Verordening op het lokaal onderwijsbeleid Amsterdam 2019De gemeenteraad van Amsterdam Gezien de voordracht van burgemeester en wethouders van 4 december 2018 (Gemeenteblad afd. 1, nr. 21); Mede gezien de aangenomen motie van de leden Marttin en Boomsma (Gemeenteblad afd. 1, nr. 55); Gelet op: artikelen 6 en 140 van de Wet op het primair onderwijs; artikelen 6 en 134 van de Wet op de expertisecentra; artikelen 77 en 96g van de Wet op het voortgezet onderwijs; artikel 149 van de Gemeentewet, Besluit: Kennis te nemen van de wethoudersbrief ‘Aanbieding Verordening op het Lokaal Onderwijsbeleid Amsterdam 2019’ (VloA 2019) die als bijlage 1 is opgenomen, waarin de wethouder onderwijs toelicht dat de VloA als instrument wordt gewijzigd om de komende jaren aan de ambities voor onderwijs te kunnen voldoen. Vast te stellen de volgende: Verordening op Lokaal Onderwijs Beleid Amsterdam 2019 (VloA 2019) die als bijlage 2 is opgenomen. De VloA 2019 is ten opzichte van VloA 2014 aangepast op de volgende punten: De verordening is meer gestructureerd, eenvoudiger en overzichtelijker. De VloA 2019 is een zelfstandige verordening geworden, waarbij de Algemene Subsidieverordening Amsterdam 2013 niet meer van toepassing is op de verstrekking van subsidies. De verordening bestaat nu uit een algemeen deel en 6 bijlagen waarin de afzonderlijke voorzieningen worden geordend. Het college krijgt de mogelijkheid om onderwijsvoorzieningen te weigeren als een schoolbestuur voor een onder zijn gezag vallende school voor het basisonderwijs per schooljaar een gemiddelde vrijwillige ouderbijdrage ontvangt die hoger is dan € 225,- per leerling. De voorzieningen ‘combinatie functie vroeg- en voorschool’ en ‘vroegschoolse educatie’ en de component Ouderbetrokkenheid Vroegschool die nu nog wordt geregeld in de regeling voorschoolse educatie, zijn samengebracht in een nieuwe en aangepaste voorziening ‘Vroegschools aanbod’. De voorziening kent drie uitvoeringsniveaus (A,B,C) met ieder hun eigen activiteiten en intensiteit, aangepast aan de zwaarte van de school. Het college hoogt in de voorziening ‘Kansenaanpak PO’, het bedrag dat per doelgroepleerling beschikbaar is op van € 700 naar € 800, waardoor schoolbesturen voor de onder hun gezag vallende scholen de mogelijkheid krijgen om een dekkend aanbod te realiseren ter voorkoming van onderwijsachterstanden bij hun leerlingen. De wijzigingen in de voorziening ‘nieuwkomers’ zijn gericht op de extra ondersteuning in de kleuterklassen: er is de mogelijkheid om een NT2 deskundige in te zetten in plaats van een leerkracht, de extra ondersteuning is voor leerlingen in groep 2 in plaats van een specifieke leeftijd en om in aanmerking te komen voor de subsidie moet ook Rijksbekostiging voor nieuwkomers aangevraagd zijn. De VloA 2019 kent een overgangsbepaling, waarbij de VloA 2014 van toepassing blijft op subsidies die tot en met het schooljaar 2018-2019 zijn verleend. Kennis te nemen van: de door B&W vastgestelde budgettering voor de uitvoering van de VloA voor schooljaar 2019-2020 van € 34.528.000,- Dit bedrag wordt ten laste gebracht van de begroting Onderwijs 2019 en 2020, onder voorbehoud van goedkeuring van de begroting 2020 door de gemeenteraad; van de door B&W vastgestelde subsidieplafonds die zijn vastgesteld omdat deze voorzieningen voor een beperkte doelgroep beschikbaar zijn: van € 1.041.000,- voor de voorziening Hoogbegaafdheid; van € 495.000,- voor de voorziening Nieuwkomersonderwijs (groep 2); van € 733.000,-.voor de voorziening Tegemoetkoming voor schoolgebouwen met overdimensionering en voor schoolgebouwen in de fijnstofzone; Voor de voorziening Kansenaanpak primair onderwijs vanaf groep 3: € 13.100.000,- voor het onderdeel Maatwerkplan verlengde leertijd en ouderbetrokkenheid; €400.000,- voor het onderdeel Zomerschool; €400.000,- voor het onderdeel Kopklas. Verordening op het lokaal onderwijsbeleid Amsterdam 2019 (VloA 2019) Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1Begripsomschrijvingen In deze verordening wordt verstaan onder: aanvullende voorziening: een door het college vastgestelde tijdelijke voorziening; college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam; dislocatie: een deel van een school - in een ander gebouw en op een andere locatie dan het hoofdgebouw - waarmee feitelijk ruimtegebrek in het hoofdgebouw van de school wordt opgevangen; doelgroepleerling: een leerling van een school voor basisonderwijs of voortgezet onderwijs die een risico heeft op een onderwijsachterstand en om die reden extra ondersteuning nodig heeft; nevenvestiging: deel van een school dat door de minister ingevolge artikel 85 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 76a of artikel 76b van de Wet op de expertisecentra, artikel X van de wet van 31 mei 1995 (Stb. 319) of artikel 73van de Wet op het voortgezet onderwijs voor bekostiging in aanmerking is gebracht; ongewogen leerling: leerling van een school, waarbij geen rekening is gehouden met eventueel door het Rijk toegekend leerlinggewicht; raad: gemeenteraad van de gemeente Amsterdam; school: school voor basisonderwijs: een basisschool of een speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs; school voor (voortgezet) speciaal onderwijs: een school voor speciaal onderwijs, een school voor voortgezet speciaal onderwijs of een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra, en een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 8 van de Wet op de expertisecentra; school voor voortgezet onderwijs: school of scholengemeenschap voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, voor voorbereidend beroepsonderwijs en voor praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs; schoolbestuur: bevoegd gezag van een volgens de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs bekostigde in de gemeente gelegen openbare of bijzondere school, een instelling, of, voor zover in deze verordening is bepaald, van een nevenvestiging waarvan de hoofdvestiging is gelegen in een andere gemeente; schooljaar: de periode die loopt van 1 augustus van een kalenderjaar tot en met 31 juli van het daaropvolgende kalenderjaar; subsidie: financiering van de gemeente in aanvulling op de Rijksbekostiging voor onderwijsactiviteiten van een school; vrijwillige ouderbijdrage: bijdrage met een onverplicht karakter die door een school van ouders per schooljaar wordt gevraagd voor zaken en activiteiten waarvoor de school geen geld ontvangt van de (rijks)overheid en die niet horen tot het verplichte lesprogramma van een school. De bijdrage kan ook bestaan uit een lidmaatschap van een rechtspersoon. Onder voornoemde activiteiten vallen in ieder geval een viering, sportdag, excursie of (buitenlands) schoolreisje; voorziening in natura: een voorziening of aanvullende voorziening die feitelijk beschikbaar wordt gesteld. Artikel2Reikwijdte verordening en bevoegdheid college 1.Deze verordening bestaat uit een algemeen deel en een aantal voorzieningen, waarin wordt geregeld waarvoor een schoolbestuur voor een onder zijn gezag vallende school in aanmerking kan komen. 2.Het college is bevoegd om op grond van deze verordening aan een schoolbestuur een voorziening te verstrekken in natura of als een subsidie. 3.[vervallen] Artikel3Aanvullende voorziening 1.Het college kan bepalen dat de verordening tijdelijk wordt aangevuld met een voorziening. 2.Het college stelt de criteria vast waaronder de aanvullende voorziening kan worden verstrekt. 3.Na de bekrachtiging van de aanvullende voorziening door de raad of na verloop van een periode van 12 weken na de vaststelling van de aanvullende voorziening door het college wordt de aanvullende voorziening toegevoegd aan de verordening. Artikel4Subsidieplafond Het college kan binnen de kaders van de begroting subsidieplafonds voor een voorziening vaststellen. Hoofdstuk2Aanvraagprocedures en weigeringsgronden Artikel5Indiening aanvraag 1.Een voorziening kan uitsluitend worden aangevraagd door een schoolbestuur voor een onder zijn gezag vallende school en voor zover de school past binnen de doelgroep als nader bepaald in de aan te vragen voorziening. 2.De aanvraag bevat in alle gevallen: de naam en het adres van het schoolbestuur; de dagtekening; de gewenste voorziening; de naam van de school en de onderwijssoort. 3.De aanvraag van een voorziening in de vorm van subsidie bevat in aanvulling op het tweede lid de volgende stukken, tenzij in een voorziening anders is bepaald: een beschrijving van de activiteiten passend in de voorziening, waarvoor subsidie wordt aangevraagd; de doelstellingen en resultaten, die daarmee worden nagestreefd, en hoe de activiteiten aan dat doel bijdragen; een begroting voor de periode waarvoor subsidie wordt aangevraagd met daarin een overzicht van de geraamde inkomsten en uitgaven, voor zover deze betrekking hebben op de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd; een afschrift van het jaarverslag, de jaarrekening en de balans van de aanvrager over het kalenderjaar voorafgaand aan het schooljaar waarin de aanvraag wordt ingediend; documenten waaruit de hoogte van de bezoldiging van de bij de aanvrager werkzame topfunctionarissen, als bedoeld in de zin van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector, blijkt. 4.Bij de aanvraag van een voorziening in de vorm van subsidie verstrekt het schoolbestuur voor een school voor basisonderwijs in aanvulling op het derde lid informatie, waaruit blijkt: de hoogte van de vrijwillige ouderbijdrage die de school per leerling aan de ouder vraagt voor het schooljaar waarvoor de subsidieaanvraag wordt ingediend. hoe het bedrag aan vrijwillige ouderbijdrage in het schooljaar zoals bedoeld onder a. zal worden besteed; hoe de school ouders informeert over het vrijwillige karakter van de ouderbijdrage. Artikel6Aanvraag- en beslistermijn 1.Een aanvraag voor een voorziening of aanvullende voorziening wordt schriftelijk bij het college ingediend van 15 maart tot en met 15 mei voorafgaand aan het schooljaar waarvoor de voorziening of aanvullende voorziening wordt aangevraagd, tenzij in een voorziening anders is bepaald. Als door het college een aanvraagformulier is vastgesteld, wordt van dat formulier gebruik gemaakt. 2.Het college besluit binnen 12 weken na ontvangst van de volledige aanvraag of indien van toepassing na het verstrijken van een indieningsdatum over het verstrekken van een voorziening. Artikel7Weigeringsgronden 1.Het college weigert de voorziening of aanvullende voorziening indien: de gewenste voorziening geen voorziening is in de zin van deze verordening; de aanvraag om een voorziening niet uiterlijk op het daartoe vastgestelde tijdstip is ingediend. 2.Het college kan geheel of gedeeltelijk weigeren een voorziening te verlenen als: het schoolbestuur of de school niet voldoet aan de voorwaarden die zijn gesteld om voor een voorziening in aanmerking te komen; het schoolbestuur of de school doelen nastreeft, activiteiten ontplooit of handelingen verricht die in strijd zijn met het recht, het algemeen belang of de openbare orde; in geval de aanvraag een voorziening in de vorm van een subsidie betreft, de school voor basisonderwijs een vrijwillige ouderbijdrage vraagt die hoger is dan € 225,- per leerling; gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de te verlenen voorziening in de vorm van een subsidie niet of in onvoldoende mate zal worden besteed aan de activiteit waarvoor de subsidie is bedoeld; gegronde reden bestaat om aan te nemen dat het schoolbestuur of school niet de capaciteiten heeft om de activiteiten waarvoor de voorziening wordt verstrekt naar behoren uit te voeren; De aanvrager ook zonder subsidie over voldoende gelden, hetzij uit eigen middelen hetzij uit middelen van derden, kan beschikken om de activiteiten te realiseren; Een doublure ontstaat met activiteiten waarvoor de gemeente al subsidie verstrekt Het schoolbestuur niet voldoet aan de in de onderwijssector van aanvrager gebruikelijke code goed bestuur; gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de gevraagde voorziening in de vorm van een subsidie niet doelmatig zal worden besteed in verband met een bezoldiging door het schoolbestuur die hoger is dan de maximale bezoldiging als bedoeld in artikel 2.3. van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector. 3.Ineen voorziening kunnen in aanvulling op het eerste en tweede lid specifieke weigeringsgronden worden opgenomen. Artikel8Tijdvak Het college verleent een voorziening of een aanvullende voorziening voor het tijdvak van een schooljaar, tenzij in een voorziening anders is bepaald. Hoofdstuk3Verplichtingen schoolbestuur Artikel9Verplichtingen verbonden aan een voorziening in de vorm van een subsidie 1.Het schoolbestuur informeert het college zo spoedig mogelijk schriftelijk over: ontwikkelingen die er toe kunnen leiden dat de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, geheel of gedeeltelijk niet zullen worden verricht of aan de subsidieverlening verbonden voorwaarden of verplichtingen geheel of gedeeltelijk niet kunnen worden nagekomen; relevante wijzigingen in de financiële situatie of in de financiële of organisatorische verhouding met derden. 2.Vervreemding door het schoolbestuur van op basis van deze verordening verleende voorzieningen is niet toegestaan zonder toestemming van het college, tenzij sprake is van een overdracht van voorzieningen aan een ander schoolbestuur als gevolg van samenvoeging van het betreffende schoolbestuur met een ander schoolbestuur. 3.Het college kan het schoolbestuur de verplichting opleggen tot het indienen van een tussentijdse rapportage over de activiteiten en de daarmee verbonden uitgaven en inkomsten. 4. De subsidieontvanger richt zijn administratie zo in dat het college op elk moment inzicht kan worden geboden in de mate waarin de subsidieontvanger voldoet aan de aan de subsidieverstrekking verbonden verplichtingen. 5. De subsidieontvanger bewaart de administratieve gegevens gedurende ten minste vijf jaren na afloop van de datum van ontvangst van de beslissing tot vaststelling van de subsidie, tenzij het college hiervoor een langere termijn stelt. 6.Het schoolbestuur draagt er voor zorg dat hijzelf en/of de leiding van de school waarvoor hij subsidie ontvangt alle informatie verschaft en alle medewerking verleent aan door of namens de gemeente ingestelde onderzoeken samenhangend met de uitvoering van een of meerdere voorziening(en). 7.In een voorziening kunnen aanvullend op de in dit artikel opgenomen verplichtingen andere verplichtingen worden opgenomen. Artikel10Verplichtingen verbonden aan een voorziening in natura 1. Het schoolbestuur informeert het college zo spoedig mogelijk schriftelijk over ontwikkelingen die er toe kunnen leiden dat scholen geheel of gedeeltelijk geen gebruik kunnen maken van voorzieningen die in natura zijn verstrekt. 