← Nederland

Uitvoeringsregelsop grond van de Keur van het hoogheemraadschap van Rijnland voor handelingen in het watersysteem. (Hoogheemraadschap van Rijnland)

Kort samengevat

Deze uitvoeringsregels van het Hoogheemraadschap van Rijnland beschrijven de voorwaarden en procedures voor activiteiten die invloed hebben op het watersysteem, met als doel het waarborgen van voldoende, schoon en veilig water. Ze leggen uit wanneer een zorgplicht, algemene regel, vergunningplicht of absoluut verbod van toepassing is op dergelijke handelingen.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

Uitvoeringsregelsop grond van de Keur van het hoogheemraadschap van Rijnland voor handelingen in het watersysteem.Inleiding Borgen van voldoende water, schoon en gezond water en waterveiligheid Vastgesteld door het college van dijkgraaf en hoogheemraden op 3 februari 2015, inclusief de partiële herziening vastgesteld door het college van dijkgraaf en hoogheemraden op 7 juli 2015 (corsa 15.076510) INHOUDSOPGAVE INHOUDSOPGAVE 2 1 Inleiding 5 1 De Keur 5 2 Zorgplicht en erkende maatregel 5 3 Algemene regel 6 4 Vergunningplicht 7 5 Absoluut verbod 7 6 Relatie met andere regels 7 2 Bruggen en andere volledige overkluizingen 9 1 Inleiding 9 2 Algemene motivering 10 3 Erkende maatregel 12 4 Beleidsregel 13 3 Dempen 15 1 Inleiding 15 2 Algemene motivering 16 3 Algemene regel 19 4 Beleidsregel 24 4 Duikers 29 1 Inleiding 29 2 Algemene motivering 30 3 Algemene regel 33 4 Beleidsregel 35 5 Graven van oppervlaktewater 37 1 Inleiding 37 2 Algemene motivering 38 3 Algemene regel 40 4 Beleidsregel 42 6 Steigers, aanmeervoorzieningen en meerpalen 44 1 Inleiding 44 2 Algemene motivering 45 3 Erkende maatregel 46 4 Algemene regel 48 7 Botenhuizen en plaatsgebonden drijvende objecten 49 1 Inleiding 49 2 Algemene motivering 50 3 Erkende maatregel 52 4 Algemene regel 53 8 Handelen in een waardevolle oever 54 1 Inleiding 54 2 Algemene motivering 55 3 Algemene regel 57 9 Beschoeiingen en damwanden 59 1 Inleiding 59 2 Algemene motivering 60 10 Objecten in de beschermingszone van watergangen 61 1 Inleiding 61 2 Algemene motivering 62 3 Erkende maatregel 63 4 Beleidsregel 64 11 Versnelde afvoer bij toename verhard 65 oppervlak 65 1 Inleiding 65 2 Algemene motivering 66 3 Algemene regel 68 4 Beleidsregel 71 12 Hemelwateruitlaat of riooloverstort 75 1 Inleiding 75 2 Algemene motivering 76 3 Erkende maatregel 78 4 Beleidsregel 79 13 Handelen in een vaarweg 80 (treedt op een later tijdstip in werking) 80 1 Inleiding 80 2 Algemene motivering 81 3 Algemene regel 82 14 Bodemonderzoek 84 1 Inleiding 84 2 Algemene motivering 85 3 Algemene regel 87 15 Kabels en leidingen 88 1 Inleiding 88 2 Algemene motivering 89 3 Erkende maatregel 92 4 Algemene regel 93 5 Beleidsregel 95 16 Beweiding 97 1 Inleiding 97 2 Algemene motivering 98 3 Beleidsregel 99 17 Peilafwijking 101 1 Inleiding 101 2 Algemene motivering 102 3 Erkende maatregel 105 4 Algemene regel 106 5 Beleidsregel 108 18 Inlaatconstructies (overige doeleinden) 112 1 Inleiding 112 2 Algemene motivering 113 3 Beleidsregel 114 19 Bouwen 115 1 Inleiding 115 2 Algemene motivering 116 3 Erkende maatregel 123 4 Algemene regel kust 125 5 Algemene regel waterkeringen 127 6 Algemene regel kwelgebieden 129 7 Beleidsregel kust 130 8 Beleidsregel waterkeringen 133 20 Grondverzet 137 1 Inleiding 137 2 Algemene motivering 138 3 Erkende maatregel 143 4 Algemene regel 144 5 Beleidsregel 146 21 Risicovolle werken waterkering en zeewering 150 1 Inleiding 150 2 Algemene motivering 151 3 Beleidsregel 153 22 Voertuigen en werktuigen op de waterkering 154 1 Inleiding 154 2 Algemene motivering 155 3 Erkende maatregel 157 4 Beleidsregel 158 23 Beplanting op de waterkering 159 1 Inleiding 159 2 Algemene motivering 160 3 Erkende maatregel 162 4 Algemene regel 163 5 Beleidsregel 165 24 Grondwateronttrekkingen en grondwaterinfiltraties 167 1 Inleiding 167 2 Algemene motivering 168 3 Erkende maatregel 171 4 Algemene regel 173 5 Beleidsregel 178 25 Wegen, paden en verharding waterkeringen 185 en zeewering 185 1 Inleiding 185 2 Algemene motivering 186 3 Erkende maatregel 190 4 Beleidsregel 191 26 Verwijderen/slopen van objecten 194 1 Inleiding 194 2 Algemene motivering 195 3 Algemene regel 197 4 Beleidsregel 198 Bijlage 1: Begripsbepalingen 199 Bijlage 2: Kaarten (door Rijnland vastgesteld) 205 Bijlage 3: Kaarten (ter informatie) 215 De Keur De Keur is een juridisch document (verordening) waarin het hoogheemraadschap van Rijnland (in het vervolg van dit document ‘Rijnland’) regels stelt die nodig zijn om binnen het beheergebied waterveiligheid, droge voeten, voldoende oppervlaktewater en schoon oppervlaktewater te bieden. Het belangrijkste onderdeel van de Keur is hoofdstuk 3. In dit hoofdstuk heeft Rijnland vastgelegd op welke wijze handelingen die invloed hebben op het functioneren van het watersysteem worden gereguleerd. Het gaat hierbij om regulering via een zorgplicht, algemene regel, vergunningplicht of een absoluut verbod. Dit houdt in dat handelingen in het watersysteem in eerste instantie via de zorgplicht gereguleerd worden. Als er redenen zijn om handelingen zwaarder te reguleren, via een algemene regel of vergunningplicht, wordt dat uitgelegd in de regelgeving. Hieronder volgt eerst een uitleg van de diverse instrumenten. Zorgplicht en erkende maatregel De Keur bevat geen opsomming van handelingen waarvoor de zorgplicht van toepassing is – zoals voorheen – maar bepaalt dat de zorgplicht geldt voor alle handelingen waarvoor geen algemene regel, vergunningplicht of absoluut verbod geldt. Concreet betekent dit dat de zorgplicht van toepassing is op alle handelingen waarbij dat in dit document is aangegeven en op alle handelingen die niet in dit document zijn opgenomen. Met deze zorgplicht wordt recht gedaan aan het ‘ja, tenzij’-uitgangspunt. De handelingen zijn toegestaan, tenzij er onvoldoende zorg in acht is genomen. Bij handelingen waarop de zorgplicht van toepassing is, zijn er geen of nagenoeg geen nadelige effecten op het functioneren van het watersysteem te verwachten. Met andere woorden: de handelingen die onder deze zorgplicht zijn toegestaan, zijn handelingen met een (zeer) beperkt risico. Ondanks de beperkte omvang van de aan de handeling verbonden risico’s op het functioneren van het watersysteem, gaat het geheel niet reguleren van deze handelingen een stap te ver. Het in zijn geheel niet reguleren zou namelijk een totale vrijbrief geven voor deze handelingen. Een dergelijke vrijbrief kan, zeker met het oog op innovatieve handelingen, een bedreiging vormen voor het functioneren van het watersysteem. Om deze reden voorziet de Keur in een vangnet.. De zorgplicht is dit vangnet. Op basis van deze zorgplicht krijgt eenieder de verplichting om bij het uitvoeren van handelingen voldoende zorg voor het functioneren van het watersysteem in acht te nemen. In de Keur is aangegeven welke randvoorwaarden hierbij in acht moeten worden genomen. Er moet worden benadrukt dat de zorgplicht echt als vangnet is bedoeld. De zorgplicht is dus niet bedoeld om een optimale inrichting van het watersysteem te realiseren, maar om schade aan het watersysteem te voorkomen. Dus alleen in gevallen waarin daadwerkelijk schade is of dreigt te worden toegebracht aan het watersysteem. Er wordt daarom geen actief toezicht gehouden op de naleving van de zorgplicht. Slechts wanneer signalen worden ontvangen over problemen die door niet naleving van deze zorgplicht zijn ontstaan, wordt gebruikgemaakt van toezichthoudende en handhavende bevoegdheden. Met andere woorden: slechts geconstateerde problemen worden gerepareerd. Deze werkwijze past bij het feit dat handhaving van zorgplichten alleen mogelijk is wanneer er sprake is van (acute dreiging van) schade aan het watersysteem, hetgeen veroorzaakt is of wordt door nalatig handelen. Een zorgplicht zal voor burgers en bedrijven niet altijd voldoende duidelijk zijn. Om onzekerheid over de toelaatbaarheid van de handeling te voorkomen, heeft Rijnland voor veelvuldig voorkomende handelingen erkende maatregelen vastgesteld. Deze erkende maatregelen zijn in dit document opgenomen en geven aan onder welke omstandigheden de handeling in ieder geval is toegestaan. Dit betekent dat wanneer wordt voldaan aan de erkende maatregel, per definitie wordt voldaan aan de zorgplicht. Deze stelling kan echter niet worden omgedraaid. Wanneer niet volgens de erkende maatregel is gehandeld, kan toch worden voldaan aan de zorgplicht. Met andere woorden: handelingen volgens de erkende maatregel voldoen aan de zorgplicht, maar het mag ook anders. Hiermee biedt de zorgplicht een grote mate van flexibiliteit. Tegelijkertijd wordt met deze aanpak onduidelijkheid weggenomen en worden de rechtsonzekerheid en de daarmee gepaard gaande bestuurlijke en administratieve lasten, problemen met handhaafbaarheid en een mogelijke vermindering van het beschermingsniveau, verkleind. Algemene regel De Keur bevat een opsomming van alle handelingen waarvoor een algemene regel geldt (artikel 3.2, lid 2). Deze algemene regels zijn in dit document uitgewerkt. Om te bepalen of een algemene regel geldt, kan dus ook dit document worden geraadpleegd. In de algemene regels worden concrete voorschriften opgenomen waaraan bij de handeling moet worden voldaan. In plaats van ‘ja, tenzij’ geldt hier ‘ja, mits’. De in de algemene regels opgenomen handelingen zijn toegestaan, mits aan alle voorwaarden wordt voldaan. De meerwaarde van deze algemene regels is de rechtszekerheid en de betere handhaafbaarheid. Vanuit het streven naar vergaande lastenreductie verbindt Rijnland in beginsel geen meldplicht aan de algemene regels. Wanneer aan de algemene regels geen meldplicht wordt verbonden, wordt net als bij de zorgplicht geen actief toezicht op de naleving gehouden. Ook deze algemene regels zijn erop gericht om schade te voorkomen. Slechts wanneer signalen (bijvoorbeeld handhavingsverzoeken, klachten vanuit de ambtelijke organisatie) worden ontvangen, wordt gebruikgemaakt van toezichthoudende en handhavende bevoegdheden. Een meldplicht is alleen opgenomen wanneer:

(1)toezicht op de naleving door het bestuur noodzakelijk wordt geacht of
(2)het verplicht is om veranderingen van het watersysteem in de legger op te nemen. Algemene regels hebben als eigenschap dat deze weinig flexibiliteit bieden. De voorwaarden zijn namelijk absoluut en moeten in alle gevallen worden nageleefd. Dit kan in bijzondere situaties tot ongewenste starheid leiden. In deze uitzonderlijke situaties kan maatwerk de gewenste flexibiliteit bieden. De Keur maakt het daarom mogelijk om in de algemene regel aan te geven dat via maatwerk van voorwaarden kan worden afgeweken. In een concreet geval zal die afwijking in een apart maatwerkbesluit, een zogenaamd maatwerkvoorschrift, worden opgenomen. De afwijking kan zowel een verzwaring als een versoepeling van de voorwaarden betreffen. Deze afwijkingsmogelijkheid moet, vanwege de rechtszekerheid, specifiek worden gemaakt. Dit betekent dat in de algemene regel is aangegeven van welke voorwaarde kan worden afgeweken. Indien maatwerk wordt aangevraagd, is dit een aanvraag in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en zal deze behandeld worden conform de Awb: in beginsel wordt er binnen acht weken beslist op een aanvraag. Indien Rijnland, naar aanleiding van een door een initiatiefnemer gedane melding, ambtshalve ertoe overgaat maatwerk op te stellen, zal dit maatwerkvoorschrift in beginsel binnen twee weken aan de initiatiefnemer toegezonden worden. De reactietermijn van twee weken komt overeen met de termijn waarop de melding gedaan moet zijn, alvorens tot uitvoering overgegaan mag worden: in iedere algemene regel wordt een termijn van twee weken voorgeschreven voor het doen van een melding. Vergunningplicht De Keur bevat een opsomming van alle handelingen waarvoor een vergunningplicht geldt (artikel 3.3, lid 1). In dit document heeft Rijnland een beleidsregel uitgewerkt voor veel handelingen waarvoor een vergunning noodzakelijk is. In deze beleidsregel geeft Rijnland aan hoe een aanvraag om een vergunning zal worden beoordeeld. Absoluut verbod De Keur bevat een opsomming van alle handelingen waarvoor een absoluut verbod geldt (artikel 3.4, lid 1). Relatie met andere regels Wij wijzen erop dat in het algemeen ook andere regels gelden voor de handeling(
  1. en)die u wenst te verrichten. Het is de verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer om te zorgen voor alle noodzakelijke toestemmingen. De meest voorkomende zetten wij hier voor u op een rij: Omgevingsvergunning: de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) regelt toestemmingen op het gebied van milieu, wonen, ruimtelijke ordening, natuurbescherming, en dergelijke. Doe op www.omgevingsloketonline.nl een check om te kijken of voor de door u gewenste handeling ook een omgevingsvergunning of melding in het kader van de Wabo nodig is! Ontheffing in het kader van de Flora- en faunawet: de Flora- en faunawet regelt de bescherming van planten- en diersoorten. In de wet staan onder meer regels voor beheer, schadebestrijding, jacht, handel en het bezit van beschermde soorten. Soms hebt u een ontheffing Flora- en faunawet nodig. Deze vraagt u aan bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.
