Verstrekkingenboek Ter uitwerking van en toelichting op de Verordening Individuele Voorzieningen in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuningGemeente Zaanstad Uitgevoerd door het Regionaal Indicatieorgaan Zaanstreek Veelgebruikte afkortingen en Inhoudsopgave Veelgebruikte afkortingen AWB Algemene Wet Bestuursrecht AWBZ Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten AAW Algemene Arbeidsongeschiktheidswet ARBO Arbeidsomstandigheden wet Wvg Wet voorzieningen gehandicapten Wmo Wet maatschappelijke ondersteuning WAZ Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen Wajong Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten Rea Wet op de reintegratie arbeidsgehandicapten WIA Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen WAO Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering Wbp Wet bescherming persoonsgegevens ZW Ziektewet Bza Besluit zorgaanspraken AWBZ HV Huishoudelijke verzorging RIO Regionaal Indicatieorgaan CIZ Centrum indicatiestelling zorg Pgb Persoonsgebonden budget HBH Hulp bij het huishouden PvE Programma van eisen ICF International Classification of Functions CARA Chronische Aspecifieke respiratoire aandoeningen CAK Centraal administratiekantoor SVB Sociale verzekeringsbank UVW Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen VWS ministerie van volksgezondheid, welzijn en sport VNG vereniging Nederlandse gemeenten GPP gehandicaptenparkeerplaatsen GPK gehandicaptenparkeerkaarten KBOH kwaliteits- en bruikbaarheidsonderzoek van hulpmiddelen Inhoudsopgave Inleiding Hoofdstuk 1 Compensatie Algemeen De overgang van Wvg-Wmo 2007 Hoofdstuk 2 Procedure van aanvraag tot en met verstrekking Inleiding Kwaliteitsbewaking van de indicatie en uitvoering Aanvraag Onderzoek – doelgroep Onderzoek – medisc Het advies Motivering van besluiten Cliëntgegevens Cliëntenrechten Hoofdstuk 3 Persoonsgebonden budget Inleiding Pgb-regeling In aanmerking komen voor een Pgb Tot stand komen van het Pgb-bedrag De beschikking Verantwoording van het Pgb Pgb-cliënten Pgb voor hulp bij het huishouden Pgb voor hulpmiddelen in het kader van verplaatsen Pgb voor vervoersvoorzieningen voor lokaal verplaatsen Pgb voor woonvoorzieningen Pgb-regeling op maat Hoofdstuk 4 Het voeren van een huishouden, hulp bij het huishouden Inleiding Artikelen over hulp bij het huishouden in de verordening Beschikbare voorzieningen voor hulp bij het huishouden Procedure rond hulp bij het huishouden Tijdelijke situatie overgangsrecht ex artikel 41 Wmo Hoofdstuk 5 Woonvoorzieningen Inleiding Artikelen over woonvoorzieningen in de verordening Vormen van woonvoorzieningen Hoofdstuk 6 Lokaal verplaatsen per vervoermiddel Inleiding Artikelen over vervoer uit de verordening Vervoersvoorzieningen Hoofdstuk 7 Verplaatsen in en rond de woning: de rolstoel Verplaatsen in en rond de woning Vormen van rolstoelvoorzieningen AWBZ-rolstoel en Wmo-ver voersbehoefte Verstrekking van rolstoelen in natura Depot Rolstoelaanpassingen en –accessoires Onderhoudskosten en reparaties van rolstoelen Oplaadkosten elektrische rolstoel Bijlage 1 International Classification of Functions Bijlage 2 beleid gehandicaptenparkeerkaarten Inleiding. Voor u ligt het verstrekkingenboek individuele voorzieningen gemeente Zaanstad. Het verstrekkingenboek vormt samen met de verordening individuele voorzieningen en het besluit maatschappelijke ondersteuning een sluitend geheel aan regelgeving voor het 6e prestatieveld van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het 6e prestatieveld omvat: Het verlenen van voorzieningen aan mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en aan mensen met een psychosociaal probleem ten behoeve van het behouden en het bevorderen van hun zelfstandig functioneren of hun deelname aan het maatschappelijk verkeer. De wet stelt dat er een verordening voor dit prestatieveld moet zijn. De verordening individuele voorzieningen is op 21 september 2006 vastgesteld in de gemeenteraad. In het verstrekkingenboek wordt middels beleidsregels een uitwerking gegeven aan de verordening individuele voorzieningen. Het verstrekkingenboek ontleent haar status aan artikel 4:81, lid 1 Algemene wet bestuursrecht: “ Een bestuursorgaan kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde bevoegdheid.” Als het verstrekkingenboek is vastgesteld, kan in beschikkingen eenvoudig verwezen worden naar de opgenomen beleidsregels. Uiteraard is het wel zo dat besluiten volgens de beleidsregels moeten worden genomen. Dit sluit uiteraard niet uit om bij gewijzigd beleid de beleidsregels aan te passen. De Wmo is in juli 2006 aangenomen, daarmee was de tijd tot in werking treden van de wet op 1 januari 2007 maar kort. Daarom heeft de gemeente ervoor gekozen in eerste instantie te zorgen voor borging van rechten en continuïteit op het terrein van individuele voorzieningen. Dit betekent dat wordt aangehaakt bij het huidige beleid rond de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) en de huishoudelijke verzorging (HV), en dat in een later stadium wordt gewerkt aan de vernieuwing van het beleid. De gemeente Zaanstad beschouwt de verordening individuele voorzieningen als een overgangsverordening. Na het eerste jaar zal deze verordening worden gestart met evaluatie van deze verordening en zal de beleidsvernieuwing gestalte krijgen. In dit verstrekkingenboek zijn dan ook de meeste onderdelen uit het verstrekkingenboek Wvg overgenomen. Daar waar het nodig was, zijn onderdelen aangepast aan de Wmo. Na evaluatie van de verordening individuele voorzieningen zal indien nodig het verstrekkingenboek ook worden herzien Het verstrekkingenboek volgt in principe de opbouw van de verordening. Er zijn dus hoofdstukken over de verschillende terreinen waarop individuele voorzieningen worden verstrekt: woonvoorzieningen, hulp bij het huishouden, het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel (vervoersvoorzieningen) en verplaatsen in en rond de woning (rolstoelen). In de verordening is de uitvoering van de Wmo is door de gemeente Zaanstad neergelegd bij het Regionaal Indicatie Orgaan (RIO)-Zaanstreek. In hoofdstuk 2 wordt het traject van aanvraag tot toekenning van een voorziening beschreven. Artikel 40 en 41 Wmo bevatten overgangsrecht, artikel 40 voor de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) en artikel 41 voor de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Het overgangsrecht voor de Wvg is helder; wie op 31 december 2006 een Wvg-voorziening heeft, behoudt deze voorziening onder Wvg-regelgeving zo lang de beschikking loopt met een maximum van één jaar. De Wvg wordt al door gemeenten uitgevoerd, zodat de uitvoering van dit overgangsrecht geen problemen op zal leveren. Anders ligt het met de AWBZ. Die wordt niet door gemeenten uitgevoerd, terwijl toch de AWBZ-rechten net als bij de Wvg maximaal één jaar blijven bestaan. In hoofdstuk 3 wordt teruggekomen op het overgangsrecht voor de AWBZ. Hoofdstuk1Compensatie 1.1.Algemeen Artikel 4 Wmo geeft gemeenten de opdracht tot het verstrekken van individuele voorzieningen: Ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4° , 5° en 6°, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, treft het college van burgemeester en wethouders voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen: een huishouden te voeren; zich te verplaatsen in en om de woning; zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel; medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan. Bij het bepalen van de voorzieningen houdt het college van burgemeester en wethouders rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien. Net als in de verordening wordt er in dit verstrekkingenboek van uitgegaan dat onder het voeren van een huishouden zowel de woonvoorzieningen als de hulp bij het huishouden moeten worden verstaan. Onder het zich verplaatsen in en om de woning is de rolstoelvoorziening gerekend. Onder het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel zijn de vervoersvoorzieningen begrepen. 1.1.2.Lid 1 artikel 4 Het in staat stellen moet op een dusdanige wijze plaatsvinden dat de burger met een beperking in een gelijkwaardige uitgangspositie wordt gebracht ten opzichte van de burger zonder beperkingen. De gemeente mag zelf bepalen welke voorzieningen zij aanbiedt om het wettelijk vastgestelde doel/resultaat te bereiken. Dit vraagt een omslag van het zogenaamde aanbod gerichte denken (waarbij bepaalde belemmeringen één op één worden gekoppeld aan bepaalde voorzieningen) naar vraaggericht denken (waarbij het uiteindelijke resultaat voorop staat). Dit betekent dat de aanspraak op ondersteuning niet vertaald wordt in een verplichting om bepaalde met name te noemen voorzieningen te verstrekken, maar omschreven zal worden in termen van het te bereiken resultaat. Deze benadering is in de Wmo samengevat in het zogenaamde “compensatiebeginsel”.
(1)Compensatie Compenseren ofwel vereffenen ( vrij vertaald naar de Wmo: het opheffen van een verschil) is een belangrijk uitgangspunt van de Wmo. De burger moet gecompenseerd worden in de beperkingen die hij ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie. Bij de beoordeling van de benodigde compensatie zal eerst gekeken moeten worden naar wat mensen en hun omgeving naar draagkracht zelf kunnen, lokale ondersteuning waar nodig en verzekerde zorg waar ondersteuning niet genoeg meer is. Compenseren moet dus gezien worden in een breed perspectief en vanuit dat perspectief moet ingezoomd worden op de individuele ondersteuningbehoefte/vraag van de klant. Dit leidt tot een aanpak waarbij de vraag van de burger centraal staat. Cliënten (of hun vertegenwoordigers) moeten zelf (mede) vorm kunnen geven aan de ondersteuning. De gemeenteraden van Oostzaan en Zaanstad hebben naar aanleiding van deze andere aanpak de respectievelijke colleges verzocht om –vooruitlopend op de evaluatie in januari 2008- in september 2007 verslag te doen van de vorderingen van de omslag van aanbodgericht naar vraaggericht denken en handelen van gemeente en RIO. Na de beleidsarme overgang op 1 januari 2007 zal in 2007 een evaluatieplan opgesteld worden waarin in eerste instantie een opzet gemaakt moet worden wat verstaan wordt onder vraaggericht denken en handelen en welke indicatoren hiervoor worden ingezet om een dergelijke omslag te meten. Daarnaast zal het RIO monitoren waar het huidige beleid haaks staat op de bedoeling/aanpak zoals dat in de Wmo wordt aangegeven. Na de evaluatie worden de verordening individuele voorzieningen en het verstrekkingenboek aangepast. 1.1.3.lid 2 artikel 4 Bij de uitwerking van lid 2 van artikel 4 Wmo moet nog in het bijzonder aandacht worden besteed aan het tweede deel van deze bepaling, dat luidt: “houdt het college van burgemeester en wethouders rekening met (…….) alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien.” Het is deze bepaling die de gemeente in staat stelt inkomensgrenzen te stellen voor bepaalde voorzieningen bij een bepaald inkomen. Een dergelijke inkomensgrens bestond in de Wvg ook al, maar was daar gebaseerd op het begrip “algemeen gebruikelijk”. De formulering van artikel 4 lid 2 Wmo is echter veel algemener. Wellicht kan zelfs gedacht worden aan een formulering waarbij alle individuele voorzieningen boven een bepaald (verzamel)inkomen niet meer verstrekt hoeven worden. Dit standpunt wordt nog versterkt door de toelichting op de Algemene maatregel van bestuur (staatsblad 2006 450) betreffende het heffen van een eigen bijdrage. De staatssecretaris schrijft daar expliciet: “Dit betekent dat, als de aanvrager in staat is de voorzieningen zelf te regelen én de financiële middelen heeft deze zelf te betalen, hij niet in aanmerking komt voor verstrekking van de voorziening, of het geld daarvoor, op grond van de Wmo. Het is aan het college van burgemeester en wethouders zelf om te bepalen wanneer het compensatiebeginsel tot deze uitkomst leidt. De Wmo geeft geen bevoegdheid om daarover regels te stellen.”. De gemeenteraad heeft besloten de Wmo beleidsarm, dat willen zeggen met zo min mogelijk veranderingen ten opzichte van de huidige situatie, in te voeren. Dit betekent dat alleen voor Hulp bij het huishouden een eigen bijdrage wordt gevraagd, net als nu in het AWBZ het geval is. Voor de Wvg-voorzieningen wordt geen eigen bijdrage gevraagd. Wel zal net als nu het geval is voor sommige voorzieningen een besparingsbijdrage of eigen inbreng worden gevraagd. Of het beleid betreffende inkomensgrenzen gewijzigd moet worden zal bij de evaluatie van het Wmo-beleid aan de orde komen. 1.2.De overgang van Wvg naar Wmo In vergelijking met de Wet voorzieningen gehandicapten gaat de Wet maatschappelijke ondersteuning verder in het treffen van voorzieningen. In de Wvg ging het nog om het treffen van adequate voorzieningen, d.w.z. een op het individu en de lokale omstandigheden afgestemde voorziening, waarmee de ondervonden beperkingen geheel of gedeeltelijk worden weggenomen, waardoor de gehandicapte zo lang mogelijk en financieel verantwoord zelfstandig kan wonen en waardoor deelgenomen kan worden aan het maatschappelijk verkeer. De voorziening kan in de vorm van aanpassingen, zodat de materie wordt aangepast aan de mogelijkheden van de cliënt, of in de vorm van hulpmiddelen, zodat de klant door middel van een dergelijk middel –beter- kan functioneren in leven van alledag/de dagelijkse omgeving. De bedoeling van de Wmo is het treffen van voorzieningen waarmee de beperkingen die een persoon ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, worden gecompenseerd, kortom: weggenomen worden. Zowel de doelgroep als de zaken waarvoor gemeenten verantwoordelijk zijn, zijn in vergelijking met de Wvg toegenomen. Bij een volledige beoordeling van een aanvraag en een goede vaststelling van het deel dat gecompenseerd moet worden spelen de volgende aspecten mee: de norm: algemeen gebruikelijk gebruikelijke zorg op basis van hetgeen de cliënt aangeeft op basis van hetgeen gebruikelijk is voor een persoon als cliënt. de mogelijkheden van de cliënt: in staat zijn om zelf te regelen in staat zijn om zelf te betalen in combinatie met bestaande algemene en of voorliggende voorzieningen in combinatie met het cliëntsysteem de voorziening(en): in de vorm van persoonsgebonden budget in natura (menskracht of materie) 1.3.1.De norm: Eén norm die voorlopig overeind blijft is “algemeen gebruikelijk”. De gemeente heeft besloten de Wmo beleidsarm in te voeren. Hierdoor wordt het begrip algemeen gebruikelijk uit de Wvg overgenomen. Daarnaast betekent het ook dat het protocol HV uit de AWBZ wordt overgenomen. Hierin is het begrip gebruikelijke zorg uitgewerkt. Daarnaast zal uitgegaan moeten worden van individuele normen, mede gelet op het maatwerk dat door middel van de voorziening geleverd moet worden. Het vaststellen van de individuele norm zal derhalve voor een belangrijk deel ingevuld worden met wat de cliënt aangeeft als beoogd doel, d.w.z. hoe de cliënt zich gecompenseerd ziet in het verschil dat hij/zij nu ervaart. Dit vereist een samenspraak met de cliënt waarbij de grenzen van het doel in een redelijk perspectief geplaatst moeten worden, zodat de cliënt ook zijn/haar vermogen, zowel lichamelijk, verstandelijk, geestelijk als financieel behoudt of activeert om verantwoordelijkheid te nemen op voornoemde terreinen. 