← Nederland

Algemene Regels Keur Waterschap Vallei en Veluwe 2013 (Waterschap Vallei en Veluwe)

In het kort

Deze wet regelt activiteiten in, op, langs of nabij waterkeringen, oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden, ondersteunende kunstwerken en grondwater in het gebied van Waterschap Vallei en Veluwe. Het doel is om via algemene regels veelvoorkomende werkzaamheden te reguleren en zo onnodige vergunningsprocedures te voorkomen.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Algemene Regels Keur Waterschap Vallei en Veluwe 2013Inhoudsopgave 1 Inleiding 4 1 Algemene regels 4 2 Leeswijzer 4 2 Algemene informatie 5 1 Schema 5 2 Werkingsgebied 6 2.2.1 Waterkering 6 2.2.2 Oppervlaktewaterlichamen 7 3 Het doen van een melding 8 4 Maatwerkvoorschrift 8 3 Algemene regels 9 3.1 Waterkeringen 9 3.1.1 Algemene regel onderhoud aan wegen en wegbermen in, op of nabij een waterkering 10 3.1.2 Algemene regel verrichten van grondboringen en sonderingen nabij een waterkering 12 3.1.3 Algemene regel houden van dieren op en nabij een waterkering 14 3.1.4 Algemene regel bemesten anders dan bestuur heeft bepaald op en nabij een waterkering 16 3.1.5 Algemene regel rijden met lastdieren en motorvoertuigen op en nabij een waterkering 17 3.1.6 Algemene regel brengen of hebben van vaste stoffen of voorwerpen op of nabij een waterkering 18 3.1.7 Algemene regel aanbrengen en verwijderen van afrasteringen op of nabij een waterkering 19 3.1.8 Algemene regel aanbrengen en verwijderen van wegmeubilair op, in en nabij een waterkering 20 3.1.9 Algemene regel aanbrengen en verwijderen van beplanting nabij een waterkering 22 3.1.10 Algemene regel Kabels en leidingen in, onder en nabij waterkering 24 3.1.11 Algemene regel verrichten van handelingen, het behouden van werken of vaste substantie of voorwerpen laten liggen in beschermingszone B 26 3.2 Oppervlaktewaterlichamen 27 3.2.1 Algemene regel verbreden oppervlaktewaterlichaam C 28 3.2.2 Algemene regel veranderen talud van een oppervlaktewaterlichaam Bschouw 29 3.2.3 Algemene regel veranderen talud van een oppervlaktewaterlichaam Bpolder en C 30 3.2.4 Algemene regel aanleggen natuurvriendelijke oever van een oppervlaktewaterlichaam Bschouw 31 3.2.5 Algemene regel aanleggen natuurvriendelijke oever van een oppervlaktewaterlichaam Bpolder en C 32 3.2.6 Algemene regel houden van dieren in en langs een oppervlaktewaterlichaam A en B+ 33 3.2.7 Algemene regel houden van dieren in en langs een oppervlaktewaterlichaam Bschouw 35 3.2.8 Algemene regel houden van dieren in en langs een oppervlaktewaterlichaam Bpolder en C 36 3.2.9 Algemene regel afrastering of erfafscheiding oppervlaktewaterlichaam A en B+ 37 3.2.10 Algemene regel afrastering of erfafscheiding oppervlaktewaterlichaam Bschouw 38 3.2.11 Algemene regel afrastering of erfafscheiding oppervlaktewaterlichaam Bpolder en C 39 3.2.12 Algemene regel beplanting oppervlaktewaterlichaam Bschouw 40 3.2.13 Algemene regel beplanting oppervlaktewaterlichaam Bpolder en C 41 3.2.14 Algemene regel voor het aanleggen, verwijderen en behouden van een brug in een oppervlaktewaterlichaam Bschouw 42 3.2.15 Algemene regel voor het aanleggen, verwijderen en behouden van een brug in oppervlaktewaterlichaam Bpolder en C 43 3.2.16 Algemene regels voor een (dam met) duiker in oppervlaktewaterlichaam Bschouw 44 3.2.17 Algemene regels voor een (dam met) duiker in oppervlaktewaterlichaam Bpolder 47 3.2.18 Algemene regels voor een (dam met) duiker in oppervlaktewaterlichaam C 49 3.2.19 Algemene regel kabels en leidingen bij oppervlaktewaterlichaam A en B+ 50 3.2.20 Algemene regel kabels en leidingen bij oppervlaktewaterlichaam Bschouw 52 3.2.21 Algemene regel kabels en leidingen bij oppervlaktewaterlichaam Bpolder en C 54 3.2.22 Algemene regel steiger, vlonder of overhangend bouwwerk in oppervlaktewaterlichaam A en B+ 55 3.2.23 Algemene regel steiger, vlonder of overhangend bouwwerk oppervlaktewaterlichaam Bschouw 58 3.2.24 Algemene regel steiger, vlonder of overhangend bouwwerk in oppervlaktewaterlichaam Bpolder 61 3.2.25 Algemene regel steiger, vlonder of overhangend bouwwerk oppervlaktewaterlichaam C 62 3.2.26 Algemene regel straatmeubilair en schakelkasten in oppervlaktewaterlichaam Bschouw 63 3.2.27 Algemene regel straatmeubilair en schakelkasten in oppervlaktewaterlichaam Bpolder en C 64 3.2.28 Algemene regel uitstroomvoorzieningen in oppervlaktewaterlichaam A en B+ 65 3.2.29 Algemene regel uitstroomvoorzieningen in oppervlaktewaterlichaam Bschouw 67 3.2.30 Algemene regel uitstroomvoorzieningen oppervlaktewaterlichaam Bpolder en C 68 3.2.31 Algemene regel zitkuil of terras in oppervlaktewaterlichaam A en B+ 69 3.2.32 Algemene regel zitkuil of terras in oppervlaktewaterlichaam Bschouw 70 3.2.33 Algemene regel zitkuil of terras in oppervlaktewaterlichaam Bpolder 71 3.2.34 Algemene regel zitkuil of terras in oppervlaktewaterlichaam C 72 3.2.35 Algemene regel beschoeiing in oppervlaktewaterlichaam Bschouw 73 3.2.36 Algemene regel beschoeiing in oppervlaktewaterlichaam Bpolder 76 3.2.37 Algemene regel beschoeiing in oppervlaktewaterlichaam C 77 3.2.38 Algemene regel oeverbeschermende damwand opervlaktewaterlichaam Bschouw 78 3.2.39 Algemene regel oeverbeschermende damwand in oppervlaktewater Bpolder 81 3.2.40 Algemene regel oeverbeschermende damwand in oppervlaktewater C 82 3.2.41 Algemene regel (gemotoriseerd) varen in oppervlaktewaterlichaam A , B+ en Bschouw 83 3.2.42 Algemene regel (gemotoriseerd) varen in oppervlaktewaterlichaam Bpolder en C 84 3.2.43 Algemene regel rijden op en met lastdier of motorvoertuig langs oppervlaktewaterlichaam A, B+ en Bschouw 85 3.2.44 Algemene regel rijden op en met lastdier of motorvoertuig oppervlaktewaterlichaam Bpolder en C 86 3.2.45 Algemene regel drijven van vee langs een oppervlaktewaterlichaam Bschouw 87 3.2.46 Algemene regel drijven van vee langs een oppervlaktewaterlichaam Bpolder en C 88 3.2.47 Algemene regel evenementen bij of in een oppervlaktewaterlichaam Bpolder en C 89 3.2.48 Algemene regel kleine voorwerpen bij en in oppervlaktewaterlichamen Bschouw 90 3.2.49 Algemene regel kleine voorwerpen bij en in oppervlaktewaterlichaam Bpolder en C 91 3.2.50 Algemene regel vistuigen in oppervlaktewaterlichaam Bschouw, Bpolder en C 92 3.2.51 Algemene regel vaartuigen en vlotten in en bij oppervlaktewaterlichaam A en B+ 93 3.2.52 Algemene regel vaartuigen en vlotten in en bij oppervlaktewaterlichaam Bschouw, Bpolder en C 94 3.2.53 Algemene regel stoffen in oppervlaktewaterlichamen C 95 3.2.54 Algemene regel Brengen van water in oppervlaktewaterlichaam A, B+ en Bschouw 96 3.2.55 Algemene regel Brengen van water in oppervlaktewaterlichaam Bpolder en C 98 3.2.56 Algemene regel onttrekken van water aan oppervlaktewaterlichaam A, B+, Bschouw, Bpolder en C 99 3.2.57 Algemene regel uitzetten van vis in en onttrekken van vis aan oppervlaktewaterlichamen C 100 3.2.58 Algemene regel voor het verrichten van handelingen, het aanleggen of verwijderen of houden van werken en laten staan of liggen van vaste substanties of voorwerpen in de beschermingszone 101 3.3 Bergingsgebied 102 3.3.1 Algemene regel ophogen en aanleggen van werken binnen bergingsgebied 103 3.4 Ondersteunende kunstwerken 104 3.4.1 Algemene regel verharding boven ondersteunende kunstwerken 105 3.5 Grondwater 106 3.5.1 Algemene regel onttrekking voor bouwputbemaling, sleufbemaling, proefbronnering of grondsanering 107 3.5.2 Algemene regel onttrekking grondwater voor een noodvoorziening 112 3.5.3 Algemene regel onttrekken grondwater voor overige doeleinden 114 3.5.4 Algemene regel onttrekking grondwater voor sanering grondwaterverontreiniging 117 3.5.5 Algemene regel onttrekking grondwater voor beregening, bevloeiing en veedrenking 121 3.5.6 Algemene regel onttrekking grondwater door drainage 124 3.5.7 Algemene regel onttrekking grondwater door een artesische bron 127 1Inleiding 1.1 Algemene regels Veel voorkomende werkzaamheden die al dan niet onder voorwaarden kunnen worden toegestaan reguleert het waterschap zoveel mogelijk via algemene regels. Hiermee worden tijdrovende en onnodige vergunningprocedures voorkomen. 1.2 Leeswijzer Dit document bevat algemene regels welke zijn gebaseerd op artikel 3.12 van de Keur Waterschap Vallei en Veluwe. De volgende hoofdstukken worden onderscheiden: Inleiding Algemene informatie Algemene regels 2 Algemene informatie 2.1 Schema Het verbod om een waterstaatswerk of beschermingszone anders te gebruiken dan conform de functie, geldt voor (zie onder): In geval van (zie onder): geldt een algemene vrijstelling of specifieke vrijstelling voor (zie onder): Waterkering in kernzone en beschermingszone A werkzaamheden onderhoud aan wegen en wegbermen verrichten van grondboringen en sonderingen gebruik houden van dieren bemesten gedragingen rijden stoffen en voorwerpen vaste stoffen en voorwerpen in kernzone, profiel van vrije ruimte en beschermingszone A werken afrasteringen wegmeubilair beplanting kabels en leidingen in beschermingszone B alle één algemene vrijstelling Oppervlakte-waterlichaam werkzaamheden verlengen verbreden dempen taludaanpassingen natuurvriendelijke oever gebruik houden dieren werken afrastering of erfafscheiding beplanting bruggen dammen met duiker kabels en leidingen steigers, vlonders, overhang. bouwwerken straatmeubilair, schakelkasten uitstroomvoorzieningen zitkuil of terras beschoeiing oeverbeschermende damwand gedragingen varen (gemotoriseerd) rijden (lastdier, motorvoertuig) drijven van vee evenementen stoffen en voorwerpen kleine voorwerpen vistuigen vaartuigen, vlotten stoffen water verplaatsen (effect) water brengen in water onttrekken aan vis uitzetten en onttrekken vis uitzetten en onttrekken in beschermingszone alle één algemene vrijstelling Bergingsgebied werkzaamheden één algemene vrijstelling werken Ondersteunend kunstwerk (o.a. overkluizingen, ondergr. waterberging werkzaamheden één algemene vrijstelling werken Voor het verbod om grondwater te: geldt een vrijstelling voor: onttrekken bouwputbemaling, sleufbemaling en proefbronnering noodvoorziening overige doeleinden sanering grondwaterverontreiniging beregening, bevloeiing, veedrenking buisdrainage artesische bron 2.2 Werkingsgebied 2.2.1 Waterkering Gebied voormalig Waterschap Vallei & Eem De ligging (locatie en zonering) van de waterkeringen is aangegeven op de leggers en op de bij de Keur Waterschap Vallei & Eem 2009 van het voormalig Waterschap Vallei & Eem behorende overzichtskaarten keurzones waterkeringen. Gebied voormalig Waterschap Veluwe De ligging (locatie en zonering) van de waterkeringen is aangegeven in de leggers Waterkeringen. Van de waterkeringen waarvoor geen legger is vastgesteld, is in geval van primaire waterkeringen de locatie aangegeven op de als bijlage 1 bij de Waterwet behorende kaart en in geval van regionale keringen aangegeven op de als bijlage 1 bij de Waterverordening waterschap Vallei en Veluwe behorende kaart. Voor de zonering van zowel de primaire als de regionale waterkering waar geen legger voor is, geldt dat de kernzone zich uitstrekt tot 4 meter, de beschermingszone A tot 20 meter en de beschermingszone B tot 100 meter binnendijks en 150 meter buitendijks, gemeten vanuit de teen van de waterkering. Zolang en voor zover de benamingen op de in het eerste lid genoemde kaarten en in de leggers niet overeenstemmen met deze keur en de daarop gebaseerde besluitvorming, wordt de volgende conversietabel gehanteerd: Benaming in legger en op keurkaart Benaming in Keur en daarop gebaseerde besluitvorming kernzone (in gebied voormalig Waterschap Veluwe) kernzone zone waterkering (in gebied voormalig Waterschap Vallei & Eem) dijklichaam van teen tot teen inclusief stabiliteitsbermen overige deel beschermingszone A beschermingszone (in gebied voormalig Waterschap Veluwe) beschermingszone (in gebied voormalig Waterschap Vallei & Eem) en buitenbeschermingszone (in gebied voormalig Waterschap Veluwe) beschermingszone B Verklaring van de begrippen:Kernzone: het dijklichaam met aan weerszijden een strook die de maximale keurbescherming nodig heeft (zie fig.1). Beschermingszone A: de zone gelegen grenzend aan de kernzone tot de invloedslijnen. De invloedslijn wordt bepaald door de technische ligging in combinatie met het praktisch construeren van een aansluiting (zie fig. 1). Beschermingszone B: de zone grenzend aan de Beschermingszone A waarin voorschriften van de keur van toepassing zijn voor activiteiten die potentieel grote gevaren voor de waterkering op kunnen leveren (zie fig.1). Profiel van vrij ruimte: de ruimte ter weerszijden van en boven een waterkering of een toekomstige waterkering die naar het oordeel van de beheerder nodig is voor toekomstige verbeteringen. (zie fig. 1). 2.2.

