← Nederland

Verordening Sociaal Domein gemeente Waddinxveen 2018 (Waddinxveen)

Kort gezegd

Deze verordening regelt de ondersteuning en voorzieningen op het gebied van het sociaal domein in de gemeente Waddinxveen, zoals maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp, participatie en leerlingenvervoer. Het beschrijft hoe inwoners hulpvragen kunnen melden en hoe deze worden behandeld.

Wat het regelt

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Verordening Sociaal Domein gemeente Waddinxveen 2018De raad van de gemeente Waddinxveen gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 22 augustus 2017; gelet op de artikelen 8, 8a en 8b Participatiewet, Hoofdstuk 2 paragraaf 1 (artikel 2.1.3 tot en met artikel 2.1.7) en artikelen 2.6.6 en 8.7 Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en gelet op artikelen 2.9, 2.12 en 8.1.1 Jeugdwet en voorts ten aanzien van het leerlingenvervoer gelet op artikel 4 van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs; gelezen het advies van de Participatie Adviesraad Sociaal Domein Waddinxveen besluit vast te stellen de Verordening Sociaal Domein Waddinxveen 2018. Hoofdstuk1.Begrippen Artikel1.Begrippen 1.In deze verordening wordt verder verstaan onder: aangepast vervoer i.h.k.v. leerlingenvervoer: vervoer per besloten (school)busvervoer, taxi, treintaxi of bustaxi; afstand i.h.k.v. leerlingenvervoer: afstand tussen de woning van de leerling en de school, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg; afstand tot de arbeidsmarkt: [kort] deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs mogelijk binnen één jaar; [groot] deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs niet mogelijk binnen één jaar; algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die niet speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten; algemene voorziening: een voorziening als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 of een overige voorziening als bedoeld in artikel 2.9 van de Jeugdwet; college: college van burgemeester en wethouders van Waddinxveen; commissie van onderzoek: commissie als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra; commissie voor de begeleiding: commissie als bedoeld in artikel 40b van de Wet op de expertisecentra; doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet. eigen plan: plan waarin de inwoner zelf aangeeft op welke wijze zijn hulpvraag opgelost kan worden, het betreft hier het persoonlijk plan zoals bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de Wmo 2015 en het familiegroepsplan zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet; eigen vervoer: vervoer per eigen motorvoertuig of fiets; fraude: het niet (tijdig) mededelen van alle feiten en omstandigheden waarvan het voor de belanghebbende redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze informatie van invloed kan zijn op het recht, op de hoogte of de duur van een (maatwerk)voorziening; gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten; inkomen: totaal van het inkomen zoals bedoeld in artikel 31 en 32 van de Participatiewet; inkomen i.h.k.v. leerlingenvervoer: inkomensgegevens als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, in het peiljaar, bedoeld in artikel 4, zevende lid, van de Wet op het primair onderwijs; inwoner: iemand die woont in de gemeente Waddinxveen; IOAW: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; IOAZ: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; leerling: leerling van een school als bedoeld in dit artikel onder mm; maatwerkvoorziening: een voorziening als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015, een individuele voorziening als bedoeld in artikel 2.3 van de Jeugdwet, een voorziening als bedoeld in artikel 7, 11 en 35 van de Participatiewet en artikel 34 van de IOAW/IOAZ en een voorziening als bedoel in artikel 4 van de Wet primair onderwijs, artikel 4 van de Wet op de expertisecentra en artikel 4 van de Wet op het voortgezet onderwijs; mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep; misbruik (maatwerk)voorziening: het verwijtbaar ontvangen van een (maatwerk)voorziening in strijd met de wettelijke voorschriften; niet-professionele aanbieder: een aanbieder die niet voldoet aan de criteria van een professionele aanbieder (zie professionele aanbieder); norm: toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de Participatiewet, of grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 van de IOAW/IOAZ voor zover sprake is van een uitkering op grond van die wetten; ondersteuningsplan leerlingenvervoer: voor het primair onderwijs: ondersteuningsplan als bedoeld in artikel 18a, zevende tot en met tiende lid, van de Wet op het primair onderwijs; of voor het voortgezet onderwijs: ondersteuningsplan als bedoeld in artikel 17a, zevende tot en met tiende lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs; oneigenlijk gebruik: het ontvangen van een (maatwerk)voorziening volgens de regels van de wet, maar in strijd met of buiten de bedoeling die bij de totstandkoming van die wet heeft bestaan; opdc: orthopedagogisch en -didactisch centrum als bedoeld in artikel 17a, lid 10a, van de Wet op het voortgezet onderwijs; openbaar vervoer: voor een ieder openstaand personenvervoer per bus, trein, metro, tram, veerdienst of auto; opstapplaats: plaats aangewezen door het college, vanaf waar de leerling gebruik kan maken van het vervoer; ouders: ouders, voogden of verzorgers van de jeugdige; peildatum individuele inkomenstoeslag: datum waarop een persoon een individuele inkomenstoeslag aanvraagt; persoonsgebonden budget (pgb): een bedrag waarmee inwoners zelf hun ondersteuning kunnen inkopen; professionele aanbieder; een aanbieder die opgeleid en indien van toepassing geregistreerd is voor het verrichten van de werkzaamheden in het kader van het uitvoeren de Wmo 2015 of de Jeugdwet en voldoet aan de voor die werkzaamheden benodigde kwalificaties en vereisten; referteperiode individuele inkomenstoeslag: periode van 3 jaar voorafgaand aan de peildatum; regionale verwijzingscommissie: commissie als bedoeld in artikel 10g van de Wet op het voortgezet onderwijs; re-integratievoorziening: voorzieningen bedoeld in artikel 7, eerste lid onder a van de Participatiewet en artikel 34, eerste lid onder a van de IOAW en de IOAZ; reistijd: totale tijdsduur die ligt tussen het verlaten van de woning en de aanvang van de schooldag volgens de schoolgids, minus maximaal 10 minuten, indien en voor zover de leerling het schoolgebouw met bijbehorend terrein gewoonlijk eerder bereikt dan de schoolgids aangeeft, dan wel de totale tijdsduur die ligt tussen het einde van de schooldag volgens de schoolgids en de aankomst bij de woning, plus een eventuele wachttijd voor het openbaar vervoer of maximaal 10 minuten bij gebruikmaking van aangepast vervoer behoudens in geval van overmacht; samenwerkingsverband: voor het primair onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18a, tweede en vijftiende lid, van de Wet op het primair onderwijs; of voor het voortgezet onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 17a, tweede en zestiende lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs; school: basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs; school voor speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra; of school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs; stage: praktische leertijd bij de beroepsopleiding; sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de inwoner een sociale relatie onderhoudt; startkwalificatie: een diploma op Havo-, Vwo- of MBO 2-niveau. toegankelijke school: school waarop de leerling is aangewezen van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school; vermogensgrens; genoemd in artikel 34 lid 2 van de Participatiewet. vervoer i.h.k.v. leerlingenvervoer: openbaar vervoer, aangepast vervoer of eigen vervoer tussen de woning dan wel de opstapplaats en de school dat plaatsvindt in aansluiting op het begin en einde van de schooldag volgens de schoolgids, tenzij de structurele handicap van een leerplichtige leerling die aansluiting onmogelijk maakt; vervoersvoorziening i.h.k.v. leerlingenvervoer: bekostiging van de goedkoopst mogelijke wijze van openbaar vervoer voor de leerling en zo nodig diens begeleider; aanbieding van aangepast vervoer dat de gemeente verzorgt of doet verzorgen; of gehele of gedeeltelijke bekostiging van de door het college noodzakelijk geachte vervoerkosten van de leerling en zo nodig diens begeleider; voorliggende voorziening: een andere voorziening die vergelijkbaar is met een voorziening op grond van de wetten die ten grondslag liggen aan deze verordening, waardoor geen voorziening op grond van deze verordening hoeft te worden verleend; vrijwilligerswerk: werk dat in enig verband onverplicht en onbetaald wordt verricht voor anderen of de samenleving; woning i.h.k.v. leerlingenvervoer: plaats waar de leerling structureel en feitelijk verblijft. Wmo: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 Hoofdstuk2Integrale benadering Artikel2.Melding hulpvraag 1.Iedere inwoner kan zich rechtstreeks met een hulpvraag, voor zichzelf of voor een ander, richten tot het college. 2.In aanvulling op lid 1 van dit artikel kunnen ook professionals zoals de huisarts, jeugdarts, medisch specialist, docent/schoolbegeleider of maatschappelijk ondersteuner een hulpvraag van een inwoner aan het college voorleggen. 3.Het college bevestigt de ontvangst van de melding schriftelijk 4.Het college maakt met de inwoner een afspraak voor het gesprek, zoals bedoeld in artikel 5 en bevestigt deze schriftelijk. 5.Het college informeert de inwoner, en/of diens mantelzorger(

  1. s)of diens vertegenwoordiger, voorafgaand aan het gesprek over de mogelijkheid om gebruik te maken van gratis onafhankelijke cliëntondersteuning. 6.Het college wijst inwoners erop dat zij zich desgewenst kunnen laten bijstaan door een onafhankelijke vertrouwenspersoon. 7.Het college informeert de inwoner(
  2. s)over de gang van zaken bij het gesprek, de rechten en plichten en de vervolgprocedure. 8.Een hulpvraag kan enkelvoudig, meervoudig en/of complex zijn. Samen met de inwoner wordt bekeken wat de beste manier is om de hulpvraag te beantwoorden. 9.Het college brengt de inwoner op de hoogte van de mogelijkheid om een eigen plan op te stellen. Artikel3.Spoedeisende gevallen In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende (tijdelijke) maatregel of vraagt het college een machtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Jeugdwet; Artikel4.Vooronderzoek 1.Het college verzamelt alle voor het onderzoek van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de inwoner en zijn situatie. 2.De inwoner dan wel diens vertegenwoordiger verstrekt het college de gegevens en bescheiden die voor het onderzoek/gesprek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs kan beschikken. 3.De inwoner verstrekt een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage. 4.Als de inwoner genoegzaam bekend is bij de gemeente, kan het college in overeenstemming met de inwoner afzien van een vooronderzoek. Artikel5.Het gesprek 1.Het gesprek wordt gevoerd met de inwoner en indien gewenst door de inwoner met zijn/haar mantelzorger, ouders, onafhankelijke cliëntondersteuner en/of andere begeleider. In het geval van een jeugdige kan het gesprek ook gevoerd worden met alleen de ouders of wettelijk vertegenwoordiger. 2.In één of meerdere gesprekken, kan aan de orde komen: de behoefte, persoonskenmerken en voorkeuren, persoonlijke omstandigheden, veiligheid, ontwikkeling, financiële en gezinssituatie van de inwoner met een ondersteuningsvraag; het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning; de mogelijkheid van de inwoner om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met ondersteuning uit het sociaal netwerk of met algemeen gebruikelijke voorzieningen een oplossing voor de hulpvraag te vinden; de mogelijkheden om gebruik te maken van een voorliggende voorziening; de mogelijkheden om gebruik te maken van een algemene voorziening; de mogelijkheden om een maatwerkvoorziening te verstrekken; de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt. 3.Indien de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2, negende lid aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek. 4.Het college informeert de inwoner over de hoogte van de bijdrage in de kosten die de inwoner verschuldigd zal zijn volgens artikel 2.1.4. van de Wmo en de wijze waarop deze bijdrage wordt geïnd. 5.Het college informeert de inwoner over de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze. 6.Als de hulpvraag genoegzaam bekend is, kan het college in overleg met de cliënt afzien van een gesprek. Artikel6.Advisering 1.Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor het onderzoek, degene door of namens wie een melding of aanvraag is ingediend of bij gebruikelijke hulp diens relevante huisgenoten: Op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te bevragen. Op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen bevragen en/of onderzoeken. 