WelstandsnotaVoorwoord Het welstandstoezicht heeft in Nederland veelal een negatief imago gehad. Het werd subjectief, niet consequent of zelfs elitair gevonden. "De welstandscommissie keurt willekeurig plannen goed of af" werd vaak beweerd. En zo is het algemene beeld ontstaan van onbegrip voor welstandstoezicht, vaak nog versterkt door onduidelijkheid over de beoordelingsprocedure. Moet welstandstoezicht dan worden afgeschaft? Ik ben van mening van niet. De negatieve gevolgen daarvan zullen snel zichtbaar worden. Het is voor niemand acceptabel dat een mooi historisch pand verknoeid wordt door een aanbouw uit een catalogus. Het doet mij daarom genoegen u de welstandsnota van de gemeente Tholen te kunnen aanbieden. Een nota die gebruikt moet gaan worden als instrument in ons gezamenlijk streven om de kwaliteit van onze leefomgeving te bewaken. Als gevolg van de nieuwe woningwet moet elke gemeente 1 juli 2004 een welstandsnota hebben vastgesteld en hiermee gaan werken. Maar wat verandert er dan zoal? Een belangrijke wijziging is dat de vergaderingen van de welstandscommissie voortaan openbaar zijn. Iedereen die een bouwplan heeft ingediend mag de vergadering bijwonen en zelf tijdens de zitting zijn voorstel toelichten. Maar ook belangstellenden kunnen de welstandsvergaderingen bijwonen. Een ander groot verschil is dat men van te voren op kan zoeken waar men rekening mee moet houden bij een ontwerp van een bouwplan. In deze nota is een gebiedsindeling gemaakt van alle dorpen en het buitengebied. Daaraan is een welstandsniveau gekoppeld. Zo kan men zelf uitzoeken met welke toetsingscriteria men te maken heeft en waar het bouwplan uiteindelijk aan moet voldoen. Leggen we met deze nota ons welstandbeleid voor een lange termijn vast? Het antwoord hierop moet ontkennend zijn. Wanneer maatschappelijke ontwikkelingen en nieuwe gezichtspunten het praktisch werken met deze nota frustreren, zullen we de nota moeten en durven aan te passen. Ik ben ervan overtuigd, dat deze welstandsnota een positieve bijdrage zal leveren aan de bevordering van het begrip tussen de burger en welstandscommissie, aan de versoepeling van de beoordeling van bouwplannen en tevens een waardevolle bijdrage zal zijn aan een kwalitatief goede uitstraling van onze bebouwing . Een woord van dank, aan allen die op enigerlei wijze hun inbreng hebben gehad in het tot stand komen van deze welstandsnota, is dan ook zeker op zijn plaats. Wethouder W.C. van Kempen Gemeente Tholen, mei 2004 1Introductie De rust, de ruimte en het water. Dit zijn de kenmerken die zo typerend zijn voor de gemeente Tholen. Kwaliteiten waar de Tholenaren, met recht, trots op zijn en die ook moeten worden gekoesterd, zonder je ogen te sluiten voor vernieuwing. Met de invoering van de nieuwe Woningwet in januari 2003 dient een gemeente, indien zij een welstandsbeleid wil voeren, per 1 juli 2004 een welstandsnota te hebben vastgesteld. Zonder een gemeentelijke welstandsnota is er in de toekomst geen welstandstoezicht mogelijk. In de, door de gemeenteraad vast te stellen, welstandsnota zijn de procedures rondom de welstandstoetsing en de beoordelingscriteria vastgelegd. Burgemeester en wethouders en de welstandscommissie mogen hun oordeel uitsluitend baseren op deze welstandscriteria. Vooruitlopend op de welstandsnota heeft de gemeente Tholen een toekomstvisie ‘Bestemming Tholen’ opgesteld, waarin de gewenste ontwikkelingskoers is beschreven. Nieuwe ontwikkelingen verwelkomen, met respect voor het bestaande, betekent vaak keuzes maken. De gemeente Tholen heeft deze keuzes verwoord in een inzichtelijk beleid met eenduidige, heldere en concrete criteria: de welstandnota. De welstandsnota is niet zo zeer een verplichting voor de gemeente Tholen, maar vooral een mogelijkheid om de toekomstvisie op een praktische en inspirerende wijze om te zetten in een gewenste leefomgeving. Dit kan alleen wanneer de welstandsnota met veel zorg en enthousiasme is opgesteld, waarbij het belang van de gemeente Tholen en zijn inwoners steeds voorop staat. 1.1Doel van de nota De belangrijkste doelstelling van deze welstandsnota is om het maatschappelijk draagvlak voor de welstandszorg te vergroten. Door het proces van de welstandsbeoordeling en de toetsingscriteria duidelijk en inzichtelijk te maken, raken burgers, architecten en bestuurders meer betrokken bij het gemeentelijk welstandsbeleid. Dit welstandsbeleid van de gemeente Tholen is er op gericht om de dagelijkse leefomgeving van haar inwoners zo aantrekkelijk mogelijk te maken. Met de welstandsnota heeft de gemeente een instrument in handen om de schoonheid van de leefomgeving en kwaliteiten als de rust, de ruimte en het water te bewaken. De nota informeert initiatiefnemers en ontwerpers over de achtergronden en uitgangspunten die betrekking hebben op hun bouwplannen. Wanneer zij in een vroeg stadium bekend zijn met de gestelde criteria bij de welstandsbeoordeling, kunnen zij hiermee in het ontwerp rekening houden. Dit voorkomt teleurstellingen en irritatie bij alle betrokken partijen. De welstandsnota is in juridische zin een stelsel van beleidsregels. Bij geschillen rondom een uitspraak van de welstandscommissie biedt de nota voldoende handvatten voor een goede onderbouwing. Hiermee wordt een ongewenste verstoring van een aantrekkelijke leefomgeving voorkomen. Met het opstellen van deze welstandsnota en het vaststellen ervan vóór 1 juli 2004 voldoet de gemeente Tholen aan de verplichting die de nieuwe Woningwet heeft gesteld. De gemeente kan nu ook na 1 juli 2004 de ingediende bouwplannen toetsen aan redelijk eisen van welstand. 1.2Methodiek en totstandkoming van de welstandsnota De welstandsnota is globaal op te splitsen in twee delen: beleid en criteria. Het beleidsgedeelte vormt de basis voor het welstandstoezicht en beschrijft de relaties met andere ruimtelijke beleidsterreinen, de belangrijkste procedures en de organisatie van het welstandstoezicht in de gemeente Tholen. Het criteriagedeelte omvat enerzijds de welstandskaders waarin de hantering van de criteria, de welstandsniveaus en de beoordelingsaspecten omschreven worden en anderzijds de welstandscriteria zelf. Deze zijn onderverdeeld in algemene criteria, gebiedsgerichte criteria, criteria voor bijzondere bouwwerken en sneltoetscriteria voor veel voorkomende kleine bouwplannen. Om tot de criteria te komen, is de gemeente Tholen in kaart gebracht en omschreven op basis van gebiedstypering, welstandsniveaus en bijzondere bouwwerken. De welstandsnota is mede opgesteld aan de hand van de voor het welstandsbeleid van belang zijnde beleidsterreinen (Monumenten-, cultuurhistorische en ruimtelijke ordeningsbeleid) en planvormen (ruimtelijke ontwikkelingsplannen, bestemmingsplannen, groenstructuurplannen en plannen voor de inrichting van de openbare ruimte). Tevens is dankbaar gebruik gemaakt van de “Raamwerknota Welstandsbeleid” van Stichting Dorp, Stad & Land en het werkdocument “Naar een gemeentelijke welstandsnota”, opgesteld onder verantwoordelijkheid van De Rijksbouwmeester, de Federatie Welstand en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Bij het opstellen van deze welstandsnota zijn de verantwoordelijke afdelingen van de gemeente Tholen en Stichting Dorp, Stad & Land betrokken geweest. Zij hebben het tot stand komen van de nota begeleid, getoetst en daar waar nodig gestuurd. Op gezette tijden is de Raadscommissie geïnformeerd en geraadpleegd over de stand van zaken en inhoud. Om het draagvlak van deze welstandsnota te vergroten, is deze in concept ter visie aan de inwoners en belanghebbenden van de gemeente Tholen gelegd en is er een informatie- en inspraakbijeenkomst gehouden. 1.3Wijziging van de nota Vier jaar na inwerkingtreding is de welstandsnota aangepast. Bij de evalatie van de welstandsnota is gebleken dat er behoefte bestond aan verruiming van de welstandscriteria van bepaalde bouwwerken. Tevens zijn er criteria toegevoegd voor reclame-uitingen, de rol van de klankbordgroep is nader omschreven en zijn er enkele tekstuele wijzigingen doorgevoerd en onvolkomenheden aangepast. De aanpassingen zijn opgenomen in de eerste wijziging van de welstandsnota die in juni 2008 door de gemeenteraad is vastgesteld. 1.4Leeswijzer Deze welstandsnota dient als praktisch naslagwerk voor opdrachtgevers, architecten, bestuurders, leden van de welstandscommissie en andere belanghebbenden. De hoofdstukken 2 en 3 richten zich met name op het beleidsgedeelte. Hoofdstukken 4 tot en met 10 richten zich op het ‘criteria’-gedeelte. In hoofdstuk 1 wordt het hoe en waarom van de welstandsnota toegelicht. Hoofdstuk 2 geeft een beeld van de procedures en het beleid rondom de invoering van het nieuwe welstandsbeleid en de vaststelling van de welstandsnota. De organisatie van het welstandstoezicht wordt beschreven in hoofdstuk
- Hier komen de taken en de samenstelling van de welstandscommissie, het welstandsadvies en de handhaving van het welstandstoezicht aan de orde. In hoofdstuk 4 worden in hoofdlijnen de soorten criteria aangegeven en wanneer welke criteria gehanteerd dienen te worden. Tevens wordt uitgelegd waarom er welstandsniveaus zijn, welke niveaus er onderscheiden worden en welke beoordelingsaspecten bij de verschillende welstandsniveaus gehanteerd worden. Hoofdstuk 5 gaat dieper in op de algemene welstandscriteria, die ten grondslag liggen aan elke planbeoordeling en ook fungeren als vangnet voor plannen die buiten de overige criteria vallen. In hoofdstuk 6 zijn de gebiedsgerichte welstandscriteria vastgelegd. De gemeente Tholen is in de meest letterlijke zin in kaart gebracht door middel van een gebiedstypekaart en een welstandsniveaukaart. Beeldkarakteristiek, beleid en ontwikkeling worden per gebiedstype duidelijk gemaakt met beschrijvingen en foto’s. Door middel van waardebepaling per (deel)gebiedstype zijn de welstandsniveaus bepaald. De welstandscriteria voor bijzondere bouwwerken zijn in hoofdstuk 7 omschreven. Hiertoe zijn monumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en overige bijzondere bouwwerken op overeenkomstige wijze als hoofdstuk 6 omschreven. Hoofdstuk 8 behandelt de zogenaamde sneltoetscriteria voor veel voorkomende kleine bouwplannen. In hoofdstuk 9 wordt de regeling voor welstandsvrije bouwwerken beschreven. In hoofdstuk 10 zijn criteria geformuleerd die betrekking hebben op reclame-uitingen. In de bijlage, hoofdstuk 11, is een lijst met geraadpleegde literatuur en bronnen opgenomen. Tevens zijn de gebiedstypekaarten en de welstandsniveaukaarten als bijlage toegevoegd. 2Welstandsbeleid van de gemeente Tholen Hoofdstuk 2 beschrijft ten eerste de relatie tussen het welstandsbeleid en de andere ruimtelijke beleidsterreinen binnen de gemeente Tholen. De reikwijdte van de verschillende ruimtelijke beleidsterreinen en de verwevenheid met andere ruimtelijke beleidsterreinen worden toegelicht. Ten tweede worden in dit hoofdstuk de te volgen procedures met betrekking tot het welstandsbeleid toegelicht: vaststelling, uitvoering, aanvulling, evaluatie en aanpassing, en verslaglegging. 2.1Relatie tussen welstandstoezicht en andere ruimtelijke beleidsterreinen 2.1.1Inleiding : Welstandstoezicht in de huidige situatie De gemeente voert reeds lange tijd welstandstoezicht uit. Sinds 1992 zijn hiervoor algemene welstandscriteria opgenomen in de bouwverordening: ‘de aanvaardbaarheid van het bouwwerk in relatie tot de karakteristiek van de reeds aanwezige bebouwing, de openbare ruimte en de stedenbouwkundige context, de massa, materiaal, maat, schaal, detaillering en kleurstelling mede in verband met de samenhang in het bouwwerk zelf’. Welstandstoezicht is echter slechts een van de instrumenten die de gemeente ten dienste staan bij het voeren van ruimtelijk kwaliteitsbeleid. Om dit kwaliteitsbeleid effectief en praktisch hanteerbaar te maken is het zaak zorg te dragen voor een goede aansluiting tussen de verschillende instrumenten. Van elk instrument moet duidelijk zijn wat de reikwijdte is en hoe het is verweven met andere beleidsinstrumenten. 2.1.2Relatie met overig ruimtelijk kwaliteitsbeleid In het ruimtelijk kwaliteitsbeleid van een gemeente is het welstandstoezicht het ‘vangnet’, oftewel het instrument om de ondergrens van het aanvaardbare te bewaken. De hoogte van deze ondergrens hangt echter nauw samen met het ruimtelijk kwaliteitsbeleid dat de gemeente voert. In de gemeente Tholen zijn in dit opzicht de volgende beleidsterreinen en planvormen van belang: Monumentenbeleid en cultuur-historisch beleid; Ruimtelijk ordeningsbeleid; Ruimtelijke ontwikkelingsplannen: Masterplan (toekomstvisie “Bestemming Tholen” ), gemeentelijke structuurvisies, stedenbouwkundige visies, beeldkwaliteitplannen (vaak onderdeel van grotere ruimtelijke ontwikkelingsplannen); Bestemmingsplannen; Groenstructuurplannen; Plannen voor de inrichting van de openbare ruimte. 2.1.3Ruimtelijk beleid, stedenbouwkundige plannen, bestemmingsplannen Ruimtelijk beleid De gewenste ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente is vastgelegd in de toekomstvisie “Bestemming Tholen”. Deze toekomstvisie beschrijft primair de hoofdlijnen van het door de gemeente voorgestane lange termijn beleid voor de gebiedsontwikkeling, de “bestemming”, van de gemeente Tholen. Als zodanig is de toekomstvisie een leidend toetsingskader voor zowel gemeentelijke planontwikkeling als voor initiatieven van anderen. De planhorizon voor de toekomstvisie is
