← Nederland

Nota Bodembeheer Gemeente Haarlemmermeer 2022 (Haarlemmermeer)

Kort samengevat

Deze Nota Bodembeheer van de gemeente Haarlemmermeer is een herziening van eerder beleid en geeft richtlijnen voor het omgaan met grond en baggerspecie, met als doel de bodemkwaliteit te beschermen en tegelijkertijd maatschappelijk gebruik mogelijk te maken. Het document bevat aangescherpte regels voor de bescherming van gevoelige bodemfuncties.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Nota Bodembeheer Gemeente Haarlemmermeer 2022 Beleidskader voor grond- en baggerverzet Voorwoord De overheid streeft naar een balans tussen bescherming van de bodemkwaliteit en ruimte voor maatschappelijk gebruik. Het doel van het Nederlandse bodembeleid is enerzijds de bescherming van de gezondheid van mens, dier en plant die op en in de bodem leven en anderzijds het behoud van de functionele eigenschappen van de bodem, zodat deze geschikt blijft om te gebruiken. Het Besluit bodemkwaliteit en de bijbehorende Regeling bodemkwaliteit vormen een schakel in het duurzaam bodembeheer. Het besluit bevat gebruiksregels en -normen met een directe relatie tussen de chemische bodemkwaliteit en het gebruik van de bodem, gebaseerd op een risicobenadering. In situaties met een gering risico gelden daarom beperkte regels en minder strenge normen dan in situaties met meer risico’s. Haarlemmermeer probeert zoveel mogelijk een afweging te maken op basis van feitelijke risico’s. Deze Nota Bodembeheer is een herziening en vervanging van de eerdere Nota van 8 mei 2020. De Nota bevat enkele aanscherpingen van het beleid. Aangegeven wordt waar en waarom het mogelijk is regels aan te scherpen om de bodem in bepaalde situaties nog meer te beschermen, of regels juist te versoepelen in deelgebieden waar het verruimen van normen verantwoord is. De Nota bodembeheer is in opdracht van de gemeente Haarlemmermeer opgesteld door de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied en is bedoeld als handvat voor aannemers, adviesbureaus, gemeenten, projectontwikkelaars, grondeigenaren/gebruikers en voor iedereen die iets te maken heeft met (her)gebruik van grond en/of baggerspecie, graafwerkzaamheden en bodemonderzoek in de gemeente. Na de uitbreiding van de gemeente Haarlemmermeer met Haarlemmerliede en Spaarnwoude zijn de bodemkwaliteitskaart en de bodemfunctiekaart aangepast. Hiertoe moest de Nota uit 2018 tekstueel worden aangepast. Deze herziening is (na eerdere mandatering van de gemeenteraad) op 8 mei 2020 door B&W vastgesteld. De Nota bestaat uit drie delen. De hoofdstukken 2 t/m 4 behandelen de beleidskeuzes en de gevolgen voor de toepassing van grond en baggerspecie met de toetsingskaders en beleidsregels voor iedereen die te maken heeft met grondverzet. Daarna volgt een deel met achtergrondinformatie in de hoofdstukken 5 t/m 9. Hierin wordt niet alleen ingegaan op de totstandkoming van de bodemfunctiekaart en de bodemkwaliteitskaart, maar wordt ook duidelijkheid geschapen over procedures die niet direct met toepassing van grond te maken hebben. Het derde deel bestaat uit een apart document met bijlagen. De bijlagen bevatten kaartmateriaal, statistische kentallen en extra informatie over asbestonderzoek en het toepassen van baggerspecie. Deze herziene Nota bodembeheer vervangt de Nota bodembeheer Gemeente Haarlemmermeer, versie 1.1, van 8 mei 2020. Samenvatting Deze Nota Bodembeheer is een herziening en vervanging van de eerdere Nota van 8 mei 2020. De Nota bevat enkele aanscherpingen van het beleid ten aanzien van het loodgehalte in de toe te passen grond in tuinen van woningen of op kinderspeelplaatsen en de kwaliteit van de toe te passen grond in PARK21. Voor de rest bevat deze Nota geen beleidsmatige wijzigingen ten opzichte van de voorgaande versie uit 2020. De huidige bodemkwaliteitskaart is ongewijzigd gebleven ten opzichte van de kaart uit 2020. De Nota bestaat uit drie delen. Deel 1: Het beleidsmatige deel bestaat uit de hoofdstukken 2 t/m 4. Daarin staan de toetsingskaders en beleidsregels voor iedereen die te maken heeft met grond- en baggerverzet in de gemeente Haarlemmermeer. Deel 2: Daarna volgt een deel met achtergrondinformatie in de hoofdstukken 5 t/m 8. Daarin wordt dieper ingegaan op de bodemfunctiekaart, de bodemkwaliteitskaart, meldingsprocedures en het opvragen van bodeminformatie. Hoofdstuk 9 beschrijft de rol van het bevoegd gezag inzake toezicht en handhaving. Deel 3: Het derde deel bestaat uit een apart document met bijlagen. De bijlagen bevatten kaartmateriaal, statistische kentallen, extra informatie over asbestonderzoek en het toepassen van baggerspecie. Doel van de Nota De gemeente Haarlemmermeer wil met deze Nota een praktische richtlijn bieden hoe in de gemeente met grond, vrijkomende grond en baggerspecie moet worden omgesprongen. Het document is primair gericht aan overheden die veel met grond werken, adviesbureaus, aannemers en andere bodemintermediairs. Daarnaast bevat de Nota ook enkele onderwerpen die direct of indirect raken aan het dagelijks leven van bewoners in de steden en op het platteland, zoals mensen die willen (ver)bouwen en daarmee de grond raken. Stand- still principe De bodem in de regio wordt zeer intensief gebruikt. Het bodembeleid wil dan ook zoveel mogelijk ruimte geven aan maatschappelijke activiteiten op en in de bodem, zoals gebiedsontwikkeling en woningbouw, bedrijfsactiviteiten, de aanleg van wegen of het uitbaggeren van vaarwegen. Tegelijkertijd is het bodembeleid erop gericht om negatieve effecten op de bodemkwaliteit tegen te gaan, zodat deze ook op zeer lange termijn geschikt blijft om te gebruiken. Het hoofduitgangspunt van de gemeenten in de regio is dan ook dat de kwaliteit van de bodem binnen de regio niet verslechtert. Generiek en gebiedsspecifiek bodembeleid Deze Nota is een vertaling van de bodemwetgeving en het landelijk ‘generiek’ beleid. Het generiek beleid past echter niet altijd op elke lokale situatie. Het Besluit bodemkwaliteit geeft gemeenten daarom de vrijheid om ook gebiedsspecifiek beleid te formuleren. Deze herziene Nota Bodembeheer geeft invulling aan de ruimte voor lokaal maatwerk en gebiedsspecifiek beleid. Hierbij wordt sterk rekening gehouden met de lokale situatie. Vooral de maatschappelijke functie van de ontvangende bodem is leidend. Hoe gevoeliger de functie, hoe strenger de eis die aan toe te passen grond wordt gesteld. Sinds de drooglegging van de Haarlemmermeer is de bodem vooral agrarisch gebruikt. Na 1950 heeft de polder door de snelle ontwikkeling van Schiphol en de aanleg van nieuwe ontsluitingswegen een ander karakter gekregen. De industrie kreeg een plaats in de polder. Sloten werden opgevuld met verdacht materiaal, erven raakten verontreinigd met koolas en verhardingsmateriaal. In sommige delen van de polder ontstonden stortplaatsen, vooral in het veengebied. Sloopafval uit de Randstad werd in toenemende mate toegepast als verhardingsmateriaal of bouwstof in oude polderwegen. Ook werd veel teerhoudend asfalt als wegverharding toegepast. Aan de zuidoostelijke kant van de polder vestigde zich de glastuinbouw, met bijbehorende stookinstallaties. Na 1970 is de bebouwing en bedrijvigheid in de polder in snel tempo toegenomen en is er ook sprake van “stadsrandverschijnselen”, waarbij in agrarisch gebied tal van nieuwe activiteiten startten. Momenteel wordt de bodem intensiever gebruikt dan ooit tevoren. De polders van Haarlemmerliede en Spaarnwoude, met uitzondering van het recreatiegebied Spaarnwoude, zijn voornamelijk agrarisch in gebruik. Bedrijvigheid is voornamelijk aanwezig in Halfweg en Spaarndam. Ondanks toegenomen bedrijvigheid in de polder voldoet de diffuse bodemkwaliteit in het grootste deel van het gebied wat betreft de stoffen uit het standaard stoffenpakket nog altijd aan de Achtergrondwaarde (schoon). Deze grond is in principe geschikt om - onder voorwaarden - overal zonder onderzoek te hergebruiken (zone 1). Een klein gedeelte van het gebied heeft een bodemkwaliteit die voldoet aan de kwaliteitsklasse Wonen (zone 2 en 3A) en Industrie (zone 3). In deze zones geldt in principe het generieke beleidskader. In enkele deelgebieden van Haarlemmermeer voldoet het generieke kader niet. Het gebied ‘Schiphol Trade Park’ is zo’n gebied. In dit gebied is een verhoogd gehalte aan organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB’

  1. s)gemeten. Met het generieke beleid kan de beoogde doelstelling, namelijk het zonder bodemonderzoek (binnen de regels van het Besluit bodemkwaliteit) kunnen toepassen van gebiedseigen grond binnen de deelzone, niet worden bereikt. Gebiedsspecifieke toepassingseisen kunnen de mogelijkheden voor grondverzet vergroten, waardoor economische voordelen kunnen worden behaald, zonder dat daarbij onaanvaardbare risico’s optreden. Hetzelfde geldt voor de deelzone PARK21, een poldergebied van ruim 1000 hectare tussen Hoofddorp en Nieuw-Vennep, dat de komende jaren ingericht gaat worden als recreatief parklandschap. Uit economisch oogpunt is de aanwending van niet alleen grond met kwaliteit Achtergrondwaarde gewenst, maar ook met kwaliteit Wonen. Door deze, bij de bodemfunctie passende, grond toe te passen in de aan te leggen verhoogde parklagen worden (ecologische) risico’s klein danwel verwaarloosbaar geacht. Voorts gelden bijzondere regels voor enkele specifieke stoffen, zoals asbest, lood, chloride en organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB’
  2. s)en wordt bij toepassen van grond/baggerspecie een beperking gesteld aan de hoeveelheid bodemvreemd materiaal dat toe te passen grond/baggerspecie mag bevatten. Voor bagger, afkomstig van watergangen in het stedelijk gebied waarbij het niet mogelijk is de baggerspecie over het aangrenzend perceel te verspreiden, is gebiedsspecifiek beleid opgesteld. Hierbij wordt bagger dichtbij de plek van vrijkomen gedurende een jaar op een weilandperceel opgeslagen, waarna een partijkeuring uitwijst of de partij alsnog mag worden uitgespreid als nuttige toepassing of zal moeten worden afgevoerd naar een verwerker. Tevens heeft de gemeente Haarlemmermeer het begrip aangrenzend perceel nader gedefinieerd. Grondverzet Het overgrote deel van alle werken in de grond betreft projectmatige ontgravingen, ophogingen, herschikkingen, werk aan kabels & leidingen en baggeren. Een groot deel van deze Nota (hoofdstuk 4) beschrijft de procedure voor het nuttig toepassen van ontgraven grond op een andere locatie in de gemeente. Hierbij kan in veel gevallen gebruik worden gemaakt van de bodemkwaliteitskaart, waarbij, na een toets op eventuele verdachte locaties (de zgn. puntbronnencheck) samengevat de volgende stappen worden doorlopen: Aantonen wat de kwaliteitsklasse is van de vrijkomende grond (weergegeven op de ‘ontgravingskaart’, onderdeel van de bodemkwaliteitskaart, waarop de verschillende bodemkwaliteitsklassen bij ontgraven worden aangeduid); Onderzoeken wat de kwaliteitsklasse is van de ontvangende bodem (af te lezen op de bodemkwaliteitskaart waarop de gemeente is ingedeeld in verschillende kwaliteitsklassen); Bepalen of er een ‘match’ is tussen de vrijkomende grond en de ontvangende bodem. Deze stap bepaalt met behulp van de toepassingskaart en tabellen of de vrijkomende grond voldoet aan de functie en toepassingseisen van de ontvangende bodem. Bodemkwaliteitskaart De bodemkwaliteitskaart biedt een betrouwbaar beeld van de actuele bodemkwaliteit binnen de gemeente Haarlemmermeer. De kaart is opgebouwd uit 3 deelkaarten waarin verschillende zones met overeenkomstige bodemkwaliteiten zijn weergegeven. De kaart kan in combinatie met de gebruiksregels in deze Nota worden gebruikt om grond zo eenvoudig mogelijk elders toe te passen. Hiermee kan veel geld aan bodemonderzoek worden bespaard. De kaart uit 2020 is nog steeds geldig en zal uiterlijk in 2025 moeten worden geactualiseerd, of eerder, als ontwikkelingen daarom vragen. 1Inleiding 1.1Aanleiding De bodem in Nederland wordt intensief gebruikt. Het bodembeleid wil enerzijds ruimte scheppen voor woningbouw, transformatie, aanleg van wegen, onderhoud van vaarwegen, aanleg van parken etc. Anderzijds is het doel van het Nederlandse bodembeleid de bescherming van de gezondheid van mens, dier en plant die op en in de bodem leven en het behoud van de functionele eigenschappen van de bodem, zodat deze geschikt blijft om te gebruiken. Aanscherping van het beleid op enkele onderdelen De praktische aanleiding voor de herziening van deze beleidsnota is het feit dat Haarlemmermeer de keuze maakt om gevoelige bodemfuncties extra te beschermen met een gebiedsspecifieke normering. Met name het zware metaal lood is een probleemstof, die diffuus verspreid voorkomt. Om deze reden wordt er een maximum van 100 mg/kg ds gesteld aan het gehalte aan lood in grond die mag worden toegepast op locaties met de bodemfunctie ‘Wonen met tuin’ en ‘Plaatsen waar kinderen spelen’. In de zone 1B (PARK21) is het toepassen van grond met de kwaliteit Industrie niet meer toegestaan. De maximaal toegestane kwaliteitsklasse van de toe te passen grond is Wonen. Met de vaststelling van voorliggende Nota en bodemkwaliteitskaart zullen deze aanscherpingen op het beleid van kracht worden. Hiermee zal de voorgaande versie van de Nota bodembeheer, vastgesteld op 8 mei 2020, komen te vervallen. Op andere beleidsonderwerpen is deze Nota ongewijzigd gebleven. Wel zijn de verwijzingen behorend bij het PFAS-beleid geactualiseerd. Het is echter goed te vermelden en te benadrukken waarom bepaalde (beleids)keuzes zijn gemaakt. Bodemkwaliteitskaart Met de vaststelling van de Nota bodembeheer en de bodemkwaliteitskaart in mei 2018 is het gebiedsspecifieke beleidskader in werking getreden. De kaart vormt samen met de bodemfunctieklassenkaart de basis voor het grond- en baggerstromenbeleid dat de gemeente Haarlemmermeer sindsdien onder het Besluit bodemkwaliteit voert. Per 1 januari 2019 is de gemeente Haarlemmermeer gefuseerd met de gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude. Hiertoe was het noodzakelijk de bodemkwaliteitskaart opnieuw te herzien en de Nota bodembeheer op deze wijziging aan te passen. De huidige versie van de bodemkwaliteitskaart is ongewijzigd gebleven ten opzichte van de kaart uit 2020. Knelpunten generiek beleid Besluit bodemkwaliteit Het Besluit bodemkwaliteit, en de bijbehorende Regeling bodemkwaliteit, is onder meer gebaseerd op de Wet bodembescherming en stelt milieuhygiënische voorwaarden aan de toepassing van bouwstoffen, grond en baggerspecie. Gemeenten hebben daarbij de mogelijkheid gebiedsspecifiek beleid op te stellen als er behoefte is aan lokaal maatwerk. De gemeente Haarlemmermeer heeft hiervan gebruik gemaakt. Het generieke beleid onder het Besluit bodemkwaliteit levert knelpunten op voor het grondverzet: Sommige deelgebieden zijn verdacht op het voorkomen van specifieke stoffen die niet in het standaard stoffenpakket zijn opgenomen (zoals organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB’s)), waardoor grondverzet binnen de regels van het Besluit bodemkwaliteit met de bodemkwaliteitskaart niet mogelijk is; Er zijn gebieden waar toepassen van grote hoeveelheden grond gewenst