  2. nl)of de provincie. Voor meer informatie zie: http://www.antwoordvoorbedrijven.nl/regel/ontheffing-flora-fauna. Privaatrechtelijke toestemmingen: het kan zijn dat u voor het uitvoeren van uw handeling de toestemming nodig hebt van de eigenaar van het water of de grond waar u uw handeling in of op gaat uitvoeren, indien u van dat water of de grond zelf geen eigenaar bent. Van sommige wateren en gronden kan de overheid, zoals de gemeente of Rijnland, de eigenaar zijn. In die gevallen hebt u van dat overheidsorgaan een eigendomstoestemming nodig. Ook kan het zijn dat het water of de grond in eigendom is van een particulier. Vraag dan aan de particulier toestemming voor het verrichten van uw handeling, zodat u zeker weet dat u tot uitvoering over kunt gaan! Besluit Bodemkwaliteit: bij veel van de in deze uitvoeringsregels beschreven handelingen wordt grond, bagger of een bouwstof toegepast. Wanneer u dit doet, zijn ook de regels uit het Besluit Bodemkwaliteit voor u van toepassing. Meer informatie vindt u op: https://meldpuntbodemkwaliteit.agentschapnl.nl/Voorportaal.aspx ·Vaarwegen: een aantal watergangen waarop deze regels van toepassing zijn heeft een functie als vaarweg voor de beroeps- en/of pleziervaart. De provincies zijn in veel gevallen verantwoordelijk voor het vaarwegbeheer in deze watergangen. Om de doorvaarbaarheid te garanderen hebben de provincies regels gesteld voor handelingen in deze vaarwegen. Voor u betekent dit dat u naast deze regels ook moet voldoen aan de soms strengere provinciale regels. Bruggen en andere volledige overkluizingen Inleiding Een brug is een verbinding tussen twee percelen, die door een watergang van elkaar worden gescheiden. Een brug vormt een volledige overkluizing van een watergang. Iedere brug kan het functioneren van het watersysteem beïnvloeden. Of en in welke mate een brug invloed heeft op het watersysteem, is afhankelijk van het type brug en de functie van de watergang waarover deze brug wordt aangelegd. Bruggen zijn er in allerlei vormen en maten. Enkele voorbeelden zijn: een loopplank, een voetgangersbrug in een wandelgebied en een spoorbrug. Andere voorbeelden van volledige overkluizingen zijn: een containerveld voor boomkwekerijgewassen boven een watergang en een (school)plein boven een watergang. Drijvende objecten, zoals pontons, zijn geen overkluizingen. Deze drijvende objecten vallen onder hoofdstuk 7. Daar waar in de beslisboom van paragraaf 2.2 over brug wordt gesproken, dient ook ‘andere volledige overkluizingen’ te worden gelezen. Algemene motivering Toelichting vraag 1 Brughoofden kunnen een demping van oppervlaktewater tot gevolg hebben, omdat deze soms gedeeltelijk in de watergang worden aangebracht. Indien dat het geval is, moet naast dit hoofdstuk over bruggen ook hoofdstuk 3 over dempingen worden geraadpleegd. Toelichting vraag 2 Bruggen kunnen worden aangelegd ter plaatse van een waterkering. Wanneer dit het geval is, kan deze brug invloed hebben op deze waterkering. Daarom moet naast dit hoofdstuk over bruggen ook hoofdstuk 19 over bouwen worden geraadpleegd. Toelichting vraag 3 Bruggen kunnen worden aangelegd in een gebied dat gevoelig is voor kwel. Wanneer dit het geval is, moet daarom naast dit hoofdstuk over bruggen ook hoofdstuk 19 over bouwen (waaronder bouwen in kwetsbare kwelgebieden) worden geraadpleegd. Toelichting vraag 4 Bruggen kunnen de doorvaart belemmeren. Wanneer de brug wordt aangelegd over een watergang die een vaarwegfunctie heeft, moet daarom naast dit hoofdstuk over bruggen ook hoofdstuk 13 over vaarwegen worden geraadpleegd. Toelichting vraag 5 Een brug kan worden aangelegd ter plaatse van een waardevolle oever. Wanneer dit het geval is, moet daarom naast dit hoofdstuk over bruggen ook hoofdstuk 8 over handelen in een waardevolle oever worden geraadpleegd. Toelichting vraag 6 De oppervlaktewateren in Rijnland zijn onderverdeeld in twee typen: hoofdwatergangen en overige watergangen. In de legger is per locatie het type watergang aangegeven. De hoofdwatergangen hebben een belangrijke functie in de aan- en afvoer van water. In deze hoofdwatergangen kan daarom niet zonder meer worden volstaan met een zorgplicht. Omdat de overige watergangen een minder belangrijke functie hebben, kan worden volstaan met een zorgplicht. Toelichting vraag 7 Wanneer de brug wordt voorzien van ondersteunende constructies (niet zijnde een brughoofd) in de hoofdwatergang, kan dit de doorstroming negatief beïnvloeden. Via een maatwerkbeoordeling moet worden beoordeeld of de voorgenomen constructies al dan niet toelaatbaar zijn. Dit betekent dat, wanneer een ondersteunende constructie in de watergang wordt geplaatst, er sprake is van een vergunningplicht. Als brughoofden worden verwijderd en opnieuw worden geplaatst, wordt dit gezien als de aanleg van een nieuwe brug, waarvoor een vergunningaanvraag moet worden ingediend en waarvoor de nu geldende (verval)eisen zullen gelden. De aanwezigheid van een brug kan de mogelijkheden tot onderhoud van een hoofdwatergang beperken. Wanneer de afstand tussen de waterspiegel bij het hoogste peil (meestal zomerpeil) en de onderkant van de brug minimaal 1,00 meter bedraagt, is varend onderhoud mogelijk. In deze gevallen kan daarom worden volstaan met een zorgplicht. Wanneer een brug lager is, moet via een maatwerkbeoordeling worden beoordeeld of de betreffende watergang nog kan worden onderhouden. De hoogte wordt gemeten tussen de onderkant van de brug en de waterspiegel bij het hoogste peil (meestal zomerpeil). Per locatie kan een ander peil worden gehanteerd. Het hoogste peil op de betreffende locatie is te raadplegen via het geldende peilbesluit. De geldende peilbesluiten zijn te vinden op www.rijnland.net. Erkende maatregel Beleidsregel Toelichting artikel 1: Reikwijdte van deze beleidsregel Deze beleidsregel is van toepassing op het aanbrengen en hebben van een brug in een hoofdwatergang, waarbij een constructie in de watergang wordt geplaatst of wanneer de brug lager is dan 1 meter ten opzichte van het hoogste peil (meestal zomerpeil). Deze handeling is op grond van artikel 3.3, lid 1, sub a van de Keur zonder vergunning verboden. In deze beleidsregel is aangegeven hoe Rijnland de aanvraag om een vergunning zal toetsen en welke eisen in de vergunning worden opgenomen. Toelichting artikel 2: Toetsing constructie Een constructie in de hoofdwatergang belemmert de doorstroming, hierdoor ontstaat opstuwing. Het hoogteverschil dat hierbij ontstaat wordt verval genoemd. Alhoewel constructies in de regel slechts een beperkt verval veroorzaken, kan het cumulatieve effect van meerdere constructies aanzienlijk zijn. Rijnland geeft daarom de voorkeur aan bruggen zonder constructies in de hoofdwatergang. Afhankelijk van de lokale omstandigheden kunnen constructies in de hoofdwatergang echter wel worden toegestaan. Het door deze constructie veroorzaakte verval mag geen belemmering vormen voor het functioneren van het watersysteem. Concreet betekent dit dat het verval niet te groot mag zijn. Het toelaatbare verval is afhankelijk van de lokale omstandigheden. Zo kan een klein verval in hoofdwatergangen die onderdeel zijn van het boezemsysteem, door de grote lengte van dit systeem grote gevolgen hebben. In dit geval is slechts een heel gering verval acceptabel. In hoofdwatergangen die onderdeel zijn van een poldersysteem, hangt het toelaatbare verval af van vele factoren, zoals de omvang van het peilgebied waarin de brug zich bevindt en het aantal al aanwezige (en te verwachten) kunstwerken. Per situatie beoordeelt Rijnland aan de hand van vastgestelde rekenmodellen of het verval voor de aangevraagde situatie acceptabel is. Om het verval zo klein mogelijk te houden, moet het aantal en de omvang van de constructie(
  3. s)in de hoofdwatergang tot een minimum worden beperkt. Daarnaast mag de constructie het (varend)onderhoud aan de watergang niet hinderen. Toelichting artikel 3: Toetsing hoogte Rijnland is verantwoordelijk voor het onderhoud van (nagenoeg alle) hoofdwatergangen. Om dit onderhoud nu en in de toekomst efficiënt en effectief uit te voeren, is het van belang om de mogelijkheid open te houden om dit onderhoud vanaf het water uit te voeren. Voor dit onderhoud vanaf het water is het belangrijk dat de hoofdwatergang zonder obstructies bevaarbaar is. Wanneer de afstand tussen de waterspiegel bij het hoogste peil (meestal zomerpeil) en de onderkant van de brug minimaal 1 meter bedraagt, is de doorvaart gegarandeerd. Rijnland heeft daarom de voorkeur voor een minimale hoogte van 1 meter. In een aantal situaties, zoals bij hoofdwatergangen met een geringe drooglegging, is een minimale hoogte van 1 meter niet altijd realistisch en/of technisch moeilijk realiseerbaar. In die gevallen kan, indien dit het onderhoud van de watergang niet hindert, een lagere brug worden toegestaan. Toelichting artikel 4:Eisen in de vergunning In de vergunning neemt Rijnland de eisen op die nodig zijn om het functioneren van het watersysteem te borgen. Constructies (a, b en
  4. c)De eisen over het aantal in de watergang te plaatsen constructies, de vorm en afmeting van deze constructies en de ligging van deze constructies zorgen dat het verval in de praktijk niet groter is dan de getoetste situatie. Hoogte (
  5. d)De eis over de hoogte van de brug moet – indien noodzakelijk – de doorvaartmogelijkheid in verband met onderhoud van de hoofdwatergang borgen. Bodem- en oeverbescherming (
  6. e)In de regel geldt dat verval en stroomsnelheid aan elkaar zijn gerelateerd: als het verval toelaatbaar is, is de maximale stroomsnelheid in principe niet groter dan 0,20 meter per seconde. Echter, als de omstandigheden een groter verval toelaten, kan Rijnland extra bodem- en oeverbeschermende maatregelen voorschrijven. Deze maatregelen voorkomen uitschuring van het onderwaterprofiel en -talud. Dempen Inleiding Onder demping verstaat Rijnland alle activiteiten waardoor het bergende oppervlak, zoals vastgelegd in de legger Oppervlaktewateren, afneemt. Bij de beoordeling of een oppervlaktewater (gedeeltelijk) wordt gedempt, wordt onder andere uitgegaan van de in de legger Oppervlaktewateren gekarteerde oeverlijn. Voorbeelden van dempingen zijn: volledig of gedeeltelijk dempen van een oppervlaktewater of greppel; het aanbrengen van (ontsluitings)dammen in een oppervlaktewater; het steiler optrekken van taluds. Algemene motivering Toelichting 1 Een demping zorgt voor een verlies aan waterberging. In de regels over demping is daarom in beginsel voorgeschreven dat dit verlies moet worden gecompenseerd. Dit kan en zal veelal gebeuren door het graven van nieuw oppervlaktewater. Wanneer dit het geval is, moet daarom naast dit hoofdstuk over dempingen ook hoofdstuk 5 over het graven van oppervlaktewater worden geraadpleegd. Toelichting vraag 2 Een demping kan worden uitgevoerd ter plaatse van een waardevolle oever. Wanneer dit het geval is, moet daarom naast dit hoofdstuk over dempingen ook hoofdstuk 8 over handelen in een waardevolle oever worden geraadpleegd. Toelichting vraag 3 Bij het steiler optrekken van een talud is meestal sprake van een demping. Wanneer een (bovenwater)talud van bijvoorbeeld 1:6 opgetrokken wordt tot 1:2, dan wordt de watergang iets smaller. Het gaat hier vrijwel altijd om een zeer beperkte demping, met een gering effect op het watersysteem. Ditzelfde effect treedt op wanneer een beschoeiing op de oeverlijn wordt geplaatst. Voor het steiler optrekken van een talud, al dan niet door het plaatsen van een beschoeiing, kan daarom worden volstaan met een zorgplicht. Indien het steiler optrekken leidt tot een versmalling van de watergang, is er alsnog sprake van een demping en dient doorgegaan te worden met vraag 4. Toelichting vraag 4 De oppervlaktewateren in Rijnland zijn onderverdeeld in twee typen: hoofdwatergangen en overige watergangen. De hoofdwatergangen zijn van regionaal belang voor de aan- en afvoer van water en daarom geldt voor deze watergangen een vergunningplicht. Toelichting vraag 5 Dempingen van meer dan 100 vierkante meter vragen, ook in overige watergangen, een maatwerkafweging. De grote omvang van de demping kan namelijk aanzienlijke beperking van de aan- en afvoer van water opleveren. Bij deze maatwerkafweging zijn de locatie van de demping en de locatie van de ontgraving ten opzichte van het afvoerende gemaal, van belang. Vanwege deze maatwerkafweging is een vergunningplicht noodzakelijk. Toelichting vraag 6 Een demping in een overige watergang die wordt uitgevoerd in de beschermingszone van een waterkering, kan de stabiliteit van deze waterkering beïnvloeden. Om de waterkering te beschermen is het noodzakelijk om de mogelijke gevolgen van de demping op de kering te beoordelen. Hiervoor is een vergunningplicht noodzakelijk. Toelichting vraag 7 Om voldoende water door een overige watergang te kunnen transporteren, is het belangrijk dat de watergang voldoende breed is. Rijnland streeft daarbij naar watergangen met een minimale breedte van 4 meter. Wanneer de demping leidt tot een versmalling van de overige watergang is dat toegestaan, mits de watergang na demping minimaal 4,00 meter breed blijft. Wanneer de watergang na demping smaller wordt dan 4 meter, is dit in beginsel niet toegestaan. Onder omstandigheden kan Rijnland via maatwerk toch toestaan dat de watergang smaller wordt. Voordat mag worden overgegaan tot de demping, moet dit maatwerkvoorschrift zijn verleend. Toelichting vraag 8 Klei op veen en veengronden zijn zettingsgevoelige gronden. Belangrijke factor hierin is de grondwaterstand beneden het maaiveld (ontwateringsdiepte). De grondwaterstand in een perceel wordt mede bepaald door het waterpeil en de afstand tussen oppervlaktewateren. Vooral in veengebieden kunnen door dempingen dusdanig brede percelen ontstaan, dat daardoor de grondwaterspiegel in de zomer/droge periode vooral midden in het perceel te veel daalt, waardoor verdroging en versnelde maaivelddaling kan worden veroorzaakt. Tegelijk moet worden voorkomen dat een te grote breedte van percelen ook de ontwatering niet te zeer beïnvloedt, waardoor bij regenval juist vernatting van het perceel kan ontstaan. Hiervoor is in de algemene regel opgenomen dat in deze gebieden geen nieuwe percelen mogen worden gevormd die breder zijn dan 80,00 meter. Wanneer het nieuwe perceel breder wordt dan 80 meter, mag de demping in beginsel niet plaatsvinden. Onder omstandigheden kan Rijnland echter via maatwerk toestaan dat het nieuwe perceel breder wordt dan 80 meter. Voordat mag worden overgegaan tot de demping, moet dit maatwerkvoorschrift zijn verleend. Toelichting vraag 9 Om het negatieve effect van de demping op de waterberging te beperken, is een compensatieverplichting in de algemene regel opgenomen. Aangezien dit effect lokaal is, is in de algemene regel voorgeschreven dat deze compensatie in de directe invloedssfeer van de demping moet plaatsvinden. Concreet betekent dit bij een demping in een: overige watergang die onderdeel uitmaakt van het poldersysteem, dat de compensatie moet plaatsvinden in hetzelfde peilvak als de demping; overige watergang die onderdeel uitmaakt van het boezemsysteem, dat de compensatie moet plaatsvinden in het boezemsysteem en binnen een straal van 5 kilometer. Het is in beginsel niet mogelijk om de compensatie buiten deze gebieden te verrichten. In bijzondere omstandigheden kan Rijnland de compensatie via maatwerk toch op een andere locatie toestaan. Voordat mag worden overgegaan tot de demping, moet dit maatwerkvoorschrift zijn verleend. Toelichting vraag 10 Om het negatieve effect van de demping op de waterberging te beperken, is een compensatieverplichting in de algemene regel opgenomen. In de uitzonderlijke situatie waarin