- De komende jaren zal een uitwerking van de toekomstvisie plaatsvinden in de vorm van deelnota's en/of concrete beleids- en uitvoeringsacties. Een eerste aanzet voor de uitwerking van de visie is gegeven in een bij deze toekomstvisie behorend rapport (Bestemming Tholen deel 2: kader voor de uitwerking). stedenbouwkundige plannen Stedenbouwkundige visies worden overwegend uitbesteed. Zij hebben vooral een globaal toetsende en strategische functie. De stedenbouwkundige visie legt een ambitieniveau neer voor welstand. Voor grotere ontwikkelingsplannen wordt naast een stedenbouwkundige visie ook een beeldkwaliteitplan opgesteld dat er met name erop gericht is de kwaliteit van de architectonische vormgeving te waarborgen. bestemmingsplannen In het kader van deze nota is vooral de relatie tussen bestemmingsplan en welstandscriteria van belang. Het bestemmingsplan regelt onder meer de functie en het ruimtebeslag van bouwwerken voor zover dat nodig is voor een goede ruimtelijke ordening. Datgene dat door het bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt kan niet door welstandscriteria worden tegengehouden. De architectonische vormgeving van bouwwerken valt buiten de reikwijdte van het bestemmingsplan en wordt exclusief door de welstandsnota geregeld. Welstandscriteria kunnen waar nodig de ruimte die het bestemmingsplan biedt invullen ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit. Het welstandsadvies kan zich dan richten op de gekozen invulling binnen het bestemmingsplan. In een situatie waarin een bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan, maar het bestemmingsplan eveneens ruimte biedt voor alternatieven, kan een negatief welstandsadvies worden gegeven als de gekozen stedenbouwkundige of architectonische oplossing te sterk afbreuk doet aan de ruimtelijke beleving van het betreffende gebied. Uiteraard levert de welstandsnota in zo’n geval de argumentatie. 2.1.4Welstandszorg en architectuurbeleid In de welstandsnota kan worden verwezen naar welstandscriteria uit andere beleidsdocumenten, zoals beeldkwaliteitplannen. Dergelijke documenten worden daardoor geacht deel uit te maken van de welstandsnota. Uiteraard gelden voor deze documenten dezelfde eisen als voor de welstandsnota: vaststelling in de vorm van beleidsregels door de gemeenteraad, inspraak conform de gemeentelijke inspraakverordening en welstandscriteria die 'zo veel mogelijk' zijn toegespitst op het individuele bouwwerk en die specifieke aspecten van het bouwwerk normeren. De aanwezige beeldkwaliteitplannen zullen daarmee onderdeel gaan vormen van het welstandsbeleid in de gemeente en worden gebruikt in het kader van de welstandstoets. Bij de gebiedsgerichte welstandscriteria wordt een verwijzing naar de beeldkwaliteitplannen opgenomen en deze worden beschouwd als bijlagen bij de welstandsnota. Beeldkwaliteitplannen zijn opgesteld voor de uitbreidingsplannen “Stadszicht” (Tholen), “Welhoek” (Oud-Vossemeer), “Graefnisse” (Sint Philipsland), “Vroonstede” (Sint-Annaland), “Muyepolder” (Sint-Maartensdijk) en “Poststraat Zuid” (Stavenisse). 2.1.5Monumentenbeleid en cultuurhistorie Het monumentenbeleid van de gemeente Tholen heeft als doelstelling het behoud van de cultuurhistorische waarden en het versterken van de identiteit van de gemeente. Aandachtspunten zijn naast monumenten, historisch belangwekkende omgevingen en archeologische vindplaatsen ook bouwhistorisch onderzoek, jongere bouwkunst, historische interieurs en historisch groen. De bijbehorende beleidsinstrumenten zijn in de monumentenwet 1988 en de Monumentenverordening Tholen 1995 vastgelegd. De gemeente heeft totaal 150 rijksmonumenten en kent 2 door het Rijk aangewezen beschermde stads- en dorpsgezichten. Het betreft “Stadskern Tholen” en “Kom Sint- Maartensdijk”. Deze gebieden zijn beide aangewezen in
- Aanvragen voor omgevingsvergunning voor het bouwen die advisering behoeven door de monumentencommissie worden door het voor Tholen gemandateerd lid van de welstandscommissie doorgeleid naar de monumentencommissie. De monumentencommissie is een onafhankelijk adviesorgaan, dat gevraagd en ongevraagd het gemeentebestuur kan adviseren. Onderdeel van de vergaderingen zijn de planbeoordelingen voor wijzigingen aan rijks- en gemeentelijke monumenten. De monumentencommissie adviseert verder over allerlei beleidszaken met betrekking tot de gemeentelijke monumentenzorg. Voor Tholen is een geïntegreerde welstands/monumentencommissie werkzaam. Ten behoeve van behandeling van zaken die advisering door een monumentencommissie vereisen heeft in deze commissie een deskundige op het gebied van monumentenzorg zitting. 2.1.6Openbare ruimte Het opstellen van inrichtingsplannen wordt veelal uitbesteed, de uitvoering en het beheer geschieden overwegend door de gemeentelijke diensten. Uit oogpunt van integrale ruimtelijke kwaliteitszorg wordt de welstandscommissie bij de opzet van deze plannen betrokken. Immers straatmeubilair, verlichting, verharding en verkeersmiddelen maken integraal onderdeel uit van de beleving van ruimtelijke kwaliteit in de gemeente. 2.1.7Gemeentelijk groen De gemeente voert een actief beleid ten aanzien van groenstructuren, parken en bomen. In dat kader worden groenstructuurplannen opgesteld en maakt de gemeente gebruik van de door de Nederlandse Bomenstichting jaarlijks uitgevoerde inventarisatie van monumentale bomen. Uit oogpunt van integrale ruimtelijke kwaliteitszorg wordt de welstandscommissie bij de opzet van groenstructuurplannen betrokken. 2.1.8Landschap In de toekomstvisie “Bestemming Tholen” zijn aanknopingspunten te vinden voor de ontwikkeling van een Thools landschapsbeleid. De toekomstvisie wil de ruimtelijke kernkwaliteiten Rust en Ruimte behouden en versterken en bijvoorbeeld bedrijfsterreinen landschappelijk beter in passen. Ook moet de mogelijkheid onderzocht worden van het (nieuw) realiseren van natuurgebieden. Daarnaast worden ook gedachten uitgesproken over het recreatief medegebruik van het agrarische landelijk gebied. Hoewel het behoud van de agrarische functie daarbij centraal staat, kan hierdoor toch spanning ontstaan tussen de verschillende componenten van deze ontwikkelingsrichting. Recreatief medegebruik legt extra druk op het buitengebied en kan leiden tot een sluipende verstedelijking van dit gebied waarbij de cultuurhistorisch waardevolle bebouwing langzaam verdwijnt of wordt aangetast. Om die reden moeten cultuurhistorische aspecten een rol spelen bij de welstandsbeoordeling van ingrepen in het buitengebied. Tot nu toe beoordeelt de welstandscommissie vooral het uiterlijk aanzien van de gebouwen als zodanig. Op het niveau van de kavel (lokalisatie) vindt een marginale beoordeling plaats, op het niveau van de structuur van het landschap vindt tot op dit moment nagenoeg geen beoordeling plaats. 2.2Vaststelling en evaluatie van het welstandsbeleid 2.2.1Vaststelling door de gemeenteraad Met de nieuwe Woningwet wordt een gemeentelijke welstandsnota een voorwaarde voor het uitvoeren van welstandstoezicht. Na vaststelling van de welstandsnota door de gemeenteraad kan de welstandsbeoordeling alleen nog worden gebaseerd op de criteria die in de welstandsnota zijn genoemd. Wijzigingen en aanvullingen na vaststelling van de welstandsnota worden ook door de gemeenteraad vastgesteld. Voor dergelijke aanpassingen is de gemeentelijke inspraakverordening van kracht. 2.2.2Uitvoering van welstand door B&W In de welstandsnota zijn de ‘redelijke eisen van welstand’ op een concrete en heldere wijze in gebieds- of objectgerichte criteria gevat. Deze criteria vormen een stelsel van beleidsregels waarbinnen de welstandscommissie het college van burgemeester en wethouders adviseert. De nieuwe Woningwet verplicht burgemeester en wethouders om omgevings- vergunningplichtige bouwwerken te toetsen aan de welstandscriteria, zoals deze zijn opgenomen in de welstandsnota. Daarvoor wordt advies gevraagd aan een onafhankelijke welstandscommissie. B&W zijn verantwoordelijk voor het besluit om de vergunning te verlenen. Binnen 8 weken moeten B&W op de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor bouwen een beslissing hebben genomen. Omgevingsvergunningsplichtige bouwwerkenworden door een gemandateerd ambtenaar van Bouw- en Woningtoezicht getoetst aan de ‘sneltoetscriteria’. Omgevingsvergunningsplichtige bouwwerken die niet voldoen aan deze sneltoetscriteria, maar toch een kwalitatief goede aanvulling op de bestaande situatie lijken te vormen, alsmede omgevingsvergunningsplichtige bouwwerken aan of nabij een monument of binnen de beschermde stadsgezichten die voldoen aan de sneltoetscriteria worden voor advies aan een welstandscommissie voorgelegd. 2.2.3Aanvulling, evaluatie en aanpassingen op de welstandsnota Na vaststelling van de welstandsnota zal de werking ervan jaarlijks in de gemeenteraad worden geëvalueerd. Naar aanleiding van deze evaluatie kan de gemeenteraad besluiten dat aanpassing van de welstandsnota noodzakelijk is. Voor dergelijke aanpassingen is de gemeentelijke inspraakverordening van kracht. Artikel 12b lid 3 van de Woningwet verplicht de welstandscommissie om eenmaal per jaar de gemeenteraad een verslag van de door haar verrichte werkzaamheden voor te leggen. In het verslag wordt tenminste uiteengezet op welke wijze zij toepassing heeft gegeven aan de welstandscriteria. Na vaststelling van de welstandsnota kan de gemeenteraad ook tussentijds aanvullingen op de welstandsnota vaststellen. Dit is vooral het geval bij de grotere nieuwe projecten waarbij de welstandscriteria tezamen met de stedenbouwkundige planvoorbereiding worden opgesteld. Voor dergelijke aanvullingen geldt dat de inspraak wordt gekoppeld aan de reguliere inspraakregeling bij de stedenbouwkundige planvoorbereiding. 2.2.4Verslag burgemeester en wethouders Artikel 12c van de Woningwet verplicht B&W om tenminste eenmaal per jaar verslag aan de gemeenteraad uit te brengen over de wijze waarop zij met hun verantwoordelijkheid voor het uitoefenen van het welstandstoezicht zijn omgegaan. Het rapport beschrijft de wijze waarop burgemeester en wethouders zijn omgegaan met de welstandsadviezen. Daarnaast dient te worden aangegeven in welke categorieën van gevallen B&W de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen die voldoet aan de sneltoetscriteria niet aan de welstandscommissie hebben voorgelegd en op welke wijze zij in die gevallen invulling hebben gegeven aan de welstandscriteria. Verder wordt gerapporteerd in welke categorieën van gevallen B&W tot aanschrijving op grond van ‘ernstige strijdigheid met redelijke eisen van welstand’ (artikel 19 Ww) zijn overgegaan en of zij na die aanschrijving zijn overgegaan tot bestuursdwang. Ook wordt in dit verslag melding gemaakt van het aantal malen dat burgemeester en wethouders gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid om de beslistermijn te verdagen (Ww artikel 46 lid 8). 3De organisatie van welstandstoezicht Dit hoofdstuk beschrijft de organisatie van welstandstoezicht in de gemeente Tholen. In de eerste paragraaf worden de samenstelling, taken en overlegvormen van de welstandscommissie uitgelegd. De tweede paragraaf gaat in op de verschillende soorten advies, die de welstandscommissie kan uitbrengen. En in de derde, vierde en vijfde paragraaf worden respectievelijk de handhaving van welstandstoezicht door de gemeente, de integrale welstands-monumentenadvisering en de indieningsvereisten voor beoordeling door de welstandscommissie beschreven. 3.1De welstandscommissie 3.1.1Inleiding De bouwverordening van de gemeente Tholen bevat, volgens artikel 8 lid 6 Ww, voorschriften omtrent de samenstelling, inrichting en werkwijze van de welstandscommissie. 3.1.2Benoeming en samenstelling van de welstandscommissie Burgerleden in de commissie De gemeente Tholen maakt gebruik van de mogelijkheid die de Woningwet biedt om een burgerlid op te nemen in de welstandscommissie. Het burgerlid heeft zitting in de welstandscommissie. Om een grotere maatschappelijke betrokkenheid te krijgen hebben burgers ook de mogelijkheid om de openbare welstandszittingen bij te wonen. Klankbordgroep Naast het burgerlid stellen B & W een klankbordgroep samen, waarin minimaal drie en maximaal 5 burgers van verschillende maatschappelijke groeperingen zitting kunnen nemen. Jaarlijks, tot tenminste drie jaar na inwerkingtreding van deze welstandsnota, betrekt de gemeente Tholen deze klankbordgroep bij de evaluatie van het welstandsbeleid. Van de klankbordgroep wordt verwacht dat zij vanuit hun achterban knelpunten en/of verbeterpunten, of opmerkingen aandragen ten aanzien van het welstandsbeleid. Jaarlijks wordt er, in het kader van de evaluatie van het welstandsbeleid, overleg gehouden, waarin de klankbordgroepleden knel- en/of verbeterpunten aandragen, die vanuit hun achterban naar voren zijn gekomen. De taken van de klankbordgroep zijn als volgt vastgestled: inventariseren ervaringen met welstandscommissie en welstandsbeleid aandragen van verbeterpunten De klankbordgroepleden krijgen het verslag van het 2-wekelijks overleg van de welstandscommissie toegestuurd en zijn vrij om zowel het openbare gedeelte als het niet openbare gedeelte van de commissievergaderingen bij te wonen. Samenstelling welstandscommissie De welstandscommissie heeft zitting in het gemeentehuis van Tholen en bestaat uit drie personen, te weten twee deskundigen op het terrein van architectuur, stedenbouw en/of aanverwante vakgebieden van de Stichting Dorp Stad en Land en een ingezetene van de gemeente Tholen, als burgerlid. De commissie kiest uit haar leden een voorzitter en een secretaris. Bij afwezigheid van twee of meer leden treden plaatsvervangers op. Het burgerlid heeft geen plaatsvervanger. De leden zijn onafhankelijk van het gemeentebestuur en de gemeentelijke organisatie. Er bestaan geen bindingen of relaties op basis waarvan het advies over de welstandsaspecten wordt beïnvloed. De welstandscommissie beoordeelt alle omgevingsvergunningaanvragen voor het bouwen die niet aan de sneltoetscriteria voldoen. De welstandscommissie brengt advies uit aan het college van burgemeester en wethouders. De integrale monumenten- en welstandscommissie adviseert in het geval van wijzigingsplannen voor monumenten en bouwplannen binnen de beschermde stadsgezichten. Deze commissie bestaat uit de welstandscommissie aangevuld met een monumentendeskundige van de Stichting Dorp Stad en Land. De monumentendeskundige en zijn/haar plaatsvervanger worden eveneens door het college benoemd. De integrale commissie brengt bij wijzigingsplannen voor monumenten een advies uit, waarin zowel de aspecten op grond van de Woningwet (welstandsbeleid), als aspecten op grond van de Monumentenwet 1988 en gemeentelijke en provinciale monumentenverordeningen worden betrokken. In het geïntegreerde advies komt duidelijk naar voren welke aspecten betrekking hebben op welstand en welke op de aanvraag om monumentenvergunning. De commissie forumuleert één gezamenlijke conclusie. De welstandscommissie kan slecht adviezen uitbrengen indien minimaal twee leden aanwezig zijn. Voor de behandeling van monumentenplannen is daarnaast altijd de aanwezigheid van de monumentendeskundige of zijn/haar vervanger vereist. Benoeming van de commissieleden De welstandscommissie is volgens artikel 1 lid 1r Ww een door de gemeenteraad benoemde commissie van onafhankelijke deskundigen. De bevoegdheid van de raad tot het benoemen en ontslaan van leden van de welstandscommissie is bij besluit van 21 oktober 2004 gedelegeerd aan het college van burgemeester en wethouders. De leden van de welstandscommissie worden benoemd voor een periode van drie jaar, met de mogelijkheid van verlenging van nog eens drie jaar. Plaatsvervangende leden worden voor onbepaalde tijd benoemd. Bij de benoeming van een plaatsvervangend lid tot vast commissielid gaat de eerste benoemingstermijn van drie jaar in. 3.1.4Taakomschrijving De welstandscommissie is belast met zowel wettelijk als niet wettelijk verplichte taken. De wettelijke taken van de welstandscommissies worden uitgevoerd op grond van de Woningwet, de Monumentenwet 1988 en provinciale en gemeentelijke monumentenverordeningen. De welstandscommissie is beleidsmatig gebonden aan het gemeentelijk welstandsbeleid, zoals dat is vastgelegd in deze welstandsnota. De belangrijkste wettelijke taak is de toetsing van vergunningplichtige bouwwerken. Hiertoe brengt de welstandscommissie advies uit aan burgemeester en wethouders over de welstandsaspecten van omgevingsaanvragen voor het bouwen als bedoeld in artikel 44, eerste lid onder d van de Woningwet. De welstandscommissie baseert haar advies op de in de welstandsnota genoemde welstandscriteria. De integrale monumenten- en welstandscommissie adviseert in het geval van wijzigingsplannen voor monumenten en bouwplannen binnen de beschermde stads- en dorpsgezichten. De tweede wettelijke taak van de welstandscommissie is het opstellen van een jaarlijks verslag aan de gemeenteraad over de verrichte werkzaamheden (art. 12b lid 3 Ww). Naast de statistische gegevens over de hoeveelheid uitgebrachte welstandsadviezen, staat hierin ook omschreven hoe de commissie de welstandscriteria heeft toegepast. Een niet wettelijk verplichte taak van de welstandscommissie is het voeren van vooroverleg met betrokkenen van een bouwplan. Daarnaast kan de welstandscommissie worden gevraagd burgemeester en wethouders te adviseren over de welstandsaspecten van in voorbereiding zijnde structuurplannen, bestemmingsplannen, beeldkwaliteitplannen, stedenbouwkundige plannen en andere relevante beleidsstukken. De welstandscommissie beoordeelt alle omgevings-vergunningplichtige bouwplannen aan of nabij monumenten of binnen de beschermde stadsgezichten en de omgevings-vergunningplichtige bouwwerken die niet voldoen aan de sneltoetscriteria, maar toch een kwalitatief goede aanvulling op de bestaande situatie lijken te vormen. Taken voorzitter De voorzitter is verantwoordelijk voor het functioneren van de grote commissie en de kwaliteit van de advisering. Hij ziet erop toe dat de commissie adviseert op basis van de, in de welstandsnota gestelde, criteria. De voorzitter leidt de discussie en geeft alle commissieleden de gelegenheid hun mening naar voren te brengen. Hij zorgt ervoor dat een voor alle aanwezigen korte en heldere samenvatting wordt gegeven op basis waarvan de secretaris het schriftelijke advies kan opstellen. De voorzitter bewaakt verder de voortgang van de agenda en treedt op als gastheer voor de aanwezige opdrachtgevers, architecten en overige belangstellenden. Bij het overleg met de gemeenten (bestuurders en ambtenaren) en met de pers treedt de voorzitter namens de commissie naar buiten. 