Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Capelle aan den IJssel 20201Inleiding In de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 2015 is vastgelegd dat gemeenten zorg dragen voor maatschappelijke ondersteuning en de kwaliteit en continuïteit van voorzieningen. Hiervoor moet de gemeenteraad bij Verordening regels vaststellen. De eigen verantwoordelijkheid en zelfredzaamheid van cliënten vormen het uitgangspunt. Wanneer zij vanwege een beperking of psychiatrische of sociaal psychische problemen minder zelfredzaam zijn, wordt gekeken naar wat zij zelf kunnen oppakken of leren, wat hun omgeving kan doen, welke mogelijkheden het informele kader biedt en of er voorliggende voorzieningen zijn. Als hiermee de ondersteuningsvraag onvoldoende wordt beantwoord, bepaalt de gemeente of maatwerkvoorzieningen nodig zijn. Deze maken altijd onderdeel uit van een samengesteld en afgestemd palet van ondersteuning en staan nooit op zich. Maatwerkvoorzieningen lenen zich in feite niet voor het opstellen van beleidsregels. Om deze reden heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) afgezien van het maken van modelbeleidsregels Wmo. Binnen Capelle aan den IJssel bestaat er behoefte aan richtlijnen en een afwegingskader. De Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Capelle aan den IJssel 2020 moeten dan ook als dusdanig beschouwd worden. Deze beleidsregels vormen een handreiking om gegeven de ruimte voor maatwerk tot een afgewogen ondersteuningspalet te komen en zijn als volgt opgebouwd: Begrippenkader: de kernbegrippen die aan de basis staan voor deze beleidsregels; Procedure: een omschrijving van de stappen om tot een afweging te komen voor maatwerkvoorzieningen, te weten melding, onderzoek, verslag, aanvraag en beschikking; Maatwerkvoorzieningen: wonen, verplaatsen in en om de woning, vervoer, huishoudelijke ondersteuning en individuele begeleiding, groepsbegeleiding; Verstrekkingsvorm: een voorziening in natura of persoonsgebonden budget. 2Begrippenkader AanbiederEen natuurlijk persoon of rechtspersoon (dat wil zeggen: een individu of een organisatie) die op basis van een overeenkomst met het college een algemene- of een maatwerkvoorziening aan een cliënt moet leveren. BeleidsregelsBeleidsregels maatschappelijke ondersteuning Capelle aan den IJssel 2020. BesluitHet Besluit maatschappelijke ondersteuning Capelle aan den IJssel 2020. Bijdrage in de kostenEen bijdrage in de kosten mag gevraagd worden voor algemene voorzieningen, voor maatwerkvoorzieningen in natura of een pgb. Voor cliëntondersteuning mag geen bijdrage worden gevraagd. Een eigen bijdrage is een door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen bijdrage, die bij de verstrekking zoals hierboven beschreven betaald moet worden en waarop de regels van de Verordening van toepassing zijn. Voor het jaar 2020 geldt het abonnementstarief met een maandelijke vaste eigen bijdrage met een maximum van €19,- De hoogte van deze bijdragen wordt vastgesteld door de gemeenteraad en vastgelegd in de Verordening. Een bijdrage mag gevraagd worden zolang de verstrekking voortduurt. In de Verordening is weergegeven wat de (maximale) hoogte van deze bijdrage is. De heffing en inning van de eigen bijdrage wordt uitgevoerd door het CAK. Doelgroepen die geen bijdrage verschuldigd zijnIn bepaalde situaties is geen eigen bijdrage verschuldigd. Voor maatwerkvoorzieningen, niet zijnde beschermd wonen en opvang gaat het om de volgende gevallen: Niet AOW-gerechtigden gehuwden Dit zijn de gehuwde cliënt of de gehuwde cliënten tezamen, waarvan tenminste één van beiden de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt (artikel 3.8 lid 4 onderdeel f uitvoeringsbesluit Wmo 2015). Let op dat onder gehuwd ook wordt verstaan de persoon met wie de cliënt een gezamenlijke huishouding voert. Zorgmijders Geen bijdrage in de kosten is verschuldigd als het college van oordeel is dat de verschuldigdheid van de bijdrage nadelige gevolgen heeft voor de doelstelling van een integrale dienstverlening of persoonsgerichte aanpak (artikel 3.8 lid 4 onderdeel h Uitvoeringsbesluit Wmo 2015). Dit geeft de mogelijkheid bepaalde personen te ontzien in het kader van een integrale persoonsgerichte aanpak. Of mensen met een psychische beperking die structureel zorg en ondersteuning mijden. Cliënten die in een hospice verblijven en hier huishoudelijke ondersteuning ontvangen. Cliënten die een indicatie verzilveren voor individuele begeleiding in de vorm van een waakvlamcontact. Wlz-indicatie en inwoners instelling voor beschermd wonenGeen bijdrage in de kosten is verschuldigd als de persoon aan wie een maatwerkvoorziening is verstrekt of zijn partner een eigen bijdrage op grond van de Wlz of een bijdrage voor beschermd wonen verschuldigd is (artikel 3.8 lid 4 onderdeel a Uitvoeringsbesluit Wmo 2015). Centraal Administratie Kantoor (CAK)Het is aan het college om te bepalen dat een bijdrage in de kosten verschuldigd is. Het Centraal Administratiekantoor (CAK) stelt de bijdrage vervolgens vast (artikel 2.1.4 lid 6 Wmo 2015). De gemeente moet de cliënt informeren over de bijdrage in de kosten. CliëntCliënt is een persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening of Pgb is verstrekt of door, of namens wie een melding is gedaan als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet. Er is sprake van een cliënt op het moment dat iemand een melding heeft gedaan. Dat kan door de cliënt zelf gedaan zijn, maar ook door iemand namens de cliënt. Daarna is iedereen die gebruik maakt van een algemene voorziening (ook als geen bijdrage wordt gevraagd, zodat betrokkene misschien niet bekend is bij de gemeente) of van een verstrekking (een maatwerkvoorziening of een Pgb) een cliënt. CliëntondersteuningCliëntondersteuning is onafhankelijke gratis ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlenging op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen (artikel 1.1.1 Wmo 2015). Voor cliëntondersteuning kunnen cliënten gebruik maken van de diensten aangeboden door Stichting Welzijn Capelle. Bij cliëntondersteuning is uitgangspunt het belang van de cliënt. Onafhankelijkheid van de cliëntondersteuning betekent dat de cliënt erop moet kunnen vertrouwen dat de ondersteuning die geboden wordt om de cliënt bij te staan tijdens het opstellen van een plan onafhankelijk is van het besluit dat de gemeente uiteindelijk neemt om een cliënt wel of niet een maatwerkvoorziening toe te kennen. De onafhankelijkheid van de cliëntondersteuner wordt gewaarborgd via de wettelijke plicht er voor te zorgen dat uitgangspunt bij de cliëntondersteuning het belang van betrokkene is en door middel van de professionele autonomie van de cliëntondersteuner. In het kader van de Wmo 2015 moet het college de cliënt en zijn mantelzorger vóór het onderzoek wijzen op de mogelijkheid om gebruik te maken van cliëntondersteuning (artikel 2.3.2 lid 3 Wmo 2015). De cliënt kan dan gedurende het onderzoek er gebruik van maken. Een cliëntondersteuner kan de cliënt in het gesprek helpen zijn hulpvraag te verwoorden en keuzes te maken. De cliënt kan er ook voor kiezen zijn ondersteuning zelf te organiseren. Indien de cliënt zelf een professionele cliëntondersteuner inschakelt, hoeft de gemeente niet de kosten daarvan aan de cliënt te vergoeden (TK 2013-2014, 33 841, J, blz 13). Cliënten die een pgb aanvragen op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) kunnen gebruik maken van cliëntondersteuning op grond van de Wmo 2015 (EK 2015-2016, 34233, nr. A, p.2). Tevens kunnen cliënten met een Wlz-indicatie gebruik maken van Wlz-cliëntondersteuning mits de hulpvraag is gerelateerd aan de ondersteuning. Collectieve voorzieningBinnen de maatwerkvoorzieningen kunnen de ‘collectieve voorzieningen’ nog worden onderscheiden die ondanks wat de naam doet vermoeden (weliswaar collectief aangeboden) maatwerkvoorzieningen zijn. Het voorbeeld hiervan is het collectief aanvullend vervoer. CollegeHet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Capelle aan den IJssel. Directe woon- en leefomgevingHet begrip ‘lokaal vervoer in de directe woon- en leefomgeving is in jurisprudentie uitgelegd als verplaatsingen in een straal van 15-20 kilometer rondom de woning. Waar het om gaat is dat een cliënt alledaagse verplaatsingen kan maken, zoals het doen van boodschappen, bezoek aan familieleden en bekenden in de eigen omgeving, deelnemen aan sociale activiteiten etc (CRvB LJN: AA9001 12-06-1998 en Rechtbank Arnhem 09-02-2010, nr. AWB 09/2537). Huiselijke kringEen eenheid bestaande uit alle huisgenoten met wie de persoon met beperkingen duurzaam een huishouding voert, waaronder een mantelzorger, huisgenoot, familielid. Van een gezamenlijke huishouding is in ieder geval sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Denk bijvoorbeeld aan gehuwden, het hebben van een samenlevingscontract, broer en zus met gezamenlijk huur, het hebben van een kind waarvan de huisgenoot het kind heeft erkend. Behoefte aan ondersteuning/hulpvraagDe behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet; de hulpvraag wordt tijdens het onderzoek/het gesprek verduidelijkt. Dan wordt beoordeeld of de cliënt op eigen kracht in staat is het probleem op te lossen of niet. Als dit wel het geval is zal er geen ondersteuning worden verleend. Anders kan een maatwerkvoorziening of een Pgb verstrekt worden. In en om de woningIn en om de woning betekent dat de cliënt zich in, om en nabij zijn woning moet kunnen verplaatsen. Hierbij gaat het zowel om de doorgankelijkheid van de woning (trap, drempels), als voorzieningen om te kunnen verplaatsen en transfereren (zoals rolstoel en bijvoorbeeld een tillift). Het betreft ook de verplaatsing naar een centrale hal in een flat, waar veelal de brievenbussen zijn, of het gebruik van een balkon of het gebruik van de tuin. In de woning moeten de normale woonruimten bereikt kunnen worden. Te denken valt daarbij aan de woonkamer, het slaapvertrek, of mogelijk de slaapvertrekken, het toilet, de keuken en de natte cel. Als er een berging is, moet ook de berging bereikt kunnen worden, als cliënt deze daadwerkelijk gebruikt wordt, mits het gebruik noodzakelijk is in relatie tot de verstrekking van een maatwerkvoorziening, uitgezonderd een fietsvoorziening. In principe zullen zolders zonder stahoogte, veelal bereikbaar zonder vaste trap, met bijvoorbeeld een vlizotrap, niet onder de compensatieplicht vallen. Het doel hierbij is dat men zich in die ruimten zodanig kan verplaatsen en zich daardoor zodanig kan redden dat normaal functioneren mogelijk is. IngezeteneCliënt die hoofdverblijf heeft in de gemeente Capelle aan den IJssel. Over het algemeen zal het gaan om een cliënt die ook in Capelle aan den IJssel staat ingeschreven. In de Memorie van Toelichting (MvT) staat dat ‘om een maatwerkvoorziening te krijgen, moeten de ingezetenen zich wenden tot het college van de gemeente waarin zij wonen’ (TK 2013-2014 33 841, nr. 3, p. 126). In de MvT staat echter ook dat ‘de regering hecht eraan te benadrukken dat de gemeente waar de betrokkene zich inschrijft in het BRP, op basis van dit wetsvoorstel gehouden is eventueel noodzakelijke maatschappelijke ondersteuning te verlenen’’ (TK 2013-2014, 33 841, nr. 3, p. 43). Naar vaste rechtspraak van de CRvB vormen de BRP-gegevens bij de bepaling van de woonplaats echter slechts een belangrijke aanwijzing, maar zijn ze niet doorslaggevend. De vraag in welke gemeente de belanghebbende woonplaats heeft, dient beantwoord te worden aan de hand van concrete feiten en omstandigheden (CRvB 22-09-2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO0285 en CRvB 11-12-2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2888). De CRvB heeft ook geoordeeld dat een cliënt niet in meerdere gemeenten tegelijkertijd woonplaats kan hebben (CRvB 22-09-2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO0285). Verblijf in Wlz-instelling irt ingezeteneAls een cliënt permanent verblijft in een Wlz-instelling, dan heeft hij, afgaande van de concrete feiten en omstandigheden zijn woonplaats in de gemeente waar de Wlz-instelling staat (CRvB 22-09-2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO0285 en CRvB 11-12-2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2888). Jurisprudentie geeft aan dat de cliënt, die door de weeks verblijft in een Wlz-instelling, aldaar zijn hoofdverblijf heeft (Rechtbank 's-Gravenhage 30-03-2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ1540). InstandhoudingskostenDe kosten voor onderhoud, reparatie en eventuele verzekeringskosten van een maatwerkvoorziening. Lokaal verplaatsenOnder lokaal in het kader van ‘lokaal verplaatsen’ wordt de directe woon- en leefomgeving verstaan. Zie ‘Directe woon- en leefomgeving’ in deze begrippenlijst. Maatschappelijke ondersteuningbevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld, ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psycho-sociale problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving, bieden van beschermd wonen en opvang; De maatschappelijke ondersteuning richt zich op 3 soorten voorzieningen: de algemene en preventieve voorzieningen ten behoeve van cliënt en dan toegespitst op de personen met een beperking; de maatwerkvoorzieningen voor het bevorderen van participatie en zelfredzaamheid en het bieden van een beschermde woonsituatie en zo nodig opvang. De eerste groep is preventief en voor zover niet preventief voor iedereen vrij toegankelijk, de tweede en de derde groep verstrekkingen is beschikbaar na een melding en het daaropvolgende traject. MaatwerkvoorzieningOp de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen: ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen, ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen, ten behoeve van beschermd wonen en opvang. De maatwerkvoorziening biedt maatwerk, want hij is afgestemd op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon. Een maatwerkvoorziening is gericht op: zelfredzaamheid, waar ook ontlasting van de mantelzorger toe gerekend wordt, en kan het hele scala van verstrekkingen bevatten. participatie en kan het hele scala van verstrekkingen bevatten. beschermd wonen en opvang en biedt dan een voorziening op maat. Uitgangspunt is dat een cliënt een maatwerkvoorziening in natura krijgt. De cliënt kan verzoeken om een Pgb (artikel 2.3.6 lid 1 Wmo 2015). Een maatwerkvoorziening wordt verstrekt aan cliënten met een beperking of een chronisch psychisch of psychosociaal probleem. De doelgroep 'cliënten met een beperking of een chronisch psychisch of psychosociaal probleem' voor het verlenen van een maatwerkvoorziening kan worden verdeeld in drie subgroepen: mensen met een beperking; mensen met een chronisch psychisch probleem; mensen met een psychosociaal probleem. Bij de bovenste drie bullets gaat het om j 'cliënten met een beperking', dat wil zeggen mensen met een somatische of