszone is in principe alleen mogelijk indien er al varend onderhoud wordt uitgevoerd. Het bebouwen en/of beplanten van de beschermingszone is niet mogelijk indien de inrichting van het betreffende watersysteem varend onderhoud niet toestaat, tenzij de aanvrager het watersysteem zodanig inricht dat varend onderhoud alsnog mogelijk wordt. Bij de beoordeling of varend onderhoud mogelijk is dient rekening te worden gehouden met de mogelijk negatieve gevolgen van varend onderhoud op de ecologie (Flora- en faunawet); dit is onder meer afhankelijk van de natuurwaarden van een watergang. De ontvangstplicht van baggerspecie blijft onverminderd van kracht. Toelichting artikel 3: bebouwen/beplanten beschermingszones langs overige wateren Het bestuur van Rijnland heeft besloten dat het hoogheemraadschap erop toeziet dat ook het onderhoud van de overige oppervlaktewateren adequaat kan worden uitgevoerd. Concreet houdt dit in dat Rijnland erop toeziet dat de onderhoudsverplichtingen van de overige onderhoudsplichtigen niet worden verzwaard indien een persoon of instantie wil bouwen in de beschermingszone van een overig oppervlaktewater. Van belang hierbij is dat de overige oppervlaktewateren over het algemeen zo smal zijn dat onderhoud alleen vanaf de kant kan plaatsvinden. Toelichting artikel 4: inrichtingseisen voor onderhoud vanaf de kant De maatvoeringen in artikel 4 zijn gebaseerd op afmetingen van het onderhoudsmaterieel. Bomen en straatmeubilair moeten zo geplaatst worden dat onderhoud mogelijk blijft. Toelichting artikel 5: inrichtingseisen voor varend onderhoud Na uitvoering van de vergunde werkzaamheden moet het oppervlaktewater met behulp van een onderhoudsboot te onderhouden zijn. Dit betekent dat aan de inrichting van het oppervlaktewater minimale eisen worden gesteld. Toelichting artikel 6: aanvullende bepalingen varend onderhoud Varend onderhoud vindt plaats met maaiboten of maaikorven. De voor- en nadelen van beide typen materieel zijn hieronder weergegeven. Onderhoud per maaiboot of maaikorfVoordeel/nadeel Maaiboot Maaikorf Voordelen weinig contacten met eigenaren nodig; geen schade aan gewas op beschermingszones. maaisel direct het water uit; weinig opwoelen bodemmateriaal. Nadelen maaisel blijft in het oppervlaktewater met nadelige gevolgen voor de waterkwaliteit; mogelijke verstopping oppervlaktewater door achtergebleven maaisel; meestal meer dan twee werkgangen per jaar nodig; opwoelen bodemmateriaal, waardoor zuurstofloos water kan ontstaan beperkte kansen voor fauna om te vluchten uit het verwijderde maaisel beperkte reikwijdte; mogelijke schade door berijden van aanliggende percelen veel contacten met eigenaren nodig, vooral als er sprake is van koppercelen Toelichting artikel 7: toegankelijkheid De beschermingszone maakt bij voorkeur onderdeel uit van de openbare ruimte. Dit valt te bereiken door bijvoorbeeld langs één zijde van een oppervlaktewater een voetpad of een weg aan te leggen. Beleidsregel 3 Beschoeiingen 1 Inleiding Rijnland is verantwoordelijk voor het waterbeheer in het gebied tussen Wassenaar, Gouda, Amsterdam en IJmuiden. Via vergunningverlening en handhaving stelt Rijnland eisen aan activiteiten die het watersysteem in dit beheergebied kunnen beïnvloeden. De basis hiervoor is de zogenoemde Keur: een set van gebod- en verbodsbepalingen. Deze bepalingen zijn nader uitgewerkt in beleidsregels en algemene regels. Beleidsregels vormen een toetsingskader bij vergunningverlening, algemene regels formuleren voorwaarden waarbinnen zonder vergunning werken mogen worden uitgevoerd. Deze notitie betreft de beleidsregel voor het vervangen en/of het aanbrengen van recht opgetrokken beschoeiingen. Na een inhoudelijke toelichting (paragrafen 2 en 3), volgt een overzicht van de artikelen uit de beleidsregel (paragraaf 4). Deze artikelen worden in paragraaf 5 kort toegelicht. Raadpleeg allereerst algemene regel 1 beschoeiingen om na te gaan of u aan de voorwaarden voldoet voor het zonder vergunning aanlegen en hebben van een beschoeiing. Voldoet u niet aan de voorwaarden, dan heeft u voor het aanleggen en hebben van een beschoeiing een watervergunning nodig, waarvoor de onderstaande voorwaarden gelden. Het kan behulpzaam zijn om, naast deze notitie, ook de algemene toelichting op de beleidsregels en algemene regels te raadplegen. Verder is er een begrippenlijst, die uitleg geeft aan de vaktermen. Alle documentatie is te vinden op http://www.rijnland.net/ 2 Kader 2..1 Verbod in de Keur Op grond van de Keur 2009 (artikel 3.1.1) is het verboden in, op, onder en boven waterstaatswerken werkzaamheden te verrichten en werken aan te brengen of te hebben. Op grond van artikel 3.1.4 is het verboden in het beheersgebied van Rijnland werkzaamheden te verrichten als gevolg waarvan een toename van de kwel is te verwachten en werken te maken of te hebben of handelingen te verrichten die direct of indirect verzilting kunnen veroorzaken of bevorderen. Hieronder is ook begrepen het aanbrengen en hebben van beschoeiingen. 2.2 Toepassingsgebied Het toepassingsgebied van deze beleidsregel is de kernzone van primaire en overige oppervlaktewateren. De situering van primaire en overige oppervlaktewateren met bijbehorende kern- en beschermingszones is in de legger oppervlaktewateren vastgelegd. 2.3 Raakvlakken met ander beleid Algemene regel 1 Beschoeiingen; Algemene regel 9 Natuurvriendelijke oevers. Nota waterkeringen "Zicht op veilige keringen", deel 2 beleidsregels
(2010)3 Toelichting van de activiteit Een goede inrichting van het watersysteem is een randvoorwaarde om schoon en gezond water te realiseren. Van belang hierbij is de natuurlijke overgang van nat naar droog. Zo hebben vanuit ecologisch oogpunt sommige planten en dieren plaatsen nodig op de oever om te kunnen schuilen. Ook kunnen bijvoorbeeld kikkers en padden in ondiep water hun eitjes afzetten. Hoe meer de natuur zijn gang kan gaan, hoe beter de kwaliteit van het oppervlaktewater wordt. Het resultaat is schoon en gezond oppervlaktewater. Het beleid van Rijnland is er dan ook op gericht het huidige areaal aan groene oevers uit te breiden. Om dit te stimuleren heeft Rijnland een subsidieregeling ingesteld. Om dezelfde redenen is Rijnland terughoudend met het toestaan van beschoeiingen. Toch is het in een aantal gevallen noodzakelijk beschoeiing aan te leggen, bijvoorbeeld om erosie van de oeverlijn door golfafslag te voorkomen of om de oever voldoende stabiel te laten zijn voor wegen en/of bebouwing pal langs deze oever. Daarnaast bestaat er in stedelijk gebied uit recreatief oogpunt vaak de wens om beschoeiingen aan te leggen. Om de bovenstaande belangen te waarborgen, heeft Rijnland voor de boven water gelegen beschoeiingen regels opgesteld die aan de ene kant de natuur zo veel als mogelijk beschermen, en aan de andere kant ook rekening houden met de maatschappelijk belangen. 4 Voorwaarden beschoeiingen Op grond van de Keur 2009 (artikel 3.1.1) heeft het bestuur van Rijnland de volgende voorwaarden opgesteld voor het recht optrekken van boven water gelegen beschoeiingen. Artikel 1: begripsomschrijving In deze voorwaarden wordt verstaan onder: Beschoeiing: materiaal dat is aangebracht langs de oeverlijn om de oever tegen afkalving te beschermen, en/of te voorkomen dat afkalving van de oever de doorstroming, de waterbeheersing of het vaarwegverkeer belemmert. Kernzone: De centrale gedeelten van waterstaatswerken die als zodanig in de legger zijn aangegeven. Kwelgebied: gebied zoals aangegeven op kaartbijlage 2 kwel- en inzijgingsgebieden. Insteek: de snijlijn van het schuine oevertalud (oeverhelling) met het horizontaal gelegen maaiveld. Oeverlijn: de scheidslijn tussen water en land. Winterpeil: het peil dat in het betreffende peilbesluit voor de winterperiode (globaal 1 september - 1 april) geldt. Zomerpeil: het peil dat in het betreffende peilbesluit voor de zomerperiode (globaal 1 april - 1 september) geldt. Artikel 2: voorwaarden voor nieuwe beschoeiing Het aanbrengen van een nieuwe beschoeiing is toegestaan indien: Het geen natuurvriendelijke of waardevolle oever betreft (zie kaartenbijlage 1, gebieden met beschermde oevers), tenzij afdoende compensatie mogelijk is voor het verwijderen of vernietigen van de bestaande natuurvriendelijke oever in de vorm van de aanleg van ten minste een gelijke lengte aan natuurvriendelijke oever in de directe omgeving van het geplande werk binnen hetzelfde peilvak. de beschoeiing op de oeverlijn wordt aangebracht en de bovenkant van de beschoeiing tot maximaal het zomerpeil reikt. Echter, wordt de beschoeiing tot boven het zomerpeil aangebracht (zie ook onderstaande tekening), dan geldt: I. compensatie van verlies aan bergend vermogen vindt plaats door de beschoeiing achterwaarts te verplaatsen dan wel door op vergelijkbare wijze open water te graven mits dit waterhuishoudkundig aanvaardbaar is, conform onderstaande tabel: Hoogte beschoeiing en afstand oeverlijnHoogte beschoeiing boven zomerpeil Afstand nieuwe oeverlijn - t.o.v. oude oeverlijn 0 0 < 0.40 m 0.20 m >0.40 - < 0.80 m 0.40 m > 0.80 m 0.60 m II. het talud tussen de nieuwe beschoeiing en de oude oeverlijn wordt tot het niveau van het winterpeil afgegraven. Artikel 3: aanvullende voorwaarden bij kwel In gebieden met sterke (zilte) kwel kunnen afwijkende/aanvullende voorwaarden worden gesteld (zie kaartenbijlage 2; kwel- en inzijgingsgebieden). Artikel 4: toe te passen materiaal Het beschoeiingmateriaal dient voor te komen op de lijst van bijlage