2. De voorschriften, zoals opgenomen in artikel 9 derde, vierde en zesde lid zijn eveneens van toepassing op de verlening van voorzieningen in natura. Hoofdstuk4Verantwoording en vaststelling van voorzieningen in de vorm van subsidie Artikel11Aanvraagtermijn vaststelling en verantwoording subsidies 1.De aanvraag tot vaststelling van een subsidie wordt schriftelijk binnen 12 weken na afloop van het gesubsidieerde tijdvak ingediend bij het college. Als door het college een aanvraagformulier is vastgesteld, wordt van dat formulier gebruikgemaakt. 2.Als het schoolbestuur over een tijdvak voor de onder zijn gezag vallende scholen meerdere subsidies ontvangt, vindt de aanvraag tot vaststelling van deze subsidies gelijktijdig en gezamenlijk plaats, tenzij in een voorziening anders is bepaald. 3.De aanvraag tot vaststelling van een subsidie bevat: een verslag per school waaruit blijkt dat de activiteiten waarvoor subsidie is verleend zijn verricht en waarin wordt aangegeven in hoeverre de beoogde doelstellingen en resultaten zijn gerealiseerd; een financieel verslag over de aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten per school voor zover deze voor de vaststelling van de subsidie van belang zijn; andere informatie voor zover bepaald in een voorziening. 4.Als de subsidieverlening hoger is dan € 250.000, is het schoolbestuur verplicht bij de aanvraag om vaststelling van de subsidie een controleverklaring in te dienen als bedoeld in artikel 4:78 van de Algemene wet bestuursrecht. 5.Als een schoolbestuur binnen één tijdvak van het college verschillende subsidies ontvangt van elk minder dan € 125.000, maar die tezamen meer bedragen dan € 250.000, is het schoolbestuur eveneens verplicht een controleverklaring te verstrekken als bedoeld in het vierde lid. 6.Het college kan op verzoek van het schoolbestuur in het kader van de aanvraag om vaststelling van de subsidie als bedoeld in het eerste lid, uitsluitend voor het indienen van de controleverklaring bedoeld in het vierde lid uitstel verlenen tot 20 weken na afloop van het gesubsidieerde tijdvak. Artikel12Vaststelling subsidie Het college stelt binnen acht weken na ontvangst van de volledige aanvraag tot subsidievaststelling de subsidie vast. Artikel13Betaling en verrekening 1.Het subsidiebedrag wordt overeenkomstig de beschikking tot subsidievaststelling binnen vier weken na de subsidievaststelling betaald. Indien een voorschot is verleend, wordt dit voorschot op het subsidiebedrag in mindering gebracht. 2.Het college kan een geldschuld, ontstaan op grond van toepassing van enige bepaling van deze verordening, verrekenen met een vordering van de subsidieontvanger op de gemeente. Hoofdstuk5Overige bepalingen Artikel14Toezichthouders 1.Het college kan toezichthouders aanwijzen die zijn belast met het toezicht op de naleving van de aan de subsidieontvanger opgelegde verplichtingen. 2.De toezichthouder beschikt niet over de bevoegdheden, vermeld in de artikelen 5:18 en 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht. Hoofdstuk6Slotbepalingen Artikel15Overgangsbepaling [vervallen] Artikel16Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening op het lokaal onderwijsbeleid Amsterdam 2019 Aldus besloten door de gemeenteraad voornoemdin zijn vergadering op 23 januari 2019.De voorzitterFemke HalsemaDe raadsgriffierMarijke Pe Toelichting bij de Verordening op het lokaal onderwijsbeleid Amsterdam 2019 Algemeen Wanneer de gemeente aan scholen ter ondersteuning van het onderwijs bovenop de rijksbekostiging extra middelen beschikbaar wil stellen, dan kan dit alleen op basis van een verordening. Deze verplichting is neergelegd in artikel 128 Wet op het primair onderwijs (Wpo), artikel 123 van de Wet op de expertise centra (Wec) en artikel 5.23 van de Wvo 2020. Gemeenten kunnen op geen andere basis aanvullende financiering verstrekken, aangezien in artikel 6 van de Wpo, artikel 6 van de Wec en artikel 5.1, eerste lid van de Wet op het voortgezet onderwijs 2020 (Wvo 2020) is aangegeven dat de gemeente geen uitgaven voor het onderwijs mag doen anders dan krachtens de wet. De kern van artikel 128 van de Wpo, artikel 123 van de Wec en artikel 5.23 van de Wvo 2020 wordt uitgedrukt in het tweede lid van deze artikelen, waar is bepaald dat bij de financiering van andere dan door de gemeente in stand gehouden scholen dezelfde maatstaf moet worden gebruikt, waarbij geen onderscheid mag worden gemaakt tussen openbaar en bijzonder onderwijs. Hier worden dus twee gelijkheidsprincipes naast elkaar gezet. In de eerste plaats de (bestuursrechtelijke) gelijke behandeling met betrekking tot subsidiëring van scholen die in gelijke omstandigheden verkeren. In de tweede plaats het constitutioneel rechtelijke beginsel van gelijke deugdelijkheid van openbaar en bijzonder onderwijs, welke is neergelegd in het zesde lid van artikel 23 Grondwet. Het begrip “dezelfde maatstaf”, dat verwijst naar het zevende lid van artikel 23 Grondwet, heeft daarmee dus een betekenis gekregen die in het algemene bestuursrecht gebruikelijk is.1 Het spoort ook met de algemene opvatting dat het zevende lid van artikel 23 Grondwet moet worden gezien als een nadere specificering van het zesde lid, in die zin dat de verzekering van gelijke deugdelijkheid van openbaar en bijzonder ook bij de overheidsfinanciering vooropstaat. Vgl. D. Mentink, B.P. Vermeulen, P.J.J. Zoontjens, Artikel 23, paragraaf 1, digitaal grondwetscommentaar, www.nederlandrechtsstaat.nl. Krachtens artikel 128 van de Wpo etc. kan de gemeente bijvoorbeeld besluiten om scholen met veel achterstandsleerlingen of die met bijzondere verkeersoverlast kampen bij het halen en brengen, financieel te ondersteunen. Dit kunnen uiteindelijk alléén openbare of bijzondere scholen zijn, of bepaalde openbare én bijzondere scholen, al naar gelang de feitelijke situatie en de criteria die bij subsidiëring worden aangelegd. Van belang is daarbij dat de criteria algemeen en objectief zijn en dat elke school die daaronder valt er in principe aanspraak op kan maken. De Verordening lokaal onderwijsbeleid Amsterdam 2019 (VloA 2019) vervangt de Verordening op het lokaal onderwijsbeleid in de gemeente Amsterdam uit 2014. Het belangrijkste verschil met de VloA 2014 is dat VloA 2019 geen schakelbepalingen heeft met de ASA 2013 en daardoor een volledige zelfstandige verordening is geworden. Daarnaast zijn de in de bijlage van de oude verordening opgenomen ruim 20 voorzieningen in elkaar geschoven in 6 afzonderlijke bijlages. Het gaat daarbij om: Bijlage 1 Voorzieningen in natura Hieronder vallen de volgende voorzieningen: Cultuurvouchers en basispakket cultuureducatie Schoolzwemmen Schooltuinprogramma en natuur- & milieueducatie Verkeereducatie Taal en ouderbetrokkenheid (TOB) Training deskundigheidsbevordering schoolveiligheid 2024 Bijlage 2 Voorzieningen voor aanvullende financiering personeel Hieronder vallen de volgende voorzieningen: Vakleerkracht cultuur Vakleerkracht bewegingsonderwijs Onderwijsondersteunend personeel Bijlage 3 Voorzieningen kansengelijkheid Hieronder vallen de volgende voorzieningen: Vroegschools aanbod Kansenaanpak primair onderwijs vanaf groep 3 Kansenaanpak voortgezet onderwijs Amsterdamse Familie School 2023-2027 Nieuwkomers Brede Brugklas Bonus (2023-2027) Bijlage 4 Voorzieningen behorende bij de Amsterdamse Lerarenagenda 2023-2027 Hieronder vallen de volgende voorzieningen: Tegemoetkoming in aanvulling op cao vergoede reiskosten Zij-instromers Sterke Schoolleider Overige voorzieningen Lerarenagenda 2023-2027 Bijlage 5 Materiële voorzieningen Vervallen Bijlage 6 Overige voorzieningen Hieronder vallen de volgende voorzieningen: Bevorderen van Burgerschap, diversiteit en gedeelde geschiedenis Hoogbegaafdheid Toelichting per artikel Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1 Begripsomschrijvingen De kans op een potentiele onderwijsachterstand, die leidend is bij het bepalen van een doelgroepleerling, wordt bepaald volgens een berekening aan de hand van de sociaaleconomische status (SES) van een leerling. Er zijn twee basisgegevens gebruikt voor de berekening van de SES, namelijk het ouderlijk opleidingsniveau en het huishoudinkomen 2 De Amsterdamse SES berekening wordt breder gebruik binnen de stad, namelijk als basis gebruikt door de stedelijke werkgroep kwetsbaarheid: https://www.ois.amsterdam.nl/nieuwsarchief/2019/kwetsbaarheidsscore-11-van-de-amsterdammers-meest-kwetsbaar. De SES-score ligt tussen de 2 en 10 en is een optelsom van de score op deze twee indicatoren. Leerlingen met een SES-score van 2 t/m 4 worden gedefinieerd als potentiële onderwijsachterstandsleerlingen. Leerlingen geregistreerd als statushouders zijn toegevoegd aan de groep leerlingen met een potentiële onderwijsachterstand Artikel 2 Reikwijdte verordening en bevoegdheid college Dit artikel regelt enerzijds de reikwijdte van de verordening en anderzijds de bevoegdheid van het college. Het artikel bepaalt dat de VloA 2019 bestaat uit een algemeen deel en een aantal hoofdstukken, waarin de voorzieningen nader worden geregeld en waarin van het algemene deel kan worden afgeweken. Voorts bepaalt het tweede lid dat het college een voorziening kan verstrekken in de vorm van het feitelijk beschikbaar stellen van een voorziening in natura of in de vorm van een subsidie. Artikel 3 Aanvullende voorziening Om snel op nieuwe ontwikkelingen in te kunnen spelen geeft de VloA 2019 het college de bevoegdheid om de VloA 2019 tijdelijk uit te breiden met een aanvullende voorziening. Deze aanvullende voorziening kan nadat hij in werking is getreden, direct worden aangevraagd door de schoolbesturen. De tijdelijke aanvullende voorziening dient nog wel bevestigd te worden door de gemeenteraad, waarna deze voorziening als wijziging dient te worden toegevoegd als voorziening aan de VloA 2019. Artikel 4 Subsidieplafond In de Awb zijn in de artikelen 4:25 tot en met 4:28 de belangrijkste bepalingen rondom het werken met een ‘subsidieplafond' gegeven.Een subsidieplafond moet schoolbesturen en scholen duidelijkheid bieden over hoeveel geld er voor een bepaalde voorziening die in de vorm van subsidie wordt verstrekt, beschikbaar is. Uit het oogpunt van rechtszekerheid verlangt de Awb dat het subsidieplafond tijdig bekend wordt gemaakt. Uit artikel 4:26 in samenhang gelezen met artikel 4:27 Awb volgt dat het subsidieplafond bekend moet worden gemaakt vóór de openstelling van de aanvraagtermijn en derhalve voorafgaand aan de periode waarop de subsidie betrekking heeft. Als het subsidieplafond tijdig bekend is gemaakt, dan kunnen subsidieaanvragen zonder nadere motivering worden afgewezen op het moment dat het subsidieplafond bereikt is (artikel 4:25, tweede lid). Als het subsidieplafond niet tijdig bekend is gemaakt, dan heeft het subsidieplafond geen gevolgen voor de aanvragen die vóór de bekendmaking zijn ingediend (artikel 4:27, tweede lid). De gemeenteraad stelt voor zover het niet om openeinde regelingen gaat, in de voorzieningen het subsidieplafond voor het eerste subsidietijdvak vast. Als zo’n voorziening meerdere schooljaren doorloopt, wordt de bevoegdheid om de hoogte van het plafond vast te stellen overgedragen aan het college. Belangrijk is de wettelijke verplichting geregeld in artikel 4:26 Awb om de wijze van verdeling van de beschikbare bedragen bij of krachtens wettelijk voorschrift te regelen. Bij de VloA 2019 wordt de verdeelsystematiek altijd opgenomen in de voorzieningen zelf. De meest eenvoudige vorm is een verdeelmechanisme van de behandeling van aanvragen op volgorde van binnenkomst. (zie ook artikel 6 van de VloA 2019). Een andere vorm is een tendersysteem, waarbij het beschikbare budget wordt verdeeld over complete aanvragen door middel van een onderlinge vergelijking van de aanvragen. De beste aanvragen komen daarbij voor subsidie in aanmerking. Van belang bij dit systeem is dat helder is voor de schoolbesturen en scholen op basis van welke meestal kwalitatieve criteria de aanvragen worden getoetst en in rangorde worden gezet en dat rangschikking geschiedt met behulp van een puntentelling. Hoofdstuk 2 Aanvraagprocedure en weigeringsgronden Artikel 5 Indiening aanvraag In het eerste lid is bepaald dat een voorziening alleen kan worden aangevraagd door een schoolbestuur voor een onder zijn gezag vallende school. Hier kan van worden afgeweken als dit in de voorziening of aanvullende voorziening is geregeld. In het tweede lid van artikel 5 is bepaald welke gegevens het schoolbestuur in ieder geval dient op te nemen in de aanvraag voor een school. In het derde lid is opgenomen welke gegevens daarnaast in verband met een subsidieaanvraag dienen te worden overgelegd. In de voorziening zelf kan worden bepaald dat deze informatie verder moet worden aangevuld met andere stukken. In het vierde lid is opgenomen welke informatie een schoolbestuur voor een school in het basisonderwijs in aanvulling op het derde lid dient te verstrekken over de vrijwillige ouderbijdrage die een school aan ouders vraagt. Artikel 6 Aanvraag en beslistermijn Het eerste lid bepaalt dat een aanvraag voor subsidie uitsluitend schriftelijk kan worden ingediend. De aanvraagperiode loopt van 1 maart tot en met 30 april voorafgaand aan het schooljaar waarvoor een aanvraag wordt ingediend. In een voorziening kan van deze aanvraagtermijn worden afgeweken en kan er gekozen worden van een van een schooljaar afwijkend subsidietijdvak. Artikel 7 Weigeringsgronden Voor zover een voorziening in de vorm van subsidie wordt verstrekt, worden de algemeen geldende weigeringsgronden, zoals opgenomen in artikel 4:35 Awb met nadere, op de gemeentelijke praktijk toegesneden gronden aangevuld. De genoemde weigeringsgronden zijn, indien uit de redactie van de bepaling niet blijkt dat ze uitsluitend betrekking hebben op subsidie, ook van toepassing op aanvragen voor voorzieningen in natura. Het eerste lid bevat twee imperatieve weigeringsgronden, in het tweede lid wordt het college enige vrijheid geboden om een aanvraag op basis van de daarin genoemde gronden al dan niet (gedeeltelijk) te honoreren. In de eerste weigeringsgrond van het eerste lid onder a. wordt tot uitdrukking gebracht dat het college een aanvraag dient te weigeren die valt buiten de reikwijdte van de VloA 2019. De weigeringsgrond onder b geeft aan dat het vaststellen van een tijdstip waarop een aanvraag uiterlijk moet zijn ingediend geen ruimte laat om na dat tijdstip alsnog een aanvraag te kunnen indienen. De in het tweede lid opgenomen facultatieve weigeringsgronden richten zich in de eerste plaats op de situatie dat de aanvrager niet voldoet aan de voorwaarden om voor de voorziening in aanmerking te komen, zoals die in de VloA 2019 of de (aanvullende) voorzieningen zijn gesteld (a). Daarnaast kan de voorziening worden geweigerd als twijfel bestaat over het doel van de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd (b). Deze weigeringsgrond biedt bovendien de mogelijkheid om de voorziening te weigeren als het schoolbestuur handelingen verricht die in strijd zijn met het recht, het algemeen belang of de openbare orde. Onder strijd met het recht wordt daarbij