1.3.2.De mogelijkheden van de cliënt: Voor het vaststellen van de mogelijkheden van de cliënt zal worden gewerkt met een indicatieprotocol, waarbij de mogelijkheden van de cliënt in beeld worden gebracht. De weging die daarbij gemaakt wordt heeft betrekking op het vaststellen van de belemmeringen afgezet tegen de mate van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie met betrekking tot voornoemde terreinen. Zelfredzaamheid is in beginsel een individueel gegeven, uitgaand van de geestelijke, lichamelijke en financiële mogelijkheden van de cliënt. Maar zelfredzaamheid valt niet op alle terreinen los te zien van het systeem dat zich om de cliënt bevindt. Het meest voor de hand liggende terrein is het voeren van het huishouden. Hierin kunnen de leden van de leefeenheid elkaar compenseren bij uitval van een lid van de leefeenheid. De oplossing, de voorziening zal daardoor én een bepaalde mate van flexibiliteit in zich moeten dragen én dermate ondersteunend zijn dat de mogelijkheden van zelfredzaamheid worden vergroot/gehandhaafd. In een aantal gevallen zal combinatie met bepaalde AWBZ voorzieningen hierin betrokken moeten worden. Maatschappelijke participatie. In de Wvg was dit begrip uitgewerkt tot het in staat stellen van de burger om in aanvaardbare mate deel te nemen aan het leven van alledag in de directe woon- en leefomgeving, ter voorkoming van sociaal isolement. Jurisprudentie heeft nadere afbakeningen gegeven, zoals afbakening van het aantal kilometers dat afgelegd moet kunnen worden en afbakening ten aanzien van recreatief gebruik. De invulling in de Wmo is ruimer als er wordt gesteld dat de gemeente de verantwoordelijkheid heeft om oplossingen te bieden aan burgers met beperkingen via het treffen van voorzieningen die hen in staat stellen medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan. 1.3.3.De voorzieningen: Het begrip voorzieningen moet breed gelezen worden, d.w.z. zowel materieel (hulpmiddelen, aanpassingen) als menskracht (hulp, dienstverlening, ondersteuning, begeleiding). Een materiële oplossing heeft een specifiek doel. De materiële oplossing is derhalve zeer geschikt als het gaat om situaties waarin er geen grote veranderingen zijn te verwachten in de mogelijkheden van de cliënt. De oplossing in de vorm van menskracht daarentegen biedt de mogelijkheid om in te spelen op wijzigingen in de aard en de mate van de ondervonden belemmeringen. De door de Wmo aangeboden mogelijkheid om de cliënt keuzevrijheid te geven zal daarom al in het begin (bij het indicatieonderzoek) meegenomen moeten worden. Hierdoor kan het traject van de besluitvorming en de effectuering op een efficiënte wijze worden gedaan. Bij de besluitvorming is dit van belang, omdat de keuze van voorziening uitgebreid gemotiveerd moet worden. Bij de effectuering is dat van belang, omdat daarmee wordt bereikt dat de cliënt zich verantwoordelijk voelt voor de aangereikte oplossing, waardoor het slagingspercentage van de oplossing wordt vergroot. 1.3.2007 De huidige werkwijze richt zich met name op de norm en de voorzieningen. De gemeenteraad van Zaanstad heeft zich bij de behandeling van de verordening individuele voorzieningen uitgesproken voor een omslag van aanbodgericht naar vraaggericht handelen van gemeente en RIO. Deze omslag moet plaatsvinden in 2007. In de omslag naar vraaggericht werken zullen bij de beoordeling de mogelijkheden van de cliënt meer in beeld gebracht moeten worden. In het komend jaar zal hier nadere uitwerking aan worden gegeven en zal het resultaat hiervan bij de evaluatie van de verordening worden meegenomen. Hoofdstuk2 Procedure van aanvraag tot en met verstrekking 2.1. Inleiding De gemeente Zaanstad streeft een geïntegreerd Wmo beleid na. In dit beleid past een brede beoordeling van aanvragen, voor verschillende vormen van zorg en voorzieningen door één loket. Met de komst van de Wmo wordt in Zaanstad gestart met een nieuw loket waar burger terecht kunnen met hun vragen op het gebied van wonen, zorg en welzijn. Dit loket krijgt de naam Zorgzaan, het RIO-Zaanstreek maakt onderdeel uit van dit Wmo-loket. De uitvoering van het verstrekken van individuele voorzieningen is door de gemeente gemandateerd aan het Regionaal Indicatie Orgaan Zaanstreek (RIO Zaanstreek). Deze instelling verzorgt een hoogwaardige intake en indicatiestelling voor individuele Wmo-voorzieningen, aanleunwoningen en gehandicaptenparkeerplaatsen en -kaarten. Tevens verzorgt het RIO Zaanstreek de effectuering van geïndiceerde individuele Wmo- voorzieningen en wijst zij gehandicaptenparkeerkaart en –plaatsen toe. Op de gehele procedure (m.u.v. aanleunwoningen) zijn de regels van de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb) van toepassing. Het RIO Zaanstreek is een zelfstandige stichting. Haar formele positie is gebaseerd op: De Wet Maatschappelijke Ondersteuning (Wmo). De wet biedt het globale kader op grond waarvan individuele Wmo-voorzieningen worden verstrekt. De Gemeentewet Die vormt de basis voor mandatering van indicatiestelling en effectuering van de individuele voorzieningen in het kader van de Wmo De gemeentelijke verordening individuele voorzieningen Deze geeft een concreet kader op grond waarvan de individuele Wmo-voorzieningen verstrekt worden. Het Besluit maatschappelijke ondersteuning. Hierin staan de bedragen en voorzieningen concreet genoemd. Het verstrekkingenboek Wmo. Dit bevat concrete richtlijnen en criteria voor indicatiestelling en het verstrekken van voorzieningen op grond van de Wmo Naast indicatiestelling en uitvoering van de individuele Wmo-voorzieningen levert het RIO beleidsinformatie. Op basis van de verzamelde gegevens, formuleert het RIO periodiek voor de gemeente aanbevelingen betreffende het Wmo-beleid. 2.2. Kwaliteitsbewaking van de indicatie en uitvoering De kwaliteit van de dienstverlening en de mate waarin het RIO het bepaalde in overeenkomsten en regelgeving naleeft, wordt periodiek (per kwartaal) door de gemeente getoetst.
(1)Hiertoe worden door de gemeente de volgende instrumenten gebruikt: de gemeente heeft met het RIO een uitvoeringsovereenkomst gesloten. Hierin zijn leveringsvoorwaarden en het kader voor rechtmatigheid opgenomen. de gemeente ontvangt jaarlijks een (door accountants goedgekeurd) jaarverslag periodiek worden managementrapportages aangeleverd de gemeente ontvangt jaarlijks een set verantwoordingsinformatie, waarin relevante gegevens m.b.t. verstrekkingen, indicaties e.d zijn opgenomen. er kan een contra-expertise worden gevraagd (bij twijfel of steekproefsgewijs); er worden richtlijnen gegeven voor de procedure; bezwaarschriften worden door juridische zaken van de gemeente behandeld. De gemeente draagt twee leden voor in de Raad van Toezicht van het RIO er is periodiek ambtelijk overleg met het RIO er is periodiek bestuurlijk overleg met het RIO 2.3.Aanvraag Een voorziening wordt uitsluitend verstrekt op aanvraag. Op een aanvraag is de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. De Awb bepaalt dat een voorziening op aanvraag wordt toegekend. De cliënten melden hiertoe telefonisch, schriftelijk of mondeling bij het RIO (via het loket Zorgzaan) dat zij voor een voorziening in aanmerking willen komen. In alle gevallen dient door de cliënt of diens wettelijk vertegenwoordiger een aanvraagformulier te worden ingevuld. Het aanvraagformulier voldoet aan het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht. Aanvragen in het kader van de Wmo kunnen uitsluitend schriftelijk worden ingediend. Dit gebeurt ingevolge artikel 32 van de verordening individuele voorzieningen aan de hand van een speciaal aanvraagformulier. Voordeel van een dergelijk formulier is dat, als het geheel ingevuld is, alle voor de behandeling noodzakelijke gegevens beschikbaar zijn. Indien noodzakelijke gegevens ontbreken kan een aanvraag niet in behandeling worden genomen. Voordat overgegaan kan worden tot een besluit de aanvraag niet te behandelen wordt de cliënt de gelegenheid gegeven de ontbrekende gegevens, binnen een door het RIO gestelde termijn, aan te vullen. Besluit men, nadat deze gelegenheid is geboden, een aanvraag wegens onvolledigheid niet te behandelen, dan wordt dit schriftelijk aan de cliënt medegedeeld, binnen 4 weken nadat de aanvraag is aangevuld/of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken (art. 4.5 lid 4 Awb). Tegen het besluit om een aanvraag niet in behandeling te nemen staat de mogelijkheid van bezwaar open. De aanvraag voor een individuele Wmo-voorziening dient ingediend te worden op de in artikel 31 van de verordening genoemde plaats, waar een loket bestaat dat tevens bedoeld is voor het indienen van aanvragen in het kader van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Is op het terrein van de Wmo en op het terrein van de AWBZ tegelijkertijd een aanvraag noodzakelijk, dan kan die aanvraag in één keer worden gedaan. Op deze wijze is voldaan aan het vereiste van de Wmo dat er een relatie gelegd dient te worden tussen de indicatie ten aanzien van de AWBZ en aanvragen ten aanzien van de Wmo. Als het aanvraagformulier volledig is en alle noodzakelijke gegevens tegelijkertijd verstrekt zijn, kan de aanvraag in behandeling worden genomen. Voor het behandelen van de aanvraag tot beschikken is volgens de Awb een termijn van 8 weken beschikbaar. Als het niet lukt binnen de voorgeschreven 8 weken op een aanvraag een beschikking te nemen, dan zal voor het verstrijken van deze termijn betrokkene daarvan op de hoogte moeten worden gesteld, onder vermelding van de nieuwe termijn waarbinnen nu een besluit verwacht kan worden. 2.4.Onderzoek - doelgroep Het eerste dat bij een aanvraag moet gebeuren is beoordelen of de aanvrager behoort tot de doelgroep van de Wmo. Daarvoor liggen enkele uitgangspunten in de Wmo zelf en aanvullend hierop enkele uitgangspunten in de modelverordening. In de Wmo zelf liggen de volgende uitgangspunten: Artikel 2 Wmo bepaalt: “Er bestaat geen aanspraak op maatschappelijke ondersteuning voor zover met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat.” Er zal dus altijd moeten worden nagegaan of de aangevraagde voorziening wellicht valt onder andere regelingen. Het gaat hierbij uitsluitend om wettelijke bepalingen. Daaronder kan de AWBZ worden gerekend, maar ook de Wet inkomen en arbeid (WIA). Artikel 4 van de Wmo spreekt van “de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4° , 5° en 6°, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie”. Die persoon uit het eerste lid onder g, onderdeel 4, 5 en 6 is: “4° het ondersteunen van mantelzorgers daar onder begrepen steun bij het vinden van adequate oplossingen indien zij hun taken tijdelijk niet kunnen waarnemen, alsmede het ondersteunen van vrijwilligers; 5° het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijke verkeer en van het zelfstandig functioneren van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem; 6° het verlenen van voorzieningen aan mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en aan mensen met een psychosociaal probleem ten behoeve van het behouden en het bevorderen van hun zelfstandig functioneren of hun deelname aan het maatschappelijke verkeer;” Het gaat daarbij om mantelzorgers, mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en mensen met een psychosociaal probleem ten aanzien van deelname aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig functioneren; mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en mensen met een psychosociaal probleem ten aanzien van voorzieningen ten behoeve van het behouden en bevorderen van het zelfstandig functioneren of deelname aan het maatschappelijk verkeer. Als het gaat om het onderdeel “mantelzorgers” in relatie tot voorzieningen geldt dat zij alleen voor voorzieningen in aanmerking kunnen komen als zij die voorzieningen zelf nodig hebben. Heeft degene die de mantelzorg ontvangt voorzieningen nodig, dan zullen die uiteraard op zijn of haar naam aangevraagd moeten worden. Ten aanzien van hulp bij het huishouden kan een uitzondering worden gemaakt. Als de (interne) mantelzorger bijvoorbeeld de mantelzorg (bestaande uit persoonlijke verzorging) door overbelasting niet meer (geheel) aan zou kunnen, zou een indicatie hulp bij het huishouden gesteld kunnen worden, zodat de mantelzorger die hulp niet meer hoeft te geven en meer tijd overhoudt voor de persoonlijke verzorging. Het is dus niet zo dat een externe mantelzorger hulp bij het huishouden in zijn eigen huishouden aan kan vragen ter ontlasting, zodat de mantelzorg gemakkelijker te verlenen is. Het moet altijd gaan om het huishouden van de zorgvrager. Ten aanzien van de onder 2 en 3 genoemde groepen -mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en mensen met een psychosociaal probleem - zal vaak een medisch advies nodig zijn om vast te stellen waar de beperkingen/belemmeringen uit bestaan, of dat te objectiveren is en welke mogelijkheden er zijn om de problemen op te lossen. Daarbij zal gebruik gemaakt worden van de International Classification of Functions (ICF), wat verder is uitgewerkt in paragraaf 2.5 In de verordening is in de verschillende hoofdstukken een eis vastgelegd bestaande uit “beperkingen ten gevolge van ziekte, gebrek of psychosociaal probleem” (of “aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek of problemen bij het uitvoeren van de mantelzorg”). Er wordt dus een aanvullende eis gesteld dat er sprake moet zijn van (aantoonbare) beperkingen op grond van ziekte of gebrek. Het gaat hierbij om een medisch oordeel. Ook binnen de Wmo zal, net als binnen de Wvg en de AWBZ, de medische noodzaak centraal staan bij het toekennen van voorzieningen. Via een medisch onderzoek zal vastgesteld moeten worden of er inderdaad medische noodzaak bestaat. Als is vastgesteld of er medisch gezien sprake is van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek en als de beperkingen zijn geïnventariseerd en de oplossingen helder zijn speelt de vraag of er algemene beperkingen zijn. Deels zal deze vraag ook eerder spelen. Immers: het heeft weinig zin een uitgebreid medisch onderzoek te starten als tevoren duidelijk is dat het probleem tijdelijk is en dus niet voldaan kan worden aan het criterium langdurig-noodzakelijk. Bij de behandeling van de aanvraag van voorzieningen spelen enkele algemene beperkingen, zoals vastgelegd in de verordening in artikel 2. Het gaat daarbij om de begrippen: langdurig noodzakelijk (art. 2.1, aanhef en onder
- a)goedkoopst-adequaat (artikel 2.1. aanhef en onder
- b)in overwegende mate op het individu gericht (artikel 2, aanhef en onder c). Verder wordt in een aantal situaties geen voorziening toegekend. Dit is het geval: bij een algemeen gebruikelijke zaak (artikel 2, lid 2 aanhef en onder a), als de aanvrager niet woonachtig is binnen de gemeente waar de aanvraag wordt ingediend (artikel 2, lid 2 aanhef en onder b), voor zover de ondervonden problemen voortvloeien uit de aard der gebruikte materialen (artikel 2, lid 2 aanhef en onder c), voor zover de aanvraag gericht is op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau sociale woningbouw (artikel 2, lid 2 aanhef en onder d), voor zover geen sprake is van meerkosten (artikel 2, lid 2 aanhef en onder e), voor zover de kosten gemaakt zijn voorafgaand aan het moment van beschikken (artikel 2, lid 2 aanhef en onder
- f)voor zover de aanvraag een verloren gegane zaak betreft (artikel 2, lid 2 aanhef en onder g). Langdurig noodzakelijk (art. 2.1, aanhef en onder