psychogeriatrische aandoening, psychiatrische of een andere chronische psychische aandoening of beperking, dan wel om een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap. Het gaat hier in alle gevallen om kenmerken van een persoon. De doelgroep van de Wmo omvat ook cliënten met een psychosociaal probleem. Men spreekt van een psychosociaal probleem indien verlies van zelfstandigheid en, met name, een gebrek aan deelname aan het maatschappelijk verkeer, het is gevolg is van problemen die iemand heeft in zijn relatie met anderen en met zijn sociale omgeving. MantelzorgHulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep. Gebruikelijke zorg en mantelzorg zijn elkaar uitsluitende begrippen. Mantelzorg is zorg, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, door personen uit diens directe omgeving waarbij de zorg/hulpverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie. Niet alle zorg, die mensen aan hun naaste bieden, is mantelzorg. Mantelzorg is alleen die zorg of hulp, die de gebruikelijke zorg/hulp overstijgt. Bij mantelzorg wordt de normale (gebruikelijke) zorg in zwaarte, duur en/of intensiteit aanmerkelijk overschreden. MantelzorgerEen persoon die mantelzorg verleent, is een zogenoemde mantelzorger. MeldingAan het het indienen van een aanvraag gaat een melding vooraf. Een melding is het kenbaar maken van de behoefte aan ondersteuning aan het college. De cliënt kan geen aanvraag doen, zonder dat er eerst een melding en onderzoek heeft plaatsgevonden. In artikel 2.3.2 lid 9 Wmo 2015 is namelijk bepaald dat een aanvraag pas kan worden gedaan nadat het onderzoek is uitgevoerd. Een onderzoek wordt pas gedaan als er eerst een melding heeft plaatsgevonden. Voor de gehele procedure is in totaal een termijn van 8 weken beschikbaar. OnderzoekArtikel 2.3.2 van de Wmo 2015 bepaalt dat als bij het college een melding is gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, het college - na bevestiging van de melding - allereerst een onderzoek uitvoert, dat binnen 6 weken dient plaats te vinden en waarbij ook mantelzorgers of andere personen kunnen worden betrokken ( art. 2.3.2, lid 1). Voordat het onderzoek van start gaat kan de cliënt met een persoonlijk plan komen. Dit persoonlijk plan wordt in het onderzoek meegenomen en afgewogen. Cliënt krijgt hiervoor 7 dagen na de melding de gelegenheid. Cliënt wordt bij de melding erop gewezen dat er een mogelijkheid bestaat tot het inleveren van een persoonlijk plan. Deze zeven dagen gaan van de termijn van 6 weken af, zodat die nog slechts 5 weken telt (lid 2 van art. 2.3.2). Verder dient het college de cliënt te wijzen op de mogelijkheid van gratis cliëntondersteuning. De gemeente moet in het kader van de Wmo 2015 beoordelen of een persoon in aanmerking komt voor maatschappelijke ondersteuning. Daarnaast moet de gemeente - ook in het kader van een efficiënt beheer van de gemeentelijke middelen - periodiek beoordelen of een persoon in aanmerking blijft komen voor maatschappelijke ondersteuning, waaronder mede te verstaan voorzieningen. Het gaat dus niet alleen om het beoordelen van nieuwe aanspraken, maar ook om het herbeoordelen van bestaande (duur)aanspraken. Voor die (her)beoordeling moet een zorgvuldig onderzoek worden ingesteld. Er zijn diverse wijzen waarop het onderzoek kan worden uitgevoerd, zoals een onderzoek op basis van het dossier, telefonisch contact met de cliënt, een huisbezoek of het 'live' spreken en onderzoeken van de cliënt. Het is sterk afhankelijk van de situatie hoe het onderzoek dient te worden ingericht om te voldoen aan de eisen van artikel 3:2 Awb. Vervolgens is net zo belangrijk hoe de gang van zaken wordt neergelegd in een rapportage. OverbelastingHet meer belasten dan het prestatievermogen toelaat. Oftewel het (on)evenwicht tussen draagkracht (= belastbaarheid) en draaglast (= belasting). Er moet in het onderzoek gekeken worden naar de behoeften, mogelijkheden en belastbaarheid van de mantelzorger. Er dient te worden uitgegaan van wat redelijkerwijs de mogelijkheden van de mantelzorger zijn. Wat redelijkerwijs verwacht kan worden van een mantelzorger, verschilt van persoon tot persoon en is mede afhankelijk van de aard van de relatie, en de situatie waarin de cliënt en de mantelzorger zich op dat moment bevinden. De gemeente moet daarbij vooral uitgaan van wat de mantelzorger zelf aangeeft. Naast de fysieke gesteldheid van de mantelzorger, moet er ook worden gekeken naar de tijd die de mantelzorger beschikbaar heeft en de reistijd die de mantelzorger heeft. ParticipatieDeelnemen aan het maatschappelijke verkeer. Het deelnemen aan het maatschappelijk verkeer is een belangrijke doelstelling van de Wmo die voor iedereen anders ingevuld kan worden maar wel voor iedereen op enigerlei niveau bereikbaar moet zijn, aansluitend bij de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de persoon. Persoonsgebonden budgetPersoonsgebonden budget (Pgb) is een bedrag waaruit namens het college betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren, en die een cliënt van derden heeft betrokken. Het Pgb is één van de mogelijkheden tot verstrekking, naast de voorziening in natura. Het Pgb is een verstrekkingsvorm en wordt alleen toegekend als men in staat is de consequenties van het Pgb te overzien of als er een persoon is die dat namens cliënt verantwoord kan doen. Verder moet men gemotiveerd waarom men een Pgb wil aanvragen. Persoonlijk planHet college moet de cliënt na de melding en voordat het onderzoek van start gaat, wijzen op de mogelijkheid om een persoonlijk plan in te leveren. Deze verplichting is geregeld in artikel 2.3.2 lid 2 Wmo 2015. In dit persoonlijk plan moet de cliënt de omstandigheden, zoals beschreven in artikel 2.3.2 lid 4 Wmo 2015 beschrijven en aangeven welke maatschappelijke ondersteuning volgens hem in zijn geval de beste oplossing is. Het college moet de cliënt gedurende 7 dagen na de melding de kans geven om het persoonlijk plan in te leveren. Door de cliënt een persoonlijk plan te laten maken, wordt de eigen regie en de betrokkenheid van het sociale netwerk van cliënten in de Wmo versterkt. Ook kan het persoonlijk plan bijdragen aan de tevredenheid van cliënten over de zorg en ondersteuning die geboden wordt door de gemeente. Cliënten zijn zelf regievoerder en eigenaar van hun persoonlijk plan. Burgers hebben zelf de keuze op welke manier en met welk(
- e)instrument(
- en)of methodes zij hun persoonlijke plan willen invullen. ResultaatDe ondersteuning die het college door middel van een maatwerkvoorziening of Pgb verleent, vindt plaats binnen één of meerdere resultaatgebieden, die allemaal te maken hebben met het uiteindelijke doel van maatschappelijke ondersteuning. Daarbij gaat het enerzijds om het behoud en voor zover mogelijk versterking van de zelfredzaamheid en participatie en anderzijds opvang en beschermd wonen. In het kader van de Wmo onderscheiden we op hoofdlijnen de volgende resultaatgebieden: Resultaatgebieden 1 Wonen in een geschikt huis. 2 Zich verplaatsen in en om de woning 3 Zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel 4 Een schoon en leefbaar huis 5 Beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften 6 Beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding en huishoudtextiel 7 Het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren 8 Het kunnen uitvoeren van de dagelijks noodzakelijke activiteiten 9 Het hebben van een dagvulling bestaande uit arbeidsmatige, recreatieve of andere activiteiten 10 Veiligheid en geborgenheid in de eigen leefomgeving, het veilig kunnen doorbrengen van de dag 11 Toerusting mantelzorger opdat cliënt zo lang mogelijk in de eigen omgeving kan blijven wonen 12 De mogelijkheid om contacten te hebben met medemensen en deel te nemen aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze activiteiten Sociaal netwerkPersonen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt. Tot het sociale netwerk van een cliënt horen alle personen die een cliënt kent en met wie hij meer heeft dan alleen maar een vluchtig contact, maar met wie hij een sociale relatie heeft. Een sociale relatie zal in ieder geval wederzijds moeten zijn. Op grond van artikel 2.3.2 lid 7 Wmo 2015 moet de cliënt de gegevens die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs kan beschikken aan het college verschaffen. Hiertoe behoren ook de gegevens van personen uit het sociale netwerk. De cliënt die melding doet van een ondersteuningsvraag moet de gemeente dan ook actief informeren over de personen die onderdeel zijn van zijn sociale netwerk en daarbij aangeven wat deze personen voor hem zouden kunnen betekenen. De regering vindt dat van cliënten die een beroep doen op de gemeente, verwacht mag en kan worden dat zij alles doen dat binnen redelijke grenzen ligt, om het college in staat te stellen de aanvraag voor een maatwerkvoorziening goed te beoordelen. Bovendien moet de cliënt ook bereid zijn om de gemeente in contact te brengen met zijn sociale netwerk, indien de gemeente dit wenst. Dit hoeft niet wanneer de cliënt gegronde redenen heeft om dit te weigeren. Wat gegronde redenen zijn, zal van geval tot geval moeten worden beoordeeld. Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van een cliënt om een beroep op het eigen netwerk te doen voordat hij bij de gemeente aanklopt voor ondersteuning. Hulp van personen uit het sociale netwerk kan echter niet worden afgedwongen. De personen uit het sociaal netwerk zijn namelijk niet verplicht om de cliënt bij te staan. Hiertoe zijn dan ook geen verplichtingen opgenomen in de Wmo. Wanneer er geen sociaal netwerk is, of de personen uit het sociale netwerk geen ondersteuning kunnen of willen bieden, dan zal het college de benodigde ondersteuning moeten organiseren. VerordeningDe Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Capelle aan den IJssel 2020. VertegenwoordigerEen vertegenwoordiger is op grond van de definitie in de Wmo 2015 de persoon of rechtspersoon die een cliënt vertegenwoordigt die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake. Op grond van de wet kunnen als vertegenwoordiger optreden de curator, mentor of gevolmachtigde van de cliënt. De bewindvoerder staat hier niet bij. De bewindvoerder kan alleen als vertegenwoordiger optreden als deze is gevolmachtigd door de cliënt. Curatele, bewind en mentorschap zijn verschillende maatregelen om mensen te beschermen die zelf geen goede beslissingen kunnen nemen. Bijvoorbeeld door een verstandelijke beperking, verslaving of dementie. Bewind is bedoeld voor wie zijn financiële zaken niet zelf kan regelen. Mentorschap gaat over het nemen van beslissingen over de verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding van de betrokkene. Curatele is bedoeld voor mensen die hun financiële en persoonlijke zaken niet zelf kunnen regelen. Die mensen zijn handelingsonbekwaam. Curatele, bewind en mentorschap kunnen worden aangevraagd bij de kantonrechter. Als een curator, mentor of gevolmachtigde ontbreekt, kunnen ook als vertegenwoordiger optreden: echtgenoot, geregistreerd partner of andere levensgezel van de cliënt; dan wel (als deze ontbreekt); diens ouder, kind, broer of zus. Deze personen kunnen echter niet als vertegenwoordiger optreden als de cliënt dat niet wenst. Om die reden zal geprobeerd moeten worden om zoveel mogelijk een schriftelijke machtiging te vragen van de cliënt. Een buurvrouw, vriend of kennis, kan alleen als vertegenwoordiger optreden als deze expliciet door de cliënt is gevolmachtigd. VrijwilligerEen persoon die onverplicht en onbetaald werkzaamheden verricht ten behoeve van andere mensen of de samenleving, zonder van deze werkzaamheden voor het levensonderhoud afhankelijk te zijn. WmoWet maatschappelijke ondersteuning 2015. WoningaanpassingBouwkundige of woontechnische ingreep in of aan een woonruimte. ZelfredzaamheidZelfredzaam wordt in de wet als volgt gedefinieerd: In staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden. Zelfredzaamheid is van belang om zo lang mogelijk zelfstandig te kunnen blijven wonen, zonder dat zorg met verblijf op grond van de Wet langdurige zorg noodzakelijk is. De omschrijving van zelfredzaamheid bevat twee elementen: het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen, het voeren van een gestructureerd huishouden. Algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) zijn de handelingen die mensen dagelijks in het gewone leven verrichten, met inbegrip van persoonlijke verzorging. Het begrip wordt gebruikt om te bepalen in hoeverre iemand zelfredzaam is. Iemand die als gevolg van lichamelijke en geestelijke beperkingen ADL-verrichtingen niet zelf kan doen, zal hulp nodig hebben en indien hij zoveel hulp nodig heeft dat het niet verantwoord is dat hij zonder enige vorm van (vrijwel) continu toezicht en hulp leeft, misschien zelfs niet langer thuis kan blijven wonen. Voor de zelfredzaamheid van mensen zijn de volgende algemene dagelijkse levensverrichtingen van belang: in en uit bed komen, aan- en uitkleden, bewegen, lopen, gaan zitten en weer opstaan, lichamelijke hygiëne, toiletbezoek, eten/drinken, medicijnen innemen, ontspanning, sociaal contact. Het merendeel van de algemene dagelijkse levensverrichtingen die gericht zijn op de persoonlijke verzorging valt niet onder de Wmo maar onder de Zvw. Zelfredzaamheid wil niet per definitie zeggen dat de persoon zelf overal toe in staat is. De zelfredzaamheid van een persoon kan ook versterkt worden door de inzet van huisgenoten, het netwerk rond de persoon, mantelzorg, of een vrijwilliger die ondersteunende taken verricht. Verder kan het gebruik van algemeen gebruikelijke voorzieningen bijdragen aan de zelfredzaamheid. 3Procedure 3.1Stroommodel Uit artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met de artikelen 2.3.2 en 2.3.5 van de Wmo vloeit voort dat het college voldoende kennis moet vergaren voor de besluitvorming op een aanvraag. De CRvB heeft vastgesteld dat hierbij de volgende stappen doorlopen dienen te worden (CRvB:ECLI:NL:CRVB:2018:819) de gemeente moet vaststellen wat de hulpvraag is de gemeente moet vaststellen welke problemen ondervonden worden bij de zelfredzaamheid en participatie, dan wel het zich handhaven in de samenleving de gemeente kan vervolgens vaststellen welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de maatschappij de gemeente dient te onderzoeken of en in hoeverre eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere mensen uit het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn dient de gemeente een maatwerkvoorziening te verlenen. Voor zover het onderzoek naar de nodige ondersteuning specifieke deskundigheid vereist zal een specifiek deskundig oordeel en advies niet kunnen ontbreken. Onderstaand stromenmodel geeft bovenstaande punten grofweg weer. 3.2Melding Een ondersteuningsvraag kan op verschillende manieren worden gemeld. Een cliënt kan zichzelf melden met een ondersteuningsvraag, maar een melding kan ook worden gedaan door een derde, zoals de huisarts, een organisatie op het gebied van wonen, welzijn of zorg, een bekende of een aanbieder waar iemand al in beeld is. Meldingen kunnen telefonisch, schriftelijk of digitaal worden gedaan. Het college bevestigt schriftelijk de ontvangst van de melding en wijst op de mogelijkheid van cliëntondersteuning. Er zijn meldingen die bij nader inzien kunnen worden afgedaan als enkelvoudige vragen om informatie en advies. Hierop is geen nadere integrale vraagverheldering nodig. Voor andere vragen zal de gemeente een onderzoek verrichten. Vanaf het moment dat het college een melding schriftelijk bevestigt, gaat de termijn van zes weken lopen die wettelijk is voorgeschreven voor de uitvoering van het onderzoek. 