is. Uit financieel oogpunt is, naast schone grond, in sommige gevallen ook het toepassen van grond met kwaliteit Wonen van belang. De generieke maximale waarde voor lood in grond met kwaliteitsklasse Wonen kan een gezondheidsrisico opleveren voor jonge kinderen, terwijl deze grond in sommige gevallen wel zou mogen worden toegepast in tuinen van woningen of op kinderspeelplaatsen. Mogelijkheden gebiedsspecifiek beleid Om te bepalen of gebiedsspecifiek beleid een oplossing kan bieden voor de knelpunten zijn de volgende uitgangspunten in beschouwing genomen: Hergebruik van grond in schone tot licht verontreinigde gebieden wordt mogelijk (zoveel mogelijk zonder bodemonderzoek); Streven naar een normering gericht op de bodemfuncties ter plaatse, zodat de bodemkwaliteit aansluit bij de bodemfunctie (strengere norm bij gevoelige functies); Aanwijzen van gebieden waarvan de gebiedskwaliteit uit economisch oogpunt mag verslechteren; Stand-still principe op gebiedsniveau handhaven, generieke beleidskader aanhouden voor aanvoer van grond van buiten het beheergebied; Grond met kwaliteit tot maximaal Industrie alleen op basis van organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB) kan toegepast worden binnen het beheergebied als de ontvangende bodem ook OCB bevat; Op bodemfuncties met kans op humane blootstelling aan lood in de bodem (Wonen met tuin en plaatsen waar kinderen spelen) moet het gezondheidsrisico worden beperkt. Conclusie Als binnen de bodemkwaliteitskaart deelgebieden worden aangewezen waarvoor gebiedsspecifiek beleid wordt vastgesteld, kunnen de genoemde knelpunten worden verholpen. Als voor de aangewezen gebieden duidelijke regels worden vastgesteld voor toe te passen grond leidt gebiedsspecifiek beleid niet tot onaanvaardbare humane en/of ecologische risico’s. De nu voorgestelde aanscherpingen voor de stof lood gelden in de hele gemeente op de aangewezen bodemfuncties (tuinen van woningen en kinderspeelplaatsen). Dit wordt middels het vaststellen van deze Nota Bodembeheer gerealiseerd. Bodem in de Omgevingswet De nieuwe integrale Omgevingswet treedt naar verwachting in 2021 in werking, waarbij 26 afzonderlijke milieuwetten komen te vervallen. De nieuwe wet bevordert de integrale afweging van ruimtelijke en milieubelangen, omdat binnen één wet de onderlinge samenhang beter tot zijn recht komt. Via de Aanvullingswet bodem Omgevingswet en het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet worden bodemregels onderdeel gemaakt van de Omgevingswet en komt de aparte Wet bodembescherming te vervallen. Aangezien het Rijk meer bevoegdheden naar gemeenten sluist, zullen die bodemregels te zijner tijd worden opgenomen in het zogeheten Gemeentelijk Omgevingsplan - een instrument onder de Omgevingswet. 1.2Doelstelling en doelgroep Doelstelling Nota Het doel van de Nota bodembeheer is invulling geven aan de beschikbare beleidsruimte voor gebiedsspecifiek en functiegericht bodembeheer. Om optimaal gebruik te kunnen maken van de beleidsvrijheid die het Besluit bodemkwaliteit biedt, is het noodzakelijk om het bodembeleid vast te leggen in een Nota bodembeheer. In voorliggende Nota bodembeheer wordt beschreven waarom en hoe de gemeente Haarlemmermeer invulling geeft aan het gebiedsspecifieke beleidskader voor het toepassen van grond en worden de gemaakte keuzes onderbouwd. Door weloverwogen beheer van de bodem zal de bodem niet verder verslechteren en wordt zorgvuldig omgegaan met de functies die bodem heeft. Het gebiedsspecifieke beleid van Haarlemmermeer richt zich op enkele stoffen die niet in het standaard stoffenpakket voorkomen, maar die wel regelmatig in de bodem worden aangetroffen (asbest, OCB’s), waarvoor verslechtering van de kwaliteit ongewenst is (chloride) en waarvoor gezondheidskundige risico’s kunnen optreden (lood). Tevens is gebiedsspecifiek beleid ontwikkeld voor bagger afkomstig uit stedelijk gebied. Onder de Omgevingswet zal de Nota onderdeel worden van het Omgevingsplan van de gemeente. Binnen het Omgevingsplan worden sectorale onderwerpen meer in samenhang beschouwd. Waar wenselijk en mogelijk wordt daar in deze Nota al een voorschot op genomen. Doelstelling bodemkwaliteitskaart De bodemkwaliteitskaart geeft een actueel en dekkend beeld van de diffuse bodemkwaliteit op het grondgebied van de gemeente Haarlemmermeer. De kaart faciliteert veelvoorkomend grondverzet bij werkzaamheden door: Gebieden te tonen waar vrij grondverzet (zonder bodemonderzoek, maar wel met puntbronnencheck) onder bepaalde voorwaarden is toegestaan; Te laten zien waar grond en baggerspecie op en in de bodem kan worden toegepast; Te dienen als bewijsmiddel voor de kwaliteit van vrijkomende grond en de ontvangende bodem; Knelpunten weg te nemen bij grond- en/of baggerverzet; Afzetmogelijkheden van grond te vergroten door acceptatie van bodemkwaliteitskaarten van andere gemeenten, mits deze conform landelijke richtlijnen zijn opgesteld; Voor ARBO een indicatie te zijn van de te verwachten risico’s; Vereenvoudiging van het gebruik op regionaal niveau, omdat de vormgeving van de kaarten binnen de beheerregio op elkaar is afgestemd; Vereenvoudiging van het toezicht. Doelgroep Doelgroepen voor de Nota Bodembeheer en de bodemkwaliteitskaart zijn het bevoegd gezag voor de Wetbodembescherming, maatschappelijke organisaties, burgers, marktpartijen en initiatiefnemers (zoals ontwikkelaars, bewoners) binnen het bodemwerkveld. Toetsingskader grondverzet en bodemsanering Ter facilitering van de uitvoeringspraktijk voor bodemonderzoek en grondverzet is er binnen de gemeente Haarlemmmermeer behoefte aan een uniform toetsingskader voor zowel het bevoegde gezag Besluit bodemkwaliteit als de uitvoerende maatschappelijke partijen. Deze Nota Bodembeheer geeft het beleidskader voor de uitvoeringspraktijk binnen de gemeente. 1.3Bevoegd gezag Burgemeester en Wethouders van de gemeente Haarlemmermeer zijn het bevoegd gezag voor toepassingen van grond en bagger op de droge (land)bodem. Deze Nota gaat dan ook alleen over de landbodem in Haarlemmermeer. Voor waterbodembeheer is de waterkwaliteitsbeheerder het bevoegd gezag (natte bodem onder opppervlaktewater). Voor nadere informatie over bevoegde gezagen bij baggerwerkzaamheden wordt verwezen naar par. 4.8. 1.4Vaststelling, geldigheidsduur en reikwijdte Bestuurlijke vaststelling Het beleid in deze Nota bodembeheer heeft betrekking op het grondgebied van de gemeente Haarlemmermeer. De Nota, met bijbehorende bodemkwaliteitskaart, treden in werking nadat deze door de gemeenteraad van voorgenoemde gemeente zijn vastgesteld, de termijn van terinzagelegging van de Algemene Wet Bestuursrecht is verstreken, en deze op de voorgeschreven wijze bekend zijn gemaakt (gepubliceerd): De Nota bodembeheer wordt in beginsel vastgesteld voor een periode van 10 jaar. Daarna wordt bekeken of de Nota wordt aangepast; De bodemkwaliteitskaart wordt in principe elke 5 jaar opnieuw vastgesteld; Tussentijdse herziening van de Nota, of de bodemkwaliteitskaart, kan eerder nodig zijn als wetswijzigingen, actuele ontwikkelingen of voortschrijdend inzicht daartoe aanleiding geven. Met de invoering van de Omgevingswet wordt de landelijke regelgeving ingrijpend gewijzigd. Dit betekent onder meer dat onderwerpen uit de Nota bodembeheer onderdeel gaan worden van het Omgevingsplan en van het bodembeleidskader van de gemeente. Deze herziene Nota Bodembeheer, met de bodemkwaliteitskaart, vervangt de Nota bodembeheer Gemeente Haarlemmermeer van 8 mei 2020. Met de bestuurlijke vaststelling van deze nieuwe Nota komt de eerdere Nota uit 2020 te vervallen. Beheergebied Om praktische redenen is de gemeenteraad al eerder voorgesteld de (toekomstige) vaststelling van beperkte aanpassingen met een uitvoerend karakter (bijvoorbeeld het tussentijds actualiseren van de bodemkwaliteitskaart als onderdeel van de Nota Bodembeheer, uitbreiding van het beheergebied, acceptatie van bodemkwaliteitskaarten van andere gemeenten of het toevoegen van data van nieuwe parameters) te delegeren naar het college van burgemeester en wethouders. De fusie van de gemeente Haarlemmermeer met de gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude is een voorbeeld van zo’n beperkte aanpassing, het was aanleiding om de bodemkwaliteitskaart te herberekenen. Gelijktijdig met de vaststelling van voorgaande bodemkwaliteitskaarten en Nota bodembeheer, heeft de gemeenteraad ook ingestemd met een regionale samenwerking met de gemeente Amsterdam en de gemeenten Aalsmeer, Amstelveen, Diemen, Uithoorn en Ouder-Amstel (regio Amstelland en Meerlanden). Die samenwerking is uitgemond in een gezamenlijk beheergebied, wat de mogelijkheden voor actief bodembeheer (stand-still beginsel op gebiedsniveau) aanzienlijk vergroot. De gemeenteraad accepteert daartoe ook de bodemkwaliteitskaarten van deze gemeenten (Amsterdam en de regio Amstelland en Meerlanden) als bewijsmiddel voor de kwaliteit van grond die in deze gemeenten wordt ontgraven en in Haarlemmermeer wordt toegepast. De gemeenteraad heeft de (toekomstige) uitbreiding van het beheergebied met meer gemeenten gedelegeerd aan het college van B&W. Inspraak en zienswijzen De Nota Bodembeheer en de bodemkwaliteitskaart zijn na instemming door het college van burgemeester en wethouders gedurende zes weken ter inzage gelegd. Op de concept-Nota is 1 zienswijze binnengekomen. In bijlage 9 is beantwoording van deze zienswijze opgenomen. 1.5Verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid De verantwoordelijkheid voor het naleven van de wet- en regelgeving bij het werken in/met, ontgraven en toepassen van grond en baggerspecie ligt bij de initiatiefnemer van deze handelingen. De initiatiefnemer is verplicht om de voorgenomen handeling te melden. Via een privaatrechtelijke machtiging kan deze verplichting ook bij de aannemer of andere betrokkenen worden gelegd. Er bestaan uitzonderingen op de meldingsplicht (zie par. 7.2). De wetgever gaat uit van ketenaansprakelijkheid: alle betrokken partijen zijn mede verantwoordelijk en dienen te werken volgens de wet- en regelgeving en het beleid in deze Nota. De bodemkwaliteitskaart en deze Nota Bodembeheer zijn zeer zorgvuldig opgesteld. Echter, de bodemkwaliteitskaart doet alleen uitspraken over de te verwachten algemene kwaliteit binnen een zone. Binnen een zone van herkomst is het dus denkbaar dat de kwaliteit van een individuele partij ontgraven grond afwijkt van het gemiddelde in die zone. De gemeente Haarlemmermeer is niet aansprakelijk voor schade als gevolg van die mogelijke afwijking tussen de algemene en de individuele kwaliteit. Als men vooraf meer zekerheid wil over de bodemkwaliteit van de te ontgraven grond, staat het de initiatiefnemer vrij om zelf een bodemonderzoek te laten doen. De verantwoordelijkheid voor het toepassen van grond/baggerspecie blijft altijd bij degene die de grond/baggerspecie toepast. Diezelfde eindverantwoordelijkheid geldt ook als men gebruik maakt van de vrijstelling voor het doen van fysiek bodemonderzoek (zie par. 3.6). 1.6Afbakening Deze Nota Bodembeheer is een leidraad voor de uitvoeringspraktijk. Daarin wordt beschreven hoe de gemeente Haarlemmermeer de bodemregelgeving vertaalt naar regionale regels en beleid. Ook is beschreven wanneer gebruik kan worden gemaakt van de bodemkwaliteitskaart als wettig bewijsmiddel voor de milieuhygiënische kwaliteit van de toe te passen partij grond en/of de ontvangende bodem. Verder kan de kwaliteit voldoende indicatie zijn voor ARBO-gerelateerde risico’s. Opgemerkt dient nog te worden dat de Nota zich alleen richt op de milieuhygiënische bodemkwaliteit. Of de grond civieltechnisch, fysisch, landbouwkundig of qua natuurwaarde geschikt is voor de beoogde toepassing blijft in deze Nota buiten beschouwing. Een uitzondering kan hierbij gelden voor grondtoepassingen in gebieden met ecologische en cultuurhistorische waarden, waarbij eisen aan de grondsoort kunnen worden gesteld. De Nota is niet van toepassing op de volgende situaties: Toepassen van schone grond, zoals bedoeld in art. 4.2.2. lid 4 en 5 van de Regeling bodemkwaliteit. Deze grond is overal toepasbaar; Grootschalige bodemtoepassingen. Hiervoor is het landelijke kader van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing; de kwaliteit van de leeflaag moet voldoen aan de Lokale Maximale Waarden of de generieke eisen, afhankelijk van de zone waarbinnen de toepassing wordt gerealiseerd; Toepassen van grond of bagger in oppervlaktewater (hiervoor is de gemeente geen bevoegd gezag). Voor de landelijk uniforme regels wordt verwezen naar het Besluit bodemkwaliteit en bijbehorende Regeling en Handreiking [Lit. 1 en 2]. Voor nieuwe bodemverontreinigingen, die zijn ontstaan op of na 1 januari 1987 (1 juli 1993 voor asbest) geldt de zorgplicht (artikel 13 Wbb). Voor het beleid rondom PFAS-verontreinigde grond zijn aparte beleidsregels geformuleerd (zie par 2.8 en Lit. 19, 21, 22, 23 en 24). Dit beleid is geen onderdeel van deze Nota vanwege het feit dat het PFAS-beleid nog aan veranderingen onderhevig is. 1.7Uitgangspunten nieuwe Nota Het bodembeleid van de gemeente Haarlemmermeer hanteert de volgende uitgangspunten: De kwaliteit van de bodem moet zodanig zijn dat de activiteiten behorend bij de functies wonen, werken, infrastructuur, natuur en landbouw op een verantwoorde wijze uitgeoefend kunnen worden; Milieuhygiënische risico's worden tot een aanvaardbaar niveau teruggebracht door het stellen van een helder toetsingskader in combinatie met de eigen verantwoordelijkheid van burgers en bedrijven; De kwaliteit van de bodem binnen de gemeente is voldoende bekend om gebiedsspecifiek beleid te kunnen formuleren; Het beleid maakt het mogelijk om kosteneffectief en duurzaam om te gaan met de bodemkwaliteit en grondverzet; Vanuit de duurzaamheidsgedachte worden hergebruiksmogelijkheden van vrijkomende grond optimaal gefaciliteerd; Het is wenselijk procedures en spelregels zoveel mogelijk te vereenvoudigen opdat het bodembeleid uitlegbaar blijft, draagvlak houdt en de regeldruk vermindert; Gezien de statistische onderbouwing kan de ontgravingskaart gebruikt worden om af te zien van bodemonderzoek in de schone en licht verontreinigde zones (zone 1, 2, 3A en 3). 