2.Het college kan een adviesinstantie om advies vragen als het dit van belang acht voor de beoordeling van de hulpvraag om een maatwerkvoorziening. Artikel7.Het ondersteuningsplan 1.Het college stelt na het gesprek in overleg met de inwoner een ondersteuningsplan op, vanuit het principe één gezin één plan. 2.Het ondersteuningsplan bevat de uitkomsten van het gesprek, de te nemen vervolgstappen, het gewenste resultaat en de relevante voorzieningen/ zorg die reeds aanwezig zijn. 3.De inwoner kan feitelijke gegevens corrigeren en kan zijn/haar opmerkingen op het ondersteuningsplan kenbaar maken. 4.De inwoner tekent het ondersteuningsplan voor gezien of akkoord en zorgt ervoor dat een getekend exemplaar wordt geretourneerd aan het college. 5.Als de inwoner tekent voor gezien, kan hij daarbij tevens aangeven wat de reden is waarom hij niet akkoord is. 6.Als de inwoner van mening is dat hij in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening wordt dit opgenomen in het ondersteuningsplan. Artikel8.Aanvraag van een maatwerkvoorziening 1.Een inwoner kan een aanvraag van een maatwerkvoorziening indienen bij het college. 2.Het college merkt een ondertekend ondersteuningsplan aan als aanvraag, als dit in het ondersteuningsplan is aangegeven. 3.De aanvraag voor een maatwerkvoorziening Wmo kan niet eerder worden ingediend nadat het onderzoek, zoals omschreven in artikel vier tot en met zeven, is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen de 6 weken als bedoeld in de Wmo. Artikel9.Verstrekken van een maatwerkvoorziening 1.Het college besluit een maatwerkvoorziening te verstrekken voor zover in het ondersteuningsplan wordt aangegeven dat de inwoner: op eigen kracht met gebruikelijke hulp, of met zijn sociaal netwerk geen oplossing voor zijn hulpvraag kan vinden, en geen oplossing kan vinden voor zijn hulpvraag door, al dan niet gedeeltelijk, gebruik te maken van een algemene voorziening, en met deze voorziening naar het oordeel van het college zelfredzaam wordt of kan participeren, en geen gebruik kan maken van een voorziening die algemeen gebruikelijk of voorliggend is. 2.Als het college van oordeel is dat een cliënt zijn hulpvraag redelijkerwijs van te voren had kunnen voorzien en met zijn beslissing had kunnen voorkomen, kan het college besluiten dat de cliënt niet in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening. 3.Het college houdt bij het bepalen welke voorziening en/of ondersteuning het meest doelmatig, adequaat en toereikend is, rekening met de omstandigheden, behoeften en (functionele) mogelijkheden van een inwoner. 4.Als meerdere voorzieningen als passend aan te merken zijn, verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening. 5.Het college verstrekt geen maatwerkvoorziening voor zover de aanvraag betrekking heeft op een voorziening of kosten die de belanghebbende vóór het indienen van de aanvraag heeft gerealiseerd of heeft geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend; 6.Voor bepaalde voorzieningen kunnen specifieke bepalingen van kracht zijn. Deze staan genoemd in de hoofdstukken 3 tot en met 7 van deze verordening. Artikel10.Beschikking maatwerkvoorziening Wmo en Jeugdwet 1.In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening Wmo of jeugd wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt. 2.Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is; wat de ingangsdatum en duur van de voorziening is; welke gecontracteerde aanbieder de voorziening verstrekt; welke andere voorzieningen relevant kunnen zijn. 3.Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend; welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe gekomen is; wat de duur is van de voorziening waarvoor het pgb bedoeld is, en de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. 4.Als sprake is van een te betalen bijdrage in de kosten Wmo wordt de inwoner daarover in de beschikking geïnformeerd. Artikel11.Maatwerkvoorziening via een pgb 1.Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 8.1.1 van de Jeugdwet en/of artikel 2.3.6 van de Wmo. 2.Bekwaamheid van de cliënt met een persoonsgebonden budget De inwoner moet handelingsbekwaam zijn en voldoende inzicht in de eigen situatie hebben; De inwoner met een persoonsgebonden budget is in staat een werkgevers- of opdrachtgeversfunctie te vervullen. Indien een bewindvoerder, belangenbehartiger, of wettelijk vertegenwoordiger de belangen van de inwoner behartigt, dient deze te voldoen aan lid a en b van dit artikel; Een pgb kan worden geweigerd als er sprake is van verslavingsproblematiek Een pgb kan worden geweigerd als er eerder misbruik is gemaakt van het pgb. Indien er anders situaties denkbaar zijn waarin het verstrekken van een pgb niet gewenst is, kan de gemeente de aanvraag tot een pgb gemotiveerd weigeren. 3.Geen Pgb wordt verstrekt indien voorzienbaar is dat in de (medische) situatie van de inwoner zich binnen de looptijd van het persoonsgebonden budget een ingrijpende wijziging voordoet en het een aanvraag betreft voor een roerende woonvoorziening, vervoersvoorziening of een rolstoel. het intensieve begeleiding betreft en het moeilijk is de voorzieningen met pgb en zorg in natura op elkaar af te stemmen met het oog op de gewenste resultaten voor de inwoner. 4.De kosten voor tussenpersonen, belangbehartigers, bemiddeling, administratie of lidmaatschappen komen niet in aanmerking voor een pgb. 5.Een inwoner aan wie een pgb wordt verstrekt kan onder voorwaarden een maatwerkvoorziening betrekken van een persoon die behoort tot het sociaal netwerk: deze persoon krijgt een lager tarief betaald voor zijn diensten vergelijkbaar met het bruto uurloon conform de Wet Minimumloon of maximaal het op grond van de Wet langdurige zorg geldende pgb-uurtarief voor hulp van niet-professionele aanbieders; Indien de jeugdhulp wordt verleend door een persoon uit het sociale netwerk, blijft deze hulp beperkt tot die activiteiten die naar aard kunnen worden gezien als gebruikelijke zorg, in de vorm van begeleiding, dagactiviteiten, persoonlijke verzorging, kortdurend verblijf en vervoer. Deze zorg komt alleen in aanmerking voor een pgb voor zover deze in tijd, duur of intensiteit het gebruikelijke overschrijdt. De persoon uit het sociale netwerk is in staat de vereiste ondersteuning te bieden en planmatig aan de beoogde resultaten te werken. De persoon uit het sociale netwerk zoekt afstemming met andere dienstverleners dan wel met de casusregisseur conform het uitgangspunt 1 gezin, 1 plan, 1 regisseur. 6.Het college kan uit het oogpunt van kwaliteit van de geleverde zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van pgb’s onderzoeken. Artikel12.Hoogte pgb 1.De hoogte van een pgb: wordt vastgesteld aan de hand van een door de cliënt of diens vertegenwoordiger opgesteld plan over hoe hij het pgb gaat besteden; wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering, en bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura. 2.Het tarief zoals vermeld in dit lid, is een all-in tarief. Dat wil zeggen dat alle kosten zoals salaris, vervanging tijdens vakantie, verzekering(
  3. en)en reiskosten zijn opgenomen in dit tarief. 3.De hoogte van het pgb voor een hulpmiddel, vervoersvoorziening of woningaanpassing wordt bepaald op ten hoogste de kostprijs van de voorziening indien deze in natura zou zijn verstrekt. Als de naturaverstrekking een tweedehands voorziening betreft, wordt de kostprijs daarop gebaseerd, met een looptijd gelijk aan de verkorte termijn waarop de zaak technisch is afgeschreven, rekening houdend met onderhoud en verzekering. Als de naturaverstrekking een nieuwe voorziening betreft, wordt de kostprijs daarop gebaseerd, rekening houdend met een eventueel door de gemeente te ontvangen korting en rekening houdend met onderhoud en verzekering; diensten (jeugdhulp, hulp bij het huishouden, begeleiding, dagbesteding en logeren) bedraagt maximaal 75% ten opzichte van de maatwerkvoorziening in natura als de ondersteuning wordt geleverd door een professionele aanbieder en maximaal € 20,00 per uur, dagdeel of etmaal als de ondersteuning wordt geleverd door iemand vanuit het sociale netwerk of een niet-professionele aanbieder. als uitzondering op sub b geldt dat het pgb voor hulp bij het huishouden bij inzet van het sociale netwerk of een niet-professionele aanbieder gelijk is aan het wettelijk minimumloon + 20%. vervoer naar dagbesteding bedraagt maximaal 75% ten opzichte van de maatwerkvoorziening in natura als de ondersteuning wordt geleverd door een professionele aanbieder. Als dit vervoer wordt geleverd door iemand vanuit het sociale netwerk dan bedraagt dit maximaal het tarief voor vervoer naar dagbesteding en geldt geen opslag voor een eventuele rolstoel. Het college draagt zorg voor de kenbaarheid van de laatstelijk geldende bedragen. Hoofdstuk3Specifieke bepalingen Jeugd Artikel13.Algemene voorzieningen jeugd 1.De volgende algemene voorzieningen zijn beschikbaar: Informatie en advies voor jeugdige en ouder zoals geboden door het Centrum voor Jeugd en Gezin; Algemeen maatschappelijk werk; Jeugdgezondheidszorg; Veilig Thuis; Integrale crisisdienst; Vertrouwenspersoon; Kindertelefoon; Schoolmaatschappelijk werk. 2.Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de in het eerste lid genoemde vrij toegankelijke jeugdhulpvoorzieningen. Artikel14.Maatwerkvoorzieningen jeugd De volgende maatwerkvoorzieningen zijn beschikbaar: Jeugdzorg plus; Jeugdbescherming; Jeugdreclassering; Jeugd en opvoedhulp, waaronder: ambulante jeugdhulp, dagbehandeling, verblijf pleegzorg, Verblijf 24- uurs zorg, spoedeisende zorg (ambulant en verblijf), vervoer en ernstig enkelvoudige dyslexie zorg; Voor jeugd met een (licht)verstandelijke beperking: individuele begeleiding zonder verblijf, dagbesteding zonder verblijf, kortdurend verblijf/logeren, langdurend verblijf; Jeugd GGZ, tweedelijns met en zonder verblijf. Artikel15.Verwijzing naar jeugdhulp door huisarts, medisch specialist of jeugdarts 1.Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover genoemde jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. 2.Het college legt de te verlenen maatwerkvoorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking als bedoeld in artikel 10. Artikel16.Jeugdhulp bij kinderbeschermingsmaatregel en jeugdreclassering Het college zorgt voor inzet van de jeugdhulp die: de rechter of de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel, en/of de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële inrichting nodig acht bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing, of die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van jeugdreclassering. Artikel17.Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, rekening met: de aard en omvang van de te verrichten taken; de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie; een redelijke toeslag voor overheadkosten; een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; kosten voor bijscholing van het personeel. Hoofdstuk4Specifieke bepalingen Maatschappelijke ondersteuning Artikel18.Aanvullende voorwaarden maatwerkvoorzieningen Wmo 1.Een inwoner die beperkingen in de zelfredzaamheid of maatschappelijke participatie ondervindt, kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening indien de maatwerkvoorziening een passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid of maatschappelijke participatie van de inwoner, zodat de inwoner zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. Een inwoner komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening, indien: de maatwerkvoorziening de inwoner ondersteunt bij zijn maatschappelijke participatie en/of zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen woningaanpassingen en andere maatregelen; de maatwerkvoorziening een passende bijdrage levert aan de behoefte van de inwoner aan beschermd wonen of opvang; de maatwerkvoorziening een situatie realiseert waarin de inwoner in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. 2.Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt, als: de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven, of; de eerder verstrekte voorziening vervroegd technisch is afgeschreven door omstandigheden die niet aan de inwoner zijn toe te rekenen, of; de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de inwoner aan ondersteuning. 3.Hulpmiddelen en woningaanpassingen worden niet verstrekt indien deze niet langdurig noodzakelijk zijn. 4.Het college verstrekt geen maatwerkvoorziening indien de situatie van de cliënt niet (goed) kan worden beoordeeld doordat hij niet voldoet aan de medewerkingsplicht, bedoeld in artikel 2.3.8, derde lid, van de Wmo; 5.Het college verstrekt geen maatwerkvoorziening in de gevallen, bedoeld in artikel 2.3.5, zesde lid, en 2.3.6, vijfde lid, van de Wmo; 6.Het college verstrekt geen woonvoorziening: voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen; ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen, ADL-clusterwoningen en gehuurde kamers; voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte; indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is; indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daar vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college; als redelijkerwijs uitgegaan kan worden van renovatie. Artikel19.Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden 1.Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de Wmo en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met de derde; of een reële prijs die geldt als ondergrens voor: een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde, en de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 2.Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de Wmo, en rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de Wmo, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 3.Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen: de kosten van de beroepskracht; redelijke overheadkosten; kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; reis en opleidingskosten; indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. 4.Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een reële prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad. Artikel20.Regels voor bijdragen in de kosten voor Wmo maatwerkvoorzieningen 1.Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening in natura dan wel pgb, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt, en afhankelijk van het inkomen en vermogen van de cliënt en zijn echtgenoot. 2.De bedragen per vier weken, de inkomensdefinitie- en bedragen en de percentages die gelden voor de berekening van de eigen bijdrage zijn gelijk aan die genoemd in artikel 3.1, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 3.De kostprijs van een: maatwerkvoorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder; pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb. 4. In afwijking van hetgeen bepaald in lid 3 gelden voor de volgende voorzieningen de volgende bedragen voor het bepalen van de bijdrage in de kosten: € 20,-- per uur voor begeleiding; € 20,-- per dagdeel voor dagbesteding; € 20,-- per etmaal voor kortdurend verblijf. 5. In afwijking van hetgeen bepaald in lid 3 wordt bij hulpmiddelen uitgegaan van de kosten bij de laagst gecontracteerde aanbieder voor betreffend hulpmiddel. 6. Als de bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is verschuldigd, is de bijdrage verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt. 7. Het college vraagt geen bijdrage voor: voorzieningen voor inwoners onder de 18 jaar, uitgezonderd woningaanpassingen; een rolstoel en het onderhoud hiervan, maar voor voorzieningen die van de rolstoel een vervoersvoorziening maken, wordt wel een bijdrage gevraagd; het collectief vraagafhankelijk vervoer (CVV), hiervoor wordt een gereduceerd tarief (ritbijdrage) aan de inwoner gevraagd. 8. De bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb wordt gevraagd zolang de voorziening gebruikt wordt of tot de kostprijs bereikt is. 9. In afwijking van lid 8 geldt voor woningaanpassingen dat de bijdrage in de kosten voor maximaal drie jaar wordt geïnd. 10. In de gevallen bedoeld in artikel 2.1.4, zevende lid van de Wmo, worden de bijdragen voor een maatwerkvoorziening of pgb vastgesteld en geïnd door het CAK. Artikel21.Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen 1.Het college kan in overeenstemming met het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de Wmo, op aanvraag aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben een tegemoetkoming verstrekken ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie. 2.De maximale tegemoetkoming voor: verhuiskosten en inrichtingskosten bedraagt € 2.900,- per keer; aanschaf en onderhoud van een sportrolstoel of andere sportvoorziening bedraagt € 2.700,- voor een periode van minimaal drie jaar; het bezoekbaar maken van een woning bedraagt € 2.900 per keer; een autokostenvergoeding bedraagt € 750,- per jaar; een taxikostenvergoeding bedraagt € 1.600,- per jaar; een rolstoeltaxikostenvergoeding bedraagt € 2.100,- per jaar. 3.Een tegemoetkoming wordt uitsluitend verleend op aanvraag. Artikel 2.3.2 en 2.3.5 van de Wmo zijn van overeenkomstige toepassing. 4.De besteding van de tegemoetkoming moet in de vorm van een factuur bij het college worden verantwoord: binnen vier weken na realisatie bij een eenmalige tegemoetkoming, of binnen vier weken na het kwartaal waarop de tegemoetkoming betrekking had bij een periodieke tegemoetkoming. 5.De tegemoetkoming wordt vastgesteld en betaald binnen 8 weken na het ontvangen van de verantwoording. 6.Het college kan besluiten een voorschot te verlenen op de tegemoetkoming. 7.Als de werkelijke kosten lager zijn dan de aanvraag, wordt de tegemoetkoming op basis van de werkelijke kosten lager vastgesteld. Artikel22.Jaarlijkse waardering mantelzorgers Het college bepaalt bij nadere regeling waaruit de jaarlijkse waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente bestaat. Artikel23.Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning 1.Aanbieders van maatschappelijke ondersteuning zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, waaronder de eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten, door: het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie en de eigen mogelijkheden van de inwoner; het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg, specifiek de inzet van mantelzorg en het sociaal netwerk van de cliënt; erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard. 2.Het college kan nadere regels stellen omtrent de verdere eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. 3.In aanvulling op andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de inwoner ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. Hoofdstuk5Specifieke bepalingen Werk, re-integratie en tegenprestatie Paragraaf5.1Werk en re-integratie Artikel24.Budgetplafonds Het college kan budgetplafonds vaststellen voor de verschillende voorzieningen. Artikel25.Evenwichtige verdeling 1.Het college biedt aan een persoon uit de doelgroep ondersteuning bij de arbeidsinschakeling, en voor zover het college dat noodzakelijk acht een voorziening gericht op arbeidsinschakeling. 2.Bij de keuze van de mogelijkheden tot ondersteuning en aanbieden van voorzieningen, biedt het college maatwerk. Daarbij wordt door het college een afweging gemaakt of de voorziening, gelet op de mogelijkheden, capaciteiten en wensen van een persoon, het de meest doelmatige is met het oog op inschakeling in de arbeid. 3.Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de mogelijkheid dat die persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan: de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar, en de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg. Artikel26.Algemene bepalingen over voorzieningen 1.Het college kan ten aanzien van de voorzieningen, met inachtneming van hetgeen daarover in de Participatiewet en deze verordening is bepaald, nadere regels stellen. Deze regels kunnen betrekking hebben op: de voorwaarden waaronder een voorziening wordt aangeboden; de omvang en duur van de voorziening; de weigeringsgronden bij het aanvragen van voorzieningen; de aanvraag van, en de besluitvorming over loonkostensubsidies en werkgeverspremies; de betaling van subsidies en het verlenen van voorschotten; de intrekking of wijziging van de beschikking inzake de subsidieverlening of – vaststelling; overige criteria voor aanbieden van voorzieningen en het verstrekken van subsidies. 2.Het college kan een voorziening beëindigen als: de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de wet, de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet nakomt; de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep; de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze verordening genoemde voorzieningen, tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a onder 2o, van de Participatiewet; naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling; de voorziening naar het oordeel van het college niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de voorziening; de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening. Artikel27.Werkervaringsplaats 1.Het college kan een persoon een werkervaringsplaats gericht op arbeidsinschakeling aanbieden als deze: behoort tot de doelgroep, en een grote afstand tot de arbeidsmarkt heeft, of langer dan 12 maanden een uitkering heeft, of die nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt. 2.Het doel van een werkervaringsplaats is het opdoen van (specifieke) werkervaring, uitbreiden van kennis of het leren functioneren in een arbeidsrelatie. 3.In een schriftelijke overeenkomst wordt in ieder geval vastgelegd: het doel en de duur van de werkervaringsplaats, en de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt. 4.Het college vergoedt de naar zijn oordeel noodzakelijke reis- en of onkosten. 5.Het college plaatst de persoon uitsluitend als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaats vindt. Artikel28.Proefplaatsing 1.Het college kan een persoon uit de doelgroep een proefplaatsing aanbieden bij een werkgever die schriftelijk heeft bevestigd voornemens te zijn een dienstbetrekking van minimaal zes maanden, zonder proeftijd, met hem aan te gaan. 2.Het doel van een proefplaatsing is om te onderzoeken of een persoon geschikt is voor de functie, of als een kortdurende periode waarin de loonwaarde wordt vastgesteld voor de persoon die behoort tot de doelgroep zoals genoemd in artikel 41 van deze verordening. 3.De proefplaatsing duurt maximaal 2 maanden. 4.Het college plaatst de persoon uitsluitend als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaats vindt. Artikel29.Sociale activering 1.Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering als de mogelijkheid bestaat dat die persoon op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening. 2.Sociale activering heeft tot (eind-)doel personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt terug te leiden naar de arbeidsmarkt, of als dit nog niet mogelijk is, als tussendoel, te bevorderen dat personen zelfstandig kunnen deelnemen aan het maatschappelijk leven. 3.Het college stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die persoon. Artikel30.Detacheringsbaan 1.Het college kan een persoon die hoort tot de doelgroep en arbeidsvermogen heeft of een korte afstand tot de arbeidsmarkt heeft een dienstverband aanbieden. 2.De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd bij een onderneming. De detachering wordt vastgelegd in twee schriftelijke overeenkomsten: één tussen de werkgever en de inlenende organisatie en één tussen de werknemer en de inlenende organisatie. Artikel31.Begeleiding naar en tijdens werk 1.Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep begeleiding naar en tijdens werk aanbieden. 2.De voorziening heeft betrekking op doelgerichte werk- of re-integratietrajecten dan wel diagnose-instrumenten, of ter zake te maken kosten ter ondersteuning van die trajecten. Artikel32.Scholing 1.Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep van 27 jaar of ouder, die geen recht heeft op studiefinanciering en niet beschikt over een startkwalificatie of die in aanmerking is gebracht voor een Participatieplaats ex artikel 10a, vijfde lid, van de Participatiewet, een scholingstraject aanbieden. 2.Een scholingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende eisen: het bevordert de mogelijkheid tot arbeidsinschakeling en de (duurzame) uitstroom naar werk; het sluit aan bij de capaciteiten van de persoon; 3.Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep van 27 jaar of ouder, die geen recht heeft op studiefinanciering en die beschikt over een startkwalificatie een scholingstraject aanbieden, indien er sprake is van een concrete kans op een baan en de scholing noodzakelijk is voor het tot stand brengen van het dienstverband. 4.In aanvulling op de voorwaarden genoemd in lid 2 geldt voor de persoon als bedoeld in lid 3 dat de scholing kortdurend is (maximaal 3 maanden) en niet voltijds gevolgd wordt. Artikel33.Ondersteuning bij leer-werktraject Het college kan ondersteuning aanbieden aan een persoon uit de doelgroep van wie het college van oordeel is dat een leer-werktraject nodig is, voor zover deze ondersteuning nodig is voor het volgen van een leer-werktraject en het personen betreft: van 16 of 17 jaar van wie de leerplicht of kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet nog niet is geëindigd. Van 18 tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald. Artikel34.Participatieplaats 1.Het college kan een persoon van 27 jaar of ouder met recht op algemene bijstand overeenkomstig artikel 10a van de Participatiewet onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten. 2.Indien een persoon die in aanmerking is gebracht voor het verrichten van additionele werkzaamheden niet beschikt over een startkwalificatie, biedt het college, zes maanden na aanvang van de werkzaamheden op de participatieplaats, scholing of opleiding aan die gericht is op het vergroten van de kansen op de arbeidsmarkt, tenzij naar het oordeel van het college dergelijke scholing of opleiding de krachten of bekwaamheden van de persoon te boven gaan of als naar het oordeel van het college de scholing of opleiding niet bijdraagt aan vergroting van de kans op arbeidsinschakeling. 3.Het college zorgt ervoor dat de te verrichten additionele werkzaamheden worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst die wordt ondertekend door het college, de werkgever en de persoon die de additionele werkzaamheden gaat verrichten. 4.De premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de Participatiewet bedraagt 50 euro per zes maanden, mits in die zes maanden voldoende is meegewerkt aan het vergroten van de kans op inschakeling in het arbeidsproces. Artikel35.Participatievoorziening Beschut Werk 1.Het college biedt de voorziening beschut werk aan, aan een persoon van wie door het UWV is vastgesteld dat deze alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en deze persoon: behoort tot de doelgroep zoals in artikel 10b lid 1 Participatiewet; of een persoon is aan wie het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een uitkering verstrekt. 2.Het college wint bij het UWV advies in voor de beoordeling of zij uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Het college selecteert voor deze beoordeling uitsluitend personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt die geen perspectief hebben om regulier te werken, zoals is gebleken uit voorgaande traject(