  1. Oppervlaktewaterlichamen Gebied voormalig Waterschap Vallei & EemDe ligging (locatie en zonering) van de oppervlaktewaterlichamen is aangegeven op de leggers en op de bij de Keur Waterschap Vallei & Eem 2009 van het voormalig Waterschap Vallei & Eem behorende overzichtskaarten keurzones watergangen. Bij deze overzichtskaarten dient te worden bedacht dat daar waar op de in het eerste bedoelde kaarten kant water staat vermeld, dat in geval van oppervlaktewaterlichamen in de bebouwde kom als bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994 en oppervlaktewaterlichamen met een natuurvriendelijke oever, het snijpunt van het talud met het water is en in de overige gevallen de bovenkant van de insteek; voor de Malewetering en het Valleikanaal, voor zover deze zich bevinden binnen de bebouwde kom van Amersfoort, een uitzondering geldt: de bovenkant van de insteek dient als kant water te worden beschouwd. Gebied voormalig Waterschap Veluwe De locatie van de oppervlaktewaterlichamen A en B is aangegeven op de A-legger, respectievelijk de B-legger van het voormalig Waterschap Veluwe. De keurzones van oppervlaktewaterlichamen C zijn vastgelegd op de bij deze behorende overzichtskaarten keurzones oppervlaktewaterlichamen C in het gebied van het voormalig Waterschap Veluwe Voor de zonering geldt dat een oppervlaktewaterlichaam A zich uitstrekt van insteek tot insteek met inbegrip van een onderhoudsstrook van vijf meter gemeten vanuit de insteek aan beide zijden en een oppervlaktewaterlichaam B of C van insteek tot insteek. Zolang en voor zover de benamingen van de oppervlaktewaterlichamen in de legger dan wel de keurkaarten niet zijn aangepast aan de benamingen bij of krachtens deze keur, wordt de volgende conversietabel gehanteerd: Benaming in legger en op keurkaart Benaming Keur en daarop gebaseerde besluitvorming A- of a-water (in gebied voormalig Waterschap Veluwe) en primaire watergang (in gebied voormalig Waterschap Vallei & Eem) oppervlaktewaterlichaam A Secundaire watergang (in gebied voormalig Waterschap Vallei & Eem) oppervlaktewaterlichaam B+ B- of b-water (in gebied voormalig Waterschap Veluwe) en tertiaire watergangen (in gebied voormalig Waterschap Vallei & Eem) voorover deze jaarlijks geschouwd worden oppervlaktewaterlichaam Bschouw Tertiaire watergangen (in gebied voormalig Waterschap Vallei & Eem) met diepteschouw eens per 5 jaar oppervlaktewaterlichaam Bpolder Oppervlaktewaterlichamen C(in gebied voormalig Waterschap Veluwe) en tertiaire watergangen zonder schouw en solitaire wateren (in gebied voormalig Waterschap Vallei & Eem) oppervlaktewaterlichaam C 2.3 Het doen van een melding Degene die een werk wil uitvoert dat valt onder een of meer van in dit stuk gestelde algemene regels en waarvoor een melding moet worden gedaan meldt dit tenminste 2 weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bestuur, tenzij in de algemene regels een afwijkende termijn wordt aangegeven. De melding kan digitaal en schriftelijk worden gedaan. Een digitale melding kan via het Omgevingsloket Online (OLO-water) worden ingediend. Het OLO-water is te bereiken via: www.omgevingsloket.nl. Het is ook mogelijk om de melding schriftelijk te verrichten. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een door het waterschap beschikbaar gesteld formulier. Dit formulier is te bereiken via: www.vallei-veluwe.nl. In bepaalde gevallen gelden aanvullende indieningscriteria. Dit is aangegeven bij de desbetreffende algemene regel. 2.4 Maatwerkvoorschrift Op grond van artikel 3.12, derde lid van de Keur Waterschap Vallei en Veluwe 2013 kan het bestuur maatwerkvoorschriften stellen met het oog op de bescherming van het watersysteem. Een maatwerkvoorschrift is een voorschrift dat het bevoegde gezag, in dit geval het waterschap, ter nadere invulling van de algemene regels kan opleggen. Met een maatwerkvorschrift kan ook een voorschrift worden voorgeschreven dat – binnen bepaalde grenzen – strenger of soepeler is dan de algemene regel. 3 Algemene regels 3.1 Waterkeringen 3.1.
  2. Algemene regel onderhoud aan wegen en wegbermen in, op of nabij een waterkering Artikel 1 Vrijstelling Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de keur, voor het onderhouden van wegverharding en wegbermen in de kernzone en de beschermingszone A, als aangegeven in de legger, voor zover: er geen grondroeringen plaatsvinden, en het klein onderhoud betreft, en bij reconstructie van bestrating in de kernzone het oppervlak van de reconstructie maximaal 50 m2 bedraagt. Artikel 2 Voorschriften Degene die onderhoud pleegt aan verharding en/of wegbermen als bedoeld in artikel 1, voldoet aan de volgende voorwaarde: voert geen werkzaamheden uit in de periode tussen 1 november en 1 april; voert alle materialen die vrijkomen bij de werkzaamheden in de kernzone en de beschermingszone A af; gebruikt het talud van de waterkering niet als opslagplaats voor materiaal of materieel of als af- en aanrij route voor transport. Artikel 3 Melding Degene die onderhoud pleegt aan verharding en/of wegbermen gelegen in de kernzone en de beschermingszone A als bedoel in artikel 1, meldt dit tenminste 2 weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bestuur. De melding wordt schriftelijk of digitaal gedaan met behulp van het door het bestuur vastgesteld formulier. Daarbij wordt in ieder geval vermeld: naam en adres van degene die de werkzaamheden uitvoert; het adres of de locatie waar de werkzaamheden worden uitgevoerd; gegevens over het werk; de aard van de werkzaamheden; een situatietekening. Artikel 4 Overgangsrecht Indien voor uitvoeren van onderhoud aan verharding en/of wegbermen als bedoeld in artikel 1, direct voor inwerkingtreding van deze algemene regel een watervergunning is aangevraagd en nog niet op die aanvraag is beslist, wordt de aanvraag gelijkgesteld met een melding als bedoeld in deze algemene regel. Een watervergunning verleend voor inwerkingtreding van deze algemene regel voor ingevolge deze algemene regel meldingplichtige werkzaamheden, wordt aangemerkt als een melding als bedoeld in deze algemene regel. TOELICHTING Kader Op grond van artikel 3.2, eerste lid, van de Keur is het verboden om zonder watervergunning onderhoud te plegen aan verharding en/of wegbermen als bedoeld in artikel
  3. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt. Begripsbepaling De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder: Grondroering: het omwerken van grond zoals ploegen, frezen en spitten. Klein onderhoud: vervangen of herstellen van de bovenste laag wegverharding waarbij de berm niet wordt aangetast. Motivering Op veel waterkeringen zijn wegen en verharding aanwezig. Omwille van de (verkeers)veiligheid is het in sommige gevallen noodzakelijk dat er onderhoud plaatsvindt. De relevante waterstaatkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van een algemene regel. Voor het verrichten van handelingen, het behouden van werken of vaste substantie of voorwerpen laten liggen in beschermingszone B geldt “de algemene regel verrichten van handeling, het behouden van werken of vaste substantie of voorwerpen laten liggen in beschermingszone B”. Voor het aanleggen van nieuwe wegen of het verharden van onverharde paden is een watervergunning nodig. Aan het verrichten van klein onderhoud aan wegen zijn waterhuishoudkundige risico’s verbonden, in het bijzonder met betrekking tot ontgravingen en de bereikbaarheid van de waterkering. In het bijzonder valt te denken aan hinder voor doelmatig beheer en onderhoud van de waterkering en toegankelijkheid van het buitentalud bij hoogwater. Door de voorwaarden in deze algemene regel worden deze risico’s afgedekt. Voor de stabiliteit van de waterkering is het van belang dat de ingrepen in het waterstaatswerk goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden aan het waterstaatswerk. Om deze reden is de meldplicht in deze algemene regel opgenomen. 3.1.