1.8Draagvlak gemeentelijke spelers Om draagvlak te creëren voor de keuzes in de Nota bodembeheer is overleg gevoerd met een aantal partijen: Gemeente Haarlemmermeer, afdelingen Beheer en Onderhoud en Projecten; Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied, directie Regulering & Expertise, team Bodem en Bouwexpertise; Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied, directie Toezicht en Handhaving, team Bodem en Ondergrond; Hoogheemraadschap van Rijnland. Deze partijen onderschrijven de Nota. Opmerkingen zijn in de Nota verwerkt. DEEL 1 HET GEBIEDSSPECIFIEKE BODEMBELEID IN DE GEMEENTE HAARLEMMERMEER 2Het bodembeleid in de gemeente Haarlemmermeer 2.1Keuze voor gebiedsspecifiek beleid Het Besluit bodemkwaliteit biedt gemeenten de ruimte af te wijken van het generieke – landelijke – beleid om gebiedsspecifiek maatwerk te ontwikkelen in situaties die daarom vragen. Het gebiedsspecifiek beleid in de gemeente Haarlemmermeer gaat uit van het - waar nodig - beschermen van de bodemkwaliteit en het - waar mogelijk - juist verruimen van de gebruiksmogelijkheden. In de beleidsvorming over gebiedsspecifiek maatwerk kwamen de volgende behoeften naar voren: Eenduidig beleid, zo eenvoudig mogelijk, uitlegbaar en werkbaar, met duidelijke spelregels; Het beleid moet waar mogelijk faciliterend zijn voor de dagelijkse uitvoeringspraktijk; Deregulering en vermindering van de lasten voor bedrijven en burgers; Vrijstelling van fysiek bodemonderzoek waar mogelijk en verantwoord; Mogelijkheden bieden voor hergebruik (zonder onderzoek) van licht verontreinigde grond, waardoor veel geld wordt bespaard op onnodig onderzoek en transport; Vrijkomende, toepasbare grond en baggerspecie moet in principe binnen het beheergebied kunnen worden afgezet. Uitgaande van het standaard stoffenpakket voldoet het overgrote deel van de bodem van Haarlemmermeer aan de Achtergrondwaarde. Wanneer de grond verdacht is op het voorkomen van een of meer stoffen die niet in het standaard stoffenpakket zijn opgenomen, is aanvullend onderzoek naar de betreffende stof(fen) nodig als aanvulling op de toepassing van grond middels de bodemkwaliteitskaart. In de Haarlemmermeer zijn nog veel akkerbouwgronden aanwezig. Zoals hierboven al genoemd zijn deze gronden verdacht op het voorkomen van OCB’s. Ook is diffuus PFOS en PFOA aanwezig (stoffen behorende tot de PFAS-groep). Met generiek beleid kan de beoogde doelstelling (namelijk binnen de regels van het Besluit bodemkwaliteit toepassen van gebiedseigen grond) niet worden bereikt. Om een werkzame situatie te bereiken is voor een aantal gebieden waar veel grondverzet verwacht wordt en waar stoffen anders dan die uit het standaardpakket bekend zijn (of verwacht worden) gebiedsspecifiek beleid opgesteld. Het gebiedsspecifieke beleid van de gemeente Haarlemmermeer is op enkele punten strenger dan het generieke beleid, in deze situaties ligt de nadruk op het zorgvuldig omgaan met en het beschermen van de gevoelige bodemfuncties. Strenger – op gevoelige bodemfuncties Op gevoelige functies (natuur, landbouw, moestuin/volkstuin) is de toepassingseis en de kwaliteit van de aanvulgrond/leeflaag altijd Achtergrondwaarde (AW); Op bodemfuncties met kans op humane blootstelling aan lood in de bodem (wonen met tuin en plaatsen waar kinderen spelen) en waar grond met de kwaliteit Wonen volgens de regels mag worden toegepast, mits het loodgehalte maximaal 100 mg/kg bedraagt;1Deze loodnorm komt voort uit de Toetsingsregel Achtergrondwaarde (Regeling bodemkwaliteit, art 4.2.2.). Volgens die regel behoudt grond de formele kwaliteit van Achtergrondwaarde als hoogstens 2 stoffen verhoogde gehalten laten zien (bij meting van 7-15 stoffen). De verhoging mag in dat geval maximaal 2x de Achtergrondwaarde (voor lood is dat 50 mg/
  3. kg)voor die stof bedragen. Het maximum voor lood is in dit geval dus 2 x 50 = 100 mg/kg grond. Voor asbest geldt een ‘nulnorm’ bij het toepassen van grond op locaties met een gevoelige functie en/of met veel bodemcontact (kinderspeelplaatsen, moes- en volkstuinen): asbest mag analytisch niet aantoonbaar in de grond aanwezig zijn (dit moet met onderzoek zijn aangetoond); Strenger – bodemvreemd materiaal Bij toepassen van grond/baggerspecie wordt een beperking gesteld aan de hoeveelheid bodemvreemd materiaal en materiaal dat op zichzelf beschouwd niet in aanmerking zou komen als bouwstof. Toe te passen grond/baggerspecie mag niet meer dan 5 gewichtsprocenten bodemvreemd materiaal bevatten voor zover het steenachtig materiaal of hout2Het betreft hier hout in een vorm die niet van nature voorkomt in de bodem. betreft (bakstenen, puin enzovoort). Overige bodemvreemde materialen (dus anders dan steenachtig materiaal of hout), zoals bijvoorbeeld plastic en piepschuim, mag alleen sporadisch voorkomen als dat al voorafgaand aan het ontgraven of bewerken in de grond of baggerspecie aanwezig was, voor zover redelijkerwijs niet kan worden gevraagd dat het uit de grond of baggerspecie wordt verwijderd voordat het wordt toegepast. Hiermee wordt bijmenging bedoeld die voor de ontgraving al in (water)bodem aanwezig was en niet door transport, vermenging, samenvoeging of anderszins aan de grond of baggerspecie is toegevoegd. Dit laatste is uiteraard niet toegestaan. Ruimer – op minder gevoelige bodemfuncties en ter vermindering regeldruk Het is uit financieel oogpunt niet haalbaar om voor de realisatie van grote projecten zeer grote hoeveelheden schone (AW)grond aan te kopen. De aanleg van deze projecten (waarbij zeer veel grond nodig
  4. is)zou wel te realiseren zijn als grond met slechtere kwaliteit zou kunnen worden toegepast. Toepassen van grond met een slechtere kwaliteit dan de onderliggende bodem is alleen mogelijk binnen het gebiedsspecifieke kader en met gebiedseigen grond. Op deze manier wordt het ‘standstill-principe’ gewaarborgd. Ook in andere situaties, wanneer sprake is van minder kwetsbare bodemfuncties, maar ook omdat er behoefte bestaat om te vereenvoudigen, kan het gebiedsspecifieke beleid juist verruimen: Een vereenvoudigd vooronderzoek, de zogeheten ‘puntbronnencheck’, bij gebruik van de bodemkwaliteitskaart, dient alleen om vast te stellen of vrijkomende grond niet afkomstig is uit een gebied met een brongerelateerde verontreiniging; Het baggerbeleid biedt ruimere verspreidingsmogelijkheden; Binnen de zone Schiphol Trade Park (zone 1A) is hergebruik van grond zonder onderzoek op basis van de bodemkwaliteitskaart toegestaan. De in zone 1A toe te passen grond afkomstig van buiten de zone moet op basis van het standaard stoffenpakket voldoen aan de Achtergrondwaarde, maar mag OCB’s bevatten tot maximaal klasse Industrie (conform de in zone 1A gemeten OCB-gehalten), mits deze grond uit het beheergebied afkomstig is; Binnen de zone PARK21 (zone 1B) gelden soepeler eisen voor het toepassen van gebiedseigen grond, waarvan de kwaliteit slechter is dan de ontvangende bodem. 2.2Voorkomende verontreinigingen (buiten standaardpakket) In de bodem van de gemeente Haarlemmermeer kunnen stoffen voorkomen die niet in het standaard stoffenpakket zijn opgenomen. Wanneer de bodem verdacht is op het voorkomen van een of meer van deze stoffen betekent dit dat de bodemkwaliteitskaart niet zonder meer bruikbaar is. Er moet dan een (aanvullend) bodemonderzoek worden uitgevoerd gericht op het voorkomen van deze stoffen. Om dit onderzoek voor een specifiek gebied achterwege te kunnen laten kan gebiedsspecifiek beleid een oplossing zijn. Deze stoffen zijn: Asbest PFAS OCB’s Asbest Asbest is een verzamelnaam voor een aantal in de natuur voorkomende mineralen, die zijn opgebouwd uit fijne, microscopisch kleine vezels. Losse asbestvezels zijn met het blote oog niet zichtbaar. Asbest is in het verleden veel gebruikt, bijvoorbeeld in gebouwen en woningen, vanwege de goede eigenschappen. Het is sterk, slijtvast en isolerend en bovendien goedkoop. De grote risico's die asbest oplevert voor de gezondheid werden pas later erkend. Door demping, onzorgvuldige sloop en incidenten (brand, natuurgeweld/storm, explosie, vandalisme) kan asbest op of in de bodem terecht komen. Zie verder par 3.4 en Bijlage 8. PFAS PFOS en PFOA behoren tot de groep poly- en perfluor-alkyl-verbindingen (PFAS), organische verbindingen. Zelfs onder extreme condities, zoals hoge temperatuur en de aanwezigheid van agressieve stoffen, zoals basen, zuren en oxiderende stoffen, blijven de verbindingen zeer stabiel. PFOS (perfluoroctaansulfonaat) en PFOA (perfluoroctaanzuur) zijn persistent. Deze stoffen breken niet af in water of bodem, ook niet onder invloed van licht of door bacteriën, alleen bij verbranding onder extreem hoge temperatuur. De eigenschappen van PFOS en PFOA hebben geleid tot specifieke gebruikstoepassingen van PFOS en PFOA, vooral bijvoorbeeld in blusschuim of vuilafstotende coating. PFOS en PFOA zijn milieuvreemde stoffen die, vanwege de diverse toepassingen, op steeds meer plaatsen in de bodem worden aangetroffen. Sinds eind 2015 wordt Perfluoroctaansulfonzuur (PFOS) en later ook Perfluoroctaanzuur (PFOA), eerst in het oostelijk deel van de Haarlemmermeer en vervolgens in de wijdere omgeving in de regio, vaak in relatief lage gehalten diffuus in de bodem aangetroffen, ook op plekken waar geen directe relatie met een calamiteit of vanuit een andere bronlocatie herleidbaar was. De stoffen worden in de gemeente Haarlemmermeer verhoogd aangetroffen ter plaatse van bronlocaties en zijn daarnaast diffuus vrijwel overal aanwezig. Als gevolg van het aanvankelijk ontbreken van landelijke normen voor hergebruik van deze stoffen zijn door diverse regionale bevoegde gezagen lokale beleidsregels opgesteld voor grond en bagger. Dit bleek onvoldoende om stagnatie in grondverzet door deze stoffen te voorkomen. Zie verder par. 2.8. Organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB’
  5. s)Van nature komen organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB’
  6. s)niet in de bodem voor. Ondanks het feit dat het gebruik van veel van deze stoffen reeds jaren verboden is worden ze, vanwege hun persistentie, in de gemeente Haarlemmermeer nog veel aangetroffen, met name op de akkerbouwgronden. Zie verder par. 2.9. 2.3De bodemfunctiekaart In het Besluit bodemkwaliteit speelt de maatschappelijke functie van de bodem een grote rol. Om dergelijke ‘bodemfunctieklassen’ van deelgebieden vast te leggen is een bodemfunctiekaart opgesteld (zie Bijlage 2). Op de bodemfunctiekaart is het grondgebied van de gemeente Haarlemmermeer toegedeeld naar de verschillende (generieke) bodemfunctieklassen Landbouw/Natuur, Wonen en Industrie. Dat is niet op het niveau van percelen gebeurd (zoals bij bestemmingsplannen), maar op het niveau van een groter gebied of deelzone. Voor die toedeling in klassen is veelal het huidige dominante bodemgebruik in een gebied als maatgevend genomen. In een aantal gebieden wordt echter zowel gewoond als gewerkt, zonder dat een van die functies sterk overheerst. In zulke gevallen was de meest gevoelige bodemfunctieklasse bepalend: in dit geval Wonen. De landbouw- en natuurgebieden (inclusief moes- en volkstuinen) zijn vanwege hun gevoeligheid voor bodemverontreiniging ingedeeld onder de bodemfunctieklasse Landbouw/Natuur. Zulke gebieden mogen alleen grond ontvangen die voldoet aan de Achtergrondwaarde. Parken, sportparken en recreatiegebieden vallen onder de bodemfunctieklasse Wonen, behalve als ze ecologisch waardevol zijn. Grote infrastructuur, zoals rijkswegen, provinciale- en hoofdverkeerswegen, spoorwegen en rangeerterreinen zijn, inclusief hun bermen, ingedeeld onder de bodemfunctieklasse Industrie. Minder forse infrastructuur kon vanwege het grove detailniveau van de kaart niet worden ingetekend, maar valt eveneens onder de bodemfunctieklasse Industrie. Generiek versus gebiedsspecifiek De bodemfunctiekaart wordt over het algemeen gebruikt in het generieke kader en gaat uit van drie generieke bodemfunctieklassen. Het gebiedsspecifieke kader (zie Tabel 2.1) maakt een scherper onderscheid met zeven bodemfuncties. In de meeste gevallen is het onderscheidend vermogen van de generieke bodemfunctiekaart voldoende om de lokale bodemfunctie te bepalen. Zie par. 6.3 voor een meer uitgebreide toelichting op het opstellen van de bodemfunctiekaart. Tabel 2.1 Bodemfuncties en bodemfunctieklassen Bodemfunctie (gebiedsspecifiek) Bodemfunctieklasse (generiek) Natuur Landbouw/Natuur Landbouw Moestuin/volkstuin (inclusief schooltuin) Wonen met tuin/siertuin Wonen Plaatsen waar kinderen spelen Groen met natuurwaarden Ander groen Bebouwing (zoals wonen zonder tuin) Infrastructuur en industrie Industrie 2.4De bodemkwaliteit binnen de gemeente Haarlemmermeer Op een bodemkwaliteitskaart staan verschillende zones (gebieden) ingetekend. Een zone staat voor een bepaalde gemiddelde bodemkwaliteit in dat gebied, met een (gemiddeld) gehalte aan gemeten stoffen. Deze zonering van gebieden zegt dus iets over de globale kwaliteit van de lokaal bestaande c.q. ‘ontvangende bodem’ en gaat niet over de kwaliteit op een specifieke locatie (perceel). De bodemkwaliteitskaart is eigenlijk een verzameling van kaarten: De bodemkwaliteitskaart, met de bodemkwaliteitsklassen van de ontvangende bodem (gebaseerd op het gemiddelde gehalte in een zone); De ontgravingskaart, met de bodemkwaliteitsklassen bij ontgraven (gebaseerd op de P80-waarde3De P80-waarde (of 80-percentielwaarde) is de waarde waarbij 80% van de waarnemingen een waarde vertoont die onder die waarde ligt. De P80-waarde geeft een betrouwbaarder beeld van de bodemkwaliteit op een locatie dan alleen het gemiddelde van de waarnemingen. Daardoor treedt bij ontgraven minder snel ongewenste vermenging van schone en minder schone grond op. in een zone) De toepassingskaart, waarop de bodemfunctie en bodemkwaliteit samen de toepassingseis in het gebied bepalen. De herziene bodemkwaliteitskaart van de gemeente Haarlemmermeer onderscheidt 4 zones op basis van de lokale bodemkwaliteit en ophooggeschiedenis (zones 1, 2, 3A en 3), plus nog twee gebiedsspecifieke zones waarbinnen bijzondere eisen gelden (zones 1A en 1B). Bij elke zone horen bijpassende eisen die gelden voor het grondverzet en de kwaliteit van de grond die er mag worden aangebracht, afhankelijk van de bodemfunctie. Binnen een zone liggen soms meerdere bodemfuncties die, afhankelijk van de gevoeligheid voor bodemverontreiniging, elk om een ander beschermingsniveau vragen - en dus een op de bodemfunctie afgestemde toepassingseis hebben (zie voor toepassingseisen par 4.3 en verder). Niet alle gebieden zijn ingedeeld in een zone. Dat komt over het algemeen omdat er te weinig of geen bodeminformatie beschikbaar is. Dit geldt voor enkele (landbouw)gebieden in Haarlemmerliede en Spaarnwoude en het venige buitengebied in de omgeving van Vijfhuizen en Nieuwebrug. Zie Tabel 2.2. Tabel 2.2De bodemkwaliteitszones met aanwezige bodemfuncties en gemiddelde bodemkwaliteit (zie voor meer info par. 6.4 en Bijlage 3 en 5 voor kaarten en statistische kenmerken), toplaag (0-0,5 m-mv), diepe laag (0,5-2,0 m-