3.1.5Openbaarheid Voor wat betreft de formele omgevingsvergunningaanvragen vindt zowel de grote als de middelgrote commissievergadering in openbaarheid plaats. Op verzoek van de aanvrager en de gemeente kan hiervan, om redenen die in de Wet Openbaarheid van Bestuur, artikel 10 vermeld staan, van worden afgeweken. Belanghebbenden (aanvrager en architect ) kunnen op verzoek in gelegenheid worden gesteld om in de middelgrote en grote commissie een toelichting te geven op hun plan of een toelichting te verkrijgen op het advies. Dit dient van tevoren te worden gemeld bij de afdeling Bouw- en Woningtoezicht. Belangstellenden kunnen de vergadering van de welstandscommissies bijwonen op de publieke tribune. Zij hoeven daarvoor geen afspraak te maken. Belangstellenden hebben geen spreekrecht. In zeer bijzondere situaties kunnen burgemeester en wethouders de welstandscommissie vragen om belangstellenden te horen, voorafgaand aan de planbeoordeling. 3.1.6Vooroverleg De gemeente Tholen biedt ontwerpers en planindieners de mogelijkheid om, voorafgaand aan de formele omgevingsvergunningaanvraag voor het bouwen, vooroverleg te plegen met de welstandscommissie over de interpretatie van de welstandscriteria in het concrete geval van hun bouwplan. Dit vooroverleg vindt niet in openbaarheid plaats. De volgende zaken dienen te worden aangeleverd: situatieschets inclusief aansluitende terreinen (minimaal schaal 1:1000), foto’s van de bestaande situatie en de omgeving, bij verbouwingsplannen tevens schetsen van bestaande plattegronden, doorsneden en gevelaanzichten (minimaal schaal 1:100). Bij grote projecten kan de welstandscommissie een werkmaquette van het bouwwerk en zijn omgeving vragen om de schaal en massa te kunnen beoordelen. Met het preadvies wordt verslag uitgebracht van het vooroverleg en eventueel gemaakte afspraken vastgelegd. 3.1.7Stedenbouwkundige supervisie Bij stedenbouwkundige planontwikkelingen kan, naar het oordeel van burgemeester en wethouders, een supervisor worden aangesteld. Om de ruimtelijke kwaliteiten van het plangebied te bewaken begeleidt de supervisor initiatiefnemers. Hij informeert hen in een vroeg stadium van de planvorming over de criteria die bij de planbeoordeling worden gesteld. 3.2Het welstandsadvies 3.2.1Schriftelijk advies Het advies van de welstandscommissie aan burgemeester en wethouders wordt altijd schriftelijk uitgebracht. Het geeft aan of 'het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of een standplaats, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan' (art. 12 lid 1 Ww ), niet is strijd is met redelijke eisen van welstand. Dit wordt beoordeeld aan de hand van de criteria zoals opgenomen in de welstandsnota. Alle adviezen worden schriftelijk gemotiveerd. Een behandeling van een plan in de grote of kleine commissie kan de volgende uitkomst hebben: aanhouden preadvies niet strijdig niet strijdig mits strijdig tenzij strijdig aanvullend advies 3.2.2Aanhouden De welstandscommissie kan het advies aanhouden wanneer meer informatie of een toelichting van de ontwerper of aanvrager gewenst of noodzakelijk is. 3.2.3Preadvies Voorafgaand aan een formele adviesaanvraag kan de ontwerper of aanvrager verzoeken om een vooroverleg. Van dit vooroverleg wordt middels een preadvies een notitie gemaakt. Indien in het vooroverleg een plan ter sprake komt dat afwijkt van de gebiedsgerichte criteria maar niettemin niet strijdig is met de redelijke eisen van welstand volgens de algemene criteria, dan zal dit expliciet in het preadvies worden vermeld, zodat het college zich daar een zelfstandig oordeel over kan vormen. 3.2.4Niet strijdig De welstandscommissie adviseert positief aan B & W omdat het plan volgens de van toepassing zijnde welstandscriteria niet strijdig is met de redelijke eisen van welstand. De commissie legt haar advies vast in een notitie. Eventueel geeft de commissie nog suggesties om het plan te verbeteren. Formeel gezien is het bouwplan dan echter akkoord. 3.2.5Niet strijdig mits Een ‘niet strijdig mits’ houdt in dat de hoofdopzet en de plaatsing van de bouwmassa voldoen aan redelijke eisen van welstand. Het plan vraagt nog om een nadere uitwerking of tegen de voorgelegde uitwerking bestaan op grond van de criteria nog bezwaren. Het ‘mits’ kan niet als voorwaarde worden opgenomen in de omgevingsvergunning voor het bouwen. Na een ‘niet strijdig mits’ wordt een gewijzigd of nader uitgewerkt plan altijd opnieuw aan de welstandscommissie voorgelegd. 3.2.6Strijdig tenzij Een 'strijdig tenzij' houdt in dat het plan strijdig is met de toetsingscriteria uit de welstandsnota, tenzij wordt voldaan aan de voorwaarden zoals de welstandscommissie die heeft geformuleerd. De commissie geeft nauwkeurig aan welke onderdelen van het plan gewijzigd moeten worden. De aanvrager krijgt vervolgens de gelegenheid zijn plan aan te passen. B & W kan ook besluiten om de voorwaarden van het welstandsadvies op te nemen in de omgevingsvergunning voor het bouwen. 3.2.7Strijdig De commissie is van oordeel dat het bouwplan strijdig is met de redelijke eisen van welstand. Een negatief welstandsadvies betekent dat een bouwplan ingrijpend moet worden gewijzigd. Adviseert de commissie negatief, dan geeft ze een nauwkeurige schriftelijke motivering. Deze bevat een korte omschrijving van het ingediende plan, een verwijzing naar de van toepassing zijnde welstandscriteria en een samenvatting van de beoordeling van het plan op die punten. 3.2.8Aanvullend advies Als er na een advisering een gesprek in de commissie volgt, dan wordt het verslag van dit gesprek, in geval van een negatief advies (strijdig met redelijke eisen van welstand), opgesteld door de secretaris, als aanvulling op het eerdere gegeven advies. Een aanvullend advies zal ook gegeven worden als het college om een nadere motivering of schriftelijke toelichting op het eerdere advies verzoekt. 3.2.9Afwijken van welstandsadvies Burgemeester en wethouders volgen in hun oordeel in principe het advies van de welstandscommissie. Daarop zijn echter een aantal uitzonderingsmogelijkheden. Afwijken van het advies op inhoudelijke grond / second-opinion: Burgemeester en wethouders kunnen op inhoudelijke grond afwijken van het advies van de welstandscommissie, indien de commissie, naar oordeel van B&W, de van toepassing zijnde criteria niet juist heeft geïnterpreteerd, of niet de juiste criteria heeft toegepast. Burgemeester en wethouders vragen in dat geval een second-opinion aan bij een andere adviescommissie. Het advies van deze commissie speelt een zware rol bij de verdere oordeelsvorming van burgemeester en wethouders. Indien het advies van de reguliere commissie en de second-opinion tegengesteld zijn en burgemeester en wethouders op inhoudelijke grond afwijken van het advies van de welstandscommissie wordt dit in de beslissing op de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen gemotiveerd. De welstandscommissie wordt hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld. Afwijken van het advies om andere redenen Burgemeester en wethouders krijgen volgens artikel 44 lid 1 d Ww de mogelijkheid om bij het in strijd zijn van een bouwplan met redelijke eisen van welstand, toch de omgevingsvergunning voor het bouwen te verlenen indien zij van oordeel zijn dat daarvoor andere redenen zijn, bijvoorbeeld van economische of maatschappelijke aard. Deze afwijking wordt in de beslissing op de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen gemotiveerd. De welstandscommissie wordt hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld. Burgemeester en wethouders van de gemeente zullen uiterst terughoudend zijn met het gebruik van deze mogelijkheid omdat bij een juridische afweging door een rechter de ruimtelijke kwaliteit niet snel ondergeschikt wordt geacht aan economische of maatschappelijke belangen. Afwijken van de criteria De welstandscommissie kan bij haar advisering niet afwijken van het welstandsbeleid. Echter bij bouwplannen die weliswaar niet voldoen aan enige gebiedsgerichte of objectgerichte welstandscriteria, maar die niet strijdig zijn met redelijke eisen van welstand, kan de commissie door middel van een schriftelijke motivatie B & W adviseren toch een positief welstandsoordeel uit te brengen op basis van de algemene welstandscriteria. De mogelijkheid voor burgemeester en wethouders om af te wijken van vastgestelde welstandscriteria wordt aangeduid als de hardheidsclausule. Voor toepassing van de hardheidsclausule hanteert B&W de volgende algemene formulering: “Het uiterlijk en plaatsing van een bouwwerk of standplaats is (niet) in strijd met redelijke eisen van welstand – beoordeeld naar de criteria, conform art. 12 van de Woningwet en verwoord in de door de gemeente vastgestelde welstandsnota – indien burgemeester en wethouders daartoe op basis van een gemotiveerd advies besluiten.” Deze situatie kan zich voordoen wanneer een bouwplan (niet) strijdig is met de, in de welstandsnota gestelde criteria, maar toch, naar het oordeel van de welstandscommissie, (niet) strijdig is met redelijke eisen van welstand. De commissie dient daarbij te motiveren waarom afwijking van het gestelde criterium verantwoord is. 3.2.10Indienen van bezwaar Belanghebbenden kunnen binnen zes weken bezwaar indienen tegen de beslissing van burgemeester en wethouders op de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen. Belanghebbenden zijn in de regel de planindiener en de direct omwonenden. In de bezwaarschriftenprocedure heroverwegen burgemeester en wethouders het besluit, nadat belanghebbenden tijdens een hoorzitting hun standpunten nader hebben kunnen toelichten. Belanghebbenden die het met de heroverweging niet eens zijn, kunnen hiertegen in beroep gaan. Eventueel kunnen de planindiener en/of de ontwerper een toelichting door de welstandscommissie vragen. Op grond van de voor- en tegenargumenten kan de welstandscommissie het advies herzien. Deze herziening wordt in het uiteindelijke advies gemotiveerd. 3.3Handhaving welstandstoezicht De gemeente Tholen geeft met deze welstandsnota regels voor het welstandstoezicht en zal zich inspannen voor de naleving daarvan. De gemeente zal prioriteit geven aan het handhavingsbeleid en illegale bouwwerken of gebruik dat strijdig is met het bestemmingsplan actief opsporen en daar tegen optreden. De gemeente Tholen heeft een Handhavingsnota opgesteld, waarin het handhavingsbeleid uiteengezet is. 3.3.1Excessenregeling De Woningwet (artikel 13a) biedt het college van burgemeester en wethouders de mogelijkheid om repressief (achteraf) tegen excessen op te treden. Bij een exces gaat het altijd om een ernstige ontsiering van een bouwwerk of een gedeelte daarvan in relatie tot de omgeving. Voor de gemeente geldt het criterium dat er sprake moet zijn van een buitensporigheid (exces) in het uiterlijk die ook voor niet-deskundigen duidelijk is. Een exces is "in ernstige mate strijdig met redelijke eisen van welstand". De excessenregeling is gebaseerd op artikel 12 lid 1, artikel 12a en artikel 13 van de Woningwet. De excessenregeling is niet bedoeld om de plaatsing van het bouwwerk tegen te gaan. Indien sprake is van ernstige mate van strijdigheid met redelijke eisen van welstand kan tot aanschrijving door burgemeester en wethouders worden besloten. Indien er door de gemeente besloten wordt tot aanschrijving zal de welstandscommissie en/of de monumentencommissie verzocht worden het bouwwerk in een gemotiveerd advies te beoordelen op uiterlijk en plaatsing. Bij wijzigingen aan een monument kan zowel de schade aan het gebouw en/of aan de monumentale waarden gewogen worden alsook een beoordeling op welstandsgronden plaatsvinden. In een gebied met een hoog welstandsniveau, zoals de beschermde stadsgezichten, zal eerder sprake zijn van een exces dan in een gebied met een laag niveau. De excessenregeling geldt ook voor vergunningsvrije bouwwerken. Onderstaande criteria worden gehanteerd in samenhang met de algemene welstandscriteria en eventueel de gebiedsgerichte criteria, de criteria bijzondere bouwwerken en de criteria voor reclame uitingen. Van een exces (ernstige ontsiering) kan onder meer sprake zijn indien: een bouwwerk of een gedeelte daarvan in extreme staat van verwaarlozing verkeert; een bouwwerk of een gedeelte daarvan door het gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren en/of versieringen van de gevel, de samenhang van het (straat-) beeld verstoort; er op het bouwwerk niet bij het bouwwerk en/of zijn omgeving passende kleuren of schilderingen zijn aangebracht; er te opdringerige reclames zijn; een bouwwerk zich visueel of fysiek afsluit voor zijn omgeving en/of landschap en/of een perceel en/of ander bouwwerk (kan bijvoorbeeld het geval zijn bij gesloten/niet doorzichtige erfafscheidingen en dichtgezette gevelelementen enz.); een bouwwerk of gedeeltelijk is afgebrand, ingestort, en/of gesloopt; er door gedeeltelijke afbraak, instorting verwaarlozing of het ritme in de gevel (-wand) is verstoord; het bouwwerk aan de buitenzijde geheel of gedeeltelijk in ernstige mate is beschadigd; bij aanpassing van een bouwwerk architectonische bijzonderheden worden/zijn vernietigd danwel ontkend (onzorgvuldig zijn bijvoorbeeld het ontkennen of vernietigen van architectonische bijzonderheden door bijvoorbeeld het plaatsen van reclame voor ramen of het deels wegbreken van siermetselwerk en lijsten); er inferieur (armoedig) materiaal is gebruikt; er een grove inbreuk is op wat in de omgeving gebruikelijk is; de gevel (bijvoorbeeld detaillering en voegwerk) in ernstige mate wordt verstoord door (onderdelen van) installaties of door andere toevoegingen; er graffiti is aangebracht of het bouwwerk anderszins is beklad; er verflagen aan de buitenzijde zijn afgebladderd; de huisstijl van een bedrijf de gevel van het bouwwerk domineert (bijvoorbeeld door kleur, lichtlijnen, folie enz.). De excessenregeling geldt niet indien: de gemeenteraad het gebied of de categorie van bouwwerken welstandsvrij heeft verklaard; indien het bouwwerk bestemd is om in een tijdelijke behoefte van maximaal 5 jaar te voorzien (tijdelijke vergunning voor maximaal 5 jaar). 