  4. Algemene regel verrichten van grondboringen en sonderingen nabij een waterkering Artikel 1 Criteria Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de keur, voor het verrichting van grondboringen en sonderingen in de beschermingszone A, als aangegeven in de legger, voor zover: de grondboring of sondering een diameter hebben kleiner dan 0,10 meter, en de gaten niet dieper dan 9 meter onder maaiveld worden geboord of gedrukt, en de gaten niet gespoten worden, en het toe te passen materieel met behulp waarvan de sondering wordt uitgevoerd lichter is dan 10 ton. Artikel 2 Voorschriften Degene die een grondboring of sondering uitvoert als bedoeld in artikel 1: voert geen seismisch onderzoek uit; verricht geen grondboring of sondering in beschermingszone A tussen 1 november en 1 april; vult de aangebrachte gaten op dezelfde werkdag waarop ze zijn aangebracht weer volledig op met zwelklei en herstelt de toplaag en eventuele gaten in het wegdek. Artikel 3 Melding Degene die grondboringen of sonderingen verricht in de beschermingszone A als bedoel in artikel 1, meldt dit tenminste 2 weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bestuur. De melding wordt schriftelijk of digitaal gedaan met behulp van het door het bestuur vastgesteld formulier. Daarbij wordt in ieder geval vermeld: naam en adres van degene die de werkzaamheden uitvoert; het adres of de locatie waar de werkzaamheden worden uitgevoerd; gegevens over het werk; de aard van de werkzaamheden; een situatietekening. Artikel 4 Overgangsrecht Indien voor het verrichten van grondboringen en sonderingen als bedoeld in artikel 1, direct voor inwerkingtreding van deze algemene regel een watervergunning is aangevraagd en nog niet op die aanvraag is beslist, wordt de aanvraag gelijkgesteld met een melding als bedoeld in deze algemene regel. Een watervergunning verleend voor inwerkingtreding van deze algemene regel voor ingevolge deze algemene regel meldingplichtige werkzaamheden, wordt aangemerkt als een melding als bedoeld in deze algemene regel. TOELICHTING Kader Op grond van artikel 3.2, eerste lid, van de Keur is het verboden om zonder watervergunning grondboringen en sonderingen te verrichten op de waterkering en de bijbehorende beschermingszones. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt. Begripsbepaling De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Motivering Voor grondonderzoeken worden vaak grondboringen en sonderingen uitgevoerd in de waterkering en de beschermingszones. In de beschermingszone A hebben dergelijke werkzaamheden een zeer gering effect op de staat van een waterkering. Uitgezonderd zijn seismische onderzoeken, omdat de trillingen die hierbij worden veroorzaakt een gevolg kunnen hebben voor het waterkerend vermogen van de waterkering. Voor het verrichten van handelingen, het behouden van werken of vaste substantie of voorwerpen laten liggen in beschermingszone B geldt “de algemene regel verrichten van handeling, het behouden van werken of vaste substantie of voorwerpen laten liggen in beschermingszone B” Het uitvoeren van grondboringen en sonderingen in de beschermingszones betreft vanuit waterstaatkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. De relevante waterstaatkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van een algemene regel. Voor de stabiliteit van de waterkering is het van belang dat de ingrepen in de beschermingszone A goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden. Om deze reden is de meldplicht in deze algemene regel opgenomen. 3.1.3 Algemene regel houden van dieren op en nabij een waterkering Artikel 1 Criteria Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de keur, voor het houden van dieren, voor zover: in de kernzone, als aangegeven in de legger: buiten de teen van de dijk en niet op een onderhoudspad; indien er een gebruiksovereenkomsten met het waterschap is gesloten waarin het houden van (bepaalde) dieren wordt toegestaan. in de beschermingszone A, als aangegeven in de legger. Artikel 2 Voorschriften Degene die dieren houdt als bedoeld in artikel 1: brengt ingeval van artikel 1, onder a, sub i een voldoende veekerende afrastering aan op de teen van de dijk zodat er geen toegang van dieren die worden gehouden naar de dijk mogelijk is; brengt ingeval van artikel 1, onder a, sub ii een voldoende veekerende afrastering aan op de grens van het onderhoudspad en het perceel waar de dieren worden gehouden zodat er geen toegang van dieren die worden gehouden naar de dijk mogelijk is; zorgt ingeval van artikel 1, onder b dat de dieren die hij houdt geen toegang hebben tot de dijk (van teen tot teen). _______________________________________________________________________________ TOELICHTING Kader Op grond van artikel 3.2 , eerste lid, van de Keur is het verboden om zonder watervergunning dieren te houden op waterkeringen en de bijbehorende beschermingszones Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt. Er geldt geen meldplicht. Begripsbepaling De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder: Dieren: alle gedomesticeerde dieren, dus zowel de grote huisdieren als varkens, paarden, rundvee en overige hoefdieren o.a. schapen, als de kleine huisdieren als kippen, ganzen en ook honden. Teen van de dijk: onderrand van de dijk aan de binnen- dan wel buitendijkse zijde van de dijk (de overgang van dijk naar maaiveld dan wel bodem van de watergang. Motivering Het beleid is erop gericht de sterkte van de grasmat op de waterkering te garanderen en het beperken en voorkomen van trapschade aan de waterkering. Het is daarom zonder vergunning niet toegestaan dieren te houden in het centrale gedeelte (van teen tot teen) van de kernzone. Het houden van dieren werkt belemmerend voor het berijden van het onderhoudspad en wordt daarom hierop ook niet zonder vergunning toegestaan. Er is geen vergunning nodig indien er een gebruikersovereenkomst is gesloten met het waterschap waarbij het houden van (bepaalde) dieren is toegestaan. Voor het verrichten van handelingen, het behouden van werken of vaste substantie of voorwerpen laten liggen in beschermingszone B geldt “de algemene regel verrichten van handeling, het behouden van werken of vaste substantie of voorwerpen laten liggen in beschermingszone B”. Het houden van schapen door of in opdracht van het waterschap - anders dan bij een pachtcontract - geschiedt ter bevordering van de dichtheid van de grasmat. Dat moet worden gezien als een vorm van onderhoud, die op grond van artikel 3.10 van de Keur niet vergunningsplichtig is en het verbod uit artikel. 3.2, lid 1 van de Keur en deze algemene regel zijn hierop dan ook niet van toepassing. 3.1.4 Algemene regel bemesten anders dan bestuur heeft bepaald op en nabij een waterkering Artikel 1 Criteria Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de keur, voor het bemesten anders dan het bestuur heeft bepaald voor zover het plaatsvindt: in de kernzone, als aangewezen in de legger en voor zover: buiten de teen van de dijk, en niet op een onderhoudspad. in de beschermingszone A als aangewezen in de legger. _______________________________________________________________________________ TOELICHTING Kader Op grond van artikel 3.2 eerste lid, van de Keur is het verboden om zonder watervergunning op een waterkering en de bijbehorende beschermingszones te bemesten. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt. Er zijn geen voorschriften verbonden aan het bemesten. Er geldt ook geen meldplicht. Begripsbepaling De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder: Bemesten: verspreiden van meststoffen. Voor het verrichten van handelingen, het behouden van werken of vaste substantie of voorwerpen laten liggen in beschermingszone B geldt “de algemene regel verrichten van handeling, het behouden van werken of vaste substantie of voorwerpen laten liggen in beschermingszone B”. 3.1.5 Algemene regel rijden met lastdieren en motorvoertuigen op en nabij een waterkering Artikel 1 Criterium Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de Keur, voor het rijden op en met lastdieren en motorvoertuigen in de kernzone en beschermingszone A, als aangegeven in de legger en voor zover dit in de kernzone gebeurt op de paden die daarvoor kennelijk bedoeld zijn. Artikel 2 Voorschrift Degene die met een lastdier of voertuig in de kernzone rijdt als bedoeld in artikel 1 doet dit overeenkomstig het gebruik waarvoor het pad is bedoeld. _______________________________________________________________________________ TOELICHTING Kader Op grond van artikel 3.2, eerste lid van de Keur, is het verboden zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Onder dit verbod valt - anders dan individueel wandelen, fietsen, schaatsen en vissen mits op de daarvoor bestemde paden - ook het rijden met een lastdier of met een motorvoertuig. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt. Er geldt geen meldingsplicht. Begripsbepaling De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Motorvoertuig: is elk gemotoriseerd voertuig dat niet over rails rijdt. Motivering Het rijden met een lastdier of met een motorvoertuig op een waterstaatswerk en de daarbij behorende beschermingszones betreft vanuit waterstaatkundig oogpunt een relatief onschadelijke en veel voorkomende gedraging mits dit gebeurt op paden die daar kennelijk voor bedoeld zijn. De relevante waterstaatkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels. Voor het verrichten van handelingen, het behouden van werken of vaste substantie of voorwerpen laten liggen in beschermingszone B geldt “de algemene regel verrichten van handeling, het behouden van werken of vaste substantie of voorwerpen laten liggen in beschermingszone B”. 3.1.6 Algemene regel brengen of hebben van vaste stoffen of voorwerpen op of nabij een waterkering Artikel 1 Criteria Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de Keur, voor brengen of hebben van vaste stoffen of voorwerpen in de beschermingszone A, als aangegeven in de legger, voor zover: het plaatsvindt op tenminste vijf meter uit de teen van de dijk, en het geen explosiegevaarlijk materiaal is. TOELICHTING Kader Op grond van artikel 3.2 eerste lid, van de Keur is het verboden om zonder watervergunning op een waterkering en de bijbehorende beschermingszones vaste stoffen of voorwerpen te brengen en/of te hebben. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt. Er zijn geen voorschriften verbonden aan het brengen en/of hebben van vaste stoffen of voorwerpen. Er geldt ook geen meldplicht. Begripsbepaling De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder: Teen van de dijk: onderrand van de dijk aan de binnen- dan wel buitendijkse zijde van de dijk (de overgang van dijk naar maaiveld dan wel bodem van de watergang. Voor het verrichten van handelingen, het behouden van werken of vaste substantie of voorwerpen laten liggen in beschermingszone B geldt “de algemene regel verrichten van handeling, het behouden van werken of vaste substantie of voorwerpen laten liggen in beschermingszone B”. 3.1.7 Algemene regel aanbrengen en verwijderen van afrasteringen op of nabij een waterkering Artikel 1 Criteria Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste en derde lid van de keur, voor het aanbrengen en verwijderen van afrastering: In de kernzone of profiel van vrije ruimte, als aangegeven in de legger: mits buiten de teen van de dijk, en niet in een onderhoudspad, en niet dieper dan 0,60 meter in de bodem wordt gebracht, en met en maximale hoogte van 1,00 meter boven maaiveld. In de beschermingszone A, als aangegeven in de legger. Artikel 2 Voorschrift Degene die een afrastering verwijderd als bedoeld in artikel 1 onder a, voldoet aan het volgende voorschrift: a.Gaten die zijn ontstaan bij het verwijderen van een afrastering worden gedicht. TOELICHTING Kader Op grond van artikel 3.2 lid 1 van de modelkeur is het verboden om zonder watervergunning afrasteringen aan te brengen of te verwijderen op de waterkering en de daarbij behorende beschermingszones. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt. Begripsbepaling De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze regel verstaan onder: Afrastering: in de grond geplaatste palen met een onderlinge afstand van minimaal 3 meter met daartussen prikkeldraad, staaldraad of schrikdraad. Teen van de dijk: onderrand van de dijk aan de binnen- dan wel buitendijkse zijde van de dijk (de overgang van dijk naar maaiveld dan wel bodem van de watergang). Motivering Afrasteringen in het waterstaatswerk kunnen een effect op de waterkering hebben, het onderhoud belemmeren, leiden tot aantasting van het talud. Daarom is in de kernzone alleen vrijstelling opgenomen van het aanbrengen of verwijderen van afrasteringen buiten de teen van de dijk en buiten het onderhoudspad. Er geldt geen meldingsplicht. Voor het verrichten van handelingen, het behouden van werken of vaste substantie of voorwerpen laten liggen in beschermingszone B geldt “de algemene regel verrichten van handeling, het behouden van werken of vaste substantie of voorwerpen laten liggen in beschermingszone B”. 3.1.8 Algemene regel aanbrengen en verwijderen van wegmeubilair op, in en nabij een waterkering Artikel 1 Criteria Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste en derde lid van de keur, voor het aanbrengen of verwijderen van verkeersborden, hectometer- en reflectorpaaltjes langs wegen: In de kernzone of profiel van vrije ruimte en de beschermingszone A, als aangegeven in de legger, voor zover: het niet wordt voorzien van een betonnen voet, en indien ingravingen niet onder het maatgevend hoogwaterpeil plaatsvinden, en het niet dieper wordt gefundeerd dan 0,60 meter, en niet op een onderhoudspad. Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de keur voor het aanbrengen of verwijderen van wegmeubilair ( niet zijnde verkeersborden, hectometer- en reflecorpaaltjes) langs wegen: In de beschermingszone A, als aangegeven in de legger, voor zover: het niet wordt voorzien van een betonnen voet; indien ingravingen niet onder het maatgevend hoogwaterpeil plaatsvinden; het niet dieper wordt gefundeerd dan 0,60 meter. Artikel 2 Voorschriften Degene die wegmeubilair langs wegen aanbrengt of verwijdert als bedoeld in artikel 1, eerst lid en, tweede lid: voert geen werkzaamheden uit in de periode tussen 1 november en 1 april binnen de kernzone en de beschermingszone A; voert alle materialen die vrijkomen bij de werkzaamheden af; gebruikt de kruin en het talud van de waterkering niet als opslagplaats voor materiaal of materieel; plaatst geen wegmeubilair op de taluds van de dijk, en plaatst geen wegmeubilair op minder dan 10 meter vanuit en ander object; vult alle gaten weer op met grond van dezelfde samenstelling en draagvermogen en tot op dezelfde hoogte. Artikel 3 Melding Degenen die wegmeubilair langs wegen aanbrengt of verwijderd binnen de kernzone of beschermingszone A als bedoeld in artikel 1 eerste en tweede lid, meldt dit tenminste 2 weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bestuur. De melding wordt schriftelijk of digitaal gedaan met behulp van het door het bestuur vastgesteld formulier. Daarbij wordt in ieder geval vermeld: Naam en adres van degene die de werkzaamheden uitvoert; Het adres of de locatie waar de werkzaamheden worden uitgevoerd; Gegevens over het aan te leggen werk; De aard van de werkzaamheden; Een situatietekening; Een dwarsprofieltekening van het wegmeubilair in combinatie met de waterkering. Artikel 4 Overgangsrecht Indien voor aanbrengen dan wel verwijderen van wegmeubilair langs wegen als bedoeld in artikel 1, direct voor inwerkingtreding van deze algemene regel een watervergunning is aangevraagd en nog niet op die aanvraag is beslist, wordt de aanvraag gelijkgesteld met een melding als bedoeld in deze algemene regel. Een watervergunning verleend voor inwerkingtreding van deze algemene regel voor ingevolge deze algemene regel meldingplichtige werkzaamheden, wordt aangemerkt als een melding als bedoeld in deze algemene regel. TOELICHTING Kader Op grond van artikel 3.2 lid 1 van de modelkeur is het verboden om zonder watervergunning afrasteringen aan te brengen of te verwijderen op de waterkering en de daarbij behorende beschermingszones. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt. Begripsbepaling De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt In deze regel verstaan onder: Maatgevend hoogwaterpeil : waterstand behorend bij een bepaald veiligheidsniveau. Wegmeubilair: alle voor het wegbeheer noodzakelijke objecten zoals lichtmasten en verkeersborden. Motivering Op veel waterkeringen zijn wegen aanwezig. Omwille van de verkeersveiligheid is het in sommige gevallen noodzakelijk dat er wegmeubilair, zoals verkeersborden, geplaatst worden. Om doelmatig beheer en onderhoud aan de waterkering uit te kunnen voeren is het van belang dat objecten niet te dicht op elkaar geplaatst worden. De relevante waterstaatkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van een algemene regel. Voor het verrichten van handelingen, het behouden van werken of vaste substantie of voorwerpen laten liggen in beschermingszone B geldt “de algemene regel verrichten van handeling, het behouden van werken of vaste substantie of voorwerpen laten liggen in beschermingszone B”. Voor de stabiliteit van de waterkering is het van belang dat de ingrepen in het waterstaatswerk goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden aan het waterstaatswerk. Om deze reden is de meldplicht in deze algemene regel opgenomen. Bij de melding wordt in ieder geval gegevens vermeld over het aan te leggen werk. In dat kader moet bij het aanbrengen en verwijderen van wegmeubilair worden gedacht aan de volgende gegevens: constructiemateriaal, de afmetingen, het gewicht en de bevestigingsmethode in de grond. 3.1.9 Algemene regel aanbrengen en verwijderen van beplanting nabij een waterkering Artikel1Criteria Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste en derde lid van de keur, voor het aanbrengen dan wel verwijderen van beplanting in de beschermingszone A en het profiel van vrij ruimte, als aangegeven in de legger, voor zover: het plaatsvindt op tenminste vijf meter uit de teen van de dijk, en de beplanting niet hoger wordt dan 1.80 meter, en de beplanting niet bestaat uit bamboe, hedera of behoort tot de duizendknoopfamilie (Polygonaceae). Artikel2Voorschriften Degene die beplanting aanbrengt of verwijdert als bedoeld in artikel 1: brengt geen watervoorziening of een voorziening voor beluchting of drainage aan; beperkt ingravingen tot het minimum dat nodig is voor het aanbrengen of verwijderen van de desbetreffende beplanting en dicht deze aan het eind van elke werkdag met het uitgekomen materiaal; wijzigt of verwijdert de beplanting op eigen kosten op eerste aanzegging van het bestuur indien dit noodzakelijk is voor het uitvoeren van beheer-, of onderhoudshandelingen door het waterschap of anderszins in het belang van de waterstaat; onderhoudt de beplanting zodat zij in goede staat verkeert en blijft voldoen aan de criteria zoals opgenomen in artikel
  5. Degene die houtachtige beplanting verwijderd als bedoeld in artikel 1: voert de gerooide bomen, takken, wortels en andere resten van de beplanting af, en vult de gaten die zijn ontstaan bij het verwijderen van beplanting met grond met de zelfde samenstelling als op het desbetreffende perceel aanwezig is en herstelt de toplaag. _______________________________________________________________________________ TOELICHTING KaderOp grond van artikel 3.2, eerste lid, van de keur is het verboden om zonder watervergunning beplanting aan te brengen op de waterkering en de bijbehorende beschermingszones. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt. BegripsbepalingDe begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze regel verstaan onder : Beplanting: bomen, heesters, struiken en lage beplanting. Houtachtige beplanting: beplanting met opgaande stam(men) van hout. Teen van de dijk: onderrand van de dijk aan de binnen- dan wel buitendijkse zijde van de dijk (de overgang van dijk naar maaiveld dan wel bodem van de watergang). Motivering Beplantingen in het waterstaatswerk kunnen een effect op de waterkering hebben, het onderhoud belemmeren, leiden tot aantasting van het talud of negatieve invloed hebben op de ecologie. Daarom is voor het aanbrengen en verwijderen van beplanting in de kernzone geen vrijstelling opgenomen. Daar de wortels van beplanting vanuit de beschermingszone A kan doorgroeien tot in de kernzone en er door het omgaan van hoog opgaande beplanting een ontgrondingskuil kan ontstaan die schadelijk is voor de stabiliteit van de waterkering is het niet toegestaan om beplanting aan te brengen binnen vijf meter uit de teen van de dijk. Daarom is het ook verboden om diepwortelende en hoog opgaande beplanting in de beschermingszone A aan te brengen, te houden en te verwijderen. Voor het verrichten van handelingen, het behouden van werken of vaste substantie of voorwerpen laten liggen in beschermingszone B geldt “de algemene regel verrichten van handeling, het behouden van werken of vaste substantie of voorwerpen laten liggen in beschermingszone B”. 3.1.10 Algemene regel Kabels en leidingen in, onder en nabij waterkering Artikel 1 Criteria Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste en derde lid, van de Keur, voor het aanleggen, behouden, of verwijderen van kabels en leidingen in de kernzone,de bijbehorende beschermingszones of profiel van vrije ruimte, zoals aangewezen in de legger, voor zover: De kabel of leiding die wordt aangelegd het waterstaatswerk kruist en voor zover: de kabel of leiding middels een gestuurde boring wordt aangelegd; welke boring in de beschermingszone B start en eindigt, mits niet het rivierbed, de kabels of leidingen op een diepte van10 meter onder maaiveld in de kernzone en de beschermingszone A worden aangelegd, de kabels of leidingen maximaal een diameter hebben van 110 millimeter, de leidingen maximaal een druk hebben van 5 bar, en De kabel of leiding evenwijdig aan het waterstaatswerk wordt aangelegd of verwijderd voor zover: de kabel of leiding in de beschermingszone B en niet in het profiel van vrije ruimte wordt aangelegd of verwijderd, en de leidingen maximaal een druk hebben van 10 bar. Artikel 2 Voorschriften Degene die kabels of leidingen aanlegt als bedoeld in artikel 1 onder a, voldoet aan de volgende voorschriften: voor zover de kabels of leidingen binnen de kernzone of beschermingszone A liggen, wordt voldaan aan de NEN-normen 3650 en 3651; het aanleggen van kabel of leidingen vindt plaats tussen 1 april en 1 november; de kabels of leidingen worden zoveel als mogelijk geconcentreerd aangelegd; de kabels of leidingen mogen de waterkering maar eenmaal en haaks kruisen. Artikel 3 Melding Degene die kabels of leidingen aanlegt, of verwijdert als bedoeld in artikel 1, meldt dit tenminste 2 weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bestuur. De melding wordt schriftelijk of digitaal gedaan met behulp van het door het bestuur vastgesteld formulier. Daarbij wordt in ieder geval vermeld: naam en adres van degene die de werkzaamheden uitvoert; het adres of de locatie waar de werkzaamheden worden uitgevoerd; gegevens over het aan te leggen werk; de aard van de werkzaamheden; een situatietekening; een dwarsprofieltekening van de werken in combinatie met de waterkering. Artikel 4 Overgangsrecht1.Indien het aanleggen, behouden of verwijderen van kabels of leidingen als bedoeld in artikel 1, direct voor inwerkingtreding van deze algemene regel een watervergunning is aangevraagd en nog niet op die aanvraag is beslist, wordt de aanvraag gelijkgesteld met een melding als bedoeld in deze algemene regel. TOELICHTINGKaderOp grond van artikel 3.2, eerste lid, van de Keur is het verboden om zonder watervergunning kabels of leidingen aan te leggen, behouden of verwijderen op de waterkering en de bijbehorende beschermingszones en profiel van vrije ruimte. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt. BegripsbepalingDe begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder: (Druk- of pijp)leidingen: alle leidingen die geen lozingswerk zijn, dat wil zeggen niet in open verbinding staan met oppervlaktewater. Kabel: transportmedium, veelal voor elektriciteit of communicatie, zonder holle ruimte. MotiveringHet leggen van de hier genoemde kabels en leidingen levert weinig risico op voor het waterkerend vermogen van de waterkering. Daarom kan de vergunningplicht voor het aanleggen, behouden, en verwijderen van deze kabels en leidingen vervangen worden door algemene regels. In geval van meerdere aansluitingen aan weerszijden van de waterkering, moeten de kabels of leidingen zo worden aangelegd dat zij de waterkering maar eenmaal kruisen. Voor het verrichten van handelingen, het behouden van werken of vaste substantie of voorwerpen laten liggen in beschermingszone B geldt “de algemene regel verrichten van handeling, het behouden van werken of vaste substantie of voorwerpen laten liggen in beschermingszone B” Eventuele calamiteiten vallen onder artikel 3.8 van de Keur en worden overeenkomstig afgehandeld. Voor de stabiliteit van de waterkering is het van belang dat de ingrepen in het waterstaatswerk goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden aan het waterstaatswerk. Om deze reden is de meldplicht in deze algemene regel opgenomen. Bij de melding wordt in ieder geval gegevens vermeld over het aan te leggen werk. In dat kader moet bij het aanleggen en verwijderen van kabels en leidingen worden gedacht aan de volgende gegevens: de maximale leidingdruk, het te transporteren medium, het materiaal van de leiding, de wanddikte, de plaats van de afsluiters in de leiding, sonderinggegevens, boringen, berekening en de diepteligging, de wijze van uitvoering. 3.1.11 Algemene regel verrichten van handelingen, het behouden van werken of vaste substantie of voorwerpen laten liggen in beschermingszone B Artikel 1 CriteriaVrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de keur, voor het daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen in de beschermingszone B, als aangegeven in de legger voor zover: het geen werken betreft die een overdruk hebben van 10 bar of meer of zoals bedoeld in de Algemene regel Kabels en leidingen in, onder en nabij waterkeringen (3.1.10) en het geen explosiegevaarlijke inrichting/materiaal betreft, en de handeling niet bestaat uit het doen van seismisch onderzoek, en het geen ontgronding betreft. TOELICHTINGKaderOp grond van artikel 3.2, eerste lid, van de Keur is het verboden om zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of de bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen . Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt. BegripsbepalingDe begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Motivering Voor de meeste handelingen en werken in de beschermingszone B hebben niet tot een zeer gering effect op de staat van de waterkering. De relevante waterstaatkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van een algemene regel. Uitgezonderd zijn seismische onderzoeken, werken met een overdruk van 10 bar of meer en explosiegevaarlijke inrichtingen/materialen, omdat de trillingen of eventuele explosies die hierbij worden veroorzaakt of zich kunnen voordoen een gevolg kunnen hebben voor het waterkerend vermogen van de waterkering. Oppervlaktewaterlichamen Algemene regel verbreden oppervlaktewaterlichaam CArtikel 1 CriteriumVrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de Keur, voor het verbreden van een oppervlaktewaterlichaam, voor zover het een oppervlaktewaterlichaam categorie C betreft als aangewezen in de legger. TOELICHTINGKaderOp grond van artikel 3.2, lid 1 van de Keur is het verboden om zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of de bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Het verbreden van een oppervlaktewaterlichaam valt onder dit verbod. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt. Begripsbepaling De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Motivering van de algemene regel Het verbreden van het oppervlaktelichaam is van minimale invloed op een oppervlaktewater categorie C. Met het oog op vermindering van de regeldruk kan daarom worden afgezien van de vergunningvereiste. Omdat er veelal geen waterhuishoudkundige belangen aan de orde zijn, is het niet noodzakelijk algemene regels te stellen. Algemene regel veranderen talud van een oppervlaktewaterlichaam BschouwArtikel 1 CriteriaVrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de Keur, voor het veranderen van het talud van een oppervlaktewaterlichaam, voor zover het een oppervlaktewaterlichaam categorie Bschouw betreft als aangewezen in de legger; het niet een oppervlaktewaterlichaam betreft waaraan op grond van de bij deze algemene regel behorende natuurkaart de aanduiding water met natuurfunctie, zijnde KRW-waterlichaam, danwel Hen-Sed water of overig, is toegekend. Artikel 2 VoorschriftDegene die een talud verandert als bedoeld in artikel 1, zorgt er voor dat het bovenwatertalud niet steiler is dan 1:2 en het onderwatertalud niet steiler is dan 1:
