Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Oegstgeest 2024Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oegstgeest; gelet op de Verordening Maatschappelijke ondersteuning Oegstgeest 2020; b e s l u i t: vast te stellen de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Oegstgeest 2024 Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen 1.1 Algemene inleiding 1.2 Definities en begrippen 1.3 Juridische status beleidsregels Hoofdstuk 2 Toegangsprocedure: melding, onderzoek en aanvraag 2.1 Inleiding 2.2 Melding 2.3 Scheiding melding en aanvraag 2.4 Onafhankelijke Cliëntondersteuning 2.5 Behandeling en melding 2.6 Persoonlijk Plan 2.7. Informatie van belang voor behandeling van de melding 2.8. Identificatie inwoner 2.9 Gesprek en onderzoek 2.9.1 Gesprek 2.9.2 Onderzoek 2.10 Verslag (en ondersteuningsplan) 2.11 Spoedeisende situatie Hoofdstuk 3 Inhoud Ondersteuningsplan 3.1. Resultaten 3.2. Mate van de beperkingen 3.3 Mantelzorg 3.3.1. Mantelzorgondersteuning Hoofdstuk 4 Voorliggende voorzieningen 4.1 Algemeen gebruikelijke voorzieningen 4.2 Algemene voorzieningen 4.3 Aanspraak op andere wetgeving 4.4 Afstemming met de Wet Langdurige Zorg (Wlz) 4.5 Eigen aanschaf 4.6 Gebruikelijke zorg Hoofdstuk 5 Maatwerkvoorzieningen 5.1 Aanvraag maatwerkvoorziening 5.2 Verlengen beslistermijnen 5.2.1 Extern advies 5.2.2 Onjuiste/onvolledige gegevens 5.2.3 Verouderde informatie 5.3 Algemene criteria voor individuele maatwerkvoorzieningen 5.4 Maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning 5.5 Maatwerkvoorziening Maaltijdvoorziening 5.6 Maatwerkarrangement ambulante ondersteuning en wonen met ondersteuning 5.6.1 Eigen verantwoordelijkheid 5.6.2 Algemene doelen van maatwerkarrangementen 5.6.3 Soorten maatwerkarrangementen 5.6.4 Opbouw van de maatwerkarrangementen 5.6.5 Cliéntgroepen maatwerkarrangementen 5.6.6 Landelijke inkoop specialistische ondersteuning 5.7 Maatwerkvoorziening Kindzorg 5.8 Maatwerkvoorziening Woonvoorzieningen 5.8.1 Criteria woonvoorzieningen 5.8.2 Primaat van verhuizen 5.8.3 Woonwagen, woonschip, binnenschip 5.9 Maatwerkvoorziening Rolstoelen 5.9.1 Criteria Rolstoelen 5.9.2 Incidenteel rolstoelgebruik 5.9.3 Sportrolstoel/voorziening 5.9.4 Rolstoel via een persoonsgebonden budget 5.10 Maatwerkvoorziening Vervoer 5.10.1 Algemeen 5.10.2 Criteria Vervoersvoorzieningen 5.10.3 Combinatie vervoersvoorzieningen 5.10.4 Regiotaxi 5.10.5 Rolstoeltaxi en gebruik eigen auto 5.11 Maatwerkvoorziening Lijfgebonden ondersteuning 5.12 Maatwerkvoorziening Kortdurend Verblijf (respijtzorg) Hoofdstuk 6 Specialistische voorzieningen wonen met ondersteuning 6.1.1 Toegang 6.1.2 Overbruggingszorg 6.2 Specialistische voorzieningen 6.3 Persoonsgebonden budget Wonen met ondersteuning Hoofdstuk 7 Specialistische maatschappelijke opvang Hoofdstuk 8 Beschikking maatwerkvoorziening 8.1 Beschikking maatwerkvoorziening in natura 8.2 Beschikking persoonsgebonden budget 8.3 Beschikking vrouwenopvang Hoofdstuk 9 Maatwerkvoorziening via persoonsgebonden budget 9.1 Keuze 9.2 Weigering 9.3 Omvang van het persoonsgebonden budget 9.3.1 Geen uitruil budgetten 9.4 Kwaliteit van het persoonsgebonden budget 9.5 Pgb voor wonen met ondersteuning 9.6 Pgb voor Woonvoorzieningen, hulpmiddelen en vervoersvoorzieningen 9.6.1 Eenmalige uitkering voor materiële voorzieningen 9.6.2 Beëindiging van het persoonsgebonden budget 9.7 Pgb voor Huishoudelijke Ondersteuning en Begeleiding 9.7.1 Professioneel en niet professioneel 9.7.2 Betaling van het pgb voor huishoudelijke ondersteuning en begeleiding (het trekkingsrecht) 9.8 Verantwoording van het persoonsgebonden budget Hoofdstuk 10 Maatwerkvoorziening tegemoetkoming Hoofdstuk 11 Bijdrage in de kosten van een maatwerkvoorziening en algemene voorziening 11.1 Eigen bijdrage maatwerkvoorzieningen 11.2 Start eigen bijdrage 11.3 Einde eigen bijdrage 11.4 Pauzeren (tijdelijk opschorten) eigen bijdragen 11.5 Eigen bijdrage maatschappelijke specialistische opvang en vrouwenopvang Hoofdstuk 12 Overige bepalingen 12.1 Kwaliteitseisen aanbieders maatschappelijke ondersteuning 12.2 Contactmanagement Wmo 12.3 Klantervaringsonderzoek 12.4 Klachten en bezwaren 12.5 Toezichthoudende ambtenaar 12.6 Ondersteuning aan 16-27 jarigen 12.6.1 Zorgcontinuïteit 12.6.2 Verlengde jeugdhulp 12.7 Meldcode Huiselijk geweld 12.8 Privacy 12.9 Overgangsregeling Zorg in Natura 12.10 Hardheidsclausule 12.11 Citeertitel en inwerkingtreding Hoofdstuk1Algemene bepalingen 1.1Algemene inleiding Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het ondersteunen van de zelfredzaamheid en participatie van inwoners die een beperking, chronische lichamelijke, psychische of psychosociale problemen hebben. Die ondersteuning moet erop gericht zijn dat mensen zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven. Voor mensen met psychische of psychosociale problemen of voor mensen die, al dan niet in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, de thuissituatie hebben verlaten, voorzien gemeenten in de behoefte aan beschermd wonen (Wonen met ondersteuning) en opvang. Wanneer iemand naar het oordeel van het college niet in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en onvoldoende is geholpen met de inzet van de eigen verantwoordelijkheid, gebruikelijke hulp, mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk, dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen, zal het college in principe beslissen tot het verstrekken van een (individuele) maatwerkvoorziening. Een maatwerkvoorziening kan bestaan uit diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die kunnen bijdragen aan het verbeteren of het in stand houden van de zelfredzaamheid, participatie of het bieden van beschermd wonen of opvang aan een inwoner. Het ondersteunen van een inwoner door middel van huishoudelijke ondersteuning is een voorbeeld van een maatwerkvoorziening. Ook datgene dat nodig is om de mantelzorger van de inwoner te ondersteunen bij het verlenen van mantelzorg of om deze (tijdelijk) te ontlasten in een situatie van (dreigende) overbelasting, kan onderdeel uitmaken van een maatwerkvoorziening. Het te bereiken resultaat is het uitgangspunt voor inzet van maatwerkvoorzieningen. Dit komt ook terug in de wijze waarop de gemeente de voorzieningen heeft ingekocht. Niet het aantal uren is leidend, maar het te bereiken resultaat. De cliënt kan samen met de cliëntondersteuner een optimaal ondersteuningsplan samenstellen om het gewenste resultaat te behalen. 1.2Definities en begrippen Alle begrippen en definities die in deze beleidsregels worden gebruikt hebben dezelfde betekenis als in de Wet maatschappelijke Ondersteuning, het uitvoeringsbesluit Wmo, de Algemene wet bestuursrecht, de Wmo Verordening Oegstgeest 2020 en het Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning Oegstgeest 2023 en daarmee bindend voor deze beleidsregels. Ter aanvulling wordt verder verstaan onder Arrangement: een op een cliënt gericht aanbod van maatschappelijke ondersteuning binnen één of meer resultaatsgebieden Sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de belanghebbende een soort relatie onderhoudt. 1.3Juridische status beleidsregels De beleidsregels betreffen de uitvoeringspraktijk van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Oegstgeest 2020. Het vaststellen van de beleidsregels is daarmee een bevoegdheid van het college. De beleidsregels ontlenen hun status aan artikel 4:81 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht: “Een bestuursorgaan kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde bevoegdheid”. Wanneer de beleidsregels door het college zijn vastgesteld kan daar naar worden verwezen in de motivering van een beschikking. Hoofdstuk2Toegangsprocedure: melding, onderzoek en aanvraag 2.1Inleiding In dit hoofdstuk is de toegangsprocedure voor mensen met behoefte aan ondersteuning beschreven. Er worden verschillende aspecten beschreven zoals het persoonlijk plan en onafhankelijke cliëntondersteuning. Hoewel deze onderdelen niet altijd deel uitmaken van de toegangsprocedure heeft het college wel de plicht inwoners te informeren over deze aspecten van de toegangsprocedure. 2.2Melding De melding is het startpunt van het onderzoek naar de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning. Via een melding doet een inwoner van Oegstgeest, of zijn vertegenwoordiger, het verzoek om onderzoek naar de behoefte op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, participatie en zelfredzaamheid. Een informatie- of adviesvraag wordt in principe niet als een melding aangemerkt. Een melding kan worden gedaan bij het Sociaal Team Oegstgeest, of bij één van de aan het Sociaal Team Oegstgeest deelnemende organisaties. Dit kan op verschillende manieren (telefonisch, per mail, via een digitaal formulier, schriftelijk). De melding wordt geregistreerd. Ook toeleiders, zoals huisartsen of praktijkondersteuners, kunnen een melding doen. Zij kunnen samen met de inwoner een formulier invullen en dat naar het Sociaal Team Oegstgeest versturen, of met de inwoner een afspraak maken met het Sociaal Team Oegstgeest. Ook is het mogelijk om aan het Sociaal Team te verzoeken om contact met een inwoner op te nemen om een mogelijke ondersteuningsbehoefte nader te onderzoeken, uiteraard met toestemming van de inwoner. In afwijking op het hierboven vermelde, geldt voor slachtoffers van huiselijk geweld dat de door de gemeente aangewezen organisaties voor vrouwenopvang zelf, volgens landelijke criteria, toetsen op toegang en opvang. De vrouwenopvang toetst aan de hand van toelatingscriteria zoals beschreven in het beleidskader ‘landelijke in-, door- en uitstroom crisisopvang & opvang in acute crisissituaties van slachtoffers huiselijk geweld in de vrouwenopvang’ (het Beleidskader crisisopvang). 2.3Scheiding melding en aanvraag In de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna te noemen “de Wet”) heeft de scheiding van melding en aanvraag een wettelijke basis gekregen. Na de melding heeft het college zes weken om een onderzoek te doen naar de hulpvraag. Binnen deze zes weken vindt het gesprek plaats, wordt (zo nodig) verder onderzoek gedaan en de resultaten geformuleerd en moet het college een verslag van het onderzoek maken. Het verslag kan tevens aangemerkt worden als het ondersteuningsplan. Pas na afloop van dat onderzoek kan de inwoner een aanvraag indienen, tenzij het onderzoek niet binnen 6 weken is afgerond of de inwoner al uitgebreid bekend is. Dan bestaat de mogelijkheid om in overleg met de inwoner direct een aanvraag in te dienen. 2.4Onafhankelijke Cliëntondersteuning De professional die met de melding aan de slag gaat moet voor de start van het onderzoek de inwoner en zijn mantelzorger(
- s)wijzen op de mogelijkheid om gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning. Het gaat om ondersteuning door middel van informatie en advies over vraagstukken van maatschappelijke ondersteuning en hulp bij het verkrijgen daarvan. Belangrijk hierbij is dat de ondersteuning geboden wordt vanuit een onafhankelijke positie en zodanig ingevuld wordt dat de focus eenduidig gericht kan zijn op het belang van betrokkenen of zodanig dat belangen van de organisatie die de cliëntondersteuning biedt geen rol spelen. Het belang van de inwoner moet het enige belang zijn dat meetelt voor de cliëntondersteuner. De onafhankelijkheid van de cliëntondersteuner wordt gewaarborgd door de wettelijke plicht er voor te zorgen dat het uitgangspunt bij de cliëntondersteuning het belang van betrokkene is. Onafhankelijkheid van de cliëntondersteuning betekent dat de inwoner erop moet kunnen vertrouwen dat de ondersteuning die geboden wordt tijdens het onderzoek naar zijn specifieke situatie volledig onafhankelijk is van het besluit dat de gemeente uiteindelijk neemt ten aanzien van het ondersteuningsplan. In Oegstgeest kunnen Kwadraad, MEE, Stichting Lumen Holland Rijnland, en Radius onafhankelijke cliëntondersteuning bieden. Inwoners kunnen hen benaderen via het Sociaal Team Oegstgeest, of de partijen rechtstreeks benaderen. Omdat in Oegstgeest besluiten over een maatwerkvoorziening voorbehouden blijven aan het college kunnen deze partijen een onafhankelijke positie innemen. 2.5Behandeling melding Naar aanleiding van de melding wordt contact opgenomen met de melder. In dit eerste contact komen de procedureregels, de mogelijkheden van (gratis) cliëntondersteuning en het persoonlijk plan aan de orde. Het inhoudelijk onderzoek komt in dit eerste contact meestal nog niet aan de orde. Dit eerste contact kan leiden tot een gesprek bij voorkeur bij de belanghebbende thuis. Daarbij vragen wij naar eventuele mantelzorgers die bij het gesprek aanwezig moeten zijn. Indien de melding gaat over opvang dan wordt deze melding in behandeling genomen door de door de gemeente aangewezen organisaties voor (specialistische) maatschappelijke opvang en vrouwenopvang. 2.6Persoonlijk Plan Het college stelt de inwoner op de hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan in te dienen. Het indienen van een persoonlijk plan kan tot 7 dagen na ontvangst van de melding. De inwoner dient het plan te overhandigen voordat het onderzoek van start gaat. In het persoonlijk plan geeft de inwoner weer welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het beste past bij zijn persoonlijke situatie. Het persoonlijk plan wordt tijdens het gesprek besproken. 2.7.Informatie van belang voor behandeling van de melding Op grond van de Wet (artikel 2.3.2 lid 7) moet de inwoner of zijn vertegenwoordiger het college alle gegevens en bescheiden verschaffen die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Voor aanvang van het onderzoek beoordeelt het Sociaal Team Oegstgeest of alle informatie die nodig is voor een onderzoek beschikbaar is. De inwoner heeft hierin een actieve rol en kan eventueel aanvullende informatie aandragen die van belang is voor een goede beoordeling van de beperkingen, mogelijkheden en eventueel noodzakelijke ondersteuning. Zo kan het bijvoorbeeld nodig zijn om het advies in te winnen van een deskundige die vertrouwd is met de problematiek van een inwoner met een psychiatrische geschiedenis of een specifieke beperking die nadere toelichting vraagt. Indien dat aan de orde is, zal het college een dergelijk advies moeten afwachten. Dat is immers noodzakelijk in het kader van een zorgvuldig onderzoek en voor het totale beeld dat het college zich moet vormen van de inwoner en diens ondersteuningsvraag. 2.8.Identificatie inwoner Op grond van de Wet (artikel 2.3.4 lid 1) moet het college bij elk nieuw onderzoek de identiteit van de inwoner vaststellen aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht (o.a. een geldig paspoort, Nederlandse identiteitskaart of rijbewijs). 2.9Gesprek en onderzoek 2.9.1Gesprek De medewerker die de melding in behandeling heeft, bespreekt samen met de betrokken inwoner, en eventueel diens cliëntondersteuner en/of mantelzorger, wat de hulpvraag inhoudt en waaruit de behoefte aan ondersteuning bestaat. Hieronder wordt nadrukkelijk ook de behoefte van de mantelzorger(