niet alleen strijd met de Grondwet, wetten in formele zin en lagere regelgeving bedoeld, maar ook strijd met het recht van de Europese Unie, een ieder verbindende verdragsbepalingen en algemene rechtsbeginselen. De weigeringsgrond biedt dus bijvoorbeeld ook de mogelijkheid om de voorziening te weigeren als de aanvrager de Algemene wet gelijke behandeling niet naleeft of zich in verband met subsidie schuldig maakt aan het bedreigen of intimideren van wethouders en ambtenaren. Verder kan de subsidie worden geweigerd als de school een vrijwillige ouderbijdrage per leerling vraagt die hoger is dan het bedrag dat de gemeenteraad hiervoor als maximaal aanvaardbaar acht (c). Het gaat daarbij om een bedrag van € 225 per leerling per schooljaar. Hoewel volgens artikel 40 van de Wpo de ouderbijdrage vrijwillig is en ouders dus geen afdwingbare betalingsplicht hebben, is de praktijk toch vaak dat door bepaalde ouders geen vrijwilligheid wordt ervaren. Voor deze weigeringsgrond vormt artikel 23, zevende lid van de Grondwet de basis. Uit dit wettelijk voorschrift volgt impliciet dat het leerplichtig onderwijs (PO, VO en (V)SO) volledig door de overheid bekostigd wordt. Ook de internationale verdragen gaan daarvan uit. Artikel 13, tweede lid, onder a van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten en artikel 28, eerste lid, onder a van het Internationale verdrag voor het kind verplichten de staten tot het gratis beschikbaar stellen van het voornoemde onderwijs. Scholen mogen voor dit bekostigde onderwijs geen geldelijke bijdrage van ouders vragen. Een hogere ouderbijdrage die wordt ingezet voor het onderwijs op een school, ziet de gemeenteraad als een vorm van private financiering die in het publiek bekostigde onderwijs niet past. De vrijwillige ouderbijdrage is bedoeld voor extra activiteiten die geen onderdeel uitmaken van het verplichte lesprogramma, zoals schoolreisjes, vieringen, excursies. Een bijdrage voor de tussenschoolse opvang bij scholen zonder continurooster valt hier niet onder. De gemeente ziet een hoge ouderbijdrage als een drempel voor ouders om hun kind aan te melden voor een school, waardoor onder andere segregatie in de hand wordt gewerkt. Beleid Het college zal de weigeringsgrond toepassen door alle subsidies, met uitzondering van de subsidie voor Nieuwkomersgroepen 3 Artikel 6.3, tweede lid van Bijlage 3 Voorzieningen Kansengelijkheid van VloA 2019 en de subsidie voor Tegemoetkoming voor schoolgebouwen met overdimensionering en voor schoolgebouwen in de fijnstofzone 4 Hoofdstuk 2 van Bijlage 5 Materiële voorzieningen van VloA 2019 , volledig te weigeren voor basisscholen die een vrijwillige ouderbijdrage vragen die hoger ligt dan €225,- per leerling. De uitzondering voor de voorziening Nieuwkomersgroepen geldt, omdat dit onderwijs door een schoolbestuur namens andere schoolbesturen het nieuwkomers onderwijs in één van zijn basisscholen organiseert. Het gaat daarbij om leerlingen van verschillende basisscholen. De uitzondering voor de voorziening Tegemoetkoming voor schoolgebouwen met overdimensionering en voor schoolgebouwen in de fijnstofzone 5 Hoofdstuk 2 van Bijlage 5 Materiële voorzieningen van VloA 2019 geldt omdat dit onderwijshuisvesting betreft wat een wettelijke taak is van de gemeente Amsterdam. De subsidie kan verder worden geweigerd als het onduidelijk is of de subsidie wel zal worden besteed waarvoor deze is bedoeld (d en e). Daarnaast kan de subsidie deels worden geweigerd als twijfel bestaat of de aanvrager de subsidie wel nodig heeft (f). Hierbij kan bijvoorbeeld de vermogenspositie van een schoolbestuur in ogenschouw genomen worden. Ook kan het gaan om een bijdrage van derden, waarmee een school extra onderwijspersoneel aanstelt, waarvoor de gemeente juist een voorziening in het leven heeft geroepen. Bijvoorbeeld een extra gymleerkracht of cultuurdocent. Verder kan het gaan om een doublure met activiteiten waarvoor de gemeente al subsidie verstrekt (
- g)De onderdelen h. en i. tenslotte bevatten bijzondere weigeringsgronden. Een voorziening kan worden geweigerd indien het schoolbestuur niet voldoet aan de in de op hem van toepassing zijnde onderwijssector gebruikelijke code goed bestuur. Deze door de PO-Raad en VO-Raad opgestelde regels voor goed bestuur dienen door het schoolbestuur te worden nageleefd (e). De Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT), die op 1 januari 2013 in werking is getreden, beoogt de beloning van topfunctionarissen van (semi)publieke instellingen tot een maatschappelijk aanvaardbaar niveau te maximeren. Omwille van deze, wenselijk geachte, beheerste bezoldiging van topfunctionarissen kan op grond van de WNT onder meer worden ingegrepen in salarisafspraken. De minister is daarbij de eerst aangewezen bestuurder. Artikel 8, tweede lid onder g. van de VloA 2019 sluit weliswaar aan bij de bezoldigingsnormen uit de WNT, maar de achtergrond en de reikwijdte van punt g. zijn uitdrukkelijk anders. Het gaat in de verordening niet om een gewenste maximering van de bezoldiging van topfunctionarissen van (semi)publieke instellingen maar om een doelmatige en effectieve besteding van de beschikbare subsidiegelden bij alle onderwijsinstellingen die bij de gemeente een aanvraag om subsidie indienen. De VloA 2019 verbiedt niet dat schoolbestuur hogere (ontslag)-vergoedingen overeenkomt dan de normen die zijn neergelegd in de WNT, maar maakt wel mogelijk dat het college de gevraagde subsidie weigert als blijkt dat hogere vergoedingen zijn of worden overeengekomen. Uitbetaling van dergelijke hoge (ontslag)vergoedingen kan immers ten koste gaan van het doel waarvoor de subsidie wordt verleend. Als het schoolbestuur honoraria betaalt die de WNT-normen overschrijden, rijst de vraag of subsidiegelden wel doelmatig en effectief worden besteed en of deze gelden wel voldoende ten goede komen aan de activiteiten van de subsidieontvanger. Het is dan ook noodzakelijk dat het college bij de beslissing over de subsidieverlening een afweging kan maken of de bezoldigingskosten van de organisatie in verhouding staan tot de activiteit en de daarvoor gevraagde voorziening. Wanneer dat niet het geval is, kan het college de subsidie geheel of gedeeltelijk weigeren. Hetzelfde geldt als het een uitkering betreft wegens de beëindiging van een dienstverband. Artikel 8 Tijdvak Anders dan te doen gebruikelijk bij subsidies, wordt bij de VloA 2019 niet gewerkt met kalenderjaren, maar met schooljaren. Er zijn altijd uitzonderingen mogelijk, bijvoorbeeld de Voorziening Schooltuinprogramma en Natuur- & milieueducatie in verband met de zaai en oogstperiode. Hoofdstuk 3 Verplichtingen schoolbestuur Artikel 9 Verplichtingen verbonden aan een voorziening in de vorm van subsidie De Awb regelt in de artikelen 4:37 en 4:38 de standaardverplichtingen respectievelijk overige doelgebonden verplichtingen. De standaardverplichtingen zijn in de wet niet limitatief opgesomd; de overige doelgebonden verplichtingen worden ofwel bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegd ofwel -als geen sprake is van een subsidie die op een wettelijk voorschrift berust- bij de subsidieverlening. Artikel 9 bevat in aanvulling op de bepalingen van de Awb een aantal verplichtingen waaraan iedere subsidieontvanger, voor zover op hem van toepassing, moet voldoen. In de voorzieningen en bij het verlenen van de subsidie kunnen nog aanvullende verplichtingen worden opgenomen, die verband houden met het doel van de subsidie. Het eerste lid bepaald dat het schoolbestuur het college zo spoedig mogelijk (zonder nodeloos tijdsverloop) meldt dat de gesubsidieerde activiteit niet, niet tijdig, niet geheel of niet volgens alle daaraan verbonden verplichtingen zal worden verricht. In dat geval zal de subsidie lager of op nihil worden vastgesteld of zullen nadere afspraken worden gemaakt over het aanpassen van de verplichtingen, bijvoorbeeld het geven van meer tijd voor de uitvoering van de activiteiten. Met het tweede lid wordt voorkomen dat bepaalde aan een schoolbestuur toegekende voorzieningen worden vervreemd door het schoolbestuur zonder dat toestemming van het college is verkregen. Uitzondering wordt gemaakt voor een bestuursoverdracht. Bij een bestuursoverdracht vindt formeel ook een vervreemding van de voorzieningen plaats. Hiervoor is echter geen toestemming van het college noodzakelijk. Bij middelgrote en grote subsidies komt het af en toe voor dat de subsidieverstrekker tussentijds op de hoogte wil blijven van de ontwikkeling van de activiteiten en de financiën. Omdat het opleggen van de verplichting tot het indienen van een tussentijdse rapportage als een relatief zware verplichting kan worden beschouwd, waarvoor de subsidieontvanger het nodige werk moet verrichten, is deze bepaling in het derde lid aan de verordening toegevoegd. Het vierde lid geeft het college de bevoegdheid het schoolbestuur en de leiding van de school te verplichten mee te werken aan door of namens het college, waaronder de Rekenkamer, uitgevoerd onderzoek. De subsidieontvanger verschaft daartoe de benodigde documenten. Het college kan, door gebruik te maken van deze bevoegdheid, onderzoek doen naar de doelmatigheid en de rechtmatigheid van de besteding van de door haar verstrekte subsidies. Het vijfde lid geeft aan dat schoolbestuur verplicht is mee te werken aan het opnemen van de verantwoording over de besteding van verstrekte subsidiegelden in het openbaar subsidieregister van de gemeente Amsterdam. Artikel 10 Verplichtingen verbonden aan een voorziening in natura In het eerste lid is opgenomen dat het schoolbestuur het college zo spoedig mogelijk informeert over situaties, waardoor een school geen of in mindere mate gebruik zal maken van een voorziening in natura. In het tweede lid is opgenomen, welke verplichtingen van artikel 10 ook van toepassing zijn op verstrekkingen in natura. Het gaat daarbij om het verstrekken van tussentijdse rapportage, om de informatieplicht en de plicht om mee te werken aan onderzoeken die namens de gemeente worden verricht. Hoofdstuk 4 Verantwoording en vaststelling van voorzieningen in de vorm van subsidie Artikel 11 Aanvraagtermijn vaststelling en verantwoording subsidies Artikel 11 regelt op de eerste plaats dat een aanvraag om vaststelling van een subsidie binnen twaalf weken na afloop van het gesubsidieerde tijdvak dient plaats te vinden. Verder regelt dit artikel op welke wijze het schoolbestuur de aan hem verleende subsidie aan het college dient te verantwoorden. Artikel 4:37 Awb bepaalt dat de wijze van verantwoording al bij het besluit tot verlening van de subsidie aan de ontvanger bekendgemaakt kan worden door het opleggen van verplichtingen ter zake. Evenals bij de aanvraag tot verlening van een subsidie kunnen ook voor de indiening van een aanvraag tot vaststelling van een subsidie formulieren worden voorgeschreven. Het tweede lid schrijft voor dat een schoolbestuur een aanvraag tot vaststelling van de subsidies voor de onder zijn gezag vallende scholen gelijktijdig en gezamenlijk indient. Het derde lid bepaalt dat het schoolbestuur moet aantonen dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn uitgevoerd en dat moet worden ingegaan op de mate waarin de beoogde doelstellingen en resultaten zijn gerealiseerd. Dit volgt ook uit het eerste lid van artikel 4:45 Awb. Daar is geregeld dat bij de aanvraag tot subsidievaststelling moet worden aangetoond dat de activiteiten hebben plaatsgevonden en dat dit ook volgens de aan de subsidie verbonden verplichtingen is gebeurd. Verder is bepaald dat bij de aanvraag tot subsidievaststelling rekening en verantwoording moet worden afgelegd over de aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten. In het vierde lid is geregeld dat een controleverklaring dient te worden verstrekt indien de subsidieverlening hoger is dan € 125.000. Het vijfde lid maakt het mogelijk om een controleverklaring te vragen als een subsidieaanvrager van het college binnen een gesubsidieerd tijdvak verschillende subsidies ontvangt die tezamen de grens van € 125.000 overschrijden. Het zesde lid geeft de mogelijkheid aan het college om op verzoek van een schoolbestuur in het kader van de aanvraag om vaststelling van de subsidie, uitsluitend voor het indienen van de controleverklaring uitstel te verlenen tot 20 weken na afloop van het gesubsidieerde tijdvak. Het inhoudelijk en het financieel verslag daarentegen moeten wel binnen twaalf weken bij de gemeente binnen zijn. Artikel 12 Vaststelling subsidie In dit artikel is geregeld binnen welke termijn het college besluit ter zake van de vaststelling van een subsidie. Een termijn van acht weken wordt redelijk geacht, zeker nu deze nog met een periode kan worden verlengd op grond van de Awb in gevallen waarin de beoordeling meer tijd vraagt. Uit artikel 4:5 Awb volgt dat de termijn pas aanvangt als de aanvraag compleet is. Artikel 13 Betaling en verrekening In aanvulling op de toepasselijke bepalingen in de Awb (zie o.a. de artikelen 4:52 en 4:95) bepaalt het eerste lid dat betaling van het subsidiebedrag binnen vier weken na de subsidievaststelling plaatsvindt. Als het hele subsidiebedrag al door middel van voorschotten is uitgekeerd dan wordt de betaling op nihil gesteld. Art. 4:93 Awb biedt de mogelijkheid om een geldschuld te verrekenen met een bestaande vordering mits in de bevoegdheid daartoe bij wettelijk voorschrift is voorzien. Het tweede lid van artikel 15 beoogt aan dit vereiste te voldoen. In het derde lid van artikel 4:57 Awb is reeds geregeld dat geldschulden kunnen worden verrekend met subsidies die aan dezelfde subsidieontvanger voor dezelfde activiteiten voor een ander tijdvak zijn verstrekt. Als over het jaar X subsidie wordt teruggevorderd kan dit dus bijvoorbeeld worden verrekend met de subsidie voor dezelfde activiteiten over het jaar X+1. In de VloA 2019 wordt de mogelijkheid geboden om subsidies die worden teruggevorderd ook met andere vorderingen te verrekenen, zoals vorderingen die uit subsidies voor andere activiteiten voortvloeien of vorderingen op grond van de Wet dwangsom. Hoofdstuk 5 Overige bepalingen Artikel 14 Toezichthouders Krachtens afdeling 5.2 van de Awb hebben toezichthouders een aantal bevoegdheden zoals het betreden van plaatsen (met uitzondering van woningen zonder de toestemming van de bewoner), het vorderen van inlichtingen en het vorderen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden. De bevoegdheden van de artikelen 5:18 en 5:19 Awb (het doorzoeken van voertuigen en andere zaken) zijn hier uitgezonderd omdat hieraan bij subsidies zelden behoefte bestaat. Is een dergelijke bevoegdheid toch nodig dan moet dat in een bijzondere subsidieverordening worden geregeld. Artikel 15 Overgangsbepaling [vervallen] Artikel 26 Citeertitel [vervallen] Verordening op het lokaal onderwijsbeleid Amsterdam 2019 Bijlage1:Voorzieningen in natura Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Soort voorzieningen Deze bijlage betreft de volgende