  6. TOELICHTING KaderOp grond van artikel 3.2, lid 1 van de Keur is het verboden om zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of de bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Onder dit verbod valt tevens het veranderen van het talud van een oppervlaktewater. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt. BegripsbepalingDe begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder: Het veranderen van het talud: het steiler of flauwer maken van het talud. Motivering Het veranderen van het talud van een oppervlaktewater is van minimale invloed op een oppervlaktewaterlichaam categorie Bschouw. Er kan daarom worden afgezien van het vergunningvereiste. De algemene regel borgt op voldoende wijze de waterstaatkundige belangen. Het veranderen van het talud verdraagt zich in het algemeen niet met een natuurfunctie, omdat dit nadelig is voor de ecologische inrichting. Er geldt daarom geen vrijstelling voor oppervlaktewaterlichamen met de aanduiding water met natuurfunctie. Algemene regel veranderen talud van een oppervlaktewaterlichaam Bpolder en CArtikel 1 CriteriumVrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de Keur, voor het veranderen van het talud van een oppervlaktewaterlichaam, voor zover het een oppervlaktewaterlichaam categorie Bpolder en C betreft als aangewezen in de legger. TOELICHTINGKaderOp grond van artikel 3.2 lid 1 van de modelkeur is het verboden om zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of de bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Onder dit verbod valt tevens het veranderen van het talud van een oppervlaktewater. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt. BegripsbepalingDe begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder: Het veranderen van het talud : het steiler of flauwer maken van het talud. Motivering van de algemene regelHet veranderen van het talud van een oppervlaktewater is van minimale invloed op een oppervlaktewaterlichaam categorie Bpolder en C. Er kan daarom worden afgezien van het vergunningvereiste. Omdat er veelal geen waterhuishoudkundige belangen aan de orde zijn, is het niet noodzakelijk voorschriften op te nemen. Algemene regel aanleggen natuurvriendelijke oever van een oppervlaktewaterlichaam BschouwArtikel 1 CriteriaVrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de Keur, voor het aanleggen en behouden van een natuurvriendelijke oever, voor zover: deze wordt aangelegd, verwijderd of behouden in of langs een oppervlaktewaterlichaam categorie Bschouw als aangewezen in de legger, en het geen oppervlaktewaterlichaam betreft waaraan op grond de bij deze algemene regel behorende natuurkaart de aanduiding water met natuurfunctie zijnde KRW-waterlichaam, danwel Hen-Sed water of overig, is toegekend. Artikel 2 Voorschriften Degene die een natuurvriendelijke oever aanlegt of behoudt als bedoeld in artikel 1, a.legt de natuurvriendelijke oever zodanig aan zodat de afmetingen van het oppervlaktewaterlichaam, zoals vastgelegd op de legger niet worden verkleind; b.legt eventuele aanwezige kabels en leidingen voorafgaand aan het aanleggen van de natuurvriendelijke oever minimaal 1,00 meter uit het te realiseren profiel. TOELICHTINGKaderOp grond van artikel 3.2, eerste lid van de Keur is het verboden zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of de bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Onder dit verbod valt tevens het aanleggen van natuurvriendelijke oevers. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt. BegripsbepalingDe begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regel. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder: Natuurvriendelijke oever: oever die zo is aangelegd dat het niet alleen dient om de afvoercapaciteit van het oppervlaktewaterlichaam te waarborgen, maar ook om landschappelijke en ecologische functies te versterken. Het draagt zo ook bij aan de vervulling van maatschappelijke functies van watersystemen. Profiel: breedte en diepte van het oppervlaktewaterlichaam als aangegeven op de legger of Keurkaart. Motivering van de algemene regelNatuurvriendelijke oevers zijn oevers waar uitdrukkelijk rekening gehouden wordt met natuur, landschap en ecologie. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever in en langs een oppervlaktewaterlichaam Bschouw betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels. Het regime van een watervergunning is hier een te zwaar middel. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever in oppervlaktewaterlichamen met de aanduiding water met natuurfunctie is niet altijd wenselijk. Voor deze oppervlaktewaterlichamen geldt geen vrijstelling. Algemene regel aanleggen natuurvriendelijke oever van een oppervlaktewaterlichaam Bpolder en CArtikel 1 CriteriumVrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2 eerste lid van de Keur, voor het aanleggen en behouden van een natuurvriendelijke oever voor zover deze wordt aangelegd, verwijderd of behouden langs een oppervlaktewaterlichaam categorie Bpolder en C als aangewezen in de legger. TOELICHTING KaderOp grond van artikel 3.2, eerste lid van de Keur is het verboden zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of de bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Onder dit verbod valt tevens het aanleggen van natuurvriendelijke oevers. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt. BegripsbepalingNatuurvriendelijke oever: oever die zo is aangelegd dat het niet alleen dient om de afvoercapaciteit van het oppervlaktewaterlichaam te waarborgen, maar ook om landschappelijke en ecologische functies te versterken. Het draagt zo ook bij aan de vervulling van maatschappelijke functies van watersystemen Motivering van de algemene regelNatuurvriendelijke oevers zijn oevers waar uitdrukkelijk rekening gehouden wordt met natuur, landschap en ecologie. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever in en langs oppervlaktewaterlichamen Bpolder en C betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. Met het oog op vermindering van de regeldruk kan daarom worden afgezien van het vergunningvereiste. Omdat er veelal geen waterhuishoudkundige belangen aan de orde zijn, is het niet noodzakelijk algemene regels te stellen. Algemene regel houden van dieren in en langs een oppervlaktewaterlichaam A en B+Artikel 1 Criteria Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de Keur, voor het houden van dieren, voor zover: dit plaatsvindt langs een oppervlaktewaterlichaam categorie A en B+, als aangewezen in de legger, voorzover het betreft het gedeelte dat daarbij is aangeduid als onderhoudsstrook; het niet een oppervlaktewaterlichaam betreft waaraan op grond van de bij deze algemene regel behorende natuurkaart de aanduiding water met natuurfunctie zijnde KRW-waterlichaam, danwel Hen-Sed water of overig, is toekend en waarlangs tevens op grond van de legger een natuurvriendelijke oever ligt, en de onderhoudsstrook niet vrijliggend is. Artikel 2 VoorschriftenDegene die dieren houdt in en langs een oppervlaktewaterlichaam, als bedoeld in artikel 1, zorgt ervoor dat, onverminderd het bij overeenkomst tussen het waterschap en degene de dieren houdt, bepaalde, er een veekerende afrastering wordt geplaatst; zorgt ervoor dat, onverminderd het bij overeenkomst tussen het waterschap en degene de dieren houdt, bepaalde, hij de dieren op eerste aanzegging door of namens het waterschap van de onderhoudsstrook weghaalt. Artikel 3 MeldingDegene die dieren houdt in en langs een oppervlaktewaterlichaam, als bedoeld in artikel 1, meldt dit tenminste 2 weken voor aanvang van het houden van dieren aan het bestuur. De melding wordt schriftelijk of digitaal gedaan met behulp van het door het bestuur vastgesteld formulier. Daarbij wordt in ieder geval vermeld: naam en adres van degene die verantwoordelijk is voor het beweiden het adres of de locatie waar het beweiden plaatsvindt; gegevens over het beweiden, en een situatietekening. Artikel 4 OvergangsrechtIndien voor het houden van dieren als bedoeld in artikel 1, direct voor inwerkingtreding van dit besluit een vergunning is aangevraagd en nog niet op die aanvraag is beslist, wordt die aanvraag gelijkgesteld met een melding als bedoeld in artikel 3, eerste lid. TOELICHTINGKaderOp grond van artikel 3.2, eerste lid van de Keur is het verboden om zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of de bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Onder dit verbod valt het houden van dieren in en langs een oppervlaktewaterlichaam. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt. Op het plaatsen en houden van een afrastering is een afzonderlijke Algemene regel van toepassing. BegripsbepalingDe begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder: dieren: alle gedomesticeerde dieren, dus zowel de grote huisdieren als varkens, paarden, rundvee en overige hoefdieren o.a. schapen, als de kleine huisdieren als kippen, ganzen en ook honden. Vrijliggende onderhoudsstrook: afgescheiden strook grond die alleen wordt gebruikt om van daar af het oppervlaktewaterlichaam te onderhouden Motivering van de algemene regelHet houden van dieren langs oppervlaktewaterlichamen op onderhoudsstroken welke niet vrijliggend zijn en dus meervoudig gebruikt worden, is van minimale invloed op een oppervlaktewater A en B+. Algemene regels borgen op voldoende wijze de waterstaatkundige belangen. De vrijstelling is niet van toepassing voor het houden van dieren in het oppervlaktewaterlichaam. Dan geldt een vergunningplicht. Algemene regel houden van dieren in en langs een oppervlaktewaterlichaam BschouwArtikel 1 CriteriumVrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de Keur, voor het houden van dieren, voor zover dit plaatsvindt in en langs een oppervlaktewaterlichaam categorie Bschouw, als aangewezen in de legger. Artikel 2 VoorschriftDegene die dieren houdt in en langs een oppervlaktewaterlichaam, als bedoeld in artikel 1, zorgt ervoor dat het beweiden zodanig plaatsvindt dat het waterhuishoudkundig belang niet geschaad wordt. TOELICHTINGKaderOp grond van artikel 3.2, eerste lid van de Keur is het verboden om zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of de bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Onder dit verbod valt het houden van dieren in en langs een oppervlaktewaterlichaam. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt. BegripsbepalingDe begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder: Dieren: alle gedomesticeerde dieren, dus zowel de grote huisdieren als varkens, paarden, rundvee en overige hoefdieren o.a. schapen, als de kleine huisdieren als kippen, ganzen en ook honden. Motivering van de algemene regelHet houden van dieren in en langs oppervlaktewaterlichamen, is van minimale invloed op een oppervlaktewaterlichaam Bschouw. Daarom kan worden afgezien van het vergunningvereiste. Om het eventuele waterhuishoudkundige belang te kunnen beschermen is een voorschrift opgenomen. Algemene regel houden van dieren in en langs een oppervlaktewaterlichaam Bpolder en CArtikel 1 CriteriumVrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de Keur, voor het houden van dieren, voor zover dit plaatsvindt in en langs een oppervlaktewaterlichaam, categorie Bpolder en C, als aangewezen in de legger. TOELICHTINGKaderOp grond van artikel 3.2 lid 1, eerste lid van de Keur is het verboden om zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of de bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Onder dit verbod valt het houden van dieren in en langs een oppervlaktewaterlichaam. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt. BegripsbepalingDe begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder: dieren: alle gedomesticeerde dieren, dus zowel de grote huisdieren als varkens, paarden, rundvee en overige hoefdieren o.a. schapen, als de kleine huisdieren als kippen, ganzen en ook honden. Motivering van de algemene regelHet houden van dieren in en langs oppervlaktewaterlichamen, is van minimale invloed op een oppervlaktewater Bpolder of C. Daarom worden afgezien van het vergunningvereiste. Omdat er veelal geen waterhuishoudkundige belangen aan de orde zijn, is het niet noodzakelijk voorschriften op te nemen. Algemene regel afrastering of erfafscheiding oppervlaktewaterlichaam A en B+Artikel 1 CriteriaVrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de Keur, voor het aanleggen, verwijderen of behouden van een afrastering of erfafscheiding, voor zover deze: wordt aangelegd, verwijderd, of behouden in of langs een oppervlaktewaterlichaam, categorie A en B+, als aangewezen in de legger met uitzondering van het gedeelte dat daarbij is aangeduid als onderhoudsstrook; niet wordt aangelegd, verwijderd of behouden in een oppervlaktewaterlichaam met een natuurfunctie zoals aangewezen op de bij deze algemene regel behorende natuurkaart zijnde KRW-waterlichaam, danwel Hen-Sed water of overig en waarlangs tevens op grond van de legger een natuurvriendelijke oever ligt, tenzij de afrastering of erfafscheiding dient als veekering; vrij van de beschoeiing of oeverbeschermende damwand wordt aangebracht, en zo wordt aangelegd dat de hoogte van de afrastering of erfafscheiding maximaal 1,00 meter is. Artikel 2 VoorschriftTOELICHTINGKaderOp grond van artikel 3.2, eerste lid van de Keur, is het verboden zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Het aanleggen, verwijderen of behouden van afrasteringen en erfafscheidingen valt daaronder. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt. BegripsbepalingDe begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder: afrastering of erfafscheiding: afbakening van een erf of perceel van een ernaast gelegen erf of van de openbare ruimte. Motivering Het aanbrengen, verwijderen of behouden van een afrastering of erfafscheiding bij een oppervlaktewater als omschreven in artikel 1, betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels. Het plaatsen van een afrastering of erfafscheiding verdraagt zich in het algemeen niet met de aan het oppervlaktewaterlichaam verbonden natuurfunctie. O.a. omdat de toegepaste materialen veelal geen natuurlijke uitstraling hebben. Anderzijds is het wenselijk dat vertrapping van kleine beeksystemen wordt voorkomen. Daarom geldt in die gevallen geen vrijstelling tenzij de afrastering een veekerende werking heeft. Algemene regel afrastering of erfafscheiding oppervlaktewaterlichaam BschouwArtikel 1 CriteriaVrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de Keur, voor het aanleggen, verwijderen of behouden van een afrastering of erfafscheiding, voor zover deze: wordt aangelegd, verwijderd, of behouden in een oppervlaktewaterlichaam, categorie Bschouw, als aangewezen in de legger, en niet wordt aangelegd, verwijderd of behouden in een oppervlaktewaterlichaam met een natuurfunctie, zoals aangewezen bij deze algemene regel behorende natuurkaart zijnde KRW-waterlichaam, danwel Hen-Sed water of overig en waarlangs tevens op grond van de legger een natuurvriendelijke oever ligt. TOELICHTING KaderOp grond van artikel 3.2, eerste lid van de Keur, is het verboden zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Het aanleggen, verwijderen of behouden van afrasteringen en afscheidingen valt daaronder. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt. BegripsbepalingDe begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder: afrastering of erfscheiding: afbakening van een erf of perceel van een ernaast gelegen erf of van de openbare ruimte. Motivering van de algemene regelHet aanbrengen, verwijderen of behouden van een afrastering of erfscheiding bij een oppervlaktewater als omschreven in artikel 1, betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. Omdat er veelal geen waterhuishoudkundige belangen aan de orde zijn, is het niet noodzakelijk voorschriften te stellen. Algemene regel afrastering of erfafscheiding oppervlaktewaterlichaam Bpolder en C Artikel 1 CriteriaVrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de keur, voor het aanleggen, verwijderen of behouden van een afrastering of erfscheiding, voor zover deze wordt aangelegd, verwijderd, of behouden in een oppervlaktewaterlichaam, categorie Bpolder en C, als aangewezen in de legger. TOELICHTING KaderOp grond van artikel 3.2, eerste lid van de Keur, is het verboden zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Het aanleggen, verwijderen of behouden van afrasteringen en afscheidingen valt daaronder. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt. BegripsbepalingDe begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder: afrastering of erfscheiding: afbakening van een erf of perceel van een ernaast gelegen erf of van de openbare ruimte. Motivering van de algemene regelHet aanbrengen, verwijderen of behouden van een afrastering of erfscheiding bij een oppervlaktewater aks omschreven in artikel 1, betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. Omdat er veelal geen waterhuishoudkundige belangen aan de orde zijn, is het niet noodzakelijk voorschriften te stellen. Algemene regel beplanting oppervlaktewaterlichaam BschouwArtikel 1 CriteriaVrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de Keur, voor het aanleggen, verwijderen of behouden van beplanting, voor zover deze: wordt aangelegd, verwijderd, of behouden in een oppervlaktewaterlichaam, categorie Bschouw, als aangewezen in de legger, en niet wordt aangelegd, verwijderd of behouden in een oppervlaktewaterlichaam met een natuurfunctie zoals aangegeven op de bij deze algemene regel behorende natuurkaart zijnde KRW-waterlichaam, danwel Hen-Sed water of overig. Artikel 2 VoorschriftenDegene die beplanting aanlegt, verwijdert, of behoudt als bedoeld in artikel 1: zorgt ervoor dat de beplanting niet hoger wordt dan vier meter; herstelt het maaiveld bij verwijdering van beplanting en de wortelresten, en wijzigt of verwijdert de beplanting op eigen kosten en op eerste aanzegging van het bestuur indien dit noodzakelijk is voor het uitvoeren van beheer- of onderhoudshandelingen door het waterschap of anderszins in het belang van de waterstaat. TOELICHTINGKaderOp grond van artikel 3.2, eerste lid van de Keur, is het verboden zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Het aanleggen, verwijderen of behouden van beplanting valt hieronder. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt. BegripsbepalingDe begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder: Beplanting: bomen, struiken en lage beplanting, uitgezonderd gras MotiveringHet aanbrengen, verwijderen of behouden van beplanting in en nabij een oppervlaktewaterlichaam zoals omschreven in lid 1, betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het verbinden van voorschriften aan het vrijgestelde werk. Een natuurvriendelijke oever - waarbij het met name om de vergraving van een oppervlaktewaterlichaam gaat - valt niet onder algemene deze regel. Hiervoor geldt een afzonderlijke algemene regel Natuurvriendelijke oevers. Algemene regel beplanting oppervlaktewaterlichaam Bpolder en CArtikel 1 CriteriumVrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de Keur, voor het aanleggen, verwijderen of behouden van beplanting, voor zover deze wordt aangelegd, verwijderd, of behouden in een oppervlaktewaterlichaam, categorie Bpolder en C, als aangewezen in de legger. TOELICHTINGKaderOp grond van artikel 3.2, eerste lid van de Keur, is het verboden zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Het aanleggen, verwijderen of behouden van beplanting valt hieronder. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt. BegripsbepalingDe begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder: Beplanting: bomen, struiken en lage beplanting, uitgezonderd gras Motivering Het aanbrengen, verwijderen of behouden van beplanting in en nabij een oppervlaktewaterlichaam betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. Omdat er veelal geen waterhuishoudkundige belangen aan de orde zijn, is het niet noodzakelijk algemene regels te stellen. Algemene regel voor het aanleggen, verwijderen en behouden van een brug in een oppervlaktewaterlichaam BschouwArtikel 1 Criteria Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2 van de Keur, voor het aanleggen, verwijderen of behouden van een brug, voor zover deze: wordt aangelegd, verwijderd of behouden in een oppervlaktewaterlichaam categorie Bschouw als aangewezen in de legger; wordt aangelegd, verwijderd of behouden buiten de bebouwde kom als bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994, en niet wordt aangelegd in een oppervlaktewaterlichaam waaraan op grond van de bij deze algemene regel behorende natuurkaart de aanduiding water met natuurfunctie zijnde KRW-waterlichaam, danwel Hen-Sed water of overig, is toegekend. Artikel 2 VoorschriftenDegene die een brug aanlegt of behoudt als bedoeld in artikel 1: plaatst de pijlers van de brug niet in het water; tast de stabiliteit van de oevers niet aan met de brughoofden; voorziet de taluds onder de brug en tot 2 meter aan weerszijden hiervan van beschoeiing; belemmert de waterdoorvoer niet; voorkomt beschadigingen of verzakkingen van de brug die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de waterdoorvoer; gebruikt deugdelijk en niet uitlogend materiaal, en brengt het oppervlaktewaterlichaam terug op de afmetingen zoals vastgelegd in de legger bij verwijdering van de brug. TOELICHTING KaderOp grond van artikel 3.2, eerste lid van de Keur is het verboden om zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of de bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Onder dit verbod valt tevens het aanleggen en behouden van bruggen over oppervlaktewaterlichamen. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt. BegripsbepalingDe begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder: Brug: een werk over een oppervlaktewaterlichaam dat bedoeld is voor de doorgang van een perceel aan de ene kant van het oppervlaktewaterlichaam naar een perceel aan de andere kant van het oppervlaktewaterlichaam. Anders dan bij een dam met duiker is er bij een brug geen sprake van een (gedeeltelijke) demping van het oppervlaktewaterlichaam. Insteek: de snijlijn van het bovenwatertalud (oeverhelling) met het aangrenzende maaiveld. MotiveringHet aanbrengen van bruggen over de oppervlaktewaterlichamen als omschreven in artikel 1 betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels. Daarom kan onder voorwaarden worden afgezien van het vergunningvereiste Algemene regel voor het aanleggen, verwijderen en behouden van een brug in oppervlaktewaterlichaam Bpolder en CArtikel 1 CriteriaVrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2 van de keur, voor het aanleggen verwijderen of behouden van een brug, voor zover deze wordt aangelegd of behouden in een oppervlaktewaterlichaam categorie Bpolder en C als aangewezen in de legger. Artikel 2 VoorschriftenDegene die een brug aanlegt of behoudt als bedoeld in artikel 1 voorkomt beschadigingen of verzakkingen van de brug die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de waterdoorvoer. TOELICHTING KaderOp grond van artikel 3.2, eerste lid van de Keur is het verboden om zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of de bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Onder dit verbod valt tevens het aanleggen en behouden van bruggen over oppervlaktewaterlichamen. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt. BegripsbepalingDe begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder: Brug: een werk over een oppervlaktewaterlichaam dat bedoeld is voor de doorgang van een perceel aan de ene kant van het oppervlaktewaterlichaam naar een perceel aan de andere kant van het oppervlaktewaterlichaam. Anders dan bij een dam met duiker is er bij een brug geen sprake van een (gedeeltelijke) demping van het oppervlaktewaterlichaam MotiveringHet aanbrengen van bruggen over de oppervlaktewaterlichamen als omschreven in artikel 1, betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. Daarom kan worden afgezien van het vergunningvereiste. Omdat er veelal geen waterhuishoudkundige belangen aan de orde zijn, is het niet noodzakelijk algemene regels te stellen. 3.2.3Algemene regels voor een (dam met) duiker in oppervlaktewaterlichaam Bschouw 3.2.3Artikel 1 Criteria 3.2.3Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de Keur, voor het aanleggen, verlengen, verwijderen of behouden van een (dam met) duiker, voorzover deze : wordt aangelegd, verwijderd of behouden in een oppervlaktewaterlichaam categorie Bschouw als aangewezen in de legger; wordt aangelegd, verwijderd of behouden buiten de bebouwde kom als bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; niet wordt aangelegd, verwijderd of behouden in een oppervlaktewaterlichaam waaraan op grond van de bij deze algemene regel behorende natuurkaart de aanduiding water met natuurfunctie zijnde KRW-waterlichaam, danwel Hen-Sed water of overig, is toegekend; wordt aangelegd, verwijderd of behouden op minimaal 10,00 meter van een bestaande dam met duiker aangelegd; wordt aangelegd, verwijderd of behouden op minimaal 10,00 meter van een ander kunstwerk aangelegd; wordt aangelegd, verwijderd of behouden zonder knikpunten of bochten; niet bedoeld is voor een andere functie dan perceelsontsluiting, en het betreffende perceel (redelijkerwijs) niet anders is of kan worden ontsloten , tenzij de aanvraag ziet op de aanleg van een zogenaamde “vuile” uitrit ten behoeve van agrarische bedrijven en de bestaande uitrit een zogenaamde “schone”uitrit is, dan wel de aanvraag de aanleg van een “schone” uitrit betreft en de bestaande uitrit een “vuile”uitrit is, en voldoet aan de volgende maatvoeringen: Onderdeel Beschrijving / maatvoering type duiker Rond lengte duiker maximaal 20,0 meter inwendige doorsnede duiker onder openbare weg minimaal 0,50 meter inwendige doorsnede overige duikers minimaal 0,40 meter binnenonderkant van de duiker hoogte van de bodem 3.2.3Artikel 2 Voorschriften 3.2.3Degene die een (dam met) duiker aanlegt, verwijdert of behoudt als bedoeld in artikel 1, legt de duiker zo aan dat de as in het midden van het oppervlaktewaterlichaam ligt; voorziet verbindingen tussen duikerelementen van een waterdichte afdichting; werkt het talud van de dam met duiker af met stapelzoden, graszaad of een beschoeiing; werkt het talud van de dam met duiker af onder een helling van minimaal 1:1,5; beschermt de uiteinden van de duiker tegen beschadigingen door mechanisch onderhoud; brengt bij het verwijderen van een dam met duiker het oppervlaktewaterlichaam terug op de afmetingen die gelijk zijn aan het aansluitend profiel; verwijdert bij vervanging van een duiker, de oude duiker volledig; houdt het doorstroomprofiel van de dam met duiker in stand; past beton, of een gelijkwaardig materiaal toe, behalve in veengebieden, waar kan worden volstaan met rotvrij, niet uitlogend materiaal. 3.2.3Artikel 3 Melding Degene die een (dam met) duiker aanlegt of verwijdert als bedoeld in artikel 1, meldt dit tenminste 2 weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bevoegd gezag. De melding wordt schriftelijk of digitaal gedaan met behulp van het door het bestuur 3.2.3 vastgesteld formulier. Daarbij wordt in ieder geval vermeld: naam en adres van degene die de werkzaamheden uitvoert; het adres of de locatie waar de werkzaamheden worden uitgevoerd; gegevens over het aan te leggen werk; de aard van de werkzaamheden; een situatietekening; de lengte en de diameter van de duiker. 