  4. en)vanwege in de persoon gelegen factoren en geen doorstroom naar dienstbetrekking bij een reguliere werkgever mogelijk is. 3.Onverminderd het bepaalde in het eerste lid krijgt een persoon, van wie is vastgesteld dat deze alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en die nog niet in aanmerking is gekomen voor een beschut werkplek, omdat het aantal geraamde beschutte werkplekken in één jaar al is gerealiseerd, voorrang op personen van wie later is vastgesteld dat zij alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. 4.Om het in artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet, bedoelde beschut werken mogelijk te maken kan het college voorzieningen zoals bedoeld in deze verordening inzetten. 5.Tot het moment dat de dienstbetrekking beschut werk aanvangt biedt het college voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling aan, die aansluiten bij de mogelijkheden van de persoon. Artikel 36. Aanpassing werkplek en vervoersvoorziening 1. Het college kan een werkplekaanpassing aanbieden aan een werkgever die een werknemer uit de doelgroep met een arbeidsbeperking in dienst neemt voor wie die aanpassing naar het oordeel van het college noodzakelijk is om aan het werk te komen dan wel te blijven. De werkplekaanpassing is aan de persoon gerelateerd en is geen reguliere werkplekaanpassing. 2. De werkplekaanpassing wordt niet verstrekt aan een onderneming ten aanzien waarvan er een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerder besluit van de Europese Commissie waarbij de steun onrechtmatig en onverenigbaar is verklaard met de interne markt. 3. Het college kan een vervoersvoorziening voor woon-werkverkeer toekennen aan een persoon met een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking. Artikel37.Uitsplitsing van taken Het college kan een persoon uit de doelgroep met een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking en een grote afstand tot arbeidsmarkt aanbieden om met een werkgever de mogelijkheden van functiecreatie door uitsplitsing van taken te onderzoeken. Dit om zijn kansen op de arbeidsmarkt te vergroten. Artikel38.Persoonlijke ondersteuning Aan een persoon die behoort tot de doelgroep en een grote afstand tot de arbeidsmarkt heeft, kan het college persoonlijke ondersteuning (c.q. jobcoaching) op de werkplek in de vorm van systematische begeleiding aanbieden bij het verrichten van de aan die persoon opgedragen taken. Dit kan in de vorm van systematische begeleiding als hij zonder persoonlijke ondersteuning niet in staat is de aan hem opgedragen taken te verrichten. Artikel39.No-risk polis Werkgevers kunnen bij ziekte van de werknemer gebruik maken van de no-risk polis die het UWV aanbiedt voor personen uit de gemeentelijke doelgroepen banenafspraak en beschut werk. Artikel40.Werkgeverspremie 1.Het college kan een werkgeverspremie verstrekken aan werkgevers die met een kwetsbare of uiterst kwetsbare werknemer een arbeidsovereenkomst sluiten. 2.Onder kwetsbare werknemer wordt verstaan de persoon die: in de voorafgaande zes maanden geen reguliere betaalde betrekking heeft gevonden; of geen startkwalificatie bezit; of tussen 18 en 24 jaar, of ouder is dan 50 jaar is; of alleenstaande ouder is; of in de afgelopen twee jaar zijn opleiding in het voltijds onderwijs heeft voltooid en die zijn eerste reguliere, betaalde betrekking nog niet heeft gevonden; of die behoort tot een etnische minderheid in een lidstaat en van wie het profiel met betrekking tot talenkennis, beroepsopleiding of werkervaring moet worden bijgesteld om zijn vooruitzichten op het verkrijgen van vast werk te verbeteren. 3. Onder uiterst kwetsbare werknemer wordt verstaan de persoon die onmiddellijk voorafgaand aan de indiensttreding ten minste 24 maanden werkloos is geweest of gedurende ten minste twaalf maanden geen reguliere betaalde betrekking heeft gehad en behoort tot één van de categorieën b t/m e vermeld onder de definitie van kwetsbare werknemer in het voorgaande lid. 4. De werkgeverspremie wordt: aan werkgevers, niet zijnde uitzendbureaus, verstrekt bij een dienstverband van minimaal zes maanden met een inzet van minimaal 32 uur per week, en heeft een duur van ten hoogste twaalf maanden. aan uitzendbureaus verstrekt bij een uitzendovereenkomst van minimaal 8 uur per week werk voor een periode van minimaal 26 weken, en heeft een duur van ten hoogste 12 maanden. 5. Het college bepaalt de hoogte van de werkgeverspremie. 6. Er wordt geen werkgeverspremie verstrekt aan een werkgever die de uitkeringsgerechtigde al in dienst heeft genomen voorafgaand aan de aanvraag van de werkgeverspremie. 7. Indien de werknemer langer dan één maand voorafgaand aan de overeenkomst bij dezelfde werkgever heeft gewerkt met behoud van uitkering, komt de werkgever niet in aanmerking voor een werkgeverspremie. 8. Er wordt niet binnen één jaar een werkgeverspremie verstrekt voor eenzelfde functie die niet werd gecontinueerd. 9. De werkgeverspremie wordt uitsluitend verstrekt als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en geen verdringing plaats vindt. De vacature mag niet zijn ontstaan door afvloeiing. 10. De werkgeverspremie wordt niet verstrekt aan een onderneming ten aanzien waarvan er een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerder besluit van de Europese Commissie waarbij de steun onrechtmatig en onverenigbaar is verklaard met de interne markt. Artikel41.Loonkostensubsidie 1.Het college stelt vast of een persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie conform artikel 6 lid 1e uit de Participatiewet. 2.Het college gebruikt de in de bijlage omschreven wijze om de loonwaarde van een persoon vast te stellen. 3.Een arbeidsdeskundige adviseert met behulp van de Dariuz-methodiek het college met betrekking tot de vaststelling van de loonwaarde van een persoon. De arbeidsdeskundige neemt daarbij de in de bijlage omschreven methode in acht. 4.De loonkostensubsidie is beschikbaar voor mensen waarbij objectief is vastgesteld dat sprake is van beperkingen van lichamelijke, verstandelijke, psychische of andere aard die naar verwachting leiden tot een arbeidsprestatie met een loonwaarde van minder dan 70% van het wettelijk minimumloon. 5.De loonkostensubsidie wordt naar loonwaarde vastgesteld, maar bedraagt nooit meer dan 70% van het wettelijk minimumloon en de aanspraak op vakantietoeslag vermeerderd met een vergoeding voor werkgeverslasten zoals genoemd in artikel 10d lid 4 Participatiewet. 6. Vanaf het moment dat een persoon voor wie het college loonkostensubsidie aan een werkgever toekent ziek wordt, en de werkgever een uitkering op grond van de no-risk polis zoals bedoeld in artikel 39 van deze verordening ontvangt, wordt het recht op loonkostensubsidie opgeschort voor de duur van de uitkering van de no-risk polis. Te veel betaalde loonkostensubsidie wordt aan het einde van de arbeidsovereenkomst vastgesteld en dit wordt door de werkgever terugbetaald aan gemeente. 7.Het recht op loonkostensubsidie vervalt indien de werkgever geen salaris voor de persoon die behoort tot de doelgroep is verschuldigd. 8.Het college kan gedurende maximaal de eerste zes maanden van het dienstverband een forfaitaire loonkostensubsidie toekennen van 50 procent van het wettelijk minimumloon. Het college stelt nadere regels over de voorwaarden van een forfaitaire loonkostensubsidie. Artikel 42. Uitstroompremie 1.Het college kan eenmalig een uitstroompremie toekennen aan een langdurig werkloze van ouder dan 27 jaar die door een dienstverband van minimaal zes maanden uitstroomt naar algemeen geaccepteerde arbeid en daardoor niet langer recht heeft op algemene bijstand. 2.Een langdurig werkloze, genoemd in het eerste lid, is een persoon die gedurende een aaneengesloten periode van twaalf maanden of langer op een gemeentelijke uitkering aangewezen is, of is geweest. 3.Het college bepaalt de hoogte van de uitstroompremie in nadere regels. Paragraaf5.2Tegenprestatie Artikel43.Tegenprestatie naar vermogen naar hun aard niet zijn gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt; niet zijn bedoeld als re-integratieinstrument; worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de organisatie waarin ze worden verricht; en niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. Artikel44.Het opdragen van een tegenprestatie 1.Het college kan een belanghebbende met een grote afstand tot de arbeidsmarkt een tegenprestatie opdragen. 2.In afwijking van het eerste lid draagt het college geen tegenprestatie op aan: De belanghebbende die aantoonbaar vrijwilligerswerk verricht dat naar aard en omvang minimaal vergelijkbaar is met een tegenprestatie als bedoeld in de verordening de belanghebbende die mantelzorg verricht voor zover het verrichten van die mantelzorg naar het oordeel van het college redelijkerwijs noodzakelijk is. 3.Het college kan een belanghebbende met een korte afstand tot de arbeidsmarkt uitsluitend een tegenprestatie opdragen indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. 4.Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het college rekening met de volgende factoren: de tegenprestatie moet naar vermogen kunnen worden verricht door een belanghebbende; de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een belanghebbende moeten in aanmerking worden genomen; de persoonlijke wensen en kwaliteiten van een belanghebbende moeten in overweging worden genomen. Artikel45.Duur en omvang van een tegenprestatie 1.De tegenprestatie wordt opgedragen voor de maximale duur van 6 maanden. 2.De tegenprestatie wordt opgedragen voor maximaal 10 uren per week. 3.De tegenprestatie kan binnen een periode van 12 maanden slechts tweemaal worden opgedragen en omvat in die periode ten hoogste 26 dagen. Artikel46.Geen werkzaamheden voorhanden Het college draagt geen tegenprestatie op indien geen werkzaamheden voorhanden zijn die kunnen worden ingezet als tegenprestatie. Hoofdstuk6Specifieke bepalingen Inkomen Artikel47.Individuele inkomenstoeslag 1.Een persoon heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet als gedurende de referteperiode het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 130% van de toepasselijke bijstandsnorm. 2.Een individuele inkomenstoeslag bedraagt per kalenderjaar voor personen van 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd: voor gehuwden: € 538,00; voor een alleenstaande ouder: € 485,00; voor een alleenstaande: € 378,00. 3.Als één van de gehuwden is uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag ingevolge de artikelen 11 of 13, eerste lid, van de Participatiewet, komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. 4.Voor toepassing van de voorgaande leden is de situatie op de peildatum bepalend. 5.De bedragen genoemd in het eerste lid worden jaarlijks door het college geïndexeerd overeenkomstig de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek. Artikel48.Individuele Studietoeslag Het college beoordeelt of belanghebbende niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, maar wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. Het college kan arbeidskundig advies inwinnen ten behoeve van de beoordeling bedoeld in het eerste lid. Indien het college op basis van beschikbare gegevens van het Uitvoeringsinstituut Werkgeversverzekeringen, eventuele eerdere medische keuringen en informatie vanuit het netwerk, zoals bijvoorbeeld een onderwijsinstelling, de beoordeling bedoeld in het eerste lid kan maken, wint het geen arbeidskundig advies in. Het college beoordeelt of de opleiding bijdraagt aan het vergroten van de mogelijkheden op de arbeidsmarkt. Een persoon kan slechts eenmaal binnen een periode van twaalf maanden in aanmerking komen voor een individuele studietoeslag. Een individuele studietoeslag bedraagt maximaal € 150,00 netto per maand. Indien belanghebbende niet meer voldoet aan de voorwaarden als genoemd in artikel 36b van de Participatiewet vervalt het recht op de individuele studietoeslag per de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de persoon niet meer aan de voorwaarden voldoet. Een individuele studietoeslag wordt maandelijks, in twaalf gelijke delen uitbetaald Artikel49.1Tegemoetkoming kosten maatschappelijke participatie Het college kent een tegemoetkoming in de kosten van maatschappelijke participatie toe aan de volgende personen, mits zij ingezetenen zijn van de gemeente Waddinxveen: kinderen tot 18 jaar; personen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben of personen tussen 18 jaar en de pensioengerechtigde leeftijd, die chronisch ziek of gehandicapt zijn. Artikel49.2Het recht op tegemoetkoming Recht op tegemoetkoming bestaat wanneer het inkomen in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar waarin de in aanmerking te nemen kosten zijn gemaakt, onder de in artikel 49.3 genoemde inkomensgrens ligt. Het gestelde in lid 1 kan buiten toepassing worden gelaten indien het inkomen in het lopende kalenderjaar is gewijzigd. In dat geval wordt gekeken naar het netto inkomen op het moment van de aanvraag. Artikel49.3De inkomensgrens De hoogte van de inkomensgrens bedraagt 130% van de op dat moment geldende bijstandsnorm ingevolge de Participatiewet. Artikel49.4De vermogensgrens De vermogensgrens, genoemd in artikel 34 lid 2 van de Participatiewet is van toepassing op de regelingen maatschappelijke participatie. Artikel49.5De aanvraag 1.Indien er een tegemoetkoming wordt aangevraagd voor een kind, dient de aanvraag te geschieden door de ouder(