voorzieningen: cultuureducatie; schoolzwemmen; schooltuinprogramma en natuur- & milieueducatie; verkeerseducatie. taal en ouderbetrokkenheid (TOB). Training deskundigheidsbevordering schoolveiligheid 2024. Jongerenwerk in scholen; High Dosage Tutoring. Artikel 1.2 Toepasselijkheid VloA 2019 Het algemeen deel van de VloA 2019 is van toepassing, tenzij daarvan in een voorziening in deze bijlage uitdrukkelijk wordt afgeweken. Artikel 1.3 Begripsomschrijvingen In deze bijlage wordt verstaan onder: voorziening: voorziening die bestaat uit verstrekkingen in natura. Hoofdstuk 2 Voorziening Cultuureducatie Artikel 2.1 Begripsomschrijvingen In deze voorziening wordt verstaan onder: Cultuureducatie: onderwijs op het gebied van de volgende disciplines: beeldende vorming; cultureel erfgoed dans; drama; kunstgeschiedenis; media en letteren; muziek. School: hoofdvestiging of nevenvestiging van een nader in deze voorziening te benoemen soort school op het grondgebied van de gemeente Amsterdam; vmbo: voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs; (v)so: (voortgezet) speciaal onderwijs. Artikel 2.2 Doel van de voorziening Het doel van de voorziening Cultuureducatie is om alle leerlingen van de Amsterdamse scholen voor basisonderwijs, (v)so en de eerste twee leerjaren van zowel het VMBO als het praktijkonderwijs een aanbod cultuureducatie van hoog niveau aan te bieden, waarbij gebruik wordt gemaakt van de culturele instellingen die gevestigd zijn in Amsterdam. Artikel 2.3 Voorziening De voorziening bestaat uit de volgende afzonderlijke verstrekkingen in natura: een algemeen deel dat beschikbaar is voor alle scholen voor basisonderwijs, (v)so en de eerste twee leerjaren van zowel het vmbo als praktijkonderwijs, bestaande uit: cultuurvouchers , die per schooljaar besteed kunnen worden aan cultuureducatieve activiteiten ter waarde van: € 25 per leerling van een basisschool of van de eerste twee leerjaren van het vmbo of het praktijkonderwijs; € 75,-per leerling van een school voor (v)so of speciaal basisonderwijs; maximaal 8 retourritten per leerling gedurende de schoolperiode op een school voor basisonderwijs of (v)so voor het bezoeken van culturele instellingen met de cultuurbus; inhoudelijk ondersteuning door Mocca voor muziek, beeldende vorming, cultureel erfgoed en andere kunstdisciplines bij de ontwikkeling van doorgaande leerlijnen en school specifieke activiteiten; een bijzonder deel bestaande uit een vakdocent muziek voor maximaal 13 uur per schooljaar per deelnemende groep, uitsluitend bestemd voor scholen voor basisonderwijs en (v)so vanaf groep 3, waarvan de aanvragen niet zijn geweigerd op grond van artikel 2.6. Artikel 2.4 Wijze van aanvraag en aanvraagdatum In afwijking van artikel 6, eerste lid van de VloA 2019 wordt per schooljaar een aanvraag ingediend voor: cultuurvouchers als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid onder a en tweede lid bij Voucherbeheer Amsterdam; het aanbod zoals bedoeld in artikel 2.3, onder ii en iii, via de website van Mocca: Externe link: www.mocca-amsterdam.nl. Het schoolbestuur machtigt de schooldirecteur voor het doen van aanvragen in het kader van deze voorziening. Artikel 2.6 Bij de aanvraag in te dienen gegevens In aanvulling op artikel 5, tweede lid van de VloA 2019 wordt bij een aanvraag voor het bijzondere deel van de verstrekking als bedoeld in artikel 2.3, onder b, per school de volgende informatie verstrekt: het cultuureducatiebeleidsplan, waarin wordt beschreven; de visie van de school op het gebied van cultuureducatie; welke doelen de school daarmee wil bereiken; een beschrijving van de doorlopende leerlijn op het terrein van cultuureducatie, waaruit blijkt hoeveel lessen cultuureducatie per week per groep of klas worden gegeven, welke lessen op locatie worden gevolgd en wat de samenhang is met de lessen op school; of op de school een interne coördinator cultuureducatie of leerkracht met cultuurtaken aanwezig is, wat zijn taken zijn en voor hoeveel uren per week; hoe een school in het schooljaar voorafgaande aan het tijdvak waarvoor de aanvraag is ingediend, uitvoering heeft gegeven aan deskundigheidsbevordering op het gebied van cultuureducatie van groepsleerkrachten. 2.7 Weigeringsgronden vakdocent muziek In aanvulling op artikel 7, tweede lid, van de VloA 2019 kan het college het bijzondere deel van de verstrekking als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid en onder c. weigeren als : een schoolbestuur geen cultuureducatieplan heeft verstrekt bij de aanvraag, dan wel een cultuureducatieplan met een naar het oordeel van het college onvoldoende inhoudelijke beschrijving van de onderdelen i. tot en met iii als bedoeld in artikel 2.5, onder punt a.; een schoolbestuur de voor zijn school genormeerde Rijksvergoeding voor cultuureducatie niet volledig voor deze onderwijssoort heeft ingezet; op een school onvoldoende coördinatie-uren per week worden ingezet voor cultuureducatie, blijkend uit een inzet van minder dan: 2 uur per week bij kleine scholen (< 200 leerlingen); 3 uur per week bij middelgrote scholen (200-600 leerlingen); 4 uur per week bij grote scholen (> 600 leerlingen). Hoofdstuk 3 Voorziening schoolzwemmen Artikel 3.1 Begripsomschrijvingen In deze regeling wordt verstaan onder: school: hoofdvestiging of nevenvestiging van een school voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, of speciaal onderwijs op het grondgebied van de gemeente Amsterdam. Artikel 3.2 Doel van de Voorziening Het doel van deze voorziening is dat zo veel mogelijk kinderen een zwemdiploma halen waardoor maximaal wordt bijgedragen aan de doelstelling dat van alle kinderen in Amsterdam die de scholen voor het basisonderwijs verlaten tenminste 95% in het bezit is van een A-diploma. De in het eerste lid genoemde doelstelling is tevens van toepassing op leerlingen van een school voor speciaal onderwijs, voor zover die een school bezoeken die valt onder categorie 3, zoals bepaald in artikel 3.3, derde lid. Artikel 3.3 Voorzieningen De voorziening voor leerlingen van het basisonderwijs bestaat uit: 36 zwemlessen van 45 minuten voor leerlingen in groep 5 die nog niet in het bezit zijn van een A-diploma bij aanvang van het schoolzwemmen; 18 zwemlessen van 45 minuten voor leerlingen in groep 5 die bij aanvang van het schoolzwemmen al in het bezit zijn van het A-diploma, zodat zij de gelegenheid krijgen het B- of C-diploma te halen. De voorziening voor leerlingen van het speciaal basisonderwijs bestaat uit: maximaal 36 zwemlessen van 45 minuten. Deelname staat tenminste één jaar open voor de leerlingen in groep 3 tot en met 8. Vanaf het moment dat leerlingen het A-diploma hebben gehaald krijgen ze niet meer de gelegenheid om in het volgend schooljaar deel te nemen. De voorziening voor leerlingen van het speciaal onderwijs bestaat uit 36 lessen per jaar van 45 minuten, waarbij de volgende onderverdeling is gemaakt in drie categorieën scholen: Categorie 1: pedologische instituten, scholen voor langdurig zieke kinderen en scholen voor zeer moeilijk lerende kinderen. Jaarlijks staat deelname open voor maximaal 70% van het aantal kinderen in de groepen 3 tot en met 8 (teldatum 1 oktober t-1). Categorie 2: scholen voor dove en slechthorende kinderen, scholen voor kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden, scholen voor visueel gehandicapte kinderen en scholen voor geïntegreerd speciaal onderwijs. Jaarlijks staat deelname open voor maximaal 50% van het aantal kinderen in de groepen 3 tot en met 8 (teldatum 1 oktober t-1). Categorie 3: scholen voor zeer moeilijk opvoedbare kinderen. Deelname staat tenminste één jaar open voor de leerlingen in de groepen 3 tot en met 8. Vanaf het moment dat leerlingen het A-diploma hebben gehaald krijgen ze niet meer de gelegenheid om in het volgend schooljaar deel te nemen. Het vervoer van school naar het zwembad en terug voor zover de school op meer dan 1 kilometer afstand hemelsbreed is gelegen van het zwembad. Artikel 3.4 De aanvraag In afwijking van artikel 6, eerste lid van de VloA 2019 kan een schoolbestuur ten behoeve van één of meerdere onder zijn gezag vallende scholen per schooljaar een aanvraag voor schoolzwemmen indienen binnen de genoemde termijn op het daartoe voorgeschreven specifieke inschrijfformulier. Het schoolbestuur machtigt hiertoe de schooldirecteur. Artikel 3.5 Verplichtingen Naast de verplichtingen op grond van artikel 10 van de VloA 2019, zijn aan de voorziening de volgende verplichtingen verbonden: De school beschikt over een ondertekend protocol schoolzwemmen en de begeleidende groepsleerkrachten zijn op de hoogte van de inhoud van het protocol. De school draagt er zorg voor dat de begeleidende groepsleerkrachten aanwezig zijn bij de informatiebijeenkomst voorafgaand aan de start van het schoolzwemmen. Het schoolbestuur draagt ervoor zorg voor dat de school optimaal gebruik maakt van de voorziening. Bij meer dan twee lessen verzuim door een groep zonder een naar het oordeel van het college geldige reden, is het schoolbestuur verplicht de kosten van een verzuimde les aan het college te vergoeden. De school werkt mee aan de inventarisatie van het zwemdiplomabezit in de groepen 3 tot en met 8. Hoofdstuk 4 Voorziening Schooltuinprogramma en Natuur- & milieueducatie Artikel 4.1 Begripsomschrijvingen In deze regeling wordt verstaan onder: Natuur- & Milieueducatiegids (NMEgids) een digitale gids voor het vinden en reserveren van NME activiteiten en lesmaterialen; school: school voor basisonderwijs. Artikel 4.2 Doel van de Voorziening Het doel van deze voorziening is dat iedere leerling van een school voor basisonderwijs praktische kennis en ervaring opdoet met tuinieren en ecologie ter stimulering van een gezonde levensstijl en een duurzame en evenwichtige relatie met de natuurlijke omgeving. Artikel 4.3 Voorziening De voorziening bestaat uit de volgende verstrekkingen in natura: Het schooltuinprogramma wordt uitgevoerd in een kalenderjaar en vangt aan halverwege groep 6 van een basisschool of een qua niveau vergelijkbare groep van een school voor speciaal basisonderwijs, of een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs; Het programma bestaat uit de volgende onderdelen: ter inleiding vanaf januari drie natuurlessen in het leslokaal op een schooltuin; van april tot en met oktober wekelijkse praktijklessen, inhoudende het planten, verzorgen en oogsten van verschillende gewassen variërend van groenten, bloemen en kruiden op een eigen tuintje en verwerken van deze gewassen; ter afronding in het najaar twee natuurlessen in het leslokaal op een schooltuin; Touringcarvervoer of een vergoeding van de kosten van openbaar vervoer naar of van de schooltuin, indien de deelnemende school op meer dan 1,4 km hemelsbreed van de schooltuin ligt; Gebruik van de digitale Amsterdamse NME-Gids; Tenminste één educatieve activiteit uit het programma Natuurlessen & Boerderijeducatie (exclusief vervoer) per groep in leerjaar 1,2,3,4,5 en 8 van een basisschool of een qua niveau hiermee vergelijkbare groep van een school voor speciaal basisonderwijs of een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs of een kopklas. Artikel 4.4 Tijdvakken waarvoor de activiteiten worden verstrekt In afwijking van artikel 8 van de VloA 2019 wordt het schooltuinprogramma per kalenderjaar beschikbaar gesteld. De digitale NME-Gids en deelname aan activiteiten uit het programma Buitenlessen & Boerderijeducatie worden per schooljaar beschikbaar gesteld. Artikel 4.5 Aanvraag en groepsgrootte In afwijking van artikel 6, eerste lid, van de VloA 2019 kan een schooldirecteur, contactpersoon of leerkracht via: www.nmegids.nl/amsterdam aanmelden: tot 30 september één of meerdere groepen als bedoeld in artikel 4.3 onder a. van zijn school voor het schooltuinprogramma voor het daaropvolgende kalenderjaar; vanaf 1 mei en uiterlijk tot de roosters vol zijn, een of meerdere groepen als bedoeld in artikel 4.3onder e. van zijn school voor educatieve activiteiten uit het programma Buitenlessen & Boerderijeducatie voor het daaropvolgende of lopende schooljaar. De maximale groepsgrootte is 32 leerlingen, boven dat aantal wordt een groep gesplitst. Artikel 4.6 Verplichtingen Naast de verplichtingen op grond van artikel 10 van de VloA 2019 zijn aan de voorziening de volgende verplichtingen verbonden: Na afloop van de lessenserie als bedoeld in artikel 4.3 onder a. en e. vullen groepsleerkrachten het evaluatieformulier in; De groepsleerkracht is aanwezig in de groep tijdens de lessen en draagt zorg voor voldoende (ouder)begeleiding; De groepsleerkracht blijft tijdens de lessen en het vervoer van en naar de les, verantwoordelijk voor de leerlingen; Het afzeggen van een les dient ten minste 2 weken van tevoren doorgegeven te worden aan de contactpersoon van de schooltuin wanneer dit het schooltuinprogramma betreft, en voor het overige door het maken van een annulering via de digitale NME-Gids. Het schoolbestuur draagt ervoor zorg voor dat de school optimaal gebruik maakt van de aangevraagde lessen. Bij meer dan 2 lessen verzuim door een groep zonder een naar het oordeel van het college geldige reden, is het schoolbestuur verplicht de kosten van een verzuimde les aan het college te vergoeden. Hoofdstuk 5 Voorziening verkeerseducatie Artikel 5.1 Begripsomschrijvingen In deze regeling wordt verstaan onder: praktische verkeersexamens: een examen dat de fietsvaardigheid van leerlingen toetst; school: hoofd- of nevenvestiging van een school voor basisonderwijs of voortgezet onderwijs gelegen op het grondgebied van de gemeente Amsterdam; theoretisch verkeersexamen: een examen dat toetst of leerlingen voldoende hebben opgestoken van de verkeerslessen die in de verschillende groepen zijn aangeboden. Artikel 5.2 Doel van de Voorziening Het doel van deze voorziening is een actief verkeersbewustzijn te ontwikkelen bij leerlingen van 4 tot 18 jaar van Amsterdamse scholen, waardoor de leerlingen zich in het verkeer veiliger gaan gedragen. Artikel 5.3 Voorziening De voorziening voor zover bestemd voor de groepen 1 t/m 8 van een school voor basisonderwijs bestaat uit de volgende verstrekkingen: Verschillende verkeerseducatieve programma’s waaruit een school een (gecombineerde) keuze kan maken; theoretische verkeersexamen; praktische verkeersexamens; opleiding tot verkeersouder. De voorziening voor zover bestemd voor de leeftijdsgroep 12 t/m 18 jaar bestaat uit een aantal verkeerseducatieve programma’s, waaruit een school voor voortgezet onderwijs jaarlijks een module kan kiezen. De verkeerseducatieve programma’s kunnen van jaar tot jaar verschillen en zijn in sommige gevallen beperkt beschikbaar. Actuele informatie hierover kunnen aanvragers vinden op de website van de aanbieder. Artikel 5.4 De aanvraag In afwijking van artikel 6, eerste lid van de VloA 2019 kan een schoolbestuur ten behoeve van één of meerdere onder zijn gezag vallende scholen gedurende een schooljaar op verschillende momenten één of meerdere van de verstrekkingen