3.2.3Artikel 4 Overgangsrecht Indien voor het aanleggen, verlengen, verwijderen of behouden van een (dam met) duiker, bedoeld in artikel 1, direct voor inwerkingtreding van dit besluit een vergunning is aangevraagd en nog niet op die aanvraag is beslist, wordt die aanvraag gelijkgesteld met een melding als bedoeld in artikel 3, eerste lid. Een watervergunning verleend voor inwerkingtreding van deze algemene regel voor ingevolge deze algemene regel meldingplichtige werkzaamheden, wordt aangemerkt als een melding als bedoeld in deze algemene regel. 3.2.3TOELICHTING 3.2.3Kader 3.2.3Op grond van artikel 3.2, eerste lid van de keur is het verboden zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te maken of te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Onder dit verbod valt ook het aanleggen, verlengen, verwijderen of behouden van een (dam met)duiker. 3.2.3Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt. 3.2.3Begripsbepalingen 3.2.3De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder: 3.2.3Duiker: een kokervormige constructie die is bedoeld om oppervlaktewaterlichamen met elkaar te verbinden. 3.2.3Kunstwerk: werken die ondersteunend zijn aan waterstaatwerken. 3.2.3Motivering 3.2.3Het aanleggen, behouden of verwijderen van een (dam met)duiker in oppervlaktewaterlichamen als omschreven in artikel 1, betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels. 3.2.3Bij het plaatsen van een dam met duiker treedt er vernauwing op van het betreffende oppervlaktewaterlichaam, waardoor de doorstroming vermindert. Er wordt dan ook terughoudend omgegaan met het toestaan van dammen met duikers. Er worden voorwaarden gesteld aan de afmetingen van de duiker en het aantal dammen met duikers per perceel, om de afwatering van het gebied waarbinnen het oppervlaktewaterlichaam zich bevindt te garanderen. 3.2.3Het is van belang dat de ingrepen in het waterstaatswerk goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden. Om deze reden is de meldplicht in deze algemene regel opgenomen. 3.2.3Vergunningaanvragen voor het aanleggen van een dam met duiker waarvoor op grond van artikel 1 vrijstelling is verkregen van de vergunningplicht, worden als melding aangemerkt. Hierdoor worden extra handelingen door de aanvrager voorkomen. 3.2.3Algemene regels voor een (dam met) duiker in oppervlaktewaterlichaam Bpolder 3.2.3Artikel 1 Criteria 3.2.3Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de Keur, voor het aanleggen, verlengen, verwijderen of behouden van een (dam met) duiker, voor zover deze: wordt aangelegd, verwijderd of behouden in een oppervlaktewaterlichaam categorie Bpolder als aangewezen in de legger; wordt aangelegd, verwijderd of behouden op minimaal 10,00 meter van een bestaande dam met duiker aangelegd; wordt aangelegd, verwijderd of behouden op minimaal 10,00 meter van een ander kunstwerk aangelegd; wordt aangelegd, verwijderd of behouden zonder knikpunten of bochten, en voldoet aan de volgende maatvoeringen: Onderdeel Beschrijving / maatvoering type duiker rond lengte duiker maximaal 20,0 meter inwendige doorsnede duiker minimaal 0,40 meter binnenonderkant van de duiker hoogte van de bodem 3.2.3Artikel 2 Voorschriften 3.2.3Degene die een (dam met) duiker aanlegt, verwijdert of behoudt als bedoeld in artikel 1: legt de duiker zo aan dat de as in het midden van het oppervlaktewaterlichaam ligt; voorziet verbindingen tussen duikerelementen van een waterdichte afdichting; werkt het talud van de dam met duiker af met stapelzoden, graszaad of een beschoeiing; werkt het talud van de dam met duiker af onder een helling van minimaal 1:1,5; beschermt de uiteinden van de duiker tegen beschadigingen door mechanisch onderhoud; brengt bij het verwijderen van een dam met duiker het oppervlaktewaterlichaam terug op de afmetingen zoals vastgelegd in de legger dan wel die gelijk zijn aan het aansluitend profiel; verwijdert bij vervanging van een duiker, de oude duiker volledig; houdt [het doorstroomprofiel van] de dam met duiker in stand; past beton, of een gelijkwaardig materiaal toe, behalve in veengebieden, waar kan worden volstaan met rotvrij, niet uitlogend materiaal. 3.2.3TOELICHTING 3.2.3Kader 3.2.3Op grond van artikel 3.2, eerste lid van de keur is het verboden zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te maken of te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Onder dit verbod valt ook het aanleggen, verlengen, verwijderen of behouden van een (dam met)duiker. 3.2.3Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt. 3.2.3Begripsbepalingen 3.2.3De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder: 3.2.3Duiker: een kokervormige constructie die is bedoeld om oppervlaktewaterlichamen met elkaar te verbinden. 3.2.3Kunstwerk: werken die ondersteunend zijn aan waterstaatwerken. 3.2.3Motivering 3.2.3Het aanleggen, behouden of verwijderen van een (dam met) duiker in oppervlaktewaterlichamen als omschreven in artikel 1, betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels. 3.2.3Bij het plaatsen van een dam met duiker treedt er vernauwing op van het betreffende oppervlaktewaterlichaam, waardoor de doorstroming vermindert. Er wordt dan ook terughoudend omgegaan met het toestaan van dammen met duikers. Er worden voorwaarden gesteld aan de afmetingen van de duiker en het aantal dammen met duikers per perceel, om de afwatering van het gebied waarbinnen het oppervlaktewaterlichaam zich bevindt te garanderen. 3.2.3Algemene regels voor een (dam met) duiker in oppervlaktewaterlichaam C 3.2.3Artikel 1 Criteria 3.2.3Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de Keur, voor het aanleggen, verlengen, behouden en verwijderen van een (dam met) duiker, voorzover deze: wordt aangelegd, gewijzigd of behouden in een oppervlaktewaterlichaam categorie C als aangewezen in de legger, en niet langer is dan 40,0 meter en de diameter van de duiker niet kleiner is dan 0,40 meter. 3.2.3TOELICHTING 3.2.3Kader 3.2.3Op grond van artikel 3.2, eerste lid van de keur is het verboden zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te maken of te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Onder dit verbod valt ook het aanleggen, verwijderen of behouden van een (dam met)duiker. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt. 3.2.3Begripsbepalingen 3.2.3De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder: 3.2.3Duiker: een kokervormige constructie die is bedoeld om oppervlaktewaterlichamen met elkaar te verbinden. 3.2.3Motivering 3.2.3Het aanleggen, behouden of verwijderen van een (dam met)duiker in oppervlaktewaterlichamen zoals omschreven in artikel 1, betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels. 3.2.3Bij het plaatsen van een dam met duiker treedt er vernauwing op van het betreffende oppervlaktewaterlichaam, waardoor de doorstroming vermindert. Er wordt dan ook terughoudend omgegaan met het toestaan van dammen met duikers. Er worden voorwaarden gesteld aan de afmetingen van de duiker en het aantal dammen met duikers per perceel, om de afwatering van het gebied waarbinnen het oppervlaktewaterlichaam zich bevindt te garanderen. 3.2.3Algemene regel kabels en leidingen bij oppervlaktewaterlichaam A en B+ 3.2.3Artikel 1 Criteria 3.2.3Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de Keur, voor het aanleggen, verwijderen of behouden van kabels of leidingen, voor zover: deze worden aangelegd, verwijderd of behouden onder of boven een oppervlaktewaterlichaam categorie A en B+ als aangewezen in de legger; het geen oppervlaktewaterlichaam betreftwaaraan op grond van de bij deze algemene regel behorende natuurkaart de aanduiding water met natuurfunctie zijnde KRW-waterlichaam, danwel Hen-Sed water of overig, is toegkend, waarlangs tevens op grond van de legger een natuurvriendelijke oever ligt; de druk in de leiding niet groter is dan 10 bar; de diameter van de leiding (buis) niet groter is dan 1 meter; de spanning op de kabel niet hoger is dan 100 kV; bij aanleg van de kabel of leiding evenwijdig aan het oppervlaktewaterlichaam de afstand tussen de ontgraving en de insteek van het oppervlaktewaterlichaam minimaal 1,0 meter bedraagt; bij een gestuurde boring waarbij het oppervlaktewaterlichaam wordt gekruist, de kabels of leidingen tenminste 1,0 meter onder de vaste bodem van het oppervlaktewaterlichaam worden aangelegd; bij aanleg van kabels en leidingen waarbij het oppervlaktewaterlichaam of de bijbehorende beschermingszone wordt gekruist, de kabels en leidingen tenminste 1,00 meter uit de insteek van het oppervlaktewaterlichaam en 1,00 meter onder de vaste bodem van het oppervlaktewaterlichaam worden aangelegd; bij meerdere, elkaar kruisende leidingen die niet op gelijke hoogte liggen, de afstand tussen deze leidingen minimaal 0,3 meter is, en bij meerdere, elkaar kruisende leidingen die op gelijke hoogte liggen, tussen de leidingen een kruisingsput wordt aangelegd. 3.2.3Artikel 2 Voorschriften 3.2.3Degene kabels of leidingen aanlegt, verwijdert, of behoudt als bedoeld in artikel 1: beïnvloedt tijdens het aanleggen of verwijderen van kabels of leidingen de stabiliteit van de taluds niet negatief; vult direct na het aanleggen van de kabel of leiding de ontgraving aan; belemmert de aan- of afvoer van water niet, en treft, in geval van breuk of lekkage van een leiding maatregelen om verdergaande lekkage te voorkomen. 3.2.3Artikel 3 Melding Degene die kabels of leidingen aanlegt of verwijdert als bedoeld in artikel 1, voorzover dit niet plaatsvindt in het als natuurvriendelijke oever of als onderhoudsstrook aangeduide gedeelte van het oppervlaktelichaam, meldt dit tenminste 2 weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bestuur. De melding wordt schriftelijk of digitaal gedaan met behulp van het door het bestuur vastgesteld formulier. Daarbij wordt in ieder geval vermeld: naam en adres van degene die de werkzaamheden uitvoert; het adres of de locatie waar de werkzaamheden worden uitgevoerd; gegevens over het aan te leggen werk; de aard van de werkzaamheden; een situatietekening. 3.2.3Artikel 4 Overgangsrecht Indien voor het aanleggen van een ondergrondse kabel of leiding als bedoeld in artikel 1, direct voor inwerkingtreding van dit besluit een vergunning is aangevraagd en nog niet op die aanvraag is beslist, wordt die aanvraag gelijkgesteld met een melding als bedoeld in artikel 3, eerste lid. Een watervergunning verleend voor inwerkingtreding van deze algemene regel voor ingevolge deze algemene regels meldingplichtige werkzaamheden, wordt aangemerkt als een melding als bedoeld in deze algemene regel. 3.2.3TOELICHTING 3.2.3Kader 3.2.3Op grond van artikel 3.2 lid 1 van de Keur is het verboden om zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of de bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Onder dit verbod valt ook het leggen of houden van kabels en leidingen nabij oppervlaktewater. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt. 3.2.3Begripsbepaling 3.2.3De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder: 3.2.3(Druk- of pijp)leidingen: alle leidingen die geen lozingswerk zijn, dat wil zeggen, niet in open verbinding staan met oppervlaktewater. 3.2.3Gestuurde boring: een sleufloze boortechniek waarbij obstakels zoals oppervlaktewater diep onder het maaiveld kunnen worden gepasseerd. 3.2.3Insteek: snijlijn van het bovenwatertalud met het aangrenzende maaiveld. 3.2.3Kabel: transportmedium, veelal voor elektriciteit of communicatie, zonder holle ruimte. Leidingen met een diameter van maximaal 40 mm die gebruikt worden voor (glasvezel)kabels worden beschouwd als een kabel. 3.2.3 Motivering 3.2.3Het leggen van kabels en leidingen onder of over oppervlaktewaterenlichamen als omschreven in artikel 1, komt zeer veel voor. Met uitzondering van oppervlaktewaterlichamen met een natuurfunctie, is het leggen van kabels en leidingen, onder voorwaarden, vrijgesteld van de . vergunningplicht. Het gebeurt veelal door gespecialiseerde bedrijven in opdracht van nutsbedrijven. Algemene regels borgen de waterstaatkundige belangen voldoende. 3.2.3Ad 2b: Dit voorschrift kan gebruikt worden om het risico te verkleinen dat de uitgegraven grond in het water terecht komt en zo wordt verspreid in het oppervlaktewaterlichaam. 3.2.3Ad 2f: In gebieden waar het zoute water dicht onder het oppervlak voorkomt, willen waterschappen het risico van opbarsten voorkomen. Dit voorschrift geeft daarvoor een instrument. 3.2.3Ad 2g: openbarsting: het ter plaatse van een boring vloeibaar worden van de bodem, waardoor de bodem openbarst. 3.2.3Ad 2m: In sommige gevallen kan het beter zijn de kabel of leiding te laten zitten omdat het verwijderen ervan schade aan het oppervlaktewaterlichaam of beschermingszone kan veroorzaken. 3.2.3Toelichting artikel 3 Melding 3.2.3Bij de termijn voor melding is gebaseerd op een redelijk termijn van 2 weken. 3.2.3Het is van belang dat de ingrepen in het waterstaatswerk goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden. Om deze reden is de meldplicht in deze algemene regel opgenomen. 3.2.3Algemene regel kabels en leidingen bij oppervlaktewaterlichaam Bschouw 3.2.3Artikel 1 Criteria 3.2.3Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de Keur, voor het aanleggen, verwijderen of behouden van kabels en leidingen, voor zover: deze worden aangelegd, verwijderd of behouden onder of boven een oppervlaktewaterlichaam categorie Bschouw als aangewezen in de legger; het geen oppervlaktewaterlichaam betreft waaraan op grond van de bij deze algemene regel behorende natuurkaart de aanduiding water met natuurfunctie zijnde KRW-waterlichaam, danwel Hen-Sed water of overig, is toegkend, waarlangs tevens op grond van de legger een natuurvriendelijke oever ligt; de druk in de leiding niet groter is dan 10 bar; de diameter van de leiding (buis) niet groter is dan 1 meter; de spanning op de kabel niet hoger is dan 100 kV; bij een gestuurde boring waarbij het oppervlaktewaterlichaam wordt gekruist, de kabels of leidingen tenminste 1,0 meter onder de vaste bodem van het oppervlaktewaterlichaam worden aangelegd; bij aanleg van kabels en leidingen waarbij het oppervlaktewaterlichaam wordt gekruist, de kabels en leidingen tenminste 1,00 meter onder de vaste bodem van het oppervlaktewaterlichaam worden aangelegd; Bij meerdere, elkaar kruisende leidingen die niet op gelijke hoogte liggen, de afstand tussen deze leidingen minimaal 0,3 meter is Bij meerdere, elkaar kruisende leidingen die op gelijke hoogte liggen, tussen de leidingen een kruisingsput wordt aangelegd. 