(1)blijkt dat de oeverlijn niet correct in de legger Oppervlaktewateren is weergegeven of
(2)de demping plaatsvindt in een polder waarin een grote waterplas aanwezig is, kan het college vrijstelling geven van de compensatieverplichting. Voordat mag worden overgegaan tot de demping, moet dit maatwerkvoorschrift zijn verleend. Algemene regel Toelichting artikel 1: Reikwijdte van deze algemene regel Deze algemene regel is van toepassing op het dempen van (een deel van) een overige watergang, wanneer: het oppervlak van de demping niet groter is dan 100 vierkante meter, en de demping niet plaatsvindt in de kern- en beschermingszone van een waterkering. Aan deze handeling zijn op grond van artikel 3.2, lid 1 en lid 2, sub a van de Keur voorwaarden verbonden. In deze algemene regel zijn deze voorwaarden opgenomen. Toelichting artikel 2: Demping Niet belemmeren van wateraanvoer en waterafvoer
(1)Wanneer een overige watergang een functie heeft in de aanvoer of afvoer van water, zal het (gedeeltelijk) dempen van dat water in veel gevallen leiden tot stagnatie van de doorstroming en daarmee tot een verminderd functioneren van het watersysteem. Het is niet acceptabel om oppervlaktewateren te dempen, indien achterliggende of aangrenzende gebieden daardoor niet meer voldoende kunnen worden voorzien van water. Dempingen zijn ook niet acceptabel als het water van achterliggende of aangrenzende gebieden niet meer voldoende kan worden afgevoerd. Eventuele stagnatie in de doorstroming kan worden voorkomen door een vervangende watergang aan te leggen of door een duiker in de demping te plaatsen. Dempen doodlopende watergang
(2)Wanneer een doodlopende watergang wordt gedempt, is het belangrijk dat de demping vanaf de kopse kant wordt uitgevoerd. Met deze werkwijze wordt aan de in het water aanwezige fauna een kans geboden om zich te verplaatsen naar het deel van de watergang dat niet wordt gedempt. Versmalling van de watergang
(3)In het geval dat een overige watergang door een demping wordt versmald, moet na demping minimaal een breedte van 4 meter overblijven. Dit is ook de minimale breedte bij de aanleg van nieuwe overige watergangen. Een breedte van 4 meter is voldoende om de aan- en afvoer van water door een overige watergang te borgen. Gebieden met klei op veen en veengronden
(4)Klei op veen en veengronden zijn zettingsgevoelige gronden. Klink (zetting), krimp en oxidatie (vertering) zijn de processen die hierbij tot maaivelddaling kunnen leiden. Een belangrijke factor hierin is de grondwaterstand beneden het maaiveld (ontwateringsdiepte). De grondwaterstand in een perceel wordt mede bepaald door het waterpeil en de afstand tussen oppervlaktewateren. Vooral in veengebieden kunnen door dempingen dusdanig brede percelen ontstaan, dat daardoor de grondwaterspiegel in de zomer/droge periode vooral midden in het perceel te veel daalt, waardoor verdroging en versnelde maaivelddaling kan worden veroorzaakt. Tegelijk moet worden voorkomen dat een te grote breedte van percelen ook de ontwatering niet te zeer beïnvloedt, waardoor bij regenval juist vernatting van het perceel kan ontstaan. Hiervoor is in de algemene regel opgenomen dat in deze gebieden geen nieuwe percelen mogen worden gevormd die breder zijn dan 80 meter. Toelichting artikel 3: Compensatie Verplichting tot compensatie
(1)Door demping van een (deel van een) overige watergang neemt het bergend vermogen van het betreffende peilvak af. Dit verlies aan bergend vermogen kan wateroverlast veroorzaken. Om dit te voorkomen, wordt voorgeschreven dat een minstens even groot oppervlak water in hetzelfde peilvak wordt gecreëerd. Compensatie via een Berging Rekening Courant
(2)Diverse gemeenten en enkele andere partijen binnen het beheersgebied van Rijnland hebben een zogenaamde Berging Rekening Courant (BRC): een saldo van gedempt en gegraven water. Indien de eigenaar van de BRC in een peilvak beschikt over een positief saldo, kan zij derden toestemming geven om hier gebruik van te maken. Degene die dempt en de compensatie wil regelen via de BRC, verzoekt de eigenaar om toestemming. Wanneer deze toestemming wordt gegeven, hoeft er geen compenserend water te worden gegraven. Compensatie door recent gegraven water
(3)Het wateroppervlak dat recent en vrijwillig is gegraven, kan worden ingezet voor de compensatie die op grond van het eerste lid is voorgeschreven. Hierbij zijn echter twee belangrijke voorwaarden:
(1)het water is niet gegraven om aan een wettelijke verplichting te voldoen en
(2)het water mag maximaal drie jaar voor de melding van de demping zijn gegraven. Deze termijn van drie jaar is ingebouwd, omdat Rijnland moet weten op welk waterbergend vermogen in een peilgebied blijvend kan worden gerekend. Moment van compensatie
(4)Rijnland stelt als voorwaarde dat compensatie plaatsvindt voorafgaand aan of gelijktijdig met de werkzaamheden. Open verbinding
(5)Het water dat ter compensatie wordt gegraven, moet bijdragen aan de waterberging in het betreffende gebied. Daartoe dient het water in open verbinding te staan met de rest van het oppervlaktewatersysteem. Het graven van een geïsoleerde vijver wordt dus niet beschouwd als compensatie voor een demping. Locatie van de compensatie (6 en 7) Aangezien het effect van een demping lokaal is, is in de algemene regel voorgeschreven dat deze compensatie in de directe invloedssfeer van de demping moet plaatsvinden. Concreet betekent dit bij demping in een: overige watergang die onderdeel uitmaakt van het poldersysteem, dat de compensatie moet plaatsvinden in hetzelfde peilvak als de demping; overige watergang die onderdeel uitmaakt van het boezemsysteem, dat de compensatie moet plaatsvinden in het boezemsysteem en binnen een straal van 5 kilometer. Toelichting artikel 4: Maatwerkvoorschrift Smallere watergang
(1)In beginsel moet de watergang na demping minimaal 4,00 meter breed zijn. In uitzonderlijke gevallenis deze voorwaarde echter onredelijk. In deze gevallen kan het college via maatwerk toestaan dat een watergang na demping smaller is dan deze 4,00 meter. Dit maatwerkvoorschrift zal alleen worden verstrekt, wanneer de versmalling geen ontoelaatbare vermindering in de aan- en afvoerfunctie van de betreffende watergang zal veroorzaken. In het maatwerkvoorschrift wordt een nieuwe minimale breedte vastgesteld. Bredere percelen
(2)In gebieden met klei op veen en veengronden mogen nieuw te vormen percelen niet breder zijn dan 80 meter. Door op de locatie specifieke maatregelen (infiltratiedrains, beregening, grondverbetering, etc.) te treffen, kan het negatieve effect op de grondwaterhuishouding worden beperkt. Wanneer de initiatiefnemer met berekeningen aantoont dat de maximale grondwaterdiepte zeker niet meer is dan bij een perceelbreedte van 80 meter, kan het college via maatwerk een breder perceel toestaan. In het maatwerkvoorschrift wordt een nieuwe maximale breedte vastgesteld. Vrijstelling van compensatieverplichting bij oeverherstel
(3)Om te bepalen of er sprake is van demping, wordt gebruikgemaakt van de legger Oppervlaktewateren, waarin de oeverlijn is weergegeven. Het kan voorkomen dat, bijvoorbeeld door afkalving van een bestaande oever, een verkeerde oeverlijn in de legger is weergegeven. Wanneer de oeverlijn in zijn oorspronkelijke staat wordt hersteld, is er formeel sprake van een demping. In deze situatie is het onredelijk om compensatie van de demping af te dwingen. Als de initiatiefnemer kan aantonen dat de in de legger Oppervlaktewateren weergegeven oeverlijn ten opzichte van de oorspronkelijke oeverlijn te veel landinwaarts ligt, dan kan het college via maatwerk vrijstelling geven van de compensatieplicht. De initiatiefnemer kan dit aantonen: door oude beschoeiing die (deels) nog aanwezig is; via luchtfoto’s van na 2007, waarop de oorspronkelijke oeverlijn is te zien; door een duidelijke – beperkte – onderbreking (inham) van de bestaande oeverlijn; doordat een verticale en/of horizontale verplaatsing van een waterkering tot een verbreding van de watergang heeft geleid. Vrijstelling van compensatieverplichting in polderplassen
(4)In sommige peilgebieden waarin polderplassen zijn gelegen, is het bergend wateroppervlak zo groot dat dempingen van een beperkte omvang, die bijdragen aan de verbetering van andere waterdoelstellingen, verwaarloosbare gevolgen voor de waterkwantiteit hebben. Daarbij moet worden gedacht aan: het beperken van de strijklengte en/of het beperken van de uitwisseling van water door de aanleg of herstel van een compartimenteringsdam; de aanleg van natuurvriendelijke oevers, bijvoorbeeld in de vorm van legakkers. De demping moet echter wel in verhouding staan tot het te dienen doel. Als bijvoorbeeld voor een betere stabiliteit langs de waterkering een strook van maximaal 1 meter mag worden gedempt, mag onder deze regel niet 3 meter worden gedempt. Het beleid geldt niet bij plassen op boezemniveau, omdat het bergend vermogen van deze plassen een onmisbaar onderdeel vormt van het bergend vermogen van het gehele boezemsysteem. Compenseren op een andere locatie
(5)Alleen indien er aantoonbaar geen mogelijkheid is om de compensatie lokaal uit te voeren, kan van het maatwerkvoorschrift gebruik worden gemaakt. Bij de aanvraag wordt dan bekeken of de demping in dat specifieke geval alsnog kan worden toegestaan via compensatie in een ander peilvak of op een andere locatie in het boezemsysteem, waarmee de gevolgen van de demping worden gecompenseerd. In het maatwerkvoorschrift wordt de nieuwe locatie van de compensatie vastgesteld. Toelichting artikel 5: Meldplicht De demping en het ter compensatie graven van water dienen te worden gemeld, omdat dit wijzigingen in het watersysteem behelst, die moeten worden geregistreerd in de legger van Rijnland. Beleidsregel Toelichting artikel 1: Reikwijdte van deze beleidsregel Deze beleidsregel is van toepassing op het dempen, wanneer: deze demping plaatsvindt in een hoofdwatergang, tenzij deze demping volledig bestaat uit het steiler optrekken van het talud, of het oppervlak van de demping groter is dan 100 vierkante meter, tenzij deze demping volledig bestaat uit het steiler optrekken van het talud, of de demping plaatsvindt in de kern- en beschermingszone van een waterkering, tenzij deze demping volledig bestaat uit het steiler optrekken van het talud. Deze handeling is op grond van artikel 3.3, lid 1, sub b van de Keur zonder vergunning verboden. In deze beleidsregel is aangegeven hoe Rijnland de aanvraag om een vergunning zal toetsen en welke eisen in de vergunning worden opgenomen. Toelichting artikel 2: Toetsing demping Niet belemmeren van wateraanvoer en waterafvoer (
  1. a)Indien een watergang een functie heeft in de aanvoer of afvoer van water, zal het (gedeeltelijk) dempen van dat water in veel gevallen leiden tot stagnatie van de doorstroming en daarmee tot een verminderd functioneren van het watersysteem. Het is niet acceptabel om oppervlaktewateren te dempen, indien achterliggende of aangrenzende gebieden daardoor niet meer voldoende kunnen worden voorzien van water. Evenmin zijn dempingen acceptabel indien het water van achterliggende of aangrenzende gebieden niet meer voldoende kan worden afgevoerd. Eventuele stagnatie in de doorstroming kan worden voorkomen door een vervangende watergang aan te leggen of door een duiker in de demping te plaatsen. Compensatie bergend vermogen (
  2. b)Door demping van een (deel van een) overige watergang neemt het bergend vermogen van het betreffende peilvak af. Dit verlies aan bergend vermogen kan wateroverlast veroorzaken. Om wateroverlast te voorkomen, wordt voorgeschreven dat een minstens even groot oppervlak water in hetzelfde peilvak wordt gecreëerd. Diverse gemeenten en enkele andere partijen binnen het beheersgebied van Rijnland, hebben een zogenaamde Berging Rekening Courant (BRC): een saldo van gedempt en gegraven water. Indien de eigenaar van de BRC in een peilvak beschikt over een positief saldo, kan zij derden toestemming geven om hier gebruik van te maken. Degene die dempt en de compensatie wil regelen via de BRC, verzoekt de eigenaar om toestemming. Wanneer deze toestemming wordt gegeven, hoeft er geen compenserend water te worden gegraven. Het wateroppervlak dat recent en vrijwillig is gegraven, kan worden ingezet voor compensatie die op grond van het eerste lid is voorgeschreven. Hierbij zijn echter twee belangrijke voorwaarden:
(1)het water is niet gegraven om aan een wettelijke verplichting te voldoen en
(2)het water is maximaal drie jaar voor de datum van de vergunningaanvraag voor de demping gegraven. Deze termijn van drie jaar is ingebouwd, omdat Rijnland moet weten op welk waterbergend vermogen in een peilgebied blijvend kan worden gerekend. Grondwaterhuishouding (
  1. c)Klei op veen en veengronden zijn zettingsgevoelige gronden. Een belangrijke factor hierin is de grondwaterstand beneden het maaiveld (ontwateringsdiepte). De grondwaterstand in een perceel wordt mede bepaald door het waterpeil en de afstand tussen oppervlaktewateren. Vooral in veengebieden kunnen door dempingen dusdanig brede percelen ontstaan, dat daardoor de grondwaterspiegel in de zomer/droge periode vooral midden in het perceel te veel daalt, waardoor verdroging en versnelde maaivelddaling kan worden veroorzaakt. Tegelijk moet worden voorkomen dat een te grote breedte van percelen ook de ontwatering niet te zeer beïnvloedt, waardoor bij regenval juist vernatting van het perceel kan ontstaan. Waterkering (