3.4Indieningsvereisten Zowel de middelgrote als de grote commissie kunnen zich een goed oordeel vormen als tenminste de volgende zaken worden aangeleverd: situatietekening inclusief aansluitende terreinen (minimaal schaal 1 :1000), foto’s van de bestaande situatie en de omgeving, tekeningen van plattegronden, doorsneden en gevelaanzichten (minimaal schaal 1:100), (bij verbouwingsplannen) tekeningen van bestaande plattegronden, doorsneden en gevelaanzichten (minimaal schaal 1:100), tekeningen van de principedetails die verband houden met het uiterlijk van het bouwwerk, kleurenschema’s, materiaallijst. Bij grote projecten kan de welstandscommissie een werkmaquette van het bouwwerk en zijn omgeving vragen om de schaal en massa te kunnen beoordelen. Daarnaast moet de welstandscommissie beschikken over de relevante criteria uit de welstandsnota. Wanneer het plan een monument betreft, dienen de redengevende beschrijving van het monument en de constructiegegevens bij de behandeling van het plan beschikbaar te zijn. De kwaliteit van het aangeleverde materiaal (plattegronden, tekeningen, foto’s etc.) moet een goed beeld geven van het bouwplan en de relatie met de omgeving. De rayonarchitect die de vergadering van de grote commissie voorbereidt, wordt hierbij ondersteund door een ambtenaar van de afdeling Bouw- en Woningtoezicht zodat de vereiste informatie om het plan te kunnen beoordelen aanwezig is. 4Welstandskaders Dit hoofdstuk geeft uitleg over de soorten en toepassing van welstandsciteria, welstandsniveaus en de bij deze niveaus behorende beoordelingsaspecten. Het hoofdstuk vormt tevens de inleiding van hoofdstuk 5 tot en met 8, waarin de verschillende welstandscriteria voor de gemeente Tholen inhoudelijk zijn vastgelegd. 4.1Welstandscriteria Welstandscriteria zijn objectieve beoordelingsaspecten om het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of standplaats, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of te verwachten ontwikkeling daarvan, te kunnen beoordelen. Vanwege de verscheidenheid in grootte van de te beoordelen bouwwerken en vanwege de karakteristieken en waarden van gebieden, gebouwen of samenstelsels van gebouwen waarin deze bouwwerken gerealiseerd worden, worden vier soorten welstandscriteria onderscheiden: De algemene criteria vormen de onderlegger voor de overige drie soorten criteria en fungeren als vangnet voor plannen die buiten de overige drie soorten criteria vallen. In hoofdstuk 5 worden de algemene criteria nader omschreven. De gebiedsgerichte criteria zijn gekoppeld aan specifieke gebiedstypen binnen de gemeente Tholen. Deze gebiedstypen hebben ieder een specifieke gebiedskarakteristiek, waarmee bij de toetsing van bouwplannen rekening gehouden dient te worden. Een gebiedstype kan bijvoorbeeld zijn een historisch dorpsgebied, een bedrijventerrein of een natuurgebied. De verschillende gebiedstypen van de gemeente Tholen zijn omschreven in hoofdstuk 6 en vastgelegd in een gebiedstypekaart. De gebiedstypekaart is als bijlage bij deze welstandsnota toegevoegd. De criteria voor bijzondere bouwwerken richten zich op de specifieke waarden en kenmerken van monumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en overige bijzondere bouwwerken in de gemeente Tholen. Deze specifieke waarden, kenmerken en criteria van bijzondere bouwwerken zijn omschreven in hoofdstuk
- De monumenten in de gemeente Tholen zijn vastgelegd in de monumentenlijst. Sneltoetscriteria zijn geformuleerd om veel voorkomende kleine bouwplannen, te toetsen. Het gaat hier om eenduidige en objectieve welstandscriteria, die planindiener en ontwerper vooraf zoveel mogelijk duidelijkheid dienen te geven. In hoofdstuk 8 wordt verder op de sneltoetscriteria ingegaan en zijn deze criteria inhoudelijk omschreven. 4.2Welstandsniveaus De gemeente Tholen omvat vele verschillende gebiedstypen die qua beeld, beleving en ruimtelijk ambitieniveau sterk uiteenlopen. Het is logisch dat de welstandstoetsing in deze karakteristieke gebieden op een daarbij passende wijze wordt ingezet. Er worden daarom 4 welstandsniveaus onderscheiden. In historisch waardevolle gebieden zal de welstandstoets tot doel hebben de specifieke kwaliteiten te bewaken en versterken. In reguliere woon- en werkgebieden zal de welstandstoets gericht zijn op het bewaken van de basiskwaliteiten. Hier zal een minder streng welstandstoezicht gevoerd worden. 4.2.1Welstandsniveau 1: zware toetsing Dit welstandsniveau wordt door de gemeente Tholen toegekend aan structuren, gebieden en objecten, die van cruciale betekenis zijn voor het totaalbeeld van de dorpen, de stad en het landschap. Ook gebieden met bijzonder cultuurhistorische, architectonische, landschappelijke of stedenbouwkundige karakteristieken kunnen welstandsniveau 1 krijgen, zodat nieuwe ingrepen extra zorgvuldig beoordeeld worden. Dit is zeker het geval voor beschermde stads- of dorpsgezichten. Dit niveau kan verder worden toegekend aan ontwikkelingsgebieden en reconstructiegebieden waarvoor een hoog ambitieniveau is vastgelegd in het stedenbouwkundig plan of het beeldkwaliteitplan. Voor individuele monumenten wordt altijd niveau 1 gehanteerd, ongeacht het niveau van het gebied waarin ze liggen. Beleid Het welstandsbeleid is gericht op het handhaven, herstellen en versterken van gewaardeerde of gewenste ruimtelijke karakteristieken. In beheersituaties gebeurt dit vooral door middel van regels en toetsing. Bij nieuwe ontwikkelingen ligt het accent voornamelijk op het stimuleren van kwaliteit. Toetsing Zware toetsing houdt in dat over alle vergunningplichtige plannen in eerste instantie advies wordt gevraagd aan de middelgrote commissie. Bij deze toetsing wordt met name gelet op de relatie met de omgeving, het bouwwerk op zichzelf en de detaillering ervan en het kleur- en materiaalgebruik. 4.2.2Welstandsniveau 2: reguliere toetsing Onder welstandsniveau 2 vallen de gebieden die, vanuit het perspectief van de gemeente Tholen, om een zorgvuldige afstemming vragen van ontwikkelingen van de ruimtelijke kwaliteit en nieuwe bouwkundige ingrepen. Dit zijn onder andere gebieden rondom hoofdontsluitingswegen, dorps- en stadsranden en waardevolle woonbuurten, prominente bedrijventerreinen en delen van het buitengebied. Beleid De welstandsbeoordeling richt zich op het handhaven of gericht veranderen en verbeteren van de basiskwaliteit van een gebied. Toetsing Over alle omgevingsvergunningplichtige bouwwerken die niet voldoen aan de sneltoetscriteria wordt een welstandsadvies van de middelgrote commissie gevraagd. Omgevingsvergunningplichtige bouwwerken, die voldoen aan de sneltoetscriteria, worden door een bevoegd ambtenaar van de afdeling Bouw- en Woningtoezicht afgehandeld. Bij deze beoordeling wordt met name gelet op de relatie met de omgeving, het bouwwerk op zichzelf en (indien van essentieel belang) de detaillering ervan en het kleur- en materiaalgebruik. 4.2.3Welstandsniveau 3: lichte toetsing Gebieden met een welstandsniveau 3 kunnen beperkte afwijkingen van de bestaande ruimtelijke structuur en ingrepen in de architectuur van de gebouwen zonder al te veel problemen verdragen. Dit zijn met name de op zichzelf gelegen gebieden die niet of nauwelijks invloed uitoefenen op het silhouet of de beleving van de omgeving. De gemeente Tholen stelt in deze gebieden geen bijzondere eisen aan de ruimtelijke kwaliteit en voert geen expliciet kwaliteitsbeleid. Beleid Het welstandsbeleid is gericht op de handhaving van de basiskwaliteit van een gebied. Toetsing Omgevingsvergunningplichtige plannen worden door de middelgrote welstandscommissie beoordeeld. Omgevingsvergunningplichtige bouwwerken, die voldoen aan de sneltoetscriteria, worden door een bevoegd ambtenaar van de afdeling Bouw- en Woningtoezicht afgehandeld. Bij deze beoordeling wordt met name gelet op de relatie met de omgeving en (indien van belang voor de basiskwaliteit van het gebied) het bouwwerk op zichzelf. 4.2.4Welstandsniveau 4: welstandsvrije gebieden In gebieden met welstandsniveau 4 worden plannen niet getoetst aan redelijke eisen van welstand. Niveau 4 kan gelden voor sommige niet-openbaar toegankelijke gebieden, zoals zuiveringsinstallaties, of voor een nieuw te ontwikkelen gebied waarin, bij wijze van experiment, geen beperkingen worden gesteld aan onderlinge afstemming en architectonische vormgeving. Na een proefperiode van 2 jaar zijn in 2010 recreatieparken en campings (gebiedstype G5) aangewezen als welstandsvrij gebied. 4.3Beoordelingsaspecten De beoordelingsaspecten waarop bouwwerken getoetst worden, zijn in drie groepen te verdelen: hoofdaspecten, deelaspecten en detailaspecten. Bouwwerken in welstandsniveau 1, zware toetsing, worden op de hoofd-, deel-, en detailaspecten getoetst. Bouwwerken in welstandsniveau 2, reguliere toetsing, worden op hoofd- en deelaspecten getoetst. Bouwwerken in welstandsniveau 3, lichte toetsing, worden alleen op hoofdaspecten getoetst. 4.3.1Beoordelingsaspecten A: hoofdaspecten Plaatsing / situering afstemming van de plaats van het object op de gebiedskarakteristiek of de beeldkwaliteitseisen. afstemming van de plaats van het object op die van de belendingen. overeenstemming van de plaats van het object op het kavel met de ruimtelijk-functionele en architectonische opzet van het object. wanneer sprake is van meerdere bouwdelen: overeenstemming van de situering van de bouwdelen onderling met de ruimtelijk-functionele en architectonische opzet van het object. Massavorm afstemming van de massavorm van het object op de gebiedskarakteristiek of de beeldkwaliteitseisen. afstemming van de massavorm van het object op die van de belendingen. een evenwichtige compositie van de massavorm van het object. wanneer sprake is van meerdere bouwdelen: een evenwichtige en samenhangende compositie van de bouwdelen onderling aandachtspunten: schaal en maatverhoudingen (bijv. tussen gevelvlak en dakvlak), horizontaliteit-verticaliteit, nokrichting en oriëntatie, kapvorm en dakhellingshoek, profielvorm Gevelopbouw afstemming van de gevelopbouw van het object op de gebiedskarakteristiek of de beeldkwaliteitseisen. afstemming van de gevelopbouw van het object op die van de belendingen. een evenwichtige compositie van de gevelopbouw. aandachtpunten: verhouding tussen verschillende gevelvlakken, open-dicht-verhouding Materialen en kleuren hoofdvlakken afstemming van de materialen en kleuren van de hoofdvlakken op de gebiedskarakteristiek of de beeldkwaliteitseisen. afstemming van de materialen en kleuren van de hoofdvlakken op die van de belendingen. consistente toepassing van de materialen en kleuren van de hoofdvlakken in dienst van de architectonische expressie van massavorm en gevelopbouw. evenwicht en samenhang in de materiaal- en kleurtoepassing op zich. 4.3.2Beoordelingsaspecten B: deelaspecten Compositie massa-onderdelen (geledingen) afstemming van de compositie van de massa-onderdelen op de gebiedskarakteristiek of de beeldkwaliteitseisen. afstemming van de compositie van de massa-onderdelen op de belendingen. evenwichtige verhouding van massa-onderdelen tot de hoofdmassavorm(en). evenwicht en samenhang in de compositie van de massa-onderdelen op zich. aandachtspunten: structurele verwantschap (kenmerkende massaverhoudingen en hiërarchie), schaal en maat Gevelindeling afstemming van de gevelindeling op de gebiedskarakteristiek of de beeldkwaliteitseisen. afstemming van de gevelindeling op de belendingen. evenwichtig en samenhang in de gevelindeling op zich. aandachtspunten: plaatsing gevelelementen in het vlak, open-dicht verhouding, verticaliteit-horizontaliteit, hiërarchische verhoudingen tussen gevelelementen onderling Vormgeving gevelelementen afstemming van de vormgeving van de gevelelementen op de gebiedskarakteristiek of de beeldkwaliteitseisen. afstemming van de vormgeving van de gevelelementen op de belendingen. vormgeving van de gevelelementen in dienst van de architectonische expressie van het gevelvlak. evenwicht en samenhang in de vormgeving van de gevelelementen op zich Materialen, kleuren en detaillering (lichte toetsing) afstemming in grote lijnen van de materialen, kleuren en detaillering voor onderdelen op de gebiedskarakteristiek of de beeldkwaliteitseisen. afstemming in grote lijnen van de materialen, kleuren en detaillering voor onderdelen op die van de belendingen. consistente toepassing in grote lijnen van de materialen, kleuren en detaillering voor onderdelen in dienst van de architectonische expressie van massavorm en gevelopbouw. evenwicht en samenhang in grote lijnen in de materiaalkeuze, kleurkeuze en detaillering op zich. 4.3.3Beoordelingsaspecten C: detailaspecten Materialen onderdelen afstemming van de materiaalkeuze voor onderdelen op de gebiedskarakteristiek of de beeldkwaliteitseisen. afstemming van de materiaalkeuze voor onderdelen op die van de belendingen. consistente materiaalkeuze voor onderdelen in dienst van de architectonische expressie van het object. evenwicht en samenhang in de materiaalkeuze voor onderdelen op zich. Kleuren onderdelen afstemming van de kleurkeuze voor onderdelen op de gebiedskarakteristiek of de beeldkwaliteitseisen. afstemming van de kleurkeuze voor onderdelen op die van de belendingen. consistente kleurkeuze voor onderdelen in dienst van de architectonische expressie van het object. evenwicht en samenhang in de kleurkeuze voor onderdelen op zich. Detaillering onderdelen afstemming van de detaillering van onderdelen op de gebiedskarakteristiek of de beeldkwaliteitseisen. afstemming van de detaillering van onderdelen op die van de belendingen. consistente detaillering van onderdelen in dienst van de architectonische expressie van het object. evenwicht en samenhang in de detaillering van onderdelen op zich 5Algemene welstandscriteria De algemene welstandscriteria richten zich op de uitstraling en kwaliteit van het architectonisch ontwerp en gaan uit van een aantal basisprincipes. Deze algemene welstandscriteria liggen ten grondslag aan elke planbeoordeling en vormen de onderlegger voor de verdere uitwerking in specifieke gebiedsgerichte en objectgerichte criteria. In bijzondere situaties, wanneer de gebiedsgerichte en objectgerichte criteria ontoereikend zijn, kan het nodig zijn terug te grijpen op de algemene welstandscriteria. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer een bouwplan inspiratieloos is aangepast aan de gebiedsgerichte welstandscriteria, maar het bouwwerk zelf zo onder de maat blijft, dat het op den duur zijn omgeving negatief zal beïnvloeden. Ook wanneer een bouwplan strijdig is met de gestelde gebiedsgerichte of objectgerichte criteria, maar door zijn bijzondere schoonheid wél een kwalitatieve toevoeging aan zijn omgeving vormt, kan worden teruggegrepen op de algemene welstandscriteria. De welstandscommissie kan burgemeester en wethouders in zo'n geval gemotiveerd en schriftelijk adviseren de hardheidsclausule toe te passen en af te wijken van de gebiedsgerichte en objectgerichte welstandscriteria. Er volgt dan een advies op basis van het beleid, aangevuld met de motivatie om af te wijken. 5.1Relatie tussen vorm, gebruik en constructie Een ontwerp is niet in strijd met redelijke eisen van welstand als de uiterlijke verschijningsvorm een relatie heeft met het gebruik ervan en de wijze waarop het is gemaakt. Daarnaast moet de vormgeving ook zijn eigen samenhang en logica hebben. Een bouwwerk wordt primair gemaakt om te worden gebruikt. De vorm van het bouwwerk kan niet los worden gezien van de eisen vanuit het gebruik en de mogelijkheden die materialen en technieken bieden om een doelmatige constructie te maken. Wanneer andere aspecten dan gebruik en constructie de uiterlijke verschijningsvorm tijdens het ontwerpproces bepalen, dient het uiteindelijke ontwerp een begrijpelijke relatie te houden met zijn oorsprong. Als de uiterlijke verschijningsvorm in tegenspraak is met het gebruik en de constructie dan verliest zij daarmee aan begrijpelijkheid en integriteit. 5.2Relatie tussen bouwwerk en omgeving Een ontwerp is niet strijdig met redelijke eisen van welstand als het een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de openbare (stedelijke of landschappelijke) ruimte. Daarbij worden hogere eisen gesteld naarmate de openbare betekenis van het bouwwerk of van de omgeving groter is. Gevels en bouwvolumes vormen tezamen de wanden van de openbare ruimte. Daarnaast bepalen zij de externe begrenzing van een gebouw. Dit gebouw is een particulier object in een openbare context. Met andere woorden: het bestaansrecht van het gebouw ligt niet in het eigen functioneren alleen maar ook in de betekenis die het gebouw heeft in zijn stedelijke of landschappelijke omgeving. Het bouwwerk moet een positieve bijdrage leveren aan de kwaliteit van de omgeving en de te verwachten ontwikkeling daarvan. 5.3 Betekenissen van vormen in de sociaal-culturele context Een ontwerp is niet strijdig met redelijke eisen van welstand als verwijzingen en associaties zorgvuldig zijn gebruikt en uitgewerkt. Hierdoor ontstaat een bouwwerk dat past binnen de actuele culturele ontwikkeling en maatschappelijke realiteit. Voor architectonische vormgeving gelden in iedere cultuur bepaalde regels. Een bouwwerk is verwarrend of saai als die regels niet bewust of ongeïnspireerd worden gehanteerd. Als vormen regelmatig in een bepaald verband zijn waargenomen krijgen zij een zelfstandige betekenis en roepen zij, los van gebruik en constructie, bepaalde associaties op. Transparante gevels van glas en metaal roepen bijvoorbeeld associaties op met techniek en vooruitgang. In iedere bouwstijl wordt gebruik gemaakt van verwijzingen en associaties naar wat eerder of elders reeds aanwezig was of naar wat in de toekomst wordt verwacht. De kracht van een bouwwerk ligt vooral in de wijze waarop die verwijzingen en associaties worden verwerkt en geïnterpreteerd binnen het kader van de actuele culturele ontwikkelingen. Een passend ontwerp kan op grond van zijn uiterlijk in de tijd worden geplaatst waarin het werd gebouwd of verbouwd. Een ontwerp kan zijn geïnspireerd door een bepaalde tijdsperiode, maar moet geen imitatie worden van stijlen, vormen en detailleringen uit het verleden. 5.4Evenwicht tussen helderheid en complexiteit Een ontwerp is niet strijdig met redelijke eisen van welstand als er structuur is aangebracht in het beeld, zonder dat de aantrekkingskracht door simpelheid verloren gaat. Een belangrijke eis die aan een ontwerp voor een gebouw mag worden gesteld is dat er structuur wordt aangebracht in het beeld. Een heldere structuur biedt houvast voor de waarneming en is bepalend voor het beeld dat men vasthoudt van een gebouw. Symmetrie, ritme, herkenbare maatreeksen en materialen maken het voor de gemiddelde waarnemer mogelijk de grote hoeveelheid visuele informatie die de gebouwde omgeving geeft, te reduceren tot een bevattelijk beeld. Het streven naar helderheid mag echter niet ontaarden in simpelheid. Een bouwwerk moet de waarnemer blijven prikkelen en intrigeren. Complexiteit in het architectonische ontwerp ontstaat vanuit de stedenbouwkundige eisen en het programma van eisen. Bij een passend ontwerp zijn helderheid en complexiteit tegelijk aanwezig in een evenwichtige en spanningsvolle relatie. 5.5Schaal en maatverhoudingen Een ontwerp is niet strijdig met redelijke eisen van welstand als de maatverhoudingen in ruimtes, volumes en vlakverdelingen een duidelijke samenhang vertonen. leder bouwwerk heeft een schaal die voortkomt uit de grootte of betekenis van de bouwopgave. De maatverhoudingen van het bouwwerk zijn van groot belang voor de belevingswaarde ervan. Ze moeten aangenaam, evenwichtig en spannend zijn. De kracht van een compositie is groter naarmate de maatverhoudingen een sterkere samenhang vertonen. Mits bewust toegepast kunnen ook spanning en contrast daarin hun werking hebben. De afmetingen en verhoudingen van gevelelementen vormen tezamen de compositie van het gevelvlak. Als toegevoegde elementen te dominant zijn ten opzichte van de hoofdmassa en/of de vlakverdeling, verstoren zij het beeld van het object en van de omgeving waarin het is geplaatst. 5.6Materiaal, textuur, kleur en licht Een ontwerp is niet strijdig met redelijke eisen van welstand als materiaal, textuur, kleur en licht het karakter van het bouwwerk zelf ondersteunen en de ruimtelijke samenhang met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan duidelijk maken. Door middel van materialen, kleuren en lichttoetreding is een bouwwerk zichtbaar en voelbaar. De keuze in materialen, texturen en kleuren is vrijwel onbeperkt. Materiaal- en kleurkeuze zijn gekoppeld aan de architectonische vormgeving en ondersteunen het ontwerp. Bij een willekeurige toepassing van kleuren en materialen ontstaat een onsamenhangend beeld dat afbreuk doet aan de uitstraling van het bouwwerk. 6Gebiedsgerichte welstandscriteria Binnen de gemeente Tholen zijn verschillende gebieden te onderscheiden, die een duidelijke karakteristiek hebben op grond van ontstaansgeschiedenis, ruimtelijke verschijningsvorm en functies. Om deze gebiedskarakteristiek te behouden of zonodig te versterken, zijn gebiedsgerichte welstandscriteria opgesteld. Na een beschrijving van de ruimtelijke karakteristiek van de gemeente Tholen in zijn geheel worden in dit hoofdstuk de verschillende gebiedstypen beschreven en door middel van foto’s en plattegronden in beeld gebracht. Tevens zijn de gebiedstypen in kaart gebracht op een gebiedstypekaart, die als bijlage bij deze welstandsnota is gevoegd. Vervolgens is per gebiedstype geïnventariseerd welke ontwikkelingen in de gemeente aan de gang zijn en welk ruimtelijk beleid de gemeente Tholen nastreeft met betrekking tot het gebiedstype of een specifiek deel daarvan. Het ruimtelijk beleid en de ontwikkelingen vormen, samen met de architectonische en stedenbouwkundige kwaliteit van het gebied, de historische waarde ervan, de gezichtsbepalendheid als geheel en de ligging, de uitgangspunten voor de waardebepaling per gebiedstype of een specifiek deel daarvan. Op basis van deze waardebepaling zijn de welstandsniveaus per (deel)gebiedstype vastgesteld en in kaart gebracht op de welstandsniveaukaart. Deze kaart is als bijlage bij deze welstandsnota gevoegd. Het spreekt voor zich dat binnen een gebiedstype verschillende welstandsniveaus mogelijk zijn. Tenslotte zijn per (deel)gebiedstype de gebiedsgerichte welstandscriteria vastgelegd, afgestemd op de welstandsniveaus. 6.1De ruimtelijke karakteristiek van de gemeente Tholen Polders, dijken, dorpen en twee stadjes. Akkerland. Ruimte. Rust. Een verre horizon en hoge luchten. Dat is, in wel heel kort bestek, de karakteristiek van het eiland Tholen. Het is in sterke mate een door de mens gemaakt landschap en de wordingsgeschiedenis is uit het landschap af te lezen. 6.1.1Het landschap Wat hu het eiland Tholen is, bestond in de middeleeuwen uit vijf eilanden van opgewassen grond, sommige nog nauwelijks voor bewoning geschikt omdat ze bij erg hoog water nog onder kwamen te staan. De eilanden waren van elkaar gescheiden door stroomgeulen en bij eb droogvallende schorren. Vermoedelijk is men in de 12e eeuw begonnen met het aanleggen van dijken om het oudland beter tegen hoogwater te beschermen. Uiteindelijk lag dit oudland binnen een ringdijk. Daarna werden door achtereenvolgende bedijkingen de omringende schorren en geulen ingepolderd en de eilanden samengevoegd. Zo werd in het begin van de 13e eeuw het eiland Sint-Maartensdijk door een dijk omgeven. Later, in de 14e en 15e eeuw is de bedijking voortgezet door de aan het eiland grenzende schorren in te polderen. Uit de namen van de dijken is de geschiedenis van landwinning ook af te lezen. De “Eerste dijk” omgeeft de Oudeland polder, het vroegere eiland Sint-Maartensdijk. Met de “Tweede Dijk” werd in ongeveer 1310 de Middelland polder op het water gewonnen. Ongeveer 40 jaar later werd met de “Derde Dijk” de Noordpolder gevormd en tegen het midden van de 15e eeuw wierp men de “Vierde Dijk” op en ontstond de Uiterste Nieuwland polder. Hieruit is te zien hoe het Tholense landschap is verweven met de historie van de strijd tegen het water. De laatste grote geul, de Pluimpot, die Tholen in een westelijke en oostelijke helft verdeelde werd in 1556 op twee plaatsen afgedamd. Een laatste deel van de Pluimpot, dat Scherpenisse en Sint-Maartensdijk tot in de 20e eeuw over water bereikbaar maakte, werd nog in 1957 afgesloten. De zo ontstane Pluimpotpolder was de laatste grote inpoldering op het eiland. De ruimte van Tholen is daarmee een opgedeelde ruimte geworden. Een kleinschalig landschap van bedijkte inpolderingen. Vaak kleine polders, de Oudeland polder van Sint-Maartensdijk is 494 ha. groot, de Middelland polder maar ongeveer 274 ha. Waarheen je ook kijkt zie je dijken, in het landschap herkenbaar door de boombeplanting, die het lagere polderland omgeven. De verkaveling van het polderland is, als gevolg van de herverkaveling die na de watersnoodramp van 1953 plaatsvond, vrij modern en gericht op het agrarische gebruik, voornamelijk ten behoeve van de landbouw. Toch heeft niet al het land een agrarische functie, enkele kleinere gebieden zijn aangewezen als natuurgebied: de Pluimpot ten zuiden van Sint-Maartensdijk, de welen onder Stavenisse, het Stinkgat in de Van Haaftenpolder en het Rammegors bij Sint Philipsland. Ook de buitendijkse schorren en slikken hebben een grote natuurwaarde als fourageer- en pleisterplaats voor talrijke vogelsoorten. 6.1.2Het gebruik en de invulling van het landschap Dit landschap van polders en dijken vormt het decor voor talloze boerderijen, 4 buurtschappen, 7 dorpen en twee stadjes. Het is een agrarisch gebied bij uitstek. Tholen leeft van het land. De voornaamste gewassen zijn tarwe, suikerbieten, aardappelen en uien. Daarnaast is er bij Sint-Annaland enige glastuinbouw. Een steeds belangrijker plaats neemt de teelt van gras en bloemzaad in. Vooral in de zomer geven de vele akkers met bloemen het eiland een kleurrijk aanzien. Ook is er wat bedrijvigheid. Sint-Maartensdijk, Tholen, Poortvliet, Sint Philipsland, Sint-Annaland en Oud-Vossemeer hebben een bedrijventerrein. De landschappelijke inpassing van deze terreinen had meer aandacht verdiend dan er bij de aanleg kennelijk aan gegeven kon worden. De boerderijen Het eiland Tholen heeft enkele monumentale boerderijen. Genoemd kunnen worden het Huys Vermuyden aan de Kettingdijk, de hofstede Nooitgedacht onder Sint-Annaland en de hofstede Reygersburgh uit 1680 aan de Provincialeweg van Sint-Maartensdijk naar Stavenisse. Er is geen specifiek Tholens boerderijtype, daarvoor verschillen de boerderijen in uiterlijk en indeling teveel. Het algemene beeld is een woonhuis met een relatief grote schuur met een varkenshok, een bakkeet of -huis waar men vroeger brood bakte en ’s zomers ook woonde en een wagenschuur. Meestal staat het woonhuis vrij, soms is het aan de schuur gebouwd. De boerderijen liggen in de polders. Soms op korte afstand van de dijk, maar ook midden in de polder aan één van de polderwegen. Veel boerderijen hebben erfbeplanting. De woonkernen Tholen heeft 7 dorpen en 2 stadjes. De dorpen zijn: Anna Jacobapolder, Oud-Vossemeer, Poortvliet, Scherpenisse, Sint-Annaland, Sint Philipsland en Stavenisse; de stadjes zijn Sint-Maartensdijk en Tholen. Daarnaast zijn er nog 4 buurtschappen: Botshoofd (ten noorden van de stad Tholen aan de Leguitse Dijk), Schakerloo of Oudeland (ten zuiden van Tholen), De Sluis (aan de Zeedijk ten oosten van Sint Philipsland) en Westkerke (ten zuiden van Scherpenisse). Hoewel Tholen met zo’n 6600 inwoners de grootste woonkern is zijn de verschillen tussen stad en dorp niet zozeer de grootte als wel de historie. Tholen en Sint-Maartensdijk kregen respectievelijk in de 14e eeuw