- s)begrepen. Ook de mate van zelfredzaamheid van de inwoner en de oplossingen vanuit de eigen kracht worden besproken. Dit gesprek zal meestal bij de inwoner thuis zijn. Als het een melding betreft van een bij de gemeente ‘bekend’ persoon die eerder een voorziening of een gesprek heeft gehad dan kan het gesprek in overleg met de melder ook telefonisch plaatsvinden. Het gesprek vormt de basis voor een onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de Wet. De medewerker verzamelt de benodigde informatie. Daarbij is de medewerking van de melder onontbeerlijk. Als iemand al voldoende bekend is en er zijn geen nieuwe omstandigheden die op de melding van invloed zijn, kan in overleg met de melder worden afgezien van (delen van) het onderzoek. De onderzoeksfase is een waarborg voor inwoners om gehoord te worden en in gezamenlijk overleg tot een kwalitatief goed ondersteuningsplan te komen. Bovendien is het van belang na te gaan of de voorziening/ondersteuning die de inwoner voor ogen heeft geen surrogaat is voor mogelijk onderliggende problematiek (vraag achter de vraag). 2.9.2Onderzoek De onderwerpen die in het onderzoek aan de orde moeten komen zijn opgenomen in artikel 5 van de Verordening: Het college onderzoekt in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan, dan wel diens vertegenwoordiger en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers en desgewenst familie, zo spoedig mogelijk: de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt; het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning; de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren, of te voorzien in zijn behoefte aan wonen met ondersteuning of specialistische maatschappelijke opvang; de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorzien in zijn behoefte aan wonen met ondersteuning of specialistische maatschappelijke opvang ; de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening, zoals opgenomen in het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet, of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan wonen met ondersteuning of specialistische maatschappelijke opvang ; de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, of door doorstroom naar de Wet Langdurige Zorg (WLZ, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of aan wonen met ondersteuning of specialistische maatschappelijke opvang; de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken; welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de wet verschuldigd zal zijn, en de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze. Het zal regelmatig voorkomen dat niet alle aspecten die onderdeel van een onderzoek moeten zijn, ook in een concrete casus aan de orde hoeven te komen, omdat bijvoorbeeld blijkt dat aan de behoefte van de inwoner aan maatschappelijke ondersteuning kan worden voldaan door het geven van informatie, een eenvoudige verwijzing of omdat bijvoorbeeld blijkt dat een combinatie van eigen kracht en gebruikelijke hulp van een huisgenoot volstaat. Dat is echter alleen zo wanneer de inwoner hiermee instemt en laat blijken dat hij geen maatwerkvoorziening wenst aan te vragen. Als de inwoner tijdens het onderzoek te kennen geeft dat hij met aangereikte mogelijkheden uit de voeten kan of geen aanvraag voor een maatwerkvoorziening zal doen, kan het onderzoek als afgerond worden beschouwd. 2.10Verslag (en ondersteuningsplan) De melding en de bespreking van de behoefte aan ondersteuning leidt in beginsel tot een ondersteuningsplan van de inwoner. Het ondersteuningsplan wordt getekend door (of namens) de melder (de belanghebbende of diens vertegenwoordiger) en de medewerker van het Sociaal Team Oegstgeest. Het ondersteuningsplan is de weergave van de adviezen, verwijzingen en afspraken die in samenspraak met de inwoner zijn gemaakt naar aanleiding van zijn melding, evenals de beoogde resultaten en de toekomstige evaluatie daarvan. Wanneer tijdens het intakegesprek of het onderzoek blijkt dat de inwoner mogelijk recht heeft op ondersteuning vanuit de Wet Langdurige Zorg, de Zorgverzekeringswet of andere voorliggende voorzieningen, wordt het aanvragen hiervan opgenomen in het plan. De mate van zelfredzaamheid van de inwoner bepaalt of de afspraak is dat de inwoner dit zelf doet, iemand uit zijn omgeving dan wel het Sociaal Team Oegstgeest ondersteuning biedt. De weergave van het onderzoek (het verslag) met daarin de resultaten (het ondersteuningsplan) dient binnen maximaal zes weken na de melding gereed te zijn. Indien de inwoner het niet eens is met de inhoud van het verslag wordt dit met de hulpvrager besproken. Opmerkingen/aanvullingen zullen worden toegevoegd aan het verslag en eventueel zal een nieuw gesprek worden gevoerd en de resultaten aangepast. Het verslag met aanpassingen naar aanleiding van de opmerkingen en aanvullingen van de inwoner dient ondertekend te worden door de inwoner. Indien de inwoner het uiteindelijk toch niet eens is met de uitkomst van het onderzoek, staat er geen wettelijk bezwaarmogelijkheid open. Mochten de resultaten van het onderzoek aangeven dat er geen noodzaak is voor een maatwerkvoorziening en de inwoner is het hier uiteindelijk toch niet mee eens dan kan hij alsnog een aanvraag doen voor een maatwerkvoorziening. De beslissing op die aanvraag staat wel open voor een officiële bezwaarprocedure. 2.11Spoedeisende situatie Indien er sprake is van een spoedeisende situatie, dan is het college, na de melding, gehouden onverwijld een vorm van noodzakelijke ondersteuning te bieden. De uitkomst van het onderzoek hoeft dan niet afgewacht te worden. De inzet van deze ondersteuning is tijdelijk. Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan om iemand die uit het ziekenhuis ontslagen wordt maar nog niet in staat is het huishouden zelf te doen. Hoofdstuk3Inhoud Ondersteuningsplan 3.1.Resultaten Wanneer een inwoner beperkingen ervaart op het gebied van zelfredzaamheid en participatie wordt tijdens het onderzoek en het gesprek de ondersteuningsbehoefte bepaald. Dit resulteert in een ondersteuningsplan waarin de ondersteuningsbehoefte wordt weergegeven in één of meer van de volgende resultaten: een evenwichtige draagkracht en draaglast van de mantelzorger; een schoon, leefbaar en gestructureerd huishouden; wonen in een geschikte woning; het uitvoeren van dagelijkse activiteiten en het hebben van een ingevulde dag; mogelijkheid om zich te verplaatsen, te vervoeren en sociale contacten aan te gaan; mogelijkheid om begeleid, beschut of beschermd te kunnen wonen en opvang te krijgen. 3.2.Mate van de beperkingen Ondersteuningsterreinen Iemand kan op één of meer terreinen of activiteiten beperkingen in diens zelfredzaamheid en participatie ondervinden. Voor elk van deze terreinen of activiteiten worden aspecten onderscheiden waarop de mate van zelfredzaamheid en mogelijkheden tot participatie betrekking hebben: sociale redzaamheid; bewegen en verplaatsen; gedragsproblemen; psychisch functioneren; geheugen- en oriëntatiestoornissen. Ad 1 Sociale redzaamheid Bij sociale redzaamheid gaat het om de volgende aspecten: begrijpen wat anderen zeggen; een gesprek voeren; zich begrijpelijk maken; initiëren en uitvoeren eenvoudige taken; kunnen lezen, schrijven en rekenen; Communicatiehulpmiddel gebruiken; Dagelijkse bezigheden; Problemen oplossen en besluiten nemen; Dagelijkse routine regelen; Zelf geld beheren; Initiëren en uitvoeren complexere taken; Zelf administratiezaken bijhouden. Ad 2 Bewegen en verplaatsen Bij zich bewegen en verplaatsen gaat het om de volgende aspecten: lichaamspositie handhaven; grove hand- en armbewegingen maken; fijne handbewegingen maken; lichtere voorwerpen tillen; gecoördineerde bewegingen maken met benen en voeten; lichaamspositie veranderen; trap op en af gaan zonder hulp(middelen); zich verplaatsen met hulp(middelen); voortbewegen binnenshuis, zonder hulp(middelen); gebruik maken van openbaar vervoer; eigen vervoermiddel gebruiken; voortbewegen buitenshuis zonder hulp(middelen); korte afstanden lopen; zwaardere voorwerpen tillen. Ad 3 Gedragsproblemen Bij gedragsproblemen gaat het om de volgende aspecten: destructief gedrag (gericht op zichzelf en/of de ander, zowel letterlijk als figuurlijk); dwangmatig gedrag; lichamelijk agressief gedrag; manipulatief gedrag; verbaal agressief gedrag; zelf verwondend of zelfbeschadigend gedrag; grensoverschrijdend seksueel gedrag. Ad 4 Psychisch functioneren Bij psychisch functioneren, gaat het om de volgende aspecten: concentratie; geheugen en denken; perceptie van omgeving. Ad 5 Oriëntatiestoornissen Bij geheugen- en oriëntatiestoornissen gaat het om de volgende aspecten: oriëntatie in persoon; oriëntatie in ruimte; oriëntatie in tijd; oriëntatie naar plaats. 3.3Mantelzorg In het onderzoek wordt ook de draaglast van de eventuele mantelzorg meegewogen. Mantelzorg is zorg die de gebruikelijke zorg overstijgt. Het is zorg die wordt gegeven aan een zorgvrager door iemand uit diens directe omgeving. Het gaat dan om onbetaalde: ondersteuning die huisgenoten, familie, vrienden, kennissen, collega’s en buren verlenen en die voortkomt uit onderlinge relaties; het gaat dus niet om hulp als gevolg van een beroep of georganiseerd vrijwilligerswerk; ondersteuning die mensen geven vanwege gezondheidsproblemen of beperkingen tot in een terminale fase; ondersteuning die varieert van huishoudelijke ondersteuning, persoonlijke verzorging tot begeleiding; ondersteuning die in principe langer dan drie maanden en meer dan 8 uur per week wordt verleend en die boven de gebruikelijke hulp uitstijgt in zwaarte, duur en/of intensiteit. Mantelzorg vindt plaats op basis van vrijwilligheid, dat wil zeggen dat de mantelzorger bereid en in staat geacht mag worden deze zorg te leveren. Het college kan en mag mantelzorg niet afdwingen. Bij het onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte van de inwoner zal ook altijd naar de draagkracht van de mantelzorger worden gekeken, om overbelasting te voorkomen. In bijlage 3 is dit begrip toegelicht. 3.3.1Mantelzorgondersteuning Mantelzorgondersteuning is het pakket aan diensten, activiteiten en goederen dat beschikbaar wordt gesteld aan de mantelzorger en dat tot doel heeft die persoon te ondersteunen bij diens hulpverlening aan de zorgvrager en in staat te stellen zich te kunnen blijven ontplooien in zijn maatschappelijk leven. Het zijn voorzieningen waarvan gebruik kan worden gemaakt ter ontlasting van de ondersteuningstaken, ter ontplooiing van de capaciteiten en ter ontspanning van de mantelzorger. Het gaat hierbij om: ontspanningsactiviteiten, cursussen en themabijeenkomsten, lotgenotencontacten, emotionele en materiële hulp, informatie en advies en bijvoorbeeld respijtzorg voor de meest intensieve ondersteuningssituaties. Bij een mantelzorger die zorgt voor een inwoner van Oegstgeest wordt in de week van de Dag van de Mantelzorg (november) een ‘waardering’, bijvoorbeeld een bloemstuk, bezorgd. Daarnaast wordt in die periode een ontmoetingsactiviteit georganiseerd.. De mantelzorgwaardering wordt één keer per jaar uitgereikt. Hoofdstuk4Voorliggende voorzieningen Tijdens het onderzoek komt aan de orde in hoeverre de inwoner voldoende geholpen is met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke of algemene voorzieningen, of andere voorliggende voorzieningen zoals de Zorgverzekeringswet. Deze zijn voorliggend op de maatwerkvoorzieningen. Ook wordt er gekeken in hoeverre er sprake is van gebruikelijke zorg, 4.1Algemeen gebruikelijke voorzieningen Van een algemeen gebruikelijke voorziening is sprake indien: de voorziening niet specifiek bedoeld is voor mensen met een beperking; de voorziening in de reguliere handel verkrijgbaar is; een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is en; deze financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau. Algemeen gebruikelijk zijn goederen en producten die een persoon in vergelijkbare sociale en financiële omstandigheden tot zijn uitgavenpatroon kan rekenen. Of een voorziening algemeen gebruikelijk is hangt af van de specifieke situatie van de inwoner en van de tijdgeest en jurisprudentie. In bijlage 1 is een lijst met voorbeelden opgenomen van voorzieningen die in principe worden aangemerkt als algemeen gebruikelijk. 4.2Algemene voorzieningen Algemene voorzieningen zijn voor alle inwoners, met en zonder beperkingen toegankelijk. Voorbeelden zijn: openbaar vervoer, buurthuizen, klussendienst, formulieren-hulp, boodschappenservice, maaltijdenservice, ouderenadviseurs, consultatiebureau en de huisarts. Deze voorzieningen helpen mensen (ondanks hun beperkingen) bij hun zelfredzaamheid, zelfstandigheid en participatie. Voor een algemene voorziening is geen toestemming of doorverwijzing van de gemeente nodig. Eventueel kan er sprake zijn van een lichte toegangstoets, maar er wordt geen beschikking afgegeven. Het college kan algemene voorzieningen treffen die naar zijn oordeel bijdragen aan de zelfredzaamheid en de participatie van inwoners en aan de inzet van mantelzorg en vrijwilligerswerk daarvoor. 4.3Aanspraak op andere wetgeving Een maatwerkvoorziening wordt niet verstrekt wanneer een inwoner voor desbetreffende voorziening een indicatie heeft op grond van; de Wet langdurige zorg (zie artikel 4.4); de Zorgverzekeringswet; de Jeugdwet; de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen Wel moet worden beoordeeld wat buiten de voorliggende aanspraak valt, dit blijft voor de Wmo. 4.4Afstemming met de Wet langdurige zorg (Wlz) Indien inwoners toegang hebben tot de Wet langdurige zorg (Wlz), dan kunnen zij bepaalde maatwerkvoorzieningen zoals begeleiding en huishoudelijke ondersteuning niet meer vanuit de Wmo ontvangen. Op dat moment is vastgesteld dat iemand vanwege beperkingen als gevolg van bijvoorbeeld leeftijd of handicap, blijvend permanent toezicht of 24-uurszorg in de nabijheid nodig heeft. Die zorgplicht blijft belegd bij de aan zorgverzekeraars gelieerde zorgkantoren. Het Centrum indicatiestelling zorg (CIZ) indiceert voor deze zorg. Als het CIZ een indicatiebesluit heeft genomen, is er enige tijd nodig om de Wlz-zorg in te regelen. Als de inwoner al zorg ontving vanuit de Zvw of de Wmo, is dat niet meteen omgezet in Wlz-zorg. Daarom hebben partijen afgesproken dat de bestaande zorg indien nodig nog maximaal 5 dagen wordt voortgezet. Zolang mensen nog thuis wonen met een Wlz indicatie blijft de gemeente vanuit de Wmo verantwoordelijk voor hulpmiddelen, woningaanpassingen en vervoersvoorzieningen. Als mensen in een Wlz instelling wonen of er naartoe verhuizen dan is de zorginstelling verantwoordelijk voor de hulpmiddelen. Uitzondering daarop is de situatie waarin mensen in een Wlz instelling wonen en al een hulpmiddel via de Wmo hebben. In dat geval blijft de gemeente nog verantwoordelijk voor het onderhoud ervan totdat het middel moet worden vervangen. Dan neemt de Wlz de zorg voor het hulpmiddel over. 4.5Eigen aanschaf Er wordt geen maatwerkvoorziening verstrekt als er een voorziening wordt aangevraagd die de inwoner na de melding, maar voor de datum van het besluit, heeft gerealiseerd of aangeschaft. Tenzij het college daarvoor schriftelijke toestemming heeft verleend of de noodzaak achteraf nog kan worden vastgesteld. 