3.3Onderzoek Artikel 2.3.2 van de Wmo 2015 bepaalt dat als bij het college een melding is gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, het college - na bevestiging van de melding - allereerst een onderzoek uitvoert, dat binnen 6 weken dient plaats te vinden en waarbij ook mantelzorgers of andere personen kunnen worden betrokken ( art. 2.3.2, lid 1). Voordat het onderzoek van start gaat kan de cliënt met een persoonlijk plan komen. Dit persoonlijk plan is onderdeel van het onderzoek en het resultaat daarvan. Cliënt krijgt hiervoor 7 dagen na de melding de gelegenheid. Deze zeven dagen gaan van de termijn van 6 weken af, zodat die nog slechts 5 weken telt (lid 2 van art. 2.3.2). Verder dient het college de cliënt te wijzen op de mogelijkheid van gratis cliëntondersteuning. Als het persoonlijk plan is gemaakt, of na 7 dagen, of indien de cliënt afziet van een persoonlijk plan zo spoedig als mogelijk na de melding, volgt het onderzoek, dat zich op 7 zaken dient te richten: de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt; het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning; de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren, of te voorkomen dat hij een beroep dan wel een beperkter beroep moet doen op een maatwerkvoorziening; de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorkomen dat hij een beroep dan wel een beperkter beroep moet doen op een maatwerkvoorziening; de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening, zoals opgenomen in het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet, of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorkomen dat hij een beroep dan wel een beperkter beroep moet doen op een maatwerkvoorziening; de mogelijkheden om door middel van (wettelijk) voorliggende voorzieningen of door samen met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en andere partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te voorzien in de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning; de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken; welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de wet verschuldigd zal zijn, en de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze. Van de cliënt wordt verwacht dat die het college de gegevens en bescheiden verschaft die nodig zijn en waar de cliënt over kan beschikken (artikel 2.3.2, lid 7). Het onderzoek bestaat uit een gesprek, een nadere verkenning van de ondersteuningsbehoefte en een analyse van resultaatgebieden waarin een maatwerkvoorziening noodzakelijk is. Na het onderzoek geeft het college de cliënt een verslag van het gesprek (art. 2.3.2 lid 8). Een aanvraag kan niet worden ingediend zonder melding en/of onderzoek tenzij het onderzoek niet binnen 6 weken is uitgevoerd. 3.4Gesprek Er vindt een gesprek plaats met de cliënt en/of diens naasten om vast te stellen op welke leefdomeinen/resultaatsgebieden ondersteuning nodig is en op welke wijze deze vormgegeven kan worden. Het gesprek kan uiteenvallen in verschillende gesprekken, afhankelijk van hoeveel tijd nodig is om een goed totaalbeeld te krijgen. Het gesprek vindt plaats aan de hand van onderstaande leefdomeinen: Werk & Opleiding; Financiën; Dagbesteding; Huisvesting; Huiselijke relaties; Geestelijke gezondheid; Lichamelijke gezondheid; Verslaving; ADL; Sociaal netwerk; Maatschappelijke participatie; Justitie. De medewerker die de melding in behandeling heeft, bespreekt samen met de cliënt, dan wel diens vertegenwoordiger en/of de cliëntondersteuner en/of met de mantelzorger(
- s)of desgewenst familie of iemand uit het sociale netwerk, wat de behoefte aan ondersteuning inhoudt en waaruit de behoefte aan ondersteuning bestaat. Ook de mate van zelfredzaamheid van de cliënt wordt besproken. De behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt wordt nadrukkelijk ook meegenomen in het gesprek. Dit gesprek vormt de basis voor een onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de Wet. De medewerker verzamelt de benodigde informatie. Daarbij is de medewerking van de cliënt en naasten onontbeerlijk. Als iemand al voldoende bekend is en er zijn geen nieuwe omstandigheden die op de melding van invloed zijn, kan met instemming van de cliënt worden afgezien van (delen van) het onderzoek. De onderzoeksfase is een waarborg voor cliënten om gehoord te worden en in gezamenlijk overleg tot een kwalitatief goed plan te komen. Hierbij wordt ook aandacht besteed aan de eigen mogelijkheden van de cliënt. Bovendien is het van belang na te gaan of de maatwerkvoorziening/ondersteuning die de cliënt voor ogen heeft geen surrogaat is voor mogelijk onderliggende problematiek (vraag achter de vraag). Indien er sprake is van een spoedeisende situatie, dan is het college, na de melding, gehouden aan het onverwijld een vorm van noodzakelijk ondersteuning, aan te bieden. Afhankelijk van de spoedeisendheid kan beoordeeld worden of de uitkomst van het onderzoek wel of niet kan worden afgewacht. 3.5Resultaatgebieden bepalen ResultaatgebiedenDe gemeente hanteert in het kader van de Wmo 2015 de volgende resultaatgebieden om de ondersteuningsvraag nader te duiden en hier oplossingen voor te vinden: Resultaatgebieden 1 Wonen in een geschikt huis. 2 Zich verplaatsen in en om de woning 3 Zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel 4 Een schoon en leefbaar huis. 5 Beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften. 6 Beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding en huishoudtextiel. 7 Het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren. 8 Het kunnen uitvoeren van de dagelijks noodzakelijke activiteiten. 9 Het hebben van een dagvulling bestaande uit arbeidsmatige, recreatieve of andere activiteiten. 10 Veiligheid en geborgenheid in de eigen leefomgeving, het veilig kunnen doorbrengen van de dag. 11 Toerusting mantelzorger opdat cliënt zo lang mogelijk in de eigen omgeving kan blijven wonen. 12 De mogelijkheid om contacten te hebben met medemensen en deel te nemen aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze activiteiten. Tevens worden onderstaande items besproken in het gesprek met de cliënt, dit ter afweging of en in welke mate en voor welke duur en welke vorm ondersteuning nodig is of dat ondersteuning anderszins geboden dient te worden. Het bespreken van onderstaande items kan gezien worden als het trechteren van de hulpvraag en de belemmeringen tot een eventuele maatwerkvoorziening. 3.6Inzet eigen mogelijkheden/eigen kracht mogelijk? Wanneer de ondersteuningsbehoefte van de cliënt in kaart is gebracht, dient vervolgens in het onderzoek centraal te komen staan hoe de ondersteuningsbehoefte opgeheven en/of verminderd kan worden met de mogelijkheden die de cliënt zelf heeft of de mogelijkheid die vanuit de omgeving ingezet kunnen worden Het is immers heel normaal dat je je inspant om je eigen situatie te verbeteren of dat je iets doet voor een partner of familielid die niet geheel op eigen kracht kan deelnemen aan de samenleving. Daarbij heeft de gemeente de verantwoordelijkheid om te bevorderen dat cliënten en hun omgeving hun eigen probleemoplossend vermogen benutten en versterken en daardoor niet of zo min mogelijk aangewezen raken op maatschappelijke ondersteuning. Het begrip eigen kracht biedt geen ruimte om rekening te houden met de financiële mogelijkheden van cliënt om de ondersteuning zelf te bekostigen (CRvB 20-2-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:772. Eigen kracht gaat niet zover dat de burger moet anticiperen op alle mogelijke gebreken die met het ouder worden kunnen samenhangen (CRvB 22-8-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2603). Ook het lerend vermogen vormt onderdeel van de eigen mogelijkheden. Dan gaat het om kennis en vaardigheden die een cliënt met een ondersteuningsvraag nog kan opdoen. Maar ook kan gedacht worden aan reorganisatie aanbrengen in zijn of haar handelen door het zittend uitvoeren van bijvoorbeeld de strijkwerkzaamheden, het anders inrichten van het huis om de ondervonden beperkingen zelf op te lossen (CRvB 27-01-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:429, CRvB 01-06-2011, nr. 10/1031 WMO, Rechtbank Limburg 22-08-2013 nr. AWB 12/1616 en CRvB 15-05-2013, nr. 10/7085 WMO). Inzet van gebruikelijke hulp mogelijk?Gebruikelijke hulp wordt in de wet als volgt gedefinieerd: Hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Voor zover het gebruikelijk is dat partners, ouders, inwonende kinderen en/of andere huisgenoten elkaar bepaalde ondersteuning bieden, is een persoon niet aangewezen op ondersteuning in de vorm van een maatwerkvoorziening. De ondersteuning die deze gebruikelijke hulp in omvang en intensiteit overstijgt, wordt als mantelzorg gezien en deze hulp is in principe wel indiceerbaar. Wat onder gebruikelijke hulp valt, wordt bepaald door wat naar algemene aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht. In onze samenleving wordt het normaal geacht dat de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten waar nodig en mogelijk hun rol nemen in het huishouden, zeker daar waar er sprake is van een huisgenoot met een beperkte zelfredzaamheid. Wat in redelijkheid mag worden verwacht is mede afhankelijk van de intensiteit en verwachte duur van de ondersteuningsbehoefte. Uitzonderingen: voor zover een partner, kinderen of andere huisgenoten geobjectiveerde beperkingen hebben en/of kennis/vaardigheden missen om gebruikelijke ondersteuning binnen een voor te cliënt te behalen resultaat uit te voeren en deze vaardigheden (nog) niet kunnen aanleren wordt van hen geen bijdrage verwacht. voor zover een partner, kind en/of andere huisgenoot overbelast zijn of dreigen te raken wordt van hem of haar geen gebruikelijke hulp verwacht, totdat deze dreigende overbelasting is opgeheven. Daarbij geldt het volgende: Wanneer voor de partner, ouder, kind en/of andere huisgenoot eigen mogelijkheden en/of voorliggende voorzieningen, inzet van behandeling zijn om de (dreigende) overbelasting op te heffen dienen deze eigen mogelijkheden en/of voorliggende voorzieningen te worden aangewend. De partner, ouder, volwassen kind en/of andere volwassen huisgenoot moeten bereid zijn maatschappelijke activiteiten te beperken, voor zover dat redelijkerwijs van hem of haar mag worden verwacht. Mogelijkheid inzet sociaal netwerk/mantelzorg mogelijk?Onderdeel van het onderzoek richt zich op de mogelijkheid van inzet van het sociale netwerk van de cliënt. Er dient onderzoek te worden verricht naar het sociale netwerk van de cliënt om te beoordelen welke persoon welke ondersteuning kan bieden om de cliënt of diens mantelzorger te ontlasten. Hierbij dient het gesprek met deze personen te worden aangegaan om te onderzoeken waartoe zij daadwerkelijk in staat zijn, voor wat betreft het bieden van ondersteuning. Het is dus noodzakelijk alle mogelijkheden de revue te laten passeren en niet al te snel verder te gaan als cliënt aangeeft dat iets niet kan. Er dient altijd de vraag gesteld te worden of de optie wel eens is besproken. Ook als cliënt aangeeft iets zelf niet te willen of meent iets niet te kunnen vragen, dient bespreekbaar gemaakt te worden: het is aan iemand zelf om ja of nee te zeggen. Het bieden van mantelzorg is namelijk niet afdwingbaar, maar de wetgever stelt in de Wmo 2015 dat een sterk beroep gedaan kan worden op de eigen kracht en eigen verantwoordelijkheid van de cliënt, waaronder het sociale netwerk van de cliënt. De cliënt wordt geacht eerst eigen oplossingen in te zetten. Eventuele ondersteuning vanuit de gemeente vormt slechts het sluitstuk. Onder mantelzorg wordt verstaan: langdurige zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een cliënt door personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt. De belangrijkste kenmerken van mantelzorg zijn: Er is een bestaande sociale relatie tussen cliënt en zorgverlener; De cliënt en de zorgverlener kennen elkaar. De sociale relatie kan heel uiteenlopend zijn. Het gaat niet alleen om de zorg voor gezinsleden en huisgenoten en zorg voor familieleden. Het kan ook gaan om zorg voor vrienden, buren en bekenden. Mantelzorg wordt niet in een georganiseerd verband verricht; Het gaat om zorgverlening die niet beroepsmatig wordt verricht. Hierdoor is een goede begeleiding van de mantelzorger niet direct vanzelfsprekend. De mantelzorger moet, voor zover hier behoefte aan is, in beginsel zelf begeleiding/ondersteuning regelen. Verrichten van mantelzorg is veelal geen bewuste keuze; Omstandigheden zorgen er voor dat iemand er als het ware inrolt. Meestal heeft diegene vooraf geen idee hoelang de situatie gaat duren. Het verlenen van mantelzorg is nooit afdwingbaar; Het verlenen van mantelzorg is geen (maatschappelijke) verplichting (CRvB 11-01-2017, ECLI:NL:CRVB2017:17 en CRvB 03-10-2018,ECLI:NL:2018:3108). De toerusting van de mantelzorger om ervoor te zorgen dat cliënt zo lang mogelijk in de eigen omgeving kan wonen is één van de gehanteerde resultaatgebieden. Met betrekking tot mantelzorgers bevinden zich ook veel ondersteuningsmogelijkheden in het voorliggende kader en in het welzijnsaanbod binnen Capelle aan den IJssel. Aandacht voor mantelzorg in het onderzoekHet is van het grootste belang dat het onderzoek uitgevoerd wordt tijdens een gesprek waar ook de mantelzorger bij aanwezig is. Alleen in aanwezigheid van de mantelzorger kan een juist beeld ontstaan van de situatie, het stadium waarin de mantelzorger zich bevindt en de behoefte aan ondersteuning en de vorm waarin deze ondersteuning het beste gegeven kan worden (Rechtbank Gelderland 07-06-2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:3028). Tijdens het onderzoek zal antwoord gegeven moeten worden op de volgende vragen. wat is de lichamelijke conditie van de mantelzorger? wat is de geestelijke conditie van de mantelzorger? hoe gaat de mantelzorger om met de aanwezige problematiek? is de mantelzorger gemotiveerd om de mantelzorgtaken op zich te (blijven) nemen? bestaat er een sociaal netwerk dat de mantelzorger mogelijk kan ontlasten bij de uitvoering van de mantelzorg? bestaan er voorliggende voorzieningen en/of technische hulpmiddelen die de mantelzorger mogelijk kunnen ontlasten bij de uitvoering van de gebruikelijke zorg? Een belangrijke start is de vraag of iemand het resultaat zelfstandig, in deze situatie samen met de mantelzorger kan bereiken. Daarbij moet opgemerkt worden dat het volgen van een behandeltraject op grond van de Zorgverzekeringswet, het aanspreken van eigen kracht, van een mantelzorger verwacht mag worden. Waarbij verwacht mag worden dat hij zich inspant om de behandeling optimaal te laten verlopen (CRvB 28-09-2011 10/2587 Wmo en Rechtbank Noord-Holland 13-05-2013 13/1946). MantelzorgondersteuningMantelzorgondersteuning is een verzamelterm voor voorzieningen en diensten die de draagkracht van mantelzorgers vergroten of de draaglast verlichten. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen directe en indirecte mantelzorgondersteuning. Directe mantelzorgondersteuning is gericht op de mantelzorger, zoals informatie, advies en begeleiding bijvoorbeeld vanuit Stichting Welzijn Capelle, de wijkverpleegkundige, de huisarts of een belangenorganisatie. Er zijn ook indirecte vormen van mantelzorgondersteuning. Het gaat dan om voorzieningen die primair zijn gericht op de cliënt, maar de mantelzorger wel kunnen ontlasten. Voorbeelden zijn tafeltje-dek-je en het gebruik van een tillift. Onder het ondersteunen van mantelzorgers wordt mede begrepen het bieden van steun bij het vinden van adequate oplossingen indien de mantelzorger zijn taken tijdelijk niet kan verrichten. De noodzaak van de mantelzorgondersteuning is veelal gelegen in het gegeven dat mantelzorg zo veel beslag op iemands eigen daginvulling kan leggen dat er geen tijd meer overblijft voor een eigen "leven" waardoor de mantelzorger met zijn of haar vele mantelzorgactiviteiten en de onmogelijkheid weg te gaan, onevenredig zwaar wordt belast. Deze belasting zal bij langer voortduren tot gevolg kunnen hebben dat de mantelzorger het niet meer volhoudt en dat de cliënt naar een instelling zal moeten verhuizen. Het is daarbij niet alleen niet van belang het niet zo ver te laten komen dat de mantelzorger overbelast raakt. Het is van belang de mantelzorger op een zodanig moment noodzakelijke hulp - in wat voor vorm dan ook - te geven dat het punt van dreigende overbelasting wordt voorkomen. Er zijn vele voorliggende voorzieningen en/of technische hulpmiddelen aanwezig om de mantelzorger in de bestaande situatie te ontlasten. Afhankelijk van de situatie kunnen deze mogelijkheden beoordeeld worden. Te denken valt aan tijdelijke inzet van persoonlijke verzorging op grond van de Zvw, bezoek aan mantelzorgcafé, de inzet van een (zorg)vrijwilliger bijvoorbeeld voor luisterend oor of maken van uitstapjes met cliënt, inzet van de luisterlijn. Tevens dient beoordeeld worden of met behulp van een (technisch) hulpmiddel, zoals bijvoorbeeld een alarmeringssysteem de mantelzorg meer ruimte geboden kan worden. Ook kan gedacht worden aan de inzet van een ergotherapeut die de cliënt- en mantelzorgsituatie beoordeeld en bekijkt op welke wijze mogelijk verbeteringen in situatie kunnen worden aangebracht, bijvoorbeeld door gebruik te maken van hulpmiddelen om de mantelzorger zodoende op de minst belastende wijze in staat te stellen mantelzorgondersteuning te bieden bij bijvoorbeeld de persoonlijke verzorging van de cliënt. De ondersteuning heeft als doel het gevoel van competentie te vergroting, de draaglast te verminderen en verbetering van kwaliteit van leven van de mantelzorger, ervaren gezondheidstoestand en stemmingsverbetering te bewerkstelligen. Ook dient te worden gekeken of er al hulp/ondersteuning aanwezig is in het kader van een ander resultaat. De cliënt is op dat moment niet alleen en als er dan geen hulp geboden hoeft te worden kunnen dat momenten zijn dat de mantelzorger eigen activiteiten kan gaan ondernemen. Als gebruikelijke hulp, (andere) mantelzorg, of het sociale netwerk geen mogelijkheden bieden, zal beoordeeld moeten worden of er (wettelijk) voorliggende voorzieningen zijn. Dat zou zowel binnen als buiten de Wmo kunnen zijn. Is geen van de beoordeelde mogelijkheden een (gedeeltelijke) oplossing dan zal naar de noodzaak van een maatwerkvoorziening gekeken moeten worden. 3.7Mogelijkheid ondersteuning uit Wet Langdurige Zorg (Wlz) (wettelijk voorliggende voorziening)? Voor een heldere afbakening tussen de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) en de Wet langdurige zorg (Wlz) is het uitgangspunt in de Wlz neergelegd dat een cliënt met een Wlz-indicatie al zijn voorzieningen uit de Wlz ontvangt. De tegenhanger in de Wmo 2015 is dat gemeenten een Wlz- cliënt in beginsel daarom geen maatwerkvoorziening hoeven te verstrekken (artikel 2.3.5 lid 6 Wmo 2015). De Wlz kan worden aangemerkt als wettelijke voorliggende voorziening. Het volledige zorgpakket Wlz bestaat, naast verblijf, persoonlijke verzorging, verpleging, behandeling, het individueel gebruik van mobiliteitshulpmiddelen en vervoer naar dagbesteding en dagbehandeling, ook uit begeleiding. Artikel 2.3.5. lid 6 Wmo 2015 bepaalt dat het college een maatwerkvoorziening kan weigeren indien: de cliënt aanspraak heeft op verblijf en daarmee samenhangende zorg in een instelling op grond van de Wlz, dan wel er redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt daarop aanspraak kan doen gelden en weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit dienaangaande. Aanspraak zouden kunnen maken op Wlz-zorgArtikel 2.3.5 lid 6 Wmo 2015 bepaalt ook dat het college een maatwerkvoorziening kan weigeren, als er redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt aanspraak kan doen gelden op een indicatie voor verblijf op grond van de Wlz en weigert mee te werken aan het verkrijgen van een Wlz-indicatiebesluit. Start Wlz-zorgFormeel begint de zorg vanuit de Wlz op het moment dat de cliënt een indicatiebesluit heeft ontvangen op grond van de Wlz. Landelijk is bepaald de zorg en ondersteuning vanuit de Wmo 2015, Zvw en Wlz nog maximaal 5 dagen te bekostigen vanuit het domein van waaruit de overgang plaatsvindt. Dit om een goede overdracht mogelijk te maken en de zorg vanuit het ontvangende domein te kunnen regelen. Dus wanneer de cliënt een Wlz-indicatie heeft ontvangen laten wij onze indicatie nog 5 dagen na deze datum doorlopen. Bij overgang naar de Wlz zal na deze periode de zorg dus worden geregeld en bekostigd vanuit de Wlz en onder verantwoordelijkheid vallen van het zorgkantoor. Op grond van artikel 8.6a Wmo2015 kan voor 2020 gesteld worden dat in onderstaande situaties sprake is van Wlz of Wmo: 2020 Overzicht maatwerkvoorzieningen onder de Wmo of Wlz Wlz Wmo Wlz thuiswonend (pgb, VPT of MPT) Huishoudelijke ondersteuning Begeleiding Logeeropvang CapelleHopper Rolstoel Vervoermiddelen Woonvoorzieningen/hulpmiddelen Woningaanpassing Wlz intramuraal zonder behandeling) Huishoudelijke ondersteuning Begeleiding Woonvoorzieningen/hulpmiddelen Rolstoel Vervoermiddelen CapelleHopper Bezoekbaar maen van de woning Wlz intramuraal met behandeling Huishoudelijke ondersteuning Begeleiding Woonvoorzieningen/hulpmiddelen Rolstoel Vervoermiddelen CapelleHopper Bezoekbaar maken van de woning Overgangsmaatregelen per 01-01-2020 Wmo versus WlzAls een cliënt op 01-01-2020 al in Wlz-instelling verblijft met een rolstoel of vervoersvoorziening, dan blijft de gemeente verantwoordelijk voor onderhoud en aanpassingen totdat de voorziening vervangen moet worden. Vanaf dat moment valt deze onder de verantwoordelijkheid van de Wlz (zorgkantoor). Als een cliënt na 01-01-2020 naar een Wlz-instelling verhuist, moet worden bekeken of de rolstoel of vervoersvoorziening vervangen dient te worden. Als deze vervangen moet worden valt deze onder de verantwoordelijkheid van de Wlz (zorgkantoor). Als deze niet vervangen hoeft te worden, kan deze worden overgenomen door de Wlz (zorgkantoor). Het is aan het zorgkantoor hierover een besluit te nemen. Subsidieregeling ADL-assistentie in de WlzPer 1 januari 2015 is de ADL-assistentie op grond van de Wlz geregeld door middle van de Subsidieregeling ADL-assistentie (artikel 10.1.4 lid 1 Wlz). Het Zorginstituut verstrekt subsidies aan zorgaanbieders die ADL-assistentie, waaronder alarmopvolging bij een noodoproep, leveren. De subsidie wordt verstrekt aan de instelling die de 24-uurs ADL-assistentie levert. De ADL-assistentie wordt geleverd binnen ADL-clusterwoningen die tot stand zijn gekomen met subsidie uit de Regeling Geldelijke Steun Huisvesting Gehandicapten of het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten. In de ADL-clusterwoningen woningen wordt zorg geleverd aan mensen die (artikel 7.1.1 lid 1 Blz): een lichamelijke handicap of een somatische aandoening of beperking hebben; zijn aangewezen op een rolstoeldoorgankelijke woning; zijn aangewezen op ten minste vijf uur oproepbare ADL-assistentie per week; en voldoende sociaal zelfredzaam zijn om zelfstandig te wonen en om zelfstandig zorg op te roepen en aanwijzingen te geven. ADL-assistentie betreft gedurende het hele etmaal direct oproepbare assistentie bij algemene dagelijkse levensverrichtingen in en om de ADL-woning op verzoek en aanwijzing van de ADL-bewoner, zoals: hulp bij eten of drinken (serveren van voedsel op bed en op tafel en hulp bij eten/drinken); verplaatsen, persoonlijke hulp (mondverzorging, haarverzorging, scheren, nagels knippen, kleden, hulp bij baden en toiletbezoek), en verpleegtechnische en medische assistentie (zoals het geven van medicijnen, het aanleggen van verbanden en spalken, huidverzorging bij decubitus, aan- en uitdoen van een prothese, het aanleggen van een draagurinaa, katheteriseren, toedienen van klysma, injecteren met prikpen en verpleegtechnische handelingen bij ademhalingsondersteuning, waaronder bronchiaal toilet). Bij levensbedreigende situaties is ADL-assistentie binnen 3 tot 5 minuten met alarmopvolging beschikbaar. Daarnaast vallen onder de ADL-assistentie ook andere hulp en diensten. Dat kunnen zeer wisselende zaken zijn, zoals het bijvullen van printerpapier, het smeren van een boterham, het vervangen van een batterij, het opruimen van een omgevallen glas melk of het openmaken van een fles wijn. Het betreft ondersteuning in de woning. Afbakening Wmo 2015Bij cliënten die ADL-assistentie krijgen op grond van de Subsidieregeling ADL-assistentie, is geen sprake van een indicatie voor verblijf op grond van de Wlz en deze cliënten kunnen niet in aanmerking komen voor de Wlz-zorg. Dit betekent dat op grond van de Wmo geen maatwerkvoorzieningen kunnen worden geweigerd. Cliënten die beschikken over ADL-assistentie vanuit de Subsidieregeling ADL-assistentie, kunnen voor de overige zorg dus aanspraak maken op zorg vanuit de Wmo 2015 (bijvoorbeeld begeleiding buiten de ADL-woning, huishoudelijke ondersteuning, woningaanpassingen, vervoer) en de Zorgverzekeringswet. 3.8Ondersteuning mogelijk vanuit Zorgverzekeringswet (eigen kracht)? Indien de cliënt aanspraak kan maken op zorg vanuit de Zvw waarmee de cliënt in zijn behoefte op het gebied van maatschappelijke ondersteuning wordt voorzien, dan hoeft het college in het kader van de eigen kracht geen maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 te verstrekken (artikel 2.3.5 lid 3 Wmo 2015). Het uitgangspunt is dan namelijk dat de cliënt op eigen kracht het probleem op kan lossen, namelijk door zijn aanspraak op grond van de andere wet tot gelding te brengen. Het college kan de cliënt op grond van artikel 2.3.5 lid 5 Wmo 2015 verwijzen naar de Zvw. Let wel, de aanvullende zorgverzekering kan alleen meegenomen worden als de cliënt deze ook heeft afgesloten. Wanneer een cliënt op grond van de Zorgverzekeringswet in aanmerking komt voor slechts een gedeeltelijke vergoeding van de aan de orde zijnde kosten, dan nog kan er gesproken worden van het aanspreken van eigen kracht. De cliënt kan dan niet voor het gedeelte van de kosten dat niet voor vergoeding in aanmerking komt een beroep doen op de Wmo (CRvB 22-05-2013, nr. 10/6782 WMO). De afstemming met de Zvw als bedoeld in artikel 2.3.5 lid 5 Wmo 2015 ziet onder andere toe op de volgende onderwerpen: Hulpmiddelenzorg, waaronder: Loophulpmiddelen Transferhulpmiddelen Hulpmiddelen voor het zich wassen en zorgdragen voor toiletgang Ziekenvervoer Omgevingsbediening Verzorging en verpleging op bed Hulpmiddelen bij communicatie Verpleging en verzorging (wijkverpleging) Eerstelijns verblijf Behandeling Op diverse gebieden spelen afbakeningsvraagstukken tussen de Zvw en de Wmo. Hieronder staan een aantal voorbeelden: Rolstoelen, drempelhulpen en transferhulpmiddelenRolstoelen, drempelhulpen en transferhulpmiddelen zoals transferplanken, patiëntenliften en draaischijven e.d. worden op grond van de Zvw alleen verstrekt als het gaat om zorg voor een beperkte of onzekere duur. In de regel gaat het dan om een uitleentermijn van ten hoogste 26 weken. Om te voorkomen dat een hulpmiddel stipt na 26 weken bij de cliënt wordt weggehaald, is de term ‘beperkte of onzekere duur’ geïntroduceerd. Voorkomen moet worden dat cliënten zonder hulpmiddel komen te zitten als gevolg van afbakeningsproblematiek tussen Zvw en Wmo. Daarom is geregeld dat ten aanzien van genoemde hulpmiddelen in het kader van de Zvw alleen sprake kan zijn van zorg voor een beperkte of onzekere duur. Bij langdurig gebruik vallen deze hulpmiddelen onder de Wmo. Hulpmiddelen voor het zich wassen en zorgdragen voor toiletgangOp grond van de Zvw kunnen hulpmiddelen worden verstrekt die compensatie bieden bij het wassen en het zorgdragen voor de toiletgang (artikel 2.12 lid 1 onder b onderdeel 4 Rzv). Voorbeelden van hulpmiddelen die een compensatie bieden bij beperkingen in het zich wassen en zorgdragen voor de toiletgang zijn (Staatscourant 2012, nr. 14946, p. 11): losse toiletverhogers; douchestoelen toiletstoelen. Loophulpmiddelen, transferhulpmiddelen en hulpmiddelen voor het zich wassen en zorgdragen voor toiletgang, worden op grond van de Zvw alleen verstrekt als het gaat om zorg voor een beperkte of onzekere duur (artikel 2.12 lid 2 Rzv). Cliënten die zich bij de gemeente melden en een hulpmiddel voor een beperkte of onzekere duur nodig hebben, kunnen op grond van artikel 2.3.5 lid 5 onderdeel b Wmo 2015 door het college worden verwezen naar de Zvw. Het uitgangspunt is dan dat de cliënt op eigen kracht het probleem op kan lossen, namelijk door zijn aanspraak op grond van de andere wet tot gelding te brengen. Het college hoeft dan in het kader van de eigen kracht hiervoor geen maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 te verstrekken (artikel 2.3.5 lid 3 Wmo 2015). Bij langdurig gebruik vallen hulpmiddelen voor het zich wassen en zorgdragen voor toiletgang niet onder de Zvw en kan het hulpmiddel onder de compensatieplicht van het college op grond van de Wmo 2015 vallen. ZiekenvervoerOnder