  7. mv)en de diepere ondergrond (> 2,0 m-mv). Zone Voorkomende bodemfuncties Gemiddelde kwaliteit zone Bepalende stof(fen) Nieuwstedelijk gebied, oudere en recente industrie- en bedrijventerreinen, glastuinbouw gebied Rijsen- hout, buitengebied Landbouw/Natuur Wonen Industrie Alle lagen: AW - Gebied Schiphol Trade Park Industrie Alle lagen: AW (Let op: geb.specifiek beleid!) - Gebied PARK21 Landbouw/Natuur Wonen Industrie Toplaag: AW (Let op: geb.specifiek beleid!) - Diepe laag: AW (Let op: geb.specifiek beleid!) Ondergrond: te weinig gegevens (Let op: geb.specifiek beleid!) Oudere bebouwing Badhoevedorp, Hoofddorp, Zwanenburg, Cruquius en Nieuw-Vennep Landbouw/Natuur Wonen Industrie Toplaag: Wonen Lood, zink, PAK, PCB Diepe laag: Wonen Ondergrond: AW Bebouwing Oude Meer, Schiphol-Rijk, Rijsenhout, Burgerveen, Weteringbrug, Buitenkaag, Lisser- broek, Beinsdorp en Zwaanshoek Landbouw/Natuur Wonen Industrie Toplaag: Wonen Lood, zink, PAK, PCB, minerale olie Diepe laag: Wonen Ondergrond: te weinig gegevens Bebouwing Vijfhuizen, Nieuwebrug, Haarlemmer-liede, Penningsveer, Spaarndam, Halfweg, buiten- gebied ten zuiden van de Spaarndammerdijk Landbouw/Natuur Wonen Industrie Toplaag: Industrie Koper, zink, PAK, minerale olie Diepe laag: Industrie Ondergrond: te weinig gegevens Venig buitengebied omgeving Vijfhuizen en Nieuwebrug, golfbaan Nieuwe Meer, buitengebied Spaarnwoude en Haarlemmerliede Landbouw/Natuur Wonen Industrie Alle lagen: te weinig gegevens 2.5Generiek beleid voor toepassen van grond in zone 1 De bodemkwaliteit in de meeste jonge woonwijken en de landbouwgebieden (wanneer deze genoeg gegevens bevatten om te kunnen vaststellen) in de gemeente voldoet aan de Achtergrondwaarde (AW). Deze grond is in principe geschikt om overal zonder onderzoek te hergebruiken. Daarom was het niet nodig om voor deze gebieden, gedefinieerd als zone 1, gebiedsspecifiek beleid te ontwikkelen voor hergebruik van grond. In deze zone is de toepassingseis of kwaliteitseis aanvulgrond/leeflaag voor alle bodemfuncties dan ook Achtergrondwaarde, conform het generieke beleid. Er kunnen wel andere, meer algemene gebiedsspecifieke eisen gelden in zone 1, zoals de eisen voor asbest en bodemvreemd materiaal. Zie voor de zonekaart Bijlage 3A. 2.6Het gebiedsspecifieke toetsingskader in de zones 2, 3A en 3 Een deel van Haarlemmermeer, met name de woonkernen en het landelijk gebied rondom Badhoevedorp en Zwanenburg heeft een bodemkwaliteit die voldoet aan de kwaliteitsklasse Wonen. Dit gebied is geklassificeerd als zone 2. Zone 3A, de kleinere kernen Oude Meer, Schiphol-Rijk, Rijsenhout, Burgerveen, Weteringbrug, Buitenkaag, Lisserbroek, Beinsdorp en Zwaanshoek hebben een gemiddelde bodemkwaliteit die voldoet aan de kwaliteitsklasse Wonen, maar de ontgravingskwaliteit (80-percentielwaarde4Gekozen waarde in een dataset, zodanig dat 80% van de data kleiner of eraan gelijk is en 20% groter of eraan gelijk. Voor de ontgravingskwaliteit is voor de 80-percentielwaarde gekozen omdat deze waarde betrouwbaarder is dan het gemiddelde en er dus een grotere kans is dat grond van de vastgestelde kwaliteitsklasse wordt ontgraven.) voldoet aan de klasse Industrie. Deze gebieden maakten aanvankelijk deel uit van zone 2, maar omdat het grondverzet binnen zone 2 zou worden belemmerd als de grond niet in de eigen zone kon worden toegepast, is besloten deze gebieden af te splitsen er er een aparte zone van te maken. De bodemkwaliteit van woonkernen rondom Vijfhuizen, Nieuwebrug, Haarlemmerliede, Penningsveer, Spaarndam, Halfweg en het landelijk gebied ten zuiden van de Spaarndammerdijk valt in de klasse Industrie. Deze zone is geclassificeerd als zone 3. Gevoelige functies beschermen Gezien de keuze voor gebiedsspecifiek beleid om met name de gevoelige bodemfuncties extra te beschermen volgt hieruit een normering die hier gevolg aan geeft. Wanneer sprake is van woningen met tuinen, waarbij veel bodemcontact kan plaatsvinden, wordt een strengere norm gehanteerd dan bij woningbouwprojecten waarbij sprake is van hoogbouw met appartementen (zonder tuin). Wel kan tussen deze woningen juist weer sprake zijn van plaatsen waar kinderen spelen of buurtmoestuinen (urban farming). Deze verschillende vormen van bodemgebruik vragen om een bijpassende bodemkwaliteit, met eveneens bijpassende beschermingsniveaus gebaseerd op risico’s van bodemcontact (blootstelling). Die factoren bepalen per locatie de vereiste kwaliteit van toe te passen grond. Hoe gevoeliger de functie voor blootstelling, hoe strenger de norm. Lood Met name het zware metaal lood is een probleemstof, die diffuus verspreid voorkomt. Op sommige plaatsen is het gehalte in de bodem zo hoog dat er risico’s zijn voor jonge kinderen die buiten spelen en grond via vieze vingers binnenkrijgen. De hersenontwikkeling van jonge kinderen is erg gevoelig voor lood [Lit. 26]. De gemeente Haarlemmermeer wil die risico’s voor kleine kinderen tegengaan en stelt daarom dat het loodgehalte van grond die wordt toegepast op gevoelige bodemfuncties maximaal 100 mg/kg mag bedragen (2x de Achtergrondwaarde). Die eis is van toepassing op locaties met de bodemfunctie ‘Wonen met tuin’ en ‘Plaatsen waar kinderen spelen’. De norm van 100 mg/kg sluit aan bij de waarde die de provincie Noord-Holland hanteert in het Handelingskader diffuus lood [Lit. 27] voor voldoende bodemkwaliteit op kinderspeelplaatsen. Deze keuze heeft geleid tot de toepassingseisen per bodemfunctie en per bodemkwaliteitszone zoals weergegeven in Tabel 2.3. Tabel 2.3 Toepassingseisen en kwaliteitseis aanvulgrond/leeflaag (bodemkwaliteitsklassen) voor grond en bagger(toplaag (0-0,5 m-mv), diepe laag (0,5-2,0 m-
  8. mv)en diepere ondergrond (> 2,0 m-mv)). Zone Bodemfunctie Laag Natuur Landbouw Moestuinen/ volkstuinen Wonen met tuin Plaatsen waar kinderen spelen Groen met natuurwaarden Ander groen, bebouwing (oa wonen zonder tuin), infrastructuur en industrie 1 alle lagen Achtergrondwaarde Achtergrondwaarde Achtergrondwaarde Achtergrondwaarde 2 top en diep Achtergrondwaarde Wonen (lood max 100 mg/
  9. kg)Wonen Wonen 2 diepere ondergrond Achtergrondwaarde Achtergrondwaarde Achtergrondwaarde Achtergrondwaarde 3A top en diep Achtergrondwaarde Wonen (lood max 100 mg/
  10. kg)Wonen Wonen 3 top en diep Achtergrondwaarde Wonen (lood max 100 mg/
  11. kg)Wonen Industrie 1A alle lagen Gebiedsspecifiek beleid, zie par. 2.7 1B top en diep Gebiedsspecifiek beleid, zie par. 2.7 Drie belangrijke hoofdzaken uit Tabel 2.3 zijn: Op de bodemfuncties Natuur, Landbouw en Moestuinen/volkstuinen, alle lagen van zone 1 en de diepere ondergrond van zone 2 (> 2,0 m-
  12. mv)mag alleen grond worden toegepast van de klasse Achtergrondwaarde (AW); Op de bodemfuncties Wonen met tuin en Plaatsen waar kinderen spelen mag het gehalte aan lood maximaal 100 mg/kg bedragen; Op de bodemfunctie Groen met natuurwaarden in de toplaag (0-0,5 m-
  13. mv)en diepe laag (0,5-2,0 m-
  14. mv)in de zones 2, 3A en 3 mag grond worden toegepast van maximaal klasse Wonen; Minder kwetsbare functies (in de laatste kolom van Tabel 2.3) mogen in zone 3 grond ontvangen van de kwaliteitsklasse Industrie. De gebiedsspecifieke toepassingseis in zone 1A geldt alleen voor gebiedseigen grond. Er gelden ook andere, meer algemene gebiedsspecifieke eisen, zoals de eisen voor asbest en bodemvreemd materiaal, deze eisen gelden in de hele gemeente. Zie voor de zonekaart Bijlage 3A. Asbest Behalve deze eisen geldt een aparte normering voor asbest (zie par 3.4). Asbest wordt normaliter in grond en bouwstoffen toegestaan tot 100 mg/kg droge stof. Waar echter veelvuldig contact met grond plaatsvindt - door kwetsbare groepen - zoals op kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuinen, mag asbest analytisch niet aantoonbaar in de grond voorkomen. Dit geldt binnen de gehele gemeente. 2.7Gebiedsspecifiek beleid in de zones 1A en 1B Schiphol Trade Park (STP), zone 1A Het gebied waar het Schiphol Trade Park is gepland is een poldergebied waar de komende jaren een bedrijvenpark gesitueerd gaat worden. Het gebied ligt ten oosten van Hoofddorp, ingesloten tussen de spoorlijn, de Bennebroekerweg, de A4 en het Voorkanaal (langs de Geniedijk). Het gebied wordt doorsneden door de Rijnlanderweg. Binnen het plangebied STP is veel bodemonderzoek verricht. Omdat het gebied historisch belast is met organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB’
  15. s)is deze stof in de onderzoeken meegenomen. Het overgrote deel van het gebied is licht tot matig verontreinigd met OCB’s. Op enkele plekken in het gebied blijkt het gehalte aan OCB’s zodanig te zijn dat de bovengrond als klasse niet toepasbaar wordt beoordeeld; een groot deel is klasse Industrie. De stoffen uit het standaard stoffenpakket zijn hooguit licht verhoogd; op basis hiervan voldoet de grond aan de Achtergrondwaarde. Om het grondverzet binnen dit gebied optimaal te faciliteren is gebiedsspecifiek beleid geformuleerd. Figuur 2.1Plangebied Schiphol Trade Park (bron: www.kcap.
  16. eu)Voor het gebied Schiphol Trade Park (zone 1A), waar de bodem historisch is belast met organochloor-bestrijdingsmiddelen, gelden de volgende gebiedsspecifieke regels: Hergebruik van grond binnen het gebied (zone 1A) is zonder onderzoek op basis van de bodemkwaliteits-kaart toegestaan (binnen de kaders van het Besluit bodemkwaliteit); Aangevoerde grond van buiten het beheergebied moet voldoen aan de Achtergrondwaarden (schone grond); Aangevoerde grond van binnen het beheergebied, maar van buiten zone 1A moet voor de reguliere parameters voldoen aan de Achtergrondwaarden (schone grond). Wanneer de verdenking bestaat, ofwel uit het historisch onderzoek, ofwel uit oude bodemonderzoeken, dat de bodem verhoogde gehalten aan OCB’s bevat, moet hierop onderzocht worden. De in zone 1A toe te passen grond mag OCB’s bevatten tot maximaal klasse Industrie (conform de in zone 1A gemeten OCB-gehalten). PARK21, zone 1B Het gebied aangeduid als ‘PARK21’ is een poldergebied van ruim 1000 hectare, ingeklemd tussen Hoofddorp en Nieuw-Vennep, dat de komende jaren ingericht gaat worden als recreatief parklandschap. De basis is het agrarische polderland met de kenmerkende polderlinten en boerenerven. Daartussen komen een recreatieplas, wandel- en fietspaden, parkwegen, sportvoorzieningen en tal van recreatieve functies. Voor de realisatie van de parklaag en de leisurelaag in dit plan is circa 2,8 miljoen kubieke meter grond nodig, ter ophoging van het (deels ingeklonken) gebied en voor het realiseren van hoogteverschillen in het landschap (verhoogde parklaag). Figuur 2.2 Plangebied PARK21 (bron www.park21.info) In het Masterplan PARK21 uit 2011 [Lit. 28] is gekozen voor de hoogteverschillen in het landschap omdat deze een hogere ruimtelijke kwaliteit geven dan een vlak landschap. De gemiddelde hoogte, zoals aangenomen in het masterplan, is gedurende de onderzoeken voor het milieu-effectrapport [Lit. 29] gereduceerd tot een gemiddelde verhoging van 0,75 meter. Het is uit financieel, milieu- en hinderoogpunt niet haalbaar om de grote hoeveelheden grond conform het masterplan, destijds uitgaand van een gemiddelde ophoging van 2 meter, te verantwoorden. De bodemkwaliteit in PARK21 voldoet aan de Achtergrondwaarde. Standaard mag dan volgens de regels van het Besluit bodemkwaliteit alleen grond worden toegepast met de kwaliteit Achtergrondwaarde. Om de geplande verhogingen in het landschap te kunnen realiseren is echter niet genoeg grond van deze kwaliteit beschikbaar in het beheergebied. Aangezien de bodemfunctie van een deel van PARK21 ‘groen met natuurwaarden’ is, zou het logisch zijn om hier tevens grond met bodemkwaliteit ‘Wonen’ toe te staan. Deze bodemkwaliteit is passend bij de functie. Toepassen van grond met een slechtere kwaliteit dan de onderliggende bodem echter is alleen mogelijk binnen het gebiedsspecifieke kader en met gebiedseigen grond. Op deze manier wordt het ‘standstill-principe’ binnen een gebied gewaarborgd. Om zoveel mogelijk vrijkomende grond van de kwaliteitsklasse Wonen (o.a. vanuit woningbouwprojecten uit de omgeving) te kunnen hergebruiken in PARK21 zijn gebiedsspecifieke regels opgesteld. Voor het gebied PARK21 (zone 1B) gelden de volgende gebiedsspecifieke regels: Hergebruik van grond in de parklaag binnen het gebied van PARK21 (zone 1B) afkomstig uit de zones 1 en 2 van het beheergebied is zonder onderzoek op basis van de bodemkwaliteitskaart toegestaan (binnen de kaders van het Besluit bodemkwaliteit) en uit de andere zones na aanvullend onderzoek. Dit aanvullende onderzoek vindt plaats middels een partijkeuring, indien deze uitwijst dat de partij voldoet aan kwaliteit Wonen kan deze worden toegepast. Aanvullend geldt voor kinderspeelplekken de eis dat het gehalte aan lood in de toe te passen grond tot 0,5 meter-mv maximaal 100 mg/kg d.s. bedraagt; Zolang er op een locatie binnen zone 1B nog geen toepassingen zijn gedaan met grond van een mindere kwaliteit dan de Achtergrondwaarde (en de zone dus nog de kwaliteit AW heeft), mag deze grond vanuit deze locatie zonder onderzoek op basis van de bodemkwaliteitskaart overal vrij worden hergebruikt; Aangevoerde grond van buiten het beheergebied moet voldoen aan de Achtergrondwaarde (schone grond); Bovenstaande gebiedsspecifieke regels treden in werking gelijktijdig met het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan PARK21. Tot die tijd geldt het generieke kader (dubbele toets). Conform het generieke beleid is het toepassen van grond met de kwaliteit Industrie in PARK21 mogelijk in een Grootschalige BodemToepassing zoals wegen of geluidswal. Zie voor de zonekaart Bijlage 3A. 2.8Beleidsregel en landelijk handelingskader PFAS Gedeputeerde Staten van Noord-Holland hebben als bevoegd gezag in het kader van de Wet bodembescherming een beleidsregel opgesteld voor bodemsanering van met PFAS verontreinigde bodem [Lit. 19]. Gezien het feit dat de gemeente Haarlemmermeer bevoegd gezag is voor toepassingen van grond en baggerspecie op de landbodem op grond van het Besluit bodemkwaliteit en de zorgplicht (artikel 13 Wet bodembescherming) en het Rijk in haar beleid voor PFAS ruimte biedt voor lokale of regionale invulling, heeft de gemeente zelf een beleidsregel opgesteld. Deze beleidsregel is mede gebaseerd op het door de provincie Noord-Holland in haar provinciale Beleidsregel vastgestelde achtergrondkwaliteitsniveau en sluit aan bij de uitvoeringspraktijk. Toe te passen partijen grond en baggerspecie in de gemeente Haarlemmermeer moeten, naast de verwachte PFAS, minimaal op PFOS/PFOA worden onderzocht indien er een reële verdenking bestaat dat er PFAS in kan worden aangetroffen, die kunnen leiden tot een beperking bij het toepassen van de grond of bagger. Van een reële verdenking is in ieder geval sprake indien op een locatie PFOS- en/of PFOA-houdend blusschuim is gebruikt of gewerkt is met PFOS/PFOA, of wanneer het aannemelijk is dat de locatie door verspreiding van PFAS, anders dan de diffuse verspreiding van PFOS en/of PFOA, is belast. Op de website van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied is een kaart opgenomen met informatie over aangetroffen PFOS- en PFOA-gehalten (https://loket.odnzkg.nl/kaarten/pfos-pfoa). Deze kaart kan helpen bij het bepalen of er op een locatie mogelijk sprake is van een reële verdenking. Binnen het werkgebied van de Omgevingsdienst NZKG is met de diverse gemeenten samengewerkt aan de bepaling van regionale Achtergrondconcentratieniveau’s (ACN’