4.6Gebruikelijke zorg Gebruikelijke zorg is per definitie zorg waarop geen aanspraak bestaat vanuit de Wmo (zie ook bijlage 2). Het is de normale, dagelijkse zorg die partners of ouders en inwonende kinderen geacht worden elkaar onderling te bieden omdat ze als leefeenheid een gezamenlijk huishouden voeren en op die grond een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van dat huishouden. Gebruikelijke zorg is ook alleen aan de orde als er een leefeenheid is die een gezamenlijk huishouden voert. Uitwonende kinderen vallen hier dus buiten. Kortom als er in een huishouden sprake is van een gezonde partner of huisgenoot dan wordt gebruikelijke hulp aanwezig geacht. Het college houdt, bij de beoordeling of van de huisgenoot gebruikelijke hulp kan worden gevergd, in ieder geval rekening met: De aard en de omvang van de ondersteuningsbehoefte van belanghebbende. De aard van de relatie van de persoon binnen de leefeenheid met belanghebbende. De leeftijd en de ontwikkelingsfase van inwonende kinderen. De mogelijkheid om de gebruikelijke hulp aan te leren. Daarbij kan onderscheid bestaan tussen gebruikelijke hulp ingeval van begeleiding en/of het overnemen van huishoudelijke taken door huisgenoten. Bij gebruikelijke zorg wordt uitgegaan van de mogelijkheid om naast een volledige baan een huishouden te kunnen runnen. Alleen bij daadwerkelijke afwezigheid van de huisgenoot gedurende een aantal dagen en nachten zullen de niet-uitstelbare taken overgenomen kunnen worden. Bij het zwaar en licht huishoudelijk werk gaat het veelal om uitstelbare taken. Alleen als schoonmaken niet kan blijven liggen (regelmatig geknoeide vloeistoffen en eten) zal dat direct moeten gebeuren. Hier zal dan ondanks de gedeeltelijk gebruikelijke hulp wel een maatwerkvoorziening voor verstrekt kunnen worden. Is sprake van een latrelatie, dan wordt bekeken in hoeverre de partner kan bijdragen aan het huishouden. Wanneer er sprake is van beperking bij het aanbrengen van structuur en het voeren van regie op het huishouden wordt onderscheid gemaakt tussen langdurige en kortdurende situaties. Wanneer uitzicht is op herstel van het vermogen tot zelfredzaamheid en participatie binnen drie maanden is sprake van gebruikelijke hulp. Bij langdurige/chronische situaties wordt tenminste verwacht dat activiteiten met betrekking tot administratieve en planningshandelingen worden overgenomen door andere leden in de leefeenheid. In gesprek met het Sociaal Team Oegstgeest zal gekeken worden of van het bovenstaande moet worden afgeweken. Hoofdstuk5Maatwerkvoorzieningen 5.1Aanvraag maatwerkvoorziening Een maatwerkvoorziening wordt in beginsel aangevraagd op een door het college beschikbaar gesteld formulier en voorzien van een handtekening van de aanvrager. Om administratieve lasten te voorkomen kan het gespreksverslag/ondersteuningsplan ook als aanvraag worden aangemerkt. Een aanvraag kan pas worden ingediend na het onderzoek of na het verstrijken van de zes wekentermijn. Na de ontvangst van de aanvraag heeft het college twee weken om de beschikking af te geven. Bij de behandeling van de aanvraag moet de inwoner in de gelegenheid worden gesteld om te kiezen voor een persoonsgebonden budget en/of zorg in natura. Na afhandeling van het onderzoek kan door middel van een (schriftelijk) verslag een aanvraag voor een maatwerkvoorziening worden gedaan, tenzij het onderzoek niet binnen zes weken is uitgevoerd (artikel 2.3.2 lid 9 van de Wet). In plaats van een schriftelijk verslag kan het college ook een ondersteuningsplan opstellen. Voor inwoners die al bekend zijn en bij wie er geen nieuwe feiten en omstandigheden aan de orde zijn, kan in overleg met de inwoner de meldingsprocedure worden overgeslagen. 5.2Verlengen beslistermijnen 5.2.1Extern advies Voor zover voor de beoordeling van de aanvraag voor een maatwerkvoorziening extern advies nodig is, wordt dat gevraagd nadat de aanvraag is ingediend. De gemeente schort dan tevens de beslistermijn van de aanvraag op. 5.2.2Onjuiste/onvolledige gegevens Uit de wet vloeit eveneens de mogelijkheid voort om de beslistermijn op te schorten indien de inwoner niet de benodigde gegevens of bescheiden heeft ingediend of niet de benodigde medewerking heeft verleend aan het gesprek (onderzoek als bedoeld in art. 2.3.2 lid 4 van de Wet). 5.2.3Verouderde informatie Verder kan het voorkomen dat geruime tijd verstrijkt tussen het beschikbaar zijn van het verslag en het feitelijk indienen van een aanvraag. Dit kan tot gevolg hebben dat het verslag verouderde informatie bevat waardoor het college niet (meer) binnen de wettelijke kaders kan beslissen op de aanvraag. In voorkomende gevallen zal het college de inwoner (opnieuw) uitnodigen voor een gesprek, voordat op de aanvraag wordt beslist. Dit is analoog aan artikel 2.3.2 lid 9 van de Wet. Deze situatie dient zoveel mogelijk voorkomen te worden. Zodra het verslag/ondersteuningsplan met de inwoner is besproken kan ook, met eventuele begeleiding, de aanvraag worden ingediend. 5.3Algemene criteria voor individuele maatwerkvoorzieningen In de Wet is aangegeven op welke wijze en op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een maatwerkvoorziening noodzakelijk is. Alvorens wordt overgegaan tot de verstrekking van een maatwerkvoorziening, wordt eerst gekeken naar andere mogelijkheden om de inwoner te helpen met zijn beperkingen. Dat kan bijvoorbeeld een verwijzing zijn naar een voorliggende voorziening, het helpen bij het inzetten van het eigen netwerk, kortdurende ondersteuning of een verwijzing naar een algemene voorziening. Dit dient in het gespreksverslag/ ondersteuningsplan gemotiveerd naar voren te komen (zie artikel 2.9.2).Hieronder worden deze criteria verder toegelicht. De maatwerkvoorziening vormt het sluitstuk. Bij het beoordelen van de aanvraag voor een maatwerkvoorziening neemt het college het verslag van het onderzoek en/of het ondersteuningsplan en, indien aanwezig, het Persoonlijk Plan, als uitgangspunt. Alle mogelijkheden van de inwoner om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit het sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene of andere voorzieningen zijn zelfredzaamheid of participatie te behouden of te verbeteren, dan wel te regelen dat hij geen behoefte meer heeft aan maatwerkvoorzieningen, worden in het onderzoek naar aanleiding van de aanvraag eerst beoordeeld. Om in aanmerking te komen voor een individuele maatwerkvoorziening moet sprake zijn van een beperking in de zelfredzaamheid en participatie als gevolg van problematiek op tenminste 1 van de 5 terreinen zoals opgenomen in hoofdstuk 3.1. van deze beleidsregels. De maatwerkvoorziening levert een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. Een maatwerkvoorziening kan worden verstrekt ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de inwoner met psychische of psychosociale problemen en de inwoner die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de inwoner deze problemen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening als bedoeld in het vorige lid levert een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de inwoner aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Bij de beoordeling van de aanvraag voor een maatwerkvoorziening hanteert het college overigens de in de Verordening Maatschappelijke ondersteuning 2020 Oegstgeest onder artikel 8 genoemde criteria. 5.4Maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning Huishoudelijke ondersteuning bestaat uit taken die er op gericht zijn personen een schoon, gestructureerd en leefbaar huishouden te kunnen laten voeren. Deze taken hebben niet alleen betrekking op het (zware en lichte) huishoudelijke werk, maar hebben ook betrekking op het “in staat stellen tot” het voeren van het huishouden. Eigen verantwoordelijkheid inwoner Hulp bij het voeren van een huishouden wordt in het kader van de Wmo alleen geboden wanneer er geen andere oplossingen zijn die problemen kunnen voorkomen of oplossen. Activiteiten die door de inwoner zelf kunnen worden uitgevoerd, behoren dan ook tot de eigen verantwoordelijkheid. . In de dagelijkse praktijk kan dit ook betekenen dat een deel van het huishouden door de inwoner wordt uitgevoerd en voor een ander deel ondersteuning wordt geboden. Een andere vorm van het benutten van eigen mogelijkheden is het verlenen van medewerking aan een zo efficiënt mogelijke ondersteuning. Dit betekent dat van de inwoner mag worden verwacht dat hiermee rekening wordt gehouden bij de inrichting van de woning en planning van huishoudelijke werkzaamheden. Te denken valt aan het zo mogelijk voorbereiden van de was en het ergonomisch verantwoord inrichten van de woning. Uit deze eigen verantwoordelijkheid vloeit ook voort dat, in het algemeen, het type en de grootte van de woning niet van invloed zijn op de hoeveelheid te verstrekken hulp. Dit zijn keuzes waarop inwoners zelf invloed kunnen uitoefenen en keuzes in kunnen maken. Dit geldt ook voor het verzorgen van huisdieren (niet zijnde hulphonden/dieren). De gevolgen hiervan op de omvang van de schoonmaaktaak en het zoeken van oplossingen daarvoor behoort in de eerste plaats tot de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner. Het realiseren van een schoon en leefbaar huis De gemeente legt niet vooraf in uren vast hoeveel hulp iemand krijgt. Samen met de aanbieder kijkt belanghebbende inwoner hoe het resultaat “Schoon en leefbaar huis” het beste bereikt kan worden. Deze afspraken worden schriftelijk vastgelegd in een ondersteuningsplan (van de aanbieder). Er wordt ook rekening gehouden met wat iemand zelf of een huisgenoot kan doen in het huishouden (gebruikelijke hulp, bijlage 2). Dit wordt in de beschikking en in de afspraken met de aanbieder opgenomen. Een huis is schoon en leefbaar als het normaal bewoond en gebruikt kan worden en voldoet aan basis hygiëne-eisen. Hiermee worden vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s voorkomen. De inwoner moet gebruik kunnen maken van de ruimtes die frequent (dagelijks of in ieder geval meerdere keren per week) in gebruik zijn, zoals de woonkamer, slaapkamers die in gebruik zijn, keuken, badkamer, toilet en gang/trap. Een schoon huis wil niet zeggen dat alle vertrekken wekelijks schoongemaakt moeten worden. Het betekent dat het huis niet vervuilt en periodiek schoon wordt gemaakt om zo een algemeen aanvaard basisniveau van schoon te realiseren. Buitenruimtes bij het huis (tuin, balkon etc.) of buitenzijde van het huis (ramen) en overige kamers/ruimtes in het huis worden niet door de huishoudelijk ondersteuner schoongemaakt. Het schoon en leefbaar huis kan bereikt worden door het inzetten van licht en zwaar huishoudelijk werk. Licht huishoudelijk werk kan bijvoorbeeld bestaan uit opruimen of stof afnemen. Zwaar huishoudelijk werk is bijvoorbeeld stofzuigen, dweilen of het sanitair reinigen. Als de inwoner regie kan voeren over het eigen leven, mag van hem/haar worden verwacht dat werkzaamheden worden geprioriteerd en keuzes worden gemaakt. Bij sommige inwoners zijn er aanvullende activiteiten benodigd om een schoon, leefbaar en gestructureerd huishouden te voeren. Deze activiteiten zijn: Wasverzorging Regie voeren over het huishouden Wasverzorging Het te behalen resultaat is de beschikking hebben over schoon linnen- en beddengoed en/of over schone kleding. Wasverzorging kan bestaan uit: het sorteren van de was, eventueel behandelen van vlekken, machinaal wassen, laten drogen, opvouwen en opbergen van kleding en linnen- en beddengoed. Het strijken van kleding en/of linnen- en beddengoed valt hier niet onder. Voor de inzet van het resultaat wasverzorging wordt van een inwoner verwacht: Inwoner beschikt over een wasmachine. Inwoner zorgt dat de benodigde extra ondersteuning zoveel mogelijk wordt beperkt, zoals door de inzet van een wasdroger. Inwoner zorgt dat redelijkerwijs al het mogelijke is gedaan om het ontstaan van extra zware was te beperken. Bijvoorbeeld door het gebruik van incontinentiemateriaal of anti-allergieproducten. Regie voeren over het huishouden Ondersteuning bij het organiseren van huishoudelijke taken wordt ingezet wanneer belanghebbende niet tot zelfregie en planning van de werkzaamheden in staat is. Het doel van het voeren van de regie over het huishouden is het schoonhouden van het huis, en/of ook het ondersteunen bij het organiseren van het huishouden. Het overnemen van de regie over het huishouden kan noodzakelijk zijn als in redelijkheid niet meer van belanghebbende verwacht kan worden dat hij zelfstandig beslissingen neemt of als disfunctioneren dreigt. Specifiek gaat het om het plannen van en overzicht houden op de huishoudelijke activiteiten en eventueel afstemmen met het netwerk van de cliënt hierover, advies over het kopen van levensmiddelen en/of het beheer van de levensmiddelenvoorraad en producten voor het uitvoeren van de huishoudelijke ondersteuning. Het opstellen van een boodschappenlijstje valt daar ook onder, maar het daadwerkelijk doen van de boodschappen is géén onderdeel van de huishoudelijke ondersteuning. Intensiteiten huishoudelijke ondersteuning HO kent het onderscheid tussen de intensiteiten Licht, Midden en Zwaar. De benodigde intensiteit wordt bepaald aan de hand van de ondersteuningsbehoefte van een inwoner. Voor de onderbouwing van de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning, maken we gebruik van het HHM-normenkader (Bijlage 5). In dit normenkader wordt onderscheid gemaakt tussen basis en incidentele werkzaamheden. Huishoudelijke ondersteuning Licht De te behalen resultaten zijn het schoon en leefbaar houden van de primaire leefruimten van de woning. Inwoners hebben een lichtere ondersteuningsbehoefte dan de gemiddelde cliëntsituatie uit het normenkader Huishoudelijke ondersteuning (Bijlage 5). Inwoners hebben door beperkingen ondersteuning nodig bij sommige (zwaardere) huishoudelijke taken, maar kunnen zelf en/of met behulp van