de Wmo 2015 moet het college onderzoeken of de cliënt aanspraak kan maken op medisch vervoer op grond van de Zvw (artikel 2.13 en 2.14 Besluit Zorgverzekering). Indien de cliënt gebruik kan maken van medisch vervoer op grond van de Zvw, dan hoeft er geen voorziening op grond van de Wmo te worden verstrekt. In dat geval geldt dat de cliënt in het kader van eigen kracht het probleem kan oplossen door de aanspraak op een andere wet tot gelding te brengen. Ziekenvervoer is het vervoer van en naar een zorgverlener of zorginstelling. De vergoeding van ziekenvervoer is onder meer afhankelijk van de: vorm van ziekenvervoer (ambulance, (eigen) auto, taxi of openbaar vervoer); af te leggen afstand. Een verzekerde heeft op grond van de Zvw recht op vergoeding van ziekenvervoer per (eigen) auto, taxi of openbaar vervoer voor zover: hij nierdialyses moet ondergaan; hij oncologische behandelingen met chemotherapie of radiotherapie moet ondergaan; hij zich uitsluitend met een rolstoel kan verplaatsen; het gezichtsvermogen zodanig is beperkt dat hij zich niet zonder begeleiding kan verplaatsen. hij jonger is dan 18 jaar en vanwege complexe somatische problematiek of vanwege een lichamelijke handicap is aangewezen op verpleging en verzorging, waarbij sprake is van behoefte aan permanent toezicht of aan de beschikbaarheid van 24 uur per dag zorg in de nabijheid. Vanaf 1 januari 2019 wordt niet alleen het vervoer van en naar een nierdialyse of oncologische behandeling vergoed, maar ook het vervoer van en naar consulten, onderzoek en controles die met de behandeling samenhangen (artikel 2.14 lid 5 Bzv). Deze vorm van ziekenvervoer wordt aangeduid als “zittend ziekenvervoer”. Het medisch vervoer valt volgens de CRvB onder de verplaatsingen die een cliënt in staat stellen om deel te namen aan het leven van alledag (CRvB 28-01-2009, nr. 08/2273 WVG, CRvB 06-05-2009 nr.08/419 en CRvB 12-01-2010, nr. 08/6555 WMO). Het medisch vervoer valt onder de Wmo (mits sprake is van lokaal verplaatsen en aan de overige voorwaarden wordt voldaan). Dit is anders indien cliënt aanspraak kan maken op zittend ziekenvervoer In dat geval bestaat geen aanspraak op een Wmo-voorziening. OmgevingsbedieningEen verzekerde kan op grond van de Zvw artikel 2.12 lid 1 onder b onderdeel 2 van de regeling zorgverzekering in aanmerking komen voor hulpmiddelen die een compensatie bieden bij beperkingen in het gebruiken van hand en arm. Een voorbeeld van een dergelijk hulpmiddel is de apparatuur voor omgevingsbediening. Omgevingsbedieningsapparatuur is de verzamelnaam voor diverse apparaten waarmee personen met een beperking hun omgeving kunnen sturen. De omgevingsbedieningsapparatuur kan o.a. gebruikt worden voor het op afstand openen van ramen en deuren, het openen en sluiten van gordijnen en het aan- en uitzetten van allerlei apparaten. Tegenwoordig kunnen ook veel van deze belemmeringen met algemeen gebruikelijke voorzieningen worden opgeheven (lampen op omgevingssensoren, appbedieningen). Voor het bedienen van de apparatuur in de omgeving is zowel een zender als een ontvanger noodzakelijk. Op grond van de Zvw komt alleen de zender voor vergoeding in aanmerking. De zender voor omgevingsbedieninsapparatuur komt voor vergoeding in aanmerking op grond van de Zvw of de Wlz. In dat geval is de Zvw, het aanspreken van eigen kracht, of de WLZ een wettelijk voorliggende voorziening en bestaat er geen aanspraak op de Wmo. De ontvangers voor de omgevingsbediening kunnen verstrekt worden op grond van de Wmo, echter een ontvanger wordt niet verstrekt op grond van artikel 2.3.5. lid 6 Wmo wanneer de persoon in het bezit is van een Wlz-indicatie of hier aanspraak op kan maken. Hulpmiddelen die samenhangen met verzorging en verpleging op bedOp grond van de Zvw kunnen hulpmiddelen worden verstrekt die samenhangen met verzorging en verpleging op bed. Hieronder vallen: bedden in speciale uitvoering met inbegrip van daarvoor bestemde matrassen; anti-decubitusbedden, -matrassen en -overtrekken ter behandeling en preventie van decubitus; dekenbogen, bedhekken, bedrugsteunen en bedtafels; bedgalgen en hulpmiddelen voor het zelfstandig in en uit bed komen; glij- en rollakens; bedverkorters, -verlengers en -verhogers; ondersteken; bedbeschermende onderleggers, indien het verlies van bloed en exsudaat dusdanige hygiënische problemen oplevert dat deze slechts door gebruik van een bedbeschermende onderlegger kunnen worden ondervangen; infuusstandaarden. Als geen sprake is van verzorging of verpleging op bed dan kunnen de hulpmiddelen alleen worden verstrekt indien deze noodzakelijk zijn ter bewaring van de zelfredzaamheid (artikel 2.17 lid 2 Regeling zorgverzekering). Bij zowel een kortdurende als langdurende noodzaak vallen bovengenoemde voorzieningen onder het bereik van de Zvw. Transfers in bedBij beperkingen in het maken van transfers in bed, zoals omrollen of van lig tot zit komen, is inzet van een Wmo-voorziening niet aan de orde, hiervoor dient de eigen kracht aangesproken te worden en een aanvraag gedaan te worden bij de Zvw, bijvoorbeeld voor een Betty-opstahulp. Wanneer een transfer gemaakt moet worden om vanuit zittende positie op de rand van het bed tot stand te komen of in een andere voorziening geplaatst moet worden, dan is inzet van een Wmo-voorziening aan de orde. Hulpmiddelen bij communicatieOp grond van de Zvw kunnen hulpmiddelen worden verstrekt die compensatie bieden bij de beperkingen bij communicatie, informatievoorziening en signalering. Persoonlijke verzorging Zvw/WmoVoor de afbakening tussen de Wmo 2015 en de Zvw met betrekking tot de persoonlijke verzorging, is bepalend of er sprake is van een “behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop.” De wijkverpleegkundige beoordeelt of er sprake is van een behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop. Is dat het geval, dan vindt de bekostiging plaats vanuit de Zvw. Is dat niet het geval, dan is het aan de gemeente om te beoordelen of er aanspraak is op ondersteuning vanuit de Wmo 2015. Cliënten kunnen aanspraak maken op persoonlijke verzorging op grond van de Wmo 2015 wanneer de behoefte aan persoonlijke verzorging samenhangt met de behoefte aan begeleiding. Deze verzorging houdt dan geen verband met de behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop. Persoonlijke verzorging op grond van de Wmo 2015 kan dan bestaan uit hulp bij de algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL), die gericht is op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid. Het gaat in deze gevallen niet om het daadwerkelijk douchen en aankleden van de cliënten, maar om de begeleiding hierbij. Het zogenoemde met handen op de rug zorg. In de praktijk blijkt het niet altijd duidelijk of de persoonlijke verzorging onder de Zvw, of onder de Wmo 2015 valt. In die gevallen wanneer dit niet op voorhand duidelijk is, dient de gemeente in overleg te treden met de wijkverpleegkundige om te beoordelen of de cliënt al dan niet behoefte heeft aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop heeft. Een goede afstemming tussen de wijkverpleegkundige en Wmo-consulent is dus van belang. MaaltijdverzorgingAls professionele ondersteuning bij de maaltijdverzorging nodig is, moet beoordeeld worden of deze zorg onder de Zvw valt of onder de Wmo 2015. De wijkverpleegkundige beoordeelt of er sprake is van een “behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop”. Is dat het geval, dan vindt de bekostiging plaats vanuit de Zvw. Is dat niet het geval, dan is het aan de gemeente om te beoordelen of er aanspraak is op ondersteuning vanuit de Wmo. Indien de cliënt aanspraak kan maken op persoonlijke verzorging (hulp bij eten) vanuit de Zvw, voor de belemmering in de maaltijdverzorging dan hoeft het college in het kader van de eigen kracht hiervoor geen maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 te verstrekken (artikel 2.3.5 lid 3 Wmo 2015). Het uitgangspunt is dan namelijk dat de cliënt op eigen kracht het probleem op kan lossen, namelijk door zijn aanspraak op grond van de andere wet tot gelding te brengen. Het college kan de cliënt op grond van artikel 2.3.5 lid 5 onderdeel b Wmo 2015 verwijzen naar de Zvw. Inzet van algemene voorzieningen mogelijk?Een algemene voorziening is in de Wet als volgt gedefinieerd: Aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op het versterken van zelfredzaamheid en participatie, of op opvang. De CRvB heeft algemene voorzieningen gedefinieerd als “in beginsel voor een ieder toegankelijk, collectief aangeboden voorzieningen, op basis van een beperkte toelatingsbeoordeling aan de hand van beperkt aantal geformuleerde maatstaven en daarbij in aanmerking genomen dat de toelatingsbeoordeling in het algemeen geen acht wordt geslagen op de specifieke (persoons)kenmerken van de individuele aanvrager en dat deze soort voorziening naar zijn aard niet is afgestemd op de kenmerken van de individuele aanvrager” (CRvB 15-04-2010, nr. 09/1519 WMO). Algemene voorzieningen zijn ook toegankelijk voor mensen die zorg ontvangen als bedoeld in de Wlz. Kenmerk van algemene voorzieningen is dat zij altijd in natura verstrekt worden. Er kunnen globale restricties en toegangscriteria worden gesteld. Bijvoorbeeld aan de frequentie waarmee de voorziening wordt bezocht of dat men behoort tot de doelgroep waarvoor de voorziening is bedoeld. Er kan gedacht worden aan rolstoel- of scootmobielpools en aan zaken als een klussendienst, een boodschappenservice, open inloop, een was- en strijkservice, een maaltijdbezorgdienst. Ook cliëntondersteuning en 24-uurs bereikbaarheid voor cliënten met behoefte aan een luisterend oor vallen onder de algemene voorzieningen. Algemene voorzieningen zijn voorliggend op het verstrekken van maatwerkvoorzieningen, mits die algemene voorzieningen daadwerkelijk beschikbaar zijn; door de cliënt financieel gedragen kan worden; adequate compensatie bieden. 3.9Inzet van algemeen gebruikelijke voorziening(
- en)mogelijk? Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wmo 2015 (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 148) kan worden ontleend dat het college niet gehouden is tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening wanneer het gebruik van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen die naar hun aard algemeen gebruikelijk zijn een uitkomst bieden (CRvB 04-05-2011, nr.10/6824 WMO en CRVB:2018:2182). De CRvB heeft met een uitspraak in 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:3535) de criteria voor het begrip 'algemeen gebruikelijk' verduidelijkt en nader ingevuld. De CRvB oordeelt in deze uitspraak dat een dienst, hulpmiddel, woningaanpassing of andere maatregel als algemeen gebruikelijk kan worden aangemerkt als deze: niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; daadwerkelijk beschikbaar is; een passende bijdrage levert aan het realiseren van zelfredzaamheid of participatie en; financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. Het laatste criterium is toegevoegd door de CRvB met haar uitspraak in 2019. Eerder was de vraag of de voorziening 'door een persoon als de betrokkene financieel gedragen kan worden'. De CRvB geeft nu echter een nieuwe maatstaf, die betekent dat gemeenten moeten gaan toetsen of de voorziening financieel gedragen zou kunnen worden door iemand met een minimuminkomen. Ongeacht of de betreffende cliënt zelf een minimuminkomen heeft. Een voorziening is op zichzelf nooit algemeen gebruikelijk. Er dient te allen tijden per melding individueel getoetst te worden of er sprake is van algemeen gebruikelijk. Uit jurisprudentie is een aantal voorzieningen algemeen gebruikelijk gebleken: Fiets Een fiets wordt doorgaans niet op grond van de Wmo verstrekt omdat iedereen in Nederland geacht wordt om een fiets te hebben. Bakfiets In Rechtbank 's-Gravenhage 11-05-2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ5651 is door cliënt een bakfiets aangevraagd voor haar 6-jarig gehandicapt kind. De rechtbank oordeelt dat de bakfiets, gelet op de gezinssamenstelling, voor cliënt algemeen gebruikelijk is. Een bakfiets wordt volgens de rechtbank immers door veel jonge gezinnen gebruikt. Spartamet De spartamet is een fiets met hulpmotor. Dit voertuig is niet speciaal voor personen met beperkingen ontwikkeld, maar wel zeer bruikbaar. De CRvB vindt een spartamet algemeen gebruikelijk (zie CRvB 17-12-1996, nr. 95/7818 WVG). Fiets met (lage instap
- en)trapondersteuning (in de vorm van een hulpmotor) Een fiets met trapondersteuning en een lage instap is verschillende keren als algemeen gebruikelijk aangemerkt (zie CRvB 17-11-2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK5657 en CRvB 15-06-2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT8647). Ook voor een persoon van 16 jaar heeft de CRvB een fiets met trapondersteuning als algemeen gebruikelijk aangemerkt. Deze is in de reguliere handel verkrijgbaar en de prijs is vergelijkbaar met die van een brommer, welk vervoermiddel wel algemeen gebruikelijk is voor een persoon van 16 jaar (CRvB 14-07-2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN1265). Stalling (driewiel)fiets De CRvB oordeelt dat de stalling van een fiets of driewielfiets als algemeen gebruikelijk kan worden aangemerkt en dat cliënt hier zelf verantwoordelijk voor is (CRvB 21-09-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT2789). In Nederland is het immers gebruikelijk een fietsvoorziening buiten in tuin of op straat in daartoe gemaakte stallingsmogelijkheden te stallen. Dit geldt echter niet voor de stalling van scootmobielen en elektrische rolstoelen, omdat deze bij een stroomvoorziening moeten worden gestald zodat de accu kan worden opgeladen en dus niet buiten kunnen worden gestald. Gebruikskosten eigen auto De rechtbank oordeelt dat het uitgangspunt dat de gebruikskosten van een eigen auto algemeen gebruikelijk zijn, niet onredelijk is. Wel moet onderzocht worden of deze kosten ook in het specifieke geval van de cliënt als algemeen gebruikelijk kunnen worden beschouwd (Rechtbank Rotterdam 24-05-2016, nr. AWB 15/2914). In de uitspraak (Rechtbank Rotterdam 18-7-2018, ECLI:NL:RBROT:2018:5865) bevestigt de rechtbank dat vervoer per eigen auto niet zonder meer algemeen gebruikelijk is. Om vast te kunnen stellen of een voorziening algemeen gebruikelijk is dient eerst te worden onderzocht of volgens maatschappelijke normen de voorziening tot het bestedingspatroon van de aanvrager behoort, of cliënt de voorziening kan (blijven) gebruiken en of de voorziening door iemand met een minimininkomen financieel gedragen kan worden. Aanrechtblad (CRvB 25-06-2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD6234). Hendelmengkranen (Rechtbank 's-Hertogenbosch 05-11-2012, nr. AWB 12/496). Keukenapparatuur (Rechtbank Gelderland 19-07-2016, nr. 15/5214). Vervanging van stoffen meubilair door glad meubilair (CRvB 18-10-2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3574). Aanschaf van een stofzuiger met HEPA-filter (CRvB 18-10-2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3574). Boodschappendienst (CRvB 10-10-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3093) een boodschappendienst kan worden aangemerkt als een algemeen gebruikelijke dienst als deze dienst daadwerkelijk beschikbaar is, een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de aanvrager tot zelfredzaamheid of participatie in staat is en door iemand met een mininuminkomen financieel gedragen kan worden. Kreuk-/strijkvrije kleding (Rechtbank Oost-Brabant 26-02-2014, nr. SHE 13/2847). De rechtbank vindt kreuk-/strijkvrije kleding algemeen gebruikelijk. Deze is niet speciaal bedoeld voor gehandicapten, is in de reguliere handel verkrijgbaar en qua prijs vergelijkbaar met gewone kleding. Tandem (Rechtbank Midden-Nederland 07-11-2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:7402). Een (Hase Pino) tandem is volgens de rechtbank algemeen gebruikelijk. Deze is niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en is in de reguliere handel verkrijgbaar. Bovendien is de prijs van deze tandem vergelijkbaar met soortgelijke producten. Losse douchestoel (CRvB 22-5-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1691). Handgrepen (CRvB 18-01-2017, ECLI:NL:CRVB:2017:148). Autoaanpassingen (CRvB 30-11-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU7172, CRvB 31-10-2000, nr. 99/2873 WVG, CRvB 02-03-2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT1646, CRvB 14-12-2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AU8256, CRvB 31-05-2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AX7808 en CRvB 21-10-2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK1515): automatische transmissie; elektrisch bedienbare ramen; kosten van een APK-keuring; een derde of vijfde deur en warmtewerend glas; cruise control. In bijlage 2 is een niet limitatieve lijst opsomming gegeven van eveneens andere algemeen gebruikelijke voorzieningen. 