  2. d)Een demping bij een primaire of regionale waterkering is alleen toegestaan als de stabiliteit van de waterkering niet in het geding is en er geen extra kwel kan ontstaan. Toelichting artikel 3: Vrijstelling compensatie in polderplassen In sommige peilgebieden waarin polderplassen zijn gelegen, is het bergend wateroppervlak zo groot dat dempingen van een beperkte omvang, die bijdragen aan de verbetering van andere waterdoelstellingen, verwaarloosbare gevolgen voor de waterkwantiteit hebben. Daarbij moet worden gedacht aan: het beperken van de strijklengte en/of het beperken van de uitwisseling van water door de aanleg of herstel van een compartimenteringsdam; de aanleg van natuurvriendelijke oevers, bijvoorbeeld in de vorm van legakkers. De demping moet echter wel in verhouding staan tot het te dienen doel. Als bijvoorbeeld voor een betere stabiliteit langs de waterkering een strook van 1 meter moet worden gedempt, mag onder deze regel niet 3 meter worden gedempt. Het beleid geldt niet bij plassen op boezemniveau, omdat het bergend vermogen van deze plassen een onmisbaar onderdeel vormt van het bergend vermogen van het gehele boezemsysteem. Toelichting artikel 4: Vrijstelling compensatie bij oeverherstel Om te bepalen of er sprake is van demping, wordt gebruikgemaakt van de legger Oppervlaktewateren, waarin de oeverlijn is weergegeven. Het kan voorkomen dat, bijvoorbeeld door afkalving van een bestaande oever, een verkeerde oeverlijn in de legger is weergegeven. Wanneer de oeverlijn in zijn oorspronkelijke staat wordt hersteld, is er formeel sprake van een demping. In deze situatie is het onredelijk om compensatie van de demping af te dwingen. Als de initiatiefnemer kan aantonen dat de in de legger Oppervlaktewateren weergegeven oeverlijn ten opzichte van de oorspronkelijke oeverlijn te veel landinwaarts ligt, kan het college de gevraagde vergunning verlenen, zonder dat compensatie plaatsvindt. De initiatiefnemer kan dit aantonen: door oude beschoeiing die (deels) nog aanwezig is; via luchtfoto’s van na 2007, waarop de oorspronkelijke oeverlijn is te zien; door een duidelijke – beperkte – onderbreking (inham) van de bestaande oeverlijn; doordat een verticale en/of horizontale verplaatsing van een waterkering tot een verbreding van de watergang heeft geleid. Toelichting artikel 5: Locatie compensatie bergend vermogen Aangezien het effect van een demping lokaal is, is compensatie in de directe invloedssfeer van de demping het uitgangspunt. Concreet betekent dit bij demping in een: overige watergang die onderdeel uitmaakt van het poldersysteem, dat de compensatie moet plaatsvinden in hetzelfde peilvak als de demping; overige watergang die onderdeel uitmaakt van het boezemsysteem, dat de compensatie moet plaatsvinden in het boezemsysteem en binnen een straal van 5 kilometer. Alleen indien er aantoonbaar geen mogelijkheid is om de compensatie lokaal uit te voeren, kan een vergunning worden verleend, waarbij compensatie op een andere locatie wordt toegestaan. Bij de aanvraag wordt dan bekeken of de demping in dat specifieke geval alsnog kan worden toegestaan via compensatie in een ander peilvak of op een andere locatie in het boezemsysteem, waarmee de gevolgen van de demping worden gecompenseerd. Toelichting artikel 6: Eisen in de vergunning In de vergunning neemt Rijnland de eisen op die nodig zijn om het functioneren van het watersysteem te borgen. Breedte bij versmallen watergang (
  3. a)Als de demping bestaat uit het versmallen van een bestaande watergang, dan is het belangrijk dat deze watergang geschikt blijft voor de aan- en afvoer van water. Hiervoor is een minimale breedte belangrijk. In de vergunning wordt daarom een minimale breedte voorgeschreven. Compensatie verlies bergend vermogen (
  4. b)De compensatie van het verlies aan bergend vermogen is zeer belangrijk voor het borgen van het functioneren van het watersysteem. In de vergunning wordt daarom specifiek voorgeschreven waar de compensatie plaats moet vinden en hoe groot deze compensatie minimaal moet zijn. Uitvoering (c en
  5. d)Ook de uitvoering is een belangrijke fase. In de vergunning zullen daarom eisen over de uitvoering worden opgenomen. Dit betreft in ieder geval voorschriften over
(1)de volgorde van compenseren en dempen en
(2)het dempen van een doodlopende watergang. Volgorde compenseren en dempen Rijnland stelt als voorwaarde dat eerst fysieke compensatie plaatsvindt, voordat de demping wordt uitgevoerd. Een andere werkwijze zou een tijdelijke vermindering van de bergingscapaciteit van het watersysteem betekenen en kan leiden tot lokale wateroverlast. Dempen doodlopende watergang Wanneer een doodlopende watergang wordt gedempt, is het belangrijk dat de demping vanaf de kopse kant wordt uitgevoerd. Met deze werkwijze wordt aan de in het water aanwezige fauna een kans geboden om zich te verplaatsen naar het deel van de watergang dat niet wordt gedempt. Duikers Inleiding Een duiker is een constructie die watergangen door een grondlichaam heen met elkaar verbindt. Een duiker zorgt ervoor dat water van de ene kant van het grondlichaam naar de andere kant kan stromen. Een duiker draagt bij aan de aan- en afvoer van water. Dit is voor Rijnland aanleiding om regels te stellen voor het aanleggen van een duiker. Algemene motivering Toelichting vraag 1 Wanneer er een nieuwe dam met duiker in de watergang wordt aangelegd, of wanneer een bestaande dam wordt verbreed, is er sprake van een demping. Indien dat het geval is, moet naast dit hoofdstuk over duikers ook hoofdstuk 3 over dempingen worden geraadpleegd. Toelichting vraag 2 Duikers kunnen worden aangelegd ter plaatse van een waterkering. Wanneer bij de aanleg in de kern- of beschermingszone van een waterkering wordt gegraven, kan dit invloed hebben op de stabiliteit van de waterkering. Daarom moet naast dit hoofdstuk over duikers ook hoofdstuk 20 over grondverzet worden geraadpleegd. Toelichting vraag 3 Duikers belemmeren de doorvaart. Daarom is het nooit toegestaan om een duiker te plaatsen in een daartoe aangewezen vaarweg. Een brug kan als alternatief dienen. Toelichting vraag 4 De oppervlaktewateren in Rijnland zijn onderverdeeld in twee typen: hoofdwatergangen en overige watergangen. De hoofdwatergangen hebben een belangrijke functie in de aan- en afvoer van water. In deze hoofdwatergangen is daarom een vergunningplicht noodzakelijk. Toelichting vraag 5 Wanneer een watergang breder is dan 8 meter, heeft het plaatsen van een duiker een aanzienlijke invloed op de aan- en afvoer van water. Het is noodzakelijk om deze invloed per individueel geval te beoordelen. Voor het aanleggen van een duiker in een watergang die breder is dan 8 meter, geldt daarom een vergunningplicht. Toelichting vraag 6 Wanneer een duiker bochten of knikken bevat, is een maatwerkbeoordeling noodzakelijk. Het is niet mogelijk om deze gevallen algemeen te regelen. Voor een duiker die een bocht bevat, geldt daarom een vergunningplicht. Toelichting vraag 7 De lengte van een duiker heeft een belangrijke invloed op de aan- en afvoer van water. Hoe langer een duiker, hoe groter de weerstand. Boven een lengte van 15 meter is het niet mogelijk dit algemeen te regelen. Voor een duiker langer dan 15 meter geldt daarom een vergunningplicht. Toelichting vraag 8 Een duiker onder de 15 meter valt onder de algemene regel. In deze algemene regel is een duiker tot een lengte van 10 meter onder de aangegeven voorwaarden altijd toegestaan. Een duiker tussen de 10 meter en 15 meter lengte is in beginsel niet toegestaan; dergelijke duikers zorgen voor een grotere weerstand. Soms is een duiker tot 15 meter noodzakelijk in verband met de bereikbaarheid van het perceel. In dat geval kan een duiker tussen de 10 meter en 15 meter via maatwerk alsnog worden toegestaan. Voordat de duiker mag worden geplaatst, moet dit maatwerkvoorschrift zijn verleend. Toelichting vraag 9 In de algemene regel wordt afhankelijk van de breedte van de watergang een minimale inwendige diameter voorgeschreven. In sommige gevallen is het technisch niet mogelijk om deze diameter aan te brengen. Via een maatwerkvoorschrift kan worden toegestaan dat één of meerdere kleinere duikers worden geplaats. Voordat de duiker(s) worden geplaatst, moet dit maatwerkvoorschrift zijn verleend. Toelichting vraag 10 In de algemene regel is voorgeschreven dat de duiker bij zomerpeil zowel lucht (1/3 deel) als water (2/3 deel) moet bevatten om de doorstroming in de watergang te borgen. In sommige gevallen kan een andere hoogteligging noodzakelijk zijn. In deze gevallen kan de andere hoogteligging via maatwerk alsnog worden toegestaan. Voordat de duiker mag worden geplaatst, moet dit maatwerkvoorschrift zijn verleend. Algemene regel Toelichting artikel 1: Reikwijdte van deze algemene regel Deze algemene regel heeft betrekking op het aanleggen van een duiker in een overige watergang, waarbij de watergang niet breder is dan 8 meter, de duiker niet langer is dan 15 meter, de duiker geen bochten bevat en de duiker rond is. Aan deze handeling zijn op grond van artikel 3.2, lid 1 en lid 2, sub b van de Keur voorwaarden verbonden. In deze algemene regel zijn deze voorwaarden opgenomen. Toelichting artikel 2: Afmeting van de duiker De lengte en diameter van een duiker zijn bepalend voor de invloed op de aan- en afvoer van water. Een kleine diameter of een grote lengte resulteren in een grote weerstand, waardoor het water niet voldoende kan stromen. Door voorwaarden te stellen aan deze diameter en lengte wordt voorkomen dat – als gevolg van de duiker – een watertekort of wateroverlast ontstaat. Hierbij hanteert Rijnland een maximale lengte van 10,00 meter. Een duiker van 10 meter volstaat namelijk in de meeste gevallen om het perceel te ontsluiten. Toelichting artikel 3: Ligging van de duiker Onderlinge afstand
(1)De onderlinge afstand van minimaal 5 meter voorkomt dat door een lange strook aaneengesloten duikers opstuwing ontstaat. Door de onderlinge afstand is de invloed op de aan- en afvoer van water minimaal en blijft onderhoud mogelijk. Hoogteligging
(2)De hoogteligging van de duiker is van belang voor de doorstroming. Daarom is voorgeschreven dat de duiker zowel lucht als water moet bevatten. Plaats in de watergang
(3)Om de aan- en afvoer van water te borgen, is het noodzakelijk dat de duiker in het midden van de watergang wordt geplaatst. Toelichting artikel 4: Maatwerkvoorschriften Langere duiker
(1)In gevallen kan het voorkomen dat een duiker van 10 meter niet voldoende is om het perceel te bereiken met groot materieel. Als dit wordt aangetoond, is een duiker tot een maximale lengte van 15 meter via maatwerk toe te staan. In het maatwerkvoorschrift wordt een nieuwe maximale breedte vastgesteld. Hoogteligging
(2)In sommige gevallen is het technisch niet mogelijk om de duiker op de voorgeschreven hoogte aan te leggen. In deze gevallen kan, wanneer de doorstroming niet wordt gehinderd, een andere hoogteligging via maatwerk worden toegestaan. Kleinere diameter
(3)In sommige gevallen is het technisch niet mogelijk om een duiker met de voorgeschreven inwendige diameter aan te leggen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer de watergang smaller is dan de voorgeschreven diameter van de watergang of wanneer de watergang is gelegen in een gebied met beperkte drooglegging. In deze gevallen kan, wanneer de doorstroming niet wordt gehinderd, worden toegestaan dat één of meerdere kleinere duikers worden toegepast. Toelichting artikel 5: Meldplicht Het aanbrengen van een duiker dient te worden gemeld, omdat dit een wijziging in het watersysteem behelst, die moet worden geregistreerd in de legger van Rijnland. Deze melding geldt alleen voor de duiker. Voor een eventuele demping gelden de regels uit hoofdstuk 3. Dit kan betekenen dat de demping eveneens gemeld moet worden, of dat daarvoor een vergunning nodig is. Beleidsregel Toelichting artikel 1: Reikwijdte van deze beleidsregel Deze beleidsregel is van toepassing wanneer één of meerdere van onderstaande criteria van toepassing is/zijn: de duiker wordt aangelegd in een hoofdwatergang, of de duiker wordt aangelegd in een overige watergang die breder is dan 8 meter, of de duiker langer is dan 15 meter, of de duiker één of meerdere bochten of knikken bevat. Deze handeling is op grond van artikel 3.3, lid 1, sub c van de Keur zonder vergunning verboden. In deze beleidsregel is aangegeven hoe Rijnland de aanvraag om een vergunning zal toetsen en welke eisen in de vergunning worden opgenomen. Toelichting artikel 2: Toetsing duiker Verval (
  1. a)Een duiker in de watergang belemmert de doorstroming, waardoor opstuwing ontstaat. Het hoogteverschil dat door de opstuwing ontstaat, wordt verval genoemd. Alhoewel een duiker in de regel slechts een beperkt verval veroorzaakt, kan het cumulatieve effect van meerdere constructies aanzienlijk zijn. Het door de duiker veroorzaakte verval mag geen belemmering vormen voor het functioneren van het watersysteem. Concreet betekent dit dat het verval niet te groot mag zijn. Het toelaatbare verval is afhankelijk van de lokale omstandigheden. Zo kan een klein verval in hoofdwatergangen die onderdeel zijn van het boezemsysteem, door de grote lengte van dit systeem grote gevolgen hebben. In dit geval is slechts een heel geringe peilstijging acceptabel. In hoofdwatergangen die onderdeel zijn van het poldersysteem, hangt het toelaatbare verval af van vele factoren, zoals de omvang van het peilgebied waarin de duiker zich bevindt en het aantal al aanwezige (en te verwachten) kunstwerken. Per situatie beoordeelt Rijnland aan de hand van vastgestelde rekenmodellen of het verval voor de aangevraagde situatie acceptabel is. Onderhoud (
  2. b)Rijnland is verantwoordelijk voor het onderhoud van (nagenoeg alle) hoofdwatergangen. Om dit onderhoud nu en in de toekomst efficiënt en effectief uit te voeren, is het van belang om de mogelijkheid open te houden om dit onderhoud vanaf het water uit te voeren. Voor dit onderhoud vanaf het water, is het belangrijk dat de hoofdwatergang zonder obstructies bevaarbaar is. Een duiker belemmert veelal deze bevaarbaarheid en daarmee het onderhoud. Wanneer deze duiker groot genoeg is om doorheen te varen (1 meter hoog en 2 meter breed), of wanneer de watergang niet varend wordt of kan worden onderhouden (in ieder geval wanneer de watergang niet breder is dan 3 meter) wordt het onderhoud niet belemmerd. Bocht of knik (
  3. c)Een duiker met een bocht of knik geeft meer kans op een verstopping of vernauwing als gevolg van bezinking. Daarnaast zijn deze duikers lastiger te onderhouden. Deze duikers vormen daarmee een risico voor de doorstroming in de watergang en de robuustheid van het watersysteem. Om deze reden wil Rijnland in beginsel geen duikers met een bocht of knik. Alleen wanneer er redelijkerwijs geen andere optie is, kan een duiker met bocht of knik worden vergund. Een goed voorbeeld waarin een duiker met knik (sifonduiker) redelijkerwijs de enige optie is, is het kruisen van een watergang met een ander peil. Toelichting artikel 3: Eisen in de vergunning Locatie van de duiker (
  4. a)De toelaatbaarheid van de duiker wordt per situatie beoordeeld. De locatie waar de duiker wordt geplaatst is potentieel van groot belang voor de uitkomst van deze beoordeling. Het is daarom belangrijk dat de duiker wordt aangelegd op de locatie waarvoor de toelaatbaarheid is beoordeeld. Ligging van de duiker (b en
  5. c)De hoogteligging en de ligging in de watergang van de duiker zijn van belang voor de doorstroming. Daarom wordt de ligging van de duiker in de vergunning voorgeschreven. Afmetingen van de duiker (d en
  6. e)De lengte en diameter van een duiker zijn bepalend voor de invloed op de aan- en afvoer van water. Een kleine diameter of een grote lengte resulteren in een grote weerstand, waardoor het water niet voldoende kan stromen. Door voorwaarden te stellen aan deze diameter en lengte, wordt voorkomen dat – als gevolg van de duiker – een watertekort of wateroverlast ontstaat. Vorm van de duiker (f en