  17. s)en een regionale bodemkwaliteitskaart voor PFOS/PFOA. Het doel van dit project is het knelpunt van stagnatie in grondverzet op te lossen en een mogelijkheid te bieden om af te zien van veldonderzoek en chemische analyses. De bodemkwaliteitskaart is als appendix aan de aangepaste regionaal afgestemde beleidsregels van de diverse gemeenten gekoppeld en kan als bewijsmiddel fungeren. De komende tijd zal de dataset met PFOS/PFOA-onderzoeken verder worden uitgebreid om steeds meer inzicht te krijgen in de verspreiding en het voorkomen van deze stoffen binnen de gemeente Haarlemmermeer en daarbuiten. Voor de werkwijze, lokale normering en hoe om te gaan met toe te passen grond binnen de regio wordt verwezen naar de vigerende “Beleidsregel PFAS gemeente Haarlemmermeer [Lit. 24]. De gemeenten Aalsmeer, Amstelveen en Amsterdam hebben dezelfde beleidsregel vastgesteld [Lit. 21, 22 en 23]. In 2019 heeft het Rijk een tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie vastgesteld, welke in juli 2020 en december 2021 is geactualiseerd [Lit.20]. Dit landelijk handelingskader geldt als advies ter invulling van de zorgplicht in gemeenten die nog geen eigen beleidsregel hebben vastgesteld. De toepassingsadvieswaarden zullen na meer onderzoek door het RIVM definitief worden vastgesteld en uiteindelijk via een wijziging van de Regeling bodemkwaliteit worden opgenomen in bijlage B van deze Regeling. PFAS geldt daarna niet langer als niet-genormeerde stof. Het handelingskader, evenals de Regeling bieden de mogelijkheid om lokaal PFAS-beleid te behouden. 2.9Gebiedsspecifiek beleid voor OCB’s In de bodem van landbouwpercelen worden nog geregeld organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB’
  18. s)aangetroffen. Deze stoffen komen niet voor in het standaard stoffenpakket. Gezien het feit dat deze stoffen zeer lokaal worden aangetroffen (op sommige landbouwpercelen wel, op andere niet) is er geen sprake van een diffuse verontreiniging in het hele landbouwgebied van de gemeente Haarlemmermeer. Opname in de bodemkwaliteitskaart is om die reden niet goed mogelijk. Wanneer grond wordt ontgraven afkomstig van een landbouwperceel liggend in een vastgestelde BKK-zone en deze partij wordt elders toegepast, kan wel gebruik worden gemaakt van eventuele vrijstelling voor het doen van onderzoek voor de stoffen die opgenomen zijn in de bodemkwaliteitskaart. De toe te passen partij moet echter aanvullend op OCB’s worden onderzocht. Als de partij OCB’s bevat kan deze grond niet zonder meer elders worden toegepast. Onderzoek van de ontvangende bodem zal moeten uitwijzen of deze ook OCB’s bevat en de bodemkwaliteit door de toepassing niet verslechtert. Wanneer de ontvangende bodem OCB’s bevat, mag grond met OCB’s worden toegepast op basis van het stand-still principe. Het is niet toegestaan vervolgens grond van dezelfde klasse op basis van het standaard stoffenpakket toe te passen. Hierbij geldt de dubbele toets volgens het generieke beleidskader.5Toe te passen grond met een verhoogd OCB-gehalte (klasse Wonen of Industrie) mag worden toegepast als de ontvangende bodem in dezelfde mate met OCB is belast. Het is niet toegestaan om de ontvangende bodem te classificeren in een bodemkwaliteitsklasse op basis van OCB om er vervolgens grond met een verhoogd gehalte aan stoffen uit het standaard stoffenpakket op toe te passen. Een toepassing met grond met een verhoogd gehalte aan stoffen uit het standaard stoffenpakket moet voldoen aan de toepassingseisen volgens Tabel 2.3. Een uitzondering op de onderzoeksplicht van landbouwpercelen kan worden gemaakt wanneer uit historisch vooronderzoek (puntbronnencheck, zie par. 3.2) is gebleken dat er geen reden is om aan te nemen dat er in het verleden organochloorbestrijdingsmiddelen op het betreffende perceel zijn toegepast. 2.10Wijzigingen in de Nota Bodembeheer 2022 De volgende aanscherpingen zijn in deze Nota opgenomen ten opzichte van de vorige Nota uit 2020: In de zones 2, 3A en 3 is een maximum van 100 mg/kg ds gesteld aan het gehalte aan lood in grond die mag worden toegepast op locaties met de bodemfunctie ‘Wonen met tuin’ en ‘Plaatsen waar kinderen spelen’. Zie Tabel 2.3 in par. 2.6; In de zone 1B (PARK21) is het toepassen van grond met de kwaliteit Industrie niet meer toegestaan. De maximaal toegestane kwaliteitsklasse van de toe te passen grond is Wonen. De toepassingseis van maximaal 100 mg/kg ds aan lood in grond die wordt toegepast op kinderspeelplaatsen geldt ook in deze zone. Zie verder par. 2.7. Verder zijn enkele tekstuele wijzigingen doorgevoerd die betrekking hebben op vermelding en actualisering van literatuurverwijzingen (Masterplan PARK21, Concept Milieu Effect Rapport Park 21 en Handelingskader PFAS 2021). De bodemkwaliteitskaart 2020 is ongewijzigd gebleven en is nog tot uiterlijk mei 2025 van kracht. Eerdere aanpassing kan wellicht nodig zijn als ontwikkelingen daarom vragen. 3Wanneer moet bodemonderzoek gedaan worden? 3.1Wanneer is bodemonderzoek noodzakelijk? Er kunnen veel verschillende aanleidingen zijn om een bodemonderzoeksrapport op te (laten) stellen en ter toetsing aan het bevoegd gezag Wet bodembescherming(Wbb), Besluit bodemkwaliteit(Bbk) of Wet algemene bepalingen Omgevingsrecht(Wabo) voor te leggen. Mogelijke aanleidingen kunnen zijn: projectmatige ontgraving, funderingsherstel, nieuwbouw, verbouw, functiewijziging, herinrichting van een gebied, overdracht, starten of beëindigen bedrijfsmatige activiteiten, hergebruik/toepassen van grond of bouwstof, etc. In par. 3.5 wordt ingegaan op de toetsing van het bodemonderzoeksrapport door het bevoegd gezag Wabo. Een initiatiefnemer die in de bodem gaat werken dient bekend te zijn met de kwaliteit van de grond, of dient deze aan te tonen met een bodemonderzoek. Het bodemonderzoek wordt afgestemd op de verwachte verontreinigingen en op de voorgenomen bestemming van een locatie. Het bodemonderzoek bestaat meestal uit twee delen: een vooronderzoek (archiefonderzoek) en een verkennend bodemonderzoek (veld- en analytisch-chemisch). Mocht het vooronderzoek een locatie als onverdacht typeren, dan kan een verkennend bodemonderzoek veelal achterwege blijven. In par. 3.6 wordt dieper ingegaan op de voorwaarden voor vrijstelling van verkennend bodemonderzoek. Het zijn vooral de volgende wettelijke kaders die een bodemonderzoek vereisen: Wet bodembescherming; vaststelling van de ernst van een geval van bodemverontreiniging, van de mate van spoedeisendheid om te saneren, en van een ingediend saneringsplan; Besluit uniforme saneringen(BUS): vaststelling van de bodemkwaliteit van grond die wordt ontgraven en teruggeplaatst, of (gedeeltelijk) afgevoerd; Wabo: bodemtoets bij het aanvragen van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen), zie par. 3.5); Wabo en Besluit houdende algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit): bepaling van de bodemkwaliteit bij het oprichten en inwerking hebben van een inrichting, veranderen van een inrichting of de werking daarvan, en bij beëindiging van de inrichting. Bodemonderzoek is ook verplicht bij het beëindigen van de opslag van vloeibare brandstof, afgewerkte olie of pekel in een ondergrondse opslagtank; Besluit bodemkwaliteit: vaststelling van de bodemkwaliteit waarop (of waarin) grond/baggerspecie wordt toegepast en vaststelling van de milieuhygiënische kwaliteit van de grond/bagger die wordt toegepast; Wet Ruimtelijke Ordening: beoordeling of de bodem geschikt is voor de gewenste ontwikkeling en om na te gaan of bodemverontreiniging de (financiële) haalbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg staat; Privaatrecht: aan/verkoop van een terrein, eventuele erfpachtuitgifte, ARBO-regelgeving. Wanneer bodemonderzoek (mede) wordt uitgevoerd in het kader van de bevoegdheid van een ander orgaan dan de gemeente Haarlemmermeer, dient in dat kader (tevens), naast de geldende wet- en regelgeving, rekening gehouden te worden met werkwijzen en richtlijnen van dat bevoegd gezag. Een voorbeeld is de “Werkwijzer Bodemsanering; Aanpak van bodemsanering in Noord-Holland” voor de bevoegdheden van de provincie Noord-Holland. 3.2(Historisch) vooronderzoek Voorafgaand aan graafwerkzaamheden in de bodem moet een (historisch) vooronderzoek (archiefonderzoek) worden uitgevoerd. Daarmee wordt nagegaan of er bodembedreigende activiteiten op of in de onmiddellijke nabijheid van de onderzoekslocatie hebben plaatsgevonden of plaatsvinden die de locatie met een of meer stoffen kunnen hebben verontreinigd. Daarnaast worden gegevens verzameld over de bodemkwaliteit op en in de onmiddellijke nabijheid van de locatie. Het vooronderzoek beantwoordt de vraag of sprake is van een verdachte locatie en, zo ja, doet een aanbe¬veling over een uit te voeren fysiek bodemonderzoek. Het vooronderzoek moet zijn gebaseerd op de NEN5725 ‘Bodemrichtlijn voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend, oriënterend en nader onderzoek’ [Lit. 9]. Een locatie is onder meer verdacht wanneer sprake is van (een van) de volgende situatie(s): Uit het (historisch) vooronderzoek blijkt dat er sprake is (geweest) van bodembedreigende activiteiten; Bij eerder bodemonderzoek zijn matige tot sterke verontreinigingen aangetroffen die niet geheel in kaart zijn gebracht (afgeperkt); Er is op de locatie een puinverharding aanwezig waarvan geen certificaten zijn; De locatie is asbestverdacht; De locatie betreft het erf van een oude (voormalige) boerderij of een oude polderwoning; Er is sprake van een dam of een demping. In het (historisch) vooronderzoek moet ook specifiek aandacht worden besteed aan asbest. Bij asbestverdachte locaties moet bij het (historisch) vooronderzoek tevens rekening gehouden worden met de vereisten uit de NEN5707 [Lit. 11]. De puntbronnencheck: beknopt vooronderzoek bij BKK-ontgravingen en -toepassingen6BKK = Bodemkwaliteitskaart Een beknopt vooronderzoek (archiefonderzoek) is noodzakelijk bij het voornemen om grond te ontgraven/toe te passen met de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel. Deze ‘puntbronnencheck’ mag eenvoudig van opzet zijn, want de globale bodemkwaliteit van het herkomstgebied (bodemkwaliteitskaart) is immers al bekend. De puntbronnencheck kijkt alleen of er aanvullende gegevens bestaan over een brongerelateerde verontreiniging ter plaatse van de herkomstlocatie. Zo nee, dan is de herkomstlocatie niet ‘verdacht’ en mag worden aangenomen de bewuste partij grond inderdaad overeenkomt met de bodemkwaliteit zoals weergegeven in de bodemkwaliteitskaart. Ook de toepassingslocatie moet langs dezelfde redenering op een eventuele brongerelateerde verontreiniging worden onderzocht. De puntbronnencheck bestaat uit 3 onderdelen: Een check in welke BKK-zone het graafwerk en de toepassing van grond plaatsvindt (hierbij moet ook aandacht worden besteed aan het eventueel voorkomen van specifieke stoffen zoals OCB’s (zie ook par. 2.8); Opvragen van Nazca-informatie (via de Rapportagemodule www.odnzkg.nl: via Kaarten naar bodeminformatiekaart) over bodemonderzoeken met conclusies, asbestonderzoeken, historische bedrijfsactiviteiten, ondergrondse tanks; Nagaan van historische dempingen en ophogingen ter plaatse van de herkomst- en toepassingslocatie. Als de puntbronnencheck geen verdenking oplevert mag de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel worden gebruikt en hoeft geen bodemonderzoek te worden uitgevoerd. De check kan in een briefrapport worden verantwoord. Leidt de check wel tot een verdenking, bijvoorbeeld vanwege de kans op verhoogd asbest, dan moet eerst een bodem- of asbestonderzoek (NEN5707) worden uitgevoerd. De puntbronnencheck is een verplicht onderdeel van de BKK-melding als men grond wil ontgraven en/of toepassen met de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel. 3.3Verkennend onderzoek (NEN 5740) In de gemeente Haarlemmermeer wordt een bodemonderzoek uitgevoerd volgens NEN5740-strategieën voor onverdachte locaties en heterogeen verdachte locaties. Het analysepakket bestaat uit het standaardpakket landbodem en grond en grondwater overeenkomstig de NEN5740, aangevuld met chloride bij toepassing van grond van buiten de polder Haarlemmermeer. Toepassingen met chloridehoudende grond moeten gereguleerd worden door de toenemende verzilting in het gebied (zie ook par. 4.9). PFOS/PFOA Het is niet toegestaan grond waarvoor een reële verdenking bestaat op de aanwezigheid van PFOS/PFOA in de regio toe te passen, behalve als op PFOS/PFOA is onderzocht en de grond aan de toepassingseis voldoet. Van een reële verdenking is in ieder geval sprake, indien op een locatie of in een gebied PFAS-houdend blusschuim is gebruikt, PFAS-houdende producten zijn verwerkt of het aannemelijk is dat door verspreiding door lucht of water dan wel toepassing van grond en bagger een belasting met PFAS is ontstaan. Omdat er verschillende bronnen van PFAS kunnen zijn, is de verdenking ruim geformuleerd. De verdenking omvat ook verspreiding via PFAS-houdende bagger op oevers. Zie par. 2.7 voor een verwijzing naar de beleidsregels en het landelijk handelingskader. Arseen in grondwater In de Nederlandse kustprovincies komen gebieden voor waarin als gevolg van natuurlijke (fysische en chemische) processen arseenconcentraties verhoogd in het grondwater voorkomen. Ook in Haarlemmermeer worden in het diepe en ondiepe grondwater regelmatig verhoogde concentraties arseen aangetroffen, die frequent de streefwaarde en plaatselijk zelfs de interventiewaarde overschrijden. Hierbij is het relevant of de verhoogde concentratie arseen in het grondwater een natuurlijke of antropogene herkomst heeft. Ook kan hierdoor de bodem en/of bagger ter plaatse zijn verontreinigd met arseen. Zijn er geen aanwijzingen dat er sprake is van een antropogene oorsprong dan is ingrijpen niet nodig. Bij grondverzet van arseenhoudend materiaal, waarbij onder grondwaterniveau wordt gewerkt, dient men ongeacht welke oorsprong, alert te zijn op blootstellingsrisico’s (hogere veiligheidsklasse (zie ARBO-regelgeving)). Geldigheidstermijn bodemonderzoeken De geldigheidstermijn voor bodemonderzoeken is in principe 5 jaar. Wanneer er sprake is van mobiele stoffen bedraagt de geldigheidstermijn in principe 2 jaar. Het bevoegd gezag staat het indienen van een ouder onderzoek soms wel toe. Voorwaarde is dat men kan aantonen dat er in de tussentijd geen verontreiniging is toegevoegd (bij immobiele stoffen), of bodemrapporten kan overleggen waaruit blijkt dat er sprake is van een stabiele situatie (bij mobiele stoffen). 