3.10Is er sprake van regresrecht? Sinds 1 januari 2015 is het voor gemeenten mogelijk om de kosten van een door hen verstrekte maatwerkvoorziening of pgb te verhalen op degene die door zijn onrechtmatig handelen er de oorzaak van is dat de cliënt een beroep moet doen op een maatwerkvoorziening of pgb (artikel 2.4.3 Wmo 2015). Dit heet regresrecht. Verhaal van kosten op grond van artikel 2.4.3 Wmo 2015 vindt plaats via een civielrechtelijke procedure tegen de aansprakelijke partij of zijn verzekeraar. De hoogte van de te verhalen kosten is op voorhand niet altijd exact aan te geven. Het hangt er vanaf hoe lang de ondersteuning nodig is, welke ondersteuning noodzakelijk is en wat daarvan de kosten zijn. Als de hoogte van de schade niet vast te stellen is, kan deze worden geschat (artikel 2.4.3 lid 3 Wmo 2015). Als uit onderzoek blijkt dat de cliënt voor de kosten van voorzieningen daadwerkelijk en binnen een aanvaardbare termijn, een beroep kan doen op de verzekeraar (of er zelfs al een bedrag is uitgekeerd voor betreffende voorziening), dan is er geen noodzaak meer voor ondersteuning (CRvB 19-06-2013, ECLI:NL:CRvB:2013:776 en Rechtbank Zutphen 28-12-2011, nr. 10/2060 WMO). Omdat de wetgever zich heeft gerealiseerd dat het inroepen van het regresrecht ingewikkelde procedures met zich meebracht, heeft de VNG tot en met 2018 met verzekeraars overeengekomen het regresrecht af te kopen. Vanaf 2019 is geen convenant meer afgesloten. De reden hiervoor is dat voor de verzekeraars duidelijk werd dat een cliënt wel gewezen mag worden op de mogelijkheid zich tot het Wmo-loket te wenden, maar hiertoe niet verplicht kan worden. Hierdoor kunnen de verzekeraar geconfronteerd worden met dubbele kosten doordat zij een afkoopsom aan de gemeente betalen, maar door het schadeslachtoffer alsnog aansprakelijk gesteld kunnen worden. Gemeenten kunnen de kosten die zij maken voor Wmo-voorzieningen bij ongevallen na 1 januari 2019 zelf weer verhalen op aansprakelijkheidsverzekeraars. De convenanten uit 2015-2018 geven de mogelijkheid om schade te verhalen doordat in de convenanten is afgesproken dat regres is uitgesloten voor het jaar waarvoor het convenant is afgesloten, maar ook: Voor zorgkosten die de gemeente maakt nadat het convenant is afgelopen, en die terug te voeren zijn op schadeveroorzakende gebeurtenissen in de jaren 2015-2018; Voor zorgkosten die de gemeente maakt nadat het convenant is afgelopen, en die terug te voeren zijn op schadeveroorzakende gebeurtenissen vóór 1 januari 2015. 3.11Ondersteuning vanuit Participatiewet mogelijk? De Wmo kan op zijn beurt als een toereikende en passende voorliggende voorziening worden beschouwd ten aanzien van de Participatiewet (Pw). De Pw heeft dus geen voorrang op de Wmo. Als een voorziening onder de Wmo valt, dan kunnen de kosten niet in het kader van de Pw worden vergoed. De Pw heft dus geen voorrang op de Wmo. Begeleiding in groepsverband gericht op arbeid valt niet onder de Wmo. Dit is een onderdeel van de Pw. 3.12Ondersteuning vanuit WIA (eigen kracht) mogelijk? Om in aanmerking te komen voor de leefvervoersvoorzieningen kunnen cliënten zowel een beroep doen op de Wmo als de WIA. Een leefvervoersvoorziening in het kader van de WIA is een voorliggende voorziening in het kader van de Wmo. De CRvB overweegt dat die vergoeding en de door cliënt gewenste vervoersvoorziening op grond van de Wmo betrekking hebben op dezelfde vervoersfunctie in de leefsfeer. De CRvB merkt daarbij op dat het op de weg van cliënt ligt bezwaar te maken tegen een besluit van het UWV, indien hij van mening is dat door het UWV toegekende voorziening voor leefvervoer geen toereikende voorziening is. Dus de aanvrager kan in dit geval geen (aanvullende) aanspraak op de Wmo doen. Rolstoelen die alleen op het werk worden gebruikt komen voor rekening van het UWV op grond van de WIA. Rolstoelen die thuis worden gebruikt en ook geschikt zijn voor het werk, vallen wel onder de Wmo. De kosten van het aanpassen van een Wmo-rolstoel voor gebruik op het werk moeten worden voldaan door het UWV op grond van de WIA. Door het inzet van een werkrolstoel op grond van de WIA wordt de eigen kracht aangesproken. 3.13Inzet van verhuiskostenvergoeding van de woningbouwvereniging (eigen kracht) mogelijk? Een verhuiskostenvergoeding van de woningstichting op grond van de Woningwet is een voorliggende voorziening/ het aanspreken van eigen kracht in het kader de Wmo. 3.14Anti-revaliderende werking van een voorziening? Ondersteuning in de vorm van een voorziening wordt niet geboden wanneer de voorziening antirevaliderend zal werken. Hierbij wordt het uitgangspunt genomen dat een voorziening met een anti-revaliderend karakter niet als doeltreffend kan worden aangemerkt, omdat de voorziening niet gericht is op het opheffen of verminderen van de door de cliënt ondervonden beperkingen (CRvB 23-10-2013,ECLI:NL:CRVB:2013:2254, (CRvB 15-01-2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1077 en Vzr. Rechtbank Maastricht 25-07-2008, ECLI:NL:RBMAA:2008:BD9826). Hierbij kan gedacht worden aan een situatie waar uit de medische beoordeling door de medisch adviseur niet is gebleken dat de maatwerkvoorziening langdurig noodzakelijk is voor het opheffen of verminderen van beperkingen of voor hem aan te merken is als anti-revaliderend (CRvB 30-03-2011, nr. 10/4115 WMO) (CRvB 25-02-2015, nr.13/6531 Wmo en CRvB 14-12-2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4697 en CRvB 6-3-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:755). Bij aandoeningen als fibromyalgie en chronisch pijn- of vermoeidheidssyndroom kan er in het algemeen vanuit worden gegaan dat het verstrekken van hulpmiddelen anti-revaliderend werkt, tenzij het tegendeel is bewezen (CRvB 15-01-2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1077). Ook bij een aandoening als post-whiplashsyndroom kan er vanuit worden gegaan dat te veel hulp anti-revaliderend zal werken, tenzij het tegendeel is gebleken (Rechtbank Amsterdam 25-05-2011, ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ7855. 3.15Is inzet van de maatwerkvoorziening langdurig noodzakelijk? Langdurig wil zeggen dat degene die beperkingen ondervindt voor langere tijd aangewezen moet zijn op de desbetreffende maatwerkvoorziening. Langdurig geeft een grens aan in tijd. Waar de grens van langdurig gelegd moet worden is niet eenduidig aan te geven. Een afgrenzing die gemaakt kan worden, is te kijken naar andere regelgeving, die voor beperkte duur een voorziening verstrekken. Een andere benadering gaat uit van de eventuele tijdelijkheid van een beperking. In dit kader zal de prognose van groot belang zijn. Zegt de prognose dat de cliënt na enige tijd zonder de benodigde maatwerkvoorzieningen zal kunnen functioneren, dan mag het college van kortdurende noodzaak uitgaan en dus de Wmo-aanvraag afwijzen. Hierbij dient ook ondersteuning op andere regelgeving te worden beoordeeld. Bij een wisselend beeld, waarbij verbetering in de toestand gevolgd wordt door situaties van terugval, kan worden uitgegaan van een langdurige noodzaak, mits dat wisselend beeld permanent is. De voorwaarde dat een maatwerkvoorziening langdurig noodzakelijk moet zijn om op grond van de Wmo verstrekt te kunnen worden, betekent net als onder het WVG-regime en de Wmo 2007, niet dat terminale patiënten geen beroep op de Wmo zouden kunnen doen. Wel zal bij de advisering en de keuze voor de soort maatwerkvoorziening rekening gehouden moeten worden met het feit dat het een terminale patiënt betreft. Voor wat betreft het criterium langdurige noodzakelijkheid, is in het kader van de Wmo geen medische eindtoestand vereist (CRvB 30-03-2011, nr. 10/4115 WMO) en (Rechtbank Alkmaar 22-08-2007, nr. Awb 07/1565 en Vzr. rechtbank Haarlem 30-06-2008, nr. AWB 08/4293. De omstandigheid dat geen medische eindsituatie is ingetreden impliceert zonder meer niet dat niet kan worden vastgesteld of het treffen van de gevraagde maatwerkvoorziening was aangewezen (Vzr. rechtbank Haarlem 15-02-2008, nrs. AWB 08-92 WMO). Voor wat betreft het vaststellen van de langdurig noodzakelijkheid dient te worden gekeken of (wettelijk) voorliggende voorzieningen of het aanspreken van eigen kracht voor de cliënt openstaan zoals mogelijkheden voor behandeling op grond van de Zorgverzekeringswet en waar van cliënt verwacht mag worden dat hij zich ten volle inspant om de behandeling optimaal te laten verlopen. De mogelijkheden voor behandeling is het aanspreken van de eigen kracht in het kader van de Wmo (CRvB 28-09-2011 10/2587 Wmo, Rechtbank Noord-Holland 13-05-2013 13/1946 en CRvB 23-1-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:558) Het is eveneens mogelijk een voorziening voor een beperkte duur toe te kennen omdat nog succesvolle behandeling, waarbij de belemmeringen kunnen afnemen, mogelijk is. Dit om op tijd te kunnen bijsturen als blijkt dat bijvoorbeeld minder ondersteuning nodig is vanwege de succesvolle behandeling (CRvB 2-03-2016, nr. 14/6921 WMO). 3.16Is de maatwerkvoorziening goedkoopst, adequaat? In de Verordening is bepaald dat een voorziening slechts kan worden toegekend, voor zover deze als de goedkoopst adequate voorziening kan worden aangemerkt. Uit CRvB 28-10-2009, nr. 08/1600 WMO volgt dat de cliënt recht heeft op een (maatwerk)voorziening die in haar individuele situatie kan worden aangemerkt als ondersteuning. Voor gevallen waarin meer dan één voorziening als ondersteuning voor de vastgestelde beperkingen kan worden aangemerkt, staat het de gemeente vrij te bepalen dat slechts recht bestaat op de goedkoopst adequate maatwerkvoorziening (CRvB 28-10-2009, nr. 08/1600 WMO en CRvB 27-03-2013, nr. 11/2411 WMO en CRvB 15-02-2017, ECLI:NL:CRVB:2017:504). Een maatwerkvoorziening is niet adequaat te achten indien de voorziening in strijd is met andere wet- en regelgeving (CRvB 04-12-2013, nrs. 11/6918 WMO e.a.). De begrippen “goedkoopst” en “adequaat” moeten in onderlinge samenhang worden bezien. De volgorde waarin deze begrippen zijn geplaatst, betekent niet dat in de afweging die bij het verstrekken van een bepaalde voorziening wordt gemaakt, de hoogte van de kosten van de maatwerkvoorziening voorop staat en pas in tweede instantie wordt gekeken naar het feit of de voorziening als adequaat kan worden aangemerkt. “Goedkoopst adequaat” betekent dat een voorziening altijd adequaat moet zijn. Pas als er meerdere adequate voorzieningen zijn, kan de goedkoopst adequate voorziening worden gekozen. Deze ene goedkoopst adequate voorziening dient een oplossing te bieden voor het opheffen en/of verminderen van de belemmering die de cliënt ervaart. Het begrip “goedkoop” moet bij de beoordeling niet in absolute zin worden uitgelegd. Zo kan een in aanschaf duurdere voorziening bijvoorbeeld langer meegaan en dus uiteindelijk goedkoper zijn (zie bijvoorbeeld CRvB 08-10-2003, nr. 02/1128 WVG). 3.17Verslag/aanvraagformulier Het verslag van het onderzoek bestaat uit de volgende onderdelen: persoonsgegevens; uitkomsten van het onderzoek; nadere verkenning van resultaatgebieden waarop ondersteuning nodig is; een overzicht van de resultaatgebieden waarin een maatwerkvoorziening nodig is. Wanneer uit het onderzoek is gebleken dat voor één of meerdere resultaatgebieden maatwerkvoorzieningen noodzakelijk zijn, wordt bepaald welke dat zijn en in welke mate deze dienen te worden toegekend. De maatwerkvoorzieningen worden per hoofdstuk verder uitgewerkt. In de basis is de verbinding tussen resultaatgebieden en maatwerkvoorzieningen als volgt: Resultaatgebieden Maatwerkvoorzieningen 1 Wonen in een geschikt huis. Woonvoorzieningen 2 Zich verplaatsen in en om de woning. Rolstoelen 3 Zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel. Vervoer 4 Een schoon en leefbaar huis. Huishoudelijke ondersteuning 5 Beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften. Huishoudelijke ondersteuning 6 Beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding en huishoudtextiel. Huishoudelijke ondersteuning 7 Het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren. Huishoudelijke ondersteuning 8 Het kunnen uitvoeren van de dagelijks noodzakelijke activiteiten. Begeleiding 9 Het hebben van een dagvulling bestaande uit arbeidsmatige, recreatieve of andere activiteiten. Begeleiding 10 Veiligheid en geborgenheid in de eigen leefomgeving, het veilig kunnen doorbrengen van de dag. Begeleiding 11 Toerusting mantelzorger opdat cliënt zo lang mogelijk in de eigen omgeving kan blijven wonen. Begeleiding 12 De mogelijkheid om contacten te hebben met medemensen en deel te nemen aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze activiteiten. Begeleiding/Vervoer Ook wanneer er geen maatwerkvoorzieningen nodig zijn, of bijvoorbeeld het onderzoek leidt tot een combinatie van maatwerk en voorliggende inzet, wordt in het verslag opgenomen op welke wijze een antwoord is gevonden op de ondersteuningsvraag waarmee een cliënt zich heeft of is gemeld. Indien er wel maatwerkvoorzieningen nodig zijn, wordt tevens in het verslag opgenomen welke andere vormen van ondersteuning uit de eigen omgeving of het voorliggende kader worden ingezet in antwoord op deze ondersteuningsvraag. Zodoende ontstaat er een totaalbeeld van de maatschappelijke ondersteuning die wordt ingezet naar aanleiding van een melding en kunnen waar nodig de verschillende vormen van ondersteuning op elkaar worden afgestemd. Het verslag wordt binnen drie weken na het gesprek aan de cliënt verstrekt waarbij de cliënt wordt gevraagd het verslag voor gezien of akkoord te tekenen en binnen drie weken na dagtekening te retourneren aan de contactpersoon waarmee hij het gesprek heeft gevoerd. Wanneer een verslag niet retour wordt ontvangen, betekent dit dat er geen sprake is van een aanvraag zoals bedoeld in de Verordening waarop een besluit genomen dient te worden. Het is dan ook de eigen verantwoordelijkheid van cliënt om het verslag te retourneren en wanneer dit niet het geval is hiervan de consequenties te ervaren. Wanneer de cliënt tekent voor gezien, kan hij daarbij tevens aangeven wat de reden is waarom hij niet akkoord is. Wanneer de cliënt van mening is dat hij in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, kan hij dit aangeven op het door hem ondertekende verslag. 