genoemd in artikel 5.3 aanvragen op de website van de aanbieder. Artikel 5.5 Verplichtingen Naast de verplichtingen op grond van artikel 10 van de VloA 2019, is aan de voorziening de verplichting verbonden dat het schoolbestuur de directeur van een school aanwijst als contactpersoon voor de uitvoerder van de gemeente in verband met de uitvoering van de verstrekkingen zoals genoemd in artikel 5.3. Hoofdstuk 6 Voorziening Taal en Ouderbetrokkenheid (TOB) Artikel 6.1 Begripsomschrijvingen In deze regeling wordt verstaan onder: drempel: percentage van 30 % van het totaal aantal leerlingen van een school voor basisonderwijs dat behoort tot de categorie doelgroepleerlingen, waaronder een school niet in aanmerking komt voor deze voorziening. Artikel 6.2 Doel van de voorziening Het doel van deze voorziening is het verbeteren van de taalvaardigheid van ouders van leerlingen van een school voor basisonderwijs, zodat zij beter in staat zijn hun kinderen te ondersteunen in hun ontwikkeling. Artikel 6.3 Voorziening De voorziening bestaat uit een cursus van twee dagdelen per week gedurende tweeëntwintig weken voor een groep van minimaal 8 en maximaal 20 ouders, waarin ouderbetrokkenheid en educatief partnerschap centraal staan en waarbij taal het middel is. De inhoud van de cursus wordt in overleg met de schooldirectie vastgesteld en is mede afhankelijk van de leervraag van de ouders. Artikel 6.4 Maximaal aantal beschikbare cursussen en verdeelsystematiek Per schooljaar zijn er 82 cursussen beschikbaar. Indien het aantal beschikbare cursussen ontoereikend is om alle aanvragen die daarvoor in aanmerking komen te honoreren, worden deze aanvragen afgehandeld in volgorde van het percentage doelgroepleerlingen op een school van hoog naar laag. Artikel 6.5 De aanvrager Deze voorziening kan uitsluitend worden aangevraagd door een schoolbestuur van een school voor basisonderwijs die een percentage doelgroepleerlingen heeft dat gelijk is aan of groter is dan de drempel. Artikel 6.6 De aanvraag In aanvulling op artikel 6, eerste lid, van de VloA 2019 kan een schoolbestuur ten behoeve van één of meerdere onder zijn gezag vallende scholen per schooljaar een aanvraag voor deze voorziening indienen middels het daartoe voorgeschreven specifieke aanvraagformulier in het portaal onderwijssubsidies. Het schoolbestuur machtigt hiertoe de schooldirecteur. Artikel 6.7 Verplichtingen Naast de verplichtingen op grond van artikel 10 van de VloA 2019, zijn aan de voorziening de volgende verplichtingen verbonden: het schoolbestuur wijst de directeur van een school aan als contactpersoon voor de door de gemeente gecontracteerde taalaanbieder; de directeur is mede verantwoordelijk voor het vaststellen van de inhoud van cursus; de directeur is verantwoordelijk voor het verzorgen van een geschikte ruimte op de school waar de cursus gegeven kan worden; de directeur draagt in samenwerking met de taalaanbieder zorg voor de werving van ouders voor de voorziening. Artikel 6.8 Weigeringsgrond In aanvulling op artikel 7, eerste lid, van de VloA 2019 weigert het college de voorziening te verstrekken indien: het schoolbestuur meer dan één cursus aanvraagt ten behoeve van dezelfde school; door verstrekking van de voorziening het aantal beschikbare cursussen zou worden overschreden. Hoofdstuk 7 Voorziening training deskundigheidsbevordering schoolveiligheid Artikel 7.1. Begripsomschrijving In deze voorziening wordt verstaan onder: externe aanbieders: door de gemeente gecontracteerde aanbieders van trainingen met bewezen kennis en ervaring met veiligheidsproblematiek op scholen; groepstraining: training voor 10-15 leden van een schoolteam over schoolveiligheidsproblematiek bestaande uit 1 tot maximaal 3 trainingsmodules; onderwijsprofessionals: leraren, onderwijs ondersteunend personeel en management werkzaam op een school; school: hoofdvestiging of nevenvestiging van een school op het grondgebied van Amsterdam; schoolteam: alle onderwijsprofessionals werkzaam op een school; schoolveiligheidsproblematiek: grensoverschrijdend gedrag van leerlingen in en om de school met effect op de sociale en fysieke veiligheid(sbeleving) van leerlingen en personeel van de school; trainingsmodule: afzonderlijk onderdeel van de training deskundigheidsbevordering schoolveiligheid, met als thema’ de leefwereld van jongeren, groepsdynamica of het duiden van individueel problematisch gedrag; veiligheidsbeleid: de manier waarop sociale en fysieke veiligheid in school geregeld wordt; veiligheidscoördinator: medewerker van de school die aanspreekpunt en verantwoordelijke is voor uitvoering van het veiligheidsbeleid van school of taken heeft op dit gebied. Artikel 7.2 Doel van de voorziening Het doel van deze voorziening is het versterken van de aanpak en preventie van schoolveiligheidsproblematiek op Amsterdamse scholen door de deskundigheid van hun schoolteams in omgaan met schoolveiligheidsproblematiek te vergroten. Zo kunnen zij veiligheidsproblematiek bij leerlingen vroegtijdig signaleren, eenduidig kunnen begrenzen en de-escaleren. Artikel 7.3 Voorziening Scholen kunnen aanspraak maken op één of meerdere groepstrainingen gericht op ontwikkeling van kennis en vaardigheden in omgaan met schoolveiligheidsproblematiek. Voor scholen voor basisonderwijs en voor voortgezet onderwijs geldt dat het maximaal aantal groepstrainingen, waarvoor een school in aanmerking komt, wordt berekend op basis van het aantal leerlingen volgens de meest recent beschikbare oktobertelling van DUO. Per 15 leerlingen kan één onderwijsprofessional deelnemen aan de groepstraining, tenzij een schooldirecteur aan kan tonen dat op zijn school sprake is van de inzet van een naar verhouding hoger aantal onderwijsprofessionals. Voor scholen voor speciaal onderwijs en voor voortgezet speciaal onderwijs geldt dat zij ongeacht het aantal leerlingen in aanmerking komen voor maximaal twee groepstrainingen. In overleg met de schooldirectie en de veiligheidscoördinator kiest het schoolteam op basis van de school-specifieke veiligheidsproblematiek maximaal 3 trainingsmodules waaruit elke groepstraining zal bestaan. Daarbij kan een keuze gemaakt worden uit trainingsmodules met de volgende thema’s: Thema 1: Leefwereld van jongeren; Thema 2: Groepsdynamica; Thema 3: Duiden van individueel problematisch gedrag. Afhankelijk van het aanbod van de externe aanbieder bestaat een trainingsmodule uit twee bijeenkomsten van bij elkaar opgeteld maximaal 5 uur, waarbij de school een keuze kan maken uit de volgende trainingsvormen: een basistraining met een daaraan gekoppelde vervolgtraining; een basistraining waarbij gewerkt wordt met een acteur of ervaringsdeskundige met een daaraan gekoppelde vervolgtraining; een training waarin naast de basis ook de inhoudelijke verdieping van specifieke problematiek behandeld wordt met een daaraan gekoppelde vervolgtraining. De school en de externe aanbieder stemmen de trainingsmodule inhoudelijk en organisatorisch (tijd, locatie, benodigdheden) af. Artikel 7.4 Beschikbaar budget en verdeelsystematiek De voorziening kent een looptijd van 1 januari 2024 tot 1 januari 2027. Het college stelt per kalenderjaar één budget vast voor de financiering van de trainingsmodules als bedoeld in artikel 7.3 . Het college verstrekt per kalenderjaar maximaal het aantal trainingsmodules als waarvoor een budget als bedoeld in het tweede lid beschikbaar is. De aanvragen voor de trainingen voor een budget als bedoeld in het tweede lid worden afgehandeld in volgorde van binnenkomst van de complete aanvraag. Artikel 7.5 Aanvrager, aanvraag en aanvraagtermijn Deze voorziening kan uitsluitend worden aangevraagd door een door het schoolbestuur daartoe gemachtigde schooldirecteur via de Webapplicatie Onderwijssubsidies, dan wel op een andere door het college voorgeschreven wijze. De aanvraag voor de groepstraining(
- en)wordt per schoolteam in één keer ingediend, tenzij een aanvraag op grond van artikel 7.6, tweede lid deels is afgewezen. In afwijking van artikel 6, eerste lid van de VloA 2019 kan een aanvraag ingediend worden vanaf 1 januari 2024 en vervolgens gedurende enig moment tijdens de looptijd van deze voorziening tot 1 oktober 2026. Artikel 7.6 Weigeringsgronden In aanvulling op artikel 7, tweede lid van de VloA 2019 weigert het college een aanvraag voor één of meerdere groepstrainingen als bedoeld in artikel 7.3 ten behoeve van een school, als het schoolbestuur al eerder een door hem aangevraagde voorziening als bedoeld in artikel 7.3 voor de school volledig verstrekt heeft gekregen. In aanvulling op artikel 7, tweede lid van de VloA 2019 weigert het college een aanvraag voor één of meerdere trainingsmodules als bedoeld in artikel 7.3 ten behoeve van een school, als door de verstrekking van de gevraagde trainingsmodule(
- s)het beschikbare budget als bedoeld in artikel 7.4, tweede lid als bedoeld onder a. of b. van deze voorziening in een kalenderjaar wordt overschreden. Artikel 7.8 Verplichtingen Naast de verplichtingen op grond van artikel 10 van de VloA 2019 zijn aan de voorziening de volgende verplichtingen verbonden: de directeur of de veiligheidscoördinator van een school treedt op als contactpersoon voor de externe aanbieder die de training als bedoeld in artikel 7.3 van deze voorziening gaat uitvoeren; de directeur van de school en de externe aanbieder komen een nadere schriftelijke opdrachtbevestiging overeen. Deze nadere opdrachtbevestiging bevat in ieder geval informatie over welke trainingsmodules worden afgenomen, de datum/data van uitvoering van de trainingsmodules en het aantal deelnemende onderwijsprofessionals; de directeur van de school draagt ervoor zorg dat de school optimaal gebruik maakt van de aangevraagde trainingsmodules; annulering van deelname of het verzetten van de training dient door de directeur van de school per e-mail minimaal drie werkdagen van tevoren bij de externe aanbieder te zijn aangekondigd. Bij verzuim door een trainingsgroep zonder een naar het oordeel van het college geldige reden, is het schoolbestuur verplicht de kosten van de verzuimde trainingsmodule aan het college te vergoeden; de directeur van de school zorgt voor een geschikte ruimte voor de training en bepaalt in afstemming met de externe aanbieder wie zorgdraagt voor de benodigde materialen en/of middelen (bijvoorbeeld een internetverbinding, beamer, audio, laptop, whiteboard of flipover). Hoofdstuk 8 Voorziening Jongerenwerk in scholen Artikel 8.1 Begripsomschrijvingen In deze regeling wordt verstaan onder: JiS: Jongerenwerk in Scholen, waarvan de inzet is gericht op het verbinden van de verschillende leefwerelden van leerlingen (thuis, school, straat en online) en het vroegtijdig signaleren van de ondersteuningsbehoeften van leerlingen op gebied van zorg en veiligheid; OKT: Ouder- en Kindteam Amsterdam dat laagdrempelige jeugdhulp en jeugdgezondheidszorg biedt voor kinderen, jongeren en ouders. Elk team bestaat uit ouder- en kindadviseurs, jeugdartsen, jeugdpsychologen en jeugdverpleegkundigen; school: school voor voortgezet onderwijs; SWV VO: Samenwerkingsverband Voortgezet Onderwijs Amsterdam-Diemen. Artikel 8.2 Doel van de voorziening Het doel van deze voorziening is om door middel van de inzet van JiS de veerkracht van leerlingen die een steuntje in de rug nodig hebben, te versterken. Door het verbinden van de verschillende leefwerelden van jongeren (thuis, school, straat en online), signaleren jongerenwerkers de ondersteuningsbehoeften van jongeren op gebied van zorg en veiligheid vroegtijdig, en kunnen ze problemen klein houden. Artikel 8.3 Voorziening in natura Het college kan aan een school voor voortgezet onderwijs een voorziening verlenen voor de inzet van JiS voor haar leerlingen voor de periode 1 januari 2025 tot 1 augustus 2027. Het aantal doelgroepleerlingen dat op een school is ingeschreven op 1 oktober van het schooljaar twee jaar voorafgaand aan het tijdvak zoals genoemd in het eerste lid is daarbij bepalend voor het aantal fte jongerenwerkers dat ingezet wordt op de school: Doelgroepleerlingen per school Maximaal aantal fte jongerenwerkers Kleiner of gelijk aan 400 0,6 fte Meer dan 400 1,2 fte Artikel 8.4 Beschikbaar aantal fte jongerenwerkers en verdeelsystematiek Voor de periode 1 januari 2025 tot 1 augustus 2027 is in totaal 56 fte jongerenwerkers beschikbaar voor inzet op de scholen. Indien het aantal aanvragen dat niet geweigerd wordt op grond van artikel 8.7 het beschikbaar aantal fte jongerenwerkers overschrijdt, rangschikt het college de aanvragen op een prioriteitenlijst op basis van de volgende criteria en de bijbehorende punten: percentage doelgroepleerlingen op een school (maximaal 150 punten), waarbij de volgende onderverdeling geldt: i. 0-20 % doelgroepleerlingen = 30 punten; 21-40 % doelgroepleerlingen = 60 punten; 41-60 % doelgroepleerlingen = 90 punten; 61- 80 % doelgroepleerlingen = 120 punten; 81 -100 % doelgroepleerlingen = 150 punten; de mate waarin er sprake is van aanwezigheid van veiligheidsrisico’s rond een school (maximaal 50 punten), waarbij de volgende verdeling geldt: Score 0-20 = 10 punten; Score 20 -40 = 20 punten; Score 40-60 = 30 punten; Score 60 – 80 = 40 punten; Score 80 -100 = 50 punten; de mate waarin er sprake is van aanwezigheid van kwetsbare jeugd tot 18 jaar in het stadsdeel waar een school gevestigd is (maximaal 50 punten, waarbij de volgende verdeling geldt: 0 - 4% kwetsbare jeugd = 10 punten; 5 - 9 % kwetsbare jeugd = 20 punten; 10 – 14 % kwetsbare jeugd = 30 punten; 15 - 19% kwetsbare jeugd = 40 punten; meer dan 20 % kwetsbare jeugd = 50 punten. de mate waarin er sprake is van aan de leerlingen gerelateerde opgaven op het gebied van zorg & welzijn, veiligheid in en om school, en de thuissituatie, waarmee de school wordt geconfronteerd (maximaal 100 punten); de wijze waarop de school JiS inzet en/of wil inzetten in de aanpak van deze opgaven (maximaal 100 punten). Het college laat zich over de rangorde adviseren door een commissie, bestaande uit vertegenwoordigers van het SWV VO, jongerenwerkorganisaties in de stad, het Operationeel Team Schoolveiligheid en een ambtenaar Jeugd & Veiligheid met specialisatie schoolveiligheid. De commissie betrekt bij de beoordeling van de aanvragen voor wat betreft het criterium als bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder d. tevens de bij de stedelijke werkgroep JiS van Samen voor Jongeren Amsterdam, de teams Sociale Basis en de projectleiders Jeugd & Veiligheid van de stadsdelen, en de Ouder- en Kind Teams ingewonnen schriftelijke informatie hierover. De aanvragen worden gehonoreerd naar de volgorde op de prioriteitenlijst tot dat het maximaal aantal inzetbare fte jongerenwerkers is bereikt. Indien gedurende de looptijd van deze voorziening een school geen gebruik meer maakt van JiS, komt de hoogst op de prioriteitenlijst geplaatste niet gehonoreerde aanvraag alsnog voor de voorziening voor de dan resterende tijd in aanmerking. Het voorafgaande geldt alleen als