  7. g)Ook de vorm van de duiker en eventueel aanwezige bochten zijn van invloed op de uitkomst bij de beoordeling van de aanvraag. Het is daarom belangrijk dat de duiker die daadwerkelijk wordt aangelegd overeenkomt met de duiker waarmee de beoordeling is uitgevoerd. Graven van oppervlaktewater Inleiding Onder graven van oppervlaktewater verstaat Rijnland alle activiteiten waardoor de hoeveelheid water toeneemt. Voorbeelden van het graven van water zijn: verbreden van een bestaande watergang; verdiepen van een bestaande watergang; verflauwen van een talud; maken van een nieuwe watergang. Algemene motivering Toelichting vraag 1 In sommige gevallen kan binnen de kern- of beschermingszone van een waterkering oppervlaktewater worden gegraven of verdiept. Wanneer dit gebeurt, kan dit invloed hebben op de stabiliteit van de waterkering. Daarom moet naast dit hoofdstuk over graven van nieuw oppervlaktewater ook hoofdstuk 20 over grondverzet (waaronder grondverzet bij waterkeringen) worden geraadpleegd. Toelichting vraag 2 Het graven of verdiepen van oppervlaktewater in kwetsbare kwelgebieden vereist maatwerk. In gebieden met sterke (zilte) kwel kan het graven in de bodem tot gevolg hebben dat de (zilte) kwel toeneemt, waardoor de waterkwaliteit mogelijk afneemt en/of de waterbalans verstoord raakt. Ook kan het graven van water leiden tot het risico op het opbarsten van de (water)bodem. Daarom is het bij de aanlegdiepte van oppervlaktewateren in kwelgevoelige gebieden nodig om te kijken naar opbarstveiligheid. In deze gebieden is het bijvoorbeeld niet mogelijk om oppervlaktewateren aan te leggen met grotere bodembreedtes of bodemdieptes. Toelichting vraag 3 Wanneer het te graven oppervlaktewater slechts bestaat uit het verflauwen van een bestaand talud, moet worden voldaan aan de randvoorwaarden van de algemene zorgplicht. Dit zelfde geldt wanneer een bestaande watergang wordt verdiept. In alle andere gevallen zijn in verband met de aan- en afvoercapaciteit in de watergang en het onderhoud van de watergang, concrete voorschriften nodig. Daarom geldt voor deze laatstgenoemde gevallen een algemene regel. Toelichting vraag 4 Voor het vergroten van een bestaande watergang volstaat een algemene regel. Wanneer er geen verplichting is tot het graven van water – het water wordt dus vrijwillig gegraven – zijn er geen inhoudelijke voorwaarden in deze algemene regel opgenomen. Wel moet het graven worden gemeld. Toelichting vraag 5 Bij de aanleg van een nieuwe watergang is het belangrijk dat de watergang goed kan worden onderhouden en dat deze watergang voldoende water kan aan- en afvoeren. Wanneer wordt voldaan aan de minimale afmetingen, zijn deze belangen geborgd. In deze gevallen kan dus worden volstaan met een algemene regel. Wanneer de nieuwe watergangen kleiner dan de minimale afmetingen worden, moet individueel worden beoordeeld of deze kleinere watergangen toelaatbaar zijn. Het college kan via maatwerk toestaan dat een watergang kleiner wordt. Voordat deze kleinere watergang wordt gegraven, moet dit maatwerkvoorschrift zijn verleend. Algemene regel Toelichting artikel 1: Reikwijdte van deze algemene regel Deze algemene regel heeft betrekking op het graven van oppervlaktewater, wanneer dit water niet wordt gegraven in een kwetsbaar kwelgevoelig gebied en wanneer het niet gaat om het verflauwen van een talud. Aan deze handeling zijn op grond van artikel 3.2, lid 1 en lid 2, sub c van de Keur voorwaarden verbonden. In deze algemene regel zijn deze voorwaarden opgenomen. Toelichting artikel 2: Nieuwe watergang Om voldoende water door een watergang aan en af te voeren en deze watergang te kunnen onderhouden, is het belangrijk dat een nieuwe watergang aan minimale afmetingen voldoet. Deze afmetingen zijn in dit artikel voorgeschreven. Hierbij geldt dat in verband met de belangrijke functie van een hoofdwatergang, deze aan grotere afmetingen moet voldoen. Let op: in sommige gevallen is het door de lokale bodemsamenstelling (bijvoorbeeld loopzand) niet mogelijk om deze afmetingen te realiseren. In deze gevallen kan via maatwerk (artikel 4) een andere afmeting worden toegestaan. Toelichting artikel 3: Uitvoering compensatieverplichting In theorie zou 10 vierkante meter kunnen worden gecompenseerd door een watergang over een lengte van 1 kilometer met 1 centimeter te verbreden. In de praktijk is dit niet te controleren. Daarom wordt voorgeschreven dat een eventuele verbreding minimaal 50 centimeter moet zijn. Toelichting artikel 4: Mogelijkheden voor maatwerk Kleinere afmeting
(1)In sommige gevallen kan een kleinere watergang volstaan om de aan- en afvoer van water en het onderhoud van de watergang te borgen. In deze gevallen kan van het maatwerkvoorschrift gebruikgemaakt worden. In het maatwerkvoorschrift worden nieuwe minimale afmetingen vastgesteld. Grotere afmeting hoofdwatergang
(2)In sommige gevallen volstaan de in artikel 2, lid 2 voorgeschreven afmetingen voor een nieuwe hoofdwatergang niet. In deze gevallen kan Rijnland via maatwerk afdwingen dat een nieuwe hoofdwatergang aan grotere afmetingen moet voldoen. Toelichting artikel 5: Meldplicht Het graven van oppervlaktewater dient te worden gemeld, omdat dit een wijziging in het watersysteem behelst, die moet worden geregistreerd in de legger van Rijnland. Beleidsregel Toelichting artikel 1: Reikwijdte van deze beleidsregel Deze beleidsregel is van toepassing op het graven van water in een kwetsbaar kwelgebied. Deze handeling is op grond van artikel 3.3, lid 1, sub d van de Keur zonder vergunning verboden. In deze beleidsregel is aangegeven hoe Rijnland de aanvraag om een vergunning zal toetsen en welke eisen in de vergunning worden opgenomen. Toelichting artikel 2: Toetsing kwel Graven van water in een kwetsbaar kwelgebied kan negatieve gevolgen voor de waterhuishouding hebben. Zo kan het graven een toename aan (zilte) kwel veroorzaken. Een eventuele toename aan zilte kwel kan een verslechtering van de waterkwaliteit veroorzaken. Verder kan de toename aan kwel de waterbalans verstoren, waardoor er extra water uit het gebied moet worden afgevoerd. Tot slot kan het graven van water leiden tot het opbarsten van de waterbodem. Slechts wanneer deze effecten niet optreden, kan de vergunning worden verleend. Toelichting artikel 3: Toetsing nieuwe watergang Een watergang krijgt (veelal) een functie in de aan- of afvoer van water. Het is daarom belangrijk dat deze watergang voldoende groot is om het water aan en af te voeren en de watergang te kunnen onderhouden. Toelichting artikel 4: Eisen in de vergunning Locatie (
  1. a)De toelaatbaarheid van het te graven water wordt per situatie beoordeeld. De locatie waar het water wordt gegraven is potentieel van groot belang voor de uitkomst van deze beoordeling. Het daarom belangrijk dat het water wordt gegraven op de locatie waarvoor de toelaatbaarheid is beoordeeld. Afmetingen (
  2. b)De afmetingen van een watergang zijn belangrijk. Zo zijn bodembreedte en diepte van belang voor het al dan niet ontstaan van kwel en het opbarsten van de waterbodem. Daarnaast zijn bodembreedte, diepte en breedte van de watergang van belang voor de aan- en afvoercapaciteit van de watergang. Steigers, aanmeervoorzieningen en meerpalen Inleiding Steigers, aanmeervoorzieningen en meerpalen zijn eenvoudige constructies. Hierbij worden palen in het oppervlaktewater of in de oever geslagen of aangebracht. Een meerpaal is een paal in het water, die over het algemeen gebruikt wordt voor het aanmeren van vaartuigen. Wanneer tussen de palen een gording wordt aangebracht, is er sprake van een aanmeervoorziening. Wanneer de ruimte tussen de palen wordt bedekt, waarbij een beloopbaar gedeelte ontstaat, is er sprake van een steiger. PS Het kan zijn dat u voor het uitvoeren van uw handeling de toestemming nodig heeft van Rijnland als eigenaar van het water of de grond waar u uw handeling in of op gaat uitvoeren. U kunt hierover meer informatie vinden op www.rijnland.net. Algemene motivering Toelichting vraag 1 Een steiger, aanmeervoorziening of meerpaal kan worden geplaatst ter plaatse van een waardevolle oever. Wanneer dit het geval is, moet daarom naast dit hoofdstuk ook hoofdstuk 8 over handelen in een waardevolle oever worden geraadpleegd. Voor de overige belangen kan bij een steiger, aanmeervoorziening of meerpaal worden volstaan met een zorgplicht. Toelichting vraag 2 Er is een beperkt aantal boezemwatergangen die een essentiële rol vervullen in de aanvoer van water naar de boezemgemalen en die kritisch zijn waar het gaat om de afvoercapaciteit. Elk obstakel in deze watergangen kan in beginsel leiden tot een onaanvaardbare belemmering in de afvoer van water. Buiten deze kritische boezemwateren kan bij een steiger, aanmeervoorziening of meerpaal worden volstaan met een zorgplicht. Toelichting vraag 3 Bij uitzondering kan worden afgeweken van de eisen voor steigers voor deze wateren, maar in die gevallen is maatwerk nodig. Erkende maatregel Algemene regel Toelichting artikel 1: Reikwijdte van deze algemene regel Deze algemene regel heeft betrekking op het realiseren van steigers, aanmeervoorzieningen en meerpalen in de op kaart 9 weergegeven boezemwateren. Dit zijn boezemwateren die kritisch zijn in de afvoercapaciteit naar de boezemgemalen en waar elk obstakel een onaanvaardbare aantasting van de afvoercapaciteit kan betekenen. Aan deze handelingen zijn voorwaarden verbonden op grond van artikel 3.2, lid 1 en lid 2, sub d van de Keur. In deze algemene regel zijn deze voorwaarden opgenomen. Toelichting artikel 2: Specifieke voorwaarden voor maatvoering Indien de steiger maximaal 5 meter breed is en de steiger zich in de langsrichting van de watergang bevindt, is een goede afvoercapaciteit gewaarborgd. Toelichting artikel 3: Mogelijkheden voor maatwerk In uitzonderlijke gevallen kunnen steigers in genoemde wateren worden toegestaan, die afwijken van de maatvoeringen uit artikel 2. In dat geval is maatwerk nodig. Rijnland zal afwegen of een afwijkende steiger aanvaardbaar is. Botenhuizen en plaatsgebonden drijvende objecten Inleiding Plaatsgebonden drijvende objecten komen veel voor in het watersysteem. Hieronder verstaat Rijnland in ieder geval: woonboten, woonschepen, woonarken en pontons. Ook (drijvende) botenhuizen vallen onder de regels uit dit hoofdstuk, omdat zij een met plaatsgebonden drijvende objecten vergelijkbaar effect hebben op het watersysteem. PS Het kan zijn dat u voor het uitvoeren van uw handeling de toestemming nodig heeft van Rijnland als eigenaar van het water of de grond waar u uw handeling in of op gaat uitvoeren. U kunt hierover meer informatie vinden op www.rijnland.net. Algemene motivering Vooraf Er wordt van uitgegaan dat plaatsgebonden drijvende objecten, zoals woonboten, zich in drijvende staat bevinden. Als deze niet meer drijven doordat zij zich in de waterbodem hebben vastgezet, wordt een plaatsgebonden drijvend object niet meer als drijvend beschouwd en is er feitelijk sprake van een demping. Op dat moment is het beleid uit hoofdstuk 3 over dempen van toepassing. Toelichting vraag 1 Drijvende objecten en botenhuizen kunnen de doorvaart belemmeren. Wanneer het plaatsgebonden drijvende object of botenhuis wordt aangelegd in een watergang die een vaarwegfunctie heeft, moet daarom naast dit hoofdstuk ook hoofdstuk 13 over vaarwegen worden geraadpleegd. Toelichting vraag 2 Om een plaatsgebonden drijvend object of botenhuis te kunnen plaatsen, is het soms noodzakelijk om de watergang aan te passen. Deze aanpassing kan bestaan uit het verleggen van de oever of het verdiepen van de watergang. Wanneer dit het geval is, moet daarom naast dit hoofdstuk over plaatsgebonden drijvende objecten en botenhuizen ook hoofdstuk 5 over het graven van oppervlaktewater worden geraadpleegd. Toelichting vraag 3 Om een plaatsgebonden drijvend object of botenhuis op zijn plaats te houden, kan een steiger, aanmeervoorziening of meerpaal noodzakelijk zijn. Verder worden woonboten vaak voorzien van een (omloop)steiger en een loopplank tussen de oever en het drijvende object. Wanneer dit het geval is, moet daarom naast dit hoofdstuk over plaatsgebonden drijvende objecten en botenhuizen ook hoofdstuk 6 over steigers, aanmeervoorzieningen en meerpalen worden geraadpleegd. Toelichting vraag 4 Op sommige plaatsgebonden drijvende objecten is behoefte aan onder andere elektriciteit, stromend water en riolering. Wanneer hiervoor kabels en leidingen worden aangelegd, moet naast dit hoofdstuk over plaatsgebonden drijvende objecten ook hoofdstuk 15 over kabels en leidingen worden geraadpleegd. Toelichting vraag 5 Een plaatsgebonden drijvend object of botenhuis kan worden aangelegd ter plaatse van een waardevolle oever. Wanneer dit het geval is, moet daarom naast dit hoofdstuk ook hoofdstuk 8 over handelen in een waardevolle oever worden geraadpleegd. Toelichting vraag 6 De oppervlaktewateren in Rijnland zijn onderverdeeld in twee typen: hoofdwatergangen en overige watergangen. In de legger is per locatie het type watergang aangegeven. De hoofdwatergangen hebben een belangrijke functie in de aan- en afvoer van water. In deze hoofdwatergangen kan daarom niet zonder meer worden volstaan met een zorgplicht. Omdat de overige watergangen een minder belangrijke functie hebben, kan onder omstandigheden worden volstaan met een zorgplicht. Toelichting vraag 7 Een drijvend object of botenhuis kan de doorstroming in de hoofdwatergang negatief beïnvloeden. Wanneer het drijvende object of botenhuis niet te breed is en er voldoende ruimte vrij blijft, is dit negatieve effect beperkt. Wanneer het drijvende object of botenhuis breder is dan 8 meter of er minder dan 2/3 van de watergang aaneengesloten vrij blijft, moet individueel worden beoordeeld of het object toelaatbaar is. Het college kan via maatwerk toestaan dat een groter object wordt geplaatst of dat er minder ruimte vrij blijft. Voordat het object mag worden geplaatst, moet dit maatwerkvoorschrift zijn verleend. Erkende maatregel Algemene regel Toelichting artikel 1: Reikwijdte van deze algemene regel Deze algemene regel heeft betrekking op het aanleggen van een plaatsgebonden drijvend object of botenhuis in een hoofdwatergang. Aan deze handeling zijn op grond van artikel 3.2, lid 1 en lid 2, sub e van de Keur voorwaarden verbonden. In deze algemene regel zijn deze voorwaarden opgenomen. Toelichting artikel 2: Specifieke voorwaarden voor hoofdwatergangen De voorwaarden uit dit artikel gelden alleen wanneer het plaatsgebonden drijvende object of botenhuis in een hoofdwatergang wordt aangebracht. Om de invloed op de doorstroming in deze watergang te beperken, is het noodzakelijk dat de drijvende objecten in de lengterichting (parallel aan de oeverlijn) in de watergang worden geplaatst. Verder is het belangrijk dat het object in verhouding tot de watergang niet te groot is en dat het object niet in het midden van de watergang wordt aangebracht. Toelichting artikel 3: Mogelijkheden voor maatwerk Breder object
(1)In sommige gevallen kan een breder plaatsgebonden drijvend object of botenhuis worden aangebracht, zonder dat dit de doorstroming beperkt. Dit kan bijvoorbeeld wanneer het object een beperkte diepgang en gestroomlijnde vorm heeft of als de betreffende watergang voldoende breed is. In deze gevallen kan van het maatwerkvoorschrift gebruikgemaakt worden. In het maatwerkvoorschrift wordt een nieuwe maximale breedte vastgesteld. Minder vrije ruimte
(2)In sommige gevallen kan worden volstaan met minder aaneengesloten vrije ruimte. Dit kan bijvoorbeeld wanneer het object een beperkte diepgang en gestroomlijnde vorm heeft of als de betreffende watergang voldoende breed is. In deze gevallen kan van het maatwerkvoorschrift gebruikgemaakt worden. In het maatwerkvoorschrift wordt een nieuwe minimaal aaneengesloten vrije ruimte vastgesteld. Handelen in een waardevolle oever Inleiding Rijnland streeft naar een watersysteem met een goede ecologische kwaliteit. Hiervoor is het belangrijk dat flora en fauna leefruimte hebben. Oevers zijn een belangrijk en kwetsbaar onderdeel van deze leefruimte. Rijnland maakt onderscheid in waardevolle oevers en overige oevers. Waardevolle oevers zijn oevers