(1366)en in de 15e eeuw stadsrechten. Dat wil overigens niet zeggen dat ze veel ouder zijn dan de andere dorpen. Ook de plaatsjes Scherpenisse, Stavenisse en Poortvliet worden al in archiefstukken uit het begin van de 13e eeuw genoemd. De dorpen Sint-Annaland, Scherpenisse, Stavenisse, Sint Philipsland en buurtschap De Sluis zijn ontstaan aan de zeedijk in de laaggelegen polder, waarbij er aan de andere kant van de zeedijk vaak een haventje is of geweest is. Deze dorpen zijn van het type voorstraatdorp (Stavenisse) of ringvoorstraatdorp (Sint-Annaland, Sint Philipsland). Ook Scherpenisse heeft enige kenmerken van een voorstraatdorp. De dorpen Anna Jacobapolder, Oud-Vossemeer en Poortvliet liggen meer midden in het polderland, maar ook dan is de dijk nooit ver weg. Oud-Vossemeer en Poortvliet zijn ringdorpen, Anna Jacobapolder is een typisch wegdorp, in 1847 ontstaan aan de kruising van twee polderwegen. 6.2Gebiedstypen De bebouwde omgeving van de gemeente Tholen bestaat uit verschillende woon- en werkgebieden zoals historische dorpscentra, naoorlogse woonwijken en bedrijventerreinen. Vanuit de vaststelling dat er bij elke gemeente in Nederland min of meer sprake is van een aantal dezelfde gebiedstypen met dezelfde gebiedsomschrijvingen en gebiedstyperingen is landelijk een onderscheid gemaakt in een aantal hoofdgroepen. In het kader van een landelijke uniformiteit is de gemeentelijke gebiedsindeling hierop afgestemd. Dit heeft geleid tot de volgende gebiedsopdeling: Historisch gegroeide gebieden Planmatig ontworpen woongebieden Bedrijvengebieden Groene gebieden Gebieden met bijzondere bebouwingsthema’s Nieuwe ontwikkelingen Hierna worden per hoofdgroep de gebiedstypen van de gemeente Tholen omschreven. Gebieden waarvoor een beeldkwaliteitplan is opgesteld vallen buiten deze gebiedsindeling. Deze gebieden zijn in een apart omschreven. 6.3Historisch gegroeide gebieden H 6.3.1H1: historische dorpsgebieden (organisch gegroeid) Beschrijving Veel dorpen zijn ontstaan als agrarische nederzettingen. Iedere regio heeft zijn eigen typen, zoals de brinkdorpen, de voorstraatdorpen, ringdorpen en wegdorpen bij jonge ontginningen. Daarnaast zijn er ook dorpen met een andere ontstaansgeschiedenis, zoals marktplaatsen, strategische vestigingen of nederzettingen met een meer industriële oorsprong. De oude dorpsgebieden kenmerken zich door relatief open en kleinschalige bebouwing met daarbinnen een zekere variatie. Binnen deze gebieden zijn vaak nog onbebouwde percelen in gebruik als weiland of moestuin. Op enkele plaatsen en met name langs kruisingen van belangrijke wegen komt verdichting voor. Naast wonen zijn er functies als detailhandel en ambachten. In sommige gevallen treffen we nog oude molens, kerken en boerderijen aan. De uiterlijke verschijningsvorm van de bouwwerken binnen de historische dorpsgebieden is zeer divers. De bebouwing is over het algemeen laag, waarbij de goothoogte ter plaatse van de eerste verdieping of circa een meter daarboven ligt. Incidenteel komt hogere bebouwing voor. Soms is de nokrichting parallel met de weg, dan weer haaks erop. De woningen en winkels zijn meestal direct aan de weg of het trottoir gesitueerd. In de meeste gevallen zijn de gebouwen opgetrokken uit baksteen in een rode kleur, variërend van oranjerood tot bruinrood. Een enkele maal is de gevel geheel of gedeeltelijk voorzien van wit pleisterwerk. De daken zijn over het algemeen schuin en voorzien van oranjerode pannen, soms ook wel grijsblauw. Gevelonderdelen als kozijnen, gootombouwen en boeiboorden zijn meestal uitgevoerd in hout en voorzien van overwegend wit schilderwerk, soms aangevuld met een tweede, veelal donkere kleur. Oorspronkelijke dorpsgebieden vormen waardevolle elementen in het huidige beeld van de gemeente. Ze vormen de historische context van veel objecten van cultuurhistorische waarde, zijn belangrijke schakels binnen het wegennetwerk en ondersteunen de oriëntatie binnen de gemeente. In de gemeente Tholen vallen de volgende gebieden onder gebiedstype H1: • Anna Jacobapolder: het centrum van de kom (zie gebiedstypenkaart) • Oud-Vossemeer: het centrum van de kom (zie gebiedstypenkaart) • Poortvliet: het centrum en het zuidoosten van de kom (zie gebiedstypenkaart) • Sint-Annaland: het centrum van de kom (zie gebiedstypenkaart) • Sint Philipsland: het centrum en het zuidoosten van de kom (zie gebiedstypenkaart) • Scherpenisse: het centrum van de kom (zie gebiedstypenkaart) • Stavenisse: het centrum van de kom (zie gebiedstypenkaart) Ontwikkelingen en ruimtelijk beleid Voor de kommen van de dorpen geldt over het algemeen dat bij wijzigingen en nieuw te bouwen objecten het historische en dorpse karakter van de bestaande kern niet wordt aangetast. De bestemmingsplannen “Bebouwde kom Anna Jacobapolder”, “Kom Oud-Vossemeer”, “Kom Poortvliet”, “Kom Sint Annaland”, “Kern Sint Philipsland”, “Kom Scherpenisse” en “Kom Stavenisse” geven inzicht in de toegestane ontwikkelingen binnen deze kernen. Waardebepaling en welstandsniveaus De historische dorpskernen zijn van cruciale betekenis voor het totaalbeeld van de gemeente Tholen. Met name de bebouwing en ruimtelijke structuur rondom de historische routes zijn vaak zeer karakteristiek en waardevol. Dit zijn bijvoorbeeld wegen van de kerk naar de haven, zoals de Voorstraat in Sint-Annaland, Stavenisse en Sint Philipsland. Daarnaast zijn er nog enkele fraaie pleinen en straatjes rondom de kerken van Poortvliet, Oud-Vossemeer en Sint-Annaland. Verder is de bebouwing langs de stationsstraat in Sint Philipsland zeer karakteristiek. Bovenstaande gebieden dienen ten behoeve van de welstandsbeoordeling op basis van gebiedsgerichte criteria getoetst te worden op welstandsniveau
- Bij ontwikkelingen en wijzigingen in de overige gebieden binnen het type H1 kan worden volstaan met een toetsing op welstandsniveau
- Gebiedsgerichte criteria hoofdaspecten plaatsing / situering: De plaatsing van het object past binnen de historisch-ruimtelijke structuur van het plangebied en is afgestemd op de plaatsing van objecten op belendende percelen. Het object is logisch, functioneel en in overeenstemming met de architectonische opzet op het kavel geplaatst. massavorm: De schaal en maatverhoudingen van de verschillende onderdelen (bijvoorbeeld het dakvlak en het gevelvlak) van het object zijn evenwichtig en passen binnen de historische karakteristiek van het plangebied. De kapvorm, nokrichting en oriëntatie van het object is afgestemd op die van objecten op belendende percelen. gevelopbouw: De gevelopbouw van het object is evenwichtig en past binnen de gebiedskarakteristiek. De open-dicht-verhoudingen van de gevelvlakken van het object zijn afgestemd op de verhoudingen van de gevelvlakken van objecten op belendende percelen. materialen en kleuren hoofdvlakken: Het materiaal- en kleurgebruik van de gevels en dakvlakken van het object past binnen de historische karakteristiek van het plangebied en is afgestemd op het materiaal- en kleurgebruik van objecten op belendende percelen. Het materiaal- en kleurgebruik vertoont een duidelijke samenhang en versterkt de architectonische expressie van het object. deelaspecten compositie massa-onderdelen (geledingen): De compositie van de bouwvolume-onderdelen van het object, zoals het gevelvlak of het dakvlak, past binnen de historische karakteristiek van het plangebied en is afgestemd op de compositie van de bouwvolume-onderdelen van objecten op belendende percelen. De schaal en maatverhoudingen van de verschillende onderdelen (bijvoorbeeld het dakvlak en het gevelvlak) van het object zijn op zichzelf evenwichtig en staan in goede verhouding tot het totale bouwvolume. gevelindeling / vormgeving gevelelementen: De indeling en vormgeving van de gevelvlakken van het object zijn evenwichtig, vertonen samenhang en passen binnen de historische gebiedskarakteristiek. De indeling en vormgeving van de gevelvlakken van het object zijn afgestemd op die van objecten op belendende percelen. Patronen en ritmiek binnen aaneengesloten gevels van een straatwand zijn gerespecteerd. De vormgeving van de gevelelementen van het object versterkt de architectonische expressie van het gevelvlak. materialen, kleuren en detaillering (lichte toetsing): De principedetails zijn in overeenstemming met de bouwstijl en ondersteunen de architectonische kwaliteit van het object. detailaspecten materialen / kleuren onderdelen: De materiaal- en kleurkeuze van de bouwvolume-onderdelen van het object past binnen de historische karakteristiek van het plangebied en is afgestemd op het materiaal- en kleurgebruik van de bouwvolume-onderdelen van objecten op belendende percelen. De materiaal- en kleurkeuze van de bouwvolume-onderdelen versterkt de architectonische expressie van het object. De materiaal- en kleurkeuze van de bouwvolume-onderdelen van het object op zich is evenwichtig en vertoont samenhang. detaillering onderdelen: De detaillering van de bouwvolume-onderdelen van het object past binnen de historische karakteristiek van het plangebied en is afgestemd op de veelal rijke detaillering van de bouwvolume-onderdelen van objecten op belendende percelen. De detaillering van de bouwvolume-onderdelen van het object op zich is evenwichtig en vertoont samenhang. De detaillering van de bouwvolume-onderdelen van het object is in overeenstemming met de bouwstijl en ondersteunt de architectonische kwaliteit van het object. 6.3.2H2: historische dorpse bebouwingslinten (open, perceelsgewijze bebouwing) Beschrijving Langs de oudere hoofdwegen en uitvalswegen zijn vanuit de historische bebouwingskernen in de loop der tijd bebouwingslinten ontstaan. Ook ontstonden langs secundaire landwegen op strategische plekken bebouwing. Veel van deze bebouwingslinten zijn later opgenomen in nieuwe wijken. Vaak is de oorspronkelijke samenhang in het wegennet nog herkenbaar, maar soms zijn het slechts fragmenten in een nieuwe omgeving. Aan het beeld van deze routes is de ontstaansgeschiedenis van de gemeente binnen de oorspronkelijke landschappelijke omgeving af te lezen. De historische dorpse lintbebouwing kenmerkt zich door kleinschaligheid. De veelal vrijstaande woningen staan op korte afstand van elkaar en vormen, door hun plaatsing tegen de voorgevelrooilijn, een redelijk gesloten gevelwand. De bebouwing is over het algemeen laag, waarbij de goothoogte ter plaatse van de eerste verdieping of circa een meter daarboven ligt. De woningen hebben meestal een zadeldak voorzien van oranjerode pannen. Ook mansardekappen komen regelmatig voor. Soms is de nokrichting parallel met de weg, dan weer haaks erop. Over het algemeen zijn de gebouwen opgetrokken uit baksteen in een rode kleur, variërend van oranjerood tot bruinrood. Gevelonderdelen als kozijnen, gootombouwen en boeiboorden zijn meestal uitgevoerd in hout en voorzien van schilderwerk in diverse kleuren. De detaillering is veelal ingetogen. Geen grote dakoverstekken of overdadige ornamenten. In de gemeente Tholen kunnen we de volgende gebieden onderscheiden die onder gebiedstype H2 vallen: • Oud-Vossemeer : langs alle uitvalswegen (zie gebiedstypenkaart) • Poortvliet : langs de Paasdijkstraat, Hogeweg en Stoofstraat (zie gebiedstypenkaart) • Sint-Annaland : langs de Langeweg, Bierenstraat en Javadijk (zie gebiedstypenkaart) • Sint-Maartensdijk : langs Achter ’t bos, Westkerkseweg en de provinciale weg ten noorden van Sint-Maartensdijk (zie gebiedstypenkaart) • Scherpenisse : langs de Westkerkseweg, Platteweg en oude provinciale weg (zie gebiedstypenkaart) • Stavenisse : langs Havenpad, Stoofpad, Kerkstraat en Poststraat (zie gebiedstypenkaart) Ontwikkelingen en ruimtelijk beleid De dorpse bebouwingslinten komen in vrijwel alle dorpen verspreid over de kernen voor. Algemeen kan worden gesteld dat het beleid bij wijzigingen en nieuw te bouwen objecten is dat het historische en dorpse karakter van het bestaande bebouwingslint niet wordt aangetast. De bestemmingsplannen “Kom Oud-Vossemeer”, “Kom Poortvliet”, “Kom Sint- Annaland”, “Kom Sint-Maartensdijk”, “Achter ’t bos Sint-Maartensdijk”, “Kom Scherpenisse” en “Kom Stavenisse” geven inzicht in de toegestane ontwikkelingen rondom de bebouwingslinten. Waardebepaling en welstandsniveaus De dorpse historische bebouwingslinten tonen in grote lijnen de ontstaansgeschiedenis van de gemeente Tholen. Historische hoofdroutes worden geflankeerd door veelal vrijstaande kleinschalige bebouwing. Het behoud van deze historische en ruimtelijke karakteristieken wordt van belang geacht. Langs een gedeelte van de Poststraat in Stavenisse en langs de Molenstraat, Onder de molen en de westzijde van de Dorpsweg in Oud-Vossemeer is de oorspronkelijke bebouwing zeer fraai behouden gebleven. Voor deze deelgebieden dient voor de welstandsbeoordeling op basis van gebiedsgerichte criteria te worden getoetst op welstandsniveau 1, zodat nieuwe ingrepen extra zorgvuldig beoordeeld worden. Bij ontwikkelingen en wijzigingen in de overige gebieden binnen het type H2 wordt getoetst op welstandsniveau
- Gebiedsgerichte criteria hoofdaspecten plaatsing / situering: De plaatsing van het object past binnen de historisch-ruimtelijke structuur van het plangebied en is afgestemd op de plaatsing van objecten op belendende percelen. Het object is logisch, functioneel en in overeenstemming met de architectonische opzet op het kavel geplaatst. massavorm: De schaal en maatverhoudingen van de verschillende onderdelen (bijvoorbeeld het dakvlak en het gevelvlak) van het object zijn evenwichtig en passen binnen de historische kleinschalige karakteristiek van het plangebied. De kapvorm, nokrichting en oriëntatie van het object is afgestemd op die van objecten op belendende percelen. gevelopbouw: De gevelopbouw van het object is evenwichtig en past binnen de gebiedskarakteristiek. De open-dicht-verhoudingen van de gevelvlakken van het object zijn afgestemd op de verhoudingen van de gevelvlakken van objecten op belendende percelen. materialen en kleuren hoofdvlakken: Het materiaal- en kleurgebruik van de gevels en dakvlakken van het object past binnen de historische karakteristiek van het plangebied en is afgestemd op het materiaal- en kleurgebruik van objecten op belendende percelen. Het materiaal- en kleurgebruik vertoont een duidelijke samenhang en versterkt de architectonische expressie van het object. deelaspecten compositie massa-onderdelen (geledingen): De compositie van de bouwvolume-onderdelen van het object, zoals het gevelvlak of het dakvlak, past binnen de historische karakteristiek van het plangebied en is afgestemd op de compositie van de bouwvolume-onderdelen van objecten op belendende percelen. De schaal en maatverhoudingen van de verschillende onderdelen (bijvoorbeeld het dakvlak en het gevelvlak) van het object zijn op zichzelf evenwichtig en staan in goede verhouding tot het totale bouwvolume. gevelindeling / vormgeving gevelelementen: De indeling en vormgeving van de gevelvlakken van het object zijn evenwichtig, vertonen samenhang en passen binnen de historische gebiedskarakteristiek. De indeling en vormgeving van de gevelvlakken van het object zijn afgestemd op die van objecten op belendende percelen. De vormgeving van de gevelelementen van het object versterkt de architectonische expressie van het gevelvlak. materialen, kleuren en detaillering (lichte toetsing): De principedetails zijn in overeenstemming met de bouwstijl en ondersteunen de architectonische kwaliteit van het object. detailaspecten materialen / kleuren onderdelen: De materiaal- en kleurkeuze van de bouwvolume-onderdelen van het object past binnen de historische karakteristiek van het plangebied en is afgestemd op het materiaal- en kleurgebruik van de bouwvolume-onderdelen van objecten op belendende percelen. De materiaal- en kleurkeuze van de bouwvolume-onderdelen versterkt de architectonische expressie van het object. De materiaal- en kleurkeuze van de bouwvolume-onderdelen van het object op zich is evenwichtig en vertoont samenhang. detaillering onderdelen: De detaillering van de bouwvolume-onderdelen van het object past binnen de historische karakteristiek van het plangebied en is afgestemd op de detaillering van de bouwvolume-onderdelen van objecten op belendende percelen. De detaillering van de bouwvolume-onderdelen van het object op zich is evenwichtig en vertoont samenhang. De detaillering van de bouwvolume-onderdelen van het object is in overeenstemming met de bouwstijl en ondersteunt de architectonische kwaliteit van het object. 