naar het oordeel van het college met de inzet van JiS op dat moment nog aan het doel van de voorziening kan worden voldaan. Artikel 8.5 Aanvrager en Aanvraagtermijn Deze voorziening kan uitsluitend worden aangevraagd door een schoolbestuur voor een vestiging van een school, waarvoor hij is aangesloten bij het SWV-VO Amsterdam-Diemen. Een aanvraag voor de voorziening moet in afwijking van artikel 6 van de VloA 2019 worden ingediend voor 12 april 2024. Artikel 8.6 Bij de aanvraag in te dienen gegevens In aanvulling op artikel 5, tweede lid van de VloA 2019 wordt bij een aanvraag de volgende informatie verstrekt: een beschrijving van aan leerlingen gerelateerde maatschappelijke opgaven op het gebied van zorg & welzijn, veiligheid in en om school en de thuissituatie waarmee de school wordt geconfronteerd en de zwaarte van deze problematiek; een beschrijving van de wijze waarop de school deze uitdagingen wil aanpakken met de inzet van JiS, waarbij in gegaan wordt op: hoe JiS aansluit bij pedagogische visie van de school; hoe de voor het succesvol inzetten van JiS vereiste samenwerking tussen het schoolteam en JiS vorm gegeven wordt; welke functionaris het vaste aanspreekpunt voor JiS wordt binnen de school; of de school een aparte ruimte beschikbaar heeft voor het JiS of dat een ruimte gedeeld moet worden met andere functionarissen. Bij een aanvraag voor een school die voorafgaand aan de aanvraag al gebruik maakt van JiS, wordt in plaats van de in het eerste lid, onderdelen a. en b. gevraagde informatie de volgende informatie verstrekt: een beschrijving van de uitdagingen als bedoeld in het eerste lid onder a. waarvoor de school stond voordat JiS werd ingezet en de huidige stand van zaken; een beschrijving van de wijze waarop de school het jongerenwerk heeft ingezet om deze opgaven aan te pakken, met welk resultaat en mogelijke verbeterpunten; een beschrijving op welke wijze de school jongerenwerk wil inzetten voor de periode waarop de aanvraag ziet, waarbij ingaan wordt op: hoe JiS aansluit bij pedagogische visie van de school; hoe de voor het succesvol inzetten van JiS vereiste samenwerking tussen het schoolteam en JiS vorm gegeven wordt. Artikel 8.7 Weigeringsgronden Het college weigert een aanvraag als: De aanvrager voor de vestiging van de school waarvoor hij de aanvraag indient niet is aangesloten bij het SWV VO Amsterdam-Diemen; door het honoreren van de aanvraag het aantal beschikbare fte’s JiS wordt overschreden. Het college kan een aanvraag weigeren als: de school geen vast aanspreekpunt aanwijst voor JiS; een school nog in de oprichtingsfase verkeert en de voor hem geldende stichtingsnorm nog niet heeft behaald; het leerlingenaantal van een school al meer dan twee jaar onder de voor hem geldende opheffingsnorm ligt. Artikel 8.8 Verplichtingen Aan de inzet van JIS zijn de volgende verplichtingen verbonden: de school dient nadat de aanvraag voor de voorziening JiS door het college is gehonoreerd gezamenlijk met de jongerenwerkorganisatie die het reguliere jongerenwerk uitvoert in het stadsdeel waarin de school gevestigd is, een aanvraag voor subsidie voor de uitvoering van JIS in conform de daarvoor geldende regels; de school stelt per 0,6 fte jongerenwerker een budget van minimaal € 1800 beschikbaar voor activiteiten die de jongerenwerker in het kader van JiS voor de leerlingen van de school uitvoert. de school draagt gezamenlijk met de jongerenwerkorganisatie zorg voor de inhoudelijke (tussentijdse) verantwoording van de subsidie die door het college aan JIS is verstrekt. Hoofdstuk 9 Voorziening High Dosage Tutoring Artikel 9.1 Begripsomschrijvingen In deze regeling wordt verstaan onder: HDT: High Dosage Tutoring, een evidence based, intensieve onderwijsinterventie in het basisonderwijs waarbij ingezet wordt op het verhogen van het rekenniveau en het sociaal-emotioneel welbevinden van kinderen met een grote leerachterstand; HDT-groep: tien leerlingen van groep 7 die door de school zijn geselecteerd om deel te nemen aan HDT en die afkomstig kunnen zijn uit een samengestelde groep 7/8, een specifieke groep 7 of uit verschillende groepen 7; M6 toets: de methode-onafhankelijke toets van Cito die bij leerlingen van groep 6 in januari wordt afgenomen en waarbij de resultaten van de leerlingen worden uitgedrukt in de volgende niveaus: niveau I: 20 % hoogst scorende leerlingen op het gebied van rekenen; niveau II: 20 % boven het landelijk gemiddelde op het gebied van rekenen; niveau III: 20 % landelijk gemiddelde op het gebied van rekenen; niveau IV: 20 % onder het landelijk gemiddelde op het gebied van rekenen; niveau V: 20 % laagst scorende leerlingen op het gebied van rekenen; school: een basisschool gelegen in stadsdeel Zuidoost; TBLI: The Bridge Learning Interventions die HDT op de school uitvoert; voorziening: voorziening die bestaat uit verstrekkingen in natura. Artikel 9.2 Doel van de voorziening Het doel van de voorziening is om basisscholen in het stadsdeel Zuidoost te ondersteunen door met de inzet van HDT de leerachterstanden van hun leerlingen ten opzichte van de leerlingen in de rest van de stad te verminderen, waardoor zij op een hoger niveau voortgezet onderwijs kunnen instromen. Artikel 9.3 Voorziening in natura De voorziening in natura bestaat uit de inzet van HDT voor maximaal twee HDT-groepen op een school voor een periode van 12 maanden. Artikel 9.4 Beschikbaar aantal groepen, start groepen en verdeelsystematiek De voorziening HDT is beschikbaar in twee afzonderlijke perioden: 1 september 2024 tot 1 januari 2026, voor maximaal 18 HDT-groepen, waarbij de HDT start op 1 september 2024 of op 1 januari 2025; 1 september 2025 tot 1 januari 2027, voor maximaal 23 HDT-groepen HDT beschikbaar is, waarbij HDT start op 1 september 2025 0f 1 januari 2026. Indien het aantal aanvragen dat niet geweigerd wordt op grond van artikel 9.7 het beschikbare aantal HDT-groepen overschrijdt, rangschikt het college de aanvragen op een prioriteitenlijst op basis van het percentage doelgroepleerlingen dat op de scholen stond ingeschreven twee jaar voorafgaand aan het (lopende) schooljaar waarop de aanvraag ziet van hoog naar laag. De aanvragen worden gehonoreerd naar de volgorde op de prioriteitenlijst totdat het maximaal aantal beschikbare HDT-groepen is bereikt. Indien gedurende de looptijd van deze voorziening een school geen gebruik meer wenst te maken van HDT, komt de hoogst op de prioriteitenlijst geplaatste niet gehonoreerde aanvraag in aanmerking, mits de inzet van HDT naar het oordeel van het college plaats vindt op een moment dat leerlingen nog baat kunnen hebben bij deze methode. Artikel 9.4 De aanvrager Voorziening kan uitsluitend worden aangevraagd door een schoolbestuur voor een onder zijn gezag vallende school die gevestigd is in het stadsdeel Zuidoost. De directeur van de school of zijn plaatsvervanger ondertekent het aanvraagformulier mede voor akkoord. Artikel 9.5 Aanvraagtermijn Een aanvraag voor de voorziening in de periode 1 september 2024 tot 1 januari 2026 moet in afwijking van artikel 6 van de VloA 2019 worden ingediend voor 16 juli 2024. Een aanvraag voor de voorziening in de periode 1 september 2025 tot 1 januari 2027 moet in afwijking van artikel 6 van de VloA 2019 worden ingediend voor 5 april 2025. Artikel 9.6 Bij de aanvraag in te dienen gegevens In aanvulling op artikel 5, tweede lid van de VloA 2019 wordt bij een aanvraag: aangegeven hoeveel van het totaal aantal leerlingen van de groepen 6 van de school zich op basis van de M6 toets bevinden op niveau IV en V; per aangevraagde HDT-groep, een selectie gemaakt van tien leerlingen, waarbij kort gemotiveerd wordt waarom deze leerlingen baat hebben bij de inzet van HDT en per leerling op basis van de M6 toets wordt vermeld op welk rekenniveau hij zich bevindt. Artikel 9.7 Weigeringsgronden Het college weigert de voorziening als: de aanvraag is ingediend voor een school die gevestigd is buiten het stadsdeel Zuidoost; voor een HDT-groep : minder dan 10 leerlingen zijn geselecteerd; minder dan 6 leerlingen geselecteerd zijn die op basis van de M6 toets zich bevinden op niveau IV en/of V; een of meer leerlingen geselecteerd zijn die zich bevinden op niveau I of II. Artikel 9.9 Aanvullende verplichtingen Naast de verplichtingen op grond van artikel 10 van de VloA 2019 zijn aan de voorziening de volgende verplichtingen verbonden: de directeur of daartoe aangewezen medewerker van een school treedt op als contactpersoon voor TBLI; de directeur van de school en TBLI sluiten een samenwerkingsovereenkomst, waarin zij in ieder geval overeenkomen hoe HDT aansluit op het reguliere rekenonderwijs op de school, op welke uren HDT op de school wordt ingezet en welke faciliteiten aan de medewerker van TBLI beschikbaar worden gesteld, waaronder in ieder geval een geschikte afsluitbare ruimte voor zeven volwassenen en tien leerlingen; de school doet aan het einde van groep 8 aan het college verslag over op welk niveau de leerlingen die hebben deelgenomen aan HDT uitstromen naar het voortgezet onderwijs en hoe dit zich verhoudt tot het M6 niveau van de leerlingen voorafgaand aan de inzet van HDT. Indien het verstrekken van de informatie bedoeld in het eerste lid onder c., onderdeel vormt van een onderzoek dat namens het college wordt uitgevoerd, vervalt deze verplichting. Verordening op het lokaal onderwijsbeleid Amsterdam 2019 TOELICHTING Bijlage 1: Voorzieningen in natura De voorzieningen in natura schoolzwemmen, schooltuinprogramma en natuur- & milieueducatie en verkeerseducatie worden al decennia door de gemeente aangeboden voor Amsterdamse kinderen in de basisschoolleeftijd. De andere voorzieningen cultuureducatie, taal en ouder betrokkenheid, training deskundigheidsbevordering schoolveiligheid, en Jongerenwerk in Scholen zijn hier later op verschillende momenten aan toegevoegd. Ze zijn allen van belang voor het opgroeien in de stad waar het gaat om een actief verkeersbewustzijn, zwemvaardigheid, praktijkkennis van wat groeit en bloeit, een stimulans voor een gezonde levensstijl, kennismaking met cultuur, veiligheid en kansengelijkheid. Voor alle voorzieningen geldt een bijzondere aanvraagprocedure, zoals aangegeven in de voorzieningen zelf. De voorziening cultuureducatie (Hoofdstuk 2), bestaat uit twee verstrekkingen. Op de eerste plaats de cultuurvouchers voor leerlingen van scholen voor het basisonderwijs, (
- v)so en de eerste twee leerjaren van zowel het VMBO als het praktijkonderwijs. De verstrekking vakdocent muziek richt zich op leerlingen vanaf groep 3 van het basisonderwijs en de leerlingen van de scholen voor (v)so, mits het schoolbestuur van de betrokken school het convenant Basispakket Cultuureducatie heeft ondertekend. Met de inzet van de Voorziening schoolzwemmen (Hoofdstuk 3) wil de gemeente bereiken dat van alle kinderen in Amsterdam die de scholen voor het basisonderwijs verlaten tenminste 95% in het bezit is van een A-diploma. De voorziening staat tevens open voor leerlingen van bepaalde school voor speciaal onderwijs. De Voorziening schooltuinprogramma en Natuur& Milieueducatie (Hoofdstuk 4) richt zich op leerlingen van scholen voor het basisonderwijs (inclusief de zogenoemde kopklassen) en het (voortgezet) speciaal onderwijs. De voorziening betreft op de eerste plaats het schooltuinprogramma en het daarmee samenhangende busvervoer. Verder komen via de Natuur & Milieueducatiegids (NME-gids) scholen tenminste een keer per schooljaar per groep in leerjaar 1,2,3,4,5 en 8 van een school voor basisonderwijs of een qua niveau hiermee vergelijkbare groep van een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs in aanmerking voor een educatieve activiteit uit het programma Natuurlessen & Boerderijeducatie. Dit programma biedt buitenlessen en Boerderijeducatie. Een breed lesaanbod dat bijvoorbeeld ook kan gaan om duurzaamheid, afvalverwerking en voedseltransitie Bij de Voorziening verkeerseducatie (Hoofdstuk 5) bestaat de doelgroep uit leerlingen van 4 tot 18 jaar van scholen voor basisonderwijs en voortgezet onderwijs. De website van de aanbieder voor verkeerseducatie is terug te vinden op de website van de gemeente Amsterdam. De Voorziening Taal en Ouderbetrokkenheid (TOB) (Hoofdstuk 6) is met ingang van schooljaar 2021-2022 als voorziening in natura opgenomen in de VloA 2019. Onder regie van Werk, Participatie en Inkomen (WPI), afdeling volwasseneneducatie, werden de cursussen TOB al jaren uitgevoerd en draagt hier nog steeds zorg voor. TOB wordt op basisscholen aangeboden ten behoeve ouders die de Nederlandse taal onvoldoende spreken. In de voorziening is een drempel ingebouwd betreffende het minimale percentage doelgroepleerlingen op een school, waaronder de school niet in aanmerking komt voor TOB. Deze voorziening vormt een aanvulling op de Kansenaanpak PO (Bijlage 3 van de VloA 2019). De Voorziening Training deskundigheidsbevordering schoolveiligheid 2024 (Hoofdstuk 7) richt zich op alle leden van het schoolteam (docenten, onderwijsondersteunend personeel en directie) van Amsterdamse scholen. Het doel van deze voorziening is het versterken van de aanpak en preventie van schoolveiligheidsproblematiek, door leden van een schoolteam gezamenlijk te trainen in omgaan met en pedagogisch handelen bij ernstig grensoverschrijdend gedrag van jongeren in en om school. Door de deskundigheid van het schoolteam in omgaan met schoolveiligheidsproblematiek te vergroten, ondersteunt de Gemeente Amsterdam scholen bij het realiseren van een veilig schoolklimaat. Het trainingsaanbod is onderverdeeld in drie thema’s: leefwereld van jongeren, duiden van individueel problematisch gedrag en groepsdynamica. De Gemeente Amsterdam selecteert het trainingsaanbod van externe aanbieders van trainingen, sluit raamovereenkomsten met hen af en publiceert dit in een catalogus op Externe link: https://www.amsterdam.nl/schoolveiligheid. Scholen kunnen hier zelf hun keuze maken voor de voor hen relevante schoolveiligheidsthema’s, de bij hen passende externe aanbieders en de (varianten van) trainingen. In de door de gemeente met de externe aanbieder af te sluiten raamovereenkomst staat beschreven onder welke voorwaarden de externe aanbieder met de gemeente en de deelnemende school tot een opdrachtovereenkomst komen. Voor deze voorziening in natura is een maximaal budget per jaar vastgesteld, waaruit de gemeente de door externe aanbieders aan scholen verzorgde trainingsbijeenkomsten betaalt. Omdat de kosten van trainingsmodules per aanbieder en training(svariant) kunnen verschillen, is het niet op voorhand vast te stellen hoeveel trainingsmodules kunnen worden verstrekt. De Gemeente Amsterdam informeert de scholen en externe aanbieders wanneer het budget volledig besteed is in enig kalenderjaar gedurende de looptijd van deze regeling. De Voorziening Jongerenwerk in Scholen (JiS) (Hoofdstuk 8) betreft uitsluitend de selectie van scholen voor voortgezet onderwijs om in aanmerking te komen voor de inzet van Jongerenwerk in de periode 1 