- a)De eis dat een voorziening langdurig noodzakelijk moet zijn heeft te maken met de afgrenzing met het hulpmiddelendepot dat op basis van de AWBZ beschikbaar wordt gesteld. Uit het hulpmiddelendepot van de AWBZ kan gedurende drie maanden, éénmaal te verlengen met nog eens drie maanden, een hulpmiddel worden verleend. Na die periode bestaat de mogelijkheid het hulpmiddel tegen betaling te huren. Dat wil evenwel niet zeggen dat de grens van langdurig noodzakelijk op 6 maanden ligt. De grens wordt eerder bepaald door de vraag: gaat het probleem over of is het blijvend. Als iemand een probleem heeft dat 8 of 10 maanden zal duren maar daarna over zal zijn, mag er van worden uitgegaan dat geen sprake is van langdurige noodzaak. Dat geldt overigens niet bij een aanvrager die terminaal is. Als de levensverwachting 4 maanden is, is duidelijk dat het geen tijdelijk probleem is, maar een probleem tot de dood erop volgt. Er moet dan uitgegaan worden van langdurige noodzaak. Goedkoopst-adequaat (artikel 2.1. aanhef en onder b). Het criterium goedkoopst-adequaat betekent dat een te verstrekken voorziening allereerst adequaat dient te zijn. De voorziening dient te voldoen aan het gestelde programma van eisen. Zijn er twee of meer voorzieningen adequaat, dan mag gekozen worden voor de goedkoopste voorziening. De goedkoopste voorziening wordt beschouwd vanuit het gezichtspunt van de gemeente: het gaat om de voorziening die voor de gemeente het goedkoopst is. Daarbij kan ook rekening gehouden worden met zogenaamde macro-overwegingen, overwegingen die het gehele beleid en de consequenties betreffen. Collectief vervoer ontleent zijn besparingen vanuit de mogelijkheden combinatieritten te maken die de kilometerprijs naar beneden kunnen brengen. Het is dus in het belang van het systeem zo veel mogelijk gebruikers te hebben. Dus ook al is een individuele aanvrager wellicht goedkoper met een andere voorziening dan collectief vervoer, mee mag tellen dat als er uitzonderingen gemaakt worden de basis onder het collectief vervoer in gevaar zou kunnen komen. In overwegende mate op het individu gericht (artikel 2, aanhef en onder c). Bij het verstrekken van voorzieningen wordt in principe alleen rekening gehouden met de aanvrager. Huisgenoten en anderen vallen buiten de voorziening. Een enkele keer zal hier een uitzondering op gemaakt moeten worden. Dat kan aan de hand van de hardheidsclausule. Een algemeen gebruikelijke zaak (artikel 2, lid 2 aanhef en onder a), Het begrip algemeen gebruikelijk stamt nog uit de tijd van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW). Volgens de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep is een zaak algemeen gebruikelijk indien de volgende criteria van toepassing zijn: de voorziening is niet speciaal voor gehandicapten bedoeld; de voorziening is in de reguliere handel verkrijgbaar; de voorziening is in prijs vergelijkbaar met soortgelijke producten. In individuele gevallen kan een voorziening die op zichzelf als algemeen gebruikelijk kan worden beschouwd, vanwege omstandigheden aan de kant van de aanvrager toch niet als algemeen gebruikelijk worden beschouwd. Er moet dan een uitzondering worden gemaakt, waarbij het gaat om: een plotseling optredende handicap, waardoor algemeen gebruikelijke voorzieningen eerder dan normaal moeten worden vervangen; aantoonbare kosten van de handicap waardoor de aanvrager met zijn inkomen onder de voor hem/haar geldende bijstandsnorm dreigt te komen. De aanvrager is niet woonachtig binnen de gemeente waar de aanvraag wordt ingediend (artikel 2, lid 2 aanhef en onder
- b)De Wvg sprak over: “in de gemeente woonachtige gehandicapten” (art. 2, lid 1). De Wmo kent deze aanduiding niet meer. Toch is het evident dat het compensatiebeginsel van de gemeente alleen maar geldt ten aanzien van in de gemeente woonachtige aanvragers. Voor zover de ondervonden problemen voortvloeien uit de aard der gebruikte materialen (artikel 2, lid 2 aanhef en onder c), In dit geval zal ook geen voorziening worden verstrekt. Het zal hierbij vooral om woonvoorzieningen gaan, waarbij te denken valt aan spaanplaat dat deformaldehydegas bevat, halfsteens muren op het westen die veel waterdoorslag geven en dus veel vochtigheid binnen, enz. Iedereen, ongeacht een eventuele handicap, zal met dit soort materialen dezelfde problemen kunnen ondervinden. Het probleem wordt dus niet veroorzaakt door de combinatie handicap-woning, maar door de gebruikte materialen, reden om een voorziening te weigeren. Voor zover de aanvraag gericht is op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau sociale woningbouw (artikel 2, lid 2 aanhef en onder d). Iedereen woont naar inkomen. Wie een hoog inkomen heeft zal een groter huis kunnen bewonen dan iemand met een minimuminkomen. Het is niet realistisch hiermee bij de toekenning van voorzieningen (zowel woonvoorzieningen als hulp bij het huishouden als bijvoorbeeld vervoersvoorzieningen) rekening te houden. Er wordt geen extra hulp bij het huishouden toegekend voor een inpandig zwembad. Maar ook een garage wordt in principe niet aangepast. Uitzondering kan worden gemaakt als de garage gebruikt moet worden als stalling voor een scootmobiel. Maar alle extra of duurdere voorzieningen worden door deze regel beheerst: uitgangspunt is niveau sociale woningbouw. En dat niveau biedt geen ruimte voor inpandige zwembaden, ook niet voor garages. Voor zover geen sprake is van meerkosten (artikel 2, lid 2 aanhef en onder
- e)wordt ook geen voorziening verstrekt. De Wmo kent immers het compensatiebeginsel. Maar dan moet er wel wat te compenseren zijn. Iemand die op grond van zijn inkomen verondersteld wordt een auto te hebben zal als hij die auto moet hebben vanwege een handicap niet in een andere situatie komen. Er zijn dan geen meerkosten die gecompenseerd moeten worden. Het onderzoek naar meerkosten is van belang in situaties waarin twijfel bestaat over de noodzaak van een voorziening. Voor zover de kosten gemaakt zijn voorafgaand aan het moment van beschikken (artikel 2, lid 2 aanhef en onder
- f)Dit wil zeggen: het is een aanvrager niet toegestaan een gemeente voor een fait accompli te stellen waarbij de gemeente geen invloed meer kan uitoefenen op de te verstrekken voorziening. Met andere woorden: wie een voorziening aanschaft en daarna aanvraagt, loopt de kans op een afwijzing. Uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep blijkt dat deze regel niet zonder meer mag worden toegepast. De Centrale Raad gaat er van uit dat de regel bedoeld is om controle achteraf mogelijk te maken. Bij een woningaanpassing zou na een verbouwing bijvoorbeeld niet meer vastgesteld kunnen worden of er een goedkoper alternatief heeft bestaan. Dat heeft tot consequentie dat indien achteraf toch nog gecontroleerd kan worden wat de goedkoopst-adequate oplossing was, een afwijzing achterwege moet blijven. Uiteraard kan dan wel de goedkoopst-adequate voorziening verstrekt worden, ook al is de aangeschafte voorziening aanzienlijk duurder. Dat is dan de consequentie voor de aanvrager die voor de beschikking zelf iets heeft aangeschaft. Voor zover de aanvraag een verloren gegane zaak betreft (artikel 2, lid 2 aanhef en onder g), en daarbij sprake is van schuld. Dan zal geen nieuwe voorziening verstrekt worden. Dit is een vergaande regel, die altijd goed voorbereid en onderbouwd dient te worden. Toch komt het met enige regelmaat voor dat door onzorgvuldig gebruik of zelfs misbruik regelmatig reparaties nodig zijn om bijvoorbeeld een scootermobiel rijdend te houden. Dit kan gebeuren uit onzorgvuldigheid, onder invloed van alcohol of drugs enz. Bij herhaling van dit soort problemen is het goed eerst met betrokkene te overleggen en duidelijk te maken dat dit in strijd is met de bruikleenovereenkomst. Heeft een dergelijk gesprek geen resultaat, dan kan overgegaan worden tot aangetekend waarschuwen dat bij herhaling de voorziening zal worden ingenomen. Herhaalt het probleem zich dan weer dan kan tot inname worden overgegaan en hoeft er geen herverstrekking plaats te vinden. Hetzelfde geldt als door grove nalatigheid bijvoorbeeld een voorziening verloren gaat. Gedurende de verdere afschrijvingsperiode hoeft dan geen nieuwe voorziening verstrekt te worden. Zeker bij personen die afhankelijk zijn van voorzieningen kan dit een zeer ingrijpende, maar noodzakelijke maatregel zijn. Als iemand een persoonsgebonden budget heeft kan op gelijke wijze bij verloren gaan gedurende de looptijd gehandeld worden. 2.5. Onderzoek – medisch Bij toekenning van voorzieningen op grond van de Wvg of bij indicatiestelling ten behoeve van de functie Huishoudelijke Verzorging AWBZ was het begrip “medische noodzaak” doorslaggevend. Uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep op beide terreinen blijkt dat die medische noodzaak in de ogen van de Raad noodzakelijk is om voorzieningen te verstrekken. Dit heeft tot gevolg dat een medisch advies van een onafhankelijk sociaal medisch adviseur, ook in de op de Wvg en de AWBZ-functie HV volgende Wmo, van cruciaal belang is. Artikel 30 van de verordening biedt de basis voor een zorgvuldig onderzoek om te bepalen of er al dan niet sprake is van medische noodzaak. Uit de jurisprudentie blijkt dat indien een aanvrager geen medewerking verleent de aanvraag afgewezen mag worden op grond van de onmogelijkheid voldoende onderzoek te doen, mits het inderdaad zo is dat zonder dit onderzoek de medische noodzaak niet vast te stellen is. Er zal dus altijd beoordeeld moeten worden of op een andere wijze de medische noodzaak vastgesteld kan worden. Het uitgangspunt voor verstrekking van voorzieningen is, dat procedures zo eenvoudig mogelijk moeten zijn met zo kort mogelijke doorlooptijden. Dit kan bijvoorbeeld bij hulp bij het huishouden, vervoer, eenvoudige rolstoelen en eenvoudige woningaanpassingen. Medisch advies kan worden gevraagd als: een aanvraag om medische reden wordt afgewezen wordt de medisch adviseur om een advies gevraagd. Zonder een medisch advies zou in deze situatie het besluit onvoldoende gemotiveerd zijn. De rechter zou een dergelijk besluit vernietigen als onvoldoende gemotiveerd. het college aanleiding ziet om medisch advies te vragen. Dan zal bijvoorbeeld plaatsvinden bij een progressief ziektebeeld, maar zeker ook bij medisch moeilijk te objectiveren aandoeningen. Per situatie zal dit beoordeeld worden. Bij twijfel wordt altijd een medisch advies gevraagd.
(2)
(2)Het RIO-Zaanstreek maakt een onderscheid tussen aanvragen waar in beginsel geen handtekening van de arts op hoeft en aanvragen waar wel een arts het rapport tekent. Daartoe is het volgende onderscheid gemaakt: GEEN HANDTEKENING EN/ OF ADVIES VAN DE ARTS WEL HANDTEKENING ARTS In principe niet nodig bij : In principe wel nodig bij: -toekennen enkelvoudige/eenvoudige aanvragen bij bekende cliënt -afwijzing op regelgeving -aanvragen zonder indicatieadvies ( bv vervanging, los hulpmiddel) *) -75 + Wvg-vervoer -nieuwe terreinen; in 2007 meer duidelijkheid hierover bv. vanuit WMO of Wonen + -GPP/GPK ( schriftelijk advies arts bij regelgeving opgelegd) -wanneer er door de adviseur niet duidelijk medisch geobjectiveerd kan worden wat er speelt bij cliënt -indien er een relevante discrepantie gesignaleerd wordt tussen hetgeen de cliënt aanvoert en de onderzoeker (indicatiesteller) objectief vaststelt -afwijzing om medische reden altijd advies -bepaalde ziektebeelden **) -in principe bij nieuwe aanvragen De eenvoudige/enkelvoudige aanvraag voor hulp bij het huishouden is niet ingedeeld in een kolom, omdat komend jaar hierin de methodiek van het CIZ wordt gevolgd, waarbij er steekproefsgewijze een medische verdieping plaatsvindt. Aangezien de CIZ methodiek gericht is op het snel en efficiënt in beeld brengen van de benodigde zorg levert de methodiek over het algemeen kortdurende indicaties op. In de loop van 2007 zal a.d.h.v. evaluatie van de uitvoering van de Wmo afgewogen worden of de CIZ methodiek in stand blijft of dat er een slag dieper dan de beslisboomtechniek moet plaatsvinden, dan zal daarbij meegewogen worden of er bij eenvoudige/enkelvoudige hulp bij het huishouden (HBH)-aanvragen in principe een handtekening van de arts nodig is. In de Wmo kan de klant middels een PGB een voorziening invullen (onder de voorwaarde dat deze toereikend is). Een eigen invulling kan een negatieve invloed hebben op de progressiviteit van een aandoening, echter dit is moeilijk vooraf vast te stellen. Bij een aanvraag om een aanpassing op een door de klant aangeschafte voorziening valt te overwegen een arts in te schakelen.*) altijd medisch onderzoek bij :**)
- Fibromyalgie/spierreuma
- ME/CVS
- Whiplash
- RSI
- Bekkeninstabiliteit
- Posttraumatsche dystrofie/complex regionaal pijnsyndroom Artikel 30 lid 4 bepaalt dat de gegevens die noodzakelijk zijn voor het beoordelen van de aanvraag verschaft moeten worden aan het college van B&W. Hierbij kan gedacht worden aan medische gegevens, maar ook aan financiële gegevens of aan medische indicatiegegevens op grond van de AWBZ. Bij medische gegevens komt het frequent voor dat informatie van de behandelende sector noodzakelijk is. Dit kan – zeker als dit schriftelijk moet - geruime tijd in beslag nemen. Dat werkt vertragend op de doorlooptermijn van de aanvraag. Ook in dit soort situaties kan met inschakeling van de aanvrager vaak sneller over de benodigde gegevens beschikt worden, met name indien de aanvrager aangeeft welk (grote) belang hij heeft bij het verstrekken van de gevraagde informatie aan de medische adviseur. Overigens mag het opvragen van medische gegevens bij de behandelende sector uitsluitend plaatsvinden met toestemming van de aanvrager. Daarbij dient in de verklaring opgenomen te worden welke adviserende arts de gegevens opvraagt, bij welke behandelaren de gegevens opgevraagd worden, om welke gegevens het gaat en met welk doel. Lid 5 bepaalt dat bij de advisering de systematiek zoals neergelegd in de International Classification of Functions, Disabilities and Impairments, de zogenaamde ICF classificatie, gebruikt moet worden. “De ICF is een classificatie van het menselijk functioneren. De classificatie is systematisch geordend in gezondheidsdomeinen en met de gezondheid verband houdende domeinen. Op elk niveau zijn de domeinen verder gegroepeerd op grond van gemeenschappelijke kenmerken, en in een zinvolle ordening geplaatst.” Uit Nederlandse vertaling van de 'International Classifacation of Functioning, Disability and Health Compilatie, blz. 22, dit is een toelichting op de ICF, zie http://www.rivm.nl/who-fic/in/ICFwebuitgave.pdf Van de zeer uitgebreide ICFhttp://www.rivm.nl/who-fic/ICD-O-3.htm zijn met name de lijsten met “functies” en “activiteiten en participatie” van belang. Daarom zijn deze lijsten als bijlage bij dit verstrekkingenboek toegevoegd. De adviseur beoordeelt allereerst om welke stoornissen het bij de aanvrager gaat (de ICF is gericht op functiestoornissen). Het gaat daarbij met name om de zogenaamde classificatie op het tweede niveau, en dan met name in de vorm van de op het tweede niveau aangegeven functies. Een lijst van deze functies is opgenomen in bijlage bij dit verstrekkingenboek. Hierbij dienen alleen die functies genoemd te worden die relevant zijn voor de aanvraag, omdat een volledig overzicht geen meerwaarde heeft. Indien dat wel het geval is moeten ook niet direct relevante functies worden aangegeven. Problemen met functies leiden tot stoornissen bij activiteiten en participatie. Het is op dit niveau dat de compensatie op basis van de Wmo plaats zal moeten vinden. Ook bij de vermelding van deze stoornissen in “activiteiten en participatie” zal gebruik gemaakt worden van het begrippenkader van de ICF. De indeling van activiteiten en participatie is als bijlage opgenomen. Samengevat betekent dit dat de medisch adviseur in het licht van de aanvraag de stoornis en de daaruit volgende beperkingen evenals de mate van die beperkingen dient te vermelden, gerelateerd aan de mogelijke compensatie of de te verstrekken voorzieningen, waarbij het vocabulaire van de ICF wordt gebruikt. 2.