6.3.3H3: historische stedelijke bebouwing (gesloten, perceelsgewijze bebouwing) Beschrijving Historische steden hebben in vergelijking tot de meeste historische dorpen een hogere bebouwingsdichtheid, vaak omdat een relatief groot aantal panden binnen de verdedigingswerken werd gebouwd. De straatwanden waren daarom meestal gesloten over meerdere bouwlagen. Het stratenpatroon is vaak grillig en organisch gegroeid. Verspreid over de historische stad komen pleinen voor met daaraan grotere openbare gebouwen van maatschappelijke en culturele aard. Naast de echte historische stadjes hebben ook een aantal dorpskernen een relatief gesloten bebouwing. De bebouwing binnen de historische steden kenmerkt zich door diversiteit. De woningen en winkels zijn meestal tegen de voorgevelrooilijn langs de veelal smalle straatjes gesitueerd. De gebouwen hebben voornamelijk twee volledige bouwlagen met een grote verdiepingshoogte. De panden hebben over het algemeen een gevelbreedte van twee of drie venstertraveeën. Incidenteel komen ook vier of vijf venstertraveeën voor. De daken zijn over het algemeen schuin en voorzien van oranjerode pannen, soms ook wel grijsblauw. Soms is de nokrichting parallel met de weg, dan weer haaks erop. In de meeste gevallen zijn de gebouwen opgetrokken uit baksteen in een rode kleur, variërend van oranjerood tot bruinrood. Een enkele maal is de gevel geheel of gedeeltelijk voorzien van wit pleisterwerk. Gevelonderdelen als kozijnen, gootombouwen en boeiboorden zijn meestal uitgevoerd in hout en voorzien van overwegend wit schilderwerk, soms aangevuld met een tweede, veelal traditionele donkere kleur. De detaillering van de voorgevels is veelal rijk, met veel ornamenten, zoals bijvoorbeeld kroonlijsten. In de gemeente Tholen vallen de volgende gebieden onder gebiedstype H3: • Sint-Maartensdijk : beschermd stadsgezicht “Kom Sint-Maartensdijk” • Tholen : beschermd stadsgezicht “Stadskern Tholen” en het deelgebied ten noorden van de Vossemeersepoort (zie gebiedstypenkaart) Ontwikkelingen en ruimtelijk beleid Bij ontwikkelingen binnen de beschermde stadsgezichten van Tholen en Sint-Maartensdijk, wordt de karakteristieke structuur en de ruimtelijke kwaliteit als zwaarwegend belang onderkent. De bestemmingsplannen “Stadskern Tholen” en “Kom Sint-Maartensdijk” vormen het beleidsmatige uitgangspunt voor ruimtelijke ontwikkelingen. Waardebepaling en welstandsniveaus De beschermde stadsgezichten van Tholen en Sint-Maartensdijk hebben een belangrijke cultuurhistorische waarde. Het behoud van de historische en ruimtelijke karakteristieken wordt van groot belang geacht. Voor de welstandsbeoordeling op basis van gebiedsgerichte criteria dient getoetst te worden op welstandsniveau 1, zodat nieuwe ingrepen extra zorgvuldig beoordeeld worden. Gebiedsgerichte criteria hoofdaspecten plaatsing / situering: De plaatsing van het object past binnen de historisch-ruimtelijke structuur van het plangebied en is afgestemd op de plaatsing van objecten op belendende percelen. Het object is logisch, functioneel en in overeenstemming met de architectonische opzet op het kavel geplaatst. massavorm: De schaal en maatverhoudingen van de verschillende onderdelen (bijvoorbeeld het dakvlak en het gevelvlak) van het object zijn evenwichtig en passen binnen de historische karakteristiek van het plangebied. De kapvorm, nokrichting en oriëntatie van het object is afgestemd op die van objecten op belendende percelen. gevelopbouw: De gevelopbouw van het object is evenwichtig en past binnen de gebiedskarakteristiek. De gevelbreedte en het aantal venstertraveeën van het object zijn afgestemd op die van objecten op belendende percelen. De open-dicht-verhoudingen van de gevelvlakken van het object zijn afgestemd op de verhoudingen van de gevelvlakken van objecten op belendende percelen. materialen en kleuren hoofdvlakken: Het materiaal- en kleurgebruik van de gevels en dakvlakken van het object past binnen de historische karakteristiek van het plangebied en is afgestemd op het materiaal- en kleurgebruik van objecten op belendende percelen. Het materiaal- en kleurgebruik vertoont een duidelijke samenhang en versterkt de architectonische expressie van het object. deelaspecten compositie massa-onderdelen (geledingen): De compositie van de bouwvolume-onderdelen van het object, zoals het gevelvlak of het dakvlak, past binnen de historische karakteristiek van het plangebied en is afgestemd op de compositie van de bouwvolume-onderdelen van objecten op belendende percelen. De schaal en maatverhoudingen van de verschillende onderdelen (bijvoorbeeld het dakvlak en het gevelvlak) van het object zijn op zichzelf evenwichtig en staan in goede verhouding tot het totale bouwvolume. gevelindeling / vormgeving gevelelementen: De indeling en vormgeving van de gevelvlakken van het object zijn evenwichtig, vertonen samenhang en passen binnen de historische gebiedskarakteristiek. De indeling en vormgeving van de gevelvlakken en venstertraveeën van het object zijn afgestemd op die van objecten op belendende percelen. Patronen en ritmiek binnen aaneengesloten gevels van een straatwand zijn gerespecteerd. De vormgeving van de gevelelementen van het object versterkt de architectonische expressie van het gevelvlak. materialen, kleuren en detaillering (lichte toetsing): De principedetails zijn in overeenstemming met de bouwstijl en ondersteunen de architectonische kwaliteit van het object. detailaspecten materialen / kleuren onderdelen: De materiaal- en kleurkeuze van de bouwvolume-onderdelen van het object past binnen de historische karakteristiek van het plangebied en is afgestemd op het materiaal- en kleurgebruik van de bouwvolume-onderdelen van objecten op belendende percelen. De materiaal- en kleurkeuze van de bouwvolume-onderdelen versterkt de architectonische expressie van het object. De materiaal- en kleurkeuze van de bouwvolume-onderdelen van het object op zich is evenwichtig en vertoont samenhang. detaillering onderdelen: De detaillering van de bouwvolume-onderdelen van het object past binnen de historische karakteristiek van het plangebied en is afgestemd op de veelal rijke detaillering van de bouwvolume-onderdelen van objecten op belendende percelen. De detaillering van de bouwvolume-onderdelen van het object op zich is evenwichtig en vertoont samenhang. De detaillering van de bouwvolume-onderdelen van het object is in overeenstemming met de bouwstijl en ondersteunt de architectonische kwaliteit van het object. 6.3.4H4: gemengde bebouwing Beschrijving In en rondom historische kernen heeft in de loop der tijd een verdichting van de bebouwing plaatsgevonden. Omdat deze verdichting een langere periode besloeg, zijn uiteenlopende stedenbouwkundige en architectonische principes toegepast. Het resultaat daarvan is een gevarieerd bebouwingsbeeld met een rafelige stedenbouwkundige structuur. Hogere en lagere bebouwing wisselen elkaar af. Soms is de nokrichting parallel met de weg, dan weer haaks erop. De woningen en winkels zijn meestal direct aan de weg of het trottoir gesitueerd, maar ook plaatsing verder achter op het kavel komt voor. In de meeste gevallen zijn de gebouwen opgetrokken uit baksteen in diverse kleuren. Een enkele maal is de gevel geheel of gedeeltelijk voorzien van pleisterwerk. De daken zijn over het algemeen schuin en voorzien van dakpannen. Gevelonderdelen als kozijnen, gootombouwen en boeiboorden zijn meestal uitgevoerd in hout. De detaillering is veelal ingetogen. Geen grote dakoverstekken of overdadige ornamenten. De gemeente Tholen kent de volgende gebieden met gebiedstype H4: • Sint-Annaland : het deelgebied rondom Streekmuseum “De Meestoof” (zie gebiedstypenkaart) Ontwikkelingen en ruimtelijk beleid Door de grote verscheidenheid in bebouwing, zowel qua bouwstijl als situering, dreigt een rommelig beeld te ontstaan. Het beleid in deze gebieden is er op gericht om een samenhangend en verzorgd gevelbeeld te behouden of te versterken. Hierbij wordt een evenwicht gezocht tussen eenheid en diversiteit. Het bestemmingsplan “Kom Sint Annaland” beschrijft de toegestane ontwikkelingen rondom deze gemengde bebouwing. Waardebepaling en welstandsniveaus De gebieden met gemengde bebouwing zijn, door hun enigszins rafelige structuur, van geringe stedenbouwkundige betekenis. De waarde van deze gebieden zit met name in de individuele bebouwing. Voor de welstandsbeoordeling op basis van gebiedsgerichte criteria dient getoetst te worden op welstandsniveau
- Gebiedsgerichte criteria hoofdaspecten plaatsing / situering: De plaatsing van het object past binnen de stedenbouwkundige hoofdopzet van het plangebied en vertoont samenhang met de plaatsing van objecten op belendende percelen. Het object is logisch, functioneel en in overeenstemming met de architectonische opzet op het kavel geplaatst. massavorm: De schaal en maatverhoudingen van de verschillende onderdelen (bijvoorbeeld het dakvlak en het gevelvlak) van het object zijn evenwichtig. De kapvorm, nokrichting en oriëntatie van het object is afgestemd op die van objecten op belendende percelen. gevelopbouw: De gevelopbouw van het object is evenwichtig. De open-dicht-verhoudingen van de gevelvlakken van het object zijn afgestemd op die van objecten op belendende percelen. materialen en kleuren hoofdvlakken: Het materiaal- en kleurgebruik van de gevels en dakvlakken van het object is ingetogen en afgestemd op het materiaal- en kleurgebruik van objecten op belendende percelen. Het materiaal- en kleurgebruik vertoont een duidelijke samenhang en versterkt de architectonische expressie van het object. deelaspecten compositie massa-onderdelen (geledingen): De compositie van de bouwvolume-onderdelen van het object, zoals het gevelvlak of het dakvlak, vertoont samenhang met de compositie van de bouwvolume-onderdelen van objecten op belendende percelen. De schaal en maatverhoudingen van de verschillende onderdelen (bijvoorbeeld het dakvlak en het gevelvlak) van het object zijn op zichzelf evenwichtig en staan in goede verhouding tot het totale bouwvolume. gevelindeling / vormgeving gevelelementen: De indeling en vormgeving van de gevelvlakken van het object zijn evenwichtig en vertonen samenhang. De indeling en vormgeving van de gevelvlakken van het object zijn afgestemd op die van objecten op belendende percelen. De vormgeving van de gevelelementen van het object versterkt de architectonische expressie van het gevelvlak. materialen, kleuren en detaillering (lichte toetsing): De principedetails zijn in overeenstemming met de bouwstijl en ondersteunen de architectonische kwaliteit van het object. 6.3.5H5: dijkbebouwing Beschrijving In rivierengebieden en ten behoeve van inpoldering zijn in het verleden veel dijken aangelegd. De laatste jaren zijn veel dijken langs de grote rivieren verhoogd en verlegd in het kader van de dijkverbetering. In sommige gebieden worden dijken doorgestoken als bufferruimte voor de afvoer van het rivierwater. Langs dijken waarover doorgaande wegen lopen komt van oorsprong tegen of onder aan het dijklichaam bebouwing voor. Bebouwing die tegen het dijklichaam is gelegen bezit een bijzondere typologie die is afgestemd op de verlopende peilmaat. Soms komt alleen de kap boven de kruin van de dijk uit en is de bebouwing volledig georiënteerd op de veldzijde. De laatste jaren zijn er nieuwe ontwikkelingen gaande met betrekking tot dijkbebouwing. Getracht wordt daarbij specifiek voor de dijksituatie te ontwerpen. De dijkbebouwing is afwisselend en bescheiden van karakter. De aaneengesloten woningen zijn tegen de voorgevelrooilijn geplaatst en vormen een gesloten gevelwand. De bebouwing is over het algemeen laag, waarbij de goothoogte ter plaatse van de eerste verdieping ligt. De woningen hebben meestal een zadeldak voorzien van oranjerode pannen, waarbij de nokrichting parallel met de weg is. Over het algemeen zijn de gebouwen opgetrokken uit baksteen in een rode kleur, variërend van oranjerood tot bruinrood. Gevelonderdelen als kozijnen, gootombouwen en boeiboorden zijn meestal uitgevoerd in hout en voorzien van schilderwerk in diverse kleuren. De detaillering is veelal ingetogen. Geen grote dakoverstekken of overdadige ornamenten. In de gemeente Tholen vallen de volgende gebieden onder gebiedstype H5: • Sint-Annaland : langs de Molendijk en de Suzannaweg (zie gebiedstypenkaart) • Sint-Maartensdijk : tussen de Molendijk en de Sportlaan (zie gebiedstypenkaart) • Stavenisse : langs de Molendijk en Stoofdijk (zie gebiedstypenkaart) Ontwikkelingen en ruimtelijk beleid Het gemeentelijk beleid bij wijzigingen en nieuw te bouwen objecten is dat het ruimtelijk-historische karakter van de bestaande dijkbebouwing niet wordt aangetast. De bestemmingsplannen “Kom Sint-Annaland”, “Kom Sint-Maartensdijk” en “Kom Stavenisse” geven inzicht in de toegestane ontwikkelingen rondom de dijkbebouwing. De dijkbebouwing bij Sint-Annaland is tevens opgenomen in de structuurvisie “Havengebied Sint-Annaland”. Deze visie omschrijft de ontwikkeling van het gebied tussen haven en dorp tot een gebied met een heldere ruimtelijke structuur die verbindingen tot stand brengt tussen dorpshart en buitendijks gebied. Waardebepaling en welstandsniveaus In landschappelijk opzicht is het dijklichaam een van de belangrijkste ruimtelijke elementen in de omgeving. Langs de Molendijk in Sint-Annaland, Sint-Maartensdijk en Stavenisse heeft de dijkbebouwing zijn historische uitstraling op zeer fraaie wijze behouden. De afwisselende, bescheiden dijkbebouwing straalt hier een zekere authenticiteit uit en wordt daarom hoog gewaardeerd. Het behoud van deze historische en ruimtelijke karakteristieken wordt van groot belang geacht. Ontwikkelingen en wijzigingen langs de drie Molendijken dienen voor de welstandsbeoordeling op basis van gebiedsgerichte criteria te worden getoetst op welstandsniveau 1, zodat nieuwe ingrepen extra zorgvuldig beoordeeld worden. Overige ontwikkelingen en wijzigingen binnen gebiedstype H5 worden getoetst op welstandsniveau