  5. s)of verzorger(
  6. s)bij wie dit kind inwoont. 2.Bij de aanvraag wordt verklaard dat de gevraagde vergoeding wordt besteed aan de voor de tegemoetkoming in aanmerking komende kosten. 3.Bij de aanvraag wordt verklaard dat de aanvrager instemt met een bestedingscontrole achteraf en op verzoek van het college de betaalbewijzen zal verstrekken. Artikel49.6Tegemoetkoming maatschappelijke activiteiten 1. De tegemoetkoming wordt verleend voor kosten op het gebied van sport, cultuur, recreatie of andere relevante maatschappelijke activiteiten die beoogt een sociaal isolement te voorkomen of te doorbreken. 2. De werkelijke kosten voor activiteiten en materialen, genoemd in lid 1, worden vergoedt tot een maximum van € 102,- per persoon per kalenderjaar. 3. In aanvulling op het voorgaande lid: kunnen personen tot 18 jaar lid zijn van één sportvereniging in de regio Midden-Holland of één cursus per kalenderjaar volgen bij Stichting Vonk Waddinxveen. De werkelijke kosten (lidmaatschap of cursus) van één activiteit worden volledig vergoed. bedraagt de tegemoetkoming voor personen ouder dan 18 jaar, 50% van de werkelijke kosten per persoon per kalenderjaar voor een cursus bij Stichting Vonk Waddinxveen of Palet Welzijn Waddinxveen. 4. De bedragen genoemd in het tweede lid worden jaarlijks door het college geïndexeerd overeenkomstig de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek. Artikel49.7Tegemoetkoming schoolkosten 1.De tegemoetkoming wordt verleend voor schoolkosten van een of meer kinderen die in groep 8 zitten van het basisonderwijs of voortgezet onderwijs tot en met de leeftijd van 17 jaar, die ten laste komen van rechthebbende. 2.De werkelijke kosten per schooljaar worden vergoedt tot een maximum van € 215,- per kind. 3.In tegenstelling tot lid 2 bedraagt de tegemoetkoming maximaal € 429,- in het schooljaar dat het kind in groep 8 van het basisonderwijs zit. 4.De bedragen genoemd in het tweede en derde lid worden jaarlijks door het college geïndexeerd overeenkomstig de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek. Artikel49.8Collectieve ziektekostenverzekering Met toepassing van artikel 35 lid 3 van de Participatiewet kan een rechthebbende deelnemen aan een door de gemeente gesloten collectieve aanvullende zorgverzekering. Artikel49.9Bijstand aan chronisch zieken en gehandicapten 1.Er wordt voor de werkelijke kosten maximaal een bedrag van € 150,- per jaar aan bijzondere bijstand verstrekt voor de meerkosten die verband houden met de chronische ziekte of handicap. 2.De tegemoetkoming wordt verleend aan personen die een uitkering op grond van de WIA, WAO,WAZ of Wajong ontvangen met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 – 100% of met een indicatie van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) die langer dan 6 maanden geldig is of die een maatwerkvoorziening ontvangen op grond van de Wmo of een verklaring hebben van een onafhankelijk indicatieorgaan waaruit blijkt dat er sprake is van een chronische ziekte of handicap (bijvoorbeeld begeleidingskaart voor het openbaar vervoer). Hoofdstuk7Specifieke bepalingen leerlingenvervoer Paragraaf7.1Algemene bepalingen Artikel50.De door het college noodzakelijk te achten voorziening leerlingenvervoer 1.Ten behoeve van het schoolbezoek kent het college aan de ouders van in de gemeente verblijvende leerlingen op aanvraag een voorziening leerlingenvervoer toe met inachtneming van het bepaalde in deze verordening. 2.Indien het college toepassing geeft aan het eerste lid, verlangt zij van de ouders aan wie slechts een gedeeltelijke bekostiging van de vervoerskosten toekomt, betaling van een bijdrage tot ten hoogste het bedrag dat de ouders volgens het bepaalde in deze verordening moeten bijdragen aan de kosten van het vervoer. Weigering tot of nalatigheid in de betaling van de in de vorige volzin bedoelde bijdrage doet de aanspraak op de vervoersvoorziening vervallen. 3.De bepalingen in dit hoofdstuk laten onverlet de verantwoordelijkheid van de ouders voor het schoolbezoek van hun kinderen. 4.Indien de leerling meerderjarig en handelingsbekwaam is, wordt de voorziening leerlingenvervoer op aanvraag verstrekt aan de leerling. Artikel51.Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school 1.Een vervoersvoorziening wordt toegekend over de afstand tussen de woning dan wel de opstapplaats en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school, tenzij vervoer naar een verder weggelegen school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen en de ouders met het vervoer naar die school schriftelijk instemmen. 2.Indien ouders een vervoersvoorziening aanvragen voor het bezoeken van een school, die op grotere afstand van de woning is gelegen dan een andere school van dezelfde onderwijssoort, ontstaat slechts aanspraak op een vervoersvoorziening naar eerstgenoemde school als door de ouders schriftelijk wordt verklaard dat zij overwegende bezwaren hebben tegen het openbaar onderwijs dan wel tegen de richting van het onderwijs van alle bijzondere scholen, van de soort waarop de leerling is aangewezen, die dichterbij de woning zijn gelegen. 3.Het college betrekt bij de beoordeling van de aanvraag van een vervoersvoorziening het ondersteuningsplan onderwijs, zoals dat is vastgesteld door het samenwerkingsverband na overleg met het college. Artikel52.Toekenning vervoersvoorziening 1.Het college bepaalt bij de toekenning van de vervoersvoorziening de wijze en het tijdstip van de verstrekking dan wel de uitbetaling, alsmede de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening. 2.Indien een vervoersvoorziening wordt toegekend geldt deze: wanneer het een bekostiging betreft, met ingang van de door de ouders verzochte datum, met dien verstande dat de datum niet ligt vóór de datum van ontvangst van de aanvraag; wanneer het een aanbieding van aangepast vervoer betreft, met ingang van een datum die zo mogelijk aansluit bij de door de ouders verzochte datum. Artikel53.Peildatum leeftijd leerling Voor het toekennen van een vervoersvoorziening op basis van dit hoofdstuk is bepalend de leeftijd van de leerling op 1 augustus van het schooljaar waarop de voorziening betrekking heeft. Artikel54.Andere vergoedingen De aanspraak op een toelage, voor zover die voor de betreffende leerling betrekking heeft op de reiskosten, wordt op een bekostiging in mindering gebracht, dan wel als eigen bijdrage in rekening gebracht. Paragraaf7.2Bepalingen omtrent het vervoer van leerlingen van scholen voor primair onderwijs Artikel55.Algemene bepalingen omtrent het vervoer van leerlingen van scholen voor primair onderwijs 1.In deze paragraaf wordt verstaan onder school: een basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs; of een school voor speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra. 2.Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3 wordt een vervoersvoorziening verstrekt over de afstand tussen de woning dan wel de opstapplaats en: de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is, of een andere speciale school voor basisonderwijs in het onder a bedoelde samenwerkingsverband, indien het vervoer naar die school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen dan het vervoer naar de speciale school voor basisonderwijs, bedoeld onder a. Artikel56.Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per fiets 1.Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een school zoals bedoeld onder artikel 55 bezoekt bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer, indien de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde voor hem toegankelijke school meer dan zes kilometer bedraagt. 2.Indien aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in het eerste lid en de leerling naar het oordeel van het college, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets, verstrekt het college de ouders bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets. Artikel57.Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer of vervoer per fiets ten behoeve van een begeleider 1.Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een school zoals bedoeld onder artikel 55 bezoekt bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer of vervoer per fiets van de leerling en een begeleider indien: aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 56 en de leerling jonger dan negen jaar is, en door de ouders ten behoeve van het college genoegzaam wordt aangetoond dat de leerling niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken, of de leerling door een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken. 2.Indien een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt, komen slechts de kosten van het vervoer ten behoeve van één begeleider voor bekostiging in aanmerking. Artikel58.Vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer 1.Het college verstrekt een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school zoals bedoeld onder artikel 55 bezoekt, indien: aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in de artikelen 56 of 57 en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug, meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht; aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in de artikelen 56 of 57 en openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel van het college al dan niet onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per fiets; aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 57 en door de ouders ten behoeve van het college genoegzaam wordt aangetoond dat begeleiding van de leerling door henzelf of anderen onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een andere oplossing niet mogelijk is; of de leerling, naar het oordeel van het college, gelet op zijn structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap niet in staat is – ook niet onder begeleiding –van openbaar vervoer gebruik te maken. 2. Indien begeleiding in het aangepast vervoer vereist is, vergoedt het college geen andere kosten dan de vervoerskosten welke verbonden zijn aan de begeleiding van de leerling in het aangepast vervoer. Artikel59.Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer 1.Indien aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het college de ouders op aanvraag toestaan een of meer leerlingen zelf te vervoeren of te laten vervoeren. 2.Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, bekostigt het college aan de ouders die een leerling zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren: een bedrag op basis van de kosten van het openbaar vervoer, indien aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer, behoudens het bepaalde in het vierde lid; of een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto, afgeleid van de Reisregeling binnenland, indien aanspraak zou bestaan op een voorziening in de vorm van aangepast vervoer. 3. Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, bekostigt het college aan de ouders die meer dan een leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto afgeleid van de Reisregeling binnenland, behoudens het bepaalde in het vierde lid. Deze vergoeding beperkt zich tot de rit(ten) waarin de leerling wordt vervoerd. 4. Indien aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening en het college desgewenst toestaat, dan wel van oordeel is, dat de leerling gebruik kan maken van het vervoer per fiets, bekostigt het college aan de ouders een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de fiets, afgeleid van de Reisregeling binnenland. Artikel60.Drempelbedrag 1.Aan de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs, zoals bedoeld in de Wet op het primair onderwijs bezoekt, van wie het inkomen tezamen meer bedraagt dan € 25.650,- wordt slechts bekostiging verstrekt voor zover de kosten van het vervoer van die leerling de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 56 bepaalde afstand te boven gaan. 2.In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te kennen het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, betalen de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, per leerling per schooljaar een eigen bijdrage die gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 56 bepaalde afstand, indien het inkomen van de ouders meer bedraagt dan € 25.650,-. 