- Het advies 2.6.
- Inhoud van het advies De eisen waaraan een intern advies inhoudelijk moet voldoen zijn verwoord in de Awb. In ieder geval moet het advies (afhankelijk van de reikwijdte) de volgende gegevens bevatten: datum adviesaanvraag; registratie/dossiernummer van het RIO; persoonsgegevens aanvrager; gevraagde voorziening(en); eventueel gebruikte (medische) dossiers; eventueel nader onderzoek; medische, sociale, technische en financiële aspecten
(3)uitspraak over noodzaak voorziening(en); programma van eisen waaraan voorzieningen moeten voldoen; selectie soort en type, vorm voorziening. Onder het medische aspect dient verstaan te worden het beoordelen/interpreteren van de medische situatie en de vertaling van ziekte/stoornis naar beperking en belemmering. Onder het sociale aspect wordt begrepen het inzicht in de gevolgen van de afwezigheid van functies (aanwezigheid van beperkingen). De ervaring van de beperking in de leef-, woon- en werksituatie wordt met handicap aangeduid. De indicatieadviseur moet het vermogen hebben om de beperkingen in de individuele situatie te vertalen naar compenserende mogelijkheden. De technische kennis betekent dat een indicatieadviseur 'weet' moet hebben van onder andere bouwkundige (on)mogelijkheden. 2.6.
- Elementen van het advies het advies kan aangeven of en zo ja van welke beperkingen er sprake is (indicatiestelling); het advies kan tevens aangeven of de beperkingen leiden tot het ondervinden van belemmeringen (indicatiestelling); het advies kan aangeven of de geconstateerde beperkingen gecompenseerd kunnen worden met een individuele voorziening (indicatiestelling); het advies kan oplossingen aandragen voor de (bouwkundige) vormgeving en/of type van de (verschillende) voorzieningen; het advies kan aangeven welk type voorziening de adequaat/goedkoopste is en welke eventuele individuele aanpassingen noodzakelijk zijn; het advies kan integraal of per voorziening worden gegeven bij een aanvraag van meerdere voorzieningen. Het advies kan op verzoek van de cliënt worden meegestuurd met het indicatiebesluit. Op dat moment kan de cliënt controleren of de juiste gegevens zijn verwerkt en of zijn motieven voor de aanvraag juist zijn weergegeven. Op deze wijze kan worden voorkomen dat een voorziening wordt geleverd die niet adequaat is en mogelijk niet wordt gebruikt of achteraf moet worden aangepast. 2.
- Motivering van besluiten Ingevolge artikel 26, lid 1 Wmo, dat luidt: “ De motivering van een beschikking op een aanvraag om een individuele voorziening vermeldt op welke wijze de genomen beschikking bijdraagt aan het behouden en het bevorderen van de zelfredzaamheid en de normale maatschappelijke participatie van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem.” In het besluit maatschappelijke ondersteuning (artikel 12) is gesteld dat de verkrijging van individuele voorzieningen samenhangend afgestemd moet worden op de situatie van de aanvrager. Hiermee wordt de samenhang met onderzoek inzake de AWBZ geborgd. In de beschikking dient te worden aangesloten bij de bevindingen met betrekking tot: de algemene gezondheidstoestand van de aanvrager; de beperkingen die de aanvrager in zijn functioneren ondervindt als gevolg van ziekte, gebrek of psychosociaal probleem de woning en de woonomgeving van de aanvrager het psychisch en sociaal functioneren van de aanvrager de sociale omstandigheden van de aanvrager. Op basis van deze bepalingen zal in de beschikking aangegeven moeten worden op welke wijze de genomen beschikking bijdraagt aan het behouden en het bevorderen van de zelfredzaamheid en de normale maatschappelijke participatie van betrokkene. Gaat het om een positieve beschikking, dan zal dit niet zo moeilijk zijn. Door in de beschikking aan te geven welke mogelijkheden betrokkene krijgt door de toegekende voorziening(en) is in feite voldaan aan deze opdracht. Is er geen sprake van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte, gebrek of psychosociaal probleem en bestaat er om een andere reden geen medische noodzaak voor het verstrekken van de aangevraagde voorziening of de aangevraagde hulp bij het huishouden, ook dan zal ingevolge artikel 26 lid 1 Wmo gemotiveerd moeten worden op welke wijze de genomen beschikking bijdraagt aan het behouden en het bevorderen van de zelfredzaamheid en de normale maatschappelijke participatie van betrokkene
(4). Dit is uiteraard ook mogelijk op de wijze zoals bij een positieve beschikking is aangegeven. Bij een afwijzing zal men moeten denken aan een formulering waarbij aangegeven wordt dat compensatie niet noodzakelijk of zelfs ongewenst is, omdat betrokkene zonder de gevraagde voorzieningen ook in staat is zelfredzaamheid en/of maatschappelijke participatie te behouden of te bevorderen. Een aanvrager wil graag een rolstoel bij het verplaatsen in en om de woning en hulp bij het huishouden. Uit medisch onderzoek blijkt dat de diagnose fibromyalgie gesteld is door de huisarts en dat er nog geen behandeling heeft plaatsgevonden. In deze situatie kan niet zonder meer toegekend worden, omdat daarbij het risico bestaat dat er geen behandeling plaats gaat vinden en er dus afhankelijkheid van zorg en voorzieningen ontstaat terwijl er dus nog behandelmogelijkheden onbenut zijn. De medisch adviseur zal de aanvrager naar de huisarts verwijzen met het advies behandelmogelijkheden te benutten. Hangende die behandelmogelijkheden zal geen rolstoel noch hulp bij het huishouden worden toegekend. Mocht aanvrager in behandeling gaan, bijvoorbeeld bij een revalidatiecentrum, dan zal hooguit in overleg met de behandelaren besloten worden tot een beperkte of tijdelijke inzet van een rolstoel of hulp bij het huishouden, voor zover deze inzet de behandeling niet in de weg staat. De motivering zal dus kunnen zijn: Door u is een rolstoel en hulp bij het huishouden aangevraagd. Uit medisch onderzoek is gebleken dat er nog behandelingsmogelijkheden zijn. Als wij u nu een rolstoel ter beschikking zouden stellen bestaat de mogelijkheid dat u door gebruikmaking van de rolstoel behandelmogelijkheden in de weg staat. Het doel van de Wmo is niet aanvragers afhankelijk te maken van voorzieningen, maar te compenseren als duidelijk is dat er geen verbetering mogelijk is. Daarom zullen wij u op dit moment geen rolstoel noch hulp bij het huishouden toekennen. Mocht uit uw behandeling in overleg met uw behandelaars blijken dat verstrekking past in uw behandeling, dan kunt u opnieuw contact met ons opnemen, onder overlegging van een verklaring van uw behandelaars. In de verordening is in artikel 34 opgenomen dat men verplicht is om wijzigingen in de situatie te melden: Degene aan wie krachtens deze verordening een voorziening is verstrekt, is verplicht aan het college mededeling te doen van feiten en omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op een voorziening. Ondanks dat deze regel in de verordening staat, is het van belang deze voorwaarde ook in de beschikking of in een bijlage bij de beschikking op te nemen, zodat bij elke toekenning de aanvrager hierop weer attent wordt gemaakt. 2.8. Cliëntgegevens Verantwoordelijke over persoonsgegevens is degene die (of het bestuursorgaan dat) het doel van en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens vaststelt (zie artikel 1 Wbp). Het RIO verwerkt persoonsgegevens in de zin van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp)
(5). Medische gegevens worden bewaard onder het beheer van de medisch adviseur. Verwerking van persoonsgegevens: elke handeling of elk geheel van handelingen met betrekking tot persoonsgegevens, waaronder in ieder geval het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiding of enige andere vorm van terbeschikkingstelling, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van gegevens (artikel 1 Wbp). 2.
- Cliëntenrechten 2.9.
- Elementaire patiëntenrechten In de Wet Geneeskundige Behandelingsovereenkomst staat een aantal artikelen over de privacybescherming van de patiënt. 2.9.
- Inzagerecht Met behulp van het inzagerecht kan een ieder nagaan of er in een bepaalde persoonsregistratie gegevens over hem voorkomen en zo ja, welke gegevens dat zijn en wat de herkomst daarvan is. De verantwoordelijke over de persoonsgegevens is, behoudens de uitzonderingen genoemd in artikel 30 Wbp lid 4, verplicht de verzoeker hierover te informeren. 2.9.
- Correctierecht Als na de uitoefening van het inzagerecht blijkt dat de gegevens feitelijk onjuist zijn, voor het doel van de registratie onvolledig of niet ter zake dienend zijn, dan wel in strijd met een wettelijk voorschrift in de registratie voorkomen, kan de betrokkene de verantwoordelijke over de persoonsgegevens vragen de gegevens te verbeteren, aan te vullen of te verwijderen (artikel 36 Wbp). Daarbij moet worden aangegeven welke wijzigingen moeten worden aangebracht. Op het verzoek moet de verantwoordelijke binnen twee maanden met een beslissing reageren. 2.9.
- Beslistermijn De Awb bepaalt dat de beschikking dient te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn. De Wvg kent een dergelijke termijn niet. Deze is ook niet opgenomen in de verordening. De Awb regelt dan dat, bij gebreke daaraan, dit binnen een redelijke termijn
(6)na ontvangst van de aanvraag dient te gebeuren. Dit houdt in dat binnen 8 weken na het indienen van de aanvraag, de aanvrager in ieder geval bericht ontvangt. Dat bericht houdt ofwel een besluit (beschikking) in ofwel een kennisgeving van een termijn waarbinnen het besluit (de beschikking) kan worden verwacht. Wat een redelijke termijn is, is in het kader van de Wmo in zijn algemeenheid niet aan te geven. Zo zal het adviestraject van een ingewikkelde woningaanpassing aanmerkelijk meer tijd vergen dan een betrekkelijk eenvoudige aanvraag voor een vervoersvoorziening. Het is aan de rechter, na een bezwaarschriftenprocedure, om in een concreet geval te bezien of de redelijke termijn inderdaad reeds verstreken was. De rechter kan dit doen op verzoek van betrokken cliënt in twee situaties: wanneer de acht weken sinds de aanvraag verstreken zijn en geen beschikking is afgegeven; wanneer de termijn die burgemeester en wethouders hebben genoemd als redelijke termijn is verstreken, zonder dat beschikt is. Omdat overschrijding van deze termijnen gelijkgesteld is met een uitdrukkelijk besluit (art 6:2 Awb), kan de cliënt in deze gevallen de hulp inroepen van de rechter door eerst bezwaar te maken en daarna beroep (aanvragen tijdelijke voorziening) in te stellen tegen het uitblijven van de beslissing (Art. 8:81 Awb). Maakt een cliënt gebruik van de mogelijkheden tot bezwaar of beroep, dan behouden burgemeester en wethouders de mogelijkheid – ook na het verstrijken van de beslistermijn - tot het geven van een beschikking. Burgemeester en wethouders zijn hier zelfs toe verplicht. De Awb bepaalt dat de termijn voor het geven van een beschikking wordt opgeschort met ingang van de dag waarop burgemeester en wethouders de aanvrager uitnodigen de aanvraag aan te vullen, welke opschorting voortduurt tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. 2.9.5. Bezwaar en beroep Tegen beschikkingen tot toekenning, weigering of intrekking van een in artikel 4 Wmo bedoelde voorziening voor de cliënt staat bezwaar en beroep open. Beroep is mogelijk bij de Sector Bestuursrecht van de Arrondissementsrechtbanken; hoger beroep is mogelijk bij de Centrale Raad van Beroep. De Awb bepaalt dat, voordat een beroep gedaan kan worden op de Sector Bestuursrecht van de Arrondissementsrechtbank, eerst bezwaar gemaakt dient te worden tegen dit besluit. Dit betekent dat er altijd aan een beroepsprocedure eerst een bezwaarschriftenprocedure vooraf dient te gaan. Laat men de periode om bezwaar te maken ongebruikt passeren, dan verspeelt men daarmee in principe ook de mogelijkheid tot beroep. Beroep op de rechter is dus pas mogelijk nadat via bezwaar het besluit aan een bestuurlijke heroverweging is onderworpen. Een bezwaarschrift moet ingediend worden bij hetzelfde bestuursorgaan dat (of namens wie) het besluit heeft genomen, i.c. Burgemeester en Wethouders. Men kan een bezwaarschrift indienen na ontvangst van een beschikking en na verstrijken van de redelijke termijn voor de beslissing.
(7)Het bezwaarschrift moet naam en adres van de indiener bevatten evenals de dagtekening en de omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar is gericht. Verder moet het bezwaarschrift de gronden voor het bezwaar bevatten. Daarbij kunnen ook de nieuwste feiten, ook die zich hebben voorgedaan na het nemen van het bestreden besluit, meegenomen worden. De termijn waarbinnen een bezwaarschrift moet worden ingediend bedraagt zes weken (artikel 6.7 Awb) en deze termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt (artikel 6.8 lid 1 Awb). Wanneer een bezwaarschrift ingediend wordt tegen het niet (tijdig) nemen van een besluit dan is het bezwaar niet aan een termijn gebonden, met dien verstande dat het niet onredelijk laat ingediend mag worden (bijvoorbeeld enkele jaren nadat het bestuursorgaan in gebreke is gebleven). Burgemeester en wethouders dienen de ontvangst van een bezwaarschrift schriftelijk te bevestigen. Burgemeester en wethouders beslissen binnen zes weken op een bezwaarschrift, tenzij een bezwaarschriftencommissie wordt ingeschakeld; in dat geval dient een beslissing te vallen binnen tien weken. In het kader van de bezwaarschriftprocedure wordt aan de cliënt de gelegenheid geboden gehoord te worden. De beslissing betekent dat burgemeester en wethouders ofwel het bezwaar ongegrond achten (hun eerdere beslissing in stand laten) ofwel hun eerdere beslissing herroepen en een nieuwe beslissing nemen. Na een bezwaarschriftenprocedure kan men in beroep gaan bij de Sector Bestuursrecht van de Arrondissementsrechtbank. Dit beroep moet ook weer binnen zes weken worden ingesteld.