3.4Asbest in bodem en partijen grond Bodemonderzoek en de bepaling van de kwaliteit van een partij grond moet rekening houden met asbest. Het asbestgehalte in grond mag immers niet boven de landelijke norm van 100 mg/kg droge stof uitkomen. Voor kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuinen mag asbest zelfs analytisch niet aantoonbaar aanwezig zijn. Asbestonderzoek wordt volgens de volgende NEN-normen uitgevoerd: NEN5740 (bodemonderzoek), [Lit. 10]; NEN5707 (Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond), [Lit. 11]; NEN5896 (Kwalitatieve analyse van asbest in materialen met polarisatiemicroscopie of scanning electronenmicroscoop), [Lit. 12]; NEN5897 (Asbest in puin), [Lit. 13]. In deze paragraaf worden voor asbest enkele bijzondere situaties behandeld en hoe men daarin dient te handelen. In aanvulling daarop behandelt Bijlage 8 de volgende situaties: Niet boven de norm verontreinigde asbesthoudende grond (<100 mg/kg gewogen gehalte droge stof); Bodemonderzoek bij asbest op het maaiveld; Onderzoek bij asbest in de bodem; Onvolledig onderzoek; Onverwachts aantreffen asbestverdacht materiaal; Vrijstelling fysiek bodemonderzoek bij asbest in puinhoudende grond. Vooronderzoek en de relatie tussen puin en asbest In november 2016 stelde de Raad van State dat wanneer op een locatie puin(resten) aanwezig zijn, de locatie als asbestverdacht moet worden beschouwd [Lit. 7]. Vanwege deze uitspraak heeft de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) aandacht gevraagd voor onderzoek op asbest bij partijkeuringen en bodemonderzoek waarbij puin wordt aangetroffen. Daarnaast is in oktober 2017 een update van de NEN5725 – strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek [Lit. 9] verschenen. Daarin staan richtlijnen voor het doen van vooronderzoek naar asbest. Elk vooronderzoek moet voortaan een onderbouwde uitspraak bevatten of een locatie asbestverdacht is of niet. In bijlage A van de norm zijn hiervoor handvatten te vinden. Een locatie kan bijvoorbeeld als asbestverdacht worden beschouwd vanwege: Bedrijfsmatige activiteiten (asbestcementfabrieken, scheepswerven, producenten kolenkachels en elektrische apparaten, stortplaatsen); Gebruik van de bodem (beschoeiing watergangen, sloopresten van kassen); Aanwezigheid van asbestverdacht materiaal op of in de bodem (halfverhardingslaag van weg, parkeerplaats). Volgens de norm is puin in principe asbestverdacht, tenzij het puin: Asfalt, bakstenen, dakpannen, cement, klinkers/straatstenen, trottoirbanden of historisch puin betreft. Deze puinsoorten worden tot de categorie ‘niet asbest verdacht’ gerekend; Geproduceerd is vóór 1945 of ná 1998; Geproduceerd is onder vastgestelde certificering. Als het vooronderzoek uitwijst dat een locatie asbestverdacht is, dan moet een fysiek bodemonderzoek worden uitgevoerd volgens NEN5707 – inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond [Lit. 11]. Vanaf 1 juli 1993 gold in Nederland een totaalverbod op het gebruik van asbesthoudende materialen. Bouwwerken ouder dan deze datum moeten worden beoordeeld op het gebruik (en de bewerking van) asbesthoudende bouwmaterialen en de mogelijkheid van lokale beïnvloeding van de bodem of de partij grond. In dat vooronderzoek wordt het bouwarchief geraadpleegd, eventuele resultaten van een asbestinventarisatie van het bouwwerk en indien raadpleegbaar het Landelijk Asbest Volg Systeem (LAVS). Enkele partijen in het landelijke bodemwerkveld waren echter kritisch over het uitgangspunt dat de aanwezigheid van puin in de bodem goed kan voorspellen of er ook asbest in de bodem of in een partij grond zal worden aangetroffen. Er zou onvoldoende informatie zijn over deze relatie. In 2017 is daarom een grootschalig landelijk onderzoek gedaan naar de relatie tussen puin in de bodem en de verdenking op asbest [Lit. 18]. Het onderzoek werd begeleid door organisaties uit het werkveld (overheden, waaronder ODNZKG, adviesbureaus, aannemers). In totaal hebben 49 partijen gegevens van asbestonderzoek aangeleverd voor een database van 12.000 records. Met die database deed TNO vervolgens statistisch onderzoek naar de relatie puin en asbest [Lit. 18]. Daaruit bleek het volgende: De database heeft voldoende geografische dekking en is representatief voor Nederland; Er wordt significant meer asbest aangetroffen op puinverdachte locaties dan op onverdachte locaties; De aanwezigheid van asbest is gerelateerd aan bouw- en sloopafval (BSA), gemengd puin, betonpuin en metselpuin; Op locaties met sporen (< 1 gewichtsprocent) van puin in de bodem wordt vaker asbest aangetroffen dan op onverdachte locaties; In landelijk gebied wordt meer asbest aangetroffen dan in stedelijk gebied; De resultaten voor de verdachte puintypen zijn grotendeels in overeenstemming met de NEN5725. Hierin zou alleen metselpuin nog als potentieel verdacht moeten worden toegevoegd. Mogelijk komt er nog een aanvulling op dit TNO-rapport, dat zou kunnen leiden tot gebiedsspecifiek asbestbeleid voor de regio. Onderzoek bij asbest in of op het maaiveld In de praktijk doen zich regelmatig situaties voor waarin asbesthoudend of asbestverdacht materiaal in of op het maaiveld wordt aangetroffen. Dit leidt dan tot discussie of er alleen sprake is van onderzoek/vrijgave in het kader van het Asbestverwijderingsbesluit of dat ook asbestonderzoek in de grond moet plaatsvinden en op welke wijze. Dergelijke situaties worden in Bijlage 8 beschreven en behandeld. 3.5Bodemonderzoek bij omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen en voor milieu-inrichtingen Bouwen Het indienen van een bodemonderzoeksrapport bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is in principe verplicht als er (nagenoeg) voortdurend mensen in het bouwwerk verblijven (bijvoorbeeld een kantoor of woning), en: Het bouwwerk de grond raakt (nieuwbouw op/onder het maaiveld, realiseren van een kelder) of Het gebruik wijzigt naar een gevoeliger gebruik (bijvoorbeeld opslagruimte wordt kinderdagverblijf). Bij een bouwaanvraag kan het gaan om nieuwbouw en bestaande bouw (verbouwing). Als het bouwwerk naar aard en omvang gelijk is aan een vergunningsvrij bouwwerk, dan hoeft er geen bodemonderzoeksrapport te worden ingediend. Een bodemonderzoeksrapport is evenmin vereist als er al voldoende bodemgegevens beschikbaar zijn. Er kan wel een bodemonderzoek nodig zijn voor het bepalen van eisen aan de verwerking van vrijkomende grond. In Figuur 3.1 is schematisch aangegeven wanneer een bodemonderzoeksrapport bij de bouwaanvraag vereist is. Bij nieuwbouwprojecten en/of functiewijzigingen naar gevoeliger gebruik (bijvoorbeeld van kantoorpand naar wonen met tuin) waar geen sprake is van humane risico’s, maar de bodem niet voldoet aan de norm voor duurzame geschiktheid, adviseert de gemeente Haarlemmermeer de initiatiefnemer om bij de (her)ontwikkeling van de locatie de grond geschikt te maken voor de beoogde functie. Dit is geen vereiste, echter de grond mag zintuiglijk geen mobiele verontreinigingen bevatten (oliegeur o.i.d.). Op basis van het bodemonderzoekrapport (of andere gegevens) bij de vergunningaanvraag stelt het bevoegd gezag in de omgevingsvergunning of er een redelijk vermoeden bestaat van ernstige bodemverontreiniging. Mocht dat het geval zijn, dan treedt de omgevingsvergunning pas in werking (volgens artikel 6.2c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) nadat: Het bevoegd gezag Wbb in een beschikking vaststelt dat er geen sprake is van een geval van ernstige verontreiniging waarvoor spoedige sanering noodzakelijk is en het desbetreffende besluit in werking is getreden; of Het bevoegd gezag Wbb in een beschikking akkoord gaat met een saneringsplan en het desbetreffende besluit in werking is getreden; of Een geldige (complete) BUS-melding is ingediend bij de Omgevingsdienst NZKG, die voldoet aan het Besluit uniforme saneringen en de termijn waarna men mag starten is verstreken. Zodra aan één van de drie bovenstaande mogelijkheden is voldaan, kan de omgevingsvergunning (voor wat betreft de bodem) in werking treden. Figuur 3.1Bodemonderzoeksplicht bij de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen (bouwaanvraag) Onderzoeksverplichting milieu-inrichtingen Het Besluit algemene regelsvoor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit) bevat algemene milieuregels voor inrichtingen (bedrijven). Met uitzondering van de inrichtingen met gpbv-installaties7Hiermee wordt een Integrated Pollution, Prevention and Control (IPPC)-installatie bedoeld. In Nederlandse bewoordingen betekent dit geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging, vandaar gpbv. vallen alle milieu-inrichtingen geheel of gedeeltelijk onder dit besluit. In artikel 2.11 van het Activiteitenbesluit is aangegeven wanneer onderzoek moet worden uitgevoerd naar de kwaliteit van de bodem. Er is een drietal momenten aan te wijzen wanneer een bodemonderzoek verplicht is. Wanneer een inrichting wordt opgericht en binnen die inrichting bodembedreigende activiteiten worden uitgevoerd (binnen 3 maanden na oprichting, opzet voor nulsituatie-onderzoek is te vinden in NEN-5740); Wanneer een inrichting of activiteit binnen een inrichting zodanig wijzigt dat de actuele bodemkwaliteit bekend moet zijn, kan het bevoegd gezag een bodemonderzoek eisen (bevoegd gezag legt dat dan via een maatwerkvoorschrift op); Wanneer een inrichting wordt beëindigd, of na beëindiging van het opslaan van vloeibare brandstof, afgewerkte olie of pekel in een ondergrondse opslagtank (binnen 6 maanden na beëindiging). De onderzoeken en rapporten moeten worden uitgevoerd/opgesteld door een persoon of een instelling die daartoe beschikt over een erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit. Ook in een omgevingsvergunning kunnen voorschriften met betrekking tot het uit te voeren bodemonderzoek worden opgenomen. Daarnaast bepaalt artikel 4.3 van de Regeling omgevingsrecht dat de aanvrager van een omgevingsvergunning voor een inrichting, in of bij de aanvraag de resultaten verstrekt van een onderzoek naar de kwaliteit van de bodem op de plaats waar de inrichting zal zijn of is gelegen. Herstelplicht bodem Wanneer uit een bodemonderzoek blijkt dat de bodem als gevolg van de activiteiten binnen de inrichting is gewijzigd ten opzichte van de kwaliteit van de bodem bij de oprichting of de verandering van de inrichting, dan moet de bodemkwaliteit op grond van het Activiteitenbesluit binnen zes maanden worden hersteld. Een vergelijkbare verplichting kan ook zijn opgenomen in een omgevingsvergunning voor inrichtingen die niet onder het Activiteitenbesluit vallen. 3.6Uitzonderingen op de bodemonderzoeksplicht Ontgraven en toepassen van grond op basis van de bodemkwaliteitskaart In sommige gevallen kan de bodemkwaliteitskaart dienen als wettelijk bewijsmiddel voor de grond die wordt ontgraven en toegepast en is het niet nodig een verkennend bodemonderzoek of partijkeuring uit te voeren. Dergelijk grondverzet (zonder bodemonderzoek) is alleen mogelijk wanneer de puntbronnencheck geen aanleiding heeft gegeven de locatie van herkomst en/of de locatie van toepassing als ‘verdacht’ te bestempelen. Soms wijst de puntbronnencheck uit dat aanvullend bodemonderzoek nodig is naar verdachte stoffen die geen onderdeel uitmaken van de bodemkwaliteitskaart. BKK-zones 1, 2, 3A en 3 Zone 1-grond mag altijd zonder bodemonderzoek, op basis van de bodemkwaliteitskaart worden ontgraven en toegepast, mits het een nuttige toepassing betreft. Voor toepassen is altijd een melding Besluit bodemkwaliteit vereist, ongeacht de hoeveelheid (zie Tabel 7.1 Meldingsplicht Bbk, par 7.2). Het ontgraven van grond in zone 2, 3A en 3 kan plaatsvinden op basis van de bodemkwaliteitskaart. In principe is een melding op grond van artikel 28 Wbb vereist indien meer dan 50 m3 wordt ontgraven, tenzij tevens sprake is van een melding Besluit bodemkwaliteit voor het toepassen van die gehele hoeveelheid grond binnen de regio. In dat laatste geval kan de melding artikel 28 Wbb achterwege blijven. Zie ook par 7.3 Melden. De vrijstelling voor het uitvoeren van een partijkeuring bij het toepassen van grond afkomstig uit zone 2, 3A en 3 geldt alleen wanneer de 80-percentielwaarden van de zone van herkomst (ontgraving) voldoen aan de toepassingseisen voor de betreffende bodemfunctie in de zone van toepassing. Of dit het geval is, is af te lezen in de toepassingsmatrix (zie par. 4.5), groen vakje. De toepassing moet gemeld worden op grond van het Besluit bodemkwaliteit. Ontheffing bodemonderzoeksplicht bij een aanvraag Omgevingsvergunning (activiteit bouwen) Bij een aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen moet in de meeste gevallen een bodemonderzoek worden ingediend op grond van artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht. Er is een aantal algemene uitzonderingen op deze onderzoeksplicht, die reeds in par 3.5 zijn beschreven. Daarnaast kan de gemeente op grond van artikel 2.1.5. 3e lid van de Bouwverordening besluiten af te wijken van de verplichting tot het indienen van een verkennend onderzoek in het kader van de Wet Algemene BepalingenOmgevingsrecht art. 6.2.c. in het geval er voldoende bruikbare informatie beschikbaar is om de bodemtoets uit te voeren. 3.7Bodemonderzoek bij werken in de openbare weg Bij herprofileringen, werk aan kabels en leidingen en andere werkzaamheden aan de openbare weg komen vaak zand en funderingsmateriaal vrij. Het funderingsmateriaal kan bestaan uit allerlei soorten steenachtig materiaal, van puinhoudende grond tot hoogovenslakken. In feite wijken zowel de opbouw als de samenstelling van het wegprofiel dermate af van de omgeving dat de bodemkwaliteitskaart niet representatief is voor de openbare weg. Bij graafwerk in de openbare weg is een indicatief bodemonderzoek noodzakelijk (behalve als er al een representatief bodemonderzoek aanwezig is). Hierbij moet ook rekening worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van asbest (bijv. bij aantreffen van puin). Een uitzondering hierop vormen openbare wegen en wegbermen binnen de bebouwde kom van zone 1, grond afkomstig uit deze wegen/wegbermen mag overal vrij worden toegepast, zonder onderzoek, dus ook in de openbare weg. Oude polderwegen Polderwegen of polderlinten zijn van oudsher aanwezige ontsluitingswegen in de gemeente. Onder de polderlinten verstaan we alle noord-zuidwegen en oost-westwegen in de droogmakerij Haarlemmermeer en alle dijken en wegen in de veenweidegebieden in zowel de noordelijke polders als de wegen die bij het oude land hoorden, maar na droogleggen van het Haarlemmermeer binnen de Ringvaart zijn komen te liggen. Historie van het onderhoud van oude polderwegen buiten de bebouwde kom is zeer summier aanwezig. Daarom moet hier altijd bodemonderzoek (en afhankelijk van het aangetroffen materiaal (zoals puin) ook asbestonderzoek) worden gedaan voordat werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd, ook vanwege de aanvullingen in het verleden met asbesthoudend materiaal. 