- 5 Toelichting per artikel Artikel 1: begripsomschrijving Zie ook de uitgebreide Rijnlandse begrippenlijst (bijlage 1) waarin tekeningen en bronverwijzingen zijn opgenomen. Artikel 2: voorwaarden nieuwe beschoeiing Natuurvriendelijke oevers hebben een belangrijke functie voor de ecologische waterkwaliteit. Het is daarom niet toegestaan natuurvriendelijk aangelegde oevers of van nature aanwezige waardevolle oevers, zoals aaneengesloten rietkragen, te beschadigen. Tevens geldt dat Rijnland in gebieden die onderdeel uitmaken van bijvoorbeeld de ecologische hoofdstructuur of de Kaderrichtlijn Water ook natuurvriendelijke oevers wil aanleggen. Met het weergeven van betreffende gebieden op de kaart wil Rijnland voorkomen dat in betreffende gebieden er ontwikkelingen plaatsvinden die realisatie van natuurvriendelijke oevers belemmeren. Deze kaart krijgt regelmatig een update. Binnen bepaalde voorwaarden mogen nieuwe beschoeiingen worden aangebracht. De voorwaarden zorgen ervoor dat deze nieuwe beschoeiingen geen negatieve gevolgen hebben voor de (ecologische) waterkwaliteit en het areaal aan waterbergend vermogen behouden blijft. Als beschoeiingen op een andere wijze worden geplaatst, zoals op de bestaande oeverlijn, worden de volgende uitgangspunten gehanteerd. Conform het dempingenbeleid wordt het afgenomen bergend oppervlak gecompenseerd. Voor de (ecologische) waterkwaliteit worden voldoende compenserende maatregelen genomen, bijvoorbeeld het plaatsen van migratietrappen. Toelichting artikel 4: aanvullende voorwaarden bij kwel In gebieden met een sterke (zilte) kwel kan het verwijderen (trekken) en plaatsen van beschoeiing tot gevolg hebben dat de (zilte) kwel toeneemt waardoor de waterkwaliteit kan afnemen en/of een verstoring van de waterbalans optreedt. Betreffende gebieden zijn weergegeven op de kaart in kaartenbijlage
- Werken die in betreffende gebieden worden uitgevoerd, zoals het aanbrengen en/of verwijderen van beschoeiingen, worden per geval door Rijnland beoordeeld. Toelichting artikel 5: toe te passen materiaal Het toe te passen materiaal mag op grond van waterkwaliteitsdoelstellingen niet uitlogend zijn. Bijlage 2 biedt een overzicht van welke materialen zijn toegestaan en welke niet. Beleidsregel 4 Compensatie verhard oppervlak 1 Inleiding Rijnland is verantwoordelijk voor het waterbeheer in het gebied tussen Wassenaar, Gouda, Amsterdam en IJmuiden. Via vergunningverlening en handhaving stelt Rijnland eisen aan activiteiten die het watersysteem in dit beheergebied kunnen beïnvloeden. De basis hiervoor is de zogenoemde Keur: een set van gebod- en verbodsbepalingen. Deze bepalingen zijn nader uitgewerkt in beleidsregels en algemene regels. Beleidsregels vormen een toetsingskader bij vergunningverlening, algemene regels formuleren voorwaarden waarbinnen zonder vergunning werken mogen worden uitgevoerd Deze notitie betreft de beleidsregel voor de compensatie van de aanleg van extra verhard oppervlak in Rijnlands beheergebeid. Na een inhoudelijke toelichting (paragrafen 2 en 3), volgt een overzicht van de artikelen uit de beleidsregel (paragraaf 4). Deze artikelen worden in paragraaf 5 stuk voor stuk kort toegelicht. Het kan behulpzaam zijn om, naast deze notitie, ook de algemene toelichting op de beleidsregels en algemene regels te raadplegen. Verder is er een begrippenlijst, die uitleg geeft aan de vaktermen. Alle documentatie is te vinden op http://www.rijnland.net/ 2 Kader 2.1 Verbod in de Keur Op grond van de Keur 2009 (artikel 3.1.4, lid 2) is het zonder vergunning van het bestuur verboden in het beheersgebied van Rijnland gebouwen, bouwwerken e.d. te plaatsen, onbebouwde/onverharde grond te verharden en werkzaamheden te verrichten als gevolg waarvan neerslag versneld tot afvoer komt. indien daarbij meer dan 500 m² onverharde grond wordt bebouwd of verhard; of indien sprake is van meerdere te ontwikkelen min of meer aaneengesloten bouwplannen met een gezamenlijke oppervlakte van 500 m²; of indien het nieuw aan te leggen verhard oppervlak meer dan 10% van het oppervlak van het betreffende peilvak beslaat; of het betreffende watersysteem de toename van de piekafvoer als gevolg van de uitbreiding van het verhard oppervlak niet kan verwerken. Op grond van artikel 3.1.4, lid 1 en 3 is het zonder vergunning van het bestuur verboden in het beheersgebied van Rijnland werkzaamheden te verrichten als gevolg waarvan een toename van de kwel of wegzijging van het grondwater zal ontstaan en werken te maken of te hebben of handelingen te verrichten die direct of indirect verzilting kunnen veroorzaken of bevorderen. 2.2 Toepassingsgebied Het toepassingsgebied van deze beleidsregel is het gehele beheersgebied van Rijnland. 2.3 Raakvlakken met ander beleid Beleidsregel 1 Alternatieve waterberging; Beleidsregel 5 Dempingen; Beleidsregel 8 Minimaal oppervlak open water; Beleidsregel 9 Aanleg nieuwe oppervlaktewateren / Inrichting watersysteem. 3 Toelichting van de activiteit Regenwater dat op een onverharde bodem valt, zakt voor een belangrijk deel in de bodem weg: infiltratie, zoals dat heet. Een deel van het regenwater verdampt en een deel komt terecht in het grondwater (wegzijging), terwijl een ander deel ondergronds afstroomt naar het oppervlaktewater of elders aan de oppervlakte komt (kwel). Slechts een beperkt deel stroomt bovengronds af naar het oppervlaktewater. De mate waarin het water kan infiltreren, verschilt per bodemtype. Zandgrond kan veel water herbergen. Maar klei- en veengrond veel minder . In verhard gebied vindt nauwelijks of geen infiltratie in de bodem plaats. Vrijwel al het water stroomt direct af naar het oppervlaktewater of de riolering. Dit betekent dat bij een flinke regenbui het oppervlaktewatersysteem een grote afvoerpiek moet opvangen. Bij de nieuwbouw van stedelijk gebied, de verdichting van bestaand gebied, de aanleg van kassen, de aanleg van terreinen voor Pot- en Containerteelt (PCT) voor zover het gesloten systemen betreft of de aanleg van wegen is sprake van het verharden van gebieden waar voordien water in de bodem kon infiltreren. De toename van verhard gebied betekent een geringere infiltratiecapaciteit naar de bodem en als gevolg daarvan een toename van periodieke belastingen van het oppervlaktewatersysteem. Zoals verwoord in de Vierde nota waterhuishouding en het Waterbeleid 21e eeuw mogen problemen niet worden afgewenteld op de omgeving (waterneutraal bouwen). Dit betekent onder meer dat we regenwater niet zo snel mogelijk afvoeren, maar dat wij als hoogheemraadschap - samen met onze partners - eerst alles in het werk gaan stellen om water in de bodem en in open water vast te houden en te bergen. Het beleid van Rijnland houdt in dat de initiatiefnemer afdoende compenserende maatregelen neemt, opdat het oppervlaktewatersysteem na de realisering van de verharding niet zwaarder wordt belast dan voordien. Bij volledige herinrichting van polders / peilvakken (van bijvoorbeeld landbouw naar stedelijk gebied) waar onder meer door opspuiting de drooglegging verandert, moet een geheel nieuw watersysteem worden ontworpen dat voldoet aan de criteria van het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) 4 Voorwaarden compensatie verhard oppervlak Op grond van de Keur 2009 (artikel 3.1.4, lid 1, 2 en 3) heeft het bestuur van Rijnland de volgende voorwaarden opgesteld voor het aanbrengen van verhard oppervlak. Artikel 1: begripsomschrijving In deze voorwaarden wordt verstaan onder: Alternatieve waterberging: het op andere wijze dan door middel van open water bergen van regen)wateroverschotten; bijvoorbeeld door middel van grasdaken. Bouwplan: de begrenzing van het gebied waarbinnen het bouwproject wordt gerealiseerd. Oeverlijn: de scheidingslijn tussen water en land. Peilvak: een geografisch afgebakend gebied waar één en hetzelfde waterpeil wordt nagestreefd. Verhard oppervlak: het netto verhard oppervlak als gevolg waarvan neerslag versneld tot afvoer komt, zoals bebouwing, wegen, (tuin)bestrating en overige verhardingen. Waterneutraal bouwen: bij ruimtelijke ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt en/of waarbij het waterbergend vermogen afneemt, moeten aanvullende maatregelen de negatieve effecten (grotere aan- en afvoer van water) voorkomen; uitgangspunt is dat dit plaatsvindt in het bouwplan. Artikel 2: gevallen waarin geen compensatie is vereist Wanneer een ondergrondse verharding (bijvoorbeeld een parkeergarage of een folie) wordt afgedekt met een laag grond met een dikte van ten minste 0,60 m. Het ontvangende peilgebied de afstroming van een oppervlak kleiner dan 500 m2 zonder problemen kan verwerken (Keur 3.1.4, lid 2.4). Artikel 3: percentages oppervlak extra open water Indien een initiatiefnemer meer dan 500 m2 extra verhard oppervlak wil aanleggen is de volgende compensatie in de vorm van open water vereist: Minimaal benodigd oppervlak extra open water uitgedrukt als percentage van het aan te leggen extra verhard oppervlakOppervlakte aanleg extra verhard oppervlak Boezem Polder < 500 m2 Geen, behoudens voorwaarde art. 2 Geen behoudens voorwaarde art. 2 ≥ 500 m2 < 10.000 m2 15 % 15 % ≥ 10.000 m2 15 % Maatwerkberekening Artikel 4: alternatieve waterberging Onder voorwaarden is compensatie in de vorm van alternatieve waterberging mogelijk; zie hiervoor de beleidsregel Alternatieve waterberging. Artikel 5: voorkeursvolgorde locaties voor compensatie Of in het zelfde peilvak (mogelijkheid 1) of in het daaropvolgende peilvak (mogelijkheid 2) kan worden gecompenseerd, hangt af van de gebiedskenmerken en zal door Rijnland worden bepaald. Voor de locatie van de compensatie geldt de volgende voorkeursvolgorde:
- Compensatie moet - op waterstaatkundig verantwoorde wijze - in hetzelfde peilvak plaatsvinden.