(8)Van de beslissing op het bezwaarschrift staat voor de belanghebbende beroep open bij Sector Bestuursrecht van de rechtbank in het arrondissement van zijn woonplaats. Voor de behandeling van het bezwaar is geen griffierecht verschuldigd is. Daarentegen is bij beroep op de rechtbank wel griffierecht verschuldigd. 2.9.6. Intrekking van een besluit tot verlening van een voorziening Op basis van de Awb kunnen burgemeester en wethouders de voorziening geheel of gedeeltelijk intrekken indien zodanig onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt dat, zo de juiste gegevens bekend waren geweest, burgemeester en wethouders niet tot toekenning zouden zijn overgegaan. Indien er reeds uitbetaald of geleverd (voorziening in natura) is, kunnen burgemeester en wethouders de subsidie of voorziening geheel of gedeeltelijk terugvorderen.
(9)Wanneer blijkt dat een financiële tegemoetkoming of een gemaximeerde vergoeding binnen zes maanden na de uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor deze is verleend, kan deze betaling ook worden teruggevorderd. Er is dan sprake van een civielrechtelijke vordering op grond van onverschuldigde betaling waartoe het Burgerlijk Wetboek, boek 6, artikel 203 e.v., de wettelijke basis biedt. Het ligt voor de hand dat van deze mogelijkheid in ieder geval gebruik wordt gemaakt indien er sprake van verwijtbaarheid is. Wanneer betrokkene dus bewust verkeerde gegevens heeft verstrekt, bijvoorbeeld over zijn inkomen. Ook kan terugvordering van een voorziening in natura aan de orde zijn wanneer de cliënt in gebreke blijft zijn eigen bijdrage binnen de gestelde termijn en na aanmaning te voldoen. Het gaat hierbij om voorzieningen zoals genoemd in de verordening Wvg, waarbij de uitbetaling van de tegemoetkoming of de vergoeding van de aanschaf van de voorziening vooraf gaat. Bij woningaanpassingen zal dit in de regel niet voorkomen, omdat de uitbetaling pas dan plaatsvindt nadat de woningaanpassing is uitgevoerd. Het tweede lid van artikel 7.3 van de verordening is dus niet van toepassing op woningaanpassingen. Voor woningaanpassingen is naar analogie van artikel 7.3 lid 2 in artikel 2.9 lid 1 geregeld dat binnen een periode van 15 maanden na het verlenen van de financiële tegemoetkoming de woningaanpassing gereed moet zijn en dat dit aan RIO gemeld wordt. 2.9.
- Klachtenafhandeling Indien de cliënt het niet eens is met de gang van zaken rond de aanvraag, kan hij een klacht indienen bij het RIO. Het RIO heeft een interne klachtenafhandeling. Zij heeft hiertoe een klachtenreglement opgesteld en een onafhankelijke klachtencommissie ingesteld. De klachten worden volgens dit klachtenreglement afgehandeld. Cliënten dienen zich met klachten en opmerkingen telefonisch of schriftelijk te wenden tot de directeur van het RIO. Elke klacht wordt in behandeling genomen. De cliënt krijgt schriftelijk bericht op welke wijze zijn of haar klacht is afgehandeld. Het RIO rapporteert aan de gemeente aangaande de klachten en de klachtenafhandeling. 2.9.
- Hardheidsclausule Artikel 37 van de Verordening bepaalt dat burgemeester en wethouders, in bijzondere gevallen, ten gunste van de cliënt of de woningeigenaar kunnen afwijken van de bepalingen in de verordening, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. En dat zij vooraf advies kunnen vragen. Het gebruik maken van de hardheidsclausule moet beschouwd worden als een uitzondering en niet als een regel.
(10)Afwijken van de bepalingen in de verordening kan alleen maar ten gunste van de betrokken cliënt of eigenaar van de woonruimte en nooit ten nadele. Ook de eigenaar van de aangepaste woonruimte kan in aanmerking komen voor de hardheidsclausule. Gedacht kan worden aan een situatie waar het van belang is dat een woonruimte ook langer dan zes maanden leeg staat, omdat bijvoorbeeld bekend is dat een cliënt op het punt staat om uit een revalidatiecentrum te worden ontslagen en waar de aangepaste woning uitermate geschikt voor is. In die gevallen kan het doelmatiger zijn om een langere periode een tegemoetkoming in de huurderving te verstrekken. Hoofdstuk3Persoonsgebonden budget 3.1.Inleiding In artikel 6 van de Wmo is opgenomen dat de gemeente keuze biedt om individuele voorzieningen zowel in natura als in de vorm van een Persoonsgebonden budget (Pgb) te leveren. Het college van burgemeester en wethouders biedt personen die aanspraak hebben op een individuele voorziening de keuze tussen het ontvangen van een voorziening in natura of het ontvangen van een hiermee vergelijkbaar persoonsgebonden budget, tenzij hiertegen overwegende bezwaren bestaan. Vraagsturing, autonomie, keuzevrijheid en het leveren van maatwerk zijn motieven om te kiezen voor een Pgb. Het legt meer initiatief en verantwoordelijkheid bij de cliënt neer. Budgethouders zijn dan ook zelf verantwoordelijk voor het inkopen van kwalitatief goede hulp of hulpmiddelen. Het uitgangspunt is dat alle individuele voorzieningen voor een Pgb in aanmerking komen. Wanneer echter een algemene voorziening adequaat is, bijvoorbeeld collectief vervoer, dan kan geen Pgb worden verstrekt. Het gaat dan niet meer om een individuele voorziening. Dit standpunt is ook tijdens de behandeling van de Wmo in de Tweede kamer onderschreven Een Pgb is een geldbedrag waarmee de cliënt zelf zorg, voorzieningen en hulpmiddelen kan inkopen. De waarde en de looptijd/geldigheidsduur van het Pgb wordt vooraf door een indicatie bepaald en vastgelegd in een beschikking. Dit is conform de werkwijze die gehanteerd wordt bij voorzieningen in natura. De cliënt kiest zelf de zorgverleners en de leveranciers uit of hij huurt een organisatie in die in opdracht van hem gaat werken. De cliënt moet dus zelf op zoek naar leveranciers en is ook verantwoordelijk voor de financiële administratie en de verantwoording van het toegekende budget. Tevens is hij zelf verantwoordelijk voor de kwaliteit die wordt geleverd. 3.
- Pgb-regeling Dit hoofdstuk gaat in op de Pgb-regeling waarin naast het tot stand komen van een Pgb ook ingegaan wordt op verantwoorden van een Pgb. De regeling wordt aan elke cliënt die een Pgb vraagt uitgereikt. Voordeel PgbVoor de cliënt heeft het Pgb als grote voordeel de zelfstandigheid van handelen. Hierdoor kan men meer initiatief ontplooien en oplossingen bedenken dan degenen die hulp in natura ontvangen. Door de eigen regie kan men bekende personen inhuren en continuïteit verzekeren. Nadeel PgbBudgethouders hebben veel werk aan administratie, overeenkomsten sluiten met zorgverleners, verantwoorden van werkgeverschap aan de belastingdienst en verantwoording afleggen aan de gemeente over de uitgaven. De cliënt moet zijn uitgaven verantwoorden aan de gemeente op basis van schriftelijke bewijzen, zoals overeenkomsten. De cliënt is verplicht de sofi-nummers van de ingehuurde hulpverleners door te geven ter verantwoording aan de belastingdienst. De cliënt is met het Pgb immers werkgever geworden. 3.
- In aanmerking komen voor een Pgb In principe komt iedere cliënt met een positieve beoordeling op de aanvraag voor een individuele voorziening in aanmerking voor een Pgb. Artikel 6 Wmo geeft aan dat hierop uitzonderingen mogelijk zijn: “tenzij hiertegen overwegende bezwaren bestaan.”. Deze uitzonderingen zullen steeds individueel beoordeeld en gemotiveerd moeten worden. De overwegende bezwaren moeten duidelijk gemaakt worden. Vooralsnog worden de volgende, niet limitatieve uitzonderingen, gemaakt: Mensen die eerder misbruik hebben gemaakt van een Pgb. Mensen met een verslaving en die geen formele zaakwaarnemer hebben. Mensen die wilsonbekwaam zijn en die geen formele zaakwaarnemer hebben. Mensen die schulden hebben of in een traject van schuldsanering zitten. Een Pgb is namelijk ‘gewoon’ geld. Bij schulden kan het daarom worden opgeëist door schuldeisers. Ook bij schuldsanering wordt het gezien als inkomen en daarom meegenomen in het traject. Het budget kan daarmee op zijn voordat de zorg is ingekocht, terwijl het niet gebruikte Pgb wel terugbetaald moet worden aan de gemeente. 3.
- Tot stand komen van het Pgb-bedrag Omdat het Pgb bestaat uit een geldbedrag, mag uit artikel 6 Wmo worden afgeleid dat dit geldbedrag vergelijkbaar moet zijn met het bedrag dat de gemeente betaalt voor de voorziening in natura. Het argument dat de budgethouder geen overheadkosten heeft, is niet houdbaar omdat de gemeente eisen stelt aan het werkgeverschap, de administratie en de verantwoording. De budgethouder maakt in veel gevallen kosten voor ondersteuning en begeleiding. De Pgb-bedragen zijn opgenomen in het Besluit maatschappelijke ondersteuning. 3.
- De beschikking In het indicatietraject geeft de cliënt aan of hij de voorziening in natura of in Pgb wil ontvangen. Als de cliënt een Pgb kiest, wordt in de toekenningbeschikking opgenomen: Het bruto budget waarmee de hulp kan worden ingekocht. De bedragen voor 2007 zijn opgenomen in het Besluit maatschappelijke ondersteuning; Het feit dat een eigen bijdrage moet worden betaald; De periode waarvoor deze toekenning geldt; Perioden waarover de gemeente het budget op de rekening van de Pgb-houder overmaakt (voorschotperioden en voorschotbedragen); De wijze en het tijdstip waarop verantwoording moet worden afgelegd. De cliënt dient dus zelf de eigen bijdrage aan het CAK te betalen. Alleen de cliënten die hulp bij het huishouden ontvangen betalen de eigen bijdrage. Voor de overige voorzieningen wordt geen eigen bijdrage gevraagd. De procedure rond de inning van de eigen bijdrage is als volgt: Het RIO stuurt de cliëntgegevens naar het CAK Het CAK stelt de eigen bijdrage vast Het CAK stuurt een definitieve beschikking naar de cliënt Het CAK stuurt de factuur waarop de eigen bijdrage voor het Pgb in rekening wordt gebracht, naar de cliënt 3.
- Verantwoording van het Pgb Wanneer een cliënt kiest voor een Pgb, dan zal hij verantwoording dienen af te leggen over de besteding van het ontvangen bedrag. Het gaat om gemeenschapsgeld, dat aangewend moet worden voor het doel waarvoor ze bestemd zijn. De verantwoording kan jaarlijks of halfjaarlijks plaatsvinden, afhankelijk van de hoogte van het bedrag dat is ontvangen. De voorwaarden rond verstrekking en verantwoording zijn opgenomen in hoofdstuk 1 van het Besluit maatschappelijke ondersteuning. De cliënt zal de verantwoording van het Pgb-bedrag in geval van hulp bij het huishouden dienen te doen met een standaardformulier, dat hij ontvangt bij de Pgb-beschikking. Op dit verantwoordingsformulier worden in ieder geval de volgende gegevens gevraagd wanneer het gaat om hulp bij het huishouden: Het bedrag dat per uur is betaald. Het aantal betaalde werkuren. Naam, adres, sofi-nummer van de hulpverlener cq. de rekeningen van de instellingen waarbij de zorg is ingekocht. Van iedere uitgave moet de Pgb-houder een bewijs van betaling kunnen laten zien. Dit betekent dat alle betalingen gedaan moeten worden met een overboeking per bank of giro. De verantwoording van het Pgb-bedrag in geval van een hulpmiddel of een voorziening zal dienen te gebeuren met het overleggen van de volgende bescheiden: De originele factuur van het aangeschafte hulpmiddel of voorziening Gebruikte programma van eisen Een kopie van het betalingsbewijs waaruit blijkt dat de factuur is betaald door de Pgb-houder Een kopie van een onderhouds- en servicecontract en/of verzekering (indien van toepassing). Bij de verantwoording van hulp bij het huishouden dient de Pgb-houder rekening te houden met het eigen bijdrage deel. Dit is immers het bedrag die hij eerst dient te gebruiken, aangevuld met het bedrag dat de gemeente overmaakt op de rekening. Dit betekent dat de verantwoording dient plaats te vinden over het bruto-Pgb. De kosten die iemand zelf moet bijdragen zijn aftrekbaar van de belasting. Het RIO zal een steekproefsgewijze controle houden op de verantwoording. Het Pgb is bestemd voor het inkopen van een dienst of een voorziening. Het budget dat hier niet aan wordt besteed moet worden terugbetaald aan de gemeente. De cliënt krijgt hiervoor een rekening toegestuurd. Wanneer iemand kiest voor de aanschaf van een tweedehands hulpmiddel en niet het volledige bedrag hoeft te besteden, wordt de termijn waarop iemand gebruik moet maken van dit hulpmiddel naar beneden bijgesteld. In de volgende paragrafen wordt ingegaan op de verschillende regels per voorziening: 3.
- Pgb-cliënten Vanaf 1 januari 2007 zijn er voor hulp bij het huishouden 3 groepen Pgb-cliënten te onderscheiden: Cliënten die nu al een Pgb via de AWBZ ontvangen. Zij vallen onder het overgangsrecht van de Wmo, daarvoor geldt dat zij (mits de indicatie doorloopt) tot 31 december 2007 recht hebben op een Pgb conform de regels zoals die nu gelden in de AWBZ. Voor deze groep overgangscliënten met een Pgb gelden de volgende regels uit de AWBZ: Het aantal uren Pgb wordt berekend op het midden van die geïndiceerde klasse en omgezet in een geldbedrag. Het huidige bruto uurtarief is € 17 per uur. Voor de verschillende klassen komt dat neer op: Klasse 1: € 884,- per jaar Klasse 2: € 2.654,- per jaar Klasse 3 € 4.866,- per jaar Klasse 4 € 7.520,- per jaar Klasse 5 € 10.175,- per jaar Klasse 6 € 12.828,- per jaar. Dit bedrag wordt verminderd met de eigen bijdrage en zo tot een netto Pgb bedrag tot stand. Verder kent het een vrij besteedbaar bedrag van 1,5% van het netto Pgb, echter met een minimum van € 250 en een maximum van € 1.
- Dit vrij besteedbare bedrag mag de Pgb-houder besteden zoals hij dat wil. Er hoeft geen verantwoording over te worden afgelegd. Tot slot mogen Pgb’ers maximaal 10% van hun budget overhevelen over de jaargrens. Ook is het Pgb gebaseerd op bovengenoemde bedragen. De AWBZ-regels zijn ingewikkeld en zullen daarom ook voor een behoorlijke administratieve last zorgen voor de gemeente. Om dit te voorkomen is via de VNG op 19 juli 2006 bekend gemaakt dat het mogelijk is om de uitvoering van Pgb’s voor overgangscliënten door het Zorgkantoor te laten gebeuren. Het Zorgkantoor berekent hiervoor een toeslag van 1% van de Pgb-som. Uitgaande van de cijfers 2005 is dat voor Zaanstad een bedrag van € 2.