hun netwerk nog in bepaalde mate en langdurig bijdragen aan de huishoudelijke werkzaamheden. Bij de volgende situaties kan de intensiteit Licht worden ingezet: Inwoner kan nog in voldoende mate bewegen, lopen, bukken en omhoog reiken om bepaalde lichte en zware huishoudelijke taken zelf te doen, inclusief wasverzorging, eventueel in etappes. Bovendien kan inwoner nog overzien welke taken er uitgevoerd moeten worden om een schoon huis te kunnen bereiken en kan daadwerkelijk zelf tot actie komen. Waardoor er voor enkele zwaardere werkzaamheden professionele ondersteuning nodig is. Inwoner kan momenteel bepaalde activiteiten nog niet of niet meer uitvoeren, maar is hier wel leerbaar op. Mogelijk door het aanleren van de activiteiten op een andere manier, passend bij de beperkingen van de cliënt. Het netwerk van de cliënt draagt bij aan meerdere (lichte en zware) huishoudelijke taken (inclusief wasverzorging), waardoor er voor enkele zwaardere werkzaamheden professionele ondersteuning nodig is. Huishoudelijke ondersteuning Midden De te behalen resultaten bij het inzetten zijn het schoon en leefbaar houden van de primaire leefruimten van de woning en het optioneel verzorgen van de was en/of regie voeren over het huishouden. Huishoudelijke ondersteuning Zwaar De te behalen resultaten zijn het schoon en leefbaar houden van de primaire leefruimten van de woning en het optioneel verzorgen van de was en/of regie voeren over het huishouden. Inwoners hebben door beperkingen van de cliënt of de samenstelling van het huishouden een veel grotere ondersteuningsbehoefte. Er is sprake van verzwarende omstandigheden die leiden tot extra vervuiling of vragen om een hoger hygiëneniveau, waardoor meer inzet nodig is. Ook de inzet van wasverzorging kan intensiever zijn dan bij het product Midden. Inwoners zijn in eerste instantie zelf verantwoordelijk om de factoren die leiden tot een hogere frequentie weg te nemen. Het kan daarbij gaan om roken door inwoner of eventuele huisgenoten, het aantal en de grootte van de meubels, de aanwezigheid van veel kleine spullen of het hebben van huisdieren. Als de aanwezigheid van huisdieren tot vervuiling van de woning leidt zal het Sociaal wijkteam het gesprek met belanghebbende aangaan. De huishoudelijk ondersteuner heeft de taak alert te zijn op verwaarlozing van huisdieren. In deze situaties is er (in principe) geen sprake van verzwarende omstandigheden. Per inwoner zal echter beoordeeld worden of er in die specifieke situatie sprake is van verzwarende omstandigheden en daarmee een toekenning voor de intensiteit Zwaar nodig is. Soms is het nodig dat schoonmaakwerkzaamheden met een hogere frequentie of intensiever plaatsvinden. Voorbeelden van verzwarende omstandigheden kunnen zijn (niet limitatief): Als door gevolg van rolstoelgebruik, bedlegerigheid, ernstige incontinentie, overmatig zweten, (ernstige) tremoren of besmet wasgoed (bijv. bij chemokuur), een hogere frequentie van schoonmaken en/of wassen nodig is om vervuiling te voorkomen. Als door ernstige klachten als gevolg van huisstofmijtallergie, astma, longemfyseem of COPD een hoger hygiëneniveau en hogere frequentie van schoonmaken nodig is. Als inwoner door ernstige beperkingen door reuma, spasticiteit, verlamming of amputatie niet in staat is om de woning dagelijks op orde te houden (aanrecht schoonmaken, algemeen opruimen, etc.) en dit een hogere frequentie van schoonmaken noodzakelijk maakt. Als vanwege de aanwezigheid van drie of meer kinderen onder de 12 jaar een hogere frequentie van schoonmaken nodig is. Eenmalige aanpak schoonmaakwerkzaamheden bij ernstige vervuiling Bij sommige cliënten moet er vanwege een ernstig vervuild huis een eenmalige schoonmaak worden ingezet om een huis weer bewoonbaar te kunnen maken. Het product wordt ingezet voor cliënten die niet op eigen kracht of met hulp van het netwerk het huis weer bewoonbaar kunnen maken of waarbij er geen oplossing in het voorliggend veld kan worden gevonden. Door de woning eenmalig volledig op te ruimen en schoon te maken, wordt (samen met de inwoner) de situatie tot een beheersbaar niveau teruggebracht, zodat de inwoner kan beschikken over een leefbare woning. De incidentele werkzaamheden die behoren bij een zogenoemde grote schoonmaak/voorjaarsschoonmaak vallen niet onder dit product, maar horen bij het resultaat Schoon en leefbaar huis. Ook een ontruiming van de woning valt hier niet onder. 5.5.Maatwerkvoorziening Maaltijdvoorziening Indien een inwoner een probleem heeft bij het bereiden en/of nuttigen van de maaltijden wordt in eerste instantie gekeken of er mogelijk via het sociale netwerk of via voorliggende voorzieningen (kant-en-klaarmaaltijden, maaltijd-aan-huis) of algemene voorzieningen (welzijns- en vrijwilligerswerk) een oplossing kan worden gevonden voor de maaltijdvoorbereiding. Indien al deze mogelijkheden niet tot een oplossing leiden kan een maatwerkvoorziening maaltijdvoorbereiding verstrekt worden. Deze maatwerkvoorziening wordt ingezet bij kwetsbare inwoners die om uiteenlopende redenen niet in staat zijn om de maaltijd te bereiden, om deze op te warmen met behulp van (bijvoorbeeld) een magnetron en eventueel toezicht te houden op het nuttigen van de maaltijd. In overleg met de cliënt zal gekeken worden naar mogelijkheden om de contactmomenten te combineren. Wanneer toezicht op de maaltijd aan de orde is, ziet de medewerker erop toe dat de cliënt het eten en drinken daadwerkelijk tot zich neemt. Het betreft hier veelal mensen die anders vergeten dat ze zouden moeten eten. Hieronder wordt niet het toedienen van de maaltijd verstaan, dat valt onder de Zvw. Bij het bepalen van de hoeveelheid ondersteuning gaat het om . maaltijdvoorbereiding (zowel warme maaltijden als broodmaaltijden); en eventueel toezicht bij het nuttigen van de maaltijd; (reistijd wordt er niet extra erbij opgeteld .Deze is al in de tariefstelling van de maatwerkvoorziening opgenomen) De hoeveelheid benodigde ondersteuning wordt bepaald aan de hand van de volgende activiteiten, waarbij rekening wordt gehouden met maximaal drie maaltijden per dag: Broodmaaltijden bereiden (1 maaltijd klaarzetten, 1 maaltijd indien nodig in koelkast); Warme maaltijd opwarmen (max. 1 keer per dag); Toezicht bij het nuttigen van de maaltijd; Voor de onderbouwing van de normtijden voor het klaarzetten en opwarmen van de maaltijden zie bijlage 6. Indien de inwoner wijkverpleegkundige zorg ontvangt én vanuit de Wmo maaltijdverzorging dient te krijgen, de gemeente kan besluiten om in plaats van de hiervoor gecontracteerde aanbieder, de aanbieder van de wijkverpleging in te schakelen. Artikel5.6maatwerkarrangement ambulante ondersteuning en wonen met ondersteuning Het college kan maatwerkvoorzieningen toekennen ten aanzien van het uitvoeren van algemene dagelijkse activiteiten en het hebben van een ingevulde dag. Deze vorm van ondersteuning heet een maatwerkarrangement. Een maatwerkarrangement bestaat uit een op de cliënt individueel afgestemd pakket aan ondersteuning op één of meerdere resultaatgebieden. Een resultaatgebied is een leefgebied waarop een verandering beoogd wordt met de ondersteuning. Zie bijlage 7 voor de uitwerking van de maatwerkarrangementen. In het geval van Zorg in Natura (ZIN) wordt de uitvoering van de maatwerkarrangementen in principe belegd bij één gecontracteerde aanbieder. Deze aanbieder organiseert voor de cliënt alle benodigde ondersteuning op de afgegeven resultaatgebieden. Dit is gedaan zodat de aanbieder de regie kan voeren op de onderdelen van het ondersteuningstraject en de te behalen doelen. Met als doel dat de cliënt de doelen eerder kan bereiken en kan doorstromen in het ondersteuningstraject. Als een cliënt de ondersteuning zelf wil inkopen via een persoonsgebonden budget, ontvangt cliënt een budget om de benodigde ondersteuning in te kopen. Vanwege de regieverantwoordelijkheid van een ZIN-aanbieder, is het uitgangspunt dat een cliënt de volledige ondersteuning ofwel via ZIN, ofwel via PGB ontvangt. Mocht uit het onderzoek van het Sociaal Team Oegstgeest blijken dat er in een individuele situatie onvoldoende passende ondersteuning kan worden geboden (via de constructie van één hoofdaanbieder dan wel volledig via PGB), dan zal door het Sociaal Team Oegstgeest namens het college met cliënt en de betreffende aanbieder(
- s)gezocht worden naar een passende oplossing. 5.6.1 Eigen verantwoordelijkheid Het Sociaal Team Oegstgeest onderzoekt of iemand activiteiten kan aanleren en of er hulpmiddelen zijn waarmee iemand de dagelijkse activiteiten zelf kan uitvoeren. Ook wordt onderzocht of een inwoner in staat is zelf voor een daginvulling te zorgen, bijvoorbeeld door het doen van vrijwilligerswerk, het zoeken van een passende hobby of het bezoeken van (welzijns)activiteiten. 5.6.2Algemene doelen van maatwerkarrangementen Het college kan ondersteuning bieden om de volgende doelen te bereiken: een schoon en leefbaar huis; opbouwen van het sociaal netwerk; ondersteuning richting onderwijs en bij arbeidsparticipatie, dagbesteding; mantelzorg- en vrijwilligersondersteuning; ondersteuning bij zelfzorg. het bieden van woonbegeleiding en een beschutte woonomgeving 5.6.3Soorten maatwerkarrangementen De volgende soorten maatwerkarrangementen zijn beschikbaar: ambulante ondersteuning: ambulant: ondersteuning in de vorm van individuele begeleiding, groepsbegeleiding en/of daginvulling waarbij de inwoner zelfstandig woont en de ondersteuning plaatsvindt op vaste contactmomenten. Er geen sprake is van de structurele behoefte en noodzaak aan oproepbare ondersteuning overdag of in de nacht. ambulant plus: ondersteuning in de vorm van individuele begeleiding, groepsbegeleiding en/of daginvulling waarbij de inwoner zelfstandig woont en de ondersteuning plaatsvindt op vaste contactmomenten. Vanwege de persoonlijke omstandigheden, is tevens er sprake van een structurele behoefte en noodzaak aan oproepbare ondersteuning overdag of in de nacht. wonen met ondersteuning : Begeleid wonen: ondersteuning in de vorm van individuele begeleiding, groepsbegeleiding en/of daginvulling waarbij de inwoner geclusterd samen met andere cliënten woont en er sprake is van gezamenlijke ruimtes om als groep samen activiteiten te kunnen hebben. De ondersteuning vindt veelal plaats op vaste contactmomenten. Vanwege de persoonlijke omstandigheden, is er sprake van een structurele behoefte en noodzaak aan oproepbare ondersteuning overdag of in de nacht. Beschut wonen: ondersteuning in de vorm van individuele begeleiding, groepsbegeleiding en/of daginvulling waarbij de inwoner geclusterd samen met andere cliënten woont en er sprake is van gezamenlijke ruimtes om als groep samen activiteiten te kunnen hebben. De ondersteuning door individuele ondersteuning vindt plaats op vaste contactmomenten én door een vaste aanwezigheid van begeleiders op de groepswonenlocatie op bepaalde tijden van de dag. Vanwege de persoonlijke omstandigheden en de mogelijke dynamiek tussen de bewoners van de groepswonenlocatie, is er minimaal sprake van een structurele behoefte en noodzaak aan oproepbare ondersteuning overdag of in de nacht, eventueel aangevuld met aanwezigheid op de woonlocatie in de nacht in het weekend. Beschermd wonen: ondersteuning in de vorm van individuele begeleiding, groepsbegeleiding en/of daginvulling waarbij de inwoner geclusterd samen met andere cliënten woont en er sprake is van gezamenlijke ruimtes om als groep samen activiteiten te kunnen hebben. De ondersteuning plaatsvindt door individuele ondersteuning op vaste contactmomenten én door een vaste aanwezigheid van begeleiders gedurende (bijna) de (hele) dag op de groepswonenlocatie. Vanwege de persoonlijke omstandigheden en de mogelijke dynamiek tussen de bewoners van de groepswonenlocatie, is er sprake van aanwezigheid in de nacht op de groepswonenlocatie. 5.6.4De opbouw van de maatwerkarrangementen 1. De resultaatgebieden De ondersteuning zoals genoemd in 5.6.3 vindt plaats in de vorm van een modulair opgebouwd arrangement, bestaande uit één of meer van de volgende resultaatgebieden, zoals genoemd in bijlage 7: Sociaal en persoonlijk functioneren: richt zich op ondersteuning aangaande familie, relaties, netwerk; sociale vaardigheden; financiën, wonen, participatie; gedrag en organisatie van het leven. De ondersteuning is gericht om met fysieke, emotionele en sociale levensuitdagingen om te gaan en zo veel mogelijk eigen regie te voeren. Zelfzorg en Gezondheid: draagt ertoe bij dat de cliënt aandacht heeft voor zijn/haar gezondheid en het onderhouden en/of verbeteren daarvan. Deze ondersteuning is aanvullend op het resultaatgebied sociaal en persoonlijk functioneren en is in de regel tijdelijk van aard (bij ambulant is 1 jaar het uitgangspunt, bij wonen met ondersteuning de duur van het woontraject). Geldzaken: draagt er aan bij dat cliënten een geordende en gebalanceerde financiële huishouding verkrijgen en/of behouden. Deze ondersteuning is aanvullend op het resultaatgebied sociaal en persoonlijk functioneren en is in de regel tijdelijk van aard (bij ambulant is 1 jaar het uitgangspunt, bij wonen met ondersteuning de duur van het woontraject). Daginvulling en vervoer (van en naar): draagt ertoe bij dat cliënt op zinvolle wijze de dagen kan invullen onder toezicht of met ondersteuning. Van daginvulling bestaan er twee typen regulier en plus. De plus variant is voor cliënten die vanwege de aard van hun problematiek en/of de te bereiken doelen niet kunnen deelnemen aan daginvulling met een reguliere groepsgrootte, maar waarbij een kleinere ratio groepsbegeleider en cliënten noodzakelijk is. Als onderdeel van daginvulling kan de cliënt tevens in aanmerking komen voor vervoer van en naar de dagbesteding. Veiligheid: richt zich op 24 uurs oproepbaarheid of aanwezigheid wanneer cliënten ’s avonds/’s nachts ondersteuning van een begeleider nodig kunnen hebben. Sociaal Beheer: Ondersteuning die wordt geboden afwijkend van geplande contactmomenten overdag en eventueel ook de kosten van gezamenlijk wonen (gemeenschappelijke ruimtes) bij wonen met ondersteuning. Indien er sprake is van Beschut of Beschermd Wonen valt onder Sociaal Beheer ook de (vaste) aanwezigheid van een begeleider op de groep in de woonlocatie, bovenop de individuele ondersteuning op de resultaatgebieden sociaal en persoonlijk functioneren, zelfzorg en geldzaken. Deze vaste aanwezigheid overdag op de woonlocatie dient onder meer voor de ondersteuning van de gezamenlijke momenten met mede cliënten en/of het reguleren van het sociale verkeer tussen cliënten. 