3.8Welk soort onderzoek is noodzakelijk in welke situatie Omdat het in sommige gevallen niet altijd duidelijk is wanneer de bodemkwaliteitskaart gebruikt mag worden als bewijsmiddel voor de kwaliteit van de bodem of dat er een bodemonderzoek (NEN5740) of partijkeuring moet worden uitgevoerd, zijn de meest voorkomende scenario’s wat betreft graafwerk en toepassen van grond op een rijtje gezet in Tabel 3.1. Tabel 3.1Scenario’s (graafwerk of toepassen) waarbij de bodemkwaliteitskaart kan worden gebruikt of een bodemonderzoek (NEN5740) of partijkeuring moet worden uitgevoerd Scenario Gebruik BKK mogelijk (met puntbronnencheck) NEN5740-onderzoek vereist Partijkeuring vereist (protocol 1001, art. 4.3.3. Regeling bodemkwaliteit) Omgevingsvergunning: Aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen Nee Ja - Graafwerkzaamheden: Graafwerk in zone 1, 2, 3A of 3 Ja Nee - Graafwerk in niet-gezoneerde gebieden (grijze vlakken) Nee Ja (check tevens evt saneringsplan) - Graafwerk in de openbare weg Nee Ja - Graafwerk in de openbare weg binnen bebouwde kom zone 1 Ja Nee - Toepassen: Toepassen grond uit zones 1, 2, 3A of 3 binnen de gemeente Haarlemmermeer; Toepassing is toegestaan volgens BKK-toepassingsmatrix Ja Nee Nee Toepassen grond uit zones 1, 2, 3A of 3 binnen de gemeente Haarlemmermeer; Toepassing is niet toegestaan volgens BKK-toepassingsmatrix Nee Nee Ja Toepassen grond uit de openbare weg binnen de bebouwde kom van zone 1 Ja Nee Nee Toepassen grond uit een gebied met te weinig gegevens (grijze vlakken ) Nee Ja (voor graafwerk) Ja (daarna toets op toepasbaarheid)** De ontvangende bodem valt niet in een vastgestelde BKK-zone (grijze vlakken) Nee Ja (check tevens evt saneringsplan) - Toepassen grond van buiten de gemeente Haarlemmermeer (regio Amstelland en Meerlanden of Amsterdam*); Toepassing is toegestaan volgens toepassingseis Ja, indien toepassing is toe-gestaan met BKK van Haar-lemmermeer of Amsterdam - Nee Toepassen grond van buiten de gemeente Haarlemmermeer (regio Amstelland en Meerlanden of Amsterdam*); Toepassing is niet toegestaan volgens toepassingseis Nee - Ja (daarna toets op toepasbaarheid)** Toepassen grond van buiten de gemeente Haarlemmermeer (niet zijnde regio Amstelland en Meerlanden of Amsterdam) Nee - Ja (daarna toets op toepasbaarheid)** indien vastgesteld en geaccepteerd door gemeente Haarlemmermeer; zie voor de toepassingseisen Tabel 2.3. In Tabel 3.2 staan diverse scenario’s beschreven welk onderzoek moet worden uitgevoerd indien er een onverwachte situatie optreedt en de bodemkwaliteitskaart mogelijk niet gebruikt kan worden. Tabel 3.2Scenario’s waarin een onverwachte situatie optreedt waarbij de bodemkwaliteitskaart mogelijk niet gebruikt kan worden en een bodemonderzoek (NEN5740) of partijkeuring moet worden uitgevoerd Scenario Gebruik BKK mogelijk (met puntbronnencheck) NEN5740-onderzoek vereist Partijkeuring vereist (protocol 1001, art. 4.3.3. Regeling bodemkwaliteit) Er is een verkennend onderzoek uitgevoerd op de ontgravingslocatie (NEN5740) en de uitkomst komt niet overeen met de BKK-klasse Ja, indien uitkomst valt binnen de statistische variatie van de betreffende zone en ligt beneden de interventiewaarde - - Er is een partijkeuring uitgevoerd op de ontgravings-locatie en de uitkomst komt niet overeen met de BKK-klasse Nee - Partijkeuring is leidend Uit vooronderzoek/puntbronnencheck op de ontgravingslocatie blijkt dat sprake is van een verdachte locatie (betr. voornemen om de ontgraven grond elders toe te passen) Nee - Ja, verdachte stoffen meenemen (daarna toets op toepasbaarheid) Tijdens graafwerk wordt een onverwachte veront-reiniging aangetroffen (bijv asbest, minerale olie) Deels (onverdachte deel) Ja, op verdachte deel Nee 3.9Arbeidsomstandigheden Voor het bepalen van bodemgerelateerde ARBO risico’s moet vanaf 2019 gebruik worden gemaakt van de CROW-400 Werken in en met verontreinigde bodem, die verontreinigingen toetst aan de zogeheten SRC-Arbo (Serious Risk Concentration). Daarbij accepteert CROW 400 ook publiekrechtelijke bodemkwaliteitskaarten om de noodzaak van veiligheidsmaatregelen te bepalen. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de statistische P80-waarde8Gekozen waarde in een dataset, zodanig dat 80% van de data kleiner of eraan gelijk is en 20% groter of eraan gelijk. van bodemkwaliteitskaartzones. De P80-waarde van de bodemkwaliteitskaart is opgenomen in de tabellen in Bijlage 5. Voorafgaand aan gebruik van de bodemkwaliteitskaart in dit kader is het uitvoeren van de puntbronnencheck noodzakelijk (zie par. 3.2). 3.10Niet genormeerde stoffen Voor stoffen die in bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit [Lit. 2] zijn opgenomen zijn normen vastgesteld waarmee beoordeeld kan worden of een bepaald gehalte hoger is dan normaal en of dat consequenties heeft. Dat geldt in ieder geval voor alle stoffen die in een standaard onderzoek worden meegenomen. Toch is het aantal stoffen waar geen normen voor zijn vele malen groter. En ook deze niet genormeerde stoffen zullen in de bodem voorkomen, vaak in combinatie met wel genormeerde stoffen. Niet genormeerde stoffen worden zelden in een onderzoek meegenomen en daarom weten we ook weinig over het voorkomen ervan. Dat is niet altijd erg omdat stoffen vaak in combinatie voorkomen en het standaard onderzoekspakket de meest voorkomende en risicovolle stoffen bevat. Als de bodem met het standaardpakket is onderzocht en niet of nauwelijks verontreinigd blijkt te zijn, mag in de meeste gevallen worden aangenomen dat er ook geen andere risicovolle verontreinigingen aanwezig zijn. Er zijn echter uitzonderingen. Bronlocaties Bij een vooronderzoek op een bedrijfslocatie moet bekeken worden met welke stoffen is gewerkt en of die mogelijk in de bodem terecht zijn gekomen. De bodem zal op deze stoffen moeten worden onderzocht. Als de stoffen worden aangetroffen zal de aard en omvang van de verontreiniging moeten worden onderzocht en moet een risico-inschatting worden gemaakt op basis van de wel bekende gegevens. Dat is onderdeel van het nader onderzoek. Uiteindelijk bepaalt het bevoegd gezag (de Omgevingsdienst NZKG) of de verontreiniging gesaneerd moet worden. Zo nodig wordt het RIVM voor advies ingeschakeld. 4Toepassen van grond en bagger Een partij grond of baggerspecie mag volgens de regels van het Besluit bodemkwaliteit alleen worden toegepast als sprake is van een nuttige toepassing. Anders wordt de toepassing gezien als storten van afval en gelden strengere regels op grond van de afvalstoffenwetgeving (Wet Milieubeheer). In het Besluit staat aangegeven (artikel 35) welke toepassingen als ‘nuttig’ worden aangemerkt (zie ook de Nota van Toelichting Bbk). 4.1Milieuhygiënische kwaliteitsverklaring Toepassen van schone grond met een erkende kwaliteitsverklaring Grond die voldoet aan de Achtergrondwaarde (volgens art 4.2.2, lid 4 en 5 van de Regeling bodemkwaliteit) wordt aangeduid met de term “schone grond”. Deze kan altijd worden toegepast, mits er sprake is van een nuttige toepassing (art. 5, lid 1 Besluit bodemkwaliteit) en deze toepassing wordt gemeld. Het kwaliteitsbewijs van de schone grond is een erkende kwaliteitsverklaring conform het Besluit bodemkwaliteit. Een bodemkwaliteitskaart geldt niet als een bewijsmiddel om een partij grond het predicaat “schone grond”, zoals bedoeld in de Regeling, te geven. Toepassen van licht verontreinigde grond met een erkende kwaliteitsverklaring Een toe te passen partij licht verontreinigde grond kan voorzien zijn van een erkende kwaliteitsverklaring conform het Besluit bodemkwaliteit, zoals een partijkeuring of een fabrikant-eigenverklaring. In dat geval gaat deze milieuhygiënische kwaliteitsverklaring boven de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel, omdat deze een meer nauwkeurige uitspraak doet over de kwaliteit van de betreffende partij grond. Toepassen van grond met de bodemkwaliteitskaart als kwaliteitsverklaring De bodemkwaliteitskaart van de gemeente Haarlemmermeer kan als milieuhygiënische verklaring worden gebruikt bij toepassen van grond in het eigen beheergebied. Het eigen beheergebied is Haarlemmermeer, Amsterdam en de gemeenten in de regio Amstelland en Meerlanden (Aalsmeer, Amstelveen, Diemen, Ouder-Amstel en Uithoorn). De bodemkwaliteitskaarten van deze gemeenten zijn alle op dezelfde manier opgesteld. Voor toepassing van grond uit Haarlemmermeer in een andere gemeente moet de kaart van de gemeente Haarlemmermeer door het betreffende bevoegd gezag erkend zijn als bewijsmiddel of moet een andere erkende milieuhygiënische verklaring worden gebruikt. De bodemkwaliteitskaart kan worden gebruikt als milieuhygiënische verklaring als de volgens de kaart vastgestelde kwaliteit in de herkomstzone voldoet aan de toepassingseis in de toepassingszone. In de gemeente Haarlemmermeer geldt de P80 als de gehanteerde kwaliteit van de zone van herkomst (Ontgravingskaart, Bijlage 3C) die is getoetst aan de toepassingseis in de zone van toepassing (Toepassingskaart, Bijlage 3D). De gestelde toepassingseis per zone en bodemfunctie kan afgelezen worden in de toepassingsmatrix (zie Tabel 4.3). Grond afkomstig vanuit de niet-ingedeelde gebieden (waar te weinig gegevens zijn) mag nooit zonder partijkeuring worden hergebruikt. Grond afkomstig van zone 1 mag overal binnen de gemeente Haarlemmermeer zonder bodemonderzoek worden toegepast, mits het vooronderzoek of puntbronnencheck geen aanleiding geeft de herkomst- en toepassingslocatie als ‘verdacht’ aan te merken. Bodemkwaliteitskaarten van andere gemeenten De gemeente Haarlemmermeer erkent de bodemkwaliteitskaart van de regio Amstelland en Meerlanden en de gemeente Amsterdam als bewijsmiddel. Dit betekent dat grond vanuit Amsterdam en vanuit de regio Amstelland en Meerlanden op basis van de bodemkwaliteitskaart mag worden aangewend wanneer aan de toepassingseis wordt voldaan. 4.2Toetsingsregels en omrekening naar standaardbodem Toetsingsregel Achtergrondwaarden Vanwege statistische keuzes bij het afleiden van de Achtergrondwaarden is er bij onbelaste bodems toch altijd een kleine kans (5%) dat de Achtergrondwaarden worden overschreden. Deze kans neemt toe naarmate er meer stoffen worden geanalyseerd. Om te voorkomen dat onbelaste bodems ten onrechte worden gekarakteriseerd als bodem die niet voldoet aan de Achtergrondwaarden, wordt een toetsingsregel (overschrijdingsregel) toegepast. Deze toetsingsregel is terug te vinden in de Regeling bodemkwaliteit (art. 4.2.2, 4e, 5e en 8e lid) en luidt als volgt: De kwaliteit van grond en baggerspecie overschrijdt niet de Achtergrondwaarden als bij meting van ten minste X stoffen* in de grond of baggerspecie de rekenkundig gemiddelde gehalten van maximaal Y stoffen verhoogd zijn ten opzichte van de Achtergrondwaarden (zie Tabel 4.1). De verhoging mag per stof maximaal 2x de Achtergrondwaarde voor die stof bedragen, waarbij voor alle stoffen geldt dat de verhoogde gehalten kleiner zijn dan of gelijk zijn aan de Generieke Maximale Waarden voor de klasse Wonen van de betreffende stof. Alleen voor Nikkel hoeft bij deze toetsingsregel niet aan de Generieke Maximale Waarde voor de klasse Wonen maar uitsluitend aan 2x de Achtergrondwaarde getoetst te worden. Tabel 4.1X- en Y-waarden bij de toetsingsregel van de Achtergrondwaarden en van de bodemkwaliteitsklasse Wonen X* 2 7 16 27 37 Y 1 2 3 4 5 Het aantal toetsbare gemeten stoffen (bijv. de meting van som PAK 10 wordt als één meting geteld) De toetsingsregel geldt zowel voor de toetsing van de kwaliteit van een toe te passen partij grond of baggerspecie als ook voor de ontvangende bodem (zie art. 4.10.2 van de Regeling bodemkwaliteit). Toetsingsregel Wonen Uitgangspunt bij de indeling in kwaliteitsklassen van de ontvangende bodem, is dat de rekenkundige gemiddelden van de gemeten stoffen moeten voldoen aan de Maximale Waarden die horen bij de klassegrenzen van de klassen Wonen en Industrie. Hierop is één uitzondering, namelijk voor het indelen van een bodemkwaliteitszone of een toepassingslocatie in de bodemkwaliteitsklasse Wonen. Hiervoor geldt een bijzondere toetsingsregel. Hiermee wordt voorkomen dat een gebied of zone op basis van de overschrijding van één parameter wordt ingedeeld in de bodemkwaliteitsklasse Industrie. Dit zou in de praktijk de ongewenste situatie kunnen opleveren dat ook voor alle overige stoffen minder strenge eisen gelden en de concentraties kunnen toenemen tot de maximale waarde Industrie, waardoor de kwaliteit van het gebied verslechtert. Deze toetsingsregel is opgenomen in artikel 4.10.2 van de Regeling bodemkwaliteit en luidt als volgt: De kwaliteit van de bodem overschrijdt niet de Maximale Waarden voor de kwaliteitsklasse Wonen wanneer bij meting van ten minste X stoffen maximaal Y stoffen verhoogd zijn ten opzichte van de Maximale Waarden voor de kwaliteitsklasse Wonen (zie tabel 4.1 voor de X- en Y-waarden). De verhoging mag per stof ten hoogste de Maximale Waarde voor de kwaliteitsklasse Wonen vermeerderd met de Achtergrondwaarde voor die stof bedragen, waarbij voor alle stoffen geldt dat de gehalten van de gemeten stoffen kleiner zijn dan of gelijk zijn aan de Maximale Waarden voor de kwaliteitsklasse Industrie. Deze toetsingsregel geldt alleen voor de indeling van de ontvangende bodem in een kwaliteitsklasse. Voor de indeling van een partij toe te passen grond of baggerspecie geldt deze toetsingsregel niet! Omrekening naar standaardbodem De gehalten en toepassingseisen welke genoemd worden in deze Nota en de bodemkwaliteitskaart zijn omgerekend naar standaardbodem. Om te bepalen of een geplande toepassing is toegestaan dient omrekening naar standaardbodem plaats te vinden. De berekeningswijze staat beschreven in Bijlage G behorende bij artikel 4.2.1 van de Regeling Bodemkwaliteit [Lit. 2]. 4.3Toepassen van grond afkomstig vanuit het beheergebied Bij toepassen van grond afkomstig vanuit het beheergebied (Haarlemmermeer, Aalsmeer, Amstelveen, Diemen, Ouder-Amstel, Uithoorn en Amsterdam) op een ontvangende bodem in de gemeente Haarlemmermeer zijn er drie mogelijkheden: De toe te passen grond is onderzocht d.m.v. een partijkeuring, of er wordt gebruik gemaakt van de bodemkwaliteitskaart van een andere gemeente (Amsterdam of de regio Amstelland en Meerlanden) of de toe te passen grond is voorzien van een andere erkende milieuhygiënische verklaring conform het Besluit bodemkwaliteit. In deze gevallen moet de uitkomst getoetst worden aan de generieke toepassingseis bij toepassing in zone 1, 2, 3A of 3 of in niet-gezoneerde gebieden (Tabel 2.3). Bij toepassing binnen een saneringslocatie kunnen afwijkende eisen in het (goedgekeurde) saneringsplan zijn vastgelegd; De grond wordt toegepast met de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Haarlemmermeer als bewijsmiddel. In dit geval moet getoetst worden aan de toepassingsmatrix (Tabel 4.3). De toets aan de generieke normen is al in de matrix verwerkt. De eisen en voorwaarden hierbij worden in de paragrafen 4.4. en 4.5 uitgewerkt; De toe te passen grond heeft als bestemming zone 1A of 1B, hierbij gelden gebiedsspecifieke toepassingseisen, deze staan beschreven in par. 2.6. 