- Voor deze geringe kosten is het niet wenselijk om de Pgb-regeling op basis van AWBZ-normen zelf uit te voeren. De gemeente Zaanstad wil dit in 2007 dan ook door het Zorgkantoor laten doen. Cliënten die op 31 december 2006 op grond van de AWBZ een indicatie hebben (dus vallen onder het overgangsrecht) die nog gedurende (een deel van) 2007 geldig is, maar vanaf 1 januari 2007 deze zorg niet meer in natura willen ontvangen maar in de vorm van een Pgb. Een reden hiervoor kan zijn dat ze de zorg willen blijven ontvangen van de zorgaanbieder die hen op dit moment de benodigde hulp verleent, maar niet meer tot de partijen behoort waar de gemeente een mantelovereenkomst heeft afgesloten. Een andere reden kan zijn dat ze de geïndiceerde zorg ontvangen van de instelling waar ze verblijven, als onderdeel van een groter pakket aan zorg, dat ze graag als totaal willen blijven ontvangen. De gemeente Zaanstad wil graag aan deze wensen tegemoet komen. Omdat dit ook overgangscliënten zijn, blijven zij alle AWBZ rechten behouden. Het Zorgkantoor heeft landelijk aangegeven ook deze categorie overgangscliënten te willen afhandelen. De nieuw geïndiceerde klanten (vanaf 01-01-2007) die kiezen voor een voorziening in de vorm van een Pgb. De groep valt onder de nieuwe gemeentelijke Pgb-regeling. In de onderstaande paragrafen worden de regels voor de verschillende voorzieningen nader toegelicht. 3.
- Pgb voor hulp bij het huishouden De hoogte van het Pgb-bedrag voor Hulp bij het Huishouden (HBH) is afgeleid van de bedragen die aanbieders voor zorg in natura vragen. Voor de vaststelling van de hoogte van het Pgb voor hulp bij het huishouden wordt als uitgangspunt genomen 100% van het bedrag van de laagste inschrijving van gecontracteerde aanbieders van ondersteuning in natura. Er wordt een bedrag beschikbaar gesteld dat per klasse per jaar bedraagt: HBH 1 HBH 2 HBH 3 Klasse 1 € 728,- € 1.130,48 € 1.185,60 Klasse 2 € 2.184,- € 3.391,44 € 3.556,80 Klasse 3 € 4.004,- € 6.217,64 € 6.520,80 Klasse 4 € 6.188,- € 9.609,08 € 10.077,60 Klasse 5 € 8.372,- € 13.000,52 € 13.634,40 Klasse 6 € 10.556,- € 16.413,80 € 17.191,20 Klasse 7 € 14 x aantal uur € 21,74 x aantal uur € 22,80 x aantal uur Eenvoudig gezegd: het Pgb-tarief wordt gelijkgesteld aan het goedkoopste tarief van de zorg in natura voor hulp bij de verschillende soorten HbH. Dit past in de beleidslijn van de tegenwaarde van de goedkoopst adequate voorziening in natura, zoals die ook van toepassing is voor hulpmiddelen. De bedragen tot en met klasse drie zullen 1x per jaar bij voorschot op de rekening van de budgethouder worden overgemaakt. De bedragen vanaf klasse 4 zullen 1 x per half jaar bij voorschot op rekening van de budgethouder worden overgemaakt. Het college van Zaanstad heeft besloten, net als bij de zorg in natura, de maximale eigenbijdrage te heffen. Dit is uitgewerkt in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Zaanstad. Een Pgb-houder zal nadat de beschikking is ontvangen een bedrag op zijn rekening gestort krijgen. Hierbij zal de gemeente adviseren om hiervoor een aparte rekening te openen. Verplicht wordt dit echter niet gesteld. Over de voorschotperiode moet verantwoording worden afgelegd. Het budget mag alleen besteed worden aan de directe zorgkosten, d.w.z. loon en evt. onkostenvergoedingen. En de zorg betreft alleen die zorg die geïndiceerd is. 3.
- Pgb voor hulpmiddelen in het kader van verplaatsen in en om het huis (rolstoelen) Het Pgb-bedrag voor rolstoelen wordt bepaald door de kosten die de gemeente betaalt voor een dergelijke voorziening, wanneer zij dit in natura zou verstrekken. Hierbij gaat het om de basisuitvoering, aangevuld met een vast bedrag voor instandhoudingkosten (onderhoud, verzekering) per hulpmiddel. Tevens kan dit bedrag nog aangevuld worden met kosten die gemaakt moeten worden voor noodzakelijke aanpassingen. Wanneer iemand kiest voor meer luxe op of aan de voorziening, dient hij dit zelf bij te betalen. Dit is conform de regeling die geldt voor een voorziening in natura. Dit betekent dat er per type rolstoel aparte bedragen zijn vastgesteld. Uitgangspunten bij het bepalen van de hoogte van een Pgb zijn de prijzen uit de overeenkomst van de gemeente Zaanstad met de leverancier van hulpmiddelen in het kader van de Wvg. Deze bedragen worden genoemd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Zaanstad. 3.
- Pgb voor vervoersvoorzieningen voor lokaal verplaatsen Hieronder vallen: hulpmiddelen (scootmobielen, fietsen) vervoerskosten Voor hulpmiddelen geldt hetzelfde als voor rolstoelen: het Pgb wordt vastgesteld op basis van de tegenwaarde van de goedkoopst-adequate voorziening, indien nodig verhoogd met een bedrag voor onderhoud en reparatie, gebaseerd op het bedrag voor onderhoud en reparatie dat de gemeente betaalt voor een dergelijke voorziening als die in natura wordt verstrekt. In het besluit zijn de bedragen opgenomen die uitgangspunt vormen voor de hoogte van het Pgb. De hoogte van een Pgb voor vervoerskosten wordt vastgesteld aan de hand van de in het besluit opgenomen maximale jaarbedragen. 3.
- Pgb voor woonvoorzieningen Bij bouwkundige en bouwtechnische voorzieningen boven de € 5.000 dienen drie offertes aangevraagd te worden. Uitgangspunt voor de offertes en dus het Pgb vormt het programma van eisen voor de goedkoopst-adequate woningaanpassing, dat opgesteld is door de indicatie-adviseur. Het Pgb voor een woonvoorziening wordt dan vastgesteld op het bedrag van de laagste offerte. Uitgezonderd van deze regeling zijn bijvoorbeeld het aanvragen van een traplift en kleine woonvoorzieningen omdat daar met een vaste leverancier wordt gewerkt. Een Pgb voor trapliften zal worden vastgesteld aan de hand van de prijzen uit die overeenkomst. Voor bedragen boven de € 20.000 wordt per geval een aparte financiële regeling getroffen. Dergelijke bedragen ineens uitkeren zou een grote aanslag betekenen op het gemeentelijk budget. In hoofdstuk 5 is de procedure en verantwoording van het Pgb voor woningaanpassingen nader uitgewerkt. 3.
- Pgb-regeling op maat In principe is een Pgb een individuele voorziening. Er zijn echter situaties denkbaar dat een Pgb ook ingezet kan worden voor een voorziening voor een grotere groep. Hierbij kan gedacht worden aan een complex van aanleunwoningen die allen hulp bij het huishouden ontvangen vanuit het nabijgelegen verzorgingshuis. Alle budgetten van de geïndiceerde bewoners kunnen dan collectief ingezet worden om hulp vanuit het verzorgingshuis te financieren. Dit is alleen mogelijk als de geïndiceerde zelf toestemming geeft zijn budget naar het verzorgingshuis over te maken (zie ook art 5.3 van het Besluit maatschappelijke ondersteuning). Randvoorwaarden hierbij zijn: Alle personen dienen een geldige indicatie te hebben voor hulp bij het huishouden Elk persoon dient een overeenkomst met de zorgverlener te sluiten waarin de -zorgverlener gemachtigd wordt het Pgb van de cliënt te beheren. Het beheer en de verantwoording verlopen via de zorgaanbieder De bedragen worden gestort op de rekening van de zorgaanbieder. Hoofdstuk4Het voeren van een huishouden, hulp bij het huishouden 4.
- Inleiding. De hulp bij het huishouden is afkomstig uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, waar de functie Huishoudelijke Verzorging één van de zeven functies was die onder de AWBZ vielen en uitgewerkt werden in het besluit zorgaanspraken AWBZ. Op 1 januari 2007 is deze functie uit de AWBZ geschrapt (artikel 41, lid 2 Wmo) en heeft de Wmo op basis van artikel 4 lid 1 onder a. deze functie overgenomen. In de Verordening is de Hulp bij het Huishouden opgenomen onder hoofdstuk 3, hierbij wordt gesproken over het compenseren van beperkingen ten gevolge van ziekte, gebrek of psychosociaal probleem bij het voeren van een huishouden. Definitie Hulp bij het huishouden Bij het aanbesteden van hulp bij het huishouden is uitgegaan van de definitie van huishoudelijke verzorging uit de AWBZ: Hulp bij het huishouden omvat het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van het verzorgen van het huishouden in verband met een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking, een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap of een psychosociaal probleem die of dat leidt of dreigt te leiden tot het disfunctioneren van de verzorging van het huishouden van een persoon dan wel de leefeenheid waartoe de persoon behoort, te verlenen door een instelling. In paragraaf 4.2 komen de relevante artikelen uit de verordening individuele voorzieningen aan de orde, in paragraaf 4.3 de categorieën voor hulp bij het huishouden, in paragraaf 4.4 de procedure van aanvraag tot levering van hulp en in paragraaf 4.5 wordt het overgangsrecht toegelicht. 4.
- Artikelen over hulp bij het huishouden in de verordening Artikel 8 van de verordening geeft een drietal mogelijk te verstrekken voorzieningen aan: een algemene voorziening, waaronder algemene hulp bij het huishouden; hulp bij het huishouden in natura; een persoonsgebonden budget te besteden aan hulp bij het huishouden. Algemene hulp, bij het huishoudenUit artikel 9 van de verordening blijkt dat indien als gevolg van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek of problemen bij het uitvoeren van de mantelzorg het zelf uitvoeren van één of meer huishoudelijke taken onmogelijk is en de algemene hulp bij het huishouden dit snel en adequaat op kan lossen, men voor deze eerste vorm, algemene hulp bij het huishouden in aanmerking kan komen. Bij algemene hulp bij het huishouden ligt zodoende het primaat, dit maakt dat deze algemene hulp voorliggend is op de Hulp bij het Huishouden in natura of via PGB. Het gaat, zo meldt de toelichting op artikel 8, om “een snelle en eenvoudige dienstverleningsoplossing zonder veel administratieve rompslomp voor gemeente en aanvrager. Gedacht moet worden aan vormen van direct beschikbare hulp bij het huishouden vanuit bijvoorbeeld een wijksteunpunt met name voor eenvoudige werkzaamheden, al dan niet op basis van een kortdurende hulpbehoefte.” De regels voor algemene voorzieningen zijn de volgende: Het gaat om een voorziening die in tijd een korte duur heeft; Het gaat om een voorziening die betrekking heeft op lichte, niet complexe zorg; Of het gaat om een voorziening ten behoeve van een incidentele zorgbehoefte. Bewoners van Zaanstad kunnen een beroep doen op Wonen Plus. Wonen Plus biedt ondersteuning en praktische dienstverlening met als doel het bevorderen en/of ondersteunen van het langer zelfstandig wonen. Het betreft ondersteuning op het terrein van wonen, zorg en welzijn. Wonen Plus werkt voornamelijk met vrijwilligers die ondersteuning kunnen bieden bij bijvoorbeeld: Kleine klusjes in en rondom het huis Tuinwerkzaamheden Hulp bij administratie Begeleid artsenbezoek Als het mogelijk is worden de diensten van Wonen Plus voorliggend aan hulp bij het huishouden ingezet ter ondersteuning van het huishouden. Gezien de verschillende terreinen van Wonen Plus en hulp bij het huishouden zal het ook vaak voorkomen dat hulp bij het huishouden en Wonen Plus naast elkaar ingezet zal worden. Het kan ook voorkomen dat HBH en Wonen Plus naast elkaar worden ingezet. In de beschikking van hulp bij het huishouden wordt aangegeven welk deel met wonen plus gecompenseerd gaat worden. Hulp bij het huishouden in natura of door middel van een persoonsgebonden budget.Artikel 9 van de verordening bepaalt dat indien de algemene hulp bij het huishouden niet aanwezig is, of indien deze algemene hulp bij het huishouden een onvoldoende oplossing biedt, men in aanmerking kan komen voor hulp bij het huishouden in natura of een persoonsgebonden budget, te besteden aan hulp bij het huishouden. Ook in deze situatie moet er sprake zijn van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek of van problemen bij het uitvoeren van de mantelzorg, waarbij wordt uitgegaan van het begrip gebruikelijke zorg. Er dient allereerst te worden nagegaan of er sprake is van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek. Die ziekte of dat gebrek kunnen liggen op de terreinen als vermeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de Wmo: mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem. De vaststelling hiervan zal op objectieve wijze plaats moeten vinden en in het grote deel van de gevallen op basis van een medische beoordeling. In dat kader kan het noodzakelijk zijn medisch advies te vragen aan een medisch adviseur die daartoe de nodige deskundigheid bezit. Daarbij dient bijzondere aandacht te bestaan voor de zogenaamde medisch moeilijk te objectiveren aandoeningen (mmoa’s), waarbij gewaakt moet worden voor het verlenen van anti-revaliderende hulp. Daarnaast kan ook hulp bij het huishouden verstrekt worden in situaties dat de mantelzorg problemen heeft bij de uitvoering daarvan. In situaties dat die problemen (deels) opgelost kunnen worden door het toekennen van hulp bij het huishouden is dat een reden voor toekenning. Daarbij dient er van uitgegaan te worden dat de hulp bij het huishouden plaats vindt bij de hulpvrager, die de mantelzorg ontvangt, en niet bij de mantelzorger thuis, indien die een ander woonadres heeft dan de hulpvrager. Is er sprake van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte, gebrek of psychosociaal probleem, dan komt men in principe in aanmerking voor hulp bij het huishouden. Gebruikelijke zorg en de omvangArtikel 10 van de verordening bepaalt dat, “als tot de leefeenheid waar deze persoon deel van uitmaakt een of meer huisgenoten behoren die wel in staat zijn het huishoudelijk werk te verrichten” men niet in aanmerking komt voor hulp bij het huishouden. Deze beperking heet “gebruikelijke zorg” en is overgenomen uit de beleidsregels zoals het CIZ die hanteerde ten aanzien van de functie Huishoudelijke Verzorging in de AWBZ tot de invoering van de Wmo. Gebruikelijke zorg wil zeggen dat als de hulpvrager huisgenoten heeft die het huishoudelijk werk over kunnen nemen, zij verondersteld worden dit door een herverdeling van taken te doen, zodat er geen ruimte meer bestaat hulp bij het huishouden te indiceren. Dit principe is gebaseerd op de achterliggende gedachte dat een leefeenheid in gezamenlijkheid verantwoordelijk is voor het huishoudelijke werk. Dat betekent dat indien degene die gewend is het huishoudelijk werk te doen hiertoe niet meer in staat is, andere