2. De intensiteiten De resultaatgebieden bestaan uit verschillende intensiteiten, zoals genoemd in bijlage 7 en de onderstaande tabel. De intensiteiten staan voor de omvang van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt en de noodzakelijke zorgzwaarte. Bij de keuze van een intensiteit wordt rekening gehouden met: de persoonlijke situatie van de cliënt; de directe en indirecte cliëntgebonden tijd die nodig is om de resultaten te behalen; de mate van onplanbaarheid van de ondersteuning.: Indien (na het realiseren van de doelen) een toegekend maatwerkarrangement wordt beëindigd, kan er (tijdelijk) nog een noodzaak zijn om niet meer structureel maar incidenteel ondersteuning op het vlak van sociaal en persoonlijk functioneren te ontvangen. Het College kan dan de voorziening waakvlam instellen (maximaal 40 uur per jaar), waarbij de cliënt nog enige tijd wordt gemonitord. Tabel I overzicht arrangementen model Resultaatgebied Intensiteiten Sociaal en persoonlijk functioneren Intensiteit 1 Intensiteit 2 Intensiteit 3 Intensiteit 4 Intensiteit 5 Zelfzorg en gezondheid *Inbegrepen bij sociaal en persoonlijk functioneren Intensiteit 2 Intensiteit 3 Niet beschikbaar Niet beschikbaar Geldzaken * Inbegrepen bij sociaal en persoonlijk functioneren Intensiteit 2 Intensiteit 3 Niet beschikbaar Niet beschikbaar Daginvulling en vervoer Intensiteit 1 Intensiteit 2 Intensiteit 3 Intensiteit 4 Intensiteit 5 Veiligheid Intensiteit 1 Intensiteit 2 Intensiteit 3 Intensiteit 4 Niet beschikbaar Sociaal Beheer Intensiteit 1 Intensiteit 2 Intensiteit 3 Intensiteit 4 Niet beschikbaar Het modulair opgebouwde arrangement kan in het geval van wonen met ondersteuning uitgebreid worden met Huisvestingskosten Intramuraal. Het gaat om de uitzonderingssituaties dat cliënt niet in staat is om huur te betalen voor het wonen in een groepswonenlocatie voor begeleid, beschut of beschermd wonen. Wonen met Ondersteuning in het bijzonder: ondergrens en inschaling Veiligheid en Sociaal Beheer Voor cliënten met Wonen met Ondersteuning binnen dezelfde woonlocatie geldt dat de gekozen intensiteit van de resultaatgebieden Veiligheid en Sociaal Beheer hetzelfde is, dus locatiegebonden. De inzet op de Resultaatgebieden Sociaal en Persoonlijk Functioneren, Zelfzorg en Geldzaken kan wel per cliënt verschillen binnen dezelfde woonlocatie. Ten aanzien van Begeleid, Beschut en Beschermd Wonen geldt hierbij wel dat de inzet op het Resultaatgebied Sociaal en Persoonlijk Functioneren aan een minimum verbonden is, zoals weergegeven in onderstaande tabel: Tabel 2: Ondergrens inzet op de Resultaatgebieden Sociaal en Persoonlijk Functioneren, Zelfzorg en Geldzaken bij Wonen met Ondersteuning Ondergrens SPF (indien alleen geindiceerd)2 Ondergrens indien er ook op zelfzorg of geldzaken een intensiteit wordt afgegeven Begeleid Wonen Intensiteit 3 Equivalent van SPF intensiteit 3 Beschut en Beschermd Wonen Intensiteit 4 Equivalent van SPF intensiteit 4 Dit zijn nadrukkelijk ondergrenzen, in de regel zal de optelling van de gekozen intensiteiten op de drie individuele Resultaatgebieden doorgaans hoger liggen. 5.6.5Cliëntgroepen maatwerkarrangementen 1.Voor de maatwerkarrangementen is van belang te kunnen bepalen onder welke cliëntgroep deze valt. Enerzijds is dat van belang om te kunnen bepalen op welk soort ondersteuning een cliënt aanspraak kan maken. Anderzijds is dit van belang om vast te kunnen stellen welke aanbieder deze ondersteuning kan leveren. 2.Er worden de volgende cliëntgroepen bij Ambulante Ondersteuning onderscheiden: Ouderdom gerelateerd; Verstandelijk en Lichamelijk beperkten (waaronder Niet Aangeboren Hersenletsel (NAH)); GGZ (waaronder Jongvolwassenen afkomstig uit de Jeugdhulp) 3.Bij Wonen met Ondersteuning wordt er een onderscheid gemaakt tussen: Verstandelijk en Lichamelijk beperkten (waaronder Niet Aangeboren Hersenletsel (NAH)); GGZ (waaronder Jongvolwassenen afkomstig uit de Jeugdhulp) 5.6.6 Landelijke inkoop specialistische ondersteuning De VNG heeft, in afstemming met het ministerie van VWS, landelijke inkoopafspraken voor de specialistische ondersteuning van mensen met een zintuiglijke beperking tot stand gebracht. Deze afspraken zijn opgenomen in een raamovereenkomst tussen gemeenten en aanbieders van specialistische begeleiding betreffende mensen met een zintuiglijke beperking. De raamovereenkomst gaat over de inhoud van de ondersteuning en de afgesproken werkwijze tussen de gemeenten en aanbieders. Dit betekent dat het college moet beoordelen of de beperkingen van de betreffende inwoner onder deze landelijke afspraken valt. Zo ja, dan heeft het college geen ‘aparte’ ondersteuningsplicht. Het college geeft de beschikking af voor de specialistische begeleiding. Voor de doelgroep is een (landelijk) programma van eisen vastgesteld. Het gaat om: specialistische begeleiding voor doofblinde volwassen; specialistische begeleiding voor visueel beperkte volwassenen; specialistische begeleiding voor vroegdove volwassen. Tolk Het college is gehouden om een maatwerkvoorziening te verlenen aan de inwoner voor zover het ondersteuning betreft die niet is opgenomen in de landelijke inkoop afspraken én de inwoner vanwege de mate van zelfredzaamheid is aangewezen op deze specialistische vorm van maatschappelijke ondersteuning. Denk bijvoorbeeld aan een tolk Nederlandse Gebarentaal bij het voeren van een gesprek in de normale leefsituatie zoals een bezoek aan huisarts of specialist, een notaris, de kerk, een conferentie of een ouderavond op school. 5.7Maatwerkvoorziening Kindzorg Deze maatwerkvoorziening wordt ingezet bij kwetsbare inwoners die tijdelijk de zorg voor een minderjarig kind niet op zich kunnen nemen. Het gaat hier om het overnemen van de dagelijkse zorg voor een kind die door de tijdelijke beperking van de ouders moeten worden overgenomen. Hierbij kan gedacht worden aan het overnemen van de zorg voor een kind na een operatie van de ouder, of na een ziekenhuisopname, wanneer een of beide ouders de zorg tijdelijk niet zelf kunnen geven. Er wordt in eerste instantie gekeken of er mogelijk via het sociale netwerk of via voorliggende voorzieningen of algemene voorzieningen (welzijns- en vrijwilligerswerk) een oplossing kan worden gevonden voor de verzorging van de kinderen. De Wmo heeft vooral een taak om tijdelijk in te springen zodat de ruimte ontstaat om een oplossing te zoeken. Dat wil zeggen: de acute problemen worden tijdelijk opgelost zodat er gezocht kan worden naar een permanente oplossing. 5.8Maatwerkvoorziening Woonvoorzieningen 5.8.1Criteria woonvoorzieningen De maatwerkvoorziening Woonvoorzieningen betreft een woningaanpassing of hulpmiddel gericht op het normale gebruik van de woning. Als het gaat om het wonen in een geschikte woning worden zowel bouwkundige als niet-bouwkundige losse en nagelvaste voorzieningen bedoeld. Uitgangspunt is daarbij dat men zelf al beschikt of zal beschikken over een woning. De gemeente zorgt niet voor een woning: dat is een eigen verantwoordelijkheid van de aanvrager. Daarbij is uitgangspunt dat iedereen altijd zoekt naar een voor hem op dat moment meest geschikte beschikbare woning, uiteraard passend bij het bestedingspatroon. Het college kan een maatwerkvoorziening Woonvoorzieningen verstrekken wanneer iemand een woning heeft en er problemen zijn met het normale gebruik van de woning die niet zelf of met behulp van het eigen (sociale) netwerk kunnen worden opgelost. Deze maatwerkvoorziening moet er zorg voor dragen dat de inwoner zich in, om en nabij zijn woning zodanig kan redden dat normaal of in ieder geval acceptabel functioneren mogelijk is. Het gaat hierbij dus om alle verplaatsingen die nodig zijn voor een normaal gebruik van de woning. Voor alle andere verplaatsingen, die verder gaan dan de woning (zoals het gaan posten van een brief, het op bezoek gaan bij een buurman of het maken van een korte wandeling) kan een maatwerkvoorziening in de vorm van bijvoorbeeld een rolstoel of een scootmobiel worden ingezet. Bij het normale gebruik van de woning horen wel verplaatsingen naar een centrale hal in een flat, waar veelal de brievenbussen zijn, of het gebruik van een balkon of het gebruik van de tuin. Wat de tuin en het balkon betreft moet het mogelijk zijn daar te komen, de inrichting van de tuin en/of balkon is een eigen verantwoordelijkheid. Bij het normale gebruik van de woning moeten de gebruikelijke woonruimten bereikt kunnen worden. Te denken valt daarbij aan de woonkamer, het slaapvertrek, of mogelijk de slaapvertrekken, het toilet en de douche. Als er een berging is, moet ook de berging bereikt kunnen worden, als belanghebbende deze noodzakelijk en regelmatig gebruikt. In principe worden aanpassingen aan een zolder zonder stahoogte, veelal bereikbaar zonder vaste trap, met bijvoorbeeld een vlizotrap, niet als maatwerkvoorziening aangemerkt. De maatwerkvoorzieningen kunnen nieuw of gebruikt zijn. Het is niet zo dat de maatwerkvoorziening altijd een nieuwe voorziening moet zijn. Het uitgangspunt is dat de voorziening de zelfredzaamheid en participatie bevordert en mede daardoor bijdraagt aan het zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen; In aanvulling op de onder artikel 5.3 genoemde algemene criteria voor individuele maatwerkvoorzieningen gelden voor woningaanpassingen nog een aantal specifieke criteria. In aanvulling op algemene criteria voor een maatwerkvoorziening kan een cliënt in aanmerking komen voor een woonvoorziening als hij: aantoonbare beperkingen heeft bij het normaal gebruik van zijn woning, en redelijkerwijs alles heeft gedaan om een geschikte woning te bewonen, of een op basis van aantoonbare beperkingen aanwezige gedragsstoornis, met ernstig ontremd gedrag tot gevolg, waarbij alleen het zich kunnen afzonderen kan leiden tot een situatie waarin deze persoon met beperkingen tot rust kan komen. Een persoon met beperkingen kan alleen voor een woonruimteaanpassing in aanmerking komen wanneer deze langdurig noodzakelijk is en verhuizing niet mogelijk is of niet in beginsel de goedkoopst adequate voorziening is. Een woonvoorziening wordt slechts verstrekt als de persoon met beperkingen zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de voorziening wordt getroffen, dan wel voor het logeerbaar of bezoekbaar maken van een andere woonruimte dan waar de cliënt met beperkingen zijn hoofdverblijf heeft als het hoofdverblijf van de cliënt in een erkende zorginstelling is. Indien cliënt zijn hoofdverblijf heeft in een erkende instelling kan uitsluitend de woonruimte van het huishouden waar de betrokkene deel van uit maakte, logeerbaar of bezoekbaar worden gemaakt. De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op: het treffen van woonvoorzieningen aan hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen en bij kamerverhuur; het treffen van woonvoorzieningen in, specifiek op mensen met beperkingen gerichte woongebouwen wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten dan wel woonvoorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten kunnen of hadden kunnen worden meegenomen. De aanvraag voor een woonvoorziening kan in ieder geval worden geweigerd indien: de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen in het normale gebruik van de woning ten gevolge van beperkingen geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was; de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college; deze betrekking heeft op woonvoorzieningen in gemeenschappelijke ruimten anders dan: het verbreden van toegangsdeuren; het aanbrengen van elektrische deuropeners; de aanleg van een hellingbaan van de openbare weg naar de toegang van het gebouw, mits de woningen in het gebouw te bereiken zijn met een rolstoel; het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders; het aanbrengen van een trapleuning bij een portiekwoning; het plaatsen van een opstelplaats voor een rolstoel bij de toegangsdeur van het gebouw; de cliënt verhuisd is naar een woonruimte die niet bestemd en/of geschikt is om het gehele jaar door bewoond te worden; de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen; de noodzaak tot het treffen van een maatwerkvoorziening het gevolg is van achterstallig onderhoud dan wel slechts strekt ter renovatie van de woning of om deze in overeenstemming te brengen met de eisen die redelijkerwijs aan de woning mogen worden gesteld. Bij grotere bouwkundige aanpassingen moet worden gewerkt met een programma van eisen, waarmee zo nodig meerdere offertes opgevraagd kunnen worden conform gemeentelijk inkoopbeleid. Het gaat hierbij om woningaanpassingen die niet worden genoemd in de prijslijst met de gecontracteerde woningaanpasser, waardoor een goede inschatting van de kostprijs ontbreekt. De kosten van een maatwerkvoorziening in de vorm van een bouwkundige aanpassing worden uitbetaald aan de eigenaar van de woning. Het besluit wordt verstuurd aan de aanvrager/belanghebbende met een afschrift aan de eigenaar. In overleg met de woningbouwvereniging of eigenaar van de woning kan hiervan worden afgeweken. Bij het bepalen van een maatwerkvoorziening in de vorm van bouwkundige woonvoorzieningen moet zoveel mogelijk rekening worden gehouden met de belangen van mantelzorgers, zoals bij tilliften en andere hulpmiddelen die door mantelzorgers bediend moeten worden. Er kan een maatwerkvoorziening worden verstrekt in de vorm van een vergoeding voor het verwijderen van een ingrijpende woningaanpassing, waarvoor op grond van de Wmo een is verstrekt, als de woonruimte in de huidige staat niet opnieuw verhuurbaar of verkoopbaar is. De hoogte van de vergoeding is gelijk aan de werkelijk gemaakte reële kosten. In overleg met de woningbouwvereniging of eigenaar van de woning kan het verwijderen van woningaanpassingen in natura in opdracht en voor rekening van de gemeente worden uitgevoerd. Er kan eenmalig een maatwerkvoorziening voor een woningsanering worden verstrekt. Hiervoor gelden de volgende drie voorwaarden. Er is een acute noodzaak voor woningsanering, vanwege COPD/astmaklachten in verband met een allergie voor huisstof of huisstofmijt. Deze noodzaak dient door middel van een rapport van een longverpleegkundige te worden aangetoond. De aanvraag voor woningsanering is aangevraagd binnen één jaar nadat voor de eerste maal allergie voor huisstofmijt is vastgesteld. Bij de aanschaf van de huidige vloer- en raambedekking is geen sprake geweest van een (verwachte) noodzaak tot woningsanering en mag de huidige woning niet eerder door de aanvrager op grond van de Wet of andere wet- en regelgeving zijn gesaneerd. Bij het verstrekken van een voorziening voor woningsanering kan de gemeente rekening houden met de leeftijd van de huidige materialen in de woning. Immers, bij een bepaalde leeftijd zijn de materialen aan vervanging toe. De inwoner heeft dan kunnen sparen voor vervanging van deze materialen. Het is mogelijk een maatwerkvoorziening te verstrekken voor de keuring en het onderhoud van de woning als deze kosten niet in de met de leverancier overeengekomen prijs zijn opgenomen. Bij het bepalen van de hoogte van de financiële tegemoetkoming in de kosten van keuring en onderhoud/ reparatie aan voorzieningen, die door de gemeente zijn verstrekt, kunnen alleen de werkelijk gemaakte reële kosten van keuring en onderhoud/reparatie voor vergoeding in aanmerking komen en niet behoren tot de gebruikelijke onderhoudskosten. Hierbij wordt een afweging gemaakt of het verwijtbare/te voorkomen kosten betreft. 