(1)die met behulp van een subsidie als natuurvriendelijke oever zijn aangelegd en
(2)waarbij tijdens een inventarisatie is gebleken dat daar een bijzondere vegetatie aanwezig is. Deze waardevolle oevers zijn op kaart 1 weergegeven. Algemene motivering Toelichting vraag 1 Alleen de op kaart 1 weergegeven oevers zijn voor Rijnland waardevol. Dit betekent dat als de oever niet op deze kaart is weergegeven, de regels over handelen in een waardevolle oever niet van toepassing zijn, omdat de gevolgen van handelingen in de overige oevers voor de ecologische kwaliteit zeer beperkt zijn. Let op: voor deze oever zijn mogelijk wel regels gesteld door de provincie of de gemeente. Wanneer de handeling wel plaatsvindt bij een in kaart 1 weergegeven waardevolle oever, is het echter de vraag of de handeling daadwerkelijk in of boven de oever of voor de oever plaatsvindt. Het gaat hier om opgaande, boven het water groeiende vegetatie, bijvoorbeeld rietkragen. De handeling, bijvoorbeeld het aanleggen van een steiger, mag wel voor deze oever plaatsvinden, dus bijvoorbeeld voor de rietkraag, maar niet in de rietkraag. Wanneer de handeling niet in of boven, maar vóór de waardevolle oever plaatsvindt, moet deze vraag met nee worden beantwoord. De regels over handelen in een waardevolle oever zijn niet van toepassing op handelingen die vóór de waardevolle oever plaatsvinden. Toelichting vraag 2 Nagenoeg iedere handeling in een waardevolle oever heeft een negatieve invloed op de kwaliteit van deze oever. Zo kunnen ter plaatse van een constructie in of boven de oever geen planten groeien. De aanwezigheid van een dergelijke constructie betekent dus een verlies aan oppervlak van de waardevolle oever. Wanneer dit verlies aan oppervlak van de waardevolle oever minder dan 2 vierkante meter is, is de invloed beperkt en volstaat de zorgplicht. Dit wordt gemeten vanaf de oeverlijn tot aan de buitenste begrenzing van de aaneengesloten vegetatie aan de waterzijde. Wanneer het verlies aan waardevolle oever meer is dan 2 vierkante meter, is er een aanzienlijke invloed op de kwaliteit van de oever. Rijnland wil dat dit verlies aan waardevolle oever in beginsel wordt gecompenseerd. Een dergelijke compensatie kan niet via de zorgplicht worden opgelegd. Hiervoor is een algemene regel nodig. Toelichting vraag 3 Rijnland wil zich niet bemoeien met de inrichting van de tuin bij particuliere huishoudens. Het staat de burger in beginsel vrij om zelf te kiezen voor de inrichting van de tuin en de daarbij behorende oever. Het afdwingen van een compensatie bij een verlies van meer dan 2 vierkante meter waardevolle oever, past niet bij deze vrijheid. Toelichting vraag 4 Rijnland ziet één uitzondering op de vrijheid van particulieren om zelf te kiezen voor de inrichting van de tuin en de daarbij behorende oever. Dit is het geval wanneer voor het aanleggen van de waardevolle oever door Rijnland subsidie is verstrekt. Eventueel kan bij Rijnland worden nagevraagd of subsidie is verleend. Het zonder compensatie verliezen van deze gesubsidieerde waardevolle oever, zou betekenen dat belastinggeld wordt weggegooid. Daarom geldt voor deze situatie wel een compensatieverplichting, die in een algemene regel is opgenomen. Algemene regel Toelichting artikel 1: Reikwijdte van deze algemene regel Deze algemene regel heeft betrekking op handelingen in of boven de op kaart 1 weergegeven waardevolle oevers, waarbij meer dan 2 vierkante meter waardevolle oever verloren gaat. Uitgezonderd zijn de handelingen waarbij het een waardevolle oever betreft die deel uitmaakt van een tuin bij een particuliere woning, die zonder subsidie is aangelegd. Deze valt niet onder deze algemene regel. Aan deze handeling zijn op grond van artikel 3.2, lid 1 en lid 2, sub f van de Keur voorwaarden verbonden. In deze algemene regel zijn deze voorwaarden opgenomen. Toelichting artikel 2: Compensatieverplichting Compensatieplicht (1 en 2) Om het verlies aan ecologische kwaliteit te voorkomen, moet het verlies aan waardevolle oever worden gecompenseerd; 100 procent van het verlies aan waardevolle oever moet worden gecompenseerd. Deze compensatie kan plaatsvinden door een nieuwe aaneengesloten waardevolle oever aan te leggen, of door een recent en vrijwillig aangelegde waardevolle oever. Hierbij zijn echter drie belangrijke voorwaarden:
(1)de waardevolle oever is niet gegraven om aan een wettelijke verplichting te voldoen,
(2)de waardevolle oever is niet gefinancierd met een door Rijnland verstrekte subsidie en
(3)de waardevolle oever mag maximaal drie jaar voor de handeling zijn aangelegd. Vormgeving waardevolle oever (3 en 4) Het is belangrijk dat de oever op een juiste wijze wordt aangelegd. Daarom is voorgeschreven dat de oever niet te steil mag zijn en dat de oever een minimale breedte moet hebben. Moment van compensatie
(5)De compensatie moet binnen een maand na afronding van de handeling zijn gerealiseerd. Toelichting artikel 3: Meldplicht Voor Rijnland is het behoud van waardevolle oevers belangrijk. Het daadwerkelijk compenseren van het verlies aan waardevolle oever is daarom een onderwerp waar Rijnland toezicht op wil uitoefenen. Beschoeiingen en damwanden Inleiding Beschoeiingen en damwanden worden aangebracht langs de oever om de oever tegen afkalving te beschermen en/of te voorkomen dat afkalving van de oever de doorstroming, de waterbeheersing of het vaarwegverkeer belemmert. In een aantal gevallen is het noodzakelijk om beschoeiing of een damwand aan te leggen. Met deze constructies wordt erosie van de oeverlijn door golfafslag voorkomen of voldoende stabiliteit aan de waterkering en/of oever gegeven voor wegen en/of bebouwing direct langs deze oever. Daarnaast bestaat er in stedelijk gebied uit recreatief oogpunt vaak de wens om beschoeiingen aan te leggen. Algemene motivering Toelichting vraag 1 Beschoeiing kan worden aangelegd ter plaatse van een waardevolle oever. Wanneer dit het geval is, moet daarom naast dit hoofdstuk ook hoofdstuk 8 over handelen in een waardevolle oever worden geraadpleegd. Toelichting vraag 2 Door de beschoeiing vóór de huidige beschoeiing of voor de oeverlijn, dus in het water, aan te brengen, ontstaat een demping van oppervlaktewater. Het betreft hier dus het versmallen van de watergang. Hiervoor moet hoofdstuk 3 over dempingen worden geraadpleegd. Toelichting vraag 3 Beschoeiingen en damwanden hebben, wanneer zij een grondkerende functie hebben invloed op de stabiliteit van de waterkering. Daarom moet naast dit hoofdstuk ook hoofdstuk 19 over bouwen (waaronder het graven in of nabij een waterkering valt) worden geraadpleegd. De ligging van de waterkeringen is in de legger te raadplegen. Objecten in de beschermingszone van watergangen Inleiding Op basis van de Keur zijn in de legger langs alle hoofdwatergangen en overige watergangen beschermingszones gedefinieerd (zie afbeelding 10.1). Beschermingszones zijn vastgelegd in de legger om de volgende redenen: Beschermingszones beschermen de waterhuishoudkundige functies van de kernzone (aanvoer en afvoer). Beschermingszones maken het mogelijk om het onderhoud efficiënt en tegen relatief lage kosten vanaf de kant uit te voeren en om snel en efficiënt de oppervlaktewateren te kunnen inspecteren. De beschermingszones hebben een functie in het ontvangen van bij bagger- of onderhoudswerkzaamheden vrijkomende plantenresten en baggerspecie. Algemene motivering Toelichting vraag 1 In de beschermingszone van een watergang kan een waterkering liggen. Wanneer het object in de kern- of beschermingszone van deze waterkering wordt aangebracht, kan het object invloed hebben op de waterkering. Voor bouwwerkzaamheden raadpleegt u hoofdstuk 19 en voor het planten van bomen of struiken hoofdstuk 23. Toelichting vraag 2 De oppervlaktewateren in Rijnland zijn onderverdeeld in twee typen: hoofdwatergangen en overige watergangen. In de legger is per locatie het type watergang aangegeven. Rijnland is verantwoordelijk voor het onderhoud van de hoofdwatergangen. Het onderhoud van de overige watergangen berust bij andere partijen. Wie onderhoudsplichtig is, is aangegeven in de legger Oppervlaktewateren, die te vinden is op www.rijnland.net onder ‘Regels’. Onderhoud en inspectie vanaf de kant is veelal goedkoper dan onderhoud vanaf het water. Daar waar Rijnland onderhoudsplichtig is en onderhoud en inspectie vanaf de kant kan worden verricht, wil Rijnland deze mogelijkheid behouden. Daarom is het van belang dat de beschermingszones langs hoofdwatergangen worden beschermd. Voor het plaatsen van objecten in deze zones kan daarom niet zonder meer worden volstaan met een zorgplicht. Bij de overige watergangen volstaat een zorgplicht. Toelichting vraag 3 Wanneer het te plaatsen object straatmeubilair of beplanting betreft, of beide, volstaat de zorgplicht. Voor alle andere objecten is een individuele beoordeling via een vergunning nodig. Onder straatmeubilair wordt verstaan: voorzieningen ten behoeve van straatverlichting, plaatsaanduiding, bewegwijzering, alsmede recreatieve voorzieningen zoals bankjes en vuilnisbakken. Erkende maatregel Beleidsregel Toelichting artikel 1: Reikwijdte van deze beleidsregel Deze beleidsregel is van toepassing op het plaatsen van objecten, met uitzondering van het plaatsen van straatmeubilair of beplanting, in een beschermingszone die kan worden gebruikt voor het vanaf de kant onderhouden van de hoofdwatergang. Deze handeling is op grond van artikel 3.3, lid 1, sub f van de Keur zonder vergunning verboden. In deze beleidsregel is aangegeven hoe Rijnland de aanvraag om een vergunning zal toetsen en welke eisen in de vergunning worden opgenomen. Toelichting artikel 2: Toetsing object Voor het onderhouden van de hoofdwatergang wil Rijnland zo min mogelijk objecten in de beschermingszones. Wanneer het object het onderhoud aan de watergang niet hindert, kan het object desondanks worden toegestaan. Toelichting artikel 3: Eisen in de vergunning De toelaatbaarheid van het object wordt per situatie beoordeeld. De locatie en afmetingen van het object zijn potentieel van groot belang voor de uitkomst van deze beoordeling. Het is daarom belangrijk dat het object wordt geplaatst op die locatie en met die afmetingen waarvan de toelaatbaarheid is beoordeeld. Versnelde afvoer bij toename verhard oppervlak Inleiding Neerslag die op een onverharde bodem valt, zakt voor een belangrijk deel in de bodem weg; dat heet infiltratie. Een deel van het regenwater verdampt en een deel komt terecht in het grondwater (wegzijging), terwijl een ander deel geleidelijk ondergronds afstroomt naar het oppervlaktewater of elders aan de oppervlakte komt (kwel). Slechts een zeer klein deel stroomt rechtstreeks bovengronds af naar het oppervlaktewater. In een verhard gebied vindt nauwelijks of geen infiltratie in de bodem plaats. Vrijwel al het water stroomt direct af naar het oppervlaktewater of de riolering. Dit betekent dat bij een flinke regenbui het oppervlaktewatersysteem een grotere afvoerpiek moet opvangen. In het oppervlaktewatersysteem moet daarom voldoende ruimte beschikbaar zijn om dit water te bergen. Onder een verhard oppervlak verstaat Rijnland de verharding als gevolg waarvan neerslag niet of zeer beperkt in de bodem kan infiltreren. Bekende voorbeelden zijn: daken, wegen (inclusief trottoirs, voet- en fietspaden), (tuin)bestrating en overige verhardingen (zoals parkeerplaatsen). Minder bekende voorbeelden, die eveneens worden aangemerkt als een verhard oppervlak, zijn: terreinen voor pot- en containerteelt (PCT) met een gesloten systeem en half open verhardingen, zoals grastegels (bij hevige neerslag gedraagt deze half open verharding zich namelijk als een volledige verharding). Indien boven op een ondergrondse verharding (bijvoorbeeld een parkeergarage of een folie) een laag grond wordt aangebracht met ten minste een laagdikte die overeenkomt met de toelaatbare gemiddelde drooglegging in veenweidegebieden (0,60 meter), dan zal deze laag zich gedragen als een onverhard oppervlak. In dat geval is daarom geen sprake van een verhard oppervlak. Indien deze laag bestaat uit grofkorrelig materiaal waardoor neerslag gemakkelijk kan afstromen, dan wordt het oppervlak wel als een verhard oppervlak beschouwd. Algemene motivering Toelichting vraag 1 In veel gevallen wordt de op een verhard oppervlak gevallen neerslag versneld afgevoerd naar het oppervlaktewater of het riool. Dit is echter niet altijd het geval. Van versnelde afvoer is altijd sprake als het verharde oppervlak afwatert op oppervlaktewater of via de riolering. In die gevallen is er een opvang- en transportsysteem met (hemelwater)afvoer in de vorm van een dakgoot/regenpijp/straatkolk. Ook wanneer er geen opvang- of transportsysteem aanwezig is, kan er soms sprake zijn van versnelde afvoer. Dit verschilt per situatie. Van versnelde afvoer is in ieder geval geen sprake wanneer de afstand tot de dichtstbijzijnde watergang minimaal 3 maal de breedte van de verharding bedraagt of wanneer er wordt aangesloten op een bodeminfiltratiesysteem of infiltratieriool. In deze gevallen zijn de regels uit dit hoofdstuk niet van toepassing. Toelichting vraag 2 Bij kleine uitbreidingen van het verharde oppervlak tot 500 vierkante meter zal er ook sprake zijn van versnelde afvoer van neerslag. In beginsel zullen de negatieve effecten van dergelijke verhardingen echter zeer beperkt zijn. In die gevallen volstaat daarom een zorgplicht. Bij gefaseerde uitvoering van projecten waarbij sprake is van verharding, zal Rijnland elk van de gefaseerde onderdelen beschouwen als onderdeel uitmakend van een groter samenhangend project. De totale omvang van het project bepaalt of er sprake is van meer dan 500 vierkante meter extra verharding. Toelichting vraag 3 Versnelde afvoer zorgt voor een piek aan water tijdens hevige neerslag. Om dit extra water aan te kunnen, moet in het watersysteem voldoende waterberging aanwezig zijn. In de regels over versnelde afvoer is daarom in beginsel voorgeschreven dat bij een toename van verharding van meer dan 500 vierkante meter, ter compensatie extra waterberging moet worden aangelegd. Hiervoor moet nieuw oppervlaktewater worden gegraven. Daarom moet, naast dit hoofdstuk, ook hoofdstuk 5 over het graven van oppervlaktewater worden geraadpleegd. Toelichting vraag 4 Bij uitbreidingen van het verharde oppervlak met per saldo meer dan 5.000 vierkante meter, kan het effect van de versnelde afvoer van neerslag aanzienlijk zijn. Bij deze grote oppervlakken is het belangrijk dat voldoende waterberging op de juiste plaats wordt aangelegd. De juiste afmeting en locatie van deze waterberging kan alleen via een individuele beoordeling worden bepaald. Voor deze gevallen geldt daarom een vergunningplicht. De versnelde afvoer van een toegenomen verhard oppervlak vanaf 500 tot 5.000 vierkante meter, heeft negatieve effecten op het watersysteem. Met een algemene regel, waarin is voorgeschreven dat extra waterberging wordt aangelegd ter compensatie van de versnelde afvoer, is dit negatieve effect voldoende te beperken. Bij de aanleg van een nieuw verhard oppervlak is in beginsel altijd sprake van een toename van verhard oppervlak. Indien een nieuw verhard oppervlak wordt aangebracht, mag binnen een termijn van drie jaar daaraan voorafgaand in hetzelfde peilvak door de initiatiefnemer weggehaalde verharding worden afgetrokken van het nieuwe verharde oppervlak. Op deze manier kan worden bepaald of er sprake is van een toename en hoe groot deze toename is. Wanneer uit deze berekening blijkt dat er geen toename van verharding is, zijn de regels over versnelde afvoer van neerslag niet van toepassing. Een toename van verharding in de vorm van bijvoorbeeld een kas of andere bebouwing, mag worden gecompenseerd door een afname van verharding, mits deze afname van verharding heeft plaatsgevonden maximaal drie jaar voor de datum van de vergunningaanvraag en mits de aanvrager kan aantonen (op basis van luchtfoto’s en bouwtekeningen) dat er sprake is van een afname van verharding (bijvoorbeeld doordat een kas of ander gebouw is afgebroken en er weer een onverhard oppervlak voor in de plaats is gekomen). Indien er sprake is van een andere partij die heeft gezorgd voor een afname van verharding, is er een schriftelijke bevestiging nodig van de andere partij dat deze binnen het peilvak aantoonbaar onthard heeft en waarin deze aangeeft afstand te doen van zijn/haar aanspraak op compensatie (m.a.w. als die partij in de toekomst weer wil verharden, dan moet deze alsnog compenseren). Algemene regel Toelichting artikel 1: Reikwijdte van deze algemene regel Deze algemene regel heeft betrekking op het versneld afvoeren van neerslag bij een toename van het verharde oppervlak tussen de 500 vierkante meter en 5.000 vierkante meter (0,50 hectare). Deze algemene regel bevat de voorwaarden waaraan bij deze handeling op grond van artikel 3.2, lid 1 en lid 2 sub g van de Keur moet worden voldaan. Toelichting artikel 2: Compensatieverplichting Verplichting tot compensatie (1 en 2) Door versnelde afvoer van neerslag is extra bergend vermogen nodig. Om problemen als gevolg van een te kort aan bergend vermogen te voorkomen, wordt voorgeschreven dat nieuw water moet worden aangelegd. Het oppervlak van dit nieuwe water moet minimaal 15 procent bedragen van de toename van het verharde oppervlak. De aanleg van waterbassins geldt in beginsel niet als een mogelijkheid van compensatie voor toename van verharding. Compensatie via een Berging Rekening Courant