leden van de leefeenheid verondersteld worden dit over te nemen. Dit principe heeft een verplichtend karakter en betreft alle huisgenoten ouder dan 18 jaar. Vanaf 18 jaar wordt men verondersteld in verband met studie op kamers te kunnen wonen en een eenpersoonshuishouden te kunnen draaien. Vanaf 23 jaar wordt men verondersteld een volledig huishouden te kunnen draaien. Onder 18 jaar wordt men verondersteld te helpen bij het huishouden, zoals het bijhouden van de eigen kamer, het helpen dekken van de tafel, het helpen bij de afwas enz. Ook met deze activiteiten kan rekening gehouden worden bij de indicatie. Daarbij wordt er geen rekening mee gehouden of men het al dan niet wil of al dan niet gewend is te doen. In situaties dat personen uit de leefeenheid die nog nooit huishoudelijk werk hebben gedaan, dit niet kunnen, kan via een tijdelijke indicatie hulp geboden worden bij het aanleren hiervan. De taak wordt dan niet overgenomen maar via instructies gestuurd. Ook studie of werkzaamheden vormen in principe geen reden om van de gebruikelijke zorg af te zien. Immers, iedereen die werkt zal naast zijn werk het huishouden moeten doen of hier eigen oplossingen voor zoeken (zoals het inhuren van particuliere hulp). Dat geldt ook voor tweeverdieners. Ook ouderen die in staat zijn tot het verrichten van huishoudelijk werk vallen onder de gebruikelijke zorg. Een (zeer) hoge leeftijd (>75 jaar) kan in omstandigheden aanleiding te zijn niet te vragen het huishoudelijk werk aan te leren. Bij werkenden wordt geen rekening gehouden met zeer drukke werkzaamheden en (zeer) lange werkweken. Over het algemeen kan alleen rekening worden gehouden met personen die vanwege hun werkzaamheden langdurig van huis zijn. Daardoor zijn zij immers de facto niet in staat het huishoudelijk werk over te nemen. Maar in alle situaties dat daarbij sprake is van een eigen keuze, zal daar geen rekening mee worden gehouden. De afwezigheid moet een verplichtend karakter hebben. Het gaat te ver chauffeurs die op het buitenland reizen, medewerkers in de off-shore of marinemensen die maanden achtereen van huis zijn, te dwingen een andere functie te zoeken. Onder personen die lid zijn van de leefeenheid worden niet verstaan personen die een (pension)kamer huren. Het moet dan gaan om personen die in generlei familiebetrekking staan tot elkaar en er moet daadwerkelijk een huurovereenkomst liggen. In die situaties worden overigens de werkzaamheden ten aanzien van de huurder door de verhuurder als zijnde beroepsmatig niet geïndiceerd! Er zijn situaties die op een grensgebied liggen. Bij kloostergemeenschappen bijvoorbeeld is wel sprake van een leefeenheid, maar is over het algemeen een taakverdeling, die zich niet leent voor overname. In die situatie kan wel geïndiceerd worden voor bijvoorbeeld het schoonmaken van de eigen kamer indien met dit niet zelf meer kan. Gemeenschappelijke ruimten die kenmerkend voor kloosters zijn kunnen niet worden geïndiceerd omdat zij het niveau sociale woningbouw te boven gaan (bibliotheken, gebedsruimten, gemeenschapsruimten, refters) en behoren tot de eigen verantwoordelijkheid van de gemeenschap. Voor AWBZ-instellingen geldt dat huishoudelijke verzorging in de functie verblijf is opgenomen en dus niet geïndiceerd kan worden. Is er geen sprake van gebruikelijke zorg, dan dient de omvang van de hulp bij het huishouden te worden vastgesteld. Hiervoor moet bepaald worden welke activiteiten de hulpvrager zelf niet kan uitvoeren en welke normtijden hiervoor gelden. Er is, in navolging van de AWBZ gekozen voor normtijden, om een uitgangspunt te hebben voor de omvang van de verschillende taken die in het huishoudelijk werk verricht moeten worden. De in paragraaf 4.3 aangegeven normtijden worden gehanteerd. Deze normtijden zijn afkomstig uit het protocol huishoudelijke verzorging van het CIZ en samengesteld in overleg met de landelijke koepel van thuiszorginstellingen. Normering door de gemeente is nodig om een uitgangspunt te hebben en eindeloze discussies te voorkomen over de benodigde tijd voor bepaalde activiteiten (zie paragraaf 4.3 noot 1, 2 en 3). Aan de hand van de normtijden kan voor de individuele situatie worden bepaald hoeveel tijd noodzakelijk is. In artikel 11 van de verordening is vastgelegd dat de totale hoeveelheid tijd die dan wordt toegekend wordt uitgedrukt in klassen. Deze indeling is een aantal jaren ook in de AWBZ toegepast. Bij de toekenning in klassen worden in principe de klassen toegekend waarbinnen het eindaantal uren hulp valt. Bij een aanvraag voor een individuele voorziening geldt dat voorliggende voorzieningen voorgaan. Het onderscheid tussen de wettelijke en algemene voorziening is dat de wettelijke voorzieningen afdwingbaar zijn, terwijl bij de algemene voorzieningen nagegaan zal moeten worden of deze voorziening ook werkelijk beschikbaar is en adequaat in geval van een zorgvraag. Op basis van de hardheidsclausule kan in bijzondere situaties altijd – maar bij uitzondering – van deze regels worden afgeweken. Voorliggende voorzieningen, die voorgaan op een individuele voorziening zijn: kinderopvang (crèche, kinderdagverblijf, overblijfmogelijkheden op school, voor- of naschoolse opvang); oppascentrales; maaltijddiensten; hondenuitlaat-service; boodschappendiensten enz. Deze voorliggende voorzieningen, waaronder vrijwilligersdiensten, zijn beschikbaar binnen de gemeente Zaanstad en zullen dus betrokken worden bij de vaststelling van de behoefte aan hulp bij het huishouden. Niet relevant is of men gebruik wil maken van een voorliggende voorziening. Ook is in principe niet relevant welke kosten aan de voorliggende voorziening zijn verbonden, tenzij sprake zou kunnen zijn van een zogenaamd extreem laag inkomen als geldt bij het begrip algemeen gebruikelijk: een inkomen dat door kosten op grond van de ziekte of het probleem onder de bijstandsnorm uitkomt of dreigt uit te komen door deze kosten. In dit geval kan er eventueel een beroep worden gedaan op de bijzondere bijstand via de Dienst Publiek, afdeling Sociale Zaken, van de gemeente Zaanstad. Indien het gaat om zorg in natura, dan kan de toe te kennen hulp bij het huishouden bij beschikking worden toegekend en tevens doorgegeven worden aan de instelling, keuze van de cliënt, die deze gaat verzorgen. Hierbij is relevant dat de instelling de inhoudelijke opbouw van de indicatie kent. Daardoor kan voorkomen worden dat activiteiten worden uitgevoerd waarvoor geen hulp is toegekend. Omdat sprake is van een eigen bijdrage moeten de benodigde gegevens worden doorgegeven aan het CAK, die deze eigen bijdragen int. Gaat het om een persoonsgebonden budget, dan kan, indien aan het gestelde in artikel 6 is of kan worden voldaan en er geen overwegende bezwaren bestaan het persoonsgebonden budget bij beschikking worden toegekend en kan ingevolge lid 4 van artikel 6 tot uitbetaling worden overgegaan. Ook in deze situatie dienen de benodigde gegevens voor het innen van de eigen bijdrage aan het CAK worden doorgegeven indien van toepassing. Indicatiestelling In artikel 30 draagt het college de uitvoering van de indicatiestelling en het verlenen van de beschikking op aan het RIO-Zaanstreek. Het RIO kan zelf de indicatiestelling uitvoeren maar kan ook het CIZ inschakelen om een indicatieadvies te geven. De procedure van aanvraag tot levering van hulp wordt beschreven in paragraaf 4.
- 4.
- Beschikbare voorzieningen voor Hulp bij het Huishouden (HBH) Onderverdeling in HBH1, HBH2 en HBH 3 HBH1: Huishoudelijke werkzaamheden.
(1)schoonmaken van het huis, licht en zwaar; wassen, drogen, vouwen en strijken; opruimen van de kamers; bedden opmaken, afhalen en verschonen; beperkte verzorging van huisdieren en planten; opruimen huishoudelijke afval; actief signaleren of deze vorm van hulp bij het huishouden nog voldoet en contact hierover met de contactpersoon. Functie-eis: geen specifieke vooropleiding. Huishoudelijke kennis en kunde inclusiefmateriaalkennis zijn essentieel. Licht poetswerk in huis, kamers opruimen. Hieronder vallen de volgende activiteiten: Indien geen maaltijdvoorziening is geïndiceerd: afwassen, handmatig 15-30 minuten per keer, machine in- en uitruimen 10 minuten per keer. Opruimen, stof afnemen, bedden opmaken en wekelijkse beurt interieur; dit is afhankelijk van de grootte van de woning en de specifieke kenmerken van de gezinssamenstelling en bedraagt 15 tot 40 minuten per keer. Bij kinderen onder de 12 jaar, bij allergie (alleen als het gaat om een gesaneerde woning) bij ernstige beperkingen in armen en handen die leidt tot extra rommel kan meer tijd worden toegekend. Dit geldt alleen voor de kamers die in gebruik zijn en uitgaande van een woning niveau sociale woningbouw. Extra toegekende tijd in principe maximaal 3 maal per week 20-30 minuten. Totaal betekent dit minimaal 60-90 minuten, maximaal 180 minuten. Zwaar huishoudelijk werk. Hieronder vallen: stofzuigen, schrobben, dweilen, soppen van sanitair en keuken, bedden verschonen, opruimen huishoudelijk afval. Omvang bij een eenpersoonshuishouden en een huis met 2 kamers 1 x 3 uur per 14 dagen, of 90 minuten per week, Bij een meerpersoonshuishouden en een huis met meer dan 3 kamers geldt de omvang van klasse 2 (aanpassen in uren!). In grote woningen met een hoge bezettingsgraad, bij een hoge vervuilingsgraad (door de situatie, niet door verwaarlozing) bij CARA-problematiek in een gesaneerde woning, bij aanwezigheid van jonge kinderen kunnen extra uren, afhankelijk van de situatie, worden toegekend. Verzorging huisdieren wordt meegenomen en niet extra geïndiceerd. Verzorging kleding/linnengoed. Hier wordt onder gerekend: sorteren en wassen kleding met behulp van een wasmachine, centrifugeren, ophangen en afhalen of was drogen in droger, vouwen, strijken en opbergen, ophangen/afhalen wasgoed. Hiervoor wordt bij 1 persoon 60 minuten per week toegekend, bij 2 personen 90 minuten per week. Meer per week: bij kinderen onder de 16 jaar 30 minuten per week extra, bij bedlegerige personen 30 minuten per week extra, bij extra wassen door overmatige transpiratie, incontinentie, speekselverlies etc. 30 minuten per week extra. Bij huishoudens met kleine kinderen kan tot maximaal 3x per week wassen worden toegekend, in andere situaties wordt uitgegaan van éénmaal per week. HBH2: Organisatie van het huishouden in verband met chronische ziekte of beperkingen.
(2)huishoudelijke werkzaamheden (zie onder HBH1); dagelijkse organisatie van het huishouden; gebruikelijke verzorging (helpen met zelfverzorging) voor inwonende kinderen (in relatie tot gebruikelijke zorg); signaleren van veranderingen in de gezondheids en sociale situatie; adviseren en/of verwijzen – zo mogelijk activeren; actief handelen na aanleiding van signalen. Functie-eis: Diploma helpende, kwalificatieniveau 2 (welzijn en zorg), OVDB-certificaatniveau. Kennis en ervaring met huishoudelijke taken, basale kennis van ziektebeelden. verzorgingshulp B of het diploma helpende OVDB (2 jaar) of een opleiding op gelijkwaardig Thuishulp A en/of B voldoet aan de gevraagde eis. Organisatie van het huishouden. Hiertoe worden gerekend opvang en/of verzorging van kinderen/volwassen huisgenoten (anderen helpen met zelfverzorging) en anderen helpen bij het bereiden van maaltijden. Het gaat hierbij om een ouder die tijdelijk niet in staat is de ouderrol op zich te nemen. Totaal omvang tot maximaal 40 uur per week aanvullend op de eigen mogelijkheden, tge besteden aan wassen en aankleden, hulp bij eten en/of drinken, maaltijd voorbereiden, sfeer scheppen, spelen, opvoedingsactiviteiten. Meer of minder kan worden geïndiceerd vanwege het aantal kinderen, de leeftijd van de kinderen, de gezondheidssituatie, het functioneren van kinderen/huisgenoten, aanwezigheid gedragsproblematiek, samenvallende activiteiten. Dagelijkse organisatie van het huishouden. Administratieve werkzaamheden, organiseren, plannen en beheren van middelen. Indien hier aanleiding toe bestaat kan hier 30 minuten per week voor worden geïndiceerd. Hiervan kan worden afgeweken bij communicatieproblemen, kinderen onder de 16 jaar of andere tijdvragende huisgenoten, of psychosociale of andere problematiek bij meerdere huisgenoten. HBH3: De nadruk bij deze categorie hulp bij het huishouden ligt op ontregeling van het huishouden. Ontregeling kan meerdere oorzaken en redenen hebben waaronder psychische problemen, een verstandelijke beperking of een combinatie van problemen.
(3)huishoudelijke werkzaamheden (zie onder HBH1); organisatie van het huishouden (zie onder HBH2); zorg afstemmen met andere hulpverleners; opstellen of bijstellen van een zorgplan; lichte vorm van psychosociale begeleiding. Functie-eis: Hetzelfde als bij HBH2 maar aangevuld met: kwaliteitsniveau 3 (minimaal); basale kennis van en ervaring met lichamelijke verzorging; kennis en ervaring op het gebied van structureren van het huishouden; kennis en ervaring op het gebied van opvoedkunde; basale kennis van symptomen van psychische, psychosociale en psychogeriatrische ziektebeelden; kennis van lokale sociale infrastructuur en sociale kaart. Hulp bij ontregelde huishouding in verband met psychische stoornissen. Hieronder kan ook observeren vallen, evenals formuleren doelen met betrekking tot huishouding, helpen verkrijgen, handhaven structuur in het huishouden, helpen verkrijgen/handhaven zelfredzaamheid t.a.v. budget, begeleiden ouders bij opvoeding (beperkt en in combinatie met andere onderdelen) en begeleiding kinderen. Omvang 30 minuten per week. Advies, instructie, voorlichting (AIV) gericht op het huishouden. Instructie omgaan met hulpmiddelen, instructie licht huishoudelijk werk, instructie textielverzorging, instructie boodschappen doen, instructie komen. Maximaal 30 minuten per week. In 3x per week maximaal 6 weken. Bij communicatieproblemen kan meet tijd worden geïndiceerd. Algemene kwaliteitscriteria huishoudelijk helpenden sociaal vaardig; communicatief vaardig; signalerend vermogen; bekend met de cultuur. 4.4. Procedure rond hulp bij het huishouden Aanvraag en indicatie Een aanvraag voor hulp bij het huishouden kan ingediend worden bij het RIO Zaanstreek, als hoofdaannemer voor de indicatiestelling en effectuering van deze functie. De enkelvoudige aanvragen worden door het RIO-Zaanstreek in behandeling genomen, de meervoudige aanvragen worden door het CIZ in behandeling genomen.