5.8.2Primaat van verhuizen Een persoon met beperkingen kan voor een woonruimteaanpassing in aanmerking komen wanneer deze langdurig noodzakelijk is en het de meest adequate en goedkoopste voorziening is. het primaat van verhuizen kan worden toegepast indien de kosten van een noodzakelijke woningaanpassing hoger zijn dan €10.000 als het primaat van toepassing is, kan zonder aparte aanvraag een maatwerkvoorziening in de vorm van een tegemoetkoming in de verhuiskosten worden verstrekt; de inwoner kan voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een woningaanpassing in aanmerking komen indien blijkt dat het primaat van de verhuizing niet binnen een redelijke en/of medische aanvaardbare termijn realiseerbaar is. 5.8.3Woonwagen, woonschip, binnenschip Voor woonwagens met een vaste standplaats, voor woonschepen met een officiële ligplaats en voor het woonverblijf van binnenschepen gelden dezelfde voorwaarden als voor zelfstandige woningen. 5.9Maatwerkvoorziening Rolstoelen 5.9.1Criteria Rolstoelen Een maatwerkvoorziening in de vorm van een rolstoelvoorziening is bedoeld om iemand in staat te stellen zich in en om de woning zittend te verplaatsen. Dat betekent dat het om verplaatsingen gaat die direct vanuit de woning worden gedaan. Daarom gaat het hier om belanghebbenden die voor het dagelijks zittend verplaatsen zijn aangewezen op een rolstoel. Als er noodzaak bestaat voor een rolstoel voor dagelijks zittend gebruik, zal zo nodig via een medisch en al dan niet ergotherapeutisch advies door het college een programma van eisen worden opgesteld. Ten aanzien van mantelzorgers zal door het college rekening worden gehouden met hun belangen. Hierbij is bepalend dat de verleende mantelzorg relevant en substantieel is. Dat kan bijvoorbeeld betekenen dat als de mantelzorger niet in staat is de rolstoel in alle omstandigheden te duwen, er een ondersteunende motorvoorziening verstrekt kan worden. Onder het verplaatsen in de woning wordt verstaan dat de inwoner in staat moet zijn de woonkamer, het slaapvertrek en/of de slaapvertrekken, het toilet en de douche, de berging indien daar noodzakelijk en regelmatig gebruik van wordt gemaakt, de tuin of het balkon te bereiken en er zich zodanig te redden dat normaal functioneren mogelijk is. De maatwerkvoorzieningen kunnen ook in dit geval nieuw of gebruikt zijn. 5.9.2Incidenteel rolstoelgebruik De zogenaamde rolstoel voor incidenteel gebruik valt hier niet onder: deze rolstoel wordt immers niet gebruikt voor verplaatsen in, om en nabij de woning, maar wordt vooral gebruikt als men zich elders moet verplaatsen en dat zonder een rolstoel niet kan, zoals tijdens een uitstapje. Voor dit soort rolstoelen kan gebruik gemaakt worden van speciaal hiervoor beschikbare uitleendepots, of van rolstoelen die op de plaats van bestemming beschikbaar zijn, zoals in pretparken, dierentuinen en dergelijke. Ook is het wellicht in incidentele situaties noodzakelijk om vanwege andere redenen een dergelijke rolstoel voor incidenteel gebruik te verstrekken. Het gaat hierbij om uitzonderingen: uitgangspunt is dat een rolstoel alleen verstrekt wordt indien die noodzakelijk is voor het verplaatsen in, om en nabij de woning. 5.9.3Sportrolstoel/voorziening De sportrolstoel wordt niet gerekend tot een rolstoel voor het verplaatsen in en rond de woning. Deze wordt gezien als een maatwerkvoorziening bedoeld om deel te nemen aan recreatieve activiteiten. Toekenning van een sportrolstoel kan alleen maar wanneer de rolstoel noodzakelijk is voor de beoefening van deze sport en wanneer aangetoond is dat de sport daadwerkelijk beoefend gaat worden (bijvoorbeeld door een lidmaatschap). In beginsel wordt deelname aan één sport als voldoende gezien. Wanneer men de sport professioneel gaat beoefenen zijn de sportvereniging, bond en fondsen voorliggend. Indien voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een sportrolstoel/voorziening een pgb wordt verstrekt geldt het volgende: Voor de sportrolstoel geldt een eigen bijdrage; De minimale gebruiksduur is drie jaar; Belanghebbende is verplicht om gedurende de gebruiksduur de via het pgb aangeschafte rolstoel voldoende te laten onderhouden; Belanghebbende is verplicht om gedurende de gebruiksduur voor de via het pgb aangeschafte rolstoel een aansprakelijkheidsverzekering (eerste drie jaar all risk) af te sluiten; De gemeente vergoedt alleen de werkelijk gemaakte kosten van de aanschaf van de rolstoel op basis van aankoopbewijs of vooruitbetaald op basis van een offerte. Na afloop van de periode van 3 jaar, volgt geen automatische vervanging van de sportrolstoel, maar zal, bij het verzoek tot vervanging, een beoordeling plaatsvinden van de technische staat van de sportrolstoel. 5.9.4Rolstoel via een persoonsgebonden budget Een rolstoel kan door het college verstrekt worden in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget. Bij verstrekking in natura vallen alle kosten van onderhoud en verzekering onder de verstrekking. Bij een verstrekking als persoonsgebonden budget wordt de rolstoel die betrokkene zou hebben gekregen als voorziening in natura als uitgangspunt genomen. De gemeente hanteert een gebruiksduur van 7 jaar voor een rolstoel. De betrokkene is verplicht om gedurende de gebruiksduur de via het persoonsgebonden budget aangeschafte rolstoel voldoende te laten onderhouden. De betrokkene is verplicht om gedurende de gebruiksduur voor de via het persoonsgebonden budget aangeschafte elektrische rolstoel een aansprakelijkheidsverzekering (eerste drie jaar all risk) af te sluiten. De gemeente vergoedt alleen de werkelijk gemaakte kosten van de aanschaf van de rolstoel op basis van aankoopbewijs of vooruitbetaald op basis van een offerte. Hierbij gelden als maximum de in het Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning Oegstgeest 2023 opgenomen bedragen voor de aanschaf inclusief standaard fabrieksopties en een jaarlijkse tegemoetkoming in de kosten van onderhoud, reparatie en eventueel verzekering. De kosten die verband houden met noodzakelijke individuele aanpassingen aan de rolstoel worden voor 100% vergoed. 5.10Maatwerkvoorziening Vervoer 5.10.1Algemeen De maatwerkvoorziening vervoer zal ingezet worden wanneer iemand geen gebruik kan maken van het regulier- en het aanvullend openbaarvervoer. Welke vorm van vervoersvoorziening van toepassing is, is afhankelijk van de individuele situatie. Bij maatwerkvoorzieningen voor vervoer moet worden gedacht aan scootmobielen, driewielfietsen, en de Regiotaxi. Ook de voorziening voor de reguliere individuele (rolstoel)taxi of eigen auto, die kan worden vergoed als de Regiotaxi geen of onvoldoende compensatie kan bieden, behoort tot deze categorie. Deze vergoeding wordt op declaratiebasis verstrekt. Andere voorbeelden van mogelijke voorzieningen zijn een maatwerkvoorziening in de vorm van een tegemoetkoming in de kosten van aanpassing van de eigen auto of ander verplaatsingsmiddel. Een maatvoorziening Vervoer is primair gericht op het vervoer in het kader van het leven van alledag in de eigen woonplaats en het direct daaromheen gelegen gebied (de directe woon- of leefomgeving, tot ca 25 km). Een voorziening voor het verplaatsen met een vervoermiddel in de directe woon- of leefomgeving betreft een breed scala van verplaatsingen. Een vervoersvoorziening heeft betrekking op verplaatsingen die nodig zijn voor het doen van boodschappen, om naar artsen, paramedici of specialisten te gaan en voor ziekenhuisbezoek. Verder kan de vervoersvoorziening worden toegekend om betrokkene de mogelijkheid te bieden bestemmingen te bereiken waar men contact heeft met medemensen en/of deel kan nemen aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze activiteiten. Daarbij kan gedacht worden aan familiebezoek, aan het bezoeken van bijeenkomsten of het bezoeken van kerkdiensten, het deelnemen aan het verenigingsleven, maar ook het volgen van cursussen om de vrije tijd op een aangename wijze te kunnen invullen. 5.10.2Criteria vervoersvoorziening Om in aanmerking te komen voor een individuele-/maatwerkvervoersvoorziening moet de noodzaak worden vastgesteld. Deze noodzaak zal aanwezig zijn als iemand geen gebruik van het regulier- en het aanvullend openbaarvervoer kan maken. Welke vorm van vervoersvoorziening van toepassing is, zal afhankelijk zijn van de individuele situatie. Het college houdt bij zijn beslissing rekening met de volgende voorliggende voorzieningen. Vervoer in het kader van betaalde arbeid Uitgesloten zijn verplaatsingen die met een vervoermiddel gemaakt moeten worden voor betaalde arbeid. Dit vervoer wordt op een andere manier (via bv het UWV) geregeld. Heeft men een vervoersvoorziening nodig vanwege een beperking voor het werk, dan kan die, indien noodzakelijk, worden uitgebreid voor het vervoer van alledag. Dat valt echter niet onder de Wmo. Vervoer in het kader van onderwijs Er kan aanspraak bestaan op vervoer van en naar school op grond van het leerlingenvervoer. Het UWV kan vergoedingen en hulpmiddelen verstrekken voor leerlingen en studenten met een ziekte of handicap. Vervoer in het kader van dagbesteding Vervoer naar en van dagbesteding is opgenomen in de maatwerkarrangementen. Ziekenvervoer via de Zorgverzekeringswet (Zvw) Op grond van de Zvw bestaat aanspraak op zittend ziekenvervoer als de inwoner onder de doelgroep valt (nierdialyses moet ondergaan; oncologische behandelingen met chemotherapie immuuntherapie of radiotherapie moet ondergaan; zich uitsluitend per rolstoel kan verplaatsen; of het gezichtsvermogen zodanig is beperkt dat hij zich niet zonder begeleiding kan verplaatsen;, jonger dan 18 jaar is, en gebruik maakt van verzorging vanwege complexe somatische (lichamelijke) problematiek, of een lichamelijke handicap heeft; aangewezen is op geriatrische revalidatiezorg.) of met succes een beroep kan doen op de hardheidsclausule. Ook ambulancevervoer valt onder de Zvw. De vergoeding van zittend ziekenvervoer is in 2019 verruimd. Hierdoor kunnen patiënten met bepaalde aandoeningen gebruik maken van vervoer (niet ambulance) van en naar consulten, onderzoek en controles, als deze samenhangen met de behandeling. Buitenregionaal recreatief vervoer (Valysregeling) Wanneer een inwoner een vervoersbehoefte heeft die verder reikt dan 5 zones openbaar vervoer vanaf het woonadres van de inwoner of wanneer het vertrekadres is gelegen op een afstand van meer dan 5 zones openbaar vervoer vanaf het woonadres van de inwoner (met andere woorden: buiten de directe woon- en leefomgeving) kan het vervoer geregeld worden met de Valysregeling. Voordat gebruik gemaakt kan worden van de Valysregeling zal de inwoner hiervoor zelf een pas moeten aanvragen. Toegang tot Valys kan bijvoorbeeld met een Wmotoekenning voor de Regiotaxi of een invalidenparkeerkaart. Tijdens het onderzoek naar de vervoersbehoeften houdt het college rekening met de volgende aspecten: Mobiliteit: maximale loopafstand op goede dag; maximale loopafstand op slechte dag; gebruik loophulpmiddel (rollator, wandelstok, kruk, et cetera). Uithoudingsvermogen: maximale reisduur; kan gedurende de reis overstappen; invloed weersomstandigheden op functioneren; invloed tijdstip (overdag/avond) op functioneren. Organisatie en begeleiding van de reis kan zonder begeleiding met het OV; kan met begeleiding in het OV, zonder begeleiding met de taxi; kan met begeleiding in het OV en met begeleiding met de taxi; kan alleen met begeleiding met de taxi. Combinatiemogelijkheden bij vervoer in de taxi kan met iedereen gecombineerd worden; kan alleen met eigen doelgroep gecombineerd worden; kan met niemand gecombineerd worden. Er wordt uitgegaan van een gemiddelde vervoersbehoefte van tenminste 1500 km per jaar. Aan de hand van deze gemiddelde vervoersbehoefte wordt de omvang van de vervoersvergoeding bepaald en vastgelegd in het in het Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning Oegstgeest 2023.. 5.10.3Combinatie vervoersvoorzieningen Als gebruik wordt gemaakt van een andere verstrekte maatwerkvoorziening voor vervoer zoals een scootmobiel, dan wel van een eigen verplaatsingsmiddel kan een aanpassing plaatsvinden. Het aantal kilometers wordt dan met 25%, 50% dan wel 75% verlaagd, afhankelijk van de mate waarin het andere verplaatsingsmiddel in de vervoersbehoefte voorziet. Indien een partner aanwezig is met eenzelfde vervoersvoorziening of ander individueel vervoer, kan het aantal kilometers met 25%, 50% dan wel 75% verlaagd worden, afhankelijk van de gezamenlijke vervoersbehoefte. Dit geldt niet voor de Regiotaxi. Immers beide partners betalen ook bij gezamenlijke ritten zelf de zones. Tenslotte kan het aantal kilometers met 25%, 50% dan wel 75% verlaagd worden indien het gaat om kinderen. Kinderen hebben een andere vervoersbehoefte dan volwassenen en hebben geen volledige zelfstandige vervoersbehoefte. Bij personen met een loopafstand van minder dan 800 meter zal het college beoordelen of naast een voorziening als collectief vervoer ook nog een voorziening verstrekt moet worden voor de zeer korte afstand. Een dergelijk individueel vervoermiddel kan alleen worden verstrekt indien belanghebbende verantwoord met het middel overweg kan en over een adequate stalling beschikt. Indien deze niet aanwezig is wordt het realiseren van een stalling als maatwerkvoorziening vervoer verstrekt. De kosten van deze stalling moeten in redelijke verhouding staan tot de huur- of aanschafkosten én van de verwachte gebruiksduur van de betreffende voorziening. Bijzonderheden De beschikking wordt in principe voor onbepaalde tijd afgegeven. Bij wijzigingen in het soort vervoer, in de hoogte van tegemoetkomingen, de gezinssituatie of het inkomen moet een nieuwe beschikking worden afgegeven. De voorziening gaat in per de eerste van de maand waarin de voorziening is aangevraagd. Er vindt soms toekenning van een vergoeding plaats voor een tijdelijke periode. Dit is het geval als in het medisch advies een herkeuring wordt aangegeven. In dat geval vindt er een nieuw medisch onderzoek plaats om te kijken of de vergoeding verlengd kan worden. 