3.18Aanvraag en beschikking Als na het onderzoek een aanvraag wordt ingediend, moet het college op deze aanvraag beschikken. Het zal niet altijd nodig zijn een aanvraag te doen. Dat zal het geval zijn wanneer blijkt dat op de punten die de belemmering vormen een oplossing gevonden werd, op eigen kracht, via mantelzorg, of hulp van andere personen uit het netwerk, met gebruikmaking van algemene voorzieningen, of van algemeen gebruikelijke voorzieningen of (wettelijk) voorliggende voorzieningen. Is de cliënt het hier niet mee eens, dan kan hij besluiten toch een aanvraag in te dienen. Een aanvraag kan ook worden ingediend op een daartoe door het college vastgesteld formulier. Ook kan het college een ondertekend verslag als aanvraag aanmerken. De termijn die het college heeft voor de beschikking bedraagt 2 weken (art. 2.3.5, lid 2) zodat er niet veel tijd is voor een extern onderzoek. Mocht dat nodig zijn, dan zal dat indien mogelijk in gang gezet moeten worden tijdens het onderzoek. In artikel 2.3.8, derde lid, van de Wet is een medewerkingsplicht opgenomen. De cliënt is verplicht desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering. In de Verordening is bepaald dat het college bevoegd is degene voor wie een melding is gedaan of voor wie een aanvraag is ingediend, alsmede diens huisgenoten op te roepen in persoon te verschijnen en te bevragen op een te bepalen plaats en tijdstip en te laten onderzoeken en/of bevragen door een of meer daartoe aangewezen deskundigen. Dit alles met de beperking dat dit in het belang moet zijn van de beoordeling van de aanspraak op een voorziening. Advies zal in het kader van de uitvoering van de wet vaak onontbeerlijk zijn. Te denken valt aan een deskundigenadvies uitgevoerd door een onafhankelijk medisch adviseur. Mocht de termijn niet worden gehaald, dan kan op grond van artikel 4:14 Algemene wet bestuursrecht (voor afloop van de termijn) bericht gegeven worden van de vertraging, met opgave van het moment dat wel beschikt zal worden. De afweging mondt uit in een beschikking, die bevat of en welke maatwerkvoorzieningen worden toegekend en waarom, zo nodig met ingangsdatum, voor welke periode, onder welke voorwaarden en met vermelding van de overige relevante informatie, die per maatwerkvoorziening anders zal zijn. 4Maatwerkvoorzieningen 4.1Woonvoorzieningen Bij het resultaatgebied wonen in een geschikt huis horen de woonvoorzieningen. Wonen in een geschikt huis bestaat uit het normaal gebruik kunnen maken van de woning waarover men beschikt. Onder het normale gebruik van de woning werd in de Wvg-jurisprudentie het verrichten van elementaire woonfuncties verstaan. Ook uit Wmo-jurisprudentie tot op heden komt dit begrip naar voren. Er bestaat geen aanleiding om dit onder de Wmo 2015 anders uit te leggen. Voorbeelden van elementaire woonfuncties volgens de jurisprudentie zijn: wonen, douchen en slapen; slapen, eten en lichaamsreiniging; het gebruik maken van de keuken; het aan- en uitkleden, wassen en verschonen van een baby, die geheel van de verzorging door een cliënt afhankelijk is; het doen van essentiële huishoudelijke werkzaamheden; het normale gebruik van de tuin en balkon als verlengstuk van de woning zijnde en berging bij noodzakelijk gebruik; dat kinderen zonder gevaar voor eigen gezondheid in de woonruimte kunnen spelen. Geen elementaire woonfunctie is: de bereikbaarheid van een hobbykamer of studeerkamer. 4.1.2Maatwerkvoorziening Wanneer uit onderzoek blijkt dat de belemmering niet kan worden verminderd of worden weggenomen door de inzet van de eigen kracht van de cliënt, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, met behulp van andere personen uit zijn sociale netwerk, met (wettelijk) voorliggende voorzieningen, met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of met gebruikmaking van algemene voorzieningen of anderszin zal het in de praktijk op neerkomen op het bieden van maatwerkvoorzieningen in de vorm van woonvoorzieningen, zowel bouwkundig als niet-bouwkundig, maatwerkvoorziening voor verhuizing en (her)inrichting, maatwerkvoorziening voor tijdelijke huisvesting en huurderving. Er dient te worden benadrukt dat het niet de bedoeling is dat een recht op een woning ontstaat. Uitgangspunt is de woning waar de cliënt zelf al over beschikt of over zal beschikken. Inmiddels is in de rechtspraak uitgemaakt dat het ondersteunen of bemiddelen bij de zoektocht naar een woning niet onder de ondersteuning van de Wmo valt. 4.1.3Weigeringsgronden woonvoorzieningen In een aantal situaties zal na onderzoek geen maatwerkvoorziening worden geboden, omdat er in die situaties sprake is van een zo bijzondere woonsituatie dat die niet valt onder de ondersteuning in het kader van de Wmo. HoofdverblijfDe woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de persoon met beperkingen zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en in de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven; dan wel; zal staan ingeschreven; dan wel; het feitelijke woonadres indien de persoon met beperkingen met een briefadres is ingeschreven. De gemeente waar de woning staat dient ondersteuning te bieden, behalve in de situatie waarin de persoon uit de Wmo-doelgroep verhuist van de ene gemeente naar een andere gemeente. Een aanvraag voor een maatwerk-woonvoorziening in de vorm van een verhuizing en (her) inrichting, wanneer dit niet anderszins kan worden opgelost behoort tot de ondersteuning van de vertrekgemeente. Twee hoofdverblijvenIn uitzonderingssituaties is er sprake van twee hoofdverblijven. Daarbij moet worden gedacht aan gehandicapte kinderen van gescheiden ouders, die in co-ouderschap door beide ouders worden opgevoed en daadwerkelijk de ene helft van de tijd bij de ene ouder wonen en de andere helft van de tijd bij de andere ouder. Alleen in die situatie kunnen in beide ouderlijke woningen maatwerkwoonvoorzieningen getroffen worden, niet in situaties waarin sprake is van bezoekregelingen. Bovendien mag van ouders verwacht worden dat zij voorzieningen die gedeeld kunnen worden, delen denk aan roerende voorzieningen, zoals een inklapbare tillift. Woning ongeschikt voor hele jaar bewoningHet college biedt geen maatwerk-woonvoorziening wanneer sprake is van een zo bijzondere woonsituatie dat die niet valt onder de ondersteuning in het kader van de Wmo. Hier gaat het enerzijds uit om woonsituaties die niet bestaan uit een permanent zelfstandig woonverblijf, zoals hotels en pensions, kamerverhuur en tweede woningen. Bezoekbaar maken woonruimte, niet zijnde hoofdverblijfMaatwerk-woonvoorzieningen kunnen worden getroffen aan een woning niet zijnde hoofdverblijf, in het kader van het bezoekbaar maken van de woning. Dit betreft een bovenwettelijke voorziening, waar de Wmo in principe geen ondersteuning voor biedt, nu het hier geen hoofdverblijf betreft. Deze bovenwettelijke voorziening is beperkt tot: het kunnen bereiken van de woonruimte; het kunnen bereiken van de woonkamer; het kunnen uitvoeren van toiletgang. Met het gebruiken van een toiletvoorziening is ook gebruik van een losse toiletstoel inbegrepen. De eventueel noodzakelijke verstrekking van een tilvoorziening/transferhulpmiddel om de toiletvoorziening te kunnen gebruiken valt ook onder de bovenwettelijke ondersteuning. Het bezoekbaar maken van de woning is gemaximeerd tot een bedrag vastgesteld in het Besluit. Alle overige voorwaarden van deze beleidsregels zijn onverkort van toepassing op deze bovenwettelijke toepassing. De gemeente waarin de Wlz-instelling zich bevindt en de persoon zijn hoofdverblijf heeft, is verantwoordelijk voor het bezoekbaar maken van een woning. De CRvB oordeelt dat het college uitsluitend personen moet compenseren die in de betreffende gemeente woonplaats hebben. Bovendien kan een persoon niet in meerdere gemeenten tegelijkertijd woonplaats hebben. De vraag waar iemand woonplaats heeft, is afhankelijk van concrete feiten en omstandigheden. Doorgaans zal een bewoner van een Wlz-instelling woonplaats hebben in de gemeente waar de Wlz-instelling staat. Deze gemeente is dan verantwoordelijk voor het compenseren (zie CRvB 22-09-2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO0285. In het kader van bezoekbaar maken is geen ruimte om het wonen in een gewone woning op een lijn te stellen met verblijf in een Wlz-instelling (CRvB 18-04-2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA5310 en CRvB 22-09-2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO0285). De gemeente Capelle aan den IJssel biedt geen ondersteuning in de vorm van maatwerk-woonvoorzieningen in het kader van logeerbaar maken van een woning. Aard van de gebruikte materialen & achterstallig onderhoudEen maatwerk-woonvoorziening wordt niet verstrekt als de belemmeringen het gevolg zijn van de aard van de gebruikte materialen. Ook als de belemmeringen voortkomen uit achterstallig onderhoud van de woning dan wel het gevolg zijn van de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de daaromtrent geldende wettelijke eisen kan niet worden overgegaan tot ondersteuning in de vorm van een maatwerkvoorziening (CRvB 01-10-2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AM5445). Hierop wordt een uitzondering gemaakt indien de cliënt goede pogingen heeft ondernomen om de gebreken door de woningeigenaar te doen wegnemen en met oog op de gezondheidstoestand van de cliënt binnen redelijkerwijs aanvaardbaar tijdbestek geen uitzicht was op opheffing van die gebreken (CRvB 03-07-2013, nr. 11/4346 WMO, zie ook Rechtbank 's-Hertogenbosch 07-06-2010, nr. AWB 09/2976 WMO). Aanpassingen aan gemeenschappelijke ruimtenEen maatwerk-woonvoorziening in gemeenschappelijke ruimten wordt geweigerd, tenzij het gaat om: het verbreden van toegangsdeuren; het aanbrengen van elektrische deuropeners; de aanleg van een hellingbaan van de openbare weg naar de toegang tot de woning; drempelhulpen en vlonders; een opstelplaats voor een rolstoel of een vervoersvoorziening bij de toegangsdeur van het woongebouw. Naar het oordeel van de CRvB is bovenstaande in het algemeen niet in strijd met de ondersteuning die de gemeente moet bieden (CRvB 02-11-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU4344), maar andersoortige ondersteuning is nog wel noodzakelijk. Het college kan dan bijvoorbeeld in plaats van een voorziening in de gemeenschappelijke ruimte, een voorziening gericht op verhuizen & (her) inrichten bieden (CRvB 10-03-2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AO6578). Uitgesloten woonruimtenSpecifiek op gehandicapten en ouderen gerichte gebouwen: Een maatwerk-woonvoorziening wordt niet getroffen in specifiek op gehandicapten en ouderen gerichte woongebouwen. Dit geldt dan voor voorzieningen: in gemeenschappelijke ruimten; of voorzieningen die zonder noemenswaardige meerkosten kunnen worden meegenomen bij: (nieuw)bouw; verbouw; of renovatie. Deze bepaling is een verbijzondering is van de bepaling dat geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt indien de voorziening algemeen gebruikelijk is. Een voorziening in een specifiek voor gehandicapten of ouderen bedoeld gebouw is in principe algemeen gebruikelijk als CRvB 03-06-2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI9087 en CRvB 09-03-2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL7235): CRvB 03-06-2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI9087 en CRvB 09-03-2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL7235):op grond van wettelijke voorschriften, algemeen aanvaarde regels of contractuele bepalingen DoelgroepenwoningDoelgroepenwoningen zijn woningen of een zelfstandig deel van een woning waar service wordt verleend en die qua inrichting specifiek is gebouwd voor een bepaalde doelgroep. Denk hierbij aan: Serviceflats Aanleunwoningen, vaak aan/in of nabij een verzorgingshuis, niet zijnde een Wlz-woning ADL-woningen; levensloopbestendig, zogenaamde ‘MIVA’-woningen, in ieder geval rolstoel toe- en doorgankelijke woningen en dus als zodanig aangemerkt Fokus-woningen Wlz-instellingen: verzorgingshuis, verpleeghuis, gezinsvervangend tehuis De verschillende termen voor doelgroepenwoningen worden door elkaar gebruikt. Het gaat er uiteindelijk om welk ‘label’ aan een betreffend gebouw wordt toegekend. Veelal zijn senioren- of 55+-woningen (zonder service labelling) geen doelgroepenwoningen. Dit zijn woningen die zich richten op een specifieke groep bewoners, maar biedt geen specifieke faciliteiten (service). Het is dus van belang goed na te gaan hoe het woongebouw ‘bekend staat’, bij de woningeigenaar. Onderverdeling doelgroepenwoningIn onderstaande tabellen staat weergegeven hoe de doelgroepenwoningen te definiëren, te weten rollator- of rolstoelgeschikt en welke specifieke kenmerken hiertoe behoren. Type woning Rollator-geschikt Rolstoel-geschikt Serviceflat X Aanleunwoningen X ADL-woningen X Tabel 1 Verdeling type woning naar rollator- en rolstoelgeschiktheid Basis-uitrustingsniveau voor doelgroep woningen Rollator-geschikt Rolstoel-geschikt Gelijkvloerse woning of alle ADL functies wonen, koken, slapen, wassen, op één verdieping X X Woning op begane grond of bereikbaar met lift X X Toegangspad tot wooncomplex geschikt met rollator, dus geen hoge drempels en losse tegels, etc. X X Toegangspad tot wooncomplex en woning min. 1.20 m breed met een maximale helling van 1:12 X Alle deuren in het wooncomplex zijn met een rollator doorgankelijk, wat ook betekent elektrische deuropeners X X Alle gemeenschappelijke