3.De kosten voor openbaar vervoer, genoemd in het eerste en tweede lid, betreffen de kosten van openbaar vervoer die bij gebruik van de OV-chipkaart of een andere binnen de gemeente geldende OV-betaalmogelijkheid voor de in artikel 56 bepaalde afstand redelijkerwijs zouden worden gemaakt, ongeacht de aanwezigheid van openbaar vervoer of het daadwerkelijk gebruik ervan. Bij het bepalen van de kosten wordt rekening gehouden met de kortingen die voor de leerling binnen het systeem kunnen gelden. 4.Het bedrag van € 25.650,- genoemd in het eerste en tweede lid, wordt jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van het voorafgaande jaar en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 450,-. Het aangepaste bedrag treedt in plaats van het in het eerste en tweede lid genoemde bedrag van € 25.650,-. 5.Deze bepaling is niet van toepassing op leerlingen die wegens hun structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, dan wel vanwege een zodanige handicap niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken. Artikel61.Financiële draagkracht 1. Indien de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor basisonderwijs (zoals bedoeld in de Wet op het primair onderwijs) meer dan 20 km bedraagt, wordt de vastgestelde bekostiging verminderd met een van de financiële draagkracht van de ouders afhankelijk bedrag. 2. In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te kennen het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, en de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor basisonderwijs meer dan 20 km bedraagt, betalen de ouders een van de financiële draagkracht afhankelijke bijdrage tot ten hoogste het bedrag van de kosten van het vervoer. 3. De hoogte van het bedrag als bedoeld in het eerste lid en de bijdrage als bedoeld in het tweede lid worden berekend per gezin en zijn afhankelijk van de hoogte van het inkomen van de ouders. Zij bedragen (schooljaar 2017-2018): Inkomen in euro’s Eigen bijdragen in euro’s € 0- € 34.000 Nihil € 34.000- € 41.000 € 145 € 41.000- € 47.500 € 600 € 47.500- € 53.500 € 1.120 € 53.500- € 61.000 € 1.635 € 61.000- € 67.500 € 2.155 € 67.500 en verder Voor elke extra € 5.000: € 530 erbij 4. De inkomensbedragen, genoemd in het derde lid, worden jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 500,-. 5. De bedragen van de eigen bijdrage, bedoeld in het derde lid, worden jaarlijks aangepast aan de wijziging die het consumentenprijsindexcijfer van de reeks alle huishoudens op het onderdeel vervoersdiensten heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 5,-. 6. Deze bepaling is niet van toepassing op leerlingen die wegens hun structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, dan wel vanwege een zodanige handicap niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken. Paragraaf7.3Bepalingen omtrent het vervoer van leerlingen van scholen voor voortgezet onderwijs Artikel62.Algemene bepalingen omtrent het vervoer van leerlingen van scholen voor voortgezet onderwijs In deze paragraaf wordt verstaan onder school: een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs; of een school voor voortgezet speciaal onderwijs of een school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra. Artikel63.Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer met begeleiding en vervoer per fiets 1.Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een school zoals bedoeld onder artikel 62 bezoekt bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer van de leerling en een begeleider, indien de leerling door een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken. 2.Indien een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt, komen slechts de kosten van het vervoer ten behoeve van één begeleider voor bekostiging in aanmerking. 3.In afwijking van de bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer, zoals bedoeld in het eerste lid, verstrekt het college de ouders bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets, indien de leerling naar het oordeel van het college onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per fiets. Artikel64.Vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer 1.Het college verstrekt een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school zoals bedoeld onder artikel 62 bezoekt, indien: aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 63 en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug, meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht; aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 63 en openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel van het college onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per fiets; aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 63 en door de ouders ten behoeve van het college genoegzaam wordt aangetoond dat begeleiding van de leerling door henzelf of anderen onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een andere oplossing niet mogelijk is; of de leerling, naar het oordeel van het college, gelet op zijn structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap niet in staat is – ook niet onder begeleiding – van openbaar vervoer gebruik te maken. 2.Indien begeleiding in het aangepaste vervoer vereist is, vergoedt het college geen andere kosten dan de vervoerskosten welke verbonden zijn aan de begeleiding van de leerling in het aangepaste vervoer. Artikel65.Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer 1.Indien aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het college de ouders op aanvraag toestaan een of meer leerlingen zelf te vervoeren of te laten vervoeren. 2.Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, bekostigt het college aan de ouders die een leerling zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren: een bedrag op basis van de kosten van het openbaar vervoer, indien aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer, behoudens het bepaalde in het vijfde lid; een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto, afgeleid van de Reisregeling binnenland, indien aanspraak zou bestaan op een voorziening in de vorm van aangepast vervoer. 3.Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, bekostigt het college aan de ouders die meer dan een leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto afgeleid van de Reisregeling binnenland, behoudens het bepaalde in het vierde lid. Deze bekostiging beperkt zich tot de rit(ten) waarin de leerling wordt vervoerd. 4.Indien aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening en het college desgewenst toestaat, dan wel van oordeel is, dat de leerling gebruik kan maken van het vervoer per fiets, bekostigt het college aan de ouders een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de fiets, afgeleid van de Reisregeling binnenland. Paragraaf7.4Bepalingen omtrent weekeinde- en vakantievervoer Artikel66.Toekenning vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie aan in de gemeente wonende ouders Met inachtneming van artikel 51 kent het college desgewenst een vervoersvoorziening voor het weekeinde- en vakantievervoer toe aan de in de gemeente wonende ouders van de leerling die, met het oog op het volgen van voor hem passend (voortgezet) speciaal onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijft, volgens het bepaalde in deze paragraaf. Artikel67.Voorziening leerlingenvervoer voor weekeinde en vakantie 1.Het college kent aan de ouders een voorziening leerlingenvervoer toe voor het weekeindevervoer van de leerling voor de, eenmaal per weekeinde gemaakte, reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voor zover de weekeinden niet vallen binnen de in het tweede lid bedoelde schoolvakanties. 2.Het college kent aan de ouders een voorziening leerlingenvervoer toe voor het vakantievervoer van de leerling voor de, eenmaal per schoolvakantie van twee dagen of meer, gemaakte reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voor zover de vakantie voorkomt in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt. 3.Paragraaf 7.2 en 7.3 van deze verordening zijn van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van artikel 58 en 64, beide eerste lid, aanhef en onder a. Hoofdstuk8Wijzigingen, handhaving en maatregelen Paragraaf8.1Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking en terugvordering Artikel68.Nieuwe feiten en omstandigheden 1.Een inwoner doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een besluit aangaande het recht, op de hoogte of de duur van een (maatwerk)voorziening. 2.Indien sprake is van een wijziging die van invloed is op de toegekende maatwerkvoorziening vervalt de aanspraak daarop en kent het college al dan niet opnieuw een voorziening toe. 3.Indien de inwoner niet voldoet aan het bepaalde in het eerste lid, en het college een wijziging als bedoeld in het tweede lid vaststelt, waardoor blijkt dat ten onrechte een maatwerkvoorziening is verstrekt, vervalt de aanspraak op de voorziening terstond en kent het college al dan niet opnieuw een voorziening toe. Het college deelt zijn besluit schriftelijk mee. Artikel69.Terugvordering en intrekken 1.Het besluit tot verstrekken van de maatwerkvoorziening danwel de kosten van deze voorziening alsook deze voorziening in de vorm van een uitkering krachtens de Participatiewet, zijnde kosten van bijstand, kan worden ingetrokken respectievelijk kunnen worden teruggevorderd indien: De tot de maatwerkvoorziening gerechtigde inwoner in het kader van de aanvraag onjuiste, verouderde of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid; De betreffende inwoner weigert te voldoen aan nader gestelde verplichtingen; De inwoner niet langer voldoet aan gestelde voorwaarden; De inwoner de maatwerkvoorziening niet of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor deze bestemd is of Een pgb binnen drie maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor het pgb is verleend; De omstandigheden en/of feiten zoals gesteld in artikel 58 lid 1 en 2 en 59 Participatiewet zich voordoen en voorts in de gevallen zoals bedoeld in de artikelen 25 tot en met 31 van de IOAW en de IOAZ voorzover zich daar geen andere wettelijke regeling tegen verzet. 2.Als het college een besluit op grond van het eerste lid heeft ingetrokken kan het college van degene die onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt geheel of gedeeltelijk de geldswaarde terugvorderen danwel deze verrekenen met een eventuele nieuw te verstrekken maatwerkvoorziening. 3.Ingeval het recht op een in eigendom of bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken kan deze voorziening worden teruggevorderd. 4.Het college kan van terugvordering afzien wanneer hiervoor dringende redenen aanwezig zijn. 5.Voor terug- en invordering wordt gebruik gemaakt van de Algemene wet bestuursrecht, het privaatrecht en de regels voor terugvordering van bijstand zoals bedoeld in de Participatiewet. 6.Het college ziet af van terugvordering wanneer het totaal te vorderen bedrag lager is of gelijk aan 50 euro per kalenderjaar. 7.Het college stelt beleidsregels vast voor de uitvoering van de terugvordering als bedoeld onder lid 1 f. Paragraaf8.2Afstemming Participatiewet, IOAW en IOAZ Artikel70.Het besluit tot opleggen van een verlaging In het besluit tot het opleggen van een verlaging van de uitkering als bedoeld in de artikelen 9a, twaalfde lid, en 18, tweede, vijfde en zesde lid, van de Participatiewet, de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de IOAW en de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de IOAZ worden in ieder geval vermeld de reden van de verlaging; de duur van de verlaging; het bedrag of percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd, en indien van toepassing, de reden om af te wijken van de standaardverlaging. Artikel71.Afzien van verlaging 1.Het college ziet af van een verlaging als: elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, of als de gedraging meer dan één jaar voor constatering daarvan door het college heeft plaatsgevonden. 2.Het college kan geheel of gedeeltelijk afzien van een verlaging als het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. 3.Als het college afziet van een verlaging op grond van dringende redenen, wordt een belanghebbende hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld. Artikel72.Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging 1.Indien het besluit tot afstemming vóór de 15e van een maand bekend wordt gemaakt, kan de verlaging worden toegepast over diezelfde kalendermaand. 2.Wordt het besluit tot afstemming na de 15e aan belanghebbende bekendgemaakt, dan kan de verlaging eerst worden toegepast over de eerstvolgende kalendermaand. 3.In afwijking van het eerste lid kan de verlaging over voorliggende maanden worden toegepast, voor zover de bijstand over deze maanden nog niet is uitbetaald. 