5.10.4Regiotaxi In de Leidse Regio, en de Duin- en Bollenstreek is het collectief vraagafhankelijk vervoer (CVV) beschikbaar via de Regiotaxi Holland Rijnland. De Regiotaxi is een vorm van aanvullend openbaar vervoer. Deze taxi rijdt van deur tot deur.. Het vervoerssysteem is toegankelijk voor een ieder die, met of zonder rolstoel, zelfstandig of met begeleiding kan reizen. De Regiotaxi kent een aantal vaste opstapplaatsen daar waar er mogelijk misverstanden kunnen ontstaan over de exacte ophaalplaats (station, winkelcentrum). Met de Regiotaxi kan ook buiten de regio (meer dan 25 kilometer) worden gereisd, hiervoor geldt het volledige tarief. Personen met beperkingen die geen gebruik kunnen maken van het reguliere openbaar vervoer, kunnen in aanmerking komen voor een vergoeding voor dit collectieve vervoersysteem vanuit de Wmo. Voor wat betreft de Regiotaxi is de gemeente verantwoordelijk voor het voorzien in de vervoersbehoefte van de pashouder tot en met 25 kilometer vanaf diens woonadres of wanneer het vertrekadres is gelegen op een afstand tot en met 25 kilometer vanaf het woonadres van de pashouder. Vorm van verstrekken De standaardvergoeding betreft een vergoeding voor het gebruik van de Regiotaxi, waarbij een tegemoetkoming wordt gegeven voor de meerkosten van het CVV ten opzichte van het reguliere openbaar vervoer voor een maximaal aantal kilometers per jaar. Dit aantal is opgenomen in het Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning Oegstgeest 2024. De meerkosten worden door de gemeente rechtstreeks afgerekend met de vervoerder. De persoon met beperkingen heeft een Wmo-pasje en betaalt in de Regiotaxi het gereduceerde tarief. De gemeente kan een aantal specificaties aangeven bij de vervoerder. Bijvoorbeeld of begeleiding noodzakelijk is (wanneer iemand niet alleen kan reizen of wanneer iemand op plaats van bestemming niet zonder begeleiding verder kan). 5.10.5Rolstoeltaxi en gebruik eigen auto Indien collectief vervoer niet mogelijk is, kan het college een maatwerkvoorziening in de vorm van bijvoorbeeld een (rolstoel)taxi of het gebruik van de eigen auto verstrekken. Om redenen van medische, psychische en/of sociale aard kan het collectief vervoer voor bepaalde mensen geen adequate oplossing voor het vervoersprobleem bieden. Hierbij kan worden gedacht aan: personen die tijdens de rit noodzakelijk gebruik moeten maken van bepaalde hulpmiddelen en deze hulpmiddelen niet mee kunnen nemen in de regiotaxi; personen die vanwege ernstige maag-darm-blaasstoornissen te kampen hebben met niet op te vangen incontinentie; personen die ernstige benauwdheid ondervinden als gevolg van bijvoorbeeld allergie, CARA, longemfyseem waardoor reizen met anderen onmogelijk is; situaties in verband met privacygevoelige zaken die een extreme schaamte of gêne tot gevolg hebben voor de inwoner; personen die ernstige overlast veroorzaken voor medepassagiers.
- a)Vergoeding voor het gebruik van de eigen auto Bij het verstrekken van maatwerkvoorzieningen voor het vervoer met de eigen auto, wordt beoordeeld of er sprake is van meerkosten ten opzichte van de periode vóórdat de beperkingen ontstonden. Alleen dan kan er sprake zijn van een vervoersprobleem en komt men in aanmerking voor een individuele voorziening. De bijdrage voor het gebruik van de eigen auto is bedoeld voor diegenen die in aanmerking komen voor een vergoeding voor de Regiotaxi en beschikken over een eigen auto. Voor deze groep mensen is de mogelijkheid gecreëerd om te kiezen tussen de Regiotaxi inclusief het bijbehorende vrij besteedbare budget en een bedrag voor het gebruik van de eigen auto. Uit cijfers en enquêtes blijkt immers dat zij zelden of nooit gebruik (zullen) maken van de Regiotaxi. Deze keuze is niet toegestaan als men meereist in de auto van anderen. De aard en de zwaarte van de beperkingen hebben geen invloed op de hoogte van de bijdrage. Dit heeft immers geen gevolgen voor het benzinegebruik. Het betreft namelijk een kilometervergoeding. Uitbetaling van het bedrag vindt net zoals het vrij besteedbaar bedrag op declaratiebasis in twee termijnen plaats, juli en januari. Om in aanmerking te komen voor een vervoersvoorziening in de vorm van een bijdrage voor het gebruik van een eigen auto moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan: er kan geen gebruik worden gemaakt van het reguliere openbaar vervoer; er kan wel gebruik worden gemaakt van de Regiotaxi; er is sprake van een gewijzigde situatie waardoor er aanzienlijke meerkosten ontstaan; er is geen andere adequate voorziening mogelijk die minder duur is; er is geen voorliggende voorziening beschikbaar (vergoeding via werkgever); er is een auto die op naam staat van de aanvrager of zijn/haar partner, en minimaal één van beiden is in het bezit van een geldig rijbewijs; de betrokkene (het betrokken echtpaar) ziet (zien) af van de Regiotaxi-vergoeding in combinatie met het vrij besteedbare bedrag. Er kan alleen bij toekenning en bij de aanvang van een nieuw jaar gekozen worden voor de bijdrage eigen auto. De hoogte van het bedrag ten behoeve van de eigen auto is in het Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning Oegstgeest 2023 vastgesteld. Met dit bedrag kunnen zij, uitgaande van een vergoeding per kilometer, tenminste 1500 kilometer reizen. De vergoeding wordt niet direct aan de Wmo-gerechtigden uitbetaald. Zij kunnen de verreden ritten eenmaal per half jaar declareren.
- b)Vergoeding voor aanpassingen aan de eigen auto Wanneer mensen een eigen auto hebben en geen gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer, een ander vervoermiddel op twee wielen dan wel de Regiotaxi, of wanneer mensen de auto veelal in gezinsverband gebruiken, kunnen zij mogelijk in aanmerking voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget voor een autoaanpassing. Deze aanpassingen kunnen betreffen: de bediening en besturing van de auto; het in en uit de auto komen; de zithouding; de verzorging van de gehandicapte; het mee kunnen nemen van hulpmiddelen. Voorwaarden Het persoonsgebonden budget voor de autoaanpassing wordt voor een periode van zeven jaar toegekend. Een nieuwe aanvraag voor eenzelfde aanpassing binnen deze periode wordt slechts naar rato van de verstreken termijn vergoed. Dit geldt niet bij een calamiteit. De kosten worden alleen vergoed indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: er kan géén gebruik gemaakt worden van een verplaatsingsmiddel op twee wielen en het (aanvullend)openbaar vervoer of de taxi; óf de belanghebbende maakt deel uit van een gezin bestaande uit meer dan 2 personen, én kan geen gebruik maken van een verplaatsingsmiddel op twee wielen en het openbaar vervoer, én de gezinssituatie speelt een substantiële rol in de vervoersbehoefte van belanghebbende. Dat wil zeggen: men kan aannemelijk maken dat er veelal in gezinsverband wordt gereisd. de eigen auto kan niet worden gebruikt als de auto niet is aangepast aan de beperkingen van de belanghebbende; er is geen (medische) contra-indicatie om in een auto te kunnen rijden; de bestuurder is de aanvrager of lid van het gezin van de aanvrager; de bestuurder heeft een geldig rijbewijs en is of komt in het bezit (eigenaar) van een auto, gelijktijdig met de autoaanpassing; er treedt naar alle waarschijnlijkheid geen ingrijpende wijziging op in de rijbevoegdheid van de bestuurder. Ook aan de eigen auto worden randvoorwaarden gesteld. Hij moet redelijk aan te passen en in goede staat zijn; het goedkoopst aan te passen model zijn; in principe niet ouder dan drie jaar zijn of nog minimaal zeven jaar mee kunnen. Dit hoeft niet te gelden bij overplaatsbare aanpassingen. Tenslotte dienen de aanpassingen aan de auto door de eigenaar verzekerd te worden. Kosten van onderhoud en verzekering van uitsluitend de aanpassingen komen voor compensatie in aanmerking. 5.11Maatwerkvoorziening Kortdurend Verblijf (respijtzorg) De maatwerkvoorziening kortdurend verblijf is het logeren van een cliënt, met als doel het overnemen van het (permanente) toezicht ter ontlasting van de gebruikelijke zorger of mantelzorger. Er is geen sprake van (medische) opname in het kader van de Zorgverzekeringswet (Zvw), of de Wet langdurige zorg (Wlz). Er is geen sprake van spoed of crisis. Bij kortdurend verblijf logeert iemand maximaal 72 uur per week in een instelling, Hierdoor wordt degene die thuis die persoon verzorgt, tijdelijk ontlast. Kortdurend verblijf is bedoeld voor mensen die (permanent) toezicht nodig hebben. Bij de uitvoering van deze maatwerkvoorziening is altijd iemand in de buurt aanwezig en meerdere malen per dag zal een medewerker langsgaan bij de cliënt. Het kortdurend verblijf zal maximaal 72 uur (3 overnachtingen) per week bedragen, maar kan flexibel worden ingezet. Het maximaal aantal etmalen per jaar is 52. Het zwaartepunt van de zorg ligt bij Kortdurend Verblijf vooral op logeren, met als doel het overnemen van het permanente toezicht ter ontlasting van de gebruikelijke zorger of mantelzorger. Het verblijf is te karakteriseren als logeren ter aanvulling op het wonen in de thuissituatie en niet als wonen in een instelling voor het grootste deel van de week Het college kan aan een cliënt een maatwerkvoorziening Kortdurend Verblijf verstrekken, wanneer: hij of zij een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking heeft, f een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap; OF hij of zij zowel een maatwerkvoorziening begeleiding ontvangt en een indicatie heeft voor persoonlijke verzorging; EN hij of zij is aangewezen op zorg gepaard gaand met permanent toezicht; en de ontlasting van de persoon die gebruikelijke zorg of mantelzorg aan de inwoner levert, noodzakelijk is. Kortdurend Verblijf wordt geleverd in drie varianten; te weten basis, speciaal (inclusief verzorging) en speciaal plus (inclusief begeleiding Kortdurend verblijf basis: De basis zorg wordt doorgeleverd zoals thuis. Er is toezicht, maar niet permanent. Ruimtes worden niet afgesloten. Dit product is gebaseerd op een kamer en verblijf, inclusief huishoudelijke ondersteuning en maaltijden. Kortdurend verblijf speciaal: Hier is hetzelfde beschikbaar als bij kortdurend verblijf basis, aangevuld met lijfelijke verzorging adl en wassen. Medische adl valt hier niet onder. Kortdurend verblijf speciaal plus: Hier is hetzelfde beschikbaar als bij kortdurend verblijf speciaal, aangevuld met individuele begeleiding. Wanneer Kortdurend Verblijf in pgb vorm wordt verstrekt vervalt het verschil in varianten. De hoogte van een persoonsgebonden budget voor Kortdurend Verblijf is gebaseerd op het zorg in natura tarief voor Kortdurend verblijf speciaal. Bij de noodzaak tot Kortdurend verblijf speciaal plus wordt er in het geval van een persoonsgebonden budget vanuit gegaan dat er een combinatie is met een persoonsgebonden budget voor ambulante ondersteuning. De eventuele begeleidingskosten tijdens het kortdurend verblijf worden geacht gedekt te worden vanuit het persoonsgebonden budget voor ambulante ondersteuning. Hoofdstuk6Specialistische voorzieningen Wonen met ondersteuning Artikel6.1Specialistische maatwerkvoorzieningen Wonen met ondersteuning De gemeenten in Holland Rijnland* hebben besloten om Wonen met ondersteuning zo veel mogelijk lokaal te organiseren. Uitgezonderd zijn de voorzieningen voor inwoners met meervoudig complexe problematiek die aangewezen zijn op specialistische ondersteuning met wonen. Vanwege de complexe zorgbehoefte, het kleine aantal inwoners dat hierop aangewezen is en de benodigde specialistische inzet zijn deze voorzieningen niet zelfstandig lokaal te organiseren. De regio Holland Rijnland bestaat uit de volgende gemeentes: Alphen aan den Rijn, Hillegom, Kaag en Braassem, Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Lisse, Nieuwkoop, Noordwijk, Oegstgeest, Teylingen, Voorschoten en Zoeterwoude. 6.1.1Toegang Aanmelding voor specialistisch Wonen met ondersteuning kan op dezelfde wijze als bij lokaal Wonen met ondersteuning bij het Sociaal Team Oegstgeest (zie hoofdstuk 2). Indien een inwoner mogelijk in aanmerking komt voor specialistisch Wonen met ondersteuning, wordt de aanvraag voorgelegd aan het regionaal team Maatschappelijke Zorg dat de aanvraag verder behandelt. 6.1.2Overbruggingszorg Wanneer een specialistisch Wonen met ondersteuning plek niet direct beschikbaar is, wordt de inwoner op een wachtlijst geplaatst. In de tussentijd kan de inwoner aanspraak maken op overbruggingszorg in de vorm van ambulante ondersteuning. Deze ambulante ondersteuning wordt georganiseerd door de lokale gemeente en staat beschreven in artikel 5.6. 6.2.Specialistische voorzieningen Er zijn verschillende specialistische ondersteuningsvormen (voorzieningen) te onderscheiden: Specialistische woonvoorzieningen Traject woonbegeleiding ouder-kind Traject woonbegeleiding na verslavingsbehandeling Beschermd wonen thuis A) Specialistische woonvoorzieningen Een inwoner komt in aanmerking voor een specialistische woonvoorziening als: De inwoner vanwege de ernst of grilligheid van de problematiek in de regel aangewezen is op 24/7 aanwezigheid van ondersteuning en/of toezicht, maar minimaal aangewezen is op 24/7 oproepbaarheid. Er een ernstig vermoeden van een psychische aandoening of diagnostiek rondom een psychische aandoening aanwezig is. De diagnose en/of psychosociale problemen zijn vastgesteld door een specialist (BIG geregistreerd) op het gebied van GGZ. Naast GGZ-problematiek is er sprake van één of meerdere bijkomende problematiek, namelijk: Verslaving; Gedrag (agressie, grensoverschrijdend gedrag); (Licht)Verstandelijke beperking; Somatiek. Inwoners die aangewezen zijn op specialistische woonvoorzieningen verblijven hier naar verwachting 1 of meerdere jaren. Ervaring leert dat zij hierna uitstromen naar: Een lichtere vorm van wonen met ondersteuning of ambulante ondersteuning op lokaal niveau; Ondersteuning met wonen op basis van een WLZ GGZ indicatie. Specialistische woonvoorzieningen kunnen zowel op basis van scheiden wonen en zorg als intramuraal worden bekostigd. Woonvoorzieningen voor éénouder gezinnen, waarbij bij de ouder sprake is van GGZ-problematiek al dan niet in combinatie met een licht verstandelijke beperking, vallen ook onder de specialistische woonvoorzieningen. De duur van de toekenning is afhankelijk van de volgende factoren: De leerbaarheid en het ontwikkelingsperspectief van belanghebbende, alsmede de inzetbaarheid van het sociaal netwerk. Bij herindicatie kan geconstateerd worden dat (specialistisch) Wonen met ondersteuning niet meer nodig is. Hierdoor kan een kortere indicatie afgegeven worden, zodat er tijd is om te zoeken naar een vervolgwoonplek en er daarna (gespecialiseerde) Begeleiding afgegeven kan worden. B) Traject woonbegeleiding ouder-kind Het traject woonbegeleiding ouder-kind omvat kortdurende trajectondersteuning met wonen aan (jong)volwassen die zwanger