- Als optie 1 niet mogelijk is, en als de waterstaatkundige situatie het toelaat, moet compensatie plaatsvinden in een peilvak dat deel uitmaakt van dezelfde bemalingseenheid mits de compensatie de bergende functie voor het verharde oppervlak kan vervullen. Artikel 6: eerst compenseren, pas daarna verharden Voordat het verharde oppervlak is aangelegd dient de vereiste compensatie te zijn gerealiseerd. Het deel van de compensatie dat binnen de begrenzing van het bouwplan wordt aangelegd, dient binnen 3 maanden na de oplevering te worden gerealiseerd. Artikel 7: regeling overcompensatie Overcompensatie (wateroppervlak dat extra is gegraven ten opzichte van de compensatieverplichting) mag tot een termijn van 3 jaar na de datum van vergunningverlening dienen als compensatie van andere vergravingsverplichtingen. Artikel 8: maatvoering Indien het te compenseren water gerealiseerd wordt door een verbreding (oeververlegging) van een bestaand oppervlaktewater, dan dient deze verbreding minimaal 0,5 m gemeten uit de oeverlijn te bedragen. Artikel 9: open verbinding Het nieuw te creëren open water dient in open verbinding te staan met de rest van het watersysteem. Artikel 10: dimensionering De dimensionering van het nieuw te creëren open water moet voldoen aan de voorwaarden die in de beleidsregel ‘Aanleg nieuwe oppervlaktewateren / inrichting watersysteem' zijn opgenomen. Artikel 11: kwel- en inzijgingsgebieden In gebieden met sterke (zilte) kwel en/of inzijging kunnen aanvullende voorwaarden worden gesteld (zie kaartenbijlage 2; kwel- en inzijgingsgebieden). Artikel 12: uitzonderingsbepaling voor hoog gelegen infiltratiegebieden Indien een initiatiefnemer in een hooggelegen infiltratiegebied (zie kaartenbijlage 5; Duingebied Rijnland) verhard oppervlak aanlegt, is deze vrijgesteld van de verplichting bergend oppervlak in de vorm van open water aan te leggen. In plaats daarvan dient de initiatiefnemer voldoende voorzieningen te creëren waarmee schoon regenwater in de ondergrond kan infiltreren. 5 Toelichting per artikel Toelichting artikel 1: begripsomschrijving Zie ook de uitgebreide Rijnlandse begrippenlijst (bijlage 1) waarin tekeningen en bronverwijzingen zijn opgenomen. Versneld afvoerend oppervlak Het versneld afvoerend verhard oppervlak wordt gedefinieerd als het gedeelte van het verhard oppervlak dat afwatert op oppervlaktewater en/of riolering. In een zeer beperkt aantal situaties kan het voorkomen dat de aanleg van verhard oppervlak - bijvoorbeeld bij smalle lijnvormige elementen als fietspaden zonder afvoer naar een riool of oppervlaktewater - niet leidt tot een versnelde afvoer maar direct in de berm infiltreert. Anderzijds zijn er situaties waar door de aanleg van ondergrondse parkeerkelders met een geringe gronddekking, wel sprake is van versnelde afvoer en er dus gecompenseerd moet worden. Eén en ander ter beoordeling van Rijnland. Gedraineerd oppervlak Gedraineerde gebieden, zoals kleigebieden en (kunststof)sportvelden met voldoende drooglegging worden niet als verhard gebied aangemerkt. De algemene stelling dat gedraineerde gebieden altijd sneller afvoeren dan onverhard gebied en daardoor per definitie een negatief effect hebben op de berging, is namelijk niet correct. De processen rondom drainage, afvoer en waterberging zijn complex. Afhankelijk van de bodemopbouw, drainagemethodiek (hoogte, diepte, materiaal) kan drainage in theorie in een aantal situaties zelfs een positieve bijdrage aan de totale berging opleveren. Het in de Nota Waterneutraal bouwen gestelde uitgangspunt dat drainage zonder meer als verhard gebied moet worden beschouwd bleek onhoudbaar. Om per geval de effecten van drainage te kunnen bepalen, is per aanvraag een complexe berekening noodzakelijk. Mede gezien het feit dat het merendeel van de (landbouw)gronden die gedraineerd moesten worden al gedraineerd zijn, heeft Rijnland bij het vaststellen van de beleidsregel ‘Dempingen en Verhard oppervlak' al in 2006 doen besluiten geen compensatieplicht in te stellen voor de aanleg van nieuw te draineren gebieden. Betreffende beleidsregel heeft in 2006 de nota Waterneutraal bouwen vervangen. Aan de ene kant heeft dat tot gevolg dat als een gemeente een nieuw sportveld (bijv. kunststofveld) aanlegt, er geen compenserend oppervlaktewater hoeft te worden gegraven. Aan de andere kant betekent dat wel, dat als een al gedraineerd oppervlak wordt omgezet van onverhard naar verhard oppervlak er gecompenseerd moet worden. Toelichting artikel 2: gevallen waarin geen compensatie is vereist Indien boven een ondergrondse verharding een laag grond wordt aangebracht met ten minste een laagdikte die overeenkomt met de toelaatbare gemiddelde drooglegging in veenweidegebieden (0,60 m), dan zal deze laag zich gedragen als onverhard oppervlak. In dat geval is geen compensatie vereist. Indien deze laag bestaat uit grofkorrelig materiaal waardoor neerslag gemakkelijk kan afstromen dan wordt het oppervlak als verhard oppervlak beschouwd. Vanwege de ondergrens van 500 m2 bestaat de kans dat het verharde oppervlak sluipenderwijs toeneemt zonder dat er gecompenseerd wordt. Om dit te voorkomen beoordeelt Rijnland of er sprake is van een individueel project of van meerdere te ontwikkelen min of meer aaneengesloten bouwplannen en/of projecten. Voor zeer kleine watersystemen (kleiner dan 500 m2), maar ook voor slecht functionerende watersystemen, kan elke uitbreiding van verhard oppervlak al te veel zijn. In deze situaties dient per geval beoordeeld te worden wat mogelijk is. Toelichting artikel 3: percentages oppervlak extra open water Zoals in de tabel in artikel 3 staat vermeld dient ter compensatie van de aanleg van verhard oppervlak 15 % extra open water te worden gegraven (de zogenaamde 15% regel). De 15% regel is, in het kader van de nota Waterneutraal bouwen, berekend voor de boezem. Gezien de geringe drooglegging in de boezem is een forse compensatie vereist om de negatieve effecten van de aanleg van verhard oppervlak te compenseren. Voor polders gelden in principe andere normen. Gezien de veelheid aan grondsoorten, droogleggingen etc. zijn maatwerkberekeningen noodzakelijk om per peilvak de vereiste hoeveelheid compensatie te kunnen bepalen. Om te voorkomen dat voor elke ‘kleine' uitbreiding complexe berekeningen moeten worden gemaakt, is in polders de 15%-regel ook voor uitbreidingen tot 10.000 m2 van toepassing verklaard. Indien gewenst kan door de initiatiefnemer ook een maatwerkberekening worden uitgevoerd. Wordt er in polders meer dan 10.000 m2 extra verhard oppervlak aangelegd, dan is een maatwerkberekening noodzakelijk. De maatwerkberekening dient door en op kosten van de initiatiefnemer in nauw overleg met Rijnland te worden uitgevoerd. Onder andere vanwege de grote variatie in gebiedskenmerken, zoals bijvoorbeeld de aanwezige drooglegging, dient voor wat betreft de uitgangspunten die gelden voor de maatwerkberekening, contact opgenomen te worden met Rijnland. Toelichting artikel 5: voorkeursvolgorde locaties voor compensatie Het hoogheemraadschap stelt voorwaarden aan de locatie van de compensatie. De basis hiervoor is de voor de waterbeheersing noodzakelijk geachte ligging en spreiding. Indien in hetzelfde peilvak geen of slechts gedeeltelijke fysieke compensatie (of binnen een straal van 5 km in de boezem) valt te creëren, moet compensatie (geheel of voor het resterende deel) plaatsvinden in een peilvak dat deel uitmaakt van dezelfde bemalingseenheid. Er zijn situaties waar het niet de voorkeur heeft om in het zelfde peilvak te compenseren, maar in het daaropvolgende peilvak. Voorbeelden zijn peilvakken waar het water zeer snel via een stuw afvoert op het volgende peilvak. In dergelijke gevallen kan het beter zijn de compensatie te graven in het ‘ontvangende' peilvak. Per aanvraag moet Rijnland beoordelen waar de compensatie moet plaatsvinden. Toelichting artikel 6: eerst compenseren, pas daarna verharden Het hoogheemraadschap stelt als voorwaarde dat eerst fysieke compensatie plaatsvindt voordat het verharde oppervlak wordt aangelegd. Een andere werkwijze zou immers een tijdelijke vermindering van de bergingscapaciteit van het watersysteem betekenen en kan leiden tot lokale wateroverlast. Diverse gemeenten hebben Rijnland verzocht de verplichting tot compensatie soepeler toe te passen. Vanwege dit verzoek heeft Rijnland een instrument ontwikkeld waarmee meer flexibiliteit ontstaat in de relatie tussen de aanleg van verhard oppervlak en de compensatie daarvan. Hiermee is het mogelijk te beoordelen of een gemeente aan haar verplichtingen heeft voldaan door de uitgevoerde ingrepen over een bepaalde periode te beschouwen. Dit instrument heet ‘BergingsRekeningCourant' (BRC). Meer informatie hierover is vermeld in bijlage
- Toelichting artikel 7: regeling overcompensatie Het wateroppervlak dat wordt gegraven boven de hoeveelheid die noodzakelijk is voor de compensatie van verhard opperblak, kan worden ingezet voor een toekomstige compensatieverplichting van de vergunninghouder of van een derde partij. Daarmee wordt het bijvoorbeeld bij een gefaseerde aanleg van verhard oppervlak mogelijk een deel van de compensatie al in een eerdere fase te realiseren. De termijn van 3 jaar is gesteld, omdat het noodzakelijk is te weten op welk waterbergend vermogen in een peilgebied blijvend kan worden gerekend. Van de overcompensatie mag alleen gebruik worden gemaakt als deze feitelijk is gerealiseerd. Toelichting artikel 8: maatvoering In theorie zou een aanvrager kunnen compenseren door een sloot over een lengte van 1 kilometer met 1 centimeter te verbreden. In de praktijk is dit niet te controleren; vandaar dat wordt geëist dat een minimale breedte van 0,5 meter wordt aangelegd. Toelichting artikel 9: open verbinding Om te kunnen bijdragen aan de berging in het watersysteem is het van belang dat nieuw te graven water in open verbinding staat met dat watersysteem. Het graven van een geïsoleerde vijver in een nieuwbouwwijk wordt dus niet beschouwd als compensatie voor de aanleg van verhard oppervlak. Toelichting artikel 10: dimensionering De voorwaarden voor breedte, lengte, onderwatertalud, etc., zullen door het hoogheemraadschap afhankelijk van de lokale situatie worden vastgesteld. Bij de beoordeling van het nieuw aan te leggen watersystemen, maar ook bij maatregelen gericht op vasthouden en bergen, wordt tevens gekeken naar de gevolgen voor de waterkwaliteit en de ecologie. Uitgangspunt is dat de maatregelen geen blijvende negatieve invloed hebben op de kwaliteit van het oppervlaktewater. Toelichting artikel 11: kwel- en inzijgingsgebieden Fysieke compensatie in gebieden met een sterke (zilte) kwel en/of inzijging kan tot gevolg hebben dat de (zilte) kwel of inzijging toeneemt waardoor de waterkwaliteit mogelijk afneemt en/of een verstoring van de waterbalans optreedt; zie kaartenbijlage 2; kwel- en inzijgingsgebieden. Werken die in betreffende gebieden worden uitgevoerd worden per geval door Rijnland beoordeeld. Toelichting artikel 12: uitzonderingsbepaling