4.Indien de verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan worden gelegd omdat het recht op bijstand is beëindigd, wordt aan belanghebbende medegedeeld dat (het resterende deel van) de verlaging ten uitvoer wordt gelegd indien hij binnen een jaar na die mededeling opnieuw een uitkering ontvangt. Artikel73.Berekeningsgrondslag 1.Een verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm. 2.In afwijking van het eerste lid kan een verlaging worden toegepast op de bijzondere bijstand als: aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet, of de verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie met zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding geeft. 3. Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel a, moet in de artikelen 74.1 tot en met 78 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘bijstandsnorm inclusief de op grond van artikel 12 van de Participatiewet verleende bijzondere bijstand’. 4. Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel b, moet in de artikelen 74.1 tot en met 78 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘de verleende bijzondere bijstand’. Artikel74.Niet nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling Artikel 74.1 Gedragingen Participatiewet Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op grond van de artikelen 9, 9a en 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; tweede categorie: 1°. het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de Participatiewet; 2°. het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9, eerste lid, of 55 van de Participatiewet, voor zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na een melding als bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid, van de Participatiewet, voor zover deze verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet; 3°. het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet; 4°. het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet; derde categorie: het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen in de gemeente van inwoning voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet. Artikel74.2Niet meewerken aan taaltoets Het niet meewerken aan het afnemen van een taaltoets zoals bedoeld in artikel 18b lid 2 van de Participatiewet wordt aangemerkt als een gedraging van de tweede categorie zoals bedoeld in artikel 74.1 van deze verordening. Artikel74.3Gedragingen IOAW en IOAZ Gedragingen van een belanghebbende waardoor of een verplichting op grond van de artikelen 37 en 38 van de IOAW of de artikelen 37 en 38 van de IOAZ niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; tweede categorie: 1°. het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling; 2°. het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 36, eerste lid, en artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening; 3°. het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 38, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; 4°. het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; derde categorie: het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW en de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAZ, voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening. Artikel74.4Hoogte en duur van de verlaging De verlaging bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 74.1 en 74.3, wordt vastgesteld op: 10%van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de eerste categorie; 50% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de tweede categorie; 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de derde categorie. Artikel75.Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling 1.Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de verlaging 100 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand. 2.Het bedrag van de verlaging, bedoeld in lid 1, wordt toegepast over de maand van oplegging van de maatregel en de volgende twee maanden als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. 3.Als sprake is van een verlaging op grond van artikel 18, vierde lid, onderdeel a, van de Participatiewet, vindt geen verrekening als bedoeld in het tweede lid plaats. Artikel76.Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid 1. Indien de belanghebbede een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond in artikel 18, tweede lid, van de wet, wordt de bijstand verlaagd, naar gelang de hoogte van het behandelingsbedrag. 2. Onverminderd artikel 70 wordt de verlaging als volgt vastgesteld: indien de belanghebbende bijzondere bijstand aanvraagt voor kosten waarvoor hij aanspraak had kunnen maken op een voorliggende voorziening: 100% van het benadelingsbedrag; indien de belanghebbende algemene bijstand aanvraagt voor kosten waarvoor hij aanspraak had kunnen maken op een voorliggende voorziening: 100% van het benadelingsbedrag, tenzij het inkomen van belanghebbende hierdoor langdurig veel lager zou zijn dan de toepasselijke bijstandsnorm minus de verlaging die het college zou toepassen; indien de belanghebbende zijn middelen onverantwoord besteedt: 20% van de bijstandsnorm gedurende de periode dat belanghebbende bij verantwoorde besteding van de middelen nog geen beroep de bijstand had hoeven doen; indien belanghebbende de hem opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 van de wet niet nakomt: 50% van de bijstandsnorm gedurende een maand. Artikel77.Zeer ernstige misdraging 1.Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de Participatiewet als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van die wet, tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de IOAW als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder g, van die wet of tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de IOAZ als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder g, van die wet, wordt een verlaging opgelegd van: 100% van de bijstandsnorm gedurende drie maanden bij het uitoefenen van fysiek geweld tegen de in het eerste lid genoemde personen; 50% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij het uitoefenen van fysiek geweld tegen materiële zaken en bij mondelinge of schriftelijke bedreigingen gericht tegen de in het eerste lid genoemde personen. 2. Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het college of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, wordt een verlaging opgelegd van: 100% van de bijstandsnorm gedurende drie maanden bij het uitoefenen van fysiek geweld tegen de in het tweede lid genoemde personen; 50% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij het uitoefenen van fysiek geweld tegen materiële zaken en bij mondelinge of schriftelijke bedreigingen gericht tegen de in het tweede lid genoemde personen. Artikel78.Niet nakomen van overige verplichtingen Als een belanghebbende een door het college opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, wordt een verlaging toegepast. De verlaging wordt vastgesteld op: 20% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling; 20% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand; 40% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand; 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand. Artikel79.Samenloop van gedragingen 1.Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld. 2.Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van één of meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is. 3.Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, wordt geen verlaging opgelegd, voor zover voor die schending een bestuurlijke boete wordt opgelegd. 4.Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is. Artikel80.Recidive 1.Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in artikel 74.1sub b en c, artikel 74.3 sub b en c, artikel 77 eerste lid, sub b, en artikel 77 tweede lid, sub b, of artikel 78 opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt de uitkering bij de eerste herhaling verlaagd gedurende 2 maanden, en bij een volgende herhaling gedurende 3 maanden. 2.Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in artikel 74.1sub a, of artikel 74.3 sub a, schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt telkens de hoogte van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld. 3.Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet, wordt de uitkering bij de eerste herhaling met 100% van de bijstandsnorm verlaagd gedurende 2 maanden. 4.Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in artikel 77 eerste lid, sub a of artikel 77, tweede lid, sub a, opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt de uitkering steeds (met 100%) verlaagd voor 3 maanden. Artikel81.Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ Als het college de uitkering op grond van artikel 20, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 20, tweede lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen blijvend of tijdelijk weigert en de gedraging die tot deze weigering heeft geleid tevens op grond van deze verordening tot een verlaging zou kunnen leiden, blijft een verlaging ter zake van die gedraging achterwege. Artikel82.Nalatigheid IOAW/IOAZ 1.Het college kan de uitkering tijdelijk weigeren naar de mate waarin de belanghebbende inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 van de IOAW of de IOAZ zou hebben kunnen verwerven, als: aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en een persoon ter zake een verwijt kan worden gemaakt, of de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van een persoon zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd. 2.Het college kan de uitkering blijvend weigeren naar de mate waarin de belanghebbende inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 van de IOAW van de IOAZ zou hebben kunnen verwerven, als een persoon: nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden, of door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt. Artikel83.Handhaving Artikel 83.1 Opdracht aan het college1.Het college zorgt voor de rechtmatige en doelmatige uitvoering van de Participatiewet, IOAW en IOAZ, waaronder de bestrijding van fraude en van misbruik en oneigenlijk gebruik en stelt hiertoe periodiek doch in elk geval eens per vier jaar een beleidsplan vast. 2.Het college maakt zoveel mogelijk gebruik van de middelen die de Participatiewet, IOAW en IOAZ biedt om misbruik en oneigenlijk gebruik van deze wetten tegen te gaan. 3.Het college informeert de raad periodiek over de in het eerste lid bedoelde uitvoering. Artikel83.2Verhaal Het college verhaalt de kosten van bijstand boven een nader door het college te bepalen bedrag, en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 61 en 62 van de Participatiewet, voor zover zich hier geen andere wettelijke regel tegen verzet. Van verhaal wordt afgezien, als daarvoor zeer dringende redenen aanwezig zijn. Het college stelt beleidsregels vast voor de uitvoering van het bepaalde in het eerste lid. Artikel83.3Aangifte Indien een gedraging van de belanghebbende leidt tot benadeling van de gemeente, doet het college, onverminderd de verplichting de ten onrechte verstrekte bijstand of inkomensvoorziening terug te vorderen, aangifte bij het Openbaar Ministerie, in overeenstemming met de door de wetgever en het Openbaar Ministerie hiervoor gehanteerde uitgangspunten. Hoofdstuk9Cliëntenparticipatie en klachten Artikel84.Betrekken van ingezetenen en belangenbehartigers bij het beleid Het college betrekt ingezetenen van de gemeente waaronder in ieder geval cliënten of vertegenwoordigers van cliëntgroepen zijnde dezen verzameld en vertegenwoordigd door de Participatieadviesraad, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning, participatie en jeugd overeenkomstig de door de Raad van de Gemeente op 16 december 2015 vastgestelde “Verordening participatieadviesraad sociaal domein Waddinxveen 2015”. Artikel85.Klachtenregeling 1.Het college handelt klachten af overeenkomstig de door de gemeente gestelde klachtenregeling. 2.Aanbieders met wie de gemeente een contract heeft gesloten hebben een regeling vastgesteld voor de afhandeling van klachten van cliënten. 3.In aanvulling op andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtenregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Artikel86.Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning 1.Aanbieders met wie de gemeente een contract heeft gesloten of aan wie de gemeente subsidie heeft verleend, hebben een cliëntenraad die belast is met de behartiging van de gemeenschappelijke belangen van de cliënten van de aanbieder. 2.Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de voorwaarden waaraan een cliëntenraad moet voldoen. Hoofdstuk10Overige bepalingen Artikel87.Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen in het voordeel van de inwoner afwijken van de bepalingen in deze verordening, als toepassing van deze verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel88.Meldingsregeling calamiteiten en geweld Wmo 1.Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder van maatschappelijke ondersteuning en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan als bedoeld in artikel 6 lid 1 van de Wmo. 2.Aanbieders van maatschappelijke ondersteuning melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening direct aan de toezichthoudend ambtenaar. 3.De toezichthoudend ambtenaar als bedoeld in artikel 6 lid 1 van de Wmo doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. 4.Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening. Hoofdstuk11Slotbepalingen Artikel89.Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1.De volgende verordeningen worden ingetrokken Verordening maatschappelijke ondersteuning Waddinxveen 2016; Verordening jeugdhulp Waddinxveen 2016; Verordening leerlingenvervoer gemeente Waddinxveen 2012; Verordening Regeling bijdrage maatschappelijke activiteiten 2015; Verordening maatschappelijke participatie; Verordening tegenprestatie Participatiewet, IOAW en IOAZ Waddinxveen 2015; Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive Participatiewet, Waddinxveen 2015; Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ Waddinxveen 2015 Verordening Individuele Studietoeslag Waddinxveen 2015; Verordening Individuele Inkomenstoeslag Waddinxveen 2015; Re-integratieverordening Waddinxveen 2015. Handhavingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015, gemeente Waddinxveen. 2.Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de in lid1genoemde verordeningen totdat het college een nieuw besluit heeft genomen. 3.Aanvragen die zijn ingediend onder de onder lid 1 genoemde verordeningen maar waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze Verordening. Artikel90.Inwerkingtreding en citeertitel 1.Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2018. 2.Deze verordening wordt aangehaald als Verordening sociaal domein Waddinxveen 2018. Toelichting op de Verordening sociaal domein Waddinxveen Sinds 2015 is er veel veranderd in het sociaal domein. Taken die voorheen door het rijk en door provincies uitgevoerd werden, worden nu door de gemeenten uitgevoerd. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de jeugdzorg, de uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015), de uitvoering van de Participatiewet en het leerlingenvervoer. Deze bredere verantwoordelijkheid voor gemeenten is voor Waddinxveen aanleiding geweest om een integrale vorm van ondersteuning aan inwoners te ontwikkelen. Het doel hierbij is dat inwoners met vragen en problemen zo min mogelijk geconfronteerd worden met verschillende hulpverleners, organisaties en schotten tussen organisaties en één aanspreekpunt binnen de gemeente hebben. In het kader van deze doelstelling is een volgende logische stap dat één integrale verordening voor de betreffende beleidsterreinen tot stand komt. Deze ‘Verordening Sociaal Domein’ ligt nu voor u. Visie In regionaal verband is een visie ontwikkeld op welke wijze na de decentralisatie in 2015 de taken door de gemeenten worden uitgevoerd. Deze visie is beschreven in de nota “Gebundelde krachten” en in 2014 door de gemeenteraad van Waddinxveen vastgesteld. De kern is dat iedere inwoner zoveel als mogelijk meedoet in de samenleving. Er zijn zeven uitgangspunten geformuleerd: De inwoner staat centraal. Eigen kracht vormt de basis. Iedereen kan meedoen. De gemeente voert regie en stuurt op resultaat. Er wordt geïnvesteerd in preventie. Er is sprake van 1 cliënt/gezin-1 plan/aanpak-1 regisseur/hulpverlener. Iedereen geeft het goede voorbeeld. Inwoners van de gemeente Waddinxveen zijn in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor de inrichting van hun leven en voor het aanpakken van problemen, die zich kunnen voordoen. Veel inwoners zijn gelukkig in staat om op eigen kracht of met behulp van hun sociale netwerk vraagstukken aan te pakken en op te lossen. Het denken en handelen vanuit de mogelijkheden van mensen in plaats van de beperkingen en problemen helpt daarbij. De gemeente biedt hierbij ondersteuning in de vorm van diverse algemene voorzieningen, die de eigen kracht van inwoners en de onderlinge hulpverlening (kunnen) versterken. De rol van de gemeente verschuift hierbij van ‘zorgen voor’ naar ‘zorgen dát’. Integrale beoordelingRealisatie van de hierboven genoemde uitgangspunten vereist een integrale beoordeling van door inwoners aangedragen problematiek/hulpvragen. Bij de uitvoering hiervan speelt het sociaal team een centrale rol. Vanaf de start geldt het principe 1 cliënt/gezin-1 plan/aanpak-1 regisseur/hulpverlener. Het gaat hierbij onder meer om snelle (h)erkenning en signalering van het probleem en/of de vraag, het aanbrengen van samenhang, het voeren van een gesprek over de problematiek als geheel, het doen van een alle problematiek omvattend onderzoek en het verbeteren van afstemming en coördinatie van de voorzieningen. Inwoners kunnen van de gemeente verwachten dat dit onderzoek grondig wordt uitgevoerd en – uiteraard - in samenspraak met de betreffende inwoners. Samen met betrokkenen komt de gemeente tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening en wordt één ondersteuningsplan opgesteld. Daarbij wordt eerst gekeken naar wat de inwoner zelf kan en wat, indien nodig, de omgeving kan bijdragen. Als dat ontoereikend mocht zijn dan organiseert de gemeente ondersteuning op maat. Inwoners houden daarbij zoveel mogelijk zelf de regie; zij kunnen immers zelf het beste aangeven wat nodig is. De resultaten die met/door de betreffende inwoner(
  7. s)moeten worden bereikt staan centraal; niet de organisaties, structuren e.d. Maatschappelijke effectenBinnen Waddinxveen zijn verschillende maatschappelijke effecten vastgesteld, die met deze werkwijze moeten worden bereikt. Deze spelen een belangrijke rol bij de beoordeling van een vraag om ondersteuning en bij het opstellen van een ondersteuningsplan. Waddinxveen is een gemeente waar iedereen tot zijn recht kan komen. Het maakt niet uit welke culturele achtergrond, geslacht, leeftijd, levensovertuiging, talenten en beperkingen iemand heeft. Iedereen neemt op een gelijkwaardige manier deel aan de maatschappij. Mensen worden aangesproken op hun mogelijkheden, niet op hun beperkingen; Inwoners van Waddinxveen zijn zoveel als mogelijk zelfredzaam en participeren naar vermogen in de samenleving, met inzet van hun sociale netwerk, algemene voorzieningen en eventueel professionele ondersteuning als dat nodig is; De vraag naar (individuele) hulp en ondersteuning neemt als gevolg van de beschreven werkwijze af; In Waddinxveen werken we samen aan het doel om mensen steeds op hun eigen kracht en lerend vermogen aan te spreken. De samenwerking tussen- en met andere sectoren, organisaties, verbanden en verenigingen zorgt voor een effectieve en sluitende ondersteuningsstructuur; De buurt of wijk is een prettige woon- en leefomgeving voor alle inwoners; Inwoners van Waddinxveen voelen zich verantwoordelijk voor zichzelf en voor hun sociale netwerk. De inwoners vergroten samen de leefbaarheid in de buurt en signaleren en ondernemen zelf actie als ze zich zorgen maken; Kinderen en jongeren in Waddinxveen tot 23 jaar moeten gezond en veilig kunnen opgroeien tot zelfstandige volwassenen, die naar vermogen actief deelnemen aan het sociale, economische, culturele, educatieve en sportieve leven. Eén verordening voor het gehele sociaal domein Het werken met één verordening voor het gehele sociaal domein zit landelijk gezien nog in de pioniersfase. De gemeente Waddinxveen is een van de eerste gemeenten die vier wetten in één verordening beschrijft. De gemeente gaat daarmee van twaalf verordeningen terug naar één integrale verordening. En daar zijn we trots op. Uiteraard is er de komende jaren evaluatie en bijschaving nodig, maar dit is een grote stap voorwaarts voor onze inwoners. We hopen de werkwijze, regels, rechten en plichten op deze manier zo helder mogelijk te hebben voor onze inwoners, voor het sociaal team en voor andere partners. LeeswijzerNaast het integrale proces in hoofdstuk twee zijn in aparte hoofdstukken bepalingen uitgewerkt die specifiek voor één wet gelden. Het totaal van deze hoofdstukken geeft kaders voor de beslissing op een aanvraag voor een maatwerkvoorziening. Hier geldt altijd dat de bepalingen in de wet voorliggend zijn in geval van tegenstrijdigheden met de verordening. Hierna wordt de verordening artikelsgewijs toegelicht. Hoofdstuk 1 Begrippen In dit hoofdstuk zijn de begrippen opgenomen die in de verordening worden gebruikt. Als een begrip niet nader is omschreven heeft deze dezelfde betekenis als in de Algemene wet bestuursrecht, Jeugdwet, Wmo 2015, Participatiewet, Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs. In dit hoofdstuk zijn met name de begrippen opgenomen die in deze verordening eenzelfde betekenis hebben maar in de verschillende wetten die ten grondslag liggen aan deze verordening een andere begripsomschrijving kennen. Algemeen gebruikelijke voorziening Een algemeen gebruikelijk voorziening voldoet aan drie criteria. De voorziening is: niet speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking; algemeen verkrijgbaar, en; niet of niet veel duurder dan vergelijkbare producten. Hoewel een groot aantal voorzieningen als algemeen gebruikelijk wordt geacht, wordt per inwoner gekeken of een voorziening als algemeen gebruikelijk wordt aangemerkt. Er wordt dan ook geen opsomming gegeven van voorzieningen die voor elke inwoner algemene gebruikelijk zijn. Bij het bepalen of een voorziening algemeen gebruikelijk is wordt gekeken naar de financiële draagkracht en persoonlijke omstandigheden zoals leeftijd en gezinssamenstelling. Algemene voorziening Een algemene voorziening is in beginsel voor iedereen toegankelijk. Om gebruik te maken van een algemene voorziening is geen besluit of indicatie nodig. De term ‘algemene voorziening’ komt uit de Wmo 2015 (Wmo). In de Jeugdwet wordt van ‘overige voorziening’ gesproken. In de Participatiewet, IOAW en IOAZ komt een soortgelijk begrip niet voor. Ook ligt een dergelijk begrip niet ten grondslag aan de regelgeving omtrent het leerlingenvervoer. Dat het begrip algemene voorziening alleen voorkomt in de Wmo en de Jeugdwet geeft aan dat met name bij een ondersteuningsvraag vanuit deze wetten een algemene voorziening ingezet kan worden. Daar waar mogelijk is dit ook het geval bij ondersteuningsvragen op een ander gebied die vallen onder deze verordening. Om deze reden maakt de algemene voorziening onderdeel uit van het integrale afwegingskader. College Het college van burgemeester en wethouders. Het college is bevoegd tot het uitvoeren van de wettelijk kaders. Daar waar nodig kan het college haar bevoegdheden mandateren of delegeren. Eigen plan In de Wmo 2015 is in artikel 2.3.2. de mogelijkheid opgenomen om een persoonlijk plan op te stellen. Dit plan is niet vormvrij en moet voldoen aan het gesteld in de Wmo 2015, artikel 2.3.2 lid 5. In de Jeugdwet is de mogelijkheid genomen om een familiegroepsplan (artikel 1.1) op te stellen. Dit plan is vormvrij. In de Participatiewet (artikel 44a) wordt gesproken over een plan van aanpak. In dat plan wordt, indien van toepassing, de uitwerking van de ondersteuning opgenomen. In ieder geval wordt opgenomen wat de verplichtingen zijn gericht op arbeidsinschakeling en wat de gevolgen zijn als die verplichtingen niet worden nagekomen. Het plan wordt opgesteld door het college en heeft daardoor een ander karakter dan in de Wmo 2015 en de Jeugdwet. In het plan van aanpak wordt rekening gehouden met de mogelijkheden en capaciteiten van belanghebbenden. De IOAW, IOAZ en wetgeving voor het leerlingenvervoer kennen geen bepalingen rondom het opstellen van een plan. In deze verordening maakt het opstellen van een eigen plan wel onderdeel uit van het integrale proces. Het is immers denkbaar dat vanuit de zelfredzaamheid en eigen kracht een inwoner (ook) een eigen plan opstelt voor een vraagstuk binnen deze wetten. In alle gevallen waarin een eigen plan is opgesteld betrekt het college dit bij het beantwoorden van de ondersteuningsvraag. Gebruikelijke hulp Gebruikelijke hulp is de normale, dagelijkse zorg die partners, ouders, inwonende kinderen en/of andere huisgenoten geacht worden elkaar onderling te bieden. Voor kinderen geldt dat er een bandbreedte is in het normale ontwikkelingsprofiel. Ook tussen kinderen van dezelfde leeftijd zonder grondslag kan de omvang van de zorg (per dag) verschillen. Gebruikelijke zorg bij kinderen kan activiteiten omvatten die niet standaard bij alle kinderen voorkomen. Bij gebruikelijke zorg wordt een onderscheid gemaakt in kortdurende en langdurige situaties. Kortdurend: er is uitzicht op herstel. Het gaat hierbij in het algemeen over een periode van maximaal drie maanden. Langdurig: het gaat om chronische situaties waarbij naar verwachting de zorg langer dan drie maanden nodig zal zijn. In kortdurende situaties moet alle ondersteuning door de gebruikelijke verzorger worden geboden, tenzij men hier niet toe in staat is. In langdurige situaties is de zorg waarvan kan worden gezegd dat deze op basis van algemeen aanvaarde maatstaven door de sociale omgeving (ouders, partners, volwassen inwonende kinderen en andere volwassen huisgenoten) aan de inwoner moet worden geboden, gebruikelijke zorg. Inwoner In eerste instantie is een inwoner iemand die woont in de gemeente Waddinxveen. Of een inwoner zijn of haar ondersteuningsvraag aan de gemeente Waddinxveen of aan een andere gemeente moet stellen, verschilt per wettelijk kader. Binnen de Wmo gaat het om de plaats waar het feitelijke hoofdverblijf is. In de regel betekent dit dat een inwoner ook daadwerkelijk ingeschreven staat in de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens (GBA). Dit hoeft echter niet het geval te zijn. In de Jeugdwet is het woonplaatsbeginsel van toepassing. In

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.