(4)Onder enkelvoudig wordt verstaan: Aanvraag voor hulp bij het huishouden zonder dat er sprake is van een aanvraag of reeds bestaande indicatie voor 1 van de AWBZ-functies. Deze aanvragen worden door het RIO-Zaanstreek in behandeling genomen. Onder meervoudig wordt verstaan: Aanvraag voor hulp bij het huishouden waarbij tevens sprake is van een aanvraag voor een AWBZ-functie. Ook wanneer de aanvrager al een indicatie voor een AWBZ-functie heeft en vraagt daarna hulp bij het huishouden aan, wordt de aanvraag als meervoudig beschouwd omdat de aanvraag in samenhang met de AWBZ-functies zal worden bezien. Deze aanvragen worden door het CIZ in behandeling genomen. Wanneer een van de AWBZ-functies wordt herbeoordeeld, wordt een bestaande indicatie voor hulp bij het huishouden daarin niet meegenomen. Hulp bij het huishouden valt daarmee niet meer onder het “veeg-besluit”. Wanneer bij herbeoordeling van de AWBZ-indicatie er aanleiding is de indicatie voor hulp bij het huishouden aan te passen, vindt er overleg plaats tussen het RIO en CIZ. Voor de indicatiestelling van hulp bij het huishouden worden de protocollen van het CIZ gehanteerd. Aan de hand van het protocol wordt vastgesteld op welke activiteiten er ondersteuning nodig is. Op basis hiervan wordt bepaald welke categorie voor hulp bij het huishouden er geïndiceerd wordt en wordt de omvang van de hulpvraag vastgesteld aan de hand van klassen. Bij een aanvraag dient de aanvrager erop gewezen te worden dat er een eigen bijdrage wordt gevraagd voor hulp bij het huishouden. Indien de aanvrager een hoog (verzamel)inkomen heeft, betaalt hij een hoge eigen bijdrage. De aanvrager zou er dan ook voor kunnen kiezen de hulp bij het huishouden zelf particulier te regelen. Keuze tussen Pgb of hulp in natura De aanvrager kan de Hulp bij het Huishouden in natura krijgen of in de vorm van een Persoonsgebonden budget (PGB). Voor de levering van de hulp bij het huishouden is de gemeente een overeenkomst met 4 leveranciers van hulp bij het huishouden aangegaan
(5). De aanvrager die kiest voor de uitbetaling van de geïndiceerde Hulp bij het huishouden in de vorm van een PGB kan deze PGB inzetten voor een hulp naar eigen keuze. Bij de vaststelling van de hoogte van het Persoonsgebonden budget (PGB) wordt per soort Hulp bij het Huishouden uitgegaan van de bedragen van de laagste inschrijving van de gecontracteerde aanbieders van ondersteuning in natura. In het Besluit individuele voorzieningen zijn deze bedragen per klasse vastgelegd. Leveranciers in de Zaanstreek: Evean uit Purmerend Thuis Zaanstad Viva! Zorggroep uit Heemskerk De Omring uit Hoorn De beschikking Nadat vastgesteld is hoeveel hulp de aanvrager krijgt en hoe dit geleverd wordt, krijgt de aanvrager een beschikking. Ook cliënten die door het CIZ zijn geïndiceerd ontvangen een beschikking van de gemeente. In de beschikking is opgenomen: De categorie hulp bij het huishouden De klasse Levering in natura of als Pgb In geval van natura: leverancier van voorkeur In geval van pgb: hoogte van het voorschot, zoals vastgelegd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning De beschikking wordt tevens doorgestuurd naar de leverancier van voorkeur. Levering van hulp Met de leveranciers van hulp bij het huishouden is afgesproken dat binnen 5 werkdagen na een aanvraag de hulp wordt geleverd. In uitzonderlijke gevallen kan sprake zijn van een spoedsituatie. Dan dient de hulp binnen 24 uur geleverd te zijn. 4.
- Tijdelijke situatie overgangsrecht ex artikel 41 Wmo. De Wmo regelt in artikel 41 overgangsrecht voor hulp bij het huishouden als opvolging van de functie huishoudelijke verzorging uit de AWBZ. Dit houdt in dat de rechten en plichten die op grond van een -voor de inwerkingtreding van de Wmo (1 januari 2007)- afgegeven indicatie voor de functie HV, blijven gelden zo lang de indicatie loopt met een maximum van één jaar, dus maximaal gedurende het jaar
- Daarbij is bepaald dat het college van burgemeester en wethouders in de plaats treedt van de zorgverzekeraar van betrokkene en dat betrokkene de eigen bijdrage niet meer verschuldigd is aan het Centraal Administratiekantoor (CAK) maar aan het college. Het CAK zal echter nog wel de inning verzorgen. Voor de cliënt verandert er dan niets. Daarnaast is geregeld dat op aanvragen voor hulp bij het huishouden door het college, gemandateerd aan het RIO, tot drie maanden nadat de gemeenteraad de verordening Wmo heeft vastgesteld, doch weer uiterlijk tot na een jaar na inwerkingtreding van de Wmo, een beslissing wordt genomen volgens de regels zoals die onder de AWBZ golden, waarbij het college optreedt als onafhankelijk indicatieorgaan. Op grond van bovenstaande zal de gemeente voor diegenen die een geldige indicatie hebben in 2007 voor de AWBZ-rechten voor de functie huishoudelijke verzorging, geldt dat, zolang de indicatie duurt, de oude AWBZ-rechten worden voortgezet tot de indicatie afloopt of tot 1 januari
- Mocht niet iedereen zijn geherindiceerd in 2007, dan is een uitloop mogelijk tot het einde van de indicatietermijn van de oude indicatie (art. 39 lid 1 verordening individuele voorzieningen). voor diegenen die voor het eerst een aanvraag doen, of die met een lopende AWBZ-indicatie een aanvraag indienen voor meer zorg, een besluit nemen met toepassing van de regels zoals die in de Verordening Wmo zijn vastgesteld. 4.5.
- De situatie van het overgangsrecht voor diegenen die een AWBZ-indicatie hebben op 31 december
- Artikel 41, lid 3 bepaalt: “De rechten en verplichtingen die gelden op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet met betrekking tot huishoudelijke verzorging waarvoor op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten een indicatiebesluit is afgegeven voor de inwerkingtreding van deze wet, tenzij de verzekerde in het buitenland woont, blijven gelden gedurende de looptijd van het indicatiebesluit, doch ten hoogste een jaar na de inwerkingtreding van deze wet, met dien verstande dat het college van burgemeester en wethouders in de plaats treedt van de zorgverzekeraar van betrokkene, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, en dat betrokkene de bijdrage in de kosten, bedoeld in artikel 6, vierde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, aan het college van burgemeester en wethouders is verschuldigd.” Op basis van deze situatie heeft iedereen die op 31 december 2006 een indicatie, afgegeven door het Centrum Indicatiestelling Zorg of één van de voorgangers van het CIZ, heeft die doorloopt in 2007, gedurende de looptijd van die indicatie, doch uiterlijk tot 1 januari 2008, recht op de zorg zoals die gold op 31 december
- Dit geldt voor de omvang (uitgedrukt in klassen volgens de indeling zoals die nog geldt in 2006), alsmede voor de vorm (zorg in natura of een persoonsgebonden budget) alsook voor de eigen bijdrage zoals die geldt op 31 december 2006 in de AWBZ, waarbij is aangegeven dat deze eigen bijdrage niet meer verschuldigd is aan het CAK, maar aan het college van burgemeester en wethouders (die het CAK de eigen bijdrage laat innen). Of dit recht op voortzetting van een bestaande situatie ook geldt voor de zorgverlener, in de situatie van zorg in natura, is afhankelijk van de vraag of de gemeente een contract heeft met deze zorgverlener. Er is geen sprake van een overgangsrecht in deze. Bij een persoonsgebonden budget speelt dit geen rol, omdat er een rechtstreekse relatie bestaat tussen zorgvrager en zorgverlener. Omdat deze relatie bij zorg in natura niet bestaat (daar gaat het onder de AWBZ om een relatie tussen Zorgkantoor en zorgverlener/zorgaanbieder) is momenteel de situatie dat voor een kleine groep cliënten geldt dat zij zorg ontvangen van een zorgaanbieder waarmee de gemeente Zaanstad geen overeenkomst heeft gesloten. De gemeente is met een 4-tal leveranciers een overeenkomst voor het leveren van Hulp bij het Huishouden in natura aangegaan. Wanneer de cliënt niet wil kiezen uit een van deze 4, kan hij nog kiezen voor het Pgb en daarmee zijn huidige zorgverlener inzetten. Aangezien er gesproken wordt over “de rechten en verplichtingen die gelden op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet met betrekking tot huishoudelijke verzorging waarvoor op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten een indicatiebesluit is afgegeven voor de inwerkingtreding van deze wet” vervalt het overgangsrecht op het moment dat er een aanvraag ingediend wordt voor meer hulp bij het huishouden. Het gaat dan immers niet meer om een onder de AWBZ afgegeven indicatiebesluit en ook niet meer om rechten en plichten die gelden op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wmo. De mogelijkheid om naast de oude rechten een kleine omvang nieuwe rechten toe te kennen moet als onwerkbaar van de hand worden gewezen. Voor deze groep geldt vanaf 1 januari 2007, zolang de indicatie nog loopt, maar maximaal tot 1 januari 2008 het volgende: Gedurende deze periode blijft de omvang van de zorg gelijk. Is HV klasse 3 toegekend, dan zal recht blijven bestaan op hulp bij het huishouden met de omvang klasse
- Hierbij wordt de volgende klassenindeling gehanteerd: Klasse 1 0-1,9 uur per week Klasse 2 2-3,9 uur per week Klasse 3 4-6,9 uur per week Klasse 4 7-9,9 uur per week Klasse 5 10-12,9 uur per week Klasse 6 13-15,9 uur per week. Mocht er geen behoefte meer aan zorg bestaan (bijvoorbeeld door overlijden) of mocht de behoefte aan zorg verminderen (bijvoorbeeld na een operatie waardoor men weer meer zelf kan en mag), dan zou ook onder de AWBZ het recht op zorg stoppen of gewijzigd worden, zodat ook tijdens het overgangsrecht de zorg gestopt of bijgesteld kan worden. Het gaat dan om een gewijzigde situatie, die men ook onder de AWBZ verplicht was door te geven. Mocht de behoefte aan zorg toenemen, zodat er een nieuwe aanvraag wordt ingediend bij het college, dan ontstaat een nieuwe situatie. Zoals hierboven reeds aangegeven gaan de oude rechten dan over in nieuwe rechten. De gewijzigde situatie zal doorgevoerd worden in een nieuwe indicatie, die indien daar sprake van is ook het nieuwe beleid kan volgen. Voor aanvragers betekent dit, tenzij zij de nieuwe situatie ambiëren, dat zij na moeten gaan of naar verwachting de aangevraagde uitbreiding zodanig van omvang is, dat daardoor meer zorg kan worden toegekend. Is dat niet het geval dan kan overwogen worden de oude situatie te continueren en geen aanvraag in te dienen. Ook de omvang van de tot 1 januari 2007 aan het CAK verschuldigde eigen bijdrage AWBZ blijft gedurende de looptijd van de indicatie, maar maximaal tot 1 januari 2008, gelijk. Het CAK int deze eigen bijdrage. Bij het indienen van een nieuwe aanvraag ontstaat ook ten aanzien van de eigen bijdragen een nieuwe situatie. Dat kan betekenen dat dan de oude situatie stopt, er een nieuwe eigen bijdrage berekend dient te worden op basis van het gemeentelijk beleid ten aanzien van de Wmo en deze eigen bijdrage in de plaats treedt van de oude, AWBZ-eigen bijdrage. Voor deze groep hoeft door het college vooreerst geen beschikking te worden afgegeven. Hun recht op zorg conform de AWBZ-regels ontlenen zij immers aan artikel 41 van de Wmo. Anders wordt de situatie na afloop van de indicatie gedurende het jaar 2007 of per 1 januari
- Op dat moment eindigt het overgangsrecht van rechtswege en zal via een beschikking een nieuw recht op zorg toegekend dienen te worden. De hiervoor benodigde informatie behoort bij de informatie die door het Zorgkantoor aan de gemeenten verstrekt wordt. Het is ook mogelijk dat de zorgvragers zelf een aanvraag bij de gemeente indienen om voortgang van de zorg veilig te stellen. Ruilzorg. Het Protocol van overdracht geeft over de zogenaamde ruilzorg nog het volgende aan: “Onder ruilzorg wordt zorg verstaan waarbij de cliënt een indicatie heeft voor huishoudelijke verzorging maar in de praktijk een andere vorm van AWBZ-zorg ontvangt, bijvoorbeeld persoonlijke verzorging. Voor ruilzorg bestaat geen wettelijke basisEen uitzondering vormt het meervoudige persoonsgebonden budget (bijvoorbeeld combinaties van huishoudelijke zorg en persoonlijke verzorging). Binnen de PGB-spelregels van de AWBZ mag de cliënt schuiven tussen de zorgfuncties.. Het gaat hierbij om ontstane gedragslijnen. Dergelijke gedragslijnen (al dan niet neergelegd in protocollen) vinden geen basis in de AWBZ en overige relevante wet- en regelgeving. Het gemeentebestuur is juridisch niet gebonden aan deze gedragslijnen. Aansluitend bij de laatste zin betekent dit dat personen met een AWBZ-indicatie voor persoonlijke verzorging (en niet voor HV, bijvoorbeeld vanwege gebruikelijke zorg) die dit omgezet hebben in HV en geen pgb hebben (met een pgb hoeft dat onder de AWBZ geen problemen te geven) in principe onder de Wmo geen hulp bij het huishouden ontvangen, tenzij zij daarvoor een Wmo-aanvraag indienen en deze aanvraag gehonoreerd wordt. Samenvatting Deze groep heeft op basis van artikel 41 Wmo vanaf 1 januari 2007 recht op een voorziening zoals die was tot en met 31 december 2006 m.u.v. de zorgverlener. Bij een nieuwe aanvraag gedurende 2007 of gedurende de looptijd van de AWBZ/indicatie wordt deze situatie automatisch beëindigd Het is van belang dat deze groep tijdig, dat wil zeggen voordat de AWBZ-indicatie haar werking verliest, doch uiterlijk voor 1 januari 2008, wordt herbeoordeeld. 4.5.
- De situatie van diegenen die voor 1 januari 2007 een aanvraag hebben ingediend binnen de AWBZ maar waarvoor nog geen besluit is genomen. Uiteraard kunnen zorgvragers tot en met 31 december 2006 aanvragen indienen bij het CIZ voor een indicatie. Het kan zelfs voorkomen dat aanvragers bewust besluiten niet te wachten tot na 1 januari 2007 omdat zij het AWBZ-beleid prefereren boven het Wmo-beleid. Ook bij de invoering van de Wvg hebben we de situatie gezien dat nog onder het AAW-regime bruikleenauto´s werden aangevraagd en verstrekt, omdat verwacht werd dat dit onder de Wvg aanzienlijk moeilijker zou worden. Het Protocol van overdracht heeft hierover het volgende bepaald: “Eind 2006 zullen cliënten zich nog aanmelden voor AWBZ-zorg, terwijl enkele weken later de Wmo zal ingaan. Strikt genomen geldt het volgende: tot en met 31 december 2006 23.59 uur kunnen nog indicaties worden afgegeven onder het AWBZ-regime (AWBZ-beslissing); per 1 januari 0.00 uur worden indicaties afgegeven onder het Wmo-regime (Wmo-beslissing). Het ministerie van VWS heeft in afstemming met CIZ, ZN, VNG de volgende afspraken gemaakt ten aanzien van de nieuwe aanvragen die eind 2006 binnen komen: Tot en met 31 december 2006 kunnen cliënten zich melden bij het CIZ voor een indicatie voor huishoudelijke verzorging. Indien aanvragen vóór 1 januari 2007 door het CIZ zijn afgehandeld betreft het AWBZ-besluiten. Deze cliënten zijn overgangscliënten. Leidend is de datum van het indicatie-besluit. Indien aanvragen ná 1 januari 2007 worden afgehandeld, geeft het CIZ een advies op basis van de regels voor een AWBZ-indicatie aan de gemeente. Hiertoe maakt het RIO afspraken met het CIZ. Het CIZ hanteert altijd een termijn van maximaal zes weken voor de afhandeling van de aanvragen. Het college van B&W neemt een beslissing onder het Wmo-regime. Dit zijn géén overgangscliënten. Voor de hulpvragen die na 1 januari 2007 binnenkomen geldt het volgende: het CIZ zal de vraag naar ondersteuning bij het huishouden doorsturen naar de gemeente, tenzij de gemeente het CIZ heeft aangewezen om de indicatiestelling voor de Wmo te verzorgen.” Dit betekent dat er vanaf 1 januari 2007 door het CIZ (meervoudige) aanvragen worden afgehandeld waarvoor het college een advies krijgt op basis van de AWBZ-regelgeving zoals die gold tot 1 januari
- Het college neemt op basis van deze adviezen een besluit volgens het dan binnen de gemeente onder de Wmo gelden