voor hoog gelegen infiltratiegebieden Het graven van oppervlaktewateren in bijvoorbeeld de duinen is niet zinvol omdat het regenwater doorgaans direct infiltreert in de bodem. Beter is het om voorzieningen aan te leggen waarmee schoon regenwater afkomstig vanaf verhard oppervlak in de bodem kan infiltreren. Welke voorzieningen nodig zijn, moet de initiatiefnemer in overleg met het hoogheemraadschap bepalen. Gezien de hoge grondwaterstanden die in bijna heel Rijnland voorkomen, moet met de infiltratie van regenwater in Rijnland voorzichtig worden omgegaan. Om grondwateroverlast te voorkomen is gedegen onderzoek noodzakelijk voordat aan infiltratie kan worden gedacht. Rijnland bepaalt welke hoger gelegen gebieden in aanmerking komen voor vrijstelling, zie kaartenbijlage 5; Duingebied Rijnland. Beleidsregel 5 Dempingen 1 Inleiding Rijnland is verantwoordelijk voor het waterbeheer in het gebied tussen Wassenaar, Gouda, Amsterdam en IJmuiden. Via vergunningverlening en handhaving stelt Rijnland eisen aan activiteiten die het watersysteem in dit beheergebied kunnen beïnvloeden. De basis hiervoor is de zogenoemde Keur: een set van gebod- en verbodsbepalingen. Deze bepalingen zijn nader uitgewerkt in beleidsregels en algemene regels. Beleidsregels vormen een toetsingskader bij vergunningverlening, algemene regels formuleren voorwaarden waarbinnen zonder vergunning werken mogen worden uitgevoerd. Deze notitie betreft de beleidsregel voor het dempen van oppervlaktewateren. Na een inhoudelijke toelichting (paragrafen 2 en 3), volgt een overzicht van de artikelen uit de beleidsregel (paragraaf 4). Deze artikelen worden in paragraaf 5 stuk voor stuk kort toegelicht. Bijlage 3 geeft de artikelen van de zogenoemde bergingsrekeningcourant (BRC) weer. Het kan behulpzaam zijn om, naast deze notitie, ook de algemene toelichting op de beleidsregels en algemene regels te raadplegen. Verder is er een begrippenlijst, die uitleg geeft aan de vaktermen die gebruikt worden. Alle documentatie is te vinden op http://www.rijnland.net/ 2 Kader 2.1 Verbod in de Keur Op grond van de Keur 2009 (artikel 3.1.1, lid 1a en 1b) is het zonder vergunning van het bestuur verboden in, op, onder en/of boven waterstaatswerken en hun beschermingszone werkzaamheden te verrichten en werken of opgaande (hout)beplanting aan te brengen of te hebben, dan wel aanwezige (hout)beplanting te verwijderen. Op grond van artikel 3.1.4 lid 1 en 3 is het zonder vergunning van het bestuur verboden in het beheersgebied van Rijnland werkzaamheden te verrichten als gevolg waarvan een toename van de kwel of wegzijging van het grondwater zal ontstaan en werken te maken of te hebben of handelingen te verrichten die direct of indirect verzilting kunnen veroorzaken of bevorderen. Hieronder is ook begrepen het dempen van oppervlaktewateren. 2.2 Toepassingsgebied Het toepassingsgebied van deze beleidsregel is de kernzone van primaire en overige oppervlaktewateren. De situering van primaire en overige oppervlaktewateren met bijbehorende kern- en beschermingszones is in de legger oppervlaktewateren vastgelegd. Zie hiervoor http://www.rijnland.net/beleid/legger/item_
- 2.3 Raakvlakken met ander beleid Beleidsregel 4 Compensatie verhard oppervlak; Beleidsregel 9 Oppervlaktewateren / Inrichting watersysteem. 3 Toelichting van de activiteit Om droge voeten en schoon water te houden is het noodzakelijk dat de hoeveelheid oppervlaktewater niet afneemt. Om dit te bewerkstelligen heeft Rijnland regels opgesteld. Die strekken ertoe dat elke vierkante meter gedempt oppervlaktewater moet worden gecompenseerd. Door demping van bestaand open water neemt de bergingscapaciteit van het watersysteem af. Daarnaast kan demping negatieve gevolgen hebben voor de aanvoer en afvoer van water. De huidige bergingscapaciteit is - in samenhang met afvoer- en gemaalcapaciteit - afgestemd op het voorkomen van wateroverlast. Wateroverlast kan ontstaan als het watersysteem na langdurige of heftige neerslag onvoldoende water kan bergen of afvoeren. De mate van wateroverlast is afhankelijk van de bergingsmogelijkheden in polder en boezem en van afvoer- en gemaalcapaciteit. Naast vergroting van de kans op wateroverlast kan demping ook gevolgen hebben voor de waterkwaliteit en de ecologie. Diverse gemeenten hebben Rijnland verzocht de verplichting tot directe compensatie soepeler toe te passen; bijvoorbeeld door een voortschrijdende balans bij te houden, waarin het gedempte water én het gecompenseerde water kunnen worden genoteerd. Vanwege dit verzoek heeft Rijnland een instrument ontwikkeld waarin enerzijds het gedempte water en anderzijds het gecompenseerde water per peilvak wordt geregistreerd. Hiermee is het voor gemeenten bijvoorbeeld niet nodig elke individuele demping direct te compenseren. In plaats daarvan kan op basis van de uitgevoerde dempingen en ontgravingen in een bepaalde periode beoordeeld worden of een gemeente aan haar verplichtingen heeft voldaan. Dit instrument heet ‘BergingsRekeningCourant' (BCR). Deze BRC bestaat uit drie onderdelen: Beleid: een set voorwaarden om te kunnen werken met de BRC; zie bijlage
- Proces:een intern Rijnlands procesplan met afspraken over wie, wanneer welke gegevens bijhoudt en hoe deze worden verwerkt in het databestand (geografisch informatiesysteem (GIS)); Technisch: de bouw van een instrument dat op peilvakniveau snel en eenvoudig informatie levert over de hoeveelheid waterberging, het vastgestelde bergingstekort en de inmiddels gerealiseerde waterberging in een gebied. 4 Voorwaarden Op grond van de Keur 2009 (artikel 3.1.1, lid 1a en 1b en artikel 3.1.4, lid 1 en 3 ) heeft het bestuur van Rijnland de volgende voorwaarden opgesteld voor het dempen van oppervlaktewateren. Artikel 1: begripsomschrijving In deze voorwaarden wordt verstaan onder: Demping: alle activiteiten waardoor het bergende oppervlak, zoals vastgelegd in de legger oppervlaktewateren, afneemt. Voorbeelden zijn: volledig of gedeeltelijk dempen van een oppervlaktewater/ greppel/ droge sloot. het aanbrengen van (ontsluitings)dammen in een oppervlaktewater. het plaatsen van een beschoeiing aan de waterzijde van de bestaande beschoeiing. afkoppelen/onttrekken van open water van/aan een bepaald peilvak. het steiler optrekken van taluds. Kernzone: het centrale gedeelte van het waterstaatswerk, dat als zodanig in de legger is aangegeven. Oeverlijn: de scheidingslijn tussen water en land. Overige oppervlaktewateren: oppervlaktewateren met een voornamelijk lokale transportfunctie en/of oppervlaktewateren die een zekere drooglegging (ontwatering) moeten geven. Peilvak: een geografisch afgebakend gebied waar één en hetzelfde waterpeil wordt nagestreefd. Primaire oppervlaktewateren: Oppervlaktewateren met een belangrijke functie (een regionaal belang) in de wateraan- en afvoer en/of waterberging en/of voor de instandhouding van de waterkering. Artikel 2: volledige demping oppervlaktewateren Volledige demping van een primair oppervlaktewater is niet toegestaan. Artikel 3: geen belemmering wateraanvoer en waterafvoer De wateraanvoer en waterafvoer naar en uit het achterliggend/aangrenzend gebied mag als gevolg van een demping niet worden belemmerd. Artikel 4: geen negatieve effecten voor grondwater De demping mag geen negatieve effecten hebben op de (ondiepe) grondwaterhuishouding. Voor gebieden met klei op veen en veengronden gelden ingeval van dempingen de volgende eisen: Eén van de twee samen te voegen percelen dient smaller te zijn dan 30 meter. De totale breedte van het nieuwe perceel mag niet groter worden dan 80 meter. In overige gebieden beoordeelt Rijnland per situatie de maximale toegestane perceelsbreedte. Artikel 5: geen negatief effect voor waterkwaliteit en ecologie De demping mag geen negatief effect hebben op de waterkwaliteit en de ecologie. Artikel 6: minimaal hetzelfde oppervlak aan open water Voor elk demping moet minimaal een even groot gedeelte open water gecreëerd worden. Artikel 7: voorkeursvolgorde locaties compensatie Of in het zelfde peilvak (mogelijkheid 1) of in het daaropvolgende peilvak (mogelijkheid 2) kan worden gecompenseerd, hangt af van de gebiedskenmerken en zal door Rijnland worden bepaald. Voor de locatie van de compensatie geldt de volgende volgorde: Compensatie moet - op waterstaatkundig verantwoorde wijze - in hetzelfde peilvak plaatsvinden. Als optie 1 niet mogelijk is, en als de waterstaatkundige situatie het toelaat, moet compensatie plaatsvinden in een peilvak dat deel uitmaakt van dezelfde bemalingseenheid. Artikel 8: eerst compenseren, dan pas dempen Voordat de demping plaatsvindt dient de fysieke compensatie te zijn gerealiseerd. Artikel 9: regeling overcompensatie Overcompensatie (wateroppervlak dat extra is gegraven ten opzichte van de compensatieverplichting) mag tot een termijn van 3 jaar na de datum van vergunningverlening dienen als compensatie van andere vergravingsverplichtingen. Artikel 10: maatvoering Indien het te compenseren water gerealiseerd wordt door een verbreding (oeververlegging) van een bestaand oppervlaktewater, dan dient deze verbreding minimaal 0,5 meter gemeten uit de oeverlijn te bedragen. Artikel 11: open verbinding Het nieuw te creëren open water dient in open verbinding te staan met de rest van het watersysteem. Artikel 12: dimensionering De dimensionering van het nieuw te creëren open water moet voldoen aan de voorwaarden uit de beleidsregel ‘Aanleg nieuwe oppervlaktewateren / inrichting watersysteem'. Artikel 13: herstel oorspronkelijke oeverlijn Bij de beoordeling of een oppervlaktewater (gedeeltelijk) gedempt is dan wel wordt, wordt onder andere uitgegaan van de in de legger oppervlaktewateren gekarteerde oeverlijn. Indien door de aanvrager kan worden aangetoond dat de in de legger oppervlaktewateren gekarteerde oeverlijn als gevolg van bijvoorbeeld afkalving - ten opzichte van de oorspronkelijke oeverlijn - te veel landinwaarts is gekarteerd, dan mag de aanvrager de oorspronkelijke situatie herstellen. Randvoorwaarden hierbij zijn: De oude beschoeiing moet (deels) aanwezig zijn. Of op basis van luchtfoto's van na 1990 kan worden aangetoond waar oorspronkelijke de oeverlijn lag. Er is een duidelijke - beperkte - onderbreking (inham) van de bestaande oeverlijn aanwezig. Er kan worden aangetoond dat de verticale en/of horizontale verplaatsing van een waterkering tot een verbreding van de watergang heeft geleid. De bewijslast voor de locatie van oorspronkelijke oeverlijn ligt altijd bij de aanvrager. De locatie van de oorspronkelijke oeverlijn dient door Rijnland te worden vastgesteld, voordat het werk wordt uitgevoerd. Artikel 14: uitzonderingsbepaling polderplassen In de polderplassen Nieuwkoopse Plassen, Reeuwijkse Plassen en Langeraarse Plassen kan zonder compensatie een beperkte hoeveelheid wateroppervlak worden gedempt, indien met deze demping andere doelstellingen vanuit het integraal waterbeheer worden gediend. Artikel 15: aanvullende voorwaarden In gebieden met sterke (zilte) kwel en/of inzijging kunnen aanvullende voorwaarden worden gesteld (zie kaartenbijlage 2; kwel- en inzijgingsgebieden). 