zijn of jonge kinderen hebben en bij wie sprake is van problematiek op het gebied van GGZ, al dan niet in combinatie met een licht verstandelijke beperking en die vanwege hun persoonlijke problematiek niet in staat zijn zelfstandig te wonen. Afhankelijk van de ondersteuningsbehoefte is 24- uurs oproepbare of 24-uurs aanwezige ondersteuning. Traject woonbegeleiding ouder-kind heeft een duur van minimaal 3 maanden en maximaal 1,5 jaar, waarna uitstroom naar zelfstandig wonen met ambulante begeleiding of naar een meer langdurige vorm van wonen met ondersteuning (specialistische of subregionaal/ lokaal) mogelijk is Traject woonbegeleiding ouder kind kan zowel op basis van scheiden wonen en zorg als intramuraal worden bekostigd. C) Traject woonbegeleiding na verslavingsbehandeling Het traject woonbegeleiding na verslavingsbehandeling omvat kortdurende trajectbegeleiding aan inwoners met problematiek op het gebied van GGZ al dan niet in combinatie met een licht verstandelijke beperking, die na het volgen van een detox-traject in een verslavingskliniek, niet in staat zijn zelfstandig te gaan wonen met ambulante begeleiding. Zij zijn aangewezen op een nazorgtraject in geclusterde setting gericht op het omgaan met hun verslavingsgevoeligheid. Er is altijd sprake van meer problematiek dan enkel verslaving. Cliënten verblijven in dit type woonvoorziening met het doel weer zelfstandig te kunnen functioneren in de samenleving. Zij stromen uit naar zelfstandig wonen of een reguliere vorm van wonen met ondersteuning. Na een half jaar vind er een evaluatie plaats, onder andere om te bespreken of er al is nagedacht over vervolghuisvesting. Traject woonbegeleiding na verslavingsbehandeling wordt primair in de vorm van scheiden wonen en zorg bekostigd Het traject woonbegeleiding na verslavingsbehandeling is altijd tijdelijk (bij voorkeur niet langer dan 1 jaar). De noodzakelijke indicatieduur wordt door het regionaal team Maatschappelijke Zorg vastgesteld. Indicaties voor dit traject worden niet met terugwerkende kracht verstrekt. D) Specialistische ondersteuning Thuis Voor een beperkt aantal inwoners is het mogelijk om Wonen met ondersteuning in de thuissituatie te ontvangen. Er is 24-uurs zorg nodig, maar dat wordt in de thuissituatie ingezet. In uitzonderlijke situaties kan ervoor worden gekozen om Specialistische ondersteuning Thuis in te zetten: In het geval cliënten groepsongeschikt zijn. In het geval dat er geen (specialistische) voorziening Wonen met ondersteuning beschikbaar is waar passende ondersteuning geboden kan worden, ook niet buiten de regio. Er is behoefte aan aanwezigheid van zorg in de avond en nacht. In het geval cliënten zo lang op (specialistische) Wonen met ondersteuning plek moeten wachten dat hun problematiek zal verslechteren. Indicaties voor Specialistische ondersteuning thuis worden voor één jaar afgegeven. Daarna moet er een herindicatie worden aangevraagd. Uitgangspunt blijft altijd dat iemand op een wachtlijst voor een reguliere voorziening (specialistisch) Wonen met ondersteuning komt. Er dienen dan ook doelen te worden opgesteld om te werken aan de mogelijkheid om in een reguliere voorziening (specialistisch) Wonen met ondersteuning voorziening te kunnen functioneren. Na zes maanden vindt er een evaluatie van deze doelen plaats. Verder zijn de reguliere voorwaarden van Wonen met ondersteuning van toepassing bij het indicatieproces. De zorg wordt geleverd vanuit een persoonsgebonden budget (pgb). In sommige situaties kan het wenselijk zijn dat een deel van de zorg door een non-professional wordt uitgevoerd. Dit wordt per cliënt bekeken en beoordeeld. In dit geval dient minimaal 40% van de zorg te worden geleverd door een professional. De ondersteuning rondom de cliënt dient gecoördineerd te worden door een professional uit de hulpverlening. Deze coördinator zorgt dat de ondersteuning die de cliënt ontvangt op elkaar is afgestemd en is een aanspreekpunt voor de consulenten en andere hulp/zorgverleners. De cliënt kan zelf een coördinator aandragen of de consulent kan een coördinator zoeken. Een externe coördinator die geen actieve rol heeft in de zorg van de cliënt is ook een mogelijkheid, maar deze zal moeten worden betaald vanuit het beschikbare budget. Voor de regelzaken en budgettering van het pgb, is cliënt of aangewezen budgetbeheerder verantwoordelijk. Degene(
- n)die middels het pgb uitbetaald worden, mogen nooit het budget beheren. Belanghebbende ontvangt een budgetplan, wanneer deze wordt goedgekeurd door de Gemeente Leiden, kan het pgb in gang worden gezet. Bij een Specialistische ondersteuning Thuis indicatie vallen andere Wmo voorzieningen zoals huishoudelijke hulp, regiotaxi, et cetera onder lokale Wmo. Aanvragen voor deze voorzieningen moeten in de eigen gemeente worden ingediend. . 6.3.Persoonsgebonden budget Specialistisch Wonen met ondersteuning De gemeenten van Holland Rijnland hebben er voor gekozen om de specialistisch Wonen met ondersteuning gezamenlijk in te kopen. Een van de redenen hiervoor is het specialistische karakter van deze vorm van zorg, waardoor deze zorg moeilijk op kleine schaal te organiseren is. Toch is het in principe mogelijk voor een inwoner om gebruik maken van een pgb voor specialistisch Wonen met ondersteuning. De inwoner moet echter kunnen motiveren waarom een pgb een meer passende vorm van ondersteuning is dan via zorgaanbieders die gecontracteerd zijn door de gemeente. In de regel kan het pgb alleen worden ingezet als het wooninitiatief binnen de grenzen van de regio Holland Rijnland is. Aan een Pgb voor specialistisch Wonen met ondersteuning gelden de voorwaarden zoals benoemd in artikel 9.6. Voorwaarden wooninitiatief Er kunnen kwaliteitseisen gesteld worden in lijn met de gestelde voorwaarden bij zorg in natura. In een wooninitiatief wonen minimaal drie en maximaal 26 bewoners, die een pgb ontvangen voor ten minste de functies Persoonlijke Verzorging en Begeleiding Individueel; Doordat zij pgb’s bundelen wordt er gezamenlijk zorg ingekocht; De bewoners verblijven op één BRP adres, of op meerdere BRP adressen binnen een straal van 100 meter, waarin ten minste één gemeenschappelijke verblijfsruimte aanwezig is, die geschikt is om de bewoners in de gelegenheid te stellen samen activiteiten te ontplooien; Indien een persoon inwoont bij ouders, vertegenwoordigers of andere particuliere personen, dan wordt dit niet beschouwd als een wooninitiatief. Wanneer een organisatie de is gecontracteerd voor Wonen met Ondersteuning (Zorg in natura), kan de organisatie niet diezelfde ondersteuning via een persoonsgebonden budget leveren. Voor het PGB specialistische wonen met ondersteuning thuis wordt verwezen naar de beleidsregels en het Financieel Besluit 2024 van de gemeente Leiden Hoofdstuk7(Specialistische) Maatschappelijke opvang Artikel7.1Aanvullende criteria (Specialistische) Maatschappelijke Opvang De gemeenten in Holland Rijnland hebben gekozen om de Maatschappelijke opvang zo veel mogelijk lokaal te organiseren. In aanvulling op de criteria gesteld in artikel 8 Verordening maatschappelijke ondersteuning Oegstgeest, kan een inwoner in aanmerking komen voor Maatschappelijke opvang als hij/zij: Feitelijk of residentieel dakloos is, al dan niet voorafgaand aan opname in een (psychiatrische) kliniek, of aan detentie, en Niet beschikt over alternatieven die de situatie van feitelijke of residentiële dakloosheid op kunnen heffen. De inwoner niet zelfredzaam is. De inwoner heeft onvoldoende vermogen om zichzelf te redden op alle levensterreinen met zo min mogelijk professionele ondersteuning en zorg. Dit blijkt uit het ondersteuningsplan van de inwoner. De inwoner geen voldoende steunend netwerk heeft. De inwoner heeft geen familieleden, vrienden, kennissen, collega’s en/of buren die praktische, sociale of emotionele steun kunnen bieden. Toch zal dit voor een aantal inwoners geen geschikte optie zijn. In aanvulling op de criteria hierboven, kan een inwoner in aanmerking komen voor Specialistische Maatschappelijke Opvang als: De inwoner vanwege de ernst of grilligheid van de problematiek in de regel aangewezen is op 24/7 aanwezigheid van ondersteuning en/of toezicht. Er een ernstig vermoeden van een psychische aandoening of diagnostiek rondom een psychische aandoening aanwezig is. De diagnose en/of psychosociale problemen zijn vastgesteld door een specialist (BIG geregistreerd) op het gebied van GGZ. Middelengebruik leidt tot ernstig orde verstorend gedrag op de lokale opvanglocatie Artikel7.2Aanvullende criteria vrouwenopvang De gemeente Leiden is namens Holland Rijnland de centrumgemeente voor de vrouwenopvang. In aanvulling op criteria gesteld in artikel 8 Verordening maatschappelijke ondersteuning Oegstgeest kan: een slachtoffer van huiselijk geweld in aanmerking komen voor opvang inclusief bescherming en bijbehorende ondersteuning als deze: slachtoffer is van geweld in huiselijke kring, en vanwege aspecten van veiligheid de woonsituatie moet verlaten, en 18 jaar of ouder is, al dan niet met kinderen, en geen mogelijkheden heeft om zelf, al dan niet met gebruikmaking van het eigen sociale netwerk of door interventie van derden een veilige woonsituatie te creëren. een slachtoffer van huiselijk geweld, waartoe ook alle leden van het gezin met hun onderlinge gezinsrelaties en patronen behoren, in aanmerking komen voor ambulante hulpverlening als: het slachtoffer of de ouder met gezag of verzorger 18 jaar of ouder is, en het slachtoffer en de leden van het gezin niet in staat zijn om zelf, al dan niet met gebruikmaking van het eigen sociale netwerk of door interventie van derden een veilige situatie te creëren, en opvang niet of niet meer nodig is. Hoofdstuk8Beschikking maatwerkvoorziening In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura of als persoonsgebonden budget wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. Ook zal worden opgenomen of er sprake is van een te betalen bijdrage, welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is. Als laatste zal worden opgenomen of er sprake is van een te betalen eigen bijdrage. 8.1Beschikking maatwerkvoorziening in natura In artikel 10 lid 2 van de Verordening is beschreven wat, bij het verstrekken van een voorziening in natura, in ieder geval dient te worden vastgelegd in de beschikking. Aanvullend daarop wordt in de beschikking tevens vastgelegd welke zorgaanbieder de maatwerkvoorziening zal leveren. 8.2Beschikking bij persoonsgebonden budget Bij het treffen van een maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt dit bij beschikking bekend gemaakt aan de inwoner. In artikel 10 lid 3 van de Verordening is beschreven wat, bij het verstrekken van een persoonsgebonden budget, in ieder geval dient te worden vastgelegd. Aanvullend daarop wordt in de beschikking tevens vastgelegd. de ‘aard’ van de zorgverlener die de verstrekte maatwerkvoorziening zal leveren (professional instelling, professional ZZP of non-professional) indien van toepassing welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn; welke verplichtingen zijn verbonden aan het verstrekken van het persoonsgebonden budget In de beschikking wordt de verplichting gesteld dat het persoonsgebonden budget besteed moet worden aan het resultaat, doel of de activiteit waarvoor het budget is toegekend. De voorziening die de cliënt met het persoonsgebonden budget verwerft, hoeft niet exact dezelfde voorziening te zijn als de voorziening die is beschreven in het programma van eisen, maar het mag geen algemeen gebruikelijke voorziening zijn. Wordt een voorziening aangeschaft die niet aan het programma van eisen voldoet, dan bestaat de mogelijkheid dat de persoon met beperkingen zijn probleem niet volledig compenseert. Voor de daaruit voortvloeiende consequenties is de persoon met beperkingen zelf verantwoordelijk. In de beschikking voor huishoudelijke ondersteuning of begeleiding wordt opgenomen dat het budget moet worden besteed aan huishoudelijke ondersteuning of begeleiding, en voor welk resultaat het persoonsgebonden budget wordt toegekend. Daarnaast dient de inwoner een zorgovereenkomst overeen te komen met de zorgverlener. De zorgovereenkomst is een verplicht onderdeel van de verantwoording waarin naast een ondertekening door beide partijen in ieder geval aan de orde moeten komen: De NAW- gegevens van de betrokkene; Wie de zorg levert; Welke zorg er wordt geleverd; Wanneer de zorg wordt geleverd; Tegen welke prijs de zorg wordt geleverd. 8.3Beschikking vrouwenopvang In afwijking van bovenstaande is de vrouwenopvang voor onbepaalde tijd gemandateerd tot het afgeven van beschikkingen. Dit is het gevolg van de landelijke afspraken over toetsingscriteria en eventuele plaatsing in een andere regio indien dat vanwege veiligheid noodzakelijk is, zoals beschreven in het Beleidskader landelijke in-, door- en uitstroom crisisopvang. Hoofdstuk9Maatwerkvoorziening via persoonsgebonden budget De wet geeft het college de mogelijkheid tot het verstrekken van een persoonsgebonden budget (Pgb). Een inwoner die in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening heeft in principe de keuze voor een voorziening in natura of een persoonsgebonden budget. Met het persoonsgebonden budget kan ondersteuning op maat geleverd worden en kan innovatie in het ondersteuningsaanbod worden gestimuleerd. Het persoonsgebonden budget sluit goed aan bij de wensen van inwoners voor het verkrijgen en behouden van een grotere mate van zelfstandigheid. 9.1Keuze De keuze voor een persoonsgebonden budget dient altijd een bewuste (en vrijwillige) keuze van de aanvrager te zijn. Gemeenten zorgen ervoor dat de aanvrager (en bij minderjarigen ook de ouders) wordt geïnformeerd over de mogelijkheid om te kiezen voor een persoonsgebonden budget en de gevolgen van deze keuze. Voor de Wmo geldt dat de aanvrager zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de maatwerkvoorziening als persoonsgebonden budget geleverd wenst te krijgen. Het kan daarbij ook gaan om de aard van de hulpvraag, waarbij godsdienstige, levensbeschouwelijke of culturele overwegingen een rol kunnen spelen. Indien de aanvrager dit heeft beargumenteerd is deze voorwaarde geen grond voor de gemeente om een persoonsgebonden budget te weigeren. 9.2Weigering In artikel 2.3.6. lid 2 van de Wet wordt aangegeven dat als er overwegende bezwaren bestaan tegen het verstrekken van een persoonsgebonden budget, het college geen keuze hoeft te bieden tussen een maatwerkvoorziening in natura en een persoonsgebonden budget. Er wordt een aantal situaties benoemd waarin een persoonsgebonden budget niet verstrekt hoeft te worden. Onderstaande opsomming is niet limitatief. Er kunnen situaties zijn waarin het verstrekken van een persoonsgebonden bud