3.2.3Artikel 2 Voorschriften 3.2.3Degene kabels of leidingen aanlegt, verwijdert, of behoudt als bedoeld in artikel 1: beïnvloedt tijdens het aanleggen of verwijderen van kabels of leidingen de stabiliteit van de taluds niet negatief; vult direct na het aanleggen van de kabel of leiding de ontgraving aan; belemmert de aan- of afvoer van water niet, en treft, in geval van breuk of lekkage van een leiding maatregelen om verdergaande lekkage te voorkomen. 3.2.3TOELICHTING 3.2.3Kader 3.2.3Op grond van artikel 3.2 lid 1 van de Keur is het verboden om zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of de bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Onder dit verbod valt ook het leggen van kabels en leidingen nabij oppervlaktewater. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt. 3.2.3Begripsbepaling 3.2.3De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder: 3.2.3(Druk- of pijp)leidingen: alle leidingen die geen lozingswerk zijn, dat wil zeggen, niet in open verbinding staan met oppervlaktewater. 3.2.3Kabel: transportmedium, veelal voor elektriciteit of communicatie, zonder holle ruimte. Leidingen met een diameter van maximaal 40 mm die gebruikt worden voor (glasvezel)kabels worden beschouwd als een kabel. 3.2.3Gestuurde boring of HDD-methode (horizontal directional drilling): een sleufloze boortechniek waarbij obstakels zoals oppervlaktewater diep onder het maaiveld kunnen worden gepasseerd. 3.2.3Motivering 3.2.3Het leggen van kabels en leidingen onder of over oppervlaktewaterenlichamen als omschreven in artikel 1, komt zeer veel voor. Met uitzondering van oppervlaktewaterlichamen met een natuurfunctie, is het leggen van kabels en leidingen, onder voorwaarden, vrijgesteld van de. vergunningplicht. Het gebeurt veelal door gespecialiseerde bedrijven in opdracht van nutsbedrijven. Algemene regels borgen de waterstaatkundige belangen voldoende. 3.2.3Algemene regel kabels en leidingen bij oppervlaktewaterlichaam Bpolder en C 3.2.3Artikel 1 Criteria 3.2.3Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de Keur, voor het aanleggen, verwijderen of behouden van kabels en leidingen onder of boven een oppervlaktewaterlichaam, voor zover deze worden aangelegd, verwijderd of behouden onder of boven een oppervlaktewaterlichaam categorie Bpolder en C als aangewezen in de legger. 3.2.3TOELICHTING 3.2.3Kader 3.2.3Op grond van artikel 3.2 lid 1 van de keur is het verboden om zonder watervergunning gebruik te maken van een waterstaatswerk of de bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Onder dit verbod valt ook het leggen van kabels en leidingen nabij oppervlaktewater. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt. 3.2.3Begripsbepaling 3.2.3De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder: 3.2.3(Druk- of pijp)leidingen: alle leidingen die geen lozingswerk zijn, dat wil zeggen, niet in open verbinding staan met oppervlaktewater. 3.2.3Kabel: transportmedium, veelal voor elektriciteit of communicatie, zonder holle ruimte. Leidingen met een diameter van maximaal 40 mm die gebruikt worden voor (glasvezel)kabels worden beschouwd als een kabel. 3.2.3Motivering 3.2.3Het leggen van kabels en leidingen onder of over oppervlaktewaterenlichamen als omschreven in artikel 1, komt zeer veel voor. Het gebeurt veelal door gespecialiseerde bedrijven in opdracht van nutsbedrijven. Met het oog op vermindering van de regeldruk kan daarom worden afgezien van het vergunningvereiste. Omdat er veelal geen waterhuishoudkundige belangen aan de orde zijn, is het niet noodzakelijk voorschriften aan de vrijstelling te verbinden. 3.2.3Algemene regel steiger, vlonder of overhangend bouwwerk in oppervlaktewaterlichaam A en B+ 3.2.3Artikel 1 Criteria 3.2.3Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de Keur, voor het aanleggen, verwijderen of behouden van een steiger, vlonder of overhangend bouwwerk voor zover deze: a.wordt aangelegd, verwijderd, of behouden in een oppervlaktewaterlichaam, categorie A en B+, als aangewezen in de legger met uitzondering van het gedeelte dat daarbij is aangeduid als natuurvriendelijke oever of als onderhoudsstrook; 3.2.3wordt aangelegd, verwijderd of behouden in de bebouwde kom als bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; niet wordt aangelegd, verwijderd of behouden in een oppervlaktewaterlichaam waaraan op grond van de bij deze algemene regel behorende natuurkaart en de aanduiding water met natuurfunctie zijnde KRW-waterlichaam, danwel Hen-Sed water of overig, is toegekend; niet wordt aangelegd, verwijderd of behouden aan de zijde van het oppervlaktewaterlichaam, waar zich op grond van de legger een onderhoudsstrook bevindt; wordt aangelegd zonder dat er palen worden geplaatst in of op de waterbodem en in de aangrenzende grond tot en met 0,2 meter achter de beschoeiing, gezien vanaf het water wordt aangelegd zodat de onderkant minimaal 0,5 meter boven het normaal waterpeil dan wel, indien een zomer- en winterpeil wordt gehanteerd, boven het zomerpeil aangelegd , en voldoet aan de volgende maatvoering: Breedte oppervlaktewaterlichaam Maximale breedte steiger/vlonder /overhangend bouwwerk (haaks gemeten op het oppervlaktewaterlichaam) Maximale lengte steiger/vlonder (parallel gemeten aan het oppervlaktewaterlichaam) < 4 meter Niet toegestaan … >4 meter en < 8 meter O,5 meter Model: maximaal de helft van de lengte van het perceel met een maximum van 5 m > 8 meter 1,0 meter Model: 5 m 3.2.3Artikel 2 Voorschriften 3.2.3Degene die een steiger, vlonder of overhangend bouwwerk aanlegt, verwijdert, of behoudt als bedoeld in artikel 1: beschadigt het talud en de aanwezige beschoeiing niet; belemmert het onderhoud aan het oppervlaktewaterlichaam niet; zorgt er voor dat de eigenaar/gebruiker van de steiger, vlonder of overhangend bouwwerk het water ter plaatse vrij houdt van (drijf)vuil, resten van waterplanten en dergelijke, onverminderd de onderhoudsplichten; voorkomt beschadigingen of verzakkingen van de steiger, vlonder of het overhangend bouwwerk die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de waterdoorvoer; gebruikt deugdelijk en niet uitlogend materiaal voor de steiger, vlonder of het overhangend bouwwerk; brengt het oppervlaktewaterlichaam terug op de afmetingen zoals vastgelegd in de legger bij verwijdering van de steiger, vlonder of overhangend bouwwerk, en wijzigt of verwijdert de steiger, vlonder of het overhangend bouwwerk op eigen kosten en op eerste aanzegging van het bestuur indien dit noodzakelijk is voor het uitvoeren van beheer- of onderhoudshandelingen door het waterschap of anderszins in het belang van de waterstaat. 3.2.3Artikel 3 Melding Degene die een steiger, vlonder of overhangend bouwwerk, aanlegt of verwijdert, bedoeld in artikel 1, meldt dit tenminste 2 weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bestuur. De melding wordt schriftelijk of digitaal gedaan met behulp van het door het bestuur vastgesteld formulier. Daarbij wordt in ieder geval vermeld: naam en adres van degene die de werkzaamheden uitvoert; het adres of de locatie waar de werkzaamheden worden uitgevoerd; gegevens over het aan te leggen werk; de aard van de werkzaamheden; een situatietekening. 3.2.3Artikel 4 Overgangsrecht Indien voor het aanleggen of verwijderen van een oeverbeschermende voorziening, bedoeld in artikel 1, direct voor inwerkingtreding van dit besluit een vergunning is aangevraagd en nog niet op die aanvraag is beslist, wordt die aanvraag gelijkgesteld met een melding als bedoeld in deze algemene regel. Een watervergunning verleend voor inwerkingtreding van deze algemene regel voor ingevolge deze algemene regel meldingplichtige werkzaamheden, wordt aangemerkt als een melding als bedoeld in deze algemene regel. 3.2.3TOELICHTING 3.2.3Kader 3.2.3Op grond van artikel 3.2, eerste lid van de Keur, is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Het aanleggen, verwijderen of behouden van een steiger, vlonder of overhangend bouwwerk valt hieronder. Op grond van artikel 3.9 van de Keur kan het bestuur algemene regels stellen die een vrijstelling van die vergunningplicht inhouden. In deze algemene regel is hiervan gebruik gemaakt. 3.2.3Begripsbepaling 3.2.3De begrippen die zijn gedefinieerd in de Keur zijn ook van toepassing voor de bepalingen in deze algemene regels. Daarnaast wordt in deze algemene regel verstaan onder: 3.2.3Beschoeiing: constructie in de oeverlijn om de oever tegen afkalving te beschermen. 3.2.3Insteek: snijlijn van het bovenwatertalud met het aangrenzende maaiveld. 3.2.3Overhangend bouwwerk: bouwwerk dat al dan niet gedeeltelijk over het oppervlaktewaterlichaam, of het talud is geplaatst waarover gelopen kan worden. 3.2.3Peil: in het peilbesluit vastgesteld referentiepeil. 3.2.3Steiger: constructie die gedeeltelijk over een oppervlaktewaterlichaam is geplaatst en is verankerd in het achterliggende perceel waarover gelopen kan worden. 3.2.3Vlonder: losse houten vloer op het maaiveld grenzend aan het oppervlaktewaterlichaam waarover gelopen kan worden. Hieronder vallen mede visstoepen. 3.2.3Motivering 3.2.3Het aanleggen van een steiger, vlonder of overhangend bouwwerk als omschreven in artikel 1, betreft vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een relatief eenvoudig en veel voorkomend werk in of langs een oppervlaktewaterlichaam. De relevante waterhuishoudkundige belangen kunnen in dit geval voldoende worden gewaarborgd door het stellen van algemene regels. 3.2.3Ad artikel 1 Het plaatsen van een steiger, vlonder of overhangend bouwwerk verdraagt zich in het algemeen niet met de aan het oppervlaktewaterlichaam verbonden natuurfunctie. 3.2.3Het is van belang dat de ingrepen in het waterstaatswerk goed worden uitgevoerd. Daarvoor is het noodzakelijk dat het waterschap toezicht kan uitoefenen op de uitgevoerde werkzaamheden. Om deze reden is de meldplicht in deze algemene regel opgenomen. 3.2.3De termijn voor melding is gebaseerd op een redelijk termijn van 2 weken. 3.2.3Algemene regel steiger, vlonder of overhangend bouwwerk oppervlaktewaterlichaam Bschouw 3.2.3Artikel 1 Criteria 3.2.3Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid van de Keur, voor het aanleggen, verwijderen of behouden van een steiger, vlonder of overhangend bouwwerk voor zover deze: wordt aangelegd, verwijderd, of behouden in een oppervlaktewaterlichaam, categorie Bschouw als aangewezen in de legger; niet wordt aangelegd, verwijderd of behouden in een oppervlaktewaterlichaam waaraan op grond van de bij deze algemene regel behorende natuurkaart een natuurfunctie is toegekend; wordt aangelegd zonder er palen worden geplaatst in of op de waterbodem en in de aangrenzende grond tot en met 0,2 meter achter de beschoeiing, gezien vanaf het water ; wordt aangelegd zodat de onderkant minimaal 0,5 meter boven het normaal waterpeil dan wel, indien een zomer- en winterpeil wordt gehanteerd, boven het zomerpeil aangelegd (of: boven het hoogste gehanteerde peil , en voldoet aan de volgende maatvoering: Breedte oppervlaktewaterlichaam Maximale breedte steiger/vlonder /overhangend bouwwerk (haaks gemeten op het oppervlaktewaterlichaam) Maximale lengte steiger/vlonder (parallel gemeten aan het oppervlaktewaterlichaam) < 4 meter Niet toegestaan … >4 meter en < 8 meter O,5 meter maximaal de helft van de lengte van het perceel met een maximum van 5 m > 8 meter 1,0 meter 5 m 3.2.3Artikel 2 Voorschriften 3.2.3Degene die een steiger, vlonder of overhangend bouwwerk aanlegt, verwijdert, of behoudt als bedoeld in artikel 1: beschadigt het talud en de aanwezige beschoeiing niet; belemmert het onderhoud aan het oppervlaktewaterlichaam niet ; zorgt er voor dat de eigenaar/gebruiker van de steiger, vlonder of overhangend bouwwerk het water ter plaatse vrij houdt van (drijf)vuil, resten van waterplanten en dergelijke, onverminderd de onderhoudsplichten; voorkomt beschadigingen of verzakkingen van de steiger, vlonder of het overhangend bouwwerk die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de waterdoorvoer; gebruikt deugdelijk en niet uitlogend materiaal voor de steiger, vlonder of het overhangend bouwwerk; brengt het oppervlaktewaterlichaam terug op de afmetingen zoals vastgelegd in de legger bij verwijdering van de steiger, vlonder of overhangend bouwwerk, en wijzigt of verwijdert de steiger, vlonder of het overhangend bouwwerk op eigen kosten en op eerste aanzegging van het bestuur indien dit noodzakelijk is voor het uitvoeren van beheer- of onderhoudshandelingen door het waterschap of anderszins in het belang van de waterstaat. 3.2.3Artikel 3 Melding Degene die een steiger, vlonder of overhangend bouwwerk, aanlegt of verwijdert, bedoeld in artikel 1, meldt dit tenminste 2 weken voor aanvang van de werkzaamheden aan het bestuur. De melding wordt schriftelijk of digitaal gedaan met behulp van het door het bestuur vastgesteld formulier. Daarbij wordt in ieder geval vermeld: naam en adres van degene die de werkzaamheden uitvoert; het adres of de locatie waar de werkzaamheden worden uitgevoerd; gegevens over het aan te leggen werk; de aard van de werkzaamheden; een situatietekening. 3.2.3Artikel 4 Overgangsrecht Indien voor het aanleggen of verwijderen van een oeverbeschermende voorziening, bedoeld in artikel 1, direct voor inwerkingtreding van dit besluit een vergunning is aangevraagd en nog niet op die aanvraag is beslist, wordt die aanvraag gelijkgesteld met een melding als bedoeld in deze algemene regel. Een watervergunning verleend voor inwerkingtreding van deze algemene regel voor ingevolge deze algemene regel meldingplichtige werkzaamheden, wordt aangemerkt als een melding als bedoeld in deze algemene regel. 3.2.3TOELICHTING 3.2.3Kader 3.2.3Op grond van artikel 3.2, eerste lid van de Keur, is h

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.