5 Toelichting per artikel Toelichting artikel 1: begripsomschrijving Zie ook de uitgebreide Rijnlandse begrippenlijst (bijlage 1) waarin tekeningen en bronverwijzingen zijn opgenomen. Het verondiepen van oppervlaktewateren tot en met het winterpeil (voor de boezem NAP -0,64 m) valt niet onder het dempingenbeleid. Het verondiepen tot winterpeil blijft wel Keurvergunningplichtig, maar is gezien de veelzijdigheid van het gebied voornamelijk maatwerk. Zo dient getoetst te worden of de wateraanvoer en waterafvoer in het betreffende oppervlaktewater conform beleidsregels niet geschaad wordt. Voor de meren en plassen is dit geen probleem. In wateraanvoerende en -afvoerende watergangen zoals de Ringvaart van de Haarlemmermeerpolder kunnen dergelijke oplossingen bijvoorbeeld niet worden toegestaan. Daarnaast dient de originele in de legger vastgelegde oeverlijn gehandhaafd te blijven. Regelmatig onderhoud moet ervoor zorgen dat de betreffende verondieping niet verlandt. Onder het onttrekken aan een peilvak wordt niet de situatie verstaan, waarbij wateroppervlak met een evenredig afwaterend gebied naar een ander peilvak wordt overgeheveld of in een onderbemaling komt te liggen. Toelichting artikel 2: volledige demping oppervlaktewateren De primaire polder- en boezemoppervlaktewateren zorgen voor de aanvoer en afvoer van water naar de polder- en de boezemgemalen. Hiervoor is een bepaalde transportcapaciteit noodzakelijk. Deze transportcapaciteit kan worden uitgedrukt in een verhoudingsgetal, het verhang. Het verhang wordt bepaald door: de hoeveelheid water die wordt getransporteerd (debiet in m3/s). de grootte van het oppervlak waardoor het debiet wordt gevoerd (stroomprofiel in m2). de weerstand die de waterstroom van de vaste wand ondervindt. Door gemalen in werking te brengen, wordt het water door verhang in de waterspiegel naar de gemalen getransporteerd. Het (gedeeltelijk) dempen van oppervlaktewateren heeft tot gevolg dat het verhang toeneemt. Een toenemend verhang heeft weer een hogere waterstand in het achterliggende gebied tot gevolg, waardoor wateroverlast kan ontstaan. Bij het merendeel van de Primaire oppervlaktewateren wordt de transportcapaciteit maximaal benut en is geen ruimte meer aanwezig voor dempingen. Het is dan ook niet toegestaan primaire oppervlaktewateren volledig te dempen. Alleen in zeer uitzonderlijke gevallen wijkt Rijnland af van deze beleidslijn.Bijvoorbeeld als voorzien wordt in gelijkwaardig functionerend water. Toelichting artikel 3: geen belemmering Indien een oppervlaktewater een functie heeft in de aanvoer of afvoer van water zal het (gedeeltelijk) dempen van dat water in veel gevallen leiden tot stagnatie van de doorstroming en daarmee tot een verminderd functioneren van het watersysteem. Het is niet acceptabel om oppervlaktewateren te dempen indien achterliggende of aangrenzende gebieden daardoor niet meer voldoende kunnen worden voorzien van water. Evenmin zijn dempingen acceptabel indien het water van achterliggende of aangrenzende gebieden niet meer voldoende kan worden afgevoerd. Bij de beoordeling wordt de volgende toetsing uitgevoerd: Er mag in het betreffende oppervlaktewater geen onacceptabele stroomsnelheid optreden (niet hoger dan 0,20 m/s). De demping mag in het achterliggende gebied niet leiden tot onacceptabele (of toename van de op het moment voorafgaande aan de demping optredende) peilstijgingen en/of peildalingen (de normen uit het peilbesluit mogen niet worden overschreden). Toelichting artikel 4: geen negatieve effecten voor grondwater Klei op veen en veengronden zijn zettingsgevoelige gronden. Klink (zetting), krimp en oxidatie (vertering) zijn de processen die hierbij tot maaivelddaling kunnen leiden. Belangrijke factor hierin is de grondwaterstand beneden het maaiveld (ontwateringsdiepte). De grondwaterstand in een perceel wordt mede bepaald door het waterpeil en de afstand tussen oppervlaktewateren. Vooral in veengebieden kunnen door dempingen dusdanig brede percelen ontstaan dat daardoor de waterspiegel vooral midden in het perceel te veel daalt, waardoor verdroging en versnelde maaivelddaling kan worden veroorzaakt. Tegelijk moet worden voorkomen dat een te grote breedte van percelen ook de ontwatering niet te zeer beïnvloedt waardoor bij regenval juist vernatting van het perceel kan ontstaan. Afwijking van de 80 meter-regel is mogelijk indien de initiatiefnemer met berekeningen aantoont dat de maximale grondwaterdiepte door specifieke maatregelen (infiltratiedrains, beregening, grondverbetering, etc.) zeker niet meer is dan bij een perceelbreedte van 80 meter. Daarnaast : Rijnland geeft geen toestemming om het peil versneld aan te passen of een onderbemaling te stichten indien, ondanks aanvullende maatregelen, toch het maaiveld daalt. Bij de maximale grondwaterdiepte (= ontwatering) zal de laagste Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (GLG), over het algemeen in het midden van het perceel, als maatgevend worden gesteld. Voor de GLG wordt de definiëring uit het Cultuurtechnisch Vademecum gehanteerd (uitgaande van een tweewekelijkse grondwaterregistratie is de GLG het gemiddelde van de drie laagste grondwaterstanden in een jaar, over een periode van minimaal acht jaar). De GLG kan worden afgeleid op basis van meetgegevens eventueel met extrapolatie vanuit peilbuizen met voldoende meetreeksen. Ook kunnen analytische of modelberekeningen worden toegepast. Bij de modelberekening kunnen de modules zoals beschikbaar voor ModFlow en Triwaco worden toegepast. Toelichting artikel 5: geen negatief effect voor waterkwaliteit en ecologie Voor demping van water mag geen materiaal worden gebruikt met een negatieve invloed op de waterkwaliteit en/of het ecosysteem. Nadere informatie op dit punt is verkrijgbaar bij de afdelingen vergunningen en handhaving van het hoogheemraadschap van Rijnland. Naast een eventuele directe negatieve invloed op de waterkwaliteit als gevolg van afgifte van toxische stoffen of nutriënten kan demping van water er ook indirect toe leiden dat de waterkwaliteit verslechtert. Een demping kan bijvoorbeeld door beperking van de doorstroming leiden tot plaatselijke ophoping van extra kroos en slib en zuurstofproblemen. Oppervlaktewateren kunnen van belang zijn voor lokale flora en fauna. Zo kan een demping een migratiebarrière veroorzaken voor waterdieren. Bij doodlopende watergangen dient de demping vanaf de kopse kant uitgevoerd te worden om op deze manier waterfauna de kans te geven te overleven. Omdat op deze wijze de bagger voor het dempen uit wordt gedrukt., dient na het gereed komen van de demping de resterende bagger te worden verwijderd en op het land te worden gebracht. Indien een deel van een bestaande doorlopende watergang wordt gedempt dan wordt gestart met het aanbrengen van een dam. Bij het aanbrengen van de dam moet het niet te dempen gedeelte van de watergang dan voor ongeveer 5 meter worden gebaggerd." Verwezen wordt voorts naar de Flora en Fauna wet en gedragscode Flora- en faunawet voor de waterschappen. Artikel 5 van de beleidsregels heeft overigens een bredere werking dan de FFW, die gericht is op beschermde soorten. De waterkwaliteits- en ecologische effecten van een demping verschillen per watertype en de factoren die de inrichting bepalen zijn per gebied verschillend. De keuze voor de inrichtingen en/of alternatieven (alternatieve migratiemogelijkheden, aanleg doorspoelvoorzieningen, enzovoort) moet daarom in overleg met Rijnland worden bepaald. Toelichting artikel 6: minimaal hetzelfde oppervlak aan open water Door demping van een (deel van een) oppervlaktewater dat bijdraagt aan de berging neemt het bergend vermogen van het betreffende peilvak af. Ter compensatie hiervan moet een minstens even groot oppervlak water in hetzelfde peilvak worden gecreëerd. Voor de boezem geldt dat voor een evenredige verdeling van het wateroppervlak de demping binnen een straal van 5 kilometer van de demping gecompenseerd moet worden. Uiteraard moet ook het compensatiewater bijdragen aan de waterberging in het betreffende gebied. Daartoe dient het water in open verbinding te staan met de rest van het oppervlaktewatersysteem. Ingeval van het steiler optrekken van het talud of het dempen van droogstaande sloten moet het verloren volume boven de waterlijn worden gecompenseerd. Toelichting artikel 7: voorkeursvolgorde locaties compensatie Rijnland stelt voorwaarden aan de locatie van de compensatie: indien in hetzelfde peilvak geen of slechts gedeeltelijke fysieke compensatie (of binnen een straal van 5 kilometer in de boezem) kan worden gecreëerd, moet compensatie (geheel of voor het resterende deel) plaatsvinden in een peilvak dat deel uitmaakt van dezelfde bemalingseenheid. Er zijn situaties waar het niet de voorkeur heeft om in het zelfde peilvak te compenseren, maar in het daaropvolgende peilvak. Voorbeelden zijn peilvakken waar het water zeer snel via een stuw afvoert op het volgende peilvak. In dergelijke gevallen kan het beter zijn de compensatie te graven in het ‘ontvangende' peilvak. Per aanvraag moet Rijnland beoordelen waar de compensatie moet plaatsvinden. Toelichting artikel 8: eerst compenseren, dan pas dempen Rijnland stelt als voorwaarde dat eerst fysieke compensatie plaatsvindt voordat de demping wordt uitgevoerd. Een andere werkwijze zou immers een tijdelijke vermindering van de bergingscapaciteit van het watersysteem betekenen en kan leiden tot lokale wateroverlast. Toelichting artikel 9: regeling overcompensatie Het wateroppervlak dat wordt gegraven boven de hoeveelheid die noodzakelijk is voor de compensatie van de demping, kan worden ingezet voor een toekomstige compensatieverplichting van de vergunninghouder zelf of van een derde partij. De termijn van 3 jaar is gesteld, omdat het noodzakelijk is te weten op welk waterbergend vermogen in een peilgebied blijvend kan worden gerekend. Van de overcompensatie mag alleen gebruik worden gemaakt als deze feitelijk is gerealiseerd. Toelichting artikel 10: maatvoering In theorie zou een aanvrager een demping van 10 m2 kunnen compenseren door een sloot over een lengte van 1 kilometer met 1 centimeter te verbreden. In de praktijk is dit niet te controleren; vandaar dat wordt geëist dat een minimale breedte van 0,5 meter wordt aangelegd. Toelichting artikel 11: open verbinding Om te kunnen bijdragen aan de berging in het watersysteem, is het van belang dat nieuw te graven water in (open) verbinding staat met dat watersysteem. Het graven van een geïsoleerde vijver in een nieuwbouwwijk wordt dus niet beschouwd als compensatie voor een demping. Toelichting artikel 12: dimensionering De aan te geven voorwaarden met betrekking tot breedte, lengte, onderwatertalud, etc., zullen door het hoogheemraadschap afhankelijk van de lokale situatie worden vastgesteld. Bij de beoordeling van het nieuw aan te leggen watersystemen, maar ook bij maatregelen gericht op vasthouden en bergen, wordt tevens gekeken naar de gevolgen voor de waterkwaliteit en de ecologie. Uitgangspunt is dat de maatregelen geen blijvende negatieve invloed hebben op de kwaliteit van het oppervlaktewater. Toelichting artikel 14: uitzonderingsbepaling polderplassen In de peilgebieden waarin de Nieuwkoopse Plassen, Reeuwijkse Plassen en Langeraarse Plassen zijn gelegen, is het bergend wateroppervlak zo groot dat dempingen van een beperkte omvang die bijdragen aan de verbetering van andere waterdoelstellingen, verwaarloosbare gevolgen voor de waterkwantiteit hebben. Daarbij moet worden gedacht aan: het beperken van de strijklengte en/of het beperken van de uitwisseling van water door de aanleg of herstel van een compartimenteringsdam; de aanleg van natuurvriendelijke oevers bijvoorbeeld in de vorm van legakkers. Dit beleid geldt niet bij plassen op boezemniveau, omdat het bergend vermogen van deze plassen een onmisbaar onderdeel vormt van het bergend vermogen van het gehele boezemsysteem. Toelichting artikel 15: aanvullende voorwaarden Fysieke compensatie in gebieden met een sterke (zilte) kwel en/of inzijging kan tot gevolg hebben dat de (zilte) kwel of inzijging toeneemt waardoor de waterkwaliteit mogelijk afneemt en/of een verstoring van de waterbalans optreedt; zie kaart in kaartenbijlage