deuren en voordeuren van de woning hebben een minimale dagmaat van 85 cm. X X Alle deuren in de woning zijn doorgankelijk met een rollator (ongeveer 80 cm. dagmaat) X X Alle deuren in de woning hebben een minimale dagmaat van 85 cm. X Voldoende manoeuvreerruimte voor een rollator, zowel in de algemene ruimte als in de keuken, toilet, natte cel, slaapkamer. X X Voldoende manoeuvreerruimte voor een rolstoel, zowel in de algemene ruimte als in de keuken, toilet, natte cel en slaapkamer. X Geen niveauverschillen van meer dan 2 cm. in/om de woning, dus ook niet om de buitenruimtes te betreden (zoals balkon en tuin). X X Vlakke douchevloer aanwezig (evt. naast bad) X X Bedieningselementen (zoals doorspoelsysteem toilet, kranen, lichtschakelaars) bereikbaar vanuit rolstoel X Er dient een bergingsruimte aanwezig te zijn, incl. geaarde wandcontactdoos, geschikt voor het stallen van een elektrische rolstoel/ scootmobiel X Tabel Specificaties rollator-rolstoelgeschiktheid, per aanpassing/voorziening Maatwerkvoorzieningen om te komen tot beschreven basisuitrustingsniveau worden niet verstrekt. Er wordt verwacht dat de woningen in deze complexen bruikbaar zijn voor deze doelgroepen en deze voorzieningen dus aanwezig. Niet verhuisd naar de beschikbare meest adequate woningUitgangspunt is dat van de cliënt verlangd mag worden dat hij inspanningen verricht op het verkrijgen van een woning die voor hem adequaat is of naar de woning die het goedkoopst adequaat te maken is. Geen maatwerk-woonvoorziening wordt verstrekt indien de aanvraag verband houdt met een verhuizing en de cliënt niet verhuist of verhuisd is naar de voor hem op dat moment beschikbare meest geschikte woning. Uitzondering hierop is de situatie waarin het college schriftelijk toestemming heeft gegeven voor de verhuizing. Tevens kan van de cliënt worden verlangd dat hij zich in verband hiermee in een zo vroeg mogelijk stadium in verbinding stelt met de gemeente. Dit om het college zodoende de mogelijkheid te geven om na te gaan of er voor de cliënt (goedkopere) eveneens adequate oplossingen voorhanden zijn en te bepalen wat de meest adequate en zo goedkoop mogelijke oplossing is. Als het college een maatwerk-woonvoorziening wil weigeren omdat de cliënt niet naar de meest adequate woning is verhuisd, dient het college aannemelijk te maken dat er woningen beschikbaar waren die meer adequaat zijn dan de door de cliënt gekozen woning. Wanneer het laatste door het college aannemelijk is gemaakt, is het aan de cliënt om het tegendeel met controleerbare gegevens aannemelijk te maken. Bij een verhuizing naar een inadequate woning kan de cliënt wel in aanmerking komen voor een maatwerk-woonvoorziening als er geen adequate woning beschikbaar was ten tijde van de verhuizing. In dit geval kan van de cliënt wel worden verlangd dat hij naar een woning verhuist die het goedkoopst adequaat te maken is. Als de cliënt dit nalaat wordt geen maatwerk-woonvoorziening verstrekt. Voorzienbaarheid en onverwacht optredende noodzaakHet is voor gemeenten onder de Wmo 2015 wel mogelijk om een voorziening af te wijzen op de grond dat deze voorzienbaar was, mits deze voorzienbaarheid gebaseerd is op de beperkingen van de cliënt en er sprake is van de situatie van het betrekken van een ongeschikte woning (CRvB 15-05-2013, nr. 11/713 WMO). Onder de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt valt ook het rekening houden met zijn eigen situatie. Dat wil zeggen dat de cliënt, net zoals wanneer het gezin groeit, de cliënt zelf verantwoordelijk is voor het zoeken en verwerven van een grotere en passender woning. In de situatie van gezinsuitbreiding waardoor de geschikte woning te klein wordt kan gesproken worden van een voorspelbare/voorzienbare situatie. Het is de eigen verantwoordelijkheid deze consequentie in de afwegingen mee te nemen. Hetzelfde geldt bij het aanvaarden van een andere baan in een andere plaats, wanneer hiertoe geen strikte noodzaak was. 4.1.4Afschrijvingstermijn bouwkundige woonvoorzieningen De Wmo biedt geen ondersteuning in de vorm van een maatwerk-woonvoorziening wanneer de belemmering in het gebruik van de woning door de cliënt kan worden opgeheven in het kader van reguliere renovatie of door aanpassingen aan de eisen van de tijd. Dit daar dit als algemeen gebruikelijk kan worden aangemerkt. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de afschrijvingstermijn voor voorzieningen die in de sociale woningbouwsector wordt gehanteerd. Een voorbeeld hiervan is een cliënt die als gevolg van zijn beperkingen, belemmeringen in het gebruik van het bad ervaart. De belemmering kan alleen worden opgeheven door verwijdering van het bad en het realiseren van een gelijkvloerse douchehoek. Gebleken is echter dat de bad meer dan 20 jaar oud is en zodoende volledig is afgeschreven. De afschrijvingstermijn van een bad in de sociale woningbouwsector is 20 jaar. De kosten voor verwijdering van het bad en realiseren van een gelijkvloerse douchehoek zijn hiermee in beginsel algemeen gebruikelijk (Rechtbank 's Gravenhage 07-03-2012, nr. AWB 11/4293) (Rechtbank Leeuwarden 22-04-2010, ECLI:NL:RBLEE:2010:BM2693). Ook in een huurhuis kan sprake zijn van een algemeen gebruikelijke renovatie. De verhuurder is dan in beginsel verantwoordelijk voor de renovatie. In het geval de verhuurder niet meewerkt aan de renovatie zal het college de aanpassingen die noodzakelijk zijn op grond van de Wmo moeten verstrekken. Daarbij hoeft het college dan niet de gehele badkamer of keuken aan te passen maar alleen dat deel dat noodzakelijk is ter compensatie van de beperkingen. 4.1.5Geen noodzaak reeds gerealiseerde woonvoorziening Wanneer de cliënt voor de melding reeds op eigen kracht of met behulp van mantelzorg of personen uit zijn sociale netwerk een maatwerk-woonvoorziening heeft gerealiseerd, kan op het moment van aanmelding gesteld worden dat de cliënt op dat moment geen belemmeringen ondervindt waarvoor ondersteuning in de vorm van een maatwerk-woonvoorziening in het kader van de Wmo noodzakelijk is. Te denken valt hierbij aan een cliënt die volledig rolstoelafhankelijk is, waarvoor hij de douchehoek in de natte cel heeft laten aanpassen. Na realisatie hiervan meldt de cliënt zich met het verzoek om een maatwerk-woonvoorziening in de vorm van een aanpassing aan de natte cel in het kader van de Wmo. Er kan niet worden overgegaan tot verstrekking. Hierbij staat ook los dat een cliënt niet eerder op de hoogte is van de mogelijkheid om aanpassingen aan de natte cel in haar woning mogelijkerwijs via de Wmo vergoed te krijgen. De onbekendheid van een cliënt met de terzake geldende regeling komen voor diens eigen rekening en risico. 4.1.6Stalling (driewiel)fiets Een maatwerk-woonvoorziening wordt niet verstrekt in het kader van het stallen van een fiets of een driewielfiets. De stalling van een fiets of driewielfiets kan als algemeen gebruikelijk worden aangemerkt waar de cliënt zelf verantwoordelijk voor is. Reden hiervoor is dat de noodzaak voor de berging voor de stalling van de (driewiel)fiets ontbreekt en er geen sprake is van een rechtstreeks verband met het opheffen en verminderen van de beperkingen van de cliënt. 4.1.7Primaat van verhuizing Het primaat van verhuizen betekent dat het verstrekken van een voorziening voor verhuizing en inrichting voorrang heeft op andere woonvoorzieningen. Een voorziening voor verhuizing en inrichting is de financiële tegemoetkoming. De achterliggende gedachte bij het primaat van verhuizing is dat er zo efficiënt mogelijk met de beschikbare middelen en de woningvoorraad wordt omgegaan. Wanneer een maatwerkvoorziening noodzakelijk is om de belemmering in het gebruik van de woning op te heffen en/of te verminderen wordt eerst beoordeeld of een verhuizing naar een reeds geheel aangepast woning, of naar een goedkoper en makkelijker aan te passing woning een oplossing is. Voordat het college het verhuisprimaat toepast, moet een belangenafweging worden gemaakt tussen het aanpassen van de huidige woning of het verhuizen naar een andere woning (zie Rechtbank Groningen 30-03-2010, nr. AWB 09/1259 WMO en Rechtbank 's-Hertogenbosch 06-01-2011, nr. AWB 09/5150). Dat onderzoek betreft de beperkingen van de aanvrager, de bouw- en woontechnische kenmerken van zijn woning en alle andere relevante feiten en omstandigheden (CRvB 09-12-2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK6971 en CRvB 31-08-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR6619) Het is niet mogelijk een uitputtend overzicht te geven van alle mogelijke afwegingsfactoren die een rol kunnen spelen, omdat elke situatie van een cliënt weer anders is. Wel wordt hieronder in grote lijnen een overzicht gegeven van een aantal vaak voorkomende factoren, die afhankelijk van de situatie, een rol kunnen spelen bij de besluitvorming. Het primaat van verhuizen komt pas aan de orde wanneer uit onderzoek is gebleken dat de kosten die gemoeid zijn voor het adequaat maken van de woning een bedrag van € 4500,- te boven gaat. Om te bepalen of de kosten van het aanpassen van de woning boven deze grens uitkomen, wordt uitgegaan van de ten minste noodzakelijke woningaanpassingen zoals blijkt uit het onderzoek (CRvB 07-01-2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AF4528). Zijn de kosten van de gevraagde woonvoorziening lager dan dat bedrag, dan blijft het primaat van verhuizen buiten toepassing mits de woning aanpasbaar is. Met deze algemene uitgangspunten ontstaat de volgende uitvoeringspraktijk met het volgende afwegingskader. MantelzorgSociale omstandigheden waarmee rekening gehouden wordt, zijn de nabijheid van voor de cliënt belangrijke voorzieningen en de binding van de cliënt met de huidige woonomgeving. De aanwezigheid van vrienden, kennissen en familie in de nabijheid van de woning speelt met name een rol in het afwegingsproces indien er sprake is van niet uitstelbare/niet planbare (bijvoorbeeld toiletbezoek) en structurele mantelzorg. De sociale omstandigheden dienen in het onderzoek geobjectiveerd te worden. De sociale factor zal bij woningaanpassingen minder zwaar wegen, als dicht in de buurt van de huidige woning een geschikte of goedkoper aan te passen woning kan worden gevonden. Als de beoogde nieuwe woning dicht bij belangrijke voorzieningen, zoals winkels en werkplek is gelegen, zal dat ook de beslissing in de richting van verhuizen beïnvloeden, bijvoorbeeld omdat dan ook minder andere voorzieningen (bijvoorbeeld vervoer, zorg) nodig zijn. Als de cliënt zijn werk "aan huis" heeft (eigen bedrijf), worden de consequenties van verhuizing ook vanuit de bedrijfsmatige kant meegewogen. Snelle ondersteuningDe snelheid waarmee het woonprobleem kan worden opgelost speelt een rol in het afwegingsproces. Hierbij wordt altijd rekening gehouden met de prognose van de cliënt. In een aantal gevallen kan verhuizen het woonprobleem sneller oplossen, als er snel een geschikte aangepaste of eenvoudig adequaat te maken woning beschikbaar is. Omgekeerd kan het ook zo zijn dat het aanpassen van een woning een snellere oplossing biedt als er niet binnen een bepaalde tijd een geschikte woning vrij komt. Financiële overwegingen voor de gemeenteDe gemeente maakt een kostenafweging tussen het aanpassen van de huidige woonruimte enerzijds en verhuizen (inclusief eventuele aanpassingskosten in de nieuwe woonruimte) anderzijds. Daarbij worden de volgende kosten in elk geval meegenomen in de overwegingen: huidige en voorzienbare toekomstige aanpassingskosten van de reeds bewoonde woonruimte; kosten in de zin van kapitaalvernietiging vanwege eerder uitgevoerde woningaanpassingen of eerder verstrekte roerende woonvoorzieningen; de hoogte van de kosten voor maatwerk-woonvoorziening in het kader van verhuizen en (her) inrichten; eventuele aanpassingskosten van de nieuwe woning; kosten van het eventueel vrijmaken van de nieuwe woning. Deze situatie doet zich voor indien een medebewoner van een persoon met beperkingen verhuist nadat bewoning door de persoon met beperkingen beëindigd is en de medebewoner in de aangepaste woning is blijven wonen; een eventuele financiële tegemoetkoming voor huurderving. (Financiële) gevolgen voor de cliëntDe gemeente maakt een vergelijking tussen de woonlasten van de huidige en de mogelijke nieuwe woonsituatie. Als de cliënt eigenaar van de woonruimte is, zal een verhuizing of woningaanpassing andere gevolgen met zich meebrengen dan wanneer deze de woning huurt, met name in financiële zin. Een aantal aspecten zal pleiten voor het verkopen van de woning en verhuizen naar een huurwoning. Andere aspecten daarentegen zullen de balans naar het aanpassen van de eigen woning doen doorslaan. Alle relevante aspecten zullen bij de afweging door de gemeente in aanmerking worden genomen. Cliënt wil niet verhuizenCliënten kunnen indien het primaat van verhuizen wordt opgelegd, besluiten te blijven wonen in de huidige woning. Er bestaat dan de mogelijkheid om voor de maximale kosten voor maatwerk-voorzieningen in het kader van verhuizen en (her) inrichten in aanmerking te komen om zelf de woning volledig geschikt te maken volgens pakket van eisen opgelegd in een beschikking door het College. Wel moeten cliënten verantwoorden dat de aangebrachte aanpassingen daadwerkelijk de belemmeringen oplossen. De cliënt kan achteraf geen aanvullende aanvragen indienen indien deze vraag zicht richt op een probleem wat met de verhuizingvoorkomen had kunnen worden. 4.1.8losse woonunit Biedt een maatwerk-woonvoorziening geen adequate oplossing om de belemmering(
- en)op te heffen, dan zal beoordeeld moeten worden welke (bouwkundige) aanpassingen noodzakelijk zijn. Hierbij geldt het primaat van de losse woonunit indien dit een goedkopere en adequate oplossing biedt dan het verbouwen van de woning. Om van dit primaat gebruik te kunnen maken moet uiteraard de mogelijkheid tot het plaatsen van een losse unit bestaan. Onder een losse woonunit wordt een verplaatsbare unit verstaan die tijdelijk kan worden ingezet. Een losse woonunit kan een aantal voordelen hebben: Er is snel een adequate oplossing voorhanden Met name voor bijvoorbeeld cliënten met een snel progressief ziektebeeld kan snelheid van groot belang zijn. De losse woonunit kan worden hergebruikt Er is bij hergebruik geen sprake van kapitaalvernietiging. In principe zal de oplossing in de vorm van een losse woonunit gelijk zijn aan een aanbouw. Het verschil zal primair gelegen zijn in het gegeven dat de woning niet blijvend van een aanbouw voorzien zal zijn. Indien er sprake is van een verwachte tijdelijke noodzaak (minder dan vijf jaar) ligt het plaatsen van een losse unit meer voor de hand dan een aanbouw. Het inzetten van een losse woonunit is niet altijd goedkoper dan het verstrekken van een maatwerk- woonvoorziening in de vorm van een aanbouw. Bij de inzet van een unit dient naast de huur- of koopprijs rekening te worden geho