(3)Diverse gemeenten en enkele andere partijen binnen het beheersgebied van Rijnland, hebben een zogenaamde Berging Rekening Courant (BRC): een saldo van gedempt en gegraven water. Indien de eigenaar van de BRC in een peilvak beschikt over een positief saldo, kan zij derden toestemming geven om hier gebruik van te maken. Degene die verharding aanbrengt en de compensatie wil regelen via de BRC, verzoekt de eigenaar van de BRC om toestemming. Wanneer deze toestemming wordt gegeven, hoeft er geen nieuw compenserend water te worden gegraven. Compensatie door recent gegraven water
(4)Het wateroppervlak dat recent en vrijwillig is gegraven, kan worden ingezet voor compensatie die op grond van het eerste lid is voorgeschreven. Hierbij zijn echter twee belangrijke voorwaarden:
(1)het water is niet gegraven om te voldoen aan een andere compensatieverplichting en
(2)het water mag maximaal drie jaar voor de melding voor het verharden zijn gegraven. Deze termijn van drie jaar is ingebouwd, omdat Rijnland moet weten op welk waterbergend vermogen in een peilgebied blijvend kan worden gerekend. Moment van compensatie
(5)Rijnland stelt als voorwaarde dat compensatie plaatsvindt voorafgaand aan of gelijktijdig met de werkzaamheden. Open verbinding
(6)Het water dat ter compensatie wordt gegraven, moet bijdragen aan de waterberging in het betreffende gebied. Daartoe dient het water in open verbinding te staan met de rest van het oppervlaktewatersysteem. Het graven van een geïsoleerde vijver wordt dus niet beschouwd als compensatie. Locatie van de compensatie
(7)Aangezien het effect van versnelde afvoer lokaal is, is in de algemene regel voorgeschreven dat deze compensatie in de directe invloedssfeer moet plaatsvinden. Concreet betekent dit bij versnelde afvoer naar een: watergang die onderdeel uitmaakt van het poldersysteem, dat de compensatie moet plaatsvinden in hetzelfde peilvak; watergang die onderdeel uitmaakt van het boezemsysteem, dat de compensatie moet plaatsvinden in het boezemsysteem en binnen een straal van 5,00 kilometer. Toelichting artikel 3: Mogelijkheden voor maatwerk Compenseren op andere locatie
(1)Alleen indien er aantoonbaar geen mogelijkheid is om de compensatie lokaal uit te voeren, kan van het maatwerkvoorschrift gebruik worden gemaakt. Bij de aanvraag wordt dan bekeken of versnelde afvoer in dat specifieke geval alsnog kan worden toegestaan via compensatie in een ander (lager liggend) peilvak of op een andere locatie in het boezemsysteem, waarmee de gevolgen van de versnelde afvoer worden gecompenseerd. In het maatwerkvoorschrift wordt de nieuwe locatie van de compensatie vastgesteld. Alternatieve waterberging
(2)In de praktijk blijkt dat het niet altijd mogelijk is om extra oppervlaktewater ruimtelijk in te passen. Alternatieve waterberging kan dan uitkomst bieden. Het kan, mits goed ontworpen en onderhouden, een goed alternatief zijn voor de aanleg van open water. Er zijn veel technieken voor alternatieve waterberging: kratten onder wegen, regentonnen en dergelijke. Omvang (
  1. a)Het risico dat de alternatieve waterberging faalt, is te verminderen door de waterberging met behulp van een veiligheidsfactor te dimensioneren (toeslagfactor). Hierdoor wordt de waterberging groter dan strikt noodzakelijk is. Dat is gewenst omdat dit anticipeert op vermindering van de waterbergingscapaciteit door ophoping van vervuiling. Tijdsverloop (
  2. b)Het is belangrijk dat de neerslag op het juiste moment wordt geborgen. Wanneer de neerslag te snel of te langzaam vanuit de alternatieve waterberging in het oppervlaktewater wordt gebracht, kan dit het functioneren van het watersysteem ondermijnen. De neerslag wordt dan wel geborgen, maar niet op het moment waarop dat nodig is. Om dit te voorkomen, dient de beschikbaarheid van de alternatieve berging zowel in tijd als in volume, gelijk te zijn aan de normale berging in het oppervlaktewater in het (peil)gebied. Toelichting artikel 4: Meldplicht Het ter compensatie graven van water dient te worden gemeld, omdat dit wijzigingen in het watersysteem behelst, die moeten worden geregistreerd in de legger van Rijnland. Beleidsregel Toelichting artikel 1: Reikwijdte van deze beleidsregel Deze beleidsregel is van toepassing op het versneld afvoeren van neerslag bij een toename van het verharde oppervlak van meer dan 5.000 vierkante meter (0,50 hectare). Deze handeling is op grond van artikel 3.3, lid 1, sub f van de Keur zonder vergunning verboden. In deze beleidsregel is aangegeven hoe Rijnland de aanvraag om een vergunning zal toetsen en welke eisen in de vergunning worden opgenomen. Toelichting artikel 2: Toetsing versnelde afvoer Niet belemmeren functioneren van het watersysteem (
  3. a)Wanneer de neerslag in het oppervlaktewater wordt gebracht, kan dit het functioneren van het watersysteem belemmeren. Wanneer de neerslag bijvoorbeeld wordt geloosd in een watergang die slechts met kleine duikers is verbonden met de rest van het watersysteem, kan dit leiden tot het buiten de oevers treden van de watergang. Dit buiten de oevers treden van een watergang is niet acceptabel. Met een juiste keuze van het lozingspunt (het punt waar de neerslag in het oppervlaktewater wordt gebracht) en de locatie van de compensatie, kan dit worden voorkomen. Compensatie bergend vermogen (
  4. b)Door de versnelde afvoer van neerslag is extra bergend vermogen nodig. Om problemen als gevolg van een tekort aan bergend vermogen te voorkomen, is het noodzakelijk dat dit bergend vermogen wordt gecompenseerd. Graven van water (
  5. i)Het compenseren kan door het aanleggen van nieuw water. Hiervoor gelden de voorwaarden uit artikel 3. Berging Rekening Courant (
  6. ii)Diverse gemeenten en enkele andere partijen binnen het beheersgebied van Rijnland hebben een zogenaamde Berging Rekening Courant (BRC): een saldo van gedempt en gegraven water. Indien de eigenaar van de BRC in een peilvak beschikt over een positief saldo, kan zij derden toestemming geven om hier gebruik van te maken. Degene die de verharding aanbrengt en de compensatie wil regelen via de BRC, verzoekt de eigenaar om toestemming. Wanneer deze toestemming wordt gegeven, hoeft er geen nieuw compenserend water te worden gegraven. Recent gegraven water (iii) Het wateroppervlak dat recent en vrijwillig is gegraven, kan worden ingezet voor compensatie. Hierbij zijn echter twee belangrijke voorwaarden:
(1)het water is niet gegraven om aan een wettelijke verplichting te voldoen en
(2)het water mag maximaal drie jaar voor de vergunningaanvraag voor het verharden zijn gegraven. Deze termijn van drie jaar is ingebouwd, omdat Rijnland moet weten op welk waterbergend vermogen in een peilgebied blijvend kan worden gerekend. Alternatieve waterberging (iv) In de praktijk blijkt dat het niet altijd mogelijk is om extra oppervlaktewater ruimtelijk in te passen. Alternatieve waterberging kan dan uitkomst bieden. Het kan, mits goed ontworpen en onderhouden, een goed alternatief zijn voor de aanleg van open water. Er zijn veel technieken voor alternatieve waterberging: kratten onder wegen, regentonnen en dergelijke. Hiervoor gelden de voorwaarden uit artikel 4. Toelichting artikel 3: Compensatie door aanleg water Omvang van compensatie (1a en 2a) Het is belangrijk dat in het watersysteem voldoende ruimte aanwezig is om de neerslag te bergen. De omvang van de benodigde berging verschilt per locatie/peilgebied. Hierbij spelen diverse factoren, zoals de mate van drooglegging, de al dan niet acceptabele peilstijging en het percentage verhard terrein een belangrijke rol. Voor versnelde afvoer naar een poldersysteem is daarom altijd maatwerk nodig om de omvang van de benodigde waterberging vast te stellen. Hierbij wordt met name gekeken naar de maximale peilstijging en de vierkante meters wateroppervlak. Bij versnelde afvoer naar het boezemsysteem volstaat een waterberging van minimaal 15 procent van het oppervlak van de verharding. Locatie van compensatie (1b, 2b en 3) Aangezien het effect van versnelde afvoer lokaal is, is compensatie in de directe nabijheid het uitgangspunt. Concreet betekent dit bij versnelde afvoer naar een: watergang die onderdeel uitmaakt van het poldersysteem, dat de compensatie moet plaatsvinden in hetzelfde peilvak; watergang die onderdeel uitmaakt van het boezemsysteem, dat de compensatie moet plaatsvinden in het boezemsysteem en binnen een straal van 5 kilometer. Alleen indien er aantoonbaar geen mogelijkheid is om de compensatie lokaal uit te voeren, kan een vergunning worden verleend, waarbij compensatie op een andere locatie wordt toegestaan. Bij de aanvraag wordt dan bekeken of versnelde afvoer in dat specifieke geval alsnog kan worden toegestaan via compensatie in een ander peilvak of op een andere locatie in het boezemsysteem, waarmee de gevolgen van de versnelde afvoer worden gecompenseerd. In het maatwerkvoorschrift wordt de nieuwe locatie van de compensatie vastgesteld. Toelichting artikel 4: Compensatie door alternatieve waterberging Omvang van de compensatie
(1)Het risico dat de alternatieve waterberging faalt, is te verminderen door de waterberging met behulp van een veiligheidsfactor te dimensioneren (toeslagfactor). Hierdoor wordt de waterberging groter dan strikt noodzakelijk is. Dat is gewenst, omdat dit anticipeert op vermindering van de waterbergingscapaciteit door ophoping van vervuiling. Tijdsverloop
(2)Het is belangrijk dat de neerslag op het juiste moment wordt geborgen. Wanneer de neerslag te snel of te langzaam vanuit de alternatieve waterberging in het oppervlaktewater wordt gebracht, kan dit het functioneren van het watersysteem ondermijnen. De neerslag wordt dan wel geborgen, maar niet op het moment waarop dat nodig is. Om dit te voorkomen, dient de beschikbaarheid van de alternatieve berging zowel in tijd als in volume, gelijk te zijn aan de normale berging in het oppervlaktewater in het (peil)gebied. Toelichting artikel 5: Eisen in de vergunning In de vergunning neemt Rijnland eisen op die nodig zijn om het functioneren van het watersysteem te borgen. Omvang en locatie verharding en lozing (a en
  1. b)Het is belangrijk dat de verharding plaatsvindt conform de vergunningaanvraag. Bij het beoordelen van de aanvraag is namelijk rekening gehouden met de omvang en locatie van de verharding en de locatie van het lozingspunt. Wanneer meer verharding wordt aangebracht, de verharding op een andere locatie of het lozingspunt op een andere locatie plaatsvindt, is het functioneren van het watersysteem niet geborgd. Omvang en locatie waterberging (
  2. c)De compensatie van het verlies aan bergend vermogen is zeer belangrijk voor het borgen van het functioneren van het watersysteem. In de vergunning wordt daarom specifiek voorgeschreven waar de compensatie plaats moet vinden en hoe groot deze compensatie minimaal moet zijn. Uitvoering (
  3. d)Ook de uitvoering is een belangrijke fase. In de vergunning zullen daarom eisen over de uitvoering worden opgenomen. Hierbij zijn in ieder geval voorschriften over de volgorde van compenseren en het verharden. Uitgangspunt hierbij is dat eerst fysieke compensatie plaatsvindt voordat de verharding wordt aangebracht. Een andere werkwijze zou een tijdelijke vermindering van de bergingscapaciteit van het watersysteem betekenen en dat kan leiden tot lokale wateroverlast. Alternatieve waterberging (e en