4.4Ontgraven en toepassen van grond met de bodemkwaliteitskaart gemeente Haarlemmermeer Het al dan niet mogen verrichten van grondverzet van een niet-verdachte locatie in de gemeente Haarlemmermeer met de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Haarlemmermeer als bewijsmiddel is afhankelijk van de volgende voorwaarden: Grondverzet zonder partijkeuring is toegestaan als de classificatie van de bodemkwaliteitszone van herkomst voldoet aan de toepassingseis in de zone van toepassing; Als sprake is van een partijkeuring op de te ontgraven locatie, dat volgens de criteria in het Besluit bodemkwaliteit als bewijsmiddel mag dienen, dan kan geen gebruik worden gemaakt van de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel, maar moet gebruik worden gemaakt van de onderzoeksresultaten; Als een partij gemengd wordt ontgraven uit verschillende lagen is dat alleen toegestaan als de ontgravingskwaliteit vergelijkbaar is. De partij dient te worden ontgraven uit één laag waarop de ontgravingskaart van toepassing is. Als de partij afkomstig is uit meerdere (diepere) lagen van de ontgravingskaart dient het grondverzet op deze laaggrenzen te worden afgestemd. Op de toepassingskaart (Bijlage 3D) is af te lezen welke kwaliteit grond op welke deelzone mag worden toegepast. Deze kaart is het gevolg van het toetsen van de resultaten van de ontgravingskaart aan de toepassingseisen of kwaliteitseisen aanvulgrond/leeflaag op basis van de bodemfunctie. Zie ook Tabel 4.2. Tabel 4.2De bodemkwaliteitszones met functie, kwaliteit en toepassingseis, te gebruiken bij de dubbele toets in het generiekebeleidskader. Wanneer er geen gegevens bekend zijn, moet eerst NEN-onderzoek of partijkeuring worden uitgevoerd. Zone bodemfunctieklasse Kwaliteitsklasse ontvangende bodem (gemiddelde) Kwaliteitsklasse bij ontgraven (80-percentiel, P80) Toepassingseis (alle lagen) Landbouw/natuur Achtergrondwaarde Achtergrondwaarde Achtergrondwaarde Wonen Industrie (top en diep) Landbouw/natuur Wonen Wonen Achtergrondwaarde Wonen Wonen Wonen Wonen Industrie (diepere ondergrond) Landbouw/natuur Achtergrondwaarde Achtergrondwaarde Achtergrondwaarde Wonen Industrie (top) Wonen Wonen Industrie Wonen Industrie (diep) Wonen Wonen Wonen Wonen Industrie (top en diep) Landbouw/natuur Industrie Industrie Achtergrondwaarde Wonen Industrie Industrie Wonen Industrie Industrie Industrie Industrie zone STP Industrie Achtergrondwaarde* Achtergrondwaarde* Gebiedsspecifiek zone PARK21 Landbouw/natuur Achtergrondwaarde Achtergrondwaarde Gebiedsspecifiek Wonen Industrie Openbare gemeenteweg Industrie Eerst NEN-onderzoek Eerst partijkeuring Nader te bepalen Rijkswegen/spoorwegen Industrie Eerst NEN-onderzoek** Eerst partijkeuring Industrie Gesaneerde locaties Alle functies Zie saneringsplan of BUS-melding Te weinig gegevens Alle functies Eerst NEN-onderzoek Eerst partijkeuring Nader te bepalen In zone 1B voldoet de kwaliteit van de stoffen in het standaard stoffenpakket aan de Achtergrondwaarde, de kwaliteit van OCB voldoet aan Industrie. Onderzoek van de ontvangende bodem is niet verplicht bij toepassen van grond op rijkswegen/spoorwegen. Per zone gelden de volgende regels voor het ontgraven en toepassen van grond met de bodemkwaliteitskaart (na puntbronnencheck en melden): Zone 1 In zone 1 is het generieke beleidskader van toepassing9Generiek beleid in zone 1 betreft het toepassingsbeleid. Voor asbest en het percentage bodemvreemd materiaal gelden de gebiedsspecifieke eisen voor het hele beheergebied.. Ontgraven van grond vanuit deze zone: Grond afkomstig vanuit alle lagen van zone 1 (0-2,0 m-mv en dieper) is vrij toe te passen in het hele beheergebied. Echter, voor grond afkomstig van akkerbouwpercelen kunnen aanvullende eisen gesteld worden met betrekking tot organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB’s), zie par. 2.8. Toepassen van grond binnen deze zone: Toe te passen grond binnen zone 1 moet voldoen aan de Achtergrondwaarde. Grond vanuit zone 1 mag vrij worden toegepast. Grond van buiten deze zone mag worden toegepast mits een partijkeuring of een andere milieuhygiënische verklaring uitwijst dat de grond voldoet aan de Achtergrondwaarde. Zone 1A (Schiphol Trade Park) In zone 1A is het gebiedsspecifieke beleidskader van toepassing. Ontgraven van grond vanuit deze zone: Grond vanuit alle lagen van zone 1A (0-2,0 m-mv en dieper) is zonder onderzoek op basis van de bodemkwaliteitskaart te hergebruiken binnen zone 1A (binnen de kaders van het Besluit bodemkwaliteit). Grond afkomstig van deze zone mag niet zonder onderzoek elders worden toegepast. De grond moet op OCB’s worden onderzocht. Als na onderzoek blijkt dat de grond voldoet aan de toepassingseis op de toepassingslocatie is toepassing op locaties buiten zone 1A toegestaan. Toepassen van grond binnen deze zone: Grond vanuit alle lagen van zone 1A is zonder onderzoek op basis van de bodemkwaliteitskaart te hergebruiken binnen zone 1A (binnen de kaders van het Besluit bodemkwaliteit). Toe te passen grond van binnen het beheergebied van de gemeente Haarlemmermeer/Amsterdam/regio Amstelland en Meerlanden, maar van buiten zone 1A moet voor de reguliere parameters voldoen aan de Achtergrondwaarden (schone grond). Wanneer de verdenking bestaat, ofwel uit het historisch onderzoek, ofwel uit oude bodemonderzoeken, dat de bodem verhoogde gehalten aan OCB’s bevat, moet hierop onderzocht worden. De in zone 1A toe te passen grond mag OCB’s bevatten tot maximaal klasse Industrie (conform de in zone 1A gemeten OCB-gehalten). Toe te passen grond van buiten het beheergebied van de gemeente Haarlemmermeer/Amsterdam/Amstelland en Meerlanden moet voldoen aan de Achtergrondwaarden (schone grond); Zone 1B (PARK21) In zone 1B is het gebiedsspecifieke beleidskader van toepassing. Ontgraven van grond vanuit deze zone: Grond vanuit de toplaag en diepe laag van zone 1B (0-2,0 m-
  19. mv)is vrij toe te passen binnen zone 1B. Zolang er in zone 1B nog geen toepassingen zijn gedaan met grond van een mindere kwaliteit dan de Achtergrondwaarde (en de zone dus nog de kwaliteit AW heeft), mag grond vanuit zone 1B zonder onderzoek op basis van de bodemkwaliteitskaart ook elders worden toegepast. Wanneer binnen zone 1B op basis van het gebiedsspecifieke beleid reeds toepassingen zijn gedaan met grond van mindere kwaliteit dan de Achtergrondwaarde moet eerst onderzoek worden gedaan worden alvorens deze grond buiten zone 1B mag worden toegepast. Toepassen van grond binnen deze zone: Hergebruik van grond in de parklaag binnen het gebied van PARK21 (zone 1B) afkomstig uit de zones 1 en 2 van het beheergebied is zonder onderzoek op basis van de bodemkwaliteitskaart toegestaan (binnen de kaders van het Besluit bodemkwaliteit) en uit de andere zones na aanvullend onderzoek. Dit aanvullende onderzoek vindt plaats middels een partijkeuring, indien deze uitwijst dat de partij voldoet aan kwaliteit Wonen kan deze worden toegepast. Aanvullend geldt voor kinderspeelplekken de eis dat het gehalte aan lood in de toe te passen grond tot 0,5 meter-mv maximaal 100 mg/kg d.s. bedraagt. Toe te passen grond van buiten het beheergebied van de gemeente Haarlemmermeer/Amsterdam/Amstelland en Meerlanden moet voldoen aan de Achtergrondwaarden (schone grond). Zone 2 In zone 2 is het generieke beleidskader van toepassing. Ontgraven van grond vanuit deze zone: Grond afkomstig uit de toplaag en diepe laag van zone 2 (0-2,0 m-
  20. mv)is vrij toe te passen in zone 2, 3A en 3 met de bodemfunctie Wonen en Industrie en onder bovengenoemde voorwaarden in zone 1A en 1B. Grond afkomstig uit de diepere ondergrond (vanaf 2,0 m-
  21. mv)van zone 2 is vrij toe te passen in het hele beheergebied. Echter, voor grond afkomstig van akkerbouwpercelen kunnen aanvullende eisen gesteld worden met betrekking tot organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB’s), zie par. 2.8. Toepassen van grond binnen deze zone: Toe te passen grond binnen zone 2 moet voldoen aan de generieke toepassingseisen (Tabel 2.3). Grond vanuit zone 1 mag hier vrij worden toegepast. Bij gebruik van de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel kan de toepassingsmatrix (Tabel 4.3) worden geraadpleegd of toepassing is toegestaan. Grond van buiten het beheergebied van de gemeente Haarlemmermeer/Amsterdam/regio Amstelland en Meerlanden mag worden toegepast mits een partijkeuring of een andere milieuhygiënische verklaring uitwijst dat de grond voldoet aan de toepassingseisen. Zone 3A In zone 3A is het generieke beleidskader van toepassing. Ontgraven van grond vanuit deze zone: Grond afkomstig uit de toplaag van zone 3A (0-0,5 m-
  22. mv)is vrij toe te passen in zone 3 en in zone 1A met de bodemfunctie Industrie en onder bovengenoemde voorwaarden in zone 1B. Grond afkomstig uit de diepe laag van zone 3A (0,5-2,0 m-
  23. mv)is vrij toe te passen in de zones 2, 3A en 3 met de bodemfuncties Wonen en Industrie en onder bovengenoemde voorwaarden in zone 1B. Echter, voor grond afkomstig van akkerbouwpercelen kunnen aanvullende eisen gesteld worden met betrekking tot organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB’s), zie par. 2.8. Toepassen van grond binnen deze zone: Toe te passen grond binnen zone 3A moet voldoen aan de generieke toepassingseisen (Tabel 2.3). Grond vanuit zone 1 mag hier vrij worden toegepast. Bij gebruik van de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel kan de toepassingsmatrix (Tabel 4.3) worden geraadpleegd of toepassing is toegestaan. Grond van buiten het beheergebied van de gemeente Haarlemmermeer/Amsterdam/regio Amstelland en Meerlanden mag worden toegepast mits een partijkeuring of een andere milieuhygiënische verklaring uitwijst dat de grond voldoet aan de toepassingseisen. Zone 3 In zone 3 is het generieke beleidskader van toepassing. Ontgraven van grond vanuit deze zone: Grond afkomstig uit alle lagen van zone 3 (0-2,0 m-
  24. mv)is vrij toe te passen in zone 3 met de bodemfunctie Industrie en onder bovengenoemde voorwaarden in zone 1B. Toepassen van grond binnen deze zone: Toe te passen grond binnen zone 3 moet voldoen aan de generieke toepassingseisen (Tabel 2.3). Grond vanuit zone 1 mag hier vrij worden toegepast. Bij gebruik van de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel kan de toepassingsmatrix (Tabel 4.3) worden geraadpleegd of toepassing is toegestaan. Grond van buiten het beheergebied van de gemeente Haarlemmermeer/Amsterdam /regio Amstelland en Meerlanden mag worden toegepast mits een partijkeuring of een andere milieuhygiënische verklaring uitwijst dat de grond voldoet aan de toepassingseisen. Het niet ingedeelde veenweidegebied (te weinig gegevens) en golfbaan Nieuwe Meer Grond afkomstig uit het niet ingedeelde venige buitengebied omgeving Vijfhuizen, Nieuwebrug, Zwanenburg, Haarlemmerliede, Spaarnwoude en Halfweg en het gebied van de Golfbaan Nieuwe Meer mag niet zonder partijkeuring elders worden toegepast. Als na onderzoek blijkt dat de grond voldoet aan de toepassingseis op de toepassingslocatie is toepassing toegestaan. Voor toe te passen grond afkomstig van akkerbouwpercelen kunnen aanvullende eisen gelden wat betreft onderzoek op OCB’s (zie par. 2.8). De openbare weg (infrastructuur) Grond afkomstig uit de openbare weg of andere infrastructuur mag niet zonder partijkeuring elders worden toegepast. Ook grond die toegepast is als fundering (straatzand) is uitgezonderd van hergebruik op basis van de bodemkwaliteitskaart. Voor het hergebruiken van straatzand zal eerst een indicatief onderzoek moeten worden uitgevoerd. Als na dit onderzoek echter blijkt dat de grond toch voldoet aan de toepassingseis op de toepassingslocatie is toepassing toegestaan. Hier wordt uitgegaan van hetzelfde bodemgebruik. Indien straatzand voor andere bodemfuncties wordt aangewend is een partijkeuring noodzakelijk. Een uitzondering hierop vormen de openbare wegen binnen de bebouwde kom van zone 1. De bodemkwaliteit van deze infrastructuur is vergelijkbaar of schoner dan de rest van zone 1. Van buiten Haarlemmermeer, maar van binnen het beheergebied (Amsterdam en de Regio Amstelland en Meerlanden) Grond vanuit alle lagen van zone 1 van de bodemkwaliteitskaart van Amsterdam en de regio Amstelland en Meerlanden mag binnen het hele beheergebied vrij worden toegepast; Grond afkomstig vanuit alle lagen van zone 2 van de bodemkwaliteitskaart van Amsterdam en de regio Amstelland en Meerlanden is vrij toe te passen in zone 2, 3A en 3, behalve op de bodemfunctie Landbouw/Natuur en onder de openbare weg (infrastructuur) in Haarlemmermeer; Grond afkomstig van zone A (openbare weg) van de bodemkwaliteitskaart van Amsterdam mag binnen het hele beheergebied vrij worden toegepast; Grond afkomstig van zone B en D (openbare weg) van de bodemkwaliteitskaart van Amsterdam is vrij toe te passen in zone 2, 3A en 3, behalve op de bodemfunctie Landbouw/Natuur en onder de openbare weg (infrastructuur) in Haarlemmermeer. Grond vanuit zone 3, 4, 5, 6 en 7 en vanuit zone C (openbare weg) van de bodemkwaliteitskaart van Amsterdam mag niet zonder onderzoek elders worden toegepast; Grond afkomstig van gebieden die niet zijn vastgesteld of die zijn uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart moet onderzocht worden zodanig dat een erkend bewijsmiddel wordt verkregen om te bepalen of toepassing is toegestaan. Nb. Bij een vrije toepassing met de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel is altijd een historisch vooronderzoek, de zogenaamde ‘puntbronnencheck’ (zie par. 3.2) verplicht om vast te stellen of de toe te passen grond of de ontvangende bodem ‘niet verdacht’ is. In het stroomschema van Figuur 4.1 is af te lezen wat de werkwijze is bij het toetsen van een geplande toepassing van grond. Figuur 4.1Werkwijze toetsing bij toepassen van grond 4.5Toepassingsmatrix bodemkwaliteitskaart Haarlemmermeer Om te beoordelen of grondverzet mogelijk is tussen niet-verdachte herkomst- en toepassingslocaties binnen de regio kan de toepassingsmatrix worden geraadpleegd (Tabel 4.3). In deze tabel laat de verticale en horizontale balk zien welke grondstromen tussen (en binnen) bodemkwaliteitszones denkbaar zijn. In de vakjes van de tabel staat aangegeven of een bepaalde grondstroom is toegestaan (groen vakje) en eventueel onder welke voorwaarden. Daarbij is getoetst of de ontgravingskwaliteit (P80) voldoet aan de toepassingseis (per functie) van de ontvangende bodem. Als toepassing van een zekere stroom niet wordt toegestaan zonder voorafgaande partijkeuring is het vakje geel, oranje of rood gekleurd. Dan is het is aan de initiatiefnemer van het grondverzet om in te schatten of het doen van een partijkeuring voldoende kans oplevert dat de partij alsnog mag worden toegepast. Hierbij is het vanzelfsprekend dat deze kans groter is wanneer de P75 voldoet dan wanneer slechts de P25 voldoet10De genoemde percentielwaarden (P25, P50, P75) zijn geen normen waaraan getoetst moet worden. Ze geven slechts een indicatie welk deel van de totale dataset aan metingen binnen de zone voldoet aan de toepassingseis van de betreffende bodemfunctie. Als slechts een kwart van de gemeten waarden (P25) voldoet aan de toepassingseis is de kans klein dat na een partijkeuring een partij alsnog mag worden toegepast en kan men zich de kosten dus beter besparen.. Tabel 4.3 Toepassingsmatrix bodemkwaliteitskaart Verklaring kleurgebruik: L/N: Landbouw/Natuur; W: Wonen; I: Industrie De toepassingsmatrix is alléén bruikbaar wanneer grond vanuit een bodemkwaliteitskaartzone wordt toegepast in een andere bodemkwaliteitskaartzone (of binnen een zone wordt verplaatst). Wanneer sprake is van niet-gezoneerd gebied, wanneer toepassing zonder onderzoek niet is toegestaan en/of wanneer de partij grond een partijkeuring heeft ondergaan of voorzien is van een andere erkende milieuhygiënische verklaring, moet de uitkomst van deze partijkeuring of verklaring getoetst worden aan de generieke normen (Tabel 2.3.). 4.6Toepassen van grond afkomstig van buiten het beheergebied Voor geplande toepassingen van grond afkomstig van buiten het bodembeheergebied van de gemeente Haarlemmermeer en de gemeenten waarvan de BKK door de gemeente is geaccepteerd als bewijsmiddel geldt dat de kwaliteit van de grond moet zijn aangetoond middels een erkende milieuhygiënische verklaring, zoals een partijkeuring of productcertificaat. Toe te passen grond moet voldoen aan de toepassingseisen die voortvloeien uit de dubbele toets (zie Tabel 2.3). Toepassen grond van buiten de gemeente, maar van binnen het beheergebied Voor geplande toepassingen van grond van buiten de gemeentegrenzen van Haarlemmermeer, maar van binnen het beheergebied (Amsterdam, Haarlemmermeer, Aalsmeer, Amstelveen, Diemen, Ouder-Amstel en Uithoorn) mag de bodemkwaliteitskaart van de betreffende gemeente worden gebruikt, mits d

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.