- Werken die in betreffende gebieden worden uitgevoerd worden per geval door Rijnland beoordeeld. Beleidsregel 6 Kabels en leidingen – kruising met oppervlaktewateren 1 Inleiding Rijnland is verantwoordelijk voor het waterbeheer in het gebied tussen Wassenaar, Gouda, Amsterdam en IJmuiden. Via vergunningverlening en handhaving stelt Rijnland eisen aan activiteiten die het watersysteem in dit beheergebied kunnen beïnvloeden. De basis hiervoor is de zogenoemde Keur: een set van gebod- en verbodsbepalingen. Deze bepalingen zijn nader uitgewerkt in beleidsregels en algemene regels. Beleidsregels vormen een toetsingskader bij vergunningverlening, algemene regels formuleren voorwaarden waarbinnen zonder vergunning werken mogen worden uitgevoerd. Deze notitie betreft de beleidsregel voor kabels en leidingen die oppervlaktewateren kruisen. Na een inhoudelijke toelichting (paragrafen 2 en 3), volgt een overzicht van de artikelen uit deze beleidsregel (paragraaf 4). Deze artikelen worden in paragraaf 5 stuk voor stuk kort toegelicht. Het kan behulpzaam zijn om, naast deze notitie, ook de algemene toelichting op de beleidsregels en algemene regels te raadplegen. Verder is er een begrippenlijst, die uitleg geeft aan de vaktermen die gebruikt worden. Alle documentatie is te vinden op www.rijnland.net 2 Kader 2.1 Verbod in de Keur Op grond van de Keur 2009 (artikel 3.1.1) is het verboden in, op, onder en boven waterstaatswerken werkzaamheden te verrichten en stoffen, voorwerpen te brengen of te hebben op andere dan daarvoor bestemde plaatsen. Hieronder is ook begrepen het aanbrengen en hebben van kabels en leidingen. 2.2 Toepassingsgebied Het toepassingsgebied van deze beleidsregel is de kern- en beschermingszone van primaire en overige oppervlaktewateren. De situering van primaire en overige oppervlaktewateren met bijbehorende kern en beschermingszones is in de legger oppervlaktewateren vastgelegd. Deze beleidsregel heeft alleen betrekking op oppervlaktewateren en niet op waterkeringen. Voor waterkeringen is het beleid vastgelegd in de ‘Nota Waterkeringen - Zicht op veilige keringen, deel 2 beleidsregels. 2.3 Raakvlakken met ander beleid Algemene regel ‘Kabels en leidingen - kruising met oppervlaktewateren'. Nota waterkeringen "Zicht op veilige keringen", deel 2 beleidsregels
(2010). 3 Toelichting van de activiteit Oppervlaktewateren worden gekruist door vele kabels en leidingen. Door baggeren of door scheepvaart (ankeren) kan schade ontstaan aan kabels en leidingen, met alle mogelijke gevolgen voor de oppervlaktewateren vandien. Rijnland heeft het aanbrengen van kabels en leidingen onder oppervlaktewateren dan ook in zijn Keur verboden. Op dit verbod kan Rijnland via een vergunning, vergezeld van voorwaarden, ontheffing verlenen. 4 Voorwaarden Op grond van de Keur (artikel 12-a en 12-c) heeft het bestuur van Rijnland de volgende voorwaarden opgesteld voor het leggen van kabels en leidingen in de kernzone van oppervlaktewateren. Artikel 1: begripsomschrijving In deze voorwaarden wordt verstaan onder: Beschermingszone: zone binnen het gebied dat onder werking van de keur valt en die als zodanig in de legger is opgenomen. Ingreepmaat: de minimaal vereiste waterdiepte. In de praktijk zal gebaggerd worden tot onder de ingreepmaat om te voorkomen dat de minimale diepte (spoedig weer) wordt overschreden. Kernzone. de centrale gedeelten van waterstaatswerken die als zodanig in de legger zijn aangegeven. Overige oppervlaktewateren: oppervlaktewateren met een voornamelijk lokale transportfunctie en/of wateren die een zekere drooglegging (ontwatering) dienen te geven. Primaire oppervlaktewateren: Oppervlaktewateren met een belangrijke functie (een regionaal belang) in de wateraan- en afvoer en/of waterberging en/of voor de instandhouding van de waterkering. Artikel 2: NEN-normen De aanleg en vervanging van kabels en leidingen moet plaatsvinden volgens de vigerende NEN-normen. Artikel 3: minimale diepteligging/gronddekking Bij de aanleg van kabels en leidingen onder oppervlaktewateren moeten de volgende minimale diepteliggingen/gronddekkingen worden toegepast. Minimale diepteliggingen/gronddekkingen kabels en leidingentype oppervlaktewater minimale diepteligging kabels en leidingen t.o.v. ingreepmaat minimale gronddekking indien werkelijke diepte > ingreepmaat zonder bescherming met bescherming overige oppervlaktewateren 1.30 m 0,50 m 0,50 m primaire oppervlaktewateren 2,00 m 0,50 m 0,50 m Artikel 4: boringen en verzinkeringen Voor boringen en verzinkeringen gelden de volgende voorwaarden: Bij boringen en verzinkeringen dient een eventuele te kruisen afsluitende laag zo veel mogelijk vertikaal doorsneden te worden. De leiding mag niet horizontaal tot 2,5 meter boven de onderkant van de afsluitende laag worden aangebracht. Indien de sleufbreedte breder is dan 0,30 meter moet worden nagegaan of een opbarstberekening moet worden overlegd. Daarnaast zijn er gebieden (bijvoorbeeld binnen de Haarlemmermeerpolder) waar boogzinkers, boringen etc., alleen na aanvullend bodemonderzoek vergunbaar zijn; zie ook de beleidsregel ‘Werkzaamheden in bodem'. Artikel 5: opslag verwijderde grond De grond die bij het graven van de sleuf wordt verwijderd, mag niet in het oppervlaktewater worden opgeslagen. Artikel 6: afwerking Na het leggen van een zinker moet de sleuf worden aangevuld maximaal tot dezelfde hoogte als de doorgaande bodem van het water. De oevers, aan beide kanten van de zinker, moeten in de oorspronkelijke staat worden hersteld. De oeverbescherming die voor het uitvoeren van de werken is verwijderd, moet weer worden hersteld. Artikel 7: afwerking Er moeten maatregelen genomen worden om uitspoeling van het talud te voorkomen. Artikel 8: ongewenste waterstromen De werken moeten zodanig worden uitgevoerd en gehouden dat geen water vanuit een hoog peilgebied af kan stromen naar een laag peilgebied. Artikel 9: buitenwerking stelling Kabels, leidingen en mantelbuizen die buiten werking worden gesteld moeten worden verwijderd. Artikel 10: leidingbreuk Er moet voor worden zorg gedragen dat er geen leidingbreuk kan optreden. Artikel 11: maatregelen bij lekkage In geval van breuk of een ernstige lekkage moeten zodanige maatregelen worden getroffen dat verdergaande lekkage wordt voorkomen. 5 Toelichting per artikel Toelichting artikel 1: begripsomschrijving Zie ook de uitgebreide Rijnlandse begrippenlijst (bijlage 1) waarin tekeningen en bronverwijzingen zijn opgenomen. Toelichting artikel 3: minimale diepteligging/gronddekking Doel van deze voorwaarde is de instandhouding (rekening houdend met mogelijke toekomstige verdiepingen) van het oppervlaktewater (inclusief het talud) en dat bij het onderhoud aan het oppervlaktewater geen belemmering wordt ondervonden van de aanwezige kabels en leidingen. Onderscheid wordt gemaakt naar ‘beschermde' en ‘onbeschermde' kabels en leidingen. Indien de kabels en leidingen niet beschermd worden door speciale voorzieningen, zoals stelconplaten of gobimatten, is meer gronddekking noodzakelijk dan in gevallen waarin er wel een beschermde voorziening is. Is de werkelijke waterdiepte groter dan de ingreepmaat, dan moet vanuit oogpunt van beheer en onderhoud een minimale gronddekking van 0,50 meter aanwezig zijn. De maatvoering is gebaseerd op NEN 3651; aanvullende eisen voor stalen leidingen in kruisingen met belangrijke waterstaatswerken. Betreffende maatvoeringen zijn ook van toepassing voor de in de betreffende oppervlaktewateren gelegen kunstwerken. Toelichting artikelen 4 t/m 8: In deze artikelen zijn voorschriften opgenomen die bij de aanleg van kabels en leidingen in acht moeten worden genomen. Toelichting artikel 9 Kabels en leiding dienen als ze buitengebruik worden gesteld te worden verwijderd. Reden hiervoor is dat Rijnland als watersysteembeheerder zo veel mogelijk de vreemde elementen die geen functie (meer) hebben uit het watersysteem (ook waterkering) wil weren. Bij het laten zitten van kabels en leiding blijft het risico van kwel en dergelijke langs kabels en leidingen bestaan. Daarnaast geldt dat als er later werken worden uitgevoerd (bijv. baggeren) en je komt deze leidingdelen tegen, het dan vaak een heel gezoek om uit te vinden wie de beheerder van deze leidingstukken is. Als de ingreep in verhouding tot het werk zeer kostbaar en/of constructief moeilijk uitvoerbaar is kan er onder voorwaarden (bijv. door het op een deugdelijk manier volzetten van de leiding) voor worden gekozen de kabel of leiding, al dan niet tijdelijk, te laten zitten. Beleidsregel 7 Kunstwerken 1 Inleiding Rijnland is verantwoordelijk voor het waterbeheer in het gebied tussen Wassenaar, Gouda, Amsterdam en IJmuiden. Via vergunningverlening en handhaving stelt Rijnland eisen aan activiteiten die het watersysteem in dit beheergebied kunnen beïnvloeden. De basis hiervoor is de zogenoemde Keur: een set van gebod- en verbodsbepalingen. Deze bepalingen zijn nader uitgewerkt in beleidsregels en algemene regels. Beleidsregels vormen een toetsingskader bij vergunningverlening, algemene regels formuleren voorwaarden waarbinnen zonder vergunning werken mogen worden uitgevoerd. Deze notitie betreft de beleidsregel voor de aanleg van nieuwe (kunst)werken in de kernzone van oppervlaktewateren: zoals meerpalen, duikers, steigers, insteekhavens en aquaducten. Na een inhoudelijke toelichting (paragrafen 2 en 3), volgt een overzicht van de artikelen uit de beleidsregel (paragraaf 4). Deze artikelen worden in paragraaf 5 kort toegelicht. Het kan behulpzaam zijn om, naast deze notitie, ook de algemene toelichting op de beleidsregels en algemene regels te raadplegen. Verder is er een begrippenlijst, die uitleg geeft aan de vaktermen. Alle documentatie is te vinden op http://www.rijnland.net/ 2 Kader 2.1 Verbod in de Keur Op grond van de Keur 2009 (artikel 3.1.1, lid 1a en 1b) is het zonder vergunning van het bestuur verboden in, op, onder en/of boven waterstaatswerken en hun beschermingszone werkzaamheden te verrichten en werken of opgaande (hout)beplanting aan te brengen of te hebben, dan wel aanwezige (hout)beplanting te verwijderen. Hieronder is ook begrepen het aanbrengen en hebben kunstwerken. 2.2 Toepassingsgebied Het toepassingsgebied van deze beleidsregel is de kernzone van primaire en overige oppervlaktewateren. De situering van primaire en overige oppervlaktewateren met bijbehorende kern- en beschermingszones is in de legger oppervlaktewateren vastgelegd. 2.3 Raakvlakken met ander beleid Algemene regel 5 (Dam met) duiker en brug; Algemene regel 6 Voorzieningen voor het aanleggen van vaartuigen; Algemene regel 7 Terrassteigers. Nota waterkeringen "Zicht op veilige keringen", deel 2 beleidsregels