januari 2025 tot 1 augustus 2027. Met een positieve beschikking kan een schoolbestuur voor de uitvoering van JiS een samenwerking aangaan met een jongerenwerkorganisatie die in het stadsdeel waar de school gevestigd is vanaf 1 januari 2025 het reguliere jongerenwerk uitvoert en hiervoor een subsidie ontvangt op grond van de Subsidieverordening Sociale Basis 2025. Voor de uitvoering van JiS kan de jongerenwerkorganisatie vervolgens een subsidieaanvraag indienen op basis van de Subsidieregeling Jongerenwerk in Scholen (JiS) die naar verwachting medio 2024 zal worden vastgesteld door het college. Het budget dat beschikbaar is voor de uitvoering van deze subsidieregeling bestaat uit een bijdrage van zowel de gemeente als van de SWV VO. Daarnaast dient de school zelf een budget beschikbaar te stellen voor het uitvoeren van activiteiten door JiS voor de leerlingen op de school. Het gaat hierbij om activiteiten die met name gericht zijn op talentontwikkeling, voorlichting en sport en spel. Met dit soort activiteiten kan het JiS onder meer leerlingen interesseren voor naschoolse activiteiten en toeleiden naar het reguliere jongerenwerk in de stadsdelen. Het betreft een voortzetting van het sinds 2020 uitgevoerde project JiS. Tot nu verliep de selectie van de scholen via het SWV VO op basis van beoordelingscriteria die het SWV VO gezamenlijk met het college had vastgesteld. Onder de scholen is de animo groot voor JiS. Het budget is helaas onvoldoende om alle aanvragen te honoreren. Vanaf 1 januari 2025 willen de gemeente en het SWV VO dat JiS ingezet wordt op die scholen waar de bijdrage van het jongerenwerk voor leerlingen het hardst nodig is. Hierdoor wordt het aantal scholen dat in aanmerking komt kleiner en wijzigen de criteria op basis waarvan de scholen worden gerangschikt. Het SWV VO en de gemeente hebben daarom gezamenlijk besloten dat de selectie van de scholen voortaan via de VloA 2019 verloopt, omdat tegen de besluiten van het college hierover in tegenstelling tot de SWV VO, rechtsmiddelen open staan. Hiermee is de rechtsbescherming van de schoolbesturen gegarandeerd. Het aantal scholen dat in aanmerking komt voor deze voorziening is afhankelijk van het aantal fte jongerenwerkers dat in totaal beschikbaar is gedurende de looptijd van de voorziening. De voorziening JiS is in nauwe samenwerking tussen SWV VO en de gemeente tot stand gekomen. De SWV VO neemt tevens deel aan de commissie die het college hierover adviseert (artikel 8.4, derde lid). Daarnaast hebben vertegenwoordigers van het jongerenwerk in de stad, het Operationeel Team Schoolveiligheid en een ambtenaar Jeugd & Veiligheid met specialisatie schoolveiligheid zitting in deze commissie. In artikel 8.4 zijn in het tweede lid de beoordelingscriteria opgenomen. De eerste drie criteria worden bepaald op basis van objectieve informatie, waarover de commissie geen inhoudelijk advies hoeft uit te brengen, maar die wel meetellen in het bepalen van de rangorde. Bij het eerste criterium gaat het daarbij om het percentage doelgroepleerlingen op een school. Het tweede criterium betreft de aanwezigheid van veiligheidsrisico’s rond een school. Deze risico’s worden vastgesteld op basis van de meest actuele cijfers vanuit dashboard Veiligheid in beeld van Onderzoek & Statistiek Amsterdam (O&S) .Het derde criterium ziet op het percentage kwetsbare jongeren van 0-23 dat woonachtig is in het stadsdeel waar de school gevestigd is. Ook deze cijfers zijn afkomstig van O&S. Over de andere criteria dient de commissie een inhoudelijk advies te geven. Het gaat daarbij om de opgaven die leerling gerelateerd zijn en waarmee de school wordt geconfronteerd (zie hierna) en de wijze waarop de school JiS wil inzetten of inzet in de aanpak van deze opgaven. In artikel 8.6 over de bij de aanvraag te verstrekken informatie worden scholen gevraagd om nader op deze onderwerpen in te gaan. De school dient bij de gewenste inzet van JiS ook in te gaan op de wijze waarop deze inzet aansluit bij de pedagogische visie van de school. Een van de werkzame elementen om JiS effectief in te zetten is een stabiele samenwerking tussen jongerenwerkers en het schoolteam. Bij de aanvraag dient de school te beschrijven op welke wijze zij hiervoor zal zorgdragen. Scholen die voorafgaand aan de aanvraag al van JiS gebruik maakten, dienen aan te geven hoe deze samenwerking al ingebed is binnen de school. Daarbij dient de school ook in te gaan op eventuele verbeterpunten. Bij de aanvraag dient een beschrijving te worden gegeven van de maatschappelijke opgaven die met de leerlingen de school binnen komen. Bij opgaven op het gebied van zorg & welzijn van leerlingen kan worden gedacht aan problemen met de mentale gezondheid, veel externaliserend (bijvoorbeeld vechtpartijen) of juist internaliserend gedrag (bijvoorbeeld eenzaamheid of gepest worden). Bij veiligheid in en om de school kan het bijvoorbeeld gaan om ernstig grensoverschrijdend gedrag en straatcultuur. Bij opgaven voorvloeiend uit de thuissituatie van leerlingen kan gedacht worden aan beperkte ouderbetrokkenheid, armoede en daaruit voortvloeiend financiële zorgen. Niet alleen de scholen worden hierover bevraagd. Ook aan de stedelijke werkgroep JiS van Samen voor Jongeren Amsterdam, de teams Sociale Basis en de projectleiders Jeugd & Veiligheid van de stadsdelen, en de Ouder- en Kind Teams worden dezelfde vragen gesteld over de Amsterdamse scholen. Daarbij wordt hen gevraagd om onderbouwd aan te geven welke scholen volgens hen te kampen hebben met de grootste leerling gerelateerde opgaven. De commissie gebruikt op grond van artikel 8.4, vierde lid deze informatie bij de beoordeling van de aanvragen van de scholen. In artikel 8.5 is onder meer opgenomen dat de aanvraag voor deze voorziening uitsluitend kan worden ingediend door een schoolbestuur voor een vestiging van een school, waarvoor hij is aangesloten bij het SWV-VO Amsterdam-Diemen. Sinds maart 2022 is de gemeente Amsterdam gefuseerd met de gemeente Weesp. De scholen voor voortgezet onderwijs die in het stadsgebied Weesp zijn gevestigd zijn aangesloten bij QUINAS, het samenwerkingsverband passend onderwijs in de regio Gooi en Vechtstreek. Omdat JiS gezamenlijk gefinancierd wordt door de gemeente Amsterdam en de SWV VO Amsterdam-Diemen komen de scholen in Weesp niet in aanmerking voor deze voorziening. Dit is tevens opgenomen als weigeringsgrond artikel 8.7. Verder gaat het bij de weigeringsgronden onder meer om het achterwege laten van een aanspreekpunt binnen de school. Uit onderzoek blijkt dat om JiS te laten slagen het noodzakelijk is dat er een vast aanspreekpunt voor de jongerenwerker(
- s)is binnen de school. Hierdoor kan JiS beter worden ingebed worden in de school. Met de Voorziening High Dosage Tutoring (Hoofdstuk 9) zet de gemeente in op het bevorderen van kansengelijkheid binnen het Amsterdamse onderwijs. HDT is een evidence based, intensieve onderwijsinterventie in het basisonderwijs om het rekenniveau en het sociaal-emotioneel welbevinden van kinderen met een grote leerachterstand te verhogen. De uitgebreide wetenschappelijke theoretische basis in combinatie met de gedegen uitvoering van HDT maken dat de interventie zeer effectief is. De methode HDT is ontwikkeld in de Verenigde Staten voor achterstandsjongeren op een middelbare school in Chicago. Deze leerlingen hadden een forse leerachterstand in wiskunde en liepen een hoog risico om uit te vallen. Inmiddels is de methode in verschillende staten uitgerold en wordt op verschillende Amerikaanse scholen met succes ingezet. De focus van de HDT-interventie is maatwerk: het programma is ingericht om leerlingen te helpen met wat zij daadwerkelijk nodig hebben. The Bridge Learning Interventions (TBLI) is de enige organisatie in Nederland, die deze methode uitvoert. . HDT maakt onderdeel uit van de kansengelijkheidsagenda en is een interventie die specifiek wordt ingezet in stadsdeel Zuidoost in het kader van ambitie 3 van het Masterplan Zuidoost ‘gelijke kansen voor de jeugd’. Alleen basisscholen in stadsdeel Zuidoost komen voor deze voorziening in aanmerking. In september 2019 is het college begonnen met HDT als pilot op 5 basisscholen in Zuidoost omdat hier de potentiële onderwijsachterstand ten opzichte van de andere stadsdelen het grootst is. Uit de staat van het Amsterdams primair onderwijs
(2023)blijkt dat stadsdeel Zuidoost ten opzichte van de andere stadsdelen relatief de meeste leerlingen, namelijk 20%, die het fundamentele rekenniveau (1F) niet behalen. In Nieuw-West is dit bijvoorbeeld 11%, in Noord 11% en in Zuid 6%. Ook is het aantal vo-adviezen voor praktijkonderwijs het hoogst en het aantal vo-adviezen dat uitzicht biedt op een theoretische schoolloopbaan het laagst in stadsdeel Zuidoost. Uit het onderzoeksrapport ‘Reken op Zuidoost’ 1 Een evaluatie van het loopjaar 2019/20 Bridge High Dosage Tutoring op vijf basisscholen inAmsterdam Zuidoost 31 december 2020 van Bowen Paulle (Universiteit van Amsterdam) en Joppe de Ree (Erasmus Universiteit Rotterdam, JDR Analytics) blijkt dat leerlingen met HDT beduidend meer vooruit gaan met rekenen dan leerlingen zonder. Niet veel interventies maken zo’n groot verschil.. HDT betreft een dure interventie die plaatselijk ingezet moet worden. Tutoren verplaatsten zich namelijk van school naar school. Hierbij is het belangrijk dat de scholen niet te ver van elkaar liggen, zodat tutoren op tijd zijn voor de leerlingen. Er wordt daarom een vast rooster gemaakt onder schooltijd waarbij rekening wordt gehouden met de afstand tussen de deelnemende scholen. Met de inzet van HDT kan de oververtegenwoordiging van lagere rekenniveaus in Amsterdam Zuidoost substantieel (verder) worden teruggebracht, zo niet, worden weggewerkt. Het doel van de voorziening (artikel 9.2) is dan ook de leerachterstanden van de leerlingen ten opzichte van de rest van de stad te verminderen. Een voorwaarde voor het behalen van een dergelijk beleidsdoel is dat HDT breed moet worden ingezet; in principe op alle basisscholen in Zuidoost en met behoud van effectiviteit Leerlingen krijgen bij HDT drie keer per week één lesuur per dag extra rekenondersteuning (op 1F-niveau) van een persoonlijke tutor in een 2-op-1 setting onder schooltijd. De tutorsessies hebben een vast stramien met vaste momenten van samenwerken en zelfstandig werken, waardoor leerlingen weten wat er van hun verwacht wordt. De tutoren hebben wekelijks contact met de ouders/verzorgers. Ouderbetrokkenheid is een cruciaal onderdeel van de interventie. De tutoren worden professioneel getraind en dagelijks begeleid door de Site Director (projectleider). De tutoren werken nauw samen met leerkrachten en ander schoolpersoneel om te zorgen voor kennisdeling en de beste begeleiding voor de leerlingen. HDT is naast een rekeninterventie ook een interventie op sociaal-emotioneel gebied. De tutor helpt bij het verbeteren van sociale vaardigheden, doorzettingsvermogen en laat de leerlingen zien dat ze vooruitgang boeken. De zogenoemde Growth Mindset en zelfvertrouwen van de leerling staan centraal; de leerling kan zich ontwikkelen met inzet van doorzettingsvermogen en een open houding. Op deze wijze wordt gewerkt aan de mogelijk lage verwachtingen die leerlingen van zichzelf hebben. Door te focussen op persoonlijke groei en ontwikkeling kunnen leerlingen doelen behalen die ze eerder niet voor mogelijk hielden. Met de inzet van HDT in groep 7 wil de gemeente er in ieder geval voor zorgen dat leerlingen bij de overgang naar het voortgezet onderwijs het daarvoor vereiste minimale rekenniveau (1F) halen. Daarom richt de voorziening zich met name op de laagst scorende leerlingen. Op het moment van de aanvraag zitten deze leerlingen nog in groep
- Bij de aanvraag dient een school tien leerlingen te selecteren op basis van de resultaten van de M6 toets. Daarbij gaat het minimaal om zes leerlingen die zich bevinden op rekenvaardigheid niveau IV en/of V. Daarnaast kunnen maximaal vier leerlingen worden geselecteerd die zich op niveau III bevinden. HDT is beperkt beschikbaar (artikel 9.4). In de periode 1 september 2024 tot 1 januari 2025 gaat het om in totaal 18 HDT-groepen en in de periode 1 september 2025 tot 1 januari 2027 om 23 HDT-groepen. De inzet van HDT is afhankelijk van het aantal tutoren. Gestreefd wordt om zoveel mogelijk groepen per begin schooljaar te laten starten. Als dit niet haalbaar blijkt, zullen een aantal groepen met ingang van 1 januari van het volgende kalenderjaar starten en doorlopen in groep
- Voor de eerste periode geldt dat met ingang van 1 september 2024 dertien groepen kunnen starten en met ingang van 1 januari 2025 nog eens vijf. Voor de daaropvolgende periode is de verdeling nu nog niet bekend. Op grond van artikel 9.6 dienen scholen bij hun aanvraag aan te geven hoeveel van het totaal aantal leerlingen van de toekomstige groep(en) 7 zich bevinden op niveau IV en/of V. De school selecteert aan de hand van de M6 score tien toekomstige groep 7 leerlingen voor deelname aan HDT. De leerkrachten kennen hun leerlingen het beste en op basis van hun vakbekwaamheid en professioneel handelen kunnen zij als geen ander beoordelen of een leerling wel of geen baat heeft bij HDT. De selectie wordt door scholen kort gemotiveerd, echter niet op leerlingniveau. Wel dient de school per afzonderlijke anonieme leerling aan te geven welke score deze heeft behaal op de M6 toets. Op grond van artikel 9.7 wordt een aanvraag geweigerd als er minder dan tien leerlingen deel zullen nemen aan een HDT groep. Dit geldt ook indien er minder dan zes leerlingen zich bevinden op rekenniveau IV of V. Ook wordt de aanvraag afgewezen als leerlingen zijn opgegeven die een score hebben van I of II. De verplichtingen zoals opgenomen in artikel 9.8 richten zich op de eerste plaats op een goede samenwerking tussen school en TBLI. Omdat HDT een verlengstuk van de school is, worden schoolmedewerkers intensief betrokken. The Bridge stemt zoveel als nodig af met de scholen over onderwerpen als de reguliere rekenles en het sociaal-emotioneel welbevinden van de leerlingen. De implementatie van HDT vraagt om maatwerk per school zodat het programma goed aansluit bij de visie en dagelijkse praktijk van de school. Het is zodoende belangrijk dat school en de TBLI met elkaar goede werkafspraken maken die opgenomen worden in een samenwerkingsovereenkomst. Ruim voor de start worden er voorbereidingsgesprekken gevoerd tussen de school en TBLI. Ook wordt elk half jaar een voortgangsgesprek gevoerd tussen de gemeente, school en TBLI. Er wordt hierbij in ieder geval stilgestaan bij ontwikkelingen en aandachtspunten. Op basis van o.a. de input die de gemeente ophaalt met deze gesprekken, wordt verder onderzocht hoe HDT op de langere termijn op scholen geborgd kan worden. Daarnaast laat het college onderzoek doen door de universiteit van Amsterdam naar de opbrengsten van HDT. Het schoolbestuur en de school zijn verplicht op grond van artikel 10 van de VloA 2019 om hieraan mee