  4. f)De compensatie van het verlies aan bergend vermogen is zeer belangrijk voor het borgen van het functioneren van het watersysteem. In de vergunning worden daarom specifieke eisen opgenomen over de constructie en het onderhoud van de alternatieve waterberging. Constructie Met betrekking tot de constructie worden in ieder geval eisen gesteld aan: het volume van de alternatieve waterberging, de snelheid waarmee deze waterberging wordt geleegd en de aanwezige noodoverlopen. Onderhoud Het goed beheren en onderhouden van de alternatieve waterberging is noodzakelijk om het risico op falen te verminderen. Om de waterbergende functie van de alternatieve waterberging te garanderen, wordt de onderhoudsplicht in de vergunning gelegd bij de eigenaar van de grond waarop de alternatieve waterberging is gelegen. Hemelwateruitlaat of riooloverstort Inleiding Gemeenten hebben de taak om hemelwater en afvalwater in te zamelen. Het hemelwater wordt steeds vaker opgevangen in een separaat hemelwaterriool. Vanuit dit hemelwaterriool wordt het hemelwater in het oppervlaktewater gebracht. Het punt waarop deze lozing plaatsvindt, is de hemelwateruitlaat. Inzameling van afvalwater gebeurt in een gemeentelijke riolering. Dit ingezamelde afvalwater wordt via deze riolering getransporteerd naar een zuiveringsinstallatie. Bij grote hoeveelheden neerslag kan de capaciteit van de riolering ontoereikend zijn. Op dat moment wordt het teveel aan afvalwater via een riooloverstort ongezuiverd in het oppervlaktewater gebracht. Deze regel heeft als doel te voorkomen dat nadelige kwantitatieve effecten optreden in het oppervlaktewatersysteem als gevolg van de afvoer van hemelwater. Als hemelwater naar oppervlaktewater afgevoerd wordt vanuit een centraal lozingspunt van een hemelwaterstelsel of een gemengd rioolstelsel, dan kan er bijvoorbeeld een relatief grote hoeveelheid water in het watersysteem komen. Hierbij kunnen peilstijgingen ontstaan, waarop het systeem niet berekend is. Verder kan de constructie van zo’n lozingspunt invloed hebben op het watersysteem. Het kwaliteitsaspect van de afvoer van hemelwater is geregeld in drie Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB’s): Activiteitenbesluit (Ab): afvoer van terreinen met bedrijfsmatige activiteiten; Besluit lozen afvalwater huishoudens (Blah): afvoer van daken en verharding rondom woningen; Besluit lozen buiten inrichtingen (Blbi): afvoer vanaf verharding in de openbare ruimte. Algemene motivering Toelichting vraag 1 Indien een nieuwe verharding wordt aangelegd, kan dit leiden tot versnelde afvoer van water direct of indirect via de (gemengde) riolering naar het oppervlaktewater. In deze gevallen is het belangrijk om hoofdstuk 11 over toename verhard oppervlak te raadplegen om te bepalen of compensatie nodig is in de vorm van de aanleg van open water. Toelichting vraag 2 Nieuwe verharding, maar ook een verandering van de afvoer van hemelwater van bestaande verharding kan gevolgen hebben voor het watersysteem, bijvoorbeeld bij het afkoppelen van een verhard oppervlak van de gemengde riolering direct naar een nabijgelegen watergang. In plaats van af en toe een grote hoeveelheid water vanuit een riooloverstort op een veelal ruime watergang, krijgt het watersysteem dan te maken met afvoer naar veelal kleinere watergangen, elke keer als het regent. Toelichting vraag 3 Het functioneren van het watersysteem kan worden verstoord door een gemeentelijke hemelwateruitlaat of riooloverstort. Zo kan de lozing vanuit een hemelwateruitlaat of riooloverstort een grote hoeveelheid water (op een verkeerde plek) in het watersysteem brengen. Verder kan een verkeerd aangelegde hemelwateruitlaat of riooloverstort tot problemen leiden, bijvoorbeeld omdat oppervlaktewater het riool instroomt of omdat verbinding wordt gemaakt tussen twee peilvakken. Indien het gebied van waaraf hemelwater wordt afgevoerd klein is (maximaal 500 vierkante meter), dan zijn de potentiële risico’s klein, waardoor volstaan kan worden met een zorgplicht voor deze hemelwateruitlaten en riooloverstorten. Toelichting vraag 4 Bij de behandeling van het ontwerp-Blbi in de Tweede Kamer is aangegeven dat in het kader van de vermindering van de lasten en de vereenvoudiging van procedures geen vergunning of melding meer nodig is voor hemelwaterlozingen, mits deze afdoende zijn geregeld in het gemeentelijke rioleringsplan, oftewel GRP (TK, vergaderjaar 2009-2010, 27625, nr. 160). In plaats van de kwantitatieve gevolgen van hemelwaterlozingen te regelen met een watervergunning, is hier de zorgplicht – met erkende maatregel – voldoende. Rijnland kent een goede samenwerking met gemeenten in de afvalwaterketen. Wanneer de voorziening is opgenomen in een BRP (basisrioleringsplan) of GRP, heeft de gemeente Rijnland betrokken bij deze planvorming. In deze samenwerking wordt door Rijnland onder andere aandacht geschonken aan het bergen van de versneld naar het oppervlaktewater afgevoerde neerslag, en wordt gekeken of de betrokken watergangen de afvoer kunnen verwerken. In de praktijk werken gemeenten voor de gedetailleerde informatie met een apart technisch plan, vaak een BRP. Om misverstanden te voorkomen, is het belangrijk dat de gemeente in het GRP verwijst naar het BRP of een nieuw BRP formeel als onderdeel van het GRP vaststelt. Gemeenten hebben de zorgplicht voor afvalwater, grondwater en hemelwater. Het beleidskader voor de uitvoering hiervan staat in het GRP. In het GRP moet aan zowel waterkwaliteits- als aan waterkwantiteitsaspecten aandacht worden besteed. Ook moet het op grond van het tweede lid van artikel 4.22 van de Wet milieubeheer, een overzicht bevatten van de gevolgen voor het milieu van de in de gemeente aanwezige en geplande voorzieningen voor het stedelijk afvalwater en ingezameld hemelwater en grondwater. Wanneer het GRP met betrokkenheid van de waterbeheerder adequaat is uitgewerkt, hebben de effecten op het watersysteem voldoende aandacht gehad en is er geen reden om bij de Keur alsnog een vergunningplicht of meldingsplicht in het leven te roepen. Wanneer het afkoppelen niet is opgenomen in een BRP of GRP, is het noodzakelijk om per individueel geval te beoordelen of het oppervlaktewater de neerslag kan bergen en of de watergangen de afvoer daarnaast kunnen verwerken. In die gevallen is er dus sprake van een vergunningplicht. Eventueel noodzakelijke berekeningen moeten worden uitgevoerd door en op kosten van de initiatiefnemer. Erkende maatregel Beleidsregel Toelichting artikel 1: Reikwijdte van deze beleidsregel Deze beleidsregel is van toepassing op het versneld naar het oppervlaktewater afvoeren van neerslag middels een hemelwateruitlaat of riooloverstort, wanneer deze afvoer niet is opgenomen in een gemeentelijk rioleringsplan (GRP) of een daarin aangegeven basis rioleringsplan (BRP) en de uitlaat neerslag van een gebied groter dan 500 vierkante meter afvoert. Deze handeling is op grond van artikel 3.3, lid 1, sub h van de Keur zonder vergunning verboden. In deze beleidsregel is aangegeven hoe Rijnland de aanvraag om een vergunning zal toetsen en welke eisen in de vergunning worden opgenomen. Toelichting artikel 2: Toetsing versnelde afvoer van neerslag naar het oppervlaktewater Wanneer hemelwater in het oppervlaktewater wordt gebracht, kan dit het functioneren van het watersysteem belemmeren. Bijvoorbeeld in een watergang die met kleine duikers is verbonden met de rest van het watersysteem, kan dit leiden tot het buiten de oevers treden van de watergang. Met een juiste keuze van de locatie van de voorziening voor de afvoer van hemelwater (het punt waar het hemelwater in het oppervlaktewater wordt gebracht) kan dit worden voorkomen. Daarnaast kan het zo zijn dat er in het oppervlaktewater onvoldoende ruimte is om het water te bergen. In dit geval kan het nodig zijn om extra water aan te leggen. Toelichting artikel 3: Eisen in de vergunning In de vergunning legt Rijnland de uitgangspunten voor de beoordeling vast, zoals de omvang van het verharde oppervlak en de locatie van het punt waar het hemelwater in het oppervlaktewater wordt gebracht. Wanneer meer verharding wordt aangebracht, de verharding op een andere locatie of het lozingspunt op een andere locatie plaatsvindt, is het functioneren van het watersysteem niet geborgd. Handelen in een vaarweg (treedt op een later tijdstip in werking) Inleiding Sommige watergangen hebben een vaarwegfunctie. Rijnland draagt bij sommige van deze watergangen zorg voor het in stand houden van deze vaarwegfunctie. Concreet betekent dit dat de watergang voldoende ruimte moet bieden voor de vaarbewegingen. Algemene motivering Toelichting vraag 1 Deze regels zijn niet van toepassing in wateren waar Rijnland het vaarwegbeheer niet uitvoert. Het kan voorkomen dat er vanuit de gemeente of provincie wel regels gelden voor deze wateren. Toelichting vraag 2 en 3 Het is belangrijk dat in de watergang voldoende ruimte beschikbaar blijft om deze te bevaren. De handelingen kunnen worden toegestaan, mits na de handeling de benodigde ruimte beschikbaar blijft binnen deze vaarweg. Het kan gaan om uiteenlopende handelingen, zoals het realiseren van een steiger, het aanleggen van een woonboot, het dempen van een deel van de watergang en het aanbrengen van een brug. Een zorgplicht geeft onvoldoende zekerheid over het beschikbaar blijven van deze ruimte. Een algemene regel volstaat wel. Bij een beweegbare brug kan onder omstandigheden worden volstaan met een lagere brug. Hiervoor moet vooraf maatwerk worden verkregen. Algemene regel Toelichting artikel 1: Reikwijdte van de algemene regel Deze algemene regel heeft betrekking op handelingen in of boven een vaarweg. Deze algemene regel bevat de voorwaarden waaraan bij handeling op grond van artikel 3.2, lid 1 en lid 2, sub h van de Keur moet worden voldaan. Let op: bij deze handelingen in een vaarweg moet niet alleen worden voldaan aan de voorwaarden uit deze algemene regel, maar ook aan de voorwaarden die op basis van de andere hoofdstukken gelden voor de specifieke handeling. Toelichting artikel 2: Beschikbare ruimte Drecht Voor de vaarfunctie is het van belang dat er een bevaarbare route in de watergang is en blijft. Dit betekent dat de watergang en waterbodem breed genoeg moeten zijn, de watergang diep genoeg moet zijn en dat er boven het wateroppervlak geen obstakels aanwezig mogen zijn. De voorgeschreven minimale afmetingen zijn vastgesteld door de provincie en door Rijnland overgenomen. Toelichting artikel 3: Beschikbare ruimte overige vaarwegen Voor de vaarfunctie is het van belang dat er een bevaarbare route in de watergang is en blijft. Dit betekent dat de watergang en waterbodem breed genoeg moeten zijn, de watergang diep genoeg moet zijn en dat er boven het wateroppervlak geen obstakels aanwezig mogen zijn. De voorgeschreven minimale afmetingen zijn vastgesteld door de provincie en door Rijnland overgenomen. Toelichting artikel 4: Mogelijkheden voor maatwerk In bijzondere gevallen kan een kleinere afmeting worden toegestaan, bijvoorbeeld omdat over een grotere lengte al meerder objecten in de vaarweg aanwezig die niet aan de vereiste afmetingen voldoen. Bij maatwerk wordt dan aangegeven aan welke maatvoeringen in dat specifieke geval moet worden voldaan. Bodemonderzoek Inleiding Dit hoofdstuk heeft betrekking op het verrichten van geotechnisch en milieukundig bodemonderzoek. Bij dit type bodemonderzoeken worden boringen en/of sonderingen in de bodem verricht. Hiermee ontstaan relatief kleine gaten in de bodem en de daarin aanwezige slecht waterdoorlatende lagen (ondoorlatende lagen). Dit hoofdstuk heeft geen betrekking op andere vormen van bodemonderzoek, zoals archeologisch onderzoek waarbij graafwerkzaamheden plaatsvinden. Algemene motivering Toelichting vraag 1 Bij het verrichten van bodemonderzoek wordt in de bodem geboord of gesondeerd. Hierbij ontstaan ‘gaten’ in de bodem. Door deze ‘gaten’ kan (kwel)water zich relatief makkelijk bewegen. Dit kan de stabiliteit van de waterkering negatief beïnvloeden. Door het afsluiten van de ondoorlatende lagen wordt kwel voorkomen. Met een algemene regel kan dit risico voldoende worden beperkt. Toelichting vraag 2 Door het verrichten van bodemonderzoek door middel van sondeerwagens, boorstellingen of ander zwaar materieel, kan de kering zodanig zwaar belast worden dat dit negatieve gevolgen kan hebben op de stabiliteit en waterkerendheid van de kade. Wanneer dergelijk zwaar materieel wordt gebruikt op de kering, moet ook hoofdstuk 22 over voertuigen en werktuigen op de waterkering worden geraadpleegd. Toelichting vraag 3 Wanneer tijdens het bodemonderzoek ook wordt gegraven, moet ook hoofdstuk 20 over grondverzet worden geraadpleegd. Toelichting vraag 4 Het uitvoeren van bodemonderzoek in gebieden met sterke (zilte) kwel van het grondwater, kan tot gevolg hebben dat deze kwel ongewenste vormen aanneemt, waardoor de waterkwaliteit afneemt en/of er een verstoring van de waterbalans optreedt. Het betreft hier vooral een aantal dieper gelegen polders. De gebieden waarvoor eisen gelden om kwel te voorkomen, zijn aangegeven op kaart 2. Door inachtneming van een aantal voorwaarden kunnen de risico’s worden beperkt. Deze voorwaarden zijn verwoord in een algemene regel. Algemene regel Toelichting artikel 1: Reikwijdte van deze algemene regel Deze algemene regel is van toepassing op het uitvoeren van bodemonderzoek binnen de kern- en beschermingszone van een waterkering of in een op kaart 2 weergegeven kwetsbaar kwelgebied. Aan deze handeling zijn op grond van artikel 3.2, lid 1 en lid 2, sub i van de Keur voorwaarden verbonden. In deze algemene regel zijn de voorwaarden opgenomen. Toelichting artikel 2: Boren en sonderen Niet (voor)spuiten (
  5. a)Voorspuiten is een grove manier van werken, waarbij de stabiliteit van de waterkering in gevaar kan worden gebracht. Daarnaast kan de ondoorlatende laag in de bodem worden beschadigd, waarbij een grote kwelstroom op gang kan komen. Het is vervolgens de vraag of het nog mogelijk is deze kwelstroom te stoppen. Deze kwelstroom kan de stabiliteit van de waterkering in gevaar brengen. Daarnaast kan deze kwelstroom de kwaliteit van het oppervlaktewater en de waterbalans verstoren. Afdichten ondoorlatende lagen (b, c en
  6. d)Om negatieve gevolgen van kwel te voorkomen, is het belangrijk dat de ondoorlatende lagen worden hersteld met zwelklei (bentoniet). Kabels en leidingen Inleiding Kabels en leidingen worden voor een grote verscheidenheid aan toepassingen aangelegd. Denk onder andere aan: elektriciteitskabels, gasleidingen, drinkwaterleidingen, glasvezelkabels, riolering en telecommunicatie. Algemene motivering Toelichting vraag 1 Kabels en leidingen worden veelal in de grond gelegd. Voor het graven in de bodem kunnen regels van toepassing zijn. Zie hiervoor hoofdstuk 20 over grondverzet. Toelichting vraag 2 Wanneer kabels en leidingen worden aangelegd, vinden er regelmatig ook (ver)bouwactiviteiten plaats. Voor het bouwen of verbouwen kunnen regels van toepassing zijn. Zie hiervoor hoofdstuk 19 over bouwen. Toelichting vraag 3 Kabels en leidingen kunnen negatieve effecten hebben voor de zeewering. Zo kan de aanwezigheid van een kabel of leiding de stabiliteit van de zeewering verminderen of het onderhoud aan de kering hinderen. Toelichting vraag 4 De aanwezigheid van een kabel in de zeewering heeft slechts beperkte risico’s voor de stabiliteit. Voor kabels kan daarom worden volstaan met een zorgplicht. Het voornaamste risico van de aanwezigheid van de leiding is een mogelijk lek in deze leiding. Wanneer gas of vloeistof uit de leiding lekt, kan grond mee stromen. Hierdoor ontstaat erosie aan de zeewering. De mogelijke gevolgen zijn sterk afhankelijk van het type leiding en de druk in deze leiding. Voor huisaansluitingen zijn deze risico’s verwaarloosbaar en volstaat een zorgplicht. Voor de grotere leidingen is er een klein risico, dat met een algemene regel met meldplicht voldoende wordt afgedekt. Toelichting vraag 5 Het voornaamste risico van de aanwezigheid van een leiding is een mogelijk lek. Wanneer gas of vloeistof uit de leiding lekt, kan grond mee stromen. Hierdoor ontstaat erosie aan de waterkering, waardoor deze ernstig kan verzwakken. De mogelijke gevolgen zijn sterk afhankelijk van het type leiding en de druk in deze leiding. Elke mediumvoerende leiding, met uitzondering van huisaansluitingen in de kern- en/of beschermingszone van een waterkering, en mediumvoerende leidingen van meer dan 10,00 bar in de buitenbeschermingszone van een waterkering zijn vergunningplichtig, gezien de risico’s van dit type leidingen. Toelichting vraag 6 Kabels en leidingen kunnen negatieve effecten hebben op de waterkering. Zo kan de aanwezigheid van een kabel of leiding de stabiliteit van de keringen verminderen of het onderhoud aan de kering hinderen. Toelichting vraag 7 De aanwezigheid van een kabel of mantelbuis in of op de waterkering geeft slechts beperkte risico’s voor de stabiliteit van de waterkering. Het voornaamste risico is het moment van aanleg. Door voorwaarden te stellen aan deze aanlegfase zijn de risico’s goed te beheersen. Voor kabels en mantelbuizen kan daarom worden volstaan met een algemene regel zonder meldplicht

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.