(2010). 3 Toelichting van de activiteit Bij het opstellen van de voorwaarden voor de kunstwerken zijn de volgende uitgangspunten toegepast: Waterkwantiteit: kunstwerken mogen de aan- en afvoer van water niet ontoelaatbaar belemmeren. Waterkwaliteit: kunstwerken mogen de waterkwaliteit en de ecologie niet ontoelaatbaar negatief beïnvloeden. Scheepvaartbelang: kunstwerken mogen doorvaart niet belemmeren (betreft alleen het beperkt aantal polderwateren waarvoor Rijnland vaarwegbeheerder is). Beheer en onderhoud: kunstwerken mogen het onderhoud aan de oppervlaktewateren en de oevers niet belemmeren. Waterkwantiteit Voor de waterstroming in een oppervlaktewater is doorgaans een beperkt verval beschikbaar. Dit verval moet worden verdeeld over het oppervlaktewater en de daarin voorkomende kunstwerken. Bij het aanleggen van nieuwe kunstwerken dient te worden getoetst of het maximale toegestane verval in het betreffende oppervlaktewater of het achterliggende watersysteem niet wordt overschreden. Met andere woorden, kunstwerken mogen geen ontoelaatbare belemmering in de aanvoer en afvoer van water veroorzaken. Daarnaast mag het bergend vermogen van het watersysteem niet afnemen, zie ook de beleidsregel dempingen. Tevens geldt dat het kunstwerk zodanig moet worden geconstrueerd dat geen ophoping van vuil (belemmering afvoer) plaatsvindt. Waterkwaliteit en ecologie Voor wat betreft de waterkwaliteit en de ecologie kunnen kunstwerken invloed hebben op bijvoor-beeld de zuurstofhuishouding, het leefgebied en de verspreiding van oever- en waterplanten en (water)dieren. Daarnaast mogen geen materialen worden gebruikt die een negatieve invloed op de waterkwaliteit en/of het ecosysteem kunnen hebben. Als kunstwerken of bebouwing (deels) over een watergang worden aangelegd, is sprake van het ‘overkluizen' van oppervlaktewateren. Overkluizingen hebben een negatieve invloed op de ecologische waterkwaliteit. Waarom zijn overkluizingen vanuit ecologisch oogpunt nadelig? Om te beginnen dekt een overkluizing een oever en/of open water (gedeeltelijk) af. Op verschillende manieren is dit lokaal nadelig voor de ecologische waterkwaliteit. Zo verlaagt een overkluizing de toegankelijkheid van het oppervlaktewater voor dieren die deels in of op het water leven, zoals watervogels, amfibieën etc. Overkluizingen beperken voorts de lichtinval, wat de groei van oevervegetatie en waterplanten beperkt of zelfs onmogelijk maakt. Dat is een bezwaar omdat de aanwezigheid van oever- en waterplanten van groot belang is voor waterdieren en vissen. Door verminderde lichtinval vindt bovendien weinig productie van organisch materiaal en daarmee zuurstof plaats; dit verstoort het ecologische evenwicht tussen opbouw en afbraak en beïnvloedt de waterkwaliteit negatief. Een verslechterde zuurstofhuishouding in het water is het gevolg. De randvoorwaarden in deze beleidsregel hebben tot doel onherstelbare schade aan de ecologische waterkwaliteit te voorkomen. Voor het behoud van het ecologisch potentieel wordt er naar gestreefd dat minimaal 80% van de oevers onverstoord blijft (er mag geen verharding aanwezig zijn in de vorm van beschoeiingen, steigers, duikers en andere overkluizingen). Scheepvaartbelang Rijnland is op grond van het Reglement verantwoordelijk voor het nautisch beheer van een aantal (boezem)oppervlaktewateren en voor het vaarwegbeheer van een beperkt aantal polder oppervlaktewateren in het zuidwesten van het gebied. Alleen voor die polderwateren waarvoor Rijnland vaarwegbeheerder is, zijn voorwaarden ten aanzien van de doorvaarthoogte en doorvaartbreedte opgenomen. Beheer en onderhoud Randvoorwaarde bij de aanleg van kunstwerken is dat adequaat beheer en onderhoud mogelijk blijft. 4 Voorwaarden Op grond van de Keur 2009 (artikel 3.1.1, lid 1a en 1b) heeft het bestuur van Rijnland de volgende voorwaarden opgesteld voor (kunst)werken die in de kernzone van een oppervlaktewater worden aangelegd. De artikelen 1 tot en met 7 van deze beleidsregel specificeren de algemene voorwaarden waaraan alle kunstwerken moeten voldoen. Vanaf artikel 8 zijn per type kunstwerk aanvullende/afwijkende bepalingen opgenomen die alleen voor dat type kunstwerk van toepassing zijn. Het gaat daarbij om: meerpalen (artikel 8). duikers (artikel 9 tot en met 14). overkluizingen (artikel 15 tot en met 21). insteekhavens (artikel 22). aquaducten en overige grote infrastructurele weken (artikel 23 en 24). Algemene voorwaarden kunstwerken (artikel 1 tot en met 7) Artikel 1: begripsomschrijving In deze voorwaarden wordt verstaan onder: Aanlegsteiger: Een constructie voor particulier gebruik boven het water, meestal langs een oever, die dient voor het aanleggen van vaartuigen, dat (deels) de kernzone afdekt en de lichttoetreding belemmert. Ingreepmaat: de minimaal vereiste waterdiepte. In de praktijk zal gebaggerd worden tot onder de ingreepmaat om te voorkomen dat de minimale diepte (spoedig weer) wordt overschreden. Insteekhaven: een, buiten het doorgaande profiel van een watergang, gegraven doodlopende haven met als doel een ligplaats te realiseren voor een vaartuig/woonboot/drijvende woning. Jachthaven: haven voor het aanleggen van pleziervaartuigen, voor zover deze als zodanig is bestemd in het geldende bestemmingsplan (met de bestemming recreatie-jachthaven of recreatie-passantenhaven). Kernzone: het centrale gedeelte van het waterstaatswerk, dat als zodanig in de legger is aangegeven. Kunstwerken: alle werken die een functie hebben in het functioneren van het waterstaatkundig systeem. Voorbeelden zijn: aquaducten, bruggen, duikers, duikerbruggen, gemalen, meerpalen, sifonduikers, steigers, etc. De in het beleid vermelde afmetingen zijn inwendige afmetingen. Meerpaal: een paal voor het aanleggen van vaartuigen. Verval: verschil in peil tussen twee punten van een oppervlaktewater op een bepaald tijdstip. Natprofiel: het onder de waterspiegel gelegen oppervlakte van de dwarsdoorsnede van een oppervlaktewater. Oeverlijn: de scheidingslijn tussen water en land. Overkluizing: kunstwerk dat (deels) de kernzone afdekt en de lichttoetreding belemmert, zoals steigers (voor zover in particulier gebruik) en paalwoningen, maar ook bruggen en duikers. Een drijvende woning (woonboot) wordt niet als overkluizing beschouwd. Overige oppervlaktewateren: oppervlaktewateren met een voornamelijk lokale transportfunctie en/of wateren die een zekere drooglegging (ontwatering) dienen te geven. Peilvak: een geografisch afgebakend gebied waar één en hetzelfde waterpeil wordt nagestreefd. Primaire oppervlaktewateren: Oppervlaktewateren met een belangrijke functie (een regionaal belang) in de wateraan- en afvoer en/of waterberging en/of voor de instandhouding van de waterkering. Verbindingsduiker: een duiker die via een perceel twee bestaande oppervlaktewateren met elkaar verbindt, zonder dat een bestaand oppervlaktewater hoeft te worden gedempt. Waterspiegel: het grensvlak tussen water en lucht. Winterpeil: het peil dat in het betreffende peilbesluit voor de winterperiode (globaal 1 september - 1 april) geldt of, bij het ontbreken ervan, in de praktijk wordt nagestreefd. Zomerpeil: het peil dat in het betreffende peilbesluit voor de zomerperiode (globaal 1 april - 1 september) geldt of, bij het ontbreken ervan, in de praktijk wordt nagestreefd. Artikel 2: voorwaarden kunstwerken Per (kunst)werk moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan: Voorwaarden waar per kunstwerk aan voldaan moet worden Primaire oppervlaktewateren Overige oppervlaktewateren Maximaal verval per kunstwerk. Bij maatgevende afvoer. Per geval beoordelen waarbij het effect op het watersysteem maatgevend is. Per geval beoordelen, met als randvoorwaarde dat het maximale verval in het oppervlaktewater waarin het kunstwerk wordt aangelegd 5 cm bedraagt (gemeten van het dichtstbijzijnde primaire oppervlaktewater tot en met het uiteinde van het peilvak). Maximale stroomsnelheid in kunstwerk.Bij maatgevende afvoer. Vanaf 0,30 m/s dient in (indien ondergrond niet is beschermd), beneden- en bovenstrooms van het kunstwerk bodembescherming te worden aangebracht Vanaf 0,30 m/s dient in (indien ondergrond niet is beschermd), beneden- en bovenstrooms van het kunstwerk bodembescherming te worden aangebracht Minimale vrije ruimte in vaarwegen (zie kaartenbijlage 3; vaarwegbeheer Rijnland), t.o.v. zomerpeil 1,60 m x 3,75 (h x
- b)1,60 m x 3,75 (h x
- b)Binnenonderkant kunstwerk 0,10 m onder de ingreepmaat (Bij bruggen niet van toepassing) Minimaal 2/3 van de inwendige hoogte dient onder de waterspiegel te liggen (t.o.v. winterpeil). (Bij bruggen niet van toepassing) Minimale afmetingen waterspiegel - binnen bovenkant kunstwerk, t.o.v. zomerpeil 1,25 m x 2,00 m (h x b). ondergrens 0,80 x 2,00 m (h x