te werken. Een evaluatie van het loopjaar 2019/20 Bridge High Dosage Tutoring op vijf basisscholen inAmsterdam Zuidoost 31 december 2020 van Bowen Paulle (Universiteit van Amsterdam) en Joppe de Ree (Erasmus Universiteit Rotterdam, JDR Analytics) Artikelsgewijze toelichting: geen Verordening op het lokaal onderwijsbeleid Amsterdam 2019 Bijlage2:Voorzieningen aanvullende financiering personeel Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Soort voorzieningen Deze bijlage betreft de volgende voorzieningen: vakleerkracht cultuur; vakleerkracht bewegingsonderwijs; onderwijsondersteunend personeel. Artikel 1.2 Toepasselijkheid VloA 2019 Het algemeen deel van de VloA 2019 is van toepassing, tenzij daarvan in een voorziening in deze bijlage uitdrukkelijk wordt afgeweken. Artikel 1.3 Begripsomschrijvingen In de voorzieningen als bedoeld in artikel 1.1 wordt verstaan onder: school: school voor basisonderwijs en speciaal onderwijs met uitzondering van voortgezet speciaal onderwijs. Hoofdstuk 2 Voorziening vakleerkracht cultuur Artikel 2.1 Begripsomschrijvingen In deze voorziening wordt verstaan onder: Cultuureducatie: onderwijs op het gebied van de volgende disciplines: beeldende vorming; dans; drama; kunstgeschiedenis; media en letteren; muziek. vakleerkracht cultuur: vakleerkracht met onderwijs bevoegdheid, dan wel aantoonbare kennis hebbend van pedagogisch en didactisch handelen, gespecialiseerd op het terrein van de disciplines genoemd onder cultuur educatie. Artikel 2.2 Doel voorziening Het doel van deze voorziening is het versterken van cultuureducatie op scholen door middel van een vakleerkracht cultuur in aanvulling op de onderwijsvoorziening cultuureducatie (Hoofdstuk 2 van Bijlage 1 Voorzieningen in natura bij de VloA 2019). Artikel 2.3 Subsidiabele activiteiten en de hoogte van de subsidie Het college kan een subsidie verlenen als bijdrage in de kosten voor de inzet van een vakleerkracht cultuur; De hoogte van de subsidie wordt vastgesteld op basis van het aantal ongewogen leerlingen dat op 1 oktober in het schooljaar voorafgaand aan het te subsidiëren tijdvak stond ingeschreven op een school en bedraagt: € 12,00 per leerling van een school voor basisonderwijs € 24,00 per leerling van een school voor speciaal onderwijs Artikel 2.4 Bij de subsidieaanvraag in te dienen gegevens In aanvulling op artikel 5, tweede lid, van de VloA 2019 wordt bij een aanvraag per school de volgende informatie verstrekt: het cultuureducatiebeleidsplan, waarin wordt beschreven; de visie van de school op het gebied van cultuureducatie; welke doelen de school daarmee wil bereiken; een beschrijving van de doorlopende leerlijn op het terrein van cultuureducatie, waaruit blijkt hoeveel lessen cultuureducatie per week per groep of klas worden gegeven, welke lessen op locatie worden gevolgd en wat de samenhang is met de lessen op school; Op welke wijze de voorziening vakleerkracht bijdraagt aan het cultuureducatiebeleidsplan; Op welke wijze de verbinding wordt gemaakt tussen de vakleerkracht cultuur en de landelijke kerndoelen op het terrein van cultuureducatie. Artikel 2.5 Aanvullende verplichting Naast de verplichtingen op grond van artikel 9 van de VloA 2019 is aan de subsidie de verplichting verbonden dat het schoolbestuur minimaal € 12,00 per leerling zelf bijdraagt in de kosten verbonden aan de aanstelling of inhuur van een vakleerkracht cultuur. Artikel 2.6 Verantwoording In aanvulling op artikel 11 van de VloA 2019 verstrekt het schoolbestuur per school in het kader van de aanvraag om vaststelling van de subsidie informatie waaruit blijkt: hoeveel het schoolbestuur per school aan fte vakleerkracht cultuur over het gesubsidieerde tijdvak heeft aangesteld, dan wel heeft ingehuurd met de daaraan verbonden kosten; de inzet in uren van een vakleerkracht cultuur gedifferentieerd naar groepen, waaraan de vakleerkracht heeft lesgegeven. de bijdrage als bedoeld in artikel 2.5 van het schoolbestuur voor een vakleerkracht cultuur. Hoofdstuk 3 Voorziening vakleerkracht bewegingsonderwijs Artikel 3.1 Begripsomschrijvingen In deze voorziening wordt verstaan onder: Bevoegde vakleerkracht bewegingsonderwijs: Vakleerkracht afgestudeerd aan: de Academie voor Lichamelijke Opvoeding (akte MO P) of PABO plus Akte J of PABO afgestudeerd voor 2005 of PABO afgestudeerd na 2005 met post initiële opleiding lichamelijke opvoeding Artikel 3.2 Doel voorziening Het doel van deze voorziening is dat op de scholen aan de leerlingen van de groepen 1 tot en met 8 minimaal 90 minuten per week bewegingsonderwijs wordt gegeven door een bevoegde vakleerkracht bewegingsonderwijs. Artikel 3.3 Subsidiabele activiteiten en de hoogte van de subsidie Het college kan een subsidie verlenen als bijdrage in de kosten verbonden aan de inzet van een bevoegde vakleerkracht voor bewegingsonderwijs op een school, waarbij geldt dat door de vakleerkracht aan de leerlingen van de groepen 1 tot en met 8 minimaal 90 minuten per week, verdeeld over in ieder geval twee lessen, bewegingsonderwijs wordt gegeven. De hoogte van de subsidie van een school wordt berekend op basis van een bedrag van €73,00 per leerling per schooljaar en op basis van het aantal ongewogen leerlingen dat op 1 oktober in het schooljaar voorafgaand aan het te subsidiëren tijdvak stond ingeschreven op deze school. Artikel 3.4 Aanvullende verplichtingen Naast de verplichtingen op grond van artikel 9 van de VloA 2019 zijn aan de subsidie de volgende verplichtingen verbonden: het schoolbestuur draagt minimaal 40% van de totale kosten voor een vakleerkracht bewegingsonderwijs bij; het schoolbestuur ziet erop toe dat de vakleerkracht zijn vakbekwaamheid onderhoudt en erkende nascholingscursussen volgt;. het schoolbestuur ziet erop toe dat bewegen en motoriek is opgenomen in het ondersteuningsprofiel van de school, zodat het schoolteam passende ondersteuning en zorg kan bieden aan alle leerlingen op dit gebied; het schoolbestuur ziet erop toe dat de vakleerkracht bewegingsonderwijs de verbinding legt met de gemeentelijke sportstimulering. Hoofdstuk 4 Voorziening onderwijsondersteunend personeel Artikel 4.1 Begripsomschrijvingen In deze voorziening wordt verstaan onder: onderwijsondersteunende medewerker: een conciërge of een administratief medewerker of een combinatiefunctionaris.; combinatiefunctionaris: medewerker die zowel conciërge-, als administratieve taken uitvoert; school: een school voor basisonderwijs of een school voor speciaal onderwijs; vestiging: een hoofdvestiging, een nevenvestiging of een dislocatie. Artikel 4.2 Doel voorziening Het doel van deze voorziening is dat iedere school voor basisonderwijs en speciaal onderwijs en de daarbij behorende nevenvestigingen en dislocaties, kunnen beschikken over extra uren onderwijsondersteunend personeel, waardoor de werkdruk van het onderwijsgevende en leidinggevende personeel wordt verminderd en tevens de veiligheid in en rondom de school wordt vergroot. Artikel 4.3 Subsidiabele activiteiten en de hoogte van de subsidie Het college kan een subsidie verlenen als bijdrage in de kosten verbonden aan de aanstelling van één of meerdere onderwijsondersteunende medewerkers die op één of meerdere scholen werkzaam kunnen zijn, afhankelijk van de grootte van de school of scholen. De hoogte van de subsidie voor een hoofdvestiging van een basisschool en - een nevenvestiging van een basisschool wordt bepaald op grond van het aantal ongewogen leerlingen dat op 1 oktober in het schooljaar voorafgaand aan het te subsidiëren tijdvak de vestiging waarvoor de subsidie wordt aangevraagd daadwerkelijk bezocht. Hierbij gelden de volgende criteria: indien sprake is van minder dan 400 leerlingen wordt de subsidie berekend op basis van 0,2 fte en bedraagt € 8.000,00 in schooljaar 2019-2020; indien er sprake is van 400 leerlingen of meer wordt de subsidie berekend op basis van 0,4 fte en bedraagt € 16.000,00 in schooljaar 2019-
- [vervallen] [vervallen] Artikel 4.4 Aanvullende verplichtingen Naast de verplichtingen op grond van artikel 9 van de VloA 2019 zijn aan de subsidie de volgende verplichtingen verbonden: het schoolbestuur draagt per afzonderlijke vestiging van een school waarvoor de subsidie is verstrekt, minimaal 0,4 fte bij in de kosten verbonden aan het onderwijsondersteunend personeel; het schoolbestuur neemt het onderwijsondersteunend personeel in dienst in minimaal functieschaal 3 trede 7 van Functiewaardering Primair Onderwijs; het schoolbestuur streeft ernaar om bij de aanstelling van een nieuwe onderwijsondersteunende medewerker een inwoner van Amsterdam in dienst te nemen. Artikel 4.5 Verantwoording In aanvulling op artikel 11 van de VloA 2019 verstrekt het schoolbestuur per afzonderlijke vestiging van een school in het kader van de aanvraag om vaststelling van de subsidie informatie waaruit blijkt: het aantal fte onderwijsondersteunend personeel dat over het gesubsidieerde tijdvak aangesteld is geweest, uitgesplitst naar functie en inzet met de daaraan verbonden kosten; de bijdrage als bedoeld in artikel 4.4, onder a. van het schoolbestuur voor het onderwijsondersteunend personeel. Verordening op het lokaal onderwijsbeleid Amsterdam 2019 TOELICHTING Bijlage 2: Voorzieningen aanvullende financiering personeel Algemeen De voorzieningen aanvullende financiering personeel zijn beschikbaar voor alle scholen en hun leerlingen in de basisschoolleeftijd in Amsterdam. Enerzijds gaat het om voorzieningen die gericht zijn op de inzet van een vakleerkracht cultuur en een vakleerkracht bewegingsonderwijs. Anderzijds gaat het om ontlasten van leraren en leidinggevenden van onderwijs ondersteunende werkzaamheden en het verbeteren van veiligheid op de scholen. Bij al deze voorzieningen geldt verplichte cofinanciering door de schoolbesturen. Voorziening vakleerkracht cultuur In de Kunstenplannota 2025-2028 staat dat betekenisvolle cultuureducatie tijdens schooltijd vraagt om langdurige en gelijkwaardige samenwerking tussen scholen en culturele instellingen, gebaseerd op wederkerigheid. De voorziening vakleerkracht cultuur versterkt cultuureducatie in het basisonderwijs en vormt een aanvulling op de verstrekking die op grond van de onderwijsvoorziening cultuureducatie in natura wordt verstrekt: cultuurvouchers, de cultuurbus en ondersteuning van Mocca en vakdocent muziek. Met de voorziening vakleerkracht cultuur kunnen meer kinderen kennismaken met culturele vakgebieden. Voorziening vakleerkracht bewegingsonderwijs Met deze voorziening wordt beoogd het bewegingsonderwijs van een bevoegde leerkracht in Amsterdam aan de leerlingen van groep 1 t/m 8 uit te breiden tot minimaal 90 minuten per week. Hierdoor gaan de leerlingen per week meer sporten, bewegen en nemen deel aan spelactiviteiten op school. Dit past in het beleid van de gemeente gericht op een gezond gewicht en een gezonde levensstijl. Via deze voorziening worden schoolbesturen er ook op gewezen dat de school bewegen en motoriek moet opnemen in het ondersteuningsprofiel, zodat het schoolteam passende ondersteuning en zorg kan bieden aan alle leerlingen op dit gebied, bijvoorbeeld via de Amsterdamse ondersteuningsroute bewegen en motoriek voor primair onderwijs. De vakleerkracht is ook verantwoordelijk om de verbinding te leggen tussen de school en de gemeentelijke sportstimulering. Onderwijsondersteunend personeel: conciërge Iedere school, dislocatie of nevenvestiging kan beschikken over een conciërge of een andere vorm van onderwijs ondersteunend personeel om de werkdruk van de leraren en/of directie te verminderen en de veiligheid voor kinderen, ouders en leerkrachten in en rondom de schoolgebouwen te vergroten. Artikelsgewijze toelichting: geen Verordening op het lokaal onderwijsbeleid Amsterdam 2019 Bijlage3:Voorzieningen kansengelijkheid Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Soort voorzieningen Deze bijlage betreft de volgende voorzieningen: vroegschools aanbod; kansenaanpak primair onderwijs vanaf groep 3; Kansenaanpak voortgezet onderwijs; Voorziening Amsterdamse Familie School 2023-2027; nieuwkomers. Brede Brugklas Bonus (2023-2027) Artikel 1.2 Toepasselijkheid VloA 2019 Het algemeen deel van de VloA 2019 is van toepassing, tenzij daarvan voor een voorziening in deze bijlage uitdrukkelijk wordt afgeweken. Hoofdstuk 2 Voorziening Vroegschools aanbod Artikel 2.1 Begripsomschrijvingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: certificering: bewijs van afgeronde opleiding voor het werken met een Vve-programma; combinatiefunctionaris: pedagogisch medewerk(st)er op MBO (3/4) of HBO niveau werkzaam op zowel de voorschool als de basisschool om de doorgaande ontwikkeling van de instromende kleuters te borgen; coördinator vroegschools aanbod: medewerker die zorgdraagt voor de uitvoering van het vroegschools aanbod en toe ziet op een doelmatige afstemming van de subsidiabele activiteiten; ouderbetrokkenheid: activiteiten gericht op ouders ten behoeve van het stimuleren van de ontwikkeling van het kind; pilot programmaloos: pilot waarbinnen geëxperimenteerd wordt met een door een school zelf ontwikkelde werkwijze passend bij de leerlingenpopulatie als alternatief voor een VVE-programma, waarmee beoogd wordt om op gestructureerde en samenhangende wijze de ontwikkeling van kinderen te stimuleren op het gebied van taal, rekenen, motoriek en de sociaal-emotionele ontwikkeling; school: basisschool of nevenvestiging van een basisschool; vroegschoolvariant: Amsterdamse variant van een Vve-programma, ontwikkeld voor scholen met weinig Amsterdamse gewichtenleerlingen; vroegschools aanbod: activiteiten gericht op een goede aansluiting op de voorschoolse periode en een optimale ontwikkeling van kinderen in groep 1 en 2; Voorschool: kindercentrum waaraan de gemeente subsidie heeft verstrekt voor de uitvoering van de Subsidieregeling voorschoolse educatie en ontwikkelaanbod Amsterdam 2019; Vve-programma: programma voor voor- en vroegschoolse educatie waarin op gestructureerde en samenhangende wijze de ontwikkeling van kinderen wordt gestimuleerd op het gebied van taal, rekenen, motoriek en de sociaal-emotionele ontwikkeling, zoals opgenomen in de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands jeugdinstituut. Artikel 2.2 Doel Voorziening Het doel van deze voorziening is in het kader van kansengelijkheid en ter voorkoming van onderwijsachterstanden, Amsterdamse basisscholen in staat te stellen om in aansluiting op de voorschoolse periode zorg te dragen voor een optimale ontwikkeling van alle leerlingen van groep 1 en
- Artikel 2.3 Subsidiabele activiteiten en de hoogte van de subsidie Het college kan een subsidie verlenen als bijdrage in de kosten voor het uitvoeren vroegschoolse aanbod op drie mogelijke niveaus: Vroegschools aanbod niveau A bestaande uit de volgende activiteiten: het actief ophalen van informatie over de voorschoolse periode van alle instromende leerlingen bij de kinderopvang. De warme overdracht van doelgroep- en zorgleerlingen vindt plaats na toestemming van de