- Gebiedsgerichte criteria hoofdaspecten plaatsing / situering: De plaatsing van het object past binnen de historisch-ruimtelijke structuur van het plangebied en is afgestemd op de plaatsing van objecten op belendende percelen. Het object is logisch, functioneel en in overeenstemming met de architectonische opzet op het kavel geplaatst. massavorm: De schaal en maatverhoudingen van de verschillende onderdelen (bijvoorbeeld het dakvlak en het gevelvlak) van het object zijn evenwichtig en passen binnen de historische karakteristiek van het plangebied. De kapvorm, nokrichting en oriëntatie van het object is afgestemd op die van objecten op belendende percelen. gevelopbouw: De gevelopbouw van het object is evenwichtig en past binnen de gebiedskarakteristiek. De open-dicht-verhoudingen van de gevelvlakken van het object zijn afgestemd op de verhoudingen van de gevelvlakken van objecten op belendende percelen. materialen en kleuren hoofdvlakken: Het materiaal- en kleurgebruik van de gevels en dakvlakken van het object past binnen de historische karakteristiek van het plangebied en is afgestemd op het materiaal- en kleurgebruik van objecten op belendende percelen. Het materiaal- en kleurgebruik vertoont een duidelijke samenhang en versterkt de architectonische expressie van het object. deelaspecten compositie massa-onderdelen (geledingen): De compositie van de bouwvolume-onderdelen van het object, zoals het gevelvlak of het dakvlak, past binnen de historische karakteristiek van het plangebied en is afgestemd op de compositie van de bouwvolume-onderdelen van objecten op belendende percelen. De schaal en maatverhoudingen van de verschillende onderdelen (bijvoorbeeld het dakvlak en het gevelvlak) van het object zijn op zichzelf evenwichtig en staan in goede verhouding tot het totale bouwvolume. gevelindeling / vormgeving gevelelementen: De indeling en vormgeving van de gevelvlakken van het object zijn evenwichtig, vertonen samenhang en passen binnen de historische gebiedskarakteristiek. De indeling en vormgeving van de gevelvlakken van het object zijn afgestemd op die van objecten op belendende percelen. De vormgeving van de gevelelementen van het object versterkt de architectonische expressie van het gevelvlak. materialen, kleuren en detaillering (lichte toetsing): De principedetails zijn in overeenstemming met de bouwstijl en ondersteunen de architectonische kwaliteit van het object. detailaspecten materialen onderdelen / kleuren onderdelen: De materiaal- en kleurkeuze van de bouwvolume-onderdelen van het object past binnen de historische karakteristiek van het plangebied en is afgestemd op het materiaal- en kleurgebruik van de bouwvolume-onderdelen van objecten op belendende percelen. De materiaal- en kleurkeuze van de bouwvolume-onderdelen versterkt de architectonische expressie van het object. De materiaal- en kleurkeuze van de bouwvolume-onderdelen van het object op zich is evenwichtig en vertoont samenhang. detaillering onderdelen: De detaillering van de bouwvolume-onderdelen van het object past binnen de historische karakteristiek van het plangebied en is afgestemd op de detaillering van de bouwvolume-onderdelen van objecten op belendende percelen. De detaillering van de bouwvolume-onderdelen van het object op zich is evenwichtig en vertoont samenhang. De detaillering van de bouwvolume-onderdelen van het object is in overeenstemming met de bouwstijl en ondersteunt de architectonische kwaliteit van het object. 6.4Planmatig ontworpen woongebieden W 6.4.1W2: parkachtige woongebieden Beschrijving Met parkachtige woongebieden worden ruim in het groen opgezette woonwijken bedoeld. De samenhang in het omgevingsbeeld wordt met name bereikt door de breed opgezette en groen ingerichte woonstraten, de maat van de bouwmassa’s en de groen ingevulde ruimte daartussen, zoals vastgesteld in het stedenbouwkundig plan. In parkachtige woongebieden wordt de overgang tussen privé en openbaar meestal aangegeven via een hekwerk, haag of anderszins. Het erf heeft een groen karakter met soms forse bomen. Ook het straatprofiel is relatief ruim en voorzien van opgaande beplanting. Elk gebied heeft zijn specifieke kenmerken m.b.t. de architectuurstijl, de grootte van kavels en woningen etc. De meeste parkachtige woongebieden zijn enigszins gemengd, waarbij soms ensembles van woningen aanwezig zijn met een sterke onderlinge visuele samenhang. De traditionele parkachtige woongebieden (villaparken) zijn ontstaan tussen 1860 en
- De monumentale villa’s en herenhuizen bezitten vaak compacte hoofdmassa’s met aan de straatzijden incidenteel een luchtig vormgegeven erker of serre. De panden hebben elk een eigen gezicht waarbij veel aandacht is besteed aan de architectonische kwaliteit en uitstraling. De bebouwing is over het algemeen hoger, met twee volledige bouwlagen. De woningen hebben meestal een schuine kap, voorzien van oranjerode pannen. De nokrichting varieert sterk. Over het algemeen zijn de gebouwen opgetrokken uit baksteen in een rode kleur, variërend van oranjerood tot bruinrood. Een enkele maal is de gevel geheel of gedeeltelijk voorzien van wit pleisterwerk. Gevelonderdelen als kozijnen, gootombouwen en boeiboorden zijn meestal uitgevoerd in hout en voorzien van schilderwerk in diverse kleuren. Grote dakoverstekken versterken de architectonische expressie van de gebouwen. De gemeente Tholen kent de volgende gebieden met gebiedstype W2: • Scherpenisse : langs de Langeweg (zie gebiedstypenkaart) • Tholen : de wijk tussen Molensingel/Hertenkamp en Jonkheer van Vredenburchlaan (zie gebiedstypenkaart) Ontwikkelingen en ruimtelijk beleid De gemeente Tholen streeft naar een gedifferentieerd woningaanbod. De parkachtige woongebieden hebben een heel eigen karakter en vormen met hun ruim opgezette structuur en statige, vaak grote villa’s een tegenpool van de kleine nauwe straatjes met relatief kleinschalige gesloten bebouwing van het stads- of dorpshart. Om de verscheidenheid aan woonmilieus te behouden of versterken, dient het karakter van de parkachtige woongebieden zorgvuldig bewaard te blijven. De bestemmingsplannen “Kom Scherpenisse” en “Buitenzorg Tholen” geven inzicht in de toegestane ontwikkelingen binnen deze gebieden. Waardebepaling en welstandsniveaus De parkachtige woongebieden vormen in de gemeente Tholen een uitzondering en zijn op zichzelf niet karakteristiek voor de gemeente. Wel zijn hier de rust en de ruimte, typische kenmerken voor de gemeente Tholen, in ruime mate aanwezig. Bovenstaande gebieden worden ten behoeve van de welstandsbeoordeling op basis van gebiedsgerichte criteria getoetst op welstandsniveau
- Gebiedsgerichte criteria hoofdaspecten plaatsing / situering: De plaatsing van het object past binnen de stedenbouwkundige hoofdopzet van het plangebied en is afgestemd op de plaatsing van objecten op belendende percelen. Het object is logisch, functioneel en in overeenstemming met de architectonische opzet op het kavel geplaatst. massavorm: De schaal en maatverhoudingen van de verschillende onderdelen (bijvoorbeeld het dakvlak en het gevelvlak) van het object zijn evenwichtig en passen binnen de karakteristiek van het plangebied. De kapvorm, nokrichting en oriëntatie van het object is afgestemd op die van objecten op belendende percelen. gevelopbouw: De gevelopbouw van het object is evenwichtig en past binnen de gebiedskarakteristiek. De open-dicht-verhoudingen van de gevelvlakken van het object zijn afgestemd op die van objecten op belendende percelen. materialen en kleuren hoofdvlakken: Het materiaal- en kleurgebruik van de gevels en dakvlakken van het object past binnen de karakteristiek van het plangebied en is afgestemd op het materiaal- en kleurgebruik van objecten op belendende percelen. Het materiaal- en kleurgebruik vertoont een duidelijke samenhang en versterkt de architectonische expressie van het object. 6.4.2W3-8: 20e eeuwse uitbreidingen in traditionele blokverkaveling met rijtjeshuizen Beschrijving In de loop van de 20e eeuw zijn er verschillende stromingen geweest in de volkswoningbouw. In het begin van de eeuw de tuindorpen, ontworpen in een zorgvuldige samenhang tussen stedenbouw en architectuur, met groen ingerichte straten en pleintjes. Later, in de 20er en 30er jaren worden tuinwijken gebouwd met een kenmerkende architectuur van forse kappen, ruime dakoverstekken en accenten in de vorm van erkers en loggia’s. In de wederopbouwperiode na de 2e wereldoorlog versobert de architectuur. Ook de stedenbouwkundige opzet is sober en zakelijk en laat vaak een eenvoudig blokpatroon zien van rechte straten met een symmetrisch profiel. In het laatste kwart van de eeuw komt er een reactie op de soberheid van de wederopbouwperiode. Gedurende een korte periode worden de verkavelingen grilliger en intiemer, met veel doodlopende straten en woonerven, maar in de 80er jaren wordt de verkaveling weer overzichtelijker met echte woonstraten en bouwblokken. Ook de architectuur wordt minder sober en meer uitgesproken, waarbij soms wordt teruggegrepen op architectuurstijlen uit het verleden. In de kleinere steden en dorpen zijn die verschillende stromingen vaak niet zo uitgesproken te herkennen. De schaal van de stads- of dorpsuitbreiding laat dat niet toe. Vandaar dat al deze categorieën worden samen gevat in één gebiedstype: 20e eeuwse uitbreidingen in traditionele blokverkaveling met rijtjeshuizen. Dit gebied heeft een overwegend rechthoekige blokverkaveling en de woningen zijn in rijtjes van drie of meer aaneen gebouwd. Er komen architectuurkenmerken uit verschillende perioden van de 20e eeuw voor. De bebouwing kenmerkt zich door een grote mate van herhaling. De woonblokken bestaan voornamelijk uit twee volledige bouwlagen met een zolder onder een schuine kap. Het dak, meestal een zadeldak, is voorzien van dakpannen. De nokrichting is vaak parallel met de weg. Over het algemeen zijn de gebouwen opgetrokken uit baksteen in een neutrale kleur. Een enkele maal is de gevel gedeeltelijk voorzien van een gevelbekleding in hout, plaat- of tegelwerk. Gevelonderdelen als kozijnen en boeiboorden zijn uitgevoerd in verschillende materialen, zoals hout of kunststof in diverse kleuren. De detaillering is veelal sober en ingetogen. In de gemeente Tholen vallen de volgende gebieden onder gebiedstype W3-8: • De Sluis : alle bebouwing • Oud-Vossemeer : diverse woonwijken rondom de historische dorpskern en achter de uitvalswegen (zie gebiedstypenkaart) • Poortvliet : diverse woonwijken ten noorden en westen van de historische dorpskern (zie gebiedstypenkaart) • Sint-Annaland : diverse woonwijken rondom de historische dorpskern (zie gebiedstypenkaart) • Sint-Maartensdijk : diverse woonwijken rondom het beschermde stadsgezicht (zie gebiedstypenkaart) • Sint Philipsland : diverse woonwijken ten westen van de historische dorpskern (zie gebiedstypenkaart) • Scherpenisse : diverse woonwijken ten westen van de historische dorpskern en de woonwijk rondom de Laban Deurloostraat (zie gebiedstypenkaart) • Stavenisse : woonwijken rondom de Prinses Irenestraat en de schoolstraat (zie gebiedstypenkaart) • Tholen : diverse woonwijken ten noordwesten van het beschermde stadsgezicht en de woonwijken Waterfront en Buitenzorg II (zie gebiedstypenkaart) Ontwikkelingen en ruimtelijk beleid Het beleid van de gemeente Tholen ten aanzien van de 20ste- eeuwse woonwijken is er met name op gericht de basiskwaliteiten van de wijken te behouden of te versterken. Een prettige leefomgeving binnen een grote verscheidenheid aan woonmilieus. De bestemmingsplannen “Bebouwde kom Sluis”, “Kom Oud-Vossemeer”, “Kom Poortvliet”, “Kom Sint-Annaland”, “Kom Sint-Maartensdijk”, “Achter ‘t bos Sint-Maartensdijk”, “Kern Sint Philipsland”, “Kom Scherpenisse”, “Scherpenisse West”, “Kom Stavenisse”, “Buitenzorg II Tholen”, “Molenvliet Tholen” en “Waterfront Tholen” geven inzicht in de toegestane ontwikkelingen binnen deze woonwijken. Waardebepaling en welstandsniveaus De bebouwing in deze woongebieden is kenmerkend voor de tijd waarin het is ontstaan en niet zo zeer typerend voor de gemeente Tholen. In veel gevallen is de architectonische en stedenbouwkundige opzet van de voornamelijk kleine woonwijkjes nog intact. Er wordt gestreefd naar handhaving van dit beeld. Voor deze woongebieden geldt dat voor de welstandsbeoordeling op basis van gebiedsgerichte criteria dient te worden getoetst op welstandsniveau
- Gebiedsgerichte criteria hoofdaspecten plaatsing / situering: De plaatsing van het object past binnen de stedenbouwkundige hoofdopzet van het plangebied en is afgestemd op de plaatsing van objecten op belendende percelen. Het object is logisch, functioneel en in overeenstemming met de architectonische opzet op het kavel geplaatst. massavorm: De schaal en maatverhoudingen van de verschillende onderdelen (bijvoorbeeld het dakvlak en het gevelvlak) van het object zijn evenwichtig en passen binnen de karakteristiek van het plangebied. De kapvorm, nokrichting en oriëntatie van het object is afgestemd op die van objecten op belendende percelen. gevelopbouw: De gevelopbouw van het object is evenwichtig en past binnen de gebiedskarakteristiek. De open-dicht-verhoudingen van de gevelvlakken van het object zijn afgestemd op die van objecten op belendende percelen. materialen en kleuren hoofdvlakken: Het materiaal- en kleurgebruik van de gevels en dakvlakken van het object past binnen de karakteristiek van het plangebied en is afgestemd op het materiaal- en kleurgebruik van objecten op belendende percelen. Het materiaal- en kleurgebruik vertoont een duidelijke samenhang en versterkt de architectonische expressie van het object. 6.4.3W9: individuele woningbouw (vrije sector) Beschrijving Individuele woningbouw bestaat uit veelal vrijstaande, gevarieerde woningen van één of twee bouwlagen met kap. De woningen zijn meestal opgetrokken uit baksteen in een neutrale kleur en een schuin dak, voorzien van dakpannen. De nokrichting varieert. De straten en buurten hebben een groen, en vaak dorps karakter. In de loop der jaren zijn de invloeden van diverse stedenbouwkundige stromingen ook in de vrije sectorwijken ingebracht. De woningen van rond de jaren vijftig zijn gesitueerd aan rechte straten met trottoir, straatbomen en heestervakken. Het kleurgebruik in de detaillering van deze woningen, zoals houtwerk in de gevel, is overwegend donker. In deze periode gaat het vaak om kleinere inbreidingsplannen. De straten vanaf het eind van de 20e eeuw zijn veelal geknikt met korte zijstraatjes en loopstroken in plaats van echte trottoirs. Het openbaar groen bestaat uit heestervakken met straatbomen. Hier gaat het naast kleine inbreidingsplannen ook om hele wijken en buurten aan de rand van de bebouwde kom. De woningen zijn veelal individueel ontworpen en hebben daardoor een eigen en herkenbaar gezicht. Als er voldoende ruimte tussen de panden aanwezig is, wordt een afwisseling in kleur- en materiaaltoepassing als prettig ervaren. Indien de kavels aan de krappe kant zijn en de ruimten tussen de woningen minimaal, werkt de diversiteit in het woningbeeld veelal negatief en ontstaan rommelige, onsamenhangende straten. De ruimere woongebieden zijn dan ook minder kwetsbaar dan compactere woongebieden. De laatste jaren wordt in de vrije sectorgebieden veel aandacht besteed aan de ruimtelijke kwaliteit o.a. in de vorm van beeldkwaliteitplannen. In de gemeente Tholen kunnen we de volgende gebieden onderscheiden die onder gebiedstype W9 vallen: • Anna Jacobapolder : de woonwijk Steintjeskreek (zie gebiedstypenkaart) • Oud-Vossemeer : woongebieden rondom de Prins Mauritsstraat, Marehoekstraat en Damasstraat (zie gebiedstypenkaart) • Poortvliet : woongebied rondom de Burgemeet (zie gebiedst