- b)Minimaal 0,20 m.Voor duikers geldt deze eis t.o.v. winterpeil. Artikel 3: compensatie bergend oppervlak Het bergend oppervlak dat het (kunst)werk in beslag neemt, moet conform het dempingenbeleid gecompenseerd worden. Artikel 4: materiaal Bij de aanleg en bij reparatie/renovatie van kunstwerken mag geen materiaal gebruikt worden met een negatieve invloed op de waterkwaliteit en de ecologie, zie bijlage 2. Artikel 5: natprofiel schoon en open De onderhoudsplichtige van een kunstwerk moet het natprofiel altijd schoon en open houden. Artikel 6: diepte De onderhoudsplichtige van het kunstwerk is verantwoordelijk voor het verwijderen van de extra baggeraanwas (ten opzichte van het aansluitende oppervlaktewater) die over een lengte van 5 m ter weerszijden van het kunstwerk kan ontstaan. Artikel 7: voorzieningen voor onderhoud Indien door het plaatsen van een kunstwerk, in of nabij het oppervlaktewater, er geen onderhoud vanaf het water meer mogelijk is moeten aanvullende voorzieningen worden getroffen (bijvoorbeeld het aanleggen van een locatie waar een onderhoudsboot te water kan worden gelaten). Meerpalen (artikel 8) Artikel 8a: vervangen of verwijderen Het vervangen of verwijderen van bestaande meerpalen is toegestaan. Bij vervanging dient de nieuwe meerpaal dezelfde vorm en afmetingen te hebben, op dezelfde locatie te worden aangelegd en de te vervangen onderdelen in het geheel te worden verwijderd. Artikel 8b: maatvoering meerpalen Meerpalen mogen worden toegepast indien: de doorsnede van de meerpalen kleiner of gelijk is dan rond 600 mm of vierkant 500 x 500 mm. er haaks gemeten op de oeverlijn niet meer dan twee meerpalen aanwezig zijn. en de onderlinge afstand tussen meerpalen evenwijdig aan de oeverlijn minimaal drie meter bedraagt. Duikers (artikel 9 tot en met 14) Artikel 9: minimale inwendige afmetingen duikers Voor duikers dient de grootte te worden bepaald op basis van de voorwaarden geformuleerd in artikel 2, met als ondergrens de volgende inwendige afmetingen: Ondergrens inwendige afmetingen duikersParameter Geldt voor type kunstwerk Maatvoering Afmetingen duikers indien oppervlaktewater smaller dan 4 m breed op de waterlijn Duiker ronde duikers: ≥ 600 mm met binnenonderkant van de duiker 0,40 m onder het winterpeil. Afmetingen duiker indien oppervlaktewater tussen 4 en 6 m breed op de waterlijn Duiker ronde duikers: ≥ 800 mm met binnenonderkant van de duiker 0,50 m onder het winterpeil. Afmetingen duiker indien oppervlaktewater tussen 6 en 8 m breed op de waterlijn Duiker Ronde duiker: : ≥ 1000 mm met binnenonderkant van de duiker 0,65 m onder het winterpeil. Let op: Op basis van artikel 2 zijn in primaire oppervlaktewateren in principe geen duikers met bovenstaande afmetingen toegestaan. Artikel 10: maximum aantal duikers Voor aan oppervlaktewater grenzende kadastrale percelen met een oeverlengte kleiner of gelijk aan 25 meter mag per kadastraal perceel maximaal 1 dam met duiker worden aangelegd. Indien de oeverlengte groter is dan 25 meter, beoordeelt Rijnland per aanvraag hoeveel dammen met duikers er mogen komen. Artikel 11: kruinbreedte en hellinghoek talud De (kruin)breedte (gemeten op maaiveld, evenwijdig aan de oeverlijn) van een dam met duiker mag maximaal 5 meter bedragen. Een grotere lengte is toelaatbaar, indien deze om verkeerstechnische redenen noodzakelijk is. Het talud van de dam moet een hellingshoek hebben van 1:3 of steiler. Artikel 12: lengte verbindingsduikers De lengte van verbindingsduikers mag maximaal 15 meter bedragen. Bij infrastructurele werken met een belangrijke verkeersfunctie is middels maatwerk uitzondering op deze regel mogelijk. Artikel 13: bescherming uiteinden De uiteinden van een duiker moeten 0,20 meter buiten de oeverlijn reiken. De uiteinden moeten worden gemarkeerd om beschadigingen door mechanisch onderhoud tegen te gaan. Artikel 14: tracé In duikers mogen, zowel horizontaal als verticaal, geen knikpunten (bochten) aanwezig zijn en de as van de duiker moet in het midden van het oppervlaktewater liggen. Overige overkluizingen (artikel 15 tot en met 21 ) Artikel 15: profiel vrije ruimte Alle overkluizingen zoals steigers die binnen het profiel van de vrije ruimte (de ruimte die vrij moet blijven van objecten) vallen, moeten voldoen aan de eisen in artikel 16 tot en met 22. Waterkwaliteit en ecologie zijn daarbij belangrijke aandachtspunten. Het profiel van vrije ruimte wordt begrensd door een lijn van 45 graden vanuit het punt 1 m boven de waterlijn Artikel 16: volledige overkluizingen Volledige overkluizingen waarbij het oppervlaktewater over de gehele breedte wordt afgedekt, zijn alleen toegestaan indien deze een duidelijke verkeersfunctie hebben. De toegestane afmetingen worden in overleg met Rijnland bepaald. Artikel 17: eisen afmetingen a. Per overkluizing moet worden voldaan aan onderstaande afmetingen (gemeten op de oeverlijn, ten opzichte van het winterpeil). afmetingen waaraan moet worden voldaan per overkluizingBreedte* oppervlaktewater Maximale breedte (gemeten haaks op de oeverlijn) Maximaal oppervlak van het werk ≥ 3 m en < 10 m 1/10 van de breedte van het oppervlaktewater 2,5 m2 ≥ 10 m en < 20 m Idem 5 m2 ≥ 20 m en < 50 m Idem 10 m2 ≥ 50 m Idem v * breedte oppervlakte water: de breedte van het oppervlaktewater op de locatie waar het werk wordt aangelegd. b. Bij overkluizingen die onderdeel uitmaken van een planologisch bestemde jachthaven, worden aantal en afmetingen per aanvraag beoordeeld. c. Bij overkluizingen met een publieke functie worden aantal en afmetingen per aanvraag beoordeeld. Artikel 18: steunpalen Steunpalen mogen niet groter zijn dan 250 mm x 250 mm. Er mogen geen schotten of andere constructies, zowel onder als boven water, tussen de steunpalen worden geplaatst die de vrije doorstroming in alle richtingen onder de overkluizing beperken. Artikel 19: aantal overkluizingen Voor aan oppervlaktewater grenzende kadastrale percelen met een oeverlengte kleiner of gelijk aan 25 meter mag per kadastraal perceel maximaal één overkluizing worden aangebracht. Indien de oeverlengte groter is dan 25 meter, wordt per aanvraag beoordeeld hoeveel overkluizingen mogen worden aangelegd, zie ook figuur bij artikel 10. Voor direct aan oppervlaktewater grenzende kadastrale percelen met een oeverlengte groter dan 25 meter wordt per aanvraag beoordeeld hoeveel overkluizingen er mogen worden aangelegd. Artikel 20: tijdelijk verwijderen Eigenaren van steigers zijn verplicht op aanwijzing van Rijnland deze werken tijdelijk te verplaatsen of te verwijderen. Artikel 21: flexibele verbinding Steigers mogen niet vast aan de oeververdediging verbonden worden. Insteekhavens (artikel 22) Artikel 22: overkapping Een overkapping boven een insteekhaven is toegestaan, indien deze alleen boven de insteekhaven wordt aangebracht Aquaducten en overige grote infrastructurele werken (art. 23 en 24) Artikel 23: beschadigingen voorkomen Het dak van het aquaduct moet zodanig worden geconstrueerd dat de constructie schade kan opvangen als gevolg van te diep liggende boten, baggerwerkzaamheden, krabbende ankers en andere mogelijke beschadigingen. Artikel 24: ankerverbod en maximaal toelaatbare vaardiepte Ter plaatse van het aquaduct moet in overleg met de nautisch beheerder een ankerverbod worden ingesteld en dient de maximaal toelaatbare vaardiepte te worden aangegeven. 5 Toelichting per artikel Algemene voorwaarden kunstwerken (artikel 1 tot met 7) Toelichting artikel 1: begripsomschrijving Zie ook de uitgebreide Rijnlandse begrippenlijst (bijlage 1) waarin tekeningen en bronverwijzingen zijn opgenomen. Toelichting artikel 2: voorwaarden kunstwerken Verval Bij toetsing aan de vervalvoorwaarden moet het betreffende oppervlaktewater belast worden met de maatgevende afvoer. Bijlage 4 geeft weer hoe deze afvoer is te bepalen. Bij de vervalnormen kunnen grote verschillen voorkomen in het toelaatbare verval. Zo geldt bij primaire boezemwateren dat de lengtes in het beheersgebied zo groot zijn dat het cumulatieve effect van de vele kunstwerken in relatie tot de slechts geringe toelaatbare peilstijging tot gevolg heeft dat een kunstwerk eigenlijk niet voor een opstuwing mag zorgen. Om die redenen is in principe een brug van oever tot oever benodigd. In die situaties waar dit onevenredig grote financiële consequenties zou hebben, is de plaatsing van één of bij grote overspanningen meerdere tussensteunpunten toelaatbaar. Door de weerstand van de tussensteunpunt(
- en)te beperken kan het verval worden beperkt tot een acceptabel omvang. In polder hangt het toelaatbare verval af van vele factoren, zoals de omvang van het peilgebied en het aantal (te verwachten) kunstwerken. Primaire boezemwateren waar dit cumulatieve effect niet van toepassing is, kunnen worden behandeld volgens de normen voor primaire polderwateren. Gezien deze verschillen dient het toelaatbare verval per geval te worden beoordeeld. Voor overige oppervlaktewateren mag het totale verval (inclusief kunstwerken) maximaal 5 centimeter bedragen (gemeten vanaf de dichtstbijzijnde primaire oppervlaktewater tot en met het uiteinde van het peilvak). Is deze 5 centimeter volledig opgebruikt, dan is er geen ruimte meer om kunstwerken in het betreffende peilvak aan te leggen. Is de 5 centimeter nog niet opgebruikt, dan is de waterkwantiteit geen belemmering om het kunstwerk te weigeren. Overigens: uitgezonderd van de regel van maximaal 5 centimeter verval regel zijn de duinrellen, waar het water als gevolg van natuurlijk verval tot afstroming komt. Maximale stroomsnelheid Als in een kunstwerk hoge stroomsnelheden kunnen optreden, dan behoeft dit kunstwerk bodembescherming om uitschuring van het onderwaterprofiel en/of het onderwatertalud te voorkomen. Verval en stroomsnelheid zijn aan elkaar gerelateerd. Een toelaatbaar verval per kunstwerk heeft in principe tot gevolg dat de stroomsnelheid in het kunstwerk niet groter dan 0,20 m/s kan worden. In de omstandigheid dat een groter verval toelaatbaar is, dienen vanaf een stroomsnelheid groter dan 0,30 m/s extra bodembeschermende maatregelen te worden getroffen. Minimale vrije ruimte boven waterspiegel in vaarwegpolders Rijnland is in een beperkt aantal polder oppervlaktewateren vaarwegbeheerder; zie kaartenbijlage 3, vaarwegbeheer Rijnland. De minimale doorvaarthoogte en doorvaartbreedte dienen in deze oppervlaktewateren 1,60 m x 3,75 m (hoogte x breedte) te bedragen. Deze maatvoering is gebaseerd op de al aanwezige gemiddelde afmetingen van bruggen in betreffende vaarwegen. Binnenonderkant kunstwerk Primaire oppervlaktewateren: In primaire oppervlaktewateren is het vanuit hydraulisch oogpunt noodzakelijk om voldoende natoppervlak te behouden. Om er voor te zorgen dat bij toekomstige peilaanpassingen het kunstwerk niet als knelpunt gaat optreden, dient de binnenonderkant voldoende diep te worden aangelegd. Overige oppervlaktewateren: In overige oppervlaktewateren is het vanuit hydraulisch oogpunt noodzakelijk een minimaal natoppervlak te garanderen. Minimale afstand waterspiegel - binnen bovenkant kunstwerk Primaire oppervlaktewateren: Om de mogelijkheid tot het uitvoeren van varend onderhoud open te houden is een minimale doorvaarthoogte en doorvaartbreedte noodzakelijk. In een aantal situaties, zoals bij smalle oppervlaktewateren, is het niet altijd realistisch en of technisch moeilijk realiseerbaar een doorvaarthoogte van 1,25 meter te eisen. Indien dit het geval is en het oppervlaktewater moet varend onderhouden worden dan geldt een absolute minimum doorvaarthoogte van 0,80 meter. Overige oppervlaktewateren: Voor afvoer van kroos en drijvend vuil en vanuit waterkwaliteitsoogpunt (zuurstofhuishouding) is een hoeveelheid lucht boven de waterspiegel noodzakelijk, ten opzichte van het zomerpeil. De weergegeven minimale afstand geeft geen garantie dat het betreffende werk nooit onder water komt te staan. Het risico van eventuele schade aan een werk als gevolg van te hoge waterstanden is voor de eigenaar. Voor duikers moet de minimale afstand ten opzichte van het winterpeil worden bepaald. Als namelijk van het zomerpeil zou worden uitgegaan zou dit tot consequentie hebben dat na instellen van het lagere winterpeil kleine duikers bijna droog zouden komen te staan. Toelichting artikel 3: compensatie bergend oppervlak Nieuwe kunstwerken in een oppervlaktewater (bijvoorbeeld een dam met duiker)